Veiligheid in de elektrabranche |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Prutsers elektrabranche»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de alarmerende veiligheidssituatie in de elektrabranche zoals beschreven in de berichtgeving?
In de berichtgeving over «prutsers in de elektrabranche» wordt een zorgwekkend beeld geschetst. Burgers en bedrijven moeten er vanuit kunnen gaan dat elektromonteurs hun werk vakkundig uitvoeren. Volgens de deskundigen, die in het bericht worden geciteerd, is dat nu niet of onvoldoende het geval. De huidige vrijwillige keurmerken bieden volgens deze deskundigen onvoldoende garantie.
In het bericht wordt een relatie gelegd met de bevindingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid in het haar rapport over koolmonoxide en de aanbeveling daarin om tot een wettelijke erkenningsregeling voor installateurs van verbrandingstoestellen te komen.
Uit een landelijk onderzoek naar de veiligheid van gas- en elektravoorzieningen in woningen dat voorjaar 2008 aan Tweede Kamer is gezonden (Kamerstukken II 2007/2008, 30 535 nr. 14), bleek dat het grootste risico bij woninginstallaties koolmonoxidevergiftiging is. De problematiek van ondeugdelijk werk aan elektrische installaties is overigens niet gelijk aan de problematiek van koolmonoxidevergiftiging.
Uit de registratie van huishoudelijke elektriciteitsongevallen, die Kiwa in opdracht van Netbeheer Nederland (www.netbeheernederland.nl) uitvoert, blijkt dat er zelden slachtoffers door elektrocutie vallen in Nederlandse woningen. In de beschikbare jaarrapportages over 2012, 2013 en 2014 komt één melding voor van een dodelijk slachtoffer door elektrocutie. Dit betreft het incident in Boxtel, dat genoemd wordt in het bericht.
Uit de onderzoeken die het Instituut Fysieke Veiligheid (www.ifv.nl) jaarlijks uitvoert naar woningbranden met dodelijke afloop, blijkt verder dat 1 op de 5 fatale woningbranden veroorzaakt wordt door kortsluiting of een defect elektrische apparaat. Dergelijke branden ontstaan meestal in huishoudelijke elektrische apparatuur zoals een wasdroger, TV of magnetron en niet zozeer in de elektrische installatie die door een installateur is of wordt aangelegd.
De kwaliteit in de bouwsector is onderwerp van het Wetsvoorstel Kwaliteitsborging in de Bouw, dat op 15 april jl. ter behandeling aan uw Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 2015/2016, 34 453). Met het wetsvoorstel wordt beoogd dat nieuwbouw en verbouw waarvoor een vergunning vereist is, aantoonbaar voldoet aan de bouwvoorschriften. Het voorstel strekt er ook toe de kwaliteit van aangebrachte elektra beter te borgen.
Deelt u de mening dat terwijl installaties steeds ingewikkelder worden, het kennisniveau van installateurs dramatisch afneemt?
Het is evident dat de hoeveelheid installaties per bouwvolume toeneemt en de installaties ook ingewikkelder worden. Dat vereist meer en andere kennis. Uit onderzoek in de installatiebranche2 blijkt dat «de installateur» niet bestaat en daarmee eenduidige eisen aan de vakkennis ook niet bestaan. Tegelijkertijd verwachten veel bedrijven verwachten in de toekomst werknemers met een hoger opleidingsniveau nodig te hebben. Het Opleidings- en ontwikkelingsfonds voor het Technisch InstallatieBedrijf (OTIB) en de werkgeversorganisatie UNETO-VNI werken daaraan.
Kunt u nader inzicht geven in de arbeidsomstandigheden in de elektrabranche? Hoe is de scholing van de installateurs geregeld? In hoeverre kunnen hier verbeteringen in worden aangebracht?
De omvang en aard van signalen en meldingen (klachten, ongevallen) over arbeidsomstandigheden in de elektrabranche zijn relatief beperkt. De risicoanalyse van de Inspectie SZW heeft in de afgelopen jaren geen aanleiding gegeven voor een projectmatige of intensieve aanpak van werk aan elektrische installaties. Daarnaast wijst een analyse van de sinds 1998 bij de Inspectie SZW gemelde arbeidsongevallen niet op een omvangrijke veiligheidsproblematiek of een verontrustende trend.
Het samenwerkingsverband van de sociale partners in de branche, II Mens en Werk3, brengt de arbeidsomstandigheden onder de aandacht van installatiebedrijven. In dit verband wordt onder andere een Arbocatalogus voor de branche ontwikkeld. Voor installateurs zijn op veiligheid gerichte scholingsinstructies beschikbaar in de vorm van het ARBO handboekje «Blauwe Boekje» (UNETO-VNI, 2013).
De opleiding van installateurs in de branche wordt via de initiële scholing, op niveau 2, 3 of 4 mbo, geregeld. De kwalificaties komen via het Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) tot stand in overleg met het bedrijfsleven, onder andere via de branche en het opleidingsfonds OTIB. Het bedrijfsleven stemt met het Opleidings- en ontwikkelingsfonds de verdere scholingsbehoefte af. Deze wordt door private aanbieders ingevuld en waar nodig door het fonds ontwikkeld4. Voor de georganiseerde branche lijkt de scholing daarmee op orde.
Wanneer komt de reactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid in dezen naar de Kamer? Wat is uw reactie op de stelling van brancheorganisatie Uneto-VNI dat de overheid weer toezicht moet houden? Bent u bereid gevolg te geven aan deze oproep? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Op 17 juni jl. is de kabinetsreactie op het rapport van de Onderzoeksraad aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 32 757, nr. 136). In deze brief is ook een reactie gegeven op de aanbeveling van de Onderzoeksraad om te komen tot een wettelijke uniforme erkenningsregeling voor installateurs van verbrandingstoestellen. Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief.
Het oordeel van de IGZ inzake het mensgebonden onderzoek bij psychiatrische patiënten bij GGZ NHN |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Kunt u de Kamer het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ} over het experimenteren met psychiatrische patiënten openbaar (laten) sturen? Zo neen, waarom niet?1
Dit rapport is niet openbaar. Voordat ik informatie uit het rapport naar Uw Kamer kan sturen is de inspectie gehouden de belangen van de bij de aangelegenheid betrokkenen te wegen. De inspectie zal betrokkenen benaderen zodat zij hun reactie kunnen geven.
Wanneer heeft de IGZ de overtredingen gemeld bij het Openbaar Ministerie en wat geeft het OM er voor vervolg aan? Wilt u de Kamer op de hoogte houden van het verdere verloop van deze zaak?
Op 17 mei 2016 is, conform het samenwerkingsprotocol OM-IGZ, over dit dossier contact geweest tussen de IGZ en het Openbaar Ministerie (OM). De IGZ maakt op dit moment het dossier compleet en legt vervolgens het dossier ter beoordeling aan het OM voor. Ik zal de Minister van VenJ vragen uw Kamer te zijner tijd op de hoogte te stellen van het verloop van deze zaak.
Erkent u dat noch de instelling noch de begeleidingscommissie van het mensgebonden onderzoek melding hebben gedaan bij de IGZ van mogelijke overtreding van de wet, maar dat dit pas in onderzoek is genomen na media-aandacht voor dit onderzoek?2
In februari 2015 informeerde de instelling de inspectie dat zij, naar aanleiding van een melding van een klokkenluider over vermoedens van misstanden bij de uitvoering van een studie, externe deskundigen hadden gevraagd onderzoek te doen naar de uitvoering van de studie. De IGZ ontving het onafhankelijk onderzoeksrapport naar deze zaak van de instelling op 10 maart 2015. Daarnaast ontving de inspectie op 23 maart 2015 informatie van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) over deze casus. De IGZ stelde een onderzoek in. De uitzending van Zembla was op 15 april 2015 en informatie uit deze uitzending is vervolgens onderdeel geworden van het onderzoek van de inspectie. De conclusie dat de meldingen van de CCMO en van de instelling direct te herleiden zijn naar de aandacht van Zembla voor deze casus is niet te trekken, maar het heeft vermoedelijk wel bijgedragen. Recent heb ik uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek van de inspectie3.
Ik betreur het dat een medewerker van de instelling en familieleden van de patiënt blijkbaar hebben gemeend dat het delen van informatie aan Zembla de enige manier was om deze situatie aan te kaarten en tot de bodem uit te zoeken. Dat is zorgelijk. De inspectie heeft de instelling gevraagd om een plan van aanpak hoe de geconstateerde bevindingen en overtredingen uit dit onderzoek bij toekomstige klinische studies voorkomen kunnen worden. In reactie op het conceptrapport heeft de instelling laten zien op een proactieve wijze aan de slag te zijn gegaan met het opstellen en implementeren van verbeteracties. De IGZ ziet hier op toe.
Wat vindt u ervan dat medewerkers van een instelling en familieleden van de patiënten zich moeten wenden tot de media alvorens zij worden gehoord? Op welk moment had de IGZ dit op kunnen (en moeten) pakken om de gang naar de publiciteit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de melding van de klokkenluider en de omgang met de klokkenluider door GGZ Noord-Holland-Noord (NHN) geen onderdeel is geweest van het IGZ onderzoek? Hoe is dat te verklaren?3
Het onderzoek van de IGZ betrof de vermeende tekortkomingen op het gebied van de geneesmiddelenstudie met psychiatrische patiënten. Daar zijn de verschillende meldingen, zoals onder andere door de klokkenluider gedaan in april 2015, tevens in meegenomen. De overeenkomst tussen de klokkenluider en GGZ NHN is hierin destijds niet meegenomen.
In het Algemeen Overleg IGZ van 7 april 2016 heb ik nadrukkelijk verzocht om mogelijke contracten die openheid en transparantie belemmeren bij de IGZ te melden. De klokkenluider heeft zodoende ook dit aspect van de melding opnieuw bij de IGZ gemeld en dit onderzoek loopt nog. Over de meldingen die de IGZ heeft gekregen naar aanleiding van deze oproep zal ik u nog voor het zomerreces op basis van een tussenrapportage van de IGZ informeren.
Denkt u dat het uitnodigend is voor personeel in zorginstellingen om misstanden te melden als zij niet gehoord worden of monddood worden gemaakt met een zwijgcontract, en dat de IGZ bij onderzoek naar de situatie de positie van personeel niet meeneemt in het onderzoek? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u het vervolgoptreden van de IGZ op de ernstige overtredingen adequaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De IGZ is naar aanleiding van de melding een onderzoek gestart. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de IGZ de instelling opgedragen om een plan van aanpak op te stellen en de inspectie legt de casus voor aan het OM vanwege een mogelijke overtreding van de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek (WMO). Overtredingen van de WMO kunnen niet bestuursrechtelijk gehandhaafd worden, maar zijn wel strafbaar. Het OM gaat over de opsporing en vervolging ervan. Overigens ligt op dit moment bij de Tweede Kamer het voorstel wijziging Wet medisch wetenschappelijk onderzoek ter inwerkingtreding van de EU verordening 536/2014 op het gebied van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, waarin een uitbreiding van de bestuurlijke handhavingsinstrumenten voor de IGZ is opgenomen. De IGZ kan op basis daarvan ook bestuursrechtelijk handhaven.
Wie deed het onafhankelijk onderzoek waarbij geconcludeerd werd dat er geenszins sprake was van misstanden bij het onderzoek?4
Het onafhankelijke onderzoek naar de mogelijke misstanden zoals verwoord in de melding van de klokkenluider is uitgevoerd in opdracht van de GGZ instelling. Twee hoogleraren, niet in dienst van de instelling, op het terrein van de psychiatrie en openbare geestelijke gezondheidszorg hebben dat onderzoek uitgevoerd. In het kader van de bescherming van persoonsgegevens worden de namen van de beide onderzoekers niet openbaar gemaakt.
Kunt u een overzicht maken van alle betrokkenen bij deze zaak (onderzoekers, begeleiders van onderzoek, bestuurders, degenen die het onafhankelijk onderzoek in opdracht van GGZ NHN uitvoerden)? Zo neen, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Gaat de IGZ de vervolgstudie ook onderzoeken op overtredingen van de wet? Zo neen, waarom niet?
De IGZ ziet uitsluitend toe op WMO-plichtig onderzoek. De IGZ heeft, naar aanleiding van eerdere Kamervragen, het protocol van de vervolgstudie opgevraagd bij de onderzoeker en voorgelegd aan de CCMO ter toetsing of het een WMO-plichtig onderzoek betrof. Dit bleek niet het geval.
Zijn de uitkomsten van het onderzoek met de psychiatrische patiënten al gepubliceerd? Mogen onderzoeksresultaten, die verkregen zijn door de wet te overtreden en waarbij onterecht gebruik is gemaakt van psychiatrische patiënten, überhaupt gepubliceerd worden?
