Het bericht dat de huishoudelijke verzorging steeds meer plaatsvindt in het zwarte circuit |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Vindt u het acceptabel dat door de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 zorgbehoevende mensen steeds minder een indicatie krijgen voor huishoudelijke verzorging en daardoor steeds vaker zorg moeten inkopen via het zwarte circuit?1
Mensen met een beperking in de zelfredzaamheid kunnen, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), hun ondersteuningsbehoefte bij de gemeente melden. De gemeente is vervolgens gehouden zorgvuldig onderzoek te doen naar de vraag of en in welke mate zij, gegeven de wettelijke kaders en het lokale beleid, in die ondersteuning moeten voorzien. Mensen met een beperkte zelfredzaamheid hoeven dus geen huishoudelijke verzorging in te kopen op de zwarte markt. Voor hen is maatschappelijke ondersteuning beschikbaar en de gemeente is hun aanspreekpunt.
Wanneer iemand, na zorgvuldig onderzoek door de gemeente, niet in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning of daar zelf om andere redenen geen gebruik van wenst te maken, biedt de Regeling dienstverlening aan huis de mogelijkheid om gebruik te maken van een particuliere dienstverlener.
Wat vindt u ervan dat door het uitgeven van minder medische indicaties dit tot problemen zal leiden bij 40% van de mensen die zorg nodig hebben en zij niet in staat zijn om de afname van het aantal uren zorg zelf op te vangen? Was dit de bedoeling van uw beleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
PGGM heeft onderzoek gedaan naar de verwachtingen van PGGM&CO-leden naar de toekomstige situatie. Uit de enquête blijkt dat zij verwachten dat het uitgeven van minder medische indicaties tot problemen kan leiden bij 41% van de cliënten. Van de respondenten geeft 41% aan dat zij een afname van de hoeveelheid hulp die deze cliënten nu krijgen verwachten niet te kunnen opvangen met hulp van vrienden of familie. De onderzoeksresultaten vermelden niet of voor deze mensen de hulp daadwerkelijk afneemt of is afgenomen. Uit deze onderzoeksresultaten blijkt wel dat mensen die hulp nodig hebben, omdat zij niet terug kunnen vallen op familie of vrienden, hulp krijgen. Dat is een gewenste uitkomst van het beleid.
Overigens hecht ik eraan op te merken dat op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 geen medische indicaties worden verstrekt, maar maatschappelijke ondersteuning. Medische zorg is een verzekerd recht in Nederland.
Wat vindt u ervan dat de helft van de thuiszorgmedewerkers bereid is om zwart te gaan werken, zodat ze de zorg kunnen blijven bieden aan hun vaste cliënten? Vindt u dit wenselijk of gaat u hier ingrijpen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit het onderzoek van PGGM blijkt dat de helft van de huishoudelijke hulpen bereid is om zwart te gaan werken, zodat de cliënt de vaste hulp kan behouden. Dat huishoudelijke hulpen hiertoe bereid zijn, is een teken van betrokkenheid van de huishoudelijke hulpen bij het welbevinden van de cliënten voor wie zij werken. Zwartwerken is echter niet de door de regering gewenste oplossing. Particulieren en huishoudelijke hulpen kunnen gebruik maken van de Regeling dienstverlening aan huis.
Hoe oordeelt u over de uitslag van de enquête waaruit blijkt dat 62% van de thuiszorgmedewerkers geen vertrouwen heeft in het krijgen van een baan binnen een jaar? Wat zegt u tegen deze mensen? Dat zij hun baan kwijt zijn omdat de zorg in de toekomst nog betaalbaar moet zijn of gaat u deze thuiszorgmedewerkers helpen aan een baan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het een zorgelijk signaal als 62% van de huishoudelijke hulpen aangeeft geen vertrouwen te hebben in het krijgen van een baan binnen een jaar. Van de respondenten geeft 68% aan geen opleiding te hebben gevolgd. PGGM concludeert om die reden dat de sector deze hulpen weinig toekomstperspectief biedt. Ik deel de bezorgdheid hierover. Om die reden heb ik in overleg met de bonden FNV en CNV en de VNG op 4 december 2015 een maatregelenpakket gepresenteerd dat gericht is op het toekomstperspectief voor de langdurige zorg en ondersteuning. Eén van de uitgangspunten van dit maatregelenpakket is het creëren van nieuw perspectief en het realiseren van nieuwe werkgelegenheid.3 Deze ambitie sluit aan bij de toekomstvisie voor thuisondersteuning die onder regie van de Transitiecommissie Sociaal Domein is opgesteld door gemeenten, aanbieders en bonden.4 Het is belangrijk deze visie de komende periode te realiseren.
Daarnaast is het belangrijk dat de huidige medewerkers goed voorbereid zijn op de veranderingen in de langdurige zorg en ondersteuning. Het kabinet heeft daarom al eerder een aantal specifieke maatregelen genomen, zoals regionale sectorplannen gericht op op-, om- en bijscholing, extra middelen voor persoonlijke dienstverlening door het UWV, het beschikbaar stellen van scholingsvouchers, de beschikbaarheid van Brug WW en extra inzet voor oudere medewerkers in de zorg. Voor een volledig inzicht in de maatregelen op het terrein van de langdurige zorg en ondersteuning verwijs ik naar mijn brief arbeid in zorg en welzijn 2015 van 9 februari 2016.5
Maakt u zich er ook zorgen over dat steeds meer thuiszorgmedewerkers accepteren om zwart te gaan werken, omdat een alternatief ontbreekt? Bent u voornemens een plan te maken, zodat deze thuiszorgmedewerkers weer snel geholpen worden aan een baan? Zo neen, waarom niet?
Uit de onderzoeksresultaten blijkt niet dat het aantal thuiszorgmedewerkers dat zwartwerkt toeneemt. Wel wijzen de onderzoeksresultaten op het risico dat een grotere bereidheid om zwart te werken kan ontstaan. De Regeling dienstverlening aan huis biedt mensen de mogelijkheid om goede afspraken te maken. Een heldere beschrijving van de regels en modelcontracten zijn voor iedereen te vinden op www.rijksoverheid.nl/hulpinhuis.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat thuiszorgmedewerkers die noodgedwongen zwart moeten werken geen sociale rechten opbouwen zoals pensioen, zwangerschapsverlof, doorbetaling bij ziekte etc.? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat alle thuiszorgmedewerkers die nu zwart werken in loondienst worden genomen en de zorg kunnen blijven bieden aan hun vaste cliënten? Zo neen, waarom niet?
Kortheidshalve verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 3, 4 en 5.
Kunt u toelichten hoe de signalerende functie die thuiszorgmedewerkers hebben zich verhoudt tot het werk in het zwarte circuit, aangezien de kwetsbaarheid van cliënten en thuiszorgmedewerkers vergroot wordt als zij overgeleverd worden aan de zwarte markt?
Mensen met en beperkte zelfredzaamheid kunnen zich met hun ondersteuningsbehoefte melden bij de gemeente. Zie in dit verband mijn antwoord op vraag 1. De Regeling dienstverlening aan huis biedt thuiszorgmedewerkers de mogelijkheid om desgewenst, op een verantwoorde manier, toe te treden op de particuliere markt. Zie mijn antwoord op vraag 5.
Hoe waarborgt u de veiligheid van thuiszorgmedewerkers en mensen die een beroep doen op huishoudelijke verzorging als zij in het zwarte circuit belanden en (financieel) uitgebuit worden? Hoe verhoudt dit zich tot uw beleid met betrekking tot geweld in afhankelijkheidsrelaties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als de Regeling dienstverlening aan huis van toepassing is, is de particulier als werkgever verantwoordelijk voor uitbetaling van het wettelijke minimumloon, loondoorbetaling bij ziekte en vakantie en is de particulier aansprakelijk als een bedrijfsongeval plaatsvindt. Het gaat hierbij om handhaving van civiele rechten die uit een arbeidsovereenkomst voortvloeien. Het is dan aan de dienstverlener om zijn werkgever aan te spreken op nakoming van zijn verplichtingen. Komt de particuliere werkgever zijn verplichtingen niet na, dan kan de dienstverlener zich wenden tot de civiele rechter. Daarnaast geldt dat elke werknemer zich in principe kan wenden tot de Inspectie SZW als betaling onder het wettelijk minimumloon plaatsvindt.
In de situatie dat mensen zwartwerken zijn er minder waarborgen voor de veiligheid.
Hoe oordeelt u over de uitslag van de enquête die aangeeft dat in de context van de nieuwe Wmo 2015 er rekening mee gehouden moet worden dat deze zorg via de particuliere of zwarte markt zal gaan groeien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het belangrijk dat voor mensen die zelf huishoudelijke hulp in en om het huis willen regelen voldoende mogelijkheden beschikbaar zijn. Het is daarom positief dat de particuliere markt zich verder ontwikkelt naar de wensen van particulieren. Uit de onderzoeksresultaten blijkt niet dat zwartwerken toeneemt. Wel wordt geconstateerd dat de bereidheid om zwart te werken toeneemt. Daarom investeert de rijksoverheid in goede voorlichting over de Regeling dienstverlening aan huis. Voor mensen met een beperking in de zelfredzaamheid die zijn aangewezen op maatschappelijke ondersteuning door overheid, is en blijft passende hulp beschikbaar.
Hoeveel thuiszorgmedewerkers en alfahulpen zijn ontslagen sinds het kabinet-Rutte II? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op het aantal alfahulpen dat geen contract meer heeft bestaat geen zicht. Hierover zijn geen cijfers voorhanden. Voor inzicht in de ontwikkeling van de arbeidsmarkt en het aantal ontslagen in de thuiszorg verwijs ik naar het rapport Arbeid in Zorg en Welzijn 2015. Dit rapport geeft inzicht in de stand van zaken op de arbeidsmarkt en de vooruitzichten.6
Bent u bereid samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit te zoeken in welke gemeenten het voorkomt dat mensen gedwongen worden om via het zwarte circuit huishoudelijke verzorging te krijgen? Zo ja, wanneer kan de Kamer de uitkomsten verwachten? Zo neen, waarom niet?
Mij zijn geen signalen bekend van gemeenten die mensen dwingen om via het zwarte circuit huishoudelijke verzorging te regelen. Ik zie daarom geen reden tot overleg hierover met de Vereniging Nederlandse Gemeenten.
Doelstelling van de International Labour Organisation (ILO) om uiterlijk in 2016 de ergste vormen van kinderarbeid uit te bannen. |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de ILO-doelstelling om in 2016 de ergste vormen van kinderarbeid uit te bannen? Kent u de motie Schouten/Voordewind1, die verzoekt om het Initiatief Duurzame Handel (IDH) expliciet de ILO-doelstelling voor het uitbannen van de ergste vormen van kinderarbeid in 2016 te laten hanteren en de Kamer over de uitwerking te informeren? Bent u op de hoogte van de «World Day Against Child Labour» op 12 juni?
Ja. De motie Schouten/Voordewind uit 2011 (kamerstuk 26 485, nr 118) roept het IDH op om voortvarend aan de slag te gaan met complexe sociale onderwerpen zoals leefbaar loon en kinderarbeid.
Erkent u dat de ILO-doelstelling nog niet bereikt is, aangezien nog 168 miljoen kinderen arbeid verrichten en meer dan de helft van hen (85 miljoen) werkt onder gevaarlijke omstandigheden?
Ja, we zijn er helaas nog lang niet, al zijn er geen statistieken over het aantal kinderen wereldwijd dat in 2016 nog slachtoffer is van kinderarbeid. Het cijfer van 168 miljoen kinderen stamt uit het ILO-rapport «Global child labour trends 2008 to 2012». In de vier jaren die door dit rapport zijn onderzocht nam het aantal kinderen dat kinderarbeid vervult aanmerkelijk af, van 264 tot 168 miljoen. Het is nog niet duidelijk of die trend in de jaren sinds 2012 is doorgezet. De ILO werkt in een consultatief proces aan een nieuwe publicatie met cijfers over kinderarbeid. Deze publicatie zal in de loop van 2017 verschijnen.
Welke inspanningen heeft Nederland specifiek gedaan voor de genoemde ILO-doelstelling om de ergste vormen van kinderarbeid uit te bannen binnen het tienjarige «2006 Global Action Plan»?
In 2016 heeft Nederland een aantal nieuwe stappen gezet in de strijd tegen kinderarbeid. Er is een Kinderarbeidfonds – in beheer bij RVO – met daarin EUR 5 miljoen bestemd voor matchingvan bijdragen uit het bedrijfsleven aan multi-stakeholderinitiatieven tegen kinderarbeid. De eerste financieringen kunnen naar verwachting na de zomer verstrekt worden. Er is belangstelling getoond vanuit de cacao-, goud- en textielsector. Het bestrijden van kinderarbeid is ook een belangrijk onderdeel van het textielconvenant, dat op 4 juli ondertekend is.
Nederland heeft het EU-voorzitterschap ingezet om kinderarbeid hoger op de agenda te zetten. Dit heeft geresulteerd in EU-raadsconclusies over de bestrijding van kinderarbeid.2 Hierin wordt de Europese Commissie aangespoord om te zorgen dat bestrijding van kinderarbeid behalve in de ontwikkelingsprogramma’s ook een plek krijgt in onderwijs-, landbouw-, MVO- en decent work-programma’s van de EU. Verder worden de Commissie en de Europese diplomatieke dienst (EDEO) opgeroepen extra stappen te nemen om kwetsbare vluchtelingenkinderen te beschermen tegen (arbeids)uitbuiting.
Deze ontwikkelingen in 2016 zijn een aanvulling op eerdere (meerjarige) initiatieven. Nederland heeft in de afgelopen jaren op veel manieren ingezet op de bestrijding van kinderarbeid. De kabinetsreactie3 van vorig jaar op de initiatiefnota van het lid Van Laar over het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid geeft een goed overzicht van Nederlandse inspanningen. De jaarlijkse mensenrechtenrapportages die sinds 2008 aan de Kamer worden gestuurd geven veel aanvullende informatie. De meest recente rapportage, over het jaar 2015, ging de Kamer toe op 21 juni.4
Hoe heeft het IDH de motiedoelstelling verwerkt in de programma’s en wat zijn de resultaten voor de bestrijding van kinderarbeid?
