Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten |
|
Sarath Hamstra (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre gaat u de regels voor de «Buy now pay later»-bedrijven aanscherpen in het kader van consumentenbescherming?1
Buy Now, Pay Later (hierna: BNPL) is een krediet in de vorm van uitgestelde betaling. Deze kredietvorm is onder de Herziene richtlijn consumentenkrediet (de Consumer Credit Directive II, hierna: de CCDII) niet langer uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn. Deze richtlijn wordt momenteel in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd, waarna de regels vanaf november van dit jaar van toepassing moeten zijn.
Zodra de nieuwe regels gelden, worden BNPL-aanbieders verplicht om een vergunning aan te vragen bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor het aanbieden van krediet. Naast de vergunningplicht worden de aanbieders onder meer verplicht om in alle gevallen een kredietwaardigheidstoets uit te voeren en krediet onder voorwaarden te registreren bij Bureau Krediet Registratie (BKR). Ook gaan er extra regels gelden over reclame en verplichte precontractuele informatie. BNPL-aanbieders zullen daarnaast consumenten die financiële problemen ondervinden moeten doorverwijzen naar schuldadviesdiensten (in de praktijk zal dit de schuldhulpverlening bij de gemeente zijn waar de consument woont). Tevens moeten kredietaanbieders, en vanaf november 2026 dus ook BNPL-aanbieders, waar passend zogenoemde respijtmaatregelen nemen voordat zij overgaan tot incasso of invordering van de schuld, zoals een betaalpauze of gedeeltelijke kwijtschelding.2 Hierbij dient rekening te worden gehouden met de omstandigheden van de consument. De kosten die een BNPL-aanbieder in rekening mag brengen, waaronder incassokosten, worden gemaximeerd. Ten slotte mag BNPL niet worden verstrekt aan minderjarigen.
Een concept van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet is op dit moment voor advies aanhangig bij de Raad van State. Het Implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet wordt van 22 december 2025 tot 2 februari 2026 publiek geconsulteerd. Het streven is om het wetsvoorstel begin april bij uw Kamer in te dienen.
Klopt het dat hierbij geen rekening gehouden wordt met de praktijk van het doorverkopen van openstaande facturen en het nieuwe risico dat vervolgens ontstaat in het kader van consumentenbescherming?
Dat klopt niet. Indien de BNPL-aanbieder bij uitblijvende betaling ervoor kiest om een vordering op een consument over te dragen aan een andere partij (ook wel «cessie» genoemd), dan dient de consument daarvan op de hoogte te worden gesteld. Op grond van artikel 7:69 lid 1 BW kan de consument tegenover de nieuwe schuldeiser alle rechten en verweren inroepen die hij ook tegenover de oorspronkelijke kredietgever had. Ook als de overeenkomst wordt overgedragen, blijft er sprake van een kredietovereenkomst, waarvoor de wettelijke voorschriften gaan gelden zoals beschreven in het antwoord op vraag 1. Dit betekent bijvoorbeeld dat een nieuwe schuldeiser geen incassokosten in rekening mag brengen voor zover deze niet zijn toegelaten op grond van het Besluit kredietvergoeding en waar nodig en passend respijtmaatregelen moet nemen.
Als sluitstuk van de bescherming voor de consument kent de Wet kwaliteit incassodienstverlening (hierna Wki) een aantal verplichtingen voor de incassodienstverlener en rechten voor de schuldenaar. Een voorbeeld is het recht op een correcte en professionele behandeling door een geregistreerde incassodienstverlener. Dat geldt ook voor de incassodienstverleners die dat doen nadat de vordering aan hen is overgedragen.3
Waarom is hier niet integraal voor oplossingen gekozen, maar enkel voor het stukje dat de betaaldiensten direct raakt?
Zoals in mijn vorige antwoord aangegeven, kunnen consumenten tegen een nieuwe schuldeiser (aan wie een vordering is overgedragen) alle verweren inroepen die zij ook hadden tegen de oorspronkelijke kredietgever.
Daarnaast wordt uitwerking gegeven aan de aanpak van het civiele invorderingsstelsel.4 Er wordt gewerkt aan structurele maatregelen om kostenoploop, onwenselijke verdienprikkels en escalatie in incassotrajecten tegen te gaan. Deze maatregelen richten zich op de fase na het ontstaan van schulden, ook wanneer deze zijn doorverkocht.
Ik acht het van belang dat beide trajecten elkaar aanvullen: waar het Europese spoor ziet op verantwoord kredietgebruik en consumentenbescherming, richt de nationale herziening van het civiele invorderingsstelsel zich op het beperken van kostenoploop en het wegnemen van onwenselijke prikkels in het gehele civiele invorderingsproces. Samen moeten deze trajecten leiden tot een evenwichtiger en meer consumentvriendelijk stelsel.
Herkent u de strategie van bedrijven als Alektum, namelijk zo veel mogelijk niet-betalende klanten opzadelen met juridische procedures nadat hun facturen vermeerderd zijn met rente en incassokosten? Oftewel: hoe meer bulk het bedrijf verstuurt, hoe groter de kans dat er wel iemand betaalt?
Ik heb kennisgenomen van het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Bent u bekend met de grote hoeveelheid zaken die Alektum aanhangig heeft gemaakt enerzijds versus de uitspraken die een aaneenschakeling tonen van fouten, slordigheden en zelfs misbruik van procesrecht en het feit dat Alektum opvallend vaak juridische procedures verliest anderzijds?
Ja, ik ben daarmee bekend. Voor een nadere toelichting naar de mogelijkheden van de rechter om in te grijpen als er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ceder (ChristenUnie) over hetzelfde bericht die heden door mij naar uw Kamer zijn gestuurd.
Alektum is lid van de Nederlandse Vereniging van gecertificeerde incasso-ondernemingen (NVI) en draagt ook dat kwaliteitskeurmerk. Wat gaat de NVI doen met deze signalen en wanneer is «de maat vol» en wordt een keurmerk ingetrokken zodat een keurmerk ook waarde blijft houden?
De Nederlandse Vereniging van gecertificeerde Incasso-ondernemingen (hierna: NVI) is een brancheorganisatie die zelf verantwoordelijk is voor het toezicht op en de handhaving van de eigen gedragsregels en het bijbehorende keurmerk. Het gaat hier om een privaat kwaliteitskeurmerk waarbij de overheid niet betrokken is. Het is aan de NVI zelf om naar aanleiding van signalen over het handelen van een aangesloten partij in te grijpen conform het eigen kader. Wanneer iemand niet tevreden is met de afhandeling van de klacht door het incassobureau kan die deze voorleggen aan het Kifid.
Wie controleert of de NVI kritisch genoeg is richting haar deelnemers?
Het NVI-keurmerk is een vorm van zelfregulering, daarom is het aan de NVI zelf om de kwaliteit en de handhaving van dat keurmerk te borgen.
Hoe kijkt u naar het verbieden van het gebruikmaken door betaaldiensten van incassobedrijven die dit keurmerk niet hebben?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om een verbod in te stellen dat betaaldiensten zou beperken in hun keuze van incassodienstverleners op basis van het wel of niet bezitten van een privaat keurmerk. Sinds 1 april 2024 is de incassosector gereguleerd met de Wki. Alle partijen die onder de reikwijdte van de Wki vallen, dienen te voldoen aan dit wettelijke kader. Wanneer partijen zich niet houden aan de registratieplicht van de Wki is er onder andere sprake van een economisch delict waar tegen opgetreden kan worden. Voor een verdere uitleg verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen van het lid Ceder over hetzelfde bericht, die heden door mij naar uw Kamer zijn gestuurd.
De financiële dekking van fossiele subsidies en mogelijke klimaatrechtszaken uit het Klimaatfonds |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Argos-fragment van 6 december 2025 en het Argos-artikel van 24 oktober 2025 over het aanwenden van het Klimaatfonds voor fossiele subsidies en mogelijke dwangsommen uit klimaatzaken?1, 2
Ja.
Hoe kijkt u naar de juridische afdwingbaarheid van het klimaatdoel in 2030? Voorziet u mogelijke rechtszaken?
Het nationale 2030-doel van de Klimaatwet is niet rechtstreeks juridisch afdwingbaar. De Klimaatwet waarborgt politieke controle op de voortgang van het klimaatbeleid. Dit betekent dat het kabinet zich moet inspannen om de doelen uit de Klimaatwet te halen en het parlement het kabinet daarop kan aanspreken.
Op grond van rechtsbronnen, zoals het Unierecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), gelden klimaatverplichtingen waarover een rechter uitspraken kan doen. Dit gebeurde onder meer in het Urgenda-arrest.
In hoeverre worden noodmaatregelen in kaart gebracht en overwogen, voor het geval dat de rechterlijke macht oordeelt dat het huidige maatregelenpakket niet voldoende is om de klimaatdoelen te bereiken? Als dit het geval is, kunt u deze analyses met de Kamer delen?
In het recent verschenen rapport «Routes naar Realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie» zijn opties in kaart gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstelling in 2030, die variëren in mate van impact. Dit rapport is op 2 december 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.3
In hoeverre is overwogen om middelen uit het Klimaatfonds aan te wenden voor het betalen van dwangsommen die volgen uit mogelijke klimaatzaken?
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om middelen uit het Klimaat- en energiefonds4 in te zetten voor het betalen van dwangsommen. De middelen uit het Klimaat- en energiefonds zijn op grond van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds bestemd voor maatregelen die bijdragen aan emissiereductie en aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening en samenleving. Het betalen van dwangsommen valt niet binnen dit doel. Bovendien zijn de middelen binnen het Klimaatfonds op dit moment vrijwel volledig bestemd voor klimaatmaatregelen via reserveringen en toekenningen onder voorwaarden, waardoor betaling van dwangsommen uit het Klimaatfonds ten koste zou gaan van emissiereductie die door deze maatregelen in 2030 zou worden gerealiseerd. Ten aanzien van toekomstige besteding uit het Klimaat- en energiefonds geldt in algemene zin dat deze aan een volgend kabinet is en dit kabinet geen toezegging kan doen over hoe zij deze middelen inzetten.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor het betalen van de dwangsommen wegens onvoldoende klimaatbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten welke maatregelen en bedragen er momenteel gereserveerd zijn in het Klimaatfonds voor fossiele subsidies?
Conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds dienen middelen uit het fonds uitgegeven te worden aan additionele maatregelen die bijdragen aan het behalen van de reductiedoelstellingen in de Klimaatwet, de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving en een rechtvaardige klimaattransitie. Dit is ook het uitgangspunt voor het huidige kabinet.
De middelen uit het fonds zijn bedoeld voor maatregelen binnen het klimaat- en energiedomein, waarbij de scope breder is dan puur CO2-reductie. Dit betekent dat niet enkel middelen worden ingezet op emissiereductie, maar ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. Het is belangrijk dat er draagvlak blijft voor klimaat- en energiebeleid en dat burgers en bedrijven niet worden geconfronteerd met (te) hoge energiekosten. Dit remt niet alleen de verduurzaming, bijvoorbeeld middels elektrificatie, maar draagt ook niet bij aan de ervaren rechtvaardigheid van de transitie. Om die reden heeft het kabinet in het voorjaar van 2025 ook middelen uit het Klimaat- en energiefonds beschikbaar gesteld die de energierekening voor huishoudens en bedrijven verlagen en tegelijkertijd een prikkel geven voor elektrificatie. Voor een exact verloop van de toevoegingen, onttrekkingen en uitgaven van het fonds verwijs ik u naar Hoofdstuk 2 van de Meerjarenprogramma’s Klimaatfonds van de afgelopen jaren.
Wat vindt u ervan dat er middelen uit het Klimaatfonds worden besteed aan activiteiten die de energietransitie en daarmee de maatregelen tegen klimaatverandering vertragen of zelfs tenietdoen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is om middelen uit het Klimaatfonds, die zijn bedoeld om broeikasgassen te reduceren en de klimaatdoelen te halen, in te zetten voor het tegenovergestelde (namelijk mogelijke dwangsommen voor het niet halen van de klimaatdoelen en het verstrekken van fossiele subsidies)?
Zie ook de antwoorden op vragen 4 & 5 en 6 & 7.
Het kabinet wil het Klimaat- en energiefonds, conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds, inzetten ten behoeve van de klimaat- en energietransitie.
Zoals ook in eerdere antwoorden aangegeven kijkt het kabinet bij de besteding van middelen uit het fonds niet enkel naar directe reductie van broeikasgasemissie, maar laat het ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. In dit verband wordt ook ingezet op maatregelen die bijdragen aan draagvlak en rechtvaardigheid van het klimaat- en energiebeleid. Het gebruik van middelen uit het Klimaat- een energiefonds die hierop toezien acht het kabinet dan ook gerechtvaardigd. Het kabinet is niet voornemens deze maatregelen te herzien.
Bent u bereid dergelijke maatregelen uit het Klimaatfonds te herzien, met mogelijk als gevolg het schrappen hiervan, om ruimte te maken voor maatregelen ten behoeve van het doel van het Klimaatfonds?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor beleid dat geen CO2 reduceert maar fossiel gebruik juist stimuleert?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van de KGG-begroting begin februari 2026?
Ja.
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van incassobedrijven, zoals Alektum (aan wie BNPL-bedrijf (Buy Now Pay Later) Klarna vorderingen heeft overgedragen), die duizenden rechtszaken aanhangig maken, vaak zonder deugdelijke onderbouwing, niet verschijnen bij de rechtbank en schuldenaren confronteren met torenhoge rente- en incassokosten?1
Ik ben bekend met de beschrijving hierover in het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze in het licht van de beginselen van een behoorlijke procesorde en de bescherming van schuldenaren? In hoeverre is hier volgens u sprake van (structureel) misbruik van procesrecht?
Het is aan de rechter om te beoordelen of er bij de handelwijze van incassobedrijven zoals Alektum sprake is van misbruik van procesrecht. Dit zal per individueel geval door de rechter moeten worden beoordeeld.