Onlangs is het artikel gepubliceerd in Psychological Medicine. In het algemeen is er geen norm in de WMO die stelt dat als er tekortkomingen zijn bij (onderdelen van) het onderzoek, het onderzoek niet gepubliceerd mag worden.
Zijn er patiënten die op enigerlei wijze schade hebben ondervonden door dit mensgebonden onderzoek bij GGZ NHN? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo neen, waaruit blijkt dat?
Zoals ik ook in mijn brief6 aan uw kamer heb laten weten heeft de inspectie tekortkomingen geconstateerd in de uitvoering van de studie. De IGZ heeft in haar onderzoek met name gekeken of het onderzoek is uitgevoerd conform de daarbij geldende normen. De IGZ heeft daarbij directe schade aan patiënten niet kunnen vaststellen.
Het in weerwil van een Kamermotie sluiten van gevangenissen |
|
Judith Swinkels (D66), Madeleine van Toorenburg (CDA), Nine Kooiman |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er toch gevangenissen dichtgaan?1
Uw Kamer heeft op 26 april jl. de motie van de leden Van Oosten en Volp4 aangenomen waarin wordt gesteld dat sluiting van penitentiaire inrichtingen (inclusief justitiële jeugdinrichtingen) nu niet aan de orde is. Ik voer deze motie dienovereenkomstig uit. Zoals ik inmiddels bij brief d.d. 14 juni5 heb toegelicht betekent dit dat ik nu geen gevangenissen sluit en hiermee rekening houd in de begroting van Veiligheid en Justitie voor 2017 en het meerjarige beeld. DJI brengt in samenspraak met het veld en de medezeggenschap de gevolgen en oplossingen voor de (huidige) leegstand in kaart, zoals ik ook in het AO van 30 maart jl. aan gaf. Uw Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van de verkenning van DJI.
In het artikel in de Telegraaf wordt de suggestie gewekt dat doordat DJI nadenkt over de concentratie van leegstand, er momenteel feitelijk wel sluitingen gaande zijn. Dat is niet het geval. Het concentreren van leegstand is onderdeel van de interne bedrijfsvoering en dient ter optimalisering van de organisatie van de primaire processen in de inrichtingen. Het concentreren van leegstand gebeurt op locatieniveau, afdelingsniveau of op celniveau. Door leegstand te concentreren kan de bedrijfsvoering binnen de bestaande setting – dus zonder sluiting – efficiënter worden ingericht.
Klopt het dat er voorbereidingen worden getroffen teneinde de gevangenissen te sluiten na de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2017? Wat voor soort voorbereidende handelingen betreft het?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhouden de voorbereidingen om gevangenissen te sluiten zich tot de motie waarin staat dat sluiting van gevangenissen aanvullend op het lopende masterplan nu niet aan de orde is en derhalve dienovereenkomstig moet worden gehandeld?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het dienovereenkomstig handelen in ieder geval ook betekent dat geen voorbereidingshandelingen getroffen mogen worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat u de opdracht aan de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) verder te gaan met de planvorming met betrekking tot het sluiten van gevangenissen niet heeft ingetrokken? Zo ja, waarom heeft u dat gezien de wens van de Kamer niet gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze bent u van plan uitvoering te geven aan de motie waarin de Kamer heeft uitgesproken dat sluiting van de gevangenissen niet aan de orde is?3
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het de bedoeling is dat de DJI de leegstand op korte termijn concentreert, wat kan leiden tot feitelijke sluiting van gevangenissen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het, nog afgezien van de voornoemde motie, onverstandig is voorbereidende handelingen te treffen voor de sluiting van gevangenissen onder andere omdat politie en Openbaar Miniserie hebben aangegeven onvoldoende middelen te hebben voor de opsporing4, een groot aantal veroordeelde personen de celstraf nog niet heeft uitgezeten en er nog geen visie op resocialisatie en recidivebestrijding is conform de aangenomen motie-Kooiman c.s.?5 Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 14 juni jl.8 heb ik uw Kamer tevens geïnformeerd over de uitkomsten en impact van de doorrekening van verschillende alternatieve factoren die van invloed zijn op de benodigde capaciteit in de strafrechtketen en de celcapaciteit in het bijzonder. De conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) op basis van de doorrekening is dat verhoging van het ophelderingspercentage, c.q. het opsporen van meer verdachten, leidt tot een relatief beperkte toename van de behoefte aan celcapaciteit. Evenwel ga ik onverminderd door met het versterken van de prestaties van de strafrechtketen. Tijdens het AO strafrechtelijke onderwerpen op 22 juni jl. heb ik echter ook aangegeven dat het tijd kost maatregelen te treffen aan de voorkant van de strafrechtketen. Daarbij zullen deze maatregelen pas na verloop van tijd merkbare gevolgen hebben in de fase van tenuitvoerlegging. Mocht een dergelijke toename zich (op termijn) in de praktijk voordoen, dan kan deze worden opgevangen binnen de bestaande capaciteit van DJI. Juist om redenen die u opwerpt, vind ik het verstandig dat DJI nadenkt over het vormgeven van de flexibele capaciteit. Een hernieuwde visie op resocialisatie en recidivebestrijding staat hier los van. Deze kan immers niet worden benut als instrument om de leegstand bij DJI tegen te gaan. Uw Kamer zal de door mij toegezegde brief over resocialisatie en recidivebestrijding voor het zomerreces ontvangen.
Het gebruik van antibiotica door boeren |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief «Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2015» van de Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa)1 en het rapport hierover van de SDa?2
Ja, het rapport van de SDa, vergezeld van onze reactie, hebben wij op 17 juni jl. aan uw Kamer gestuurd.
Wat is uw reactie op het feit dat de daling van het antibioticagebruik tussen 2009 en 2015 slechts 58% is, terwijl 70% als doelstelling is gesteld?
Evenals de SDa zijn wij positief over de gerealiseerde daling van het gebruik met 58,4% in de periode 2009 – 2015. Deze reductie heeft geleid tot een substantiële daling van resistentieniveaus in de sectoren. Ook in internationaal verband is dit een resultaat dat veel waardering krijgt.
Naar aanleiding van haar rapportage over het antibioticumgebruik in de dierhouderij in 2014, concludeerde de SDa reeds dat het in de lijn der verwachting lag dat de daling van het antibioticagebruik geleidelijk tot stilstand zou komen.
We zijn er echter nog niet. Wij blijven vasthouden aan de doelstelling om het antibioticumgebruik in de dierhouderij te verminderen. Volgende stappen zijn daarom nodig om te komen tot verdere reductie van het gebruik en daarmee vermindering van risico’s voor resistentieontwikkeling en resistentieverspreiding voor de volksgezondheid. Inspanningen van met name veelgebruikende bedrijven en veelvoorschrijvende dierenartsen zijn nodig om een verdere reductie te realiseren.
Als eerste stap hebben de organisaties van de betrokken veehouderijsectoren en de beroepsgroep van dierenartsen afgelopen jaar reeds een aantal aanvullende maatregelen genomen, gericht op een verdere reductie. Een aantal van deze maatregelen is genoemd in onze brief van mei 2015 (TK 29 683, nr. 200). Deze maatregelen richten zich op structureel veelgebruikende veehouders en veelvoorschrijvende dierenartsen, waaronder:
Wij verwachten dat deze maatregelen bijdragen aan versterking van het zorgvuldig gebruik van antibiotica, en daarmee aan verdere reductie.
Aanvullende stappen zijn echter nodig om de diergezondheid te verbeteren, en daarmee het antibioticagebruik structureel te verlagen. Veehouderijsectoren en de beroepsgroep dierenartsen erkennen dat. Zoals in de brief van 17 juni 2016 vermeld, zijn wij met deze stakeholders in overleg om tot een aanpak voor vervolgbeleid te komen. Voor het zomerreces informeren wij u over dit vervolgbeleid. Uitgangspunt in deze aanpak is «gezondheid is de norm, ziekte de uitzondering». Deze aanpak zal in de praktijk echter niet kunnen voorkomen dat (incidenteel) op bedrijfs- of regioniveau ziektes de kop opsteken, waarvoor inzet van antibiotica geïndiceerd is. Zieke dieren moeten behandeld kunnen blijven worden. De SDa geeft aan dat de stijging van het antibioticumgebruik bij kalkoenen geassocieerd wordt met een aantal uitbraken van de ziekte «blackhead».
Welke aanvullende stappen zullen worden genomen om zo snel als mogelijk alsnog een daling van 70% ten opzichte van 2009 te bereiken? Wanneer wordt deze daling verwacht?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt een stijging van het antibioticumgebruik voorkomen, zoals nu bij de kalversector en kalkoensector heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zo snel mogelijk doelstellingen, verdergaand dan een daling van 70% ten opzichte van 2009, te stellen? Is er al onderzoek gedaan naar de verdere gewenste daling en de haalbaarheid hiervan? Zo ja, wat is deze doelstelling? Zo nee, is het naar uw oordeel nodig dit uit te (laten) voeren?
De SDa pleit in zijn rapportage voor diepgaande analyse per sector naar «kritische succesfactoren» die ervoor zorgen dat bedrijven een laag antibioticumgebruik hebben. Wij delen – met de veehouderijsectoren – de mening van de SDa dat uitvoering van deze analyse nodig is. Kennis over deze succesfactoren is essentieel om effectieve maatregelen te kunnen nemen om het gebruik bij bedrijven met hoger gebruik verder te verminderen. Op basis hiervan kunnen nader onderbouwde – sectorspecifieke – doelstellingen worden geformuleerd voor een verdere reductie van het antibioticagebruik in de dierhouderij In onze brief over het vervolgbeleid die wij voor het zomerreces aan de Kamer sturen, zullen wij u verder informeren over dit onderzoek naar de kritische succesfactoren.
Is het waar dat er nog bedrijven zijn die geen verandering in antibioticagebruik laten zien?
Ja, de SDa constateert dat er nog bedrijven zijn die geen verandering in gebruik laten zien. Daarom zullen bedrijven in het actiegebied (rood) en het signaleringsgebied (oranje) aangezet moeten worden tot extra inspanningen om het gebruik te verlagen.
Bent u bereid te laten onderzoeken waarom er bij deze bedrijven geen daling zichtbaar is? Welke stappen kunnen genomen worden om dit alsnog te bewerkstelligen? Is het mogelijk om, indien nodig, hierbij dwingende maatregelen te nemen?
Ja, zoals gemeld in het antwoord op vraag 5, zetten wij samen met de veehouderijsectoren in op de diepgaande analyse naar de kritische succesfactoren waarmee een verdere reductie kan worden gerealiseerd op bedrijven met een hoog gebruik. In deze onderzoeksaanpak worden zowel groene als rode bedrijven onderzocht. Tevens zal per sector een onderzoekspilot worden uitgevoerd bij rode bedrijven, waarbij een effectieve aanpak wordt onderzocht en ontwikkeld om faalfactoren bij deze bedrijven weg te nemen, succesfactoren in te zetten en reductie in gebruik richting het «groene» streefgebied te realiseren.
De stijging van externe inhuur bij gemeenten |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Wat is uw verklaring voor de stijging van externe inhuur van personeel door gemeenten?1
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat gemeenten steeds meer geld besteden aan duur extern personeel?
Bent u bereid om, samen in met de VNG, met voorstellen te komen hoe de «Roemernorm» ook bij gemeenten toegepast kan worden?
De CvO-plicht betreffende sleepboten |
|
Betty de Boer (VVD), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van de watersportsector over het verplicht stellen van het Certificaat van Onderzoek (CvO) betreffende sleepboten?1
Ja. Daarover heb ik in 2015 al reacties ontvangen. Inmiddels hebben mij daarover ook enkele brieven bereikt.
Acht u een CvO-plicht betreffende sleepboten proportioneel voor de pleziervaart?
Ik kan mij situaties voorstellen waarbij een CvO-plicht proportioneel is. Hierbij moet dan onder andere worden gekeken naar de frequentie waarmee wordt gesleept, de vaartuigen die worden gesleept en de wateren waarop gevaren wordt. Het maakt nogal verschil of dergelijke vaarbewegingen plaatsvinden op bijvoorbeeld de Vinkeveense Plassen of op de Westerschelde.
Deelt u de mening dat de CvO-plicht betreffende sleepboten in de voorbeelden die het Watersportverbond in zijn brief en op de website geeft (bijvoorbeeld het slepen van rubberbootjes of een surfplank) niet passend is? Zo ja, bent u bereid om voor de pleziervaart (zoals zeilverenigingen, zeilscholen, waterscouting en zeekadetten) een uitzondering te maken op de CvO-plicht betreffende sleepboten en wanneer past u de wet- en regelgeving hierop aan? Zo nee, waarom niet?