Het IDH werkt aan bestrijding van kinderarbeid op drie niveaus:
Kunt u een overzicht geven van de programma’s waarin het probleem van kinderarbeid speelt en waarin actie is ondernomen tegen de ergste, maar ook alle vormen van kinderarbeid onder de ILO-conventies C182 en C138?
De IDH-programma’s werken aan verduurzaming van de volgende sectoren: cacao, koffie, thee, katoen, palmolie, soja, kweekvis, textiel, tropisch hout, papier/pulp, groente/fruit en specerijen. Het tegengaan van kinderarbeid vergt aandacht in veel agro- en textielketens, met de grootste problemen in de cacao- en katoensector. In al deze programma’s vormt het tegengaan van kinderarbeid onderdeel van de standaarden die IDH binnen de sector wil afspreken.
IDH werkt daarnaast aan schaalbare aanpakken om leefbaar loon te bevorderen, bijvoorbeeld via een publiek-private coalitie in de theesector in Malawi. Bovendien is het bevorderen van de inkomenspositie en levensomstandigheden van boerenfamilies een belangrijke focus van de programma’s.
Wat zijn de resultaten per programma waar kinderarbeid een risicofactor is?
Zie antwoord vraag 5.
Welke lessen heeft het IDH geleerd op het gebied van de (ergste vormen van) kinderarbeid, waarvan ook andere initiatieven en organisaties kunnen leren?
Met de verhoogde inzet is de afgelopen jaren veel ervaring opgedaan over het bestrijden van kinderarbeid. Dit zijn de belangrijkste lessen van het IDH:
Wat doet het IDH op dit moment om alle onder ILO-conventies verboden vormen van kinderarbeid te bestrijden? Welke resultaten hebben deze activiteiten tot op dit moment opgeleverd?
Zie antwoord vraag 5.
Een mbo-school die stopt met beschermde stageplaatsen voor studenten met een lichamelijke beperking, gedragsproblemen of een moeilijke thuissituatie |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Joyce Vermue (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u dat de mbo-instelling Scalda vanwege bezuinigingen vanaf volgend jaar februari geen geld meer heeft voor het studentenbedrijf Inceptio in Vlissingen dat mbo’ers helpt die elders geen stageplaats kunnen vinden in verband met een lichamelijke beperking, gedragsproblemen of een moeilijke thuissituatie?1
Mbo-instellingen hebben de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de beschikbaarheid van een stageplek en het bieden van (extra) ondersteuning aan studenten die dat nodig hebben. Instellingen zijn vrij om keuzes te maken in de manier waarop zij deze (extra) ondersteuning vormgeven. Voor de begeleiding van studenten die meer ondersteuning nodig hebben, faciliteer ik instellingen om een gedegen zorg- en begeleidingsstructuur te bieden. Zo zijn onder andere de voormalige LGF-middelen (circa € 50 miljoen) toegevoegd aan het landelijk budget voor mbo-instellingen en daarmee opgenomen in de jaarlijkse rijksbijdrage van elke instelling (de «lumpsum»). Daarnaast zijn nog aanvullende middelen beschikbaar, zoals de middelen voor schoolmaatschappelijk werk (circa € 15 miljoen) en het vaste en variabele deel van de vsv-prestatiemiddelen (circa € 40, 6 miljoen). Ook kunnen mbo-instellingen regionaal afspraken maken met gemeenten en het voortgezet onderwijs over de inzet van de regionale vsv-middelen voor jongeren met een extra ondersteuningsbehoefte (hieronder vallen ook de middelen voor de plusvoorzieningen).
In het betreffende nieuwsbericht wordt aangegeven dat Scalda geen rijkssubsidie meer ontvangt om Inceptio te kunnen financieren. Er is echter geen directe koppeling tussen de rijkssubsidie en het financieren van Inceptio. Wel wordt in 2016 de ombuiging voor het verkorten van opleidingen uit het Regeerakkoord Rutte-1 (VVD, CDA) structureel en volledig doorgevoerd. Daar staan investeringen via onder andere de kwaliteitsafspraken Rutte-2 (VVD, PvdA) tegenover. Het is uiteindelijk de keuze van de instelling hoe zij hun activiteiten afstemmen op het beschikbare budget.
Wat betekent dit straks voor de stagemogelijkheden van zulke mbo’ers in Zeeland?
Instellingen bepalen zelf op welke manier ze de ondersteuning aan mbo’ers met een lichamelijke beperking, gedragsproblemen of een moeilijke thuissituatie vormgeven met de hen beschikbare middelen. Hetzelfde geldt voor de partners met wie mbo-instellingen samenwerken. Instellingen kunnen deze middelen ook in samenwerking met zorginstanties, gemeenten en het regionale bedrijfsleven inzetten. Scalda heeft er de afgelopen jaren voor gekozen om de (extra) ondersteuning en begeleiding die sommige jongeren nodig hebben bij de stage, vorm te gegeven via het studentenbedrijf Inceptio. Als Scalda ervoor kiest om te stoppen met Inceptio, zal die ondersteuning en begeleiding op andere manieren moeten worden vormgegeven.
Navraag bij Scalda leert dat de aanvullende middelen die mbo-instellingen ontvangen, onder meer worden ingezet op een interne plusvoorziening met onder andere een gedragsdeskundige en extra begeleiding rondom de beroepspraktijkvorming, richting de bedrijven. Ook zijn er jobcoaches voor jongeren in een kwetsbare positie. Scalda is zich bewust van het feit dat ze de plicht hebben om jongeren te plaatsen. Dit doen ze (al) door bijvoorbeeld in gesprek te gaan met bedrijven, te zoeken naar beschermde stageplaatsen, mogelijkheden in de wijk te verkennen en hybride leeromgevingen.
Geldt voor het mbo het streven naar passend onderwijs in dezelfde mate als bij het primair en voortgezet onderwijs?
Ja. Hoewel mbo-instellingen in tegenstelling tot scholen uit het primair en voortgezet onderwijs geen onderdeel uitmaken van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, moeten ze hun studenten evengoed passend onderwijs aanbieden. Ze zijn verplicht studenten met een extra ondersteuningsbehoefte de ondersteuning te bieden die ze nodig hebben, mits dit geen onevenredig beslag legt op de instelling. Mbo-instellingen richten hiervoor een eigen ondersteuningsstructuur in en kunnen hiervoor samenwerken met externe partijen.
Kunt u de volgende afweging van Scalda billijken: «Als we geld steken in Inceptio, dan zouden we minder docenten in kunnen zetten voor gewone lessen. Dat is geen optie. Het is niet gezegd dat deze leerlingen geen stage meer kunnen lopen, maar het zal een stuk lastiger worden.»? Kunt u toelichten waarom?
Zoals aangegeven, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de mbo-instelling om keuzes te maken over hoe zij hun activiteiten afstemmen op het budget dat zij beschikbaar hebben. Ik kan mij voorstellen dat de begeleiding van jongeren met bijvoorbeeld een lichamelijke beperking, gedragsproblemen of een moeilijke thuissituatie, intensiever is. Dat geldt zowel voor het onderwijs als voor het bedrijfsleven. Daarom is het van belang dat in de regio met betrokken partijen (zorginstanties, gemeenten, arbeidsmarktpartijen) afspraken worden gemaakt over de ondersteuning en begeleiding van deze jongeren.
Biedt de regionale arbeidsmarkt in Zeeland voor mbo'ers op niveau 2 voldoende alternatieve mogelijkheden voor stageplaatsen, nu Inceptio gaat wegvallen?
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u zorgen dat binnen of buiten Scalda een oplossing wordt gerealiseerd voor de mbo’ers die tot nog toe via Inceptio aan een stageplaats werden geholpen?
Laat ik vooropstellen dat ik het belangrijk vind dat er voor studenten met een extra ondersteuningsbehoefte voorzieningen worden getroffen om hen te begeleiden tijdens de stage. Daarbij hecht ik aan de vrijheid die instellingen hebben om zelf keuzes te maken over hoe zij het onderwijs inrichten en met welke partners ze daarbij samenwerken. Bovendien denk ik dat de instelling de doelgroep en regio zelf het beste kent. Ik ondersteun instellingen daarbij samen met het Platform Passend Onderwijs MBO. Het Platform Passend Onderwijs MBO deelt tijdens kennisdeling- en professionaliseringsactiviteiten goede voorbeelden van extra ondersteuning tijdens de bpv.
Een Nederlandse die vast zit in Qatar na te zijn verkracht |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Nederlandse studente in Qatar vastgezet nadat ze zegt verkracht te zijn»?1
Zie mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Ten Broeke, Servaes, Knops, Van Bommel, Voordewind, Van der Staaij, Grashoff en Sjoerdsma (VVD, PvdA, CDA, SP, CU, SGP, GL, D66) met kenmerk 2016Z11863 over de arrestatie van een Nederlandse vrouw in Qatar.
Klopt het dat er al sinds maart een Nederlandse toeriste vast zit in een gevangenis in Qatar, nota bene nadat ze is verkracht?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat deze vrouw nog steeds vast zit? Wat heeft u sinds maart gedaan om haar terug te halen naar Nederland? Graag een compleet overzicht.
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de ambassadeur van Qatar te ontbieden en alles in het werk te stellen om deze schandalige gevangenschap zo spoedig mogelijk te beëindigen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht “Modewinkelier staat voor het blok” |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Modewinkelier staat voor het blok»?1
Ja.
Deelt u de mening van de journalist van dit bericht dat de modewinkelier voor het blok staat?
In december 2015 heb ik uw Kamer de brief «Werken aan toekomstbestendige wetgeving: digitale platforms en de deeleconomie, waaronder particuliere verhuur aan toeristen» (Kamerstukken 2015–2016, 33 009, nr. 12) gestuurd. Deze brief en de toelichting op deze brief bevatten het kabinetsstandpunt over platforms. Zoals in deze brief is aangegeven, bieden platforms zoals Zalando kansen voor zowel ondernemers als consumenten. Een platform brengt de vraag van consumenten en het aanbod van ondernemers samen. Een ondernemer, zoals een modewinkelier, kan zijn product via één of meer platforms aanbieden en daarmee proberen een groter publiek te bereiken dan via andere distributiekanalen, zoals de eigen website of een fysieke winkel. Hierdoor kan hij zijn omzet verhogen. Consumenten krijgen via platforms toegang tot een groot en divers aantal producten. Platforms maken het voor consumenten bovendien gemakkelijker om producten te vergelijken. Daarnaast kunnen platforms zorgen voor meer concurrentie tussen ondernemers die hun product op een platform aanbieden, wat tot voordelen voor de consument leidt.
Eén van de modellen die een platform kan gebruiken om inkomsten te vergaren uit de dienst die het aan ondernemers en consumenten levert, is dat ze commissie aan ondernemers vragen voor elk product dat zij via een platform verkopen. Deze commissie kan worden gezien als de prijs die een ondernemer betaalt voor het kunnen aanbieden van zijn dienst via een platform. Het is aan een ondernemer zelf om te bepalen of hij gebruik wil maken van een specifiek platform als verkoopkanaal, of dat hij zijn product via een ander platform of een ander verkoopkanaal, zoals de eigen website, wil aanbieden. Een ondernemer dient zelf de afweging te maken tussen de prijs die hij voor het gebruiken van een platform moet betalen (de commissie) en de voordelen die hij geniet door een groter publiek te bereiken.
Hoe oordeelt u over dit type aanbod van verkoopplatforms met commissiemodellen, zoals Zalando, voor winkeliers?
Zie antwoord vraag 2.
Een ander verkoopplatform, Amazon, heeft net zijn prijzen voor het feestdagenseizoen verdubbeld; kan dezelfde situatie in Nederland ontstaan, waarbij winkeliers geconfronteerd worden met een prijsverhoging vlak voor de feestdagen? Zo ja, wat betekent dit voor het concurrentievermogen van winkeliers?
Bij de beantwoording van deze vraag ga ik ervan uit dat met de prijsverhoging een verhoging van de commissie die een platform aan ondernemers rekent wordt bedoeld. Zoals bij de beantwoording van vraag 2 en 3 is aangegeven, kan de commissie worden gezien als de prijs die een ondernemer betaalt voor die dienst die een platform levert. Wanneer een platform aantrekkelijker wordt voor ondernemers, bijvoorbeeld omdat meer consumenten tijdens de feestdagen gebruikmaken van het platform en meer ondernemers dan hun product via een platform willen aanbieden, kan dit tot een stijging in de commissie leiden. Het is aan een ondernemer om te beoordelen of de voordelen van het aanbieden van een product via een platform opwegen tegen een hogere commissie. Hierbij kan de ondernemer er zelf voor kiezen om zijn product via een ander platform of via een ander verkoopkanaal aan te bieden.
In hoeverre is artikel 24 van de Mededingingswet van toepassing? Wat betekent een dominante marktpositie van Zalando, die kan leiden tot een grote inkoopmacht in de mode- en retailsector? Hoe oordeelt u over deze ontwikkeling?
Naast de voordelen die platforms kunnen bieden, kunnen platforms ook mededingingsrisico’s met zich meebrengen. Deze worden beschreven in de bij de beantwoording van vraag 2 en 3 genoemde brief over digitale platforms en de deeleconomie. Platforms kunnen een economische machtspositie verkrijgen. Het hebben van een economische machtspositie is niet verboden. Deze positie kan namelijk ook het gevolg zijn van succesvolle investeringen en innovatie. Tegelijkertijd ontstaat wel het risico dat platforms een economische machtspositie misbruiken. Er zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn van misbruik wanneer een platform ondernemers die hun product via een platform (willen) aanbieden uitbuit of uitsluit.
Artikel 24 van de Mededingingswet verbiedt misbruik van een economische machtspositie. Dit verbod is van toepassing op ondernemers die goederen of diensten op de markt aanbieden. Dit betekent dat het verbod ook van toepassing is op platforms die aan ondernemers en consumenten een dienst verlenen. De beoordeling of er in een concrete casus sprake is van misbruik van een economische machtspositie, is niet aan mij maar aan de ACM als onafhankelijk toezichthouder. Ondernemers zoals modewinkeliers kunnen een klacht bij de ACM indienen wanneer ze vinden dat een platform zijn economische machtspositie misbruikt.
