Het teruglopende aantal aanmeldingen voor pedagogische opleidingen |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de HBO-raad «Studentenaantallen HBO 2011–2012»?
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het aantal studenten op pedagogische opleidingen in één jaar tijd met 7,8% is gedaald, mede in het licht van het verwachte tekort aan leraren vanaf 2017?1
De daling van de instroom in de pedagogische opleidingen wordt vooral veroorzaakt door een daling van de instroom in de lerarenopleiding basisonderwijs (pabo). Daar bedraagt de daling ruim 8 procent. Uit de cijfers van de HBO-Raad blijkt dat vooral de instroom vanuit het mbo naar de pabo flink is gedaald. Het aantal studenten met vwo als vooropleiding is ongeveer gelijk gebleven. Dat betekent dat het gemiddelde opleidingsniveau van startende studenten op de pabo omhoog is gegaan.
Overigens wil een daling van de instroom niet zeggen dat er over vier jaar ook veel minder studenten van de pabo komen. Onder de studenten die op basis van een mbo-getuigschrift tot de pabo zijn toegelaten, zijn relatief meer uitvallers dan onder de andere studenten. Zij behalen relatief minder vaak hun lesbevoegdheid dan studenten met een andere vooropleiding.
In het licht van de tekorten lijkt een daling van de instroom in de opleiding voor leraren basisonderwijs niet problematisch.
Welke initiatieven worden er ondernomen om de instroom op de PABO2 en lerarenopleidingen te verhogen?
Sinds enkele jaren is het voor studenten met een VWO vooropleiding mogelijk om tegelijk een WO-bachelor (veelal pedagogiek of onderwijskunde) en de opleiding voor leraren basisonderwijs te volgen. Universiteiten en hogescholen werken daarin samen.
Voor verhoging van de instroom in de pabo zijn verder geen specifieke maatregelen voorzien. Dergelijke maatregelen zijn voor de korte termijn ook niet nodig om te voorzien in voldoende leraren.
De afgelopen jaren zijn er steeds meer alternatieve opleidingsroutes gekomen om leraar te worden in het voortgezet onderwijs, zoals bijvoorbeeld de educatieve minor als onderdeel van een universitaire vakbachelor, het programma Eerst de Klas, de kopopleiding en het zij-instroomtraject. Met deze routes wordt het aantal potentiële leraren vergroot. Daarnaast is het voornemen om een educatieve minor in hbo-bacheloropleidingen te introduceren. Daartoe wordt de komende periode een aantal experimenten opgezet specifiek voor de sector Techniek.
Welk signaal is er uitgegaan van het feit dat de eerste bezuinigingsmaatregel van dit kabinet de nullijn voor lerarensalarissen was?
De nullijn voor overheid en onderwijs is een maatregel die is genomen om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Het vorige kabinet heeft besloten tot een nullijn in 2010, het huidige kabinet besloot om ook in 2011 geen kabinetsbijdrage voor de loonontwikkeling uit te keren. Tegelijkertijd zijn in deze periode op basis van het Actieplan LeerKracht maatregelen van kracht die het carrièreperspectief van leraren verbeteren, zoals de inkorting van carrièrelijnen en het versterken van de functiemix. De keuze van jongeren voor een opleiding is afhankelijk van verschillende factoren en omstandigheden. Het is daarom lastig te voorspellen welke invloed deze maatregelen hebben op de besluitvorming van (potentiële) studenten om al dan niet aan een lerarenopleiding te beginnen.
Bent u bereid om de groeiende groep studenten aan lerarenopleidingen die al een opleiding in het hoger onderwijs achter de rug hebben, vrij te stellen van het veel hogere collegegeld voor een tweede studie?
Voor het volgen van een tweede studie zijn er verschillende mogelijkheden.
In het hoger onderwijs geldt dat iedereen recht heeft om tegen wettelijk collegegeld één bekostigde bachelor en één bekostigde master te volgen. Een student die een bacheloropleiding tot leraar heeft afgerond in het hbo kan dus tegen wettelijk collegegeld een masteropleiding volgen.
Een student die als tweede studie een opleiding volgt in de sector onderwijs of gezondheidszorg, en daar nog geen diploma in behaald heeft, betaalt ook het wettelijk collegegeld. Dit geldt voor een inschrijving voor een bacheloropleiding onderwijs als nog niet eerder een bachelor onderwijs of zorg behaald is en een inschrijving voor een masteropleiding als nog niet eerder een master onderwijs of zorg behaald is. Hierdoor zie ik geen aanleiding om studenten aan lerarenopleidingen vrij te stellen van het collegegeld voor een tweede studie.
Als een student al een opleiding in de sector onderwijs gevolgd heeft en een tweede studie gaat volgen, geldt het instellingscollegegeld. Het is aan elke instelling om gemotiveerd te bepalen welk instellingscollegegeld zij studenten in rekening brengt. De instelling kan daarbij differentiëren naar groepen van opleidingen en studenten. De medezeggenschap bij een instelling heeft adviesrecht inzake het instellingsbeleid op dit punt. Het instellingscollegegeld kan ook een laag bedrag zijn, met een minimum van de hoogte van het wettelijk collegegeld. De collegegeldsystematiek hoeft er niet toe te leiden dat een student op hoge kosten wordt gejaagd. Voor het instellingscollegegeld kan hij/zij een beroep doen op fiscale voorzieningen zoals de scholingsaftrek. Verder kunnen zittende leraren een beroep doen op de Lerarenbeurs als zij aan de voorwaarden voldoen.
Bent u bereid de groep studenten aan een pedagogische opleiding die ondertussen al werkzaam zijn, in het onderwijs of daarbuiten, vrij te stellen van de langstudeerdersboete?
Neen. De langstudeerdermaatregel geldt voor alle studenten in het hoger onderwijs.
Hoe gaat u, als u vasthoudt aan alle bezuinigingen en boetes, studenten motiveren tot een carrière in het onderwijs?
Naast de maatregelen uit het actieplan Leraar 2020 – een krachtig beroep! zet het kabinet de maatregelen voort uit het actieplan Leerkracht. De extra investeringen uit dit actieplan bedragen in 2012 770 miljoen euro, waarvan bijna 600 miljoen betrekking heeft op beloning. Met de extra middelen voor de versterking van de functiemix kunnen schoolbesturen meer leraren promoveren naar hogere leraarsfuncties met een bijbehorende beloning. Door het creëren van meer loopbaanmogelijkheden voor leraren wordt het beroep aantrekkelijker.
Vermindering van de uitgaven aan wetenschap |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kabinet kort 10 procent op wetenschappelijk onderzoek»?1
Ja.
Wat betekent het begrip «kenniseconomie» volgens u?
Van het begrip kenniseconomie zijn vele definities in omloop. Voor mij is vooral van belang dat kennis bijdraagt aan de versterking van onze economie en meer in het algemeen aan een bloeiende en welvarende samenleving. In een tijd als deze, waarin er een economische crisis heerst, betekent dit vooral de ambitie om met behulp van kennis sterker uit de crisis te komen.
Waarmee verdient Nederland volgens u over 20 of 30 jaar zijn geld? Is deze verdiencapaciteit afhankelijk van kennis en wetenschap?
Op dit moment is moeilijk te voorspellen waarmee Nederland over 20–30 jaar zijn geld verdient. Het is mijn overtuiging dat onze verdiencapaciteit dan in sterke mate afhankelijk zal zijn, net zoals nu overigens, van wetenschappelijke kennis en van het in economische waarde omzetten daarvan. De WRR bereidt momenteel een studie voor over precies deze vraag.
Waarom zou voor wetenschap niet de wetmatigheid «alle waar naar zijn geld» gelden?
Wetenschap biedt antwoord op de grote maatschappelijke uitdagingen (grand challenges), wetenschap is cruciaal voor het individuele welzijn en wetenschap is een belangrijke pijler voor de economie. Bovenal heeft wetenschap een intrinsieke waarde als onderdeel van onze westerse cultuur.
Hoe groot is de verwachte economische schade op lange termijn die voortvloeit uit deze korte termijn-bezuiniging?
Tegenover de teruglopende directe uitgaven van het Rijk voor R&D staat een toename van de indirecte uitgaven. Deze middelen dienen te worden meegewogen om een evenwichtig beeld te kunnen vormen van de intensivering en desintensiveringen van het kabinet op het terrein van kennis en innovatie. De Kamer ontvangt hierover een brief naar aanleiding van het ordedebat op 2 februari jongstleden.
Deelt u de mening dat bezuinigen op wetenschap niet rijmen met de ambities, noch met de economische verwachtingen («kenniseconomie») van ons land en derhalve buitengewoon onverstandig zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Het bericht betreffende een compensatieregeling voor onvoldoendes op de faculteit der geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vijven, en toch een UvA-diploma»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een deflatie van diploma’s ongewenst is, zeker in het licht van het breed gedragen streven naar meer kwaliteit in het onderwijs?
Ik deel uiteraard de mening dat deflatie van diploma’s ongewenst is, maar zie op dit moment geen relatie tussen de plannen van de UvA waarvan in het artikel sprake is en een mogelijke diplomadeflatie.
Deelt u de mening dat door deze compensatieregeling van de Universiteit van Amsterdam (UvA) de eisen verlaagd worden, het diploma daarmee aan deflatie onderhevig is en de kwaliteit van het onderwijs geweld wordt aangedaan? Zo nee, waarom niet?
Uw mening dat de voorgestelde compensatieregeling van de UvA er aan bijdraagt dat de eisen verlaagd worden of dat de kwaliteit van het onderwijs er door geweld wordt aangedaan, deel ik niet.
De Faculteit Geesteswetenschappen werkt aan een nieuw onderwijs- en examenreglement, dat deze weken in concept voorligt en binnen de diverse geledingen en medezeggensschapsgremia (Ondernemingsraad, Facultaire Studentenraad, Opleidingscommissies) wordt besproken. Dit conceptreglement voorziet in de mogelijkheid dat studenten in het eerste halfjaar van hun propedeuse, bestaande uit twee clusters van vakken, een vijf voor een onderdeel kunnen compenseren met minimaal een zeven voor een ander onderdeel, mits in hetzelfde cluster.
De voorgestelde regeling is onderdeel van een pakket maatregelen, waaraan al enkele jaren gewerkt wordt. Dat pakket, dat overigens universiteitsbreed wordt uitgevoerd, is erop gericht de studenten meer bij hun studie te betrekken en de uitval te verminderen. Dat gebeurt enerzijds door het opvoeren van het aantal contacturen, de inzet van tutors en intakegesprekken, en anderzijds door een aanmerkelijke verscherping van de eisen die aan studenten worden gesteld. In het geval van de Faculteit Geesteswetenschappen (FGW) betekent dat, dat studenten die minder dan drie clusters (i.e. 42 of 48 ECTS-punten, afhankelijk van de studie) in het eerste jaar hebben behaald, niet verder mogen. Willen ze echter toch verder gaan, dan moeten ze van vooraf aan beginnen. Daarmee sluit de FGW aan bij een meer «klassikaal» georiënteerde propedeuse.
Deze maatregelen moeten ertoe leiden, dat studenten zich aan de studie committeren. Tien punten behalen per semester en zo in twee, drie jaar je propedeuse bij elkaar sprokkelen is er niet meer bij: je doet mee, of je doet niet mee.
De reden om in het eerste semester studenten binnen de twee samenhangende vakclusters de gelegenheid te geven een 5 eenmalig te compenseren is ingegeven vanuit pedagogische overwegingen. Empirisch onderzoek heeft laten zien dat het vooruitzicht een onvoldoende te kunnen compenseren, voor studenten een aanmerkelijke stimulans is om harder te werken. Om die reden kennen tal van andere universiteiten in binnen- en buitenland, waaronder de Erasmus Universiteit Rotterdam en Oxford, vergelijkbare regelingen.
Welke stappen kan en gaat u nemen om de kwaliteit van de diploma’s aan de UvA te waarborgen?
