Kamervraag 2026Z12425

Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring

Ingediend 9 juni 2026
Indiener Ingrid Coenradie (PVV)
Onderwerpen recht strafrecht
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12425.html
  • Vraag 1
    Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
  • Vraag 2
    Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
  • Vraag 3
    Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
  • Vraag 4
    Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk? Zo nee, waarom niet?
  • Vraag 5
    Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten strafzaken?
  • Vraag 6
    Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf?
  • Vraag 7
    Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
  • Vraag 8
    Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen daders van ernstige delicten?
  • Vraag 9
    Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
  • Vraag 10
    Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
  • Vraag 11
    Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
  • Vraag 12
    Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak slecht tot niet zijn onderbouwd?
  • Vraag 13
    Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd? Zo nee, waarom niet?
  • Vraag 14
    Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde strafverhogingen volgens het WODC slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
  • Vraag 15
    Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de rechterlijke macht en het OM onvoldoende uitvoering geven aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om bepaalde delicten zwaarder te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
  • Vraag 16
    Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient te staan?
  • Vraag 17
    Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
  • Vraag 18
    Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling, rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
  • Vraag 19
    Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover? Zo nee, waarom niet?
  • Vraag 20
    Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming van de samenleving en rechtszekerheid?
  • Vraag 21
    Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
  • Vraag 22
    Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners in te voeren?

Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z12425
Volledige titel: Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring