De terugkeer van gedetineerden naar de Pointe Blanchegevangenis op Sint Maarten |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de detentieomstandigheden in de Pointe Blanchegevangenis op Sint Maarten?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgeving.
Klopt het dat van de 31 gedetineerden die na orkaan Irma zijn overgebracht naar Nederland tot nu toe acht gedetineerden zijn teruggekeerd naar Sint Maarten? Hoe verhoudt dit bericht zich tot uw stelling bij het Vragenuur van 5 maart 2019 dat het slechts om drie mensen gaat?
In 2018 zijn acht gedetineerden teruggekeerd naar de gevangenis Point Blanche op Sint Maarten. Zoals ik u heb laten weten tijdens het mondelinge vragenuur zijn na oktober 2018 drie gedetineerden teruggekeerd naar Point Blanche op basis van informatie van Sint Maarten waaruit bleek dat zij binnen afzienbare tijd na terugkeer (voorwaardelijk) in vrijheid gesteld zouden worden. Zoals vastgelegd in de Onderlinge Regeling Detentie is het in het belang van een goede resocialisatie dat gedetineerden terugkeren binnen een redelijke termijn vóór het tijdstip waarop de straf eindigt. Bij de belangenafweging tussen detentieomstandigheden en resocialisatie gaat het punt van resocialisatie zwaarder wegen als het moment van invrijheidsstelling dichterbij komt, zoals ik ook tijdens het mondelinge vragenuur heb toegelicht. Vijf gedetineerden zijn tussen april en juli 2018 teruggekeerd op verzoek van Sint Maarten in het kader van hun rechtsgang.
Het gevangeniswezen op Sint Maarten functioneert niet naar behoren. Basale zaken voor een gesloten setting moeten dringend op orde worden gebracht, maar worden door Sint Maarten onvoldoende (snel) gerealiseerd. Op initiatief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mijzelf zijn er op 19 oktober 2018 afspraken met Sint Maarten gemaakt. Hierbij is afgesproken dat Sint Maarten maatregelen treft om de staat van de gevangenis significant te verbeteren. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik sturen actief aan op het uitvoeren van de verbetermaatregelen door Sint Maarten en zien onverminderd toe op de naleving van de afgesproken verbetermaatregelen.
Kunt u aangeven onder welke omstandigheden de terugplaatsing heeft plaatsgevonden? Is terugplaatsing naar de Pointe Blanchegevangenis op Sint Maarten, en dus mogelijk naar inhumane detentieomstandigheden, aan de orde geweest?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat uw ambtenaren u ervoor gewaarschuwd hebben dat terugplaatsing «juridisch niet onomstreden» is vanwege «een reëel risico op het schenden van fundamentele rechtsbeginselen waarop u politiek kunt worden aangesproken»? Zo ja, hoe beoordeelt u dit ambtelijk advies? Welke gevolgen verbindt u aan dit ambtelijk advies?
Ik heb moeten constateren dat de voortgang van de verbetermaatregelen onvoldoende was. Om die reden hebben de Staatssecretaris en ik vooralsnog de terugzending van gedetineerden opgeschort, behoudens het hierboven genoemde drietal.
Kunt u aangeven of, en zo ja, onder welke omstandigheden de overige 23 gedetineerden zullen worden teruggeplaatst?
Op 19 oktober 2018 was met Sint Maarten afgesproken dat gestart zou worden met het gefaseerd terugplaatsen van de Sint Maartense gedetineerden, met ingang van 1 november 2018. Het streven van de Nederlandse regering blijft om de gedetineerden conform afspraak zo snel mogelijk te laten terugkeren, wat onder meer een goede re-integratie op Sint Maarten ten goede komt. Deze terugplaatsing hangt echter sterk samen met de door Sint Maarten door te voeren verbetermaatregelen. De voortgang op deze verbetermaatregelen wordt nauwlettend door Nederland gemonitord.
De verbreding van de sluis bij Kornwerderzand |
|
Maurits von Martels (CDA), Jan de Graaf (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rutte: verbreding sluis Kornwerderzand gaat door»?1
Ja.
Deelt u de uitspraken van de Minister-President dat er nog dit jaar een oplossing komt voor de resterende financiële middelen?
In het interview spreekt de Minister-President vertrouwen uit in het proces dat met betrekking tot de sluis bij Kornwerderzand is ingezet. De Minister-President geeft in het interview ook aan dat hij geen beloftes kan doen over de uitkomsten. Er is immers nog een substantieel financieel gat te dichten.
Welke oplossing ziet u voor de resterende financiële middelen om de verbreding van de sluis te realiseren?
Met de regionale bestuurders heb ik in het bestuurlijk overleg van 22 november jl. werkafspraken gemaakt, om samen met hen op zoek te gaan naar manieren om het financiële gat, dat er is, te dichten. Die afspraken ben ik met de regio aan het uitwerken. In mijn brief van 21 december is de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken. Het uitwerken van de afspraken kost enige tijd en die uitwerking is nodig voor de verdere besluitvorming.
De stand van zaken omtrent de werkafspraken is als volgt. Allereerst bezien we of versoberingen en optimaliseringen van het project tot kostenbesparingen kunnen leiden. De planning is dat dit onderzoek dit voorjaar afgerond wordt.
Ook onderzoeken we samen met de regio extra financieringsmogelijkheden. Ik kan u melden dat de regio in dat kader voornemens is, om een voorstel voor de 3e tranche van de Regio Envelop in te dienen.
Tot slot is met de regionale bestuurders afgesproken om nog nader onderzoek te doen naar de werkgelegenheids- en verdringingseffecten van verbreding van de sluis. Als de verbreding van de sluis werkgelegenheid naar de regio brengt, moet dit immers niet ten koste gaan van werkgelegenheid elders in Nederland. Dit onderzoek is inmiddels afgerond en tezamen met de MKBA voorgelegd aan het CPB voor een second opinion. Deze second opinion wordt momenteel uitgevoerd door het CPB en kan voor de regio nadere onderbouwing leveren voor bredere financiering.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie-Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 35 000 A, nr. 81) waarin de regering is verzocht om voor te sorteren op een realisatiebesluit in 2019 en het voortouw te nemen, in samenwerking met de regio, om de verschillende financieringsmogelijkheden in beeld te brengen voor de resterende middelen?
Zie antwoord vraag 3.
Foute verkeersboetes op de A29 |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het arrest Wet administratiefrechtelijke handhaving (WAHV) 200.243.592 d.d. 13 februari 2019 dossier Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) 206055766 waarbij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak heeft gedaan over het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam van 16 juli 2018?
Ja, het arrest is mij bekend.
Welke gevolgen verbindt u aan het arrest? Klopt het dat het, naast dit dossier, nog circa 18.000 uitgedeelde boetes betreft? Wat is de totale financiële consequentie van vernietiging van al deze boetes? Deelt u de mening dat dit financiële aspect nimmer leidend mag zijn nu blijkt dat het openbaar ministerie (OM) fout zit?
Het arrest geeft geen aanleiding om tot terugbetaling van de boetes over te gaan. Ik zal dit hieronder toelichten. Overigens ben ik het met u eens dat het financiële aspect niet leidend mag zijn.
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke vragen over «tienduizenden foute flitsboetes op de A29» en uw antwoorden op deze vragen?1 Hoe moet uw antwoord op vraag 8 worden geduid, waarin u eigenlijk stelt ook op te komen voor de getroffen automobilisten, zeker nu blijkt dat het hoger beroep voor hen gunstig uitvalt?
Ik sta nog steeds achter het eerder gegeven antwoord. Belangrijk is op te merken dat het Gerechtshof niet heeft geoordeeld dat de snelheidsmeting onbetrouwbaar is geweest. Het Gerechtshof is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling, omdat deze zaak niet voor hoger beroep in aanmerking komt. Er is namelijk geen hoger beroep mogelijk indien na de beslissing van de kantonrechter een sanctie resteert die niet meer dan € 70,– bedraagt. De onderhavige zaak voldoet niet aan dit criterium omdat de sanctie door de kantonrechter was vernietigd.
Kunnen de getroffen automobilisten erop rekenen dat, nu het vonnis onherroepelijk is, u het OM opdraagt om niet flauw te zijn en zo spoedig mogelijk wordt overgegaan tot terugbetaling van deze onterechte boetes? Waarom zou een vertraging nog te billijken zijn als zo overduidelijk is dat het OM fout zit?
Voor de meetapparatuur die is gebruikt is een handleiding geschreven die deel uitmaakt van de certificering van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Voor een rechtsgeldige meting moet conform de eisen uit de handleiding worden gemeten. In de handleiding staat bij welke kromming van het weggedeelte geen deugdelijke meting kan worden uitgevoerd. In de onderhavige zaak is aangevoerd dat de kromming van de bocht te groot was voor een deugdelijke snelheidsmeting. De rechter die de zaak behandelde heeft in de betreffende bocht door de politie een snelheidsmeting laten doen.
Op grond van die metingen heeft de rechter geoordeeld dat op die plaats geen meting had mogen worden uitgevoerd. Het beroep werd daarom gegrond verklaard.
Het OM heeft nadien op dezelfde locatie het NMi metingen laten verrichten. Het NMi heeft toen geconcludeerd dat de snelheidsmeting voldeed aan de eis uit de handleiding. Dit betekent dat de snelheidsmeting niet onbetrouwbaar is geweest en de boetes derhalve niet onterecht zijn opgelegd.
Dit had het OM graag in hoger beroep naar voren gebracht, maar zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven is het gerechtshof niet aan een inhoudelijke beoordeling toegekomen.
De nog lopende zaken die betrekking hebben op snelheidsmetingen op dezelfde locatie worden alsnog met het onderzoeksrapport van het NMi aangebracht bij de rechter.
Kent u ook het artikel «OM: Onterechte snelheidsboetes A29 worden (nog) niet terugbetaald»?2 Deelt u de mening dat de automobilisten zonder gedoe hun geld moeten terugkrijgen?
Ja, ik ken het artikel, maar ik deel die mening, voor zover deze betrekking heeft op de onderhavige casuïstiek, niet. Na onderzoek is immers gebleken dat de snelheidsmetingen betrouwbaar waren en derhalve niet aan de grondslag van de boetes hoeft te worden getwijfeld. De inning van de lopende boetes zal daarom ook weer worden opgestart.
Is het niet vreemd dat het OM stelt dat ze de boetes stuk voor stuk moet gaan onderzoeken, aangezien duidelijk was op welke plek de boetes onrechtmatig waren? Klopt het dat het OM verder stelt dat uit een contra-expertise zou kunnen blijken dat de boetes mogelijk wel rechtmatig zijn, ondanks dat de politie al waarschuwde tegen de wijze van plaatsen van de flitser en het feit dat dit niet conform het handboek was en bent u op de hoogte dat er wegwerkzaamheden op de locatie zijn geweest die de contra-expertise bij voorbaat onbetrouwbaar maken? Waarom traineert het OM dusdanig en speelt zij een spel jegens automobilisten? Waarom erkent het OM haar verlies niet en waarom stort zij het geld niet direct terug naar de individuele automobilisten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven is door het NMi onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de metingen. Uit dat onderzoek van het NMi is gebleken dat de metingen betrouwbaar waren en dat de bochtstraal ruim binnen de wettelijke marge valt. Het NMI is de autoriteit op het gebied van snelheidsmetingen en heeft dit onderzoek deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd. Ik zie geen redenen om te twijfelen aan dit onderzoek.
In hoeverre ondermijnt het OM met deze bewuste handelwijze het vertrouwen van mensen in de overheid als geheel? Deelt u de mening dat hier leiderschap nodig is en dat u, als verantwoordelijk Minister, zeker in staat moet zijn dit juridisch getouwtrek te laten stoppen?
Ik ben van oordeel dat het OM een juiste afweging heeft gemaakt om het onderzoek van het NMi af te wachten en geen overhaaste beslissing te nemen. Ik vind dit zorgvuldig. De betrokken burgers hebben overigens zelf de mogelijkheid (gehad) om beroep in te stellen tegen de boete. Gebleken is dat de snelheidsmetingen correct zijn uitgevoerd. Van een handelwijze waarmee het vertrouwen van burgers is geschaad is naar mijn mening geen sprake geweest.
De gevolgen van faillissementen van energiebedrijven voor consumenten |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Energiesector onderzoekt fonds voor gedupeerde consumenten»1 en herinnert u zich de antwoorden op eerdere Kamervragen over de gevolgen van een faillissement van een energieleverancier voor consumenten2?
Ja.
Deelt u de mening dat consumenten niet financieel gedupeerd mogen worden door het faillissement van een energiebedrijf? Zo nee, waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat ik het vervelend vind wanneer consumenten geconfronteerd worden met het faillissement van hun energieleverancier, zowel wat betreft de onzekerheid die hen dit geeft over de energielevering als eventuele financiële consequenties. De energiemarkt is een geliberaliseerde markt en dat biedt als groot voordeel concurrentie voor leveranciers en keuzevrijheid voor consumenten. Een geliberaliseerde markt brengt echter ook een risico met zich dat een contractpartij failliet kan gaan. Het Besluit Leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998 en het Besluit Leveringszekerheid Gaswet (hierna: Besluiten Leveringszekerheid) voorzien juist daarom in de continuïteit van levering van de energie aan de kleinverbruiker, waaronder alle huishoudens. Hierdoor komt de kleinverbruiker bij een faillissement van de energieleverancier niet zonder de levering van elektriciteit of gas te zitten. Ook moet het energiebedrijf bij levering aan kleinverbruikers beschikken over een vergunning. Bij het afgeven van een vergunning toetst de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de financiële kwaliteit van het energiebedrijf.
Is het waar dat consumenten soms voor honderden euro's het schip in gaan] als hun energieleverancier omvalt? Zo nee, wat is er niet waar? Met welk bedrag zijn consumenten gemiddeld het schip ingegaan door het faillissement van de energiebedrijven Robin en EnergieFlex?
