De afhandeling van geweld en belediging van politieagenten |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen van politieagenten dat zaken betreffende geweld tegen politieagenten en belediging van politieagenten in de praktijk regelmatig worden geseponeerd of slechts beperkt strafrechtelijk worden afgedaan?
Nee, deze signalen ken ik in zijn algemeenheid niet. Het Openbaar Ministerie (OM) neemt deze zaken juist zeer ernstig op. Deze worden met prioriteit behandeld en het sepotpercentage is in deze zaken lager dan gemiddeld. In 2025 werd volgens het jaarbericht van het OM 31 procent van de totale uitstroom onvoorwaardelijk geseponeerd1, terwijl in Veilig Publieke Taak-zaken in 2025 slechts 14 procent onvoorwaardelijk werd geseponeerd2 en in Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA)-zaken slechts 17,8 procent. Laatstgenoemde percentage blijkt uit de tabel in het antwoord op vraag 2. Een onvoorwaardelijke sepot betekent dat het OM onvoorwaardelijk afziet van vervolging. Bij een voorwaardelijk sepot zijn er voorwaarden verbonden aan het sepot, bijvoorbeeld verplichte begeleiding door Reclassering Nederland. Dit betekent niet dat er geen sepots voorkomen, bijvoorbeeld als het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt of als een andere afdoening prevaleert om een duurzame afdoening te verkrijgen.
Hoeveel aangiften en processen-verbaal wegens geweld en belediging tegen politieagenten zijn in de afgelopen vijf jaar door het Openbaar Ministerie (OM) afgedaan met een sepot of een voorwaardelijk sepot? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
Het OM spant zich samen met de politie in voor mensen met een veilige publieke taak (VPT). In verband hiermee worden ook de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak geactualiseerd. Dit zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM. Deze afspraken zien op de strafrechtelijke aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak. De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken3. Naar verwachting ontvangt uw Kamer in het derde kwartaal van 2026 de herziene versie van de ELA.
Om de vervolging van VPT-zaken voor de samenleving inzichtelijk te maken publiceert het OM ieder jaar in april een memo overzicht en duiding VPT. In onderstaande tabel staat het totaal aantal ter vervolging ingestroomde VPT-zaken over de jaren 2021 t/m 2025. Onder het totaal aantal ingestroomde VPT-zaken staan de aantallen die onder de door het OM met de maatschappelijke kwalificatie Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA) ter vervolging zijn ingestroomd en daaronder zijn de aantallen voorwaardelijke – en onvoorwaardelijk sepots opgenomen.
9.823
9.911
9.113
9.110
9.811
– Vw sepot
322
407
366
358
383
– Ov sepot
793
902
842
767
810
% GTPA geseponeerd
17,1%
18,9%
19,8%
18,5%
17,8%
Wat zijn de meest voorkomende sepotgronden in zaken waarin politieagenten slachtoffer zijn van geweld of belediging? Kunt u hiervan een overzicht geven?
De meest voorkomende sepotgrond bij een onvoorwaardelijke sepot is «onvoldoende bewijs». Bij een voorwaardelijke sepot is dat «ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert». In dat geval prevaleert bijvoorbeeld bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk ingrijpen.
Hoeveel zaken wegens geweld en/of belediging van politieagenten hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot een strafbeschikking, transactie of veroordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
De cijfers die ik van het OM heb ontvangen, zijn niet uitgesplitst naar geweld en/of belediging. Over de afdoening van GTPA-zaken kan ik de onderstaande cijfers verstrekken. Hierin staat weergeven hoeveel zaken zijn afgedaan met een transactie/ OM-strafbeschikking en hoeveel zaken aan de rechter zijn voorgelegd. Het totaal aantal zaken dat is geseponeerd treft u in de tabel bij het antwoord op vraag 2.
1.143
1.403
1.273
1.304
1.669
4.132
4.045
3.897
3.922
3.650
Herkent u de signalen uit de politiepraktijk dat ernstige beledigingen van agenten, waaronder bedreigende en intimiderende uitlatingen tijdens de uitoefening van hun functie, met regelmaat worden geseponeerd? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Zo nee, waarop baseert u dat?
Deze signalen herken ik in zijn algemeenheid niet. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. Daarbij hecht ik eraan het volgende op te merken. Intimiderende en bedreigende uitlatingen kunnen een grote impact hebben op agenten en zijn moreel verwerpelijk. Vanuit strafrechtelijk perspectief geldt echter dat intimiderende en bedreigende uitlatingen niet altijd een strafbaar feit opleveren. Waar het wel een (mogelijk) strafbaar feit oplevert, pakt het OM deze zaken met prioriteit op.
Van het OM heb ik, zoals hiervoor weergegeven, jaarcijfers ontvangen van het totaal aantal GTPA-zaken die ter vervolging zijn ingestroomd. Daarbij is tevens het aantal voorwaardelijke en onvoorwaardelijke sepots gegeven. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 1, 3 en 4.
Deelt u de opvatting dat een consequente bestraffing van geweld en ernstige belediging van politieagenten essentieel is voor het gezag van de politie, de veiligheid van onze dienders en de norm dat agressie tegen hulpverleners onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Geweld en agressie tegen mensen met een publieke taak is onacceptabel en dit geldt zeer zeker ook voor politiemedewerkers. Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen alle functionarissen met een publieke taak is essentieel.
De politie heeft als werkgever een belangrijke rol in de ondersteuning van politiemedewerkers die tijdens het uitvoeren van hun werk te maken krijgen met geweld en agressie. Zo is er binnen de politie een Integrale Aanpak Geweld Tegen Politieambtenaren. Deze aanpak is gericht op de bescherming van politiemedewerkers door opleiding, registratie en vroegsignalering. De leidinggevenden vervullen een ondersteunende rol in de zorg en aandacht voor de mentale weerbaarheid van hun medewerkers. Ook wordt er in debriefings aandacht besteed aan het delen van nare ervaringen tijdens de dienst. Indien dit het geval is worden de betreffende politiemedewerkers 3 á 4 weken later uitgenodigd voor een groepsgesprek samen met een psycholoog. Ook is het Team Collegiale Ondersteuning ingericht voor ondersteuning voor en door collega’s na ingrijpende en schokkende gebeurtenissen in het werk.
Verder benoemt het OM in het requisitoir de bijzondere positie van het slachtoffer en motiveert de strafeis met inachtneming van de toepasselijke aanwijzingen van het College, als ook een afwijking daarvan. In beginsel wordt door het OM in VPT-zaken een aanmerkelijk hogere sanctie opgelegd of straf geëist. Voor mij is op basis van de geleverde informatie niet aannemelijk dat geweld en agressie van politiemedewerkers niet consequent wordt vervolgd en bestraft.
Ik informeer u op korte termijn over de herziening van de ELA bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tussen de politie en het OM. Met deze herziening wordt beoogd om de politie en het OM nog beter in staat te stellen om VPT-delicten met meer prioriteit en kwaliteit af te handelen.
Bent u bereid samen met het OM te onderzoeken of de huidige afdoeningspraktijk in zaken van geweld en belediging van politieagenten in overeenstemming is met het uitgangspunt dat agressie en geweld tegen publieke functionarissen een hoge opsporings- en vervolgingsprioriteit hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de overheid haar eigen politieagenten in de steek laat wanneer geweld en ernstige belediging van politieagenten niet consequent worden vervolgd en bestraft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN' |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het onacceptabel is dat dergelijk tuig het stadhuis bestormt, aanwezigen aanvalt en de orde in de raadzaal verstoort? En dat dergelijk gedrag de democratische rechtsstaat ondermijnt, zeker als er geen nadere actie op wordt ondernomen?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het Openbaar Ministerie om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe is het mogelijk dat een jaar nadat onder andere Extinction Rebellion het Utrechtse stadhuis heeft bestormd en doordrong tot in de raadzaal, het OM nog steeds de zaak niet heeft opgepakt, naar aanleiding van een aangifte van een raadslid?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed het gemeenteraadslid aangifte van het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aan geboden.
De keuze om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe is het mogelijk dat de politie aangeeft de zaak, waarbij meerdere verdachten in beeld zijn, te hebben verstuurd en het OM aangeeft de aangifte nooit heeft ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om deze zaak tot de bodem uit te zoeken en daar nader over te berichten?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt is dit inmiddels gebeurd.
Het bericht ‘OM over racistische uitingen naar Oranjespelers: ‘Discriminatiezaken hebben prioriteit’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) naar aanleiding van de racistische uitingen richting spelers van het Nederlands elftal heeft aangegeven dat discriminatiezaken prioriteit hebben?1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Hoe verhoudt de prioritering van het OM zich tot de bevindingen van de Algemene Rekenkamer dat jaarlijks duizenden ernstige misdrijven, waaronder High Impact Crimes, niet of niet tijdig worden opgepakt wegens capaciteitsgebrek?
Zoals ik in mijn reactie op het conceptrapport van de Algemene Rekenkamer (hierna: AR) over prioritering in de opsporing heb toegelicht is de prioritering in de opsporing gelaagd, afhankelijk van meerdere factoren en bedoeld om doelen van rechtsstatelijke en maatschappelijke aard te dienen. Het maken van keuzes in de opsporing kent bij uitstek een veelheid aan dimensies, ook vanwege de aard van ons politiebestel. Naast landelijke criminaliteitsbeelden en fenomeenanalyses, spelen bijvoorbeeld ook regionale en lokale context een belangrijke rol. Prioritering in de opsporing is dan ook een doorlopend gesprek dat constante bijsturing vereist op nieuwe fenomenen.
De Aanwijzing voor de opsporing van het OM en het screenings- en selectiviteitskader geven belangrijke richting bij de prioritering. Zoals hierboven aangegeven speelt de lokale context een belangrijke rol. Keuzes in de opsporing worden onder andere gemaakt tegen de achtergrond van het criminele speelveld binnen het werkgebied van een team of het criminaliteitsbeeld van een district. Verder moet onder meer rekening worden gehouden met de per definitie schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit, de kansrijkheid en noodzaak van strafrechtelijk ingrijpen ten opzichte van andere interventies, de individuele belangen van verdachten en slachtoffers en de eventuele geschokte rechtsorde. Het OM dient een balans te vinden tussen het zorgdragen voor een reële en voldoende aanwezige strafrechtelijke handhaving en het gegeven dat niet elk individueel strafbaar feit tot een strafrechtelijke interventie kan leiden.
Dat specifiek het discriminatiebeleid is geprioriteerd bij het OM volgt uit de Aanwijzing discriminatie (2025A003). Daarin staat onder meer dat de politie in beginsel elke aangifte van discriminatie opneemt en dat er na elke aangifte een opsporingsonderzoek volgt. Discriminatie is in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen.2 De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in principe aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kan het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken, naast andere prioriteiten.
Kan het OM een overzicht verstrekken van delicten en zaakstromen die momenteel als prioriteit of topprioriteit worden aangemerkt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 2 over hoe de prioritering tot stand komt, geldt dat er verschillende bestuurlijke afspraken over de prioritering van criminaliteitsfenomenen zijn. Deze betrekt het OM bij de keuzes die het maakt in de prioritering. In het Bestuurlijk Ketenberaad hebben ketenorganisaties samen met het ministerie afgesproken dat er drie geprioriteerde zaakstromen zijn in de periode van 2022 tot en met 2027 op het gebied van doorlooptijden: jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit.
In het kader van de Veiligheidsagenda3 2023–2026 zijn er landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering van de politie vastgesteld op de volgende criminaliteitsfenomenen: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, mensenhandel en cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, waaronder online seksueel kindermisbruik. In die Veiligheidsagenda is ook aangegeven dat deze keuzes niet afdoen aan dat de inzet van de politie op andere thema’s, zoals discriminatie. Eerder heb ik u geïnformeerd over dat besprekingen in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie hebben geleid tot breed draagvlak onder het OM, de regioburgemeesters en de politie voor vaststelling van de volgende thema’s in de Veiligheidsagenda 2027–2030: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit (waaronder online seksueel kindermisbruik), relationeel geweld en geweld in afhankelijkheidsrelaties (met name geweld tegen vrouwen, waaronder femicide) en mensenhandel.4 Op dit moment wordt bij de uitwerking van deze thema’s focus aangebracht en worden concrete landelijke doelstellingen geformuleerd. Uw Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de nieuwe Veiligheidsagenda.
Naast deze bestuurlijk tussen ketenpartners vastgestelde prioriteiten zijn er binnen het strafvorderingsbeleid van het OM ook aandachtsgebieden die blijvend aandacht krijgen. Denk daarbij aan het beleid rondom Veilige Publieke Taak en de aanpak van (online) discriminatie. Bij dat type delicten krijgt de prioritering vorm door bijvoorbeeld het eisen van hogere straffen.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven vaak jarenlang de gevolgen van deze feiten ondervinden en dat de opsporing en vervolging van dergelijke feiten altijd tot de hoogste prioriteiten van politie en OM zouden moeten behoren?
Vanzelfsprekend heeft de opsporing en vervolging van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven grote aandacht van politie en OM. Dat betekent niet dat andere feiten, zoals de aanpak van ondermijning, online seksueel misbruik, etc. anders geprioriteerd dienen te worden. Het OM tracht daarbij steeds om de juiste zaken, in passende volumes en in verhouding tot het criminaliteitsbeeld te laten instromen en deze adequaat en voortvarend te vervolgen, om daarmee aan meer slachtoffers en verdachten sneller recht te doen.
Bent u bereid in overleg met het OM te bezien of High Impact Crimes expliciet als topprioriteit kunnen worden aangemerkt binnen de bestaande capaciteitsverdeling?
High Impact Crimes is een verzamelnaam voor delicten als geweldsmisdrijven, woninginbraak, overvallen en straatroof. De Aanwijzing voor de opsporing, dat beleid van het OM is, bepaalt dat het uitgangspunt in High Impact Crimes is dat in principe altijd een opsporingsonderzoek dient te worden ingesteld waarbij beslissingen door de politie altijd in afstemming met het OM dienen te worden genomen. Ik meen dat hiermee in het beleid van het OM voldoende prioriteit aan deze zaken wordt gegeven en zie geen aanleiding om hier aanvullend over met het OM in gesprek te gaan.
Hoe weegt u de inzet van schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit tussen online discriminatiezaken enerzijds en ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven anderzijds?
Zoals in vraag 2 toegelicht is discriminatie in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen. De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in beginsel aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kunnen de politie en het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken.
Kunt u garanderen dat de inzet van politie- en OM-capaciteit voor het opsporen en vervolgen van de racistische uitingen richting de Oranjespelers niet ten koste gaat van de aanpak van ernstige misdrijven, zoals gewelds-, zeden- en andere High Impact Crimes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De aangifte van seksueel geweld door Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla aangifte hebben gedaan van seksueel geweld door Israëlische militairen?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja, ik heb kennis genomen van de berichtgeving over de aangekondigde aangifte. Als er aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Heeft het kabinet inmiddels contact gehad met de Nederlandse opvarenden of hun advocaat naar aanleiding van deze aangifte? Zo ja, welke ondersteuning is daarbij aangeboden?
Zoals bekend, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Nederlandse deelnemers aan de Global Sumud Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan rondom de onderscheppingen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten in april en mei jongstleden. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
In Frankrijk en Italië lopen inmiddels strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla. Ziet het kabinet aanleiding vergelijkbare stappen in Nederland te zetten?2 Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 1 is aangegeven, is het – als er aangifte wordt gedaan – aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Is het kabinet bereid zich ervoor in te spannen dat de Nederlandse aangiften worden betrokken bij internationale strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van de opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Indien er een strafrechtelijk onderzoek en eventueel (vervolgens) vervolging wordt ingesteld is het aan het Openbaar Ministerie om al dan niet internationale afstemming te zoeken.
Welke medische, psychologische en juridische ondersteuning wordt aan de Nederlandse slachtoffers aangeboden sinds ze weer terug zijn in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te inventariseren of daar alsnog behoefte aan is?
Zowel Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN) als het Centrum voor Seksueel Geweld (hierna: CSG) gaan, in verband met de privacy van betrokkenen, niet in op individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik melden dat herstel van autonomie van slachtoffers voorop staat, waarbij zij zelf regie hebben over de gewenste hulp, en dus ook over of, hoe en aan wie zij over hun ervaringen vertellen.
