Het bericht ‘Grote onrust in wijk om fatbiketerreur, bewoners bewapenen zich en dreigen met ‘wijkoorlog’ in brief aan politie’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat in steeds meer gemeenten, waaronder Delfzijl, sprake is van ernstige overlast en intimidatie door groepen «jongeren» in de openbare ruimte, waarbij het lokale gezag zichtbaar moeite heeft om grip te krijgen op de situatie?1
Intimidatie en ernstige overlast in de openbare ruimte zijn onacceptabel. Iedereen moet zich veilig kunnen voelen op straat.
Wat vindt u ervan dat inwoners van Delfzijl kennelijk het vertrouwen verliezen dat de overheid hen nog voldoende kan beschermen? Deelt u de opvatting dat dit buitengewoon zorgelijk en beschamend is voor een rechtsstaat?
Het is zorgelijk als burgers onvoldoende bescherming vanuit gemeenten en politie ervaren. De inzet vanuit gemeenten, Openbaar Ministerie en politie is juist ook gericht op het bieden van een leefbare woonomgeving waarin overlast wordt tegengegaan en strafbare feiten worden vervolgd.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten sprake is van vergelijkbare problematiek met overlastgevende of criminele jeugdgroepen waarbij het de gemeente of een wijk compleet ontwricht?
Er is geen recent landelijk beeld beschikbaar van het aantal overlastgevende of criminele jeugdgroepen; deze zijn overigens veelal fluïde en wijzigen voortdurend in bestaan en samenstelling. Voor de aanpak van problematische jeugdgroepen is reeds jaren geleden het – mede op basis van ervaringen van gemeenten – 7-stappenmodel ontwikkeld voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag. Dit 7-stappenmodel wordt door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig en op basis van nieuwe ervaringen verrijkt.
Deelt u de opvatting dat wanneer het bevoegd gezag aantoonbaar tekortschiet, of onvoldoende capaciteit en gezag heeft om hardnekkig overlastgevend en intimiderend tuig van straat te halen, het vanuit menselijk oogpunt voorspelbaar en logisch is dat bewoners zich uiteindelijk genoodzaakt voelen hun wijk zelf te verdedigen? Kunt u hier een heldere reactie op geven?
Het is aan de bevoegde autoriteiten om zorg te dragen voor de handhaving van de openbare orde en ook hardnekkig overlastgevend en intimiderend gedrag aan te pakken wanneer dit de openbare orde verstoort of wanneer daarbij strafbare feiten worden gepleegd. De autoriteiten opereren daarbij op grond van en binnen wettelijke kaders.
In de praktijk vraagt de lokale aanpak van overlast soms om lange adem, onder andere voor de opbouw van dossiers. Ik begrijp goed dat dit heel vervelend is voor de direct omwonenden. Maar eigenrichting is nooit het antwoord. Daarvoor is geen ruimte in onze democratische rechtsstaat. Opeenvolgende kabinetten hebben de operationele formatie van de politie fors uitgebreid.
Welke rol spelen capaciteitsproblemen bij politie, boa’s en handhaving volgens u bij het ontstaan of voortduren van dit soort situaties?
Er is ook hard gewerkt aan het vullen van de bezetting. Als het gaat om politiecapaciteit is er in de praktijk altijd meer vraag dan aanbod. Het is aan het lokaal gezag om hierop te prioriteren en de juiste keuzes te maken op basis van hun kennis van de lokale situatie.
Enkele Preventie met Gezag-gemeenten hebben met de PmG-middelen extra capaciteit (jeugd-)boa’s kunnen organiseren. Daarnaast is het aan gemeenten hierin op basis van de lokale situatie zelf te prioriteren.
Vanaf welk punt bent u bereid het geweldsmonopolie van de staat zichtbaarder, steviger en dwingender in te zetten om de openbare orde te herstellen en inwoners weer veiligheid te bieden? Kunt u daarbij een concreet tijdspad geven?
De burgemeester en de officier van justitie bepalen in de driehoek welke inzet en interventies worden toegepast bij de handhaving van de openbare orde en het vervolgen van strafbare feiten. Daarbij heeft de Minister van Justitie en Veiligheid geen rol.
Voor de aanpak van overlastgevende jeugdgroepen is een uitgebreid (wettelijk) instrumentarium en bijvoorbeeld vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid het al genoemde 7-stappenmodel beschikbaar. Het is aan de burgemeester, de officier van justitie, de politie en de gemeente om dat daar waar dat wenselijk en noodzakelijk is deze mogelijkheden toe te passen.
Welke extra maatregelen bent u bereid te nemen om gemeenten sneller en effectiever te helpen bij de aanpak van dit soort overlastgevende jeugdgroepen, zoals ruimere inzet van gebiedsverboden, groepsverboden, preventief fouilleren, snelle inbeslagname van voertuigen en persoonsgerichte maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom worden gemeenten die hun inwoners willen beschermen nog te vaak tegengewerkt door regels, procedures of terughoudende instanties wanneer zij extra camera’s, handhaving of andere veiligheidsmaatregelen willen inzetten, en hoe gaat u daar per direct verandering in brengen?
Met betrokken partijen ben ik voortdurend in gesprek over wat zij nodig hebben om hun taken goed en beter uit te kunnen voeren. De burgemeester en de officier van justitie beschikken op dit moment reeds over verschillende bevoegdheden die de politie kan inzetten om overlast te bestrijden. Daartoe behoren ook de inzet van camera’s en het inzetten van extra handhavingscapaciteit. In de driehoek wordt de toepassing van deze bevoegdheden in concrete situaties afgewogen. De politie draagt zorg voor de uitvoering van deze maatregelen.
Wat doet u op dit moment actief richting gemeenten met vergelijkbare problematiek, en welk aanvullend pakket aan maatregelen bent u bereid op korte termijn beschikbaar te stellen?
Zie antwoord vraag 8.
'De Blauwe Haven' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente mediaberichten over grensoverschrijdend gedrag binnen politieonderdeel De Blauwe Haven, waaruit blijkt dat meerdere medewerkers zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenst gedrag richting (vrouwelijke) collega’s?
Ja, ik ben bekend met eerdere berichtgeving, meest recentelijk in september 2025.
Klopt het dat er eerder melding is gemaakt van ten minste meerdere slachtoffers binnen de politieorganisatie? Wat is op dit moment het totaal aantal bekende meldingen en slachtoffers binnen dit dossier?
De Blauwe Haven is ontstaan uit een bundeling van projecten in de Eenheid Rotterdam, om politiemedewerkers met mentale overbelasting zoals PTSS en burn-out te helpen bij hun herstel.
De politie heeft mij laten weten dat het eerste signaal de korpsleiding heeft bereikt in juni 2024. Dit signaal was ernstig maar nog onvoldoende concreet.
In de daaropvolgende periode is om aanvullende informatie verzocht en is het signaal nader geduid. Daaropvolgend is de korpschef geïnformeerd. De korpschef heeft vervolgens direct opdracht gegeven tot een intern oriënterend onderzoek, uitgevoerd door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO).
Op basis van de bevindingen van dit onderzoek zijn drie disciplinaire individuele onderzoeken gestart naar mogelijk plichtverzuim. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. Verder heeft de korpsleiding mij laten weten dat de andere twee onderzoeken eveneens zijn afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit). Over het exacte aantal meldingen kan ik, vanwege privacybelangen en het lopende onderzoek, geen uitspraken doen.
Herkent u de signalen dat het daadwerkelijke aantal slachtoffers hoger ligt dan tot nu toe publiekelijk bekend is gemaakt? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarop baseert u dat?
Ik vind het van groot belang dat medewerkers zich gehoord en veilig voelen en dat de politie zich maximaal blijft inzetten om met mogelijke melders in contact te komen.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat het onderzoeksteam van het LTIO in de afgelopen maanden heeft gesproken met tientallen mensen, zowel melders als getuigen. Tijdens het onderzoek bereikten het team signalen dat sommige mensen mogelijk terughoudend waren om een officiële verklaring af te leggen. Om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven heeft afgespeeld is door de korpsleiding gezocht naar extra mogelijkheden om mensen te laten verklaren op een door hen comfortabele manier. Hierbij is ook anoniem melden mogelijk gemaakt, via een zogenoemde geheimhouder. Deze geheimhouder bekijkt samen met de melder of onder bepaalde voorwaarden een formele verklaring (op naam) kan worden afgelegd. Dat laatste is nodig om de verklaring in het onderzoek te kunnen opnemen. De korpsleiding heeft mij laten weten dat zich enkele personen bij de geheimhouder hebben gemeld, waarop met hen een gesprek is gevoerd.
Kunt u aangeven op welke wijze slachtoffers binnen de politieorganisatie momenteel worden ondersteund, en of u van mening bent dat deze ondersteuning toereikend is?
De korpsleiding heeft mij laten weten dat direct bij de start van het onderzoek de onderzochte medewerkers met buitengewoon verlof zijn gestuurd. Daarnaast is er een extra leidinggevende aan het team toegevoegd met als belangrijkste taak om het vertrouwen en rust te herstellen in het team.
De politie werkt hard aan het creëren van een veilige meldomgeving, onder meer via de direct leidinggevende, vertrouwenspersonen, diverse meldkanalen en extra begeleiding van betrokkenen. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met signalen van terughoudendheid en angst. Tot slot biedt de politie aan de getroffen medewerkers extra zorg en ondersteuning door medewerkers van het team Veilig en Gezond werken (VGW) en specialisten uit de bedrijfshulpverlening. Dit betreft onder andere geestelijk verzorgers, bedrijfsmaatschappelijk werkers en een korpspsychologen.
Klopt het dat het lopende onderzoek zich momenteel richt op slechts een beperkt aantal (circa twee) medewerkers? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie tot deze groep te beperken?
Het onderzoeksteam heeft in de eerste fase van het oriënterend onderzoek getracht om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven afspeelde. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 zijn (voormalig) medewerkers op diverse manieren opgeroepen om hun verhaal te doen op een voor hen comfortabele manier. Hierbij is ook anoniem melden mogelijk gemaakt, via een zogenoemde geheimhouder. Bij de geheimhouder hebben zich enkele personen gemeld, waarop met hen een gesprek is gevoerd.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat op basis van de beschikbare informatie die voldoende concreet was om nader te onderzoeken, er drie disciplinaire individuele onderzoeken zijn gestart naar mogelijk plichtsverzuim. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. De andere twee onderzoeken zijn eveneens afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit).
De politie geeft aan dat dit niet betekent dat het onderzoek zich per definitie heeft beperkt tot deze personen. Ook kan nieuwe informatie aanleiding geven om het onderzoek uit te breiden.
Deelt u de opvatting dat, gezien de ernst van de signalen en het mogelijke grotere aantal betrokkenen, een breder en diepgaander onderzoek noodzakelijk is om alle misstanden binnen deze eenheid boven tafel te krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met u eens dat signalen van grensoverschrijdend gedrag volledig en zorgvuldig onderzocht moeten worden.
Het instellen van en de wijze van onderzoek doen dient steeds te worden bezien in relatie tot aard, omvang en ernst van de signalen. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek naar de Blauwe Haven te waarborgen heeft de politie deze ondergebracht bij het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO). Het LTIO is een gespecialiseerd team dat zich richt op eenheidsoverstijgende onderzoeken met betrekking tot integriteitsschendingen. Het LTIO heeft als doel om de integriteit binnen de politieorganisatie door het onderzoeken van interne misstanden te waarborgen en het voert gespecialiseerde onderzoeken uit bij complexe integriteitskwesties. Hierbij staat zij, waar relevant, in nauw contact met het Openbaar Ministerie.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat het onderzoeksteam in de eerste fase van het oriënterend onderzoek vooral heeft getracht om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven afspeelde. Vervolgens hebben de bevindingen geleid tot drie individuele onderzoeken gericht op medewerkers waarbij het vermoeden was van plichtsverzuim. Voor het overige verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 2, 3 en 5.
Zijn bij u signalen bekend dat de korpschef, Janny Knol, reeds eerder op de hoogte was van (een deel van) deze meldingen? Zo ja, sinds wanneer? Welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen? Acht u dit handelen adequaat?
De politie heeft mij laten weten dat het eerste signaal de korpsleiding heeft bereikt in juni 2024. Dit signaal was ernstig maar nog onvoldoende concreet. In de daaropvolgende periode is om aanvullende informatie verzocht en is het signaal nader geduid. Daaropvolgend is de korpschef geïnformeerd. De korpschef heeft vervolgens direct opdracht gegeven tot een intern oriënterend onderzoek, uitgevoerd door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO).
Ik heb begrepen dat direct bij de start van het onderzoek de onderzochte medewerkers met buitengewoon verlof zijn gestuurd. Daarnaast is er een extra leidinggevende aan het team toegevoegd met als belangrijkste taak om het vertrouwen en rust te herstellen in het team.
Om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven heeft afgespeeld, sprak het LTIO in de afgelopen maanden met tientallen mensen, zowel met melders als getuigen. Hierbij is door het onderzoeksteam gezocht naar extra mogelijkheden om mensen te laten verklaren op een door hen als comfortabel ervaren manier. Dit uitgebreid oriënterend onderzoek heeft vervolgens geleid tot drie disciplinaire onderzoeken. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. De andere twee onderzoeken zijn eveneens afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit).
Hoe beoordeelt u de informatiepositie van de korpsleiding in dit dossier? Zijn er aanwijzingen dat signalen onvoldoende zijn opgepakt of intern zijn gebleven?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om het onderzoek niet volledig onafhankelijk extern te laten uitvoeren, maar (deels) binnen of in opdracht van de politieorganisatie zelf plaatsvindt?
Volgens de gebruikelijke procedure worden meldingen die duiden op een vermoeden van plichtsverzuim allereerst intern door de organisatie onderzocht door middel van een disciplinair onderzoek.1 In geval van het vermoeden van strafbare feiten wordt dit onderzoek geleid door het Openbaar Ministerie.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat de wijze van onderzoek doen altijd wordt bezien in relatie tot aard, omvang en ernst van de signalen. Gelet op de ernst van de meldingen bij de Blauwe Haven en de omvang van het oriënterend onderzoek, is door de korpsleiding besloten om het onderzoek te laten doen door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO). Het LTIO is een gespecialiseerd team dat zich richt op eenheidsoverschrijdende onderzoeken, vaak met betrekking tot integriteitsschendingen. Het LTIO heeft als doel om de integriteit binnen de politieorganisatie door het onderzoeken van interne misstanden te waarborgen en het voert gespecialiseerde onderzoeken uit bij complexe integriteitskwesties. Hierbij staat zij, waar relevant in geval van strafbare feiten, in nauw contact met het Openbaar Ministerie. Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van het onderzoek, zoals thans wordt uitgevoerd door het LTIO.
Deelt u de mening dat, gezien de aard van de beschuldigingen en de mogelijke cultuurproblemen binnen de organisatie, een volledig onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is om vertrouwen van slachtoffers en de samenleving te waarborgen? Zo ja, bent u bereid alsnog een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke wijze wordt momenteel geborgd dat slachtoffers en betrokkenen zich veilig voelen om zich te melden, mede gezien signalen van angst en terughoudendheid?
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat alle (mogelijke) slachtoffers en getuigen zich anoniem, veilig en laagdrempelig kunnen melden, bijvoorbeeld via onafhankelijke meldpunten buiten de politieorganisatie?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om drempels voor melden weg te nemen, zoals:
Hoe wordt geborgd dat meldingen die alsnog binnenkomen ook daadwerkelijk worden betrokken bij het lopende onderzoek en niet buiten beschouwing blijven vanwege de huidige afbakening van het onderzoek?
Het uitgangspunt is en blijft dat elke melding serieus wordt genomen en op elke overschrijding van de norm een reactie volgt. Ik vind het belangrijk dat drempels voor melden zo laag mogelijk zijn. De omvang van het onderzoek wordt bepaald op basis van feiten, meldingen en onderzoeksbevindingen. Als nieuwe signalen daartoe aanleiding geven, kan het onderzoek worden uitgebreid.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dergelijke situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen binnen de politieorganisatie?
Grensoverschrijdend gedrag past niet binnen de politieorganisatie en moet daarom consequent worden aangepakt. Binnen de politieorganisatie, maar ook in de maatschappij, is er terecht veel aandacht voor het tegengaan van ongewenst gedrag waaronder uitsluiting, pestgedrag, seksueel overschrijdend gedrag en discriminatie en racisme. Binnen de politie wordt daarom ingezet op versterking van sociale veiligheid, leiderschapsontwikkeling, het bevorderen van het melden van misstanden. Daarbij horen onder meer trainingen en gesprekken, een duidelijke normstelling in geval van ongewenst gedrag, een verbeterde opvolging van signalen en het versterken van vertrouwensstructuren. Ik spreek regelmatig met de korpsleiding over dit belangrijke thema en ik zal dit blijven doen.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Het kabinet kan het afwijkende beeld dat uit de rapportage van de meldweken naar voren komt niet goed verklaren. Om meer inzicht te krijgen in deze signalen uit de praktijk is er mede daarom op korte termijn een gesprek ingepland met de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en de Vereniging Jonge Apothekers (VJA). Het kabinet is zich er natuurlijk terdege van bewust dat het wisselen van medicijnen voor patiënten erg vervelend kan zijn en bijvoorbeeld stress kan opleveren. Tegelijk is het goed te melden dat verantwoord wisselen van geneesmiddel mogelijk is. In de Leidraad Verantwoord Wisselen2 zijn door alle betrokkenen, waaronder vertegenwoordigers van apothekers, voorschrijvers en patiënten, heldere afspraken vastgelegd over welke medicijnen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Ook is duidelijk vastgelegd wat de rol van voorschrijver en apotheker hierin is. Dat wisselingen in geval van tekorten bij veel patiënten tot gezondheidsverslechtering zou leiden zou niet zo moeten zijn. Temeer daar het bij veruit de meeste van de wisselingen gaat om een wisseling tussen producten met dezelfde werkzame stof maar dan met een andere verpakkingsgrootte, van een ander merk, of geïmporteerd uit een ander land. Alleen in uitzonderlijke gevallen, als er geen enkele andere optie is, vinden er wisselingen plaats tussen medicijnen met een andere werkzame stof. En zeker dan wordt door de betrokken zorgverleners een uiterst zorgvuldige afweging gemaakt. Dat neemt niet weg dat het kabinet er samen met veldpartijen, waaronder ook de apothekers, in goede samenwerking alles aan blijft doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 snapt het kabinet dat het wisselen van medicijnen voor patiënten vervelend kan zijn en stress kan opleveren, en in uitzonderlijke gevallen zelfs kan leiden tot suboptimale zorg. Daarom blijft het kabinet er samen met de veldpartijen, waaronder ook de apothekers, alles aan doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Het kabinet heeft in het antwoord op vraag 3 uit de eerdere set vragen3 over dit bericht laten weten de signalen van de apothekers te kennen. Ook heeft het kabinet laten weten deze signalen serieus te nemen en mee te nemen in de gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid. Het gaat daarbij onder andere om de gesprekken die het kabinet voert over de uitvoering van de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)4 om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. De afspraken beogen om de impact van tekorten te verminderen, niet alleen voor de patiënt maar ook voor apotheekteams. In het kader van de afspraken maken de koepels van zorgverleners en zorgaanbieders uit de sector zo goed als mogelijk inzichtelijk wat de impact van tekorten is bij hun achterban en deelt de uitkomsten met het Ministerie van VWS. Op dit moment legt het Ministerie van VWS met de betrokken stakeholders de laatste hand aan een werkagenda om de afspraak uit te voeren. Zodra iedereen de werkagenda heeft ondertekend, deelt het kabinet deze met de Kamer. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 te informeren over de inhoud van de werkagenda.
