Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
De juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen |
|
Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Postume tussenadoptie. Juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen»?1
Ja.
Is het waar dat vanwege de afwezigheid van formele registratie van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen er sprake is van «een lacune in het juridische en administratieve systeem, waardoor deze kinderen juridisch en administratief onvindbaar blijven»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, acht u het bezwaarlijk dat deze lacune bestaat en waarom?
Het is een afschuwelijke (en gelukkig ook uitzonderlijke) situatie wanneer een overleden, pasgeboren kind wordt aangetroffen, zonder dat duidelijk is om wie het gaat of wie de ouders zijn. In die situatie wordt als volgt gehandeld. Van een niet-geïdentificeerde overleden pasgeborene wordt aangifte gedaan van de geboorte door of namens de burgemeester van de gemeente waar het kind is gevonden. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt voorlopige namen in de geboorteakte op, in afwachting van het koninklijk besluit waarbij de voornamen en de geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld. De onbekende plaats- en dag van geboorte worden op aanwijzing van de officier van justitie in de akte vermeld, waarbij de gemeente van vinding als plaats wordt aangehouden. Dezelfde identiteitsgegevens worden opgenomen in de overlijdensakte, dan wel de akte van lijkvinding. Mocht de situatie zich voordoen dat de geboortemoeder en eventuele meeouder later bekend worden, dan kunnen de aktes via de officier van justitie en rechter worden verbeterd. De aangifte wordt, met de beschikbare gegevens, door de ambtenaar van de burgerlijke stand verwerkt in de registers van geboorten en overlijden, maar niet in de BRP, omdat overheidsinstanties hun gegevens niet nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen worden dus wel geregistreerd, maar zijn niet direct publiek vindbaar.
Overlijdensakten die ouder zijn dan vijftig jaar en geboorteakten die ouder zijn dan honderd jaar zijn openbaar en kunnen worden opgevraagd via de (plaatselijke) archieven of online bijvoorbeeld via het Centrum voor familiegeschiedenis. Dat geldt dus ook voor de geboorte- en overlijdensakten van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen. Afschriften van de geboorte- en overlijdensakten kunnen voor die periode alleen worden opgevraagd wanneer men belanghebbende is. Dat is in deze gevallen vaak lastig aantoonbaar. Daarnaast moet de belanghebbende ook duidelijke richtlijnen geven naar wiens geboorte- en overlijdensakten hij of zij op zoek is om gericht de registers te bevragen.
Deelt u de mening van de auteur van het genoemde artikel dat de huidige Nederlandse praktijk ook een potentieel mensenrechtelijk tekort betreft in de zin van dat deze praktijk en de bestaande regelgeving op gespannen voet staan met het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, die het recht op naam en identiteit waarborgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, mijns inziens is er geen sprake van een mensenrechtelijk tekort in ons huidige Nederlandse stelsel. Het is juist dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM)) het recht op bescherming van het privéleven waarborgt en het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) het recht op naam en identiteit. Echter, het EVRM en IVRK bevatten geen concrete verplichting om inschrijving voor niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen te faciliteren. Er is mij ook geen EVRM jurisprudentie bekend over dit exacte onderwerp.
Wat is uw mening over de oplossing die de genoemde auteur voorstelt ter correctie van het genoemde rechtstekort, namelijk het inzetten van «postume tussenadoptie»? Ziet u zelf andere mogelijkheden om dit tekort te corrigeren en, zo ja, welke dan?
Ik zie de voorgestelde oplossing van de zogenoemde postume tussenadoptie niet als een passende oplossing voor het verbeteren van de publieke vindbaarheid van deze kinderen. Mijn verwachting is namelijk niet dat postume tussenadoptie zal bijdragen aan de identificatie en publieke vindbaarheid van het kind voor diens familie. Het leed dat achter dit soort cases schuilgaat wordt hiermee evenmin voorkomen. Daarnaast lijkt het voorstel van postume tussenadoptie vooral gericht te zijn op naamgeving. Naamgeving is in het Nederlandse systeem primair belegd bij de ouders. Wanneer blijkt dat er geen geboorteaangifte van een levend dan wel stil geboren kind is gedaan, wordt met naamgeving door middel van postume tussenadoptie getreden in de autonomie van de ouders en wordt de relatie van het kind met de ouders in symbolische zin doorbroken. Immers, onbekend is of het kind al een naam had, of welke naam de ouder(s) in gedachten had(den) maar vrijwel vast staat dat de naam na de tussenadoptie niet de naam is die het kind via de ouders zou hebben gekregen. Om deze redenen zie ik geen aanleiding om de wetgeving aan te passen. Daarbij geldt ook dat het om een zeer beperkt aantal kinderen per jaar gaat, en dat gevallen van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen sinds 2023 niet meer zijn voorgekomen.2
Overweegt u om de wetgeving aan te passen, zodat de registratie en juridische erkenning van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen verbeterd gaat worden? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat mensenrechtenorganisaties oordelen dat de dood van de Libanese journalist Amal Khalil een Israëlische oorlogsmisdaad is. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch, Amnesty International en het onderzoeksplatform Legal Agenda naar de Israëlische aanval op 22 april op het zuiden van Libanon, waarbij de Libanese journalist Amal Khalil werd gedood?1
De resultaten van het onderzoek van de genoemde mensenrechtenorganisaties baren het kabinet zorgen. Het feit is dat te veel burgers, onder wie journalisten, omkomen in Libanon. Dit moet stoppen. Veiligheid van journalisten in de breedste zin van het woord is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten zijn, in hun hoedanigheid als burgers, beschermd onder internationaal recht. Zij moeten hun belangrijke werk, ook in conflictgebieden, in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet veroordeelt elke doelbewust aanval op journalisten overal ter wereld, ook in Libanon.
Herinnert u zich de op 15 april aangenomen motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 36 180, nr. 203) die de regering verzoekt bij te dragen aan onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden tegen hulpverleners in Libanon, waar mogelijk in EU- en VN-verband? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Mogelijke oorlogsmisdrijven vragen om gedegen en onafhankelijk onderzoek. Dit is ook het geval waar het humanitaire hulpverleners in Libanon betreft. Het is in eerste instantie aan de nationale autoriteiten in Libanon om onderzoek toe doen naar vermeende misdrijven. De Libanese autoriteiten doen dat ook. Nederland ondersteunt hun inspanningen onder meer door bij te dragen aan de versterking van de nationale capaciteit voor bewijsvergaring in Libanon. In dat kader verleent Nederland voor de periode 2026–2029 een financiële bijdrage van EUR 1.200.000,– aan het Libanese Nationale Comité voor Internationaal Humanitair Recht.
Ook steunt Nederland het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten (OHCHR) op verschillende manieren om onderzoek in de Libanese context te versterken. Ten eerste steunt Nederland het regionale OHCHR kantoor voor de mensenrechten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, gevestigd in Libanon, met een bedrag van EUR 1.250.000,– (2025–2026). Met deze steun draagt Nederland bij aan de monitoring van en rapportage over de mensenrechtensituatie in Libanon. Het OHCHR landenkantoor richt zich onder andere op mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël en Hezbollah.
Ten tweede steunt Nederland de OHCHR Human Rights Inquiries Branch met een bedrag van EUR 3.500.000,– voor de periode 2025–2027. Middels deze steun kan de Inquiries Branch ondersteuning en capaciteit beschikbaar stellen ten behoeve van het verifiëren, analyseren en documenteren van informatie met betrekking tot vermeende mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Inmiddels heeft de OHCHR Inquiries Branch een beoordelingsteam in Libanon ingezet om bovengenoemde werkzaamheden te verrichten. Het team zal informatie verzamelen over vermeende schendingen begaan door staten en niet-statelijke actoren in de periode vanaf maart 2026. Daarnaast draagt het kabinet dit jaar EUR 450.000 extra bij aan het OHCHR kantoor in Libanon. Het geld is bedoeld om dat kantoor verder te ondersteunen in onderzoek naar mogelijke mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht, maar zal ook worden gebruikt voor steun aan eerder genoemd beoordelingsteam.
Bent u bereid om in EU- en VN-verband te pleiten voor onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de aanval op en de dood van de Libanese journalist Amal Khalil zoals waar mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch, Amnesty International en het onderzoeksplatform Legal Agenda voor pleiten?
Nederland dringt aan op onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar vermeende internationale misdrijven, waar mogelijk ook bij individuele gevallen, zoals de aanval op de Libanese journalist Amal Khalil. Nederland vraagt internationaal al geruime tijd meer aandacht voor de toenemende straffeloosheid bij geweld tegen journalisten wereldwijd. Dit doet Nederland onder andere in de context van de Media Freedom Coalition, bijvoorbeeld door recente ondertekening van een verklaring over de veiligheid van journalisten en de toegang tot informatie in het Midden-Oosten.2 Daarnaast is, mede op initiatief van Nederland, sterkere taal opgenomen in de Mensenrechtenraadresolutie over vrijheid van meningsuiting. OHCHR heeft hiermee een ruimer mandaat gekregen voor onderzoek naar misdrijven tegen journalisten, met als doel bijdragen aan het tegengaan van straffeloosheid. Ook heeft Nederland tijdens de 62e Mensenrechtenraad in juni jl., samen met de Nederlandse niet-gouvernementele organisatie Free Press Unlimited, een side-event georganiseerd over het belang van de veiligheid van journalisten in conflictgebieden, met bijdragen van journalisten uit Oekraïne, Soedan en Gaza.