Letterlijke toepassing van de regelgeving kan inderdaad leiden tot ongewenste situaties. Naar aanleiding van de klachten van de sector ben ik reeds met hen in gesprek om te bekijken of en hoe de regelgeving moet worden aangepast en voor welke categorieën van sleepboten een CvO-plicht gewenst is of niet.
Aangezien de wettelijke bepalingen te vinden zijn op het niveau van het Binnenvaartbesluit en de Binnenvaartwet zelf, zou een eventuele aanpassing enige tijd in beslag kunnen nemen. Nog deze maand zal de Europese Raad een nieuwe richtlijn voor technische eisen aan binnenvaartschepen vaststellen ter vervanging van richtlijn 2006/87/EG. Ik zal trachten een eventuele wijziging van de regelgeving te laten meelopen in het traject van implementatie van de nieuwe richtlijn.
Waarom is in artikel 1 van de Binnenvaartwet vastgelegd dat in het geval van slepen altijd sprake is van bedrijfsmatig varen? Hoe verhoudt deze bepaling zich tot de door het Watersportverbond genoemde voorbeelden?
In de memorie van toelichting bij de Binnenvaartwet is daarover opgemerkt dat op die manier de regelgeving betreffende de vereiste documenten voor toelating tot het bedrijfsmatige vervoer op de binnenwateren volledig op deze schepen van toepassing werd verklaard. Dat was in overeenstemming met de voorschriften die op grond van de Wet vervoer binnenvaart aan deze schepen werden gesteld.
De voorbeelden die door het Watersportverbond naar voren worden gebracht, zijn overigens niet terug te voeren op dit artikel, maar op de definitie van het begrip sleepboot, waaruit blijkt dat elk schip dat wordt gebruikt om te slepen ook automatisch een sleepboot is en dus CvO-plichtig.
Op welke wijze handhaaft de inspectie de CvO-plicht betreffende sleepboten voor de pleziervaart? Bent u bereid de handhaving voor de pleziervaart op te schorten en hierover met de sector in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Voor pleziervaartuigen die een bijboot van de kinderen slepen zal de ILT nooit een boete geven wegens ontbreken van een certificaat van onderzoek. Wel is het zo dat in 2014 handhaving is aangekondigd op de CvO-plicht voor sleepboten die stelselmatig sleepdiensten verrichten aan kleine pleziervaartuigen. Naar aanleiding van deze aankondiging kwamen de bezwaren van de branche aan het licht.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, ben ik al met de branche in gesprek over deze problematiek. In afwachting van de uitkomst van deze gesprekken heeft de ILT de handhaving op de CvO-plicht voor kleine sleepboten die zijn bestemd of worden gebruikt om kleine schepen te slepen vooralsnog opgeschort. Is het gesleepte schip echter 20 meter of langer of heeft het gesleepte schip een waterverplaatsing van 100m3 of meer, dan moet de sleepboot ongeacht zijn eigen lengte zijn voorzien van een certificaat van onderzoek.
Het bericht ‘Laat veteranen op 25 juni vrij reizen’ |
|
Fred Teeven (VVD) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Laat veteranen op 25 juni vrij reizen»?1
Ja.
Klopt het dat post-actieve veteranen op Veteranendag (25 juni a.s.) gratis mogen reizen bij NS? Is dat inclusief hun familieleden?
Het Veteraneninstituut geeft post-actieve veteranen de mogelijkheid op twee keer per jaar gratis treinvervoer voor het bezoeken van veteranenevenementen. Zij bepalen zelf aan welke evenementen deze treinreizen worden besteed. Voor de gekozen dagen krijgen de veteranen een 1 Dag Trein Vrij kaart. Gedurende de dag kunnen ze daarmee onbeperkt in- en uitchecken. Een 1 Dag Trein Vrij kaart geldt niet alleen bij NS, maar ook bij de andere spoorvervoerders.
Post-actieve veteranen die zich voor de Nederlandse Veteranendag aanmelden voor het defilé ontvangen voor zichzelf en voor de partner of begeleider een extra gratis kaart. Dit geldt ook voor post-actieve veteranen die slecht ter been zijn en op de tribune worden ontvangen. Eventuele andere familieleden reizen in beide gevallen op eigen kosten mee.
Klopt het ook dat dit aanbod niet geldt voor actief dienende veteranen? Zo ja, op basis waarvan wordt dit onderscheid gemaakt?
Actief dienende veteranen kunnen de reiskosten voor een veteranenbijeenkomst (per openbaar vervoer of per auto) bij Defensie declareren. Post-actieve veteranen krijgen vervoerbewijzen via het Veteraneninstituut, omdat zij niet via de reguliere Defensiekanalen kunnen declareren.
Vindt u ook dat bovengenoemd onderscheid arbitrair en daarmee ongewenst is? Bent u bereid om u hard te maken voor het wegnemen van dit onderscheid met als uitkomst dat ook actief dienende veteranen, inclusief hun familieleden, op Veteranendag gratis mogen reizen bij NS? Wilt u uw antwoord toelichten?
Actief dienende veteranen kunnen de reiskosten voor een veteranenbijeenkomst (per openbaar vervoer of per auto) bij Defensie declareren. Post-actieve veteranen krijgen de vervoerbewijzen via het Veteraneninstituut, omdat zij niet via de reguliere Defensiekanalen kunnen declareren.
NS draagt bij aan de Veteranendag door, net als bij andere grote evenementen, voldoende capaciteit in de treinenloop te bieden om de grote hoeveelheid bezoekers een comfortabele reis te bieden.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, in ieder geval ruim voor 25 juni aanstaande?
Ja.
Defensiebedrijven die via Nederland belasting ontwijken |
|
Arnold Merkies , Jasper van Dijk |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Tax evasion and weapon production – Mailbox arms companies in the Netherlands»?1
Deelt u de mening dat de voornaamste reden voor grote defensiebedrijven om zich in Nederland te vestigen via een brievenbusfirma is om zo min mogelijk belasting te hoeven betalen? Zo nee, wat is volgens u de reden dat zoveel defensiebedrijven zich fiscaal verbinden aan Nederland?
Klopt het dat één van elke twee dollar die verdiend wordt in de defensie-industrie Nederland passeert via een financiële constructie? Welke verklaring geeft u daarvoor?
Deze gegevens worden niet als zodanig bijgehouden.
Hoe oordeelt u over het feit dat naar schatting 40% van alle corruptie in mondiale transacties toe te schrijven is aan corruptie binnen wapenhandel, gezien de grote hoeveelheid holdings van defensiebedrijven in Nederland? Door welke instantie en op welke manier wordt bijgehouden in hoeverre de financiële stromen van defensiebedrijven die Nederland passeren corruptievrij zijn? Op welke wijze wordt deze corruptie in Nederland aangepakt?
Corruptie moet te allen tijden aangepakt worden en heeft de aandacht van het kabinet. Ik heb geen inzicht in de verdeling van corruptie over verschillende bedrijfstakken. Recent is de Europese vierde anti-witwasrichtlijn vastgesteld. Die bevat diverse aanscherpingen om witwassen, terrorisme financiering en ook fraude en corruptie effectiever aan te pakken. Deze richtlijn moet in de zomer van 2017 zijn omgezet in Nederlands recht. Op nationaal niveau worden de regels die gelden voor trustkantoren verder aangescherpt. Een concept wetsvoorstel is recent voor consultatie beschikbaar gemaakt. Tevens zijn op alle bedrijven in Nederland, dus ook bedrijven verbonden aan de defensiesector, de regels van het strafrecht en van bijzondere toezichtsbepalingen van toepassing.
Klopt het dat zes van de tien grote bedrijven een holding in Nederland hebben, een derde van de honderd grootste defensiebedrijven één of meer holdings in Nederland heeft, en dertig van de honderd belangrijkste wapenbedrijven één of meer holdings in Nederland hebben? Waarom wordt er niet bijgehouden of holdings in Nederland gelieerd zijn aan een defensiebedrijf in het buitenland? Bent u bereid dit voortaan wel bij te houden, gezien de conclusies van het rapport?2
Deze gegevens worden niet als zodanig bijgehouden en daar is ook geen reden voor.
Hoeveel defensiebedrijven hebben een Advance Pricing Agreement (APA) of Advance Tax Ruling (ATR) aangevraagd, maar niet gekregen vanwege het niet voldoen aan de substance-eisen?
De redenen waarom aan een belastingplichtige geen zekerheid vooraf wordt verstrekt in de vorm van een APA of ATR, zijn divers. Één van de redenen kan zijn dat niet wordt voldaan aan de substance eisen. Een andere reden kan zijn dat er sprake is van strijd met de goede trouw. Ook dan wordt een vooroverleg met een inspecteur niet voortgezet en neemt hij ook geen inhoudelijk standpunt in. Er is bijvoorbeeld sprake van strijd met de goede trouw als de inspecteur betrokkenheid vermoedt bij witwassen, steekpenningen, ernstige vermogensdelicten of terrorismefinanciering.
Er zijn geen specifieke cijfers bijgehouden of en hoeveel defensiebedrijven geen APA of ATR kreeg vanwege het niet voldoen aan de substance-eisen. Er gelden immers geen afwijkende regels in het fiscale recht voor defensiebedrijven.
Hoeveel belastinggeld gaat er naar Onderzoek en Ontwikkeling binnen Nederlandse defensiebedrijven?
Deze gegevens worden niet als zodanig bijgehouden. Wel bestaat inzicht in de uitgaven aan technologieontwikkeling door Defensie. Jaarlijks stelt Defensie hiervoor ongeveer 20 miljoen euro ter beschikking. Bedrijven, kennisinstellingen en/of universiteiten participeren samen in deze ontwikkelingsprojecten. Per project variëren de bijdragen per deelnemer afhankelijk van de aard van de technologie en de samenstelling van de participanten.
Op welke wijze heeft u zich ingespannen voor het speerpunt transparantie in fiscale zaken onder het Nederlands voorzitterschap als het gaat om het tegengaan van belastingontwijking door de defensie-industrie?
Het Nederlandse voorzitterschap heeft zich hard gemaakt om belastingontwijking aan te pakken en de fiscale transparantie te verbeteren in alle bedrijfstakken. Zo is er tijdens de Ecofin Raad van 8 maart 2016 een akkoord bereikt over de richtlijn voor Country by Country Reporting tussen belastingdiensten. Bovendien worden vanaf 1 januari 2017 binnen de EU op automatische basis rulings uitgewisseld. Deze uitwisseling van rulings heeft een terugwerkende kracht van 5 jaar.
Deelt u de mening dat er meer onderzoek nodig is naar de schaal waarop de defensie-industrie profiteert van het Nederlandse belastingklimaat, ook met oog op de gevoeligheid voor corruptie? Zo ja, bent u bereid een dergelijk onderzoek te starten?
Ik deel de mening dat het noodzakelijk is dat de regering bij het indienen van wetsvoorstellen rekening houdt met de risico’s van corruptie en met de mogelijkheid dat belastingregels misbruikt worden. Ik zie geen aanleiding één of meerdere bedrijfstakken in het bijzonder in die beschouwing te betrekken.
Vrij reizen voor veteranen op Veteranendag |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het verzoek vrij reizen voor veteranen op Veteranendag?1
Ja.
Deelt u de mening, van driekwart van de Nederlandse bevolking, dat veteranen meer openlijke waardering zouden mogen ontvangen voor hun belangrijke werk?
In de Veteranenennota 2015–2016 is gemeld dat het percentage Nederlanders dat vindt dat veteranen bijzondere waardering verdienen in 2015 – net als in 2014 – op 76 procent lag.
Het veteranenbeleid is onder andere gericht op het bestendigen en vergroten van de erkenning en waardering voor veteranen in de Nederlandse samenleving, en het bestendigen en vergroten van het gevoel van erkenning en waardering bij de veteranen zelf. Dit is ook in de Veteranenwet en het Veteranenbesluit neergelegd.
Erkenning en waardering worden onder meer bevorderd door de Nederlandse Veteranendag, het decoratiebeleid, het schoolprogramma «Veteraan in de klas», en veteranenconcerten. Daarnaast zijn er talloze particuliere initiatieven die openlijk waardering uiten voor veteranen.
Zo ja, in hoeverre bent u bereid om – in aanvulling op het initiatief van het Veteraneninstituut2 – ook actieve veteranen de mogelijkheid te geven vrij te reizen naar de Veteranendag en daarmee dat stukje extra waardering te tonen?
Veteranen in werkelijke dienst hebben die mogelijkheid al. Zij kunnen reizen naar veteranenevenementen declareren.
Kunt u deze vragen vóór zaterdag 25 juni beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Mbo-student negatief over lessen' |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht: «Mbo-student negatief over lessen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de resultaten van het onderzoek waaruit blijkt dat een grote groep mbo-studenten zich niet uitgedaagd en/of gemotiveerd voelt tijdens de les en lessen niet als nuttig ervaart? Welk initiatief kunt u nemen om bij te dragen aan het veranderen hiervan?
