De dodelijke mishandeling van een 23-jarige student door extreemlinkse militanten in Lyon |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de 23-jarige Franse student Quentin op 12 februari 2026 in Lyon zwaar is mishandeld door een groep extreemlinkse militanten en op 14 februari aan zijn verwondingen is overleden?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit incident niet beschreven kan worden als geweld tussen politieke groeperingen, gelet op het feit dat Quentin alleen was en belaagd werd door circa 25 militanten? Zo ja, deelt u de opvatting dat lynching een accuratere benaming is voor het incident?
Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is echter niet aan mij om inhoudelijke uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek in Frankrijk.
Deelt u de kwalificatie van de Franse Minister van Justitie Gérald Darmanin dat Quentin «onmiskenbaar door ultra-links» is gedood?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de dodelijke aanval op Quentin past in een breder patroon gericht geweld vanuit extreemlinkse hoek?3, 4 Zo nee, waarom niet?
In de extreemlinkse beweging is antifascisme een prominent thema dat kan leiden tot acties tegen politieke tegenstanders. Over het algemeen is de geweldsbereidheid binnen de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en lijkt deze ook niet toe te nemen. In landen met een radicalere antifascistische beweging kan ook sprake zijn van geweld tegen politieke tegenstanders.
Bent u bereid het dreigingsniveau ten aanzien van links-extremistisch geweld opnieuw te laten beoordelen in het licht van het Europese patroon van dodelijk extreemlinks geweld? Zo nee, waarom niet?
De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en gewelddadig extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur.
In 2018 is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar links-extremistische groeperingen in Nederland.5 In dit onderzoek werd geconcludeerd dat buitenwettelijke handelingen zoals gewelds- en vermogensdelicten nadrukkelijk tot de modus operandi van sommige links-extremistische groepen behoren. Het onderzoek stelt tevens dat verhoudingsgewijs de meeste links-extremistische groeperingen zich manifesteren op de thema’s antifascisme en mensenrechten.
De meest recente dreigingsbeelden geven op dit moment geen aanleiding om opnieuw specifiek onderzoek te doen naar het radicaliseringsproces van links-extremistische groeperingen. De links-extremistische scene in Nederland bestaat voornamelijk uit anarchisten en communisten. In het DTN van december 2025 constateert de NCTV dat het georganiseerde links-extremisme in Nederland al langere tijd gefragmenteerd, klein in omvang en ideologisch divers is. Ook wordt in het DTN van december 2025 stilgestaan bij de geweldsbereid van de links-extremistische actiescene in omringende landen. In het DTN wordt beschreven dat de linkse actiescene in andere landen vaak radicaler is dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zouden zijn om geweld te gebruiken dan hier. In Nederland is de geweldsbereidheid binnen zowel de links-extremistische beweging beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen. Daarbij is het belangrijk om te constateren dat de omvang van geweldbereide links-extremisten in landen als Duitsland, Frankrijk of Italië niet in verhouding staat tot Nederland. In Duitsland gaat het bijvoorbeeld om ruim 11.000 personen. In Nederland gaat het hooguit om enkele tientallen insurrectionele of geweldsbereide anarchisten.
In de afgelopen jaren zijn personen afkomstig uit het buitenland in toenemende mate onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse scene. Radicalere buitenlandse activisten kunnen zich afkeren van de – in hun ogen gematigde Nederlandse protestcultuur – en op zoek gaan naar gelijkgestemden. Dit heeft echter tot op heden niet geleid tot een toegenomen geweldsbereidheid van links-extremisten in Nederland. Vanzelfsprekend houdt NCTV de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en rapporteert over ontwikkelingen in de dreiging in het eerstvolgende DTN.
Bent u bekend met het feit dat de term «Antifa» in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (december 2025) niet één keer voorkomt, terwijl Antifa-gelieerde groeperingen in meerdere Europese landen aantoonbaar betrokken zijn bij zwaar geweld tegen personen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te verzoeken in het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland expliciet aandacht te besteden aan gewelddadige extreemlinkse groeperingen in Europa en mogelijke spillover-effecten naar Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kan de Kamer de toegezegde brief verwachten over de uitvoering van de motie-De Vos c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 47) inzake het aanmerken van Antifa als terroristische organisatie, die vóór het kerstreces van 2025 zou worden toegezonden?
Uw Kamer heeft op 18 september 2025 de motie van het lid De Vos (FvD) c.s. aangenomen die verzoekt «Antifa» in Nederland als terroristische organisatie aan te merken.6 Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is niet aan mij om daar inhoudelijke uitspraken over te doen. Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Is de dodelijke aanval in Lyon voor u aanleiding om de uitvoering van bovengenoemde, door een Kamermeerderheid aangenomen, motie te versnellen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat buitenlandse extreemlinkse militanten naar Nederland reizen om hier geweld te plegen?
In zijn algemeenheid geldt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het beoordelen van verblijfsaanvragen alert is op signalen die kunnen wijzen op een mogelijke dreiging voor de nationale veiligheid. De IND deelt zulke signalen, binnen de geldende wettelijke kaders, met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie.
Indien blijkt dat een vreemdeling een bedreiging voor de openbare of nationale veiligheid vormt zal de IND de mogelijkheden bezien om deze persoon te weren.
Daarnaast staan de Nederlandse politie en andere overheidspartners in voortdurend contact met buitenlandse partners. Hierbij kunnen ook signalen worden gewisseld over dat mogelijk gewelddadige extremisten over landgrenzen zullen reizen.
Bent u bekend met het feit dat een van de verdachten van de dodelijke aanval op Quentin een parlementair medewerker is van La France Insoumise-Kamerlid Raphaël Arnault, wiens partij in het Europees Parlement aangesloten is bij de Linkse Fractie – waar tevens twee Nederlandse partijen bij zijn aangesloten, te weten de Socialistische Partij en de Partij voor de Dieren?5
Ja.
Bent u tevens bekend met het feit dat Arnault zelf medeoprichter is van de wegens gewelddadig activisme ontbonden groepering La Jeune Garde?6
Ja.
Wat concludeert u hieruit over de houding ten opzichte van het gebruik van geweld binnen extreemlinkse kringen?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vragen 5, 6 en 7. De linkse actiescene is in omringende landen vaak radicaler dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zijn geweld te gebruiken dan hier.
De oproep van strafrechters om het tbs-systeem te ontlasten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat strafrechters het tbs-stelsel zien vastlopen?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht en onderken het probleem van de capaciteitsdruk binnen de tbs en de overige forensische zorg. In dit verband verwijs ik naar de voortgangsbrief forensische zorg d.d. 20 maart 2026 die tegelijk met de beantwoording van deze Kamervragen aan uw Kamer is gestuurd. Hier ga ik uitgebreid in op de aard van de problematiek en de maatregelen om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden.
Hoe beoordeelt u de oplossingsrichtingen die de twee genoemde vooraanstaande strafrechters schetsen om de bestaande overbelasting van het tbs-stelsel te helpen bestrijden, naast de voorgenomen uitbreiding van 200 extra tbs-plekken? Wat vindt u van het voorstel van deze strafrechters om het aantal plekken in lichtere forensische klinieken en in beschermd woonprojecten uit te breiden?
De forensische zorg is essentieel voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving. In het artikel van het Algemeen Dagblad pleiten de strafrechters onder meer voor het minder snel opleggen van tbs en tbs met voorwaarden. Binnen onze constitutionele verhoudingen is het de verantwoordelijkheid van de rechter om in individuele zaken te beslissen over het opleggen van tbs (met voorwaarden).
Daarnaast pleiten de rechters voor het uitbreiden van de lichter beveiligde forensische voorzieningen en het beschermd wonen om de tbs-klinieken te ontzien. Zoals in de voortgangsbrief wordt toegelicht, onderschrijf ik het belang van het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken. Naarmate de behandeling vordert, kan de zorg van patiënten op een lager beveiligingsniveau plaatsvinden. Om te voorkomen dat tbs-gestelden langer dan noodzakelijk hoog beveiligde plekken bezet houden, is een programma opgestart door DJI samen met de tbs-klinieken en de overige forensische zorgaanbieders om voldoende en passende capaciteit voor vervolgzorg tijdens de strafrechtelijke titel te realiseren. Het programma heeft als doel om de door- en uitstroom in tbs-klinieken te optimaliseren.
Kunt u aangeven welke voorzieningen beschikbaar zijn voor forensische zorg, om hoeveel plekken het daarbij gaat, welke problemen bij de toeleiding naar de afzonderlijke zorgvormen bestaan, hoe het concreet met de doorstroom van tbs-gestelden naar alternatieve zorgvormen is gesteld en hoe de afzonderlijke zorgaanbieders met elkaar samenwerken om onder de huidige bestaande omstandigheden een maximaal aantal patiënten de gepaste (beveiligde) zorg en begeleiding te bieden?
Er zijn verschillende type voorzieningen beschikbaar variërend van hoog beveiligde klinische zorg in de vorm van Forensisch Psychiatrische Centra (tbs-klinieken) en Forensische psychiatrische klinieken, maar ook lager beveiligde klinische plaatsen zoals Forensische Psychiatrische Afdelingen en gesloten afdelingen in de reguliere ggz. Daarnaast zijn forensische beschermd wonen plaatsen beschikbaar en allerlei vormen van ambulante begeleiding, behandeling en dagbesteding. In 2025 zijn gemiddeld 1.684 tbs plekken, 926 klinische bedden en 2.029 forensisch wonen bedden gerealiseerd. De druk op hoogbeveiligde klinische zorg is het grootst met plaatsingsproblematiek als gevolg. Daarom zet ik in op uitbreiding van capaciteit. In de voortgangsbrief forensische zorg die ik zojuist aan de Tweede Kamer heb verstuurd, ga ik hier dieper op in. In de bijlage bij de voortgangsbrief is de Staat van de Forensische zorg toegevoegd, met meer cijfermatige overzichten.
De komende jaren wordt ingezet op uitbreiding met nog eens 200 plekken voor de tbs. De realisatie daarvan is mede afhankelijk van verschillende factoren waaronder bouwvergunningen en de beschikbaarheid van voldoende personeel.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en toegelicht in de voortgangsbrief wordt ook gezamenlijk ingezet op het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken naar lagere beveiligingsniveaus en op het bevorderen van het draagvlak van gemeentes. In beginsel ligt de focus op doelgroepen met chronische problematiek die in verschillende mate toezicht en/of zorg nodig hebben op verschillende beveiligingsniveaus (met name laag of niet-beveiligd. Hiermee kunnen op termijn 50 plaatsen op het hoogst beveiligde niveau worden vrijgespeeld.
Kunt u uitsluiten dat de huidige capaciteitsdruk leidt tot onveilige situaties voor personeel en samenleving? En in hoeverre leidt de passantenproblematiek tot schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie?
Het bevorderen van een veilig werk- en behandelklimaat heeft voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid, haar uitvoeringsorganisaties en de zorgaanbieders de hoogste prioriteit. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat incidenten nooit volledig kunnen worden uitgesloten. Daarom proberen wij gezamenlijk van ieder incident te leren en er alles aan te doen om incidenten te voorkomen.
Zoals in de voortgangsbrief toegelicht, heeft een tbs-passant recht op een schadevergoeding wanneer de passantentermijn langer duurt dan vier maanden.2 In totaal is in 2025 is € 545.580,– aan passantenvergoedingen uitgekeerd.
Welke maatregelen zijn nodig om het vastgelopen stelsel vlot te trekken door te voorzien in een adequaat aantal tbs-plekken, om de doorstroom naar alternatieve zorgvormen te optimaliseren en om de samenwerking tussen betrokken organisaties en overheden (onder andere het Openbaar Ministerie, de advocatuur, de Rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Geestelijke Gezondheidszorg, zorginstellingen, decentrale overheden en begeleidende organisaties) te optimaliseren? Bent u bereid om hiervoor de noodzakelijke stappen te zetten, zoals bijvoorbeeld het instellen van een taskforce? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de verdere besluitvorming hierover?
Voor het overzicht van de gezamenlijke inzet om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden, verwijs ik u naar de eerder genoemde voortgangsbrief forensische zorg.
Het bericht 'Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: ’Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: «Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schokkend en zeer zorgelijk is dat 1 op de 6 jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden heeft gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld?
Ja, het is zeer zorgelijk dat jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden hebben gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld. Dit wijst op een ernstige maatschappelijke problematiek.
Wat is uw reactie op de constatering dat die beelden doorgaans ongewild via advertenties op pornowebsites verschijnen of via doorkliklinks op sociale media te zien zijn?
Het is verwerpelijk dat dit soort beelden rondgaan. Dit soort beelden is schokkend en laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. Ik kan mij ook voorstellen dat kijkers die hiermee worden geconfronteerd hier last van kunnen hebben. Dat beelden van seksueel misbruik van minderjarigen op deze wijze onder de aandacht worden gebracht, vergroot het bereik en daarmee de impact op slachtoffers aanzienlijk. Dit kan leiden tot hernieuwde confrontatie en extra leed bij betrokkenen. Zoals ik al eerder heb aangegeven is de verspreiding van dergelijk beeldmateriaal onaanvaardbaar. Online platforms en advertentieaanbieders dragen een eigen verantwoordelijkheid om misbruik van hun diensten te voorkomen en snel en effectief op te treden wanneer dergelijke content wordt aangetroffen. Van hen wordt verwacht dat zij doeltreffende maatregelen nemen om de verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te stoppen, content snel te verwijderen en herplaatsing te voorkomen.
Daarnaast richt ik mij op samenwerking met opsporingsdiensten en toezichthouders, en heeft het kabinet aandacht voor preventie en bewustwording. Het ongevraagd en zonder toestemming verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is strafbaar, en waar mogelijk wordt daartegen opgetreden.