Hoe verhoudt dit verkoopplatform zich tot artikel 193a en verder van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek? Is hier sprake van oneerlijke handelspraktijken, aangezien de verkoopdata van aangesloten winkeliers bij dit platform terechtkomen? Zo ja, welke bepalingen van die wet betreft het in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
Afdeling 3A van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over oneerlijke handelspraktijken beschermt consumenten tegen misleiding of agressieve benadering als zij een product kopen of dienst afnemen. Voor een platform zoals Zalando is de afdeling over oneerlijke handelspraktijken van toepassing voor zover het platform fungeert als «handelaar». Hiervan is sprake als een platform handelt in het kader van beroeps- of bedrijfsactiviteiten zoals vermeld in artikel 6:193a, onder b, BW. Het gaat hierbij om de relatie tussen handelaren en consumenten. Uit de bepalingen over oneerlijke handelspraktijken volgen geen verplichtingen voor platforms zoals Zalando in hun relatie met ondernemers zoals modewinkeliers die hun producten via het platform aanbieden.
Bent u van plan om in overleg te gaan met Autoriteit Consument en Markt (ACM) tegen de dominante marktpositie van dit verkoopplatform? Zo ja, welke maatregelen overweegt u? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De arrestatie van een Nederlandse vrouw in Qatar |
|
Raymond Knops (CDA), Han ten Broeke (VVD), Joël Voordewind (CU), Harry van Bommel (SP), Kees van der Staaij (SGP), Michiel Servaes (PvdA), Rik Grashoff (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse vrouw al maanden vast in Qatar»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de vrouw in kwestie is opgepakt nadat zij aangifte deed van verkrachting?
Ik kan de arrestatie bevestigen. In aanvulling daarop kan ik melden dat op 13 juni 2016 de Qatarese rechter betrokkene heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke straf en een boete van omgerekend circa 750 euro voor openbare dronkenschap en overspel. Zij is overgebracht naar een uitzetcentrum en kan over enkele dagen Qatar verlaten. De rechter heeft de medeverdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar en een lijfstraf opgelegd.
Kunt u aangeven wat de regering tot nu toe heeft ondernomen om de vrouw in kwestie vrij te krijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken verleent consulaire bijstand aan in het buitenland gedetineerde Nederlanders indien zij dat wensen. Ook aan de persoon in onderhavige zaak heeft het ministerie vanaf het bekend worden van de arrestatie consulaire bijstand verleend. Een medewerker van de ambassade in Doha heeft betrokkene meermaals in de gevangenis bezocht en wekelijks telefonisch contact onderhouden. Verder hebben ambassademedewerkers rechtszittingen bijgewoond om de rechtsgang van betrokkene te volgen. Tot slot heeft de ambassade over deze zaak actief contact onderhouden met de Qatarese autoriteiten. Al deze activiteiten vonden plaats in het kader van het verlenen van consulaire bijstand aan de gedetineerde.
Hoe verloopt het contact met de naasten? Is de ambassade in Doha voldoende geëquipeerd om zowel de vrouw als de naasten voldoende bij te staan?
Een Nederlander die in het buitenland is gedetineerd en aangeeft consulaire bijstand te willen ontvangen, kan één contactpersoon voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken aanwijzen. Deze contactpersoon wordt door het departement op de hoogte gehouden van de situatie van de gedetineerde. Om privacyredenen en om misverstanden tegen te gaan, verstrekt het ministerie zonder toestemming van betrokkene geen informatie aan andere personen, inclusief (naaste) familieleden. Ook betrokkene in deze zaak had een contactpersoon aangewezen.
Kunt u bevestigen dat de ambassade de meest recente zitting zou bijwonen maar zonder opgaaf van redenen verstek heeft laten gaan?
Zie ook antwoord op vraag 3 over het bijwonen van zittingen. Op één zitting na heeft de ambassade alle rechtszittingen bijgewoond. In totaal heeft de ambassade vijf rechtszittingen bijgewoond, waaronder de laatste zitting op 13 juni 2016. Bij één van deze vijf rechtszittingen was betrokkene zelf niet aanwezig.
Kunt u bevestigen dat de ambassade betrokkene pas na drie weken bezocht?
Nee. Betrokkene is op 20 maart 2016, vier dagen na de arrestatiemelding bij de ambassade c.q. een week na haar arrestatie bezocht.
Heeft de vrouw in kwestie inmiddels gezondheidsgerelateerde en geestelijke bijstand gekregen?
Zoals aangeven in het antwoord op vraag 3 hebben ambassademedewerkers betrokkene in de gevangenis meermaals bezocht. Ook is betrokkene medisch onderzocht. Betrokkene heeft geen bezoek ontvangen van een vrijwilliger van één van de Nederlandse organisaties voor sociale, maatschappelijke of geestelijke zorg.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in elk geval zodra er ook juridische duidelijkheid is over de aanklacht die maandag in zitting wordt geformuleerd?
Het bericht dat relatie- en concurrentiebeding voor vrije zorgkeuze gaat |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de rechter in het geding tussen De Karmel en de vier gezinshuizen?1
Ik betreur het zeer dat de jongvolwassenen die nu in de desbetreffende gezinshuizen wonen, mogelijk nadeel ondervinden van een zakelijk conflict tussen de zorgaanbieder en de onderaannemers (de gezinshuizen). Ik vind dat partijen het belang van de cliënt altijd centraal moeten hebben staan.
Vindt u het wenselijk dat het relatie- en concurrentiebeding prevaleert op de vrije zorgkeuze in de situatie van deze hulpbehoevende jongvolwassenen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De rechter is alles overwegende tot het oordeel gekomen dat hij geen aanleiding ziet om het concurrentie- en het relatiebeding te schorsen. Deze uitspraak dient gerespecteerd te worden. De rechter overweegt dat de gezinshuizen het relatie- en concurrentiebeding nu eenmaal zijn overeengekomen, in een samenwerkingsovereenkomst die met inachtneming van een termijn van zes maanden opzegbaar was. Het was bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk dat het tot een rechtsgeldige opzegging zou kunnen komen en dat de gezinshuizen dan beperkt zouden zijn in hun mogelijkheden. Hierbij neemt de rechter tevens in aanmerking dat de bewoners een overeenkomst met De Karmel hebben en niet met de gezinshuizen. Uit de individuele zorgovereenkomsten kan volgens de rechter niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat de bewoners voor onbepaalde tijd in hetzelfde huis en bij dezelfde gezinsouders kunnen blijven wonen. In de aard van de overeenkomsten ligt besloten dat de nieuwe bewoners met een nieuwe situatie geconfronteerd kunnen worden, hoe vervelend dat ook is voor hen. Indien de bewoners met een dergelijke situatie niet tevreden zijn, kunnen zij de overeenkomst met De Karmel opzeggen en elders een zorgovereenkomst sluiten.
Ik vind echter wel dat partijen de verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat de jongvolwassenen geen tot zo min mogelijkheid nadeel ondervinden van de ontstane situatie en de continuïteit van zorg gewaarborgd wordt.
Acht u deze uitspraak in lijn met de gedachte achter de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Jeugdwet, waarin een grote mate van keuzevrijheid voor de zorgbehoevende is opgenomen?
Keuzevrijheid is belangrijk. Het versterkt de positie van de cliënt en draagt ook bij aan de kwaliteit van de zorg. Daarom schrijft de Wet langdurige zorg voor dat de Wlz-uitvoerder de verzekerde de keuze laat uit alle geschikte, gecontracteerde zorgaanbieders die deze verzekerde de zorg op redelijke termijn kunnen verlenen en schrijft de Jeugdwet voor dat de gemeente de jeugdige en zijn ouders, voor zover redelijkerwijs mogelijk, keuzevrijheid wordt geboden. In de situatie waar de rechter nu een uitspraak over heeft gedaan zijn de specifieke omstandigheden en belangen afgewogen, waaronder het belang van keuzevrijheid van de cliënt.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich, gelet op de grote moeite die ouders aangeven te hebben of verwachten te krijgen bij het vinden van een nieuw gezinshuis, tot de ambitie van dit kabinet om zoveel mogelijk in gezinsvervangende huizen te plaatsen? In aanvulling daarop, hoe verhoudt deze uitspraak zich tot artikel 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Indien het zo ver komt dat de kinderen uit het gezinshuis moeten worden geplaatst, dan zal in eerste instantie de verantwoordelijkheid voor een nieuw gezinshuis bij de zorgaanbieder liggen. De kinderen hebben namelijk een lopende zorgovereenkomst met de aanbieder. De Karmel heeft al aangegeven de komende periode te willen gebruiken om in gesprek te gaan met de kinderen en de gezinsouders om tot een passende oplossing te komen. Indien de aanbieder niet tot een passend zorgaanbod kan komen of de cliënt de zorgovereenkomst opzegt, dan is het aan de gemeente (in het geval er sprake is van jeugdhulp) of het zorgkantoor (in het geval er sprake is van een Wlz indicatie) om voor een passend zorgaanbod te zorgen conform artikel 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Acht u de met deze uitspraak ontstane situatie een goede reactie op het door de Kinderombudsman gegeven advies om zoveel mogelijk kinderen op te laten groeien in een gezin of gezinshuis? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Ik zie geen directe relatie tussen de ontstane situatie in deze casus en het advies van de Kinderombudsman. Daarnaast heb ik aangegeven bij mijn antwoord op vraag 4, dat partijen de verantwoordelijkheid hebben om voor deze bewoners (indien nodig) een ander gezinshuis te vinden.3
Bent u van mening dat met deze uitspraak recht wordt gedaan aan «het recht op perspectief voor de kwetsbare partij»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Hoe gaat u er in deze situatie voor zorgen dat de kinderen hun vertrouwde zorg niet kwijtraken en tussen wal en schip vallen?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Wat is uw reactie op het beloningsbeleid van De Karmel?3
Het CIBG zal, als de verantwoordelijke toezichthouder op grond van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke – en semi-publieke sector, een onderzoek instellen naar de bezoldiging van het management van De Karmel.
Omzeilt De Karmel met de holdingconstructie het verbod op winstuitkering? Zo ja, hoe gaat u deze constructie stoppen en bent u bereid te onderzoeken of er nog meer organisaties in Nederland via een dergelijke constructie winst uitkeren? Indien De Karmel het verbod op winstuitkering niet omzeilt, bent u van mening dat dit een wenselijke ontwikkeling is? Zo nee, hoe gaat u deze ontwikkeling een halt toe roepen?
In de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) is bepaald dat aan instellingen met een winstoogmerk slechts een toelating kan worden verleend indien die instelling een bij het uitvoeringsbesluit WTZi gespecificeerde vorm van zorg aanbiedt. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt toezicht op de WTZi en daarmee ook op de naleving van het winstverbod. De IGZ is bezig deze casus nader uit te zoeken. Het onderzoek van de IGZ hiernaar is in volle gang en ik kan niet vooruitlopen op de inhoud en de uitkomsten. Indien het verbod wordt overtreden zal handhavend worden opgetreden.
Wat gaat u er tenslotte aan doen om ervoor te zorgen dat financiële belangen niet meer voorgaan op de belangen van kwetsbare kinderen?
Zoals ik onder andere heb aangegeven bij mijn antwoord op vraag 1, vind ik dat partijen het belang van de cliënt centraal moeten stellen en hier ook naar moeten handelen. Cliënten moeten geen hinder ondervinden van een zakelijk conflict. Het is vooral aan de contracterende partij, in dit geval de gemeente en het zorgkantoor, om hierop toe te zien en aanbieders hierop te wijzen. Dit gebeurt ook in de praktijk. Ik heb ook begrepen dat de gemeente Lingewaard, waar De Karmel actief is, met alle betrokken partijen in overleg is om de belangen van cliënten vooral niet in het geding te laten komen.
Kunt u deze vragen vóór het Algemeen overleg Jeugdhulp voorzien op 30 juni 2016 beantwoorden?
Dit is in verband met het opvragen van de benodigde achtergrondinformatie niet gelukt.
De noodzaak tot het verduurzamen van voedsel, mede via prijsprikkels |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Food Systems and Natural Resources» van het International Research Panel (IRP), waaruit blijkt dat de wereldwijde voedselvoorziening ingrijpend moet worden verduurzaamd om te kunnen garanderen dat toekomstige generaties voldoende voedsel zullen hebben?1
Ja.
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de overheid bij die verduurzaming een belangrijke rol kan spelen door bijvoorbeeld meer mensen te wijzen op het belang van duurzaam voedsel via onderwijs en voorlichting, door duurzame voedselproductie te stimuleren en door te stoppen met het bemoedigen van milieuschadelijke voedselproductie?
Ja, ik deel de conclusie dat de overheid een belangrijke rol kan spelen bij de verduurzaming van de voedselketen. In de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Naar een voedselbeleid» (Kamerstuk 31 532, nr. 156, d.d. 30 oktober 2015) is aangegeven op welke wijze het kabinet hier aan werkt.
Hoe beoordeelt u de conclusies van het IRP dat externaliteiten zoals milieuschade, dierziekten, waterschaarste en biodiversiteitsverlies veel sterker in de prijs van voedingsproducten verdisconteerd dienen te worden? Hoe kan de overheid hierin volgens u een rol spelen? Staat u open voor de oproep van het IRP om via belastingheffingen deze externaliteiten te beprijzen? Zo ja, bent u bereid op korte termijn voorstellen naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om aanvullend onderzoek te verrichten naar het invoeren van dit soort Pigouviaanse belastingen in productieketens? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de zichtbaarheid wordt vergroot van kosten die binnen ketens gemaakt worden. Duidelijk moet zijn wat de daadwerkelijke kosten zijn van voedselproductie, die nu als «externaliteiten» op het milieu en de biodiversiteit worden afgewenteld. De vraag is hoe die kosten inzichtelijk kunnen worden gemaakt en vervolgens verrekend. Dit is echter geen eenvoudige exercitie. De primaire functie van belastingen is het verkrijgen van middelen ter dekking van overheidsuitgaven. Een secundair effect van belastingen kan een prijsprikkel zijn die bepaalde gedragingen ontmoedigt of juist stimuleert. Via de energiebelasting en accijnzen worden diverse externaliteiten beprijsd, rekening houdend met grenseffecten en het internationale speelveld voor onze industrie. Het kabinet is geen voorstander om het instrumentele gebruik van belastingheffing op dit moment te verbreden. Er zijn minder belastende opties dan belastingheffing te bedenken om externaliteiten in de prijs van producten en diensten tot uitdrukking te brengen. In de kabinetsreactie op het WRR-rapport is toegezegd in overleg met bedrijfsleven en maatschappelijke partijen voor enkele sectoren te verkennen hoe «true pricing» de transitie naar duurzaamheid kan ondersteunen. Er is inmiddels opdracht gegeven voor dit onderzoek. Uw Kamer zal hierover in de tweede helft van 2016 worden geïnformeerd.