Ik vind het jammer dat een deel van studenten zich niet uitgedaagd voelt in hun mbo-opleiding. Het onderzoek van JOB laat zien dat het afgelopen jaar het merendeel van de studenten, namelijk 54%, de lessen positief waardeert. 18% van de studenten waardeert de lessen echter negatief. Hoewel deze scores iets beter zijn dan die van de afgelopen jaren, is hier nog duidelijk ruimte voor verbetering. Onvoldoende uitdaging en motivatie onder studenten speelt al langer. Dit is één van de redenen geweest waarom ik bijv. in augustus 2014 de mbo-4 opleidingen heb verkort en geïntensiveerd. Ook andere maatregelen die ik heb genomen zijn erop gericht om het onderwijs te verbeteren en daarmee aantrekkelijker te maken. Via de kwaliteitsafspraken zet ik bijvoorbeeld in op de professionalisering van docenten en op uitdagend en excellent vakmanschap.
Volgens JOB geven veel studenten ook aan dat het nut van de meer algemene onderdelen van de opleiding zoals Nederlandse taal, Engels en rekenen duidelijk moet zijn. Om dit te verbeteren is het zaak het onderwijs gericht op deze onderdelen zoveel mogelijk op de beroepspraktijk te laten aansluiten. De afgelopen jaren is hier al op ingezet door het verspreiden van goede voorbeelden onder docenten via het steunpunt taal en rekenen mbo. Het verbinden van rekenen aan de beroepsgerichte onderdelen van de opleiding maakt ook onderdeel uit van de agenda rekenonderwijs vo/mbo die op 8 juli jl. naar uw Kamer is gestuurd.
Wat is uw oordeel over het feit dat een grote groep mbo-studenten aangeeft dat aangeschafte lesmaterialen te weinig worden gebruikt? Hoe beoordeelt u dit in relatie tot de voortgaande discussie over de schoolkosten in het mbo en het feit dat er nog steeds studenten zijn die grote moeite moeten doen om alle benodigde materialen te kunnen aanschaffen? Wat is de stand van zaken van uw overleg met de sector over de hoogte van de schoolkosten?
Uit de resultaten van de JOB-monitor blijkt dat 41% van de studenten lesmateriaal aanschaft dat nauwelijks word gebruikt. Dat vind ik zeer ongewenst. Het is van belang dat de onderwijsinstelling met de studentenraad het gesprek aan gaat over de onderwijsbenodigdheden die nodig zijn om de lessen voor te bereiden. De instelling dient zorgvuldig af te wegen welke zaken echt noodzakelijk zijn om zo de kosten voor studenten en hun ouders tot een minimum te beperken. Uit informatie van de JOB blijkt dat bij instellingen, zoals ROC van Amsterdam en ROC van Flevoland, studenten aan het einde van de lesperiode kunnen melden wanneer zij lesmateriaal niet hebben gebruikt. Er wordt dan onderzocht of dit klopt. Als de studenten gelijk hebben, krijgen zij de kosten voor deze lesmaterialen terug van de school. In de Tweede Kamer ligt het wetsvoorstel voor waarin studentenraden adviesrecht krijgen op het schoolkostenbeleid van een instelling. Hiermee kan worden voorkomen dat schoolboeken of ander lesmateriaal wel in rekening wordt gebracht door de mbo-instelling, maar uiteindelijk niet of nauwelijks wordt gebruikt gedurende de opleiding. Onlangs heeft uw Kamer een brief ontvangen over schoolkosten. Hierin heb ik onder andere aangegeven dat de JOB en de MBO Raad in overleg zijn met het doel te komen tot gemeenschappelijke afspraken om de studentenraden in de mbo-instellingen beter te ondersteunen en in positie te brengen. Zelf zal ik hierover ook het gesprek aangaan met de MBO Raad en de JOB. Verder ben ik in overleg met de sector en overige betrokken partijen om de schoolkosten voor mbo-studenten en hun ouders beperkt te houden en onduidelijkheden daarover te benoemen en op te lossen.
Hoe beoordeelt u de studenttevredenheid over beroepspraktijkvorming? Op welke wijze verhoudt dit zich tot de financiële beloning van mbo-instellingen die betere resultaten boeken op het gebied van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het verbeteren van de kwaliteit van beroepspraktijkvorming en de toekenning van de financiële beloningen?
De JOB-monitor laat zien dat als totaal oordeel de bbl-studenten (67%) meer tevreden zijn over de werkplek dan de bol-studenten (58%) over de stageplek. Voor beiden is dit een lichte stijging sinds 2014. Ik vind de kwaliteit van het onderwijs en dus ook de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming belangrijk.
De uitkomsten van tevredenheidsonderzoeken zoals de JOB-monitor zijn in eerste instantie bedoeld als startpunt voor een dialoog tussen betrokkenen. De tevredenheid wordt mede bepaald door omstandigheden op een instelling of opleiding en ervaring van de studenten. Een gesprek tussen betrokken partijen is dus van belang om de tevredenheid te verbeteren.
Ik heb mbo-instellingen die in aanmerking willen komen voor de resultaatafhankelijke beloning voor betere resultaten van de bpv in het kader van de Kwaliteitsafspraken mbo, gevraagd een verbeterplan bpv op te stellen. Alleen instellingen die minimaal voldoende verbetering hebben gerealiseerd bij het behalen van hun beoogde resultaten, komen in aanmerking voor de resultaatafhankelijke beloning. Onvoldoende verbetering betekent geen resultaatafhankelijke beloning.
In het verbeterplan bpv maken mbo-instellingen een analyse van de huidige situatie. Op grond daarvan kiezen zij passende ambities (beoogde resultaten) die aansluiten bij de opgave voor de instelling zoals die uit de analyse naar voren komt. Voor het meten van de behaalde resultaten kiezen zij passende en betrouwbare indicatoren om de voortgang en verbetering zichtbaar te kunnen maken. De uitkomsten van een tevredenheidsonderzoek, zoals bijvoorbeeld de JOB-monitor, zou zo’n indicator kunnen zijn. Een goede analyse betekent immers dat de beschikbare informatie over de kwaliteit van de bpv benut wordt.
Mbo-instellingen zijn op dit moment druk aan de slag met het maken van hun verbeterplannen bpv, die zij uiterlijk op 31 augustus 2016 indienen.
Wat is, in algemene zin, kenmerkend voor die instellingen en opleidingen waarover mbo-studenten uitgesproken positief zijn? Op welke manier kan deze kennis en ervaring naar uw idee worden benut door gehele sector om de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs verder te versterken?
De JOB monitor geeft aan dat de mbo-instellingen sterk verschillen van hun studentenpopulatie. De verschillen bij instellingen waarbij de kenmerken van studenten het meest van invloed zijn: het actief willen denken over verbeteren van school/opleiding, op dezelfde manier beoordeeld worden als de medestudenten, voldoende mogelijkheden om in eigen tempo te werken, van te voren weten hoe de opleiding is opgebouwd en tevredenheid over afwisseling zelfstandig werken en in groepen werken. Waar ik kan, zal ik het onderwijs ondersteunen o.a. door kennisdeling via het servicepunt LOB-mbo, het evalueren van de bijsluiter Studie in Cijfers en de kwaliteitsafspraken over professionalisering.
Welke ontwikkelingen ziet u in de uitkomsten van de JOB-monitor van 2012, 2014 en 2016 en op welke wijze verhouden deze ontwikkelingen zich tot uw inzet voor het versterken van de kwaliteit van het mbo in de nabije toekomst?2
Een ontwikkeling is te zien bij studieloopbaanbegeleiding. De stijgende positieve waardering was in 2008 38%, in 2012, 42% en in 2016 48%. Dit is mede te danken aan de ontwikkelde instrumenten voor LOB ondersteuning in de mbo-scholen en betere objectieve en transparante studie en beroepskeuze informatie over opleidingen, beroepen en arbeidsmarkt (MBO Stad, Beroepen in Beeld en de bijsluiter Studie in Cijfers). Het door mij ingestelde lob servicepunt ondersteunt de onderwijspraktijk bij de verbetering van de studieloopbaanbegeleiding. De resultaten van de monitor laten namelijk ook zien dat er nog verbetering nodig is (19% is ontevreden). In de zomer stuur ik Uw kamer een brief met aanvullende maatregelen.
De bekendheid van de studentenraad is verbeterd, zodat er meer inspraak mogelijk is. Dit is voor een deel te danken aan de inzet van de JOB. Daarnaast zal met het wetsvoorstel kwaliteitsaspecten mbo waarin studentenraden adviesrecht krijgen op het schoolkostenbeleid van een instelling, de betrokkenheid van de student bij het beleid van de school wordt vergroot. Zo wordt de medezeggenschap betrokken bij de implementatie van de kwaliteitsplannen van de mbo-instellingen in het kader van de kwaliteitsafspraken.
De Job-monitor is een belangrijk instrument voor het meten van de kwaliteit van het mbo vanuit het perspectief van de student, zowel landelijk als op instellingsniveau. Zo was de tevredenheid van studenten in de JOB-monitor over de bpv een van de aanleidingen om verbetering van de bpv als thema te kiezen in het kader van de kwaliteitsafspraken. Met de kwaliteitsafspraken investeer ik in de verbetering van de kwaliteit van het mbo, waarbij de instellingen in hun kwaliteitsplannen aandacht besteden aan de landelijke thema’s: professionalisering ook van examenfunctionarissen), excellent vakmanschap, taal en rekenen, beroepspraktijkvorming en studiewaarde.
Het bericht ‘Nieuwe tegenvaller Staat bij verkoop Vivat’ |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe tegenvaller Staat bij verkoop Vivat»?1
Ja.
Kunt u nadere informatie verschaffen over het pensioenakkoord dat gesloten is tussen Vivat, Anbang en SNS Reaal van afgelopen mei? Welke verplichtingen levert dit op voor SNS Reaal?
Klopt het dat de Staat 117 miljoen euro moet bijstorten in de pensioenpot voor medewerkers en ex-medewerkers van wat vroeger Reaal heette?
Klopt het dat Vivat nog niet alle leningen aan het vroegere moederbedrijf heeft afgelost, terwijl dat wel in eerdere instantie was afgesproken? Om welk bedrag gaat het?
Wat is de rol van de toezichthouder geweest in deze?
Zijn er meer aspecten van de overeenkomst met Anbang die nog financiële gevolgen kunnen hebben voor het Rijk? Zo ja, welke?
Met de overeenstemming over de pensioenindexatieverplichtingen is een belangrijk element van de koopovereenkomst afgewikkeld. Naast dit onderdeel zijn in de koopovereenkomst enkele garanties, vrijwaringen en andere regelingen opgenomen die gebruikelijk zijn bij dit soort transacties. De totale aansprakelijkheid van SRH jegens Anbang die voortvloeit uit deze garanties, vrijwaringen en andere regelingen is in geen geval hoger dan EUR 150 mln. Ik verwijs u hiervoor ook naar het advies van NLFI dat als bijlage is meegestuurd met de Kamerbrief update verkoopproces REAAL d.d. 10 juli 2015.2
Een Amerikaanse undercoveroperatie in Nederland |
|
Michiel van Nispen |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat uw voorganger de Kamer onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over een Amerikaanse undercoveroperatie?1
Ik onderschrijf deze stelling niet.
Zou u in het licht van deze informatie de eerdere vragen aan uw voorganger anders hebben beantwoord?2 Zo ja, op welke wijze en kunt u daarbij aangeven wat de redenen waren dat uw voorganger verkeerde antwoorden aan de Kamer heeft gezonden? Zo nee, waarom niet?
Nee, de antwoorden die mijn voorganger aan uw Kamer zond, zijn ook in het licht van de berichtgeving waaraan de vraagsteller refereert juist en volledig.
Klopt het dat de Verenigde Staten rechtshulpverzoeken heeft ingediend waaruit bleek dat Marc W. de hoofdverdachte is van een Amerikaanse drugsonderzoek en dat de Amerikanen middels pseudo-aankopen van drugs bewijs verzamelden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe is hierop door uw ministerie gereageerd en waarom heeft uw voorganger eerder geantwoord dat een rechtshulpverzoek niet nodig was?
Voor handelingen die de Amerikaanse autoriteiten in Nederland wensten te laten verrichten, hebben de Verenigde Staten rechtshulpverzoeken ingediend. In die verzoeken werd informatie over het onderzoek gegeven. Eveneens werd daarin gemeld dat Marc W. een van de verdachten was. Een rechtshulpverzoek aan Nederland voor het doen van pseudokoop via internet was niet vereist, omdat er geen undercoveracties op Nederlands grondgebied plaatsvonden. Het betrof hier een organisatie die via het internet handelde in drugs. Eveneens via internet hebben Amerikaanse undercoveragenten zich als geïnteresseerde kopers voorgedaan. Door langs deze weg contact te leggen met een anonieme organisatie die wereldwijd actief is, wordt de Nederlandse soevereiniteit niet geschonden als vervolgens blijkt dat sommige bestellingen vanuit Nederland zijn verzonden. In het geval van Marc W. was er dan ook geen undercoveroperatie op Nederlands grondgebied waarvoor Nederlandse toestemming vereist was.
Deelt u de mening dat onder het Nederlandse recht sprake is van uitlokking indien, zoals hier het geval was, door middel van pseudo-aankopen van drugs bewijs wordt verzameld door opsporingsdiensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, klopt het dat voor dergelijke wijze van bewijsverzameling geen toestemming mag en kan worden gegeven door Nederland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het opsporingsmiddel pseudo-koop (artikel 126i Wetboek van Strafvordering) is naar Nederlands recht toegestaan zolang geen sprake is van uitlokking, zoals het tweede lid van artikel 126i bepaalt. Mij zijn geen aanwijzingen bekend dat in deze zaak uitlokking heeft plaatsgevonden, nu de Amerikaanse opsporingsambtenaren reageerden op advertenties die de verdachten zelf hadden geplaatst.
Het rechtshulpverdrag tussen de VS en Nederland schrijft voor dat voor het verrichten van onderzoekshandelingen op elkaars grondgebied een rechtshulpverzoek nodig is. Rechtshulpverzoeken kunnen worden ingewilligd als het recht van de aangezochte staat zich daar niet tegen verzet. Zoals gezegd is pseuod-koop naar Nederlands recht een geoorloofd opsporingsmiddel.
In hoeverre heeft Nederland toestemming gegeven aan de Verenigde Staten om al dan niet via deze wijze een strafrechtelijk onderzoek te verrichten naar Marc W.? Indien dit niet het geval was, betekent dit dan niet dat de Verenigde Staten zonder toestemming van Nederland opsporingsactiviteiten heeft verricht op Nederlands grondgebied naar een Nederlandse hoofdverdachte?
Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 3 en 4. De Nederlandse soevereiniteit is niet geschonden door de Verenigde Staten.
Waarom is er, in het licht van voorgaande en reeds bij uw ministerie bekende informatie, destijds niet toe besloten om Marc W. in Nederland te vervolgen, maar hem uit te leveren aan de Verenigde Staten?
Het uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten is, na een zorgvuldige (rechterlijke) beoordeling, ingewilligd. Aan alle voorwaarden voor uitlevering was voldaan en een aanleiding ontbrak om in plaats daarvan betrokkene in Nederland te vervolgen.
Gebeurt het vaker dat de Verenigde Staten zonder toestemming van Nederland opsporingsactiviteiten op Nederlands grondgebied verrichten en dus zonder eerbiediging van het Nederlandse recht te werk (kunnen) gaan?
Nee. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 5 van mijn voorganger op vragen van het Kamerlid De Wit (SP) over het op Nederlands grondgebied verrichten van opsporingsactiviteiten door Amerikaanse diensten en het naar aanleiding daarvan uitleveren van een Nederlander.3
Hoe wordt en zal worden voorkomen dat buitenlandse opsporingsdiensten zonder medeweten van of in ieder geval zonder toestemming van uw ministerie opsporingsactiviteiten verrichten in Nederland?
Het is in het internationale verkeer van algemene bekendheid dat het ongeoorloofd is om opsporingshandelingen in een ander land te verrichten zonder toestemming van dat land. Mocht dat toch voorkomen, dan spreek ik het land in kwestie daar vanzelfsprekend op aan.
Het schenden van mensenrechten in Brazilië in de aanloop naar de Olympische Spelen |
|
Harry van Bommel , Michiel van Nispen |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bruut politiegeweld in Olympisch Brazilië» van Amnesty International? Wat is uw reactie hierop?1
Ja. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorgen over het buitensporige politiegeweld in Brazilië? Deelt u de vaststelling dat er van de beloftes, gedaan rondom de toewijzing van de Olympische Spelen aan Rio de Janeiro, om extra maatregelen te nemen om de stad veiliger te maken niets terecht is gekomen? Wat is hierop uw reactie?
Het geweld in de grote steden van Brazilië baart het kabinet zorgen. Zo werden er in 2014 volgens het Braziliaanse Ministerie van Gezondheid 59.627 moorden in Brazilië gepleegd, voornamelijk in steden. Van de twintig meest gewelddadige steden ter wereld liggen er dertien in Brazilië, dus deze problematiek strekt veel verder dan alleen Rio de Janeiro, dat vanwege de a.s. Olympische Spelen uiteraard volop in de belangstelling staat. Bedacht dient te worden dat er, alleen al in de stad Rio de Janeiro, meer dan 1,5 miljoen mensen in 763 favela’s (sloppenwijken) wonen, en geweld in de favela’s gerelateerd is aan sociaaleconomische problemen.
In aanvulling op het pacificatiebeleid in de stad Rio de Janeiro, gericht op het terugdringen van drugscriminaliteit en misdaad in de favela’s, is in de aanloop naar het WK2014 en de OS2016 de aanwezigheid van politie, en op sommige locaties ook het leger, tijdelijk uitgebreid. De huidige economische teruggang heeft een negatief effect op de situatie, vooral ook omdat door teruglopende overheidsbudgetten veel sociale programma’s van de regering gekort zijn. Op veel locaties in Rio de Janeiro is de strijd tussen drugsbaronnen om macht en invloed verder opgelaaid. Nadat het aantal moorden in de afgelopen jaren dalende was, is helaas het aantal moorden in 2016 weer aan het stijgen, veelal vanwege drugsoorlogen om territorium tussen bendes, en tussen bendes en de politie.
Tijdens officiële ontmoetingen tussen Nederland en Brazilië worden bovenstaande zorgen opgebracht.
Deelt u eveneens de zorgen over het feit dat het politiegeweld toenam ten tijde van het vorige grote sportevenement, het WK voetbal in 2014, alsmede over het feit dat recent wetten zijn aangenomen die het recht op vreedzame protesten en vrije meningsuiting inperken?
Voorafgaand aan het WK2014 heeft, vanwege ontruimingen van sloppenwijken, een aantal gewelddadige confrontaties plaatsgevonden tussen politie en bewoners. Tijdens het WK zelf is echter geen sprake van gewelddadigheden geweest. Voorafgaand aan de Olympische Spelen van dit jaar is er weinig geweld geweest dat gerelateerd was aan de bouw van Olympische stadions e.d. Het geweld dat plaatsvindt, is geweld dat al sinds jaren in de favela’s voorkomt en nu weer oplaait. Dit baart zorgen. De anti-terrorismewetgeving die in de eerste helft van dit jaar in Brazilië werd goedgekeurd, geeft brede bevoegdheden aan autoriteiten voor mogelijke restrictie van fundamentele vrijheden. Nederland deelt het commentaar dat verschillende Speciale Rapporteurs van de VN Mensenrechtenraad op deze wetgeving hebben geuit. Indien toepassing van deze wet inderdaad leidt tot inperking van het recht op vreedzame protesten of vrijheid van meningsuiting, zal Nederland zijn zorg hierover uiten aan de Braziliaanse autoriteiten.
Bent u bereid uw zorgen hierover uit te drukken, al dan niet gezamenlijk met andere collega’s uit EU-lidstaten, bij het Olympisch Comité en de Braziliaanse autoriteiten, en aandacht te vragen voor het treffen van maatregelen die het risico op schendingen van mensenrechten kunnen beperken, en het instellen van verantwoordingsmechanismen om straffeloosheid te voorkomen? Zo niet, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Brazilië, waaronder de kwestie van politiegeweld, is vast onderwerp van gesprek tijdens de reguliere dialogen, waaronder de EU-Brazilië mensenrechtendialoog, en zal ook door Nederland worden aangekaart tijdens bilaterale politieke dialogen op alle relevante niveaus. Op lokaal niveau in de contacten van het Nederlandse Consulaat-General in Rio de Janeiro met verantwoordelijke autoriteiten, waaronder de federale politie en de deelstaatregering, wordt regelmatig gesproken over de veiligheidssituatie in Rio de Janeiro. In de aanloop naar de Olympische Spelen zijn deze contacten geïntensiveerd. De kwestie van disproportioneel politiegeweld wordt daarbij aan de orde gesteld. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Daarnaast heeft het kabinet zich tijdens het Nederlands Voorzitterschap van de Europese Unie gericht op de versterking van de integriteit binnen de sport. Tijdens de Onderwijs-, Jeugd-, Cultuur- en Sportraad (OJCS-Raad) zijn Raadsconclusies vastgesteld over integere en transparante toewijzing, uitvoering en verantwoording van grote sportevenementen met aanbevelingen aan lidstaten, Europese Commissie, lokale overheden en sportorganisaties voor het bevorderen van integriteit waaronder aandacht voor mensenrechten2.
Het bericht dat stapeling van diploma’s in het MBO belemmerd worden door verplichte keuzedelen |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat leerlingen die van een bbl-opleiding op mbo-niveau 2 doorstromen naar een bbl-opleiding op niveau 3, zonder dat ze keuzedelen op niveau 2 hebben gevolgd, verplicht drie keuzedelen moeten volgen op niveau 3 in één schooljaar? Kunt u uw antwoord toelichten?1 2
Ook ik heb deze verhalen gehoord, wij hebben deze bezwaren uitgezocht en daar acties op ondernomen zodat instellingen weten wat ze – om deze problematiek te kunnen voorkomen – kunnen doen.
Uiteraard vind ik dat studenten keuzedelen moeten volgen, ook bij bbl-opleidingen op niveau 3. Het is aan de instelling om de keuzedelen in de opleiding te programmeren; in veel gevallen zijn deze over meerdere jaren verspreid.
Bij het inschrijven van een student die vanaf 1 augustus 2016 voor het eerst start met een mbo-opleiding is de keuzedeelverplichting van toepassing. In de wet- en regelgeving voor de herziene kwalificatiestructuur en de invoering van keuzedelen is geen onderscheid gemaakt wat betreft de keuzedeelverplichting tussen opleidingen in de beroepsopleidende leerweg (bol) of de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Voor vakopleidingen (niveau 3) bedraagt de omvang van de keuzedeelverplichting ten minste 720 klokuren studielast. In de informatievoorziening van de afgelopen twee jaar over de implementatie van de herziene kwalificatiestructuur met keuzedelen zijn de instellingen op de hoogte gesteld van de regels over keuzedelen en de consequenties bij doorstroom en tussentijdse overstap binnen het mbo en hoe ze hiermee om kunnen gaan.
Om instellingen voor te bereiden op de invoering van de herziene kwalificatiestructuur zijn deze geadviseerd om de studenten die het betreft, zich in de vrije ruimte van de «oude» opleiding te laten voorbereiden door ze al één of meerdere keuzedelen op vrijwillige basis te laten volgen. Deze voorbereiding kan dan, als bij de «oude» opleiding het keuzedeel is behaald, door middel van vrijstellingen voor het betreffende keuzedeel in een vervolgopleiding worden gehonoreerd, op voorwaarde dat het keuzedeel niet overlapt met de kwalificatie van de «nieuwe» opleiding. Als bij de oude opleiding het keuzedeel niet is behaald, maar wel is geëxamineerd, kan het examenresultaat van het keuzedeel worden meegenomen naar de nieuwe opleiding. In de periode tot 1 augustus 2018 is de examinering van de keuzedelen van de opleiding van de student een voorwaarde voor diplomering, maar nog niet de hoogte van het examenresultaat voor keuzedelen. Mevrouw Siderius verwijst bij voetnoot naar een voorlichtend document van augustus 2015 waarin dit ook staat beschreven.
Hoe verhoudt het verplicht volgen van drie keuzedelen van totaal 720 uur in één schooljaar zich tot het streven van dit kabinet naar toegankelijk onderwijs voor iedereen, ook voor bijvoorbeeld laatbloeiers die diploma’s willen stapelen of studenten die er een aantal jaren tussenuit zijn geweest en opnieuw starten?
Het één verhoudt zich goed tot het ander. Ik zie geen spanning tussen enerzijds het streven naar toegankelijkheid en de behoefte aan stapelmogelijkheden en anderzijds het verplicht volgen van keuzedelen. Het gaat ook niet ten koste van laatbloeiers en studenten die er enkele jaren tussenuit gaan. De instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het inrichten van de opleiding en de vaststelling van de opleidingsduur binnen de kaders van de wet- en regelgeving. Voor een mbo niveau 3 opleiding is in de WEB een studieduur bepaald van ten minste 2 en ten hoogste 3 jaar (artikel 7.2.4a, derde lid, van de WEB). Een student die van een niveau 2 opleiding doorstroomt naar een niveau 3 opleiding, kan in geval van vrijstellingen de opleiding op niveau 3 verkorten. Dit kan voor individuele studenten leiden tot het afronden van een niveau 3 opleiding binnen twee studiejaren.