De hoogte van betaalde termijnbedragen, een eventuele waarborgsom en het verbruik van elektriciteit en gas is per consument verschillend. Het gaat hierbij immers om een individuele (privaatrechtelijke) overeenkomst tussen de energieleverancier en de afnemer. Afhankelijk van de hoogte van betaalde termijnbedragen, een eventuele waarborgsom, de hoogte van het verbruik, het moment van de jaarafrekening en het moment van het faillissement is het mogelijk dat de kleinverbruiker meer heeft betaald dan voor het verbruik benodigd zou zijn geweest. Hierdoor kan een klant financieel nadeel ondervinden.
Ik heb geen informatie over het gemiddelde bedrag dat de klanten van de inmiddels failliete energiebedrijven Robin Energie en Energieflex mogelijk zijn misgelopen en ik heb geen inzicht in de boedelverdeling van de beide failliete bedrijven. Het is de curator die bepaalt hoe de financiële afhandeling wordt gedaan.
Acht ook u het mogelijk dat er meer energiebedrijven in de problemen komen en een toenemend aantal mensen mogelijk de sterk gestegen kosten voor energie niet kan opbrengen?
De energiebedrijven zijn in Nederland actief op een geliberaliseerde markt, waarin zij onderling met elkaar concurreren. Inherent aan deze concurrerende omgeving is de toe- en uittreding van energiebedrijven, waarbij in enkele gevallen de uittreding kan worden veroorzaakt door een faillissement.
Het kabinet herkent het beeld dat de energierekening voor huishoudens stijgt. Het kabinet wil dat de transitie voor iedereen haalbaar en betaalbaar blijft en heeft daarom bij de presentatie van de doorrekeningen van het Klimaatakkoord op 13 maart jl. aangekondigd de belasting die huishoudens via hun energierekening betalen, aanzienlijk te gaan verlagen. Ik verwijs u verder naar mijn brieven van 13 maart (Kamerstuk 32 813, nr. 307) en 18 maart (Kamerstuk 30 196, nr. 632) jl.
Deelt u de opvatting dat extra consumentenbescherming op zijn plaats is, gelet op het gegeven dat energie een basisbehoefte is en gelet op het gegeven dat het systeem van betaling vooraf via voorschotten cliënten in een risicovolle positie plaatst? Zo nee, waarom niet?
Energie is een belangrijke basisbehoefte en ik ben van mening dat kleinverbruikers, waaronder alle huishouders, beschermd dienen te worden door wet- en regelgeving om te kunnen beschikken over deze basisbehoefte. Daarom worden de belangen van kleinverbruikers op verschillende manieren geborgd. Ik wijs hier op de (zie antwoord op vraag 2) gegarandeerde voortzetting van de levering van energie na faillissement van een energieleverancier en op de verplichting voor energieleveranciers om over een vergunning te beschikken waarbij ook de financiële kwaliteit van het bedrijf is getoetst. De termijnbedragen die kleinverbruikers betalen voorkomen dat zij geconfronteerd worden met sterk fluctuerende (maandelijkse) gebruikslasten. Ook hebben kleinverbruikers vaak de mogelijkheid om hun termijnbedrag zelf aan te passen. Samen met de ACM zal ik in de aanloop naar het opstellen van de Energiewet 1.0 bezien of en welke aanvullende beschermingsmaatregelen nodig zijn (zie het antwoord op de vragen 6 en 7).
Deelt u het pleidooi van de Consumentenbond en toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) voor een waardborgfonds waaruit klanten van een failliet energiebedrijf gecompenseerd kunnen worden als ze vooruitbetaalde termijnbedragen door een faillissement kwijt zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de klanten die hun voorschotten en eventuele waarborgsom kwijt zijn geraakt. De vraag is echter wat de mogelijke gevolgen zijn voor energieleveranciers en consumenten bij het oprichten van een garantiefonds. Tevens is het ook de vraag of een dergelijk garantiefonds wel de juiste bescherming biedt.
Allereerst kan een risicoverplaatsing optreden. Als het fonds gefinancierd wordt door de sector, draagt de sector het financiële risico van commerciële partijen die risicovol gedrag vertonen op de markt.
Ten tweede, als naast het garanderen van de levering van gas en elektriciteit (middels de Besluiten Leveringszekerheid), ook wordt geregeld dat de financiële gevolgen van een faillissement voor kleinverbruikers gegarandeerd worden door een fonds, kan dit de prikkel hebben dat de leveranciers die risicovol gedrag vertonen dit gedrag niet aanpassen, omdat er geen negatieve gevolgen meer zijn. In deze situatie is het denkbaar dat mogelijk eerder en meer faillissementen van energieleveranciers zich voordoen. Ten derde is het de vraag door wie dit fonds gevuld zal moeten worden. De hoogte van een garantiefonds zou immers in financiële zin van grote omvang moeten zijn in het geval het fonds ook de financiële gevolgen voor kleinverbruikers bij faillissementen van grote energieleveranciers moet dekken.
Ik acht het onvermijdelijk dat de kosten van een fonds middels doorberekening vervolgens worden neergelegd bij de kleinverbruiker en zo leidt tot een hogere energierekening. Dat vind ik een negatief effect.
Energie-Nederland heeft tevens aangegeven geen meerwaarde te zien bij het oprichten van een garantiefonds. Niet alleen wijst zij op de hierboven beschreven risicoverplaatsing, maar geeft Energie-Nederland tevens aan dat in hun optiek vaak maar een beperkt deel van de klanten van de failliete leverancier een geldvordering heeft op hun leverancier op het moment dat deze failliet gaat. Ook benadrukt Energie-Nederland dat het daarbij grotendeels om kleinere bedragen gaat, afhankelijk van hoever het jaarlijkse afrekenmoment van de klant afligt van de datum van het faillissement.
Bovengenoemde risico’s en gevolgen in het oog nemende, zie ik geen reden om het oprichten van een garantiefonds te stimuleren. Wel zal ik bezien bij het opstellen van de Energiewet 1.0 of bij de vergunningverlening aan energieleveranciers extra eisen gesteld kunnen worden en mogelijk meer controlemechanismen benodigd zijn bij de monitoring van deze vergunningen. Hiervoor zal ik in gesprek gaan met in ieder geval de ACM om helder te krijgen of zij signalen hebben opgevangen waaruit blijkt dat dit noodzakelijk is. Dit zal ik doen in de aanloop naar het opstellen van de Energiewet 1.0.
Is er wet- of regelgeving nodig om een dergelijk fonds te kunnen oprichten of staat bestaande wet- of regelgeving dat juist in de weg? Wat gaat u in dit verband doen om de totstandkoming van een fonds te stimuleren dan wel anderszins maatregelen te nemen om de risico’s van cliënten van energieleveranciers te verminderen en betere bescherming te bieden tegen het faillissementsrisico van de leveranciers?
Zie antwoord vraag 6.
Het loskoppelen van het burgerrechtengedeelte in het Brexit-uittredingsverdrag |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Costa-amendement dat op 27 februari 2019 unaniem door het Britse Lagerhuis is aangenomen, dat voorstelt om het burgerrechtengedeelte van het Brexit-uittredingsverdrag los te koppelen en ervoor te zorgen dat dit geïmplementeerd wordt in alle gevallen – deal of no deal?1
Ja.
Deelt u de mening dat de huidige situatie rondom de Brexit uiterst onzeker is voor vele Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk (VK), met nog maar ruim drie weken tot de Brexit-datum van 29 maart 2019 en dat het risico op een no-dealscenario reëel is?
De kans dat er geen akkoord komt tussen de Europese Unie (EU) en het VK blijft aanwezig, met nog minder dan drie weken voor de voorziene Brexitdatum te gaan. Daarom blijven Nederland, de Europese Commissie en de andere lidstaten van de EU zich onverminderd voorbereiden op een no deal scenario.
Deelt u de mening dat ondanks het feit dat het Nederlandse kabinet het garanderen van verblijfsrechten voor Britse burgers in Nederland serieus neemt, de vele EU-burgers in het Verenigd Koninkrijk -waaronder duizenden Nederlanders- in het geval van een no-dealbrexit voor het beschermen van hun rechten overgeleverd zijn aan de beleidskeuzes van de regering van Theresa May in een land waar immigranten steeds minder welkom lijken te zijn?
Het kabinet deelt de mening in zoverre dat het VK verantwoordelijk is voor het beschermen van de burgerrechten van de EU-burgers in het VK in het geval van een no dealBrexit. Het kabinet is daarom positief gestemd dat premier May in haar speeches meerdere malen heeft benadrukt dat EU burgers die al in het VK zijn, daar mogen blijven, ook in een no deal scenario.
De Britse overheid heeft eind vorig jaar (6 december 2018) een policy paper over de rechten van EU-burgers gepubliceerd2 . Het kabinet ziet publicatie van dit policy paper als een positieve unilaterale stap van het VK om de eerdere toezeggingen van premier May op het gebied van burgerrechten in geval van een no deal nader uit te werken. Het VK is verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid in dit policy paper. Omdat het kabinet groot belang hecht aan het beschermen van de rechten van Europese burgers in het VK, zal het kabinet hier bij de Britse regering aandacht voor blijven vragen. Ook de EU heeft op verschillende manieren aangegeven dat zij verwacht dat het VK concrete stappen zet om de toezeggingen op het gebied van burgers in geval van een no deal na te komen.
Deelt u de mening dat het burgerrechtengedeelte in het Brexit-uittredingsverdrag een wederkerige basis legt om het verblijfsrecht van Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk en Britten in de Europese Unie te beschermen en een aantal coördinatieproblemen oplost, zoals aggregatie van pensioenrechten, sociale zekerheidsrechten, en de toegang tot gezondheidszorg?
Ja, daarom is het kabinet er alles aan gelegen dat het terugtrekkingsakkoord in werking kan treden.
Deelt u de mening dat ondanks dat dit voorstel in het Costa-amendement niet alle problemen voor Nederlanders en andere Europese burgers in het Verenigd Koninkrijk oplost, er veel onzekerheid bij mensen mee kan worden weggenomen als het burgerrechtengedeelte van het Brexitverdrag in alle gevallen in werking zou treden? Bent u in dit kader nog steeds van mening dat het toestaan van dubbele nationaliteit voor deze groep Nederlanders, waarmee er een fundamentele en bestendige oplossing voor hen komt, onwenselijk is?
Het kabinet betreurt het dat de EU burgers door de politieke meningsverschillen binnen het VK nog geen volstrekte zekerheid hebben over hun verblijfsstatus na Brexitdatum. De beste manier om de rechten van de ongeveer 4,5 miljoen betroffen EU burgers in het VK en VK burgers in de EU te beschermen is door ratificatie van het terugtrekkingsakkoord. Hierin zijn namelijk wederkerige, juridisch bindende afspraken met het VK opgenomen met passende waarborgen voor naleving inclusief een rol voor het EU Hof van Justitie. De EU27 is niet bereid tot het sluiten van een «mini-deal». Dit zou impliceren dat de onderhandelingen over het alomvattende terugtrekkingsakkoord definitief zijn mislukt. Het voorliggende akkoord is niet zomaar tot stand gekomen: het is de uitkomst van lange en moeizame onderhandelingen om een balans te vinden tussen enerzijds de EU-uitgangspunten en anderzijds de rode lijnen van het VK. Het kabinet wil zich volop blijven concentreren op de ratificatie van het terugtrekkingsakkoord en op die manier een einde maken aan de onzekerheid voor burgers.
Het is op dit moment niet noodzakelijk om de bestaande mogelijkheden voor het bezit van een meervoudige nationaliteit voor Nederlanders in het Verenigd Koninkrijk te verruimen. De redenen hiervoor zijn al eerder ter sprake gekomen (bijvoorbeeld tijdens het AO Brexit d.d. 23 januari 2019). Een alomvattend terugtrekkingsakkoord met het VK blijft de beste manier om de rechten van Nederlanders aldaar te waarborgen. Het VK heeft bovendien toezeggingen gedaan op het gebied van verblijfsrecht voor in het VK verblijvende EU-burgers en Nederland gaat ervan uit dat deze toezeggingen worden nagekomen.
Bent u bekend met het feit dat het Costa-amendement Premier May verplicht om de Europese Raad te verzoeken om het burgerrechtengedeelte van het uittredingsverdrag in alle gevallen – deal of no deal – te garanderen en implementeren?
Ja.
Bent u bereid binnen de Europese Unie vóór de Europese Top van 22 maart het voortouw te nemen om uw collega’s in de Europese Raad ervan te overtuigen dat garanderen van burgerrechten in álle gevallen noodzakelijk is en aldus positief te reageren op het verzoek van Premier May om zo te regelen dat de rechten van burgers in alle gevallen gegarandeerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De rechten van burgers zijn voor het Nederlands kabinet en de rest van de EU altijd topprioriteit in de Brexit onderhandelingen geweest. Ook in de toekomst zal dat zo blijven. Zoals ik in vraag 5 uiteen heb gezet, zal ik mij echter niet inzetten voor een «mini-deal» op de burgerrechten, omdat ik denk dat dit niet de beste oplossing is. De EU-lidstaten, waaronder Nederland, hebben in de ER-richtsnoeren van 29 april 2017 vastgelegd dat er pas overeenstemming over het terugtrekkingsakkoord is als er over alle onderwerpen overeenstemming is bereikt en dat afzonderlijke kwesties niet afzonderlijk kunnen worden geregeld. Een «mini-deal» op burgerrechten zou aanpassing van de ER-richtsnoeren vereisen. Deze aanpassing zou moeten gebeuren met consensus. Het kabinet blijft van mening dat de EU en de Europese Raad namens haar zich vol moeten blijven inzetten voor ratificatie van het terugtrekkingsakkoord.
De dreigementen van de Turkse minister van Binnenlandse Zaken richting Europese toeristen die Turkije zouden verraden |
|
Bente Becker (VVD), Sven Koopmans (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Turkse Minister van Binnenlandse Zaken gezegd zou hebben dat degenen die in Europa Turkije «verraden» door het bijwonen van bepaalde bijeenkomsten en vervolgens op vakantie naar Turkije gaan, opgepakt en gedetineerd zullen worden?1
De Turkse Minister van Binnenlandse Zaken heeft gezegd dat personen die terroristische bijeenkomsten in Europa bijwonen, in Turkije aangehouden kunnen worden. Dit werd gezegd in een breder verband van opmerkingen over bijeenkomsten van de PKK. De PKK is een organisatie die ook door de EU en Nederland gezien wordt als een terroristische organisatie. Zoals in het reisadvies Turkije vermeld, beschouwt Turkije daarnaast de Gülenbeweging als terroristische organisatie. Turkije vervolgt personen die aan deze beweging verbonden zijn, of ervan verdacht worden deze te steunen. Nederland beschouwt de Gülenbeweging overigens niet als een terroristische groepering. Voor zover het kabinet bekend is er geen sprake van een beleidswijziging van de Turkse regering.