Daarnaast zijn LEF (Landelijk Eerstelijns Farmacie) en de VJA (Vereniging Jonge Apothekers) naar aanleiding van de brandbrief uitgenodigd voor een gesprek over de signalen. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden.
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
In de vraag worden drie maatregelen genoemd: de Leidraad Verantwoord Wisselen, de «ijzeren voorraad» (die tegenwoordig de veiligheidsvoorraad genoemd wordt) en de afspraken onder het AZWA. Kortheidshalve gaat het kabinet hier alleen op deze drie maatregelen in. Voor alle andere afgeronde, lopende en voorgenomen maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren verwijst het kabinet naar de recent verstuurde voortgangsbrief Beschikbaarheid Geneesmiddelen5 en kabinetsreactie Periodieke Evaluatie Beschikbaarheid Medische producten.6
In de Leidraad Verantwoord Wisselen zijn afspraken vastgelegd over het wisselen van geneesmiddelen en de verantwoordelijkheid van onder andere arts en apotheker hierbij. Deze werkafspraken bieden duidelijkheid aan apotheker, patiënt, voorschrijver en zorgverzekeraar welke geneesmiddelen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Veldpartijen hebben de Leidraad in eigen beheer. Periodiek wordt de Leidraad door veldpartijen onderling geëvalueerd en geüpdatet. Daar is het kabinet niet bij betrokken. Omdat de Leidraad mede tot stand is gekomen om mogelijke ongewenste effecten van het preferentiebeleid te ondervangen, worden de effecten van de Leidraad Verantwoord Wisselen meegenomen bij de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid. In deze evaluatie worden ook de effecten van dit beleidsinstrument op het apotheekteam onder de loep genomen.
De AZWA-afspraken over het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen hebben op dit moment nog geen effect omdat deze afspraken pas recent door de deelnemende veldpartijen akkoord zijn bevonden. De deelnemers starten dit jaar met de uitvoering. De timing van mijlpalen en uiteindelijke afronding verschilt per deelafspraak. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 nader te informeren over de inhoud en uitvoering van deze werkagenda. Daarbij zal het kabinet ook ingaan op de beoogde impact van de werkagenda «aan de balie.»
Dan ten slotte de «ijzeren voorraad». Het traject om grotere voorraden van geneesmiddelen in de productie- en distributieketen aan te leggen stamt uit 2019. Bij de start van het traject was het voornemen inderdaad om het aanhouden van in totaal vijf maanden voorraad te verplichten. Dit beleidsvoornemen is in meerdere stappen bijgesteld tot de huidige acht weken in totaal, zoals de beleidsregel over de verplichte veiligheidsvoorraad op dit moment vereist.7 Hier is de Kamer op verschillende momenten nauwgezet over geïnformeerd.8, 9, 10 De huidige hoogte van de veiligheidsvoorraad van in totaal acht weken is gebaseerd op een balans tussen enerzijds het risico op leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen en anderzijds de negatieve neveneffecten die een (hoge) voorraad kent. Bij die negatieve neveneffecten kan gedacht worden aan spillage, aan ongelijke verplichtingen tussen Europese lidstaten en aan onnodige financiële risico’s voor leveranciers en groothandels. Bovenop deze wettelijke veiligheidsvoorraden heeft het kabinet een subsidie verstrekt voor het aanleggen en aanhouden van een extra voorraad van kritieke geneesmiddelen door groothandels. Eind vorig jaar heeft adviesbureau Strategies in Regulated Markets (SiRM) in opdracht van branchevereniging BG Pharma een onderzoek uitgevoerd naar het effect van deze extra voorraden op de beschikbaarheid van geneesmiddelen.11 Hierin constateert SiRM dat er in 2025 minder en minder lange geneesmiddelentekorten zijn optreden bij volgesorteerde groothandels.
Dit effect blijkt het grootst bij geneesmiddelen waarvoor een (extra) voorraad is aangelegd, zoals de verplichte veiligheidsvoorraad en de extra voorraad van kritieke geneesmiddelen onder de subsidie.
De genoemde maatregelen maken zoals aangegeven deel uit van een veel breder pakket aan maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren, waarover het kabinet de Kamer regelmatig informeert. In 2025 konden voor het tweede jaar op rij minder tekorten worden gemeld in de data van apothekers.12 Tegelijkertijd – zoals terecht in de vraag wordt opgemerkt – ondervonden in 2025 nog steeds circa 3,5 miljoen Nederlanders de gevolgen van tekorten en kost het oplossen van tekorten een grote inzet van zorgpersoneel. Daarom kan de Kamer ervan op aan dat het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor het kabinet een prioriteit blijft.
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Op de vraag in hoeverre de kosten en baten van het preferentiebeleid tegen elkaar opwegen kan het kabinet inderdaad – zoals in de vraag terecht geconstateerd – lopende de onafhankelijke evaluatie naar dit instrument geen uitspraken doen. U kunt de uitkomsten van het onderzoek en de reactie van het kabinet daarop eind 2026 tegemoet zien.
In de tussentijd is het kabinet niet van plan een tijdelijke maatregel te nemen. Het kabinet kan zich namelijk niet mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars en apotheken in de zorgcontractering met elkaar vastleggen over de uitvoering van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen. Als apotheken van oordeel zijn dat de afspraken die zij hierover met zorgverzekeraars hebben gemaakt niet redelijk en billijk zijn of onverwachts ongewenste gevolgen hebben, kunnen zij hierover in gesprek gaan met de zorgverzekeraar, al dan niet via de zorgmakelaar die in hun opdracht de onderhandelingen heeft gevoerd. Ook kunnen zij dit meenemen bij hun inzet in de onderhandelingen voor het nieuwe contractjaar (2027).
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Het kabinet is bekend met de trend dat het aantal fabrikanten per geneesmiddelen afneemt. De rol van het preferentiebeleid daarin kan het kabinet echter niet vaststellen. Mogelijk brengt de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid daar verandering in. Eén van de effectgebieden waar de onafhankelijke evaluatie naar gaat kijken is het effectgebied geneesmiddelenmarkt. Het onderzoeksbureau zal daarbij ook onderzoeken of het preferentiebeleid impact heeft op het aantal aanbieders van geneesmiddelen.
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Het model van laagste prijs plus bandbreedte (LPG+), waar in vraag 8 van de eerdere set vragen13 over dit bericht aan gerefereerd werd, is een bestaande variant van het inkoopmodel Laagste Prijs Garantie (LPG). Zowel LPG als LPG+ worden in de inkoop toegepast door zorgverzekeraars, naast het preferentiebeleid. Het aandeel van LPG en LPG+ is in de afgelopen jaren afgenomen naarmate meer geneesmiddelen zijn opgenomen in het preferentiebeleid en naarmate meer zorgverzekeraars preferentiebeleid zijn gaan voeren. Wel worden de modellen vaak toegepast als alternatief model in geval een preferent aangewezen product niet leverbaar is. Anders dan de vraag lijkt te veronderstellen gaat het dus voor zover het kabinet bekend niet om een nieuw alternatief, maar om een beproefd en gangbaar inkoopmodel. LPG en varianten daarop komen dan ook met enige regelmatig aan de orde in gesprekken van het kabinet met veldpartijen.
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het lijkt het kabinet zinvol om deze evaluatie af te wachten.
Daar komt bij dat het kabinet zich niet kan en wil mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars, apotheken, groothandels en leveranciers met elkaar maken over de toepassing van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen, al dan niet als onderdeel van de zorgcontractering.
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Alle leden van de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen is gevraagd om informatiebronnen die zij van belang achten voor het onderzoek aan te leveren. Ook de KNMP, de ASKA, de NApCo en OptimaFarma zijn lid van deze werkgroep en daarmee in de gelegenheid om de volgens hen van belang zijnde informatie over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie in te brengen. Bij verzending van deze antwoorden staat de uitvraag nog open. In het eindrapport van de evaluatie, dat de Kamer eind 2026 zal ontvangen, wordt een overzicht opgenomen van alle geraadpleegde bronnen zodat de lezer zich een oordeel kan vormen of de verschillende perspectieven op dit onderwerp voldoende zijn meegenomen.
De onderzoeksfase van de evaluatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau,. In algemene zin acht het kabinet het voor het maken van goed beleid van bijzonder groot belang dat bewindspersonen en ambtenaren in nauw contact staan met de praktijk en de burger, niet alleen met de vertegenwoordigers of koepels daarvan. In dat kader is het goed te vermelden dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, onlangs, op 4 mei 2026, op werkbezoek is geweest bij een apotheek en dat in de toekomst waarschijnlijk nog regelmatig zal doen. Ook de bij deze vraagstukken betrokken ambtenaren hebben regelmatig contact met apothekers, het gesprek met de vertegenwoordigers van LEF en VJA is daar een voorbeeld van.
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Plan van aanpak Leiderschap bij uitluiting en racisme binnen de politie' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatieve prioriteit die de politie geeft aan intern leiderschapsontwikkeling versus de kernveiligheidsopdracht?1
Ik ga er van uit dat wordt gedoeld op het Plan van Aanpak van de Inspectie Justitie en Veiligheid. De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering van de politie. De focus van de politie ligt op de uitvoering van haar kerntaken. Dit betekent dat zij, in overeenstemming met artikel 3 van de Politiewet 2012, zorgt voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Dit vereist een professionele politieorganisatie waarin leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. De Inspectie stelt in het plan van aanpak: «Uitsluiting, discriminatie en racisme (UDR) binnen de politie vormen een risico voor de kwaliteit van de taakuitvoering. Zo kan UDR het onderlinge vertrouwen tussen agenten aantasten, terwijl dat een randvoorwaarde is voor het veilig uitvoeren van de soms gevaarlijke politietaken. Ook moeten politiemedewerkers op basis van artikel 1 van de Grondwet elkaar en de mensen waarmee zij in contact komen gelijkwaardig behandelen, wie of wat zij ook zijn.»
Uit het plan van aanpak blijkt dat de Inspectie op eigen initiatief in 2025 heeft besloten om een korte oriëntatie uit te voeren naar de uitwerking van de door de politie voorgestelde maatregelen om uitsluiting, discriminatie en racisme binnen de politieorganisatie aan te pakken. De IJenV is onafhankelijk en beslist zelfstandig over haar eigen onderzoeksprogrammering.
Is het niet zo dat een teveel aan interne cultuuronderzoeken kan afleiden van de primaire taakuitvoering? Hoe reflecteert u op dit spanningsveld?
Zie antwoord vraag 1.
Welke concrete meetbare resultaten verwacht u op korte termijn?
Het betreft een onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid dat nog moet worden uitgevoerd. Zodra het onderzoek door de Inspectie is afgerond zullen de resultaten ervan op de gebruikelijke wijze openbaar worden gemaakt.
Is er rekening gehouden met effectmeting op misdaaddruk en burgerveiligheid?
Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Inspectie Justitie en Veiligheid. De kaders van het onderzoek worden door de Inspectie bepaald.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat agenten terughoudend optreden uit angst voor beschuldigingen?
In algemene zin ben ik van mening dat agenten met vertrouwen en rugdekking van de leiding hun werk moeten kunnen doen. Politieagenten zetten zich elke dag in voor de veiligheid van onze samenleving, vaak onder veeleisende en moeilijke omstandigheden. Zij verdienen hiervoor onze volle waardering. De basis van alle politietraining blijft vakbekwaamheid en professionaliteit; onder andere middels de Integrale Beroepsvaardigheden Trainingen waarin politieagenten worden ondersteund en getraind in het daadkrachtig en rechtmatig optreden op straat. Handelend optreden, handhaven, geweldsbeheersing, en juridische kennis staan hierbij centraal. Ook wordt juridische ondersteuning laagdrempelig beschikbaar gesteld. In de opleidingen wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan professioneel en daadkrachtig optreden binnen de wettelijke kaders. Medewerkers worden hierbij ondersteund door hun leidinggevende. Leidinggevenden moeten oog houden voor de continuïteit en professionaliteit van de operatie én oog houden voor de belasting en weerbaarheid van collega's.
Een professionele politieorganisatie betekent dat leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. In zo’n organisatie is geen plaats voor uitsluiting, discriminatie en racisme. Een stevige leiderschapsontwikkeling is om deze reden opgenomen in de strategische agenda van de politie 2025–2030. Hiermee wordt erkend dat leidinggevenden een cruciale positie hebben in de organisatie, omdat zij meer verantwoordelijkheden hebben ten opzichte van andere medewerkers, meer formele invloed hebben op de gang van zaken binnen de organisatie en een voorbeeldrol vervullen. De organisatie investeert in leidinggevenden die bijdragen aan het bewerkstelligen van veilige en inclusieve teams.
Zijn er plannen voor training gericht op daadkrachtig en rechtmatig optreden in plaats van een focus op «inclusiezaken»?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang?
Aangezien het een onderzoek van de Inspectie betreft, kan ik geen toezeggingen doen over tussentijdse voortgangsrapportages. Zodra de Inspectie het onderzoek heeft afgerond en aan mij heeft aangeboden, zal ik uw Kamer – conform de gebruikelijke termijnen – hierover informeren en het rapport doen toekomen.
Hoeveel capaciteit (in fte en middelen) wordt ingezet voor zaken rondom inclusiviteit, diversiteit en racisme binnen de politie? Kunt u dit ook per functieprofiel op een rijtje zetten?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. De politie heeft geen apart overzicht van alle inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
Hoe weegt u het tegengaan van discriminatie tegenover een krachtige politie-aanwezigheid?
Een krachtige politie is per definitie professioneel en handelt binnen de wet. Discriminatie ondermijnt het gezag en de effectiviteit van de organisatie. Leidinggevenden moeten zich bewust zijn van hun cruciale rol bij het voorkomen en aanpakken van uitsluiting, discriminatie en racisme.
Hoe voorkomt u bureaucratisering ten koste van zichtbare handhaving?
Voor een effectieve uitvoering van de politietaak is een professionele, zelfbewuste organisatie nodig. Aanwezigheid en zichtbaarheid van de politie in de wijk is en blijft een topprioriteit. Om dit te versterken zet de politie in op het verminderen en efficiënter inrichten van administratieve lasten. Het programma Vernieuwen Registreren (PVR) ondersteunt collega’s daarbij, zodat zij meer tijd hebben voor het werk op straat en zichtbaar kunnen zijn in de wijk.
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
Het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin momenteel vervult?
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan daarbij?
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging van de instroom?
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling, doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen rekening gehouden?
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering, gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten strafzaken?
Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf?
Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen daders van ernstige delicten?
Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak slecht tot niet zijn onderbouwd?
Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde strafverhogingen volgens het WODC slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de rechterlijke macht en het OM onvoldoende uitvoering geven aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om bepaalde delicten zwaarder te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient te staan?
Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling, rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover? Zo nee, waarom niet?
Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming van de samenleving en rechtszekerheid?
Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners in te voeren?
De Blauwe Haven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke handelingen en interventies heeft de korpsleiding vanaf juni 2024 verricht ten aanzien van De Blauwe Haven?
Welke informatie bevatte het eerste signaal dat de korpsleiding in juni 2024 bereikte, op basis waarvan werd dit signaal als ernstig aangemerkt en welke concrete gegevens ontbraken volgens de korpsleiding waardoor niet direct een onderzoek of interventie is gestart?
Hoeveel personen hebben zich gedurende het onderzoek gemeld als mogelijk slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag, aanranding of verkrachting binnen De Blauwe Haven, ongeacht of hun verklaring uiteindelijk formeel onderdeel is geworden van het onderzoek, en zijn er signalen ontvangen dat het aantal mogelijke slachtoffers aanzienlijk hoger ligt dan het aantal slachtoffers dat tot op heden publiekelijk bekend is gemaakt?
Hoe kan worden vastgesteld dat het onderzoek een volledig beeld heeft opgeleverd, terwijl de politie zelf erkent dat personen terughoudend waren om formeel te verklaren?
Erkent u dat medewerkers terughoudend kunnen zijn om melding te doen wanneer onderzoek plaatsvindt door een team dat onderdeel uitmaakt van dezelfde politieorganisatie als waartegen de meldingen zich richten? Zo ja, waarom is niet gekozen voor een volledig extern en onafhankelijk onderzoek?
Waarom kiest u voor de formulering dat het onderzoek zich «niet per definitie» heeft beperkt tot drie personen, in plaats van helder uiteen te zetten wat de feitelijke scope van het onderzoek is geweest?
Welke personen, functies, leidinggevenden, werkprocessen of cultuuraspecten binnen De Blauwe Haven zijn naast de drie disciplinaire onderzoeken onderzocht?
Klopt het dat binnen het onderzoek naar De Blauwe Haven aanvankelijk signalen bestonden die betrekking hadden op zeven mogelijke verdachten en dat deze signalen onder meer betrekking hadden op aanranding, verkrachting, discriminatie, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging en fraude? Zo ja, hoe zijn deze signalen onderzocht en wat is de afdoening per categorie geweest?
Kunt u aangeven hoeveel signalen, meldingen, verklaringen en aangiften met betrekking tot aanranding, verkrachting, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging, discriminatie en fraude gedurende het onderzoek zijn ontvangen, ongeacht of deze uiteindelijk formeel onderdeel zijn geworden van een disciplinair onderzoek?
Kunt u uitsluiten dat meldingen of signalen over mogelijk strafbare feiten binnen De Blauwe Haven uitsluitend disciplinair zijn afgehandeld zonder dat een beoordeling door het Openbaar Ministerie heeft plaatsgevonden? Zo nee, om hoeveel gevallen gaat het en welke feiten betroffen dit?
Acht u het handelen van de korpschef achteraf bezien volledig adequaat? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, welke tekortkomingen constateert u?
Bent u bereid alsnog een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen buiten de politiehiërarchie beschikbaar te stellen voor (oud-)medewerkers van De Blauwe Haven? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen niet expliciet als aanvullende maatregel aangewezen indien medewerkers zich niet veilig genoeg voelden om via de reguliere politiekanalen te verklaren?
Klopt het dat meerdere vermeende slachtoffers in het kader van De Blauwe Haven gesprekken hebben gevoerd met vertegenwoordigers van de Nederlandse Politiebond (NPB) over het doen van aangifte? Zo ja, welke opvolging is hieraan gegeven?
Klopt het dat zogenoemde kluisverklaringen al bestonden of werden besproken voordat het LTIO-onderzoek formeel van start ging? Zo ja, wat was de aanleiding hiervoor en op welke wijze zijn deze verklaringen betrokken bij het onderzoek?
Zijn u signalen bekend dat medewerkers die melding wilden doen of een verklaring wilden afleggen zijn benaderd of geïntimideerd door verdachten, familieleden van verdachten of leidinggevenden? Zo ja, hoeveel van dergelijke signalen zijn ontvangen, wanneer heeft de korpsleiding hiervan kennisgenomen en welke maatregelen zijn naar aanleiding daarvan genomen?
Zijn u signalen bekend dat binnen De Blauwe Haven of aanverwante projecten werd gesproken over een zogenoemde «lijst» waarop medewerkers zouden staan die misstanden hadden gemeld of hierover vragen hadden gesteld? Zo ja, is onderzocht of een dergelijke lijst daadwerkelijk heeft bestaan en wat waren de bevindingen?
Kunt u aangeven of er binnen het onderzoek aanwijzingen zijn aangetroffen voor een cultuur van angst, terughoudendheid of vrees voor repercussies onder medewerkers die melding wilden doen van misstanden? Zo ja, welke conclusies zijn hieruit getrokken?