Indien onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar deze aanval niet in VN- of EU-verband kan plaatsvinden bent u bereid om ook buiten deze verbanden hier het voortouw te nemen zodat onafhankelijk en onpartijdig onderzoek hiernaar gedaan zal worden?
Zoals omschreven onder vraag 2, wordt door zowel Libanon en in VN-verband reeds het voortouw genomen op onafhankelijk en onpartijdig onderzoek zodat vermeende misdrijven – waaronder ook misdrijven gepleegd tegen hulpverleners en journalisten – niet onbestraft blijven.
Ontbossing en mensenrechtenschendingen in West-Papua |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de reactie vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken op de brief van de Samenwerkende Organisaties voor West-Papua van 4 juni 2026?
Welke informatie heeft u over de schaal van de ontbossing in Zuid-Papua, de betrokken bedrijven en de gevolgen hiervan voor de landrechten, voedselvoorziening en bestaanszekerheid van de Papoea’s aldaar?
In hoeverre wordt bij grootschalige landbouw-, palmolie- en energieprojecten in Papua daadwerkelijk de vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de gemeenschappen aldaar verkregen, conform artikel 32 van de VN-Verklaring over de Rechten van Inheemse Volken (UNDRIP)? Welke waarborgen bestaan hiervoor?
Klopt het dat lokale bewoners en mensenrechtenverdedigers die zich uitspreken tegen ontbossing en landonteigening te maken krijgen met intimidatie of andere vormen van druk? Welke informatie is daarover bij u bekend?
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan motie-Ceder over bij Indonesië aandringen op het waarborgen van de veiligheid en eerbiediging van de mensenrechten van de Papoea’s en activisten in het bijzonder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3436)?
Heeft u ook in bilateraal verband bij Indonesië aangedrongen op het waarborgen van de veiligheid en eerbiediging van de mensenrechten van de Papoea’s, en activisten in het bijzonder, en op veilige vertoningen van de documentaire Pesta Babi wanneer gewenst? Zo ja, wat was de reactie van de Indonesische autoriteiten? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen?
Welke concrete uitvoering heeft u gegeven aan de motie over de Europese Commissie verzoeken om verbetering van de mensenrechtensituatie in West-Papoea bespreekbaar te maken (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3406)? Is de situatie inmiddels ook onderdeel van de gesprekken over de relatie tussen de EU en Indonesië en het EU-Indonesia Comprehensive Economic Partnership Agreement (CEPA)?
Kunt u inzicht geven in eventuele Nederlandse betrokkenheid bij palmolie-, landbouw- of energieprojecten in het gebied? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse of Europese bedrijven en financiële instellingen bijdragen aan ontbossing of mensenrechtenschendingen in Papua? Liggen hier onafhankelijke risicoanalyses aan ten grondslag?
Welke waarborgen bieden de EU-ontbossingsverordening en de afspraken binnen CEPA dat producten uit Papua die de Europese markt bereiken niet afkomstig zijn van recent ontbost gebied en dat daarbij ook de landrechten van Papua-gemeenschappen worden gerespecteerd? Welke onafhankelijke risicoanalyses liggen hieraan ten grondslag?
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor een integrale aanpak waarbij de bescherming van het regenwoud, de landrechten en mensenrechten van de Papoea’s en de bescherming van mensenrechtenverdedigers expliciet onderdeel worden van de EU-Indonesiërelatie, en de Kamer hierover vóór de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken te informeren?
Kunt u, in het licht van bovenstaande vragen, reflecteren op de bijzondere historische en morele verantwoordelijkheid die Nederland draagt voor de bescherming van de rechten van de Papoea’s? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
De verlaging van de terugvordering van subsidie aan BIJ1 |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bassiehof – Pieter Heerma (CDA) negeert advies waakhond, doet BIJ1 ruim ton cadeau, zwijgt over waarom»?1
Klopt het dat BIJ1 van het eerder volledig teruggevorderde subsidievoorschot over 2024 uiteindelijk slechts circa € 95.000 hoeft terug te betalen? Kunt u de exacte bedragen vermelden van de verleende subsidie, het uitgekeerde voorschot, de definitief vastgestelde subsidie en de resterende terugvordering?
Wanneer, door wie en op welke juridische en feitelijke gronden is besloten de terugvordering te verlagen? Betreft dit een beslissing op bezwaar, een schikking of een ander besluit?
Welke nieuwe gegevens rechtvaardigen deze verlaging ten opzichte van het eerdere besluit om de subsidie op nihil vast te stellen?2
Heeft BIJ1 inmiddels een volledige subsidieverantwoording over 2024 aangeleverd, inclusief de vereiste accountantsverklaring? Wanneer zijn deze stukken ontvangen, welke gebreken zijn hersteld en welke tekortkomingen bestaan nog?
Voor welke concrete activiteiten en uitgaven mag BIJ1 de niet-teruggevorderde middelen behouden? Hoe is vastgesteld dat deze uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en binnen de wettelijke subsidiedoelen vallen?
Is de Commissie toezicht financiën politieke partijen (Ctfpp) opnieuw om advies gevraagd voordat de terugvordering werd verlaagd? Zo ja, wat luidde dit advies? Zo nee, waarom niet?
Hoe heeft u bij uw besluit meegewogen dat de Ctfpp vanwege herhaaldelijke niet-naleving volledige terugvordering adviseerde en een lichtere maatregel onwenselijk achtte?3
Heeft de financiële positie van BIJ1 of het risico op betalingsproblemen een rol gespeeld bij de verlaging? Zo ja, waarom heeft dit dan geleid tot een lager terug te betalen bedrag en niet uitsluitend tot een betalingsregeling?
Deelt u de opvatting dat politieke partijen die met belastinggeld worden gefinancierd hun besteding volledig moeten verantwoorden en dat herhaaldelijke tekortkomingen consequenties moeten hebben? Hoe geeft uw besluit daaraan invulling?
Hoe waarborgt u dat voor alle politieke partijen dezelfde maatstaven gelden bij ontbrekende verantwoording, overschrijding van hersteltermijnen en heroverweging van terugvorderingen? Kunt u aangeven in welke vergelijkbare gevallen sinds 2021 een terugvordering is verlaagd en op welke gronden?
Klopt het dat BIJ1 al geruime tijd over het gewijzigde besluit beschikte zonder dat de Kamer hierover afzonderlijk was geïnformeerd? Waarom is de Kamer niet actief geïnformeerd, terwijl dat na de bezwaarprocedure over de subsidie aan BIJ1 voor 2021 wel gebeurde?4
Bent u bereid het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit, het gewijzigde besluit, de onderliggende berekening, eventuele aanvullende adviezen en de bijbehorende beslisnota’s aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, wat verhindert de verstrekking van ieder afzonderlijk document?
Is het aangekondigde sanctieregime, dat volgens uw eerdere Kamerbrief vóór 1 juli 2026 in werking moest treden, inmiddels van kracht? Welke gevolgen verbindt dit regime aan herhaaldelijke overtredingen en is het bij deze besluitvorming toegepast?²
Bent u bereid alsnog het volledige voorschot terug te vorderen indien niet deugdelijk kan worden aangetoond dat de behouden middelen rechtmatig zijn besteed? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De berichtgeving over discriminatie bij de afdeling Handhaving van UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van het Algemeen Dagblad en EenVandaag die wijst op discriminatie, racisme en etnisch profileren bij de afdeling Handhaving van UWV?
Deelt u de mening dat selecteren op «land van herkomst» en zwangerschap discriminatie is?
Sinds wanneer stonden de risicokenmerken «land van herkomst» en zwangerschap in de werkinstructie van de afdeling Handhaving en wanneer zijn deze definitief verwijderd?
Heeft u eerder signalen of klachten ontvangen over discriminatie in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving? Zo ja, kunt u aangeven wat de aard en omvang van deze signalen of klachten waren, welke maatregelen heeft u daarop getroffen, en in hoeverre deze naar tevredenheid van de melder waren?
Heeft u signalen of klachten ontvangen over discriminatie op andere gronden dan land van herkomst of zwangerschap in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving?
Deelt u de mening dat signalen van mogelijke discriminatie, zoals de uitkomst van de interne analyse van UWV, direct bij de Minister dienen te worden gemeld, ook als vervolgonderzoek nog plaatsvindt?
Welke afspraken gelden momenteel binnen de rijksoverheid voor de omgang met ambtelijke signalen van mogelijke discriminatie als gevolg van beleid en/of op de werkvloer?
Acht u deze afspraken voldoende, gelet op het feit dat de signalen u pas laat hebben bereikt en gelet op de stelling in de berichtgeving dat niets is gedaan met signalen over de werkcultuur?
Kunt u aangeven wanneer de maatregelen gericht op de werkcultuur bij de afdeling, zoals door u geschetst in uw Kamerbrief (2026D48782), wat u betreft voldoende effectief zijn? Welke doelen stelt u hierbij?
Welke maatregelen treft u om slachtoffers van discriminatie op de werkvloer van de afdeling te beschermen, daders aan te pakken en bewustwording te creëren?
Kunt u aangeven waarom aanvankelijk door UWV is gekozen voor een interne analyse na vermoedens van mogelijke discriminatie, in plaats van direct een onafhankelijk extern onderzoek?