Is dit naar uw oordeel in strijd met de zorgplicht die op grond van nationale en Europese wetgeving op deze platforms rust?
Mogelijk wordt gedoeld op de zorgvuldigheidsverplichtingen die gelden voor online platforms op grond van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Op grond van de DSA zijn online platforms onder meer verplicht om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat minderjarigen worden beschermd tegen inhoud voor volwassenen.
Het is aan de toezichthouder om te beoordelen of aan deze verplichtingen wordt voldaan. Vanaf 4 februari 2025 zijn in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) de bevoegde toezichthouders voor de naleving van in Nederland gevestigde aanbieders.
Op de zogenaamde «zeer grote online platforms» rust verder de verplichting om eventuele systeemrisico’s bestaande uit, onder meer, negatieve effecten op het mentale en fysieke welzijn van gebruikers, te beoordelen en te beperken. De Europese Commissie houdt toezicht op naleving van de DSA op de zeer grote platforms en zoekmachines. In dat kader is relevant dat de Europese Commissie onderzoeken is gestart naar Pornhub, XNXX en XVideos om te beoordelen of zij voldoen aan hun verplichtingen uit de DSA.
Bent u van mening dat jongeren die ongewild te maken krijgen met dergelijke beelden weten waar zij terecht kunnen voor hulp en acht u de huidige informatievoorziening hierover voldoende?
Wanneer jongeren (ongewild) te maken krijgen met beeldmateriaal van online seksueel (kinder)misbruik kunnen zij zowel melding als aangifte doen bij de politie. De politie vraagt daarbij of er bezwaar is tegen het doorgeven van de gegevens aan Slachtofferhulp Nederland. Als er geen bezwaar is, worden de gegevens automatisch doorgestuurd en worden slachtoffers actief benaderd door Slachtofferhulp Nederland. Zo kunnen slachtoffers snel en kosteloos emotionele steun, juridisch advies en/of praktische hulp ontvangen.
Daarnaast staat er op de websites van Slachtofferwijzer en het Netwerk Mediawijsheid toegankelijke informatie over veilig en slim gebruik van digitale media, slachtofferschap en hulporganisaties. Hier wordt onder andere verwezen naar de kosteloze en anonieme hulplijnen van het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG), waar iedereen met een vervelende seksuele ervaring terecht kan, en van Offlimits, die slachtoffers ondersteunt bij het doen van een melding van illegale content en het doen van aangifte. Door het laagdrempelig aanbieden van informatie weten zowel slachtoffers als professionals en ouders waar ze terecht kunnen.
Voor wat betreft de bekendheid met hulpverleningsinstanties kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat er een stijging te zien is in het aantal meldingen van en hulpvragen over (online) seksueel (kinder)misbruik. Dit blijkt uit zowel cijfers van Slachtofferhulp Nederland als uit de Monitor seksueel geweld tegen kinderen 2020–2024 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen kinderen. De Nationaal Rapporteur rapporteert o.a. over cijfers van de politie, het CSG en Offlimits. Volgens de Nationaal Rapporteur lijkt de toegenomen maatschappelijke aandacht onder andere bij te dragen aan de bekendheid van hulporganisaties.2
Deelt u de zorg dat blootstelling aan dergelijk beeldmateriaal kan leiden tot psychologische impact of vervormde beeldvorming over seksualiteit en relaties bij jongeren?
Ik deel de zorg dat blootstelling aan strafbare of gewelddadige pornobeelden grote gevolgen kan hebben voor de geestelijke gezondheid van jongeren. Dit kan leiden tot desensibilisatie waarbij jongeren minder gevoelig worden voor geweld en onethisch gedrag. Daarnaast kan het hun zelfbeeld verstoren en onrealistische verwachtingen geven over seksualiteit en relaties. Bovendien kan de normalisering van geweld ertoe leiden dat jongeren dit gedrag gaan accepteren als normaal. Het is cruciaal dat we als samenleving jongeren beschermen tegen de schadelijke gevolgen van dit soort beelden en hen voorzien van de tools die ze nodig hebben om gezonde relaties te vormen.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren toegang krijgen tot strafbare of gewelddadige pornografie via online platforms?
Er zijn verschillende verplichtingen en maatregelen die een rol spelen in het tegengaan van toegang van jongeren tot illegale online content. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft daar recent richtsnoeren over gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november jl. over geïnformeerd.3 Uit de richtsnoeren blijkt onder meer dat de risico’s van pornoplatforms zodanig zijn dat zij de leeftijd van bezoekers moeten verifiëren. In dit kader wordt ook gewezen op de onderzoeken van de Europese Commissie naar Pornhub, XNXX en Xvideos.4 Aangewezen zeer grote online platforms dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s (overigens ook de kansen) van een digitale dienst in kaart te brengen. Daarnaast is Offlimits een organisatie waar online illegale content kan worden gemeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de ACM aangewezen als trusted flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms. Het platform dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform haar verplichtingen onder de DSA niet naleeft, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van zeer grote platforms de Europese Commissie kan ingrijpen. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet.
Tenslotte schrijft de Richtlijn audiovisuele mediadiensten (hierna: AVMSD) maatregelen voor op het gebied van de bescherming van minderjarigen. Voor content met pornografie of nodeloos geweld moeten de zwaarste maatregelen worden getroffen. Lidstaten zorgen ervoor dat de videoplatforms die onder hun jurisdictie vallen passende maatregelen treffen ter bescherming van minderjarigen. De AVMSD is uitgewerkt in de Mediawet 2008. Videoplatformdiensten (platformdiensten die video’s aanbieden bestemd voor algemeen publiek) die in Nederland zijn gevestigd dienen een gedragscode te hanteren. Voor in Nederland gevestigde aanbieders van mediadiensten, zoals omroepen of video-uploaders, zijn de regels van het Kijkwijzer-systeem van NICAM5 van toepassing.
Welke concrete stappen gaat u, naast het bestaande beleid, nemen richting grote sociale mediaplatforms die hun verantwoordelijkheid niet nemen, om ervoor te zorgen dat dergelijke beelden niet blijven circuleren?
Op de naleving van de DSA door sociale mediaplatforms wordt toezicht gehouden door de ACM. De Europese Commissie houdt primair toezicht op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines. Als de Europese Commissie concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de Europese Commissie bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X. Ik blijf vanzelfsprekend mijn steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de Europese Commissie.
Tevens zet Nederland zich in voor aanvullende EU-wetgeving tegen de verspreiding van online seksueel kindermisbruik in de onderhandelingen van de verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik (de CSAM-verordening). De voorgenomen EU-Verordening bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In hoeverre kunnen pornoplatforms en sociale-mediabedrijven strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer zij onvoldoende optreden tegen strafbare content die op hun platform wordt verspreid en acht u dit instrumentarium voldoende toereikend?
Waar het gaat om kinderpornografisch materiaal is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken.
Aanbieders van hostingdiensten die geen opvolging geven aan een verwijderingsbevel van de ATKM, kunnen strafrechtelijk vervolgd worden. De ATKM onderhoudt mede om die reden nauw contact met het Openbaar Ministerie.
Als pornoplatforms of sociale media weten dat er via hun diensten strafbare content wordt verspreid en daar niet tegen optreden dan kunnen ze zelf aansprakelijk worden gesteld voor die strafbare content. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De officier van justitie kan in geval van een verdenking van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waaronder het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
De DSA verplicht onder meer online platforms om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Kennis van illegale content kan bijvoorbeeld ontstaan door een melding van illegale content. Online platforms moeten op grond van de DSA bovendien maatregelen nemen om minderjarigen te beschermen. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen door zeer grote online platforms en zoekmachines. Aangezien de DSA nog relatief nieuwe wetgeving betreft, is het raadzaam om deze de benodigde tijd te geven om zich volledig te ontwikkelen.
De AVMSD kent regels voor videoplatformdiensten, die in Nederland zijn uitgewerkt in de Mediawet 2008 voor in Nederland gevestigde videoplatformdiensten. Zij moeten een gedragscode opstellen en naleven, waaronder ook wordt ingegaan op de bescherming van minderjarigen. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de totstandkoming, inhoud en toepassing van deze gedragscode van de videoplatformdiensten onder Nederlandse jurisdictie.
Volgens de MAVISE-database van het Europees Audiovisueel Observatorium staan er geen pornografische videoplatforms onder Nederlandse jurisdictie.6
Bent u bereid om te onderzoeken of aan platforms een actieve en afdwingbare zorgplicht opgelegd kan worden om strafbare pornografische content te detecteren en te verwijderen, in plaats van alleen te reageren op meldingen?
Een afdwingbare zorgplicht om dergelijke content te detecteren en verwijderen betekent in de praktijk dat een online platform alle content op het platform zal gaan scannen en desnoods (uit voorzorg) verwijderen. Zo’n algemene monitoringsverplichting is op grond van artikel 8 DSA niet toegestaan. Het verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting online te beschermen. Indien platforms aansprakelijk kunnen worden gesteld of kunnen worden vervolgd dan zullen ze uit voorzorg waarschijnlijk meer informatie verwijderen dan noodzakelijk.
Heeft u inzicht in de gemiddelde doorlooptijd van verwijderverzoeken aan de sociale mediaplatforms van strafbare en gewelddadige beelden en zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
De ATKM en Offlimits hebben ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid beide tot doel de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te bestrijden. Offlimits richt haar verwijderverzoeken voornamelijk tot aanbieders van hostingdiensten. De ATKM richt haar verwijderbevelen tot aanbieders van hosting- of communicatiediensten.
In Nederland is, via de Gedragscode Notice-and-Take-Down, de afspraak gemaakt met de hostingsector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24-uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken van Offlimits en wordt strafbaar materiaal offline gehaald. Wanneer er sprake is van een hoster die structureel niet of te laat reageert, kan de ATKM bestuursrechtelijk optreden tegen deze weigerende partijen.
Op 7 april 2025 is de ATKM gestart met het uitvaardigen van verwijderbevelen ten aanzien van materiaal van seksueel kindermisbruik. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Artikel 15 van de DSA verplicht daarnaast aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in de mediane tijd die nodig is om actie te ondernemen in geval van bevelen vanuit autoriteiten of meldingen van trusted flaggers.
Op welke manier worden kwetsbare vrouwen beschermd tegen uitbuiting, illegale prostitutie en andere seksuele misdrijven binnen de porno-industrie en acht u deze bescherming in de praktijk voldoende?
Als dergelijke misstanden zich voordoen, beschouw ik dat als onacceptabel. Het is belangrijk dat slachtoffers zich melden bij de politie wanneer zij misstanden waarnemen of zelf slachtoffer worden. In zulke gevallen kan de overheid op basis van deze meldingen effectief optreden. Elk signaal van mensenhandel wordt door de opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie opgepakt, overeenkomstig de aanwijzing van het OM over mensenhandel. Daarnaast is mensenhandel voor de periode 2023–2026 een van de belangrijke thema's in de Veiligheidsagenda, waaruit landelijke beleidsdoelstellingen voor de politietaken zijn afgeleid. Het heeft op deze manier hoge prioriteit. Verder is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven in werking getreden, wat de strafrechtelijke bescherming van de slachtoffers van seksuele misdrijven versterkt.
Tenslotte is bescherming en hulp van porno-acteurs onderdeel van lopend WODC-onderzoek (zie vraag 15), waarbij onder andere in kaart wordt gebracht of en zo ja, op welke wijze de pornosector (en betrokken organisaties) de veiligheid van de acteurs waarborgen en garanderen.
Welke rol speelt de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal bij de aanpak van deze problematiek?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar mijn antwoorden op vragen 9 en 11.
Bent u bekend met de schriftelijke vragen over misstanden in de porno-industrie en de motie-Krul over het starten van een WODC-onderzoek naar misstanden in de porno-industrie?2, 3
Ik ben hiermee bekend.
Wat is de stand van zaken van dit WODC-onderzoek en wanneer wordt het onderzoek afgerond?
Tijdens het commissiedebat mensenhandel en prostitutie van 11 september 2024 heb ik toegezegd om het WODC te vragen een onderzoek uit te voeren naar de Nederlandse porno-industrie. Op dit moment voert het Verwey-Jonker Instituut – in opdracht van het WODC en op aanvraag van het Ministerie van Justitie en Veiligheid – onderzoek uit. Dit onderzoek beoogt inzicht te krijgen in de Nederlandse pornosector en mogelijke misstanden. Er wordt onderzoek gedaan naar het bestaan van mogelijke misstanden in brede zin, waarbij de focus niet enkel ligt op strafbare feiten.
De onderzoekers zijn reeds gestart met het onderzoek en de eerste bijeenkomsten van de begeleidingscommissie hebben plaatsgevonden. De volgende bijeenkomst van de begeleidingscommissie staat gepland in het voorjaar van 2026. Het onderzoek zal naar verwachting een jaar in beslag nemen en einde 2026 afgerond zijn. Bij ontwikkelingen ten aanzien van dit tijdspad zal de Kamer, waar nodig, op de hoogte worden gehouden.
Deelt u de mening dat er wel degelijk aanleiding is om te vermoeden dat misstanden plaatsvinden in de Nederlandse porno-industrie, terwijl u dit eerder niet aannemelijk achtte op basis van een korte en beperkte verkenning?