Hieronder benoem ik een aantal verschillende (wettelijke) waarborgen in het rechtssysteem die ervoor zorgen dat het incasseren van private vorderingen goed verloopt en er geen misbruik wordt gemaakt van het procesrecht. Deze waarborgen zien zowel op de buitengerechtelijke incassofase als op de gerechtelijke fase.
In het algemeen geldt dat een schuldeiser en schuldenaar zich jegens elkaar dienen te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dat geldt evenzeer voor incassodienstverleners.
Per 1 april 2024 geldt de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Deze stelt eisen aan incassodienstverleners, onder meer voor de communicatie met schuldenaren, de informatie die aan hen moet worden verstrekt, de administratie van dossiers en de deskundigheid van personeel. De Wki is van toepassing op buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die worden verricht bij in Nederland woonachtige natuurlijke personen voor een derde of na overdracht van een vordering. Dit betekent dat wanneer een partij voor of als rechtsopvolger van de (oorspronkelijke) schuldeiser een vordering buitengerechtelijk probeert te incasseren bij een natuurlijk persoon, deze werkzaamheden onder de reikwijdte van de Wki vallen.2 Onder buitengerechtelijke incassowerkzaamheden wordt onder andere verstaan het bellen en/of schriftelijk aanmanen van de schuldenaar, ongeacht of hiervoor bij de schuldenaar kosten in rekening worden gebracht. De Inspectie Justitie en Veiligheid houdt toezicht op naleving van de eisen die de Wki aan deze ondernemingen stelt.
Als een vordering niet buitengerechtelijk wordt voldaan, kan de schuldeiser een gerechtelijke procedure starten. Het uitgangspunt is dat eenieder in beginsel toegang heeft tot de rechter, zolang diegene voldoende belang bij een rechtsvordering heeft.3 Het burgerlijk procesrecht bevat meerdere wettelijke waarborgen die moeten voorkomen dat partijen procederen zonder deugdelijke onderbouwing of wanneer zij daar, gelet op de onevenredigheid tussen de betrokken belangen, in redelijkheid geen belang bij hebben («geen belang, geen actie»). Van misbruik van procesbevoegdheid is niet snel sprake. Het enkele feit dat een vordering weinig kans maakt, levert geen misbruik van procesrecht op. De rechter kan besluiten om een vordering af te wijzen indien wordt geconstateerd dat er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht.4 Hiervan kan sprake zijn als een eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden en hij in redelijkheid niet tot het instellen van de rechtsvordering had kunnen komen.5 De rechter past dit principe terughoudend toe, gelet op het belang van de toegang tot de rechter.
Daarnaast kan de rechter tot het oordeel komen dat er sprake is van rauwelijks dagvaarden. Hierbij wordt een schuldenaar zonder voorafgaande mogelijkheid tot een buitengerechtelijke oplossing gedagvaard. Indien daarvan sprake is, kan dit aanleiding zijn voor een afwijkende proceskostenveroordeling, omdat van een schuldeiser mag worden verwacht dat hij geen onnodige kosten veroorzaakt.
De rechter kan voorts een hardheidsclausule toepassen bijvoorbeeld wanneer enkel wordt geprocedeerd om een executoriale titel te verkrijgen voor het geval een overeengekomen betalingsregeling niet zou worden nagekomen, of wanneer – zoals hiervoor toegelicht – sprake is van rauwelijks dagvaarden.6
Daar komt bij dat rechters in zaken ter bescherming van consumenten ambtshalve toetsen of personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (handelaren) hebben voldaan aan de dwingendrechtelijke verplichtingen van het consumentenrecht. Dit omvat onder meer de toetsing van algemene voorwaarden (oneerlijke bedingen) en de naleving van wettelijke informatieplichten, zoals onder andere de correcte toepassing van de wettelijke incassokosten en de onderbouwing van de gevorderde kosten. Indien deze verplichtingen niet zijn nageleefd, kan de rechter de vordering geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel bestaan om te voorkomen dat incassobureaus op dergelijke wijze misbruik maken van het rechtssysteem?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft u de aangenomen motie Ceder c.s. (Kamerstuk 35 915, nr. 27) afgedaan? Acht u de genomen maatregelen afdoende om het doorverkopen van schulden als verdienmodel te hebben bestreden? Zo nee, welke maatregelen bent u voornemens te nemen en/of te laten onderzoeken?
Schulden mogen geen verdienmodel zijn. Alle stappen binnen de keten zijn opzichzelfstaand gerechtvaardigd, maar kunnen als
optelsom soms tot excessen leiden. In de Kamerbrief Aanpak Civiele invordering Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 798. zijn maatregelen aangekondigd, waaronder het collectief afbetalingsplan, de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders en de herziening van de financierings- en tariefstructuur van gerechtsdeurwaarders. Deze maatregelen zijn erop gericht om de kostenoploop voor de schuldenaar te beperken en onwenselijke verdienprikkels in het invorderingsproces tegen te gaan. In lijn met de toezegging aan uw Kamer is recent de wetsevaluatie van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK) door het WODC gestart.7 De Kamer wordt in de eerste helft van 2026 nader geïnformeerd over de verdere uitwerking van de maatregelen.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 29 maart 20248 uiteen is gezet, is de verkoop en overdracht van vorderingen een gebruikelijke handeling in het handelsverkeer die bijdraagt aan solvabiliteit en liquiditeit van ondernemingen. In die brief is uiteengezet dat de verkoop van vorderingen een breed palet aan varianten omvat en ook veel positieve effecten heeft. Daarbij komt dat de oploop van kosten in het traject van invordering geen verband houdt met de verkoop van de vorderingen, maar met de inning van een vordering. Verdere kostenoploop door invorderingsmaatregelen die niet meer bijdraagt aan het komen tot betaling van de hoofdsom kan leiden tot een ongewenst verdienmodel.9 De maatregelen zijn er dan ook op gericht deze kostenoploop aan te pakken.
Tevens verzocht de motie Ceder c.s. om concrete maatregelen uit te werken waarmee de te vorderen rente bij schulden jegens consumenten wordt gemaximeerd. Dit onderwerp is ook aan de orde gekomen tijdens het Commissiedebat armoede- en schuldenbeleid op 22 mei 2025.10 De voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft aan de Kamer toegezegd om te identificeren of er situaties zijn waarin sprake is van disproportionele renteoploop die in het individuele geval door het wettelijk kader onvoldoende geadresseerd kan worden. Hierbij is specifiek het veld (evenals uw Kamer) uitgenodigd om casuïstiek aan te reiken. Tot dusver zijn er nog geen concrete casussen gemeld.
Bent u bekend met de algemene consumentenvoorwaarden van Klarna, waarin staat dat de vordering van de (web)winkel op de consument wordt overgedragen aan Klarna Bank AB? Deelt u dat een dergelijke overdracht van een vordering valt onder de reikwijdte van artikel 2, sub b, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?2
Ik ben bekend met het feit dat Klarna verschillende sets algemene voorwaarden hanteert voor de uiteenlopende betaalmethoden die zij aanbiedt.12 Een van die betaalmethoden betreft Buy Now Pay Later (hierna: BNPL). Hierbij gaat Klarna als BNPL-aanbieder een kredietovereenkomst aan met de consument én neemt daarbij de vordering over uit de consumentenovereenkomst (een koopovereenkomst of overeenkomst tot het verrichten van diensten) van de handelaar (derde partij) waarmee de consument de consumentenovereenkomst is aangegaan.13
Doordat sprake is van overdracht van een vordering vallen eventuele door Klarna verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die voortvloeien uit BNPL-overeenkomsten onder de reikwijdte van de Wki en rust op Klarna in beginsel een registratieplicht. Klarna staat op het moment dat deze vragen worden beantwoord niet in het register van incassodienstverlening.14 Ik hecht eraan te benadrukken dat het oordeel of het bedrijf voldoet aan de verplichtingen die de Wki stelt bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid ligt en niet bij mij.
De toezichthouder kan op grond van artikel 3 Wki (de registratieplicht) handhavend optreden. Verder is de registratieplicht strafrechtelijk gesanctioneerd in de Wet op de economische delicten.
Bent u van mening dat de activiteiten van Klarna onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening vallen? Zo ja, voldoet het bedrijf, naar uw oordeel, aan de verplichtingen die de wet stelt? Is het juist dat Klarna niet geregistreerd staat in het register van incassodienstverleners?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat Klarna, in het kader van haar BNPL-activiteiten, aan consumenten betalingsherinneringen en aanmaningen verstuurt wanneer facturen onbetaald blijven? Deelt u de opvatting dat het versturen van herinneringen en aanmaningen moet worden aangemerkt als het verrichten van «buitengerechtelijke incassowerkzaamheden» in de zin van artikel 1 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Ja, ik ben bekend met het versturen van dergelijke betalingsherinneringen en aanmaningen. In de door vier BNPL-aanbieders opgestelde Gedragscode BNPL is onder meer afgesproken dat consumenten kosteloos minimaal één betalingsherinnering ontvangen. Zoals in antwoord op vragen 2 en 3 is aangegeven, vallen het opnemen van contact en het sturen van betalingsherinneringen en aanmaningen voor een derde of na overdracht van een vordering onder de Wki.15
Is het correct dat de reikwijdte van de wet gebaseerd is op de feitelijke uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden richting natuurlijke personen, ongeacht door wie deze worden uitgevoerd? Zijn er organisaties uitgezonderd van de reikwijdte van deze wet?
Ja, de Wki heeft betrekking op de uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden met betrekking tot voldoening door in Nederland woonachtige natuurlijke personen (zie vraag 6). De enige structurele uitzondering betreft publiekrechtelijke incassanten zoals het CJIB en de zogenoemde zelfincassanten. Dit zijn de primaire schuldeisers die de eigen vorderingen zelf innen in plaats van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden uitbesteden aan een geregistreerde incassodienstverlener. Dat wil zeggen dat op deze partijen geen registratieplicht rust. Deze schuldeisers dienen zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Klopt het, zoals in het artikel gepubliceerd door Follow the Money staat, dat u in gesprek bent met het bedrijf Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Nee, dat klopt niet. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is niet in gesprek met Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Dat acht ik ook niet wenselijk. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb benadrukt, is dit ook niet aan mij. Wel heeft mijn ministerie een toelichting gegeven aan onder andere Klarna over de civielrechtelijke gevolgen en wat in de memorie van toelichting bij de Wki is opgenomen over de definitie van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, ongeacht of voor deze werkzaamheden kosten in rekening worden gebracht bij de schuldenaar. Dit nadat in een regulier overleg met de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland (Vfn) was aangegeven dat schuldeisers een belangrijke rol hebben in het naleven van de wet door enkel incassowerkzaamheden te laten verrichten door geregistreerde partijen. Ook omdat hier vanaf 1 oktober 2026 civielrechtelijke gevolgen aan verbonden zijn die ook impact hebben op de schuldeisers zelf.
Omdat het gesprek een toelichtend karakter had en niet zag op een beoordeling van de werkwijze van Klarna, is ervoor gekozen de Inspectie niet bij het gesprek te betrekken.
Wat is de reden voor dit overleg? Is het gebruikelijk en wenselijk dat er overleg plaatsvindt tussen u en een bedrijf over naleving van de wet? Wat is hierin de rol van de Inspectie Justitie en Veiligheid? Is de Inspectie (al dan niet op handhavende wijze) betrokken bij dit overleg?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waarom met Klarna wordt «overlegd» terwijl in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid staat dat «incassodienstverleners die niet zijn geregistreerd hun werkzaamheden met onmiddellijke ingang [moeten] staken en gestaakt houden»?3
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op de vragen 9 en 10 heb ik geen overleg gehad met Klarna over haar naleving van de Wki.
Op grond van artikel 4 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki), is het verboden voor incassodienstverleners zonder geldige registratie buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te verrichten of aan te bieden. Dit wordt eveneens benadrukt in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid. In dit kader wil ik toevoegen dat het van groot belang is dat ook BNPL- partijen (waaronder Klarna) zich alsnog inschrijven als zij hun incassowerkzaamheden in de toekomst willen continueren.
Klopt het dat het overtreden van de registratieplicht in het incassoregister wordt aangemerkt als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (WED)? Kunnen burgers in dit geval zelf aangifte doen van een vermoedelijke overtreding van deze registratieplicht door een incassodienstverlener?
Ja, het overtreden van de registratieplicht is een economisch delict op grond van de Wet op de economische delicten.17 Het Openbaar Ministerie (hierna OM) is bevoegd hiertegen op te treden. Iedereen die een vermoeden heeft van het niet naleven door een incassobedrijf van de registratieplicht in de zin van de Wki kan daarvan aangifte doen bij de politie.
De Inspectie JenV ziet erop toe dat de incassosector de registratieplicht naleeft en heeft eveneens een meldpunt Wki, zodat burgers met individuele problemen met een incassodienstverlener hiervan melding kunnen maken.18
Op welke wijze wordt er gehandhaafd op de Wet kwaliteit incassodienstverlening? Kunt u cijfers delen van de hoeveelheid boetes et cetera die zijn opgelegd?
De Inspectie JenV beschikt over verschillende handhavingsinstrumenten, waaronder de last onder dwangsom, bestuurlijke boete en doorhaling en/of schorsing van een registratie. Naast dit formele handhavingsinstrumentarium beschikt de Inspectie JenV ook over informele instrumenten zoals het voeren van een normoverdragend gesprek met een onderneming en het uitdelen van waarschuwingen. In het geval het geboden is om strafrechtelijk op te treden, is het OM aan zet.
De Inspectie heeft in 2025 tot op heden vijftien keer geïntervenieerd naar aanleiding van geconstateerde overtredingen. In elf gevallen betrof het de inzet van een informeel handhavingsinstrument (waarschuwingsbrief en/of normoverdragend gesprek) en in vier gevallen de inzet van een formeel handhavingsinstrument (last onder dwangsom of bestuurlijke boete).
Heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid volgens u voldoende instrumenten en capaciteit om adequaat te kunnen handhaven om een afschrikwekkende werking te hebben waardoor bedrijven zich genoodzaakt voelen om te voldoen aan de wet?