SHN is altijd beschikbaar voor alle slachtoffers indien daar behoefte aan is. Met slachtoffers die in Nederland aangifte doen van seksueel geweld wordt, indien zij toestemming verlenen om de gegevens met SHN te delen, binnen drie dagen contact opgenomen door SHN. In dit eerste contact worden de impact en behoefte geïnventariseerd, en wordt uitleg gegeven over welke psychosociale en juridische ondersteuning geboden kan worden. De ondersteuning is altijd maatwerk, in aansluiting op de noden en behoeften van het slachtoffer. Als opvarenden van de Flotilla seksueel geweld hebben meegemaakt en twijfelen over of zij hulp nodig hebben, nodigt het CSG hen uit om contact op te nemen. Het is aan henzelf om te beslissen wat zij wel of niet willen delen. Dit kan telefonisch, per chat of in Amsterdam en Rotterdam op inloop.
Bent u bereid zich er bij de Israëlische autoriteiten voor in te zetten dat volledige medewerking wordt verleend aan onderzoeken naar de aangiften van seksueel geweld en andere ernstige misdrijven tegen de opvarenden?
Zoals bekend heeft het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President richting de Israëlische autoriteiten tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden gesteund.3
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Overeenkomstig uw verzoek zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.
De vervolging van beledigende uitlatingen en de prioriteiten van het Openbaar Ministerie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Jan Roos en Dennis Schouten voor rechter om online vernedering van twee vrouwen»?1
Zonder in te gaan op het individuele geval, deelt u de mening dat het strafrecht een ultimum remedium behoort te zijn en niet bedoeld is om iedere smakeloze, grove, kwetsende of beledigende uitspraak in Nederland via de strafrechter te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe rechtvaardigt u dat schaarse capaciteit van Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak wordt ingezet voor de vervolging van eenvoudige belediging in zijn algemeenheid, terwijl diezelfde strafrechtketen kampt met grote capaciteitsproblemen en tal van veel ernstiger strafzaken om aandacht vragen?
Acht u het werkelijk een taak van het OM om via het strafrecht een bepaalde maatschappelijke omgangscultuur te bevorderen? Zo ja, waar ligt dan de grens tussen het vervolgen van daadwerkelijk strafwaardig gedrag en het via het strafrecht afdwingen van fatsoen?
Hoe beoordeelt u de redenering dat verbale agressie door publieke figuren kan bijdragen aan een cultuur waarin ernstiger vormen van geweld mogelijk worden? Op welke objectieve criteria en wetenschappelijke onderbouwing baseert het OM een dergelijke redenering en welke betekenis mag dit hebben bij de beslissing om iemand strafrechtelijk te vervolgen?
Hoeveel zaken wegens eenvoudige belediging op grond van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht zijn de afgelopen vijf jaar jaarlijks door het OM afgedaan en hoeveel daarvan zijn daadwerkelijk aan de strafrechter voorgelegd?
Kunt u aangeven hoeveel capaciteit jaarlijks gemoeid is met eenvoudige beledigingszaken en acht u deze inzet, gelet op de overige problemen binnen de strafrechtketen, doelmatig?
Deelt u de mening dat burgers in een vrije samenleving in beginsel tegen grove, kwetsende en beledigende woorden moeten kunnen en dat het strafrecht pas in beeld behoort te komen wanneer daadwerkelijk zwaardere grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld bij bedreiging, opruiing of het aanzetten tot geweld?
Bent u bereid te onderzoeken of eenvoudige belediging als zelfstandig strafbaar feit uit artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht kan worden geschrapt, waarbij zwaardere uitingsdelicten en andere strafbare gedragingen uiteraard strafbaar blijven? Zo nee, waarom acht u strafrechtelijke bestraffing van eenvoudige belediging in 2026 nog noodzakelijk?
De uitspraken van de premier op het D66-congres van 27 september 2026 |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraken op het D66-congres van 27 september 2026, waar u stelde dat «die aanvallen op de LHBTI-gemeenschap of de aanvallen op vrouwen of de aanvallen op minderheden van kleur of geloof, die komen niet zomaar uit de lucht vallen», dat het gaat om «goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties die proberen eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep om alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen», waaraan u toevoegde: «we gaan die lui niet laten winnen, maar we gaan ze vol op hun bek slaan»?
Onderschrijft u de opvatting van de Afdeling advisering van de Raad van State dat bewindspersonen «ook politici» blijven, dat «het feit dat bewindspersonen verschillende rollen vervullen» bijzondere eisen aan hen stelt, dat «de mate waarin rolzuiverheid is betracht» een van de factoren kan zijn bij de weging van hun handelen, dat het vertrouwen van het parlement in een bewindspersoon «niet enkel samen[hangt] met het beleid dat de Minister voert, maar ook kan afhangen van de gedragingen van de bewindspersoon in de privésfeer, die losstaan van zijn verantwoordelijkheden als Minister», dat de Kamer daarover kan oordelen, «ook wanneer het gaat om een gedraging die strikt genomen buiten de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid valt», dat de Minister-President in integriteitskwesties een «bijzondere rol» heeft, en dat het van belang is dat hij «niet alleen in woord en gedrag het goede voorbeeld geeft, maar ook collega-bewindspersonen hierin begeleidt, adviseert en zo nodig aanspreekt»?
Erkent u, in het licht van het voorgaande, dat uw uitspraken op het congres, ongeacht de vraag of u daar als partijleider sprak, onvermijdelijk ook afstralen op uw rol als Minister-President, en dat u daarover verantwoording verschuldigd bent aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u, in het licht van het voorgaande, uw eigen woorden?
Rekent u ook maatschappelijke organisaties of in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen die kritiek hebben op het lhbti-beleid van het kabinet, tot de door u bedoelde organisaties? Kunt u een overzicht van de namen van de organisaties die u bedoelde aan de Kamer verstrekken?
Welke «aanvallen op minderheden» bedoelde u precies? Doelt u daarbij op strafbare aanvallen, zoals geweldpleging of bedreiging, of ook op niet-strafbare «aanvallen», zoals politieke uitingen en (lobby-)activiteiten die binnen de grenzen van de wet vallen?
Op grond van welke feiten stelt u dat deze aanvallen door de door u bedoelde organisaties worden georganiseerd of gefinancierd? Kunt u per organisatie aangeven welke concrete aanvallen aan haar zijn toe te rekenen? Zo nee, waarom niet?
Waaruit blijkt dat deze organisaties een strategie volgen waarbij zij, in uw woorden, «proberen eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep»? Welke documenten, onderzoeken of inlichtingen liggen aan die bewering ten grondslag?
Waaruit blijkt dat het oogmerk van deze organisaties is om «alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen»? Welke documenten, onderzoeken of inlichtingen liggen aan die bewering ten grondslag?
Als u de door u bedoelde organisaties niet kunt noemen, of uw beweringen over hun strategie, hun oogmerk en hun betrokkenheid bij aanvallen niet deugdelijk kunt onderbouwen, waarom heeft u deze beweringen dan in het openbaar gedaan?
Herinnert u zich uw toespraak van 5 augustus 2026 bij de opening van de Human Rights Conference, waarin u stelde dat «achter de façade van vrijheid van meningsuiting» «giftige, goed georganiseerde en stevig gefinancierde groepen» schuilgaan die «haat verspreiden en hun eigen agenda uitrollen»?
Welke groepen bedoelde u op 5 augustus met de groepen die zich «achter de façade van vrijheid van meningsuiting» verschuilen? Zijn dat dezelfde organisaties als die u op 27 september bedoelde? Waarop baseert u dat wanneer deze groepen zich beroepen op de vrijheid van meningsuiting, sprake is van een «façade», ofwel een bedrieglijke schijn?
Worden de middelen die u op 5 augustus 2026 aankondigde, waaronder 7,5 miljoen euro per jaar voor de veiligheid van de queergemeenschap en een publiekscampagne gericht op het tegengaan van discriminatie en desinformatie, ingezet tegen de door u bedoelde groepen?
Wie bepaalt welke uitingen daarbij als «desinformatie» worden aangemerkt? Op basis van welke bronnen wordt bepaald of informatie waar of onwaar is? Is het op basis van die bronnen waar of onwaar dat er twee geslachten zijn (man en vrouw)? Is het op basis van die bronnen waar of onwaar dat mannen zwanger kunnen raken en kunnen bevallen van een baby?
Oefent het kabinet, nu u stelt dat bedrijven achter social media «nauwelijks nog modereren op haatcontent», druk uit op deze bedrijven om uitingen omtrent de door u bedoelde groepen te verwijderen of minder zichtbaar te maken? Zo ja, op welke wijze en op basis van welke wettelijke grondslag? Hoe verhoudt dat zich tot de uitingsvrijheid en het censuurverbod?
Wie bedoelde u precies met «die lui»: de door u bedoelde organisaties, de personen die daaraan leiding geven, de personen die aanvallen plegen, of anderen?
Erkent u dat «iemand op zijn bek slaan» in het normale spraakgebruik betekent dat iemand een harde klap op zijn hoofd krijgt en derhalve fysiek geweld wordt aangedaan?
Heeft u tijdens het congres opgemerkt dat u niet daadwerkelijk heeft bedoeld wat u letterlijk heeft gezegd en dat u fysiek geweld tegen «die lui» afwijst? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat toehoorders of kijkers uw woorden opvatten als een rechtvaardiging voor fysiek geweld tegen personen die zij tot «die lui» rekenen? Zo ja, hoe kunt u dat uitsluiten?
Herinnert u zich dat u op 26 mei 2026 in de Tweede Kamer, tijdens het debat over het normaliseren van geweld in politiek en samenleving, verklaarde: «Wat we hier in de Tweede Kamer zeggen, als Kamerleden of als kabinetsleden, maakt heel veel uit. Onze woorden hebben rechtstreeks effect op wat er op straat gebeurt. Als politici oproepen tot verzet, hitsen ze daarmee burgers op tegen het lokale bestuur, tegen hulpverleners en tegen mensen die aan het werk zijn in bijvoorbeeld de asielopvang.»? Erkent u dat, als volgens u al een oproep tot verzet burgers ophitst, dit te meer geldt voor de aankondiging van een Minister-President dat «we» «die lui» «vol op hun bek» gaan slaan? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich het Nederlandse Omroep Stichting (NOS) op 3 Verkiezingsprogramma van 1 november 2023, waarin u Thierry Baudet, de toenmalig fractievoorzitter van Forum voor Democratie, voorhield dat «die verschrikkelijke taal die u en uw collega's altijd bezigen over transpersonen in Nederland, die leiden uiteindelijk tot meer homohaat in Nederland»? Herinnert u zich dat u hem en zijn partij verantwoordelijk hield voor homohaat? Herinnert u zich dat de heer Baudet minder dan drie weken later met een bierfles een harde klap tegen zijn hoofd kreeg vanwege zijn kritiek op het lhbti-beleid? Houdt u rekening met de mogelijkheid dat uw uitingen bijdragen aan het klimaat waarin het legitiem wordt geacht om geweld te gebruiken tegen personen die kritiek hebben op het lhbti-beleid? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat opruiing volgens vaste rechtspraak wordt omschreven als «het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen»? Hoe beoordeelt u uw eigen woorden in het licht van deze jurisprudentie?
Erkent u dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hieromtrent heeft geoordeeld dat mede beslissend is of een uitlating werd gedaan tegen een gevoelige maatschappelijke of politieke achtergrond, of in een klimaat van vijandigheid en haat, waarin zij onrechtmatige handelingen kon uitlokken en personen kon blootstellen aan een reële dreiging van fysiek geweld? Erkent u dat u zelf de achtergrond van uw uitspraak omschrijft als een klimaat waarin «uitingen van homohaat steeds openlijker en feller van toon worden»? Hoe weegt u die door u zelf geschetste achtergrond bij de beoordeling van uw eigen woorden?
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van meningsuiting ruim moet worden uitgelegd, voor oppositieleden én voor de Minister-President en dat het strafrecht niet behoort te worden ingezet om politieke tegenstanders te normeren? Deelt u ook de opvatting dat het vertrouwen in de rechtsstaat vereist dat voor iedereen dezelfde maatstaf geldt, ongeacht politieke gezindheid? Zo ja, hoe waarborgt het kabinet dat?
Blijft u volledig achter uw uitspraken van 27 september 2026 staan? Zo nee, welke onderdelen neemt u terug?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
De vervolging van de presentatoren van RoddelPraat en de onderbouwing van het vervolgingsbeleid bij beledigende uitlatingen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) Jan Roos en Dennis Schouten vervolgt wegens beledigende uitlatingen over twee vrouwen in hun programma RoddelPraat?
Kunt u bevestigen dat het OM deze vervolging publiekelijk heeft toegelicht met de stelling dat verbale agressie tegen vrouwen bijdraagt aan een cultuur waarin ernstigere vormen van geweld mogelijk worden? Kunt u de volledige toelichting aan de Kamer verstrekken?
Hanteert het OM de zogenoemde «piramide van geweld», of vergelijkbare modellen waarin beledigingen en seksistische grappen in verband worden gebracht met mishandeling, verkrachting en moord, bij zijn vervolgingsbeleid, interne opleidingen of publieke communicatie? Zo ja, welke modellen betreft dit en kunt u de bijbehorende documenten verstrekken?
Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het door het OM genoemde verband tussen verbale agressie tegen vrouwen en ernstigere vormen van geweld? In hoeverre tonen deze onderzoeken een oorzakelijk verband aan, en in hoeverre beschrijven zij correlaties, maatschappelijke opvattingen of theoretische veronderstellingen?
Welk onderscheid maakt het OM tussen een model dat wordt gebruikt voor maatschappelijke bewustwording en een wetenschappelijk gevalideerd model dat geschikt is om concrete beslissingen over strafrechtelijke vervolging te ondersteunen?
Hoe voorkomt het OM dat algemene uitspraken over een maatschappelijke cultuur worden vertaald naar verantwoordelijkheid van individuele verdachten voor geweld dat zij niet hebben gepleegd en waartoe zij niet hebben aangezet?
Welke criteria hanteert het OM om beledigende uitlatingen over een vrouw aan te merken als gendergerelateerde agressie? Is daarvoor bepalend dat de beledigde persoon een vrouw is, of moet ook een aantoonbaar verband bestaan tussen de uitlating en haar geslacht?
Deelt u de opvatting dat de ernst en urgentie van geweld tegen vrouwen op zichzelf geen bewijs vormen voor de stelling dat specifieke beledigende uitlatingen aan dat geweld bijdragen? Hoe wordt dit onderscheid bewaakt in het vervolgingsbeleid en de communicatie daarover?
Welke betekenis heeft de veronderstelde bijdrage van uitlatingen aan een gewelddadige cultuur voor de beslissing om wegens belediging te vervolgen? Betreft dit een zelfstandig vervolgingsargument, een factor bij de prioritering of uitsluitend een toelichting voor het publiek, en op welke beleidsregels berust deze toepassing?
Hoe waarborgt het OM bij dergelijke vervolgingsbeslissingen de vrijheid van meningsuiting, waaronder de ruimte voor satire, overdrijving en uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en hoe worden de rechten en reputatie van betrokkenen daartegen afgewogen?
Hanteert het OM dezelfde vervolgingscriteria bij vergelijkbare beledigingen over het uiterlijk van mannen en vrouwen? Zo nee, welke verschillen bestaan er en wat is daarvoor de objectieve rechtvaardiging?
Hoe voorkomt het OM dat het in zijn publieke communicatie verdachten van belediging tevens in verband brengt met ernstige geweldsdelicten waarvoor zij niet worden vervolgd? Hoe verhoudt dergelijke communicatie zich tot de onschuldpresumptie en de vereiste terughoudendheid tegenover verdachten?
Hoe wordt de inzet van opsporings- en vervolgingscapaciteit voor beledigingszaken afgewogen tegen de inzet voor concrete bedreiging, stalking, mishandeling en seksueel geweld? Welke rol spelen de ernst van het feit, het aantoonbare risico voor slachtoffers en de bekendheid van verdachten daarbij?
Klopt het dat deze zaak aan een meervoudige strafkamer wordt voorgelegd? Zo ja, welke overwegingen rechtvaardigen die keuze en in hoeverre is deze behandeling gebruikelijk bij vergelijkbare beledigingszaken?