In 2023 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning gedaan naar misstanden binnen de Nederlandse pornosector. De aanleiding hiervan was een rapport van de Franse Senaat over misstanden in de Franse pornosector en de vraag of in Nederland soortgelijke misstanden bekend zijn. Met misstanden werd in het kader van de uitgevoerde verkenning bedoeld, het bestaan van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. De vraag naar misstanden is toentertijd breed uitgezet bij de politie, het Openbaar Ministerie, de Nederlandse Arbeidsinspectie, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha), de zestien regionale centra voor seksueel geweld (CSG’s), Fier, SOA Aids Nederland en andere partijen binnen de Sekswerk Alliantie Destigmatisering. Na raadpleging van de politie, het openbaar ministerie en de Arbeidsinspectie is destijds niet gebleken van enige signalen van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. Dat bij producties binnen de porno-industrie (toentertijd) geen misstanden bij de bevraagde instanties bekend waren, betekent niet dat deze er niet zijn. Wel dat deze destijds niet bekend waren bij organisaties die over een goede informatiepositie beschikken over seksuele misdrijven, ook ten aanzien van specifieke sectoren, en mensenhandel.
In de zomer van 2024 publiceerde de Volkskrant een artikel over een Nederlandse man die vrouwen vanuit Oost-Europa naar Nederland lokte om modellenwerk te doen, maar hen vervolgens dwong om mee te werken aan pornofilms. Naar aanleiding van dit artikel ontstonden (wederom) zorgen. In hoeverre sprake is van misstanden en zo ja, wat voor misstanden dit zijn, zal moeten blijken uit het onderzoek van het WODC.
Zijn er inmiddels signalen bij u, hulpverleningsinstanties of de Arbeidsinspectie bekend van mogelijke misstanden in de porno-industrie, zoals mogelijke mensenhandel of seksuele uitbuiting? En zo ja, hoe worden deze opgevolgd?
Het kabinet blijft alert op signalen van mensenhandel en seksuele uitbuiting, ongeacht de sector waarin deze zich voordoen. Signalen worden opgepakt door de daartoe bevoegde instanties en waar sprake is van strafbare feiten wordt opgetreden. Tevens wordt ingezet op vroegsignalering, samenwerking tussen ketenpartners en adequate ondersteuning van mogelijke slachtoffers.
Op de vraag of bij hulpverleningsinstanties signalen bekend zijn heeft het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha) aangegeven dat uit hun cijfers geen blijk is van deze signalen en dat dit is bevestigd nadat zij dit hadden uitgevraagd bij het Strategisch Overleg Mensenhandel (hierna: SOM). De Arbeidsinspectie heeft geen rol in de aanpak van (mensenhandel gerelateerd aan) seksuele uitbuiting. Een interne uitvraag op de zoektermen «porno» of «porno-industrie» op de bij de Arbeidsinspectie binnengekomen meldingen heeft geen hits opgeleverd. Wel heeft de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie in juni vorig jaar, op verzoek van Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM), collegiaal meegedacht over een melding die zag op activiteiten binnen in de porno-industrie. In dat kader zijn relevante gegevens gedeeld met AVIM, waarna AVIM de verdere behandeling van de zaak op zich heeft genomen. De melding was afkomstig uit het buitenland en in overleg met het OM is besloten om een rechtshulpverzoek op te stellen, om meer informatie over de melding te kunnen verzamelen. De politie is nog in afwachting van de behandeling van dit rechtshulpverzoek. Het onderzoek naar deze melding loopt dus nog.
Het bericht 'Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang»?1
Ja.
Bent u bekend met de Italiaanse wet waarin femicide officieel wordt erkend als misdrijf en wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf?
Ja.
Welke juridische criteria worden gebruikt om femicide te onderscheiden van andere vormen van moord in de Italiaanse wet? Hoe verhoudt zich dit tot de bewijslast dat moet worden kunnen bewezen dat het slachtoffer is vermoord omdat zij vrouw is?
Artikel 577bis van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht bevat een aparte strafbaarstelling van femicide. Deze bepaling stelt levenslange gevangenisstraf op het doden van een vrouw gepleegd als een daad van haat, discriminatie, onderdrukking, controle, bezit of dominantie vanwege het feit dat zij een vrouw is, omdat zij weigert een affectieve relatie aan te gaan of te behouden, of om haar individuele vrijheden te beperken. Als deze omstandigheden niet kunnen worden bewezen, dan kan de pleger worden veroordeeld voor de bestaande vormen moord of doodslag.
De wet is recent in werking getreden, en er is nog geen jurisprudentie bekend over de vraag hoe de hiervoor genoemde omstandigheden kunnen worden bewezen. De Italiaanse strafrechtspraktijk zal dat in de komende periode moeten uitwijzen.
Op basis van welke motivatie wordt aan femicide een strafverzwarend kenmerk toegevoegd in de Italiaanse wet?
In de Italiaanse wet is femicide onder de hiervoor genoemde omstandigheden als een apart misdrijf aangemerkt, omdat Italië – mede ingegeven door een aantal bekende zaken – strenger wil optreden tegen gendergerelateerd geweld. Op dit misdrijf is een levenslange gevangenisstraf gesteld, waarmee een afschrikwekkende werking wordt beoogd.2
Is de redenering in de Italiaanse wet ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Ook in Nederland is sprake van een toenemend bewustzijn over de aard en ernst van femicide en het (psychisch) geweld dat daaraan voorafgaat. Ook groeit de kennis over het fenomeen femicide gestaag. Verder is er veel steun om de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld verder te intensiveren.
Bovenstaande heeft er onder meer toe geleid dat het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (hierna: WODC) in opdracht van mijn ministerie onderzoek doet naar de juridische erkenning van femicide in de Nederlandse rechtspraktijk en de straffen die in dat verband worden opgelegd. In dat onderzoek is ook een rechtsvergelijkend deel opgenomen, waarin (onder meer) Italië wordt uitgelicht. Mede op grond van de resultaten van dit onderzoek zal nader worden bezien welke verdere maatregelen in Nederland kunnen worden genomen om femicide te voorkomen en te bestrijden. De resultaten van dit onderzoek worden binnen enkele maanden verwacht.
Hoe ziet u een Nederlandse versie van de Italiaanse wet? Welke voordelen en nadelen ziet u? Welke implicaties heeft het erkennen van femicide als apart misdrijf voor de opsporing en vervolging van de dader, de hulp en bescherming van de slachtoffers en prioritering bij het Openbaar Ministerie?
Voor een antwoord op de eerste vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 8. Wat de implicaties voor Nederland zouden zijn van het erkennen van femicide als apart misdrijf, zal nader worden verkend met behulp van de resultaten uit het eerdergenoemde WODC-onderzoek naar femicide in de Nederlandse rechtspraktijk.
Zijn de rode vlaggen van femicide zoals onder andere stalking, (poging tot) verwurging, huiselijk geweld en dwingende controle opgenomen in deze Italiaanse wet? Zo ja, op welke manier is dit gebeurd en is dit ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
In de Italiaanse strafbaarstelling van femicide staat het doel of de motivatie waarmee de dader het feit pleegt centraal. Het gaat daarbij om daden van haat, discriminatie, onderdrukking, controle, bezit of dominantie vanwege het feit dat zij een vrouw is, omdat zij weigert een affectieve relatie aan te gaan of te behouden, of om haar individuele vrijheden te beperken. Dat kunnen ook rode vlaggen voor femicide zijn, maar deze gedragingen hoeven niet te zijn voorafgegaan aan de doodslag.
Voor beantwoording van de vraag naar de toepasbaarheid van een dergelijke strafbaarstelling binnen de Nederlandse strafwet verwijs ik kortheidshalve naar het antwoord op de vragen 5, 6 en 8.
Welke elementen uit de Italiaanse wet zouden wel en niet toepasbaar zijn binnen de Nederlandse kaders?
Nederland kent op dit moment geen aparte strafbaarstelling van femicide. Wel is het gevangenisstrafmaximum dat geldt voor doodslag met de inwerkingtreding van de Wet Hümeyra per 1 juli 2023 verhoogd van 15 naar 25 jaar. Er zijn inmiddels ook voorbeelden uit de praktijk waarin rechters hogere straffen dan vijftien jaar opleggen in zaken waarin sprake is van doodslag (vgl. ECLI:NL:RBGEL:2025:9048 en ECLI:NL:RBOBR:2025:7174). Daarnaast is een wetsvoorstel in voorbereiding dat ertoe strekt psychisch geweld strafbaar te stellen. In dit wetsvoorstel wordt – zoals eerder aan Uw Kamer is gecommuniceerd – een afzonderlijke bepaling in het Wetboek van Strafrecht opgenomen die dwingende controle – een belangrijke rode vlag voor femicide – strafbaar stelt en wordt artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling) aangepast, zodat duidelijk wordt dat ook psychische mishandeling (niet zijnde dwingende controle) onder de strafbaarstelling van mishandeling valt. Daarnaast is van belang dat in de aangenomen motie Timmermans en Mutluer (Groenlinks-PvdA) over aanvullende maatregelen tegen femicide (KS 36 658, nr. 12) is verzocht tot het invoeren van strafverzwarende omstandigheden bij partner- en familiedoding. Deze motie zal worden betrokken bij de verdere uitwerking van voornoemd wetsvoorstel. In dat verband zal ook worden gekeken naar vergelijkbare strafbaarstellingen in het buitenland, waaronder Italië.
Bent u op de hoogte of er andere landen zijn die vergelijkbare wetgeving hebben ingevoerd of voornemens zijn dit te doen? Zo ja, zou u per land kunnen aangeven welke mogelijkheden u ziet om hun wetgeving toe te passen op Nederland? Heeft u bijvoorbeeld over dit onderwerp al eens contact gehad met uw Belgische counterpart over hun «femicinide wet»? Bent u bereid deze vragen één voor één en voor het kerstreces te beantwoorden?
In, het in mijn antwoord op vraag 5, genoemde WODC-onderzoek wordt zoals gezegd ook een rechtsvergelijkend deel opgenomen waarin zeven verschillende Europese landen en hun strafrechtelijke aanpak van femicide onder de loep zijn genomen. Ik verzoek u de resultaten van dit onderzoek, die binnen enkele maanden aan uw Kamer worden aangeboden, af te wachten.
Daarnaast kan ik meegeven dat medio 2023, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Belgische feminicidewet, contact is geweest met België over het Belgische wetsvoorstel. Daaruit bleek dat de Belgische feminicidewet een algemeen wettelijk kader beoogt te bieden ter preventie en bestrijding van femicide en gendergerelateerde dodingen, evenals het geweld dat daaraan voorafgaat. In dat verband is bestaand beleid omgezet in wetgeving. De wet introduceert geen afzonderlijke strafbaarstelling van femicide of gendergerelateerde doding, maar bevat wel concrete handvatten en instrumenten ter preventie en bestrijding van femicide.
De inhoud van de Belgische wet vertoont overeenkomsten met zowel de Spaanse wetgeving tegen geweld tegen vrouwen, zoals recent in een voortgangsbrief met uw Kamer is gedeeld, als het Nederlandse beleid en wet- en regelgeving3.
Het artikel 'OM vervolgt nauwelijks zorginstellingen na onnatuurlijke dood cliënten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de stelling dat het Openbaar Ministerie (OM) zorginstellingen veel vaker zou moeten vervolgen voor grove nalatigheid?1
Hoe verklaart u dat het OM dertig zaken onderzocht, maar dat sinds 2009 slechts vier zorginstellingen voor de rechter zijn gekomen voor zaken met een dodelijke afloop?
Hoe oordeelt u over de stelling dat het voor iedereen gemakkelijk is om een zorgbedrijf op te richten, maar dat het ook gemakkelijk lijkt om weg te komen met fouten en slechte zorgverlening?
Hoe oordeelt u over de stelling dat gebrekkige regelgeving een rol speelt in het niet rondkrijgen van de bewijslast? En welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Waarom zijn er geen kwaliteitseisen voor zorgverleners die via de Wet langdurige zorg (Wlz) zorg bieden, zoals de rechtbank concludeert?
Ziet u mogelijkheden om, zoals in het artikel gesuggereerd wordt, voorwaardelijke opzet ten laste te gaan leggen?
In hoeverre overweegt u om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de bevoegdheid te geven om zorgbedrijven te sluiten als er sprake is van zorgverwaarlozing?
In hoeverre overweegt u om ervoor te zorgen dat ook andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders onder tuchtrecht te laten vallen?
Hoe oordeelt u over de stelling dat de IGJ veel meer, bijvoorbeeld onaangekondigd, moet handhaven – aangezien in het artikel wordt gesteld dat het via het strafrecht lastig is aan te tonen dat er bijvoorbeeld slechte zorg is geleverd?
Hoe oordeelt u over het bericht dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende worden opgemerkt en geregistreerd?
Waarom worden huisartsen en verpleeghuisartsen niet voor voor lijkschouw en niet-natuurlijke doden opgeleid, terwijl lijkschouw al veelal door hen gedaan wordt?
Hoe kan het dat er geen eenduidigheid is over de definities van een natuurlijke en onnatuurlijke dood?
Waarom houdt de IGJ geen landelijke cijfers bij van niet-natuurlijke doden?
Gaat u ervoor zorgen dat er een overzicht komt, aangezien GGD’s die het calamiteitentoezicht uitvoeren voor gemeenten ook geen overzicht hebben?
In hoeverre zou het CBS een rol kunnen spelen in het verzamelen en analyseren van deze cijfers?
Hoe oordeelt u over de stelling dat het IGJ en het OM beter zouden moeten samenwerken?
Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?
De VN-resolutie inzake de trans-Atlantische slavenhandel. |
|
Ralf Dekker (FVD), Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de VN-resolutie die de trans-Atlantische slavenhandel bestempelt als «de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid» ooit?
Kunt u toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming in plaats van tegen te stemmen?
Deelt u de opvatting dat het creëren van een hiërarchie van historische wreedheden onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegengestemd?