Ik zie geen aanleiding om op basis van de huidige plannen van de UvA stappen te ondernemen om met extra aandacht te kijken naar de kwaliteit van het onderwijs of de diploma’s van de UvA. De WHW staat toe om als onderdeel van een omvangrijker pakket maatregelen onder bepaalde omstandigheden een compensatiemaatregel in te voeren.
In artikel 7.12 b, derde lid (WHW) is geregeld dat de examencommissie onder door haar te stellen voorwaarden kan bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg hoeft te zijn afgelegd.
Bent u bereid om te onderzoeken of een dergelijke compensatieregel ook in andere onderwijsinstellingen wordt gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
Variaties op een compensatieregeling zoals die nu in de plannen van de UvA beschreven wordt, worden in ieder geval ook gehanteerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap (Kamerstukken II 2011–2012, 31 288, nrs. 246 en 247) heb ik aangekondigd pilots met modernisering van examenregelingen (ook wel «Nominaal = Normaal» genoemd) te faciliteren met een experimenteer-AmvB. Deze is vooral gericht op uitbreiding van de toepassing van het bindend studieadvies in latere studiejaren. Ik verwacht dat ook andere instellingen dan de UvA en de EUR daarvan gebruik zullen maken.
Deelt u de mening dat het bekostigingssysteem waarbij een universiteit betaald krijgt aan de hand van het diplomarendement een perverse prikkel is die dergelijk schadelijk gedrag in de hand werkt? Zo nee, waarom niet?
In het vorige bekostigingsstelsel lag een grote nadruk op het afgeven van diploma’s: in het hbo circa 60–80% en in het wo circa 50%. In 2011 is echter een nieuw bekostigingsstelsel in werking getreden. Daarbij is de nadruk op de diplomabekostiging verlaagd naar ca. 20%. Er zijn dus stappen gezet om de systematiek van de bekostiging meer in evenwicht te brengen met de kosten die de instellingen jaarlijks aan opleidingen uitgeven. Overigens ben ik van mening dat het functioneel is om het behalen van een diploma onderdeel te laten zijn van de onderwijsbekostiging. Op die manier wordt de instelling gestimuleerd om de student naar de eindstreep toe te leiden.
In lijn met de Strategische Agenda worden stappen gezet om te komen tot een bekostigingssysteem waarin kwalitatieve prestaties zwaarder gaan meewegen.
In 2013 wordt de bekostiging van het hoger onderwijs verder aangepast. Ongeveer 7% van de onderwijsbekostiging wordt bestemd voor «kwaliteit en profiel». Het grootste deel van deze middelen is bestemd voor een voorwaardelijke financiering voor het verbeteren van onderwijskwaliteit en studiesucces. Daarnaast wordt een deel van de middelen selectief toegekend voor zwaartepuntvorming en profilering in het onderwijs. In de loop van 2012 maak ik hierover prestatieafspraken met elke individuele instelling. Het maken van de prestatieafspraken is voorwaardelijk voor de toekenning van financiële middelen. Dit is aangekondigd in de Strategische Agenda en in de hoofdlijnenakkoorden die in december 2011 zijn gesloten met de HBO-raad en de VSNU (Kamerstuk 31 288, nrs. 246 en 247).
Bent u bereid deze perverse prikkel te beëindigen, zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Het ontbreken van instemming bij experimenten met prestatiebelonging in het onderwijs |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Geen instemming gevraagd bij proef prestatiebeloning»?1
In 2011 is een aantal schoolbesturen al, vooruitlopend op de Regeling Prestatiebeloning in het onderwijs, aan de slag gegaan met prestatiebeloning in het onderwijs. Zij hebben, in overleg met leraren en de vertegenwoordiging van het personeel in de medezeggenschapsraad, de voorbereidingen getroffen voor het uitvoeren van een pilot. De ervaringen met de voorbereiding voor deze pilots door zowel de schoolbesturen als de begeleidende onderzoekers is goede input geweest voor de regeling waar ik de Kamer per brief over heb geïnformeerd. Ik heb eerder ook besloten om deze schoolbesturen, vooruitlopend op de regeling Prestatiebeloning in het onderwijs, al financieel te ondersteunen. Daarbij heb ik aan hen wel de eis gesteld dat bij continuering van de pilot het desbetreffende schoolbestuur alsnog een aanvraag doet conform de eisen in de regeling.
Is het waar dat niet alle van de op 17 november jl. gepresenteerde scholen die experimenteren met prestatiebeloning, daarvoor expliciet toestemming hebben gekregen van hun medezeggenschapsraad? Zo ja, op welke scholen heeft de medezeggenschapsraad geen expliciete toestemming gegeven? Zo neen, waarin zit het verschil van inzicht met de Algemene Onderwijsbond?
De schoolbesturen die als voorlopers van start zijn gegaan is voorafgaand aan subsidiering gevraagd of er draagvlak is bij het personeel voor het doen van een pilot. Dit werd in alle gevallen positief beantwoord. De schoolbesturen hebben echter niet om formele instemming van de medezeggenschapsraad gevraagd, door middel van een handtekening. Wel is in alle gevallen afstemming geweest met de medezeggenschapsraad.
Is het waar dat een medezeggenschapsraad altijd om instemming moet worden gevraagd wanneer er veranderingen zijn rondom de beloning van personeel? Zo ja, waarom is dat in deze gevallen niet gebeurd?
De Wet Medezeggenschap Scholen (WMS) en de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) zijn hier duidelijk over: instemming van de MR/OR is noodzakelijk bij vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toekenning van salarissen, toelagen en gratificaties aan het personeel. In de regeling Prestatiebeloning in het onderwijs is deze eis nog eens expliciet benoemd. In het geval van deze voorlopers ben ik er vanuit gegaan dat deze schoolbesturen, waar nodig overleg zouden voeren met de MR/OR. Dit is in alle gevallen ook gebeurd.
Op welke wijze verschillen de gepresenteerde «voorloper»-scholen van de scholen die mee gaan doen aan de gepresenteerde experimenten, bijvoorbeeld wat betreft instemming van het personeel, alsmede de criteria waarmee prestatiebeloning wordt uitgekeerd?
De voorloper scholen vallen met hun pilot níet onder de regeling Prestatiebeloning in het onderwijs. De criteria die in de regeling zijn opgenomen waren voor deze voorloper-scholen niet van toepassing.
Waarom voldoen de gepresenteerde «voorloper»-scholen niet aan de criteria voor experimenten rondom prestatiebeloning?
Juist omdat het voorloperscholen waren. Hun ervaringen zijn input geweest voor het ontwerp van de regeling Prestatiebeloning in het onderwijs.
Waarom zijn tal van experimenten gestart die onvergelijkbaar zijn, aangezien niet in alle gevallen sprake is van instemming van het personeel?
Er zijn nog geen experimenten in het kader van de regeling Prestatiebeloning in het onderwijs gestart. Die worden pas na 1 april 2012 bekend gemaakt. De voorloperscholen hadden hun functie met name in de voorbereiding van de komende experimentperiode.
Hoeveel van de gepresenteerde «voorloper»-scholen zijn nu nog actief bezig met experimenten rondom prestatiebeloning?
De experimenten in Amsterdam (PO) en Zeeland (MBO) zijn in volle gang. In Noord-Holland-Noord (VO) hebben 2 van de 3 deelnemende schoolbesturen helaas besloten om met de pilot te stoppen.
Deelt u de mening dat de uitkomst van de experimenten op de «voorloper»-scholen weinig zinvol zijn, aangezien er geen draagvlak onder het personeel is vanwege het ontbreken van instemming door de medezeggenschapsraad?
Nee, die mening deel ik niet. Uiteraard is het wel van groot belang dat het personeel goed betrokken blijft.
Deelt u de mening dat de experimenten beter gestaakt kunnen worden, nu duidelijk is dat ze gebaseerd zijn op arbitraire criteria en er nog altijd geen draagvlak is onder het personeel? Zo neen, waarom niet?
De mening dat er sprake is van arbitraire criteria deel ik niet. Het uitgangspunt in de experimenten is dat de scholen zelf de prestatiecriteria formuleren op basis waarvan de prestatiebeloning wordt toegekend.
Hoe oordeelt u over het artikel in het Onderwijsblad2 waarin de onderzoeker over prestatiebeloning zegt: «Het is en blijft voor een deel tasten in het duister»?
Dat lijkt me een zeer terechte constatering van deze onderzoeker. Met de inrichting van een experimenteerperiode proberen we juist wat meer licht in de duisternis te brengen. Daar helpt de betreffende onderzoeker gelukkig ook hard aan mee.
Erkent u dat het bijzonder lastig wordt om algemene uitspraken te doen over prestatiebeloning in het onderwijs, aangezien alleen welwillende schoolbesturen meedoen met uw experimenten?
Ik ben er nog lang niet aan toe om algemene uitspraken te doen. Verder: het is inherent aan het werken met experimenten dat de aanvragers zelf willen uittesten hoe dit instrument in de praktijk uitpakt.
Deelt u de mening dat het onderwijs niet opnieuw moet worden opgezadeld met een kostbaar experiment dat een reële kans maakt om te mislukken? Zo nee, kunt u zich voorstellen dat talloze leraren niet zitten te wachten op prestatieloon, te meer omdat zij weten dat het budget hiervoor afkomstig is van bezuinigingen op het zogenaamde «passend onderwijs»?
Nee, die mening deel ik niet. Leraren krijgen graag waardering voor het werk dat zij doen en of dit type waardering in de Nederlandse situatie leidt tot betere resultaten kan alleen worden vastgesteld door experimenten te laten plaatsvinden.
Indien uw experimenten mislukken, betreurt u dan het feit dat het onderwijs drie jaar lang voor niets hiermee is lastig gevallen? Zo ja, is het dan niet wijzer om elders te experimenteren, alvorens het onderwijs hiermee te belasten?
Experimenten kunnen eigenlijk niet mislukken; zij dienen er immers voor om vast te stellen welke concrete prikkel wel of niet werkt.
De langstudeerdersboete voor premasterstudenten |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wie moet er betalen voor de compensatie van de langstudeerdersboete die premasterstudenten volgens u onterecht krijgen opgelegd?1
De instellingen zullen premasterstudenten compenseren die langstudeerder worden als gevolg van het feit dat zij voor hun premaster in een masteropleiding zijn ingeschreven. Daarover heb ik de afgelopen maanden met een aantal instellingen overleg gevoerd.
Zal het feit dat universiteiten en het ministerie het hierover vooralsnog niet eens lijken te zijn zorgen voor vertraging in de compensatie voor de getroffen studenten?
Er is geen sprake van vertraging. De instellingen zullen de betreffende premasterstudenten per aankomend studiejaar en daarna compenseren.
Zitten er meer weeffouten in de langstudeerdersmaatregel die aan de orde moeten komen in een tv-programma voordat ze worden hersteld?
De kwestie van de premasters was mij bekend nog voordat er een tv-programma aan werd gewijd. Er is overleg geweest met een aantal instellingen die hierover een brief hebben gestuurd. Dit heeft geleid tot de oplossing verwoord in het antwoord op vraag 1.
Het bericht "de school als vastgoedmagnaat" |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de uitzending van de Slag om Nederland (aflevering: «De school als vastgoedmagnaat»), waarin te zien is dat het Arcus College in Heerlen voor 100 miljoen euro nieuwbouw pleegt, ondanks de enorme leegstand in Heerlen?1
De plannen voor de nieuwbouw zijn gemaakt in een periode (begin deze eeuw), waarin de vastgoedsituatie binnen de gemeente Heerlen goed was.
Waarom is dit megalomane vastgoedproject nodig? Zou dit geld niet veel beter aan onderwijs besteed kunnen worden?
Het is aan de instelling om verantwoorde keuzes binnen hun budget te maken. Dat laat onverlet dat bestuurders dienen zorg te dragen voor een evenwichtig en doelmatig middelenbeheer. In het financieel jaarverslag van de instellingen dient inzicht gegeven te worden in de verhouding tussen personele en materiële kosten. De inspectie volgt dat kritisch. Daarnaast is er een sector -benchmark waaruit blijkt hoe de instellingen op de onderdelen huisvesting en personeel zich tot elkaar verhouden.
