| Ingediend | 9 juni 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 28 augustus 2026 (na 80 dagen) |
| Indiener | Ingrid Coenradie (PVV) |
| Beantwoord door | David van Weel (VVD) |
| Onderwerpen | recht strafrecht |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12425.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2818.html |
Ja. Uit onderzoek in opdracht van de Raad voor de Rechtspraak (Rvdr) uit 2010 blijkt ook dat in bepaalde landen waar minimumstraffen zijn ingevoerd de rechter gebruik kon maken van hardheidsclausules.1
De gesprekken met de organisaties gingen (onder meer) over de vraag hoe zij aankijken tegen minimumstraffen in algemene zin en bij geweld tegen publieke hulpverleners in het bijzonder. De gesprekken gingen minder over de wijze waarop minimumstraffen in de praktijk kunnen worden toegepast. Desondanks hebben het OM en de Rvdr wel aandacht gevraagd voor een hardheidsclausule bij een eventuele invoering van minimumstraffen om disproportionele strafoplegging te voorkomen.
Het OM heeft tijdens de gesprekken toegelicht dat de huidige wetgeving in combinatie met het strafvorderingsbeleid voldoende ruimte biedt om tot proportionele (voldoende zware) strafeisen en strafopleggingen te komen. De verhoging van strafmaxima creëert juist extra ruimte voor zwaardere bestraffing voor zaken die zich daarvoor lenen; hiervan kan de rechter ook gemotiveerd gebruik maken in de gevallen waarin de ernst van het feit en de impact op de samenleving hiervoor aanleiding geeft.
Deze uitspraak van het OM zegt op zich niets over de wijze waarop verhogingen van strafmaxima in de rechtspraktijk doorwerken. In het door u aangehaalde WODC-rapport wordt geconstateerd dat verhogingen van wettelijke strafmaxima slechts een beperkte impact hebben gehad op de strafoplegging. In mijn nadere reactie op het rapport zal ik op deze constatering inhoudelijk reageren.2
Slachtofferhulp Nederland en Reclassering Nederland hebben aandacht gevraagd voor de uitlegbaarheid van straffen. Als opgelegde straffen beter worden uitgelegd kan dit er volgens hen toe leiden dat er meer begrip voor de opgelegde straffen ontstaat en dat de maatschappelijke ophef wordt beperkt.
Reclassering Nederland en Slachtofferhulp Nederland hebben in de gesprekken aandacht gevraagd voor het beter toelichten van opgelegde straffen respectievelijk het beter betrekken van de samenleving bij de totstandkoming van de richtlijnen die voor het eisen en opleggen van straffen gelden. Er wordt door hen noch door mij geconcludeerd dat een gebrek aan uitleg een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf.
Het is vooral aan het OM en de Rechtspraak om te bepalen of en hoe opgelegde straffen beter kunnen worden uitgelegd. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren door een actiever beleid op sociale media. Zoals ik heb toegelicht in mijn brief van 8 juni 2026 ben ik in overleg met het OM en de Rechtspraak om over de knelpunten bij minimumstraffen te spreken en bericht ik u in de tweede helft van 2026 over de uitkomst.3
Bij de discussie over minimumstraffen moet uiteraard naar het belang van bescherming van de samenleving worden gekeken. Onder meer politie en Slachtofferhulp Nederland hebben hier aandacht voor gevraagd tijdens de gesprekken en ik doe dit ook bij het vervolg van de overleggen met het OM en de Rechtspraak. Overigens hangen gedragsverandering van de dader en bescherming van de samenleving met elkaar samen. Zonder gedragsverandering is de samenleving immers minder beschermd als de dader weer op vrije voeten komt.
Het klopt dat een langere detentieperiode als voordeel heeft dat gedurende deze tijd de kans erg klein is dat de veroordeelde opnieuw slachtoffers maakt. Het beschermen van de samenleving is een van de strafdoelen die de rechter kan gebruiken om een langere gevangenisstraf op te leggen.4 De rechter neemt strafdoelen mee in het wegen van de uiteindelijke straf in het vonnis. Hoe vaak een rechter een strafdoel meeweegt in een vonnis wordt niet geregistreerd, maar soms wel gemotiveerd in individuele strafzaken.
Het klopt dat wanneer een veroordeelde langere periode in detentie zit, deze persoon geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken. Het klopt niet dat langere gevangenisstraffen recidive bevorderen, want uit onderzoek blijkt dat detentieduur geen effect heeft op resocialisatie-uitkomsten.5
Het is niet mogelijk om de twee stellingen goed met elkaar te vergelijken omdat deze betrekking hebben op verschillende effecten van detentie. Recidive betreft het gedrag na vrijlating (lange termijn) terwijl het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken ziet op het directe effect (korte termijn) van vrijheidsbeneming gedurende de detentieperiode.