Deelt u de mening dat talloze andere gruweldaden door deze resolutie impliciet worden gebagatelliseerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegen gestemd?
Hoe gaat u garanderen dat deze resolutie op geen enkele wijze zal leiden tot financiële verplichtingen voor Nederland?
Erkent u dat het internationaal recht ten tijde van de slavenhandel slavernij niet verbood, en dat terugwerkende toepassing van hedendaagse normen juridisch onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u het standpunt dat er geen recht op herstelbetalingen bestaat voor handelingen die destijds niet illegaal waren onder het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de oproep in de resolutie om in gesprek te gaan over herstelbetalingen aan nazaten van slaven?
Kunt u uitsluiten dat Nederland onder druk van deze resolutie in de toekomst zal overgaan tot herstelbetalingen, in welke vorm dan ook?
Bent u bereid de eerder gemaakte excuses voor het slavernijverleden te heroverwegen, nu blijkt dat deze worden gebruikt als hefboom voor financiële claims? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het aanbieden van excuses door premier Rutte in 2022 en Koning Willem-Alexander in 2023 een strategische fout is gebleken, aangezien dit de deur heeft geopend voor verdergaande eisen?
Bent u van mening dat de moderne Nederlander schuld draagt voor handelingen die eeuwen geleden plaatsvonden?
Bent u bekend met het historische fenomeen van blanke slavernij in Arabische en Noord-Afrikaanse landen, waaronder de zogenaamde Barbarijse slavenhandel waarbij naar schatting meer dan een miljoen Europeanen werden geroofd en tot slaaf gemaakt, en deelt u de mening dat het eenzijdig aanwijzen van Europese landen als daders van slavernij een onvolledig en misleidend beeld schetst van de geschiedenis?
Acht u het rechtvaardig dat huidige generaties Nederlandse belastingbetalers financieel aansprakelijk worden gesteld voor historische gebeurtenissen waaraan zij geen deel hadden?
Waarom richt deze resolutie zich uitsluitend op de trans-Atlantische slavenhandel en niet op de Arabische slavenhandel, die langer duurde en naar schatting evenveel of meer slachtoffers maakte?
Heeft Nederland bij de beraadslagingen in de Algemene Vergadering aandacht gevraagd voor slavernij die tot op de dag van vandaag voortbestaat in delen van Afrika en het Midden-Oosten?
Deelt u de mening dat het hypocriet is dat landen waar moderne slavernij nog steeds voorkomt, mede-indieners zijn van een resolutie over historische slavernij, vooral gezien in die tijd deze landen actief hun eigen medemensen verkochten aan mensen van over de hele wereld?
Hoe verhoudt deze resolutie zich tot het feit dat Nederland als een van de eerste landen slavernij heeft afgeschaft?
Acht u het gepast om ontwikkelingshulp te blijven verstrekken aan landen die tegelijkertijd herstelbetalingen van Nederland eisen?
Kunt u bevestigen dat slavernij een wereldwijd fenomeen was dat in vrijwel alle beschavingen heeft bestaan, en dat het selectief aanwijzen van West-Europese landen een vertekend historisch beeld geeft?
Deelt u de mening dat het Nederlandse volk niet gebaat is bij een voortdurende schuldcultuur over historische gebeurtenissen?
Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Heera Dijk (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Verschillen in strafmaat en kwalificatie bij zaken van bekladding van religieuze instellingen |
|
Shanna Schilder (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, onder meer van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), over een uitspraak in een strafzaak rond bekladding van een Joodse instelling1 en hoe verhoudt deze zich tot een eerdere uitspraak uit 2024 waarbij voor een vergelijkbaar feit tegen een moskee celstraffen zijn opgelegd?2
Begrijpt u dat het niet erkennen van een antisemitisch motief in dit soort zaken door de Joodse gemeenschap kan worden ervaren als een gebrek aan erkenning van de ernst van antisemitisme?
Hoe vaak wordt in dit soort zaken uiteindelijk juridisch vastgesteld dat sprake is van antisemitisme en hoe vaak niet? Kunt u concrete cijfers geven?
Deelt u de mening dat het niet vaststellen van een antisemitisch oogmerk in gevallen waarin dat door betrokkenen en de maatschappij in zijn geheel wel zo wordt ervaren juist bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Deelt u de mening dat antisemitisme als motief bij strafbare feiten explicieter en zwaarder meegewogen moet worden in de strafmaat? Zo nee, waarom niet?
Hoe duidt u de verschillen in strafmaat en kwalificatie in het licht van het gelijkheidsbeginsel en het uitgangspunt van rechtsgelijkheid?
In hoeverre wordt bij incidenten zoals bekladding van Joodse instellingen standaard onderzocht of sprake is van een antisemitisch motief en welke factoren zijn hierbij van belang bij de overweging van de rechter voor het aannemen van een antisemitisch oogmerk? Bent u bereid in overleg met het Openbaar Ministerie en de rechtspraak te bezien of nadere richtlijnen of verduidelijkingen nodig zijn om meer consistentie te bevorderen?
Het bericht ‘Meer genitale verminking door migratie: Nederlandse cijfers vrouwenbesnijdenis stijgen’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen zijn er sinds het WODC-rapport «over grenzen» gezet om slachtoffers van genitale verminking beter in beleid te krijgen én beter te beschermen?1
Wat is de stand van zaken van het toegezegde voorstel voor een beschermingsmaatregel in de vorm van een uitreisverbod bij een verdenking van genitale verminking? Wanneer wordt een voorstel hiertoe naar de Kamer gestuurd?
Hoe verklaart u dat sinds het strafbaar stellen van vrouwenbesnijdenis in Nederland er nog nooit een strafzaak heeft plaatsgevonden? Welke maatregelen neemt u om de opsporing en strafrechtelijke aanpak van genitale verminking te versterken?
Hoe beoordeelt u de signalen dat slachtoffers moeilijk hulp kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat zij de taal niet kennen of in een asielzoekerscentrum verblijven? Welke maatregelen neemt u om op korte termijn de toegang tot zorg voor deze groep te verbeteren?
Welke stappen zet u om de kennis in het onderwijs en bij zorgverleners, met name bij huisartsen, te vergroten? Hoe wordt daarbij ook de handelingsverlegenheid binnen deze groep wordt weggenomen?
Kunt u de Kamer periodiek blijven informeren over de voortgang van de aanpak van genitale verminking?
Wat is de voortgang van de verbeterinitiatieven die zijn genomen voor en door de Koninklijke Marechaussee (KMar) om de indicatoren voor het onderkennen van een risico op vrouwelijke genitale verminking?
Heeft u de mogelijkheden met Schiphol geïnventariseerd om samen op te trekken in campagnes tegen vrouwelijke genitale verminking?
Hoe staat het met de verkenning vanuit SZW, VWS, JenV, OCW en AenM met partijen in het veld zoals toegezegd in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Becker op 22 mei 2025?
Bent u bereid te kijken of en hoe het aanbevelen van genitale verminking strafbaar kan worden gesteld, dan wel beter kan worden vervolgd onder het huidige strafrecht?
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes (IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering – bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege de optelling van eerdere IBS-periodes?
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond, omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk kunnen worden uitgezet?
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders, al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus, en reden voor opheffing van de bewaring?
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht? Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
De geweldsgolf in Lelystad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Lelystad opnieuw wordt geteisterd door een reeks explosies bij woningen, waarbij zeer jonge daders worden ingezet en bewoners in grote angst leven?1
Hoe verklaart u dat het geweld in Lelystad al langere tijd speelt en dat er ondanks eerdere arrestaties en maatregelen opnieuw een reeks aanslagen plaatsvindt? Erkent u dat dit voor bewoners het beeld oproept dat de overheid de grip op de situatie dreigt te verliezen?
Hoe kan het dat een vermeende leider van een criminele groep, die in verband wordt gebracht met meerdere geweldsincidenten, met een enkelband en gebiedsverbod tijdelijk de straat op mocht om zijn rijbewijs te halen, terwijl de stad tegelijkertijd wordt geconfronteerd met een nieuwe golf van explosies en geweld? Hoe legt u dit uit aan bewoners die zich inmiddels onveilig voelen in hun eigen wijk?
Deelt u de mening dat het ronselen en inzetten van minderjarigen voor zware criminaliteit een bijzonder laffe en verwerpelijke praktijk is en bent u met ons van mening dat hier aanzienlijk zwaardere straffen voor moeten gelden?
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment genomen om de betrokken criminele netwerken achter deze explosies op te rollen en welke verdere concrete maatregelen bent u van plan te gaan nemen?
Bent u bereid om, onder andere, extra politiecapaciteit, opsporingsmiddelen en bestuurlijke maatregelen in te zetten om deze geweldsgolf zo snel mogelijk te stoppen en de veiligheid van bewoners te herstellen?
Bent u bekend met het bericht «Pedobots gewoon te vinden op internet en dat mag volgens de wet: Anya (7) is vastgebonden en huilt»?1
Deelt u de mening dat dergelijke AI-toepassingen net als kindersekspoppen bijdragen aan de normalisering van seksueel misbruik van minderjarigen, ook wanneer er geen fysiek kind bij betrokken is?
Deelt u de mening dat gedragingen die in de fysieke wereld strafbaar zijn, ook online niet moeten worden getolereerd, ook wanneer het gaat om nabootsing door middel van AI?
In hoeverre biedt het huidige strafrecht voldoende mogelijkheden om op te treden tegen het ontwikkelen van dergelijke bots, het verspreiden ervan en het gebruiken van dergelijks bots met een seksueel oogmerk?
Bent u bereid om het Wetboek van Strafrecht aan te passen zodat ook het creëren, aanbieden of gebruiken van seksueel expliciete AI-personages die minderjarigen voorstellen strafbaar wordt gesteld?
Grootschalige naamfouten in strafrechtelijke vonnissen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verbijsterde Kamer eist duidelijkheid over massale naamfouten bij justitie»?1
Klopt het dat eerder 876 naamfouten in strafrechtelijke vonnissen zijn vastgesteld, maar dat inmiddels signalen bestaan dat het mogelijk om circa 50.000 foutieve naamkoppelingen gaat? Sinds wanneer is uw ministerie bekend met deze hogere aantallen en waarom is de Kamer hierover niet eerder volledig geïnformeerd?
Wat wordt binnen de justitiële keten exact verstaan onder een «naamfout»? Beperkt dit zich tot administratieve verschrijvingen en typefouten of betreft het tevens gevallen waarin persoonsgegevens van onschuldige burgers ten onrechte zijn gekoppeld aan strafrechtelijke veroordelingen? Kunt u de verschillende categorieën fouten volledig en afzonderlijk kwantificeren?
Op welk moment in de strafrechtketen ontstaan deze fouten precies en waar ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen daarvan? Is sprake van een structurele systeemfout en is hiervoor eerder intern gewaarschuwd?
Klopt het dat eenmaal foutief gekoppelde persoonsgegevens automatisch doorwerken in gekoppelde justitiële databanken? Zo ja, welke systemen zijn daarbij betrokken en hoe verhoudt deze automatische doorwerking zich tot het beginsel van juistheid van persoonsgegevens zoals neergelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming?
Klopt het dat het corrigeren van foutief gekoppelde persoonsgegevens in de praktijk wordt bemoeilijkt doordat wijzigingen automatisch doorwerken in andere systemen? Deelt u de mening dat systeemtechnische beperkingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen om onjuiste strafrechtelijke registraties in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Bestaat er binnen de justitiële keten onduidelijkheid over wie bevoegd is om fouten in strafrechtelijke vonnissen en de daaraan gekoppelde registraties te herstellen? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat geen eenduidige herstelbevoegdheid is vastgelegd terwijl dergelijke fouten verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de rechtspositie van burgers?
Hoeveel burgers hebben aantoonbaar nadeel ondervonden van onjuiste registraties in justitiële systemen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag, bij werk- of veiligheidsscreening, in opsporingsonderzoeken, detentie of verblijfsrechtelijke procedures? In hoeveel gevallen hebben foutieve naamkoppelingen ertoe geleid dat veroordeelde personen niet (tijdig) zijn gedetineerd of ten onrechte op vrije voeten zijn gebleven?
Hoeveel verzoeken tot correctie van onjuist verwerkte persoonsgegevens zijn sinds 2010 ingediend, hoeveel daarvan zijn toegewezen en hoeveel afgewezen, en op welke gronden zijn deze verzoeken afgewezen?
Erkent u dat het ten onrechte registreren van burgers als crimineel een ernstige aantasting kan vormen van hun rechtspositie, reputatie en grondrechten? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om alle foutieve registraties actief op te sporen, gedupeerde burgers te informeren en hen adequaat te compenseren?
Het bericht dat ruim 600 Nederlanders in het Israëlische leger hebben gediend |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim 600 Nederlanders dienden vorig jaar in Israëlische leger»?1
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Van Baarle inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger?2
Wat is uw reactie op de onthulling dat volgens cijfers gepubliceerd door DeclassifiedUK zeker 645 mensen met de Nederlandse nationaliteit in het Israëlische leger gediend zouden hebben? Deelt u de mening dat dienen in het misdadige Israëlische leger onacceptabel en ongewenst is?
Bent u bereid om, vanwege de grove mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die Israël pleegt, een onderzoek in te lassen naar de mogelijke betrokkenheid van Nederlanders bij misdaden gepleegd door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u, aangezien de genoemde informatie via een openbaarheidsverzoek beschikbaar zou zijn gekomen, dit niet eerder achterhaald of aan de Kamer gemeld?
Heeft u navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten bij de beantwoording van de eerdere vragen van het lid Van Baarle inzake dit onderwerp? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bleek hieruit?