Deelt u de conclusies van het IRP dat de overheid ook een belangrijke bijdrage kan leveren aan het duurzaam maken van onze voedselvoorziening door te stoppen met het direct of indirect subsidiëren (via belastingvoordelen) van niet-duurzame producten, zoals de subsidies voor de visserij? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het subsidiëren van niet-duurzame producten ongewenst is. Om die reden worden subsidies onder andere ingezet voor verduurzaming van de landbouw. Voor de visserijsector geldt dat verduurzaming het belangrijkste doel is van de subsidies in het kader van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij.
Deelt u de conclusie van het IRP dat het gebruik van fossiele brandstoffen bij het produceren van voedsel ontmoedigd moet worden, en dat de overheid hierin een belangrijk rol kan spelen door bijvoorbeeld te stoppen met voordelige belastingregelingen te treffen in relatie tot het gebruik van fossiele brandstoffen bij het produceren van voedsel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinetsbeleid is erop gericht om het gebruik van fossiele brandstoffen in Nederland te verminderen. Dit blijkt uit de inzet voor energiebesparing en verduurzaming (bijvoorbeeld via gerichte inzet voor geothermie) zoals bij de glastuinbouw. Het kabinet deelt de visie van deze sector om voor 2050 netto CO2-neutraal te kunnen produceren. Ook in andere landbouwsectoren zijn er duidelijke initiatieven om hernieuwbare energie te benutten voor hun productie, denk daarbij bijvoorbeeld aan de zonnepanelen op boerendaken.
Overigens zijn de conclusies van IRP gericht op voedselsystemen in mondiale context. De aanbevelingen die IRP noemt zijn locatie en context specifiek volgens IRP. Een (flink) deel van de IRP-aanbevelingen zijn in de Nederlandse land- en tuinbouw al gerealiseerd, zoals een verregaande energie-efficiency in de voedselproductie.
Volgt u het advies van het IRP op om een nationale voorlichtingscampagne te beginnen waarbij burgers inzicht wordt gegeven in de impact van voedselproductie op natuur, milieu en de hoeveelheid grondstoffen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit uitvoeren? Bent u ook bereid om scholen op te roepen in het curriculum lessen op te nemen over duurzaam voedsel? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Er wordt reeds door verschillende instanties en NGO’s (Voedingscentrum, Milieu Centraal, Natuur en Milieu e.d.) voorlichting gegeven aan burgers over de impact van voedselproductie op natuur, milieu en de hoeveelheid grondstoffen. Scholen hebben daarbij een eigen verantwoordelijkheid om aandacht te besteden aan voeding.
Ik wil actief inzetten op educatie over gezond èn duurzaam voedsel op scholen. Vanuit mijn ministerie wordt de inzet (onder de noemer)» Jong leren eten», met inbreng vanuit Smaaklessen en de EU Schoolfruitregeling, in overleg met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samengebracht met het lopende programma Gezonde School.
Het bericht dat de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (VN) is gechanteerd door Saudi-Arabië |
|
Michiel Servaes (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Saudi-Arabië chanteerde VN-chef om zwarte lijst»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevindingen in het Children and Armed Conflict report2, maar ook in eerdere rapporten zoals die van het UN Panel of Experts on Yemen van 22 januari3 en in onderzoeken van organisaties als Amnesty4, dat de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië verantwoordelijk is voor een groot gedeelte van de kinderslachtoffers in Jemen, onder meer door het bombarderen van scholen en ziekenhuizen?
Het kabinet vindt de bevindingen in de aangehaalde rapporten zeer verontrustend. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de gevolgen die de oorlogvoering in Jemen, door zowel de door Saoedi-Arabië geleide coalitie als de Houthi/Saleh alliantie, heeft voor kinderen en beschermde burgerobjecten, zoals scholen en ziekenhuizen.
Deelt u de mening dat het in het licht van bovengenoemde bevindingen onvoorstelbaar is dat de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië wordt geschrapt uit de lijst van kinderrechtenschenders? Zo nee, waarom niet?
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (SGVN) publiceert jaarlijks een rapport over de wereldwijde situatie rondom kinderen in gewapend conflict. De Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN voor Kinderen en Gewapend Conflict, Leila Zerrougui, stelt dit rapport op, op basis van haar onafhankelijke mandaat. Bij het rapport wordt een «zwarte lijst» als annex opgenomen, waarin landen en organisaties genoemd worden die volgens de VN ernstige schendingen begaan tegen kinderen in gewapend conflict.
Dit jaar is de coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië opgenomen in de zwarte lijst behorend bij het definitieve, door de SGVN vastgestelde rapport, vanwege de daarin geschetste gevolgen die de luchtbombardementen in Jemen voor kinderen hebben. Na publicatie van het rapport is de coalitie alsnog van deze zwarte lijst verwijderd, hangende een nader feitenonderzoek.
De SGVN noemde het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek een vanzelfsprekend en noodzakelijk onderdeel van het werk van de VN en noemde het «onaanvaardbaar» dat lidstaten hierop buitensporige politieke druk uitoefenen.
Het kabinet onderschrijft deze uitspraken van de SGVN en keurt elke politieke druk van landen om niet opgenomen te worden in de zwarte lijst af. Dit soort situaties ondermijnt de geloofwaardigheid van de Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN en de neutraliteit van de VN. Het kabinet benadrukt het belang van onafhankelijke informatievergaring en rapportage over schendingen begaan tegen kinderen in conflictsituaties. Het onafhankelijke mandaat van de Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN, op basis waarvan het rapport wordt opgesteld, is noodzakelijk om tot deze informatievergaring en rapportage te komen.
Het kabinet overlegt binnen de EU en met partners binnen de Group of Friends on Children and Armed Conflict op welke wijze gezamenlijk op deze situatie te reageren en publiekelijk steun uit te spreken voor het onafhankelijke mandaat van de Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië is geschrapt uit de lijst van kinderrechtenschenders na politieke druk vanuit Saudi-Arabië en haar bondgenoten? Kunt u bevestigen dat dit het geval is? Zo nee, kunt u aangeven wat dan de reden is van de schrapping?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het buitengewoon slecht is voor de geloofwaardigheid van de VN dat de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië is geschrapt van de lijst, en zeker wanneer dit inderdaad het resultaat is van politieke chantage? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om, dan wel namens Nederland dan wel in uw rol als EU-voorzitter, bij de VN te benadrukken dat schrapping van de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië uit de lijst met kinderrechtenschenders onacceptabel is, en te pleiten voor handhaving van de oorspronkelijke lijst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De geschillencommissie onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het geluidsfragment dat hoort bij het bericht «Beroepsverboden in de zorg in vijf jaar meer dan verdubbeld», waarin wordt gesteld dat er een geschillencommissie aankomt die toegankelijker moet zijn voor de patiënt om naar toe te stappen dan de mogelijkheden in het huidige systeem?1
Ja.
Klopt het dat voor de uitvoering van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) men ervan uit gaat dat per 1 januari 2017 laagdrempelige, erkende, geschillencommissies beschikbaar zullen zijn waar mensen terecht kunnen met vragen over kwaliteit, klachten of geschillen?
Ja. De Wkkgz verplicht zorgaanbieders om vanaf 1 januari 2017 aangesloten te zijn bij een geschilleninstantie die tot taak heeft om geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten. Representatief te achten (branche-)organisaties van zorgaanbieders hebben de keuze om zelf samen met cliëntenorganisaties een dergelijke geschilleninstantie op te richten dan wel om aansluiting te zoeken bij een bestaande geschilleninstantie.
Kunt u aangeven hoeveel geschillencommissies op dit moment al een officiële erkenning hebben gekregen, zodat ze vanaf 1 januari 2017 van start kunnen?
Op dit moment heb ik nog geen erkenning verleend voor een dergelijke geschilleninstantie.
Heeft u signalen ontvangen vanuit het veld dat de tijd begint te dringen, en er nog geen geschillencommissies erkent zijn?
Ik heb begrepen dat het veld druk bezig is met het inrichten van geschilleninstanties op basis van de Wkkgz. Zo hebben verschillende brancheorganisaties en cliëntenorganisaties recent een programma van eisen opgesteld voor de inrichting van geschilleninstanties. Het is nu aan de betrokken partijen om de opties voor daadwerkelijke instelling van geschilleninstanties te verkennen. De partijen hebben nog een half jaar de tijd. Naar verwachting zullen de komende maanden de benodigde erkenningen worden verleend.
In hoeverre kunt u toezeggen dat de uitvoering van de wet naar behoren zal verlopen, en verzekerden en patiënten vanaf 1 januari 2017 laagdrempelig bij een geschillencommissie terecht kunnen?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat partijen vanaf 1 januari 2017 niet aan deze verplichting zouden kunnen voldoen.
Het bericht dat opvang wordt geweigerd aan (zieke) vreemdelingen die bereid zijn om het land te verlaten |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (SP), Attje Kuiken (PvdA), Linda Voortman (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ter Apel weigert zieke vreemdelingen»?1
Ja.
Kunt u reageren op de veronderstelling van het artikel dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) opvang onthoudt aan vreemdelingen die hebben aangegeven te willen meewerken aan vertrek?
De veronderstelling van het artikel is onjuist. In het algemeen geldt dat onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel beschikbaar is voor vreemdelingen die de bereidheid tonen om actief te werken aan terugkeer naar hun land van herkomst, of een derde land waar de toegang voor de betreffende vreemdeling is gewaarborgd. Wanneer een vreemdeling zich meldt bij de VBL en verzoekt om onderdak, wordt door een regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) met de vreemdeling een persoonlijk gesprek gevoerd, waarin onder andere wordt gevraagd naar de bereidheid van de vreemdeling om actief te werken aan zijn of haar terugkeer. Op basis van dit gesprek en hetgeen reeds bij DTenV bekend is over de inspanningen van de vreemdeling op basis van zijn of haar dossier, wordt beoordeeld of er daadwerkelijk gesproken kan worden van bereidheid tot het actief meewerken aan vertrek. Bij deze beoordeling wordt onder andere meegewogen in hoeverre de vreemdeling reeds zelfstandig heeft geprobeerd om documenten ten behoeve van zijn of haar vertrek uit Nederland te bemachtigen en bereid is om relevante informatie te verstrekken die nodig is om de terugkeer te kunnen realiseren.
Wanneer de regievoerder op basis van de beoordeling concludeert dat er voldoende aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling die om onderdak in de VBL verzoekt daadwerkelijk bereid is om terug te keren dan kan de vreemdeling toegang tot de VBL verkrijgen en kan de DT&V hem of haar bij het regelen van het vertrek ondersteunen.
Het komt echter ook voor dat een vreemdeling die zich met een verzoek om onderdak bij de VBL meldt wel stelt te willen terugkeren, maar niet in het bezit is van documenten, niet eerder heeft getracht om documenten te verkrijgen en verder geen relevante informatie kan of wil verstrekken die noodzakelijk is om de terugkeer daadwerkelijk te kunnen realiseren. Ook zijn er gevallen bekend van vreemdelingen die aangeven naar een derde land wensen te vertrekken, waarvan op basis van hun dossier niet kan worden aangenomen dat persoon aldaar zal worden toegelaten c.q. zal worden teruggestuurd, omdat van dat land bekend is dat het ook geen asiel verleent aan dergelijke aanvragers en er geen andere gronden voor toelating (zoals familierelaties) kunnen worden aangetoond. In zulke gevallen verleent Nederland logischerwijs geen medewerking aan dat vertrek. In deze situaties kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van actieve medewerking aan terugkeer en kan de toegang tot de VBL worden geweigerd. Dit afwegingskader is bevestigd in de uitspraak van de Raad van State van 26 november 2015 (kenmerk 201500577/1/V1).
Kunt u aangeven hoe het bovenstaande zich verhoudt met het uitgangspunt van het kabinet dat uitgeprocedeerde asielzoekers in beginsel het land dienen te verlaten en dat een uitgeprocedeerde vreemdeling recht heeft op opvang wanneer de vreemdeling zich bereid heeft getoond het land daadwerkelijk te willen verlaten?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de afgelopen maanden aan verschillende uitgeprocedeerde vreemdelingen opvang is geweigerd ondanks een verklaring dat ze willen meewerken aan vertrek? Is het waar dat opvang is geweigerd vanwege onvoldoende «zicht op terugkeer»? Kunt u aangeven waarom deze vreemdelingen, ondanks de bereidheid om terug te keren, maar voor wie klaarblijkelijk «onvoldoende zicht op terugkeer bestaat», geen aanspraak kunnen maken op de buitenschuld-regeling?
Het is in algemene zin juist dat niet alle vreemdelingen die verzoeken om onderdak in de VBL daadwerkelijk tot de VBL worden toegelaten. Dit gebeurt in de gevallen zoals in de laatste alinea van het antwoord op vraag 2 en 3 is beschreven. Om in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning als vreemdeling die buiten zijn of haar schuld niet uit Nederland kan vertrekken, dient een vreemdeling onder andere aannemelijk te maken dat hij of zij in eerste instantie zelfstandig heeft geprobeerd om het vertrek uit Nederland te realiseren. Die voorwaarde is in de algemene typering van veel van deze casussen dus niet vervuld.
Hoe verhoudt zich dit bovendien met de motie Voordewind/Voortman waarin de regering wordt verzocht de handelwijze van de Pauluskerk over te nemen om zodoende de vrijwillige terugkeer te bevorderen? Op welke wijze draagt deze handelwijze van de DT&V aan het daadwerkelijk vertrek van deze vreemdelingen?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld in antwoord op Kamervragen met kenmerk (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2134) betrek ik de strekking van de motie Voordewind/Voortman bij de gesprekken over het bestuursakkoord met de gemeenten. De handelwijze van de DTenV draagt in die zin bij aan het vertrek van deze vreemdelingen dat door het stellen van heldere voorwaarden aan de toegang tot de VBL- er wordt daadwerkelijk gekeken of er sprake is van een actieve bereidheid om terug te keren- geen valse verwachtingen worden gewekt bij vreemdelingen die overwegen zich bij de VBL te melden.