De Inspectie JenV heeft bij het ministerie kenbaar gemaakt dat zij voor een effectieve uitvoering van haar toezichtstaak aanvullende instrumenten en capaciteit wenselijk acht. In 2026 heb ik, net als vorig jaar, met het oog op een effectieve uitvoering extra middelen beschikbaar gesteld voor de Inspectie JenV ter ondersteuning van haar toezichttaak, waaronder voor uitbreiding van capaciteit en het Meldpunt Wki van de Inspectie JenV.
Ook herkent de Inspectie JenV dat de reikwijdte van de Wki in de praktijk tot vragen en knelpunten leidt. In dat kader wil ik benoemen dat de Invoeringstoets Wki waarin de knelpunten uit de uitvoeringspraktijk zijn geïnventariseerd nagenoeg af is en dat ik momenteel werk aan de kabinetsreactie daarop. De reikwijdte van de wet vormt een expliciet onderdeel van deze toets. Ik verwacht de resultaten dit voorjaar aan uw Kamer te sturen. Ik wil hier nog niet op vooruitlopen. Vooralsnog ga ik ervan uit dat de huidige wetgeving voldoende instrumentarium biedt om de kwaliteit van incassodienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd zal de opgedane ervaring in de praktijk met het toezicht de komende periode moeten uitwijzen of deze instrumenten in de uitvoering toereikend zijn.
Op basis van deze bevindingen kan bij de evaluatie van de wet worden beoordeeld of aanvullende regelgeving en toezicht noodzakelijk is. Bovendien treedt het laatste onderdeel van de wet – de civielrechtelijke gevolgen – pas op 1 oktober 2026 in werking.
Wat vindt u van de suggestie die gedaan wordt in het artikel om de wetgeving aan te scherpen ten aanzien van de wijze waarop zogeheten BNPL-bedrijven mogen samenwerken met incassobureaus? Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving of toezicht nodig is om consumenten beter te beschermen tegen agressieve incassopraktijken in deze sector?
Zie antwoord vraag 14.
De pilot ‘gratis advocaat’ bij uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Proef met betere rechtsbijstand in jeugdzorg werkt averechts: vertrouwde advocaat uit beeld» van 9 juni 2023 in het Algemeen Dagblad? Zo nee, kunt u dit lezen?1
Ja.
Kunt u de Kamer nogmaals kort uitleggen wat het beoogde doel is van de pilot kosteloze rechtsbijstand voor ouders bij (spoed)uithuisplaatsingen en gezagsbeëindigingen en hoe de «verbeterde rechtsbescherming» daarin concreet wordt gemeten?
Het beoogde doel van de pilot was om te onderzoeken in hoeverre kosteloze rechtsbijstand van een advocaat ouders de benodigde juridische ondersteuning en rechtsbescherming biedt en met welke kosten, uitvoeringslasten en neveneffecten dit gepaard gaat. Uit de evaluatie van Pro Facto blijkt dat rechtsbijstand meerwaarde heeft vóór, tijdens en na de zitting bij de kinderrechter. Voorafgaand aan de zitting zijn ouders dankzij de advocaat beter geïnformeerd en weten zij duidelijker wat hen te wachten staat. Tijdens de zitting zorgt rechtsbijstand ervoor dat de standpunten en belangen van ouders duidelijker worden verwoord. Met de ondersteuning van een advocaat hebben ouders een evenwichtiger positie ten opzichte van de RvdK of GI en ze voelen zich beter gehoord en hun zienswijze bij instanties verwoord. Het draagt daardoor bij aan een meer gelijkwaardige positie op zitting. Na afloop van de zitting heeft rechtsbijstand waarde omdat de advocaat de uitspraak van de kinderrechter kan uitleggen en ouders kan informeren en adviseren over mogelijke vervolgstappen. Hierdoor draagt rechtsbijstand in belangrijke mate bij aan procedurele rechtvaardigheid.2
Kunt u leggen hoe de pilot moet worden uitgevoerd/toegepast?
Bij de start van de pilot is met de rechtspraak, advocatuur, Gecertificeerde Instellingen (GI), Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de Raad voor Rechtsbijstand een werkproces opgesteld rond gegevensuitwisseling. Dat werkproces bevat twaalf stappen: vanaf dat de RvdK of een GI een verzoekschrift indient tot het opvragen van de stukken door de advocaat die is toegewezen. Als ouders een voorkeursadvocaat hebben, wordt dit opgenomen op het bijzonderhedenformulier van de RvdK of de GI. De griffie van de rechtbank controleert of de voorkeursadvocaat staat opgenomen op de verwijzingslijsten van de Raad voor Rechtsbijstand (en daarmee voldoet aan de specialisatie vereisten) en of de advocaat de ouder wil bijstaan. Als de ouder geen voorkeursadvocaat heeft, wordt «willekeurig» bij toerbeurt een advocaat toegewezen op basis van de actuele verwijzingslijsten met daarop de namen van advocaten met de specialisaties civiel jeugdrecht en/of personen- en familierecht. De advocaat neemt vervolgens contact op met de ouder om te vragen of hij/zij de ouder rechtsbijstand mag geven. Nadat de ouder aan de advocaat heeft aangegeven bijstand te willen, deelt de rechtbank het dossier met de advocaat.
Klopt het dat rechtbanken in het kader van de pilot zelf een advocaat aanwijzen voor ouders «die zo snel mogelijk contact opneemt»? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het recht op vrije advocaatkeuze?
Ja, tenzij sprake is van een voorkeursadvocaat (zie ook de beantwoording van vraag 3). Met deze werkwijze wordt beoogd dat als de ouder al een (voorkeurs)advocaat heeft, deze ook wordt toegewezen. Bovendien staat het de ouder te allen tijde vrij een toegewezen advocaat op voorhand te weigeren, of de opdracht met de advocaat te beëindigen, om zelf een andere advocaat voor te dragen (die wel moet voldoen aan de specialisatie vereisten).
Hoe is geborgd dat de pilot niet leidt tot verdringing van reeds betrokken of door ouders gekozen advocaten? Welke instructies zijn hierover aan de rechtbanken verstrekt? Kunt u deze instructies delen met de Kamer?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Het werkproces rond gegevensuitwisseling is als bijlage bij de beantwoording bijgevoegd.
Herkent u de signalen dat ouders zich overvallen voelen door een aangewezen advocaat en ervaren dat hun voorkeursadvocaat buitenspel komt te staan? Wat is daarop uw reactie?
Dit signaal hebben mr. Krol en mr. Korver met mij gedeeld op 26 november (zie beantwoording vraag 21). Naar aanleiding hiervan gaan we in gesprek met de rechtspraak, Jeugdzorg Nederland (voor de GI’s) en de RvdK om zorg te dragen dat beter geborgd wordt dat de voorkeursadvocaat van ouders wordt doorgegeven aan de griffie van de rechtbanken.
Welke waarborgen bestaan er dat – zodra een ouder een voorkeursadvocaat meldt – de rechtbank die keuze honoreert, ook binnen de pilot?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Kan het zijn dat de uitvoering van de pilot, zoals wordt gemeld, in de verschillende arrondissementen anders of verschillend geïnterpreteerd of uitgevoerd worden? Zo ja, kunt u per arrondissement de werkwijze schetsen en verschillen duiden? Kunt u de Kamer hier een overzichtstabel van toesturen?
Ja, dat kan. Uit de eindevaluatie van de regeling blijkt dat de pilot grotendeels wordt uitgevoerd zoals beoogd, maar dat er in de praktijk ook verschillen bestaan tussen arrondissementen in de wijze waarop de werkwijze wordt toegepast. Voor de rechtspraak is uniformiteit het uitgangspunt, maar lokale verschillen in de administratieve werkprocessen die onder de landelijke kaders liggen zijn niet uit te sluiten.
Er is geen gedetailleerd inzicht beschikbaar in de uitvoering per afzonderlijk arrondissement. Daardoor kan ik uw Kamer geen overzichtstabel per arrondissement toesturen.
Deelt u de mening dat als de arrondissementen de pilot inderdaad verschillend toepassen dat dit impact op heeft op rechtsgelijkheid?
Het uitgangspunt van de pilot is dat iedere ouder die hiervoor in aanmerking komt kosteloos wordt bijgestaan door een advocaat. In die zin is er sprake van gelijke toegang tot rechtsbijstand. Dat arrondissementen de pilot op onderdelen verschillend uitvoeren, betekent niet automatisch dat ouders ongelijk worden behandeld of dat hun rechtspositie verschilt.
Deelt u de mening dat ouders zelf capabel genoeg zijn om een keuze te maken voor een advocaat? En deelt u de mening dat ouders eerst zelf akkoord moeten geven voordat de advocaat definitief gekoppeld wordt?
De werkwijze is dat de griffie een gespecialiseerde advocaat aanwijst, waarmee ouders moeten instemmen, tenzij een voorkeursadvocaat bekend is of alsnog wordt aangedragen. Het in beginsel volledig aan de ouder overlaten om zelf een advocaat te benaderen of te zoeken verdraagt zich niet met het spoedkarakter en de korte termijnen die in procedures van uithuisplaatsing gelden en kan ertoe leiden dat ouders niet tijdig worden bijgestaan door een advocaat.
Hoe wordt in alle communicatie aan ouders zichtbaar en begrijpelijk gemaakt dat zij zelf een advocaat mogen kiezen en hoe zij dat praktisch regelen binnen de pilot? Kunt u de Kamer inzicht geven in hoe dit nu gecommuniceerd aan ouders?
Voor de RvdK en de GI’s zijn visuals ontwikkeld, die aan ouders overhandigd worden en waarmee ouders geïnformeerd worden over de pilot kosteloze rechtsbijstand. In de visual wordt ook toegelicht dat ouders een eigen advocaat kunnen aandragen. Ook in de brief vanuit de rechtspraak, waarin de ouder wordt opgeroepen voor een zitting, wordt uitgelegd hoe de voorkeursadvocaat van de ouder zich kenbaar kan maken bij de rechtbank.
Hoe waarborgt u dat bij spoed (art. 800 Rv) de aanwijzing/toegang tot eigen advocaat niet illusoir wordt? Welke termijnvereisten en praktische voorzieningen (bijvoorbeeld de piketregeling jeugdrecht) gelden hiervoor?
Voor toewijzing van een advocaat bij een spoedmachtiging uithuisplaatsing geldt dezelfde werkwijze als bij een reguliere uithuisplaatsing. De ouder kan indien nodig bij de hem toegewezen advocaat aangeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft.
Deelt u de mening dat het een goed voorstel is om ouders eerst zelf de tijd te geven een voorkeursadvocaat te kiezen en als dat als er bijvoorbeeld 10 dagen voor de zitting nog geen advocaat is, de rechtbank alsnog een advocaat aanwijst?
Dit voorstel is nader verkend in overleg met de Rechtspraak en met vertegenwoordigers van de vFAS en de VNJA. Daarbij is geconcludeerd dat een werkwijze waarbij ouders, nadat zij door de Rechtspraak zijn opgeroepen voor een zitting, eerst zelf een voorkeursadvocaat kunnen doorgeven en de rechtbank pas kort voor de zitting een advocaat aanwijst als zich geen advocaat heeft gemeld, in de praktijk niet haalbaar is. De korte termijnen in deze procedures en het gegeven dat communicatie per post verloopt, maken dat onvoldoende kan worden gewaarborgd dat ouders tijdig van rechtsbijstand zijn voorzien, en voor zover dat wel het geval is, er niet voldoende voorbereidingstijd is tussen advocaat en ouders vanwege de korte termijnen.
Bent u bekend met het feit dat als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen, de aangewezen advocaat vaak al in bezit is van het dossier en vervolgens overnamepunten vraagt voor overname van het dossier? Wat is uw mening hierover en vindt u dit wenselijk? Deelt u de mening dat hierdoor de kosten onnodig verhoogd worden?
Voor dergelijke situaties hanteert de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: RvR) een specifiek beleid.
Ontvangt de RvR een overnameverzoek binnen twee kalenderweken na afgifte van de eerste last/aanwijzing van het gerecht, dan neemt de RvR aan dat de eerst toegewezen advocaat geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht. Dat houdt in dat de Raad de opvolgingstoeslag van 2 punten niet toekent. Blijkt dat de eerste advocaat wel inhoudelijk werkzaamheden heeft verricht, dan beoordeelt de RvR of de toeslag alsnog wordt toegekend.
Als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen dan is het aannemelijk dat de overname van de zaak vaak binnen 2 weken plaatsvindt.
De twee weken termijn is in algemene zin bij alle lasten een check op onnodig uitkeren van een opvolgingstoeslag. Tegen deze achtergrond deel ik niet de mening dat de kosten door het aanwijzen van een advocaat en een eventuele latere overstap onnodig worden verhoogd.
Bent u bekend met het feit dat de rechtbanken de dossiers al versturen aan de toegewezen advocaten nog voordat ouders akkoord gaan met de gekoppelde advocaat? Wat is hiervoor de juridische grondslag volgens u? En hoe verhoudt dit zich tot bijvoorbeeld met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)? Vindt u het überhaupt wenselijk dat rechtbanken dossiers vol vertrouwelijk informatie delen met een advocaat zonder dat ouders daar toestemming voor hebben verleend? En deelt u de mening dat als een dossier verzonden wordt aan een advocaat zonder toestemming van de ouders er sprake is van een datalek en dat hiervan melding gemaakt moet worden bij de AVG?
In de beantwoording op vraag 3 is het werkproces rondom het delen van dossiers toegelicht. Hieruit volgt dat de rechtbank pas het dossier deelt op het moment dat de ouder toestemming heeft gegeven aan de advocaat. Mij zijn signalen bekend dat in de praktijk in enkele gevallen al stukken worden verstrekt aan de advocaat voordat de ouder toestemming heeft gegeven. Dat is niet wenselijk. Ik zal hierover navraag doen bij de rechtspraak en hierover in gesprek gaan. Indien persoonsgegevens worden verwerkt, dient dit te gebeuren in overeenstemming met de AVG. Of in een concreet geval sprake is van een datalek in de zin van de AVG hangt af van de omstandigheden van het geval en kan niet in algemene zin worden vastgesteld.