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
Kunt u aangeven welk percentage van de bij het Openbaar Ministerie aangebrachte geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht uiteindelijk heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per delictscategorie en per jaar uitsplitsen?
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u voor geweldsdelicten tegen hulpverleners inzichtelijk maken wat in de afgelopen vijf jaar de gemiddelde strafeis van het Openbaar Ministerie was, wat de gemiddelde uiteindelijk opgelegde straf was en hoe groot de afwijking daartussen gemiddeld was, zowel in absolute zin als percentage van de strafeis?
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol opeist?
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in de praktijk meewegen?
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen die kunnen wijzen op onveiligheid?
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien van het belang van het kind?
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang van het kind kan zijn?
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk hier meer inzicht in te krijgen?
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner, een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het zelf niet onthutsend dat u op meerdere volstrekt basale vragen over de politieorganisatie geen enkel concreet inzicht kunt geven?
Sinds wanneer is bij het ministerie bekend dat deze informatie ontbreekt?
Acht u dit niveau van informatievoorziening passend bij een organisatie met een begroting van ruim zes miljard euro?
Op basis waarvan maakt u beleidskeuzes of bezuinigingsafwegingen als deze cijfers ontbreken?
Hoe kan worden vastgesteld of beleid effectief is wanneer de onderliggende data niet beschikbaar is?
Kunt u garanderen dat er geen verspilling van publiek geld plaatsvindt op onderdelen waar nauwelijks inzicht in bestaat?
Welke andere onderdelen binnen de politieorganisatie kennen vergelijkbare «blinde vlekken» in de informatievoorziening?
Hoeveel geld en welk percentage van de totale politiebegroting wordt momenteel uitgegeven aan beleid of programma’s waarvan de exacte kosten niet inzichtelijk zijn?
Klopt het dat binnen de interne telefoongids en personeelsregistraties van de politie eenvoudig gezocht en gefilterd kan worden op tijdelijke functies, ingehuurd personeel, functiecategorieën en functieschaalniveaus? Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan meegedeeld dat een uitsplitsing van extern ingehuurd personeel naar functiecategorieën of werkzaamheden «niet beschikbaar» zou zijn?
Waarom is er geen overzicht van externe bureaus en de bedragen die hiermee gemoeid zijn, terwijl het om aanzienlijke publieke uitgaven gaat?
Hoe controleert u op doelmatigheid en afhankelijkheid van externe partijen zonder gedetailleerd inzicht in inhuurstromen?
Herkent u het signaal dat de centralisering van de bedrijfsvoering sinds de reorganisatie van 2015 heeft geleid tot langere doorlooptijden bij reparaties en onderhoud van politievoertuigen, waardoor voertuigen vaker langdurig niet inzetbaar zijn? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u gehad voor de operationele inzetbaarheid van basisteams?
Hoe weet u dat het vervoer van arrestanten geen onevenredig beslag legt op politie-inzet als die uren niet worden geregistreerd?
Hoeveel politiecapaciteit gaat jaarlijks verloren aan het vervoeren van arrestanten naar cellencomplexen buiten het eigen district of de eigen eenheid wegens beperkte beschikbare celcapaciteit, en waarom wordt deze capaciteitsinzet niet structureel geregistreerd?
Hoe kan de politie gericht beleid voeren op mentale weerbaarheid, uitval en Posttraumatische stressstoornis (PTSS) als de aard en omvang van psychische problematiek niet inzichtelijk zijn?
Welke alternatieve indicatoren gebruikt u momenteel om de ontwikkeling van PTSS en psychische problematiek binnen de politie te monitoren?
Hoe kunt u stellen dat politiemedewerkers die dat nodig hebben beschikken over gehoorbescherming, terwijl signalen uit de praktijk erop wijzen dat diverse specialistische eenheden nog altijd werken met middelen waarvan de gehoorbeschermende werking volgens betrokkenen onvoldoende is en agenten daardoor onnodig risico lopen op blijvende gehoorschade? Bent u bereid dit uit te zoeken?
Hoeveel politiecapaciteit en publieke middelen zijn de afgelopen vijf jaar besteed aan externe diversiteits-, cultuur- en bewustwordingsprojecten binnen het programma «Politie voor Iedereen», inclusief ingehuurde theatergroepen, consultants en trainers? Graag een helder overzicht.
Hoe groot is het budget dat eenheden en diensten krijgen voor het realiseren van wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt precies en waaraan wordt dit besteed?
Bent u bereid alsnog een inventarisatie uit te voeren naar de volgende ontbrekende aspecten:
Het bericht ‘Grote onrust in wijk om fatbiketerreur, bewoners bewapenen zich en dreigen met ‘wijkoorlog’ in brief aan politie’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat in steeds meer gemeenten, waaronder Delfzijl, sprake is van ernstige overlast en intimidatie door groepen «jongeren» in de openbare ruimte, waarbij het lokale gezag zichtbaar moeite heeft om grip te krijgen op de situatie?1
Intimidatie en ernstige overlast in de openbare ruimte zijn onacceptabel. Iedereen moet zich veilig kunnen voelen op straat.
Wat vindt u ervan dat inwoners van Delfzijl kennelijk het vertrouwen verliezen dat de overheid hen nog voldoende kan beschermen? Deelt u de opvatting dat dit buitengewoon zorgelijk en beschamend is voor een rechtsstaat?
Het is zorgelijk als burgers onvoldoende bescherming vanuit gemeenten en politie ervaren. De inzet vanuit gemeenten, Openbaar Ministerie en politie is juist ook gericht op het bieden van een leefbare woonomgeving waarin overlast wordt tegengegaan en strafbare feiten worden vervolgd.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten sprake is van vergelijkbare problematiek met overlastgevende of criminele jeugdgroepen waarbij het de gemeente of een wijk compleet ontwricht?
Er is geen recent landelijk beeld beschikbaar van het aantal overlastgevende of criminele jeugdgroepen; deze zijn overigens veelal fluïde en wijzigen voortdurend in bestaan en samenstelling. Voor de aanpak van problematische jeugdgroepen is reeds jaren geleden het – mede op basis van ervaringen van gemeenten – 7-stappenmodel ontwikkeld voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag. Dit 7-stappenmodel wordt door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig en op basis van nieuwe ervaringen verrijkt.
Deelt u de opvatting dat wanneer het bevoegd gezag aantoonbaar tekortschiet, of onvoldoende capaciteit en gezag heeft om hardnekkig overlastgevend en intimiderend tuig van straat te halen, het vanuit menselijk oogpunt voorspelbaar en logisch is dat bewoners zich uiteindelijk genoodzaakt voelen hun wijk zelf te verdedigen? Kunt u hier een heldere reactie op geven?
Het is aan de bevoegde autoriteiten om zorg te dragen voor de handhaving van de openbare orde en ook hardnekkig overlastgevend en intimiderend gedrag aan te pakken wanneer dit de openbare orde verstoort of wanneer daarbij strafbare feiten worden gepleegd. De autoriteiten opereren daarbij op grond van en binnen wettelijke kaders.
In de praktijk vraagt de lokale aanpak van overlast soms om lange adem, onder andere voor de opbouw van dossiers. Ik begrijp goed dat dit heel vervelend is voor de direct omwonenden. Maar eigenrichting is nooit het antwoord. Daarvoor is geen ruimte in onze democratische rechtsstaat. Opeenvolgende kabinetten hebben de operationele formatie van de politie fors uitgebreid.
Welke rol spelen capaciteitsproblemen bij politie, boa’s en handhaving volgens u bij het ontstaan of voortduren van dit soort situaties?
Er is ook hard gewerkt aan het vullen van de bezetting. Als het gaat om politiecapaciteit is er in de praktijk altijd meer vraag dan aanbod. Het is aan het lokaal gezag om hierop te prioriteren en de juiste keuzes te maken op basis van hun kennis van de lokale situatie.
Enkele Preventie met Gezag-gemeenten hebben met de PmG-middelen extra capaciteit (jeugd-)boa’s kunnen organiseren. Daarnaast is het aan gemeenten hierin op basis van de lokale situatie zelf te prioriteren.
Vanaf welk punt bent u bereid het geweldsmonopolie van de staat zichtbaarder, steviger en dwingender in te zetten om de openbare orde te herstellen en inwoners weer veiligheid te bieden? Kunt u daarbij een concreet tijdspad geven?
De burgemeester en de officier van justitie bepalen in de driehoek welke inzet en interventies worden toegepast bij de handhaving van de openbare orde en het vervolgen van strafbare feiten. Daarbij heeft de Minister van Justitie en Veiligheid geen rol.
Voor de aanpak van overlastgevende jeugdgroepen is een uitgebreid (wettelijk) instrumentarium en bijvoorbeeld vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid het al genoemde 7-stappenmodel beschikbaar. Het is aan de burgemeester, de officier van justitie, de politie en de gemeente om dat daar waar dat wenselijk en noodzakelijk is deze mogelijkheden toe te passen.
Welke extra maatregelen bent u bereid te nemen om gemeenten sneller en effectiever te helpen bij de aanpak van dit soort overlastgevende jeugdgroepen, zoals ruimere inzet van gebiedsverboden, groepsverboden, preventief fouilleren, snelle inbeslagname van voertuigen en persoonsgerichte maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom worden gemeenten die hun inwoners willen beschermen nog te vaak tegengewerkt door regels, procedures of terughoudende instanties wanneer zij extra camera’s, handhaving of andere veiligheidsmaatregelen willen inzetten, en hoe gaat u daar per direct verandering in brengen?
Met betrokken partijen ben ik voortdurend in gesprek over wat zij nodig hebben om hun taken goed en beter uit te kunnen voeren. De burgemeester en de officier van justitie beschikken op dit moment reeds over verschillende bevoegdheden die de politie kan inzetten om overlast te bestrijden. Daartoe behoren ook de inzet van camera’s en het inzetten van extra handhavingscapaciteit. In de driehoek wordt de toepassing van deze bevoegdheden in concrete situaties afgewogen. De politie draagt zorg voor de uitvoering van deze maatregelen.
Wat doet u op dit moment actief richting gemeenten met vergelijkbare problematiek, en welk aanvullend pakket aan maatregelen bent u bereid op korte termijn beschikbaar te stellen?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Het kabinet kan het afwijkende beeld dat uit de rapportage van de meldweken naar voren komt niet goed verklaren. Om meer inzicht te krijgen in deze signalen uit de praktijk is er mede daarom op korte termijn een gesprek ingepland met de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en de Vereniging Jonge Apothekers (VJA). Het kabinet is zich er natuurlijk terdege van bewust dat het wisselen van medicijnen voor patiënten erg vervelend kan zijn en bijvoorbeeld stress kan opleveren. Tegelijk is het goed te melden dat verantwoord wisselen van geneesmiddel mogelijk is. In de Leidraad Verantwoord Wisselen2 zijn door alle betrokkenen, waaronder vertegenwoordigers van apothekers, voorschrijvers en patiënten, heldere afspraken vastgelegd over welke medicijnen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Ook is duidelijk vastgelegd wat de rol van voorschrijver en apotheker hierin is. Dat wisselingen in geval van tekorten bij veel patiënten tot gezondheidsverslechtering zou leiden zou niet zo moeten zijn. Temeer daar het bij veruit de meeste van de wisselingen gaat om een wisseling tussen producten met dezelfde werkzame stof maar dan met een andere verpakkingsgrootte, van een ander merk, of geïmporteerd uit een ander land. Alleen in uitzonderlijke gevallen, als er geen enkele andere optie is, vinden er wisselingen plaats tussen medicijnen met een andere werkzame stof. En zeker dan wordt door de betrokken zorgverleners een uiterst zorgvuldige afweging gemaakt. Dat neemt niet weg dat het kabinet er samen met veldpartijen, waaronder ook de apothekers, in goede samenwerking alles aan blijft doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 snapt het kabinet dat het wisselen van medicijnen voor patiënten vervelend kan zijn en stress kan opleveren, en in uitzonderlijke gevallen zelfs kan leiden tot suboptimale zorg. Daarom blijft het kabinet er samen met de veldpartijen, waaronder ook de apothekers, alles aan doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Het kabinet heeft in het antwoord op vraag 3 uit de eerdere set vragen3 over dit bericht laten weten de signalen van de apothekers te kennen. Ook heeft het kabinet laten weten deze signalen serieus te nemen en mee te nemen in de gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid. Het gaat daarbij onder andere om de gesprekken die het kabinet voert over de uitvoering van de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)4 om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. De afspraken beogen om de impact van tekorten te verminderen, niet alleen voor de patiënt maar ook voor apotheekteams. In het kader van de afspraken maken de koepels van zorgverleners en zorgaanbieders uit de sector zo goed als mogelijk inzichtelijk wat de impact van tekorten is bij hun achterban en deelt de uitkomsten met het Ministerie van VWS. Op dit moment legt het Ministerie van VWS met de betrokken stakeholders de laatste hand aan een werkagenda om de afspraak uit te voeren. Zodra iedereen de werkagenda heeft ondertekend, deelt het kabinet deze met de Kamer. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 te informeren over de inhoud van de werkagenda.
Daarnaast zijn LEF (Landelijk Eerstelijns Farmacie) en de VJA (Vereniging Jonge Apothekers) naar aanleiding van de brandbrief uitgenodigd voor een gesprek over de signalen. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden.
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
In de vraag worden drie maatregelen genoemd: de Leidraad Verantwoord Wisselen, de «ijzeren voorraad» (die tegenwoordig de veiligheidsvoorraad genoemd wordt) en de afspraken onder het AZWA. Kortheidshalve gaat het kabinet hier alleen op deze drie maatregelen in. Voor alle andere afgeronde, lopende en voorgenomen maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren verwijst het kabinet naar de recent verstuurde voortgangsbrief Beschikbaarheid Geneesmiddelen5 en kabinetsreactie Periodieke Evaluatie Beschikbaarheid Medische producten.6
In de Leidraad Verantwoord Wisselen zijn afspraken vastgelegd over het wisselen van geneesmiddelen en de verantwoordelijkheid van onder andere arts en apotheker hierbij. Deze werkafspraken bieden duidelijkheid aan apotheker, patiënt, voorschrijver en zorgverzekeraar welke geneesmiddelen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Veldpartijen hebben de Leidraad in eigen beheer. Periodiek wordt de Leidraad door veldpartijen onderling geëvalueerd en geüpdatet. Daar is het kabinet niet bij betrokken. Omdat de Leidraad mede tot stand is gekomen om mogelijke ongewenste effecten van het preferentiebeleid te ondervangen, worden de effecten van de Leidraad Verantwoord Wisselen meegenomen bij de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid. In deze evaluatie worden ook de effecten van dit beleidsinstrument op het apotheekteam onder de loep genomen.
De AZWA-afspraken over het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen hebben op dit moment nog geen effect omdat deze afspraken pas recent door de deelnemende veldpartijen akkoord zijn bevonden. De deelnemers starten dit jaar met de uitvoering. De timing van mijlpalen en uiteindelijke afronding verschilt per deelafspraak. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 nader te informeren over de inhoud en uitvoering van deze werkagenda. Daarbij zal het kabinet ook ingaan op de beoogde impact van de werkagenda «aan de balie.»
Dan ten slotte de «ijzeren voorraad». Het traject om grotere voorraden van geneesmiddelen in de productie- en distributieketen aan te leggen stamt uit 2019. Bij de start van het traject was het voornemen inderdaad om het aanhouden van in totaal vijf maanden voorraad te verplichten. Dit beleidsvoornemen is in meerdere stappen bijgesteld tot de huidige acht weken in totaal, zoals de beleidsregel over de verplichte veiligheidsvoorraad op dit moment vereist.7 Hier is de Kamer op verschillende momenten nauwgezet over geïnformeerd.8, 9, 10 De huidige hoogte van de veiligheidsvoorraad van in totaal acht weken is gebaseerd op een balans tussen enerzijds het risico op leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen en anderzijds de negatieve neveneffecten die een (hoge) voorraad kent. Bij die negatieve neveneffecten kan gedacht worden aan spillage, aan ongelijke verplichtingen tussen Europese lidstaten en aan onnodige financiële risico’s voor leveranciers en groothandels. Bovenop deze wettelijke veiligheidsvoorraden heeft het kabinet een subsidie verstrekt voor het aanleggen en aanhouden van een extra voorraad van kritieke geneesmiddelen door groothandels. Eind vorig jaar heeft adviesbureau Strategies in Regulated Markets (SiRM) in opdracht van branchevereniging BG Pharma een onderzoek uitgevoerd naar het effect van deze extra voorraden op de beschikbaarheid van geneesmiddelen.11 Hierin constateert SiRM dat er in 2025 minder en minder lange geneesmiddelentekorten zijn optreden bij volgesorteerde groothandels.
Dit effect blijkt het grootst bij geneesmiddelen waarvoor een (extra) voorraad is aangelegd, zoals de verplichte veiligheidsvoorraad en de extra voorraad van kritieke geneesmiddelen onder de subsidie.
De genoemde maatregelen maken zoals aangegeven deel uit van een veel breder pakket aan maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren, waarover het kabinet de Kamer regelmatig informeert. In 2025 konden voor het tweede jaar op rij minder tekorten worden gemeld in de data van apothekers.12 Tegelijkertijd – zoals terecht in de vraag wordt opgemerkt – ondervonden in 2025 nog steeds circa 3,5 miljoen Nederlanders de gevolgen van tekorten en kost het oplossen van tekorten een grote inzet van zorgpersoneel. Daarom kan de Kamer ervan op aan dat het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor het kabinet een prioriteit blijft.
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Op de vraag in hoeverre de kosten en baten van het preferentiebeleid tegen elkaar opwegen kan het kabinet inderdaad – zoals in de vraag terecht geconstateerd – lopende de onafhankelijke evaluatie naar dit instrument geen uitspraken doen. U kunt de uitkomsten van het onderzoek en de reactie van het kabinet daarop eind 2026 tegemoet zien.
In de tussentijd is het kabinet niet van plan een tijdelijke maatregel te nemen. Het kabinet kan zich namelijk niet mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars en apotheken in de zorgcontractering met elkaar vastleggen over de uitvoering van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen. Als apotheken van oordeel zijn dat de afspraken die zij hierover met zorgverzekeraars hebben gemaakt niet redelijk en billijk zijn of onverwachts ongewenste gevolgen hebben, kunnen zij hierover in gesprek gaan met de zorgverzekeraar, al dan niet via de zorgmakelaar die in hun opdracht de onderhandelingen heeft gevoerd. Ook kunnen zij dit meenemen bij hun inzet in de onderhandelingen voor het nieuwe contractjaar (2027).
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Het kabinet is bekend met de trend dat het aantal fabrikanten per geneesmiddelen afneemt. De rol van het preferentiebeleid daarin kan het kabinet echter niet vaststellen. Mogelijk brengt de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid daar verandering in. Eén van de effectgebieden waar de onafhankelijke evaluatie naar gaat kijken is het effectgebied geneesmiddelenmarkt. Het onderzoeksbureau zal daarbij ook onderzoeken of het preferentiebeleid impact heeft op het aantal aanbieders van geneesmiddelen.
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Het model van laagste prijs plus bandbreedte (LPG+), waar in vraag 8 van de eerdere set vragen13 over dit bericht aan gerefereerd werd, is een bestaande variant van het inkoopmodel Laagste Prijs Garantie (LPG). Zowel LPG als LPG+ worden in de inkoop toegepast door zorgverzekeraars, naast het preferentiebeleid. Het aandeel van LPG en LPG+ is in de afgelopen jaren afgenomen naarmate meer geneesmiddelen zijn opgenomen in het preferentiebeleid en naarmate meer zorgverzekeraars preferentiebeleid zijn gaan voeren. Wel worden de modellen vaak toegepast als alternatief model in geval een preferent aangewezen product niet leverbaar is. Anders dan de vraag lijkt te veronderstellen gaat het dus voor zover het kabinet bekend niet om een nieuw alternatief, maar om een beproefd en gangbaar inkoopmodel. LPG en varianten daarop komen dan ook met enige regelmatig aan de orde in gesprekken van het kabinet met veldpartijen.