Hoe beoordeelt u de stelling in het Algemeen Dagblad dat het KPMG-onderzoek niet primair gericht is op het onderzoeken van discriminatie, maar op verschillen in de werkwijze per kantoor?
Met welke onderzoeksvraag is het KPMG-onderzoek in januari 2026 van start gegaan? Was het onderzoeken van discriminatie daar expliciet onderdeel van?
Is de richting van het KPMG-onderzoek gaandeweg aangepast? Zo ja, waarom?
Heeft de afdeling Handhaving van UWV de discriminatietoets voor publieke dienstverlening gebruikt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u bereid de gehanteerde algoritmes en risicoprofielen van het UWV door te lichten op mogelijke (indirecte) discriminatie en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Maakt UWV gebruik van geautomatiseerde selecties van uitkeringsgerechtigden voor controles op fraude? Zo ja, worden historische gegevens, waaronder uitkomsten van oudere fraudecontroles, gebruikt om dergelijke systemen te trainen?
Is door de afdeling Handhaving overwogen om over te gaan tot aselecte controles? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Op basis van welke risicokenmerken worden de controles door de afdeling Handhaving op dit moment uitgevoerd?
Kunt u aangeven welke maatregelen UWV heeft getroffen sinds het kinderopvangtoeslagenschandaal om discriminatie en etnisch profileren in de eigen dienstverlening te voorkomen en bestrijden?
Kunt u aangeven op welke manier UWV de uitspraak in de zaak aangespannen door Amnesty c.s. tegen de Staat1 heeft geïmplementeerd?
Kunt u aangeven of en op welke manier UWV het toetsingskader voor risicoprofielen, ontwikkeld door het College voor de Rechten van de Mens, heeft geïmplementeerd?
Welke vervolgstappen bent u van plan te nemen indien het onderzoeksresultaat wijst op discriminerend handelen?
Welke lessen neemt u in een eventuele hersteloperatie voor gedupeerden mee uit de handelwijze bij de hersteloperatie na discriminerende risicoprofilering bij DUO, waaronder de informatievoorziening aan burgers, dossierherbeoordeling en compensatie?
Het bericht ‘Discriminatie en racisme binnen afdeling handhaving bij UWV' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Racisme en discriminatie bij afdeling handhaving UWV, nieuwe hoogste baas biedt excuses aan»?1
Hoeveel mensen met een migratieachtergrond hebben vanwege hun migratieachtergrond te maken gekregen met een strenger controleregime bij het UWV dan mensen zonder migratieachtergrond?
Bent u bereid de beslissingen binnen de afgelopen vijf jaar opnieuw te controleren om zo vast te kunnen stellen of mensen met een migratieachtergrond in bepaalde regio’s inderdaad te maken hebben gekregen met een strenger controleregime vanwege hun achtergrond en waar nodig beslissingen opnieuw tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u pas na vragen van het Algemeen Dagblad (AD) over het onderzoek hoorde terwijl deze informatie al in januari bij uw ministerie bekend was? Zo ja, waarom zit hier zoveel tijd tussen?
Hoe ziet de tijdlijn tussen de start van het onderzoek en bekendmaking bij u eruit? Welke stappen werden wanneer gezet, en wie werd wanneer geïnformeerd?
Waarom is het advies om op basis van de uitkomsten van het eerdere interne onderzoek een nader specifiek onderzoek te doen naar mogelijk racisme en discriminatie bij het uitdelen van boetes eerder niet opgevolgd, waardoor de uitkomsten van dit onderzoek al bijna een jaar op de plank liggen?
Welke stappen heeft u genomen toen u bekend werd met de uitkomsten van het interne onderzoek bij het UWV?
Klopt het dat er een extern onderzoek loopt naar het UWV? Klopt het dat er in dit onderzoek vooral gekeken wordt naar verschillen per kantoor van het UWV?
Welke andere aspecten binnen het UWV worden in dit externe onderzoek meegenomen?
Welke afdelingen binnen het UWV vallen onder dit externe onderzoek?
Worden de verschillen in het controleregime bij verschillende regio’s en eventuele racistische of discriminerende aspecten bij de controle ook meegenomen binnen dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Worden discriminerende en racistische uitingen bij de werving, selectie en het behoud van personeel ook meegenomen in dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Kunt u de onderzoeksopzet met de Kamer delen?
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van dit onderzoek verwachten?
Wat vindt u van het verhaal van Minke van den Berg bij EenVandaag? Wat vindt u ervan dat zij intern werd aangepakt toen ze de vermeende discriminatie aankaartte bij haar manager?
Welke maatregelen worden er binnen het UWV genomen om te voorkomen dat niet de melder, maar de dader in het vervolg wordt aangepakt?
Kunt u reflecteren op de in de media geschetste voorbeelden en daarbij in elk geval meenemen of u racisme en discriminatie binnen het UWV ziet als een probleem van individuen of als een cultureel en organisatie breed probleem binnen de werkorganisatie van het UWV?
Welke andere stappen neemt u om ervoor te zorgen dat racisme en discriminatie in de organisatie en bij handhaving direct worden aangepakt zolang het onderzoek loopt?
Welke stappen neemt het UWV tegen de in het artikel genoemde medewerkers die personeel bewust afwijzen gebaseerd op afkomst?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De vervolging van beledigende uitlatingen en de prioriteiten van het Openbaar Ministerie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Jan Roos en Dennis Schouten voor rechter om online vernedering van twee vrouwen»?1
Zonder in te gaan op het individuele geval, deelt u de mening dat het strafrecht een ultimum remedium behoort te zijn en niet bedoeld is om iedere smakeloze, grove, kwetsende of beledigende uitspraak in Nederland via de strafrechter te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe rechtvaardigt u dat schaarse capaciteit van Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak wordt ingezet voor de vervolging van eenvoudige belediging in zijn algemeenheid, terwijl diezelfde strafrechtketen kampt met grote capaciteitsproblemen en tal van veel ernstiger strafzaken om aandacht vragen?
Acht u het werkelijk een taak van het OM om via het strafrecht een bepaalde maatschappelijke omgangscultuur te bevorderen? Zo ja, waar ligt dan de grens tussen het vervolgen van daadwerkelijk strafwaardig gedrag en het via het strafrecht afdwingen van fatsoen?
Hoe beoordeelt u de redenering dat verbale agressie door publieke figuren kan bijdragen aan een cultuur waarin ernstiger vormen van geweld mogelijk worden? Op welke objectieve criteria en wetenschappelijke onderbouwing baseert het OM een dergelijke redenering en welke betekenis mag dit hebben bij de beslissing om iemand strafrechtelijk te vervolgen?
Hoeveel zaken wegens eenvoudige belediging op grond van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht zijn de afgelopen vijf jaar jaarlijks door het OM afgedaan en hoeveel daarvan zijn daadwerkelijk aan de strafrechter voorgelegd?
Kunt u aangeven hoeveel capaciteit jaarlijks gemoeid is met eenvoudige beledigingszaken en acht u deze inzet, gelet op de overige problemen binnen de strafrechtketen, doelmatig?
Deelt u de mening dat burgers in een vrije samenleving in beginsel tegen grove, kwetsende en beledigende woorden moeten kunnen en dat het strafrecht pas in beeld behoort te komen wanneer daadwerkelijk zwaardere grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld bij bedreiging, opruiing of het aanzetten tot geweld?
Bent u bereid te onderzoeken of eenvoudige belediging als zelfstandig strafbaar feit uit artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht kan worden geschrapt, waarbij zwaardere uitingsdelicten en andere strafbare gedragingen uiteraard strafbaar blijven? Zo nee, waarom acht u strafrechtelijke bestraffing van eenvoudige belediging in 2026 nog noodzakelijk?
Postume tussenadoptie, juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen |
|
Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de eerdere vragen van het lid Mutluer over hetzelfde onderwerp?1
Maakt u bij uw antwoord, dat postume tussenadoptie niet zal bijdragen aan de identificatie en publieke vindbaarheid van het kind, onderscheid tussen forensische identificatie (die via de bestaande N.N.-registratie en het DNA-profiel gewaarborgd blijft) en maatschappelijke vindbaarheid, zoals een publiek raadpleegbare naam en registratie? Zo ja, op welke van beide doelen doelde u in uw antwoord?
Kunt u toelichten hoe bij postume tussenadoptie de ouderlijke autonomie bij naamgeving doorbroken zou worden in gevallen waarin, na een bewaartermijn van één jaar, geen enkele ouder is geïdentificeerd of getraceerd?
Deelt u de mening dat er in deze gevallen nooit een door de ouders gegeven naam heeft bestaan, aangezien er geen geboorteaangifte heeft plaatsgevonden? Zo ja, op welke grond stelt u dat de adoptieve naam een «andere» naam zou zijn dan het kind «via de ouders zou hebben gekregen»? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Onderkent u dat het ontbreken van nieuwe gevallen niets zegt over de toepasbaarheid van de voorgestelde regeling op de naar schatting circa 250 bestaande, historische gevallen sinds de Tweede Wereldoorlog en over gevallen die niet in de publiciteit zijn verschenen en dus niet in het overzicht zijn opgenomen? Bent u bereid dit alsnog in uw beoordeling te betrekken?
Kunt u alsnog ingaan op de vraag of u zelf andere mogelijkheden ziet om het gesignaleerde verschil in behandeling tussen levenloos geboren kinderen (sinds 2019 registreerbaar) en kort na de geboorte overleden, niet-geïdentificeerde kinderen te corrigeren? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u?
Wat is uw mening over een uitbreiding van artikel 2:56a van de Wet basisregistratie personen naar niet-geïdentificeerde kinderen die kort hebben geleefd, zonder gebruik te maken van de figuur «adoptie» en analoog aan de bestaande regeling voor levenloos geboren kinderen?
Het bericht 'Premier Jetten: uitspraak over ’vol op hun bek slaan’ was ’slip of the tongue’' en het 'Briefje van Jan - aan Rob ‘Badr’ Jetten' - by Jan Dijkgraaf |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Handhaaft u uw uitspraak over «goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties» die kleine en grote groepen zouden aanvallen om meer macht te verkrijgen en hun eigen zakken te vullen wel, of trekt u die ook in?1, 2
Welke organisaties bedoelde u en op welke concrete feiten baseerde u deze uitspraak?
Is er volgens u in de recente onderzoeken door de Universiteit Utrecht of de Universiteit van Amsterdam over homoaccepatie onderzoek naar gedaan? Zo ja, welke organisaties zijn in deze onderzoeken genoemd?
Welke financieringsstromen bedoelde u precies? Kunt u aangeven wie de financiers zijn, uit welke landen deze afkomstig zijn en welke organisaties deze middelen ontvingen en hoeveel?
Zijn bij de door u genoemde financieringsstromen buitenlandse overheden of aan hen gelieerde organisaties betrokken? Zo ja, welke en waaruit blijkt hun betrokkenheid?
Welke «kleinere groep» of «grotere groepen» worden volgens de Minister-President gepakt en door welke organisatie of organisaties? Waaruit blijkt dat zij een strategie volgen waarbij zij achtereenvolgens steeds grotere groepen treffen? Welke groepen zijn dat precies?
Hoe zagen die «goed georganiseerde en goed gefinancierde» aanvallen er in de praktijk uit? Kunt u per aanval aangeven wat er heeft plaatsgevonden en op welke feiten u de betrokkenheid van de door u bedoelde organisaties baseert?
Waaruit blijkt dat de door u bedoelde organisaties met deze activiteiten meer macht proberen te verkrijgen? Welke macht betreft dit en in hoeverre zijn zij daarin geslaagd?
Waarop baseert u uw bewering dat deze organisaties hun eigen zakken vullen? Welke organisaties of personen hebben zich volgens u verrijkt, met welke bedragen en hoe houdt deze verrijking verband met de door u genoemde aanvallen?
Kunt u dit uitsplitsen per land, per donor en per ontvangende organisatie?
Doelde u met «aanvallen» op geweld, bedreiging of andere volgens u strafbare feiten? Welke?
Zitten hier ook uitingen en activiteiten bij die u afwijst maar wel binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting vallen? Zo ja, welke?
Vindt u dat van een Minister-President mag worden verwacht dat hij dergelijke beschuldigingen toelicht en onderbouwt, ook wanneer hij spreekt op een partijcongres? Waarom heeft u daarbij niet duidelijk gemaakt welke organisaties u bedoelde?
Indien u uw beweringen over georganiseerde aanvallen, machtsverwerving en zelfverrijking niet kunt onderbouwen, bent u dan bereid deze publiekelijk te corrigeren?
Indien in de antwoorden opgenomen gaat worden dat delen van de gevraagde informatie niet gedeeld kan worden, kunt u dan per onderdeel aangeven waarom er een belemmering bestaat om deze openbaar te delen? Zo nee, waarom niet?
Sinds wanneer beschikt het kabinet over de informatie waarop u uw uitspraken baseert?
Aangezien u de woorden dat u mensen «vol op de bek ging slaan» heeft ingetrokken, hoe kijkt u terug op het enthousiast mee applaudisseren van de D66-leden ter plekke?
Geweld tegen journalisten tijdens de demonstratie op het Malieveld |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat journalisten tijdens deze demonstratie naar verluidt zijn bespuugd, uitgescholden, geduwd en bekogeld met onder meer stenen, vuurwerk en blikjes, terwijl zij herkenbaar als journalist aanwezig waren?
Deelt u de opvatting dat journalisten hun werk bij demonstraties en andere situaties met een verhoogd veiligheidsrisico vrij en veilig moeten kunnen uitvoeren en dat geweld tegen journalisten niet alleen de betrokken journalisten raakt, maar ook de vrije nieuwsgaring en daarmee onze democratische rechtsstaat?
Hoeveel aangiften zijn naar aanleiding van het geweld tegen journalisten op en rond het Malieveld gedaan? Hoeveel van deze incidenten worden momenteel door de politie onderzocht?
Worden beschikbare camerabeelden, waaronder beelden van journalisten, omstanders, politie en gemeentelijke camera's, veiliggesteld en gebruikt om verdachten van geweld tegen journalisten te identificeren?
Op welke wijze werken politie, Openbaar Ministerie en PersVeilig samen om ervoor te zorgen dat de daders van geweld tegen journalisten tijdens deze demonstratie worden opgespoord en, waar mogelijk, vervolgd? Op welke wijze wordt er op dit moment prioriteit gegeven aan meldingen en aangiften waarbij sprake is van geweld tegen journalisten door politie, het Openbaar Ministerie en PersVeilig? Kunt u bevestigen dat elke melding kan rekenen op opvolging?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling dat PersVeilig dit jaar, met nog een aantal maanden te gaan, al 58 meldingen van fysiek geweld tegen journalisten heeft ontvangen, terwijl dat er in 2025 slechts 55 waren? Is PersVeilig voldoende toegerust om het toenemend aantal meldingen in behandeling te nemen?
Heeft u voldoende zicht op de feitelijke omvang van geweld en agressie tegen journalisten, mede omdat incidenten niet altijd bij PersVeilig of de politie worden gemeld? Zo nee, hoe gaat u dit inzicht verbeteren?
Welke concrete maatregelen worden nu genomen om journalisten beter te beschermen tijdens demonstraties waarbij vooraf een verhoogd risico op geweld of ongeregeldheden wordt voorzien? Acht u deze maatregelen voldoende?
Welke instructies gelden voor politieagenten en de ME voor de omgang met herkenbare journalisten tijdens het beëindigen van een demonstratie of bij grootschalige openbare-ordehandhaving? Vindt er ook onderzoek dan wel een evaluatie plaats naar de veiligheid van journalisten tijdens demonstraties?
Bent u bereid de gebeurtenissen op het Malieveld te betrekken bij de aanpak van agressie en geweld tegen journalisten en de Kamer te informeren over eventuele aanvullende maatregelen die naar aanleiding hiervan worden genomen?
Discriminerende vraagsuggesties en antwoorden van Google |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het inmiddels bijna 10 jaar oude artikel «Google moet stoppen met automatisch discrimineren»1, dat aankaart dat de zoekmachine van Google in sommige gevallen discriminerende vraagsuggesties geeft?
Bent u bekend met het feit dat dit nog steeds niet is opgelost, wat blijkt uit dat bij het intypen van «alle Marokkanen z» op google.nl bij gebruik van een incognitovensterop op 11 augustus 2026, Google deze vraagsuggestie aanvulde met discriminerende teksten zoals «alle Marokkanen zijn kanker ratten» of «alle Marokkanen weg»?
Bent u daarnaast bekend met het feit dat na het indienen van de zoekopdracht «overlast» in combinatie met de naam van een gemeente op google.nl bij gebruik van een incognitovenster op 11 augustus, in het geval van onder meer de gemeenten Veenendaal, Tiel, Culemborg, Oosterhout, Hoogezand, Zutphen en Weert, Google de «Meer om te vragen»-suggesties «Hoeveel Marokkanen wonen/zijn er in [gemeente x]?» of «Hoeveel Turken wonen/zijn er in [gemeente x]?» opperde en dat de knop om ongepaste suggesties te melden bij dit type zoekresultaat ontbreekt?
Bent u ook bekend met de berichtgeving van Euronews2 en Le Monde3 dat het AI-gegeneerde antwoord van Google eind augustus 2026 op de zin «ik ben alleen met een Italiaan» gesprekstips betrof, maar bij dezelfde zin met «Algerijn» in plaats van «Italiaan», het model vroeg of je in gevaar was en je het nummer van de politie toonde?
Deelt u de mening dat dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden, die automatisch gegenereerd en getoond worden, een discriminerend verband leggen door overlast of gevaar te koppelen aan afkomst?
Hoe beoordeelt u de aanpak van Google om, net als bij de vraagsuggesties, dit soort patronen pas na ophef of een melding bij te sturen, en dan vooral voor de vraag die in het nieuws kwam, terwijl hetzelfde patroon in het model kan blijven zitten en bij andere vragen onopgemerkt blijft?
Welke risico's ziet u daarbij nu dezelfde modellen de basis vormen van steeds meer toepassingen, waardoor zulke vooroordelen niet in elk geval zichtbaar worden maar wel ongemerkt kunnen doorwerken?
Hoe kijkt u naar de verantwoordelijkheid van Google en andere leveranciers van grote AI-modellen om vooroordelen uit de trainingsdata vooraf, bij het ontwerp en bij de toetsing van hun modellen, te herkennen en in het model zelf te corrigeren, bijvoorbeeld via red-teaming of bias-audits, in plaats van de uitkomsten per geval bij te sturen nadat gebruikers of media ze toevallig hebben opgemerkt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een groot en invloedrijk platform als Google op deze manier bijdraagt aan het in stand houden en versterken van vooroordelen, en dat de omvang en het bereik van Google diens verantwoordelijkheid alleen maar groter maken?