Acht u het proportioneel en noodzakelijk om zonder uitdrukkelijke toestemming dossiers aan een niet-gekozen advocaat te verstrekken, gelet op het minimale-gegevens-principe en het vertrouwensbeginsel? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
In de werkprocesbeschrijving is opgenomen dat met de advocaat uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens, te weten contactgegevens, wordt gedeeld. Door uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens te delen wordt invulling gegeven aan het «minimale gegevens principe» en is sprake van een redelijke verhouding tussen het beoogde doel en het ingezette middel.
Mocht het onverhoopt toch gebeuren dat een dossier gedeeld wordt met de advocaat, zonder voorafgaande toestemming van de ouder, is de advocaat gebonden aan geheimhouding volgens de advocatenwet.
Herkent u de signalen dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) voor zitting met betrekking tot een verzoek voor een kinderbeschermingsmaatregel de dossiers of (delen van) informatie deelt met een gecertificeerde instelling (GI)? Past dit binnen de AVG/het wettelijk kader? Kunt u dit duiden met een verwijzing naar de juridische grondslagen?
Op dit moment buig ik me over het dilemma dat zich voordoet bij het delen van informatie tussen RvdK en GI voordat een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken. Het is in het belang van het kind en diens ouders dat een GI in staat wordt gesteld voortvarend uitvoering te kunnen geven aan een kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor is het belangrijk dat gegevens vroegtijdig worden gedeeld, zodat de GI zich kan voorbereiden en aan de termijnen die wettelijk zijn bepaald kan voldoen. Ook is de bescherming van persoonsgegevens van belang; dat wordt voldaan aan de privacywetgeving en dat informatiedeling plaatsvindt op basis van een juridische grondslag. Ik ben met betrokken partijen en deskundigen in beraad over passende oplossingen en de risico’s en impact daarvan. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang hiervan.
Hoe borgen u en de RvdK dat in verzoeken die met de GI gedeeld worden geen gevoelige persoonsgegevens bevatten (art. 9 AVG) en dat betreft niet alleen over NAW-gegevens en BSN-nummers, maar ook persoonskenmerken die toezien op gedragingen of informatie uit het verleden waarvan niet vaststaat of die relevant is om te delen? Hoe borgt u dat kwaliteitskaders en werkprocessen van RvdK conform de AVG zijn en niet feitelijk (prejudiciële) dossierdeling normaliseren? Wat vindt u van het feit dat de kwaliteitskaders van de RvdK al voorzien in het feit dat zij op voorhand al informatie naar de GI sturen, terwijl de GI nog geen belanghebbende is en dus geen recht heeft op de gegevens maar wel al die kennis heeft? En is het geen risico dat als er geen ondertoezichtstelling wordt uitgesproken er toch persoonlijke en vertrouwelijke informatie die onder de AVG valt al gedeeld is met andere procespartijen? Bent u van mening dat hier dan sprake is van een datalek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u bereid om – indien nodig – het kwaliteitskader van de RvdK te (laten) herzien wanneer bepalingen/werkpraktijken de AVG of het procesrecht doorkruisen? Zo ja, op welke termijn denkt u dit te gaan doen?
Zie antwoord vraag 17.
Kunt u een landelijke uitvoeringsinstructie publiceren met heldere normen over vrije advocaatkeuze, toestemming voor dossierdeling en communicatie aan ouders – en toezien op naleving door rechtbanken en ketenpartners? Tegen welke datum?
Het werkproces is bij de beantwoording van deze Kamervragen als bijlage gevoegd.
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met o.a. jeugdrechtadvocaten Mieke Krol en Richard Korver, die herhaaldelijk publiekelijk op knelpunten hebben gewezen (vrije keuze, dossierdeling, procedurele waarborgen)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Tweede Kamer informeren over de uitkomst van dat gesprek en welke procesaanpassingen u daaruit laat volgen?
Ja, op woensdag 26 november heeft mijn ministerie gesproken met mr. Krol en mr. Korver over de door hen gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de regeling kosteloze rechtsbijstand. Daarbij is onder meer gesproken over de vrije advocaatkeuze, de dossierdeling en verschillen in de uitvoering tussen rechtbanken. Ten aanzien van de vrije advocaatkeuze signaleren zij dat ouders zich niet altijd vrij voelen zelf een advocaat te kiezen wanneer de rechtbank een advocaat aanwijst. Het knelpunt bij dossierdeling is dat het dossier met de toegewezen advocaat wordt gedeeld voordat ouders toestemming hebben gegeven. De signalen uit dit gesprek worden betrokken bij het verbeteren en verduidelijken van de huidige werkwijze.
Indien blijkt dat dossiers onrechtmatig zijn gedeeld, bent u dan bereid ouders te informeren, incidenten te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en – waar passend – herstelmaatregelen (inclusief vernietiging/herstel van procespositie) te treffen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 15 ga ik in gesprek met de rechtspraak om na te gaan in hoeverre in de praktijk wordt afgeweken van de afgesproken werkwijze. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken zal worden beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Bent u bekend met het feit dat ook minderjarige kinderen vaak volledige procesdossiers ontvangen vanuit de rechtbank? Vindt u het wenselijk dat het kind het gehele procesdossier krijgt en zo bijvoorbeeld de gehele strijd tussen ouders kan lezen? En indien u van mening dat kinderen het volledige dossier moeten ontvangen, zou het dan niet wenselijker zijn dit in een meer kindvriendelijke vorm te doen?
Nee, dat is bij mij niet bekend. Volgens artikel 2.2 van het procesreglement civiel jeugdrecht ontvangen belanghebbenden per procedure twee kopieën van het verzoekschrift met bijlagen. Zijn belanghebbenden woonachtig op eenzelfde adres, dan kan worden volstaan met twee kopieën gezamenlijk. Een minderjarige van twaalf jaar of ouder ontvangt een eigen kopie van het verzoekschrift, maar zonder bijlagen. Hieruit volgt dat minderjarigen niet het volledige procesdossier ontvangen.
Sepots en strafbeschikkingen door het Openbaar Ministerie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 door het Openbaar Ministerie (OM) geseponeerd (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
Kunt u deze sepotcijfers uitsplitsen naar delictcategorie (bijvoorbeeld: geweld, vermogensdelicten, zedendelicten, cybercriminaliteit/digital crime, drugsdelicten, verkeersdelicten, overige) en daarbij de definities van de gebruikte categorieën vermelden?
Kunt u de sepotcijfers daarnaast uitsplitsen naar sepotgrond (bijvoorbeeld: technisch sepot, beleidssepot/opportuniteitssepot, onvoldoende bewijs, geringe ernst/geen maatschappelijk belang, capaciteits-/prioriteringsredenen, anders) en aangeven welk deel van de sepots (mede) samenhangt met capaciteits- of prioriteringskeuzes?
Hoeveel sepots betroffen zaken die waren aangeleverd door de politie met het oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft», en wat zijn daarvoor de belangrijkste redenen?
Kunt u kwalitatief en kwantitatief uiteenzetten welke factoren in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken door het OM, bijvoorbeeld capaciteits- en prioriteringskeuzes, kwaliteit en volledigheid van politiedossiers, complexiteit van zaken en bewijslast, beleidsmatige keuzes in het kader van het opportuniteitsbeginsel of overige oorzaken?
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 afgedaan met een strafbeschikking (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
Kunt u de strafbeschikkingscijfers uitsplitsen naar delictcategorie (zoals genoemd in vraag 2) en ook aangeven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten?
Kunt u aangeven hoeveel strafbeschikkingen in 2023, 2024 en 2025 zijn betaald/nagekomen binnen de gestelde termijn, bij hoeveel verzet is aangetekend (en met welk resultaat), hoeveel zijn ingetrokken of aangepast, en hoeveel niet ten uitvoer zijn gelegd wegens onvindbaarheid, betalingsonmacht of een andere reden?
Kunt u toelichten welke factoren bepalend zijn voor de keuze van het OM om strafzaken af te doen via een strafbeschikking in plaats van dagvaarding en kunt u daarbij inzichtelijk maken in hoeverre deze keuze wordt beïnvloed door beschikbare capaciteit binnen het OM en de rechtspraak, beleidsmatige aansturing en standaardisering van afdoeningen, aard en ernst van het delict, doorlooptijden en efficiëntieoverwegingen of andere relevante factoren?
Zijn er binnen de sepots en strafbeschikkingen de afgelopen tien jaar trends of trendbreuken waar te nemen? En, zo ja, welke zijn dat en wat valt hier aan ten grondslag?
Welke verwachtingen heeft het OM voor de komende jaren ten aanzien van het aantal vervolgingen, sepots en strafbeschikkingen?
Wat heeft het OM concreet nodig om de komende jaren meer strafzaken daadwerkelijk te kunnen vervolgen?
De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3, 4, 5
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde docent?
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Het bericht 'Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: ’Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: «Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen»»?1
Deelt u de mening dat het schokkend en zeer zorgelijk is dat 1 op de 6 jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden heeft gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld?
Wat is uw reactie op de constatering dat die beelden doorgaans ongewild via advertenties op pornowebsites verschijnen of via doorkliklinks op sociale media te zien zijn?
Is dit naar uw oordeel in strijd met de zorgplicht die op grond van nationale en Europese wetgeving op deze platforms rust?
Bent u van mening dat jongeren die ongewild te maken krijgen met dergelijke beelden weten waar zij terecht kunnen voor hulp en acht u de huidige informatievoorziening hierover voldoende?
Deelt u de zorg dat blootstelling aan dergelijk beeldmateriaal kan leiden tot psychologische impact of vervormde beeldvorming over seksualiteit en relaties bij jongeren?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren toegang krijgen tot strafbare of gewelddadige pornografie via online platforms?
Welke concrete stappen gaat u, naast het bestaande beleid, nemen richting grote sociale mediaplatforms die hun verantwoordelijkheid niet nemen, om ervoor te zorgen dat dergelijke beelden niet blijven circuleren?
In hoeverre kunnen pornoplatforms en sociale-mediabedrijven strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer zij onvoldoende optreden tegen strafbare content die op hun platform wordt verspreid en acht u dit instrumentarium voldoende toereikend?
Bent u bereid om te onderzoeken of aan platforms een actieve en afdwingbare zorgplicht opgelegd kan worden om strafbare pornografische content te detecteren en te verwijderen, in plaats van alleen te reageren op meldingen?
Heeft u inzicht in de gemiddelde doorlooptijd van verwijderverzoeken aan de sociale mediaplatforms van strafbare en gewelddadige beelden en zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
Op welke manier worden kwetsbare vrouwen beschermd tegen uitbuiting, illegale prostitutie en andere seksuele misdrijven binnen de porno-industrie en acht u deze bescherming in de praktijk voldoende?
Welke rol speelt de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal bij de aanpak van deze problematiek?
Bent u bekend met de schriftelijke vragen over misstanden in de porno-industrie en de motie-Krul over het starten van een WODC-onderzoek naar misstanden in de porno-industrie?2, 3
Wat is de stand van zaken van dit WODC-onderzoek en wanneer wordt het onderzoek afgerond?
Deelt u de mening dat er wel degelijk aanleiding is om te vermoeden dat misstanden plaatsvinden in de Nederlandse porno-industrie, terwijl u dit eerder niet aannemelijk achtte op basis van een korte en beperkte verkenning?
Zijn er inmiddels signalen bij u, hulpverleningsinstanties of de Arbeidsinspectie bekend van mogelijke misstanden in de porno-industrie, zoals mogelijke mensenhandel of seksuele uitbuiting? En zo ja, hoe worden deze opgevolgd?
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Antisemitisme en politieke indoctrinatie door een docente van het ROC |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een docente van het ROC Nijmegen minderjarige leerlingen in de klas heeft geronseld voor pro-Palestina-demonstraties en hen heeft blootgesteld aan eenzijdige, activistische en antisemitische propaganda?1
Deelt u de mening dat het ronselen van leerlingen voor demonstraties, het verspreiden van boycotapps tegen Israëlische producten wat kan worden gezien als een antisemitische boycot en het tonen van activistische en antisemitische propaganda in een klaslokaal niets met onderwijs te maken heeft en een vorm is van politieke en ideologische indoctrinatie?
Deelt u de mening dat het door een docent in het onderwijs suggereren dat «Joden» of «pro-Joden» genocide zouden steunen en het vals framen van Israël als een «genocidale staat» antisemitisch is en rechtstreeks bijdraagt aan een onveilig en intimiderend klimaat voor Joodse leerlingen op school en bovendien olie op het vuur gooit van Jodenhaat in Nederland?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze docente actief is binnen Extinction Rebellion (XR) en «Docenten voor Palestina» en haar antisemitische activisme zichtbaar verweeft met haar onderwijs aan minderjarige studenten, en acht u dit verenigbaar met de vereiste politieke en ideologische neutraliteit van het onderwijs?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om antisemitisme in het onderwijs hard aan te pakken en Joodse leerlingen te beschermen, en bent u bereid landelijk en afdwingbaar vast te leggen dat docenten zich tijdens lestijd strikt neutraal moeten opstellen en het verboden is om leerlingen op te roepen tot politieke acties, demonstraties en boycots, met daaraan verbonden duidelijke sancties bij overtreding?
Het bericht dat er aanhoudend agressie en geweld wordt gepleegd tegen verschillende minderheden in Syrië. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het aanhoudende geweld tegen minderheden zoals de Alawieten en de Koerden in Syrië door de regering?1
Bent u op de hoogte van het rapport van Amnesty International dat ingaat op de structurele ontvoering van Alawitische vrouwen en meisjes? Zo ja, gaat u mee in de oproep van Amnesty om het Syrische regime op te roepen onafhankelijk onderzoek te doen naar deze misstanden en te luisteren naar meldingen?2 Zo nee, waarom niet?