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de wetenschappelijke en juridische onderbouwing van het gebruik van de «piramide van geweld» of vergelijkbare modellen binnen het OM, en te laten toetsen of daarbij voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke urgentie, empirisch bewijs en individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid?
Tekortkomingen in Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hoe duidt u de aanhoudende tekorten in het personeelsbestand van alle zes de justitiële jeugdinstellingen? Erkent u dat dit tekort ertoe leidt dat de kwaliteit van de taakuitvoering van Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) langdurig onder druk staat?
Onderschrijft u de kritiek van de Kinderombudsman dat de jongeren in JJI’s momenteel geen goed onderwijs wordt aangeboden, dat er geen goede vrijetijdsinvulling bestaat, dat er te vaak geen behandeling wordt geboden waarmee meerdere kinderrechten worden geschonden zoals beschreven in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen?
Onderschrijft u het belang van de scholing en begeleiding van jongeren in JJI’s? Deelt u de zorgen dat jongeren in JJI’s omwille van personeelstekorten nu niet voldoende worden begeleid in de voorbereiding op terugkeer in de maatschappij? Onderkent u dat het pedagogisch uitgangspunt van het jeugdstrafrecht wordt ondermijnd?
Waarom heeft intensief toezicht van inspecties op JJI’s van 2021 tot 2023 geen vervolg gekregen, waardoor deze personeelstekorten al minstens acht jaar lang spelen?1
Kunt u verklaren waarom er, ondanks de kritische rapportage van de Inspectie van het Onderwijs, de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, nog geen verbetering van de tekorten is opgetreden?2
Heeft u in beeld wat de tekorten zijn aan personeel en de daaraan gekoppelde tekortkomingen in rechten van de jongeren?
Wat doet u om de aanwas van personeel te verbeteren in dit segment? Kan er inzicht worden verstrekt in het door de Dienst Justitiële Inrichtingen besproken inzet op werving, opleiding en behoud van medewerkers?3
Op welke manier werkt u met de JJI’s om naar alternatieven te zoeken om op korte termijn de druk te verminderen? Wordt daarin gekeken naar samenwerking met Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (KVJJ's) voor vervroegde uitstroom?
De gezinshereniging van een verdachte met 114 politieregistraties |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de 18-jarige Syrische verdachte van een gewelddadige woningoverval in Amsterdam-Oost, die sinds zijn komst naar Nederland op veertienjarige leeftijd volgens het Openbaar Ministerie en de berichtgeving 114 politieregistraties heeft opgebouwd, en wiens ouders en broertjes desondanks naar Nederland zouden mogen komen in het kader van gezinshereniging?1
Klopt het dat de rechtbank overwoog dat de «samenleving er beroerd van zou zijn» als de hechtenis van deze persoon zou worden geschorst?
Klopt het dat deze verdachte rechtmatig verblijf in Nederland heeft? Zo ja, op grond van welke verblijfstitel, sinds wanneer beschikt hij daarover en op welke datum is deze verblijfstitel voor het laatst door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beoordeeld of verlengd?
Klopt het dat op naam van deze verdachte 114 politieregistraties staan? Zo ja, over welke periode zijn deze opgebouwd, op hoeveel afzonderlijke incidenten hebben deze betrekking, om welke categorieën strafbare feiten gaat het en hoeveel daarvan hebben geleid tot respectievelijk een sepot, strafbeschikking, veroordeling of nog lopende strafzaak?
Op welk moment is de IND voor het eerst geïnformeerd over strafrechtelijke antecedenten of politieregistraties van deze vreemdeling? Hoe vaak heeft sindsdien informatie-uitwisseling tussen politie, Openbaar Ministerie en IND over betrokkene plaatsgevonden?
Is naar aanleiding van deze registraties, vervolgingen of eventuele veroordelingen onderzocht of zijn verblijfsrecht kon worden ingetrokken of niet verlengd wegens gevaar voor de openbare orde? Zo ja, wanneer en met welke uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Zijn er volgens u wettelijke, Unierechtelijke of verdragsrechtelijke bepalingen die verhinderen dat bij een vreemdeling die in vier jaar tijd zoveel politieregistraties heeft opgebouwd, eerder wordt beoordeeld of voortzetting van zijn verblijf verenigbaar is met de bescherming van de openbare orde?
Klopt het dat deze verdachte als referent optreedt of heeft opgetreden voor de gezinshereniging van zijn ouders en broertjes? Zo ja, wanneer is deze aanvraag ingediend, wanneer is daarop beslist en op welke juridische grondslag is de gezinshereniging toegestaan?
Was de IND bij de behandeling van die nareisaanvraag op de hoogte van de politieregistraties, strafrechtelijke antecedenten en/of lopende strafzaken van de referent? Zo ja, welke betekenis is daaraan bij de beslissing gegeven? Zo nee, hoe is het mogelijk dat dergelijke informatie de IND niet heeft bereikt?
Klopt het dat bij de openbare-ordetoets in een nareisprocedure in beginsel wordt beoordeeld of de nareizende gezinsleden zelf een gevaar vormen voor de openbare orde, maar dat ernstig of stelselmatig crimineel gedrag van de in Nederland verblijvende referent op dit moment niet zonder meer een grond vormt om de gezinshereniging te weigeren?
Zo ja, acht u het wenselijk dat iemand die in Nederland in korte tijd een zeer groot aantal politieregistraties heeft opgebouwd en wordt verdacht van een ernstig geweldsmisdrijf, desondanks aanspraak kan blijven maken op facilitering door de Nederlandse staat van de overkomst van zijn gezin?
Welke mogelijkheden biedt het huidige nationale, Europese en internationale recht om een aanvraag voor gezinshereniging af te wijzen, aan te houden of opnieuw te beoordelen wanneer de referent een ernstig gevaar voor de openbare orde vormt of wordt verdacht van ernstige strafbare feiten?
Bestaat er op dit moment überhaupt een grens aan het aantal of de ernst van de strafbare feiten dat een referent kan plegen voordat zijn gedrag gevolgen heeft voor een lopende of reeds toegewezen aanvraag voor gezinshereniging? Zo ja, waar ligt die grens precies? Zo nee, acht u dat verdedigbaar?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk niet uit te leggen is wanneer de Staat enerzijds een vreemdeling wegens een lange reeks strafbare gedragingen als gevaar voor de samenleving beschouwt, maar anderzijds tegelijkertijd actief zijn gezinshereniging faciliteert?
Bent u bereid het beleid en, indien noodzakelijk, de Vreemdelingenwet zodanig aan te passen dat stelselmatig crimineel gedrag van een referent uitdrukkelijk kan worden betrokken bij de beoordeling van een aanvraag voor gezinshereniging? Zo nee, welke concrete bepaling van Europees of internationaal recht verhindert dit?
Hoeveel vreemdelingen met rechtmatig verblijf in Nederland hebben op dit moment respectievelijk meer dan 10, meer dan 50 en meer dan 100 politieregistraties op hun naam staan, en bij hoeveel van hen is naar aanleiding daarvan een verblijfsrechtelijke maatregel onderzocht of genomen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN' |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het onacceptabel is dat dergelijk tuig het stadhuis bestormt, aanwezigen aanvalt en de orde in de raadzaal verstoort? En dat dergelijk gedrag de democratische rechtsstaat ondermijnt, zeker als er geen nadere actie op wordt ondernomen?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het Openbaar Ministerie om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe is het mogelijk dat een jaar nadat onder andere Extinction Rebellion het Utrechtse stadhuis heeft bestormd en doordrong tot in de raadzaal, het OM nog steeds de zaak niet heeft opgepakt, naar aanleiding van een aangifte van een raadslid?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed het gemeenteraadslid aangifte van het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aan geboden.
De keuze om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe is het mogelijk dat de politie aangeeft de zaak, waarbij meerdere verdachten in beeld zijn, te hebben verstuurd en het OM aangeeft de aangifte nooit heeft ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om deze zaak tot de bodem uit te zoeken en daar nader over te berichten?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt is dit inmiddels gebeurd.
De afhandeling van geweld en belediging van politieagenten |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen van politieagenten dat zaken betreffende geweld tegen politieagenten en belediging van politieagenten in de praktijk regelmatig worden geseponeerd of slechts beperkt strafrechtelijk worden afgedaan?
Nee, deze signalen ken ik in zijn algemeenheid niet. Het Openbaar Ministerie (OM) neemt deze zaken juist zeer ernstig op. Deze worden met prioriteit behandeld en het sepotpercentage is in deze zaken lager dan gemiddeld. In 2025 werd volgens het jaarbericht van het OM 31 procent van de totale uitstroom onvoorwaardelijk geseponeerd1, terwijl in Veilig Publieke Taak-zaken in 2025 slechts 14 procent onvoorwaardelijk werd geseponeerd2 en in Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA)-zaken slechts 17,8 procent. Laatstgenoemde percentage blijkt uit de tabel in het antwoord op vraag 2. Een onvoorwaardelijke sepot betekent dat het OM onvoorwaardelijk afziet van vervolging. Bij een voorwaardelijk sepot zijn er voorwaarden verbonden aan het sepot, bijvoorbeeld verplichte begeleiding door Reclassering Nederland. Dit betekent niet dat er geen sepots voorkomen, bijvoorbeeld als het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt of als een andere afdoening prevaleert om een duurzame afdoening te verkrijgen.
Hoeveel aangiften en processen-verbaal wegens geweld en belediging tegen politieagenten zijn in de afgelopen vijf jaar door het Openbaar Ministerie (OM) afgedaan met een sepot of een voorwaardelijk sepot? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
Het OM spant zich samen met de politie in voor mensen met een veilige publieke taak (VPT). In verband hiermee worden ook de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak geactualiseerd. Dit zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM. Deze afspraken zien op de strafrechtelijke aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak. De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken3. Naar verwachting ontvangt uw Kamer in het derde kwartaal van 2026 de herziene versie van de ELA.
Om de vervolging van VPT-zaken voor de samenleving inzichtelijk te maken publiceert het OM ieder jaar in april een memo overzicht en duiding VPT. In onderstaande tabel staat het totaal aantal ter vervolging ingestroomde VPT-zaken over de jaren 2021 t/m 2025. Onder het totaal aantal ingestroomde VPT-zaken staan de aantallen die onder de door het OM met de maatschappelijke kwalificatie Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA) ter vervolging zijn ingestroomd en daaronder zijn de aantallen voorwaardelijke – en onvoorwaardelijk sepots opgenomen.
9.823
9.911
9.113
9.110
9.811
– Vw sepot
322
407
366
358
383
– Ov sepot
793
902
842
767
810
% GTPA geseponeerd
17,1%
18,9%
19,8%
18,5%
17,8%
Wat zijn de meest voorkomende sepotgronden in zaken waarin politieagenten slachtoffer zijn van geweld of belediging? Kunt u hiervan een overzicht geven?
De meest voorkomende sepotgrond bij een onvoorwaardelijke sepot is «onvoldoende bewijs». Bij een voorwaardelijke sepot is dat «ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert». In dat geval prevaleert bijvoorbeeld bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk ingrijpen.
Hoeveel zaken wegens geweld en/of belediging van politieagenten hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot een strafbeschikking, transactie of veroordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
De cijfers die ik van het OM heb ontvangen, zijn niet uitgesplitst naar geweld en/of belediging. Over de afdoening van GTPA-zaken kan ik de onderstaande cijfers verstrekken. Hierin staat weergeven hoeveel zaken zijn afgedaan met een transactie/ OM-strafbeschikking en hoeveel zaken aan de rechter zijn voorgelegd. Het totaal aantal zaken dat is geseponeerd treft u in de tabel bij het antwoord op vraag 2.
1.143
1.403
1.273
1.304
1.669
4.132
4.045
3.897
3.922
3.650
Herkent u de signalen uit de politiepraktijk dat ernstige beledigingen van agenten, waaronder bedreigende en intimiderende uitlatingen tijdens de uitoefening van hun functie, met regelmaat worden geseponeerd? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Zo nee, waarop baseert u dat?
Deze signalen herken ik in zijn algemeenheid niet. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. Daarbij hecht ik eraan het volgende op te merken. Intimiderende en bedreigende uitlatingen kunnen een grote impact hebben op agenten en zijn moreel verwerpelijk. Vanuit strafrechtelijk perspectief geldt echter dat intimiderende en bedreigende uitlatingen niet altijd een strafbaar feit opleveren. Waar het wel een (mogelijk) strafbaar feit oplevert, pakt het OM deze zaken met prioriteit op.
Van het OM heb ik, zoals hiervoor weergegeven, jaarcijfers ontvangen van het totaal aantal GTPA-zaken die ter vervolging zijn ingestroomd. Daarbij is tevens het aantal voorwaardelijke en onvoorwaardelijke sepots gegeven. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 1, 3 en 4.
Deelt u de opvatting dat een consequente bestraffing van geweld en ernstige belediging van politieagenten essentieel is voor het gezag van de politie, de veiligheid van onze dienders en de norm dat agressie tegen hulpverleners onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Geweld en agressie tegen mensen met een publieke taak is onacceptabel en dit geldt zeer zeker ook voor politiemedewerkers. Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen alle functionarissen met een publieke taak is essentieel.
De politie heeft als werkgever een belangrijke rol in de ondersteuning van politiemedewerkers die tijdens het uitvoeren van hun werk te maken krijgen met geweld en agressie. Zo is er binnen de politie een Integrale Aanpak Geweld Tegen Politieambtenaren. Deze aanpak is gericht op de bescherming van politiemedewerkers door opleiding, registratie en vroegsignalering. De leidinggevenden vervullen een ondersteunende rol in de zorg en aandacht voor de mentale weerbaarheid van hun medewerkers. Ook wordt er in debriefings aandacht besteed aan het delen van nare ervaringen tijdens de dienst. Indien dit het geval is worden de betreffende politiemedewerkers 3 á 4 weken later uitgenodigd voor een groepsgesprek samen met een psycholoog. Ook is het Team Collegiale Ondersteuning ingericht voor ondersteuning voor en door collega’s na ingrijpende en schokkende gebeurtenissen in het werk.
Verder benoemt het OM in het requisitoir de bijzondere positie van het slachtoffer en motiveert de strafeis met inachtneming van de toepasselijke aanwijzingen van het College, als ook een afwijking daarvan. In beginsel wordt door het OM in VPT-zaken een aanmerkelijk hogere sanctie opgelegd of straf geëist. Voor mij is op basis van de geleverde informatie niet aannemelijk dat geweld en agressie van politiemedewerkers niet consequent wordt vervolgd en bestraft.
Ik informeer u op korte termijn over de herziening van de ELA bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tussen de politie en het OM. Met deze herziening wordt beoogd om de politie en het OM nog beter in staat te stellen om VPT-delicten met meer prioriteit en kwaliteit af te handelen.
Bent u bereid samen met het OM te onderzoeken of de huidige afdoeningspraktijk in zaken van geweld en belediging van politieagenten in overeenstemming is met het uitgangspunt dat agressie en geweld tegen publieke functionarissen een hoge opsporings- en vervolgingsprioriteit hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de overheid haar eigen politieagenten in de steek laat wanneer geweld en ernstige belediging van politieagenten niet consequent worden vervolgd en bestraft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat er cruciale informatie over de jacht op Wolf Bram pas maanden later boven tafel kwam |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jacht op wolf Bram verliep in diepste geheim en cruciale info komt pas maanden later boven tafel?»1
Ja.
Wat doet u precies om faunabeheerders en specifiek zij die belast zijn met het oplossen van een maatschappelijk probleem zoals overlast gevende wolven te beschermen, nu uit nieuwe documenten blijkt dat jagers veel last hadden van pro-wolfactivisten?
Ik betreur het zeer als uitvoerders van een vergunning hinder ondervinden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Iedereen moet veilig zijn werkzaamheden kunnen uitvoeren. Het beleid rond overlastgevende wolven ligt echter primair bij provincies en gemeenten. Zij dragen er zorg voor dat de uitvoering goed wordt geregeld en het is aan eenieder om zich correct te gedragen tegenover anderen.
Ik ga tijdens het Nationaal Wolvenberaad met provincies en burgemeesters in gesprek waarbij ik ook zal bespreken welke ondersteuning ik kan bieden bij het uitvoeren van het beleid rond probleemwolven.