Bent u bereid om alsnog navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten over het aantal en de inzet van Nederlanders die dienen in het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Zijn er bij het Openbaar Ministerie indicaties bekend dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger en zijn hier reeds onderzoeken naar gedaan om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is?
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in illegaal bezet gebied onacceptabel is en in strijd met het internationaal recht? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij gevechtshandelingen in Gaza het grote risico met zich meebrengt dat deze Nederlanders betrokken zouden kunnen zijn geweest bij oorlogsmisdaden dan wel hier getuige van zouden kunnen zijn geweest? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Had u op enig moment sinds 7 oktober 2023 kennis van Nederlanders die (mogelijk) dienen in het Israëlische leger en waarom is dat niet aan de Kamer gemeld? Wat is er met deze informatie gedaan?
Heeft u op enig moment sinds 7 oktober 2023 contact gehad met Israël inzake Nederlanders die mogelijk dienen in het Israëlische leger? Zo ja, waarom en wat was de strekking van dit contact?
Is het nog steeds zo dat er geen Nederlandse militairen zijn die toestemming hebben gevraagd om in het Israëlische leger te dienen?
Zijn u indicaties of voorbeelden bekend dat Israël of aan Israël gelieerde organisaties in Nederland werven voor het Israëlische leger dan wel bevorderen dat mensen actief worden voor het Israëlische leger? Zo ja, deelt u de mening dat dit volstrekt onwenselijk is en mogelijk zelfs strafbaar?
Is het in alle gevallen zo (geweest) dat de Nederlandse overheid zelf niet bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van een land waarmee Nederland geen gewapend conflict heeft? Klopt het dus dat Nederland op dit moment op geen enkele manier bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van andere landen?
Klopt het dat Nederland ook niet bijhoudt of er sprake is van dienen in het leger van landen die in oorlog zijn en waarbij er een risico bestaat op schendingen van het internationaal recht?
Bent u bereid om deze vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
De dodelijke mishandeling van een 23-jarige student door extreemlinkse militanten in Lyon |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de 23-jarige Franse student Quentin op 12 februari 2026 in Lyon zwaar is mishandeld door een groep extreemlinkse militanten en op 14 februari aan zijn verwondingen is overleden?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit incident niet beschreven kan worden als geweld tussen politieke groeperingen, gelet op het feit dat Quentin alleen was en belaagd werd door circa 25 militanten? Zo ja, deelt u de opvatting dat lynching een accuratere benaming is voor het incident?
Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is echter niet aan mij om inhoudelijke uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek in Frankrijk.
Deelt u de kwalificatie van de Franse Minister van Justitie Gérald Darmanin dat Quentin «onmiskenbaar door ultra-links» is gedood?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de dodelijke aanval op Quentin past in een breder patroon gericht geweld vanuit extreemlinkse hoek?3, 4 Zo nee, waarom niet?
In de extreemlinkse beweging is antifascisme een prominent thema dat kan leiden tot acties tegen politieke tegenstanders. Over het algemeen is de geweldsbereidheid binnen de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en lijkt deze ook niet toe te nemen. In landen met een radicalere antifascistische beweging kan ook sprake zijn van geweld tegen politieke tegenstanders.
Bent u bereid het dreigingsniveau ten aanzien van links-extremistisch geweld opnieuw te laten beoordelen in het licht van het Europese patroon van dodelijk extreemlinks geweld? Zo nee, waarom niet?
De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en gewelddadig extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur.
In 2018 is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar links-extremistische groeperingen in Nederland.5 In dit onderzoek werd geconcludeerd dat buitenwettelijke handelingen zoals gewelds- en vermogensdelicten nadrukkelijk tot de modus operandi van sommige links-extremistische groepen behoren. Het onderzoek stelt tevens dat verhoudingsgewijs de meeste links-extremistische groeperingen zich manifesteren op de thema’s antifascisme en mensenrechten.
De meest recente dreigingsbeelden geven op dit moment geen aanleiding om opnieuw specifiek onderzoek te doen naar het radicaliseringsproces van links-extremistische groeperingen. De links-extremistische scene in Nederland bestaat voornamelijk uit anarchisten en communisten. In het DTN van december 2025 constateert de NCTV dat het georganiseerde links-extremisme in Nederland al langere tijd gefragmenteerd, klein in omvang en ideologisch divers is. Ook wordt in het DTN van december 2025 stilgestaan bij de geweldsbereid van de links-extremistische actiescene in omringende landen. In het DTN wordt beschreven dat de linkse actiescene in andere landen vaak radicaler is dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zouden zijn om geweld te gebruiken dan hier. In Nederland is de geweldsbereidheid binnen zowel de links-extremistische beweging beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen. Daarbij is het belangrijk om te constateren dat de omvang van geweldbereide links-extremisten in landen als Duitsland, Frankrijk of Italië niet in verhouding staat tot Nederland. In Duitsland gaat het bijvoorbeeld om ruim 11.000 personen. In Nederland gaat het hooguit om enkele tientallen insurrectionele of geweldsbereide anarchisten.
In de afgelopen jaren zijn personen afkomstig uit het buitenland in toenemende mate onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse scene. Radicalere buitenlandse activisten kunnen zich afkeren van de – in hun ogen gematigde Nederlandse protestcultuur – en op zoek gaan naar gelijkgestemden. Dit heeft echter tot op heden niet geleid tot een toegenomen geweldsbereidheid van links-extremisten in Nederland. Vanzelfsprekend houdt NCTV de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en rapporteert over ontwikkelingen in de dreiging in het eerstvolgende DTN.
Bent u bekend met het feit dat de term «Antifa» in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (december 2025) niet één keer voorkomt, terwijl Antifa-gelieerde groeperingen in meerdere Europese landen aantoonbaar betrokken zijn bij zwaar geweld tegen personen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te verzoeken in het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland expliciet aandacht te besteden aan gewelddadige extreemlinkse groeperingen in Europa en mogelijke spillover-effecten naar Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kan de Kamer de toegezegde brief verwachten over de uitvoering van de motie-De Vos c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 47) inzake het aanmerken van Antifa als terroristische organisatie, die vóór het kerstreces van 2025 zou worden toegezonden?
Uw Kamer heeft op 18 september 2025 de motie van het lid De Vos (FvD) c.s. aangenomen die verzoekt «Antifa» in Nederland als terroristische organisatie aan te merken.6 Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is niet aan mij om daar inhoudelijke uitspraken over te doen. Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Is de dodelijke aanval in Lyon voor u aanleiding om de uitvoering van bovengenoemde, door een Kamermeerderheid aangenomen, motie te versnellen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat buitenlandse extreemlinkse militanten naar Nederland reizen om hier geweld te plegen?
In zijn algemeenheid geldt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het beoordelen van verblijfsaanvragen alert is op signalen die kunnen wijzen op een mogelijke dreiging voor de nationale veiligheid. De IND deelt zulke signalen, binnen de geldende wettelijke kaders, met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie.
Indien blijkt dat een vreemdeling een bedreiging voor de openbare of nationale veiligheid vormt zal de IND de mogelijkheden bezien om deze persoon te weren.
Daarnaast staan de Nederlandse politie en andere overheidspartners in voortdurend contact met buitenlandse partners. Hierbij kunnen ook signalen worden gewisseld over dat mogelijk gewelddadige extremisten over landgrenzen zullen reizen.
Bent u bekend met het feit dat een van de verdachten van de dodelijke aanval op Quentin een parlementair medewerker is van La France Insoumise-Kamerlid Raphaël Arnault, wiens partij in het Europees Parlement aangesloten is bij de Linkse Fractie – waar tevens twee Nederlandse partijen bij zijn aangesloten, te weten de Socialistische Partij en de Partij voor de Dieren?5
Ja.
Bent u tevens bekend met het feit dat Arnault zelf medeoprichter is van de wegens gewelddadig activisme ontbonden groepering La Jeune Garde?6
Ja.
Wat concludeert u hieruit over de houding ten opzichte van het gebruik van geweld binnen extreemlinkse kringen?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vragen 5, 6 en 7. De linkse actiescene is in omringende landen vaak radicaler dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zijn geweld te gebruiken dan hier.
Het artikel ‘Kans op herhaling criminelen jarenlang verkeerd berekend door reclassering’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Computer slechte voorspeller recidive» over risicotaxatie-algoritmen binnen de reclassering?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van de samenleving tegen recidive de hoogste prioriteit moet hebben bij risicotaxatie?
De bescherming van de samenleving is een kerndoel van de reclassering. Risicotaxatie is daarvoor een belangrijk middel. Risicotaxatie moet verantwoord gebeuren om effectief bij te dragen aan die veiligheid.
Kunt u concreet onderbouwen dat het gebruik van algoritmen binnen de reclassering leidt tot structurele discriminatie?
Het risicotaxatieinstrument OxRec maakt geen direct onderscheid naar ras of etniciteit. Maar volgens de Inspectie Justitie en Veiligheid kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van buurtscore en inkomen kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.2 Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.3
Is het juist dat variabelen zoals woonomgeving, inkomen en opleidingsniveau statistisch samenhangen met recidive?
Ja, dat klopt. De OxRec is ontwikkeld door onderzoekers verbonden aan de universiteit van Oxford. Bij de keuze voor het opnemen van verschillende variabelen verwijzen zij naar wetenschappelijk onderzoek, waaruit de samenhang van deze variabelen met recidive blijkt.4
Deelt u de mening dat het negeren van dergelijke factoren kan leiden tot een minder realistische risico-inschatting?
Ja, dat risico bestaat.
Bent u het ermee eens dat statistische verschillen tussen groepen niet automatisch betekenen dat sprake is van discriminatie?
Ja. Zo zijn er bijvoorbeeld statistische verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot (herhaling van) criminaliteit. Ook leeftijd en verslaving zijn bijvoorbeeld variabelen die samenhangen met recidive. Het meewegen van die verschillen kan gerechtvaardigd zijn, maar moet onderbouwd worden.
Klopt het dat algoritmen slechts ondersteunend zijn en dat de uiteindelijke beslissing bij de professional of rechter ligt? En hoe werkt dit process?
Het klopt dat de algoritmen worden gebruikt als een hulpmiddel. Volgens de reclassering zijn de algoritmen niet doorslaggevend en vervangen het professioneel oordeel niet. Ze ondersteunen en fungeren als het ware als «spiegel» bij de totstandkoming van het advies. Dit proces is volgens de reclassering ook zo in het beleid vastgelegd. Desalniettemin is het van belang om hier voortdurend alert op te blijven. Hiervoor zal de reclassering in de toekomst specifiek aandacht hebben, zodat kennis en werkprocessen op peil blijven en waar nodig worden verbeterd.
Tot slot is het niet aan mij om opiniemakers en media te recenseren die een andere indruk wekken over de werkwijze van de reclassering.
Waarom wordt in het publieke debat de indruk gewekt dat «de computer beslist», terwijl het om een hulpmiddel gaat?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre acht u het verantwoord om bewezen risicofactoren te schrappen uit angst voor vermeende discriminatie?
In het verbetertraject van de reclassering wordt onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec. Variabelen in de betreffende algoritmes worden alleen verwijderd als deze leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid (discriminatie). Ik kan hierop niet vooruitlopen.
Kunt u aangeven of het verwijderen van bepaalde variabelen gevolgen heeft voor de nauwkeurigheid van de voorspellingen?
Zie antwoord vraag 9.
Is onderzocht wat de impact op recidivecijfers kan zijn wanneer risicomodellen worden afgezwakt?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe weegt u het belang van publieke veiligheid tegenover zorgen over indirecte discriminatie?
Beide belangen wegen zwaar en zijn verenigbaar. Ik wil recht doen aan beide belangen. Een verantwoorde risicotaxatie beschermt de samenleving en voorkomt dat mensen op bepaalde gronden ongerechtvaardigd zwaarder worden aangepakt.
Zijn er concrete gevallen bekend waarin mensen aantoonbaar onterecht zwaarder zijn bestraft door algoritmische inschattingen?
Nee. In eerder genoemde beleidsreactie wordt dit toegelicht.5
Deelt u de zorg dat politieke correctheid zwaarder kan gaan wegen dan veiligheid?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 12.
Hoe gaat u voorkomen dat criminelen profiteren van afgezwakte risicotaxaties?
Zie antwoord vraag 14.
Worden slachtoffers en hun belangen expliciet meegewogen in deze discussie? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het slachtofferperspectief wordt in het verbetertraject van de reclassering meegenomen. Slachtofferbewust en herstelgericht werken zijn al vaste en belangrijke onderdelen van het reclasseringswerk. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het betrekken van slachtofferbelangen in een reclasseringsadvies, zoals het adviseren van veiligheidsmaatregelen (contact- en locatieverbod).
In hoeverre worden politie en reclasseringsprofessionals betrokken bij aanpassingen van deze systemen?
De maatregelen in het verbetertraject zien op aanpassingen van de algoritmes die de reclassering bij risicotaxatie hanteert. Bij dit traject worden ook reclasseringswerkers betrokken. Daarnaast betrekt de reclassering ook de wetenschap en andere deskundigen op dit terrein. De reclassering informeert de ketenpartners tijdig en betrekt hen zo nodig in het verbetertraject.
Bent u bereid transparant te maken welke variabelen worden gebruikt en waarom?
Alle variabelen van de OxRec, zoals de reclassering die heeft geïmplementeerd, staan genoemd in bijlage E van het Inspectierapport.
Kunt u garanderen dat het voorkomen van recidive leidend blijft bij eventuele herzieningen van deze systemen?
Zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 12.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de effecten op veiligheid wanneer wijzigingen in algoritmen worden doorgevoerd?
In de beleidsreactie is aangegeven dat uw Kamer naar verwachting in het najaar van dit jaar wordt geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen. Dit punt zal daarin worden meegenomen.
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Ja, van dit artikel heb ik kennis genomen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sta ik achter onze raadsleden. Het is onacceptabel dat onze volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. De berichten over de toename van agressie, bedreiging en intimidatie richting de gemeenteraadsleden zijn zorgelijk. Daarom zet ik mij door middel van het programma Weerbaar Bestuur in om de gemeenteraadsleden beter te beschermen en te ondersteunen na een incident.
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Agressie, bedreiging en intimidatie aan het adres van raadsleden zijn onaanvaardbaar. De berichten over de toename van incidenten zijn mij bekend en ik vind deze zeer verontrustend. Samen met het Netwerk Weerbaar Bestuur werkt mijn ministerie sinds 2018 aan het vergroten van de veiligheid van politieke ambtsdragers, onder wie raadsleden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Het is ontoelaatbaar dat bedreigingen het functioneren van raadsleden beïnvloeden. Bedreigingen zijn niet normaal en horen niet bij het ambt. Raadsleden moeten hun werk zonder dreiging of druk van buitenaf kunnen uitvoeren. Als zij niet vrij hun werk kunnen doen, schaadt dit de democratie. Agressie, bedreiging en intimidatie moeten niet genormaliseerd worden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Online agressie treft vrouwelijke ambtsdragers in hogere mate dan hun mannelijke collega’s. Deze agressie is vaker op de persoon gericht en wordt als ernstiger ervaren. Dit is zorgwekkend. Daarom heeft mijn ministerie in samenwerking met het Netwerk Weerbaar Bestuur een steunpakket online agressie en intimidatie ontwikkeld, gericht op het ondersteunen van (vrouwelijke) politieke ambtsdragers die slachtoffer worden van online agressie. Dit steunpakket bevat praktische tips voor de preventie van, reactie op en nazorg na online agressie en intimidatie. Het steunpakket is te vinden op de website van het Netwerk Weerbaar Bestuur: https://www.weerbaarbestuur.nl/producten-en-diensten/steunpakket-preventie.
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur van het Ministerie van BZK zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Er is al veel hulp beschikbaar voor decentrale volksvertegenwoordigers wanneer zij met agressie, intimidatie of bedreiging te maken krijgen. Toch kunnen wij hen op sommige vlakken beter ondersteunen. Dit geldt allereerst voor steun bij online agressie en bedreigingen. Daarom wil ik middelen vrijmaken voor een onderzoek naar online agressie en alternatieve sanctiemogelijkheden. Hierdoor kunnen we daders beter aanpakken. Ook het aangifteproces kan worden versimpeld. Daarom werken mijn ambtsgenoot van JenV en ik aan een modelaangifte waardoor het doen van aangifte door of namens politieke ambtsdragers makkelijker wordt. Over de opvolging van aangifte door Politie en OM blijf ik met mijn ambtsgenoot van JenV in gesprek. Tot slot moeten raadsleden, Statenleden en algemeen besturen van waterschappen veilig kunnen vergaderen. Daarom heb ik uw Kamer op 16 februari jl. geïnformeerd dat ik voornemens ben hier aanvullende middelen voor vrij te maken (Kamerstukken II 2025–2026 36 800 VII, nr. 66).
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Naast de eerder benoemde preventieve en weerbaarheidsverhogende maatregelen kunnen er verschillende veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Binnen het taakveld bewaken en beveiligen kunnen op gezag van OM, burgemeester of NCTV veiligheidsmaatregelen ingezet worden. Ik werk daarom nauw samen met de Minister van Justitie en Veiligheid met als doel om al onze volksvertegenwoordigers veilig hun werk te kunnen laten doen.
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Ja.
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
De reclassering heeft de OxRec in 2018 in gebruik genomen.
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
De aard en omvang van de problemen rondom de algoritmes bij de reclassering zijn bij mij in beeld gekomen door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de Inspectie). De Inspectie heeft de reclassering en het ministerie medio 2025 bericht over de voorlopige bevindingen. Het definitieve rapport is in december 2025 opgeleverd door de Inspectie.
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Het pauzeren van de OxRec heeft impact op de wijze waarop adviezen tot stand komen en raakt daarmee het dagelijks werk van vele reclasseringswerkers. Zo’n wijziging lijkt op zichzelf klein, maar heeft flinke impact, zeker omdat deze veel medewerkers raakt. Een goede voorbereiding van de pauzering door nieuwe werkafspraken te maken, was essentieel om de kwaliteit van de adviezen te kunnen blijven garanderen. Dit kostte tijd. Het eerder op verantwoorde wijze pauzeren van de OxRec dan 12 februari jl. werd niet mogelijk geacht.
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
De inspectie concludeert dat de OxRec door de implementatiegebreken in circa 21 procent (bij algemene recidive) en 6 procent (bij gewelddadige recidive) van de gevallen tot een andere risicocategorie zou zijn gekomen. Dat betreur ik zeer. In het verbetertraject van de reclassering worden alle aanbevelingen van de Inspectie overgenomen. Het is helaas niet mogelijk om binnen dit traject met terugwerkende kracht vast te stellen of reclasseringswerkers door de implementatiegebreken in de OxRec tot andere adviezen zijn gekomen, laat staan of dit tot andere strafrechtelijke beslissingen zou hebben geleid. Reclasseringsadviezen zijn namelijk altijd gebaseerd op een menselijk oordeel, en dit menselijk oordeel kan niet achteraf opnieuw worden geconstrueerd.2
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Zie antwoord vraag 5.
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Volgens de Inspectie kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van deze factoren kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.3
Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.4
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Alle conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Inspectie worden in het verbetertraject door de reclassering opgepakt.
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Ik verwacht de Kamer in het najaar van dit jaar te kunnen informeren over de opvolging van de aanbevelingen.
De oproep van strafrechters om het tbs-systeem te ontlasten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat strafrechters het tbs-stelsel zien vastlopen?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht en onderken het probleem van de capaciteitsdruk binnen de tbs en de overige forensische zorg. In dit verband verwijs ik naar de voortgangsbrief forensische zorg d.d. 20 maart 2026 die tegelijk met de beantwoording van deze Kamervragen aan uw Kamer is gestuurd. Hier ga ik uitgebreid in op de aard van de problematiek en de maatregelen om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden.
Hoe beoordeelt u de oplossingsrichtingen die de twee genoemde vooraanstaande strafrechters schetsen om de bestaande overbelasting van het tbs-stelsel te helpen bestrijden, naast de voorgenomen uitbreiding van 200 extra tbs-plekken? Wat vindt u van het voorstel van deze strafrechters om het aantal plekken in lichtere forensische klinieken en in beschermd woonprojecten uit te breiden?
De forensische zorg is essentieel voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving. In het artikel van het Algemeen Dagblad pleiten de strafrechters onder meer voor het minder snel opleggen van tbs en tbs met voorwaarden. Binnen onze constitutionele verhoudingen is het de verantwoordelijkheid van de rechter om in individuele zaken te beslissen over het opleggen van tbs (met voorwaarden).
Daarnaast pleiten de rechters voor het uitbreiden van de lichter beveiligde forensische voorzieningen en het beschermd wonen om de tbs-klinieken te ontzien. Zoals in de voortgangsbrief wordt toegelicht, onderschrijf ik het belang van het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken. Naarmate de behandeling vordert, kan de zorg van patiënten op een lager beveiligingsniveau plaatsvinden. Om te voorkomen dat tbs-gestelden langer dan noodzakelijk hoog beveiligde plekken bezet houden, is een programma opgestart door DJI samen met de tbs-klinieken en de overige forensische zorgaanbieders om voldoende en passende capaciteit voor vervolgzorg tijdens de strafrechtelijke titel te realiseren. Het programma heeft als doel om de door- en uitstroom in tbs-klinieken te optimaliseren.
Kunt u aangeven welke voorzieningen beschikbaar zijn voor forensische zorg, om hoeveel plekken het daarbij gaat, welke problemen bij de toeleiding naar de afzonderlijke zorgvormen bestaan, hoe het concreet met de doorstroom van tbs-gestelden naar alternatieve zorgvormen is gesteld en hoe de afzonderlijke zorgaanbieders met elkaar samenwerken om onder de huidige bestaande omstandigheden een maximaal aantal patiënten de gepaste (beveiligde) zorg en begeleiding te bieden?
Er zijn verschillende type voorzieningen beschikbaar variërend van hoog beveiligde klinische zorg in de vorm van Forensisch Psychiatrische Centra (tbs-klinieken) en Forensische psychiatrische klinieken, maar ook lager beveiligde klinische plaatsen zoals Forensische Psychiatrische Afdelingen en gesloten afdelingen in de reguliere ggz. Daarnaast zijn forensische beschermd wonen plaatsen beschikbaar en allerlei vormen van ambulante begeleiding, behandeling en dagbesteding. In 2025 zijn gemiddeld 1.684 tbs plekken, 926 klinische bedden en 2.029 forensisch wonen bedden gerealiseerd. De druk op hoogbeveiligde klinische zorg is het grootst met plaatsingsproblematiek als gevolg. Daarom zet ik in op uitbreiding van capaciteit. In de voortgangsbrief forensische zorg die ik zojuist aan de Tweede Kamer heb verstuurd, ga ik hier dieper op in. In de bijlage bij de voortgangsbrief is de Staat van de Forensische zorg toegevoegd, met meer cijfermatige overzichten.
De komende jaren wordt ingezet op uitbreiding met nog eens 200 plekken voor de tbs. De realisatie daarvan is mede afhankelijk van verschillende factoren waaronder bouwvergunningen en de beschikbaarheid van voldoende personeel.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en toegelicht in de voortgangsbrief wordt ook gezamenlijk ingezet op het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken naar lagere beveiligingsniveaus en op het bevorderen van het draagvlak van gemeentes. In beginsel ligt de focus op doelgroepen met chronische problematiek die in verschillende mate toezicht en/of zorg nodig hebben op verschillende beveiligingsniveaus (met name laag of niet-beveiligd. Hiermee kunnen op termijn 50 plaatsen op het hoogst beveiligde niveau worden vrijgespeeld.
Kunt u uitsluiten dat de huidige capaciteitsdruk leidt tot onveilige situaties voor personeel en samenleving? En in hoeverre leidt de passantenproblematiek tot schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie?
Het bevorderen van een veilig werk- en behandelklimaat heeft voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid, haar uitvoeringsorganisaties en de zorgaanbieders de hoogste prioriteit. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat incidenten nooit volledig kunnen worden uitgesloten. Daarom proberen wij gezamenlijk van ieder incident te leren en er alles aan te doen om incidenten te voorkomen.
Zoals in de voortgangsbrief toegelicht, heeft een tbs-passant recht op een schadevergoeding wanneer de passantentermijn langer duurt dan vier maanden.2 In totaal is in 2025 is € 545.580,– aan passantenvergoedingen uitgekeerd.
Welke maatregelen zijn nodig om het vastgelopen stelsel vlot te trekken door te voorzien in een adequaat aantal tbs-plekken, om de doorstroom naar alternatieve zorgvormen te optimaliseren en om de samenwerking tussen betrokken organisaties en overheden (onder andere het Openbaar Ministerie, de advocatuur, de Rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Geestelijke Gezondheidszorg, zorginstellingen, decentrale overheden en begeleidende organisaties) te optimaliseren? Bent u bereid om hiervoor de noodzakelijke stappen te zetten, zoals bijvoorbeeld het instellen van een taskforce? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de verdere besluitvorming hierover?
Voor het overzicht van de gezamenlijke inzet om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden, verwijs ik u naar de eerder genoemde voortgangsbrief forensische zorg.
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen, zoals een helm, bestaan. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet het gebruik van helmen in haar toezicht, zowel helmen met als zonder slot, voornamelijk in de gehandicaptenzorg. Als deze hulpmiddelen worden gebruikt is dat meestal bij mensen die zelf verwondend gedrag vertonen of bij mensen met epilepsie. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en de Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG) geven desgevraagd aan dat gebruik gemaakt wordt van zogenoemde epilepsiehelmen (valhelmen), om te voorkomen dat cliënten bijvoorbeeld ernstig letsel oplopen bij (onverwachte) valpartijen tijdens een epileptische aanval. Ook de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Nederlandse GGZ geven aan dat, in uitzonderlijke gevallen, op basis van de juiste wet- en regelgeving het gebruik van een (val)helm zou kunnen worden toegepast. In alle gevallen geldt dat de toepassing van een dergelijk hulpmiddel, zoals een helm, met voldoende waarborgen is omkleed.
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Ja, het gebruik van hulpmiddelen kan toegestaan zijn, maar alleen conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Als niet wordt voldaan aan die wet- en regelgeving is het gebruik ervan niet toegestaan.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders verplicht om zorg van goede kwaliteit te bieden. Daaronder wordt mede verstaan het verlenen van zorg die in ieder geval veilig is. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden toegepast onder toepassing van de criteria en procedures van de wet. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een psychische stoornis. De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie). Er moet sprake zijn van ernstig nadeel, bijvoorbeeld een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel.
Ook mogen er geen minder ingrijpende alternatieven (proportionaliteit) of vrijwillige alternatieven zijn waardoor geen of minder dwang kan worden toegepast (subsidiariteit), en moet de veiligheid geborgd zijn.