Is er naar aanleiding van de demonstratie in Den Haag door Druzen in juli jongstleden, contact gelegd tussen de Syrische diaspora, en specifiek de etnische minderheden, en het ministerie?3 Zo ja, wat is daaruit voortgekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Wat is uw reactie op de berichten dat de Syrische troepen mogelijk tracht IS-gevangenen te bevrijden, gezien de banden tussen de gevangenen en Ahmad Al-Sharaa?4 Hoe zorgt u ervoor dat dit geen effect heeft op het de veiligheid van zowel de Nederlandse als de internationale en Syrische veiligheid?
Hoe draagt u bij aan de bescherming van minderheden in Syrië? Ligt hier al een diplomatiek plan op klaar en zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen?
Wordt er overwogen om in EU-verband maatregelen tegen de ex-HTS groepen te nemen, zoals Reuters aangeeft dat wel gebeurd is bij andere terroristische groepen?5
Deelt u de mening dat hier sprake is van schending van het internationaal recht en mogelijke etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen tegen het regime bent u bereid te nemen, zowel in nationaal als internationaal verband, om het aanhoudende geweld te stoppen? Ligt er een escalatieladder klaar die de Syrische bevolking en humanitaire organisaties ontziet? Zo ja, kan deze worden toegelicht? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier gaat u, samen met de internationale gemeenschap, ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren standhoudt, nu we zien dat het bestand al meerdere keren geschonden is?
Het toenemend aantal schuldregelingen met een ‘nulaanbod’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verschenen artikelen1 2 3 over de ontwikkelingen in de schuldhulpverlening waar het «nulaanbod» toeneemt?
Hoe beoordeelt u de verschillende standpunten over de rechtmatigheid van het gebruik van het «nulaanbod»?
Onderschrijft u het besluit van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) om per 1 juli 2024 het zogenoemde «nulaanbod» voor hun leden toe te staan voor mensen die conform de methode van het vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit hebben? Ziet u dit als een goede stap vooruit in het kader van de bestaanszekerheid van deze groep schuldenaren (die voor de schuldregeling vaak jaren te maken hebben gehad met beslagleggingen en dergelijke)?
Deelt u tegelijkertijd de zorg dat het structureel toepassen van een nulaanbod bij een steeds groter wordende groep mensen mogelijk kan leiden tot een disbalans tussen schuldenaren en schuldeisers en mogelijk afbreuk doet aan het uitgangspunt van wederkerigheid en draagkracht? Kunt u uw zienswijze delen?
Kunt u toelichten hoe dit nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling die geldt voor de beslagvrije voet en die volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de wetsgeschiedenis ook voor de schuldhulpverlening geldt? Wat is volgens u de verhouding tussen artikel 285 lid 1 onder f FW en de 5%-regeling? Is het nulaanbod gelet op de memorie van toelichting van de Wgs (Kamerstukken II 2019/20, 35 316, nr. 3, p. 17.) strijdig met de bedoeling van de wet of is het kabinet van mening dat het nulaanbod wel degelijk verenigbaar is? In hoeverre is het feit dat een minnelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen waar de Wgs formeel los van staat hierbij relevant?
Klopt het dat het nulaanbod inmiddels voor ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen geldt? Hoe beoordeelt het kabinet dit? Bent u bereid dit cijfer nader te onderzoeken en daarbij ook de onderliggende draagkracht van deze groep te analyseren?
Wat is uw visie op aflossen, zij het zeer beperkt, in relatie tot duurzame gedragsverandering? Bent u bereid te onderzoeken hoe duurzame gedragsverandering inclusief financiële bewustwording en het voorkomen van terugval het beste gerealiseerd kan worden? In hoeverre is het hierbij relevant dat verschillende schuldeisers liever een schuld afboeken in plaats van een klein deel van de schuld te ontvangen (inclusief bijbehorende administratieve handelingen)?
Bent u bereid om met de relevante partners uit het veld het gesprek te voeren over het nulaanbod en te onderzoeken wat de ervaringen in de praktijk zijn (zowel van schuldeisers, schuldenaren als schuldhulpverleners) en of het nulaanbod invloed heeft op de algemene bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een schuldregeling? Ziet het kabinet een rol voor zichzelf in het herijken van het beleid rond aflossingsverplichtingen binnen minnelijke schuldregelingen? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw standpunt aangaande het moment van finale kwijting bij een nulaanbod? In hoeverre zou een spaarprognose-aanbieding een alternatief zijn (in plaats van een saneringskrediet i.c.m. een nulaanbod) om schuldenaren 18 maanden te kunnen begeleiden om duurzame gedragsverandering mogelijk te maken?
Hoe kijkt u aan tegen een uitspraak4 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat volgens de ene afdeling van de gemeente er wel afloscapaciteit is en er 5% ingehouden wordt op de uitkering, terwijl de schuldhulpverlener, in opdracht van diezelfde gemeente aangeeft dat er geen afloscapaciteit is en van schuldeisers verlangd wordt in te stemmen met een nulaanbod?
Wat is uw reflectie op de uitspraak5 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat een traject in de wettelijke schuldsanering vergelijkbaar zou zijn en daar betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht aan de schuldeisers dan het nulaanbod in het minnelijk traject?
Klopt het dat rechters in Wsnp-zaken het vrij te laten bedrag berekenen volgens een methode die is ontwikkeld door Recofa, waarbij de wettelijke 5%-norm niet wordt meegenomen? Hoe beoordeelt u dit juridisch en beleidsmatig?
Bent u het eens dat het wenselijk zou zijn dat schuldenaren een minimale aflossing moeten kunnen doen met inachtneming van het vtlb, wat noodzakelijkerwijs vraagt het sociaal minimum te verhogen? Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van de Commissie sociaal minimum, te onderzoeken hoe het sociaal minimum zodanig kan worden versterkt dat mensen ook met een laag inkomen toch een bijdrage naar draagkracht kunnen leveren in schuldregelingen? Wat zouden de financiële consequenties hiervan zijn?
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel «Grote drukte bij notariskantoren: meer akten met minder notarissen»1, waarin wordt beschreven dat de vraag naar notariële diensten sterk toeneemt terwijl het aantal notarissen achterblijft?
Herkent u het geschetste beeld dat notariskantoren te maken hebben met structurele drukte en personeelstekorten, en welke gevolgen ziet u hiervan voor burgers en ondernemers die afhankelijk zijn van tijdige notariële dienstverlening?
Welke risico’s ziet u voor de rechtszekerheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van notariële diensten als deze ontwikkeling zich de komende jaren doorzet?
Deelt u de opvatting dat een verandering in de manier van werken binnen het notariaat noodzakelijk is en dat digitalisering daarbij een wezenlijk onderdeel van de oplossing kan zijn? Zo ja, hoe ziet u die rol van digitalisering concreet voor zich; zo niet, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de conclusie dat verdere vertraging in de digitalisering van het notariaat de drukte bij notariskantoren zal verergeren en de toegang tot het recht onder druk zet?
Welke concrete stappen heeft u sinds de toezegging in april 2022 gedaan door toenmalig Minister Weerwind om het juridisch mogelijk te maken om meer typen notariële akten digitaal tot stand te laten komen?2
Kunt u toelichten welke typen notariële akten u op korte termijn geschikt acht voor digitaal passeren, en welke waarborgen daarbij noodzakelijk zijn voor identiteit, wilsbekwaamheid en rechtszekerheid?
Dient er een voorstel tot wijziging van de Wet op het notarisambt te komen om digitaal passeren van (meer of alle) akten mogelijk te maken?
Wilt u de Kamer informeren over een concreet tijdpad waarbinnen verdere digitalisering van het notariaat wordt gefaciliteerd en geïmplementeerd?
Op welke wijze betrekt u notarissen, beroepsorganisaties en gebruikers van notariële diensten bij de uitwerking van deze digitaliseringsslag, zodat deze bijdraagt aan zowel verlichting van de werkdruk als behoud van kwaliteit en vertrouwen?
Misbruik door turboliquidaties |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op»1, «Fiscus loopt in tien jaar ruim € 1,5 mrd mis door spoorloze ondernemers en plof-bv’s»2 en «Fraude en turboliquidaties in Nederland»3?
Deelt u de analyse dat turboliquidaties in Nederland steeds vaker worden misbruikt om tijd te kopen en verantwoordelijkheid te laten verdampen, waardoor schuldeisers met lege handen achterblijven?
Hoe komt het volgens u dat inmiddels bijna 80 procent van de ondernemingen, die worden beëindigd, worden opgeheven via een turboliquidatie?
Klopt de inschatting dat de Belastingdienst de afgelopen tien jaar naar schatting 1,5 miljard euro aan inkomsten is misgelopen door ondernemers die veelal spoorloos verdwijnen na turboliquidaties? Waarom is er vanuit het kabinet niet veel meer actie ondernomen om dit tegen te gaan?
Kunt u de interne analyses van de Belastingdienst met de Kamer delen waaruit blijkt dat ruim tweeduizend ondernemers hun bedrijf ophieven, terwijl zij nog voor enkele honderden miljoenen euro’s aan panden, boten of ander bezit hadden?
Wat is er precies gebeurd met het onderzoek dat het ministerie in 2019 is gestart naar de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Waarom is dit nog niet voltooid en wanneer kan de Kamer de onderzoeksresultaten verwachten?
Klopt het dat misbruikers in Duitsland minder snel ongeschonden wegkomen, doordat zij eerder persoonlijke aansprakelijkheid riskeren? Wat kunnen wij hier in Nederland van leren? Zijn er andere landen die ook een «turboliquidatie»-procedure kennen, en zo ja, hoe gaan die landen om met het in de bovengenoemde artikelen geschetste risico op fraude en misbruik?
Deelt u de analyse dat aanscherping van de wet onvermijdelijk is? Bijvoorbeeld voor automatische signalering van herhaald gebruik of zwaardere aansprakelijkheid bij recidive en sancties die echt afschrikken. Welke stappen gaat u zetten om misbruik tegen te gaan?
Hoe komt het volgens u dat informatie van de Kamer van Koophandel waar de Belastingdienst van afhankelijk is vaak niet klopt, zoals het FD schrijft? Wat gaat u doen om te zorgen dat deze informatie in de toekomst wel betrouwbaar is?
Onderschrijft u de conclusie van het WODC in haar onderzoek naar de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie voor rechtspersonen, namelijk dat effectievere handhaving noodzakelijk is om misbruik te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u de handhaving verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de in het FD aangehaalde experts die stellen dat het huidige budget van de Belastingdienst om specifiek misbruik van turboliquidaties te onderzoeken een fractie is van wat nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit budget te verhogen?
Waarom is het mogelijk voor een turboliquidatie te kiezen als er sprake is van schulden? Is het wat u betreft een optie om turboliquidaties alleen nog mogelijk te maken voor volledige lege rechtspersonen, dat wil zeggen zonder bezittingen én zonder schulden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Fiscaliteit?
Het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby» van Follow The Money?1
Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten?2
Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt, wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften?
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat vindt u hiervan?
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen?3 Deelt u deze zorgen?
Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt?
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren van derde-belanghebbenden is beslist?
Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen, en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist?
Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet?
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven dat deze «niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Woo»? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)?
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA «volledig in strijd met de wet» noemt? Wat gaat u hiermee doen?
Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te voeren?
Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de Woo?
Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer?4 Hoe verklaart u dit?
Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor «een wetswijziging nodig [is]»?
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders?
Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb handelt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt, met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet?
Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation?5
Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde, nut en maatschappelijke relevantie verliest?
Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken, bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel later, wordt geopenbaard?6
Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische stappen te ondernemen tegen de Minister van LVVN, omdat «vrije nieuwsgaring onmogelijk» wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan?
Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelwijze van de Minister van LVVN, maar dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd?7
Bent u bereid om de Minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Het artikel 'Toch geen bufferzone voor demonstranten rond abortusklinieken, Keijzer (BBB) wil het niet' |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Bruijn , Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Toch geen bufferzone voor demonstranten rond abortusklinieken, Keijzer (BBB) wil het niet» van RTL Nieuws?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december?2
Ja.
Deelt u het oordeel van de Raad van State dat de directe omgeving van een abortuskliniek een plek is waar een verhoogde mate van orde en rust behoort te heersen, zoals bijvoorbeeld ook het geval is bij een ziekenhuis, mede vanwege de kwetsbare positie van bezoekers die daar gebruikmaken van hun fundamentele rechten en hun recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer?
Ik ben van mening dat bezoekers van abortusklinieken een vrije toegang moeten hebben tot abortuszorg in klinieken. De uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State biedt burgemeesters een kader voor demonstraties bij abortusklinieken om wanordelijkheden te voorkomen. In de uitspraak van de Raad van State wordt onder meer als overweging genoemd dat er rond een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen. Het kabinet zal voor het meireces een kabinetsreactie sturen op het recente onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) door een onderzoeksteam vanuit de Rijksuniversiteit Groningen, Pro Facto, de Universiteit van Amsterdam en Tilburg University.3 In die brief zal het kabinet ingaan op de toepassing van het demonstratierecht.
Bent u van mening dat demonstraties vlak voor abortusklinieken ertoe kunnen leiden dat mensen die abortuszorg zoeken onevenredig worden beperkt in de uitoefening van hun fundamentele rechten en privéleven? Zo nee, waarom niet?
Het belemmeren van de toegang tot een kliniek of het intimideren van bezoekers of werknemers, is onacceptabel. Ik sta pal voor goede en toegankelijke abortuszorg en ik hecht ook veel waarde aan het recht op demonstreren. Het is aan het lokale gezag om demonstraties in goede banen te leiden, en daarbij de toegang tot een abortuskliniek te waarborgen. Als bij een demonstratie daadwerkelijk overtredingen worden begaan, bijvoorbeeld door te verhinderen dat vrouwen een kliniek bezoeken, dan kan en zal daar handhavend tegen worden opgetreden door de politie.
Bent u van mening dat het recht om te demonstreren nog steeds gewaarborgd blijft indien demonstranten niet vlak voor een abortuskliniek maar wel op redelijke korte afstand nog steeds binnen zicht- en gehoorafstand hun mening kenbaar te maken aan de bezoekers van de kliniek?