Bent u hierover in gesprek met Google en andere leveranciers van grote AI-modellen, en is bij u bekend of zij structureel testen op discriminerende associaties in hun zoeksuggesties, aanbevelingsalgoritmes, autocomplete-functies en AI-antwoorden? Zo ja, wat heeft dat gesprek tot nu toe opgeleverd? Zo nee, bent u bereid dit gesprek aan te gaan en dit bij hen na te vragen?
Heeft u inzicht in de wijze waarop dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden van Google tot stand komen? Zo nee, welke maatregelen treft u om dit inzicht wel te krijgen, en in hoeverre kan de digitaledienstenverordening (DSA) hierbij worden ingezet om transparantie van Google over de werking van deze systemen af te dwingen?
Hoe verklaart u dat deze discriminerende suggesties jarenlang zichtbaar zijn gebleven, terwijl Google onder de DSA al verplicht is de risico's van discriminatie in kaart te brengen en zich daarop jaarlijks onafhankelijk te laten controleren? Gelden deze verplichtingen wat u betreft ook voor de AI-antwoorden in de zoekmachine van Google, en zo ja, hoe wordt daarop toegezien?
Welke verplichtingen hebben aanbieders van grote AI-modellen onder de AI-verordening om vooroordelen in hun modellen te beoordelen en te beperken, en wie ziet daarop toe?
Welke oplossingsrichtingen ziet u om vooroordelen in zoeksuggesties en in grote AI-modellen structureel op te sporen en te beperken, in plaats van per geval na meldingen, bijvoorbeeld via onafhankelijke audits of algoritmetoezicht?
Bent u bereid in Europees verband te bepleiten dat platformen en aanbieders van AI-modellen zoals Google niet alleen moeten rapporteren dát zij hun systemen toetsen op discriminatie, maar ook openbaar moeten maken wat die toetsing oplevert en wat zij met de uitkomsten doen?
Bent u bereid Google op korte termijn aan te spreken op het ontbreken van een meldknop bij de «Meer om te vragen» suggesties en op de voorbeelden uit deze vragen?
Bent u bereid deze situatie ook te melden bij de Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie, en de Kamer te informeren over de reacties?
Bent u bereid de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme te betrekken bij de aanpak van discriminatie door zoekmachines en AI-systemen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De vervolging van de presentatoren van RoddelPraat en de onderbouwing van het vervolgingsbeleid bij beledigende uitlatingen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) Jan Roos en Dennis Schouten vervolgt wegens beledigende uitlatingen over twee vrouwen in hun programma RoddelPraat?
Kunt u bevestigen dat het OM deze vervolging publiekelijk heeft toegelicht met de stelling dat verbale agressie tegen vrouwen bijdraagt aan een cultuur waarin ernstigere vormen van geweld mogelijk worden? Kunt u de volledige toelichting aan de Kamer verstrekken?
Hanteert het OM de zogenoemde «piramide van geweld», of vergelijkbare modellen waarin beledigingen en seksistische grappen in verband worden gebracht met mishandeling, verkrachting en moord, bij zijn vervolgingsbeleid, interne opleidingen of publieke communicatie? Zo ja, welke modellen betreft dit en kunt u de bijbehorende documenten verstrekken?
Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het door het OM genoemde verband tussen verbale agressie tegen vrouwen en ernstigere vormen van geweld? In hoeverre tonen deze onderzoeken een oorzakelijk verband aan, en in hoeverre beschrijven zij correlaties, maatschappelijke opvattingen of theoretische veronderstellingen?
Welk onderscheid maakt het OM tussen een model dat wordt gebruikt voor maatschappelijke bewustwording en een wetenschappelijk gevalideerd model dat geschikt is om concrete beslissingen over strafrechtelijke vervolging te ondersteunen?
Hoe voorkomt het OM dat algemene uitspraken over een maatschappelijke cultuur worden vertaald naar verantwoordelijkheid van individuele verdachten voor geweld dat zij niet hebben gepleegd en waartoe zij niet hebben aangezet?
Welke criteria hanteert het OM om beledigende uitlatingen over een vrouw aan te merken als gendergerelateerde agressie? Is daarvoor bepalend dat de beledigde persoon een vrouw is, of moet ook een aantoonbaar verband bestaan tussen de uitlating en haar geslacht?
Deelt u de opvatting dat de ernst en urgentie van geweld tegen vrouwen op zichzelf geen bewijs vormen voor de stelling dat specifieke beledigende uitlatingen aan dat geweld bijdragen? Hoe wordt dit onderscheid bewaakt in het vervolgingsbeleid en de communicatie daarover?
Welke betekenis heeft de veronderstelde bijdrage van uitlatingen aan een gewelddadige cultuur voor de beslissing om wegens belediging te vervolgen? Betreft dit een zelfstandig vervolgingsargument, een factor bij de prioritering of uitsluitend een toelichting voor het publiek, en op welke beleidsregels berust deze toepassing?
Hoe waarborgt het OM bij dergelijke vervolgingsbeslissingen de vrijheid van meningsuiting, waaronder de ruimte voor satire, overdrijving en uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en hoe worden de rechten en reputatie van betrokkenen daartegen afgewogen?
Hanteert het OM dezelfde vervolgingscriteria bij vergelijkbare beledigingen over het uiterlijk van mannen en vrouwen? Zo nee, welke verschillen bestaan er en wat is daarvoor de objectieve rechtvaardiging?
Hoe voorkomt het OM dat het in zijn publieke communicatie verdachten van belediging tevens in verband brengt met ernstige geweldsdelicten waarvoor zij niet worden vervolgd? Hoe verhoudt dergelijke communicatie zich tot de onschuldpresumptie en de vereiste terughoudendheid tegenover verdachten?
Hoe wordt de inzet van opsporings- en vervolgingscapaciteit voor beledigingszaken afgewogen tegen de inzet voor concrete bedreiging, stalking, mishandeling en seksueel geweld? Welke rol spelen de ernst van het feit, het aantoonbare risico voor slachtoffers en de bekendheid van verdachten daarbij?
Klopt het dat deze zaak aan een meervoudige strafkamer wordt voorgelegd? Zo ja, welke overwegingen rechtvaardigen die keuze en in hoeverre is deze behandeling gebruikelijk bij vergelijkbare beledigingszaken?
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de wetenschappelijke en juridische onderbouwing van het gebruik van de «piramide van geweld» of vergelijkbare modellen binnen het OM, en te laten toetsen of daarbij voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke urgentie, empirisch bewijs en individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid?
De uitspraken van de premier op het D66-congres van 27 september 2026 |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraken op het D66-congres van 27 september 2026, waar u stelde dat «die aanvallen op de LHBTI-gemeenschap of de aanvallen op vrouwen of de aanvallen op minderheden van kleur of geloof, die komen niet zomaar uit de lucht vallen», dat het gaat om «goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties die proberen eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep om alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen», waaraan u toevoegde: «we gaan die lui niet laten winnen, maar we gaan ze vol op hun bek slaan»?
Onderschrijft u de opvatting van de Afdeling advisering van de Raad van State dat bewindspersonen «ook politici» blijven, dat «het feit dat bewindspersonen verschillende rollen vervullen» bijzondere eisen aan hen stelt, dat «de mate waarin rolzuiverheid is betracht» een van de factoren kan zijn bij de weging van hun handelen, dat het vertrouwen van het parlement in een bewindspersoon «niet enkel samen[hangt] met het beleid dat de Minister voert, maar ook kan afhangen van de gedragingen van de bewindspersoon in de privésfeer, die losstaan van zijn verantwoordelijkheden als Minister», dat de Kamer daarover kan oordelen, «ook wanneer het gaat om een gedraging die strikt genomen buiten de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid valt», dat de Minister-President in integriteitskwesties een «bijzondere rol» heeft, en dat het van belang is dat hij «niet alleen in woord en gedrag het goede voorbeeld geeft, maar ook collega-bewindspersonen hierin begeleidt, adviseert en zo nodig aanspreekt»?
Erkent u, in het licht van het voorgaande, dat uw uitspraken op het congres, ongeacht de vraag of u daar als partijleider sprak, onvermijdelijk ook afstralen op uw rol als Minister-President, en dat u daarover verantwoording verschuldigd bent aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u, in het licht van het voorgaande, uw eigen woorden?
Rekent u ook maatschappelijke organisaties of in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen die kritiek hebben op het lhbti-beleid van het kabinet, tot de door u bedoelde organisaties? Kunt u een overzicht van de namen van de organisaties die u bedoelde aan de Kamer verstrekken?
Welke «aanvallen op minderheden» bedoelde u precies? Doelt u daarbij op strafbare aanvallen, zoals geweldpleging of bedreiging, of ook op niet-strafbare «aanvallen», zoals politieke uitingen en (lobby-)activiteiten die binnen de grenzen van de wet vallen?
Op grond van welke feiten stelt u dat deze aanvallen door de door u bedoelde organisaties worden georganiseerd of gefinancierd? Kunt u per organisatie aangeven welke concrete aanvallen aan haar zijn toe te rekenen? Zo nee, waarom niet?