Op grond van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is gebruik van een valhelm (of een schuimhelm) bij een tbs-gestelde of een gedetineerde alleen toegestaan als dat noodzakelijk is ter afwending van een ernstig gevaar voor de eigen gezondheid of voor de veiligheid van anderen. Voor de toepassing en voor het middel zelf (de helm) zijn eisen uitgewerkt in lagere regelgeving.2 In de lagere regelgeving over de toepassing mechanische middelen wordt benoemd dat dergelijke mechanische middelen alleen kunnen worden toegepast wanneer dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is en dat respect voor de menselijke waardigheid niet uit het oog mag worden verloren. Voorafgaand aan de toepassing van mechanische middelen dient te worden bezien of kan worden voorkomen dat de verpleegde of gedetineerde wordt belemmerd in de zelfstandige uitvoering van lichaamsfuncties, zoals eten en drinken.
Als de cliënt, betrokkene, verpleegde of gedetineerde zich verzet tegen het dragen van een helm, bijvoorbeeld omdat hij in zijn bewegen wordt beperkt of het niet prettig vindt, betreft dit het verlenen van gedwongen zorg. Deze zorgvorm kan, afhankelijk van het geval, worden geduid als een beperking van de bewegingsvrijheid of de vrijheid om het eigen leven in te richten. De wettelijk verplichte procedures voor gedwongen zorg op grond van bovengenoemde wetten moeten dan eerst worden doorlopen. In het geval van de Wvggz moet een zorgmachtiging bij de rechter worden aangevraagd en in het geval van de Wzd moet het verplichte stappenplan worden gevolgd. Personen die forensische zorg ontvangen in een Wvggz- of Wzd-accommodatie vallen onder het regime waaronder zij zijn opgenomen.
Het toezicht op de toepassing van mechanische middelen onder de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt onder meer uitgeoefend door de Commissie van Toezicht, een bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen vanwege de afhankelijke positie van justitiabelen.3 Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg in justitiële inrichtingen en ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid toe op veilige en verantwoorde sanctietoepassing. In de praktijk trekken deze inspecties regelmatig gezamenlijk op. De IGJ houdt bovendien toezicht op de naleving van de Wvggz en de Wzd en ziet daarbij ook toe op de veiligheid van de cliënten en betrokkenen.
Vilans heeft voor de Wzd sinds 2020 programma’s ontwikkeld die bijdragen aan meer bewustwording en kennisvergroting ten aanzien van gedwongen zorg4. Voor de Wvggz hebben verschillende scholingen en symposia over gedwongen zorg plaatsgevonden en is de Coalitie Voorkomen Verplichte Zorg actief, ondersteund door Akwa GGZ en de Nederlandse GGZ.
Bovendien wordt gewerkt aan multidisciplinaire richtlijnen voor de Wvggz en Wzd, waar ook de patiënten- en cliëntenvertegenwoordiging bij wordt betrokken. Het veld ontplooit diverse activiteiten die zien op kennisvergroting en voorlichting. Vanzelfsprekend maakt de Wvggz onderdeel uit van de opleiding tot psychiater, zowel in het verplichte onderwijs als in diverse cursussen. Daarnaast zijn verschillende scholingen en e-learnings beschikbaar en worden regelmatig symposia georganiseerd.
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
De bovengenoemde wetgeving gaat over beslissingen per individu: de inzet van een hulpmiddel is dan ook per betrokkene of cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. De hulpmiddelenwijzer5 kan behulpzaam zijn voor zorgverleners. De hulpmiddelen kunnen zowel in een instelling als in een ambulante setting worden ingezet.
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Omdat gedwongen zorg een inbreuk maakt op grondrechten van de betrokkenen en cliënten zijn de internationale en Europese verdragen op het gebied van mensenrechten van groot belang.
In het kader van gedwongen zorgverlening zijn de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 17 van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag Handicap het meest relevant. Zo bevat artikel 5 van het EVRM een regeling over vrijheidsontneming en heeft eenieder op grond van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 IVBPR het recht op respect voor zijn privéleven. Een beperking van grondrechten moet gelegitimeerd zijn door een wet in formele zin en voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wvggz, de Wzd, de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de grondwettelijke en verdragsrechtelijke eisen.
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
De Wvggz en de Wzd kunnen ook van toepassing zijn bij jeugdigen. Op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kunnen in uitzonderlijke gevallen, met voldoende waarborgen omkleed, mechanische middelen zoals een valhelm of schuimhelm worden toegepast wanneer deze vrijheidsbeperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige.
In de gesloten jeugdhulp mag op grond van de Jeugdwet de bewegingsvrijheid van jeugdigen worden beperkt. Echter, alleen de in de Jeugdwet genoemde maatregelen mogen daarbij worden toegepast. Het gebruik van hulpmiddelen zoals deze specifieke helm is niet toegestaan.
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Gedwongen zorg grijpt diep in op de persoonlijke integriteit van mensen die ermee te maken krijgen. Besluiten tot inzet hiervan worden niet lichtvaardig genomen. Gezien de kwetsbare situatie van mensen die hiermee te maken krijgen, zijn controlemechanismen van groot belang om hier zicht op te houden. De Wvggz en de Wzd zijn erop gericht om te bewerkstelligen dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel wordt ingezet. De rechtsbescherming in beide wetten is met name vormgegeven door strikte procedures over de besluitvorming, evaluatie en beëindiging van gedwongen zorg zoals beschreven bij antwoord 2, de bijstand van een advocaat en een vertrouwenspersoon en door de mogelijkheid om over de toepassing van gedwongen zorg een klacht in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. Daarnaast ziet de IGJ toe op de naleving van deze wetten.
Voorafgaand aan het nemen van een beslissing over de toepassing van mechanische middelen wordt de verpleegde of de gedetineerde in beginsel in de gelegenheid gesteld om in voor hem begrijpelijke taal te worden gehoord.6 Indien wordt besloten tijdens de separatie mechanische middelen in te zetten, worden de Commissie van Toezicht en de dienstdoende arts binnen de kliniek of inrichting daarvan onverwijld in kennis gesteld. Daarnaast kan de justitiabele op grond van de wet tegen de beslissing in beklag gaan, al dan niet vergezeld van een verzoek tot schorsing, bij de beklagcommissie. Ook staat beroep open bij de Afdeling rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.7
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Ja, personeelstekort mag geen reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Gedwongen zorg kan alleen als uiterst middel en nooit zonder zorgvuldige besluitvormingsprocedure toegepast worden bij een betrokkene of cliënt. Integendeel, dergelijke maatregelen vragen soms juist extra capaciteit vanwege de vaak intensievere zorg voor de betreffende persoon en voortdurende beoordeling of de maatregel al dan niet moet worden voortgezet.
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
De inzet van hulpmiddelen in de zorg wordt door zorgverleners conform de geldende wet- en regelgeving en richtlijn(en) gedaan. Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand der wetenschap en praktijk en worden in multidisciplinair verband gemaakt. Specifieke onderzoeken naar de inzet van de helm met slot zijn de ministeries van VWS en J&V niet bekend.
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Dergelijke onderzoeken zijn bij de ministeries van VWS en J&V niet bekend. Er is geen aanleiding om met onmiddellijke ingang de productie en het gebruik van hulpmiddelen te verbieden. Er zijn situaties waarin gedrag dat voortkomt uit een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening kan leiden tot ernstig nadeel voor een persoon zelf of anderen. Dan is het nodig om een handelingsperspectief te hebben. Ernstig nadeel betekent kort gezegd dat er een aanzienlijk risico bestaat dat iemand zichzelf of anderen schade toebrengt. Gedwongen zorg kan worden overwogen als iemands gedrag leidt tot ernstig nadeel en als dat gedrag een gevolg is van een psychiatrische of psychogeriatrische stoornis of een verstandelijke beperking. Die gedwongen zorg, zoals het gebruik van een helm, kan uitsluitend als uiterste middel worden verleend als het gebruik ervan noodzakelijk, geschikt en proportioneel is, en er geen vrijwillige alternatieven zijn en dan zo kort en minst ingrijpend mogelijk.
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Indien het om een medisch hulpmiddel gaat, dan moet dit voldoen aan de Medical Device Regulation (MDR) om op de Europese markt te worden toegelaten. De MDR stelt eisen aan de veiligheid, prestaties en klinische onderbouwing van medische hulpmiddelen. Hierin wordt gewerkt met een risico gebaseerd systeem: hoe hoger het risico voor de patiënt, hoe strenger de eisen. Hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen (klasse I, IIa, IIb en III). Het is aan een fabrikant om te bepalen of zijn product een medisch hulpmiddel is. Als dat het geval is, worden de hulpmiddelen (uitgezonderd risicoklasse I) getoetst door een certificerende instantie in Europa: een «notified body». Bij een positieve beoordeling kan de CE-markering worden aangebracht, waarmee het hulpmiddel rechtmatig op de Europese markt kan worden gebracht. De IGJ is in Nederland toezichthouder op deze wet- en regelgeving.
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Zoals aangegeven in vraag 11 mogen medische hulpmiddelen op de markt worden gebracht als zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Gesteld kan worden dat de tekst op de betreffende website zorgvuldiger kan. Zoals voorgaand in de antwoorden is aangegeven kan gedwongen zorg en de inzet van hulpmiddelen niet zomaar plaatsvinden, daar gelden zorgvuldige besluitvormingsprocedures voor om zodoende de rechtspositie van betrokkenen en cliënten te waarborgen.
Het bericht 'Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: ’Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: «Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schokkend en zeer zorgelijk is dat 1 op de 6 jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden heeft gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld?
Ja, het is zeer zorgelijk dat jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden hebben gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld. Dit wijst op een ernstige maatschappelijke problematiek.
Wat is uw reactie op de constatering dat die beelden doorgaans ongewild via advertenties op pornowebsites verschijnen of via doorkliklinks op sociale media te zien zijn?
Het is verwerpelijk dat dit soort beelden rondgaan. Dit soort beelden is schokkend en laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. Ik kan mij ook voorstellen dat kijkers die hiermee worden geconfronteerd hier last van kunnen hebben. Dat beelden van seksueel misbruik van minderjarigen op deze wijze onder de aandacht worden gebracht, vergroot het bereik en daarmee de impact op slachtoffers aanzienlijk. Dit kan leiden tot hernieuwde confrontatie en extra leed bij betrokkenen. Zoals ik al eerder heb aangegeven is de verspreiding van dergelijk beeldmateriaal onaanvaardbaar. Online platforms en advertentieaanbieders dragen een eigen verantwoordelijkheid om misbruik van hun diensten te voorkomen en snel en effectief op te treden wanneer dergelijke content wordt aangetroffen. Van hen wordt verwacht dat zij doeltreffende maatregelen nemen om de verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te stoppen, content snel te verwijderen en herplaatsing te voorkomen.
Daarnaast richt ik mij op samenwerking met opsporingsdiensten en toezichthouders, en heeft het kabinet aandacht voor preventie en bewustwording. Het ongevraagd en zonder toestemming verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is strafbaar, en waar mogelijk wordt daartegen opgetreden.
Is dit naar uw oordeel in strijd met de zorgplicht die op grond van nationale en Europese wetgeving op deze platforms rust?
Mogelijk wordt gedoeld op de zorgvuldigheidsverplichtingen die gelden voor online platforms op grond van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Op grond van de DSA zijn online platforms onder meer verplicht om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat minderjarigen worden beschermd tegen inhoud voor volwassenen.
Het is aan de toezichthouder om te beoordelen of aan deze verplichtingen wordt voldaan. Vanaf 4 februari 2025 zijn in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) de bevoegde toezichthouders voor de naleving van in Nederland gevestigde aanbieders.
Op de zogenaamde «zeer grote online platforms» rust verder de verplichting om eventuele systeemrisico’s bestaande uit, onder meer, negatieve effecten op het mentale en fysieke welzijn van gebruikers, te beoordelen en te beperken. De Europese Commissie houdt toezicht op naleving van de DSA op de zeer grote platforms en zoekmachines. In dat kader is relevant dat de Europese Commissie onderzoeken is gestart naar Pornhub, XNXX en XVideos om te beoordelen of zij voldoen aan hun verplichtingen uit de DSA.
Bent u van mening dat jongeren die ongewild te maken krijgen met dergelijke beelden weten waar zij terecht kunnen voor hulp en acht u de huidige informatievoorziening hierover voldoende?
Wanneer jongeren (ongewild) te maken krijgen met beeldmateriaal van online seksueel (kinder)misbruik kunnen zij zowel melding als aangifte doen bij de politie. De politie vraagt daarbij of er bezwaar is tegen het doorgeven van de gegevens aan Slachtofferhulp Nederland. Als er geen bezwaar is, worden de gegevens automatisch doorgestuurd en worden slachtoffers actief benaderd door Slachtofferhulp Nederland. Zo kunnen slachtoffers snel en kosteloos emotionele steun, juridisch advies en/of praktische hulp ontvangen.
Daarnaast staat er op de websites van Slachtofferwijzer en het Netwerk Mediawijsheid toegankelijke informatie over veilig en slim gebruik van digitale media, slachtofferschap en hulporganisaties. Hier wordt onder andere verwezen naar de kosteloze en anonieme hulplijnen van het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG), waar iedereen met een vervelende seksuele ervaring terecht kan, en van Offlimits, die slachtoffers ondersteunt bij het doen van een melding van illegale content en het doen van aangifte. Door het laagdrempelig aanbieden van informatie weten zowel slachtoffers als professionals en ouders waar ze terecht kunnen.
Voor wat betreft de bekendheid met hulpverleningsinstanties kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat er een stijging te zien is in het aantal meldingen van en hulpvragen over (online) seksueel (kinder)misbruik. Dit blijkt uit zowel cijfers van Slachtofferhulp Nederland als uit de Monitor seksueel geweld tegen kinderen 2020–2024 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen kinderen. De Nationaal Rapporteur rapporteert o.a. over cijfers van de politie, het CSG en Offlimits. Volgens de Nationaal Rapporteur lijkt de toegenomen maatschappelijke aandacht onder andere bij te dragen aan de bekendheid van hulporganisaties.2
Deelt u de zorg dat blootstelling aan dergelijk beeldmateriaal kan leiden tot psychologische impact of vervormde beeldvorming over seksualiteit en relaties bij jongeren?