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het lijkt het kabinet zinvol om deze evaluatie af te wachten.
Daar komt bij dat het kabinet zich niet kan en wil mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars, apotheken, groothandels en leveranciers met elkaar maken over de toepassing van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen, al dan niet als onderdeel van de zorgcontractering.
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Alle leden van de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen is gevraagd om informatiebronnen die zij van belang achten voor het onderzoek aan te leveren. Ook de KNMP, de ASKA, de NApCo en OptimaFarma zijn lid van deze werkgroep en daarmee in de gelegenheid om de volgens hen van belang zijnde informatie over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie in te brengen. Bij verzending van deze antwoorden staat de uitvraag nog open. In het eindrapport van de evaluatie, dat de Kamer eind 2026 zal ontvangen, wordt een overzicht opgenomen van alle geraadpleegde bronnen zodat de lezer zich een oordeel kan vormen of de verschillende perspectieven op dit onderwerp voldoende zijn meegenomen.
De onderzoeksfase van de evaluatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau,. In algemene zin acht het kabinet het voor het maken van goed beleid van bijzonder groot belang dat bewindspersonen en ambtenaren in nauw contact staan met de praktijk en de burger, niet alleen met de vertegenwoordigers of koepels daarvan. In dat kader is het goed te vermelden dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, onlangs, op 4 mei 2026, op werkbezoek is geweest bij een apotheek en dat in de toekomst waarschijnlijk nog regelmatig zal doen. Ook de bij deze vraagstukken betrokken ambtenaren hebben regelmatig contact met apothekers, het gesprek met de vertegenwoordigers van LEF en VJA is daar een voorbeeld van.
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Ja.
'De Blauwe Haven' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente mediaberichten over grensoverschrijdend gedrag binnen politieonderdeel De Blauwe Haven, waaruit blijkt dat meerdere medewerkers zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenst gedrag richting (vrouwelijke) collega’s?
Ja, ik ben bekend met eerdere berichtgeving, meest recentelijk in september 2025.
Klopt het dat er eerder melding is gemaakt van ten minste meerdere slachtoffers binnen de politieorganisatie? Wat is op dit moment het totaal aantal bekende meldingen en slachtoffers binnen dit dossier?
De Blauwe Haven is ontstaan uit een bundeling van projecten in de Eenheid Rotterdam, om politiemedewerkers met mentale overbelasting zoals PTSS en burn-out te helpen bij hun herstel.
De politie heeft mij laten weten dat het eerste signaal de korpsleiding heeft bereikt in juni 2024. Dit signaal was ernstig maar nog onvoldoende concreet.
In de daaropvolgende periode is om aanvullende informatie verzocht en is het signaal nader geduid. Daaropvolgend is de korpschef geïnformeerd. De korpschef heeft vervolgens direct opdracht gegeven tot een intern oriënterend onderzoek, uitgevoerd door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO).
Op basis van de bevindingen van dit onderzoek zijn drie disciplinaire individuele onderzoeken gestart naar mogelijk plichtverzuim. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. Verder heeft de korpsleiding mij laten weten dat de andere twee onderzoeken eveneens zijn afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit). Over het exacte aantal meldingen kan ik, vanwege privacybelangen en het lopende onderzoek, geen uitspraken doen.
Herkent u de signalen dat het daadwerkelijke aantal slachtoffers hoger ligt dan tot nu toe publiekelijk bekend is gemaakt? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarop baseert u dat?
Ik vind het van groot belang dat medewerkers zich gehoord en veilig voelen en dat de politie zich maximaal blijft inzetten om met mogelijke melders in contact te komen.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat het onderzoeksteam van het LTIO in de afgelopen maanden heeft gesproken met tientallen mensen, zowel melders als getuigen. Tijdens het onderzoek bereikten het team signalen dat sommige mensen mogelijk terughoudend waren om een officiële verklaring af te leggen. Om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven heeft afgespeeld is door de korpsleiding gezocht naar extra mogelijkheden om mensen te laten verklaren op een door hen comfortabele manier. Hierbij is ook anoniem melden mogelijk gemaakt, via een zogenoemde geheimhouder. Deze geheimhouder bekijkt samen met de melder of onder bepaalde voorwaarden een formele verklaring (op naam) kan worden afgelegd. Dat laatste is nodig om de verklaring in het onderzoek te kunnen opnemen. De korpsleiding heeft mij laten weten dat zich enkele personen bij de geheimhouder hebben gemeld, waarop met hen een gesprek is gevoerd.
Kunt u aangeven op welke wijze slachtoffers binnen de politieorganisatie momenteel worden ondersteund, en of u van mening bent dat deze ondersteuning toereikend is?
De korpsleiding heeft mij laten weten dat direct bij de start van het onderzoek de onderzochte medewerkers met buitengewoon verlof zijn gestuurd. Daarnaast is er een extra leidinggevende aan het team toegevoegd met als belangrijkste taak om het vertrouwen en rust te herstellen in het team.
De politie werkt hard aan het creëren van een veilige meldomgeving, onder meer via de direct leidinggevende, vertrouwenspersonen, diverse meldkanalen en extra begeleiding van betrokkenen. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met signalen van terughoudendheid en angst. Tot slot biedt de politie aan de getroffen medewerkers extra zorg en ondersteuning door medewerkers van het team Veilig en Gezond werken (VGW) en specialisten uit de bedrijfshulpverlening. Dit betreft onder andere geestelijk verzorgers, bedrijfsmaatschappelijk werkers en een korpspsychologen.
Klopt het dat het lopende onderzoek zich momenteel richt op slechts een beperkt aantal (circa twee) medewerkers? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie tot deze groep te beperken?
Het onderzoeksteam heeft in de eerste fase van het oriënterend onderzoek getracht om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven afspeelde. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 zijn (voormalig) medewerkers op diverse manieren opgeroepen om hun verhaal te doen op een voor hen comfortabele manier. Hierbij is ook anoniem melden mogelijk gemaakt, via een zogenoemde geheimhouder. Bij de geheimhouder hebben zich enkele personen gemeld, waarop met hen een gesprek is gevoerd.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat op basis van de beschikbare informatie die voldoende concreet was om nader te onderzoeken, er drie disciplinaire individuele onderzoeken zijn gestart naar mogelijk plichtsverzuim. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. De andere twee onderzoeken zijn eveneens afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit).
De politie geeft aan dat dit niet betekent dat het onderzoek zich per definitie heeft beperkt tot deze personen. Ook kan nieuwe informatie aanleiding geven om het onderzoek uit te breiden.
Deelt u de opvatting dat, gezien de ernst van de signalen en het mogelijke grotere aantal betrokkenen, een breder en diepgaander onderzoek noodzakelijk is om alle misstanden binnen deze eenheid boven tafel te krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met u eens dat signalen van grensoverschrijdend gedrag volledig en zorgvuldig onderzocht moeten worden.
Het instellen van en de wijze van onderzoek doen dient steeds te worden bezien in relatie tot aard, omvang en ernst van de signalen. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek naar de Blauwe Haven te waarborgen heeft de politie deze ondergebracht bij het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO). Het LTIO is een gespecialiseerd team dat zich richt op eenheidsoverstijgende onderzoeken met betrekking tot integriteitsschendingen. Het LTIO heeft als doel om de integriteit binnen de politieorganisatie door het onderzoeken van interne misstanden te waarborgen en het voert gespecialiseerde onderzoeken uit bij complexe integriteitskwesties. Hierbij staat zij, waar relevant, in nauw contact met het Openbaar Ministerie.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat het onderzoeksteam in de eerste fase van het oriënterend onderzoek vooral heeft getracht om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven afspeelde. Vervolgens hebben de bevindingen geleid tot drie individuele onderzoeken gericht op medewerkers waarbij het vermoeden was van plichtsverzuim. Voor het overige verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 2, 3 en 5.
Zijn bij u signalen bekend dat de korpschef, Janny Knol, reeds eerder op de hoogte was van (een deel van) deze meldingen? Zo ja, sinds wanneer? Welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen? Acht u dit handelen adequaat?
De politie heeft mij laten weten dat het eerste signaal de korpsleiding heeft bereikt in juni 2024. Dit signaal was ernstig maar nog onvoldoende concreet. In de daaropvolgende periode is om aanvullende informatie verzocht en is het signaal nader geduid. Daaropvolgend is de korpschef geïnformeerd. De korpschef heeft vervolgens direct opdracht gegeven tot een intern oriënterend onderzoek, uitgevoerd door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO).
Ik heb begrepen dat direct bij de start van het onderzoek de onderzochte medewerkers met buitengewoon verlof zijn gestuurd. Daarnaast is er een extra leidinggevende aan het team toegevoegd met als belangrijkste taak om het vertrouwen en rust te herstellen in het team.
Om een completer beeld te krijgen van wat zich bij de Blauwe Haven heeft afgespeeld, sprak het LTIO in de afgelopen maanden met tientallen mensen, zowel met melders als getuigen. Hierbij is door het onderzoeksteam gezocht naar extra mogelijkheden om mensen te laten verklaren op een door hen als comfortabel ervaren manier. Dit uitgebreid oriënterend onderzoek heeft vervolgens geleid tot drie disciplinaire onderzoeken. Het eerste disciplinaire onderzoek is afgerond en de betrokken medewerker is door de organisatie ontslagen. De andere twee onderzoeken zijn eveneens afgerond. Aan de betrokken medewerkers zijn disciplinaire maatregelen opgelegd (bij voorlopig besluit).
Hoe beoordeelt u de informatiepositie van de korpsleiding in dit dossier? Zijn er aanwijzingen dat signalen onvoldoende zijn opgepakt of intern zijn gebleven?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om het onderzoek niet volledig onafhankelijk extern te laten uitvoeren, maar (deels) binnen of in opdracht van de politieorganisatie zelf plaatsvindt?
Volgens de gebruikelijke procedure worden meldingen die duiden op een vermoeden van plichtsverzuim allereerst intern door de organisatie onderzocht door middel van een disciplinair onderzoek.1 In geval van het vermoeden van strafbare feiten wordt dit onderzoek geleid door het Openbaar Ministerie.
De korpsleiding heeft mij laten weten dat de wijze van onderzoek doen altijd wordt bezien in relatie tot aard, omvang en ernst van de signalen. Gelet op de ernst van de meldingen bij de Blauwe Haven en de omvang van het oriënterend onderzoek, is door de korpsleiding besloten om het onderzoek te laten doen door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO). Het LTIO is een gespecialiseerd team dat zich richt op eenheidsoverschrijdende onderzoeken, vaak met betrekking tot integriteitsschendingen. Het LTIO heeft als doel om de integriteit binnen de politieorganisatie door het onderzoeken van interne misstanden te waarborgen en het voert gespecialiseerde onderzoeken uit bij complexe integriteitskwesties. Hierbij staat zij, waar relevant in geval van strafbare feiten, in nauw contact met het Openbaar Ministerie. Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van het onderzoek, zoals thans wordt uitgevoerd door het LTIO.
Deelt u de mening dat, gezien de aard van de beschuldigingen en de mogelijke cultuurproblemen binnen de organisatie, een volledig onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is om vertrouwen van slachtoffers en de samenleving te waarborgen? Zo ja, bent u bereid alsnog een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke wijze wordt momenteel geborgd dat slachtoffers en betrokkenen zich veilig voelen om zich te melden, mede gezien signalen van angst en terughoudendheid?
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat alle (mogelijke) slachtoffers en getuigen zich anoniem, veilig en laagdrempelig kunnen melden, bijvoorbeeld via onafhankelijke meldpunten buiten de politieorganisatie?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om drempels voor melden weg te nemen, zoals:
Hoe wordt geborgd dat meldingen die alsnog binnenkomen ook daadwerkelijk worden betrokken bij het lopende onderzoek en niet buiten beschouwing blijven vanwege de huidige afbakening van het onderzoek?
Het uitgangspunt is en blijft dat elke melding serieus wordt genomen en op elke overschrijding van de norm een reactie volgt. Ik vind het belangrijk dat drempels voor melden zo laag mogelijk zijn. De omvang van het onderzoek wordt bepaald op basis van feiten, meldingen en onderzoeksbevindingen. Als nieuwe signalen daartoe aanleiding geven, kan het onderzoek worden uitgebreid.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dergelijke situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen binnen de politieorganisatie?
Grensoverschrijdend gedrag past niet binnen de politieorganisatie en moet daarom consequent worden aangepakt. Binnen de politieorganisatie, maar ook in de maatschappij, is er terecht veel aandacht voor het tegengaan van ongewenst gedrag waaronder uitsluiting, pestgedrag, seksueel overschrijdend gedrag en discriminatie en racisme. Binnen de politie wordt daarom ingezet op versterking van sociale veiligheid, leiderschapsontwikkeling, het bevorderen van het melden van misstanden. Daarbij horen onder meer trainingen en gesprekken, een duidelijke normstelling in geval van ongewenst gedrag, een verbeterde opvolging van signalen en het versterken van vertrouwensstructuren. Ik spreek regelmatig met de korpsleiding over dit belangrijke thema en ik zal dit blijven doen.
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel medewerkers zijn momenteel werkzaam bij het Politiedienstencentrum? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar vaste medewerkers en ingehuurde krachten?
Voordat ik inga op uw vragen wil ik graag benadrukken dat ik als Minister van Justitie en Veiligheid jaarlijks verantwoording afleg over de begroting van mijn ministerie, waarin het begrotingsartikel 31 Politie is opgenomen. Daarnaast kent de politie een eigen begroting en jaarverantwoording waarin de korpschef verantwoording aflegt over het gevoerde beleid en de uitgaven. Dit is in lijn met andere organisaties binnen de Rijksoverheid. Bij enkele van uw vragen wordt gevraagd naar een dieperliggend detailniveau als het gaat om gevraagde overzichten en uitsplitsingen. In de beantwoording heb ik mij tot het uiterste ingespannen om uw vragen te beantwoorden. Daar waar de gevraagde gegevens niet voorhanden zijn, kan ik deze niet aan u verstrekken.
De bezetting van de totale niet-operationele sterkte beslaat momenteel ruim 13.000 fte. Hier valt de klassieke bedrijfsvoering onder, maar ook bijvoorbeeld de docenten aan de Politieacademie. Van de ruim 13.000 fte werken er bij het Politiedienstencentrum ongeveer 8.000 fte. De overige ongeveer 5.000 fte zijn werkzaam bij andere organisatieonderdelen en eenheden van de politie.
Daar waar de niet-operationele functies overbezet zijn, heb ik met de korpschef afgesproken dat deze overbezetting wordt afgebouwd. Dit is ook nodig om de politiebegroting op orde te krijgen. Ik monitor de afbouw van genoemde overbezetting.
Bij de politie zijn 1256 medewerkers werkzaam (excl. Politieacademie) op basis van externe inhuur, waarvan 911 bij het Politiedienstencentrum (peildatum 01-04-2026). Hiermee kunnen fluctuaties in werkbelasting worden opgevangen en kan specifieke expertise (zoals bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen, IV-specialisme) tijdelijk ingezet worden als deze niet binnen de organisatie voor handen is.
Wat bedragen de bestuurskosten van de korpsleiding van de Nationale Politie? Kunt u deze kosten per jaar uitsplitsen over de periode 2020 tot en met heden?
De bestuurskosten van de korpsleiding van de politie worden maandelijks gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid (Rijksoverheid.nl). Hiermee sluit de politie aan bij de systematiek die wordt gehanteerd bij de openbaarmaking van de bestuurskosten van bewindspersonen en topambtenaren in de sector Rijk. Vanaf april 2026 zullen deze gegevens op open.overheid.nl worden gepubliceerd.
De hoogte van de bestuurskosten zijn redelijk stabiel, met uitzondering van de jaren 2020 en 2021. Dit had te maken met de toen geldende COVID-maatregelen.
Zie hieronder het overzicht van bestuurskosten van de korpsleiding sinds 2020:
Jaar bedrag
2020 17.240,27 euro
2021 23.501,46 euro
2022 26.705,73 euro
2023 32.856,33 euro
2024 28.850,05 euro
2025 30.986,34 euro
Hoe hebben de bestuurskosten van de korpsleiding zich ontwikkeld sinds 2020 en wat zijn de belangrijkste oorzaken van eventuele stijgingen of dalingen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat wordt binnen de Nationale Politie verstaan onder de begrippen «operationele sterkte» en «operationele slagkracht»? Kunt u toelichten hoe deze begrippen binnen de organisatie worden gehanteerd en gebruikt in de sturing van de politieorganisatie?
Het begrip «operationele sterkte» is vastgelegd in regelgeving (Art. 1 besluit verdeling sterkte en middelen), heeft betrekking op de operationele formatie en bezetting en is verdeeld in de werksoorten gebiedsgebonden politie (GGP), opsporing, informatiefunctie, intake & service en meldkamer, beveiliging, overige operationele functies, en leiding. De formatie is de door mij gefinancierde politiesterkte (in fte’s). Deze wordt ieder jaar vastgesteld als bijlage bij het begrotings- en beheerplan. De bezetting is het personeel dat daadwerkelijk in dienst is bij de politie, oftewel de mate waarin de formatie gevuld is.
Het begrip «operationele slagkracht» is niet vastgelegd in regelgeving. Ik versta hieronder de mate waarin de politie operationeel effectief is.
Hoeveel personen worden momenteel door de Nationale Politie ingehuurd? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar functiecategorieën of typen werkzaamheden?
Momenteel worden er door de politie ongeveer 1250 personen extern ingehuurd. Een uitsplitsing naar functiecategorieën of typen werkzaamheden is niet beschikbaar. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, werkt een groot deel van deze externe krachten bij het Politiedienstencentrum, bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen en IV-specialisten.
De gemiddelde duur van een extern inhuurcontract is 2,2 jaar. Er zijn personen die langer worden ingehuurd. Eén persoon wordt sinds de vorming van de nationale politie ingehuurd voor meerdere opdrachten op verschillende plekken binnen de politieorganisatie. Deze persoon heeft gereageerd op meerdere opdrachten. Bij een nieuwe opdracht wordt er een nieuwe aanbesteding in de markt gezet, waarop een kandidaat kan reageren. Hierbij is er geen bijzondere aandacht voor het gegeven of iemand al werkzaam is binnen de organisatie. Dit kan er in de praktijk toe leiden dat de aaneengesloten periode waarin iemand werkzaam is op inhuurbasis in sommige gevallen langer uit kan pakken.
Het uitgangspunt blijft dat de persoon die het beste past op de opdracht, de opdracht gegund krijgt.
De kosten voor externe inhuur zijn te vinden in de jaarverantwoordingen van de politie voor de desbetreffende jaren. In 20241 betroffen de kosten voor externe inhuur € 184 mln. op de totale personeelskosten van € 6 miljard. Het per jaar aan externe inhuur bestede bedrag is ongeveer 3% van de totale personeelskosten van de politie. Dat is ruimschoots minder dan de Roemernorm van 10%, die voor overheidsorganisaties geldt.
Bij de externe inhuur van de politie zijn verschillende partijen betrokken. Zo wordt er een partij ingezet voor de inhuur van uitzendkrachten tot en met mbo niveau (exclusief IV-functies), twee partijen voor inhuurprofessionals vanaf hbo niveau en alle IV-functies en zijn er specialistische raamcontracten.