Waaruit blijkt dat deze organisaties een strategie volgen waarbij zij, in uw woorden, «proberen eerst een kleine groep te pakken, daarna een steeds grotere groep»? Welke documenten, onderzoeken of inlichtingen liggen aan die bewering ten grondslag?
Waaruit blijkt dat het oogmerk van deze organisaties is om «alleen maar zelf meer macht te krijgen en de eigen diepe zakken meer te vullen»? Welke documenten, onderzoeken of inlichtingen liggen aan die bewering ten grondslag?
Als u de door u bedoelde organisaties niet kunt noemen, of uw beweringen over hun strategie, hun oogmerk en hun betrokkenheid bij aanvallen niet deugdelijk kunt onderbouwen, waarom heeft u deze beweringen dan in het openbaar gedaan?
Herinnert u zich uw toespraak van 5 augustus 2026 bij de opening van de Human Rights Conference, waarin u stelde dat «achter de façade van vrijheid van meningsuiting» «giftige, goed georganiseerde en stevig gefinancierde groepen» schuilgaan die «haat verspreiden en hun eigen agenda uitrollen»?
Welke groepen bedoelde u op 5 augustus met de groepen die zich «achter de façade van vrijheid van meningsuiting» verschuilen? Zijn dat dezelfde organisaties als die u op 27 september bedoelde? Waarop baseert u dat wanneer deze groepen zich beroepen op de vrijheid van meningsuiting, sprake is van een «façade», ofwel een bedrieglijke schijn?
Worden de middelen die u op 5 augustus 2026 aankondigde, waaronder 7,5 miljoen euro per jaar voor de veiligheid van de queergemeenschap en een publiekscampagne gericht op het tegengaan van discriminatie en desinformatie, ingezet tegen de door u bedoelde groepen?
Wie bepaalt welke uitingen daarbij als «desinformatie» worden aangemerkt? Op basis van welke bronnen wordt bepaald of informatie waar of onwaar is? Is het op basis van die bronnen waar of onwaar dat er twee geslachten zijn (man en vrouw)? Is het op basis van die bronnen waar of onwaar dat mannen zwanger kunnen raken en kunnen bevallen van een baby?
Oefent het kabinet, nu u stelt dat bedrijven achter social media «nauwelijks nog modereren op haatcontent», druk uit op deze bedrijven om uitingen omtrent de door u bedoelde groepen te verwijderen of minder zichtbaar te maken? Zo ja, op welke wijze en op basis van welke wettelijke grondslag? Hoe verhoudt dat zich tot de uitingsvrijheid en het censuurverbod?
Wie bedoelde u precies met «die lui»: de door u bedoelde organisaties, de personen die daaraan leiding geven, de personen die aanvallen plegen, of anderen?
Erkent u dat «iemand op zijn bek slaan» in het normale spraakgebruik betekent dat iemand een harde klap op zijn hoofd krijgt en derhalve fysiek geweld wordt aangedaan?
Heeft u tijdens het congres opgemerkt dat u niet daadwerkelijk heeft bedoeld wat u letterlijk heeft gezegd en dat u fysiek geweld tegen «die lui» afwijst? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat toehoorders of kijkers uw woorden opvatten als een rechtvaardiging voor fysiek geweld tegen personen die zij tot «die lui» rekenen? Zo ja, hoe kunt u dat uitsluiten?
Herinnert u zich dat u op 26 mei 2026 in de Tweede Kamer, tijdens het debat over het normaliseren van geweld in politiek en samenleving, verklaarde: «Wat we hier in de Tweede Kamer zeggen, als Kamerleden of als kabinetsleden, maakt heel veel uit. Onze woorden hebben rechtstreeks effect op wat er op straat gebeurt. Als politici oproepen tot verzet, hitsen ze daarmee burgers op tegen het lokale bestuur, tegen hulpverleners en tegen mensen die aan het werk zijn in bijvoorbeeld de asielopvang.»? Erkent u dat, als volgens u al een oproep tot verzet burgers ophitst, dit te meer geldt voor de aankondiging van een Minister-President dat «we» «die lui» «vol op hun bek» gaan slaan? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich het Nederlandse Omroep Stichting (NOS) op 3 Verkiezingsprogramma van 1 november 2023, waarin u Thierry Baudet, de toenmalig fractievoorzitter van Forum voor Democratie, voorhield dat «die verschrikkelijke taal die u en uw collega's altijd bezigen over transpersonen in Nederland, die leiden uiteindelijk tot meer homohaat in Nederland»? Herinnert u zich dat u hem en zijn partij verantwoordelijk hield voor homohaat? Herinnert u zich dat de heer Baudet minder dan drie weken later met een bierfles een harde klap tegen zijn hoofd kreeg vanwege zijn kritiek op het lhbti-beleid? Houdt u rekening met de mogelijkheid dat uw uitingen bijdragen aan het klimaat waarin het legitiem wordt geacht om geweld te gebruiken tegen personen die kritiek hebben op het lhbti-beleid? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat opruiing volgens vaste rechtspraak wordt omschreven als «het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen»? Hoe beoordeelt u uw eigen woorden in het licht van deze jurisprudentie?
Erkent u dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hieromtrent heeft geoordeeld dat mede beslissend is of een uitlating werd gedaan tegen een gevoelige maatschappelijke of politieke achtergrond, of in een klimaat van vijandigheid en haat, waarin zij onrechtmatige handelingen kon uitlokken en personen kon blootstellen aan een reële dreiging van fysiek geweld? Erkent u dat u zelf de achtergrond van uw uitspraak omschrijft als een klimaat waarin «uitingen van homohaat steeds openlijker en feller van toon worden»? Hoe weegt u die door u zelf geschetste achtergrond bij de beoordeling van uw eigen woorden?
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van meningsuiting ruim moet worden uitgelegd, voor oppositieleden én voor de Minister-President en dat het strafrecht niet behoort te worden ingezet om politieke tegenstanders te normeren? Deelt u ook de opvatting dat het vertrouwen in de rechtsstaat vereist dat voor iedereen dezelfde maatstaf geldt, ongeacht politieke gezindheid? Zo ja, hoe waarborgt het kabinet dat?
Blijft u volledig achter uw uitspraken van 27 september 2026 staan? Zo nee, welke onderdelen neemt u terug?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
Het rapport 'Achter de façade - Strategische normalisering vanuit de rechts-extremistische beweging' |
|
Al Biyati |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het rapport «Achter de façade» van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van september 2026?
Wie geeft opdracht tot het schrijven van rapporten zoals «Achter de façade»?
Hoe verklaart u de titel van dit rapport geschreven door de AIVD en NCTV?
Erkent u dat het onwenselijk is wanneer inlichtingendiensten oordelen over het gedachtegoed van democratisch gekozen politieke partijen?
Op welke wijze heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten toezicht gehouden op de activiteiten van de AIVD die aan dit rapport ten grondslag liggen?
Wat is precies het onderscheid tussen «uiterst rechts» en «rechts-extremistisch» en «extreemrechts»?
Waarom definieert het rapport het eerste begrip niet, terwijl het een wezenlijke rol speelt in het rapport?
Bent u bekend met de definitie van extreemrechts volgens vooraanstaand politicoloog en radicaal-rechts-expert Cas Mudde?
Indien het antwoord op vraag acht bevestigend luidt, ziet u een verschil tussen deze definitie en die van de AIVD en hoe verklaart u dit verschil?
Welke objectieve criteria hanteren AIVD en NCTV om een politieke partij, beweging of persoon als «uiterst rechts» te kwalificeren?
Wie stelt deze criteria vast?
Onderschrijft u dat pleiten voor een streng migratiebeleid, asielstop, beperking van gezinshereniging of het stimuleren van vrijwillige terugkeer legitieme politieke standpunten zijn?
Het rapport erkent dat «remigratie» ook een officiële term is voor vrijwillige terugkeer; hoe voorkomt u dat politici of burgers die het woord in die betekenis gebruiken, in de perceptie op één lijn worden gesteld met «rechts extremisten»?
Bent u bekend met het feit dat Nederland al jarenlang een remigratiewet heeft, uitgevoerd door de SVB, met een remigratie-uitkering en remigratievoorzieningen?
Waarom worden «conservatieve» opvattingen over man-vrouwverhoudingen, nationale tradities of kritiek op diversiteits- en inclusiebeleid in dit rapport genoemd als aanknopingspunten voor «rechts-extremisten»?
Deelt u de opvatting dat eerdergenoemde «conservatieve» opvattingen op zichzelf niet extremistisch zijn?
Hoe verhoudt de passage over discussies rond «een neutralere benadering van christelijke feestdagen» zich tot het recht van burgers en politici om zich zonder stigma voor het behoud van tradities uit te spreken?
Deelt u de zorg dat een rapport van inlichtingendiensten dat politieke uitspraken in verband brengt met normalisering van extremisme een «chilling effect» kan hebben op het vrije debat?
Erkent u dat het rapport zélf vaststelt dat Nederland door migratie daadwerkelijk demografische veranderingen doormaakt en dat burgers «oprechte zorgen» hebben?
Waarom baseert het rapport zich mede op publicaties van organisaties met een uitgesproken activistisch profiel, zoals Hope not Hate en Center for the Study of Organized Hate?