Kunt u uiteenzetten welk deel van het onderwijsbudget van het Arcus College wordt gebruikt voor dit vastgoedproject en welk deel voor onderwijs?
Toelichting bij de begroting Arcus 2012, personeel versus omzet.
Hieronder de begroting 2012 van ROC Arcus college:
Personele lasten
42,9
76,06%
Huisvestingslasten
3,5
6,21%
Afschrijving gebouwen
0,3
0,53%
Overige afschrijvingen
1,4
2,48%
Overige lasten
7,1
12,59%
100,00%
Ontwikkeling na de nieuwbouwperiode
Uit de meerjarencijfers van Arcus blijkt dat de investering in personeel ongeveer 72% van de omzet gaat bedragen. Door de investering in de nieuwbouw zal het aandeel afschrijvingen hoger worden. Ook blijkt dat de ratio’s solvabiliteit, rentabiliteit en liquiditeit van Arcus binnen de signaleringsgrenzen van de sector blijven vallen.
Deelt u de mening dat de invoering van het competentiegericht onderwijs geen reden kan zijn voor nieuwbouw? Zo nee, waarom kunnen andere scholen wel volstaan met bestaande huisvesting?
Ik ben met u eens dat de invoering van competentiegericht onderwijs geen reden is voor nieuwbouw. Dat is bij Arcus ook niet het geval.
Begin deze eeuw heeft Arcus de afweging gemaakt tussen een ingrijpende renovatie van de meeste bestaande gebouwen of nieuwbouw.
Deelt u de mening dat u via de Inspectie kritisch toezicht moet houden op de besteding van middelen van scholen, en dus ook op dit soort enorme vastgoedprojecten? Zo nee, zijn bestuurders volledig vrij in het besluit om een dergelijk vastgoedproject aan te gaan?
Bestuurders zijn natuurlijk nooit volledig vrij om vastgoedprojecten aan te gaan. Op bestuurders wordt toegezien door een raad van toezicht die moet instemmen met dergelijke besluiten. Van de zijde van Arcus is mij verzekerd dat de opvolgende Raden van Toezicht niet over één nacht ijs zijn gegaan in de verschillende besluitvormingsfases.
Daarnaast speelt de Medezeggenschapsraad en de Ondernemingsraad hierbij een belangrijke rol. Ook deze raden hebben in de verschillende fases het College van Bestuur gesteund. Dit geeft mijn inziens voldoende checks en balances binnen de instelling om een wel overwogen keuze te maken bij een vastgoedproject van deze omvang. Daarnaast ziet de inspectie zoals gezegd via het jaarverslag toe op een doelmatige besteding van middelen.
Hoe oordeelt u over de nieuwbouw van het Arcus College in het licht van de schaalvergroting? Deelt u de mening dat kleine scholen verdeeld over meer locaties de voorkeur hebben boven één grote school met duizenden leerlingen?
Arcus zal straks ook niet op één locatie onderwijs geven. Er zullen drie nieuwe gebouwen worden neergezet:
Een gebouw waarin de zorgopleidingen zullen worden gegeven. Dit gebeurt in de Zorgacademie Parkstad, waarin zorginstellingen, Hogeschool Zuyd, Open Universiteit en Arcus samenwerken.
Een gebouw, waarin de techniekopleidingen zullen worden gegeven.
Een gebouw waarin de opleidingen horeca, welzijn, administratie, kappen en handel zullen worden gegeven. De opzet van dit gebouw is zodanig, dat het als het ware verdeeld is in vier vrijwel aparte onderdelen.
Daarnaast zal de komende jaren een deel van de bestaande gebouwen in gebruik blijven, omdat het aantal studenten nog te groot is om deze binnen de nieuwbouw onderwijs te kunnen geven. De nieuwbouw is immers geprognosticeerd op daling van het leerlingenaantal met 15%.
Gaat u in overleg met het bestuur van het Arcus College over dit vastgoedproject? Wilt u zich inzetten voor een betere besteding van het onderwijsbudget?
Jaarlijks wordt in opdracht van de MBO Raad door een extern bureau de benchmark MBO uitgevoerd. Uit de Benchmark mbo blijkt dat gemiddeld 6,5% wordt besteed aan huisvesting. Arcus zit daar met 6.21% onder en ik zie daarom geen reden om in overleg te gaan met het bestuur van Arcus.
Hoe gaat u dit soort megalomane vastgoedprojecten in de toekomst voorkomen? Deelt u de mening dat het ministerie op enige wijze regie moet houden over huisvesting van scholen, opdat wordt voorkomen dat bestuurders via dit soort vastgoedprojecten enorme bedragen onttrekken aan het onderwijs?
Via de Benchmark mbo kan ik de instellingen monitoren en mocht daartoe aanleiding zijn, zal ik de Inspectie van het Onderwijs inschakelen om individuele instellingen extra te onderzoeken. Verder is de instelling financieel gezond en blijft de instelling binnen de signaleringsgrenzen van de inspectie. Wanneer dit verandert zal de instelling op de «zeef»van de inspectie blijven liggen en komt de instelling zo nodig na onderzoek en beoordeling onder intensief toezicht.
In reactie op het artikel in de Volkskrant «Het roc zoekt het meer in stenen dan in onderwijs» van 24 maart 2012 heb ik de inspectie wel gevraagd om uit het oogpunt van kwaliteit en doelmatigheid onderzoek te doen naar de verhouding tussen vast personeel versus flexibel personeel bij het Arcus College en welke detacheringconstructies gehanteerd zijn. Mochten de resultaten hiertoe aanleiding geven dan zal ik u hierover informeren.
De reis- en onkostenvergoedingen bij de TU Delft |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat bent u van plan te ondernemen naar aanleiding van de berichtgeving over te ruime kostenvergoedingen bij de TU Delft?1 Vraagt u slechts opheldering of volgt er ook actie?
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft de Inspectie van het Onderwijs een verkennend vooronderzoek bij TU Delft uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de feiten uit de berichtgeving van het NRC correct zijn. De Inspectie van het Onderwijs heeft het College van Bestuur van TU Delft op 6 februari 2012 een brief gestuurd over een aantal verbeterpunten bij TU Delft. In deze brief gaat de Inspectie in op het inkoopbeleid, inkoopprocedures, nevenwerkzaamheden, beheer van het vastgoed en de onkostenvergoedingen. Met deze brief vraagt de Inspectie TU Delft actie te ondernemen op deze punten en hierover in het najaar danwel bij het jaarverslag 2011 te rapporteren. TU Delft heeft hiermee met de brief van 13 februari 2012 ingestemd.
Deelt u de mening dat het onacceptabel zou zijn als de TU Delft de regeling zodanig oprekt dat de te hoge vergoedingen, door de TU «staande praktijk» genoemd, voortaan onder de regeling zullen vallen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de signalen over bestuurdersdeclaraties heeft de Inspectie van het Onderwijs inzage gevraagd in de gegevens die ook aan de NRC ter beschikking zijn gesteld.
De inspectie concludeert daaruit dat de berichtgeving van de NRC over de omvang van de declaraties van bestuurders van TU Delft berust op feitelijk juiste en volledige informatie. De inspectie had daarom geen reden om eigen onderzoek te doen naar de totale omvang van de declaraties van de bestuurders.
Uit de stukken leidt de inspectie af dat de bestuurders van TU Delft geen gepaste soberheid betrachten in het declareren van de onkostenvergoedingen, die voornamelijk betrekking hebben op reis- en verblijfskosten. De inspectie heeft het College hierop in haar brief van 6 februari 2012 aangesproken.
De Raad van Toezicht heeft mij toegezegd de komende tijd extra aandacht te besteden aan het op- en bijstellen, naleven en handhaven van de interne regelgeving.
Waarom maakt een universiteit meer dan 900 000 euro op aan onkosten en faciliteiten voor drie collegeleden over de periode 2008–2011 en is dat echt nodig? Waaruit bestaan die kosten en faciliteiten precies?
Het bestuur en de Raad van Toezicht bepalen in hoeverre deze onkosten en faciliteiten noodzakelijk zijn. TU Delft heeft inmiddels de onkostenvergoedingen van de bestuurders gepubliceerd.
Bent u het eens met de bewering van de TU Delft dat het opstappen van de decaan los staat van de hoge vergoedingen en/of de berichtgeving daarover? Zo nee, wat is dan het verband daartussen?
Uit de verkenning van de Inspectie van het Onderwijs komt naar voren dat de betrokken decaan verdiensten had op het gebied van het valoriseren van kennis, ook in relatie tot projecten die vanuit het innovatieplatform waren geïnitieerd. De rol van de decaan zelf is in deze zaak te betreuren, maar ook het bestuur van TU Delft moet worden aangesproken. De Inspectie van het Onderwijs heeft dit inmiddels gedaan met de brief van 6 februari 2012.
Thuiszitters |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van het EO-programma «De vijfde dag» over kinderen met een Downsyndroom die geweigerd worden op school?1
Ja.
Kunt u zich vinden in het beeld dat in het programma geschetst wordt als een onderwijsadvocaat stelt dat scholen de laatste jaren keihard zijn geworden in het weigeren van kinderen met bijvoorbeeld het Downsyndroom?
Nee, ik heb geen signalen die dit beeld bevestigen.
Deelt u de mening dat kinderen met een Downsyndroom, die bewezen goed participeren op een reguliere school, daar absoluut zouden moeten kunnen blijven?
Ja, vooropgesteld dat de reguliere school een passend onderwijsaanbod voor de leerling kan realiseren.
Kunt u aangeven hoe veel kinderen er nu thuis zitten zonder onderwijs?
Jaarlijks zitten naar schatting 2 500 leerplichtige jongeren langer dan 4 weken thuis. Sinds het najaar van 2010 worden cijfers over thuiszitters meegenomen in de rapportages die gemeenten opstellen op het gebied van leerplicht. De nieuwste gegevens worden de Kamer toegezonden op de dag van de leerplicht, 15 maart 2012. Hiermee heeft het Rijk een indicatief landelijk beeld van het aantal thuiszitters.
Kunt u aangeven of het aantal thuiszitters in aanloop naar passend onderwijs is toegenomen, met het oog op de observatie van de onderwijsadvocaat dat het feit, dat scholen de laatste jaren steeds vaker kinderen weigeren, zou kunnen wijzen op strategisch gedrag van scholen in aanloop naar de invoering van de wet passend onderwijs?
Nee, zie antwoord op vraag 4.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat het thuiszitten van kinderen ook nu al, vóór de invoering van de wet passend onderwijs, effectiever en actiever wordt aangepakt?
Er zijn nu goede structuren voor een regionale aanpak van thuiszittende leerlingen. Ik zal ervoor zorgen dat binnen deze structuren de informatie over passend onderwijs beschikbaar komt zodat regionaal gewerkt kan worden aan het zo spoedig mogelijk terugbrengen van het aantal thuiszitters. Gedragswerk, een project dat erop gericht is om scholen te leren omgaan met individuele gedragsproblematiek, gaat samen met alle betrokken partijen in de RMC-regio’s aan de slag om thuiszitters weer terug te begeleiden naar het onderwijs.
Kunt u de deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Ja.
Examinering op de Antillen van leerlingen in het voortgezet onderwijs |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van mogelijke problemen op het Vespucci College op Curaçao als gevolg van verplichte examinering vanaf komend jaar (schooljaar 2011–2012) op Bonaire?
Mij is bekend dat het Vespucci College denkt in de toekomst minder leerlingen te krijgen omdat de opleiding niet kan worden afgesloten met een op Curaçao afgelegd Nederlands examen en diplomering op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Er is overigens geen sprake van een verplichting voor de leerlingen van het Vespucci College om examen te doen op Bonaire. Wel is het voor deze leerlingen een mogelijkheid om een diploma in het voortgezet onderwijs te halen op grond van Nederlandse wetgeving.