Hoeveel geld heeft de Nationale Politie in de jaren 2020 tot en met heden per jaar uitgegeven aan externe inhuur? Kunt u deze bedragen per jaar specificeren?
Zie antwoord vraag 5.
Met welke externe bureaus of organisaties doet de Nationale Politie momenteel zaken in het kader van externe inhuur?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de langst aaneengesloten periode waarvoor een externe kracht door de Nationale Politie is ingehuurd en wat is de gemiddelde duur van externe inhuurcontracten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van het programma «Politie voor Iedereen» sinds de start van dit programma? En wilt u deze kosten per jaar uitsplitsen en aangeven welk budget hiervoor de komende jaren is gereserveerd?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. In de jaarverantwoording politie legt de korpschef verantwoording af over het gevoerde beleid van de organisatie en haar uitgaven. De politie heeft geen apart overzicht van alle (zowel interne als externe middels inhuur en dergelijke) inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
In de begroting en beheerplan politie 2025–2029 is opgenomen hoe het korps inzet op diversiteit en inclusie. Voor de opgave Politie voor Iedereen wordt jaarlijks tussen de 3 en 5,5 miljoen euro begroot. Alle eenheden en diensten krijgen een budget voor het realiseren van die wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt.
Kunt u een specificatie geven van de uitgaven binnen het programma «Politie voor Iedereen», zoals kosten voor personeel, trainingen, communicatiecampagnes, onderzoek, evenementen en overige activiteiten?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre worden binnen het programma «Politie voor Iedereen» externe bureaus, consultants of trainers ingehuurd? Kunt u aangeven welke organisaties hierbij betrokken zijn en welke bedragen hiermee gemoeid zijn geweest, uitgesplitst per jaar?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van alle politie-iftars – incusief het uitsplitsen van de kosten per georganiseerde iftar? En kunt u deze kosten ook doen toekomen van voorgaande jaren en welk budget voor aankomende jaren hiervoor gereserveerd is?
Zie antwoord vraag 9.
Herkent u of de korpsleiding signalen uit de organisatie dat er feitelijk sprake is van bezuinigingen op eenheidsniveau, bijvoorbeeld doordat voertuigen met schade niet worden gerepareerd of doordat bureaus keuzes moeten maken tussen functies vanwege budgettaire beperkingen? Hoe duidt u deze signalen?
In de door mijn voorganger verstuurde Kamerbrief van 21 januari 2026 over de financiële situatie bij de politie, heb ik u geïnformeerd dat de eenheden binnen de politie zelf sturen binnen het per eenheid beschikbare budget.
Voor 2026 zullen daarbij de basisteams (de gebiedsgebonden politie en de opsporing in de basisteams) helemaal buiten beschouwing worden gelaten. Hiermee wordt geborgd dat de aanwezigheid van de politie in buurt, wijk, stad en gemeente en de opsporing in de basisteams niet geraakt worden. Met andere woorden: blauw op straat blijft dus buiten beschouwing. Daarnaast zullen in 2026 de bijzondere bijdragen (zoals voor de Dienst Specialistische Interventies en ondermijning) ongemoeid blijven. Er wordt in 2026 ook niet getornd aan de instroom van aspiranten en er worden geen mensen ontslagen.
Hoeveel medewerkers van de Nationale Politie zitten momenteel thuis met een diagnose van posttraumatische stressstoornis (PTSS) dan wel andere psychische klachten?
De korpsleiding herkent dit signaal niet. Vanaf 1 april 2025 is het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten in werking getreden. Nieuwe meldingen van politiemedewerkers met beroepsgerelateerde klachten vallen onder dit nieuwe stelsel. Zodra een politiemedewerker zich meldt met gezondheidsklachten, en deze meer dan 1% beroepsgerelateerd zijn, ontvangt de politiemedewerker direct de benodigde begeleiding, zorg en gerichte vergoedingen. Dat geldt bij alle gezondheidsklachten. In dit stelsel staat aandacht en zorg voor de politiemedewerker voorop. Politiemedewerkers kunnen makkelijker en sneller aanspraak maken op voorzieningen uit de rechtspositie, omdat er wordt gewerkt vanuit vertrouwen in plaats van een juridische erkenningsprocedure.
Voor het maken van aanspraak op de voorzieningen in het nieuwe stelsel is de medische diagnose niet relevant. Hierdoor zijn er geen aantallen beschikbaar van politiemedewerkers met een diagnose van PTSS of andere psychische klachten. In 2025 zijn er 1804 meldingen geregistreerd die vallen onder het nieuwe stelsel met een toekenning van 1% beroepsgerelateerde gezondheidsklachten. Of deze politiemedewerkers thuis zitten of (gedeeltelijk) aan het werk zijn is afhankelijk van de individuele casuïstiek. Hierover kan ik geen uitspraken doen.
Het nieuwe stelsel wordt continue gemonitord en na drie en vijf jaar geëvalueerd. De eerste monitor van het nieuwe stelsel is positief, waaronder op de gemiddelde doorlooptijden van een melding, het advies op de melding en het besluit daarover.
Herkent u of de korpsleiding signalen dat verzuimmeldingen, in het bijzonder bij PTSS, niet altijd adequaat worden opgevolgd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke maatregelen worden genomen om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 14.
Klopt het dat politiemedewerkers in de eenheid Midden-Nederland, met name in Utrecht, arrestanten regelmatig moeten vervoeren naar cellencomplexen in andere plaatsen in de regio, zoals Amersfoort, Houten of andere locaties, omdat in Utrecht zelf onvoldoende capaciteit beschikbaar is voor insluiting?
Het vervoeren van arrestanten door de politie is onderdeel van de taakuitvoering van de politie. De politie geeft het vervoer van arrestanten zo efficiënt als mogelijk vorm en houdt hierbij rekening met de inzetbaarheid van de agenten op straat. Zij doen dit bijvoorbeeld door meerdere arrestanten tegelijk te vervoeren door de inzet van arrestantenbussen bemenst met medewerkers van de Teams Arrestantentaken in elke regionale eenheid. Daarbij komt het enkele keren voor dat er niet direct een arrestantenbus kan rijden door gebrek aan capaciteit. Binnen de portefeuille arrestantenzaken wordt doorlopend gereflecteerd op hoe het proces efficiënter kan worden ingericht.
Het overbrengen van arrestanten naar het Politie Cellencomplex (PCC) in Houten is de standaardprocedure van de politie in de eenheid Midden-Nederland en is al sinds langere tijd van kracht. De bureaus in Utrecht, ook het bureau in Utrecht Centrum (Kroonstraat), beschikken niet over cellen, wel over ophoudruimten. In die ruimten kunnen en mogen arrestanten slechts korte tijd opgehouden worden. Overnachten kan en mag alleen in een Politie Cellencomplex, zoals in Houten. Arrestanten worden daarom in principe altijd naar de cellencomplexen vervoerd. District Utrecht beschikt over een eigen ophoudgebied waar arrestanten in de piekmomenten ondergebracht kunnen worden. Daarmee is een zorgvuldige afweging over wanneer het efficiënter is om met arrestanten naar Houten te rijden of wanneer het efficiënter is om politiecapaciteit vrij te maken om de arrestanten in het ophoudgebied te laten verblijven. Zo wordt er geen kostbare politiecapaciteit vastgezet in het ophoudgebied op de momenten dat daar (vrijwel) geen arrestanten zitten. Vanuit Houten worden de arrestanten, indien van toepassing, zoals overeengekomen met de Dienst Vervoer en Ondersteuning en van de Dienst Justitiële Inrichtingen, overgebracht naar een locatie van het gevangeniswezen.
De inzet voor het vervoer van arrestanten naar de PCC’s in de eenheid vindt plaats volgens een op basis van ervaring vastgesteld roosterschema. De bussen doen vanuit efficiëntie meerdere bureaus in de eenheid Midden-Nederland aan. Een registratie van het aantal uren per inzet per politiemedewerker zou een onevenredige administratiedruk op de politie betekenen en is daarom ook niet opgelegd.
Deelt u de zorg dat het vervoeren van arrestanten over langere afstanden politiecapaciteit kost, doordat agenten tijd kwijt zijn aan het heen- en terugbrengen van arrestanten, en dat dit ten koste kan gaan van de inzetbaarheid van politie op straat? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen of te beperken?
Zie antwoord vraag 16.
Hoe vaak is het in de afgelopen drie jaar voorgekomen dat arrestanten vanuit Utrecht naar een andere plaats in de regio moesten worden vervoerd wegens gebrek aan beschikbare cellencapaciteit en hoeveel politiecapaciteit (bijvoorbeeld in uren of inzet van medewerkers) is hiermee gemoeid geweest?
Zie antwoord vraag 16.
Krijgen de 1.700 agenten die een niet-verzonden brief hebben gekregen, een aantekening in hun personeelsdossier of blijft dit op een ander manier zichtbaar en daarmee kleven aan de betreffende dienders?
Zoals met uw Kamer gedeeld, zijn de eerder uitgereikte brieven ingetrokken.3 Indien de brieven in het personeelsdossier waren opgenomen, worden deze verwijderd.
Hoeveel politiemedewerkers beschikken momenteel over gehoorbescherming en hoeveel medewerkers beschikken daar nog niet over?
Alle politiemedewerkers die op straat werken en voor wie dat nodig is, beschikken over gehoorbeschermingen. De politie heeft in 2026 een budget beschikbaar voor de gehoorbescherming van 2,2 miljoen euro.
Welke kosten zijn gemoeid met het verstrekken van gehoorbescherming aan politiemedewerkers en welk budget is hiervoor gereserveerd?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over politie van 25 maart 2026?
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: ’Gezondheid patiënten staat op het spel’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Erkent u de uitkomsten van het onderzoek door het SIR instituut en de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) dat jaarlijks circa vier miljoen patiënten worden geconfronteerd met medicijntekorten en dat in meer dan zeventig procent van de gevallen het gaat om preferent aangewezen medicijnen die niet leverbaar zijn?1
Het kabinet is bekend met het onderzoek. In het onderzoek van het SIR instituut en LEF wordt geconstateerd dat 56,7% van de geregistreerde tekorten plaatsvond in een groep van geneesmiddelen waarop preferentiebeleid wordt gevoerd2. Het verbaast mij niet dat een groot deel van de in de «meldweek» gemelde tekorten en leveringsproblemen gaat om preferente geneesmiddelen. Het aandeel van de geneesmiddelenmarkt waarover preferentiebeleid wordt gevoerd is namelijk groot: in 2023 werd op 86% van de extramuraal geleverde geneesmiddelen preferentiebeleid gevoerd3. Het percentage uit het onderzoek van het SIR instituut en LEF zegt niets over een eventueel oorzakelijk verband tussen het voeren van het preferentiebeleid en het ontstaan van geneesmiddelentekorten of andere leveringsproblemen.
Het kabinet deelt met mevrouw Coenradie dat, ondanks dat de tekorten teruglopen, nog steeds te veel patiënten geraakt worden door geneesmiddelentekorten. Dit vindt het kabinet onwenselijk. Het kabinet zet zich dan ook onverminderd in om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid te verbeteren. Nog dit voorjaar informeert het kabinet de Kamer, zoals gebruikelijk, over de voortgang van de ingezette maatregelen en over de verdere plannen om de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat voor het welzijn van al deze patiënten slechts één relevante definitie bestaat: een tekort is een tekort zodra de apotheek het medicijn niet kan leveren, ongeacht wat er administratief wordt geregistreerd?
Het kabinet deelt deze opvatting grotendeels. Uiteraard is ook voor dit kabinet het belangrijkst dat de patiënt over diens geneesmiddel kan beschikken. Maar op meer plekken in de keten kunnen problemen ontstaan met de beschikbaarheid van geneesmiddelen, waar de patiënt niets van hoeft te merken. Bijvoorbeeld bij de producent of groothandel. Ook op die plekken wil het kabinet de beschikbaarheid van geneesmiddelen verbeteren. Om ervoor te zorgen dat álle partijen in de keten sneller en duidelijker kunnen communiceren, handelen en monitoren, en zo uiteindelijke tekorten voor patiënten te voorkomen, is binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de afspraak gemaakt om uniforme definities van geneesmiddelentekorten op te stellen.
Het kabinet deels overigens niet de stelling uit het Telegraaf-artikel dat er sprake is van een tekort als er een bepaald merk van een geneesmiddel niet beschikbaar is, terwijl andere merken van hetzelfde geneesmiddelen wel beschikbaar zijn. In verreweg de meeste gevallen kan een patiënt overstappen naar een ander merk van hetzelfde geneesmiddel zonder dat dat gevolgen heeft voor diens gezondheid.4
Deelt u de signalen uit de apotheekpraktijk dat apothekers met de rug tegen de muur worden gezet: het preferente middel is er niet, een alternatief ligt wel op de plank, maar als de apotheker dat alternatief verstrekt riskeert hij een boete van de zorgverzekeraar?
Het kabinet kent de signalen dat apothekers zich in dergelijke situaties soms klemgezet kunnen voelen en dat dit (financiële) onzekerheid voor hen creëert. Daarom neemt het kabinet deze signalen mee in gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid.
Deze onzekerheid wordt onder andere veroorzaakt doordat de aanduiding van deze situatie in informatiesystemen niet gestandaardiseerd is en anders wordt beoordeeld door zorgverzekeraars. Een andere oorzaak ligt in de snelheid waarmee informatiesystemen aangepast kunnen worden. Om te zorgen voor een betere en snellere aansluiting tussen leverbaarheid en vergoedingsstatus is in het AZWA afgesproken dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gaan zorgen voor snelle aanpassing van de vergoedingsstatus door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is. Ook werken zij aan meer frequente updates van de informatie hierover in informatiesystemen. Zodra zij dit gerealiseerd hebben is het voor apothekers veel sneller dan nu duidelijk welk alternatief zij binnen het preferentiebeleid kunnen afleveren. Ook neemt hierdoor de administratieve last voor apothekers af doordat hun ICT-systemen sneller actueel zijn. Het kabinet is blij dat de KNMP en ZN dit oppakken en spoort hen aan hier voortvarend mee aan de slag te gaan.
Het is van belang dat er heldere, realistische en eenduidige afspraken zijn over de situaties waarin een preferent aangewezen merk van een geneesmiddel niet voorradig is. Uiteindelijk is het aan de zorgverzekeraars en apotheken zelf om hier in de inkoopgesprekken afspraken over te maken, voor zover dat niet al gebeurt. Het kabinet vraagt daar bij beide partijen aandacht voor.
Vind u deze situatie verdedigbaar en zo ja, hoe legt u dat uit aan de patiënt die met lege handen naar huis moet?
Het komt zelden voor dat patiënten zonder behandeling komen te staan als een preferent aangewezen middel niet voorradig is. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.5
Bent u bereid om per direct, zonder te wachten op lopend onderzoek, een noodmaatregel in te voeren waarbij apothekers geen boetes van zorgverzekeraars krijgen wanneer zij in dringende situaties een beschikbaar alternatief verstrekken, aangezien wat op papier beschikbaar is in de praktijk niet aan de balie bestaat? Zo nee, wat is dan uw alternatieve oplossing voor de patiënt die morgen zijn hartmedicatie nodig heeft maar niet gaat krijgen?
Nee, het kabinet ziet geen noodzaak tot het instellen van een noodmaatregel. Contractuele afspraken over de omgang met dit soort situaties zijn een zaak tussen apothekers en zorgverzekeraars. Het kabinet begrijpt dat er onzekerheid ontstaat bij apotheken doordat niet alle zorgverzekeraars op dezelfde manier met deze situaties omgaan. Het kabinet gaat hiervoor aandacht vragen bij de koepels van apotheken en zorgverzekeraars.
Kunt u uitleggen waarom een patiënt in het huidige systeem niet mag bijbetalen voor een vertrouwd medicijn, maar wel de volledige kosten zelf moet betalen als hij dat middel wil blijven gebruiken?
Een systeem waarin patiënten kunnen bijbetalen voor niet-preferent aangewezen middelen creëert ongelijke toegang tot zorg en verhoogt de totale zorgkosten. Dat wordt hieronder nader toegelicht.
In het huidige systeem vergoedt de zorgverzekeraar per groep geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof in ieder geval één variant volledig. Op deze variant krijgt de zorgverzekeraar korting van de leverancier. Het preferentiebeleid is nu zo vormgegeven dat bijbetaling binnen zo’n groep niet toegestaan is. Dit houdt de uitvoering eenvoudig en de zorgkosten beheersbaar. Een niet-preferent geneesmiddel valt buiten de basisdekking, dus de verzekerde betaalt het hele bedrag zelf.
Dit kan oneerlijk lijken omdat een bekend, maar duurder geneesmiddel niet vergoed wordt. Ook niet voor een deel. Het huidige systeem is juist solidair en rechtvaardig omdat iedere verzekerde met dezelfde aandoening dezelfde behandeling volledig vergoed krijgt, ongeacht inkomen. Bijbetaling zou ongelijke toegang tot zorg creëren, omdat niet iedereen uit eigen portemonnee kan bijbetalen. En het zou de totale zorgkosten verhogen door voorkeur voor varianten waarop de zorgverzekeraar geen korting krijgt.
Ook zou vaker kiezen voor duurdere geneesmiddelen waarop de zorgverzekeraar geen korting ontvangt de totale zorgkosten verhogen, waardoor premies voor iedereen stijgen. Daarnaast zou deze mogelijkheid betekenen dat de zorgverzekeraar zich niet aan haar afspraken met de leverancier kan houden. De zorgverzekeraar krijgt namelijk korting van de leverancier omdat eerstgenoemde garandeert dat het betreffende merk van het geneesmiddel voor al diens verzekerden het preferent aangewezen middel is. Dat is niet meer het geval als een verzekerde door bijbetaling een ander geneesmiddel kan krijgen. Dit zou de onderhandelingspositie van zorgverzekeraars ten opzichte van leveranciers verslechteren, opnieuw met hogere zorgkosten als gevolg.
Waarom acht u deze situatie rechtvaardiger dan een systeem waarbij iemand alleen het prijsverschil bijbetaalt?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het pleidooi van de apothekersbranches voor een systeem van «laagste prijs + bandbreedte», waarbij meerdere merken van een medicijn volledig worden vergoed en waarvoor geen jarenlang onderzoek maar een beleidsbesluit nodig is? Bent u bereid om uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 met zorgverzekeraars concrete afspraken te maken over de implementatie van dit model? Zo nee, wat is uw bezwaar tegen een systeem dat leveringszekerheid vergroot zonder afbreuk te doen aan kostenbeheersing?
Ja, het kabinet is bekend met het pleidooi voor een «laagste prijs + bandbreedte»-model. De stellingname die de schrijvers van het pleidooi doen dat dit model de leveringszekerheid vergroot zonder kostenstijging vraagt om meer onderbouwing. Doorgaans brengen bredere vergoedingen hogere zorguitgaven met zich mee.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om afspraken te maken over de implementatie van dit model. Het kabinet werkt op dit moment aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet verwacht u in lijn met de motie eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie. Het lijkt mij zinvol om deze evaluatie af te wachten. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan, kan dan overwogen worden alternatieven zoals dit model nader te verkennen.
Kunt u, aangezien zorgverzekeraars rapporteren over de besparingen van het preferentiebeleid, ook inzichtelijk maken wat de totale maatschappelijke kosten zijn: extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames door medicatiewisselingen, uitvoeringslasten voor apothekers, en de menselijke tol van patiënten die zonder medicatie zitten?