Zoals aangegeven bij het antwoord op de eerste vraag is het mogelijk dat ook voor een of meerdere (behaalde) keuzedelen vrijstellingen worden gegeven.
Ziet u mogelijkheden om voor de betreffende studenten in de overgangsfase voor elk jaar dat een mbo-opleiding duurt, één keuzedeel (240 uur) te verplichten?
De huidige wet- en regelgeving maakt het niet mogelijk de keuzedeelverplichting aan te passen op basis van de duur van de opleiding. De keuzedeelverplichting is in de wet- en regelgeving namelijk gekoppeld aan het soort opleiding. Voor een vakopleiding (niveau 3) is een keuzedeelverplichting van 720 klokuren studiebelasting bepaald. Deze klokuren studiebelasting kunnen door de instelling ingevuld worden in lestijd, beroepspraktijkvorming en/of zelfstudie. Voor bbl-studenten kunnen de keuzedelen volledig in de praktijk worden georganiseerd.
Ik ben van mening dat er voldoende tijd en beleidsruimte is voor instellingen om studenten adequaat voor te bereiden op doorstroom naar een vervolgopleiding (ook op doorstroom van een «oude» naar een «nieuwe» opleiding).
De overgangsbepaling schrijft voor dat het bevoegd gezag studenten van «oude» opleidingen in de gelegenheid stelt deze te voltooien gedurende een periode van de desbetreffende studieduur vermeerderd met twee jaar.
Het is nog tot het studiejaar 2017/2018 mogelijk om een student uit een oude niveau 2 opleiding, die naar het oordeel van het bevoegd gezag over voldoende vrijstellingen beschikt, in te schrijven voor het laatste jaar van een «oude» niveau 3 opleiding. Waarmee met «oud» wordt bedoeld een opleiding gebaseerd op een kwalificatie waarmee is gestart voor 1 augustus 2016 en waarvoor nog geen keuzedeelverplichting geldt. Dat betekent dat er voor studenten die een «oude» opleiding hebben gevolgd, voldoende tijd is om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie, waarbij keuzedelen een verplicht onderdeel zijn van de beroepsopleiding zijn.
Acht u het wenselijk dat stapeling van diploma’s op deze manier onmogelijk wordt gemaakt voor leerlingen die voorheen (nog) niet verplicht waren tot het volgen van keuzedelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u de Kamer inzicht geven in het aantal studenten waarbij dit van toepassing is in schooljaar 2016 – 2017? Zo nee, waarom niet?
Dat kan ik op dit moment niet. Nog niet alle inschrijvingen voor het schooljaar 2016–2017 zijn bekend.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat voor deze leerlingen een oplossing wordt gevonden, zodat zij onbelemmerd diploma’s kunnen stapelen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat studenten op een zo hoog mogelijk niveau worden ingeschreven, gelet op hun vooropleiding. Daarnaast biedt stapelen een mogelijkheid voor studenten om na een behaald diploma ook een diploma van een hogere opleiding te behalen. Ik ben van mening dat het overgangsrecht, zoals verwoord in mijn antwoord op vraag 3, voldoende mogelijkheden biedt voor studenten en instellingen om zich voor te bereiden op de invoering van de herziene kwalificatiestructuur en dat daarmee de goede randvoorwaarden zijn gecreëerd om stapelen in het mbo mogelijk te laten.
Het bericht “Docu over haatimams schokt Denen” |
|
Barbara Visser (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Docu over haatimams schokt Denen»?1
Ja
Kunt u aangeven in hoeverre de kans aanwezig is dat (buitenlandse) imams dergelijke preken ook houden in Nederlandse moskeeën? Wat doet u om hier een beeld van te krijgen?
Het kabinet vindt het onacceptabel als een podium wordt geboden aan predikers die onverdraagzaamheid in Nederland propageren. Verspreiding van gewelddadig, extremistische propaganda wordt actief bestreden. Voor het signaleren en aanpakken van problematische (salafistische) gedragingen is een alerte houding en reactie van alle partijen vereist, zeker ook van de gemeenschappen zelf. Instellingen hebben zelf een belangrijke rol om te zorgen dat er geen sprekers optreden die zich schuldig maken aan discriminatie, haatzaaien en oproepen tot geweld. Verder is het vooral aan het lokale bestuur om invulling te geven aan de aanpak van extremistische predikers op basis van de driesporenaanpak, zoals onder meer geschetst in de brief aan de Kamer van 25 februari 2016 over de concretisering van de aanpak van salafisme. Door confronterende gesprekken maken lokale overheden en gemeenschappen wederzijds inzichtelijk welke gedragingen en uitingen problematisch zijn en waarom.
Als er ernstige vermoedens bestaan dat iemand activiteiten ontplooit die strafbaar, in strijd met de democratische rechtsorde, de nationale veiligheid of de openbare orde zijn, kan dit leiden tot onderzoek van daartoe bevoegde instanties.
Indien sprake is van visumplichtige predikers die oproepen tot haat en/of geweld wordt in de huidige procedure beoordeeld of er mogelijke risico’s voor de openbare orde en de nationale veiligheid zijn, waardoor een visum kan worden geweigerd of ingetrokken.
Niet-visumplichtige predikers die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie worden beoordeeld op basis van de boodschap die zij tijdens hun verblijf in Nederland uitdragen. Wanneer een prediker tijdens de bijeenkomst uitlatingen doet die strafbaar zijn, kan de politie ter plaatse optreden en de spreker onmiddellijk het woord ontnemen. Het Openbaar Ministerie kan vervolgens besluiten om strafvervolging in te zetten.
Wat doet u eraan om te bezien of en te voorkomen dat in preken haat wordt gezaaid, wordt aangezet tot geweld of wordt opgeroepen de democratie omver te werpen? Welke mogelijkheden ziet u om hierop in te grijpen?
Zie antwoord vraag 2.
Constaterende dat in het artikel staat dat in Denemarken maatregelen worden getroffen ten aanzien van haatpredikers, zoals het opstellen van een lijst met haatpredikers, een inreisverbod voor buitenlandse haatpredikers en het plaatsen van Europese haatpredikers op een «watchlist», kunt u aangeven waarom het tot nu toe onmogelijk lijkt ditzelfde in ons land ten uitvoer te brengen? Kunt u anders op zijn minst inzetten op het delen van dergelijke lijsten in Europees verband?
Momenteel werkt Denemarken aan maatregelen gericht tegen extremistische predikers die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie. Aangezien de wetsvoorstellen nog geformuleerd moeten worden, is het te vroeg om te beoordelen of de Deense werkwijze ook toepasbaar is in Nederland. Nederland volgt de ontwikkelingen in Denemarken nauwgezet en op expertniveau vindt contact plaats.
In het kader van het weigeren van visumplichtige predikers die oproepen tot haat of geweld, wordt gewerkt met een zogenaamde alerteringslijst. Nederland draagt actief bij aan de signalering van extremistische predikers uit derde landen onder artikel 24 van het Schengen Informatiesysteem (SIS-II) waardoor de alertering in Europees verband wordt gedeeld. Onlangs is onder Nederlands EU-Voorzitterschap de Europese Roadmap voor informatie-uitwisseling aangenomen waarmee onder meer een beter gebruik van het SIS door lidstaten wordt ingezet. Signalering van extremistische predikers in het SIS betekent overigens niet dat visumaanvragen per definitie worden geweigerd. Iedere casus wordt op zijn eigen merites beoordeeld.
Bent u bereid de werkwijze van Denemarken ook te betrekken bij de uitvoering van de motie Tellegen c.s.?2
Zie antwoord vraag 4.
Het ontbreken van het beroep 'leraar basisonderwijs' op de kansberoepenlijst van het UWV |
|
Eppo Bruins (CU), Carola Schouten (CU) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de kansberoepenlijst van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), die bepalend is voor het al dan niet verkrijgen van een scholingsvoucher voor mensen die zich willen laten omscholen, en van de UWV-analyse waar deze kansberoepenlijst op is gebaseerd?1 2
Ja. In mei 2016 is de Tijdelijke regeling «Subsidie scholing richting een kansberoep» in werking getreden.3 Om te beoordelen of een werkzoekende in aanmerking komt voor een scholingsvoucher op basis van deze regeling, heeft UWV een lijst opgesteld van kansberoepen. Deze is op de website van UWV te vinden.4 De lijst met kansberoepen komt tot stand op basis van arbeidsmarktinformatie van UWV en wordt elk half jaar geactualiseerd.
Kunt u uitleggen waarom beroepen waarbij krapte wordt verwacht op de middellange termijn (2017–2019) op dit moment niet op de kansberoepenlijst van het UWV staan, terwijl omscholing toch één à enkele jaren zal duren?
Zie de beantwoording bij vraag 4.
Erkent u dat van sommige krapteberoepen nog onzeker is of daadwerkelijk tekorten ontstaan, en in welke omvang? Deelt u de mening dat het beroep «leraar basisonderwijs» aan geen van de onzekerheden onderhevig is die worden genoemd door het UWV, zoals het blijvend aantrekken van de economie, de uitwerking van bepaalde beleidsmaatregelen (bijvoorbeeld in de zorg) en de snelle ontwikkelingen op het gebied van robotisering en digitalisering?
UWV heeft in februari 2015 een notitie gepubliceerd waarin krapteberoepen op de middellange termijn in beeld zijn gebracht.5 De notitie is bedoeld om richting te geven aan werkgelegenheidsbevorderende initiatieven op de arbeidsmarkt binnen de sectorplannen. Of er daadwerkelijk krapte ontstaat en in welke omvang is zoals aangegeven in de notitie, niet met zekerheid te voorspellen.
Het overzicht van krapteberoepen is gebruikt als basis voor het opstellen van de lijst met kansberoepen voor het al dan niet verkrijgen van een scholingsvoucher. Een beroep wordt aangemerkt als kansberoep wanneer de kans op werk in dat beroep relatief goed is, bijvoorbeeld als het aantal vacatures groot is in verhouding tot het aantal werkzoekenden dat die vacatures kan vervullen. De aangehaalde onzekerheden spelen voor het al dan niet opnemen van een beroep op de lijst met kansberoepen strikt genomen geen rol.
Kunt u uitleggen waarom het beroep «leraar basisonderwijs» niet op de kansberoepenlijst van het UWV staat, terwijl wel krapte wordt verwacht op de middellange termijn (2017–2019) en het behalen van lesbevoegdheid meestal meerdere jaren in beslag neemt?
Het beroep «leraar basisonderwijs» staat op de lijst met krapteberoepen, omdat wordt verwacht dat er zich voornamelijk in de vier grote steden knelpunten zullen voordoen in de personeelsvoorziening.6
Het beroep is niet opgenomen op de lijst van kansberoepen om de volgende redenen. Indien er voldoende werkzoekenden ingeschreven staan die op zoek zijn naar een baan in een bepaald beroep, wordt dit beroep niet als kansberoep aangemerkt voor het al dan niet toekennen van een scholingsvoucher. Immers, er zijn voldoende kandidaten die zonder aanvullende scholing, de openstaande vacatures kunnen vervullen. De werkgelegenheid voor leraren in het primair onderwijs is de afgelopen jaren flink gedaald. Waren er in 2011 nog ruim 99 duizend voltijdbanen, in 2015 is dat gedaald tot bijna 92 duizend voltijdbanen. In het primair onderwijs bedroeg het aantal WW-uitkeringen in 2015 bijna 7.800. Daardoor zijn er vooralsnog voldoende gekwalificeerde kandidaten beschikbaar voor een baan als leraar in het primair onderwijs.
Bent u bereid om het beroep «leraar basisonderwijs» zo spoedig mogelijk op te nemen op de kansberoepenlijst van het UWV?
UWV volgt de vraag- en aanbodontwikkelingen en actualiseert twee maal per jaar de lijst met kansberoepen. Daarbij wordt opnieuw beoordeeld welke beroepen aan de criteria voldoen. Indien daarbij blijkt dat het beroep «leraar basisonderwijs» aan de criteria voldoet, zal dit op de lijst met kansberoepen worden opgenomen.
Het artikel 'Minister aanklagen vanwege miskramen' en het uitsluiten van belangenverstrengeling |
|
Kees van der Staaij (SGP), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Minister aanklagen vanwege miskramen»?1
Ja, ik heb het artikel gelezen.