Bekend is verder dat het bestuur van het Vespucci College liever wil dat Nederlandse staatsexamens ook op Curaçao kunnen worden afgenomen, maar de wetgeving verzet zich hier tegen. Dit laat onverlet dat scholen op Curaçao wel onderwijs mogen inrichten naar het Nederlandse model en niveaus.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin er gevreesd wordt dat het Vespucci College vanwege de examenregeling met examens op Bonaire leerlingen zal verliezen en daarmee onder het minimum aantal leerlingen dreigt te raken?
Het Vespucci College is een particuliere (niet door de overheid bekostigde) school en bepaalt zelf haar bestaansrecht.
Overigens ben ik van mening dat de optie om examens te doen op Bonaire zodanig laagdrempelig is, dat dit geen reden kan zijn voor ouders om de school vanaf nu links te laten liggen.
Deelt u de zorgen dat de huidige regeling de school in zijn bestaansrecht kan aantasten, onder andere vanuit een daardoor gebrekkige financiële situatie?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het een buitenproportionele en daarmee drempelverhogende maatregel is als leerlingen geen examen kunnen doen op Curaçao en Aruba maar alleen op Bonaire? Zo ja, wat gaat u hier concreet aan doen?
Op verzoek van uw Kamer heb ik vorig jaar advies gevraagd aan de Raad van State.
Het advies is u op 26 januari 2012 toegestuurd en luidt kortheidshalve: alleen via een rijkswet is het mogelijk examinering op grond van de Nederlandse wetgeving op Curaçao, Aruba of Sint Maarten te laten plaatsvinden en dit lijkt de Raad een zware weg voor de kleine doelgroep.
Gebruik maken van de mogelijkheid staatsexamen te doen op Bonaire is dan de meest praktische oplossing. Het gaat hierbij derhalve niet om een maatregel, maar om een mogelijkheid.
Welke mogelijkheden heeft u en tot welke inzet bent u bereid om ervoor te zorgen dat leerlingen zo snel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om op Curaçao examen te doen zodat daarmee ook het Nederlandstalig voortgezet onderwijs op de Antillen behouden kan worden?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Verder zijn voor de leerlingen op de voormalige eilanden van de Nederlandse Antillen die op Bonaire staatsexamen willen afleggen en in het bijzonder de leerlingen van het Vespucci College door het College voor Examens al uitzonderingen gemaakt om nachtelijke examens te voorkomen en wordt een voorziening geboden bij terugkeer naar Nederland (niet zijnde een vakantie) tijdens de examenperiode.
Overigens wordt er op Curaçao ook buiten het Vespucci College Nederlandstalig onderwijs aangeboden. De Raad van State geeft dan ook aan dat voor deze kandidaten de weg open staat naar een examen in Curaçao (op grond van de Curaçaose wetgeving), waarbij de diploma's – mits niet te zeer afgeweken wordt van de profielstructuur in het Nederlandse onderwijs – dezelfde doorstroom mogelijkheden bieden als Nederlandse diploma's.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg BES (onderdeel onderwijs) op 6 februari a.s.?
Ja.
Hypotheekverstrekking aan mensen met een studieschuld |
|
Jacques Monasch (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studieschuld geeft moeilijkheden bij hypotheek»?1
Ja.
Bent u van mening dat lenen voor een studie een verantwoorde keuze is, gezien de kans op een hoger inkomen, en daarom niet beperkt moet worden door stroeve hypotheekverstrekking?
Ik vind het verantwoord dat studenten voor het volgen van een opleiding een studielening aangaan. Het is ook verstandig de maandelijkse lasten van een studieschuld – evenals de andere vaste lasten – te laten meenemen in de hypotheekbeoordeling. Oud-studenten kunnen het geld voor de terugbetaling van hun studieschuld immers niet gebruiken voor de aflossing van een hypotheek.
Studieleningen hebben wel een sociaal karakter, dat gekenmerkt wordt door een gunstige rente, een lange terugbetaalperiode, terugbetaling naar draagkracht en kwijtschelding van de restschuld. Dit om problemen bij het terugbetalen te voorkomen.
Bent u van mening dat het kopen van een huis voor starters op de arbeidsmarkt in principe mogelijk moet zijn?
Zoals volgt uit de Woonvisie die in juli 2011 aan de Tweede Kamer is gestuurd zijn startende huizenkopers van belang voor de woningmarkt. Zij zijn van belang voor een goede werking van de woningmarkt als geheel, dus niet alleen voor de starters zelf, maar ook voor de doorstroming tussen de huur- en koopsector en binnen de huursector. Dit laat echter onverlet, dat starters het advies moeten krijgen een verantwoorde hypotheek af te sluiten.
Is er sprake van een verandering in de eisen die banken hanteren om hypotheken aan mensen met een studieschuld te verstrekken? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, wat veroorzaakt dan de in het bericht vermelde stroeve kredietverlening?
Van de Nederlandse Vereniging van Banken (NvB) heb ik vernomen, dat de normen ten aanzien van het verstrekken van een hypotheek aan mensen met een studieschuld niet strenger zijn geworden. Bij het verstrekken van een hypotheek werd altijd al gevraagd naar eventuele andere schulden (o.a. studieschuld). Dit gebeurt op grond van artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht. Daarin wordt gesteld dat aanbieders van krediet (waaronder hypothecair krediet) voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet informatie over de financiële positie van de consument dienen in te winnen om overkreditering van de consument te voorkomen. Bij het bepalen van de financiële positie van de consument worden de lasten van studieleningen meegenomen. De manier waarop de studieschuld wordt meegerekend verschilt per bank.
De NvB geeft aan dat de normen niet strikter zijn geworden, maar wel dat ze scherper worden toegepast. Door de economische crisis is de nadruk meer komen te liggen op verantwoord lenen en letten de banken bij de verstrekking van de hypotheek extra op de financiële positie van de consument.
Het bericht dat er fors bezuinigd wordt op het schoolmaatschappelijk werk |
|
Jasper van Dijk (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner , Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er fors bezuinigd wordt op het schoolmaatschappelijk werk, en dat er daardoor minder zicht is op kinderen die thuis problemen hebben?1
Schoolmaatschappelijk werk kan een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van jongeren met problemen die op school tot uiting komen.
Het is aan scholen en gemeenten om samen vorm te geven aan zorg in en om de school en te zorgen dat er zicht is op kinderen die thuis problemen hebben.
Bent u het ermee eens dat kinderen op school minder goed kunnen functioneren als zij problemen thuis hebben, en dat het schoolmaatschappelijk werk juist hierin een oplossing kan bieden voor kinderen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat er niet bezuinigd wordt op het schoolmaatschappelijk werk door de gemeenten?
Problemen thuis en op school gaan vaak hand in hand. Daarom is en blijft het uitgangspunt bij zowel de transitie van de zorg voor jeugd als de vormgeving van passend onderwijs dat de benodigde ondersteuning zo dicht mogelijk bij het kind, in het gezin en op school in samenhang wordt georganiseerd. Dit uitgangspunt zal ook in wetgeving worden vertaald.
Ik ben met u van mening dat schoolmaatschappelijk werk een belangrijke rol kan spelen in de ondersteuning op school volgens het hiervoor geformuleerde uitgangspunt. Ook is schoolmaatschappelijk werk bij uitstek in de gelegenheid in een vroegtijdig stadium te reageren op signalen van de professionals in de school. Schoolmaatschappelijk werk, vaak werkzaam vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin, is dan ook een van de vormen van ondersteuning die de verbinding kan leggen tussen school en opvoed- en opgroeiondersteuning.
Ik constateer echter op lokaal en regionaal niveau verschillende wensen en behoeften in de vormgeving van kindnabije en schoolnabije ondersteuning. Het is dan ook aan (samenwerkingsverbanden van ) scholen en gemeenten om hierover zelf afspraken en keuzes te maken.
Hoeveel bezuinigen gemeenten gemiddeld op het schoolmaatschappelijk werk? Wanneer u deze gegevens niet heeft, bent u dan bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend hoeveel gemeenten bezuinigen op het schoolmaatschappelijk werk. Het is aan scholen en gemeenten om met elkaar te beslissen over de inzet van schoolmaatschappelijk werk. Het past niet bij mijn verantwoordelijkheden om dit te onderzoeken.
Hoe rijmt u deze bezuinigingen op het schoolmaatschappelijk werk met de zware taak die het onderwijs erbij krijgt met passend onderwijs? Bent u het ermee eens dat scholen juist met de zware taak als passend onderwijs, veel meer een beroep zullen moeten doen op voorzieningen zoals het schoolmaatschappelijk werk?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u het eens met de uitkomst van de parlementaire werkgroep jeugdzorg die heeft geconcludeerd dat het gebruik van zware jeugdzorg voorkomen kan worden door juist te investeren in preventie? Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten juist niet bezuinigen op preventie en lichte vormen van jeugdzorg?
Ja. Eerdere ondersteuning en zorg op maat is dan ook één van de doelstellingen van de stelselherziening zorg voor jeugd.
Gemeenten worden verantwoordelijk voor alle vormen van zorg voor jeugd, zowel preventieve ondersteuning als zwaardere vormen van zorg. Doordat regie en financiering naar één bestuurslaag (gemeente) gaan, kunnen gemeenten zelf prioriteiten stellen en is er een stimulans om meer te investeren in preventie.
Daarnaast zal in het ondersteuningsprogramma dat we samen met de VNG aan gemeenten bieden aandacht besteed worden aan de beoogde zorginhoudelijke vernieuwing die onder andere gericht is op versterken van preventie.
Het is echter aan de gemeenten en de scholen om afspraken te maken over de vraag hoe de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet.
Bent u het ermee eens dat juist het schoolmaatschappelijk werk, vaak werkzaam vanuit de Centra voor Jeugd en Gezin, de schakel is tussen school en de (gemeentelijke) jeugdzorg? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten ook voldoende schoolmaatschappelijk werk in de scholen inzetten?
Zie antwoord op vraag 2.
Verlichting van onderwijsprogramma's van de TU Delft om studenten sneller te laten afstuderen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de door de Technische Universiteit Delft aangekondigde aanpassingen in de onderwijsprogramma’s van opleidingen, omdat men de doorlooptijd van studenten binnen de opleidingen wil verlagen?1
De herziening van het onderwijsprogramma maakt deel uit van de afspraken die ik met de drie TU’s heb gemaakt over verbetering van de onderwijskwaliteit, waaronder de studeerbaarheid van de programma’s.
Ik heb in augustus 2011 € 10,99 mln. per jaar toegekend aan de technische universiteiten (TU’s) voor het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs in de periode 2011–2013. De uitwerking van de plannen voor onderwijskwaliteit staat in het Sectorplan Technologie van de drie TU’s.
De opleidingen hebben nadrukkelijk de opdracht gekregen om bij de herinrichting van de curricula goed te kijken naar de studielast. In de loop der jaren zijn de programma’s steeds voller geworden. Daardoor wordt het voor studenten moeilijker om het programma binnen de tijd die daarvoor staat af te ronden.
Het is goed dat de universiteiten daar nu strenger naar kijken.
Het bijstellen van de studielast en de inhoud zorgt naast een betere academische opleiding ook voor een betere voorbereiding op de arbeidsmarkt, passend bij de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan ingenieurs.
Er is grote vraag naar studenten van de technische universiteiten. Ik vind het prijzenswaardig dat de universiteiten aan die vraag willen tegemoetkomen.
Het verbeteren van de onderwijskwaliteit gaat overigens niet alleen om het herzien van de programma’s, maar ook om onder andere betere begeleiding, meer excellente docenten en betere digitalisering van het onderwijs.
Deelt u de mening dat dit zonder meer lijkt op een verlichting van vakinhoud en onderwijsprogramma’s ter verbetering van de opleidingsrendementen? Zo nee, hoe omschrijft u het aangekondigde schrappen van delen van vakken en het volledig schrappen van vakken?
Het herzien van de programma’s heeft als doel de studeerbaarheid te vergroten en het daardoor voor studenten beter mogelijk te maken het programma binnen de tijd die daarvoor staat af te ronden. Het verbeteren van de rendementen is voor de drie TU’s bepaald geen overbodige luxe. De rendementen van de technische opleidingen zijn al jarenlang veel lager dan die van andere opleidingen. Uiteraard worden de studies van de drie TU’s geaccrediteerd door de NVAO, inclusief de kwaliteit van het onderwijsprogramma.