Hoe bestaat het dat activisten een wildcamera kapotmaken en er een fysieke confrontatie plaatsvindt met een faunabeheerder en deze activisten niet worden vervolgd? Wat is ervoor nodig om dit alsnog voor elkaar te krijgen?
Zowel de eigenaar van een camera als een faunabeheerder kan in zo’n geval aangifte doen. Zo’n aangifte wordt dan in behandeling genomen door het Openbaar Ministerie (OM). Dit kan ook achteraf. Het OM is niet bekend met aangiftes over het kapotmaken van wildcamera’s of van fysieke confrontaties.
Kunt u aangeven hoe vaak faunabeheerders de afgelopen vijf jaar bedreigd zijn en of dit tot vervolging heeft geleid? Indien nee, waarom niet? Heeft u de mensen in beeld die dit doen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak faunabeheerders worden bedreigd, omdat daarvan geen aangifte is gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Kunt u een lijst met alle vernielingen en vermissingen van spullen, veroorzaakt door activisten om het werk van faunabeheerders te belemmeren, in de afgelopen vijf jaar met de Kamer delen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak eigendommen van faunabeheerders worden vernield of weggenomen indien daarvan geen aangifte wordt gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders of activisten. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Deelt u de mening dat wolf Bram vanwege het bijten van vier mensen en het doodbijten van twee honden een groot maatschappelijk probleem bleek en dat wat dat betreft de faunabeheerders vanuit de provincie als bevoegd gezag volledige ondersteuning verdienen? Zo ja, hoe kan het kabinet hier een bijdrage aan leveren?
Ja, er was sprake van een probleemwolf. In mijn amvb heb ik de definities van probleemwolven vastgelegd, zodat er duidelijkheid ontstaat over situaties zoals die zich in de provincie Utrecht hebben voorgedaan. Met de amvb lever ik een bijdrage aan het oplossen van dit maatschappelijk probleem.
Deelt u de mening dat de uitvoering van deze taak onder grote maatschappelijke druk is uitgevoerd, er grote zorgen waren over de verdere escalatie van het gedrag van deze wolf en mogelijke fatale gevolgen voor mensen? Bent u bereid om provincies hier meer in te ondersteunen en erop toe te zien dat de uitvoerende faunabeheerders vanuit alle overheidsdiensten volledige ondersteuning en medewerking krijgen?
Ja, die mening deel ik. Ik heb dan ook waardering voor zowel de zorgvuldigheid die de provincie heeft getoond bij het tot stand komen van de afschotvergunning als voor de uitvoering hiervan. Met de amvb beoog ik de provincies te ondersteunen in de uitvoering van hun beleid rond probleemwolven. Ik heb aan de provincies mijn ondersteuning toegezegd daar waar zij in de praktijk wellicht tegen juridische procedures als gevolg van de amvb aanlopen. Verder, wanneer mensen zich bijvoorbeeld niet aan toegangsregels van gebieden houden, kunnen uitvoerders die hier hinder van ondervinden dit melden bij een terreinbeherende organisatie die vervolgens kan optreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het debat over de Wolf in Nederland van 1 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
De opgelegde Amerikaanse sancties hebben gevolgen voor gesanctioneerde individuele ambtsdragers en hun gezinsleden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gevolgen op het gebied van bancaire dienstverlening, verzekeringen en digitale dienstverlening.
Als verdragspartij en gastland van het Hof heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om het functioneren van het Hof te faciliteren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.
Nederland zet zich in om deze gevolgen van maatregelen en sancties zoveel mogelijk te voorkomen en te mitigeren. Zo is er doorlopend overleg met het Hof en gesanctioneerde functionarissen over de impact van sancties en over mitigerende maatregelen. Op basis van deze gesprekken is er, samen met betrokken ministeries, contact met relevante dienstverleners om zogenoemde overcompliance te voorkomen en alternatieve oplossingen uit te werken waar dat nodig is.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van deze laatste ontwikkeling samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Nederland zal zich aan de gastlandverplichtingen blijven houden, ook als dat door aanvullende maatregelen of sancties meer inzet vergt.
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Het is van groot belang dat ambtsdragers en medewerkers van het Internationaal Strafhof hun werk onafhankelijk en ongestoord kunnen doen. Reisbeperkingen, visumproblemen en intimidatiepogingen kunnen dat bemoeilijken. Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren.
Zoals eerder gesteld, staat Nederland in nauw contact met het Hof over veiligheidszorgen en praktische gevolgen van Amerikaanse sancties. Waar passend kan Nederland, in overleg met het Hof, diplomatieke ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door problemen bij derde landen aan te kaarten in bilateraal of in EU-verband, of in de context van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Vanwege veiligheidsoverwegingen doet het kabinet publiekelijk nooit uitspraken over veiligheidsmaatregelen. Wel kan ik u verzekeren dat ten aanzien van intimidatie en inmengingsactiviteiten de betrokken gezagen in nauw contact staan met de Nederlandse veiligheids – en opsporingsdiensten en waar nodig passende maatregelen treffen.
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Zie antwoord op vraag 2.
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door, ook rechtstreeks met de regering-Trump, waarbij onder meer onze zorgen over de campagne tegen het Internationaal Strafhof worden overgebracht en de daarbij gehanteerde kwalificaties worden ontkracht.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat en acties die het Hof ondermijnen ten zeerste afkeurt. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder (politieke) inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en Verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
De inzet van de VS ten aanzien van het Internationaal Strafhof is recent door de VS uiteengezet in o.a. een persverklaring uitgebracht door het VS State Department. Deze boodschap heeft de VS inmiddels herhaald in bilaterale contacten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Nederland staat pal achter het Hof en zijn medewerkers en zal zich, samen met gelijkgezinde partners, onverminderd blijven inzetten om het Hof te beschermen en ondersteunen waar nodig. Het Internationaal Strafhof is de belichaming van het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap, zodat deze misdrijven niet onbestraft blijven.
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Het kabinet anticipeert op verschillende scenario’s, waaronder mogelijke sancties tegen het Hof als organisatie, of bredere beperkingen op dienstverlening door Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen aan het Hof.
De getroffen voorbereidingen en het doorlopende werk dat het Hof hier met ondersteuning van gastland Nederland en andere verdragspartijen en dienstverleners op verricht kan vanwege de vertrouwelijkheid niet in detail worden toegelicht. Op alle in de vraag genoemde terreinen is en wordt op verschillende niveaus gewerkt aan mitigerende maatregelen en alternatieven.
Zoals gezegd doet Nederland dit niet alleen, het kabinet zet zich er doorlopend voor in om ook in EU-verband en met de andere 124 verdragspartijen dergelijke maatregelen voor te bereiden. Ook omdat dienstverlening aan het Hof ook buiten Nederland plaatsvindt.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld al ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU-maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, Verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Zoals reeds aan de Kamer is gemeld, dringt Nederland steevast aan op een gezamenlijke aanpak in de EU om het Hof te beschermen en in algemene zin stappen te zetten op het terrein van EU-weerbaarheid en autonomie. In dat kader pleit Nederland actief voor het treffen van alle benodigde voorbereidingen voor toepassing van het Blocking Statute.
Indien de VS overgaat tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof significant belemmeren zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig – waaronder toepassing van het Blocking Statute.
Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen voor aan- en toepassing van het Blocking Statute. Dergelijke actie vraagt echter om een zorgvuldige afweging. Alle aspecten moeten daarbij worden meegewogen zoals timing, effectiviteit, diplomatieke inzet en belangen van het bedrijfsleven.
Wat is er gedaan sinds het in oktober 2024 aannemen van de motie van de leden Van der Werf en Becker over expertise op het terrein van femicide landelijk samenbrengen ter ondersteuning van een laagdrempelige 24/7-hulplijn?
Hoe staat het met de toezegging uit de voortgangsbrief van december 2025 dat u de meerwaarde van een onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning via het Europese nummer 116 verder zou willen verkennen? Waarom is hierover niets terug te vinden in de meest recente voortgangsbrief van 3 juli 2026? Kunt u aangeven welke concrete stappen sinds december 2025 zijn gezet?
Kunt u toezeggen dat u niet gaat wachten op de verdere ontwikkeling van Veilig Thuis en een eventuele landelijke chatfunctie van Veilig Thuis voordat u aan de slag gaat met de verdere ontwikkeling van een laagdrempelig landelijk meldpunt, zoals nummer 116 voor onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
Deelt u de mening dat een chatfunctie van Veilig Thuis niet de lading dekt van de verzoeken van de Kamer om een laagdrempelige landelijke hulplijn te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Beschikt u over landelijke cijfers waaruit blijkt hoeveel slachtoffers die zich in een (acuut) onveilige situatie bevinden zelf contact opnemen met Veilig Thuis? Wordt daarnaast geregistreerd hoeveel van deze slachtoffers voor het eerst over het geweld vertellen en om hulp vragen («first disclosure»)? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze gegevens structureel te laten monitoren?
Bent u bekend met de voortgangsbrief van december 2025 met daarin een reactie op de petitie van Valente over 116? Op welke wijze zijn de voorstellen uit deze petitie en de daaropvolgende gesprekken met Valente betrokken bij de verdere uitwerking van uw beleid sinds december 2025?
Welke concrete voorwaarden moeten volgens u worden vervuld voordat het besluit tot de verdere ontwikkeling van 116 als onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd, en kunt u de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2026 informeren?
Bent u bereid om alles op alles te zetten om voor de begrotingsbehandeling in 2026 een laagdrempelige 24/7 hulplijn die ook telefonisch bereikbaar is, bij voorkeur via het nummer 116, operationeel te hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer inzicht geven in de praktische en financiële consequenties van het realiseren van een hulplijn met daarachter een samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Indien u niet van mening bent dat dit haalbaar is, kunt u dit onderbouwen met een overzicht van de belangrijkste knelpunten en de daarbij horende kosten?
De aangifte van seksueel geweld door Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla aangifte hebben gedaan van seksueel geweld door Israëlische militairen?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja, ik heb kennis genomen van de berichtgeving over de aangekondigde aangifte. Als er aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Heeft het kabinet inmiddels contact gehad met de Nederlandse opvarenden of hun advocaat naar aanleiding van deze aangifte? Zo ja, welke ondersteuning is daarbij aangeboden?
Zoals bekend, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Nederlandse deelnemers aan de Global Sumud Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan rondom de onderscheppingen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten in april en mei jongstleden. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
In Frankrijk en Italië lopen inmiddels strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla. Ziet het kabinet aanleiding vergelijkbare stappen in Nederland te zetten?2 Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 1 is aangegeven, is het – als er aangifte wordt gedaan – aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Is het kabinet bereid zich ervoor in te spannen dat de Nederlandse aangiften worden betrokken bij internationale strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van de opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Indien er een strafrechtelijk onderzoek en eventueel (vervolgens) vervolging wordt ingesteld is het aan het Openbaar Ministerie om al dan niet internationale afstemming te zoeken.
Welke medische, psychologische en juridische ondersteuning wordt aan de Nederlandse slachtoffers aangeboden sinds ze weer terug zijn in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te inventariseren of daar alsnog behoefte aan is?
Zowel Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN) als het Centrum voor Seksueel Geweld (hierna: CSG) gaan, in verband met de privacy van betrokkenen, niet in op individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik melden dat herstel van autonomie van slachtoffers voorop staat, waarbij zij zelf regie hebben over de gewenste hulp, en dus ook over of, hoe en aan wie zij over hun ervaringen vertellen.
SHN is altijd beschikbaar voor alle slachtoffers indien daar behoefte aan is. Met slachtoffers die in Nederland aangifte doen van seksueel geweld wordt, indien zij toestemming verlenen om de gegevens met SHN te delen, binnen drie dagen contact opgenomen door SHN. In dit eerste contact worden de impact en behoefte geïnventariseerd, en wordt uitleg gegeven over welke psychosociale en juridische ondersteuning geboden kan worden. De ondersteuning is altijd maatwerk, in aansluiting op de noden en behoeften van het slachtoffer. Als opvarenden van de Flotilla seksueel geweld hebben meegemaakt en twijfelen over of zij hulp nodig hebben, nodigt het CSG hen uit om contact op te nemen. Het is aan henzelf om te beslissen wat zij wel of niet willen delen. Dit kan telefonisch, per chat of in Amsterdam en Rotterdam op inloop.
Bent u bereid zich er bij de Israëlische autoriteiten voor in te zetten dat volledige medewerking wordt verleend aan onderzoeken naar de aangiften van seksueel geweld en andere ernstige misdrijven tegen de opvarenden?
Zoals bekend heeft het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President richting de Israëlische autoriteiten tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden gesteund.3
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Overeenkomstig uw verzoek zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.
Strafvermindering voor ernstige misdadigers vanwege te lange strafprocedures |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van RTL Nieuws van 3 juli 2026: «Rechtssysteem loopt vast, moordenaars en verkrachters krijgen lagere straffen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat in honderden zaken rond zware misdrijven, waaronder moord, doodslag en verkrachting, strafvermindering is toegepast omdat de strafprocedure te lang duurde?
Ik acht het van groot belang dat daders een passende straf krijgen. Voorop staat dat verdachten, daders en slachtoffers tijdig hun recht dienen te krijgen en niet te lang moeten wachten op de uitkomst van een strafproces. Het verkorten van de doorlooptijden is dan ook een van de prioriteiten van de strafrechtketen. Tegelijkertijd is het belangrijk dat elke zaak de tijd en aandacht krijgt die deze verdient, zowel tijdens het opsporingsonderzoek als tijdens de behandeling op zitting. Slachtoffers en verdachten hebben recht op een zorgvuldig en rechtvaardig proces. Onderdeel daarvan is dat binnen een redelijke termijn een uitspraak van de rechter volgt. Om te voorkomen dat een verdachte onnodig lang in onzekerheid verkeert over een eventuele bestraffing, vloeit uit art. 6 EVRM voort dat een verdachte recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.2 In die gevallen waarin een overschrijding van de redelijke termijn niet vermeden kan worden, kunnen daar consequenties aan worden verbonden. Er kan ook worden volstaan met het vaststellen van die overschrijding. De Hoge Raad heeft de uitgangspunten voor de toepassing van strafvermindering als gevolg van termijnoverschrijdingen uiteengezet3.
Het is echter in alle opzichten onwenselijk als de duur van het proces een rechtvaardige strafoplegging in de weg staat, terwijl daar geen inhoudelijke zaak gerelateerde grondslag voor is. Juist voor slachtoffers en nabestaanden kan het veel impact hebben als het strafproces erg lang op zich laat wachten als gevolg van een overvolle strafrechtketen. Zeker als de lange duur van het strafproces dan ook nog invloed heeft op de hoogte van de straf. Strafvermindering voor verdachten die lang moeten wachten op het strafproces moet dan ook worden voorkomen.
Ik wil daarbij wel benadrukken dat de Rechtspraak aangeeft dat de genoemde aantallen niet door hen kunnen worden bevestigd. Op basis van de binnen de Rechtspraak bekende data kan deze conclusie niet zonder meer worden getrokken. Om een gefundeerde conclusie te kunnen geven zou uitgebreid jurisprudentieonderzoek nodig zijn.
Wat is volgens u de impact hiervan op de rechtsstaat?
Een goed functionerende strafrechtketen is belangrijk voor het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat en het strafrecht. Ik begrijp goed dat het voor slachtoffers en nabestaanden wrang is als in een strafzaak een overschrijding van de redelijke termijn wordt geconstateerd en verdachten als gevolg daarvan strafvermindering krijgen. Ik acht het onwenselijk als betrokkenen te lang moeten wachten op hun recht en dat langere doorlooptijden mogelijk zouden kunnen leiden tot een andere uitkomst van het strafproces. Ik merk daarbij wel op dat indien er strafvermindering wordt toegepast dit niet direct betekent dat de veroordeelde geen gepaste straf krijgt.