Ja, de evaluatie van het preferentiebeleid die op verzoek van de Kamer wordt uitgevoerd beoogt naast de besparingen ook de maatschappelijke kosten en baten van het preferentiebeleid in beeld te brengen. Het kabinet verwacht u eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie.
Erkent u dat «goedkoop op papier» niet hetzelfde is als «doelmatig in de praktijk»?
Als het lid Coenradie bedoelt dat aan het preferentiebeleid behalve baten ook kosten verbonden kunnen zijn, dan deelt het kabinet dat. Zoals hierboven aangegeven is het doel van de evaluatie van het preferentiebeleid om de totale kosten en baten inzichtelijk te maken. Dit omvat niet alleen de directe besparingen op papier, maar ook effecten op de administratieve lasten voor apothekers, op de beschikbaarheid van geneesmiddelen en op de patiëntenzorg.6
Bent u bereid om uiterlijk eind februari 2026 een spoedoverleg te beleggen met zorgverzekeraars, apothekersbranches en patiëntenvertegenwoordigers, met als concrete opdracht: het vaststellen van afspraken die per 1 april 2026 operationeel zijn, zodat patiënten niet langer met lege handen naar huis gaan terwijl alternatieven op de plank liggen?
Het kabinet ziet geen toegevoegde waarde in het inlassen van een spoedoverleg. Er vindt namelijk al regelmatig overleg met hen plaats. Specifiek werkt het kabinet bijvoorbeeld met de zorgverzekeraars, apothekersbranches en andere relevante partijen aan verbeteringen van het inkoop- en preferentiebeleid. En werkt het kabinet met veldpartijen (met vertegenwoordigers van patiënten, leveranciers, groothandels, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, voorschrijvers, apothekers en de overheid) voortvarend aan de structurele verbetering van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Zo wordt in het kader van het AZWA gewerkt aan snelle aanpassing van de vergoeding door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is én aan een frequente update van de informatie hierover in informatiesystemen zoals de G-standaard. Alle veldpartijen zijn zich bewust van de urgentie en dragen naar vermogen bij aan het oplossen van de beschikbaarheidsproblematiek.
Hoe verklaart u aan miljoenen Nederlanders dat, als zij in een levensbedreigende situatie terechtkomen, ze niet geholpen mogen worden vanwege beleid, terwijl een alternatief medicijn beschikbaar is?
Deze vraag wekt de suggestie dat miljoenen Nederlanders, als zij in een levensbedreigende situatie terecht komen, niet geholpen mogen worden. Dat is onjuist. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of met een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.7
Het bericht 'Plan van aanpak Leiderschap bij uitluiting en racisme binnen de politie' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatieve prioriteit die de politie geeft aan intern leiderschapsontwikkeling versus de kernveiligheidsopdracht?1
Ik ga er van uit dat wordt gedoeld op het Plan van Aanpak van de Inspectie Justitie en Veiligheid. De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering van de politie. De focus van de politie ligt op de uitvoering van haar kerntaken. Dit betekent dat zij, in overeenstemming met artikel 3 van de Politiewet 2012, zorgt voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Dit vereist een professionele politieorganisatie waarin leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. De Inspectie stelt in het plan van aanpak: «Uitsluiting, discriminatie en racisme (UDR) binnen de politie vormen een risico voor de kwaliteit van de taakuitvoering. Zo kan UDR het onderlinge vertrouwen tussen agenten aantasten, terwijl dat een randvoorwaarde is voor het veilig uitvoeren van de soms gevaarlijke politietaken. Ook moeten politiemedewerkers op basis van artikel 1 van de Grondwet elkaar en de mensen waarmee zij in contact komen gelijkwaardig behandelen, wie of wat zij ook zijn.»
Uit het plan van aanpak blijkt dat de Inspectie op eigen initiatief in 2025 heeft besloten om een korte oriëntatie uit te voeren naar de uitwerking van de door de politie voorgestelde maatregelen om uitsluiting, discriminatie en racisme binnen de politieorganisatie aan te pakken. De IJenV is onafhankelijk en beslist zelfstandig over haar eigen onderzoeksprogrammering.
Is het niet zo dat een teveel aan interne cultuuronderzoeken kan afleiden van de primaire taakuitvoering? Hoe reflecteert u op dit spanningsveld?
Zie antwoord vraag 1.
Welke concrete meetbare resultaten verwacht u op korte termijn?
Het betreft een onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid dat nog moet worden uitgevoerd. Zodra het onderzoek door de Inspectie is afgerond zullen de resultaten ervan op de gebruikelijke wijze openbaar worden gemaakt.
Is er rekening gehouden met effectmeting op misdaaddruk en burgerveiligheid?
Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Inspectie Justitie en Veiligheid. De kaders van het onderzoek worden door de Inspectie bepaald.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat agenten terughoudend optreden uit angst voor beschuldigingen?
In algemene zin ben ik van mening dat agenten met vertrouwen en rugdekking van de leiding hun werk moeten kunnen doen. Politieagenten zetten zich elke dag in voor de veiligheid van onze samenleving, vaak onder veeleisende en moeilijke omstandigheden. Zij verdienen hiervoor onze volle waardering. De basis van alle politietraining blijft vakbekwaamheid en professionaliteit; onder andere middels de Integrale Beroepsvaardigheden Trainingen waarin politieagenten worden ondersteund en getraind in het daadkrachtig en rechtmatig optreden op straat. Handelend optreden, handhaven, geweldsbeheersing, en juridische kennis staan hierbij centraal. Ook wordt juridische ondersteuning laagdrempelig beschikbaar gesteld. In de opleidingen wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan professioneel en daadkrachtig optreden binnen de wettelijke kaders. Medewerkers worden hierbij ondersteund door hun leidinggevende. Leidinggevenden moeten oog houden voor de continuïteit en professionaliteit van de operatie én oog houden voor de belasting en weerbaarheid van collega's.
Een professionele politieorganisatie betekent dat leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. In zo’n organisatie is geen plaats voor uitsluiting, discriminatie en racisme. Een stevige leiderschapsontwikkeling is om deze reden opgenomen in de strategische agenda van de politie 2025–2030. Hiermee wordt erkend dat leidinggevenden een cruciale positie hebben in de organisatie, omdat zij meer verantwoordelijkheden hebben ten opzichte van andere medewerkers, meer formele invloed hebben op de gang van zaken binnen de organisatie en een voorbeeldrol vervullen. De organisatie investeert in leidinggevenden die bijdragen aan het bewerkstelligen van veilige en inclusieve teams.
Zijn er plannen voor training gericht op daadkrachtig en rechtmatig optreden in plaats van een focus op «inclusiezaken»?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang?
Aangezien het een onderzoek van de Inspectie betreft, kan ik geen toezeggingen doen over tussentijdse voortgangsrapportages. Zodra de Inspectie het onderzoek heeft afgerond en aan mij heeft aangeboden, zal ik uw Kamer – conform de gebruikelijke termijnen – hierover informeren en het rapport doen toekomen.
Hoeveel capaciteit (in fte en middelen) wordt ingezet voor zaken rondom inclusiviteit, diversiteit en racisme binnen de politie? Kunt u dit ook per functieprofiel op een rijtje zetten?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. De politie heeft geen apart overzicht van alle inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
Hoe weegt u het tegengaan van discriminatie tegenover een krachtige politie-aanwezigheid?
Een krachtige politie is per definitie professioneel en handelt binnen de wet. Discriminatie ondermijnt het gezag en de effectiviteit van de organisatie. Leidinggevenden moeten zich bewust zijn van hun cruciale rol bij het voorkomen en aanpakken van uitsluiting, discriminatie en racisme.
Hoe voorkomt u bureaucratisering ten koste van zichtbare handhaving?
Voor een effectieve uitvoering van de politietaak is een professionele, zelfbewuste organisatie nodig. Aanwezigheid en zichtbaarheid van de politie in de wijk is en blijft een topprioriteit. Om dit te versterken zet de politie in op het verminderen en efficiënter inrichten van administratieve lasten. Het programma Vernieuwen Registreren (PVR) ondersteunt collega’s daarbij, zodat zij meer tijd hebben voor het werk op straat en zichtbaar kunnen zijn in de wijk.
Het artikel ‘Kans op herhaling criminelen jarenlang verkeerd berekend door reclassering’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Computer slechte voorspeller recidive» over risicotaxatie-algoritmen binnen de reclassering?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van de samenleving tegen recidive de hoogste prioriteit moet hebben bij risicotaxatie?
De bescherming van de samenleving is een kerndoel van de reclassering. Risicotaxatie is daarvoor een belangrijk middel. Risicotaxatie moet verantwoord gebeuren om effectief bij te dragen aan die veiligheid.
Kunt u concreet onderbouwen dat het gebruik van algoritmen binnen de reclassering leidt tot structurele discriminatie?
Het risicotaxatieinstrument OxRec maakt geen direct onderscheid naar ras of etniciteit. Maar volgens de Inspectie Justitie en Veiligheid kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van buurtscore en inkomen kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.2 Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.3
Is het juist dat variabelen zoals woonomgeving, inkomen en opleidingsniveau statistisch samenhangen met recidive?
Ja, dat klopt. De OxRec is ontwikkeld door onderzoekers verbonden aan de universiteit van Oxford. Bij de keuze voor het opnemen van verschillende variabelen verwijzen zij naar wetenschappelijk onderzoek, waaruit de samenhang van deze variabelen met recidive blijkt.4
Deelt u de mening dat het negeren van dergelijke factoren kan leiden tot een minder realistische risico-inschatting?
Ja, dat risico bestaat.
Bent u het ermee eens dat statistische verschillen tussen groepen niet automatisch betekenen dat sprake is van discriminatie?
Ja. Zo zijn er bijvoorbeeld statistische verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot (herhaling van) criminaliteit. Ook leeftijd en verslaving zijn bijvoorbeeld variabelen die samenhangen met recidive. Het meewegen van die verschillen kan gerechtvaardigd zijn, maar moet onderbouwd worden.
Klopt het dat algoritmen slechts ondersteunend zijn en dat de uiteindelijke beslissing bij de professional of rechter ligt? En hoe werkt dit process?
Het klopt dat de algoritmen worden gebruikt als een hulpmiddel. Volgens de reclassering zijn de algoritmen niet doorslaggevend en vervangen het professioneel oordeel niet. Ze ondersteunen en fungeren als het ware als «spiegel» bij de totstandkoming van het advies. Dit proces is volgens de reclassering ook zo in het beleid vastgelegd. Desalniettemin is het van belang om hier voortdurend alert op te blijven. Hiervoor zal de reclassering in de toekomst specifiek aandacht hebben, zodat kennis en werkprocessen op peil blijven en waar nodig worden verbeterd.
Tot slot is het niet aan mij om opiniemakers en media te recenseren die een andere indruk wekken over de werkwijze van de reclassering.
Waarom wordt in het publieke debat de indruk gewekt dat «de computer beslist», terwijl het om een hulpmiddel gaat?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre acht u het verantwoord om bewezen risicofactoren te schrappen uit angst voor vermeende discriminatie?
In het verbetertraject van de reclassering wordt onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec. Variabelen in de betreffende algoritmes worden alleen verwijderd als deze leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid (discriminatie). Ik kan hierop niet vooruitlopen.
Kunt u aangeven of het verwijderen van bepaalde variabelen gevolgen heeft voor de nauwkeurigheid van de voorspellingen?
Zie antwoord vraag 9.
Is onderzocht wat de impact op recidivecijfers kan zijn wanneer risicomodellen worden afgezwakt?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe weegt u het belang van publieke veiligheid tegenover zorgen over indirecte discriminatie?
Beide belangen wegen zwaar en zijn verenigbaar. Ik wil recht doen aan beide belangen. Een verantwoorde risicotaxatie beschermt de samenleving en voorkomt dat mensen op bepaalde gronden ongerechtvaardigd zwaarder worden aangepakt.
Zijn er concrete gevallen bekend waarin mensen aantoonbaar onterecht zwaarder zijn bestraft door algoritmische inschattingen?
Nee. In eerder genoemde beleidsreactie wordt dit toegelicht.5
Deelt u de zorg dat politieke correctheid zwaarder kan gaan wegen dan veiligheid?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 12.
Hoe gaat u voorkomen dat criminelen profiteren van afgezwakte risicotaxaties?
Zie antwoord vraag 14.
Worden slachtoffers en hun belangen expliciet meegewogen in deze discussie? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het slachtofferperspectief wordt in het verbetertraject van de reclassering meegenomen. Slachtofferbewust en herstelgericht werken zijn al vaste en belangrijke onderdelen van het reclasseringswerk. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het betrekken van slachtofferbelangen in een reclasseringsadvies, zoals het adviseren van veiligheidsmaatregelen (contact- en locatieverbod).
In hoeverre worden politie en reclasseringsprofessionals betrokken bij aanpassingen van deze systemen?
De maatregelen in het verbetertraject zien op aanpassingen van de algoritmes die de reclassering bij risicotaxatie hanteert. Bij dit traject worden ook reclasseringswerkers betrokken. Daarnaast betrekt de reclassering ook de wetenschap en andere deskundigen op dit terrein. De reclassering informeert de ketenpartners tijdig en betrekt hen zo nodig in het verbetertraject.
Bent u bereid transparant te maken welke variabelen worden gebruikt en waarom?
Alle variabelen van de OxRec, zoals de reclassering die heeft geïmplementeerd, staan genoemd in bijlage E van het Inspectierapport.
Kunt u garanderen dat het voorkomen van recidive leidend blijft bij eventuele herzieningen van deze systemen?
Zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 12.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de effecten op veiligheid wanneer wijzigingen in algoritmen worden doorgevoerd?
In de beleidsreactie is aangegeven dat uw Kamer naar verwachting in het najaar van dit jaar wordt geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen. Dit punt zal daarin worden meegenomen.
Sepots en strafbeschikkingen door het Openbaar Ministerie |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 door het Openbaar Ministerie (OM) geseponeerd (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
Het Openbaar Ministerie (OM) kan beslissen om een strafzaak voor te leggen aan de rechter, zelfstandig af te doen (met een strafbeschikking) of niet (verder) te vervolgen. Laatstgenoemde beslissing wordt een sepot genoemd. Een voorwaardelijk sepot houdt in dat de verdachte niet wordt vervolgd indien hij/zij zich binnen een proeftijd aan één of meer voorwaarden houdt. Bij een onvoorwaardelijk sepot, is de beslissing tot niet (verdere) vervolging niet afhankelijk gesteld van het gedrag van de verdachte.
Hieronder staat de gevraagde informatie per jaar.1
In 2023 heeft het OM 56.400 misdrijfzaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 9.400 misdrijfzaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 29 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 5 procent.
In 2023 heeft het OM 66.3000 overtredingszaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 300 overtredingszaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 40 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 0.2 procent.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2023 van het OM.2
In 2024 heeft het OM 64.700 misdrijfzaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 9.400 misdrijfzaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 30 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 4 procent.
In 2024 heeft het OM 86.000 overtredingszaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 500 overtredingszaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 45 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 0.3 procent.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2024 van het OM.3
De cijfers over 2025 zijn nog niet definitief, waardoor deze hier niet worden vermeld. De cijfers zullen verschijnen in het (openbare) jaarbericht 2025 van het OM, dat naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer wordt aangeboden.
Kunt u deze sepotcijfers uitsplitsen naar delictcategorie (bijvoorbeeld: geweld, vermogensdelicten, zedendelicten, cybercriminaliteit/digital crime, drugsdelicten, verkeersdelicten, overige) en daarbij de definities van de gebruikte categorieën vermelden?
Voor de misdrijfzaken zijn deze cijfers verder uit te splitsen. Deze treft u hieronder.4 Door na-ijleffecten en afgeronde aantallen wijkt het eindtotaal licht af van de hierboven gepresenteerde aantallen. Voor de overtredingscijfers vindt geen registratie per delictscategorie plaats, omdat deze voornamelijk verkeersovertredingen en een aantal lichtere delicten betreffen die niet op eenvoudige wijze zijn in te delen in categorieën. De delictscategorieën zijn gebaseerd op de standaardclassificatie misdrijven zoals die wordt gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.5
Kunt u de sepotcijfers daarnaast uitsplitsen naar sepotgrond (bijvoorbeeld: technisch sepot, beleidssepot/opportuniteitssepot, onvoldoende bewijs, geringe ernst/geen maatschappelijk belang, capaciteits-/prioriteringsredenen, anders) en aangeven welk deel van de sepots (mede) samenhangt met capaciteits- of prioriteringskeuzes?
Het OM kan op dit moment op basis van 50 verschillende gronden en daaraan gekoppelde sepotcodes overgaan tot niet verdere vervolging. Het beleid voor het seponeren van strafbare feiten heeft het OM neergelegd in de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden. Er zijn twee categorieën sepotgronden: technische gronden en beleidsgronden. Een technisch sepot volgt als op grond van het opsporingsonderzoek geconcludeerd wordt dat niet kan worden vervolgd of een veroordeling niet haalbaar is, bijvoorbeeld omdat er te weinig bewijs is. Bij een beleidssepot luidt het oordeel van het OM dat een vervolging wel als haalbaar wordt ingeschat, maar niet opportuun is op gronden aan het algemeen belang ontleend.6 Mede naar aanleiding van het recente rapport «Afgezien van vervolging» van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is het College voornemens om het grote aantal sepotgronden terug te brengen naar een beperkt aantal gronden, met als achterliggend doel om de sepotbeslissingen begrijpelijker en duidelijker te maken voor betrokkenen.7
In onderstaande tabellen8 staat in hoeveel procent van de gevallen is gekozen voor een technisch sepot en verschillende vormen van een beleidssepot. Daarmee wordt inzicht verschaft in de factoren die in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken.
Hoeveel sepots betroffen zaken die waren aangeleverd door de politie met het oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft», en wat zijn daarvoor de belangrijkste redenen?
Er vindt geen registratie en/of inzending van zaken plaats door de politie aan het OM met een voorlopig oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft». Beoordeling van de zaken vindt plaats door het OM aan de hand van het kader als geschetst onder antwoord op de vragen 3 en 5. Indien een zaak wordt geseponeerd, is deze afgedaan, tenzij de beslissing op grond van nieuwe feiten of omstandigheden moet worden herzien of het gerechtshof een bevel tot vervolging geeft op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering.
Kunt u kwalitatief en kwantitatief uiteenzetten welke factoren in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken door het OM, bijvoorbeeld capaciteits- en prioriteringskeuzes, kwaliteit en volledigheid van politiedossiers, complexiteit van zaken en bewijslast, beleidsmatige keuzes in het kader van het opportuniteitsbeginsel of overige oorzaken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 afgedaan met een strafbeschikking (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
In 2023 heeft het OM 42.300 misdrijven afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 22 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM: 195.300. Het OM heeft 47.500 overtredingen afgedaan met een OM-strafbeschikking in 2023. Dit is 29 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM: 166.100.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2023 van het OM.
In 2024 heeft het OM 52.900 misdrijven afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 25 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM: 214.500. In 2024 heeft het OM 47.700 overtredingen afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 25 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM: 190.300.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2024 van het OM.
De cijfers over 2025 zijn nog niet definitief, waardoor deze hier niet worden vermeld. De cijfers zullen verschijnen in het (openbare) jaarbericht 2025 van het OM, dat naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer wordt aangeboden.
Kunt u de strafbeschikkingscijfers uitsplitsen naar delictcategorie (zoals genoemd in vraag 2) en ook aangeven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten?