Zie verder de antwoorden op de vragen van de leden Van der Ham en Van Dijk.
Op welke manier draagt deze beleidskeuze van de TU Delft bij aan de door velen gewenste excellentie van academische opleidingen en studenten?
De herziening van de programma’s an sich is niet gericht op het creëren van excellente opleidingen, maar heeft als doel de studeerbaarheid te vergroten en het daardoor voor studenten mogelijk te maken het programma binnen de tijd die daarvoor staat af te ronden. Deze keuze is onderdeel van een breder pakket aan maatregelen gericht op de realisatie van een hoogwaardig en aantrekkelijk onderwijsaanbod aan de TU’s.
De afgelopen jaren zijn honoursprogramma’s gerealiseerd. De maatregelen in het kader van het recente sectorplan richten zich naast de herziening van de onderwijsprogramma’s en betere begeleiding van studenten op o.a. internationale profilering van de 3 TU’s en een excellent toegerust docentencorps.
Over de toename van excellentie in het onderwijs zal ik deze zomer prestatieafspraken met de hoger onderwijsinstellingen maken.
Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen de perverse prikkel die uitgaat van de door u getroffen langstudeerdersmaatregel, als onderwijsinstellingen aanpassingen in zwaarte en niveau gaan doorvoeren als gevolg van deze kabinetsmaatregel, zoals nu ook het geval is bij de TU Delft?
Ik ben het niet met u eens dat de maatregel langstudeerders een perverse prikkel is voor de zwaarte en het niveau van opleidingen.
Aan het verzwaren van het programma van de technische universiteiten is in 1995 recht gedaan door de cursusduur voor de technische studies te verlengen. Dit is bij de invoering van de bachelor-masterstructuur vorm gegeven als tweejarige masters. Het verhoogde wettelijk collegegeld op grond van de maatregel langstudeerders gaat dan ook pas na drie jaar in: twee jaar master en één jaar uitlooptijd.
De herziening van het onderwijsprogramma maakt deel uit van de afspraken die ik met de drie TU’s heb gemaakt over verbetering van de onderwijskwaliteit, waaronder de studeerbaarheid van de programma’s.
Er wordt met de maatregelen van TU Delft niet getornd aan de kwaliteit van de opleidingen. Doel is de studeerbaarheid te verbeteren en het daardoor voor studenten mogelijk te maken het programma binnen de tijd die daarvoor staat af te ronden.
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat de langstudeerdersmaatregel studenten niet dubbel treft, in dit geval via verlaagde kwaliteit of studielast ter verbetering van het rendement van een onderwijsinstelling?
Zie het antwoord op de vragen 1, 2, 3 en 4.
Steeds lager opgeleide mbo-docenten |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat leraren in het mbo (middelbaar beroepsonderwijs) steeds lager opgeleid zijn?1
Ik heb kennis genomen van het betreffende bericht. De werkelijkheid in het mbo is genuanceerder dan de kop van het artikel suggereert. Het onderwijs in het mbo wordt verzorgd door breed samengestelde teams, bestaande uit een mix van onder andere leraren, instructeurs en ondersteuners. Deze mensen hebben een verschillende achtergrond en zijn van groot belang voor de beroepssector, zeker gezien de vraag naar onderwijspersoneel in de komende jaren.
Van leraren wordt verwacht dat zij minimaal beschikken over een hbo werk- en denkniveau. Een instrument als de Lerarenbeurs stimuleert leraren een andere of hogere kwalificatie te behalen. Ook in het bestuursakkoord dat ik eind vorig jaar met de MBO Raad heb gesloten is er aandacht voor professionalisering van leraren in het mbo.
Wat vindt u van de voorspelling van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP) dat het aantal onbevoegde docenten in het mbo de komende jaren zal toenemen? Zo neen, waarom niet?
In opdracht van het SBO2 heeft het CAOP een arbeidsmarktanalyse van het MBO gepubliceerd. Mijn vermoeden is dat u in uw vraag doelt op deze analyse. Ik kan hierin geen voorspelling vinden over een toename van het aantal onbevoegde docenten in het mbo.
Inmiddels is in de Eerste Kamer het wetsvoorstel op de Wet Onderwijstoezicht aangenomen. Daarmee wordt het toezicht op bevoegdheid en het onderhouden van bekwaamheid versterkt. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is wanneer het aantal bevoegde leraren in het mbo nog verder afneemt, aangezien nu al maar liefst 15% van de docenten in het mbo geen lesbevoegdheid heeft? Zo neen, hoe is dit te rijmen met uw actieplan voor het mbo waarin u spreekt over het professionaliseren van docenten?2
Ik deel uw mening dat het zorgelijk is wanneer het aantal bevoegde leraren in het mbo afneemt. Het Kabinet streeft er daarom naar dat alle in het mbo werkzame leraren benoembaar zijn en binnen twee jaren hun bevoegdheid behalen, indien nog niet behaald. Uit de arbeidsmarktanalyse van het SBO blijkt dat 11% van de docenten in het mbo onbevoegd is. Hieronder bevinden zich ook zij-instromers. Zij zijn benoembaar op basis van de Wet educatie beroepsonderwijs, maar moeten binnen een periode van twee jaren hun bevoegdheid hebben behaald. Deze mensen hebben met hun praktijkkennis een grote toegevoegde waarde voor het mbo. Ruim 50% van de leraren in het mbo komt vanuit het bedrijfsleven of de zorgsector. Deze route is dus van groot belang voor een voldoende aantal leraren in het mbo. Ik richt mij bij deze groep op het verbeteren van de trajecten die leiden tot het pedagogisch-didactisch getuigschrift, dat de zij-instromers moeten behalen.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat driekwart van de docenten in het mbo zonder lesbevoegdheid, geen opleiding volgt om alsnog de vereiste papieren te halen? Zo neen, welke waarde hecht u aan een de bevoegdheid van docenten in het mbo?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 3.
Bij welk percentage leraren in het mbo met een lesbevoegdheid bent u tevreden over het opleidingsniveau van het docentencorps? Welke concrete doelstelling voor de komende twee jaar stelt u zichzelf?
In principe dient iedere leraar bevoegd te zijn, maar er zal, zeker in het mbo, altijd een percentage leraren bezig zijn die bevoegdheid te halen. Want zoals eerder genoemd in het antwoord op vraag 3 heeft het percentage onbevoegden met name betrekking op zij-instromers die bezig zijn met het behalen van hun pedagogisch-didactisch getuigschrift.
Welk budget is exact beschikbaar om onbevoegde leraren in het mbo aan een lesbevoegdheid te helpen, nadat andere prioriteiten voor het mbo hiervan zijn afgetrokken? Hoeveel opleidingen om een lesbevoegdheid te halen kunnen daarvan betaald worden?
Hiervoor is geen afzonderlijk budget beschikbaar. De middelen voor om-, na- en bijscholing maken deel uit van de lumpsum. Dit kabinet investeert daarbovenop € 150 mln structureel voor professionalisering van onderwijspersoneel in po, vo en mbo.
Het bericht dat Nederland kampt met een nijpend tekort aan hoogopgeleide technici |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Yacht: kenniscrisis is nijpend, technici nauwelijks te vinden»?1
Ja.
Wat is uw reactie op enerzijds de toegenomen vraag naar technisch specialisten in het laatste kwartaal van 2011 ten opzichte van 2010 en anderzijds het steeds nijpender wordende tekort aan technici?
Het is bekend dat de komende jaren een grote groep oudere werknemers de arbeidsmarkt verlaat. Met name in de technieksector kan dit knelpunten opleveren, zoals het artikel waar naar u verwijst ook duidelijk maakt. De huidige instroom van leerlingen in het technisch onderwijs is onvoldoende om aan de toekomstige vraag naar technici te voldoen. Ook de recent verschenen human capitalagenda’s van de topsectoren wijzen op de dreigende personeelstekorten in de technische sector. De topsectoren zien deze dreigende tekorten aan vakkrachten als een belemmering om hun groeiambities te kunnen realiseren.
Deelt u de mening dat de samenloop van bijvoorbeeld vergrijzing en teruglopende instroom in bouw- en infraopleidingen het structurele arbeidsmarkttekort groter maakt? Erkent u dat er een «kenniscrisis» is door het tekort aan bijvoorbeeld werktuigbouwkundigen en elektrotechnici, zoals Yacht meldt?
Na het basisonderwijs gaan steeds meer jongeren naar havo en vwo dan naar het vmbo. Mede daardoor is de totale uitstroom naar de arbeidsmarkt vanuit techniekopleidingen in het hoger onderwijs de afgelopen jaren licht gestegen. Het aantal leerlingen dat kiest voor vmbo techniek is mede daardoor gedaald. Op langere termijn resulteert dat waarschijnlijk in daling van het aantal technisch opgeleiden op mbo-niveau. De afgelopen jaren is de totale uitstroom naar de arbeidsmarkt vanuit techniekopleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs nog stabiel gebleven, omdat een dalende instroom vanuit het vmbo is gecompenseerd door een grotere zij-instroom van (werkende) jongeren die alsnog een vakdiploma willen halen. Maar voor veel technische sectoren is deze uitstroom niet voldoende om (op termijn) te voorzien in de personeelsbehoefte, vooral omdat door de vergrijzing de vervangingsvraag sterk toeneemt.
Bedrijven stellen zich daar ook op in en ontwikkelen manieren om ondanks het schaarser worden van het juiste menselijk kapitaal concurrerend te blijven. Zo kunnen bedrijven investeren in technologische vernieuwingen waardoor de arbeidsproductiviteit stijgt, door sociale innovatie het aanwezige menselijk kapitaal efficiënter en effectiever inzetten, het zittende personeel op- en/of bijscholen en zich richten op de vergroting van zij-instroom. Ook kunnen bedrijven, door nauw samen te werken met onderwijsinstellingen en gezamenlijk activiteiten te ontwikkelen, de instroom in bepaalde vakgebieden te vergroten. Tot slot kunnen bedrijven ook de internationale arbeidsmarkt op gaan om via kennismigratie goed personeel aan te trekken.
In mijn optiek is er dan ook geen sprake van een «kenniscrisis». Er zijn immers meerdere oplossingsrichtingen voorhanden. Wel ben ik van mening dat de situatie zodanig urgent is geworden dat het van groot belang is dat bedrijfsleven, onderwijs en overheid de handen ineenslaan om de schaarste aan vakkrachten terug te dringen.
Deelt u mijn constatering dat in de technologische sector voor zowel het grootbedrijf als het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) de arbeidsproblematiek al enige tijd verreweg het belangrijkste knelpunt is?
Ja. De constatering dat arbeidsproblematiek in de technologische sector het belangrijkste knelpunt is, blijkt bijvoorbeeld ook duidelijk uit de human capitalagenda’s van de topsectoren.
Op welke manier wilt u instroom en doorstroom van bètatechnisch talent in de technologische sectoren de komende jaren laten groeien? Op welke manier gaat u de doelstelling van het Platform Bètatechniek realiseren om in 2016 25% meer in- en uitstroom van bètatechnici in het hoger onderwijs?
Daarvoor is een gezamenlijke inspanning van overheid, onderwijsinstellingen en sociale partners noodzakelijk. Meer jongeren moeten enthousiast gemaakt worden om te kiezen voor technisch onderwijs, bijvoorbeeld door het geven van baangaranties aan jongeren die definitief voor deze sectoren kiezen. Het is nodig om werk te maken van een aantrekkelijk aanbod aan techniekonderwijs, maar het is ook van belang dat het werken in de techniek aantrekkelijker wordt gemaakt. De tekorten zijn niet alleen terug te dringen door het bevorderen van de instroom van nieuwe werknemers. Bedrijven moeten ook maatregelen nemen die ervoor zorgen dat werknemers langer en productiever kunnen doorwerken en die de topsectoren aantrekkelijker maken. Bij de verdere uitwerking van de human capitalagenda’s verdient dit specifieke aandacht.