Wat vindt u ervan dat de directeur van Gendia, die een enorm commercieel belang heeft bij de introductie van de NIP-test in Nederland, u beschuldigt van het opleggen van medische wanpraktijken, en mensen ertoe aanspoort om u aan te klagen? Deelt u de mening dat hier sprake is van belangenverstrengeling?
Ik deel de mening van de directeur van Gendia niet en leg zijn onterechte beschuldigingen naast mij neer.
Kunt u aangeven of, en zo ja op welke manier, Gendia – danwel aan Gendia gelieerde personen of organisaties – betrokken worden bij het advies van de Gezondheidsraad? Kunt u garanderen dat hier geen sprake is van belangenverstrengeling?
Gendia wordt op geen enkele manier betrokken bij het advies van de Gezondheidsraad over de NIPT. Er is geen sprake van belangenverstrengeling.
Kunt u aangeven of, en zo ja, welke banden (leden van) het NIPT-consortium (Niet Invasieve Prenatale Test), direct danwel indirect, hebben (gehad) met Gendia, andere aanbieders van de NIP-test en/of de farmaceut die de NIP-test produceert?
De vergunningen voor het onderzoek naar NIPT als tweede test, na de combinatietest (TRIDENT2, zijn verleend aan de acht universitair medische centra die het onderzoek in Nederland uitvoeren. Ook de vergunningaanvraag voor het implementatieonderzoek naar NIPT als eerste test in de prenatale screening (TRIDENT-2) is ingediend door het VUmc namens de acht universitair medische centra. De groep leden van het NIPT-consortium is groter. Er is sprake van een kerngroep en een ruime groep daar omheen, wisselend van samenstelling, die fungeert als klankbordgroep voor de acht universitair medische centra. Er zijn mij op dit moment geen banden, die belangenverstrengeling kunnen veroorzaken, van de kerngroep van het NIPT consortium met commerciële partijen bekend.
Mij is wel bekend dat, om belangenverstrengeling te voorkomen, een lid van de kerngroep van het NIPT-consortium op 1 januari 2016 uit de kerngroep is gegaan na aanvaarding van een betrekking bij een commercieel bedrijf.
Daarnaast hebben enkele leden van de kerngroep meegewerkt aan de zogenaamde NEXT studie. Zij geven aan dat zij daarvoor niet zijn betaald en geen commercieel belang hebben bij het bedrijf dat bij deze studie betrokken was. In TRIDENT 1 en 2 wordt een andere test gebruikt dan de test in de NEXT studie.
Kunt u aangeven of er een directe, danwel indirecte betrokkenheid is van het NIPT-consortium bij het advies van de Gezondheidsraad? Als die betrokkenheid er is, hoe wordt die dan vormgegeven?
Waar het gaat om het inroepen van advies van deskundigen, wordt zorgvuldig en transparant omgegaan met de belangen die een deskundige kan hebben. De procedure is te raadplegen op https://www.gezondheidsraad.nl/nl/taak-werkwijze/onafhankelijkheid.
Bij de beslissing over deelname aan een Gezondheidsraadcommissie gelden sinds november 2015 de volgende uitgangspunten:
Op 29 september 2015 heeft het VUmc namens alle acht universitair medische centra een WBO-vergunningaanvraag bij VWS ingediend voor het implementatieonderzoek naar NIPT als eerste test in de prenatale screening (TRIDENT-2). Ik heb deze vergunningaanvraag voor advies voorgelegd aan de Gezondheidsraad. Voor de samenstelling van de Gezondheidsraadcommissie die deze advisering ter hand heeft genomen gelden bovenstaande procedure en uitgangspunten. De samenstelling van deze commissie is te raadplegen op https://www.gezondheidsraad.nl/nl/over-ons/raad/vaste-commissies/commissie-bevolkingsonderzoek-bvo.
Daarnaast heb ik op 5 maart 2015 aan de Gezondheidsraad advies gevraagd over de stand van de wetenschap op het gebied van prenatale screening en de plaats die wetenschappelijke ontwikkelingen in de totale keten zouden kunnen innemen. De samenstelling van de commissie voor dit advies is te raadplegen op https://www.gezondheidsraad.nl/nl/over-ons/de-raad/adhoc-commissie/commissie-prenatale-screening. Ook voor deze commissie gelden bovenstaande procedure en uitgangspunten.
De belangenverklaringen van de leden van deze commissies zijn opnieuw bekeken en, indien nodig aangepast, na aanpassing van de belangenverklaringprocedure in november 2015.
Het bericht dat asielkinderen wegkwijnen in grootschalige opvang |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de alleenstaande minderjarige vluchtelingen (AMV's) die in grootschalige asielzoekerscentra te weinig psychische hulp zouden krijgen en in aanraking komen met drank en drugs1?
Ja.
Hoe verklaart u het gebrek aan psychische hulp aan met name de groep 15- tot 18-jarige AMV’s, gezien het feit dat dit wel een van de taken van de overheid is met betrekking tot deze groep?
Uit het bericht waarnaar wordt verwezen kan ik niet opmaken waarop is gebaseerd dat er een gebrek zou zijn aan psychische hulp voor minderjarige vreemdelingen. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen hebben net als ingezetenen van Nederland recht op medische zorg. Dit geldt voor somatische en psychische gezondheidszorg. Op de asielopvangcentra is de eerstelijns zorg geregeld via het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GC A). Hier is ook een GGZ-consulent aanwezig die functioneert onder de verantwoordelijkheid van de huisarts van het GCA. De medische zorg is daarmee laagdrempelig beschikbaar voor de bewoners van een asielzoekerscentrum. Via de zorg in de eerste lijn kan indien noodzakelijk ook de tweedelijns (specialistische) zorg worden ingeschakeld.
Dat neemt niet weg dat als er verbeteringen in de medische zorg aan asielzoekers mogelijk zijn daar serieus naar wordt gekeken. Om die reden juich ik het ook toe dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zo nauw betrokken is en constant een vinger aan de pols houdt. Eventuele opgelegde maatregelen en aanbevelingen die door de IGZ worden gedaan worden opgevolgd. Daarnaast voert – in opdracht van ZonMw – de Stichting Arq, Psychotrauma Expert Groep een inventarisatie uit naar het aanbod van psycho-sociale ondersteuning voor vluchtelingen met specifieke aandacht voor kinderen. Het doel is om de toegang en kwaliteit van psychosociale ondersteuning voor vluchtelingen te verbeteren door het samenbrengen van actuele kennis en good practices. Ik ben benieuwd naar de uitkomsten van dit onderzoek en hoop dat er vanuit het veld van (psycho-sociale) hulpverleners een visie wordt neergelegd op het gebied van de psycho-sociale hulp.
Bent u het eens met de constatering van kinderrechtendeskundige Karin Kloosterboer van Unicef, dat één bezoek in de maand aan een voogd niet voldoende is voor deze alleenstaande tieners van 15 tot 18 jaar? Zo ja, kunt u vertellen op welke manier hier verandering in aangebracht kan worden? Zo nee, waarop baseert u dan de constatering dat dit voldoende zou zijn?
Het bepalen van de daadwerkelijke contactfrequentie tussen de voogd en een kind, is afhankelijk van methodische wenselijkheid, de beschikbare tijd en de noodzaak voor contact voor elk specifiek kind. Nidos hanteert voor haar doelgroep methodieken die aansluiten bij landelijk gebruikte best practices als «Delta» en «Beter Beschermd» die tot stand zijn gekomen in een wisselwerking tussen theorie en praktijk. Kern van het methodisch handelen is het plan van aanpak en de periodieke evaluaties en het werken met «het plan op tafel». De door Nidos gehanteerde methodieken voldoen aan de door het Keurmerkinstituut gestelde eisen voor gecertificeerde instellingen voor Jeugdbescherming.
Alle jeugdbeschermers zijn in de methodieken geschoold. De gehanteerde methoden worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig verder ontwikkeld. De methoden voldoen aan de wettelijke vereisten en worden getoetst door de Inspecties. De methodiek is afgestemd op de begeleidingsmethodiek van de mentoren in de opvang.
Het beeld dat er alleen met de voogd contact zou zijn is niet volledig. Naast de voogd heeft de amv dagelijks contact met een mentor die werkzaam is binnen de amv-opvang van het COA of contractpartij Nidos of met de opvangouders wanneer het kind in een gezin is geplaatst. In de amv-opvang is er 24 uursbegeleiding. Daarnaast zijn er reguliere contacten met docenten en mentoren binnen het onderwijs dat wordt gevolgd.
Wat gebeurt er momenteel om vrijwilligersnetwerken rondom deze groep kwetsbare jongeren te bevorderen, als uitbreiding van het sociale vangnet naast de voogd?
In reactie op de hoge instroom van asielzoekers in 2015 hebben zich zeer veel vrijwilligers gemeld bij diverse maatschappelijke organisaties en instanties die werkzaam zijn op verschillende terreinen, vanuit verschillende rollen en verantwoordelijkheden. Hierbij kan naast het COA worden gedacht aan bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk Nederland, het Rode Kruis maar ook religieuze instellingen en kleine lokale en particuliere initiatieven. De inzet van de vele vrijwilligers heeft eraan bijgedragen dat we er gezamenlijk in zijn geslaagd om de uitdagingen op het terrein van de verhoogde asielinstroom het hoofd te bieden.
Op alle COA-locaties vinden activiteiten plaats met als doel het bieden van dagbesteding aan bewoners. Deze activiteiten worden lokaal ingevuld omdat de mogelijkheden locatie- en omgevingsafhankelijk zijn. Hierbij vervullen lokale (sport-)verenigingen, vrijwilligersorganisaties en gemeentelijke initiatieven een belangrijke rol.
Gaat u de bevindingen uit het Unicef-rapport meenemen in het verbeterplan waar u begin maart bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) om gevraagd heeft met concrete maatregelen om de kwaliteit te verbeteren van de opvang voor AMV’s en om het verdwijnen van jongeren tegen te gaan2?
Het COA is voortvarend aan de slag gegaan met het verbeterplan en heeft dit in april al voorgelegd aan de Inspecties. De Inspecties hebben aangegeven dat het verbeterplan aansluit bij de nodige geconstateerde verbetermaatregelen. Daarbij hebben de Inspecties aangegeven dat het verbeterplan voldoende volledig, realistisch en ambitieus is. Tijdens het Algemeen Overleg van 26 mei jl. heb ik toegezegd om voor het zomerreces 2016 uw Kamer te informeren over de door het COA doorgevoerde maatregelen om de kwaliteit te verbeteren van de beschermde opvang voor amv’s.
Bent u bereid om met Nidos om tafel te gaan en de problematiek rondom het voogdijschap te bespreken en de voortgang van deze gesprekken te delen met de Kamer?
Met Nidos vinden regelmatig gesprekken plaats. Als er, zoals de vraag veronderstelt, problematiek rondom de voogdijschap zou zijn dan zou ik hier uiteraard ook het gesprek met Nidos over voeren. Maar dat is niet het geval.
Het verstrekken van viskweeksubsidies die concurreren met bestaande economische activiteiten en het manipuleren van een LEI-rapport |
|
Henk van Gerven |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
Kunt u reageren op de bijgevoegde documenten uit het Wob-verzoek?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat in een e-mail d.d. 26-2-2010 uw ministerie letterlijk aan het Landbouw Economisch Instituut (LEI) dicteert hoe bepaalde cruciale alinea’s van het «onafhankelijke» LEI-rapport moeten gaan luiden? Is hier sprake van WC eend-wetenschap?
Het genoemde document betreft een interne e-mailwisseling tussen medewerkers van het ministerie en dus niet een e-mail van een medewerker van het ministerie aan het LEI. Het is overigens niet ongebruikelijk dat concept-rapporten worden voorgelegd aan het Ministerie van Economische Zaken (EZ) als opdrachtgever. Hierbij wordt vooral gekeken of de onderzoeksvraag helder en duidelijk is beantwoord en niet voor meerdere interpretaties vatbaar is.
In dat kader kunnen verhelderende vragen worden gesteld en opmerkingen worden gemaakt die leiden tot een duidelijkere formulering. Het is aan het onderzoeksinstituut om eventuele opmerkingen al dan niet over te nemen.
Inmiddels heb ik vernomen dat het LEI naar aanleiding van deze vragen van uw Kamer een intern onderzoek heeft ingesteld naar de onafhankelijkheid van dit rapport. De resultaten daarvan zijn door het college van bestuur van de stichting Wageningen University & Research (WUR, voorheen de stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek) voorgelegd aan een hiervoor ingestelde onafhankelijke Commissie Wetenschappelijke Integriteit. Ik heb daarover contact gehad met de WUR die, gelet op de vertrouwelijkheid bij lopende integriteitsonderzoeken, waarover landelijk afspraken zijn gemaakt in het belang van onderzoekers en andere betrokkenen, geen verdere mededelingen kan doen over het onderzoek. Ik wacht de uitkomsten van dat onderzoek af.