Wanneer kan de Kamer de uitwerking van het bed-bad-broodakkoord verwachten? Kunt u aangeven waarom deze uitwerking nog altijd op zich laat wachten?
Ik heb uw kamer hierover op 22 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 19 634 nr. 1994). Er is nog geen onderhandelingsakkoord en totdat dit bereikt is doe ik geen mededelingen over de inhoud van de onderhandelingen.
Kunt u reageren op het feit dat een groep van tien «medisch kwetsbare» vreemdelingen per 1 juli de 24-uursopvang dienen te verlaten? Deelt u de mening dat het alternatief – een beperkte opvang voor enkele uren per dag – deze medisch-kwetsbare groep nodeloos in medische problemen brengt? Acht u het aanvaardbaar dat vreemdelingen die behoefte hebben aan medische begeleiding hierdoor op straat komen te staan?
Het door u genoemde besluit is genomen door de gemeente Amsterdam en voor verantwoording van diens gemeenteraad.
In algemene zin geldt dat de gemeenten met zogenaamde bed-bad-brood voorzieningen deze in de huidige situatie, zonder bestuursakkoord, nog ieder op eigen wijze invullen en zelf over de toegang tot de voorzieningen beslissen.
Voorts deel ik de mening dat uitgeprocedeerde vreemdelingen die medisch kwetsbaar zijn de juiste zorg nodig hebben. In Nederland heeft ook iedereen recht op medisch noodzakelijke zorg. Hierbij kan het gaan om zowel somatische als psychische zorg. Het is aan een arts om te bepalen of iets medisch noodzakelijk is. Op grond van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet kunnen zorgverleners ook (een deel van) de kosten vergoed krijgen.
Voor uitgeprocedeerde asielzoekers die onderdak krijgen in de vrijheidsbeperkende locaties (VBL) is de eerstelijns zorg op de locatie beschikbaar. Overigens geldt ook hier het principe van medisch noodzakelijke zorg. Tegenover de mogelijkheid tot onderdak in de VBL staat wel, dat er van deze personen gevraagd mag worden blijk te geven van actieve medewerking aan terugkeer. Dit wederom conform de uitspraak van de Raad van State (kenmerk 201500577/1/V1).
Voor vreemdelingen die ziek zijn geldt overigens dat zij een beroep kunnen doen op artikel 64 Vw. Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wordt verleend wanneer de vreemdeling of één van zijn gezinsleden vanwege medische problemen niet in staat is om te reizen. Uitstel van vertrek wordt ook verleend indien stopzetting van de medische behandeling tot een medische noodsituatie leidt en de behandeling van de medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst.
Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wordt voor maximaal één jaar verleend. Als de behandeling naar verwachting korter dan een jaar duurt, wordt artikel 64 Vw alleen voor die periode toegepast. Indien de medische klachten langer aanhouden, kan de vreemdeling aansluitend aan een periode van uitstel van vertrek een verblijfsvergunning medisch (vvr medisch) aanvragen. De vreemdeling wordt dan vrijgesteld van een aantal vereisten, namelijk de machtiging tot voorlopig verblijf en de financiering van de behandeling Specifiek voor uitgeprocedeerde asielzoekers en asielzoekers die zich in de hoger beroepsprocedure bevinden geldt daarnaast dat zij onder bepaalde voorwaarden, in aanmerking kunnen komen voor opvang tijdens de behandeling van de aanvraag ex artikel 64 Vw (Motie Spekman).
Het wel produceren van rapporten maar niet repareren van de schade |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en het Centrum Veilig Wonen (CVW), die wel rapporten produceren, maar de schade niet repareren?1
Ja.
Is het waar dat er voor 25.000 euro aan rapporten is geproduceerd, terwijl de informatie over het desbetreffende huis al voorhanden was?
Het past mij als Minister niet om uitgebreid in te gaan op de details van een individueel schadegeval. Wel kan ik u mededelen dat in deze zaak inmiddels overeenstemming is bereikt waardoor de herstelwerkzaamheden van start kunnen gaan. Verder merk ik in algemene zin op dat het CVW, naar aanleiding van signalen uit de regio, werkt aan verbetering van de werkwijze, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan verbetering van de communicatie.
Is het waar dat dit bedrag hoger is dan de daadwerkelijke schade?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de NAM, het CVW en Arcadis zelden of nooit terugbellen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kunt u of de Nationaal Coördinator Groningen ervoor zorgen dat voor dit soort reparaties sneller groen licht wordt gegeven?
De gemiddelde tijd die schadeafhandeling in beslag neemt is sinds de oprichting van het CVW al sterk teruggedrongen. De snelheid waarmee een specifieke schademelding kan worden afgehandeld is echter mede afhankelijk van de complexiteit van de herstelwerkzaamheden.
De beperking van de vrijheid van meningsuiting in India |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Stifling Dissent – The Criminalization of Peaceful Expression in India» van Human Rights Watch en de juridische analyse van VN-rapporteur Maina Kiai over de Indiase wet die buitenlandse giften aan Indiase organisaties reguleert?1
Ja
Deelt u de analyse van het rapport van Human Rights Watch dat de Indiase autoriteiten routinematig vaag geformuleerde, te brede wetten als politieke wapens gebruiken om critici het zwijgen op te leggen en te intimideren, en die van de VN-rapporteur dat de wet niet in overeenstemming is met het internationaal recht en met internationale richtlijnen en normen en de regering ruime discretionaire bevoegdheden geeft die op willekeurige en onvoorspelbare wijze kunnen worden toegepast?
Het kabinet is niet van mening dat Indiase autoriteiten routinematig vaag geformuleerde wetten gebruiken om critici het zwijgen op te leggen. De vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de Indiase Grondwet en India kent een democratisch gekozen parlement, een democratisch gekozen regering en een onafhankelijke rechtspraak. Daarnaast is er sprake van een levendig maatschappelijk middenveld. Ook spelen diverse nationale media in India een belangrijke rol in maatschappelijke discussies en stellen zij misstanden aan de orde.
Wetgeving kan niettemin mogelijk beperkend zijn voor de vrijheid van meningsuiting, zoals de wet die vrijheid van meningsuiting kan beperken op internet (Information Technology Act). Ook de Indiase wet die buitenlandse giften aan Indiase organisaties reguleert, kan beperkend werken t.a.v. de financiering van het maatschappelijk middenveld. De Nederlandse overheid deelt de zorgen van VN-rapporteur Maina Kiai over de wet m.b.t. buitenlandse giften zoals beschreven in «Analysis on International Law, Standards and Principles applicable to the Foreign Contributions Regulation Act 2010 and Foreign Contributions Regulation Rules 2011». Dergelijke wetgeving kan in India door de rechter worden getoetst aan de Grondwet. Zo heeft het Hooggerechtshof in India in maart 2015 ingegrepen omdat zij van mening was dat Section 66A van de Information Technology Act incompatibel was met het recht op vrijheid van meningsuiting zoals in de Grondwet is vastgelegd.
Bent u bereid deze zeer zorgelijke ontwikkelingen bij de Indiase regering aan te orde te stellen? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
De Nederlandse overheid zoekt blijvend de dialoog met India over mensenrechten en de rol van non-gouvernementele organisaties, hetzij bilateraal, hetzij in EU en multilateraal verband. Nederland benadrukt daarbij het belang van een breed en vocaal maatschappelijk middenveld voor een goed functionerende democratische rechtsstaat. Een kritisch maatschappelijk middenveld dat vrij is om zijn mening te geven, draagt bij aan het maatschappelijk debat over actuele ontwikkelingen en het functioneren van de overheid. Meest recent heeft Nederland dit onderwerp aan de orde gesteld tijdens de hoog ambtelijke bilaterale consultaties op 1 juni jl. in Delhi.
Bent u bereid in het kader van het Nederlandse voorzitterschap deze kwestie in EU-verband aan de orde te stellen met als doel dat de EU de ontwikkelingen indringend bij de Indiase regering aan de orde stelt?
Nederland maakt zich er waar mogelijk sterk voor dat in EU-verband deze aspecten als onderdeel van bredere gesprekken aan de orde worden gesteld. Tijdens de EU-India Top op 30 maart jl, voorgezeten door de EU Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, is het bevorderen en naleven van mensenrechten eveneens besproken.
Bent u bereid – mede gezien één van de aanbevelingen in het HRW-rapport – de sterk tekortschietende vrijheid van meningsuiting in India tijdens India’s Universal Periodic Review in 2017 aan de orde te stellen en India aan te moedigen om de VN Speciale Rapporteur voor de bevordering en bescherming van vrijheid van meningsuiting voor een feitenonderzoek uit te nodigen?
Het kabinet is bereid in de dialoog die gevoerd zal worden met India in het kader van de Universal Periodic Review eveneens aandacht te vragen voor het belang van de vrijheid van meningsuiting.
Wat vindt u van de conclusie in het HRW-rapport dat wetten ter bestrijding van terrorisme disproportioneel gebruikt worden tegen religieuze minderheden en gemarginaliseerde groepen zoals Dalits? Bent u bereid dit nadrukkelijk te betrekken bij uw overleg met de Indiase regering?
Het kabinet beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat wetten ter bestrijding van terrorisme in India disproportioneel worden ingezet tegen minderheden. Vanzelfsprekend zal het kabinet ontwikkelingen in India blijven volgen.
Het bericht dat er met amv’ers wordt gesleept |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat 28 alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv'rs) moeten verhuizen1?
Ja.
Staat het Nidos vrij een uitzondering te maken op haar beleid van kleinschalige opvang? Zo ja, waarom wordt in het geval van Purmerend vastgehouden aan het beleid terwijl de meer grootschalige opvang bij de betrokken partijen goed bevalt?
Met ingang van 1 januari 2016 is – mede op verzoek van uw Kamer – het nieuwe opvangmodel voor amv’s in werking getreden. Kleinschaligheid staat hierin voorop waarmee invulling wordt gegeven aan het belang van het kind. Amv’s tot en met 14 jaar worden in het nieuwe model opgevangen in opvanggezinnen onder verantwoordelijkheid van Nidos. In de begeleiding van amv’s wordt rekening gehouden met hun perspectief: integratie als er een vergunning is verleend of terugkeer als de aanvraag is afgewezen. In het nieuwe model worden amv’s die een verblijfsvergunning hebben gekregen door Nidos in gezinsverband geplaatst om vanuit deze context aan hun inburgering te werken. Als er geen opvanggezin beschikbaar is voor een amv met verblijfsvergunning, vangt Nidos hen in kleinschalige woonvoorzieningen op. Kleinschaligheid is een belangrijke voorwaarde bij begeleiding naar een zelfstandige positie in de Nederlandse maatschappij. De amv’s die in Nederland mogen blijven, verblijven dus niet langer in de opvang bij amv’s in procedure of voor wie de aanvraag is afgewezen. Hiermee beoog ik meer duidelijkheid en eenduidigheid te creëren over het toekomstperspectief van amv’s voor hen zelf en hun omgeving. Bij de geboden opvang wordt dus onderscheid gemaakt naar leeftijd en perspectief.
Ik vind het belangrijk dat de implementatie van het nieuwe opvangmodel volledig tot zijn recht komt. Nidos dient uiterlijk op 1 juli 2016 alle amv’s met een vergunning conform het nieuwe AMV opvangmodel overgenomen te hebben van het COA.
Nidos maakt gebruik van kleinschalige opvanglocaties (maximaal 12 personen) via lokale contractpartners waarbij dus wordt gewerkt aan de integratie en zelfstandigheid van de amv.
Ik kan u melden dat gemeente Purmerend, Nidos en de betrokken contractpartners intensief met elkaar in overleg zijn getreden om te bezien wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot de huidige opvanglocatie voor amv’s. De betrokken partijen hebben de samenwerking als constructief ervaren en zijn tot goede afspraken over passende huisvesting gekomen die aansluiten bij het beleid.
Kunt u uiteenzetten wat de voor- en nadelen zijn van dit beleid?
Zie antwoord vraag 2.
Is het mogelijk het beleid zo aan te passen dat indien jongeren toch uit een locatie moeten vertrekken er opvang voor hen in dezelfde stad of regio gezocht wordt?
Uiteraard is dit de inzet van Nidos. Helaas blijkt het niet altijd mogelijk om opvang in dezelfde stad of regio te realiseren.
Staat het Nidos vrij een uitzondering te maken en jongeren die 18 worden langer in opvang voor amv’ers te houden waardoor zij in dezelfde omgeving en groep kunnen blijven, bijvoorbeeld totdat zij een eigen huurwoning krijgen?
Nee. In het bestuursakkoord van november 2015 en herbevestigd in het uitwerkingsakkoord van 28 april jl., is, mede op verzoek van gemeenten, afgesproken dat amv’s met een vergunning kleinschalig in de gemeenten worden opgevangen. Onderdeel van deze afspraak is dat amv’s meetellen voor de taakstelling en zodra ze 18 jaar worden in de gemeente worden gehuisvest. Nidos en VNG werken op dit moment aan een protocol om de goede overdracht van amv’s te borgen, de benodigde informatie te delen over wie welke begeleiding nodig heeft en gemeenten handelingsperspectief te bieden hoe begeleiding aan te bieden aan diegenen die dat nodig hebben.
Deelt u de mening dat een hoog aantal verhuisbewegingen voorkomen moet worden en dat daartoe uitzonderingen op formele regels gemaakt moeten worden in voorkomende gevallen? Is dat ook in het geval van Purmerend het geval?
Het aantal verhuisbewegingen van minderjarige kinderen is in 2015 toegenomen.
Ook ik vind dit een onwenselijke situatie. Tegelijkertijd constateer ik dat de toename voor een groot deel te wijten is aan het openen van tijdelijke opvanglocaties in het kader van de hoge asielinstroom. Zoals ook in Purmerend het geval is geweest. Hierdoor is het wel gelukt om elke asielzoeker een bed te kunnen bieden. Zoals ook recent richting diverse maatschappelijke organisaties is aangegeven tijdens een bijeenkomst over kinderen in de opvang, zal nader worden gekeken naar het aantal verhuisbewegingen. Hierbij is het van belang om de divers aspecten te wegen.
Het antiracisme advies van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI)?1
Ja.
Wat heeft u met de eerdere aanbevelingen van de ECRI uit 2013 gedaan? Kunt u dit specificeren aan de hand van de drie kritiekpunten die de ECRI in haar nieuwste rapport noemt? Deelt u de mening dat er nog te weinig met de aanbevelingen uit het rapport van de ECRI uit 2013 is gedaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschouwt het ECRI rapport als een waardevol instrument om de bescherming van burgers tegen discriminatie te verbeteren.