Bent u reeds door de Turkse autoriteiten geïnformeerd over dit beleid(svoornemen)? Wat betekent dit voor Nederlandse staatsburgers die zich in Nederland of elders in Europa kritisch uitlaten over (mensenrechtenschendingen in) Turkije of sympathie tonen voor de Koerdische zaak? Geldt deze «belofte» enkel voor degenen die werkelijk deel uitmaken van door zowel de EU als Turkije erkende terreurorganisaties of voor allen die betrokken zijn bij de vele groepen en bewegingen die de afgelopen jaren door Turkse bewindslieden als «terroristisch» zijn bestempeld?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Nederlanders met een Turkse achtergrond geen verantwoording hoeven af te leggen aan Turkije en dat dergelijke berichten over de gevolgen van «verraad» ongewenste spanningen opleveren in de Nederlandse samenleving en de integratie tegenwerken?
Het kabinet is van mening dat iedereen in Nederland zich vrij moet voelen om binnen de kaders van de rechtsstaat de eigen mening te uiten. Eventueel in Nederland gepleegde strafbare feiten, worden door het Openbaar Ministerie in Nederland onderzocht.
Hoe gaat u er voor zorgen – conform de motie-Becker c.s. die vraagt om een contrastrategie2 – dat Nederlanders met een Turkse achtergrond hier in Nederland meedoen en daarnaast niet worden lastiggevallen door Turkse regering?
Het kabinet zal de Kamer voor aanstaande zomer nader informeren over de uitvoering van de motie Becker c.s. Meer algemeen is reeds in de Kamerbrief van 16 maart 2018 toegelicht hoe het Kabinet omgaat met eventuele ongewenste buitenlandse inmenging.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat Nederlanders met een Turkse achtergrond in Nederland vrij moeten zijn om zich kritisch op te stellen ten aanzien van Turkije, en elders niet zouden moeten vrezen voor een gevangenisstraf?
Het kabinet is inderdaad van mening dat iedereen in Nederland zich vrij moet voelen om binnen de kaders van de rechtsstaat de eigen mening te uiten.
Bent u bereid over deze kwestie in gesprek te treden met de Turkse ambassade, temeer aangezien de Turkse ambassadeur recent heeft verklaard zich te willen inzetten voor integratie van Turken in Nederland?3
De Nederlandse opvatting over Turkse diaspora-politiek wordt veelvuldig met Turkse vertegenwoordigers besproken, dus ook met de Turkse ambassadeur in Nederland.
Zoals ook gemeld in het antwoord op de schriftelijke vragen van de leden Becker en Koopmans over de intenties van de Turkse ambassadeur om bij te dragen aan integratie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 948), is het Kabinet verantwoordelijk voor het beleid met betrekking tot integratie van Nederlanders met een migratieachtergrond. Hierin ziet het Kabinet geen rol weggelegd voor diplomatieke vertegenwoordigers van andere landen.
Hebt u indicaties dat deze boodschap ook wordt verkondigd op Turkse weekendscholen?
Het kabinet heeft geen indicaties dat deze boodschap ook wordt verkondigd op Turkse weekendscholen. De Turkse weekendscholen die subsidie ontvangen in het kader van het Anadolu weekendscholen project, zijn voor zover bekend nog niet gestart met hun onderwijsprogramma.
De diensten van rechtsbijstandsverzekeraars |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rechtsbijstandverzekeraars sluiten geheime contracten af»?1
Ja.
Hoe wordt de kwaliteit en omvang van de dienstverlening van rechtsbijstandsverzekeraars naar hun verzekerden toe gecontroleerd en gewaarborgd?
Rechtsbijstandsverzekeraars dienen zich te houden aan een aantal wettelijke eisen. Over deze wettelijke eisen heb ik u geïnformeerd bij de beantwoording van de Kamervragen van het lid Swinkels d.d. 24 april 2017.2 Het bestuursrechtelijk toezicht op rechtsbijstandsverzekeraars vindt plaats door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB). Daarnaast zijn er (zelfregulerings)mechanismen om de kwaliteit van de dienstverlening door rechtsbijstandsverzekeraars te waarborgen waaronder de Kwaliteitscode Rechtsbijstand, het Keurmerk Klantgericht Verzekeren en voor advocaten in loondienst van rechtsbijstandsverzekeraars is ook de regelgeving van de Nederlandse Orde van Advocaten van toepassing.
Indien een klant een klacht heeft over zijn of haar rechtsbijstandsverzekering of -verzekeraar kan de klant de klacht via de interne klachtenprocedure van de rechtsbijstandsverzekeraar indienen. Wanneer de klacht niet naar tevredenheid wordt afgehandeld kan de klant de klacht voorleggen aan de civiele rechter of (sinds 2011) het Klachtinstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). In de rechtspraak wordt ter beoordeling van beroepsaansprakelijkheid de civielrechtelijke norm gehanteerd van een redelijk handelend en redelijk bekwaam rechtsbijstandverlener. Ook het Kifid hanteert deze norm bij de beoordeling van klachten over de kwaliteit van de door een rechtsbijstandsverzekeraar geboden rechtshulp. Daarnaast toetst de Tuchtraad Financiële Dienstverlening (Assurantiën) onafhankelijk op tuchtrechtelijke aspecten van klachten over verzekeraars. Hierbij treedt zij niet in de inhoudelijke beoordeling van de klacht. Tot slot toetst de Stichting toetsing verzekeraars rechtsbijstandsverzekeraars die onder het Keurmerk Klantgericht Verzekeren vallen, op zaken als reactietermijn en klantgerichtheid.
Deelt u de mening dat uit het genoemde bericht blijkt dat vanwege geringe fixed-fees en het uitbesteden van rechtshulpvragen van rechtsbijstandsverzekaars naar zogenoemde uitvoerders die dan weer werk onderaanbesteden, dat het op zijn minst de vraag is of verzekerden wel de benodigde rechtshulp krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het Verbond van Verzekeraars heeft laten weten dat bij een rechtsbijstandsverzekeraar als uitgangspunt geldt dat rechtsbijstandsverleners van de verzekeraar of het schaderegelingskantoor de zaak behandelt. In bepaalde gevallen kan het echter voorkomen dat een zaak wordt uitbesteed indien specifieke expertise vereist is of er zich een grote piek van zaken op een bepaald rechtsgebied voordoet. Hierbij wordt vaak samengewerkt met netwerkkantoren waarmee vaste tarieven zijn afgesproken en waarvoor dezelfde kwaliteitseisen gelden als de rechtsbijstandsverzekeraar of het schaderegelingskantoor. De rechtsbijstandsverzekeraar of het schaderegelingskantoor blijft eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de rechtshulp en kan hierop worden aangesproken. De klant dient over de uitbesteding aan netwerkkantoren op de hoogte te worden gebracht. Wat betreft de (onder)uitbesteding van zaken door netwerkkantoren geldt dat rechtsbijstandsverzekeraars en schaderegelingskantoren met netwerkkantoren overeen zijn gekomen dat (onder)uitbesteding alleen mag plaatsvinden na overleg en dat de klant hiervan altijd op de hoogte moet zijn. De DAS heeft in een reactie laten weten erg geschrokken te zijn van de gang van zaken zoals aan de orde was in de uitzending van Radar van 4 maart 2019 en geeft aan dit uit te zoeken. Naar aanleiding van de uitzending van Radar heeft het Verbond van Verzekeraars haar leden opgeroepen het uitbestedingsbeleid kritisch te bezien en zo nodig te herzien.
Deelt u de mening dat het inschakelen van rechtsbijstandsverzekeraars die op bovengenoemde wijze werken niet past bij een stelsel van door de overheid gesubsidieerde rechtshulp? Zo ja, waarom en welke conclusies ten aanzien van uw plannen voor herziening van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het van zeer groot belang dat burgers een zorgvuldige en kwalitatieve behandeling van hun juridische geschillen krijgen, ongeacht de wijze waarop die behandeling is georganiseerd. Dat is daarom ook één van de essentiële punten in het nieuwe stelsel.
Een goed functionerend systeem biedt iedereen toegang tot het recht, onafhankelijke rechtsbescherming, zoveel mogelijk een duurzame oplossing voor het juridische geschil en dienstverlening van hoge kwaliteit. Bij de herziening van het stelsel van de door de overheid gesubsidieerde rechtsbijstand staat dan ook voorop dat deze op kwalitatief hoogwaardige wijze wordt ingericht.
Hoe verhoudt het feit dat verzekerden die zelf voor een advocaat kiezen minder van hun rechtsbijstandsverzekeraar vergoed krijgen dan wanneer zij de keuze voor de rechtshulpverlener aan de verzekeraar overlaten, zich tot de Europese en Nederlandse jurisprudentie met betrekking tot de vrije keuze van een advocaat?
Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan een rechtsbijstandsverzekeraar beperkingen stellen aan de kosten die worden vergoed voor de inschakeling van een rechtshulpverlener door de verzekerde. De vrijheid van advocatenkeuze mag echter niet door de beperking van de te vergoeden kosten illusoir worden gemaakt. Het is aan de rechter om te beoordelen of er zodanige beperkingen zijn gesteld dat hiervan sprake is.
De vergoeding van kunstmatige inseminatie |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen het ontbreken van een mannelijke partner (in geval van alleengaande en lesbische vrouwen) en het ontbreken van een mannelijke partner met semen?1
Bij een man met semen zonder zaadcellen of zaadcellen van onvoldoende kwaliteit is er sprake van een vruchtbaarheidsprobleem ten gevolge van een aandoening, stoornis of een ziekte. Dat geldt als een medische indicatie in de context van de Zorgverzekeringswet. Dat is niet het geval bij het ontbreken van een mannelijke partner.
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen kunstmatige inseminatie met donorsemen bij alleengaande of lesbische vrouwen en kunstmatige inseminatie met donorsemen bij vrouwen met een mannelijke partner zonder semen?
Bij een man/vrouw-paar geldt het volgende. In het geval dat de man een medisch vruchtbaarheidsprobleem heeft is sprake van een medische indicatie bij de man. In geval de man verminderd vruchtbaar is, kan soms kunstmatige inseminatie met opgewerkt eigen semen een oplossing bieden, al dan niet intra-uterien. In deze gevallen is sprake van een gezamenlijke behandeling voor het man/vrouw-paar. In geval de man onvruchtbaar is, kan KID bij de vrouw een oplossing bieden. Bij deze vruchtbaarheidsbehandelingen, is daarom (ook of uitsluitend) de vrouw betrokken, waardoor deze (deels) ten laste van de verzekering van de vrouw komt.
Dit is een gevolg van de praktische oplossing die volgt uit een medisch probleem. Bij alleengaande vrouwen of lesbische paren kan de afwezigheid van een mannelijke partner echter niet worden bestempeld als een medisch probleem, waardoor vergoeding op basis van de zorgverzekering niet aan de orde is.
Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen de medische indicatie van alleengaande of lesbische vrouwen en de medische indicatie van vrouwen met een mannelijke partner zonder semen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het logisch dat bij vrouwen met een mannelijke partner zonder semen wél geldt dat deze vrouwen een medische indicatie hebben, terwijl er medisch gezien niets met hen aan de hand is, maar dat bij vrouwen met een vrouwelijke partner zonder semen of vrouwen zonder partner deze medische indicatie opeens niet geldt? Zo ja kunt u dit uitgebreid uitleggen en beargumenteren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met mij eens dat het discriminatie is om vrouwen met een vrouwelijke partner of vrouwen zonder partner anders te behandelen dan vrouwen met een mannelijke partner?
In de Zorgverzekeringswet is de aanwezigheid van een medische indicatie het uitgangspunt. Aan het hanteren van dit criterium is op geen enkele manier een discriminerend doel verbonden. In de praktijk werkt dit anders uit bij lesbische paren en alleengaande vrouwen, omdat in die gevallen – anders de gevallen waarbij de man een vruchtbaarheidsprobleem heeft – geen sprake is van een medische aanleiding voor een vruchtbaarheidsbehandeling.
Dit onderstreept dat het belangrijk is dat er spoedig – zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 13 maart2 – een besluit wordt genomen over de vraag of (en zo ja, hoe) de overheid een rol heeft in het financieren van vruchtbaarheidsbehandelingen in geval een beroep wordt gedaan op de zorg voor het vervullen van een kinderwens, terwijl een medische noodzaak ontbreekt. Een vergelijkbaar vraagstuk betreft de vergoeding van ivf-draagmoederschap behandelingen voor mannenparen in het kader van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. Het voornemen is om uiterlijk rond de zomer een besluit te nemen in deze discussie.
Bent u het met mij eens dat wanneer voor gezonde vrouwen met een mannelijke partner kunstmatige inseminatie met donorzaad (KID) wel wordt vergoed, terwijl dat voor gezonde vrouwen met een vrouwelijke partner en gezonde vrouwen zonder partner niet gebeurt, er sprake is van discriminatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u uitleggen wat u bedoelt met uw antwoord op mijn eerdere vragen dat het mogelijk maken van vergoeding van behandelingen waarvoor een medische indicatie ontbreekt een fundamentele aanpassing van de Zorgverzekeringswet impliceert die vergaande consequenties heeft? Doelt u hiermee op artikel 14, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet? Zo ja kunt u aangeven wat exact verstaan wordt onder «zorginhoudelijke criteria» en waarom wel voldaan wordt aan deze criteria in het geval van een vrouw met mannelijke partner zonder semen, maar niet door een vrouw met een vrouwelijke partner of een alleengaande?
Om toe te lichten hoe artikel 14 in dit licht moet worden gelezen is het belangrijk om artikel 14 van de Zorgverzekeringswet in samenhang met artikel 2.1, derde lid, van het Besluit zorgverzekering toe te lichten.