Voor de misdrijfzaken zijn deze cijfers verder uit te splitsen. Deze treft u hieronder.9 Door na-ijleffecten en afgeronde aantallen wijkt het eindtotaal licht af van de hierboven gepresenteerde aantallen. Voor de overtredingscijfers vindt geen registratie per delictscategorie plaats, omdat deze voornamelijk verkeersovertredingen en een aantal lichtere delicten betreffen die niet op eenvoudige wijze zijn in te delen in categorieën. Het is eveneens niet mogelijk om aan te geven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten, nu hiervoor dossieronderzoek nodig is omdat dit niet uit de systemen kan worden gehaald. In het algemeen geldt dat meervoudige recidive (dat wil zegen vanaf de tweede keer recidiveren) binnen vijf jaren ter zake van een misdrijf een contra-indicatie voor het opleggen van een strafbeschikking is op basis van het beleid van het OM.
Kunt u aangeven hoeveel strafbeschikkingen in 2023, 2024 en 2025 zijn betaald/nagekomen binnen de gestelde termijn, bij hoeveel verzet is aangetekend (en met welk resultaat), hoeveel zijn ingetrokken of aangepast, en hoeveel niet ten uitvoer zijn gelegd wegens onvindbaarheid, betalingsonmacht of een andere reden?
Meestal verstuurt en int het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de strafbeschikkingen die het OM oplegt. In de navolgende tabel staat de huidige status van de oplegde strafbeschikkingen uit 2023 en 2024 volgens de systemen van het OM.
Kunt u toelichten welke factoren bepalend zijn voor de keuze van het OM om strafzaken af te doen via een strafbeschikking in plaats van dagvaarding en kunt u daarbij inzichtelijk maken in hoeverre deze keuze wordt beïnvloed door beschikbare capaciteit binnen het OM en de rechtspraak, beleidsmatige aansturing en standaardisering van afdoeningen, aard en ernst van het delict, doorlooptijden en efficiëntieoverwegingen of andere relevante factoren?
Het OM heeft beleidsregels uitgevaardigd voor het afdoen met een OM-strafbeschikking: de Aanwijzing OM-strafbeschikking uit het jaar 2022. Uit deze beleidsregels volgt dat het uitgangspunt is dat een zaak in beginsel met een strafbeschikking wordt afgedaan wanneer dat wettelijk mogelijk is én de strafzaak zich ervoor leent. Wettelijk gezien is het voor de officier van justitie mogelijk om een strafbeschikking uit te vaardigen voor een overtreding of voor een misdrijf waarop een maximum gevangenisstraf van 6 jaar staat. Of een strafzaak zich voor een strafbeschikking leent, beoordeelt de officier van justitie op grond van alle feiten en omstandigheden, waarbij veel gewicht toekomt aan de ernst van het feit. Zo ligt het meer voor de hand om een strafbeschikking op te leggen in het geval twee volwassenen een rolletje drop stelen bij de supermarkt dan wanneer een professionele inbrekersgroep een woning leegrooft. In beide gevallen is er sprake van diefstal waarop een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar staat. Bij de beoordeling of een strafzaak zich leent voor afdoening met een strafbeschikking, slaat de officier van justitie ook acht op de strafvorderingsrichtlijnen van het OM. Deze zijn door het OM opgesteld met het streven naar een landelijk uniform strafvorderingsbeleid. Afdoening door middel van een strafbeschikking ligt in beginsel niet in de rede wanneer op basis van de strafvorderingsrichtlijn het uitgangspunt is dat een gevangenisstraf wordt geëist voor dat delict en er geen feiten en omstandigheden zijn die maken dat van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. De beleidsregels kennen verder een aantal contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking:
Het OM maakt sinds 2008 gebruik van de strafbeschikking. Hiervoor heeft uw Kamer een wet aangenomen die het OM de bevoegdheid geeft om bij sommige relatief lichtere misdrijven een strafbeschikking op te leggen (op grond van de wet kan de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigen voor overtredingen en misdrijven waar maximaal een gevangenisstraf van 6 jaar op staat). Sinds 1 februari 2025 past het OM op grond van een tijdelijke instructie de strafbeschikking vaker toe bij veelvoorkomende vermogenscriminaliteit, zoals winkeldiefstal en heling. Hiermee wordt de strafrechter verder ontlast en kan rechterlijke capaciteit worden benut voor zwaardere strafzaken. De intensivering heeft tot doel doorlooptijden te verkorten en meer criminaliteit aan te pakken.
Zoals de vorige Staatssecretaris van JenV en mijn ambtsvoorganger hebben toegelicht in een brief 19 december 2025 wacht het OM onder meer de uitkomst van een onderzoek van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad naar de strafbeschikking af, een onderzoek van het WODC naar de strafbeschikking en het debat hierover in uw Kamer alvorens tot een eventuele verdere verruiming van de toepassing van de strafbeschikking wordt besloten.11 Naar verwachting zullen de rapporten van genoemde onderzoeken in de eerste helft van 2026 worden gepubliceerd. Ik zal u hierover informeren.
Zijn er binnen de sepots en strafbeschikkingen de afgelopen tien jaar trends of trendbreuken waar te nemen? En, zo ja, welke zijn dat en wat valt hier aan ten grondslag?
Tot 2019 kon de politie onder mandaat van het OM zelf seponeren (de zogenoemde politiesepot of BOSZ-sepot). Vanaf 2019 is dit beleid gewijzigd, nu seponeert het OM zelf. Vanaf dat jaar is daarom een hoger aantal onvoorwaardelijke sepots door het OM te zien.
Welke verwachtingen heeft het OM voor de komende jaren ten aanzien van het aantal vervolgingen, sepots en strafbeschikkingen?
Het OM wil meer en andere soorten zaken op het gebied van veelvoorkomende criminaliteit binnenhalen om deze meer in lijn te brengen met het criminaliteitsbeeld. In dit kader moet bijvoorbeeld worden gedacht aan meer zaken die zien op gedigitaliseerde criminaliteit. Daarbij streeft het OM ernaar om meer bewijsbare feiten bij het OM te laten binnenstromen, waardoor er minder geseponeerd hoeft te worden. Zoals hiervoor is toegelicht wordt nog bezien of de toepassing van de strafbeschikking wordt verruimd.
Wat heeft het OM concreet nodig om de komende jaren meer strafzaken daadwerkelijk te kunnen vervolgen?
Het OM zet zich optimaal in om zoveel mogelijk criminaliteit aan te kunnen pakken. Tegelijkertijd is de realiteit dat de opsporings- en vervolgingscapaciteit niet oneindig is, wat betekent dat het OM altijd keuzes zal moeten maken in welke zaken het oppakt.
Om het OM te ondersteunen in de onmisbare rol die het vervult in de strafrechtketen, is in het coalitieakkoord neergelegd dat er oplopend tot een bedrag van 50 miljoen euro structureel per jaar voor het OM beschikbaar wordt gesteld voor de ICT-problemen waar het op dit moment mee kampt.
Het Dienstencentrum van de politie |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Dienstencentrum van de politie en de rol die dit centrum vervult bij facilitaire dienstverlening, waaronder catering en inkoop?
Ja, ik ben bekend met het politiedienstencentrum (PDC). Bij het PDC komen alle takken van de bedrijfsvoering samen, zoals HRM, Communicatie, ICT, Verwerving, Facility Management en Financiën.
Kunt u een volledig en actueel overzicht geven van alle leveranciers waarmee het Dienstencentrum van de politie momenteel samenwerkt?
Een volledig en actueel overzicht van alle leveranciers waarmee het PDC
samenwerkt kent juridische en praktische beperkingen en brengt bovendien veiligheidsrisico’s met zich mee. Op onderdelen gaat het om gevoelige informatie. Openbaarmaking kan de kans op beveiligingsincidenten vergroten en strategische keuzes van politie ondermijnen. Dit geldt eveneens voor een volledig en actueel overzicht van alle lopende contracten die door het politiedienstencentrum zijn afgesloten.
Verwerving van producten, diensten en werken vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders, waarbij rekening moet worden gehouden met de deels vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten. Dit brengt wettelijke belemmeringen met zich mee bij het samenstellen van een volledig overzicht. Daar waar geen sprake is van vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten, zijn de leveranciers waar politie mee samenwerkt publiekelijk te vinden via het aanbestedingsplatform TenderNed.
Kunt u per leverancier aangeven:
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle lopende contracten die door of via het Dienstencentrum van de politie zijn afgesloten, inclusief einddata en eventuele verlengingsopties?
Zie antwoord op vraag 2. Een overzicht van alle lopende contracten is vanwege meerdere redenen niet deelbaar. Veel informatie is echter wel publiekelijk beschikbaar. Aangezien de vervolgvragen zich voornamelijk toespitsen op catering, ga ik daar nader op in. Wat betreft catering bij operationele inzet is een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Voor de bedrijfsrestaurants en banqueting is ook een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Wat betreft de onbemande catering is een raamovereenkomst met één partij gesloten. Tevens is er een landelijk contract voor warme dranken automaten. Op alle politielocaties is gratis koffie, thee en gekoeld water beschikbaar.
De raamovereenkomsten voor eten en drinken hebben doorgaans een contractduur van 4 jaar. Per 1 februari 2026 zijn de nieuwe raamovereenkomsten voor operationele catering ingegaan. De nieuwe overeenkomsten voor bedrijfsrestaurants en banqueting gaan in na definitieve gunning, in afwachting van de bezwaartermijn.1
Welke aanbestedingen zijn op dit moment lopende of recent afgerond door het Dienstencentrum van de politie, en welke financiële omvang vertegenwoordigen deze aanbestedingen?
De politie publiceert haar lopende en recent afgeronde aanbestedingen via TenderNed, daar waar het geen gevoelige informatie betreft. Via TenderNed wordt gecommuniceerd over de verschillende aanbestedingen en de fase van de betreffende aanbesteding. Ook geeft politie jaarlijks inzicht in het verwervingsportfolio, om bedrijven de gelegenheid te geven te anticiperen op verwachte aanbestedingen door de Politie, zo ook voor 2026.2 Momenteel lopende aanbestedingen zijn bijvoorbeeld bodycams en toebehoren, voertuig-ICT, tolkdiensten op afstand, motorlaarzen en de basispolitievoertuig personenbussen.
In het laatste kwartaal van 2025 heeft politie onder andere aanbestedingen afgerond op het gebied van levering vliegtuigbrandstoffen Texel (maximale waarde: € 750.000), catering operationele inzet (maximale waarde per perceel: € 5.900.000), sportmedisch onderzoek (maximale waarde: € 1.080.000) en interieurbeplanting (maximale waarde: € 4.800.000).
Op basis van welke criteria (prijs, kwaliteit, duurzaamheid, sociale voorwaarden) worden deze aanbestedingen beoordeeld?
De Aanbestedingswet-2012 kent drie gunningscriteria: de beste prijs-kwaliteitsverhouding, de laagste prijs en de laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit. De beoordelingscriteria verschillen per aanbesteding, afhankelijk van de aspecten waarop opdrachtnemers zich van elkaar kunnen onderscheiden. In iedere aanbesteding wordt het beoordelingskader, inclusief de (onderlinge) weging van de verschillende criteria, vooraf met geïnteresseerde opdrachtnemers gedeeld.
Voor de sector Facilitaire Services – waar de categorie eten en drinken deel van uitmaakt – hanteert politie criteria als doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid.
Klopt het dat politieagenten op politielocaties momenteel circa € 3,00 betalen voor een flesje spa/blauw en circa € 15,00 voor een lunchpakket? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze prijzen tot stand zijn gekomen en welke contractuele afspraken hieraan ten grondslag liggen? Zo nee, hoe ziet dit er dan uit?
De genoemde bedragen zijn niet correct. Bij operationele inzet zijn lunchpakketten en flesjes water voor rekening van de werkgever. Hierbij gaat het om het standaard lunchpakket à € 5,57 of de luxe variant à € 7,81. Deze kosten worden niet doorbelast aan de medewerkers. Tijdens reguliere diensten hebben medewerkers de mogelijkheid om zelf een lunch mee te nemen. Hiervoor zijn koel- en opwarmmogelijkheden aanwezig.
Ook kan een medewerker gebruik maken van de bedrijfsrestaurants. In het bedrijfsrestaurant worden gevarieerde keuzes aangeboden, inclusief vegetarische en warme opties. Een lunchdeal van € 3,50 voor een volledige lunch is contractueel vastgelegd om betaalbaarheid voor medewerkers te garanderen. De prijs voor een flesje mineraalwater bedraagt € 1,30 in het bedrijfsrestaurant. Deze is ook beschikbaar in een vendingautomaat voor € 1,35. Zoals aangegeven bij vraag 4 is er tevens gratis gekoeld water beschikbaar.
Welke overwegingen hebben geleid tot het afsluiten van contracten met cateraars waarbij dergelijke prijzen worden gehanteerd voor basale consumpties?
Dergelijke prijzen zijn niet aan de orde. Bij het afsluiten van de cateringcontracten is rekening gehouden met prijs, kwaliteit en de gunningscriteria genoemd bij het antwoord op vraag 6 conform het vooraf gedeelde beoordelingskader. De contracten zijn gesloten als gevolg van een aanbestedingsprocedure binnen het geldende wettelijk kader.
Acht u deze prijsstelling passend voor medewerkers van de politie, gezien hun publieke taak en onregelmatige diensten?
De prijsstelling wordt door politie als passend beoordeeld, omdat de medewerkers gebruik kunnen maken van zelf meegenomen lunch, gebruik van het bedrijfsrestaurant, gebruik van de vendingautomaten en door de werkgever verstrekte lunch bij operationele inzet. De prijsstelling past binnen de kaders van de gevolgde aanbesteding. Bij de eisen en wensen in de aanbesteding is rekening gehouden met verschillende aspecten van goed werkgeverschap, zoals betaalbaarheid van producten voor politiemedewerkers en maatschappelijke doelen als duurzaamheid, circulariteit en het tegengaan van voedselverspilling.
In hoeverre is bij het afsluiten van deze contracten rekening gehouden met het principe van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel?
De principes van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel vormen de basis van de aanbesteding. Deze principes zijn tot uiting gebracht door te beoordelen op doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid. Goed om hierbij te vermelden is dat de gebruikerstevredenheid in 2025 een hoger cijfer heeft gehaald dan de contractueel vastgelegde doelstelling.
Zijn er binnen de huidige contracten mogelijkheden om andere prijsafspraken te maken, bijvoorbeeld door:
Door raamovereenkomsten te sluiten behaalt te politie volumekortingen, verduurzaming, ruimte voor innovatie en overige schaalvoordelen. In de bijbehorende aanbestedingen bestaat de ruimte om maximumprijzen te hanteren. Bij het sluiten van de overeenkomsten zijn door politie prijsafspraken gemaakt, waaronder de contractueel vastgelegde lunchdeal à € 3,50.
Ziet u mogelijkheden om efficiency-slagen te maken binnen de facilitaire dienstverlening van de politie, specifiek op het gebied van catering en inkoop? Zo nee, waarom niet?
Efficiëntie blijkt voor de facilitaire dienstverlening uit een zo optimaal mogelijke prijs-kwaliteit verhouding. Politie is doorlopend alert op het naleven van afspraken binnen de raamovereenkomst(en) of het – waar nodig – herijken van de raamovereenkomst(en).
Heeft het Dienstencentrum van de politie inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van cateringvoorzieningen voor de politieorganisatie?
Ja, het PDC heeft inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van de cateringvoorzieningen. Deze kosten vallen onder de dienst Facility Management, sector facilitaire services binnen het PDC, en zijn opgebouwd uit exploitatiekosten, materiaalverbruik, verstrekkingen van koffie, thee en water en overige kosten.
Hoe verhouden deze kosten zich tot vergelijkbare overheidsorganisaties of andere grote werkgevers binnen de (semi)publieke sector?
De politie geeft aan dat de aanbestedingscriteria vergelijkbaar zijn met die van andere overheidsorganisaties.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige contracten leiden tot onnodig hoge kosten voor politiepersoneel en of heronderhandeling of aanpassing wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. De huidige contracten zijn gesloten conform wettelijke kaders en richtlijnen. Politie heeft zelfstandig de van toepassing verklaarde eisen, wensen en beoordelingscriteria gesteld. Ik ben van mening dat de prijsstelling in de huidige contracten niet leidt tot onnodig hoge kosten. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 12 blijft politie doorlopend alert op efficiënte inkoop. Een heronderhandeling is niet aan de orde.
Deelt u de opvatting dat het rekenen van hoge prijzen voor basisvoorzieningen, zoals eten en drinken tijdens diensttijd, moeilijk te rijmen is met goed werkgeverschap?
Goed werkgeverschap, waaronder betaalbaarheid van producten op politielocaties, is integraal meegenomen in de contracten en daarmee prijsstelling van cateringdienstverlening. Politie acht het belangrijk dat er keuzemogelijkheden zijn voor medewerkers. Daarbij gaat het om het zelf kunnen meenemen van lunch, gratis voorzieningen bij operationele inzet, de keuze voor een lunch in het bedrijfsrestaurant tegen een gereduceerd tarief of het gebruik van een vendingautomaat.
Hoe kijkt u, in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever, aan tegen de huidige situatie en welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf als Minister?
De politie handelt verantwoordelijk in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever. Goed werkgeverschap is integraal onderdeel van de contracten in de categorie eten en drinken. Ik heb vertrouwen in de wijze waarop de politie dit aanpakt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele maatregelen die u wilt nemen om de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten te verbeteren?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. Binnen de contracten in de categorie eten en drinken is het verbeteren van betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten een continu proces. Het PDC gebruikt klankbordgroepen en herijking van contracten om te zorgen dat zij steeds passende faciliteiten aanbiedt.
Aangezien de prijsstelling in de huidige contracten niet tot onnodig hoge kosten leidt, zie ik geen noodzaak om aanvullende maatregelen te treffen. Informatie over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen in algemene zin past binnen het reeds bestaande proces van begroting en jaarverantwoording.
Kunt u toezeggen dat bij toekomstige aanbestedingen explicieter wordt gestuurd op betaalbaarheid voor medewerkers en op doelmatige besteding van publieke middelen?
De betaalbaarheid is reeds onderdeel van de beoordeling bij aanbestedingen in de categorie eten en drinken. Een nog explicietere sturing op betaalbaarheid voor medewerkers is niet noodzakelijk. Doelmatige besteding van publieke middelen wordt integraal meegenomen bij alle aanbestedingen van politie.
Heeft u voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal overleg gevoerd met burgemeesters en/of de lokale driehoeken over de reële kans op ongeregeldheden en geweldplegingen? Zo ja, welke concrete risico’s zijn daarbij benoemd en welke maatregelen zijn afgesproken om de openbare orde te waarborgen?1
Nee, de maatregelen die worden getroffen voor de handhaving van de openbare orde zijn aan het lokaal gezag in de gemeente. De afweging welke maatregelen op welk moment verstandig zijn dienen in de lokale driehoek gemaakt te worden.
Is er op landelijk niveau een risicobeeld opgesteld voor deze wedstrijd, mede op basis van eerdere ervaringen met rellen na wedstrijden van Marokko? Kunt u uiteenzetten welke dreigingen daarin zijn meegenomen?
De lokale driehoek maakt op basis van de beschikbare informatie een risico-inschatting betreffende de mogelijkheid op openbare orde verstoringen.
Wordt er actief gemonitord op sociale media en berichtenapps op oproepen tot rellen, geweld of verstoring van de openbare orde in relatie tot deze wedstrijd? Zo ja, hoe worden deze signalen in de praktijk benut?
De politie heeft mogelijkheden om zowel fysiek als online, binnen de kaders van artikel 3 van de Politiewet, voorafgaand of tijdens een evenement informatie te verzamelen om een risico-inschatting te maken of, waar en wanneer er een mogelijke openbare orde verstoring kan plaatsvinden. Op basis van het informatiebeeld wordt het lokaal gezag geïnformeerd en wordt in de lokale driehoek bepaald welke inzet en maatregelen nodig zijn.