Ik acht het in algemene zin van groot belang om de doorlooptijden in de strafrechtketen te verkorten. Het verbeteren van de doorlooptijden heeft prioriteit de komende jaren. Mijn ministerie werkt samen met de ketenorganisaties hard aan de aanpak van de problematiek van lange doorlooptijden. Mede naar aanleiding van de aangehaalde bevindingen van de Algemene Rekenkamer is er een deltaplan in voorbereiding waarin tal van maatregelen zullen worden genomen om de prestaties in de strafrechtketen, waaronder de doorlooptijden, te verbeteren. Uw Kamer is hierover in de voortgangsbrief strafrechtketen van 22 juni jl. geïnformeerd. Het streven is dat het deltaplan in het eerste kwartaal van 2027 gereed is.
Hoe beoordeelt u dat volgens RTL Nieuws in 2008 in 8 procent van de gepubliceerde vonnissen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, terwijl dit in de eerste helft van 2026 is opgelopen tot 25 procent?
RTL Nieuws baseert zich op gepubliceerde rechterlijke uitspraken. Omdat de Rechtspraak sinds 2021 fors meer uitspraken publiceert dan in de jaren daarvoor is er in 2026 een veel grotere en andere verzameling uitspraken beschikbaar dan in 2008. Dit maakt de percentages uit 2008 en 2026 moeilijk vergelijkbaar. Op basis van de stijging in het aantal gepubliceerde uitspraken kan dan ook niet worden gezegd dat schendingen van de redelijke termijn daadwerkelijk vaker voorkomen dan in 2008. Evenmin volgt uit deze cijfers dat in alle gevallen strafvermindering is toegepast; overschrijding van de redelijke termijn leidt daar niet automatisch toe. Om dit eventueel vast te kunnen stellen, zou nader onderzoek nodig zijn.
Tegelijkertijd deel ik als gezegd de zorgen over de lange duur van strafzaken en de constatering dat in de gepubliceerde uitspraken sprake is van een dergelijk percentage waarbij sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De doorlooptijden in de strafrechtketen hebben mijn volle aandacht. Om tot kortere doorlooptijden te komen zijn daartoe in de strafrechtketen streefnormen vastgesteld ten aanzien van 3 geprioriteerde zaakstromen, namelijk ten aanzien van zeden, jeugd en veelvoorkomende criminaliteit (VVC). Met het bovengenoemde deltaplan zal gewerkt worden aan de verdere realisatie van deze streefnormen. Op termijn dient dit ook bij te dragen aan het verminderen van het aantal strafzaken waarbij de redelijke termijn in het geding is.
Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen vijf jaar strafvermindering is toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en om wat voor soort misdrijven dit gaat?
De Rechtspraak en het Openbaar Ministerie houden geen registratie bij van overschrijdingen van de redelijke termijn en de gevolgen die daaraan in een specifieke strafzaak zijn verbonden. Precieze gegevens over het aantal strafzaken waarin een overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld kunnen pas na zeer tijdrovend onderzoek worden verkregen. Hiervoor zouden alle strafzaken bij alle gerechten afzonderlijk moeten worden geanalyseerd.
Hoe beoordeelt u de gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden in zaken waarin de dader strafvermindering opgelegd krijgt?
Zie antwoord op vraag 2.
Wordt strafvermindering als gevolg van te lange doorlooptijden expliciet meegenomen in het deltaplan voor de strafrechtketen?
Het deltaplan voor de strafrechtketen richt zich in algemene zin op het verbeteren van de prestaties van de strafrechtketen, waaronder de doorlooptijden. Het verbeteren van de doorlooptijden moet er uiteindelijk toe leiden dat meer zaken binnen een redelijk termijn worden afgedaan. Overigens wordt in het nieuwe Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid voor de rechter geïntroduceerd om ook aan de benadeelde partij een schadevergoeding toe te kennen wanneer de redelijke termijn is overschreden.
Zo ja, bent u bereid om maatregelen hiertegen niet pas in het deltaplan van volgend jaar op te nemen, maar nog vóór het einde van dit jaar met concrete voorstellen te komen?
In december 2025 zijn al verschillende maatregelen aangekondigd om te werken aan het verkorten van de doorlooptijden in de strafrechtketen. Deze maatregelen worden voortgezet.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van doorlooptijden van rechtszaken en het aantal zaken waarin strafvermindering wordt toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
Uw Kamer wordt twee keer per jaar geïnformeerd over de ontwikkeling van de doorlooptijden in de strafrechtketen middels de factsheet strafrechtketenmonitor. Specifiek ten aanzien van zaken waarin strafvermindering wordt toegepast acht ik dit onhaalbaar. Deze informatie wordt op dit moment niet geregistreerd. Het verwerken van dergelijke informatie is intensief en technisch complex voor de Rechtspraak.
Het bericht ‘OM over racistische uitingen naar Oranjespelers: ‘Discriminatiezaken hebben prioriteit’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) naar aanleiding van de racistische uitingen richting spelers van het Nederlands elftal heeft aangegeven dat discriminatiezaken prioriteit hebben?1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Hoe verhoudt de prioritering van het OM zich tot de bevindingen van de Algemene Rekenkamer dat jaarlijks duizenden ernstige misdrijven, waaronder High Impact Crimes, niet of niet tijdig worden opgepakt wegens capaciteitsgebrek?
Zoals ik in mijn reactie op het conceptrapport van de Algemene Rekenkamer (hierna: AR) over prioritering in de opsporing heb toegelicht is de prioritering in de opsporing gelaagd, afhankelijk van meerdere factoren en bedoeld om doelen van rechtsstatelijke en maatschappelijke aard te dienen. Het maken van keuzes in de opsporing kent bij uitstek een veelheid aan dimensies, ook vanwege de aard van ons politiebestel. Naast landelijke criminaliteitsbeelden en fenomeenanalyses, spelen bijvoorbeeld ook regionale en lokale context een belangrijke rol. Prioritering in de opsporing is dan ook een doorlopend gesprek dat constante bijsturing vereist op nieuwe fenomenen.
De Aanwijzing voor de opsporing van het OM en het screenings- en selectiviteitskader geven belangrijke richting bij de prioritering. Zoals hierboven aangegeven speelt de lokale context een belangrijke rol. Keuzes in de opsporing worden onder andere gemaakt tegen de achtergrond van het criminele speelveld binnen het werkgebied van een team of het criminaliteitsbeeld van een district. Verder moet onder meer rekening worden gehouden met de per definitie schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit, de kansrijkheid en noodzaak van strafrechtelijk ingrijpen ten opzichte van andere interventies, de individuele belangen van verdachten en slachtoffers en de eventuele geschokte rechtsorde. Het OM dient een balans te vinden tussen het zorgdragen voor een reële en voldoende aanwezige strafrechtelijke handhaving en het gegeven dat niet elk individueel strafbaar feit tot een strafrechtelijke interventie kan leiden.
Dat specifiek het discriminatiebeleid is geprioriteerd bij het OM volgt uit de Aanwijzing discriminatie (2025A003). Daarin staat onder meer dat de politie in beginsel elke aangifte van discriminatie opneemt en dat er na elke aangifte een opsporingsonderzoek volgt. Discriminatie is in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen.2 De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in principe aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kan het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken, naast andere prioriteiten.
Kan het OM een overzicht verstrekken van delicten en zaakstromen die momenteel als prioriteit of topprioriteit worden aangemerkt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 2 over hoe de prioritering tot stand komt, geldt dat er verschillende bestuurlijke afspraken over de prioritering van criminaliteitsfenomenen zijn. Deze betrekt het OM bij de keuzes die het maakt in de prioritering. In het Bestuurlijk Ketenberaad hebben ketenorganisaties samen met het ministerie afgesproken dat er drie geprioriteerde zaakstromen zijn in de periode van 2022 tot en met 2027 op het gebied van doorlooptijden: jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit.
In het kader van de Veiligheidsagenda3 2023–2026 zijn er landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering van de politie vastgesteld op de volgende criminaliteitsfenomenen: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, mensenhandel en cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, waaronder online seksueel kindermisbruik. In die Veiligheidsagenda is ook aangegeven dat deze keuzes niet afdoen aan dat de inzet van de politie op andere thema’s, zoals discriminatie. Eerder heb ik u geïnformeerd over dat besprekingen in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie hebben geleid tot breed draagvlak onder het OM, de regioburgemeesters en de politie voor vaststelling van de volgende thema’s in de Veiligheidsagenda 2027–2030: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit (waaronder online seksueel kindermisbruik), relationeel geweld en geweld in afhankelijkheidsrelaties (met name geweld tegen vrouwen, waaronder femicide) en mensenhandel.4 Op dit moment wordt bij de uitwerking van deze thema’s focus aangebracht en worden concrete landelijke doelstellingen geformuleerd. Uw Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de nieuwe Veiligheidsagenda.
Naast deze bestuurlijk tussen ketenpartners vastgestelde prioriteiten zijn er binnen het strafvorderingsbeleid van het OM ook aandachtsgebieden die blijvend aandacht krijgen. Denk daarbij aan het beleid rondom Veilige Publieke Taak en de aanpak van (online) discriminatie. Bij dat type delicten krijgt de prioritering vorm door bijvoorbeeld het eisen van hogere straffen.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven vaak jarenlang de gevolgen van deze feiten ondervinden en dat de opsporing en vervolging van dergelijke feiten altijd tot de hoogste prioriteiten van politie en OM zouden moeten behoren?
Vanzelfsprekend heeft de opsporing en vervolging van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven grote aandacht van politie en OM. Dat betekent niet dat andere feiten, zoals de aanpak van ondermijning, online seksueel misbruik, etc. anders geprioriteerd dienen te worden. Het OM tracht daarbij steeds om de juiste zaken, in passende volumes en in verhouding tot het criminaliteitsbeeld te laten instromen en deze adequaat en voortvarend te vervolgen, om daarmee aan meer slachtoffers en verdachten sneller recht te doen.
Bent u bereid in overleg met het OM te bezien of High Impact Crimes expliciet als topprioriteit kunnen worden aangemerkt binnen de bestaande capaciteitsverdeling?
High Impact Crimes is een verzamelnaam voor delicten als geweldsmisdrijven, woninginbraak, overvallen en straatroof. De Aanwijzing voor de opsporing, dat beleid van het OM is, bepaalt dat het uitgangspunt in High Impact Crimes is dat in principe altijd een opsporingsonderzoek dient te worden ingesteld waarbij beslissingen door de politie altijd in afstemming met het OM dienen te worden genomen. Ik meen dat hiermee in het beleid van het OM voldoende prioriteit aan deze zaken wordt gegeven en zie geen aanleiding om hier aanvullend over met het OM in gesprek te gaan.
Hoe weegt u de inzet van schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit tussen online discriminatiezaken enerzijds en ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven anderzijds?
Zoals in vraag 2 toegelicht is discriminatie in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen. De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in beginsel aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kunnen de politie en het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken.
Kunt u garanderen dat de inzet van politie- en OM-capaciteit voor het opsporen en vervolgen van de racistische uitingen richting de Oranjespelers niet ten koste gaat van de aanpak van ernstige misdrijven, zoals gewelds-, zeden- en andere High Impact Crimes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
Ja.
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Er is geen landelijk beeld van het aantal gemeenten waarin er actieve burgerwachten of buurtpreventieteams zijn opgericht, aangezien er niet één centrale registratie van dergelijke lokale initiatieven bestaat.
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Een maatschappij waarin intimidatie wordt gebruikt als middel om je zin te krijgen is onaanvaardbaar. In algemene zin is het lastig aan te geven wanneer intimidatie overgaat in een strafbaar feit. Hierbij spelen de feiten en omstandigheden, de context en de vereisten van strafbare feiten als bedreiging, stalking, laster en doxing een rol. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen wanneer het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot vervolging voor een strafbaar feit en vervolgens aan de rechter om te bepalen of al dan niet sprake is van een strafbaar feit.
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
In het registratiesysteem van de politie wordt niet systematisch vastgelegd of er een strafbaar feit is gepleegd door burgerwachten. Omdat een brede zoekslag naar mogelijke aangiften door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners van dergelijke feiten zodoende niet kan worden uitgevoerd, kan deze vraag niet worden beantwoord.
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Om ervoor te zorgen dat personen die via de asielstroom nieuw in Nederland zijn op de hoogte zijn van de Nederlandse wetten en normen, wordt hier bij aankomst bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) basisinformatie over verstrekt. Daarnaast wordt door bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk Nederland informatie verstrekt over de asielprocedure en daarmee samenhangende rechten en plichten. Indien sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Het COA voert met asielzoekers in de eerste twee weken van het verblijf op een opvanglocatie een rechten- en plichtengesprek. In dit gesprek worden de basisvoorwaarden, leefregels en gedragsnormen voor asielzoekers besproken. Daarnaast informeert het COA de asielzoeker over de Nederlandse rechtsstaat en de Grondwet. Indien een asielzoeker aangifte wil doen van een strafbaar feit, wordt deze doorverwezen naar de politie. Als er sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Wij zijn bekend met de berichtgeving waarin melding wordt gemaakt van verschillende sociale mediaberichten, waaronder het bericht waar in deze vraag op wordt gedoeld. De beoordeling of in een individuele casus sprake is geweest van een strafbaar feit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de politie en het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter. Zonder op specifieke situaties in te kunnen gaan, geldt in zijn algemeenheid dat het van belang is dat men in geval van een verdachte situatie, of bij het vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd, de politie inschakelt. Het is nooit de bedoeling dat men voor eigen rechter gaat spelen.
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Als kabinet vinden we het belangrijk dat gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren hierbij voldoende worden ondersteund. Als Minister van Asiel en Migratie ben ik daarbij altijd bereid om mee te denken met gemeenten en zal ik hierover het gesprek blijven voeren met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast heeft de VNG een ondersteuningsteam ingericht, dat gemeenten op verzoek kan ondersteunen bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie.
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Vrijwilligerswerk is belangrijk en waardevol werk. Het is belangrijk dat vrijwilligers hun werk onder goede omstandigheden kunnen uitvoeren en het kan absoluut niet de bedoeling zijn dat vrijwilligers zich daarbij geïntimideerd of onveilig voelen. Het bewaken van de openbare orde is belegd bij het lokaal gezag en in gevallen waarin er sprake is van verstoring van de openbare orde is de burgemeester belast met de handhaving hiervan. Bij recente demonstraties hebben we gezien dat er veel op gemeenten af komt bij het openen en exploiteren van een asielzoekerscentrum. Als kabinet vinden we het belangrijk om kleine gemeenten hierbij te ondersteunen. De VNG heeft hierom een ondersteuningsteam opgericht, waarin kennis en expertise wordt gebundeld en dat gemeenten op verzoek ondersteunt bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie. Veiligheid van vrijwilligers maakt hier onderdeel van uit.
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Online platforms zijn gebonden aan de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Op grond van artikel 6 van de DSA, zijn hosting diensten – waaronder online platforms – niet aansprakelijk voor de informatie die afnemers van de dienst verstrekken, op voorwaarde dat zij geen kennis hebben van illegale activiteiten of van illegale inhoud die afnemers opslaan. Zodra zij die kennis wel krijgen, bijvoorbeeld door een melding, dan moeten zij prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Op grond van de DSA moeten online platforms een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud. Het begrip illegale inhoud omvat alle informatie die indruist tegen het Unierecht of het recht van een lidstaat. Of daarvan sprake is, moet per geval beoordeeld worden. Opgemerkt zij echter dat niet alle «foutieve» berichten per definitie illegaal zijn. Een bericht waarin bijvoorbeeld ten onrechte wordt gesteld dat een bewoner van een opvanglocatie betrokken is geweest bij een incident kwalificeert vanwege die feitelijke onjuistheid niet meteen als illegale inhoud. Dat kan anders zijn wanneer het bericht bijvoorbeeld iemand opzettelijk en ten onrechte beschuldigt van een strafbaar feit, of wanneer het bericht aanzet tot haat, discriminatie of geweld.
Op grond van de DSA moeten online platforms verder een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14 van de DSA). Op hen rust bovendien de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud verspreiden, te schorsen. De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie, moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Deze verplichting geldt voor grote sociale mediadiensten zoals Facebook, Instagram en TikTok. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten.