In het persbericht van 22 september 2026 stellen de AIVD en de NCTV dat het «van groot belang [is] dat het niet normaal wordt om te spreken over bijvoorbeeld remigratie zonder te weten wat rechts-extremisten hiermee eigenlijk bedoelen» – is het wenselijk dat een inlichtingen- en veiligheidsdienst aangeeft onder welke voorwaarden het gebruik van bepaalde woorden in het publieke debat als normaal mag gelden?
Hoe heeft de omschrijving van (rechts) extremisme bij de AIVD en NCTV zich de afgelopen 20 jaar ontwikkeld?
Onderkent u dat een verschuiving van de betekenis van «extremisme» als gevolg kan hebben dat burgers onterecht tot extremist worden verklaard?
Kunt u bevestigen dat het de regering, AIVD of NCTV niet toekomt voor te schrijven welke woorden burgers mogen gebruiken? Zo nee, kunt u dan een officiële taboe-lijst publiceren met woorden die niet meer gebruikt mogen worden?
Deelt u de opvatting dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten zich uiterst terughoudend moeten opstellen bij het duiden van het reguliere politieke debat, omdat zij anders het risico lopen de indruk te wekken bepaalde politieke partijen te bevoordelen ten opzichte van andere?
Hoe voorkomt u dat opvattingen die jarenlang deel uitmaakten van het reguliere politieke debat en van verkiezingsprogramma’s achteraf in de publieke perceptie als gevaarlijk worden bestempeld door een rapport van veiligheidsdiensten?
Intimidatie en bedreigingen zouden volgens dit rapport leiden tot «zelfcensuur», maar erkent u dat door dit rapport van de AIVD en NCTV eveneens kan leiden tot zelfcensuur omdat burgers bang worden onterecht als «extremist» te worden aangemerkt?
Erkent u dat men eerst een a priori vaststelling van het begrip «normaal» moet hebben, voordat er überhaupt gesproken kan worden over «normalisering»?
Hoe voorkomt u dat gewone burgers die zich kritisch uitlaten over migratie zelfcensuur gaan toepassen uit angst om als «extremist» te worden gezien?
Hoeveel fte heeft het schrijven en publiceren van dit rapport gekost?
Op welke wijze is gebruikgemaakt van kunstmatige intelligentie om dit rapport te schrijven?
Het bericht 'Zo word je verleid om snel en meer te kopen (en zo weersta je ze)' |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zo word je verleid om snel en meer te kopen (en zo weersta je ze)»?1
Herkent u het beeld dat consumenten steeds vaker worden beïnvloed door webshops die ingericht zijn met misleidende ontwerptechnieken, zoals dark patterns?
Bent u het ermee eens dat de verkoop door websites met trucs zoals niet-authentieke aftelklokken, kunstmatige schaarste, sturende omgeving, nepbeoordelingen en vooraf aangevinkte extra’s een onwenselijke ontwikkeling is?
Hoeveel meldingen heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in de afgelopen drie jaar ontvangen over deze praktijken, hoeveel onderzoeken zijn gestart naar deze webshops en in hoeveel gevallen is handhavend opgetreden?
Acht u het huidige toezicht en handhavingsinstrumentarium voldoende om deze praktijken tijdig en effectief aan te pakken? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen of bevoegdheden zijn nodig?
Is de consumentenbescherming voldoende ingericht om consumenten die ontdekken dat ze misleid zijn als gevolg van deze verkoopmethoden te compenseren en kunnen consumenten voldoende laagdrempelig hun aankoop terugdraaien of retourneren?
Welke concrete stappen zet u om consumenten beter te informeren over hun rechten en over het herkennen van dark patterns?
Bent u bereid om samen met de ACM, consumentenorganisaties en brancheorganisaties afspraken te maken over een eerlijk ontwerp van webwinkels?
Tekortkomingen in Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hoe duidt u de aanhoudende tekorten in het personeelsbestand van alle zes de justitiële jeugdinstellingen? Erkent u dat dit tekort ertoe leidt dat de kwaliteit van de taakuitvoering van Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) langdurig onder druk staat?
Onderschrijft u de kritiek van de Kinderombudsman dat de jongeren in JJI’s momenteel geen goed onderwijs wordt aangeboden, dat er geen goede vrijetijdsinvulling bestaat, dat er te vaak geen behandeling wordt geboden waarmee meerdere kinderrechten worden geschonden zoals beschreven in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen?
Onderschrijft u het belang van de scholing en begeleiding van jongeren in JJI’s? Deelt u de zorgen dat jongeren in JJI’s omwille van personeelstekorten nu niet voldoende worden begeleid in de voorbereiding op terugkeer in de maatschappij? Onderkent u dat het pedagogisch uitgangspunt van het jeugdstrafrecht wordt ondermijnd?
Waarom heeft intensief toezicht van inspecties op JJI’s van 2021 tot 2023 geen vervolg gekregen, waardoor deze personeelstekorten al minstens acht jaar lang spelen?1
Kunt u verklaren waarom er, ondanks de kritische rapportage van de Inspectie van het Onderwijs, de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, nog geen verbetering van de tekorten is opgetreden?2
Heeft u in beeld wat de tekorten zijn aan personeel en de daaraan gekoppelde tekortkomingen in rechten van de jongeren?
Wat doet u om de aanwas van personeel te verbeteren in dit segment? Kan er inzicht worden verstrekt in het door de Dienst Justitiële Inrichtingen besproken inzet op werving, opleiding en behoud van medewerkers?3
Op welke manier werkt u met de JJI’s om naar alternatieven te zoeken om op korte termijn de druk te verminderen? Wordt daarin gekeken naar samenwerking met Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (KVJJ's) voor vervroegde uitstroom?
Publieke politieke uitlatingen van rechters |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ingezonden brief in de Volkskrant van een volgens het openbare register senior rechter in Amsterdam, waarin onder meer wordt gesproken over de «giftige boodschap» van extreemrechts, een vergelijking wordt gemaakt met de wijze waarop Goebbels in 1933 de media bespeelde en wordt gesuggereerd dat media minder aandacht zouden moeten besteden aan extreemrechtse politieke boodschappen?1
Deelt u de opvatting dat voor het vertrouwen in de rechterlijke macht niet alleen van belang is dat rechters feitelijk onafhankelijk en onpartijdig oordelen, maar ook dat zij in hun publieke optreden voorkomen dat redelijkerwijs de schijn van politieke vooringenomenheid kan ontstaan?
Welke regels, gedragscodes en richtlijnen gelden momenteel voor rechters die zich buiten de rechtszaal publiekelijk uitlaten over actuele politieke partijen, politieke stromingen of maatschappelijke controverses?
Waar ligt volgens u de grens tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting die ook een rechter toekomt en anderzijds de bijzondere verantwoordelijkheid van een rechter om het vertrouwen in zijn politieke neutraliteit en onpartijdigheid te bewaken?
Acht u het verenigbaar met die bijzondere verantwoordelijkheid wanneer een zittend rechter een actuele politieke stroming publiekelijk omschrijft als «giftig», deze in verband brengt met Goebbels en 1933 en er tegelijkertijd voor pleit dat media die politieke stroming minder ruimte geven? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan in algemene zin?
Hoe wordt binnen de Rechtspraak omgegaan met situaties waarin een rechter zich eerder publiekelijk zeer negatief heeft uitgelaten over een politieke partij, politieke stroming of de aanhangers daarvan en vervolgens een zaak moet behandelen waarbij personen of organisaties uit die politieke kring partij zijn?
Kan een dergelijke publieke uitlating volgens de bestaande regels aanleiding geven tot verschoning van de rechter of tot een geslaagd wrakingsverzoek? Welke maatstaf wordt daarbij gehanteerd?
Wordt binnen de Rechtspraak bijgehouden hoe vaak publieke politieke uitlatingen van rechters aanleiding hebben gegeven tot verschoning, wraking, klachten of interne bespreking? Zo nee, acht u het wenselijk daar meer inzicht in te verkrijgen?
Bent u van mening dat de bestaande gedragsregels voldoende duidelijk zijn over politieke en partijpolitieke uitlatingen van zittende rechters, of ziet u aanleiding de Raad voor de rechtspraak te verzoeken deze normen nader te verduidelijken?
Deelt u de opvatting dat de rechterlijke onafhankelijkheid niet alleen bescherming tegen politieke beïnvloeding van buitenaf vereist, maar ook een zekere mate van politieke terughoudendheid van rechters zelf, juist omdat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat hun politieke overtuiging geen rol speelt wanneer zij voor een rechter verschijnen?
Smart-tv’s die mensen bespioneren |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Smart-tv's van LG bespioneren gebruikers via microfoon»?1
Hoe reageert u op dit bericht en het onderliggende onderzoek van Gamers Nexus, Level1Techs en andere professionals?
Deelt u de mening dat consumenten er redelijkerwijs van uit moeten kunnen gaan dat zij niet afgeluisterd worden door huishoudapparatuur?
Welke wet- en regelgeving beschermt consumenten tegen dit soort spionage door smart-apparaten? Hoe wordt dit in Nederland gehandhaafd?
Wat zijn de gevolgen voor consumenten als hun privégesprekken heimelijk worden afgeluisterd, opgeslagen en doorverkocht? Welke risico’s draagt dit met zich mee?
Kunt u specifiek ingaan op de rechtmatigheid van de dataverzameling door LG, waarbij gesprekken woord voor woord worden opgeslagen, ook zonder internetverbinding, en worden doorgestuurd naar commerciële partijen?