Is de beschikbare politiecapaciteit rondom de wedstrijd Marokko-Senegal voldoende om bij eventuele grootschalige ongeregeldheden snel en hard op te treden? Hoeveel extra agenten zijn landelijk extra stand-by gezet voor deze avond?
Ja, er is voldoende politiecapaciteit om, ook in het geval van eventuele grote ongeregeldheden, op te treden. De politie bepaalt lokaal op basis van het informatiebeeld rondom onder andere voetbalwedstrijden, wat de benodigde inzet is om in te kunnen spelen op diverse scenario’s die zich zouden kunnen voordoen. De politie heeft mij geïnformeerd dat daar waar nodig in de preparatie was opgeschaald. Voor deze voetbalwedstrijd was de inzet toereikend.
Is er voldoende arrestanten- en celcapaciteit beschikbaar om bij escalatie massaal te kunnen aanhouden en vasthouden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb van de politie vernomen dat het algehele beeld in het land rustig was. Op twee locaties hebben ongeregeldheden plaatsgevonden: in Amsterdam en Den Haag. Er zijn in totaal zeventien aanhoudingen verricht (negen in Amsterdam en acht in Den Haag) naar aanleiding van onder andere het afsteken van vuurwerk en belediging. Beschikbare capaciteit van politiecellen om arrestanten vast te zetten speelde geen rol bij de keuze om over te gaan tot aanhoudingen.
Kunt u aangeven wat het Openbaar Ministerie (OM), als er sprake is van grootschalige escalatie, doet met vervolgingen? Kunt u garanderen dat dit adequaat en naar behoren wordt opgepakt? Kunt u hier dan ook een terugkoppeling van geven?
De keuzes betreffende vervolging worden gemaakt door het Openbaar Ministerie, ook in het geval van grootschalige escalatie. Bij de vervolgingsbeslissing houdt de officier van justitie er onder meer rekening mee of het feit bewezen kan worden en vervolging opportuun is.
Welke specifieke preventieve en repressieve maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat het voor of na de wedstrijd opnieuw uit de hand loopt, zoals bij eerdere gelegenheden? Betreft dit onder meer gebiedsverboden, noodbevelen, inzet van Mobile Eenheid, cameratoezicht, fouilleeracties en het afsluiten van stadscentra?
De gemeenten Den Haag en Amsterdam hebben mij geïnformeerd dat ter voorbereiding op de voetbalwedstrijd Marokko-Senegal een aantal preventieve maatregelen zijn getroffen. Dit is in nauwe samenwerking geweest met maatschappelijke partners, ondernemers en bewoners. Op basis van de risico-inschatting zijn extra tijdelijke «openbare orde camera’s» en aanvullende verlichting geplaatst op aangewezen locaties. Ook is de politie-inzet tijdelijk opgeschaald. Ter ondersteuning van de openbare orde is in Den Haag door de politie een verkeerscirculatieplan opgesteld, dat is uitgevoerd met de inzet van verkeersregelaars. Tevens zijn er tijdens de wedstrijd extra buurthuizen opengesteld om bewoners een alternatief te bieden om gezamenlijk de voetbalwedstrijd te kijken en de druk op de openbare ruimte te verminderen. Na afloop van de wedstrijd zijn er in beide gemeenten buurtvrijwilligers herkenbaar de straat op gegaan om medebewoners aan te spreken op eventueel onwenselijk gedrag en de-escalerend te handelen waar nodig.
Kunt u in het geval van ongeregeldheden de Kamer volledig te informeren over het aantal incidenten, aanhoudingen, geweldsdelicten en de schade aan openbare eigendommen?
De politie heeft mij geïnformeerd dat één vuilcontainer in brand is gestoken in Amsterdam. Hier is ook iemand voor aangehouden. Zie verder ook het antwoord bij vraag 5.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal beantwoorden, zodat duidelijk is of Nederland daadwerkelijk voorbereid is op mogelijke ordeverstoringen?
De beantwoording in de verzochte termijn is helaas niet gelukt.
De overlast en criminaliteit door asielzoekers in het centrum van Emmen |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat ondernemers in het centrum van Emmen afgelopen jaar een forse toename van overlast en criminaliteit door asielzoekers, in de praktijk veiligelanders, uit Ter Apel ervaren?
Ja, dit is bekend. De gemeente Emmen, bewoners en ondernemers hebben signalen gedeeld van toegenomen overlast en criminaliteit waarbij asielzoekers, vaak met kansarme aanvragen, betrokken zijn.
Wat heeft u het afgelopen jaar gedaan om dit tegen te gaan, los van de maatregelen door de gemeente Emmen?
Het Ministerie van Asiel en Migratie heeft in 2025 vanuit de middelen voor de aanpak van overlast circa € 500.000 beschikbaar gesteld aan de gemeente Emmen via de decentralisatie-uitkering «aanpak overlast asielzoekers», waardoor extra handhavingscapaciteit kon worden ingezet. Dit ter preventie van overlast en criminaliteit in verband met de ligging van het azc Ter Apel nabij Nieuw-Weerdinge en de stationsomgeving in Emmen. Ook in 2026 ontvangt de gemeente Emmen een bijdrage.
Tijdens mijn werkbezoek van 15 december jl. is afgesproken te verkennen hoe de inzet van boa’s gericht kan worden versterkt in Nieuw-Weerdinge, het stationsgebied en het centrum van Emmen. In de gesprekken met de gemeente Emmen wordt ook de mogelijkheid verkend voor de inzet van straattoezichtteams die worden gefinancierd door het Ministerie van Asiel en Migratie.
Tot slot wordt met de gemeente gesproken over de wijze waarop ondernemers en bewoners tegemoet gekomen worden bij schade die samenhangt met incidenten veroorzaakt door bewoners van het aanmeldcentrum in Ter Apel. Deze inzet loopt parallel aan de gemeentelijke maatregelen.
Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat de overlast en diefstallen nog eens extra piekten gedurende de periode in december dat de pendelbus gratis was en de daders dus gratis werden afgeleverd voor hun criminele activiteiten in het centrum? Wat is uw reactie hierop?
Nee, deze signalen zijn niet bekend. Het is onwenselijk dat reizigers tijdelijk zonder kaartje hebben gereisd met de pendelbus. Dit is hersteld en sinds 30 december 2025 is het kopen van een kaartje weer verplicht.
Welke (politie)cijfers zijn er bekend over criminaliteit door asielzoekers in Emmen? Hoe verhouden de cijfers van afgelopen jaar zich tot die van voorgaande jaren?
De politie beschikt niet over criminaliteitscijfers uitgesplitst naar asielstatus op het niveau van de gemeente Emmen. Voor data over overlast en criminaliteit door asielzoekers verwijs ik u naar de WODC-rapportage1. Deze rapportage beschrijft trends op landelijk niveau en vergelijkt met voorgaande jaren. Hierin staat echter niet specifiek de situatie van Emmen opgenomen.
Wat bedraagt de geschatte jaarlijkse schadepost door criminaliteit door asielzoekers (waaronder maar niet beperkt tot diefstal, vernieling en inzet van beveiliging en veiligheidsmaatregelen) voor ondernemers in het centrum van Emmen? Is hierin ook een stijging waarneembaar ten opzichte van voorgaande jaren?
Voor het centrum van Emmen is op dit moment geen betrouwbare, cijfermatige inschatting beschikbaar van de jaarlijkse schade veroorzaakt door strafbare feiten waarbij asielzoekers betrokken zijn. Bovendien is het schadebeeld onvolledig omdat ondernemers aangeven dat de aangiftebereidheid is afgenomen, onder meer omdat aangifte tijdrovend is, soms (gedeeltelijke) winkelsluiting vergt en omdat ondernemers een beperkte justitiële opvolging ervaren. Een trend ten opzichte van voorgaande jaren is hierdoor niet eenduidig vast te stellen. Wel ontvangt de gemeente signalen vanuit ondernemers in het centrum van Emmen dat de eigen uitgaven aan beveiliging zijn gestegen met circa 60%, wat een substantiële kostenpost vormt.
Kunt u de zaken uit bovenstaande twee vragen tevens specificeren naar de periode waarin de pendelbus gratis reed?
De in de voorgaande vragen genoemde zaken zijn niet specifiek te koppelen aan de periode waarin de pendelbus tijdelijk gratis reed. Het betrof een korte periode waarin geen afzonderlijke, uniforme registratie is bijgehouden. Het overlastbeeld in Emmen hangt samen met verschillende factoren, zoals de instroom van asielzoekers, de functie van Emmen als doorreislocatie naar Ter Apel en de regelmatige reisbewegingen van asielzoekers tussen Ter Apel en Emmen. In samenspraak met de gemeente Emmen wordt dit blijvend gemonitord.
Herkent u de ervaringen van ondernemers dat asielzoekers bij controles door politie en handhaving artikelen terugkrijgen, soms koffers vol, wanneer niet direct onomstotelijk vaststaat dat deze gestolen zijn, terwijl er redelijkerwijs vanuit kan worden gegaan dat deze niet zijn afgerekend? Begrijpt u dat dit enorm frustrerend is?
Deze signalen zijn niet bekend. Mocht dit zich voordoen, dan is dat onwenselijk en is het begrijpelijk dat dit zeer frustrerend is voor ondernemers. Politie en handhaving moeten handelen binnen de geldende wettelijke kaders, waaronder het strafprocesrecht. Artikelen kunnen alleen worden ingenomen wanneer hier voldoende concrete aanwijzingen voor zijn. Bij het ontbreken van die aanwijzingen worden de artikelen teruggegeven. Wel wordt bezien welke mitigerende maatregelen en afspraken binnen de bestaande kaders passend zijn.
Kan bij deze groep niet veel sneller worden overgegaan tot inname van artikelen die onverklaarbaar in bezit zijn en/of waarvan niet kan worden aangetoond dat ze afgerekend zijn? Bent u bereid hiervoor uw steun uit te spreken?
Nee. Het in beslag nemen van artikelen is alleen mogelijk binnen de geldende wettelijke kaders, waaronder het strafprocesrecht, en enkel wanneer er voldoende aanwijzingen zijn die een redelijk vermoeden van schuld opleveren. Onverklaarbaar bezit op zichzelf is daarvoor onvoldoende. Dit geldt voor iedereen en kan niet voor een specifieke doelgroep worden aangepast.
Herkent u tevens het signaal van ondernemers dat gestolen goederen waarmee asielzoekers op het asielzoekerscentrum in Ter Apel aankomen (bijvoorbeeld kleding waar nog beveiligingsclips aan bevestigd zijn) na inname vaak niet worden teruggebracht naar de winkeliers? Zo ja, deelt u de mening dat dit onacceptabele inkomstenderving is?
Dit signaal is niet bekend. Bij evidente aanwijzingen dat goederen gestolen zijn, bijvoorbeeld wanneer een beveiligingsclip nog bevestigd is, dienen de goederen aan de ondernemer te worden teruggegeven. Ondernemers kunnen via de reguliere wijze aangifte doen van winkeldiefstal.
Wat is momenteel de stand van zaken rond de invoering van preventief fouilleren in de omgeving van station Emmen naar aanleiding van het aanwijzen van dit gebied tot veiligheidsrisicogebied? Kunnen dergelijke fouilleeracties zo gericht mogelijk worden ingezet tegen de bekende overlastgevende groepen veiligelanders? Zo nee, waarom niet?
Het stationsgebied in de gemeente Emmen is van 19 december 2025 tot en met 18 juni 2026 aangewezen als veiligheidsrisicogebied. De aanwijzing van dit gebied en de inzet van preventief fouilleren vinden plaats binnen de lokale driehoek. Het bevel tot preventief fouilleren wordt gegeven door de officier van justitie. Fouilleeracties specifiek gericht op veiligelanders zijn niet mogelijk. Selectie op nationaliteit, herkomst of asielstatus is in strijd met het discriminatieverbod.
Bent u ermee bekend dat ondernemers in het centrum van Emmen overwegen er de brui aan te geven of om minder dagen open te gaan, omdat het werkplezier compleet vergald wordt of omdat de kosten en de energie om winkeldiefstallen tegen te gaan simpelweg niet meer zijn op te brengen? Deelt u de mening dat dit onaanvaardbaar is?
De signalen van ondernemers in het centrum van Emmen zijn bekend. Het is zorgelijk dat ondernemers overwegen minder dagen open te gaan of helemaal te sluiten. Winkeldiefstal en de daarmee gepaarde overlast zijn onaanvaardbaar. Daarom wordt samen met de gemeente Emmen bezien welke mitigerende maatregelen en afspraken gemaakt kunnen worden om deze overlast te verminderen en ondernemers te ondersteunen.
Deelt u de mening dat dit, gelet op het verband met het asielzoekerscentrum en aanmeldcentrum in Ter Apel, zeker ook een landelijk probleem is dat om verantwoordelijkheid van het Rijk vraagt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Op lokaal niveau worden maatregelen genomen en ook landelijk door het Ministerie van Asiel en Migratie. Zo wordt budget vrijgemaakt en wordt de mogelijkheid van het inzetten van boa’s of straattoezichtteams verkend, evenals de mogelijkheid om schade te verhalen voor ondernemers en bewoners. Daarnaast wordt landelijk ingezet op de nationale aanpak om overlastgevend en crimineel gedrag tegen te gaan, langs de pijlers: sneller beslissen in de asielprocedure, maatwerk in de opvang, lik-op-stuk in de openbare ruimte en inzetten op terugkeer. Zie hiervoor ook de brief2 met informatie over deze aanpak.
Wat gaat u doen om de overlast en criminaliteit door asielzoekers in het centrum van Emmen per direct aan te pakken en in te dammen?
Zie het antwoord vraag 2 en 12.
Bent u bereid om, indien gewenst door en in samenwerking met de gemeente Emmen, vanuit het Rijk te zorgen voor extra handhaving in dit gebied? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie het antwoord op vraag 2 en 12.
Het bericht 'Lale Gül overweegt toekomst in de politiek om beveiligd te blijven: 'Enige hoop'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de informatie waaruit blijkt dat mevrouw Gül destijds is benaderd om in het stelsel te worden opgenomen en dat, ondanks het uitblijven van veranderingen in aard dan wel frequentie van de dreigingen, deze beveiliging plotseling is stopgezet?1
Over de maatregelen ten aanzien van een te beveiligen persoon zal ik nooit in het openbaar uitspraken kunnen doen. Dit kan namelijk de veiligheid van de te beveiligen persoon zelf, medewerkers van de bij de beveiliging betrokken uitvoerende diensten of van andere te beveiligen personen in gevaar brengen.
In zijn algemeenheid is het zo dat wanneer een persoon wordt opgenomen in het stelsel, er een breed palet aan maatregelen kan worden ingezet om weerstand te bieden tegen de dreiging. Dit kan variëren van zogenaamde lichte tot zware maatregelen. Deze afweging wordt gemaakt op basis van het dreigingsbeeld en een zorgvuldige en uniforme afweging, waarbij de overheid tot een samenhangend pakket aan beveiligingsmaatregelen komt. De inschatting van de dreiging is leidend voor het vaststellen van de benodigde beveiligingsmaatregelen.
Indien de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van mening is dat beveiliging niet langer hoeft plaats te vinden op het niveau dat men eerder noodzakelijk achtte, op welke wijze worden betrokkenen hierop voorbereid?
De te beveiligen persoon wordt zoveel als mogelijk geïnformeerd over de aard van de dreiging en de getroffen maatregelen. Te beveiligen personen worden periodiek geïnformeerd over het verloop van de dreiging en de getroffen maatregelen door vertegenwoordigers van de uitvoerende organisatie en vertegenwoordigers van het gezag (de NCTV namens de Minister van Justitie en Veiligheid). Ook een wijziging in de benodigde maatregelen is aanleiding om met de te beveiligen persoon in gesprek te gaan. In dit gesprek streven de betrokken organisaties ernaar om de persoon zo goed als mogelijk voor te bereiden op de verandering door uit te leggen welke maatregelen niet meer nodig zijn en waarom. En om toe te lichten welke eventuele maatregelen nog wel in stand gehouden worden. Daarnaast is er aandacht voor het welzijn en de psychosociale weerstand van de te beveiligen personen aangezien beveiligingsmaatregelen maar ook de afbouw daarvan veel impact kunnen hebben op de persoon en diens omgeving. Er worden verschillende tools aangereikt zoals weerbaarheidsgesprekken, een buddytraject of digitale modules. De inzet van deze tools varieert per te beveiligen persoon en hangt af van de behoefte van de te beveiligen persoon en de aard en duur van de maatregelen.
Wat is volgens u het verschil tussen dreigingsniveau 2 en dreigingsniveau 3?
Op basis van informatieproducten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en opsporings- en intelligenceorganisaties van de politie en Koninklijke Marechaussee bepaalt het gezag (de NCTV namens de Minister van Justitie en Veiligheid) of en wat ze aanvullend onderneemt tegen een dreiging. In deze producten komen deze diensten en organisaties tot een inschatting – gebaseerd op feiten en/of omstandigheden – met betrekking tot een dreiging en de ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging. In deze producten wordt gewerkt met speciaal ontwikkelde tabellen met een dubbele kwalificering om het dreigingsniveau vast te stellen. Aan de hand van deze tabellen wordt namelijk een inschatting gemaakt van de mate van «ernst» en «waarschijnlijkheid» van de dreiging. De tabellen geven inzicht in de afwegingen en uitkomst van de inschatting van de ernst van de gebeurtenis en de waarschijnlijkheid van het manifesteren van deze gebeurtenis. De tabellen zijn als bijlage bij de Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2023 gevoegd.2 Op basis hiervan wordt gefundeerd overwogen ten aanzien van welke personen, objecten en diensten bewaking en beveiliging nodig is.
Vanaf welk moment vormt het openbaarmaken van diverse persoonlijke gegevens voor de NCTV dan wel de politie aanleiding om bepaalde (veiligheids)maatregelen te treffen?
De keuze welke veiligheidsmaatregelen er worden getroffen is gebaseerd op verschillende informatieproducten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en opsporings- en intelligenceorganisaties van de politie en Koninklijke Marechaussee. De inschatting van de dreiging is gebaseerd op feiten of omstandigheden met betrekking tot een dreiging en de ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging. De beelden en producten van deze diensten en organisaties richten zich op het hele spectrum aan gebeurtenissen in zowel de fysieke wereld als de online-wereld. Ook de te beveiligen persoon (TBP) zelf kan bij de politie meldingen en/of aangiftes doen van online uitingen. De politie handelt op basis van de producten van de diensten of meldingen c.q. aangiftes van de te beveiligen persoon.
Deelt u de mening dat online bedreigingen kunnen overgaan in daadwerkelijk fysiek geweld?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat een personeelstekort nimmer een reden mag zijn om noodzakelijke beveiligingsmaatregelen niet (langer) in te zetten?
Ja, capaciteit en schaarste spelen geen rol bij de afweging of er maatregelen van overheidswege dienen te worden ingezet.
Bent u bereid om samen met relevante veiligheidsactoren, zoals de NCTV en de politie, opnieuw met mevrouw Gül in gesprek te gaan teneinde te komen tot een oplossing waar alle betrokkenen mee uit de voeten kunnen? Zo nee, waarom bent u hiertoe niet bereid?
De Minister van Justitie en Veiligheid, en namens deze de NCTV, streeft ernaar om gedurende het gehele proces in goed contact te blijven met een te beveiligen persoon. Over specifieke stappen in deze individuele casus doe ik vanzelfsprekend geen uitspraken.