In artikel 14 van de Zorgverzekeringswet is geregeld dat de vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg of een bepaalde andere dienst slechts wordt beoordeeld op basis van zorginhoudelijke criteria. Hiermee wordt bedoeld dat vanuit medisch (en bijv. niet vanuit sociaal) perspectief wordt gekeken naar de bovengenoemde individuele risico’s. Uitkomst hiervan kan zijn dat er een medische indicatie is tot behandeling.
Vervolgens heeft een cliënt op grond van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit zorgverzekeringen slechts recht op een vorm van zorg «voor zover hij daarop naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen». Of een cliënt redelijkerwijs is aangewezen op een te verzekeren prestatie is een individuele (medische) beoordeling. Dit is pas het geval als het individuele risico dat hij loopt op een ziekte, aandoening of beperking hoger is dan het risico binnen de populatie in het algemeen. Er is dan sprake van een medische indicatie. De Zorgverzekeringswet betreft immers een individuele schadeverzekering.
Concluderend betekent bovenstaande dat er een medische aanleiding (indicatie) nodig is om de behandeling kunstmatige inseminatie met donorzaad vergoed te kunnen krijgen vanuit het verzekerde pakket. Aanpassing van deze artikelen van de Zorgverzekeringswet en de onderliggende wet- en regelgeving vereist daarmee een fundamentele wijziging van het stelsel van ziektekostenverzekeringen, omdat deze wijziging het medisch indicatievereiste zou verbreden.
Het bericht dat de productie van de Mini naar Nederland verplaatst zou kunnen gaan worden |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bouw Mini van Engeland naar Nederland»?1
Ja.
Deelt u de mening dat gezien de uitspraak van het genoemde BMW-directielid dat bij een no-deal Brexit de assemblage van de Mini van het Verenigd Koninkrijk naar Nederland kan worden verplaatst, dat dit grote kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven en de werkgelegenheid biedt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De Brexit is voor de Nederlandse economie geen positieve ontwikkeling. Er ontstaan echter soms wel acquisitiekansen. Internationaal opererende bedrijven die momenteel in het VK gevestigd zijn, overwegen in een aantal gevallen hun activiteiten te verplaatsen van het VK naar de EU.
Ten aanzien van de uitspraken van de heer Schwarzenbauer van BMW in zijn interview met Sky News wil ik opmerken dat hij inderdaad heeft aangegeven dat BMW de productie van onder meer de Mini in Oxford zal moeten heroverwegen, in het geval van een «no-deal Brexit». Hij heeft daarbij echter geen rechtstreeks verband gelegd met (verplaatsing van de productie naar) VDLNedcar.
Over welke mogelijkheden beschikt u om bedrijven te stimuleren zich in Nederland te vestigen?
Het kabinet wil buitenlandse bedrijven die een investering met reële economische activiteiten overwegen naar Nederland aantrekken. Buitenlandse bedrijven leveren immers een positieve bijdrage aan onze economie en samenleving. Daarbij zijn een aantrekkelijk vestigingsklimaat en effectief acquisitie-apparaat essentiële randvoorwaarden. De Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) ondersteunt buitenlandse bedrijven die activiteiten in Nederland willen opzetten. De NFIA, waar ook extra capaciteit is vrijgemaakt voor Brexit, is al geruime tijd actief in het benutten van deze acquisitiekansen. Recent heb ik uw Kamer geïnformeerd over het Nederlandse vestigingsklimaat en het acquisitiebeleid (Kamerstuk 32 637, nr. 342).
Deelt u de mening dat Nederland er alles aan moet doen om BMW over te halen om de productie van de Mini naar Nederland over te plaatsen? Zo ja, hoe gaat u zich hiervoor inspannen? Zo nee, waarom niet?
Ik ga niet speculeren over de uitkomst van de Brexit-onderhandelingen en de consequenties die bedrijven daar aan verbinden. Mochten zich echter rond bedrijven bijzondere kansen aandienen waarbij de overheid een rol kan spelen, dan zullen we ons daarvoor inspannen, zie ook mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Het nu alweer niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u naar aanleiding van Kamervragen over het niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen, op 4 maart 2019 de Kamer heeft geinformeerd dat u de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken kunt beantwoorden? Kunt u toelichten waarom?1 2
Ja. De reden was de benodigde afstemming over de beantwoording, zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 4 maart 2019 (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 1784).
Kunt u toelichten waar u precies op doelt als u schrijft: «Vanwege de nodige afstemming betreffende de beantwoording kunnen de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoord worden»? Met wie moet u de beantwoording afstemmen?
De antwoorden dienden te worden afgestemd met de NVWA en RVO.nl.
Zijn er al wel gegevens bekend over de sterfte onder lammeren die in 2018 geboren zijn in de melkgeitenhouderij? Zo nee, hoe is dat mogelijk, gelet op uw aankondiging dat per 1 januari 2018 ieder bedrijf per kwartaal inzicht moet geven in het uitvalspercentage onder lammeren die op het bedrijf zijn geboren?3
De maatregelen uit het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes zijn door de sector per 1 januari 2018 ingebed in het keten-kwaliteitszorgsysteem KwaliGeit. Bedrijven zijn op grond van het plan van aanpak verplicht ieder kwartaal onderbouwd inzicht te geven in de uitvalspercentages. Deze gegevens worden geleverd aan en gecontroleerd door Qlip, een onafhankelijke private organisatie die bewaakt of melkgeitenhouders de normen uit KwaliGeit naleven. Het plan van aanpak verplicht ondernemers dus niet om per kwartaal aan de overheid inzicht te geven over het uitvalspercentage onder lammeren die op hun bedrijf zijn geboren.
Geitenhouders zijn verplicht om geboortes te melden in het I&R-systeem. Op basis van de gegevens uit I&R zijn sterftecijfers voor 2018 afgeleid. Voor deze sterftecijfers verwijs ik naar het antwoord op vraag 9 van de schriftelijke vragen van de PvdD-fractie met kenmerk 2019Z02541 (ingezonden 11 februari 2019).
Hebben de bedrijven per kwartaal de cijfers aan u gemeld? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u alle cijfers die al wel beschikbaar zijn per ommegaande doorsturen naar de Kamer nu u de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn zegt te kunnen beantwoorden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Het plaatsen van (bewerkte) foto’s en filmpjes van leerkrachten in klaslokalen op internet |
|
Tobias van Gent (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten met betrekking tot de plaatsing van (bewerkte) foto’s en filmpjes van leerkrachten in klaslokalen op internet?1
Ja.
Gezien het feit dat de laatste tijd met regelmaat in de media nieuwsberichten verschijnen dat leerkrachten in problemen zijn geraakt doordat leerlingen (bewerkte) foto’s en filmpjes gemaakt in het klaslokaal of op school, op internet hebben geplaatst, bent u van mening dat dit een groeiend probleem is en dat leerkrachten hiertegen in bescherming moeten worden genomen? Zo ja, wat gaat u doen om dit groeiende probleem tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
De laatste tijd zijn er verschillende incidenten geweest rondom opnames door leerlingen. Dit is een onwenselijke situatie die risico’s met zich mee kan brengen voor de veiligheid van leraren en de veiligheid in de school.
Ik vind het dan ook belangrijk dat een school – in overleg met alle betrokkenen in en rond de school – schoolregels opstelt over het gebruik van mobiele telefoons en eventueel over de bestraffing van het niet-nakomen van die regels. Dat vind ik bij uitstek een taak voor de school zelf, die ook past in de bredere verantwoordelijkheid voor een veilig schoolklimaat, en daarin zie ik geen rol voor de overheid weggelegd. Wel zorg ik voor de benodigde ondersteuning voor scholen.
Stichting Kennisnet heeft in samenwerking met de VO-raad een leidraad ontwikkeld hoe om te gaan met online verspreiding van ongewenste beelden van leerlingen en/of personeel. In 2018 bracht zij al de brochure «Sociale media en schoolmedewerkers: omgaan met valkuilen» uit. Ik heb de Stichting School en Veiligheid gevraagd het komende jaar haar aanbod van ondersteuning op dit thema uit te breiden. Zo wil ik stimuleren dat alle scholen aan de slag gaan met dit thema.
Deelt u de opvatting dat het verwerken van persoonsgegevens (door filmpjes en/of foto’s) op internet, zonder dat de persoon over wie het gaat daarvoor toestemming heeft gegeven, in strijd is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)?
Voor rechtmatige verwerking van persoonsgegevens is een grondslag vereist. Eén van de zes grondslagen is het geven van toestemming. Het is niet aan mij om te beoordelen of een gegevensverwerking in een bepaalde situatie rechtmatig is. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens of de rechter.
Welke strafrechtelijke of bestuursrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd aan leerlingen en/of anderen die op dergelijke wijze in strijd met de AVG handelen? Hoe vaak zijn deze sancties sinds de invoering van de AVG in mei 2018 opgelegd?
In principe is het aan de school om maatregelen te treffen. Er zijn scholen die het gebruik van mobiele telefoons verbieden of ontmoedigen tijdens de lesuren. In uitzonderlijke gevallen kan een school, leraar of leerling er zelf voor kiezen om aangifte te doen, een procedure te starten bij de rechter of een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. De strafrechtelijke en bestuursrechtelijke sancties zijn afhankelijk van de zwaarte van de gedraging. De gegevens over het aantal sancties zijn mij niet bekend.
Worden er ook door de scholen sancties opgelegd aan deze leerlingen en wat voor sancties zijn dit?
Zie antwoord vraag 4.
Het rapport 'Circulaire economie in kaart' van het Planbureau voor de Leefomgeving |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Circulaire economie in kaart» van het Planbureau voor de Leefomgeving?1 2
Het PBL-rapport «Circulaire Economie in kaart» is mij bekend.
Deelt u de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat Nederland nog niet voldoende doet om in 2050 een circulaire economie te bereiken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel de conclusie van het PBL dat de Nederlandse economie zoals die nu is niet vanzelf leidt tot een circulaire economie. We staan aan het begin van de transitie.
Het PBL-rapport «Circulaire economie in kaart» geeft aanknopingspunten hoe de overheid, samen met maatschappelijke partijen, een circulaire economie in 2050 kan bereiken. Tevens analyseert PBL welke belemmeringen er nu zijn en welke mogelijkheden kunnen worden benut om de circulaire economie te versnellen. Een scherpere focus op refuse, reduce, reuse, repair (de «hogere R-strategieën op de ladder» naast recycling) is hierbij volgens het PBL geboden om het grondstoffengebruik in Nederland te verminderen.
Het PBL doet onder meer aanbevelingen aan de overheid om barrières weg te nemen op financieel vlak, op wetgevingsgebied en op het vlak van vergunningverlening en hiertoe samen te werken met alle overheden.
In mijn brief van 13 februari 2019 (2019D06163) met antwoorden op vragen van de heer Ziengs naar aanleiding van berichten in de media over hetzelfde PBL-rapport, ben ik al ingegaan op het wegnemen van belemmeringen voor de kringloopeconomie.
Ik heb uw Kamer op 8 februari 2019 (TK 32 852 nr. 76) het Uitvoeringsprogramma circulaire economie doen toekomen waarin de acties uit de kabinetsreactie van
29 juni 2018 over de transitie-agenda’s circulaire economie en dwarsdoorsnijdende thema´s worden geconcretiseerd.
In dit Uitvoeringsprogramma komt een brede verscheidenheid aan soorten circulaire activiteiten aan de orde. Er is aandacht voor circulair ontwerpen, marktprikkels en deeleconomie. Het wegnemen van belemmeringen in wet- en regelgeving en het ondersteunen van bedrijven bij doorbraakprojecten op het terrein van circulaire economie zijn ook onderdeel van dit uitvoeringsprogramma.
Het in februari van dit jaar geopende «Versnellingshuis» zie ik als belangrijk instrument om nieuwe vormen van circulariteit te faciliteren en op te schalen.
Voor de zomer van 2020 zal er, ook naar aanleiding van de in de tussentijd te verschijnen voortgangsrapportage van PBL, een actualisering van dit Uitvoeringsprogramma aan de Kamer worden aangeboden waarin nieuwe inzichten meegenomen kunnen worden.
Wat vindt u ervan dat de meeste innovatieve initiatieven zich richten op recycling en dat innovaties hoger op de R(ecycling)-ladder, zoals hergebruik en diensten, veel minder vaak voorkomen, terwijl juist bij deze innovaties het grondstoffenverbruik sterker vermindert? Bent u van plan uw beleid aan te passen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u op dit gebied dan nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Neemt u het advies van het PBL over, om uw beleid voor circulair ontwerpen uit te breiden en niet alleen uit te gaan van design-for-recycling maar ook van design-for-repair? Zo nee, waarom niet?
Ik deel het belang van het uitbreiden van ecodesign tot ontwerp voor recycling en reparatie. Zo ondersteun ik het programma CIRCO dat Nederlandse bedrijven helpt bij het toepassen van circulair ontwerpen, waarbij verduurzaming van het eigen product in een circulair businessmodel centraal staat. Het voornemen is het programma CIRCO de komende jaren op te schalen met het doel circulair ontwerpen bij een groot deel van het Nederlandse bedrijfsleven tot een gangbare praktijk te maken. Van belang is dat productbeleid wel grensoverschrijdend wordt aangepakt aangezien veel van de producten waar het om gaat internationaal worden verhandeld.
Het bevorderen van repareerbaarheid maakt al onderdeel uit van het Europese pakket voor circulaire economie (2015). Ik wijs u op het fiche Mededeling Ecodesign werkplan 2016–2019 (bijlage bij brief van de Minister van Buitenlandse Zaken, 20 januari 2017, Kamerstuk 34 663, nr. 8).
Inmiddels zijn de eerste Europese normen van kracht geworden waarin sprake is van duurzaamheid, repareerbaarheid, herbruikbaarheid, opwaardeerbaarheid en fabriceerbaarheid van en gebruik van kritische grondstoffen in producten, onderdelen en materialen die ingezet worden in onder andere de maakindustrie en bouwsector en die gebruikt worden voor consumentengoederen, zoals EN 45559 (Methods for providing information relating to material efficiency aspects of energy-related products) https://www.nen.nl/Nieuws/Nieuws/Eerste-Europese-normen-voor-circulaire-economie-goedgekeurd.htm
Wat vindt u ervan dat er relatief weinig reparatiebedrijven voor consumentenelektronica zijn, terwijl dergelijke bedrijven op vergelijkbare wijze als autoreparatiebedrijven kunnen zorgen voor een veel langere levensduur van producten? Welke rol voor de overheid ziet u hier?