Ja, uit onderzoek blijkt dat bij zeer korte detenties (minder dan 3 maanden) de mogelijkheden om problemen op te lossen heel beperkt zijn, terwijl bij een langere strafduur doorgaans meer ruimte is voor het bieden van behandeling, begeleiding en resocialisatie. Tegelijkertijd is ook bekend dat – ongedacht de detentieduur – het op orde hebben van basisvoorwaarden (woning, inkomsten, schulden, zorg, ID-bewijs, sociaal netwerk) samenhangt met een kleinere kans op recidive en dat bij kortgestraften de detentieschade relatief hoog ligt. Het is daarom van belang dat de mogelijkheid wordt geboden deze basisvoorwaarden op orde te houden en/of brengen. In het meerjarig actieplan Ruimte voor Recht6 wordt dan ook voorgesteld dat partners, zoals gemeenten, daarbij zo goed als mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om gedetineerden hierbij fysiek of digitaal te ondersteunen.
De onderzoekers concluderen dat de beoogde effecten (in hoeverre de wetswijzigingen bijdragen aan de strafdoelen die het Nederlandse strafrecht kent, bijvoorbeeld vergelding en preventie) van de voorgestelde wetswijzigingen door de wetgever slecht tot niet werden onderbouwd. Vooruitlopend op mijn nadere reactie op het rapport, merk ik op dat ik het eens ben met de onderzoekers dat het belangrijk is dat de wetgever toelicht waarom een strafverhoging wordt ingevoerd zodat de officier en rechter hiermee bij de bepaling van de hoogte van respectievelijk de strafeis en de straf rekening kunnen houden.
Ik ben het met de onderzoekers van het WODC eens dat het belangrijk is dat goed wordt toegelicht waarom een strafverhoging wordt doorgevoerd. Dus als een wetsvoorstel tot doel heeft om de samenleving te beschermen dan moet dit worden toegelicht. Hiervoor is naar mijn mening geen onderzoek nodig. Overigens is bescherming van de samenleving reeds één van de strafdoelen die het Nederlandse strafrecht kent.
Ik heb deze conclusie vooralsnog voor kennisgeving aangenomen. Zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb toegelicht ben ik in overleg met het OM en de Rechtspraak over onder meer deze conclusie en zal ik mijn duiding hiervan in een brief aan de Tweede Kamer toelichten.
Zie antwoord vraag 14.
Zie antwoord vraag 14.
Zoals in het WODC-onderzoek wordt geconstateerd zitten er twee kanten aan dit verhaal. Aan de ene kant functioneert de scheiding van de machten goed: de rechter vormt geen uitvoeringsorgaan van de wetgever, maar komt onafhankelijk binnen zijn eigen professionele normen en jurisprudentiële kaders tot een oordeel. Aan de andere kant kan de beperkte doorwerking ook worden gezien als een signaal van beperkte responsiviteit van de rechtspraak ten opzichte van maatschappelijke en politieke signalen. Na mijn gesprekken met het OM en de rechtspraak kom ik hierop terug.
Minimumstraffen beperken de vrijheid van de rechter. Dit wil echter niet zeggen dat het niet mogelijk is om minimumstraffen in te voeren en daarom ga ik hierover nader in gesprek met het OM en de Rechtspraak. Zonder het invoeren van hardheidsclausules kunnen minimumstraffen inderdaad een grotere voorspelbaarheid en rechtszekerheid tot gevolg hebben. Het is echter de vraag of dit wenselijk is als dit leidt tot disproportionele of onuitvoerbare straffen.
Zoals toegelicht ben ik nog in overleg met het OM en de Rechtspraak over de straffen bij geweld tegen hulpverleners en licht ik de uitkomst schriftelijk toe. Gelet op de onafhankelijkheid van de Rechtspraak, is het aan de Rechtspraak zelf om de oriëntatiepunten vast te stellen. Ook het OM gaat in beginsel zelf over zijn Aanwijzingen, gezien de bijzondere staatsrechtelijke positie van het OM. Ik kan echter wel aandacht vragen voor de bevindingen van het WODC-onderzoek en dit zal ik ook doen.
Uit het in het antwoord op vraag 1 genoemde en enigszins gedateerde onderzoek uit 2010 blijkt dat er destijds in ieder geval minimumstraffen bestonden in België, Duitsland, Frankrijk en Engeland en Wales. In geen van deze landen was specifiek onderzoek beschikbaar waaruit valt af te leiden of de minimumstraf onomstotelijk heeft geleid tot de beperking van de criminaliteit of tot de vermindering van de recidive. Ook op andere punten bevatte dit onderzoek geen conclusies waarmee een goede «best practice» kan worden geselecteerd.
Zie antwoord vraag 20.
Ik heb kennis genomen van de standpunten van de ketenorganisaties en wil, net als u, de hulpverleners zo goed mogelijk beschermen en een harde aanpak van geweld tegen hulpverleners. Na mijn overleg met het OM en de Rechtspraak infomeer ik u hier nader over.
Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Coenradie (JA21), van uw Kamer aan de Minister van Justitie en Veiligheid over gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring (ingezonden 9 juni 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.