Wat zegt het gemak waarmee dit gebeurt u over het respect dat er bij uw ministerie is voor de onafhankelijkheid van de wetenschap?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u dat de schaapachtige wijze waarop het LEI de formuleringen van haar onderzoek laat aanpassen een onafhankelijk wetenschappelijk instituut niet waardig is?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw mening over het manipuleren van de uitkomsten van het LEI-onderzoek teneinde de rechtszaak te beïnvloeden?
Zie antwoord vraag 2.
Was de oorspronkelijke intentie van de subsidieregeling dat de gesubsidieerde bedrijfsactiviteiten niet mogen concurreren met bestaande bedrijfsactiviteiten?
Ik verwijs u voor de beantwoording naar de brief inzake subsidie ontwikkeling aquacultuur, die op 27 oktober 2014 aan uw Kamer is verzonden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 812). Onlangs was er wederom een rechtszaak bij de rechtbank Oost-Brabant tegen de Staat aangespannen, waarbij de eiser eist dat de Staat schuld erkent voor het benadelen van de eiser en zijn onderneming als gevolg van een subsidie aan een ander bedrijf. De rechtbank van Oost-Brabant heeft op 18 mei 2016 de eis afgewezen. Tegen deze uitspraak is eiser in hoger beroep gegaan.
Vindt u dat in dit geval sprake was van subsidie voor activiteiten die concurreren met bestaande bedrijfsactiviteiten? Zo nee, hoe verklaart u dat uw ministerie schrijft (d.d. 23 april 2010): «In het geval van Z <naam subsidie ontvanger> was er echter wel degelijk sprake van een (behoorlijke) restwaarde waardoor ze inderdaad een voordeel hebben ten opzichte van anderen in de sector»?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Ik verwijs u ook naar de eerdere beantwoording van vraag 2 en vraag 10 van de vragen inzake het bericht «Krijgt vermeende subsidiefraude in vissector toch een strafrechtelijke staartje» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 977).
Hoe verklaart u de bereidheid om subsidievoorwaarden aan te passen teneinde de subsidieaanvraag «tailormade» voor een specifiek bedrijf te maken (interne memo d.d. 21 september 2009)? Hoe vaak gebeurt het dat subsidievoorwaarden worden aangepast om aan een specifiek iemand subsidie te kunnen verstrekken?
Er is geen sprake van aanpassen van subsidievoorwaarden voor specifieke bedrijven of personen.
Bij het openstellen van nieuwe subsidieregelingen wordt zoveel mogelijk kennis en ervaring opgedaan van voorgaande openstellingen. De interne memo uit 2009 was, voor zover ik die kan beoordelen, bedoeld om te leren van ervaringen uit voorgaande openstellingen en die mee te nemen bij nieuwe openstellingen. EZ heeft overigens geen enkel belang bij het aanpassen van subsidievoorwaarden om specifiek aan één ondernemer subsidie te kunnen verlenen.
Wat is uw mening over het feit dat vanuit uw ministerie wordt voorgesteld de subsidievoorwaarden (zoals beschreven in de bijlage, artikel 4:40 lid 3: «Geen subsidie wordt verstrekt voor een project dat ... bijdraagt aan een vergroting van de productie van forel, paling, meerval») aan te passen teneinde de Claresse (een soort meerval) te kunnen subsidiëren?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Uiteindelijk zijn de voorwaarden niet aangepast, maar is wel kort hierna € 345.045,- subsidie gegeven voor het in de markt zetten van de Claresse; wat was het maatschappelijk nut hiervan? Waarom is subsidie gegeven voor promotie van de Claresse en onderzoek daartoe? Is onderzocht of bestaande bedrijven hiervan nadeel zouden ondervinden? Is het promoten van een merknaam (Claresse) in overeenstemming met de subsidievoorwaarden?
Dit betreft een subsidie uit het Europees Visserij Fonds (EVF) programmaperiode 2007–2013. Bij het EVF zijn er subsidieregelingen opengesteld die passen onder het communautair visserijbeleid. Deze openstellingen worden gepubliceerd en zijn voor iedere ondernemer toegankelijk. De aanvragen voor subsidie worden inhoudelijk beoordeeld door een beoordelingscommissie.
Bij de inhoudelijke beoordeling is juist door deze commissie aangegeven dat de subsidie niet aangewend mag worden voor promotie van de merknaam Claresse. Bij de vaststelling van de subsidie is er ook gekeken of er sprake was van promotie van de merknaam Claresse. Dit blijkt niet het geval te zijn.
Onderschrijft u de woorden van uw ministerie in de e-mail d.d. 21 september 2009: «De Claresse blijft een meerval»?
Zie ook mijn antwoord op vraag 8. In 2009 was er nog onduidelijkheid of Claresse een meervalsoort is. Overigens is er in de rechterlijke uitspraken in latere jaren steeds van uitgegaan dat Claresse een meervalsoort is. Dit is voor EZ geen punt van discussie meer.
Uw ministerie schrijft (e-mail d.d. 23 april 2010) dat zij de subsidie niet terug wil vorderen «omdat dit te veel heibel geeft»; is dit een gebruikelijke redenatie om al dan niet terug te vorderen? Onderschrijft u dat dit geen valide argument is om al dan niet terug te vorderen? Zo ja, gaat u alsnog terugvorderen? Zo nee, geldt de redenatie dat er niet teruggevorderd wordt als het te veel heibel geeft ook voor andere ministeries, zoals bijvoorbeeld bij strafkortingen op de bijstand voor fraude of fouten bij uitkeringen?
Voor de redenen waarom er niet is teruggevorderd verwijs ik u naar de eerdere beantwoording van vraag 2 en vraag 6 van de vragen inzake het bericht «Krijgt vermeende subsidiefraude in vissector toch een strafrechtelijke staartje» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 977).
In hoeverre is het aanpassen van subsidievoorwaarden ten bate van een specifiek persoon en het manipuleren van onderzoeksuitkomsten van het LEI conform interne gedragscodes op het ministerie? Zijn dit veelvoorkomende praktijken?
Zie mijn antwoord op vraag 2 en vraag 8.
Het bericht ‘Nederland traag met investeren via Europa’ |
|
Michiel van Veen (VVD), Mark Harbers (VVD), Betty de Boer (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland traag met investeren via Europa»?1
Ja.
Wat is er de oorzaak van dat Nederland relatief weinig gebruik maakt van de investeringsmogelijkheden via het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI)? Is dit te wijten aan een gebrek aan aangeboden Nederlandse projecten, of omdat deze projecten niet aan de door het EFSI gestelde voorwaarden voldoen? Hoeveel door Nederland ingediende projecten zijn er afgewezen? Waarom zijn deze projecteb afgewezenen wat betekent dit nu voor deze projecten?
De EIB-groep (Europese Investeringsbank (EIB) samen met het Europees Investeringsfonds (EIF)) voert het EFSI uit en heeft van daaruit inmiddels voor € 17,7 mld. aan transacties in de EU goedgekeurd (stand 16 juni jl.). Er zijn tot nu toe 7 Nederlandse transacties met EFSI-financiering goedgekeurd, 3 bij de EIB en 4 bij het EIF, voor een totaal van € 287 mln.
Het EFSI is gericht op meer risicovolle projecten, in landen en sectoren waar de financieringsmarkt relatief minder ontwikkeld is, waarbij het van belang is dat de EFSI-financiering de markt niet verstoort en aanvullend is aan de bestaande mogelijkheden (waaronder de reguliere EIB-financiering). Het aantrekken van EFSI-financiering is daarmee geen doel op zichzelf.
Als we kijken naar de totale EIB-financiering, dan zien we deze in Nederland de afgelopen jaren toenemen, van ca. € 1,2 mld. in zowel 2012 en 2013, naar ca. € 2,1 mld. in zowel 2014 en 2015. Het EFSI is slechts in beperkte mate nodig geweest voor deze stijging. Het aantal afwijzingen voor EFSI wordt niet geregistreerd, omdat dat bedrijfsgevoelige informatie kan bevatten.
Naast de marktspecifieke kenmerken kan worden geconstateerd dat er ook lidstaten zijn, waaronder Italië en Frankrijk, die ook via hun National Promotional Banks/Institutions (NPBIs) aansluiten op het EFSI. Deze hebben over het algemeen al een projectenpijplijn of kunnen relatief snel inzicht bieden in potentiële projecten, wat kan helpen om snel gebruik te kunnen maken van het EFSI. Daarnaast zijn deze NPBIs in staat om vanuit hun eigen balans projecten te co-financieren. Nederland heeft niet een dergelijke nationale promotional bank, deze rol kan deels vervuld worden door de publieke sectorbanken (BNG en NWB) en de Regionale Ontwikkelings Maatschappijen (ROMs). Mede voor aansluiting bij het EFSI heeft het kabinet vorig jaar het NIA opgericht.
Welke lessen kunnen geleerd worden van Italië en Frankrijk, die relatief het meeste gebruik maken van EFSI-financiering?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het relatief lage gebruik van EFSI-financiering zich tot de gebrekkige toegang tot financiering voor nieuwe projecten, zoals bijvoorbeeld gesignaleerd in de CPB Risicorapportage Financiële Markten, waarmee veel mkb’ers in Nederland kampen?
Het EFSI bestaat uit twee luiken: één voor infrastructuur en innovatie en één voor mkb. In Nederland wordt het mkb-luik relatief veel gebruikt: vijf van de zeven EFSI-projecten zijn bestemd voor mkb, te weten de lening van de EIB aan Stichting Qredits Microfinanciering Nederland ten behoeve van meer MKB- en microkredieten, en participaties van het EIF in de Nederlandse investeringsfondsen HENQ, Thuja, HPE en Karmijn voor innovatief en snel groeiend mkb.
Het Rijk heeft een uitgebreid instrumentarium voor de toegang tot financiering van het mkb, aanvullend aan de mogelijkheden van EFSI. Ook worden met het Aanvullend Actieplan mkb-financiering van het kabinet verdere knelpunten in de markt voor mkb-financiering bestreden.
Op welke manier draagt de overheid bij om te bemiddelen tussen projecten die voor EFSI-financiering in aanmerking zouden kunnen komen en het fonds? Wat is de rol van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bij het begeleiden van aanvragers van dit soort subsidies? Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering?
Het kabinet heeft vorig jaar het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) opgericht. Momenteel werkt het NIA als onderdeel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) met ministeries, provincies, financiële instellingen als BNG, NWB, ROMs en NLII, en EIB en EIF aan de realisatie van kansrijke investeringsprojecten op gebieden als energie, duurzame mobiliteit, mkb en innovatie.
Met de brief over de oprichting van NIA van 9 oktober 2015 is de Kamer toegezegd in de eerste helft 2016 nader te worden geïnformeerd over de noodzaak van een zelfstandige entiteit voor het NIA, om projecten te voltooien en voldoende toegang te hebben tot EU-financieringsmiddelen. Na het zomerreces wordt de Kamer geïnformeerd over het vervolg.
Is het kabinet van plan om vaker gebruik te maken van EFSI-financiering bij de aanleg van infrastructuur, nu dit succesvol is gebeurd bij de verbreding van de A6 bij Almere? Zo nee, waarom niet, en zo ja, welke projecten worden hiertoe voorbereid?
Ja, maar ook daarbij alleen als EFSI-financiering toegevoegde waarde biedt ten opzichte van andere beschikbare financiering. Er wordt al sinds jaren bij private en PPS-infrastructuurprojecten gebruik gemaakt van de instrumenten van de EIB en dit zal worden voortgezet. In juni nog is er een Nederlands breedbandproject voor EFSI-financiering goedgekeurd.
Hoe staat u tegenover de gedachte van verlenging van het EFSI na 2018, zoals beschreven in het artikel, daar dat fonds alleen maar bedoeld was om tijdelijk het financieringsgat in de Europese economie te vullen?
Uw Kamer is op 24 juni door middel van het BNC-fiche «Mededeling Europa investeert weer, balans van het investeringsplan (EFSI)» geïnformeerd over de positie van het Kabinet ten aanzien van de mededeling van de Commissie (COM(2016) 359), waarin onder meer wordt voorgesteld om EFSI na de initiële periode van drie jaar te verlengen.
Kern daarvan is dat het kabinet de mededeling over de voortvarendheid van de implementatie van EFSI gedurende het eerste bestaansjaar verwelkomt en dit najaar constructief zal kijken naar het uitgewerkte voorstel van de Commissie, maar daarbij wel duidelijkheid over de budgettaire gevolgen en een gedegen analyse en evaluatie van de verstrekte EFSI-financiering verlangt over onder meer de additionaliteit ervan.