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Laster is een vorm van illegale inhoud. Zoals hiervoor beschreven moeten online platforms prompt handelen om dergelijke inhoud te verwijderen zodra ze er kennis van krijgen. Artikel 8 van de DSA beperkt tegelijkertijd de ruimte om maatregelen op te leggen aan online platforms om onwettige inhoud of activiteiten op te sporen en daar preventief actie tegen te ondernemen door berichten te filteren. Artikel 8 van de DSA bepaalt dat aan dienstverleners geen verplichting wordt opgelegd tot monitoring van de door hen opgegeven of opgeslagen informatie of tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. Dit verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting te beschermen. Indien sociale media en andere tussenhandeldiensten verplicht worden om illegale inhoud preventief te filteren dan is er een gerede kans dat zij uit voorzorg meer informatie gaan blokkeren of anderszins tegenhouden dan noodzakelijk.
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Op de DSA wordt in Nederland toezicht gehouden door de Autoriteit Consument & Markt als DSA-coördinator en de Autoriteit Persoonsgegevens als andere bevoegde autoriteit. Op de zeer grote online platforms en zoekmachines houdt de Europese Commissie primair toezicht. Er lopen inmiddels diverse onderzoeken tegen verschillende sociale media, en in een aantal zaken zijn al zogenaamde preliminary findings van niet-naleving gepubliceerd. Zo worden sociale media waar nodig gedwongen om verantwoordelijkheid te nemen.
Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
Ja. Uit onderzoek in opdracht van de Raad voor de Rechtspraak (Rvdr) uit 2010 blijkt ook dat in bepaalde landen waar minimumstraffen zijn ingevoerd de rechter gebruik kon maken van hardheidsclausules.1
Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
De gesprekken met de organisaties gingen (onder meer) over de vraag hoe zij aankijken tegen minimumstraffen in algemene zin en bij geweld tegen publieke hulpverleners in het bijzonder. De gesprekken gingen minder over de wijze waarop minimumstraffen in de praktijk kunnen worden toegepast. Desondanks hebben het OM en de Rvdr wel aandacht gevraagd voor een hardheidsclausule bij een eventuele invoering van minimumstraffen om disproportionele strafoplegging te voorkomen.
Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
Het OM heeft tijdens de gesprekken toegelicht dat de huidige wetgeving in combinatie met het strafvorderingsbeleid voldoende ruimte biedt om tot proportionele (voldoende zware) strafeisen en strafopleggingen te komen. De verhoging van strafmaxima creëert juist extra ruimte voor zwaardere bestraffing voor zaken die zich daarvoor lenen; hiervan kan de rechter ook gemotiveerd gebruik maken in de gevallen waarin de ernst van het feit en de impact op de samenleving hiervoor aanleiding geeft.
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk? Zo nee, waarom niet?
Deze uitspraak van het OM zegt op zich niets over de wijze waarop verhogingen van strafmaxima in de rechtspraktijk doorwerken. In het door u aangehaalde WODC-rapport wordt geconstateerd dat verhogingen van wettelijke strafmaxima slechts een beperkte impact hebben gehad op de strafoplegging. In mijn nadere reactie op het rapport zal ik op deze constatering inhoudelijk reageren.2
Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten strafzaken?
Slachtofferhulp Nederland en Reclassering Nederland hebben aandacht gevraagd voor de uitlegbaarheid van straffen. Als opgelegde straffen beter worden uitgelegd kan dit er volgens hen toe leiden dat er meer begrip voor de opgelegde straffen ontstaat en dat de maatschappelijke ophef wordt beperkt.
Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf?
Reclassering Nederland en Slachtofferhulp Nederland hebben in de gesprekken aandacht gevraagd voor het beter toelichten van opgelegde straffen respectievelijk het beter betrekken van de samenleving bij de totstandkoming van de richtlijnen die voor het eisen en opleggen van straffen gelden. Er wordt door hen noch door mij geconcludeerd dat een gebrek aan uitleg een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf.
Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
Het is vooral aan het OM en de Rechtspraak om te bepalen of en hoe opgelegde straffen beter kunnen worden uitgelegd. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren door een actiever beleid op sociale media. Zoals ik heb toegelicht in mijn brief van 8 juni 2026 ben ik in overleg met het OM en de Rechtspraak om over de knelpunten bij minimumstraffen te spreken en bericht ik u in de tweede helft van 2026 over de uitkomst.3
Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen daders van ernstige delicten?
Bij de discussie over minimumstraffen moet uiteraard naar het belang van bescherming van de samenleving worden gekeken. Onder meer politie en Slachtofferhulp Nederland hebben hier aandacht voor gevraagd tijdens de gesprekken en ik doe dit ook bij het vervolg van de overleggen met het OM en de Rechtspraak. Overigens hangen gedragsverandering van de dader en bescherming van de samenleving met elkaar samen. Zonder gedragsverandering is de samenleving immers minder beschermd als de dader weer op vrije voeten komt.
Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat een langere detentieperiode als voordeel heeft dat gedurende deze tijd de kans erg klein is dat de veroordeelde opnieuw slachtoffers maakt. Het beschermen van de samenleving is een van de strafdoelen die de rechter kan gebruiken om een langere gevangenisstraf op te leggen.4 De rechter neemt strafdoelen mee in het wegen van de uiteindelijke straf in het vonnis. Hoe vaak een rechter een strafdoel meeweegt in een vonnis wordt niet geregistreerd, maar soms wel gemotiveerd in individuele strafzaken.
Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
Het klopt dat wanneer een veroordeelde langere periode in detentie zit, deze persoon geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken. Het klopt niet dat langere gevangenisstraffen recidive bevorderen, want uit onderzoek blijkt dat detentieduur geen effect heeft op resocialisatie-uitkomsten.5
Het is niet mogelijk om de twee stellingen goed met elkaar te vergelijken omdat deze betrekking hebben op verschillende effecten van detentie. Recidive betreft het gedrag na vrijlating (lange termijn) terwijl het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken ziet op het directe effect (korte termijn) van vrijheidsbeneming gedurende de detentieperiode.
Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
Ja, uit onderzoek blijkt dat bij zeer korte detenties (minder dan 3 maanden) de mogelijkheden om problemen op te lossen heel beperkt zijn, terwijl bij een langere strafduur doorgaans meer ruimte is voor het bieden van behandeling, begeleiding en resocialisatie. Tegelijkertijd is ook bekend dat – ongedacht de detentieduur – het op orde hebben van basisvoorwaarden (woning, inkomsten, schulden, zorg, ID-bewijs, sociaal netwerk) samenhangt met een kleinere kans op recidive en dat bij kortgestraften de detentieschade relatief hoog ligt. Het is daarom van belang dat de mogelijkheid wordt geboden deze basisvoorwaarden op orde te houden en/of brengen. In het meerjarig actieplan Ruimte voor Recht6 wordt dan ook voorgesteld dat partners, zoals gemeenten, daarbij zo goed als mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om gedetineerden hierbij fysiek of digitaal te ondersteunen.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak slecht tot niet zijn onderbouwd?
De onderzoekers concluderen dat de beoogde effecten (in hoeverre de wetswijzigingen bijdragen aan de strafdoelen die het Nederlandse strafrecht kent, bijvoorbeeld vergelding en preventie) van de voorgestelde wetswijzigingen door de wetgever slecht tot niet werden onderbouwd. Vooruitlopend op mijn nadere reactie op het rapport, merk ik op dat ik het eens ben met de onderzoekers dat het belangrijk is dat de wetgever toelicht waarom een strafverhoging wordt ingevoerd zodat de officier en rechter hiermee bij de bepaling van de hoogte van respectievelijk de strafeis en de straf rekening kunnen houden.
Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met de onderzoekers van het WODC eens dat het belangrijk is dat goed wordt toegelicht waarom een strafverhoging wordt doorgevoerd. Dus als een wetsvoorstel tot doel heeft om de samenleving te beschermen dan moet dit worden toegelicht. Hiervoor is naar mijn mening geen onderzoek nodig. Overigens is bescherming van de samenleving reeds één van de strafdoelen die het Nederlandse strafrecht kent.
Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde strafverhogingen volgens het WODC slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
Ik heb deze conclusie vooralsnog voor kennisgeving aangenomen. Zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb toegelicht ben ik in overleg met het OM en de Rechtspraak over onder meer deze conclusie en zal ik mijn duiding hiervan in een brief aan de Tweede Kamer toelichten.
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de rechterlijke macht en het OM onvoldoende uitvoering geven aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om bepaalde delicten zwaarder te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient te staan?
Zie antwoord vraag 14.
Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
Zoals in het WODC-onderzoek wordt geconstateerd zitten er twee kanten aan dit verhaal. Aan de ene kant functioneert de scheiding van de machten goed: de rechter vormt geen uitvoeringsorgaan van de wetgever, maar komt onafhankelijk binnen zijn eigen professionele normen en jurisprudentiële kaders tot een oordeel. Aan de andere kant kan de beperkte doorwerking ook worden gezien als een signaal van beperkte responsiviteit van de rechtspraak ten opzichte van maatschappelijke en politieke signalen. Na mijn gesprekken met het OM en de rechtspraak kom ik hierop terug.
Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling, rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
Minimumstraffen beperken de vrijheid van de rechter. Dit wil echter niet zeggen dat het niet mogelijk is om minimumstraffen in te voeren en daarom ga ik hierover nader in gesprek met het OM en de Rechtspraak. Zonder het invoeren van hardheidsclausules kunnen minimumstraffen inderdaad een grotere voorspelbaarheid en rechtszekerheid tot gevolg hebben. Het is echter de vraag of dit wenselijk is als dit leidt tot disproportionele of onuitvoerbare straffen.
Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht ben ik nog in overleg met het OM en de Rechtspraak over de straffen bij geweld tegen hulpverleners en licht ik de uitkomst schriftelijk toe. Gelet op de onafhankelijkheid van de Rechtspraak, is het aan de Rechtspraak zelf om de oriëntatiepunten vast te stellen. Ook het OM gaat in beginsel zelf over zijn Aanwijzingen, gezien de bijzondere staatsrechtelijke positie van het OM. Ik kan echter wel aandacht vragen voor de bevindingen van het WODC-onderzoek en dit zal ik ook doen.
Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming van de samenleving en rechtszekerheid?
Uit het in het antwoord op vraag 1 genoemde en enigszins gedateerde onderzoek uit 2010 blijkt dat er destijds in ieder geval minimumstraffen bestonden in België, Duitsland, Frankrijk en Engeland en Wales. In geen van deze landen was specifiek onderzoek beschikbaar waaruit valt af te leiden of de minimumstraf onomstotelijk heeft geleid tot de beperking van de criminaliteit of tot de vermindering van de recidive. Ook op andere punten bevatte dit onderzoek geen conclusies waarmee een goede «best practice» kan worden geselecteerd.
Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
Zie antwoord vraag 20.
Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners in te voeren?
Ik heb kennis genomen van de standpunten van de ketenorganisaties en wil, net als u, de hulpverleners zo goed mogelijk beschermen en een harde aanpak van geweld tegen hulpverleners. Na mijn overleg met het OM en de Rechtspraak infomeer ik u hier nader over.
Voortgezette samenwerking met Walraven via Aurexys bv |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wist u, op het moment dat u instemde met de overdracht van de contracten naar Aurexys bv, dat de strafrechtelijk vervolgde verdachten achter DTS Armory daar aandeelhouder van waren? Zo ja, waarom heeft u die overdracht dan toch gefaciliteerd?
Voorzover bekend zijn de eigenaren van Aurexys B.V. niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld. Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping. Ook in dit geval is deze lijn gevolgd.
Aurexys bv heeft dezelfde eigenaar als DTS Armory en de verdachten achter DTS Armory waren er aandeelhouder van. Waarom beschouwt u dit dan toch als «een ander bedrijf»?
Defensie doet, in de gevallen waar u met uw vraag op doelt, zaken met een rechtspersoon en niet met een natuurlijk persoon. Aurexys B.V. is een andere rechtspersoon dan DTS Armory B.V. en kan daardoor zelfstandig overeenkomsten aangaan.
Klopt het dat u al sinds 15 november 2025 wist dat de wapenvergunning van DTS Armory was ingetrokken wegens verdenking van fraude? Waarom is er pas ná de publicaties van Follow the Money ingegrepen, en is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd? Deelt u de conclusie dat hier dus geen sprake was van daadkrachtig optreden?
De overheveling van het contract van DTS Armory B.V. naar Aurexys B.V. is direct na kennisneming van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie op 15 november 2025 in gang gezet en heeft geleid tot het ondertekenen van een overeenkomst op 3 december 2025. Er was op dat moment geen aanleiding om deze overheveling aan de Tweede Kamer te melden. De eerste publicatie van Follow the Money was op 13 maart 2026.
U stelde in De Balie dat Defensie «meteen» had gehandeld en niet meer met Walraven zou samenwerken, maar stelde in het Kamerdebat dat lopende contracten gewoon doorlopen. Hoe duidt u deze tegenstrijdigheid?
Het klopt dat wij geen zaken meer doen met het aan de heer W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. vanwege het ontbreken van de juiste vergunningen, maar het klopt niet dat wij op dit moment geen zaken doen met andere aan hem gelieerde bedrijven. Ik maak daarom van deze gelegenheid gebruik om mijn uitspraak bij De Balie te verhelderen. Naar aanleiding van een opmerking van een andere gespreksdeelnemer inzake het intrekken van een vergunning op grond van de Wet Wapens en Munitie van een aan de heer W. gelieerd bedrijf, reageerde ik onder andere met: «daarna is ook meteen gehandeld vanuit Defensie dat we met deze persoon niet meer kunnen samenwerken». Daarmee bedoelde ik niet de heer W. persoonlijk, maar het betreffende aan dhr. W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. De heer W. is niet onherroepelijk veroordeeld en daarom is er in dit geval ook geen grond tot het op voorhand uitsluiten van een aan hem gelieerde rechtspersoon.
In het debat zei u: «Dat is niet waar. Er is geen persbericht.» Via uw woordvoerder werd dit later bijgesteld tot: er is geen persbericht «waarin melding wordt gemaakt van een specifieke leverancier». Erkent u dat dit twee wezenlijk andere uitspraken zijn en dat uw oorspronkelijke ontkenning niet juist was aangezien het persbericht over deze levering openbaar op de website van Defensie staat?1
Een van de onderwerpen waarover ik met uw Kamer heb gesproken tijdens het Commissiedebat Materieel van 3 juni 2026, is de levering van boten door een aan de heer W. gelieerd bedrijf. Daarna was er verschil van inzicht met uw Kamer over het al dan niet uitgegaan zijn van een persbericht over de levering van de boten. Ik merkte op dat Defensie daarover geen persbericht heeft uitgegeven en bedoelde daarmee een persbericht waarin specifieke aantallen of leverancier(s) vermeld zijn. Er is vanuit Defensie op 4 juni 2025 een persbericht uitgegaan over een maritiem steunpakket voor Oekraïne. Vorig jaar is in dat persbericht een indicatie gegeven van het aantal te leveren boten, maar is geen exact aantal genoemd noch welke partij(en) deze levert. In een Kamerbrief van 17 juni 2025 over het verslag van de NAVO bijeenkomst gehouden op 5 juni 2025 te Brussel en voorafgegaan door een bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group (UDCG) op 4 juni 2025, zijn wel specifieke aantallen genoemd.2
Defensie bevestigt «zaken te doen met bedrijven waar de heer Walraven aan gelieerd is». Om welke bedrijven en bedragen gaat het en is hierbij ook de drone-onderneming Hyllus bv betrokken, waarvan Walraven gevolmachtigde is?
Defensie maakt deze informatie niet openbaar. Ik bied uw Kamer aan om hier in een vertrouwelijke technische briefing nader op in te gaan.
Voor welk totaalbedrag heeft Defensie inmiddels contracten gesloten met DTS Armory, Aurexys bv en andere aan Walraven gelieerde bedrijven en wat is daarvan tot op heden daadwerkelijk in Oekraïne geleverd? Hoe kan de Kamer controleren of deze honderden miljoenen aan gemeenschapsgeld doelmatig zijn besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de samenwerking met álle bedrijven waarbij Walraven betrokken is daadwerkelijk te beëindigen en te garanderen dat de overige partijen in het Oekraïne-project hun werk zonder zijn betrokkenheid kunnen voortzetten? Zo nee, waarom niet ook gezien uw eerdere uitspraak in De Balie?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen één voor één afzonderlijk beantwoorden, vóór de voortzetting van het commissiedebat Materieel op 10 juni?