Op 15 oktober 2013 verscheen de vierde ECRI-rapportage over Nederland, die de stand van zaken per 22 maart 2013 beschrijft. In de kabinetsreactie van 18 november 2013 op het vierde ECRI rapport over Nederland is de Kamer geïnformeerd over de wijze waarop Nederland al dan niet voldoet aan de aanbevelingen uit dit rapport2. Het tussentijdse ECRI-rapport dat op 7 juni 2016 is verschenen beschrijft de stand van zaken per 4 november 2015. Het tussentijdse rapport gaat derhalve niet in op het nieuwe nationale actieprogramma tegen discriminatie dat begin dit jaar aan uw Kamer is aangeboden3. In januari 2017 ontvangt de Kamer een rapportage over de voortgang van dit actieprogramma. Op de drie kritiekpunten van ECRI (ontwikkelen nationaal beleid tegen racisme en rassendiscriminatie, racisme als strafverzwaringsgrond en uitbuiting uitzendkrachten), wordt nader ingegaan in de beantwoording op vragen 4, 5 en 7.
Wat vindt u van de aanbeveling uit het rapport van de ECRI dat racisme in het strafrecht moet worden opgenomen als verzwarend motief? Waarom is racisme niet als strafverzwaringsgrond in het Wetboek van Strafrecht opgenomen?
De Nederlandse rechter beschikt over de bevoegdheid om – enkel begrensd door de wettelijke maximumstraf waarmee een strafbaar feit wordt bedreigd – bij de straftoemeting rekening te houden met het feitelijke delictsscenario en de persoon van de verdachte, inclusief diens motieven. De officier van justitie kan met zijn strafeis sturing geven aan de afwegingen die de rechter in het kader van de straftoemeting maakt. De hoogte van de strafeis van de officier van justitie wordt bepaald aan de hand van de Aanwijzing discriminatie (Stcrt. 2007, 233; aangepast in Stcrt. 2011, 19256) en de Strafvorderingsrichtlijn discriminatie (Stcrt. 2015, 4225). In de Aanwijzing discriminatie is bepaald dat voor delicten gepleegd met een discriminatoir motief de eis met 50% of 100% moet worden verzwaard en dat dit in het requisitoir uiteengezet wordt. De beschreven systematiek van straftoemeting geeft naar het oordeel van het kabinet uitvoering aan hetgeen met de aanbeveling van het Comité wordt beoogd. Het kabinet ziet dan ook geen toegevoegde waarde in het in strafwetgeving opnemen van een racistisch of discriminatoir motief als strafverzwarende omstandigheid bij het plegen van strafbare feiten.
Zijn de niet-bindende regels zoals het strafrecht nu kent in beginsel voldoende om strafverzwaring op te leggen in zaken waarin een delict is gepleegd op basis van een racistisch motief? In hoeveel zaken op basis van een racistisch motief maken rechters gebruik van deze mogelijkheid om een zwaardere straf op te leggen? Als er geen gebruik van wordt gemaakt van deze niet-bindende regels om strafverzwaring op te leggen, wat is hier dan de reden van? Gezien het aantal zaken waarin gebruik wordt gemaakt van niet-bindende regels om strafverzwaring op te leggen, zijn deze regels dan nog steeds voldoende? Ziet u redenen om racisme alsnog in het Wetboek van Strafrecht als strafverzwaringsgrond op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een nationale strategie tegen discriminatie en racisme noodzakelijk is? Is er geëvalueerd of een algemeen anti discriminatieprogramma zoals dat nu wordt ontwikkeld effectiever is in de preventie en aanpak van discriminatie en racisme dan een strategie die specifiek gericht is op racisme en discriminatie op basis van ras? Zo ja, wat was de uitkomst van deze evaluatie? Zo nee, bent u bereid tot een dergelijke evaluatie?
Het kabinet is van mening dat de aanpak van racisme bijzondere en herkenbare aandacht verdient. Dit impliceert echter niet dat er een apart actieprogramma voor dient te worden opgesteld. Het kabinet hecht juist aan een breed antidiscriminatieprogramma dat alle gronden, waaronder ras, bestrijkt omdat er veel overeenkomsten zijn in de onderliggende mechanismes die ten grondslag liggen aan het ontstaan van vooroordelen en discriminatie. De aanpak van discriminatie op grond van afkomst, religie en huidskleur, heeft nadrukkelijk specifieke attentie gekregen in het Nationaal actieprogramma tegen discriminatie.
Zijn er naar uw mening voldoende middelen om de huidige aanpak van discriminatie en racisme te monitoren en te evalueren, ook buiten de middelen die bestaan om de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie te monitoren? Zo ja, hoe monitort u de effecten van de aanpak van discriminatie en racisme op andere gebieden? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat de resultaten van dit beleid inzichtelijk worden?
De kritiek van de ECRI dat er geen goede strategie is om discriminatie en racisme aan te pakken, delen wij niet. Uw Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de uitvoering van het nationale actieprogramma tegen discriminatie. Daarnaast vindt monitoring op verschillende terreinen plaats, bijvoorbeeld in toezicht van onderwijsinspectie op een veilig schoolklimaat, de evaluatie van de aanpak van horecadiscriminatie in 2017 en het aangekondigde onderzoek naar functioneren van de ADV’s. Ook vindt periodiek onderzoek plaats naar ervaren discriminatie, om een volledig beeld te krijgen t.a.v. het voorkomen van discriminatie naast het overzicht op basis van meldingen en aangiftes. Voorts wordt door regelmatig contact met diverse sleutelfiguren en organisaties bekeken of nog de juiste inzet op de goede thema’s plaatsvindt.
Wat vindt u van de aanbeveling van het rapport om de vergunning van uitzendbureaus die schuldig zijn bevonden aan uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten in te trekken? Welke maatregelen heeft u genomen om de uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten aan te pakken? Zijn deze maatregelen voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen zijn nog meer denkbaar om de uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten aan te pakken? Bent u voornemens nogmaals naar de aanbeveling van de ECRI te kijken om vergunningen van uitzendbureaus die schuldig zijn aan uitbuiting in te trekken?
Op 12 mei 2014 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de aanpak van malafide uitzendbureaus (AMU). Hierin is opgenomen dat een vergunning niet voldoende effectief bleek om fraude en malafide praktijken aan te pakken. Daarnaast legde het beperkingen op aan de werking van de arbeidsmarkt en bracht het veel administratieve lasten met zich mee. Daarom is er gekozen voor een systeem van zelfregulering door de uitzendbranche met een keurmerk van de Stichting Normering Arbeid in combinatie met publiek-private samenwerking.
Deelt u de kritiek van de ECRI dat u geen goede, nationale strategie heeft om discriminatie en racisme aan te pakken? Bent u bereid de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over hoe u discriminatie en racisme verder gaat aanpakken? Zo ja, op welke termijn bent u bereid de Kamer over de verdere invulling van dit beleid te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het onder verscherpt toezicht stellen van Veilig Thuis Drenthe |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onder verscherpt toezicht stellen van Veilig Thuis Drenthe?1
De Inspecties voor de Jeugdzorg en de Gezondheidszorg (IJZ en IGZ) hebben geconstateerd dat de situatie bij Veilig Thuis in Drenthe nog onvoldoende is verbeterd. Ik vind dat zorgelijk omdat een goed werkend Veilig Thuis cruciaal is voor de aanpak van mishandeling en geweld tegen kinderen, volwassenen en ouderen. Het is goed dat de Inspecties nu nog scherper gaan volgen dat de verbeteringen bij Veilig Thuis Drenthe tot stand komen. De wethouders van Assen en Emmen hebben publiekelijk hun verantwoordelijkheid genomen om Veilig Thuis Drenthe snel op orde te brengen.
Zijn de zorgen die u tijdens het debat over de nieuwe aanpak van huiselijk geweld aangaf te hebben over de wachtlijsten bij Veilig Thuis naar aanleiding van dit verscherpt toezicht toegenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat deze wachtlijsten gaan verdwijnen?2
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor Veilig Thuis. De Inspecties houden toezicht op de Veilig Thuis organisaties. Mede als gevolg van de inspectieronde is bij het overgrote deel van de gemeenten een groter gevoel van urgentie ontstaan voor een goed functionerend Veilig Thuis. Veel gemeenten hebben hun verantwoordelijkheid genomen door extra financiële middelen beschikbaar te stellen om de wachtlijsten weg te werken. Professionals bij Veilig Thuis zetten alles op alles om te allen tijde zicht te houden op de veiligheid van de mensen die wachten.
Ook ontwikkelen gemeenten in regio’s een gezamenlijke bestuurlijke visie over de plaats van Veilig Thuis in de regionale aanpak van geweld in huiselijke kring en de plek van Veilig Thuis in de keten. Deze visie is een noodzakelijke voorwaarde voor een goed functionerend Veilig Thuis.
Om dit proces verder te ondersteunen en alle Veilig Thuis organisaties (=VT-organisaties) op orde te brengen hebben mijn collega van Veiligheid en Justitie en ik samen met de VNG begin januari 2016 de heer Sprokkereef gevraagd om het programma Veilig Thuis – de basis op orde, uit te voeren. In dit programma is prioriteit gegeven aan de aanpak van de wachtlijsten. Bovendien is met voorrang ingezet op de zeven regio’s die als niet voldoende werden beoordeeld door de Inspecties. Veilig Thuis Drenthe is één van die regio’s.
Het programma Veilig Thuis – de basis op orde stelt dat Veilig Thuis Drenthe nog niet voldoende functioneert omdat een gezamenlijke bestuurlijke visie op Veilig Thuis ontbreekt en omdat de interne organisatie van Veilig Thuis, als onderdeel van de GGD, gebreken vertoont. Het programma Veilig Thuis- de basis op orde stimuleert de bestuurders van de Drentse gemeenten in hun visievorming. Voor de verbetering van de interne organisatie heeft Veilig Thuis Drenthe een extern deskundige ingeschakeld die de organisatie zal doorlichten en verbeterpunten zal formuleren.
De Inspecties zullen tijdens het verscherpt toezicht nauwkeurig monitoren of de aangekondigde verbetermaatregelen worden uitgevoerd en geborgd. De Inspecties zullen in deze periode tevens aangekondigde en onaangekondigde bezoeken brengen. Verder verwachten de Inspecties voortgangsrapportages over de ingezette verbetermaatregelen.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen u tot op heden heeft genomen om de wachtlijsten bij Veilig Thuis in het algemeen, en bij Veilig Thuis Drenthe in het bijzonder terug te dringen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u van deze maatregelen aangeven of, en zo ja welk effect zij hebben gehad op de wachtlijsten? Zo nee, bent u bereid dit effect te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord onder de vragen 2 en 3 heb aangegeven, heeft de inzet van de Inspecties en van het programma Veilig Thuis – basis op orde geleid tot actie bij de verantwoordelijke gemeenten. Dat is een eerste stap. Tegelijkertijd stel ik vast dat we er zeker nog niet zijn. Daarom is begin dit jaar het eerder genoemde programma Veilig Thuis – de basis op orde gestart. Onder leiding van de VNG is het programma hard aan het werk om de VT-organisaties en gemeenten te helpen om de noodzakelijke verbeteringen in kaart te brengen en te realiseren. In mijn antwoord op vraag 8 ga ik in op de werkwijze van het programma Veilig Thuis – de basis op orde.
Door de rapportages van de Inspecties en die van het programma Veilig Thuis – de basis op orde, krijgen gemeenten en Rijk inzicht in de effecten van de verbeteringen die doorgevoerd worden. In de volgende voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties die u voor het Algemeen Overleg hierover ontvangt, bericht ik hierover.
Kunt u, met concrete feiten onderbouwd, garanderen dat van de 63 casussen die niet gemeld stonden er geen enkel kind of gezin in gevaar is geweest, zoals de vicevoorzitter van de GGD Drenthe stelt? Zo nee, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de veiligheid alsnog gegarandeerd kan worden?3
De veiligheid van het kind staat voor mij centraal. De genoemde bewering van de vicevoorzitter van de GGD Drenthe kan ik niet onderbouwen of weerleggen. Ik heb echter geen reden om zijn bewering in twijfel te trekken. Zie verder het antwoord op vraag 2 en 3.
Kunt u uitgebreid toelichten hoe het met de veiligheid van kinderen en gezinnen in de andere Veilig Thuis regio’s gesteld is na de schokkende inspectierapporten die halverwege 2015 zijn verschenen?
Wij zijn allemaal bezorgd over de veiligheid van kinderen, volwassenen en ouderen waarbij vermoedelijk sprake is van mishandeling. Gebrekkig zicht op de veiligheid van kinderen die wachten, is daarom onaanvaardbaar.
De afgelopen periode is gebleken dat de oorzaken van de wachtlijsten divers zijn. Ze hebben te maken met het ontbreken van een gemeentelijke visie op Veilig Thuis en met een goede afstemming met organisaties op lokaal niveau en de politie.
Het programma Veilig Thuis – de basis op orde (zie ook de antwoorden op de vragen 2 en 3) beoordeelt of in de regio goed zicht is op de omvang van de wachtlijst, of voldoende actie wordt ondernomen om op korte termijn de wachtlijsten weg te werken, of wordt gewerkt aan een duurzaam voorkomen van wachtlijsten en of het zicht op de veiligheid van de wachtenden is gegarandeerd. Hier houdt het programma zicht op. Zo nodig adviseert de heer Sprokkereef de VT-organisaties over de wijze waarop de wachtlijst weggewerkt kan worden.
De heer Sprokkereef is nog volop bezig met de bezoeken en het adviseren van de regio’s. De rapportage met het complete beeld is nog niet beschikbaar.
In de eerder genoemde voortgangsrapportage GIA ontvangt u de rapportage van het programma. Daarin wordt ook nader ingegaan op de aard en omvang van de wachtlijsten.
Wanneer kan de Kamer de rapporten van de hertoets bij de overige Veilig Thuis organisaties verwachten? Zijn er op dit moment signalen dat er nog meer organisaties onder verscherpt toezicht gesteld zullen gaan worden?
De Inspecties voeren een hertoets uit bij zeven VT-organisaties.