Het antwoord op deze vraag volgt uit de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die er in het kort op neerkomt dat burgemeesters een andere locatie voor de demonstratie mogen aanwijzen: niet direct voor de ingang van een abortuskliniek. Op die manier kunnen bezoekers van een abortuskliniek zelf bepalen of zij een directe confrontatie met de demonstranten aangaan of niet. De locatie moet inderdaad nog wel binnen zicht- en gehoorafstand zijn van bezoekers van de kliniek.
Hoe kijkt u aan tegen de constatering uit het rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum (WODC) dat het instellen van een permanente bufferzone momenteel niet tot de mogelijkheden behoort die burgemeesters hebben om demonstraties in Nederland te reguleren en dat het instellen van dergelijke vaste zones enkel mogelijk is als de formele wetgever daartoe besluit?3
De uitspraken van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bieden het lokaal gezag een kader hoe te handelen. In de nadere beleidsreactie op het rapport van het WODC, die voorzien is voor het meireces, zal het kabinet ingaan op de toepassing van het demonstratierecht.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat een dergelijk besluit tot het instellen van een permanente bufferzone door de formele wetgever recentelijk is genomen in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk?
Het wetgevend kader in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk is niet een-op-een vergelijkbaar met de praktijk en de Wet openbare manifestaties in Nederland. In de nadere beleidsreactie op het rapport van het WODC, die voorzien is voor het meireces, zal het kabinet ingaan op de toepassing van het demonstratierecht rondom abortusklinieken.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat het wenselijk is dat er landelijke wetgeving komt ten aanzien van de minimumafstand waarbinnen demonstraties bij abortusklinieken mogen plaatsvinden?4
De aangehaalde uitlating van de burgemeester van Utrecht dateert van september 2025, dat was dus vóór de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die 3 december 2025 zijn gepubliceerd. Het WODC-onderzoek beval aan om t.a.v. demonstraties bij abortusklinieken te wachten op de richtinggevende uitspraken van de Raad van State. Na de publicatie daarvan heeft de burgemeester van Utrecht juist publiekelijk laten weten «blij» te zijn met de uitspraak van de Raad van State. Daarbij werd volgens haar een begrijpelijke afweging gemaakt tussen het recht op demonstratie en de lichamelijke integriteit van bezoekers6. De burgemeester heeft zich niet meer uitgesproken over de wenselijkheid van aanvullende landelijke wetgeving ten aanzien van abortusdemonstraties.
Bent u bereid een brief naar de Kamer te sturen waarin u met een voornemen komt om wetgeving in formele zin op te stellen die het mogelijk maakt om bufferzones voor demonstraties bij abortusklinieken in te stellen wanneer blijkt dat burgemeesters onvoldoende in staat zijn om bezoekers de toegang tot abortuszorg te verzekeren zonder onevenredige beperking in de uitoefening van fundamentele rechten en privéleven?
De nadere beleidsreactie op het WODC-onderzoek is voorzien voor het meireces 2026.
Kunt u bovenstaande vragen individueel beantwoorden binnen zes weken?
Ja.
De financiële dekking van fossiele subsidies en mogelijke klimaatrechtszaken uit het Klimaatfonds |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Argos-fragment van 6 december 2025 en het Argos-artikel van 24 oktober 2025 over het aanwenden van het Klimaatfonds voor fossiele subsidies en mogelijke dwangsommen uit klimaatzaken?1, 2
Ja.
Hoe kijkt u naar de juridische afdwingbaarheid van het klimaatdoel in 2030? Voorziet u mogelijke rechtszaken?
Het nationale 2030-doel van de Klimaatwet is niet rechtstreeks juridisch afdwingbaar. De Klimaatwet waarborgt politieke controle op de voortgang van het klimaatbeleid. Dit betekent dat het kabinet zich moet inspannen om de doelen uit de Klimaatwet te halen en het parlement het kabinet daarop kan aanspreken.
Op grond van rechtsbronnen, zoals het Unierecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), gelden klimaatverplichtingen waarover een rechter uitspraken kan doen. Dit gebeurde onder meer in het Urgenda-arrest.
In hoeverre worden noodmaatregelen in kaart gebracht en overwogen, voor het geval dat de rechterlijke macht oordeelt dat het huidige maatregelenpakket niet voldoende is om de klimaatdoelen te bereiken? Als dit het geval is, kunt u deze analyses met de Kamer delen?
In het recent verschenen rapport «Routes naar Realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie» zijn opties in kaart gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstelling in 2030, die variëren in mate van impact. Dit rapport is op 2 december 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.3
In hoeverre is overwogen om middelen uit het Klimaatfonds aan te wenden voor het betalen van dwangsommen die volgen uit mogelijke klimaatzaken?
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om middelen uit het Klimaat- en energiefonds4 in te zetten voor het betalen van dwangsommen. De middelen uit het Klimaat- en energiefonds zijn op grond van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds bestemd voor maatregelen die bijdragen aan emissiereductie en aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening en samenleving. Het betalen van dwangsommen valt niet binnen dit doel. Bovendien zijn de middelen binnen het Klimaatfonds op dit moment vrijwel volledig bestemd voor klimaatmaatregelen via reserveringen en toekenningen onder voorwaarden, waardoor betaling van dwangsommen uit het Klimaatfonds ten koste zou gaan van emissiereductie die door deze maatregelen in 2030 zou worden gerealiseerd. Ten aanzien van toekomstige besteding uit het Klimaat- en energiefonds geldt in algemene zin dat deze aan een volgend kabinet is en dit kabinet geen toezegging kan doen over hoe zij deze middelen inzetten.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor het betalen van de dwangsommen wegens onvoldoende klimaatbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten welke maatregelen en bedragen er momenteel gereserveerd zijn in het Klimaatfonds voor fossiele subsidies?
Conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds dienen middelen uit het fonds uitgegeven te worden aan additionele maatregelen die bijdragen aan het behalen van de reductiedoelstellingen in de Klimaatwet, de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving en een rechtvaardige klimaattransitie. Dit is ook het uitgangspunt voor het huidige kabinet.
De middelen uit het fonds zijn bedoeld voor maatregelen binnen het klimaat- en energiedomein, waarbij de scope breder is dan puur CO2-reductie. Dit betekent dat niet enkel middelen worden ingezet op emissiereductie, maar ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. Het is belangrijk dat er draagvlak blijft voor klimaat- en energiebeleid en dat burgers en bedrijven niet worden geconfronteerd met (te) hoge energiekosten. Dit remt niet alleen de verduurzaming, bijvoorbeeld middels elektrificatie, maar draagt ook niet bij aan de ervaren rechtvaardigheid van de transitie. Om die reden heeft het kabinet in het voorjaar van 2025 ook middelen uit het Klimaat- en energiefonds beschikbaar gesteld die de energierekening voor huishoudens en bedrijven verlagen en tegelijkertijd een prikkel geven voor elektrificatie. Voor een exact verloop van de toevoegingen, onttrekkingen en uitgaven van het fonds verwijs ik u naar Hoofdstuk 2 van de Meerjarenprogramma’s Klimaatfonds van de afgelopen jaren.
Wat vindt u ervan dat er middelen uit het Klimaatfonds worden besteed aan activiteiten die de energietransitie en daarmee de maatregelen tegen klimaatverandering vertragen of zelfs tenietdoen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is om middelen uit het Klimaatfonds, die zijn bedoeld om broeikasgassen te reduceren en de klimaatdoelen te halen, in te zetten voor het tegenovergestelde (namelijk mogelijke dwangsommen voor het niet halen van de klimaatdoelen en het verstrekken van fossiele subsidies)?
Zie ook de antwoorden op vragen 4 & 5 en 6 & 7.
Het kabinet wil het Klimaat- en energiefonds, conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds, inzetten ten behoeve van de klimaat- en energietransitie.
Zoals ook in eerdere antwoorden aangegeven kijkt het kabinet bij de besteding van middelen uit het fonds niet enkel naar directe reductie van broeikasgasemissie, maar laat het ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. In dit verband wordt ook ingezet op maatregelen die bijdragen aan draagvlak en rechtvaardigheid van het klimaat- en energiebeleid. Het gebruik van middelen uit het Klimaat- een energiefonds die hierop toezien acht het kabinet dan ook gerechtvaardigd. Het kabinet is niet voornemens deze maatregelen te herzien.
Bent u bereid dergelijke maatregelen uit het Klimaatfonds te herzien, met mogelijk als gevolg het schrappen hiervan, om ruimte te maken voor maatregelen ten behoeve van het doel van het Klimaatfonds?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor beleid dat geen CO2 reduceert maar fossiel gebruik juist stimuleert?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van de KGG-begroting begin februari 2026?
Ja.
Het bericht ‘Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens’ |
|
Jeltje Straatman (CDA), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens (AP)»?1
Ja.
Wanneer raakte u op de hoogte van de klacht van de AP over het register voor het notariaat in de zin van artikel 5 van de Wet op het notarisambt en artikel 8 van het Besluit op het notarisambt? En wat is er namens u besloten nadat de klacht gegrond werd verklaard?
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft op 28 januari 2025 aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) gemeld een brief van de AP te hebben ontvangen, waarna een dag later contact is geweest tussen het ministerie en de KNB over de inhoud van die brief. Vervolgens is in contact tussen JenV en de KNB op 3 februari 2025 besproken dat het niet in strijd met de wet zou zijn als de KNB (voorlopig) de mogelijkheid zou stopzetten om het register online te raadplegen. Ook is besproken dat het verstandig zou zijn te wachten op publicatie van de uitkomsten van het destijds nog lopende Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)-onderzoek naar gegevensbescherming in openbare registers vóórdat de KNB verdere beslissingen zou nemen over het register. De KNB heeft daarna besloten de online toegang tot het register (voorlopig) te beëindigen en feitelijk uitvoering gegeven aan dat besluit.
Bent u van mening dat op dit moment in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt? Zo ja of nee, waarom?
Ja, op dit moment wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt. Een register blijft openbaar, ook wanneer de manier van toegang geven tot gegevens wijzigt of verschilt per doelgroep.2 Het niet online kunnen raadplegen van een register, maar het moeten aanvragen van gegevens door het invullen van een webformulier of per telefoon of post, is geen zodanige hindernis dat effectief de openbaarheid wordt belemmerd.3 Op de website waar voorheen de openbare gegevens van het register voor het notariaat online raadpleegbaar waren, vinden bezoekers nu informatie hoe zij die openbare gegevens kunnen verkrijgen.
Kunt u toelichten waarom namens u is besloten niet in beroep te gaan, waardoor de facto de Wet op het notarisambt niet correct wordt uitgevoerd en het voor mensen niet effectief mogelijk is de integriteit van notarissen te controleren?
De brief van de AP bevat een constatering en geen handhavingsbesluit, zodat een beroep niet aan de orde was. Overigens wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Hoe kan volgens u effectief worden gecontroleerd of notarissen inmiddels wel voldoen aan hun wettelijke verplichting hun nevenbetrekkingen openbaar te maken, nadat in 2024 bleek dat driekwart van de notarissen hun nevenbetrekkingen niet of niet juist heeft doorgegeven?
De controle op het nakomen door notarissen van hun wettelijke verplichtingen is een taak van het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Sinds 2022 heeft het BFT de naleving van de verplichting van de notarissen om nevenbetrekkingen op te geven ook nadrukkelijk opgenomen in de reguliere toezichtonderzoeken. Ook wordt door het BFT op reguliere basis aan de hand van het handelsregister gecontroleerd of de inschrijvingen in het register notariaat overeenkomen met de registraties in het handelsregister.
Kunt u bevorderen dat het register zo snel mogelijk weer online komt te staan? Zo ja, welke stappen bent u voornemens hiertoe te zetten?
Voor een aantal wettelijke openbare registers in het domein van JenV is onderzoek uitgevoerd door het WODC4 naar de bescherming van persoonsgegevens. Het register voor het notariaat behoort niet tot de onderzochte registers, maar het in het WODC-onderzoek opgenomen kader voor het toetsen van de gegevensbescherming en de aanbevelingen voor verbetering zijn volgens de onderzoekers toepasbaar op alle openbare registers met persoonsgegevens.
De KNB is vanuit het JenV gewezen op de relevantie van dat WODC-onderzoek voor het beheer van het register voor het notariaat. Dit onderzoek biedt handvatten aan de registerhouder om een goede belangenafweging te kunnen maken tussen gegevensbescherming en de wijze van openbaarheid. Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 zullen door JenV geen stappen worden gezet om te bevorderen dat het register (geheel of gedeeltelijk) online te raadplegen is.
Bent u bereid een overzicht te verstrekken van alle overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP al dan niet tijdelijk offline zijn gehaald? Zo nee, waarom niet en kunt u in contact treden met de AP om een overzicht op te stellen?
JenV beschikt niet over een overzicht van alle overheidsregisters die offline zijn gehaald en kan daarom deze gegevens niet aan uw Kamer verstrekken. Voor de openbaarheid van een register is online toegankelijkheid geen noodzakelijke voorwaarde. Daarmee is er voor mij geen reden alsnog een overzicht te laten maken van overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP offline zijn gehaald.
Bent u bereid te bevorderen dat klachten die de AP verstuurt naar bestuursorganen zo snel mogelijk openbaar worden gemaakt, zodat tijdig een weging van belangen kan plaatsvinden en bestuursorganen ook van elkaar kunnen leren? Zo nee, waarom niet?