Om bèta- en techniekonderwijs en de aantrekkelijkheid van de technische sectoren een krachtige impuls te geven, stellen de topsectoren op basis van de human capitalagenda’s een Masterplan Bèta en Technologie op. Het Masterplan bevat de acties die de topsectoren gezamenlijk willen oppakken om verwachte tekorten aan vakkrachten in bèta en techniek terug te dringen. Ook worden diverse bestaande activiteiten om bèta en techniek te stimuleren gebundeld en op elkaar afgestemd. Het Masterplan wordt op 13 februari aan het kabinet aangeboden. Vervolgens bezien de ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of naast het reeds ingezette beleid aanvullende overheidsmaatregelen noodzakelijk zijn om tekorten terug te dringen en de juiste randvoorwaarden te creëren voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven. Uiterlijk 2 april a.s. wordt uw Kamer geïnformeerd over de ambities van het kabinet.
Wat is uw reactie op de arbeidsmarktprognose 2011–2016 van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA, «De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2016», december 2011), waarin staat dat het arbeidsmarkttekort van technisch geschoold personeel oploopt tot 155 100 arbeidskrachten? Welke aanvullende actie onderneemt u om dit probleem af te wenden?
Het rapport van het ROA schetst de knelpunten naar opleiding en beroep tot 2016. De belangrijkste conclusie is dat de arbeidsmarkttekorten zich, met name, zullen voordoen in de zorg en in de techniek.
Er kunnen enkele kanttekeningen bij het rapport geplaatst worden. Het macrobeeld dat het ROA gebruikt voor de prognoses is optimistischer dan de meest recente ramingen van het CPB. Het ROA baseert zich op de juni-raming van het CPB, terwijl het CPB recent de ramingen sterk neerwaarts heeft bijgesteld. Bovendien gaat het ROA uit van een jaarlijkse stijging van de werkgelegenheid met 0,4%, terwijl het CPB op de middellange termijn uitgaat van een krimp van de werkgelegenheid. Daarnaast geeft het ROA aan dat de prognoses met een aanzienlijke mate van onzekerheid zijn omgeven. Slechts voor 40% van de opleidingstypen werd in eerdere prognoses de mate waarin zich arbeidsmarkttekorten voordoen correct ingeschat. De waarde van dit onderzoek zit daarom vooral in het inzichtelijk maken van relatieve krapte tussen sectoren. Desalniettemin sluiten de conclusies (i.e. tekorten in techniek) uit het rapport aan bij de signalen uit de human capital agenda’s van de topsectoren.
Bij het antwoord op vraag 5 heb ik aangegeven welke aanvullende actie het kabinet onderneemt.
Deelt u de mening dat het sociaal leenstelsel in de masterfase een extra drempel opwerpt voor studenten in de bètatechniek, die doorgaans een tweejarige master volgen? Zo ja, bent u bereid om het advies van belangenorganisaties VNO-NCW, MKB Nederland, de ondernemingsorganisatie voor de technologisch-industrië FME en Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) op te volgen en studenten met een tweejarige bètamaster een extra jaar studiefinanciering te verstrekken?
Bij het wetsvoorstel «Studeren is investeren» is ervoor gekozen om het sociaal leenstelsel voor alle masteropleidingen in te voeren. In het maatschappelijk debat hebben organisaties erop gewezen dat mogelijk minder studenten voor een meerjarige master (overwegend in beta/techniek, onderwijs en zorg) zullen kiezen. Ik verwacht niet dat het sociaal leenstelsel in de masterfase een ontmoedigend effect zal hebben.
Het door de student te financieren verschil tussen een twee- en eenjarige masteropleiding bedraagt maximaal circa € 3 200 (dat is de basisbeurs voor uitwonenden voor één jaar). De aanvullende beurs en de reisvoorziening blijven in de masterfase gehandhaafd. Wie het bedrag voor zijn basisbeurs via het sociaal leenstelsel zou financieren, moet later – voorzover hij of zij dan voldoende draagkracht heeft – een extra termijnbedrag van iets minder dan € 20 per maand terugbetalen (bij een rente van 3% en een looptijd van 20 jaar). Het verschil met de eenjarige masteropleiding is dus te overzien.
Maar belangrijker nog is dat de keuze voor de masteropleiding primair een inhoudelijk gedreven keuze is. De student zal daarnaast zijn keuze ook baseren op beschikbare informatie over de perspectieven die een opleiding biedt op de arbeidsmarkt. Op www.Studiekeuze123.nl valt bijvoorbeeld te zien wat per studierichting het gemiddeld aandeel afgestudeerden is met een baan, een vaste baan, een baan op niveau en wat het bruto maandloon is.
Het gegeven dat NWO en FOM een tafel hebben gekocht bij een fundraising-diner van Museum Boerhave |
|
Bart de Liefde (VVD), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het fundraising-diner van Museum Boerhave en het feit dat NWO1 en FOM2 daar voor € 2500 een tafel hebben gekocht?
Ja. In het kader van (bestaande) samenwerking tussen NWO en Museum Boerhaave, met als doel jongeren te enthousiasmeren voor wetenschap en techniek, heeft Museum Boerhaave voor het benefietdiner aan NWO een aantal plaatsen aangeboden. Om meer stakeholders bij het gesprek over wetenschap en wetenschapscommunicatie te betrekken heeft NWO ervoor gekozen een aantal relaties voor dit diner uit te nodigen. De plaatsen aan het benefietdiner hebben NWO en FOM, i.c. een NWO-stichting waaronder AMOLF ressorteert, tezamen een bedrag van € 2082,50 gekost.
Deelt u de mening dat het bijzonder vreemd is dat twee organisaties die volledig door het ministerie van Onderwijs, Culuur en Wetenschap worden gefinancierd, geld besteden aan een fundraising-diner voor een museum dat door het beleid van datzelfde ministerie meer in zijn eigen inkomsten moet gaan voorzien?
Ja. Het beleid is gericht op grotere private bijdragen, zowel in de cultuursector als in het wetenschapsbestel. In de cultuursector is het kunnen beschikken over voldoende private middelen een belangrijke voorwaarde voor de voortzetting van de publieke financiering. Het genereren van deze middelen is de verantwoordelijkheid van deze organisaties zelf. Het past daarbij niet dat andere publiek-gefinancierde organisaties voor dit doel uit publieke bron verkregen middelen inzetten. NWO is zich hiervan bewust en heeft mij laten weten erop toe te zullen zien dat in de toekomst geen NWO-middelen meer zullen worden ingezet voor het genereren van private bijdragen voor andere uit publieke middelen gefinancierde organisaties.
Welke afspraken zijn met de beide organisaties gemaakt over de verantwoording van besteding van middelen? Is er bijvoorbeeld een afspraak dat uitgaven altijd doelmatig besteed moeten worden en dus het doel van beide organisaties moeten dienen?
De verantwoording van de uitgaven van NWO is geregeld in artikel 25 van de NWO-wet. NWO dient gelijktijdig met het jaarverslag de jaarrekening in. Vaststelling van de jaarrekening behoeft vervolgens de goedkeuring van de betrokken bewindspersoon. In artikel 26 van de NWO-wet is voorzien in de mogelijkheid van terugvordering ingeval van ondoelmatige besteding. NWO is een zelfstandig bestuursorgaan en zij heeft een grote mate van autonomie in de bestedingen. Een keer in de vier jaar stelt de organisatie een strategisch plan op, waarop de verantwoordelijke bewindspersoon vervolgens een reactie geeft. Jaarlijks voer ik een bestuurlijk overleg met NWO.
Beschouwt u deze uitgaven voor een fundraising-diner als een «doelmatige besteding van overheidsmiddelen»? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u voornemens dit geld terug te vorderen?
Ik beschouw de uitgaven voor het fundraising-diner niet als doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Voorts deel ik de mening dat publieke instellingen een grote verantwoordelijkheid dragen voor de doelmatige besteding van hun middelen. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, zal NWO erop toezien dat NWO-middelen niet meer voor dit soort doeleinden worden ingezet. Mede gelet op de geringe omvang van het bedrag zie ik daarom af van terugvordering.
Deelt u de mening dat volledig door de overheid, en dus de belastingbetaler, gefinancierde instellingen een grote verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van de besteding van die middelen en dat hier in dit geval te lichtvaardig mee is omgegaan?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat de TU Delft de studielast vermindert zodat studenten sneller afstuderen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat een faculteit van de TU Delft de studielast wil verminderen opdat studenten sneller afstuderen?1
De herziening van het onderwijsprogramma maakt deel uit van de afspraken die ik met de drie TU’s heb gemaakt over verbetering van de onderwijskwaliteit, waaronder de studeerbaarheid van de programma’s.
Ik heb in augustus 2011 € 10,99 mln per jaar aan de technische universiteiten (TU’s) toegekend voor het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs in de periode 2011–2013. De uitwerking van de plannen voor de onderwijskwaliteit staat in het Sectorplan Technologie van de drie TU’s.
De opleidingen hebben nadrukkelijk de opdracht gekregen bij de herinrichting van de curricula goed te kijken naar de studielast. In de loop der jaren zijn de programma’s steeds voller geworden. Daardoor wordt het voor studenten moeilijker om het programma binnen de tijd die daarvoor staat af te ronden.
Het is goed dat de universiteiten nu strenger daarnaar kijken. Dit bijstellen van de onderwijsprogramma’s is overigens een continu proces.
Het bijstellen van de studielast en de inhoud zorgt naast een betere academische opleiding ook voor een betere voorbereiding op de arbeidsmarkt, passend bij de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan ingenieurs.
Er is grote vraag naar studenten van de technische universiteiten. Ik vind het prijzenswaardig dat de universiteiten aan die vraag willen tegemoetkomen.
Het verbeteren van de onderwijskwaliteit gaat overigens niet alleen om het herzien van de programma’s, maar ook om onder andere betere begeleiding, meer excellente docenten en betere digitalisering van het onderwijs.
Wat is uw reactie op de stelling dat dit plan een gevolg is van uw maatregelen, namelijk dat universiteiten worden afgerekend op hun studierendement?
Het aanpassen van de studielast bij TU Delft is niet gestart als gevolg van het afrekenen op studierendement. Het belang van diploma’s in de bekostiging is juist met ingang van 2011 verminderd ten gunste van het jaarlijks bekostigen van de ingeschreven studenten. De herziening van het onderwijsprogramma maakt deel uit van de afspraken die ik met de drie TU’s heb gemaakt over verbetering van de onderwijskwaliteit, waaronder de studeerbaarheid van de programma’s.
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het de omgekeerde wereld is om opleidingen makkelijker te maken teneinde studenten sneller te laten afstuderen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat uw focus op «rendement» een perverse prikkel is voor instellingen, waardoor zij dit soort maatregelen nemen?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2.
Hoe gaat u voorkomen dat de kwaliteit van opleidingen wordt verlaagd om aan de rendementseisen te kunnen voldoen?
De accreditatie van opleidingen garandeert de kwaliteit van de opleidingen.
In het verleden hebben visitatiecommissies bij herhaling aangegeven dat de studielast hoog is en daardoor de studieduur lang.
Wat is uw mening over het feit dat studenten een onvoldoende mogen compenseren met een voldoende voor een ander vak? Hoe wordt het niveau van de opleiding hiermee nog gewaarborgd?
De onderwijsprogramma’s van TU Delft zijn opgebouwd uit modules van 5 ECTS of meer. Elke module wordt afgesloten met een tentamen. Binnen een module worden deeltentamens of toetsen afgelegd. Deze kunnen met elkaar gecompenseerd worden. Ik vind dit geen negatieve niveaubijstelling. Het verlenen van compensatie is wettelijk toegestaan. In artikel 7.12 b, derde lid (WHW) is geregeld dat de examencommissie onder door haar te stellen voorwaarden kan bepalen dat niet elk tentamen met goed gevolg afgelegd behoeft te zijn.
Daarnaast verhoogt TU Delft juist de eisen aan de student. Zo is er een doelstelling om in 2015 te komen tot een gemiddeld aantal behaalde studiepunten per student per jaar van 45 ECTS en komt er intensievere studiebegeleiding. Ik verwacht hiervan positieve effecten op de kwaliteit.
