| Ingediend | 24 februari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 16 april 2026 (na 51 dagen) |
| Indiener | Fatihya Abdi (PvdA) |
| Beantwoord door | van Bruggen |
| Onderwerpen | organisatie en beleid recht |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z03643.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1642.html |
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen. Verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
Over de vraag dat «jarenlang onwettig gegevens zijn aangepast» is uw Kamer eerder geïnformeerd in de genoemde brief van 28 mei 2025.2 Zoals u bekend is in Q1 een toetsings- en handelingskader voor de Matchingsautoriteit (MA) vastgesteld, op basis waarvan de medewerkers van de MA, conform de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen, de afweging kunnen maken of correctie van kennelijke fouten mag. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht.
Het in de mediaberichtgeving aangegeven aantal zaken herken ik niet. In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de rechtspraak jaarlijks uitspraak doet in ruim 85.000 strafzaken en dat verreweg in de meeste zaken de straf op de juiste naam wordt opgelegd. Daarnaast is uiteengezet dat de Matching Autoriteit (MA) van de Justitiële Informatiedienst (Justid) jaarlijks voor meer dan 175.000 personen die door de organisaties in de strafrechtketen worden geregistreerd in de strafrechtketen-database (SKDB), de leidende administratieve identiteit vaststelt. In ongeveer 14.000 gevallen per jaar is een extra beoordeling van de identiteitsgegevens nodig. Deze cijfers zien op identiteitsvaststelling en correcties gedurende het gehele strafvorderlijke proces en zijn niet één-op-één te vertalen naar naamfouten in strafvonnissen.
Jaarlijks blijkt bij ongeveer 50 zaken dat na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit, waardoor mogelijk sprake is van een onjuist te naam gesteld vonnis. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat dit sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof. Over 2025 zijn nu 36 zaken geïdentificeerd.
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
De uitvoering van het plan van aanpak wordt aangestuurd door een programmadirecteur.
Op 10 november 2025 is uw Kamer nog geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het plan van aanpak.3
Dit uitgangspunt onderschrijf ik: het is de strafrechter die vaststelt wie voor welk strafbaar feit verantwoordelijk is en welke straf of maatregel wordt opgelegd. Justid (en de Matching Autoriteit daarbinnen) stelt dit niet vast, maar zorgt voor een juiste verwerking en vindbaarheid van de identiteit in de ketenregistraties, op basis van de beschikbare bronnen en brondocumenten. Zie aanvullend mij antwoorden op de vragen 1 en 2.
In de brief van 10 november 2025 informeerde mijn ambtsvoorganger uw Kamer over twee specifieke gevallen waarin personen als gevolg van een foutieve tenaamstelling in een vonnis, tijdens het controleren van hun identiteit kort gedetineerd zijn geweest. Nadat kon worden vastgesteld dat het niet ging om de betreffende dader, zijn zij in vrijheid gesteld.
Het voorkomen en zo nodig direct beëindigen van nadelige gevolgen voor onschuldigen heeft prioriteit. Daarom worden signalen over mogelijke foutieve tenaamstellingen met voorrang opgepakt en wordt – waar nodig – met ketenpartners gehandeld om gevolgen in strafrechtelijke procedures en de tenuitvoerlegging te voorkomen of te stoppen.
Voor eventuele materiële en immateriële gevolgen geldt dat bestaande wettelijke routes voor compensatie/schadevergoeding leidend zijn en dat dit per geval wordt beoordeeld. Betrokkenen worden daarbij zo nodig ondersteund met informatie om de juiste route te kunnen benutten.
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak staat de veroordeelde wel gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Waar nodig worden registraties hersteld binnen de bevoegdheidsgrenzen en worden bestaande mogelijkheden binnen de rollen en verantwoordelijkheden van de ketenpartners benut. Dat geldt ook voor bestaande wegen naar de rechter als het vonnis zelf moet worden herzien. Doel is dat het recht zijn beloop kan nemen, met waarborgen voor rechtsbescherming en rechtmatigheid.
De Auditdienst Rijk (ADR) heeft een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de vraag waarom het in eerdere antwoorden toegelichte vraagstuk in de afgelopen jaren onopgelost is gebleven. Het ADR-rapport heeft verschillende oorzaken geconstateerd. Een ervan is dat medewerkers die het probleem aankaartten onvoldoende gehoord werden. De ADR deed 18 aanbevelingen voor maatregelen om de kans te vergroten dat in de toekomst sneller op onvolkomenheden wordt gereageerd. In de brief van 19 december 2025 aan uw Kamer is aangegeven dat de aanbevelingen van de ADR zullen worden uitgevoerd. Inmiddels zijn de acties in gang gezet. Onder andere wordt ervoor gezorgd dat er binnen Justid meer oog is voor zorgen van medewerkers en dat drempels voor meldingen van medewerkers worden weggenomen.
Gelet hierop is aanvullend (onafhankelijk) onderzoek naar sociale veiligheid en de bescherming van melders niet nodig.
Zie antwoord vraag 6.
Zie antwoord vraag 6.
Het voorkomen van nieuwe fouten is een expliciete pijler van de aanpak. Samen met ketenpartners wordt in kaart gebracht waar al aan het begin van de strafrechtketen processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat een volledig foutloze keten niet realistisch is, bijvoorbeeld door menselijke invoerfouten. Daarom wordt blijvend ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de vreemdelingenketen is betrokken.
Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Abdi (GroenLinks-PvdA), van uw Kamer aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over massale fouten in vonnissen (ingezonden 24 februari 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.