Voor dit antwoord wordt ervan uitgegaan dat wordt gedoeld op klachten die de AP ontvangt, omdat het in de onderhavige zaak ging om een klacht van een betrokkene bij de AP en omdat de AP zelf geen «klachten» indient. Op grond van artikel 77 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan iedere betrokkene een klacht indienen bij de AP over niet-naleving van de AVG. Volgens de in het bestuursrecht gebruikelijke terminologie moet een dergelijke klacht worden geduid als «verzoek tot handhaving» aan de AP.5 Een verzoek tot handhaving kan leiden tot een handhavingsbesluit. Openbaarmaking van handhavingsbesluiten is nu in beginsel verplicht op basis van artikel 3.1 Wet open overheid, tenzij de voorzieningenrechter ernstige twijfels heeft over de rechtmatigheid van het besluit. Volgens haar eigen beleidsregels over openbaarmaking publiceert de AP in beginsel alle handhavingsbesluiten, met uitzondering van berispingen.6
Het voorkomen van antisemitische verstoringen van de Chanoekaviering in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde tegendemonstraties rondom de Chanoekaviering met voorzanger Shai Abramson op zondag 14 december 2025 bij het Koninklijk Concertgebouw in Amsterdam, waarbij antisemitische groepen oproepen tot acties die gericht zijn op het verstoren van deze Joodse viering?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de opvatting dat antisemitische groeperingen niet mogen verhinderen dat deze Joodse viering op waardige en veilige wijze kan plaatsvinden?
Het is niet aan het kabinet, maar aan het lokaal gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren, en waar nodig te beperken of in het uiterste geval te verbieden. Om een ongehinderde en veilige instroom van het Concertgebouw mogelijk te maken en ter voorkoming van wanordelijkheden had de burgemeester van Amsterdam besloten dat bij de ingangen van het Concertgebouw geen demonstraties mochten plaatsvinden. In dit geval heeft uiteindelijk de rechter bepaald dat een kleine groep demonstranten onder bepaalde voorwaarden toch mocht demonstreren bij het Concertgebouw. Andere demonstranten konden onder voorwaarden op het Museumplein demonstreren. Waar demonstranten zich niet aan deze voorwaarden hielden, heeft de politie direct opgetreden en aanhoudingen verricht. Het is aan het openbaar ministerie en aan de rechter om te bepalen of er sprake was van strafbare feiten.
Deelt u de zorgen van steeds meer Joodse Nederlanders die vrezen dat zij niet langer zonder risico een religieus-cultureel evenement kunnen bijwonen vanwege antisemitische demonstraties? Bent u bovendien bekend met de open brief van mevrouw Lia Flesschedrager, die een indringend voorbeeld schetst van deze angst doordat haar 88-jarige vader met vasculaire dementie en haar 87-jarige moeder mogelijk niet veilig de Joodse viering kunnen bereiken?4
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, in overleg met de burgemeester van Amsterdam, alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de veiligheid van bezoekers te garanderen en daarbij tevens te bespreken of het afkondigen van een noodverordening wenselijk is om antisemitische verstoringen te voorkomen, mede gezien eerdere antisemitische incidenten bij Joodse evenementen, zoals bij de opening van het Nationaal Holocaustmuseum?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden en wel uiterlijk vóór zondag 14 december 2025?
Helaas is dat niet gelukt. Op 9 januari jl. heb ik uw Kamer een uitstelbericht gezonden.
Het bericht ‘Rechters geven op Schiphol betrapte drugskoeriers lagere straf door scheefgroei’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechters geven op Schiphol betrapte drugskoeriers lagere straf door scheefgroei» en het persbericht hierover van de Rechtbank Noord-Holland?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling van de Rechtbank Noord-Holland dat de disbalans tussen opgelegde straffen aan drugskoeriers enerzijds en grote drugscriminelen die zich bezighouden met (de organisatie van) grootschalige drugshandel anderzijds de laatste jaren verder is vergroot door de introductie van procesafspraken?3
Het is aan de rechter om (gevangenis-)straffen op te leggen, ook bij zaken waarin sprake is van procesafspraken. De introductie van procesafspraken kan inderdaad in sommige gevallen bijdragen aan vermindering van de straf voor verdachten, maar dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak. Het OM maakt per individueel geval een afweging die recht moet doen aan de omstandigheden van het geval. Procesafspraken worden door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten.
Hoe vaak zijn er tot nu toe procesafspraken gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van grootschalige drugshandel en in hoeveel van deze grote drugszaken wil het Openbaar Ministerie in 2025 en 2026 nog procesafspraken maken?
Er vindt door het OM geen centrale registratie plaats van het aantal zaken waarin procesafspraken worden gemaakt. In algemene zin geldt dat het OM beoordeelt welke zaken geschikt zijn voor procesafspraken, afhankelijk van factoren zoals de ernst van de misdrijven en de impact op de georganiseerde misdaad.
Hoeveel drugszaken zijn er op dit moment in de voorraad te plannen strafzaken waarop de nieuwe uitgangspunten van de Rechtbank Noord-Holland van toepassing zijn en, als dit niet uit de managementsystemen van de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan in contact treden met de Rechtspraak om dit aantal bij benadering te achterhalen?
Het valt niet te zeggen op hoeveel strafzaken de nieuwe uitgangspunten van de Rechtbank Noord-Holland van toepassing zijn. Uit contact met de rechtspraak blijkt dat een dergelijke zoekslag niet in de systemen van de rechtspraak of de Rechtbank Noord-Holland kan worden gemaakt. Het kan dus ook niet bij benadering worden gezegd op hoeveel strafzaken de nieuwe uitgangspunten van toepassing zijn.
Hoeveel procesafspraken zijn er tot nu toe in totaal tot stand gekomen sinds de inwerkingtreding van de OM-aanwijzing in 2023 en in hoeveel zaken streeft het OM naar het maken van procesafspraken in 2025 en 2026?
Er vindt, zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, geen centrale registratie plaats van het aantal procesafspraken dat het OM maakt. In algemene zin geldt dat het OM niet vooraf streeft naar het maken van procesafspraken in een bepaald aantal zaken. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Daarmee kan een bijdrage aan de belangen van slachtoffers, verdachten en de maatschappij worden geleverd. Een efficiënte en tijdige afronding van een anders mogelijk omvangrijke strafzaak zorgt immers relatief snel voor duidelijkheid voor eenieder en leidt ertoe dat voortvarender andere zaken kunnen worden opgepakt c.q. behandeld.
Hoe beoordeelt u het feit dat er dankzij procesafspraken een nog grotere kloof is ontstaan tussen opgelegde straffen in drugszaken in Nederland en opgelegde straffen in drugszaken in ons omringende landen zoals België, Duitsland en Frankrijk?
De straffen in Nederland zijn het resultaat van een zorgvuldig afgewogen oordeel dat kijkt naar de omstandigheden van de zaak en de rol van de verdachte. Procesafspraken kunnen leiden tot lichtere straffen, maar daar staat tegenover dat de verantwoorde inzet van procesafspraken kan bijdragen aan een efficiënte rechtsgang. Ook in ons omringende landen, zoals Duitsland, bestaan mogelijkheden om procesafspraken te maken. In elk geval blijft het streven van het OM een effectieve en evenwichtige afhandeling van strafzaken, waarbij de ernst van de misdaad en de impact op de samenleving altijd centraal staan.
Begrijpt u dat criminele netwerken hierdoor een sterkere prikkel krijgen om uithalers en andere drugskoeriers juist naar Nederland te sturen, omdat de opgelegde straffen in Nederland in verreweg de meeste gevallen veel lager zijn dan in België, Duitsland en Frankrijk?
In Nederland is de afgelopen jaren de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit fors is uitgebreid en versterkt. Met de brede aanpak, waarover uw Kamer periodiek wordt geïnformeerd, zet het kabinet vol in op Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor criminele netwerken om zich hier te vestigen of hun criminele activiteiten voort te zetten. Naast het verhogen van wettelijke strafmaxima op verschillende delicten, zet ik in op het verhogen van de pakkans, het opwerpen van barrières en het voorkomen van gelegenheid. Deze maatregelen zijn effectief en schrikken veelal meer af dan de hoogte vaneen opgelegde straf. Dat is ook terug te zien in de cijfers. Afgelopen jaren zijn flink wat barrières opgeworpen, waaronder de vertrouwensketen in de Rotterdamse haven waardoor pincodefraude bij het ophalen van containers onmogelijk is gemaakt, intensievere controle en de nieuwe strafbaarstelling van art. 138aa van het Wetboek van Strafrecht. Het resultaat van die barrières is onder meer dat het aantal uithalers in de Rotterdamse haven aanzienlijk is gedaald, van 415 in 2021 naar 266 in 2024.
Bent u bereid om mede naar aanleiding van deze berichten in gesprek te gaan met het Openbaar Ministerie om te bevorderen dat geen verdere procesafspraken worden gemaakt in grootschalige drugszaken tot na de behandeling van de eerste aanvullingswet van het Wetboek van Strafvordering in de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding om hierover in gesprek te gaan met het OM. De huidige praktijk wordt genormeerd via door de Hoge Raad gegeven kaders (ECLI:NL:HR:2022:1252) en de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal. Binnen die grenzen kunnen procesafspraken worden gemaakt.
Zoals eerder aangegeven, worden procesafspraken door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten. Als rechters van mening zijn dat er hierbij sprake is van scheefgroei, dan is het goed als hierover binnen de rechtspraak discussie plaatsvindt. Ik vind het van belang om een specifiek wettelijk kader voor procesafspraken in te voeren. Deze regeling is opgenomen in de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het wetsvoorstel zal spoedig bij uw Kamer worden ingediend. Deze wettelijke regeling geeft de wetgever de mogelijkheid om principiële vragen die samenhangen met procesafspraken van een antwoord te voorzien, waaronder de vraag wat de maximale strafvermindering is die een verdachte via procesafspraken mag krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en zo volledig mogelijk beantwoord. Er is gepoogd om de gevraagde termijn te behalen, maar dit is helaas niet gelukt.
Het bericht 'Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja. Zie onderstaande beantwoording op vragen over dit artikel.
Kunt u specifiek reageren op de bevindingen van Pointer waaruit blijkt dat de Indonesische marine wel degelijk een rol speelt bij mensenrechtenschendingen, zoals illegale uithuiszettingen en martelingen?
Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag individueel aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole2 waarbij per ingediende aanvraag wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. De toetsing wordt gedaan op grond van de actuele situatie waarbij alle relevante ontwikkelingen, waaronder de mensenrechtensituatie in het land van eindbestemming, worden meegenomen.
Daaruit volgt dat om te komen tot een negatieve toetsing van het EUGS (waaronder het criterium dat ziet op het bestaan van een duidelijk risico dat de goederen gebruikt worden voor het begaan van ernstige schendingen van mensenrechten en/of het humanitair oorlogsrecht) er een duidelijk (potentieel) verband moet bestaan tussen de uit te voeren goederen en de geconstateerde zorgen. Algemene zorgen over bepaalde ontwikkelingen in een land van eindbestemming leiden niet direct tot een afwijzing van een vergunningaanvraag. Dat geldt eveneens voor de betrokkenheid van een dienstonderdeel van een krijgsmacht bij dergelijke punten van zorg. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen met als eindgebruiker de Indonesische marine niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in het artikel van Pointer genoemde vergunningaanvragen.
Is dit nieuwe informatie voor u of was u al op de hoogte van de in het artikel genoemde aanwijzingen voor betrokkenheid van de marine bij mensenrechtenschendingen?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen werken diverse directies binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken nauw samen, in afstemming met de betrokken ambassade(s) en waar relevant ook met andere departementen. Ook openbare bronnen en informatie die voortvloeit uit het lokale netwerk van de ambassade(s) worden in de toetsing meegenomen.
Het ministerie is op de hoogte van de genoemde punten van zorg in de door Pointer aangehaalde bronnen. Om te komen tot een negatieve toetsing moet echter sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. In dat licht en gelet op de specifieke aard van de goederen en het eindgebruik is in de toetsingen voor eerdere afgegeven vergunningen een dergelijk risico niet vastgesteld.
Kunt u toelichten hoe u in het verleden bent gekomen tot de conclusie, zoals verwoord in brieven aan de Tweede Kamer, dat de Indonesische marine, «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen? Welke bronnen zijn geraadpleegd en leidden tot deze conclusie? Is de publiekelijk beschikbare informatie geraadpleegd door Pointer hierbij meegewogen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zich ervan bewust dat het zeer moeilijk is om informatie over de situatie in West-Papoea te krijgen, omdat internationale journalisten West-Papoea niet binnen komen, lokale journalisten worden geïntimideerd, en ook de VN-mensenrechtencommissaris niet welkom is? Is het u bekend dat West-Papoea om deze reden door experts een «black box» wordt genoemd, vergelijkbaar met Tsjetsjenië, Xinjiang en Tibet?
Het is bekend dat het voor internationale journalisten lastig kan zijn om een vergunning te krijgen om naar de Papoea provincies van Indonesië te reizen. Er zijn echter verschillende organisaties die rapporteren over de mensenrechtensituatie in Indonesië, bijvoorbeeld de organisaties die worden aangehaald in het betreffende artikel van Pointer. Daarnaast heeft de ambassade een uitgebreid netwerk in de verschillende regio’s van Indonesië, inclusief de Papoea provincies, waarmee Nederland de mensenrechtensituatie in Papoea nauwlettend kan en blijft volgen.
Als er zo weinig informatie over de situatie in West-Papoea beschikbaar is, vindt u het dan van gepaste zorgvuldigheid getuigen om export toe te staan omdat de Indonesische marine «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen?
Wapenexportcontrole bestaat uit een zorgvuldige risicoanalyse van alle beschikbare informatie die op het moment van toetsing beschikbaar is. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in deze vraag genoemde vergunningaanvragen met betrekking tot de uitvoer van schepen en scheepsonderdelen. Ter illustratie: in het geval van de uitvoer van scheepsonderdelen is na zorgvuldige analyse geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type goed gezien de aard en specificaties zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover wordt bericht.
Bent u het eens dat Europese regelgeving vraagt om uitvoer niet toe te staan bij alleen al het risico op mensenrechtenschendingen? Hoe is uw ministerie in tegenstelling tot mensenrechtenexperts tot de conclusie gekomen dat dit risico niet bestaat?