Reparatie- en onderdelenbedrijven gericht op consumentenproducten zijn in de laatste decennia helaas schaars geworden. Loonkosten, maar ook regelgeving ten aanzien van elektrische apparaten kunnen hier belemmerend werken. Repair Cafés (die zijn vrijgesteld van certificering omdat zij geen artikelen repareren bestemd voor verkoop) vervullen hier een maatschappelijke behoefte.
Ik stimuleer met het bovengenoemde Uitvoeringsprogramma het tot stand komen van circulaire ambachtscentra waar vakkennis, ambachten en het techniekonderwijs samen zorgen voor stimulering van de circulaire economie. Reparatie ten behoeve van levensduurverlenging van producten speelt daarbij een belangrijke rol.
Er wordt op lokaal niveau al veel werk gemaakt van circulaire economie, zowel door gemeenten als door bedrijven en andere instellingen. Naar verwachting ontstaat daardoor ook werkgelegenheid voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt.
Het doel is om in 2030 in Nederland een landelijk dekkend netwerk van circulaire ambachtscentra te hebben, bij voorkeur op locaties waar combinaties van milieustraten, kringloop- en weggeefwinkels en ambachtslocaties geconcentreerd zijn. Bij deze ambachtslocaties is men bedreven in levensduurverlenging van producten door onder meer reparatie, het opknappen en uit oude producten nieuwe producten maken. Voorbeelden van dergelijke centra zijn de Tilburgse kringloopwinkel La Poubelle, de recycleboulevard in Leeuwarden en het Upcycle centrum in Almere.
Deelt u de conclusie van het PBL dat initiatieven die circulair handelen combineren met lokale en sociale doelen, kunnen helpen om draagvlak en betrokkenheid van burgers en bedrijven te vergroten? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit te stimuleren?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het «Repair Café»? Erkent u dat initiatieven zoals Repair Cafés bovenstaande aanknopingspunten bij uitstek in praktijk brengen, dat wil zeggen dat zij het stimuleren van hergebruik en reparatie combineren met lokale en sociale doelen?
Ik ken en stimuleer initiatieven en icoonprojecten om onder meer reparatie en hergebruik van goederen en materialen te stimuleren. Daarbij zijn niet alleen Repair Cafés maar ook kringloopwinkels en andere lokale en sociale bedrijven en instellingen, bijvoorbeeld uit het beroepsonderwijs, onze partners.
Ik ondersteun de stichting Repair Café in het opbouwen van de zogeheten RepairMonitor, op basis waarvan inzicht wordt verkregen in de mate waarin huishoudelijke apparaten repareerbaar zijn door niet-professionele centra of personen. Het doel is te komen tot een monitor waarmee een groot volume aan data over (particuliere) reparaties zal ontstaan.
Erkent u de rol van Stichting Repair Café als de organisatie die het Repair Café-concept landelijk verspreidt en ondersteunt? Deelt u de mening dat deze stichting een belangrijke partner van de overheid kan zijn bij het vormgeven van de circulaire economie?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om meer te investeren in initiatieven als «Repair Café», zodat Nederland alsnog het doel «Nederland circulair in 2050» kan halen?
Zie antwoord vraag 7.
Illegale gokzuilen |
|
Jan de Graaf (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «In heel Nederland is er geen winkelstraat waar niet illegaal gegokt wordt»?1
Ja
Herkent u de observaties uit het bericht dat door het hele land via gokzuilen, voornamelijk in Turkse thee- en koffiehuizen, illegaal op sportwedstrijden wordt gewed en dat hier miljoenen in omgaan? Herkent u tevens de schatting dat momenteel zo’n vijftig bookmakers actief zijn in Nederland? Zo nee, hoe hoog schat u het aantal bookmakers in?
Heeft u redenen om aan te nemen dat verschuivingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van het onderzoek uit 2015, waarin werd gesproken van ruim 800 plekken waar illegale gokzuilen werden gerund en een jaarlijkse omzet van ongeveer 40 miljoen euro?2 Zo ja, hoe schat u deze cijfers nu in?
Ik herken de observaties gedeeltelijk. Blijkens het onderzoeksrapport van Spapens en Bruinsma (2015)3 zijn in de periode 2010–2014 op 446 locaties in totaal 649 gokzuilen aangetroffen. In het merendeel werden deze aangetroffen in cafés (210), koffie- en theehuizen (99), eetcafés (40) en stichtingen (21) en nog in andere zaken.
Het aantal van 50 bookmakers dat door de geïnterviewde theehuiseigenaar wordt genoemd, kan ik niet bevestigen. Spapens en Bruinsma noemen in hun rapport het aantal van 17 regelaars die gokzuilen aanleveren aan horecaondernemers. Zij gaan er vanuit dat jaarlijks bijna 37 miljoen euro aan omzet wordt gemaakt.
De Kansspelautoriteit geeft aan dat zij geen indicaties heeft dat na 2015 significante verschuivingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van genoemde aantallen. Wel heeft de Kansspelautoriteit de indruk dat het illegale aanbod via gokzuilen steeds meer op versluierde wijze wordt aangeboden.
Kunt u een nadere uitsplitsing geven van de 84 uitgevoerde onderzoeken en 17 sancties die sinds 2015 door de Kansspelautoriteit (Ksa) zijn uitgevoerd? Zijn hierbij ook bookmakers onderzocht en/of gesanctioneerd?
De Kansspelautoriteit heeft in 2013 haar beleid aangepast door meer ondersteuning te verlenen aan gemeenten en politie in plaats van zelf bestuurlijke boetes uit te delen. Een gemeente kan bijvoorbeeld een horecagelegenheid sluiten en dat is vaak effectiever dan een boete van de Kansspelautoriteit. Sinds 2015 heeft de Kansspelautoriteit 81 maal ondersteuning verleend aan de gemeente en de politie, waarbij de Kansspelautoriteit een rapportage heeft opgesteld van de aangetroffen situatie en zo haar kennis ter beschikking gesteld.
In de periode 2012–2018 heeft de Kansspelautoriteit veertien bestuurlijke sancties opgelegd aan de houders van horecagelegenheden. Ten slotte zijn onder leiding van het Openbaar Ministerie drie strafrechtelijke onderzoeken uitgevoerd naar de organisatoren van gokzuilen.
Op 28 maart 2019 heeft de Kansspelautoriteit bij een grote landelijke actie in totaal honderd «cash centers» in beslag genomen. 152 locaties (winkels, theehuizen, cafés en snackbars) verspreid over het hele land werden bezocht. De Kansspelautoriteit werkte samen met politie, gemeenten en Openbaar Ministerie. Er is ook beslag gelegd op meer dan een miljoen euro op buitenlandse bankrekeningen. Deze actie is een vervolg op een doorzoeking in 2018 van bedrijfspanden en woningen in Enschede en Rotterdam, waarbij administratie in beslag werd genomen.
Wat wordt momenteel gedaan om specifiek de bookmakers aan te pakken? Deelt u de mening dat de aanpak van deze groep cruciaal is in de bestrijding van illegale gokzuilen? Ziet u mogelijkheden de opsporing en aanpak van deze groep te intensiveren?
Het is inderdaad belangrijk om de organisatoren van de gokzuilen aan te pakken. Het is daarnaast van belang de locatie-eigenaren aan te pakken die toestaan dat organisatoren («bookmakers») daar hun gokzuilen kunnen plaatsen. De Kansspelautoriteit pakt daarom samen met politie en gemeenten de locaties aan waar gokzuilen staan. De Kansspelautoriteit werkt op dit moment samen met de gemeente Rotterdam aan een sluitende aanpak. Deze aanpak richt zich op repressie gericht op locatie-eigenaren en «bookmakers», alsmede op preventie en weerbaarheid van zowel spelers als locatie-eigenaren. Wanneer dit succesvol is zal deze aanpak ter beschikking worden gesteld aan andere gemeenten.
Deelt u de verbazing over de grote verschillen in aanpak van aanbieders van illegaal gokken per gemeente? Kunt u deze verschillen verklaren? Wat gebeurt er in Den Haag en Rotterdam wat nog niet in andere gemeenten gebeurt?
De verschillen in aanpak van aanbieders van illegale kansspelen per gemeente zijn te verklaren door het feit dat gemeenten hierin zelf keuzes maken. De situatie per gemeente is ook verschillend. In Den Haag en Rotterdam worden relatief veel gokzuilen aangetroffen. Dat zij aan de aanpak daarvan prioriteit geven en daarom ook vooroplopen in de aanpak is te begrijpen.
Den Haag en Rotterdam zijn zich zeer bewust van de ondermijnende en nadelige effecten van illegaal gokken en treden daar tegen op met gebruikmaking van hun eigen bevoegdheden op grond van de APV en de Drank- en Horecawet. De gemeente Rotterdam heeft de actie «Illegaal gokken is geen spelletje» in 2016 en 2017 uitgevoerd, waarin de Kansspelautoriteit heeft geparticipeerd. Daarin zijn de speler en zijn omgeving (familie, vrienden) aangesproken en alert gemaakt. Graag wijs ik ook op de aanpak in Rotterdam gericht op repressie, preventie en weerbaarheid, genoemd in het antwoord op vraag 5.
Is inmiddels bij alle gemeenten de wegwijzer speelautomaten expliciet onder de aandacht gebracht?3 Zo nee, bent u bereid deze, al dan niet in samenwerking met de Ksa, alsnog onder de aandacht te brengen?
Na vaststelling van de wegwijzer in augustus 2018 heeft de Kansspelautoriteit met behulp van een adressenlijst van de Vereniging Nederlandse Gemeenten aan alle gemeenten een exemplaar van de Wegwijzer speelautomaten toegestuurd. De website van de Kansspelautoriteit heeft een link naar een aparte pagina voor gemeenten. Hier is de wegwijzer meteen vindbaar. De Kansspelautoriteit heeft veelvuldig contact met gemeenten en ook gemeenten weten op hun beurt de Kansspelautoriteit te vinden.
Bent u bereid met Ksa en gemeenten in gesprek te gaan om te onderzoeken wat mogelijke knelpunten zijn in het optreden tegen aanbieders door Ksa en gemeente en hoe deze voorkomen kunnen worden? Bent u bereid daarbij ook te bezien of gemeenten afdoende mogelijkheden ervaren voor het doen van Bibob-toetsen bij twijfelachtige ondernemingen? Ziet u verder aanleiding om te komen tot een meer gecoördineerde samenwerking tussen ministerie, Ksa en gemeenten om zo tot een evenwichtiger aanpak te komen?
De Kansspelautoriteit werkt nauw samen met een groot aantal gemeenten en er zijn steeds meer gemeenten die gebruik willen maken van de opleidingen en ondersteuning door de Kansspelautoriteit. Bij mij zijn geen signalen bekend van gemeenten die problemen ervaren bij het gebruik van het BIBOB-instrumentarium bij het bestrijden van illegale gokzuilen.
Met betrekking tot de informatiepositie merk ik op dat de Kansspelautoriteit afspraken maakt met gemeenten (ook middelgrote en kleinere) over de wijze waarop gemeenten de Kansspelautoriteit informeren. Tevens werkt de Kansspelautoriteit aan een app voor toezichthoudende en handhavende ambtenaren van gemeenten waarmee zij eenvoudig informatie kunnen verstrekken aan de Kansspelautoriteit. Ik verwacht dat dit voor de Kansspelautoriteit een betere informatiepositie gaat opleveren.
Ik beschouw de aanpak door de Kansspelautoriteit en de gemeenten als evenwichtig.
Ziet u ook mogelijkheid om in deze gesprekken aandacht te vragen voor de informatiepositie van de Ksa, die aangeeft meer geïnformeerd te willen worden door gemeenten over de uitkomsten van hun onderzoek, zodat de Ksa in de toekomst cijfers paraat heeft over het aantal zaken waarbij gemeenten maatregelen hebben genomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om, met oog op de landelijke omvang van het probleem, ook nadrukkelijk kleine en middelgrote gemeenten te betrekken bij deze gesprekken?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat deze casus aantoont dat de Ksa, met dertien handhavers, over onvoldoende capaciteit beschikt om de volledige gokbranche te monitoren en dat dus structureel meer capaciteit moet worden vrijgemaakt, zeker met oog op de recent aangenomen wetgeving? Is de financieringssystematiek voor de handhavende taken van de Ksa passend wat de regering betreft?
Tijdens het Algemeen Overleg van 13 september 2018 heb ik uw Kamer aangegeven dat de Kansspelautoriteit momenteel voldoende is toegerust.5 Dat heeft steeds onze aandacht. De Kansspelautoriteit voert op basis van het ontwerpbesluit kansspelen op afstand en de concept ministeriële regeling die nog ter consultatie zal worden aangeboden, een uitvoeringstoets uit.6 Daarbij zal de Kansspelautoriteit ingaan op de benodigde (financiële) capaciteit voor toezicht en handhaving.
Ziet u mogelijkheden om het instrumentarium wat de Ksa tot haar beschikking heeft te vergroten, zodat zij minder afhankelijk is van andere partijen in haar handhavende taak?
Met de wet Kansspelen op afstand krijgt de Kansspelautoriteit meer handhavingsbevoegdheden, zoals het bestuurlijk binnentreden in een woning en het bestuurlijk in beslag nemen van goederen die daarvoor vatbaar zijn. Ik zie vooralsnog geen reden voor een verdere uitbreiding van haar instrumentarium. Wanneer een zaak een strafrechtelijke aanpak behoeft, geschiedt dat onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM). Het OM is dan verantwoordelijk om de zaak onder te brengen bij een daartoe goed geoutilleerde opsporingsinstantie zoals de politie of de FIOD.
Het bericht dat christenvervolging in China verviervoudigd is |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vervolging christenen in China verviervoudigd»?1
Ja.