Wanneer is er sprake van expliciete toestemming voor dataverzameling door smart-apparaten zoals bedoeld onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming?
Deelt u de analyse dat consumenten te vaak bewust worden misleid door fabrikanten over de mate en wijze van dataverzameling door hun producten, waardoor geen sprake is van expliciete toestemming? Erkent u dat de fabrikanten hier een economisch belang bij hebben?
Waren u en de relevante toezichthouders op de hoogte van het afluisteren door deze LG smart-tv’s in het bijzonder?
Hoe worden apparaten gecontroleerd op afluistermogelijkheden voordat ze op de Nederlandse en Europese markt komen?
Welke mechanismen heeft u, al dan niet de Europese Commissie, om producten die consumenten afluisteren van de markt te weren? Bent u bereid te onderzoeken of dat voor de LG smart-tv’s een optie is?
Wat is het standpunt van het kabinet over de groeiende datahonger van bedrijven die producten maken die steeds meer met elkaar communiceren, gesprekken afluisteren, en privéinformatie doorverkopen aan derden?
Wat bent u bereid te doen om deze trend te keren en de privacy van consumenten beter te beschermen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
De bedreiging en intimidatie van familierechtadvocaten |
|
Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat familierechtadvocaten steeds vaker worden bedreigd en geïntimideerd? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Hoeveel meldingen van bedreiging en intimidatie van advocaten zijn er de afgelopen vijf jaar jaarlijks gedaan, en hoeveel daarvan betroffen familierechtadvocaten?
Hoeveel van deze meldingen over de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot resp. aangifte, strafrechtelijk onderzoek en vervolging?
Worden bedreigingen van advocaten vanwege hun beroepsuitoefening volgens het kabinet voldoende serieus en met voldoende urgentie opgepakt? Zo nee, waarom niet?
Waar kunnen advocaten die worden bedreigd laagdrempelig melden en welke ondersteuning krijgen zij vervolgens? Vindt u deze handelwijze afdoende?
Welke concrete acties zijn de afgelopen jaren ondernomen om bedreiging en intimidatie van advocaten tegen te gaan, en wat zijn daarvan de resultaten?
Deelt u de mening dat het risico bestaat dat deze bedreigingen ertoe leiden dat advocaten bepaalde zaken, bijvoorbeeld rond huiselijk geweld en complexe scheidingen, niet meer willen aannemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt bij bedreigde advocaten de dreiging beoordeeld en wanneer komen maatregelen vanuit het stelsel Bewaken en Beveiligen in beeld?
Kunt u aangeven hoe de na de moord op advocaat Derk Wiersum beloofde structurele aandacht voor de weerbaarheid en de bescherming van advocaten heeft geleid tot structurele verbeteringen? Zijn deze maatregelen nog steeds afdoende? Zo nee, welke aanvullingen stelt u zich voor?
Sluit de huidige aanpak en het vernieuwde stelsel Bewaken en Beveiligen voldoende aan bij bedreigingen van advocaten die niet rechtstreeks voortkomen uit georganiseerde criminaliteit, maar wel vanwege hun beroepsuitoefening worden bedreigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, samen met de Nederlandse Orde van Advocaten, politie en het Openbaar Ministerie, te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om bedreigde advocaten beter te beschermen en ervoor te zorgen dat bedreigingen altijd serieus worden opgevolgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze inventarisatie delen met de Kamer?
Heeft u kennisgenomen van bovenstaande artikelen?1 2
Hoe oordeelt u over het bericht dat een bureau, dat kandidaat-wethouders voor de gemeente Best, een kandidaat-wethouder bevroeg over zijn leeftijd en dit als risico in de rapportage opnam?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de leeftijd van de kandidaat-wethouder als aandachtspunt werd aangemerkt?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met bestuurlijke integriteit?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met iemands capaciteiten?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de burgemeester van Best de rapportage op deze manier accepteerde?
Bent u het eens met de stelling dat hier sprake is van leeftijdsdiscriminatie en dat Artikel 1 van de Grondwet daarmee is overtreden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe oordeelt u over de stelling dat het doel van een dergelijk onderzoek het bevorderen van de integriteit van het openbaar bestuur is, maar als de procedure zelf niet integer verloopt, dat het echte probleem is?
Welke voorwaarden/eisen worden er gesteld aan wethouders die door een extern bureau gescreend worden?
Hoe uniform wordt deze screening uitgevoerd?
De gezinshereniging van een verdachte met 114 politieregistraties |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de 18-jarige Syrische verdachte van een gewelddadige woningoverval in Amsterdam-Oost, die sinds zijn komst naar Nederland op veertienjarige leeftijd volgens het Openbaar Ministerie en de berichtgeving 114 politieregistraties heeft opgebouwd, en wiens ouders en broertjes desondanks naar Nederland zouden mogen komen in het kader van gezinshereniging?1
Klopt het dat de rechtbank overwoog dat de «samenleving er beroerd van zou zijn» als de hechtenis van deze persoon zou worden geschorst?
Klopt het dat deze verdachte rechtmatig verblijf in Nederland heeft? Zo ja, op grond van welke verblijfstitel, sinds wanneer beschikt hij daarover en op welke datum is deze verblijfstitel voor het laatst door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beoordeeld of verlengd?
Klopt het dat op naam van deze verdachte 114 politieregistraties staan? Zo ja, over welke periode zijn deze opgebouwd, op hoeveel afzonderlijke incidenten hebben deze betrekking, om welke categorieën strafbare feiten gaat het en hoeveel daarvan hebben geleid tot respectievelijk een sepot, strafbeschikking, veroordeling of nog lopende strafzaak?
Op welk moment is de IND voor het eerst geïnformeerd over strafrechtelijke antecedenten of politieregistraties van deze vreemdeling? Hoe vaak heeft sindsdien informatie-uitwisseling tussen politie, Openbaar Ministerie en IND over betrokkene plaatsgevonden?
Is naar aanleiding van deze registraties, vervolgingen of eventuele veroordelingen onderzocht of zijn verblijfsrecht kon worden ingetrokken of niet verlengd wegens gevaar voor de openbare orde? Zo ja, wanneer en met welke uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Zijn er volgens u wettelijke, Unierechtelijke of verdragsrechtelijke bepalingen die verhinderen dat bij een vreemdeling die in vier jaar tijd zoveel politieregistraties heeft opgebouwd, eerder wordt beoordeeld of voortzetting van zijn verblijf verenigbaar is met de bescherming van de openbare orde?
Klopt het dat deze verdachte als referent optreedt of heeft opgetreden voor de gezinshereniging van zijn ouders en broertjes? Zo ja, wanneer is deze aanvraag ingediend, wanneer is daarop beslist en op welke juridische grondslag is de gezinshereniging toegestaan?
Was de IND bij de behandeling van die nareisaanvraag op de hoogte van de politieregistraties, strafrechtelijke antecedenten en/of lopende strafzaken van de referent? Zo ja, welke betekenis is daaraan bij de beslissing gegeven? Zo nee, hoe is het mogelijk dat dergelijke informatie de IND niet heeft bereikt?
Klopt het dat bij de openbare-ordetoets in een nareisprocedure in beginsel wordt beoordeeld of de nareizende gezinsleden zelf een gevaar vormen voor de openbare orde, maar dat ernstig of stelselmatig crimineel gedrag van de in Nederland verblijvende referent op dit moment niet zonder meer een grond vormt om de gezinshereniging te weigeren?
Zo ja, acht u het wenselijk dat iemand die in Nederland in korte tijd een zeer groot aantal politieregistraties heeft opgebouwd en wordt verdacht van een ernstig geweldsmisdrijf, desondanks aanspraak kan blijven maken op facilitering door de Nederlandse staat van de overkomst van zijn gezin?
Welke mogelijkheden biedt het huidige nationale, Europese en internationale recht om een aanvraag voor gezinshereniging af te wijzen, aan te houden of opnieuw te beoordelen wanneer de referent een ernstig gevaar voor de openbare orde vormt of wordt verdacht van ernstige strafbare feiten?
Bestaat er op dit moment überhaupt een grens aan het aantal of de ernst van de strafbare feiten dat een referent kan plegen voordat zijn gedrag gevolgen heeft voor een lopende of reeds toegewezen aanvraag voor gezinshereniging? Zo ja, waar ligt die grens precies? Zo nee, acht u dat verdedigbaar?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk niet uit te leggen is wanneer de Staat enerzijds een vreemdeling wegens een lange reeks strafbare gedragingen als gevaar voor de samenleving beschouwt, maar anderzijds tegelijkertijd actief zijn gezinshereniging faciliteert?
Bent u bereid het beleid en, indien noodzakelijk, de Vreemdelingenwet zodanig aan te passen dat stelselmatig crimineel gedrag van een referent uitdrukkelijk kan worden betrokken bij de beoordeling van een aanvraag voor gezinshereniging? Zo nee, welke concrete bepaling van Europees of internationaal recht verhindert dit?
Hoeveel vreemdelingen met rechtmatig verblijf in Nederland hebben op dit moment respectievelijk meer dan 10, meer dan 50 en meer dan 100 politieregistraties op hun naam staan, en bij hoeveel van hen is naar aanleiding daarvan een verblijfsrechtelijke maatregel onderzocht of genomen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en één voor één beantwoorden?
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.