Uiteraard worden de studies van de drie TU’s geaccrediteerd door de NVAO, inclusief de kwaliteit van het onderwijsprogramma.
Gaat u in gesprek met de TU Delft over de geplande maatregelen aldaar? Zo ja, wat is uw inzet en wanneer krijgt de Kamer daarover bericht?
Ik heb in mei 2011 met de drie TU’s overlegd over hun plannen voor verbetering van de onderwijskwaliteit. Op 15 augustus 2011 heb ik het Sectorplan Technologie/onderwijs 2011–2015 goedgekeurd en hiervoor € 10,99 toegekend voor 2011–2013. Er is nu geen aanleiding om weer met de TU’s in overleg te treden.
Bent u bereid uw prestatieafspraken te heroverwegen, nu blijkt dat instellingen de eisen verlagen om eraan te voldoen? Zo nee, waarom niet?
Nee. TU Delft verlaagt de eisen niet, maar voert een herziening van de programma’s uit. In de loop der jaren zijn de programma’s steeds voller geworden. Daardoor wordt het voor studenten moeilijker om het programma binnen de tijd die daarvoor staat af te ronden. Het is goed dat de universiteiten nu strenger daarnaar kijken. Dit bijstellen van de onderwijsprogramma’s is overigens een continu proces.
Het bijstellen van de studielast en de inhoud zorgt naast een betere academische opleiding ook voor een betere voorbereiding op de arbeidsmarkt, passend bij de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan ingenieurs.
Er is grote vraag naar studenten van de technische universiteiten. Ik vind het prijzenswaardig dat de universiteiten aan die vraag willen tegemoetkomen.
Problemen bij de examens op de Politieacademie |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat er een tekort is aan examinatoren op de Politieacademie, waardoor veel examens op het laatste moment afgelast en/of uitgesteld moeten worden, en er ondertussen honderden examens moeten worden ingehaald?1
De Politieacademie is per 1 november 2011 gestart met een andere inzetsystematiek van examinatoren en gastdocenten. Voor die datum huurde de politieacademie politiemensen uit de korpsen als examinator en gastdocent in tegen voor externe inhuur gangbare tarieven en voorwaarden, en verrichtten deze mensen deze taak als nevenfunctie, en niet als onderdeel van hun hoofdfunctie bij de politie. Dat is geen gewenste situatie. Bijdragen aan de professionalisering van de politie hoort een normaal onderdeel te zijn van de taak van politiemedewerkers, en geen bijbaan. Vanuit die gedachte worden politiemedewerkers daarom nu binnen hun functie en werktijd ingezet als gastdocent en examinator. Om een zo soepel mogelijke overgang te bewerkstelligen was de afspraak, dat de inzet tijdelijk wordt vergoed in de vorm van meeruren of overwerk. Het gaat hier derhalve niet om een door bezuiniging ingegeven maatregel, maar om een principieel andere invulling van de systematiek van examinator of gastdocent.
Voor de functie van examinator worden uitsluitend medewerkers ingezet die voldoende kennis en ervaring hebben. Bovendien moeten zij ter zake zijn opgeleid en gecertificeerd. Er worden uitsluitend gecertificeerde examinatoren ingezet.
Bij de invoering van dit systeem is een tekort aan examencapaciteit ontstaan. Hierdoor kunnen niet alle examens op de oorspronkelijk geplande datum worden afgenomen, maar wordt een deel uitgesteld. Deze uitgestelde examens worden zo snel mogelijk weer ingepland. Daarbij wordt voorrang gegeven aan studenten die voor de afronding van hun studie staan. Hierdoor zijn er behoudens een enkel geval geen aspiranten later als agent gestart.
Is het waar dat dit het gevolg is van uw maatregel om een einde te maken aan nevenbanen van politieambtenaren als examinator? Waarom heeft u deze maatregel ingevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat examens afgenomen dienen te worden door ervaren politieambtenaren die veel kennis vanuit de huidige werkpraktijk hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de examinatoren aan deze eis voldoen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat zowel de vakbonden als de Politieacademie u hebben gewaarschuwd voor de gevolgen van deze maatregel? Waarom heeft u hier niets mee gedaan?
De vakorganisaties hebben gewaarschuwd dat de bereidheid onder de huidige groep medewerkers om hun werkzaamheden als examinator of gastdocent voort te zetten onder de nieuwe financiële en organisatorische voorwaarden terug zou kunnen lopen. Dat vond het college van bestuur van de politieacademie echter onvoldoende reden om de beëindiging van de niet meer gewenste inhuurpraktijk nog langer uit te stellen. Ik steun die keuze.
Inmiddels hebben de vakorganisaties mede op mijn verzoek al hun signalen over de examineringsproblematiek verzameld. De voorzitter van het college van bestuur heeft de aanpak van de problematiek op 23 februari 2012 toegelicht aan de voorzitters van de vakorganisaties. Afgesproken is dat de vakorganisaties op de hoogte worden gehouden van de voortgang van de verbetermaatregelen.
Hoe groot is de precieze achterstand op dit moment? Wat gaat u doen om deze zo snel mogelijk in te lopen? Wanneer zal de achterstand volledig ingelopen zijn?
Naar aanleiding van de afspraken met de korpsen heeft de Politieacademie een aantal maatregelen genomen om het probleem aan te pakken. Korpsen verlenen medewerking aan het benaderen en inzetten van zittende examinatoren en het werven van nieuwe examinatoren. Ondertussen is de werving, opleiding en certificering van nieuwe examinatoren in volle gang.
Ook zijn er gerichte acties op het efficiënter organiseren van examens en het inhalen van uitgestelde examens. Daarbij zijn o.a. in de week van 16 januari 275 examens afgenomen van aspiranten die op het punt staan om hun opleiding af te ronden.
De achterstand heeft een dynamisch karakter omdat er dagelijks uitvoering wordt gegeven aan de maatregelen. Eind februari 2012 was er een achterstand van 264 examens op een totaal van 26 000 examens die jaarlijks worden afgenomen. Ik heb met het college van Bestuur van de politieacademie afgesproken dat uiterlijk per 1 augustus 2012 de problemen met de examinering zullen zijn opgelost.
Hoe gaat u alle kandidaten waarvan het examen is uitgesteld hierover informeren, zodat de onzekerheid waarin zij verkeren weggenomen kan worden?
Indien het examen van een kandidaat wordt uitgesteld ontvangt deze daarvan uiterlijk twee weken voor de examendatum bericht. Daarbij wordt excuses gemaakt voor het ongemak dat de aspirant ervaart.
Deelt u de mening dat een excuus aan het adres van al die gedupeerden op zijn plaats is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de gevolgen van deze vertraging voor de kwaliteit van het politiewerk, zowel voor wat betreft de aspiranten, als ook de agenten die bezig waren met een vervolg- of specialistische opleiding?
Voor de duidelijkheid wil ik stellen dat de problematiek zich voordoet bij de examinering en niet in de opleidingen. De opleidingen gaan door conform planning. Bij de aanpak van de examenproblematiek krijgen aspiranten die op het punt staan hun opleiding af te ronden voorrang. Ook politieambtenaren die examen doen voor voorbehouden handelingen (verplichte certificeringen) binnen hun vervolg- of specialistische opleiding, krijgen voorrang. Hierdoor kunnen deze studenten zich de vereiste competenties eigen maken en kunnen zij de opgedane kennis zonder vertraging in de praktijk benutten.
De chaos bij examens op de Politieacademie als gevolg van de bezuinigingen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bonden: chaos bij examens Politieacademie»?1
Ja
Is het waar dat er een flink tekort aan examinatoren is ontstaan door de bezuinigingen van het kabinet? Zo ja, hoe groot is dat tekort? Wat zijn de consequenties van dat tekort aan examinatoren?
De Politieacademie is per 1 november 2011 gestart met een andere inzetsystematiek van examinatoren en gastdocenten. Voor die datum huurde de politieacademie politiemensen uit de korpsen als examinator en gastdocent in tegen voor externe inhuur gangbare tarieven en voorwaarden, en verrichtten deze mensen deze taak als nevenfunctie, en niet als onderdeel van hun hoofdfunctie bij de politie. Dat is geen gewenste situatie. Bijdragen aan de professionalisering van de politie hoort een normaal onderdeel te zijn van de taak van politiemedewerkers, en geen bijbaan. Vanuit die gedachte worden politiemedewerkers daarom nu binnen hun functie en werktijd ingezet als gastdocent en examinator. Om een zo soepel mogelijke overgang te bewerkstelligen was de afspraak, dat de inzet tijdelijk wordt vergoed in de vorm van meeruren of overwerk. Het gaat hier derhalve niet om een door bezuiniging ingegeven maatregel, maar om een principieel andere invulling van de systematiek van examinator of gastdocent.
Bij de invoering van dit systeem is tijdelijk een tekort aan examencapaciteit ontstaan. Een aantal examinatoren en gastdocenten heeft in eerste instantie aangegeven onder de nieuwe voorwaarden niet langer bereid te zijn deze taak te verrichten. Hierdoor kunnen niet alle examens op de oorspronkelijk geplande datum worden afgenomen, maar wordt een deel uitgesteld. Dit deel wordt zo snel mogelijk ingepland en afgenomen. Daarbij wordt voorrang gegeven aan studenten die voor de afronding van hun studie staan. Hierdoor zijn er behoudens een enkel geval geen aspiranten later als agent gestart.
Om het tekort aan examinatoren op te lossen heeft de Politieacademie een aantal maatregelen genomen. Daarbij worden voormalige examinatoren benaderd en worden nieuwe examinatoren opgeleid en gecertificeerd om binnen de nieuwe systematiek te worden ingezet. Deze aanpak is met de voorzitter van de Raad van Korpschefs besproken en de korpsen hebben hun medewerking hieraan toegezegd. Ik heb met het college van bestuur van de politieacademie afgesproken, dat alle achterstanden uiterlijk 1 augustus 2012 zullen zijn opgelost.
Is het waar dat door dit tekort aan examinatoren studenten lang moeten wachten voordat zij examen kunnen doen en dus dat het langer duurt voordat deze studenten als agent aan het werk kunnen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit slecht is voor de veiligheid van Nederland en dat de ambitie om Nederland veiliger te maken in gevaar komt? Welke maatregelen gaat u nemen om het probleem van een tekort aan examinatoren bij de Politieacademie op te lossen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de Nederlandse Politiebond (NPB) en de ACP vooraf al hadden gewaarschuwd voor deze problemen en dat u en de korpsbeheerders het effect van de bezuinigingen hebben onderschat? Zo ja, waarom heeft u de waarschuwingen van het NPB en de ACP naast u neergelegd?
De vakorganisaties hebben gewaarschuwd dat de bereidheid onder de huidige groep medewerkers om hun werkzaamheden als examinator of gastdocent voort te zetten onder de nieuwe financiële en organisatorische voorwaarden terug zou kunnen lopen. Dat vond het college van bestuur van de politieacademie echter onvoldoende reden om de beëindiging van de niet meer gewenste inhuurpraktijk nog langer uit te stellen. Ik steun die keuze.
Inmiddels hebben de vakorganisaties mede op mijn verzoek al hun signalen over de examineringsproblematiek verzameld. De voorzitter van het college van bestuur heeft de aanpak van de problematiek op 23 februari 2012 toegelicht aan de voorzitters van de vakorganisaties. Afgesproken is dat de vakorganisaties op de hoogte worden gehouden van de voortgang van de verbetermaatregelen.
Het minder zwaar maken van de eisen op de TU Delft |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw beleidsmatige reactie op het feit dat de TU Delft voornemens is de studielast te verminderen, met als motivatie dat studenten sneller hun opleiding moeten kunnen doorlopen?1
De herziening van de onderwijsprogramma’s maakt deel uit van de afspraken die ik met de drie TU’s heb gemaakt over verbetering van de onderwijskwaliteit.