Kunt u het bericht van de organisatie ChinaAid bevestigen, dat het aantal geloofsvervolgden in China in het afgelopen jaar is gestegen van 223.200 naar een miljoen en dat meer dan 5.000 christenen zijn gearresteerd? Hoe duidt u deze ontwikkeling?
Uit het rapport van ChinaAid blijkt dat in 2018 het aantal arrestaties en vervolgingen van christenen in China ten opzichte van het jaar ervoor sterk is gestegen.
Deze ontwikkeling past in een breder beeld van toegenomen inperking van vrijheid van religie en levensovertuiging en sinificatievan religie in China. Het toegenomen aantal vervolgingen hangt onder meer samen met nieuwe Chinese wetgeving omtrent religieuze zaken, die op 1 februari 2018 van kracht is geworden.2 De wetgeving verbiedt religieuze activiteiten van ongeregistreerde religieuze instellingen en verplicht geregistreerde religieuze instellingen onder andere om «kernwaarden van het socialisme te implementeren» en «sturing, toezicht en controles van relevante organen van lokale overheden» te accepteren, waarbij overtreding in ernstige gevallen bestraft kan worden met het intrekken van de registratie.3
De verwachting is dat deze ontwikkeling door zal zetten. In het werkrapport van de Chinese regering, gepresenteerd tijdens de vergadering van het Nationale Volkscongres (NPC) op 5 maart 2019, staat dat «het fundamentele beleid van de Partij met betrekking tot religieuze zaken» volledig geïmplementeerd moet worden, dat religie «Chinees georiënteerd moet zijn» en religieuze leiders zich actief in moeten zetten voor «economische en sociale ontwikkeling». Op 12 maart 2019 benadrukte Xu Xiaohong, hoofd van het Nationale Comité van het Chinese protestantse kerkgenootschap de «Patriottische Drie-Zelf Beweging», opnieuw de noodzaak tot sinificatie van het christelijke geloof, waarbij met name het «brandmerk van «buitenlandse religie» van het Chinese christendom» geëlimineerd moet worden.4
Voor verdere duiding verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen van de leden Van der Staaij, Van Helvert, Koopmans, Voordewind en Kuzu over kerksluitingen in China van 25 oktober 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 406).
Hoeveel kerksluitingen in China zijn u bekend, naast onder meer de Sionkerk in Beijing?2
Uit openbare bronnen blijkt dat naast de Sionkerk in Peking, er een groot aantal kerken is gesloten in China. Officiële cijfers zijn niet bekend.
Klopt het dat bescherming van de openbare orde, volksgezondheid en/of onderwijs soms ten onrechte worden aangewend om de godsdienstvrijheid in China te beknotten, niet alleen van christenen maar ook van Oeigoeren, zelfs al staat de Chinese Grondwet formeel garant voor religieuze vrijheden?
Artikel 36 van de Chinese Grondwet, het artikel dat vrijheid van religie garandeert, bevat enkele kwalificaties. Zo staat er in het grondwetsartikel dat de Chinese staat «garant staat voor normale religieuze activiteiten», dat «niemand religie mag gebruiken om activiteiten te ontplooien die de openbare orde verstoren, de gezondheid van burgers in het geding brengen of een belemmering zijn voor het nationale onderwijssysteem», en dat «religieuze organisaties of zaken niet onder invloed mogen staan van buitenlandse krachten». Chinese wetgeving biedt ruimte voor interpretatie over wat in het licht van deze kwalificaties toelaatbaar is. In de praktijk betekent dit dat er in China, en derhalve ook bij organisaties als de door de Chinese overheid gecontroleerde Patriotic Religious Association, niet gesproken kan worden van vrijheid van religie en levensovertuiging, zoals verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens garandeert het recht van ieder mens op vrijheid van religie of overtuiging. Verder bepaalt Artikel 18 lid 3 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten – een verdrag dat China wel heeft getekend maar nog niet heeft geratificeerd – dat alleen de bescherming van de publieke veiligheid, orde, gezondheid, moraal of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen, aanleiding kunnen zijn voor wettelijke beperkingen op vrijheid van religie.
In hoeverre handelen organisaties als de door de overheid gecontroleerde Patriotic Religious Association conform de internationale afspraken en standaarden over godsdienstvrijheid?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is het resultaat van de Nederlandse inspanningen voor een algemene resolutie over de vrijheid van religie en levensovertuiging tijdens de 73e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties?
De resolutie die mede door Nederland op 6 november 2018 tijdens de 44e bijeenkomst van de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd ingediend over vrijheid van religie en levensovertuiging6 is aangenomen. Verder sprak, mede dankzij de Nederlandse inzet binnen de EU, een vertegenwoordiger van Oostenrijk namens de EU een verklaring uit; hij deed een algemene oproep de (grond)wettelijke basis voor de bescherming van de vrijheid van religie te versterken en riep verder Staten op de aanbevelingen van de Universal Periodic Review(UPR) te implementeren.7 Op 17 december 2018 heeft de 73e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties deze algemene resolutie over vrijheid van religie en levensovertuiging aangenomen.8
Vormt de bescherming en bevordering van godsdienstvrijheid een integraal onderdeel van de door Nederland te ontwerpen Chinastrategie?3 Zo nee, waarom niet?
Mensenrechten, waaronder het recht op vrijheid van religie en levensovertuiging, is een van de prioriteiten van het buitenlands beleid van Nederland en zal daarmee dus ook onderdeel zijn van de China-strategie.
Blijft Nederland zich binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties inspannen om de inperking van godsdienstvrijheid in China, bijvoorbeeld via de annexatie of sloop van kerken en de detentie van voorgangers, aan de kaak te stellen?
De rol van multilaterale fora voor inspanningen ter verbetering van de rechten van de mens blijven van groot belang.
In EU-verband en binnen de Verenigde Naties zal Nederland zich blijven inzetten om de mensenrechtensituatie in China aan de orde te stellen. Daarbinnen is vrijheid van religie en levensovertuiging een belangrijk aandachtspunt.
Zo hebben de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU op 18 maart 2019 met de Chinese Minister van Buitenlandse Zaken (Wang Yi) gesproken over de beleidsterreinen waarop de visie van de EU en China uiteenloopt, waaronder mensenrechten, inclusief de vrijheid van godsdienst.
Op 7 maart 2019 heeft Nederland tijdens de VN Mensenrechtenraad als een van de weinige landen in een nationale verklaring zorgen geuit over de mensenrechtensituatie en heropvoedingskampen in Xinjiang. Op 13 maart 2019 heeft er en marge van de Mensenrechtenraad mede op Nederlands initiatief een side event over de positie van de Oeigoeren plaatsgevonden. Dat deed Nederland samen met het VK, Duitsland, de Verenigde Staten en Canada10.
In het kader van de Universal Periodic Review (UPR) van China van 6 november 2018 deed Nederland China de aanbeveling VN-organisaties toegang te geven tot Xinjiang om het beleid daar in lijn te brengen met internationale standaarden voor mensenrechten.
Bovendien is de mensenrechtensituatie in China aan de orde gesteld door Minister-President Rutte tijdens het bezoek van de Chinese premier Li Keqiang op 15 oktober 2018.
Tevens zet Nederland in op een EU-China mensenrechtendialoog voorafgaand aan de aanstaande EU-China top met vrijheid van religie en levensovertuiging als belangrijk agendapunt.
De situatie van donorkinderen |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het Actieplan ondersteuning donorkinderen dat uw ambtsvoorganger op 4 juli 2017 naar de Tweede Kamer heeft verzonden?1 Kunt u voor elk van de zeven actiepunten aangeven wat de stand van zaken is? Kunt u een overzicht geven welke actiepunten gerealiseerd zijn, wat uw voornemens zijn terzake de andere punten en wat uw planning is? Op welke wijze worden (vertegenwoordigers van) donorkinderen bij de uitvoering betrokken?
Het Actieplan ondersteuning donorkinderen is mij bekend. Bij het opstellen van het actieplan zijn de volgende partijen betrokken: Stichting donorkind, Stichting Donor Detectives NL/BE, Defence for Children, Fiom en de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb). Bij de uitwerking van de verschillende actiepunten zijn de direct bij de uitvoering betrokken partijen betrokken.
Ik zal per actiepunt een stand van zaken geven:
Hoe wordt de uitvoering van het actieplan gemonitord? Is er één organisatie die toezicht houdt op de uitvoering van het actieplan? Zo nee, bent u bereid deze organisatie aan te wijzen?
Het Actieplan ondersteuning donorkinderen is opgesteld door de voormalig Minister van VWS in samenwerking met de partijen genoemd in het antwoord op vraag 1. Het Ministerie van VWS faciliteert en ondersteunt de uitwerking ervan. Zoals gebruikelijk legt de Minister van VWS verantwoording af over het gevoerde beleid aan de Tweede Kamer en daarmee ook over de stand van zaken met betrekking tot het Actieplan ondersteuning donorkinderen (zie bijvoorbeeld de nota Medische Ethiek van 6 juli 20184).
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is rond de evaluatie van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en de wetswijziging die wordt voorbereid? Wanneer denkt u de evaluatie en uw beleidsreactie naar de Kamer te sturen?
De evaluatie van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) is afgerond en ik verwacht het rapport eind april. Ik verwacht de evaluatie en mijn reactie erop deze zomer naar de Tweede Kamer te kunnen sturen.
De wijziging van de Wdkb is nog in voorbereiding (zie mijn antwoord op vraag 1). Ik verwacht een internetconsultatie na de zomer uit te kunnen zetten.
Worden wensouders gescreend, zoals bij een adoptieprocedure, voordat zij in aanmerking komen voor een vruchtbaarheidsbehandeling met hulp van een eicel- of spermadonor? Zo nee, waarom niet? Bent u van plan deze screening te introduceren? Zo ja, hoe wilt u deze screening vormgeven?
Er vindt een medisch en psychosociaal onderzoek plaats bij wensouders door respectievelijk een arts en een maatschappelijk werker of psycholoog met deskundigheid op het gebied van voortplantingsgeneeskunde alvorens wensouders in aanmerking komen voor een vruchtbaarheidsbehandeling. De NVOG hanteert hierbij het Protocol «Mogelijke morele contra-indicaties bij vruchtbaarheidsbehandelingen»5. De verzoeken worden in zogenoemde multidisciplinaire beraadsgroepen besproken. Bij twijfel over de ernst van de risico’s voor het kind wordt aanbevolen wensouders te verwijzen naar een GZ-psycholoog of psychiater voor diagnostiek en advies. Het belang van het kind staat voorop.
Bent u het met mij eens dat voorlichting bij de start van de medische behandeling wensouders kan helpen om zich voor te bereiden op de komst van een donorkind, bijvoorbeeld als het gaat over hechting en de eventuele rol van de donor? Zo ja, hoe wilt u hierin voorzien?
Voorlichting is een vast onderdeel van de counseling voordat de vruchtbaarheidsbehandeling plaatsvindt in aanvulling op onderzoek zoals besproken in het antwoord op vraag 4. Hierbij wordt de Wdkb uitgelegd en de implicaties ervan. De beroepsgroep heeft voorlichting over dit onderwerp in haar richtlijnen opgenomen. Openheid naar het kind over donorconceptie is een van de counselingsitems die vooraf besproken wordt. Fiom heeft als kenniscentrum voor onbedoelde zwangerschappen en afstammingsvragen ook informatie beschikbaar op hun website. Fiom organiseert daarnaast onder meer bijeenkomsten voor ouders over «praten met je kind over donorconceptie». Sinds 2019 bouwt Fiom tevens aan een netwerk van fertiliteitscounsellors, zodat er een doorlopend zorgaanbod beschikbaar is voor gezinnen na donorconceptie.
In hoeverre worden wensouders aangemoedigd om zo vroeg mogelijk open te zijn naar hun kind over afstamming? Op welke wijze wordt hierin het belang van het (toekomstige) kind meegewogen?
De NVOG heeft in haar Standpunt Geassisteerde voortplanting met gedoneerde gameten en gedoneerde embryo’s en draagmoederschap over dit onderwerp aanbevelingen opgenomen, die gebaseerd zijn op internationale en nationale wetenschappelijke onderzoeken op dit gebied. In Nederland wordt ouders aangeraden om op jonge leeftijd te beginnen met hun kind in te lichten over donorconceptie. Fiom organiseert de workshop «praten met je kind over donorconceptie». Fertiliteitsklinieken wijzen (wens)ouders actief op deze workshops. Op haar website geeft Fiom ook informatie over educatief materiaal dat ouders kan ondersteunen in het bespreekbaar maken van donorconceptie. De website zal medio 2019 ook uitgebouwd zijn met een eigen informatieluik voor (wens)ouders.
Kunt u zich voorstellen dat donorkinderen vragen hebben over identiteit, het hebben van veel halfbroers en -zussen en de rol van de donor? Waar kunnen donorkinderen terecht voor psychosociale begeleiding bij afstammingsvragen?
Ik kan mij zeker voorstellen dat dergelijke vragen een rol kunnen spelen in het leven van een donorkind. Fiom is het kenniscentrum voor onbedoelde zwangerschap en afstammingsvragen. Donorkinderen kunnen bij Fiom terecht met vragen op dit terrein. Fiom biedt ook begeleiding bij de verstrekking van de persoonsidentificerende gegevens van de donor en ook wanneer er een ontmoeting plaatsvindt met de donor. Fiom biedt tevens begeleiding wanneer halfbroers en -zussen elkaar willen ontmoeten, nadat zij gematcht zijn via de Sdkb of via de Fiom KID-DNA databank. Wanneer er problemen spelen op het gebied van bijvoorbeeld identiteitsvragen of hechting kan het donorkind gebruik maken van het reguliere zorgaanbod of via de huisarts worden doorverwezen naar de GGZ.
Klopt het dat de psychosociale begeleiding bij afstammingsvragen is overgeheveld van Fiom naar vrijgevestigde therapeuten, waarmee deze hulpverlening onderdeel is geworden van de breedte van het lokale zorgaanbod? Hoe wilt u het aanbod en de toegankelijkheid van deze hulpverlening verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 7 voor de begeleiding die Fiom biedt bij een ontmoeting tussen een donorkind en een donor en bij ontmoetingen tussen halfbroers en -zussen. Er is nooit sprake geweest dat Fiom hulpverlening biedt wanneer er sprake is van psychosociale problematiek bij donorkinderen. Hiervoor kunnen donorkinderen terecht bij de reguliere zorg- en hulpverlening.