Nee. Het EU Gemeenschappelijk Standpunt vraagt van lidstaten onder meer te onderzoeken of er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologie kunnen worden gebruikt voor het toepassen of faciliteren van binnenlandse onderdrukking, ernstige daden van op gender gebaseerd geweld of ernstige daden van geweld tegen vrouwen en kinderen of andere ernstige schendingen van de mensenrechten. Het kabinet erkent in algemene zin dat naleving van de, ook in de Indonesische Grondwet vastgelegde, mensenrechten op verschillende terreinen een punt van zorg is, bijvoorbeeld in de Papoea provincies van Indonesië. Ten aanzien van de voor uitvoer naar Indonesië afgegeven vergunningen geldt echter dat vanwege de aard van de uit te voeren goederen er bij de toetsingen op grond van toepasselijke juridische kaders geen duidelijk risico op ongewenst eindgebruik is vastgesteld dat deze goederen gebruikt zullen worden voor het begaan van de schendingen waarover wordt gerapporteerd.
Wapenexportbeleid is geen sanctiebeleid, waarmee eventuele afkeuring van het beleid van een ander land kenbaar wordt gemaakt. Om een dergelijk gesprek vorm te geven gebruikt het kabinet andere kanalen.
Is het onderzoek van Pointer aanleiding voor u om de uitvoer van materiaal naar de Indonesische marine te heroverwegen? Zo ja, hoe gaat u de kamer over het herbeoordelingsproces informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het staande wapenexportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Met inachtneming van de algemene punten van zorg ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Indonesië is het kabinet, gelet op de aard van de onder lopende vergunningen uit te voeren goederen, niet voornemens om lopende vergunningen voor uitvoer naar Indonesië opnieuw te beoordelen.
Wordt het onderzoek van Pointer bij toekomstige beoordeling van uitvoer naar Indonesië meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen maakt het kabinet gebruik van diverse informatiebronnen. Op het moment dat nieuwe informatie zich aandient, wordt ook deze informatie meegewogen; dat geldt ook voor het onderzoek van Pointer.
Bent u van plan uw Indonesische ambtsgenoot te spreken over de bevindingen uit het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, wat het bespreken van de mensenrechtensituatie vergemakkelijkt. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken, zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband. Daarbij kijkt het kabinet nadrukkelijk naar wat de meest effectieve wijze is om zorgen over mensenrechten over te brengen, dat geldt ook voor de bevindingen uit het onderzoek.
Deelt u de zorgen van de inzet van drones voor mensenrechtenschendingen in West-Papoea, bijvoorbeeld doordat burgers ermee worden aangevallen?2
In algemene zin deelt het kabinet de zorgen over de inzet van drones door de Indonesische strijdkrachten daar waar deze inzet door onafhankelijke berichtgeving in verband wordt gebracht met mensenrechtenschendingen. In het geval van de eerder verleende exportvergunning voor de uitvoer van drones is na zorgvuldige analyse echter geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type drone, gezien de aard en specificaties, zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover is bericht. Op grond van de wapenexporttoets heeft het ministerie geen gronden voor afwijzing gevonden. Ook hier geldt dat het feit dat drone-inzet heeft plaatsgevonden niet een op een wordt vertaald naar een exportverbod op alle typen drones. Die weging wordt per geval gedaan.
Kunt u uitsluiten dat door Nederland geleverde drones in Indonesië worden ingezet bij mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u het ermee eens dat ook dual use exportvergunningen voor drones heroverwogen dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
De uitvoer van dual-use goederen voor militair eindgebruik wordt langs dezelfde lijnen beoordeeld als de uitvoer van militaire goederen. Daarmee geldt dat het kabinet van mening is dat het staande exportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de termijn van drie weken beantwoorden?
De vragen zijn binnen een termijn van drie weken beantwoord. Daar waar dit passend werd geacht zijn enkele vragen gebundeld.
Het bericht ‘Broers vermoorde Ryan voor de rechter, eergerelateerd geweld lijkt toe te nemen’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Zijn er cijfers, gespecificeerd naar achtergrond, rondom eerwraak? Zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, bent u bereid om dit in de toekomst wél bij te houden teneinde hier scherp beleid op te kunnen voeren?1
Ja, het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) publiceert jaarlijks cijfers, ook over de achtergrond van betrokkenen, in zijn jaarverslag.2
Onderzoekt u de correlatie tussen de komst van (met name) islamitische migranten uit diverse landen uit het Midden-Oosten en Afrika van de afgelopen tien/vijftien jaar en de ontwikkeling van eerwraak van de afgelopen tien/vijftien jaar? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken?
Nee, dat wordt niet onderzocht. Uit het onderzoeksrapport «De rol van religie bij het afbakenen, verklaren en aanpakken van eergerelateerd geweld» van J.H.L.J. Janssen blijkt dat eer en geweld met verschillende thema’s in verband kan worden gebracht zoals cultuur, familie, genderverhoudingen, mensenrechten, migratie, integratie en religie, en dat alle thema’s nuttige informatie opleveren omtrent het ontstaan en de aanpak van zaken die draaien om eer. Het bij elkaar brengen van al die thema’s is niet eenvoudig, maar wel noodzakelijk. De context van eergerelateerd geweld is namelijk complex. Bij het uitlichten van enkel één van die thema’s, zoals religie, schuilt het gevaar dat het eerprobleem eenzijdig in beeld wordt gebracht en sterk wordt vereenvoudigd. Dat moet worden voorkomen, omdat dat een constructieve aanpak van eergerelateerd geweld in de weg staat.
Aangezien het hoofd van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) stelt dat verandering in gesloten gemeenschappen van binnenuit moet komen en dat we moeten «meegeven hoe we met elkaar omgaan»: in hoeverre denkt u dat het in het belang van de goedwillende Nederlandse samenleving is dat we mensen in ons land verwelkomen die bepaalde cultureel gedreven gedragingen hebben, zoals eerwraak, die zó ontzettend haaks staan op onze verworvenheden die gebaseerd zijn op de moderniteit en de verlichting?
De beoordeling van het recht op een verblijfstatus is niet gekoppeld aan het bestaan van culturele waarden binnen bepaalde gemeenschappen in het land van herkomst. Wel kan een verblijfsvergunning worden geweigerd wanneer de aanvrager een gevaar vormt voor de openbare orde.
Dit kabinet streeft naar het versterken van het recht op zelfbeschikking binnen alle gesloten gemeenschappen. Deze inzet is gericht op mentaliteitsverandering richting acceptatie van gendergelijkheid en het respecteren van individuele vrijheid, onder andere door de inzet van voortrekkers uit die gemeenschappen zelf. Dit is een effectieve methode die ook bijdraagt aan het voorkomen van schadelijke praktijken waaronder eergerelateerd geweld. Naast deze brede preventieve aanpak zetten onder ander het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich in voor het verbeteren van de signalering van schadelijke praktijken door onder andere scholing van professionals in het zorg- en sociale domein.
Wat is de stand van zaken van de aangenomen motie Eerdmans, waarin het kabinet wordt verzocht in geval van eerwraak altijd de verblijfsvergunning in te trekken?2 Wanneer kunnen we concreet beleid hierop verwachten?
Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik u naar de brief van 9 december 20254 betreffende diverse onderwerpen op het gebied van migratie waarin uw Kamer is geïnformeerd over de afdoening van deze motie.
In hoeverre is bij de inburgering inmiddels ingebed dat er expliciet aandacht wordt besteed aan eergerelateerd geweld, conform de motie Eerdmans?3 Hoe ziet deze expliciete aandacht tijdens de inburgering er in de praktijk uit?
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland vrij is om zichzelf te zijn. Vrij is in het maken van eigen keuzes met respect voor de keuzes van een ander. Er is in het inburgeringsprogramma dan ook breed aandacht voor het zelfbeschikkingsrecht als onderdeel van de kennisoverdracht over het vrijheidsrecht. Het zelfbeschikkingsrecht, het recht van het individu op eigen keuzes en zelfstandigheid, en het belang en de betekenis van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw komen in de inburgering terug in de onderdelen Voorbereiding op de inburgering, Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en het participatieverklaringstraject (PVT). KNM en PVT zijn verplichte onderdelen in het inburgeringstraject voor iedere inburgeringsplichtige.
In het azc leren asielstatushouders via de Voorbereiding op de inburgering over zelfbeschikking. In de module Democratie en rechtstaat van het programma wordt ingegaan op vrouwen- en LHBTIQI+ rechten.
In de zogenaamde eindtermen (dat wat inburgeraars moeten kennen en weten) van het inburgeringsexamen KNM is het zelfbeschikkingsrecht expliciet opgenomen. De eindtermen zijn recent aangepast. Bij de eindtermen over de integriteit van het lichaam zijn expliciete voorbeelden van schadelijke praktijken zoals huiselijk geweld, besnijdenis van meisjes en eerwraak toegevoegd. Hierbij wordt benadrukt dat alle ongewenste intimiteit en geweld strafbaar is. De nieuwe eindtermen zijn op 1 juli 2025 in werking getreden. Inburgeraars worden in de B1 en onderwijsroute op deze kennis getoetst.
In het verplichte onderdeel PVT is er aandacht voor de kernwaarden van vrijheid waaronder het zelfbeschikkingsrecht, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Aan het eind van het traject moeten alle inburgeringsplichtigen de Participatieverklaring ondertekenen. Hiermee verklaren ze kennis genomen te hebben van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving, deze te respecteren, de universele mensenrechten te eerbiedigen en daarmee niet in strijd te handelen.
In de verzamelbrief inburgering van 16 oktober jl. heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie aangekondigd in te zetten op het verbeteren van de kennis over signalering van onveiligheid in de gemeentelijke inburgeringspraktijk.Voorlichting over de bestaande meldcodes voor huiselijk geweld en kindermishandeling en ongewenste (schadelijke) praktijken is op dit moment niet standaard aanwezig voor medewerkers die de werken met inburgeraars. Via de Actieagenda Integratie zet de Staatssecretaris in op het versterken van kennis over ongewenste praktijken en de meldcode in het sociaal domein met name gericht op wijkteams. Pharos ontwikkelt in het meerjarenplan Versterken preventie een regionale ketenaanpak schadelijke praktijken. Aan Pharos is gevraagd om ook inburgeringsconsulenten aan te haken in de keten.
Hoe verklaart u het dat in een 303 pagina’s tellend rapport «Kwalitatief onderzoek tweede fase Wet inburgering 2021»4 over inburgering en integratie het woord «eerwraak» slechts een keer voorkomt, terwijl er door de Kamer meermaals moties aangenomen zijn over het belang hiervan bij de inburgering en omdat de praktijk inmiddels heeft bewezen hoe ingrijpend de gevolgen van eerwraak kunnen zijn?
Het «Kwalitatief onderzoek tweede fase Wet inburgering 2021» betrof een breed onderzoek over de werking van de wet en is gebaseerd op casestudies bij zeven gemeenten. Het doel van dit onderzoek was potentiële verbeteringen in wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan in beeld te brengen en lessen voor gemeenten op te doen voor de uitvoering van de Wi2021. Het onderzoek gaat over de fase vanaf de aanmelding van de inburgeraars bij een taalschool en omvat de invulling van de drie leerroutes, de Module Arbeidsmarkt Participatie (MAP) en het participatieverklaringstraject (PVT). Ondanks dat het onderwerp eerwraak nauwelijks terugkomt in het rapport, wil dat niet zeggen dat er geen aandacht voor is. Iedere inburgeringsplichtige volgt KNM, waar eerwraak als onderwerp behandeld wordt en de kennis van de inburgeraar hierover wordt getoetst.
In ditzelfde rapport lezen we dat eerwraak enkel wordt genoemd in de context van de Z-route; hoeveel inburgeraars krijgen op dit moment jaarlijks voorlichtingen over eerwraak?
Zie het antwoord op vraag 5.
In hoeverre toetsen we hoe inburgeraars aankijken tegen de Nederlandse normen en waarden als het gaat om de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw en het gebruiken/toestaan van geweld?
Zie het antwoord op vraag 5.
Gelden deze voorlichtingen over eerwraak enkel voor de Z-route of breder? Indien breder, hoe zijn de verhoudingen tussen de diverse trajecten en de desbetreffende voorlichting?
Zie het antwoord op vraag 5.
Houdt men bij het beleid rondom voorlichting over eerwraak bij inburgeraars ook specifieke rekening met de correlatie tussen culturen met een verhoogd risico op eerwraak? Zo ja, hoe ziet dit in de praktijk eruit? Zo nee, waarom niet?
Nee, iedere inburgeringsplichtige volgt KNM, waar eerwraak als onderwerp behandeld wordt en ondertekent de Participatieverklaring waarmee zij verklaren kennis genomen te hebben van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving.
Het bericht 'Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang»?1
Bent u bekend met de Italiaanse wet waarin femicide officieel wordt erkend als misdrijf en wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf?
Welke juridische criteria worden gebruikt om femicide te onderscheiden van andere vormen van moord in de Italiaanse wet? Hoe verhoudt zich dit tot de bewijslast dat moet worden kunnen bewezen dat het slachtoffer is vermoord omdat zij vrouw is?
Op basis van welke motivatie wordt aan femicide een strafverzwarend kenmerk toegevoegd in de Italiaanse wet?
Is de redenering in de Italiaanse wet ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Hoe ziet u een Nederlandse versie van de Italiaanse wet? Welke voordelen en nadelen ziet u? Welke implicaties heeft het erkennen van femicide als apart misdrijf voor de opsporing en vervolging van de dader, de hulp en bescherming van de slachtoffers en prioritering bij het Openbaar Ministerie?
Zijn de rode vlaggen van femicide zoals onder andere stalking, (poging tot) verwurging, huiselijk geweld en dwingende controle opgenomen in deze Italiaanse wet? Zo ja, op welke manier is dit gebeurd en is dit ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Welke elementen uit de Italiaanse wet zouden wel en niet toepasbaar zijn binnen de Nederlandse kaders?
Bent u op de hoogte of er andere landen zijn die vergelijkbare wetgeving hebben ingevoerd of voornemens zijn dit te doen? Zo ja, zou u per land kunnen aangeven welke mogelijkheden u ziet om hun wetgeving toe te passen op Nederland? Heeft u bijvoorbeeld over dit onderwerp al eens contact gehad met uw Belgische counterpart over hun «femicinide wet»? Bent u bereid deze vragen één voor één en voor het kerstreces te beantwoorden?