Ik heb in augustus 2011 € 10,99 mln. per jaar aan de TU’s toegekend voor het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs in de periode 2011–2013.
Aanleiding hiervoor is het volgende.
De uitwerking van de plannen voor verbetering van de onderwijskwaliteit staat in het Sectorplan Technologie van de drie TU’s. Eind 2011 zijn ze gestart met de uitvoering hiervan. De opleidingen hebben nadrukkelijk de opdracht gekregen om goed te kijken naar de studielast. In de loop der jaren zijn de programma’s steeds voller geworden. Daardoor wordt het voor studenten moeilijker om het programma binnen de tijd die daarvoor staat af te ronden.
Het is goed dat de universiteiten nu strenger daarnaar kijken. Dit bijstellen van de onderwijsprogramma’s is overigens een continu proces.
Meer concreet gaat het bij de TU’s om het vergroten van de studeerbaarheid: minder dubbelingen en parallelle onderdelen, vermindering van verouderde of «nice to have»-informatie, en grotere, meer geïntegreerde eenheden en realistische normering van de studielast.
Het bijstellen van de studielast en de inhoud zorgt naast een betere academische opleiding ook voor een betere voorbereiding op de arbeidsmarkt, passend bij de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan ingenieurs.
Er is grote vraag naar studenten van de technische universiteiten. Ik vind het prijzenswaardig dat de universiteiten aan die vraag willen tegemoetkomen.
Het verbeteren van de onderwijskwaliteit gaat overigens niet alleen om het herzien van de programma’s, maar ook om onder andere betere begeleiding, meer excellente docenten en betere digitalisering van het onderwijs.
Is uit visitaties of andere beoordelingen in het verleden gebleken dat er inhoudelijke redenen zijn om vakken te schrappen of inhoudelijk bij te schaven? Zo ja, welke en wanneer. Zo nee, gaat het bijstellen van het programma dan niet ten koste van de inhoudelijke vorming van de student?
Ja. Dat onderwijsprogramma’s in de loop der jaren te vol worden en minder samenhangend en overzichtelijk is geen nieuw fenomeen. Bij de TU’s hebben visitatiecommissies bij herhaling aangegeven dat de kwaliteit van de opleidingen hoog is, maar dat geldt ook voor de studielast. Daardoor duurt de studie te lang en wordt het diploma pas laat behaald. Ook uit de Keuzegids HO blijkt dat veel studenten klagen over de hoge studielast.
Opleidingen herzien daarom regelmatig de onderwijsprogramma’s, zowel op inhoud als op studielast.
Hoe beoordeelt u de verandering van beleid op de TU Delft waarbij voor bepaalde vakken ook een onvoldoende gehaald mag worden, waar dat in het verleden niet mocht, en waar deze gecompenseerd mogen worden met betere cijfers voor een ander vak? Bent u van mening dat het hier per definitie een negatieve niveau bijstelling betreft? Deelt u de mening dat dit soort ontwikkelingen negatief zijn?
De nieuwe onderwijsprogramma’s van TU Delft worden opgebouwd uit modules van 5 ECTS of meer. Elke module wordt afgesloten met een tentamen. Binnen een module worden deeltentamens of toetsen afgelegd. Deze kunnen met elkaar gecompenseerd worden.
TU Delft heeft niet onlangs het beleid ten aanzien van compensatieregels gewijzigd. Wel worden de onderwijsprogramma’s gewijzigd en als gevolg daarvan komen er compensatieregels voor de nieuwe programma’s.
Ik vind dit geen negatieve niveaubijstelling. Het verlenen van compensatie is wettelijk toegestaan. In artikel 7.12 b, derde lid (WHW) is geregeld dat de examencommissie onder door haar te stellen voorwaarden kan bepalen dat niet elk tentamen met goed gevolg afgelegd behoeft te zijn.
Daarnaast verhoogt TU Delft juist de eisen aan de student. Zo is er het streven om in 2015 te komen tot een gemiddeld aantal behaalde studiepunten per student per jaar van 45 ECTS en komt er intensievere studiebegeleiding. Ik verwacht hiervan positieve effecten op de kwaliteit.
Realiseert de regering zich dat het door u gewenste «verhoogd studiesucces» als reden wordt genoemd voor deze bijstellingen? Acht de regering deze vorm van het verbeteren van het studiesucces wenselijk? Zo ja, kan dat worden gemotiveerd?
Ja. Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de regering de mening dat technische opleidingen over het algemeen zwaarder zijn en dat het dus wenselijk is dat er rond de langstudeerboete, een passend regime moet gelden? Hoe wil de regering meer recht doen aan het feit dat technische opleidingen nu eenmaal meer tijd vergen?
Aan het zwaardere programma van de technische universiteiten is in 1995 recht gedaan door de cursusduur voor de technische studies te verlengen. Dit is bij de invoering van de bachelor-masterstructuur vorm gegeven als tweejarige masters. Het verhoogde wettelijk collegegeld op grond van de maatregel langstudeerders gaat dan ook pas na drie jaar in: twee jaar master en één jaar uitlooptijd.
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Is het bij de regering bekend of er meer opleidingen zijn die, zoals de TU Delft, het onderwijsprogramma op deze wijze willen bijstellen? Zo ja, welke? Zo nee, acht u het wenselijk dat meerdere opleidingen in deze richting gaan?
Alle drie de TU’s werken aan verbetering van de onderwijskwaliteit, waaronder een herziening van de programma’s, in het kader van het Sectorplan Technologie 2011–2015. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om in overleg te treden met de TU Delft (en mogelijke andere opleidingen die in deze richting denken) om te voorkomen dat er aanpassingen van het studieprogramma worden gedaan die een negatieve uitwerking hebben op de kwaliteit?
Ik heb in mei 2011 met de drie TU’s overlegd over hun plannen voor verbetering van de onderwijskwaliteit. Op 15 augustus 2011 heb ik het Sectorplan Technologie / onderwijs 2011–2015 goedgekeurd en hiervoor € 10,99 toegekend voor 2011–2013. Uiteraard worden de studies van de drie TU’s geaccrediteerd door de NVAO, inclusief de kwaliteit van het onderwijsprogramma.
Er is nu geen aanleiding om weer met de TU’s in overleg te treden.
Medezeggenschap Stedelijk Lyceum Enschede |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het besluit van het bestuur van het Stedelijk Lyceum Enschede om de uitspraken van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS)1 en de Ondernemingskamer naast zich neer te leggen?2
De geschillenregeling in de WMS is ingericht om helderheid te verschaffen in onduidelijke situaties of om geschillen te beslechten.
Deze doelen worden slechts bereikt als alle partijen zich aan het advies van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (hierna LCG WMS) en/of de uitspraak van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (hierna Ondernemingskamer) houden en in overeenstemming daarmee handelen. Het advies van de LCG WMS is bindend. In dit geval heeft de Ondernemingskamer als cassatierechter gefungeerd en onderdelen van het advies van de LCG WMS vernietigd. Alle partijen zijn gehouden aan de uitspraak van de Ondernemingskamer. Dit geldt ook in onderhavig geval.
Deelt u de mening dat de WMS geen rechtsmiddelen biedt aan (G)MR-leden om onwillige schoolbesturen te dwingen een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS of de Ondernemingskamer na te leven?
Nee. Wanneer het bevoegd gezag weigert zijn verplichtingen op grond van de WMS na te komen kan een medezeggenschapsorgaan een nalevingsvordering op grond van artikel 36, eerste lid, van de WMS, instellen bij de Ondernemingskamer. Deze procedure is bedoeld om naleving van een wettelijke verplichting af te dwingen. Indien het bevoegd gezag de uitspraak van de Ondernemingskamer naast zich neerlegt kan het medezeggenschapsorgaan naar de civiele rechter stappen.
Ik ben op grond van artikel 38 van de WMS bevoegd de bekostiging geheel of gedeeltelijk in te trekken wanneer een bevoegd gezag zijn verplichtingen op grond van de WMS niet nakomt. Deze bevoegdheid geldt als ultimum remedium.
Deelt u de mening dat de WMS geen rechtsmiddelen biedt aan (G)MR-leden om onwillige schoolbesturen te dwingen de kosten voor rechtsbijstand te betalen als daarvoor een vergoedingsregeling is overeengekomen?
Nee. Artikel 28, tweede lid, van de WMS, schrijft voor dat er een faciliteitenregeling moet zijn waarin afspraken worden vastgelegd tussen het schoolbestuur en de (G)MR over vier te onderscheiden soorten faciliteiten, waaronder kosten van medezeggenschapsactiviteiten zoals inhuur van deskundigen, juridisch adviseurs en dergelijke. Deze afspraken moeten volgens artikel 22, onder e, van de WMS, worden vastgelegd in het medezeggenschapsstatuut. Wanneer in de statuten overeengekomen is dat de kosten voor rechtsbijstand door het bevoegd gezag vergoed worden, is het bevoegd gezag gehouden aan deze afspraak. Wanneer een schoolbestuur weigert de kosten te vergoeden terwijl hiervoor wel is voorzien in het medezeggenschapsstatuut, kan het medezeggenschapsorgaan een nalevingsvordering instellen bij de Ondernemingskamer. Op deze wijze kan de medezeggenschapsraad naleving door het bevoegd gezag afdwingen.
Bent u van plan de WMS op beide bovengenoemde punten aan te passen opdat het bevoegd gezag een (G)MR niet langer gemakkelijk buiten spel kan zetten?
Op dit moment laat ik de WMS evalueren, waarbij gekeken wordt naar de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk. De faciliteitenregeling en de geschilafhandeling zijn specifieke onderwerpen waar aandacht aan wordt besteed in het evaluatieonderzoek dat door Research voor Beleid wordt uitgevoerd. Het advies waar u aan refereert «Doeltreffender en meer effect. Bijdrage evaluatie WMS» wordt tevens betrokken bij de evaluatie. In het voorjaar van dit jaar stuur ik het evaluatierapport, vergezeld van een beleidsreactie, naar uw Kamer. In de beleidsreactie zal ik ingaan op de vraag in hoeverre gewenst is de wet op deze en andere punten aan te passen. Ik wil graag de door u aangehaalde kwesties meenemen in een integrale afweging op basis van de evaluatie van de WMS en op dit moment niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze afweging.
Bent u bereid artikel 28, lid 2, WMS te vervangen door de tekst van artikel 22 Wet op de ondernemingsraden, zoals wordt voorgesteld door twee onderwijsjuristen in het advies «Doeltreffender en meer effect. Bijdrage evaluatie WMS» van het Expertisecentrum van de Stichting Onderwijsgeschillen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van plan om maatregelen te nemen waardoor dit soort situaties kunnen worden voorkomen of in ieder geval niet zo lang kunnen voortduren als in dit geval?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om het enquêterecht in de onderwijssector toe te passen, zoals reeds per brief van 4 december 2008 aangekondigd door de toenmalige staatssecretaris van OCW?3
In mijn brief van 4 december 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 30 599, nr. 22) heb ik aangekondigd te bekijken of het mogelijk is het om het enquêterecht of een vergelijkbaar instrument te introduceren. Bij brief van 17 november 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 30 599, nr. 23) heb ik u meegedeeld dat het recht van enquête alleen van toepassing is op stichtingen en verenigingen met een volledige rechtsbevoegheid die een onderneming in stand moeten houden waarvoor ingevolge de wet een ondernemingsraad moet worden ingesteld (art. 2:344 van het Burgerlijk Wetboek). De Wet op de ondernemingsraden (WOR) is niet van toepassing in het primair en voortgezet onderwijs. In het hoger onderwijs is er sprake van een keuzemodel. Alleen in de bve-sector is met inwerkingtreding van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de WOR in verband met de medezeggenschap van personeel en deelnemers in de educatie en het beroepsonderwijs (medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs) op 1 maart 2010 de WOR van toepassing. Sindsdien kan de ondernemingsraad door tussenkomst van de vakbond de gang naar de Ondernemingskamer maken. Voor het primair en voortgezet onderwijs is dat in de huidige situatie niet mogelijk. Ik zie op dit moment geen aanleiding de wet op dit punt te wijzigen.