Onlangs hebben de Inspecties de rapporten van de hertoetsen 1e fase uitgebracht voor de regio’s Kennemerland, Groningen en Drenthe. De rapporten over de hertoetsten bij de VT-organisaties in de Gooi- en de Vechtstreek en Zuidoost Brabant en Hollands-Midden worden uiterlijk eind juli 2016 verwacht. De VT-organisatie Gelderland-Zuid is onder verscherpt toezicht geplaatst. De reeds beschikbare rapporten zijn gepubliceerd op www.inspectiejeugdzorg.nl.
Kunt u voor alle regio’s inzichtelijk maken wat hun wachtlijsten op dit moment zijn, en hoe zij zich ontwikkeld hebben sinds het instellen van Veilig Thuis? Zo nee, bent u bereid dit te inventariseren, en dit aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de veiligheid van de kinderen en gezinnen die op dit moment gemeld zijn bij Veilig Thuis, los van informatie over de wachtlijsten, garanderen? Zo ja, kunt u toelichten hoe u dit kunt garanderen? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit alsnog te garanderen?
Het nemen van maatregelen voor kinderen en gezinnen bij wie de veiligheid in het geding kan zijn, is de verantwoordelijkheid van de gemeente.
In de beantwoording van deze vragen heb ik uiteengezet welke maatregelen ik heb genomen om de veiligheid van kinderen en gezinnen zo goed mogelijk te doen laten borgen.
Ziet u in de oproep van Veilig Thuis Drenthe voor 1,2 miljoen euro extra budget een appèl om het budget voor Veilig Thuis in het geheel op te hogen? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Nee. Er is geen algemene standaard voor het benodigde geld van een Veilig Thuis organisatie. De omvang van het benodigde budget is afhankelijk van de grootte van het verzorgingsgebied en van de visie van de verantwoordelijke gemeenten op de taken van Veilig Thuis in relatie tot de gehele veiligheids- en zorgketen.
Kunt u deze vragen voor het Algemeen overleg Jeugdhulp voorzien op 30 juni 2016 beantwoorden?
Ja.
De risico’s op privacyproblemen en identiteitsfraude door de verspreiding van het Burger Servicenummer (BSN) bij paspoortkopieën en door de koppeling aan het BTW-nummer |
|
Mei Li Vos (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kevin Goes liet zijn paspoort kopiëren en had ineens twee huurhuizen»?1 Herinnert u zich uw antwoorden op vragen over het bericht «BTW-nummer moet wel op website, ook voor de zzp’er»?2
Ja.
Ziet u de grote risico’s voor identiteitsfraude door vermelding van het Burger Servicenummer (BSN) in het paspoort? Zo ja, hoe kan, anders dan het advies om het BSN door te halen bij afgifte van een kopie van het paspoort, identiteitsfraude worden voorkomen?
Het vermelden van het Burger Servicenummer (BSN) op reisdocumenten draagt geen grotere risico’s mee dan het vermelden van de andere persoonsgegevens op reisdocumenten. Risico’s voor identiteitsfraude liggen hoofdzakelijk in het combineren van het BSN met andere persoonsgegevens uit andere bronnen. Meldingen van identiteitsfraude op dit terrein gaan over situaties waarin het BSN samen is gebruikt met andere gegevens en documenten, zoals een werkgeversverklaring of bankafschrift. Het onleesbaar maken van het BSN op een kopie van een reisdocument zorgt ervoor dat de beschikbare gegevens onvolledig zijn en zo minder gevoelig voor fraude. Daarnaast kan de burger ook andere gegevens onleesbaar maken wanneer deze niet noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor de gegevens van een reisdocument worden gebruikt. Identiteitsfraude kan voorkomen worden door zorgvuldig te handelen waar een combinatie van gegevens afkomstig van het reisdocument en andere bronnen wordt gebruikt. Het als borg afgeven van een reisdocument moet in elk geval worden voorkomen.
Met oog daarop zal op korte termijn een gesprek plaatsvinden met de ANWB en brancheorganisaties in de horeca- en recreatiesector. Doel van dit gesprek is te bereiken dat organisaties die daar geen verplichting of bevoegdheid voor hebben burgers niet langer vragen om hun identiteitsgegevens achter te laten.
Binnenkort start bovendien weer een voorlichtingscampagne over identiteitsfraude als gevolg van het kopiëren van paspoorten en identiteitsbewijzen, om het bewustzijn bij burgers over het zorgvuldig omgaan met hun identiteitsgegevens – en bewijzen verder te versterken.
Deelt u de mening dat, gezien het toenemende aantal zelfstandigen, het risico op identiteitsfraude en privacyschending toeneemt, omdat voor zelfstandigen gekozen is voor koppeling van het BSN aan het BTW-nummer en zij verplicht zijn het BTW-nummer openbaar te maken? Zo ja, welke consequenties trekt u daaruit?
Bij de Belastingdienst zijn geen gevallen bekend waarbij identiteitsfraude het directe gevolg is van de koppeling tussen BTW-nummer en BSN en verplichte vermelding van dit nummer op documenten. Het lijkt in dat licht ook niet reëel om een relatie te leggen tussen toename van het aantal zelfstandigen en het risico op identiteitsfraude op basis van het BTW-nummer.
Waarom hanteert de Belastingdienst een BTW-nummer dat gekoppeld is aan het BSN, terwijl dat in strijd is met art. 24 Wet bescherming persoonsgegevens en dus geen wettelijke basis heeft?3
Artikel 10 Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb) bepaalt dat overheidsorganen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taak gebruik kunnen maken van het burgerservicenummer. Een van de taken van de Belastingdienst is het heffen van omzetbelasting. Om ondernemers te identificeren ten behoeve van het uitvoeren van deze taak kan dus het BSN worden gebruikt. De Belastingdienst doet dat voor de ondernemers die als natuurlijke persoon hun onderneming drijven.
De Wabb staat er niet aan in de weg dat aan het BSN elementen worden toegevoegd, bijvoorbeeld voor de bruikbaarheid van het nummer in systemen, of voor het voldoen aan Europeesrechtelijke verplichtingen, in geval van het BTW-identificatienummer het voldoen aan de specificatie van dat nummer in de BTW-richtlijn 2006 (zie artikel 214 en 215 van Richtlijn 2006/112/EG (PbEU 2006, L347)).
Het BTW-identificatienummer voldoet in dit licht ook aan de eisen in artikel 24 Wet bescherming persoonsgegevens, in de zin dat het een nummer is dat bij de Wet op de omzetbelasting is voorgeschreven en door de Belastingdienst voor bij die wet voorgeschreven doeleinden wordt gebruikt.
Deelt u de mening dat het praktische belang van de Belastingdienst niet opweegt tegen de omvangrijke privacyproblemen die voortvloeien uit de koppeling van het BSN aan het BTW-nummer? Zo ja, welke maatregelen treft u? Zo nee, bent u bereid zelfstandigen die te maken krijgen met identiteitsfraude of privacyproblemen te compenseren?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven zijn bij de Belastingdienst geen gevallen bekend van identiteitsfraude die direct gerelateerd zijn aan het feit dat het BTW-nummer gebaseerd is op het BSN. Van een omvangrijk privacyprobleem lijkt dan ook geen sprake. Ik ben in dat licht van mening dat de praktische onmogelijkheid van het vervangen van het BTW-nummer van zelfstandigen opweegt tegen hun belangen uit oogpunt van gegevensbescherming.
Indien zich onverhoopt gevallen mochten voordoen waarin mensen aantoonbaar schade leiden als direct gevolg van de koppeling tussen BSN en BTW-nummer én de verplichting om het BTW-nummer te vermelden op documenten, ben ik bereid te onderzoeken of zij voor eventueel geleden nadeel kunnen worden gecompenseerd.
Het bericht Jumbo haalt sigaretten uit het zicht |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jumbo haalt sigaretten uit het zicht, maar heeft dat zin»?1
Ja.
Wat is uw mening over het feit dat de rookwaar bij Jumbo achter deuren van matglas komt te liggen, waarop met grote letters «tabak» te lezen valt?
Ik omarm initiatieven van verkooppunten die tabaksproducten niet langer in het zicht plaatsen. Tegelijkertijd blijven de regels voor reclame van toepassing. Voorop staat namelijk dat er geen ongeoorloofde reclame plaatsvindt. Als dat wordt geborgd, kan het positieve resultaat van een display ban worden gehaald.
De NVWA houdt er toezicht op dat de presentatie van tabakswaren niet tot ongeoorloofde reclame leidt. Ik wacht het onderzoek van de NVWA naar de klacht af.
Wat is uw mening over de reden («De verpakkingen op sigarettenpakjes veranderen. Daar komen afschrikwekkende plaatjes op. Dus we zaten er mee in onze maag dat de klant geconfronteerd wordt met een muur van afschrikwekkende plaatjes, want we hebben veel tabaksproducten. Vandaar deze deuren») van Jumbo volgens Ed van de Weerd, commercieel directeur van Jumbo, om over te gaan tot matglazen deuren?
Ik moedig supermarkten en andere verkooppunten aan om een display ban in te voeren, omdat we daarmee jongeren kunnen beschermen. Ik vind het positief dat Jumbo haar verantwoordelijkheid neemt en in zeer korte tijd in alle Jumbo winkels tabak uit het zicht haalt. Ik verwacht dat dit initiatief andere verstrekkers ook stimuleert tot stappen, zolang dit maar gebeurt binnen de regels uit de Tabaks- en rookwarenwet. De reden waarom Jumbo tot het afschermen van tabakswaren is gekomen, is aan Jumbo.
Kent u het onderzoek «Impact on smoking of England's 2012 partial tobacco point of sale display ban: a repeated cross-sectional national study»2, waaruit blijkt dat afdekken zinvol is? Is het afdekken van rookwaar met matglas even effectief als het volledig uit het zicht halen van rookwaar, zoals naar voren komt uit dit onderzoek? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, deelt u de mening dat deze vorm van afdekken van de rookwaar met matglas er in de meest ongunstige situatie er toe kan leiden dat het beoogde effect van de nieuwe verpakkingsmaatregels wordt ondermijnd, en gelijktijdig de voordelen van een afgedekte display, zoals vermeld in het onderzoek, niet worden behaald?
De supermarkten hebben tot 1 juli de tijd gekregen om met een convenant te komen. Ik ben me ervan bewust dat er meerdere factoren een rol spelen om een convenant te sluiten, zoals de juridische houdbaarheid en het creëren van een gelijk speelveld met andere verkooppunten. Dit neemt niet weg dat ik ervan uitga dat supermarkten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen en zich zullen inzetten voor een convenant waarin ze afspreken dat ze tabakswaren niet langer in het zicht zullen plaatsten. Dit betekent dat kleuren noch contouren van tabakswaren zichtbaar zijn. Pas dan wordt een displayban bereikt.
Het maakt dan ook niet uit met welk instrument het verkooppunt de tabakswaren afschermt, zolang maar aan die voorwaarden wordt voldaan. Ik heb bij de Jumbo gezien dat dit ook kan lukken met matglas, waardoor het positieve resultaat uit het onderzoek «Impact on smoking of England's 2012 partial tobacco point of sale display ban: a repeated cross-sectional national study» mogelijk blijft.
Wat is uw mening over het feit dat «tabak» in grote letters bij Jumbo op deuren van matglas staat? Vindt u het wenselijk indien «tabak» op de deuren staat om de consument aan te spreken, dan wel de consument eraan te herinneren dat er ook rookwaar gekocht kan worden? Wat is uw mening over de bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit ingediende klacht dat de deuren van matglas voor de rookwaar met daarop in grote letters «tabak» bij Jumbo een overtreding van het reclameverbod uit de Rookwarenwet is?
Zie antwoord vraag 2.
Ondermijnt de tekst en de grootte daarvan op het matglas de positieve resultaten die te behalen zijn met een afgedekte display, zoals vermeld in het onderzoek «Impact on smoking of England's 2012 partial tobacco point of sale display ban: a repeated cross-sectional national study»? Zo ja, bent u van mening dat het afdekken van een display zonder vermelding van de achterliggende rookwaar de juiste vorm van afdekken is? Zo nee, waar blijkt dit uit?
Zie antwoord vraag 2.
Verwacht u dat voor 1 juli a.s. het convenant over een displayban voor rookwaar wordt gesloten conform de motie Volp/Dik-Faber3 en de motie Volp4? Zo ja, met welke minimum voorwaarden bent u tevreden? Zo nee, waarom niet? Wanneer wordt het convenant wel gesloten?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht “Van slachtoffer naar schuldige” |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Van slachtoffer naar schuldige»?1
Ja.
Kunt u het cijfer bevestigen dat vier op de tien mensen in de afgelopen twee jaar te maken hebben gehad met bankpas- of creditcardfraude? In hoeveel gevallen leidde dit daadwerkelijk tot schade?
Ik beschik niet over exacte cijfers om te kunnen bevestigen of ontkennen dat dit cijfer klopt, maar aangezien het enkel ontvangen van phishing e-mails in het onderzoek ook meetelt als bankpas- of creditcardfraude, komt dit cijfer mij niet vreemd voor. Veel consumenten en bedrijven ontvangen incidenteel tot geregeld phishingsmails in hun e-mailbox. Gelukkig herkent de overgrote meerderheid van hen dergelijke e-mails als phishing, gaan zij hier niet op in en verwijderen zij deze e-mails. Al jarenlang wijzen banken hun klanten er met de publiekcampagne Veilig Bankieren op dat banken nooit per e-mail, telefoon of SMS zullen vragen om inlog-, verificatie-, pincodes of creditcardgegevens, of bijvoorbeeld de klant verzoeken de betaalpas naar de bank terug te sturen.
Fraude in het betalingsverkeer kan ingrijpend zijn voor gedupeerden en brengt ongemak en onzekerheid met zich mee. Gelukkig doen banken en betaalinstellingen er alles aan om het risico hierop te minimaliseren. De totale directe fraudeschade in het betalingsverkeer is de laatste jaren flink gedaald, van 81,8 miljoen euro in 2012 naar 17,9 miljoen euro in 2015. In 2015 bedroeg de directe schade als gevolg van betaalpasfraude 8,3 miljoen euro en als gevolg van creditcardfraude 3,3 miljoen euro.2 Deze cijfers kunnen worden afgezet tegen het aantal betalingen en betaalpassen. In Nederland waren er in 2015 circa 26,2 miljoen betaalpassen en 6,2 miljoen creditcards in omloop. Met de betaalpas werd in 2015 3,2 miljard keer voor in totaal 92,5 miljard euro afgerekend. Met de creditcard was dit 45 miljoen keer voor in totaal 5 miljard euro.3
In antwoord op eerdere vragen2 stelde u dat u geen inzicht had in het percentage van fraudegevallen waarbij de bank de schade heeft gecompenseerd en het percentage van nog lopende zaken, terwijl de Consumentenbond nu stelt dat in 30% van de gevallen de bank niet of nauwelijks vergoedde; kunt u deze cijfers bevestigen?