Vanwege de samenloop in beantwoording zijn enkele vragen gecombineerd.
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) is gevraagd om informatie te verstrekken om deze vraag te kunnen beantwoorden. De Rvdr heeft aangegeven dat in de voor hun beschikbare managementinformatiesystemen geen gemiddelde straffen worden genoemd. Wel kan een berekening worden gemaakt van een selectie zaken. Omdat de genoemde delictscategorieën soms erg breed zijn en een combinatie bevatten van zware feiten en minder zware feiten, is ervoor gekozen om een overzicht te maken van de gemiddelde straffen van één of meerdere vergelijkbare veelvoorkomende delictscategorieën over de jaren 2021–2025.
Het gaat om de navolgende delicten:
Voor het merendeel van deze delicten geldt dat in het grootste deel van de 1-feitszaken (dat wil zeggen zaken die slechts één bewezen feit omvatten) een vrijheidsstraf is opgelegd, al dan niet in combinatie met een taakstraf, geldboete en/of maatregel zoals bijvoorbeeld terbeschikkingstelling (TBS). Voor het delict «zware mishandeling» geldt dat in ruim twee derde van de 1-feitszaken waarin sprake is van een strafoplegging een vrijheidsstraf is opgelegd: in de meeste zaken van het overige deel is een taakstraf (die bij jeugdigen en jongvolwassenen kan bestaan uit een leerstraf en/of werkstraf volgens artikel 77h SR) opgelegd.
De rechter baseert de strafmaat vooral op de ernst van het specifieke feit, vergelijkbare uitspraken en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het strafmaximum fungeert daarbij als uiterste grens en niet als uitgangspunt. Ook de richtlijnen van het Openbaar Ministerie blijven onder de strafmaxima. De hogere strafmaxima zijn in de praktijk voorbehouden aan de meest zware gevallen.
Als bijlage is een overzicht bijgevoegd van de gemiddelde opgelegde vrijheidsstraf (het onvoorwaardelijk en het voorwaardelijke deel samen) en van de opgelegde TBS of Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ) voor deze delicten.
Hierbij volgt de toelichting bij de cijfers genoemd in het overzicht:
Tot slot merkt de Rvdr bij het aanleveren van het overzicht over de opgelegde straffen per delict in zijn algemeenheid op dat de informatie over de straffen in relatie tot de maximumstraf geen betrouwbare informatie oplevert en daarom ook niet in het overzicht is opgenomen.
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 1, beperkt de aangeleverde informatie door de Rvdr zich tot een gemiddelde straf per delict. Deze cijfers in het aangeleverde overzicht hebben betrekking op het grondfeit. Voor zover dat juridisch mogelijk is, kan het daarbij zowel gaan om voorbereiding van het grondfeit, poging tot het grondfeit of het voltooide grondfeit. Daarnaast kan – voor zover dat juridisch mogelijk is – (ook) sprake zijn van deelneming aan het grondfeit (medeplegen, medeplichtigheid, uitlokking of doen plegen van het grondfeit). Ook kan sprake zijn van samenloop tussen feiten. Hierdoor is er geen betrouwbare informatie uit de beschikbare managementinformatiesystemen te halen ten aanzien van de toepasselijke wettelijke maximumstraf in een concrete zaak.
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 2 kan op deze vraag geen antwoord worden gegeven.
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
De strafeis per individuele strafzaak of per delictscategorie wordt door het Openbaar Ministerie niet geregistreerd.
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 4, is de gevraagde informatie over het gemiddelde verschil tussen de strafeis en de opgelegde straf niet beschikbaar. Daarom kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Met verwijzing naar vraag 4 en 5, kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 1 en 2, kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
De verhouding tussen de opgelegde straffen en de wettelijke strafmaxima wordt zowel door het ministerie, als het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak niet structureel bijgehouden. In het licht van het antwoord op vraag 1, kan met de beschikbare informatie uit de managementinformatiesystemen geen voldoende betrouwbaar en compleet beeld worden gegeven met betrekking tot het bewezenverklaarde feit in relatie tot de opgelegde straf en/of maatregel. Ook ontstaat daardoor geen voldoende betrouwbaar beeld over de van toepassing zijnde maximumstraf in een concrete zaak en kan dus ook de vraag hoe de opgelegde straf zich verhoudt tot die maximumstraf niet worden beantwoord. Wat de maximumstraf is in een concrete zaak hangt – zoals in het antwoord op vraag 1 besproken – van zoveel factoren af dat het verwerken van deze informatie in de managementinformatiesystemen een intensief en complex traject zal zijn – los van of het technisch haalbaar is.
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Het WODC-onderzoek «Strafverzwaring in samenhang» biedt mede door middel van jurisprudentieonderzoek inzichten in de mate waarin verhogingen van wettelijke strafmaxima doorwerken in de rechterlijke straftoemeting.1 Daarmee bestaat voor een aantal delicten reeds een beeld van de betekenis van strafmaxima in de rechterlijke straftoemetingspraktijk.
De onderzoekers concluderen dat de uitdaging ligt in het ontwikkelen van beter onderbouwde en consistent toegepaste straftoemetingskaders. De wetgever kan volgens de onderzoekers wettelijke strafmaatverhogingen beter onderbouwen en de rechterlijke macht (rechtspraak en het Openbaar Ministerie) zou de onderbouwing van de straftoemetingsrichtlijnen kunnen verbeteren.
Aanvullend inzicht in de verhouding tussen wettelijke strafmaxima, de strafvorderingsrichtlijnen van het OM en de oriëntatiepunten van de rechtspraak kan evenwel bijdragen aan een beter begrip van de wijze waarop deze factoren zich tot elkaar verhouden. Tegen deze achtergrond ben ik in gesprek met het OM en de Rechtspraak over het versterken van de onderbouwing van de wettelijke strafmaatverhogingen, de straftoemetingsrichtlijnen van het OM en de rechtspraak en over de doorwerking van de wettelijke verhogingen. Ik informeer u hierover nader in de tweede helft van 2026.
Het bericht ‘Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht van de NOS op 26 mei jongstleden.
Wat vindt u ervan dat een moordenaar slechts zes jaar gevangenisstraf uitzit, terwijl 20 jaar is opgelegd door de rechter?
Ik realiseer mij dat het maatschappelijk en voor nabestaanden mogelijk moeilijk te begrijpen is wanneer een veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf niet volledig ondergaat, in het bijzonder bij ernstige misdrijven zoals moord. Tegelijkertijd is het van belang deze zaak, waarin sprake is van een zogeheten combinatievonnis, te bezien in het licht van het wettelijk kader dat gold ten tijde van de tenuitvoerlegging van dergelijke vonnissen. Bij een combinatievonnis legt de rechter zowel een gevangenisstraf als de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) op.
In 1997 werd de zogenoemde Fokkensregeling ingevoerd.2 Deze regeling maakte het mogelijk dat een veroordeelde met een combinatievonnis onder bepaalde omstandigheden na het ondergaan van een derde van de gevangenisstraf kon starten met de tbs-behandeling. Hieraan lag de overtuiging ten grondslag dat een tbs-behandeling voor personen met een ernstige psychische stoornis effectiever is wanneer daarmee zo spoedig mogelijk wordt gestart. Zonder toepassing van de Fokkensregeling kon de tbs-behandeling in de regel pas starten nadat twee derde van de gevangenisstraf was ondergaan, gelet op de koppeling met het moment van voorwaardelijke invrijheidsstelling.3 De Fokkensregeling is in 2010 afgeschaft.4 Op grond van het overgangsrecht had deze afschaffing echter geen gevolgen voor veroordeelden die reeds op basis van deze regeling waren geplaatst in een tbs-kliniek, nadat een derde van de gevangenisstraf ten uitvoer was gelegd.5 In de onderhavige zaak gaat het derhalve om een uitvloeisel van het destijds geldende wettelijk kader voor de tenuitvoerlegging van combinatievonnissen. De gang van zaken past binnen dat kader.
Hoe vaak komt het voor dat een tbs-maatregel volledig wordt beëindigd terwijl het Openbaar Ministerie (OM) verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd? Als dit niet uit de managementsystemen van het OM of de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan een schatting maken?
Het komt in de rechtspraktijk voor dat de officier van justitie een vordering tot verlenging indient, maar deze vordering ter terechtzitting niet handhaaft. Ook kan de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel door de rechter worden afgewezen. In beide gevallen is het context- en zaaks afhankelijk. Er vindt door het OM geen afzonderlijke registratie plaats van deze beslissingen, waardoor geen zicht is op het aantal zaken waarin (initieel) een vordering is ingediend door het OM dan wel de vordering door de rechter (rechtbank en/of gerechtshof) wordt afgewezen. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft het OM aan ook geen schatting te kunnen maken.
De Rechtspraak heeft desgevraagd aangegeven dat in de afgelopen vijf jaar in ongeveer 7 tot 9% van de gevallen waarin het OM in eerste aanleg verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd, deze vordering door de rechter is afgewezen. In 2025 bedroeg het aantal vorderingen tot verlenging van tbs circa 1.490. In de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak wordt geen registratie bijgehouden van gevallen waarin de officier van justitie een vordering tot verlenging van de tbs-maatregel indient, maar deze ter terechtzitting niet handhaaft. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft de Rechtspraak aan ook geen schatting te kunnen maken.
In hoeverre vindt u het verstandig dat wanneer een dader tijdens een tbs-traject met een gemankeerd delictscenario werkt en wisselend verklaart over zijn alcoholgebruik voorafgaand aan het plegen van een moord, terugkeert in de maatschappij?
Vooropgesteld moet worden dat het mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet past om te treden in het oordeel van de rechter in een individuele zaak. Wel kan ik aangeven dat de voortgang van een tbs-behandeling en de beoordeling of het risico op gevaar voor de samenleving voldoende is teruggebracht niet uitsluitend worden gebaseerd op een delictscenario, maar worden bezien in samenhang met de overige onderdelen van de behandeling en adviezen van deskundigen.
Een tbs-behandeling bestaat uit diagnostiek, risicotaxatie, behandeling en resocialisatie, uitstroom en nazorg. Deze onderdelen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek of worden optimaal geacht en frequent toegepast door professionals. Sinds 2022 vormt het Kwaliteitskader Forensische Zorg de basis voor kwaliteit in het forensische zorgveld.6 Professionals werkzaam in de forensisch klinische zorg handelen dienovereenkomstig, waarbij het verkleinen van het recidiverisico vooropstaat. In de behandeling wordt te allen tijde uitgegaan van de strafrechtelijke veroordeling, ook als een tbs-gestelde het delict (gedeeltelijk) ontkent of daarover wisselend verklaart. Indien een tbs-gestelde vanuit een ontkennende houding geen stappen in de behandeling zet, komt diegene niet in aanmerking voor verlof en andere vervolgstappen.
Tot slot hecht ik eraan te benadrukken dat een beslissing tot onvoorwaardelijke beëindiging van tbs met dwangverpleging niet lichtvaardig wordt genomen. Daaraan gaat in de regel een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging vooraf van ten minste één jaar, waartoe de rechter besluit op basis van adviezen van deskundigen. Bij de beoordeling van een eventuele beëindiging van de maatregel wordt de rechter opnieuw door deskundigen geadviseerd.
Hoe vaak hebben slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid gehad om hun spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen en hoe vaak hebben zij dat ook daadwerkelijk uitgeoefend?
Het beperkt spreekrecht bij tbs-verlengingszittingen is per 1 januari 2025 in werking getreden. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) raadpleegt slachtoffers en nabestaanden of zij gebruik wensen te maken van dit spreekrecht en geeft dit door aan het OM. Het OM roept de slachtoffers en nabestaanden vervolgens op voor de zitting. Het is onbekend hoeveel slachtoffers zijn bevraagd over hun wensen, hoeveel slachtoffers zijn opgeroepen voor de zitting en hoeveel slachtoffers tijdens de zitting daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van het beperkt spreekrecht. Hierover zijn geen cijfers beschikbaar in de systemen van CJIB, OM en Rechtspraak. Ik verwijs op dit punt tevens naar de eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp.7
Het beperkt spreekrecht is onderdeel van de inhoudelijke effectevaluatie van de Wet Uitbreiding Slachtofferrechten die naar verwachting later dit jaar van start gaat. Het CJIB kijkt bij de verdere optimalisering van het werkproces van het raadplegen over het beperkt spreekrecht naar de mogelijkheden voor monitoring van cijfers daarvan.
Wat is wat uw betreft een passende sanctie als slachtoffers of nabestaanden niet wordt gewezen op hun wettelijk recht het spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen?
Zoals bij alle slachtofferrechten is aandacht voor een goede uitvoering in de praktijk van groot belang. Als echter alle inspanningen ten spijt, een slachtoffer of nabestaande geen gebruik heeft kunnen maken van het beperkt spreekrecht, kan via de bestaande klachtenprocedure een klacht worden ingediend bij de betreffende organisatie. Dit kan erkenning bieden aan het slachtoffer of de nabestaande en draagt tevens bij aan het lerend vermogen en een betere kwaliteit van de dienstverlening.
Naast de klachtenprocedure worden via de tweede aanvullingswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering voorstellen gedaan om de naleving van slachtofferrechten te versterken, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie van het lid Ellian (VVD).8 Dit ziet op het beter inzetten en faciliteren van klachtenprocedures bij organisaties. Daarnaast wordt bezien of het slachtoffer een recht kan krijgen om een financiële uitkering te verzoeken bij niet-naleving van bepaalde wettelijke voorschriften waarbij herstel niet mogelijk is, zoals het oproepen voor een zitting. De formele consultatie van het conceptvoorstel voor de tweede aanvullingswet loopt tot 11 september 2026.
Het artikel 'OM vervolgt nauwelijks zorginstellingen na onnatuurlijke dood cliënten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de stelling dat het Openbaar Ministerie (OM) zorginstellingen veel vaker zou moeten vervolgen voor grove nalatigheid?1
Het OM beslist conform het opportuniteitsbeginsel zelf over het instellen van vervolging en het voorleggen van een zaak aan de rechter. Het is dan ook niet aan het kabinet om een oordeel te geven over vervolgingsbeslissingen van het OM.
Hoe verklaart u dat het OM dertig zaken onderzocht, maar dat sinds 2009 slechts vier zorginstellingen voor de rechter zijn gekomen voor zaken met een dodelijke afloop?
Het kabinet heeft de door u genoemde cijfers gezien in het onderzoek van Pointer. De specifieke zaken is het kabinet echter niet bekend en het kabinet kan hoe dan ook niet op individuele casussen ingaan. In algemene zin kan worden opgemerkt dat strafrechtelijke onderzoeken naar medische zaken vaak complex zijn. Zo heeft het OM bij de aanvang van een medische zaak regelmatig gebrekkige en onvolledige informatie over de feitelijke toedracht. Soms zijn zorginstellingen niet bereid informatie te verschaffen en doen zij een beroep op het medisch beroepsgeheim. Ook ingewikkeld in medische zaken is het strafrechtelijk bewijzen van delictsbestanddelen als causaliteit, opzet of schuld (grove nalatigheid).
Hoe oordeelt u over de stelling dat het voor iedereen gemakkelijk is om een zorgbedrijf op te richten, maar dat het ook gemakkelijk lijkt om weg te komen met fouten en slechte zorgverlening?
Alle instellingen die zorg verlenen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) moeten beschikken over een toelatingsvergunning op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Bij de vergunningverlening wordt onder meer getoetst of het aannemelijk is dat een zorgaanbieder de zorg zodanig heeft georganiseerd dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. De zorgverlening zelf geschiedt onder meer op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de Wkkgz. De IGJ kan maatregelen treffen als blijkt dat de zorg van onvoldoende niveau is. In het uiterste geval kan de vergunning op grond van de Wtza worden ingetrokken.
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wordt onder andere gewerkt aan maatregelen die het toetsen en indien nodig kunnen weren van (her)startende aanbieders verbeteren. Zo wordt met de toezichthouders samengewerkt aan een maatregel om meer fysieke controles uit te voeren bij startende zorgaanbieders. Daarnaast worden de mogelijkheden tot uitbreiding de doelgroep van de vergunningplicht op grond van Wtza verkend. Daarbij wordt ook gekeken naar verdieping van de vergunningseisen.