Waar is het criterium van 25 kinderen per donor op gebaseerd? Welke aantallen worden in andere Europese landen gehanteerd? Bent u ook bereid naar andere criteria te kijken, zoals een grens aan het aantal gezinnen dat gebruik kan maken van het zaad van één donor?
In 1992 is er een berekening gemaakt van het aantal toegestane kinderen per spermadonor in Nederland (CBO rapport 1992). Deze berekening is gebaseerd op het risico dat kinderen van dezelfde donor met elkaar een relatie aangaan zonder dat zij weten dat zij halfbroer/halfzus zijn (consanguïniteit). Er is in 2018 een nieuwe berekening gemaakt door de beroepsgroepen omdat er sinds 1992 een groot aantal veranderingen is opgetreden die deze berekening beïnvloeden, zoals het verbod op het gebruik van anonieme donoren en de toegankelijkheid van Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad (KID) voor alleenstaanden en lesbische paren. Zie hiervoor het Standpunt Spermadonatie6 van de NVOG en KLEM. De conclusie is dat het risico op consanguïniteit bij KID-kinderen is afgenomen ten opzichte van 1992. Zelfs met 200 kinderen per donor is het aantal verwachte consanguïne relaties tussen KID-kinderen <1.
De beroepsgroepen hanteren nu de norm van maximaal 12 gezinnen per donor en laten de norm van 25 kinderen per donor los. Dit heeft tot doel dat men dezelfde donor voor meerdere kinderen binnen één gezin kan garanderen. In de praktijk komt het daarmee neer op ongeveer maximaal 25 kinderen per donor. Op verzoek van de donor worden in de praktijk ook wel afspraken gemaakt over een lager aantal kinderen per donor.
In Duitsland is de grens vijftien kinderen per donor, in Frankrijk tien, in Zwitserland acht, in Spanje zes en in Denemarken twaalf (dit was eerder nog vijfentwintig). Er zijn drie landen die het aantal gezinnen, waaraan een donor mag donoren, hebben begrensd: Engeland (tien), België (zes), en Oostenrijk (drie). (Gezondheidsraad: Het maximum aantal kinderen per spermadonor. Evaluatie van de huidige richtlijn, september 2013).
Op welke wijze worden de belangen van de wensouders en het (toekomstige) kind afgewogen bij het bepalen van een criterium? Kunt u zich voorstellen dat het erg overweldigend is om te maken te krijgen met 25 halfbroers en -zussen?
Het is niet duidelijk wat de psychosociale gevolgen zijn van de huidige situatie van niet-anonieme donatie voor kinderen, ouders en donoren. Pas vanaf 2021, wanneer de eerste kinderen die na invoering van de Wdkb verwekt zijn contact op kunnen nemen met de donor en eventueel ook met hun halfbroers en -zussen, zullen deze effecten zichtbaar zijn en dan zal blijken hoe direct betrokkenen hun rol in een groot verwantschapsnetwerk ervaren.
Het Academisch Medisch Centrum (AMC) doet op dit moment samen met de Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen (FMG) van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en Fiom onderzoek naar de begeleiding bij een ontmoeting tussen de donor en een donorkind en naar de begeleiding bij een ontmoeting tussen (meerdere) halfbroer(s) of zus(sen), de zogenaamde Badok II studie. Er wordt onderzocht of de begeleiding aansluit bij de behoefte van betrokkenen en welke invloed een ontmoeting heeft op de kwaliteit van leven. VWS financiert dit onderzoek via het ZonMw-programma Ethiek en Gezondheid. De resultaten van dit onderzoek, die ik in maart 2020 verwacht, leveren input voor het adequaat vormgeven van de begeleiding bij contact tussen donorkind en donor en tussen donorkinderen onderling. Mogelijk bieden de resultaten ook inzicht in de consequenties van de norm van het maximaal aantal kinderen/gezinnen per donor.
Wordt er onderzoek gedaan naar de psychosociale ontwikkeling van donorkinderen? Zo ja, wat zijn de resultaten daarvan of wanneer worden deze verwacht? Zo nee, bent u bereid om een dergelijk onderzoek te laten verrichten?
Er is al een en ander bekend in de literatuur over de ontwikkeling van donorkinderen. Tot op heden zijn er geen verontrustende resultaten gerapporteerd. Donorkinderen doen het goed op school en ontwikkelen zich emotioneel goed binnen de normale range (zie bijvoorbeeld Golombok et. al, 2013). Onderzoek toont ook aan dat de familierelaties niet verschillen van kinderen die volledig genetisch eigen zijn, waarbij openheid naar het kind toe een grote positieve rol bijdraagt (zie bijvoorbeeld Schrijvers et. al, 2017). De Badok II studie zal ook meer inzicht geven in de psychosociale ontwikkeling van donorkinderen (zie het antwoord op vraag 10).
Wat vindt u ervan dat donorkinderen vanaf hun 16e levensjaar inzicht kunnen krijgen in hun afstammingsgegevens (als de donor daarvoor toestemming heeft gegeven)? Kunt u zich voorstellen dat het in het belang van het kind kan zijn om deze leeftijdsgrens te vervroegen, bijvoorbeeld naar een moment vóór de puberteit als identiteitsvragen spelen? Is hiernaar onderzoek gedaan? Bent u bereid hierover met belangengroepen en -organisaties in gesprek te gaan?
Wat betreft de leeftijdsgrens van 16 jaar is aangesloten bij andere wetgeving, zoals de Wet op geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo), omdat van het kind een weloverwogen en vrijwillige beslissing wordt gevraagd. Vanaf de leeftijd van 12 jaar kunnen donorkinderen niet-persoonsidentificerende informatie over de donor opvragen, zoals de haarkleur, de kleur van de ogen en hobby’s van de donor.
Er bestaat geen onderzoek naar de minimum leeftijdsgrens, ook wereldwijd niet. Nederland heeft de jongste leeftijd waarop er informatie wordt vrijgegeven. Er is ook geen onderzoek bekend waarin donorkinderen met een identificeerbare donor, die in openheid met betrekking tot donorconceptie zijn opgegroeid, vragen om die leeftijdsgrens te verlagen. Ik heb dus geen aanwijzingen dat het van belang is deze leeftijd te verlagen, noch welke leeftijd dat dan moet zijn. Duidelijk moet zijn dat het de wens van het kind zelf is en niet de wens van de ouders.
Hoe bereiden organisaties zoals de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (SDKB) zich voor op het jaar 2020–2021, wanneer donorkinderen voor wie de nieuwe wetgeving uit 2004 geldt voor het eerst 16 jaar worden en deze kinderen mogelijk op zoek gaan naar hun donorvader? Bent u bereid ook hierover met belangengroepen en -organisaties in gesprek te gaan?
Fiom heeft reeds ervaring met de begeleiding van donorkinderen en donoren bij de verstrekking van persoonsidentificerende gegevens van de donor. Fiom begeleidt dit proces ook wanneer aan donorkinderen van voor 2004 persoonsidentificerende gegevens worden verstrekt. Begin dit jaar is de Badok II studie van start gegaan. De resultaten van dit onderzoek leveren input voor het adequaat vormgeven van de begeleiding bij contact tussen donorkind en donor en tussen donorkinderen onderling (zie ook het antwoord op vraag 10).
De Sdkb controleert haar werkprocessen en past of vult deze aan indien nodig. De Sdkb heeft mij aangegeven, bereid te zijn om in gesprek te gaan met belangengroepen hierover.
Hebt u kennisgenomen van het bericht «donorkinderen gedupeerd, spermadonoren alsnog anoniem»?2 Klopt het dat de klinieken nog niet altijd informatie over donoren en zwangerschappen van voor 2004 aanleveren bij de SDKB? Klopt het dat de SDKB pas informatie opvraagt als een donorkind zich meldt? Hoe wilt u voorkomen dat gegevens niet meer beschikbaar zijn als donorkinderen zich melden?
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht. Klinieken leveren alle aanwezige gegevens aan van zwangerschappen en van donoren van voor 2004 in ieder geval op het moment dat om de gegevens wordt verzocht door de Sdkb. De enige uitzondering dat persoonsgegevens niet aangeleverd hoeven te worden, is wanneer de kliniek beschikt over een geheimhoudingsverklaring van donoren van voor 2004 die rond de inwerkingtreding van de Wdkb of later is ondertekend.
De Wgbo bepaalt dat gegevens uit medische dossiers zolang bewaard worden als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit. Een verzoek om vernietiging van gegevens wordt niet ingewilligd wanneer het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de patiënt, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. Gezien het belang van donorkinderen om achter de informatie van de donor te kunnen komen en het bepaalde uit de Wdkb, kan van vernietiging van gegevens zonder overdracht van informatie aan Sdkb geen sprake meer zijn.
In de afspraken die de Sdkb met de klinieken heeft gemaakt staat voor de volledigheid opgenomen dat gegevens niet vernietigd worden zolang gegevens niet zijn overgedragen aan Sdkb. De afspraken zijn in december 2018 door mij samen met de voorzitter van de Sdkb per brief naar alle relevante klinieken en beroepsgroepen verzonden (zie ook vraag 1).
Het is inderdaad mogelijk dat gegevens van voor 2004 reeds vernietigd zijn of nooit goed gedocumenteerd zijn. De Sdkb ervaart doorgaans geen onwil van klinieken in het aanleveren van gegevens wanneer hierom verzocht wordt, maar wanneer klinieken niet over gegevens beschikken kan een kliniek niet aan het verzoek van de Sdkb voldoen. Wanneer de Sdkb vermoedt dat gegevens vanuit onwil niet verstrekt worden, meldt zij dit bij de IGJ.
Worden de geheimhoudingsverklaringen door de SDKB gecontroleerd? Zo nee, hoe kan de SDKB dan garanderen dat de geheimhoudingsverklaring klopt, aangezien eerder is gebleken dat klinieken onterecht geheimhoudingsverklaringen in het systeem hebben opgenomen?
Het is voor de Sdkb niet mogelijk om geheimhoudingsverklaringen te controleren. Dit geldt overigens ook voor alle andere gegevens die de klinieken bij Sdkb registreren. De Sdkb gaat ervan uit dat gegevens die geregistreerd worden juist zijn en overeenkomen met de informatie uit de dossiers. Toezicht en handhaving vallen onder de verantwoordelijkheid van de IGJ.
In de afspraken (zie het antwoord op de vorige vraag) is met klinieken nader omschreven aan welke voorwaarden een geheimhoudingsverklaring moet voldoen. De klinieken waarvan bekend was dat zij de geheimhoudingsverklaring op andere wijze registreerden, hebben aangegeven dit aangepast te hebben in het systeem.
Wat vindt u ervan dat donoren die bekend wilden worden nog altijd alsnog kunnen beslissen tot geheimhouding? Bent u met ons van mening dat dit in ieder geval indruist tegen de geest van de huidige wet? Bent u bereid dit punt mee te nemen in de evaluatie van de Wet donorschap kunstmatige bevruchting?
Ik kan mij de boosheid en teleurstelling van donorkinderen en hun ouders die in de veronderstelling waren dat zij gebruik hebben gemaakt van een bekende donor goed voorstellen. Op basis van de huidige wet is het echter niet mogelijk af te dwingen dat donoren van voor 2004 zich bekend maken; zij hebben destijds onder andere omstandigheden gedoneerd. In de wet is opgenomen dat voordat persoonsidentificerende gegevens van de donor aan een donorkind worden verstrekt de donor hiervoor altijd toestemming moet geven. Donoren van voor 2004 kunnen weigeren deze toestemming te geven; voor donoren van na de inwerkingtreding van de wet is dat niet mogelijk.
De evaluatie van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is al afgerond. Ik verwacht het evaluatierapport eind april 2019.
Kunt u aangeven hoeveel donorkinderen zich inmiddels gemeld hebben voor de gratis inschrijving in de Fiom KID-DNA databank, naar aanleiding van het aangenomen amendement Dik-Faber (Kamerstuk 35 000-XVI, nr. 22)?
Sinds 4 december hebben ongeveer 350 donorkinderen en 40 donoren zich aangemeld voor de Fiom KID-DNA databank. In totaal staan nu ruim 1.000 donorkinderen en bijna 600 donoren ingeschreven in de Fiom KID-DNA databank.
Is het u bekend dat ook in andere landen, waaronder in België, kinderen zijn verwekt door anonieme zaaddonoren uit Nederland? Zo ja, bent u bereid om de gratis inschrijving ook van toepassing te laten zijn op deze kinderen?
Alleen wanneer behandelingen hebben plaatsgevonden in een Nederlandse kliniek voor 2004 kunnen ook donorkinderen uit andere landen (waaronder België) zich gratis inschrijven in de Fiom KID-DNA databank.
Kunt u een stand van zaken geven van de wetgeving in andere Europese landen omtrent de beschikbaarheid van donorgegevens? Bent u bereid om bij uw Europese collega’s te pleiten voor meer openheid en het opheffen van anonimiteit, zodat ook in andere landen donorkinderen in staat worden gesteld om kennis te verkrijgen omtrent hun donorvader en eventuele halfbroers- en zussen?
De Europese landen die donoranonimiteit hebben afgeschaft en alleen identificeerbare donoren hebben zijn Zweden (sinds 1984), Oostenrijk (sinds 1992), Zwitserland (sinds 2001), Nederland (sinds 2004), Noorwegen (sinds 2004), Verenigd Koninkrijk (sinds 2005), Finland (sinds 2007) en Duitsland (sinds 2008). Wereldwijd hebben slechts 13 landen de donoranonimiteit opgeheven. In Frankrijk en Spanje mag anoniem gedoneerd worden. Denemarken heeft zowel anonieme als identificeerbare donoren. De wet in België ziet op anoniem doneren. Gekende donoren, oftewel donoren die door wensouder(s) worden gekend, zijn wel toegestaan in België.