Ik beschik niet over cijfers die inzichtelijk maken welk deel van de opgetreden fraudeschade als gevolg van betaalpas- en creditcardfraude de banken aan de gedupeerden hebben vergoed. Ik ga ervan uit dat banken de schade door betaalpas- en creditcardfraude vrijwel altijd aan hun gedupeerde klanten vergoeden. Ik baseer dit op een analyse van de geschillen waarover het Klachtinstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) de afgelopen jaren uitspraak heeft gedaan5. In een periode van viereneenhalf jaar (van januari 2012 tot en met medio juni 2016) heeft het Kifid zich relatief weinig hoeven uitspreken in geschillen waar betaalpasfraude (circa 70 geschillen) of creditcardfraude (circa 15 geschillen) een rol speelde. In circa driekwart van deze geschillen wees het Kifid de claim van de consument op de bank volledig af, omdat Kifid van mening was dat hierbij sprake was van grove nalatigheid of opzettelijk handelen van de betreffende consumenten.
Deelt u de mening dat die 30% een veel te hoog percentage is, temeer daar banken beweren dat zij alleen bij uitzondering en bij grove nalatigheid niet vergoeden?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u ingaan op de voorbeelden uit het artikel, en dan met name of u in die gevallen sprake acht van grove nalatigheid? Waarom krijgt niet iedereen die niet grof nalatig handelde of opzettelijk fraude pleegde gewoon zijn of haar geld terug? Hoe kan het dat van een oude mevrouw werd verwacht dat zij regelmatig haar rekeningsaldo bekijkt? Wordt er niet teveel voorbijgegaan aan mensen die nog helemaal digitaal kunnen of willen bankieren?
Of er bij de in het artikel geschetste voorbeelden sprake was van grove nalatigheid is niet aan mij om te bepalen maar kan bij geschillen uiteindelijk worden voorgelegd aan de rechter. Ik deel de mening dat iedereen die naar eer en geweten handelt erop moet kunnen vertrouwen dat geld op de bankrekening veilig is en dat het risico van diefstal niet op mensen moet worden afgewenteld. Dit is ook wettelijk zo geregeld via de Europese richtlijn betaaldiensten (PSD)6.
De PSD, die in Nederland in het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op het financieel toezicht (Wft) is geïmplementeerd, schrijft voor dat betaaldienstverleners in beginsel verplicht zijn om de schade te dragen van ongeautoriseerd gebruik van een betaalinstrument. Als de niet-toegestane betaaltransacties voortvloeien uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument, heeft de betaler een eigen risico van 150 euro (artikel 7:528 BW). Vanaf 13 januari 2018 wordt dit eigen risico, als gevolg van de implementatie van de herziene Europese richtlijn betaaldiensten (PSD2)7 naar beneden bijgesteld naar 50 euro. Het eigen risico geldt in beginsel ook voor de situatie waarin de niet-toegestane betaaltransactie plaatsvindt doordat een klant onzorgvuldig is omgesprongen met de persoonlijke codes die nodig zijn om het betaalinstrument te kunnen gebruiken (artikel 7:529, lid 1 en 3, BW). Verder is relevant dat de (veiligheids)voorwaarden die banken en betaalinstellingen aan hun klanten stellen niet onredelijk bezwarend mogen zijn (artikel 6:233 BW).
Wanneer de betaler zelf fraudeert of grof nalatig is, moet hij het verlies volledig zelf dragen (artikel 7:529, lid 2, BW). Deze regel is in lijn met het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht. Ook van een klant mag worden verwacht dat hij op een verantwoordelijke manier met zijn betaalinstrumenten en persoonlijke veiligheidscodes om gaat. Zo komt het bijvoorbeeld nog steeds wel eens voor dat pashouders hun betaalpas en/of creditcard op een plek samen met de bijbehorende pincode bewaren. De banken en Betaalvereniging continueren de eerdergenoemde publiekscampagne Veilig Bankieren. Dit om consumenten nog weerbaarder te maken – en te houden – tegen verschillende vormen van betaalfraude.
De bewijslast dat een klant opzettelijk of met grove nalatigheid zou hebben gehandeld, ligt bij de bank (artikel 7:527 BW). Banken beoordelen op grond van de specifieke omstandigheden, naar redelijkheid en billijkheid of zij menen dat de klant al dan niet grof nalatig zou hebben gehandeld. Indien dit het geval is, zijn banken niet wettelijk verplicht om de schade aan hem te vergoeden. Vergoedt een bank desalniettemin uit coulance alsnog de gehele of gedeeltelijke schade, dan is dit een eigen en vrijwillige keuze van de bank in kwestie. Als de bank het standpunt van de consument – volgens laatstgenoemde ten onrechte – afwijst, dan kan de consument het geschil voorleggen aan het Kifid voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting, of aan de rechter.
In 83% van de gevallen wijst het Kifid schadeclaims af; al eerder werd gesignaleerd dat grote waarde werd gehecht aan de veiligheidsregels die door de banken zijn opgesteld, terwijl wettelijk het vereiste van grove nalatigheid of opzet doorslaggevend is; heeft u hierin een verandering waargenomen in de jurisprudentie van het Kifid en heeft u in de afgelopen twee jaar een gedragsverandering bij de banken waargenomen?
Betaalvereniging Nederland en de Consumentenbond zijn enkele jaren geleden, mede op mijn aandringen, uniforme veiligheidsregels overeengekomen voor elektronisch bankieren en betalen.8 Consumenten die het slachtoffer zijn van fraude waarbij er zonder toestemming geld van hun rekening is gehaald, kunnen er zeker van zijn dat zij de schade vergoed krijgen als zij de uniforme veiligheidsregels hebben nageleefd.
In mijn antwoorden op Kamervragen9 van de heer Nijboer uit 2012 gaf ik aan een tendens waar te nemen dat banken kritischer keken of er bij gedupeerde klanten sprake is van opzet of grove nalatigheid. Ik heb sindsdien geen aanwijzingen waargenomen dat deze tendens ertoe heeft geleid dat banken minder vaak de opgetreden betaalfraudeschade zouden hebben vergoed.
Deelt u de mening dat iedereen die naar eer en geweten handelt erop moet kunnen vertrouwen dat geld op de bankrekening veilig is en dat het risico van beroofd worden door gewiekste criminelen niet op mensen moet worden afgewenteld?
Graag verwijs ik u naar mijn beantwoording bij vraag 5.
Deelt u de mening dat geld binnen een maand op de rekening moet zijn gestort door banken? In welke mate gebeurt dit momenteel?
De door de heer Nijboer genoemde termijn van één maand, waarbinnen de bank het ontvreemde bedrag op de rekening zou moeten terugstorten, komt mij niet onredelijk voor, mits er geen sprake is van opzettelijk (fraudeleus) of grof nalatig handelen van de consument. Ik merk hierbij op de herziene Europese richtlijn betaaldiensten (PSD2), die uiterlijk op 13 januari 2018 in de Nederlandse wetgeving moet zijn verwerkt, de termijn waarbinnen de betalingsdienstaanbieder van de betaler een niet-toegestane betalingstransactie terug moet betalen aan de gedupeerde, nader specificeert dan ten opzichte van de oorspronkelijke richtlijn (PSD). De betaaldienstverlener dient uiterlijk de eerstvolgende werkdag het bedrag aan de betaler te hebben terugbetaald, nadat de betaaldienstverlener de niet-toegestane transactie heeft ontdekt of daarop is geattendeerd. Tenzij de betaaldienstverlener van de betaler redelijke gronden heeft om fraude te vermoeden.
Onduidelijkheid over hoofdverblijf bij huurwoningen |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de situatie uit de column waarin wordt beschreven hoe een familie die al jarenlang een woning huurt uit huis wordt gezet vanwege verblijf in het buitenland? 1
De situatie in de column betreft een huuropzegging door woningcorporatie Pré Wonen. Deze zaak is nog onder de rechter. Men is nog in afwachting van de uitspraak in hoger beroep.
Hoeveel ontruimingsverzoeken vanwege een verblijf in het buitenland zijn er de afgelopen drie jaar gedaan, en hoeveel daarvan hebben daadwerkelijk tot een ontruiming geleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik beschik niet over informatie over het aantal ontruimingsverzoeken door woningcorporaties vanwege verblijf in het buitenland: uit gegevens van Aedes, vereniging van woningcorporaties, blijkt dat in 2015 275 huishoudens zijn uitgezet wegens woonfraude. Dit betreft 5 procent van in totaal 5.550 huisuitzettingen. Het niet gebruiken als hoofdverblijf is één van de zaken die onder de noemer woonfraude wordt geregistreerd. Nadere cijfers zijn niet bekend.
Hoe is het mogelijk dat de familie, zoals beschreven in de column, haar huurhuis moet verlaten als nergens duidelijk staat aangegeven wanneer of na hoeveel weken een verblijf in het buitenland wordt gezien als hoofdverblijf?
Of betreffende familie de woning dient te verlaten is nog niet bekend, de zaak is immers nog onder de rechter. Een verhuurder kan de huur ondermeer opzeggen wanneer hij vindt dat de huurder zich niet als een goed huurder gedraagt2. De rechter zal dan moeten beoordelen of de huurder de woning als hoofdverblijf gebruikt en of, wanneer dit niet het geval is, een vordering tot beëindiging van de huur op die grond wordt toegewezen.
Wat is de definitie van «hoofdverblijf», aan welke voorwaarden moet een huurder voldoen om te laten zien dat de huurwoning het hoofdverblijf is, en waarom is er nog steeds onduidelijkheid hierover?
De inhoud van het begrip «hoofdverblijf» is niet wettelijk vastgelegd. In de wet is ook geen verplichting tot het houden van hoofdverblijf opgenomen.
In de jurisprudentie is aan dit begrip wel nadere invulling gegeven. Bij de beoordeling van de vraag of iemand in een bepaalde woning zijn hoofdverblijf houdt spelen blijkens de jurisprudentie diverse, met name feitelijke, omstandigheden een rol, waaronder de feitelijke aanwezigheid van de huurder, het ingeschreven zijn in de gemeentelijke basisregistratie, de plaats waar de huurder de nacht doorbrengt, de aanwezigheid van meubilair en aansluiting op voorzieningen en andere factoren. Het is aan de rechter om hierin een oordeel te geven.
Het verdient daarnaast aanbeveling dat de verhuurder, wanneer hij in het huurcontract de verplichting tot het houden van hoofdverblijf in het gehuurde opneemt, verduidelijkt wat hij hieronder verstaat.
In hoeveel huurovereenkomsten is opgenomen dat het gehuurde pand het hoofdverblijf dient te zijn, en bij hoeveel huurcontracten is dit niet het geval?
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Volgens de informatie van Aedes is in haar huidige modelhuurovereenkomst een bepaling opgenomen die ziet op het gebruik als hoofdverblijf.
Op basis van welke wet- en regelgeving kan een huurovereenkomst worden beëindigd wanneer de huurder in het buitenland verblijft en aan welke voorwaarden moet de bewijslast van de verhuurder dan voldoen?
De verhuurder kan de huur opzeggen op grond van artikel 7:274 lid 1 onder a BW (huurder gedraagt zich niet als een goed huurder). Ook kan hij ontbinding van de huurovereenkomst vorderen wegens wanprestatie, wanneer de huurder een contractueel verbod overtreedt. De verhuurder die de huurovereenkomst wil beëindigen zal aannemelijk moeten maken dat de huurder geen hoofdverblijf in het gehuurde houdt. Zoals hierboven aangegeven kunnen bij de beoordeling hiervan diverse factoren een rol spelen.
Waarom en onder welke voorwaarden kan een verblijf in het buitenland als woonfraude worden gezien, aangezien ook huurders recht hebben op vakantie?
Het begrip woonfraude is geen juridische term maar een kwalificatie die door verhuurders aan het niet (zelf) bewonen van een huurwoning wordt gegeven. Wanneer en onder welke voorwaarden zij menen dat hiervan sprake is kan ik niet beoordelen.
Is er een verschil in woonfraude te constateren tussen gebieden waar de woningnood groter of kleiner is? Bent u van mening dat huurders die in een regio wonen met kortere wachttijden, langer of vaker op vakantie mogen dan huurders die in een regio wonen met lange wacht- en zoektijden voor een sociale huurwoning?
Ik kan mij voorstellen dat met name sociale verhuurders eerder overgaan tot opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst wegens het niet (zelf) bewonen van een sociale huurwoning in regio’s met meer schaarste.
Op welke wijze en op welke termijn gaat u woningcorporaties en huurders duidelijk maken wat onder een hoofdverblijf wordt verstaan, zodat er geen onnodige uitzettingen hoeven plaats te vinden met alle gevolgen van dien?
Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of sprake is van hoofdverblijf of niet. Het is uiteraard wel raadzaam dat woningcorporaties aan hun huurders, liefst al bij het afsluiten van de huurovereenkomst, duidelijk aangeven wat zij onder goed huurderschap en onder hoofdverblijf verstaan, zodat huurders vooraf weten wanneer zij een opzeggings- of ontbindingsprocedure riskeren.
Bent u van mening dat het verstandiger zou zijn wanneer woningcorporaties hun tijd en middelen gebruiken om betaalbare huurwoningen te bouwen, in plaats van kostbare procedures op te starten om mensen die op vakantie gaan hun huis uit te zetten? Hoe gaat u woningcorporaties hierop wijzen?
Woningcorporatie hebben als taak het beschikbaar stellen van betaalbare huurwoningen aan huishoudens met lage inkomens en huishoudens die door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting. Ook dienen zij bij te dragen aan de leefbaarheid van hun woongelegenheden en hierbij speelt een rol dat de woning gebruikt wordt als hoofdverblijf. Op welke wijze zij invulling aan deze taken geven is aan henzelf.