Ik deel de zorg dat blootstelling aan strafbare of gewelddadige pornobeelden grote gevolgen kan hebben voor de geestelijke gezondheid van jongeren. Dit kan leiden tot desensibilisatie waarbij jongeren minder gevoelig worden voor geweld en onethisch gedrag. Daarnaast kan het hun zelfbeeld verstoren en onrealistische verwachtingen geven over seksualiteit en relaties. Bovendien kan de normalisering van geweld ertoe leiden dat jongeren dit gedrag gaan accepteren als normaal. Het is cruciaal dat we als samenleving jongeren beschermen tegen de schadelijke gevolgen van dit soort beelden en hen voorzien van de tools die ze nodig hebben om gezonde relaties te vormen.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren toegang krijgen tot strafbare of gewelddadige pornografie via online platforms?
Er zijn verschillende verplichtingen en maatregelen die een rol spelen in het tegengaan van toegang van jongeren tot illegale online content. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft daar recent richtsnoeren over gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november jl. over geïnformeerd.3 Uit de richtsnoeren blijkt onder meer dat de risico’s van pornoplatforms zodanig zijn dat zij de leeftijd van bezoekers moeten verifiëren. In dit kader wordt ook gewezen op de onderzoeken van de Europese Commissie naar Pornhub, XNXX en Xvideos.4 Aangewezen zeer grote online platforms dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s (overigens ook de kansen) van een digitale dienst in kaart te brengen. Daarnaast is Offlimits een organisatie waar online illegale content kan worden gemeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de ACM aangewezen als trusted flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms. Het platform dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform haar verplichtingen onder de DSA niet naleeft, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van zeer grote platforms de Europese Commissie kan ingrijpen. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet.
Tenslotte schrijft de Richtlijn audiovisuele mediadiensten (hierna: AVMSD) maatregelen voor op het gebied van de bescherming van minderjarigen. Voor content met pornografie of nodeloos geweld moeten de zwaarste maatregelen worden getroffen. Lidstaten zorgen ervoor dat de videoplatforms die onder hun jurisdictie vallen passende maatregelen treffen ter bescherming van minderjarigen. De AVMSD is uitgewerkt in de Mediawet 2008. Videoplatformdiensten (platformdiensten die video’s aanbieden bestemd voor algemeen publiek) die in Nederland zijn gevestigd dienen een gedragscode te hanteren. Voor in Nederland gevestigde aanbieders van mediadiensten, zoals omroepen of video-uploaders, zijn de regels van het Kijkwijzer-systeem van NICAM5 van toepassing.
Welke concrete stappen gaat u, naast het bestaande beleid, nemen richting grote sociale mediaplatforms die hun verantwoordelijkheid niet nemen, om ervoor te zorgen dat dergelijke beelden niet blijven circuleren?
Op de naleving van de DSA door sociale mediaplatforms wordt toezicht gehouden door de ACM. De Europese Commissie houdt primair toezicht op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines. Als de Europese Commissie concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de Europese Commissie bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X. Ik blijf vanzelfsprekend mijn steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de Europese Commissie.
Tevens zet Nederland zich in voor aanvullende EU-wetgeving tegen de verspreiding van online seksueel kindermisbruik in de onderhandelingen van de verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik (de CSAM-verordening). De voorgenomen EU-Verordening bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In hoeverre kunnen pornoplatforms en sociale-mediabedrijven strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer zij onvoldoende optreden tegen strafbare content die op hun platform wordt verspreid en acht u dit instrumentarium voldoende toereikend?
Waar het gaat om kinderpornografisch materiaal is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken.
Aanbieders van hostingdiensten die geen opvolging geven aan een verwijderingsbevel van de ATKM, kunnen strafrechtelijk vervolgd worden. De ATKM onderhoudt mede om die reden nauw contact met het Openbaar Ministerie.
Als pornoplatforms of sociale media weten dat er via hun diensten strafbare content wordt verspreid en daar niet tegen optreden dan kunnen ze zelf aansprakelijk worden gesteld voor die strafbare content. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De officier van justitie kan in geval van een verdenking van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waaronder het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
De DSA verplicht onder meer online platforms om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Kennis van illegale content kan bijvoorbeeld ontstaan door een melding van illegale content. Online platforms moeten op grond van de DSA bovendien maatregelen nemen om minderjarigen te beschermen. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen door zeer grote online platforms en zoekmachines. Aangezien de DSA nog relatief nieuwe wetgeving betreft, is het raadzaam om deze de benodigde tijd te geven om zich volledig te ontwikkelen.
De AVMSD kent regels voor videoplatformdiensten, die in Nederland zijn uitgewerkt in de Mediawet 2008 voor in Nederland gevestigde videoplatformdiensten. Zij moeten een gedragscode opstellen en naleven, waaronder ook wordt ingegaan op de bescherming van minderjarigen. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de totstandkoming, inhoud en toepassing van deze gedragscode van de videoplatformdiensten onder Nederlandse jurisdictie.
Volgens de MAVISE-database van het Europees Audiovisueel Observatorium staan er geen pornografische videoplatforms onder Nederlandse jurisdictie.6
Bent u bereid om te onderzoeken of aan platforms een actieve en afdwingbare zorgplicht opgelegd kan worden om strafbare pornografische content te detecteren en te verwijderen, in plaats van alleen te reageren op meldingen?
Een afdwingbare zorgplicht om dergelijke content te detecteren en verwijderen betekent in de praktijk dat een online platform alle content op het platform zal gaan scannen en desnoods (uit voorzorg) verwijderen. Zo’n algemene monitoringsverplichting is op grond van artikel 8 DSA niet toegestaan. Het verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting online te beschermen. Indien platforms aansprakelijk kunnen worden gesteld of kunnen worden vervolgd dan zullen ze uit voorzorg waarschijnlijk meer informatie verwijderen dan noodzakelijk.
Heeft u inzicht in de gemiddelde doorlooptijd van verwijderverzoeken aan de sociale mediaplatforms van strafbare en gewelddadige beelden en zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
De ATKM en Offlimits hebben ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid beide tot doel de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te bestrijden. Offlimits richt haar verwijderverzoeken voornamelijk tot aanbieders van hostingdiensten. De ATKM richt haar verwijderbevelen tot aanbieders van hosting- of communicatiediensten.
In Nederland is, via de Gedragscode Notice-and-Take-Down, de afspraak gemaakt met de hostingsector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24-uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken van Offlimits en wordt strafbaar materiaal offline gehaald. Wanneer er sprake is van een hoster die structureel niet of te laat reageert, kan de ATKM bestuursrechtelijk optreden tegen deze weigerende partijen.
Op 7 april 2025 is de ATKM gestart met het uitvaardigen van verwijderbevelen ten aanzien van materiaal van seksueel kindermisbruik. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Artikel 15 van de DSA verplicht daarnaast aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in de mediane tijd die nodig is om actie te ondernemen in geval van bevelen vanuit autoriteiten of meldingen van trusted flaggers.
Op welke manier worden kwetsbare vrouwen beschermd tegen uitbuiting, illegale prostitutie en andere seksuele misdrijven binnen de porno-industrie en acht u deze bescherming in de praktijk voldoende?
Als dergelijke misstanden zich voordoen, beschouw ik dat als onacceptabel. Het is belangrijk dat slachtoffers zich melden bij de politie wanneer zij misstanden waarnemen of zelf slachtoffer worden. In zulke gevallen kan de overheid op basis van deze meldingen effectief optreden. Elk signaal van mensenhandel wordt door de opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie opgepakt, overeenkomstig de aanwijzing van het OM over mensenhandel. Daarnaast is mensenhandel voor de periode 2023–2026 een van de belangrijke thema's in de Veiligheidsagenda, waaruit landelijke beleidsdoelstellingen voor de politietaken zijn afgeleid. Het heeft op deze manier hoge prioriteit. Verder is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven in werking getreden, wat de strafrechtelijke bescherming van de slachtoffers van seksuele misdrijven versterkt.
Tenslotte is bescherming en hulp van porno-acteurs onderdeel van lopend WODC-onderzoek (zie vraag 15), waarbij onder andere in kaart wordt gebracht of en zo ja, op welke wijze de pornosector (en betrokken organisaties) de veiligheid van de acteurs waarborgen en garanderen.
Welke rol speelt de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal bij de aanpak van deze problematiek?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar mijn antwoorden op vragen 9 en 11.
Bent u bekend met de schriftelijke vragen over misstanden in de porno-industrie en de motie-Krul over het starten van een WODC-onderzoek naar misstanden in de porno-industrie?2, 3
Ik ben hiermee bekend.
Wat is de stand van zaken van dit WODC-onderzoek en wanneer wordt het onderzoek afgerond?
Tijdens het commissiedebat mensenhandel en prostitutie van 11 september 2024 heb ik toegezegd om het WODC te vragen een onderzoek uit te voeren naar de Nederlandse porno-industrie. Op dit moment voert het Verwey-Jonker Instituut – in opdracht van het WODC en op aanvraag van het Ministerie van Justitie en Veiligheid – onderzoek uit. Dit onderzoek beoogt inzicht te krijgen in de Nederlandse pornosector en mogelijke misstanden. Er wordt onderzoek gedaan naar het bestaan van mogelijke misstanden in brede zin, waarbij de focus niet enkel ligt op strafbare feiten.
De onderzoekers zijn reeds gestart met het onderzoek en de eerste bijeenkomsten van de begeleidingscommissie hebben plaatsgevonden. De volgende bijeenkomst van de begeleidingscommissie staat gepland in het voorjaar van 2026. Het onderzoek zal naar verwachting een jaar in beslag nemen en einde 2026 afgerond zijn. Bij ontwikkelingen ten aanzien van dit tijdspad zal de Kamer, waar nodig, op de hoogte worden gehouden.
Deelt u de mening dat er wel degelijk aanleiding is om te vermoeden dat misstanden plaatsvinden in de Nederlandse porno-industrie, terwijl u dit eerder niet aannemelijk achtte op basis van een korte en beperkte verkenning?
In 2023 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning gedaan naar misstanden binnen de Nederlandse pornosector. De aanleiding hiervan was een rapport van de Franse Senaat over misstanden in de Franse pornosector en de vraag of in Nederland soortgelijke misstanden bekend zijn. Met misstanden werd in het kader van de uitgevoerde verkenning bedoeld, het bestaan van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. De vraag naar misstanden is toentertijd breed uitgezet bij de politie, het Openbaar Ministerie, de Nederlandse Arbeidsinspectie, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha), de zestien regionale centra voor seksueel geweld (CSG’s), Fier, SOA Aids Nederland en andere partijen binnen de Sekswerk Alliantie Destigmatisering. Na raadpleging van de politie, het openbaar ministerie en de Arbeidsinspectie is destijds niet gebleken van enige signalen van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. Dat bij producties binnen de porno-industrie (toentertijd) geen misstanden bij de bevraagde instanties bekend waren, betekent niet dat deze er niet zijn. Wel dat deze destijds niet bekend waren bij organisaties die over een goede informatiepositie beschikken over seksuele misdrijven, ook ten aanzien van specifieke sectoren, en mensenhandel.
In de zomer van 2024 publiceerde de Volkskrant een artikel over een Nederlandse man die vrouwen vanuit Oost-Europa naar Nederland lokte om modellenwerk te doen, maar hen vervolgens dwong om mee te werken aan pornofilms. Naar aanleiding van dit artikel ontstonden (wederom) zorgen. In hoeverre sprake is van misstanden en zo ja, wat voor misstanden dit zijn, zal moeten blijken uit het onderzoek van het WODC.
Zijn er inmiddels signalen bij u, hulpverleningsinstanties of de Arbeidsinspectie bekend van mogelijke misstanden in de porno-industrie, zoals mogelijke mensenhandel of seksuele uitbuiting? En zo ja, hoe worden deze opgevolgd?
Het kabinet blijft alert op signalen van mensenhandel en seksuele uitbuiting, ongeacht de sector waarin deze zich voordoen. Signalen worden opgepakt door de daartoe bevoegde instanties en waar sprake is van strafbare feiten wordt opgetreden. Tevens wordt ingezet op vroegsignalering, samenwerking tussen ketenpartners en adequate ondersteuning van mogelijke slachtoffers.
Op de vraag of bij hulpverleningsinstanties signalen bekend zijn heeft het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha) aangegeven dat uit hun cijfers geen blijk is van deze signalen en dat dit is bevestigd nadat zij dit hadden uitgevraagd bij het Strategisch Overleg Mensenhandel (hierna: SOM). De Arbeidsinspectie heeft geen rol in de aanpak van (mensenhandel gerelateerd aan) seksuele uitbuiting. Een interne uitvraag op de zoektermen «porno» of «porno-industrie» op de bij de Arbeidsinspectie binnengekomen meldingen heeft geen hits opgeleverd. Wel heeft de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie in juni vorig jaar, op verzoek van Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM), collegiaal meegedacht over een melding die zag op activiteiten binnen in de porno-industrie. In dat kader zijn relevante gegevens gedeeld met AVIM, waarna AVIM de verdere behandeling van de zaak op zich heeft genomen. De melding was afkomstig uit het buitenland en in overleg met het OM is besloten om een rechtshulpverzoek op te stellen, om meer informatie over de melding te kunnen verzamelen. De politie is nog in afwachting van de behandeling van dit rechtshulpverzoek. Het onderzoek naar deze melding loopt dus nog.