Hoe oordeelt u over de stelling dat gebrekkige regelgeving een rol speelt in het niet rondkrijgen van de bewijslast? En welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Veel regelgeving op het gebied van zorg is gebaseerd op open normen. Zo worden bijvoorbeeld doelen geformuleerd, en geen gedetailleerde regels. Dit beperkt de administratieve last voor personeel in de zorg en geeft hen het vertrouwen naar eigen expertise in complexe omstandigheden het beste te handelen. Om een strafrechtelijk verwijt te formuleren moet een duidelijke schending van een wettelijke norm bestaan. Bij open normen is dit soms moeilijk aan te tonen. Dat wil op zichzelf echter niet zeggen dat de regels gebrekkig zijn.
Waarom zijn er geen kwaliteitseisen voor zorgverleners die via de Wet langdurige zorg (Wlz) zorg bieden, zoals de rechtbank concludeert?
Wlz-zorg valt ook onder zorg in de zin van Wkkgz en zo worden via de Wkkgz kwaliteitseisen aan het handelen van Wlz zorgaanbieders en zorgverleners gesteld. Op grond van de Wkkgz moet een zorgaanbieder goede zorg aanbieden. Goede zorg is zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Zorgaanbieders en zorgverleners moeten, om goede zorg aan te bieden, handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit het geheel van normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen die invulling geven aan de professionele standaard en kwaliteitsstandaarden. Daarnaast moeten zorgaanbieders de zorg op zodanige wijze organiseren dat een en ander redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Daar hoort ook bij dat een zorgaanbieder zorgt voor geschikt en voldoende personeel om goede zorg te kunnen verlenen.
Ziet u mogelijkheden om, zoals in het artikel gesuggereerd wordt, voorwaardelijke opzet ten laste te gaan leggen?
Het OM legt strafbare feiten ten laste waar een zorginstelling in zijn ogen schuld aan heeft. Of sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, is onderdeel van deze beoordeling door het OM. Het is niet aan het kabinet om hierin te treden.
In hoeverre overweegt u om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de bevoegdheid te geven om zorgbedrijven te sluiten als er sprake is van zorgverwaarlozing?
De IGJ beschikt reeds over wettelijke bevoegdheden om in te grijpen, wanneer sprake is van tekortschietende zorgkwaliteit of onveilige situaties. Deze bevoegdheden lopen uiteen van het geven van aanwijzingen en bevelen tot het opleggen van lasten onder dwangsom of bestuursdwang. In ernstige gevallen kan dit ook leiden tot het stilleggen van (delen van) zorgverlening of het beëindigen daarvan.
Daarnaast beschikt de inspectie over verschillende informele en formele interventiemogelijkheden. In het interventiebeleid van de IGJ is uitgewerkt welke handhavingsinstrumenten de inspectie kan inzetten, waaronder het opleggen van een aanwijzing met cliëntenstop of cliëntenoverdracht wanneer sprake is van ernstige en voortdurende cliëntveiligheidsrisico’s. De inzet van deze bevoegdheden is altijd afhankelijk van de ernst van de situatie en de mate waarin de veiligheid en kwaliteit van zorg in het geding zijn. De inspectie heeft bij het toepassen van interventies oog voor de proportionaliteit en subsidiariteit ervan.
In hoeverre overweegt u om ervoor te zorgen dat ook andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders onder tuchtrecht te laten vallen?
Het kabinet wil in zijn algemeenheid vooropstellen dat patiënten erop moeten kunnen vertrouwen dat zij kwalitatief goede zorg krijgen volgens de stand van de wetenschap en de praktijk.
De Wet BIG kent twee regimes om beroepen te reguleren. Er is een zogenaamd «zwaar» regime op grond van artikel 3 Wet BIG en een «licht» regime op grond van artikel 34 Wet BIG. Beroepen in het lichte regime kennen een beschermde opleidingstitel. Het zware regime ziet op beschermde beroepstitels. Beroepsbeoefenaren die een beschermde beroepstitel willen voeren, moeten zich in het BIG-register inschrijven. Het tuchtrecht is op hen van toepassing. Het tuchtrecht in de wet BIG heeft als doel het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de individuele gezondheidszorg. Uitgangspunt van de Wet BIG is het zogenoemde «nee, tenzij principe». Niet alle beroepen en handelingen in de zorg hoeven wettelijk te worden gereguleerd. De Wet BIG biedt nu al veel flexibiliteit en ruimte om voorbehouden handelingen te laten verrichten door niet BIG-geregistreerde zorgmedewerkers.2 Hierover is samen met diverse veldpartijen voorlichting ontwikkeld. Het gaat om de mogelijkheden van de opdrachtverlening via de Wet BIG.3 Dit zorgt voor meer flexibiliteit op de arbeidsmarkten draagt bij aan het beter benutten van ieders talent.
Voor zorgverleners die niet in het BIG-register zijn ingeschreven, omdat zij daar vanwege opleiding nog niet voor in aanmerking komen of omdat zij een ander beroep uitoefenen, zijn andere waarborgen aanwezig en is het tuchtrecht niet aangewezen. Alle zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Zvw of Wlz vallen bijvoorbeeld onder de Wkkgz. Op grond van de Wkkgz moet een zorgaanbieder de zorg zodanig organiseren dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Dit omvat, onder andere, een vergewisplicht die stelt dat zorgaanbieders de geschiktheid van personeel dat zij aannemen of inhuren moeten controleren, bijvoorbeeld via referenties of een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Daarnaast kan een zorgaanbieder, in het kader van de vergewisplicht, navraag doen bij de IGJ. De IGJ maakt ten aanzien van een zorgverlener een aantekening indien uit een rapport naar aanleiding van een verplichte melding bij de IGJ blijkt dat de zorgverlener mogelijk een ernstige bedreiging betekent voor de patiëntveiligheid.
Daarom overweegt het kabinet niet om andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders onder het tuchtrecht te laten vallen.
Hoe oordeelt u over de stelling dat de IGJ veel meer, bijvoorbeeld onaangekondigd, moet handhaven – aangezien in het artikel wordt gesteld dat het via het strafrecht lastig is aan te tonen dat er bijvoorbeeld slechte zorg is geleverd?
De IGJ kan handhaving inzetten bij acute en voortdurende cliëntrisico’s (zie ook antwoord bij vraag 7) conform het interventiebeleid.
De IGJ brengt aangekondigde en onaangekondigde bezoeken. Wanneer de bevindingen uit haar onderzoek daar aanleiding toe geven, kan de inspectie handhavend optreden. Leidend daarbij zijn de mate van vertrouwen in de verbeterkracht en de ernst van het risico voor cliënten. Bij de inzet van interventies en handhaving heeft de inspectie oog voor de proportionaliteit en subsidiariteit ervan. Er is geen sprake van onaangekondigd handhaven. Wel kan de inspectie wanneer sprake is van acute ernstige risico’s direct handhavende maatregelen inzetten, zoals een bevel. Daar gaat altijd een zorgvuldig proces aan vooraf.
Het is echter ook goed om te vermelden dat werken in de zorg mensenwerk is en dat incidenten in de zorg, ook met een dodelijke afloop, niet volledig uit te sluiten zijn of altijd wijzen op een zorgtekort. Het kabinet realiseert zich dat een incident, met het overlijden van een client als gevolg, een grote impact heeft op alle betrokkenen (cliënten/ patiënten, naasten, zorgverleners) en het is van belang dat er nazorg plaatsvindt. Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk dat zorgorganisaties leren van incidenten, zelf onderzoek doen en verbeteringen treffen om herhaling van incidenten in de toekomst te voorkomen. Aandacht hiervoor en opvolging van verbetermaatregelen is ook nadrukkelijk onderdeel van hoe de IGJ toezicht houdt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende worden opgemerkt en geregistreerd?
Als iemand is overleden, moet volgens de Wet op de lijkbezorging (Wlb) de behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer (forensisch arts) het lichaam zo spoedig mogelijk na het overlijden schouwen. Een behandelend arts kan alleen een verklaring van (natuurlijk) overlijden afgeven wanneer hij overtuigd is van een natuurlijke dood. Als de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat er sprake is van een natuurlijk overlijden, kan hij geen verklaring van overlijden afgeven en moet hij direct contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Die voert dan de lijkschouw uit. Als er sprake is van een patiënt die is overleden door een onvoorziene of onverwachte gebeurtenis in de zorg, dan is er sprake van een calamiteit. Een calamiteit moet op grond van de Wkkgz direct worden gemeld bij de IGJ.
In de Richtlijn Lijkschouw voor behandelend artsen (2016)4 en de Handreiking (Niet-)natuurlijke dood (2016)5 is nader omschreven wat een behandelend arts moet doen bij een lijkschouw. De handreiking gaat ook specifiek in op overlijdens in de zorgsetting.
Als een behandelend arts ook maar de geringste twijfel heeft over de vraag of er sprake is van een natuurlijk overlijden, dient de arts contact op te nemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat er sprake is van een systeemprobleem dat ervoor zorgt dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende worden opgemerkt en geregistreerd.
Waarom worden huisartsen en verpleeghuisartsen niet voor voor lijkschouw en niet-natuurlijke doden opgeleid, terwijl lijkschouw al veelal door hen gedaan wordt?
Zie ook antwoord bij vraag 10: in principe kan en mag iedere arts een lijkschouw doen en is deze in staat onderscheid te maken tussen een casus waarin zij/hij overtuigd is van een natuurlijke dood en een casus waarbij die overtuiging niet bestaat.
Al in de geneeskunde opleiding worden artsen opgeleid om lijkschouw uit te kunnen voeren en een niet-natuurlijke overlijden vast te kunnen stellen. In zowel de huisartsenopleiding als in de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde is er uitvoerig aandacht voor de begeleiding van patiënten en hun naasten tot en met het overlijden. De lijkschouwing is omschreven als een van de verplichte vaardigheden van de huisarts6 en de specialist ouderengeneeskunde7.
Hoe kan het dat er geen eenduidigheid is over de definities van een natuurlijke en onnatuurlijke dood?
De begrippen natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden zijn niet nader gedefinieerd in de Wlb. Momenteel wordt gewerkt met definities die in de literatuur zijn ontwikkeld. In zowel de eerder genoemde richtlijn als de handreiking staat een definitie van natuurlijk overlijden en van niet-natuurlijk overlijden.
Natuurlijk overlijden is gedefinieerd als overlijden door spontane ziekte, inclusief een complicatie van een volgens de geldende professionele standaarden, richtlijnen en vereiste zorgvuldigheid, uitgevoerde medische behandeling. Niet-natuurlijk overlijden is overlijden als direct of indirect gevolg van een ongeval, geweld of een andere van buiten komende oorzaak, schuld of opzet van een ander, of zelfmoord.
Hoewel deze definities voor een groot deel houvast bieden aan (forensisch) artsen, zal er ook sprake blijven van een grijs gebied. Een voorbeeld is een overlijden van een oudere met dementie als gevolg van een val. Dit wordt in beginsel aangemerkt als niet-natuurlijk overlijden (ongeval). In sommige gevallen wordt dit echter ook aangemerkt als natuurlijk overlijden, bijvoorbeeld als een valpartij onduidelijk of onbekend is, of als er veel tijd verstreken is tussen het incident en het moment van overlijden.
Het CBS publiceert gegevens over alle doodsoorzaken van overledenen in Nederland. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) codeert de onderliggende doodsoorzaak conform de regels van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems 10th Revision (ICD-10). Dit is een door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vastgestelde internationaal afgestemde classificatie die de basis is voor de codering en statistische weergave (uitsplitsing) van de doodsoorzaken. Door de aard van de classificatie is de afbakening van niet-natuurlijk overlijden mogelijk niet altijd exact gelijk aan de juridische definitie die in de verschillende landen wordt gehanteerd.
Waarom houdt de IGJ geen landelijke cijfers bij van niet-natuurlijke doden?
Indien naar het oordeel van de behandelend arts of gemeentelijk lijkschouwer sprake is van een niet-natuurlijk overlijden, maakt de gemeentelijk lijkschouwer hiervan melding bij de officier van justitie. Het OM kan hiervan melding maken bij de IGJ. Een zorgaanbieder is daarnaast verplicht om melding te doen van een calamiteit bij de IGJ, ook wanneer dit in combinatie is met een niet natuurlijk overlijden.
In de eerder genoemde Handreiking (Niet-)natuurlijke dood wordt toegelicht wat artsen en zorgaanbieders bij een niet-natuurlijk overlijden moeten doen en wordt ook de relatie met het doen van een calamiteitenmelding uitgelegd en hoe de IGJ hier opvolging aan geeft. Het kan echter ook voorkomen dat het niet-natuurlijk overlijden geen verband heeft met de geleverde zorg en daardoor niet gemeld wordt bij de IGJ of dat pas op een later moment geconstateerd wordt dat er sprake is van een niet-natuurlijk overlijden en de calamiteit al gemeld is bij de IGJ. De IGJ heeft dus geen totaaloverzicht van het aantal niet-natuurlijke overlijdens (in een zorgsetting).
Gaat u ervoor zorgen dat er een overzicht komt, aangezien GGD’s die het calamiteitentoezicht uitvoeren voor gemeenten ook geen overzicht hebben?
Het kabinet vindt het belangrijk dat partijen als de GGD en de IGJ over de informatie beschikken die zij nodig hebben. Het is daarom van belang en bovendien verplicht dat zorgaanbieders alle calamiteiten melden, zowel als er sprake is van een niet-natuurlijk overlijden als wanneer er sprake is van een natuurlijk overlijden. In beide gevallen kan de kwaliteit van de geleverde zorg tekort zijn geschoten en aanleiding zijn om onderzoek te doen. Indien kwaliteit van zorg in het geding is kan de IGJ onderzoek doen en zo nodig ingrijpen.
In hoeverre zou het CBS een rol kunnen spelen in het verzamelen en analyseren van deze cijfers?
Het CBS publiceert gegevens over alle doodsoorzaken van overledenen in Nederland. Wanneer een persoon in Nederland overlijdt, vult de arts die de schouw uitvoert de doodsoorzaakverklaring in (ook wel bekend als het B-formulier). Dit formulier wordt verzonden naar het CBS. Deze procedure is vastgelegd in artikel 12a van de Wet op de lijkbezorging. De B-formulieren worden verwerkt en gecodeerd conform de richtlijnen van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10). Zoals in antwoord op vraag 12 is aangegeven, wordt bij de publicatie van de doodsoorzakenstatistiek een uitsplitsing gemaakt naar de verschillende natuurlijke en niet-natuurlijke doodsoorzaken.
De wettelijke taak van het CBS is het doen van statistisch onderzoek en het publiceren van de resultaten daarvan. De informatie die het CBS daarvoor ontvangt, mag ook uitsluitend voor statistische doeleinden worden gebruikt en niet voor administratieve of opsporingsdoeleinden. Daarnaast is het publiceren van statistische gegevens die te herleiden zijn tot een individuele persoon of instelling niet toegestaan.
Hoe oordeelt u over de stelling dat het IGJ en het OM beter zouden moeten samenwerken?
De samenwerking tussen de IGJ en het OM is van belang voor een zorgvuldige omgang met signalen over mogelijke misstanden in de zorg. Beide organisaties hebben daarbij een eigen wettelijke rol en verantwoordelijkheid. De IGJ als toezichthouder op de kwaliteit en veiligheid van zorg en het OM bij de beoordeling van strafrechtelijke vervolging.
Het kabinet vindt het van belang dat signalen over mogelijke misstanden, waaronder onnatuurlijke overlijdens, tijdig en adequaat worden gedeeld tussen betrokken partijen. Daarom bestaan er al samenwerkingsafspraken tussen de IGJ en het OM over informatie-uitwisseling en opschaling wanneer daar aanleiding toe is. De IGJ en het OM werken waar nodig samen op het gebied van de volksgezondheid en hebben daartoe een samenwerkingsprotocol vastgesteld, dat in januari 2022 in de Staatscourant is gepubliceerd. Dit Samenwerkingsprotocol IGJ-OM (Staatscourant 2022)8 bevat afspraken over samenwerking, coördinatie, handhaving en de uitwisseling van informatie en voorziet in de afstemming tussen beide partijen.
Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA), Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland, een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
Ja.