Medisch ethische vraagstukken, zoals het afschaffen van donoranonimiteit, zijn bij uitstek nationale aangelegenheden, gezien de verschillende culturele opvattingen tussen de Europese landen. Ik ben daarom terughoudend met het op eigen initiatief op Europees niveau aan de orde stellen van deze kwestie. Alle Europese landen zijn partij bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Hierin zijn artikelen opgenomen die wijzen op het recht van ieder kind op kennis van zijn/haar afstamming (artikel 7 en artikel 8 van het IVRK). Alle betrokken landen moeten iedere vijf jaar verantwoording afleggen op het naleven van het IVRK aan het Kinderrechten comité van de VN.
Het herstarten van het recht op toeslagen door de Belastingdienst/Toeslagen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of de gemaakte fouten van de Belastingdienst bij het herstarten van het recht op kindgebonden budget ook gelden voor andere toeslagen, zoals de zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag of de huurtoeslag?1
Nee, de gemaakte fouten gelden niet voor andere toeslagen. Voor deze toeslagen geldt dat de burger zelf een aanvraag dient in te dienen.
Klopt het dat het niet automatisch herstarten van het kindgebonden budget naar voren is gekomen bij een systeemcheck bij de Belastingdienst/Toeslagen, waarbij duidelijk werd dat artikel 15, vijfde lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) niet in het systeem doorgevoerd was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de analyses voor de beleidsdoorlichting Tegemoetkoming ouders is onder andere onderzoek gedaan naar het niet-gebruik van het kindgebonden budget. Vervolgens is bij de uitvoeringstoets voor de wijziging van de WKB in verband met het verhogen van de inkomensgrens voor paren meer in het bijzonder gekeken naar het effect van het wetsvoorstel op het niet-gebruik. Bij deze analyses is het vermoeden ontstaan dat er sprake kon zijn van een omissie in de uitvoering.
De beleidsdoorlichting artikel 10 tegemoetkoming ouders is in 2018 uitgevoerd en is op 14 december 2018 naar uw Kamer gestuurd2.
Het automatisch (her)starten van het kindgebonden budget is geregeld in artikel 5, tweede lid van de Wet op het Kindgebonden budget.
Wanneer is die systeemcheck precies uitgevoerd en welke aanleiding was er voor de systeemcheck?
Zie antwoord vraag 2.
Is voor de andere toeslagen artikel 15, vijfde lid, AWIR, wel goed vormgegeven?
Het automatisch (her)starten van het kindgebonden budget is geregeld in artikel 5, tweede lid van de Wet op het Kindgebonden budget en geldt niet voor andere toeslagen. Artikel 15, vijfde lid van de Awir heeft betrekking op het continueren van toeslagen naar volgende berekeningsjaren.
Kunt u aangeven hoeveel mensen jaarlijks huur-, zorg- of kinderopvangtoeslag verliezen doordat het inkomen is gestegen?
De zorgtoeslag wordt jaarlijks in 250.000 gevallen en de huurtoeslag in 100.000 gevallen gestopt door een stijging van het inkomen. Het recht op de kinderopvangtoeslag kan door een stijging van het inkomen wel verminderen maar niet verloren gaan.
De antwoorden op vragen inzake het niet toestaan van een nieuwe aanvraagronde voor het experiment promotieonderwijs |
|
Judith Tielen (VVD), Harry van der Molen (CDA), Harm Beertema (PVV), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Is het juist dat het aantal gepromoveerden dat per jaar door Nederlandse universiteiten wordt afgeleverd, na een decennialange groei, in 2017 is afgenomen en ook in 2018 niet meer groeit?1
Het aantal promoties laat in 2017 inderdaad een lichte daling zien. De gegevens over 2018 komen nog voor de zomer beschikbaar. Overigens neemt het aantal promovendi in dienst van de Nederlandse universiteiten niet af. In 2016 waren er 8.829 werknemer-promovendi, tegenover 8.982 in 2017.2 Er is echter ook een grote categorie promovendi die niet in dienst zijn van universiteiten, zoals beurs- en buitenpromovendi. In de omvang van deze categorieën bestaat onvoldoende inzicht, zie ook mijn brief van 7 december 2018 aan de Kamer over de «Promotiefabriek».3 De werkgroep van vier rectores die in deze brief wordt genoemd heeft op 9 april jl. het document «Een gezonde praktijk in het Nederlandse promotiestelsel»4 uitgebracht. Deze werkgroep heeft aanbevelingen gedaan voor aanscherping van de categorisering van promovendi. Met behulp van dit begrippenkader zullen de verschillende categorieën promovendi worden geïnventariseerd. De eerste inventarisatie vindt plaats voor de zomer.
Klopt het dat stagnatie in groei betekent dat Nederland vanaf 2016 nog verder zakt in de OESO-ranglijst voor wat betreft het aantal gepromoveerden per hoofd van de werkende bevolking? Zo ja, heeft dit dan implicaties voor de kwaliteit van de Nederlandse kennismaatschappij in de (nabije) toekomst?
Zie het antwoord op vraag 1. De daarin genoemde inventarisatie, waarvan de eerste nog voor de zomer plaatsvindt, stelt ons in staat de ontwikkeling van het aantal promoties te blijven volgen. In het algemeen merk ik op dat ons land de ambitie heeft een kennissamenleving te zijn. Daarvoor zijn gepromoveerden nodig, binnen en buiten de universiteit. Zij beschikken over de vaardigheden die nodig zijn om steeds complexere maatschappelijke vraagstukken te adresseren en die nodig zijn voor het ontwikkelen van nieuwe producten, processen en diensten.
Klopt het dat een van de doelen van het besluit experiment promotieonderwijs is, te onderzoeken of het aantal gepromoveerden aan universiteiten kan worden vergroot door het vormgeven van een nieuw promotietraject als derde cyclus van de academische opleiding (deze derde fase is aansluitend aan de universitaire bachelor- en masterfase en is conform het mede door Nederland onderschreven Bologna-proces)?
Ja.
Kunt u aangeven of anno 2019 Bosnië-Herzegovina, Denemarken en Nederlands nog steeds de enige drie landen in de wereld zijn waar – buiten het experiment promotieonderwijs – studenten niet met een beurs van de eigen universiteit kunnen promoveren? Betekent dit ook dat dit de enige drie landen zijn die slechts op beperkte wijze invulling geven aan de derde cyclus van de academische opleiding?
In de toelichting bij het besluit heb ik aangegeven dat uit een rapport van de European University Association blijkt dat binnen Europa Nederland, Bosnië-Herzegovina en Denemarken de enige landen zijn die niet de mogelijkheid kennen om als student met een beurs van de universiteit te promoveren.5 Voor zover de informatie strekt, zijn er de afgelopen jaren geen initiatieven in Europa geweest om promoveren op een beurs van de eigen universiteit onmogelijk te maken.
Bent u nog steeds, conform de eerder door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgebrachte beleidsvisie – Wetenschapsvisie 2025, keuzes voor de toekomst – voornemens om gedegen te onderzoeken of een derde cyclus in de vorm van een promotieopleiding meer differentiatie van het Nederlandse promotiestelsel oplevert en dat dit niet alleen meer gepromoveerden kan opleveren, maar ook kan bijdragen aan het vergroten van de waarde van het promotietraject in relatie tot de arbeidsmarkt, wat de kennissamenleving ten goede komt?
Jazeker, dit is het doel van het onderhavige experiment.
Deelt u de mening dat u artikel 14 van het besluit oneigenlijk gebruikt? Kunt u aangeven welke aantoonbaar ernstige nadelige effecten op het onderzoeksklimaat u bij één of meer universiteiten heeft gezien die het nodig maken om het experiment gedeeltelijk te beëindigen door het in te perken?
Ik deel deze mening niet, aangezien ik artikel 14 van het besluit überhaupt niet gebruik. Ik beëindig het experiment geheel noch gedeeltelijk.
Kunt u aangeven wat u bedoelt met uw antwoord op de vraag als het gaat over een meer gevarieerde invulling van het promotie-onderwijstraject? Deelt u de mening dat nergens in het besluit experiment promotieonderwijs, of in de memorie van toelichting, staat dat een meer gevarieerde invulling van het promotie-onderwijstraject een criterium vormt om deel te nemen aan het experiment? Hoe verhoudt dit zich tot uw antwoord op vraag 7 van de leden Tielen en Van der Molen d.d. 15 februari 2019? Zo nee op welke grond kiest u ervoor om geen nieuwe aanvraagronde open te stellen? Zo ja op welke termijn kunt u een nieuwe aanvraagronde openstellen of op zijn minst verruiming van bestaande quota overwegen, zodat het experiment ook op een goede wijze uitgevoerd kan worden?
In mijn eerdere beantwoording6 heb ik aangegeven geen nieuwe aanvraagronde voor het experiment te willen openstellen. Hierbij heb ik aangegeven een nieuwe aanvraagronde eventueel te hebben overwogen als dat een meer gevarieerde invulling van het promotie-onderwijstraject zou hebben opgeleverd, hetgeen van meerwaarde voor het experiment zou zijn geweest. Met «een meer gevarieerde invulling» bedoel ik variatie op basis waarvan duidelijker zal worden of met het experiment de gewenste doelen behaald worden. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan andere universiteiten die zich aan zouden willen sluiten bij het experiment. Van dergelijke variatie was echter geen sprake, aangezien er geen sprake is van belangstelling van andere universiteiten dan de RUG en de EUR.
Ik deel uw mening dat een meer gevarieerde invulling geen criterium vormt om deel te nemen aan de eerste ronde van het experiment. Dit is echter niet tegenstrijdig met mijn eerdere beantwoording7. Artikel 6, tweede lid, van het besluit schrijft voor dat ik kan besluiten om een tweede aanvraagperiode vast te stellen. Deze kan-bepaling geeft mij de beleidsvrijheid om een afweging te maken over de wenselijkheid en de meerwaarde van een tweede aanvraagronde. Om de hierboven genoemde redenen vond ik dat daar in dit geval geen sprake van was en heb ik daarom geen gebruik gemaakt van de kan-bepaling van artikel 6 van het besluit.
Hoeveel internationale promovendi die promoveren met een beurs van een andere instantie dan een Nederlandse universiteit doen mee met het experiment doordat ze een top-up beurs krijgen? Is bij u bekend op welke universiteiten buiten het experiment ook dit soort internationale promovendi met eigen beurs promoveren? Zo ja, om welke universiteiten gaat dit? Deelt u de mening dat het bij het experiment en de evaluatie hiervan beter is dat, voor de zuiverheid van de vergelijking van promotiestudenten enerzijds met promovendi met werknemer status anderzijds, de groep internationale promovendi met beurs van een andere instantie niet meegenomen wordt?
In de eerste twee jaar van het experiment hebben 236 promotiestudenten een top-up beurs ontvangen in aanvulling op de beurs die zij zelf meebrengen. De universiteiten registreren hun promovendi nu nog niet in alle categorieën. Ik beschik daarom niet over cijfers waaruit blijkt hoeveel internationale beurspromovendi aan Nederlandse universiteiten zijn verbonden buiten het experiment. Ik verwacht dat de in het antwoord op vraag 1 genoemde inventarisatie hier meer duidelijkheid over zal geven.
Ik deel niet de mening dat de internationale beurspromovendi niet mee zouden kunnen worden genomen in het experiment. Dit is echter geen noodzaak: deze promovendi kunnen ook zonder het experiment bestaan. De RUG heeft – na overleg met Promovendi Netwerk Nederland – besloten om deze groep aan het experiment toe te voegen. Hierdoor kunnen ook deze promovendi gekwalificeerd worden als promotiestudent met een daarbij behorende positie. Bij de evaluatie zal rekening gehouden worden met de vergelijkbaarheid van deze groepen.
In hoeverre kan een gedegen eindevaluatie plaatsvinden indien er minder dan 2.000 deelnemers zijn? Kunt u aangegeven hoeveel deelnemers er minimaal moeten zijn om statistisch verantwoord de in het experiment aanwezige subgroepen te kunnen evalueren, i.e., personen met een verschillend soort beurs (volledig of « top-up»), afkomstig uit verschillende disciplines, met verschillende nationaliteiten, en/of verschillen voor wat betreft sekse?
Het aantal van 2.000 promotiestudenten is in het besluit opgenomen als een bovengrens en is niet bedoeld als een streefgetal. Doel is met het onderzoek zoveel mogelijk zicht te krijgen in de voor- en nadelen van promotieonderwijs, alvorens een keuze te maken over eventuele structurele inbedding. Daarbij moet enerzijds sprake zijn van voldoende deelnemers om met enig vertrouwen iets te kunnen zeggen over deze effecten. Anderzijds is het goed het experiment enigszins beperkt te houden, aangezien nog onduidelijk is wat de effecten zijn, en of deze netto positief of negatief uitvallen. Het onderzoek naar de promotiestudent betreft vanzelfsprekend geen experiment volgens «de gouden standaard», waarbij grote aantallen «subjecten» willekeurig worden toegewezen aan verschillende interventies in een poging een duidelijk causaal verband vast te stellen. Dat zou immers in de praktijk op veel bezwaren stuiten, zo niet onmogelijk zijn. In dat geval zou een groot aantal deelnemers van belang zijn en zou dat aantal steeds verder toenemen naarmate rekening gehouden zou moeten worden met meer verschillende achtergrondkenmerken. Bij het onderzoek naar de promotiestudent wordt met name gekeken naar de ontwikkelingen in het geheel (onder andere het aantal promoties) en wordt veel gebruik gemaakt van kwalitatief onderzoek om zicht te krijgen op hoe de promotiestudenten en de instellingen het promotieonderwijs hebben ervaren. Het aantal promotiestudenten dat nu deelneemt, is daarvoor voldoende.
Hoe komt het dat in het besluit gesproken wordt over een evaluatie in 2021 terwijl in de memorie van toelichting aangegeven wordt dat een termijn van acht jaar noodzakelijk is om het experiment optimaal te kunnen evalueren?
In toelichting bij het besluit heb ik aangegeven dat het experiment een termijn van acht jaar behoeft en dat de evaluatie na vijf en een half jaar na de start van het experiment plaats zal vinden (in 2021). Verwacht wordt dat de gemiddelde duur van een promotieonderwijstraject vier jaar zal zijn. Vanwege de aard van het onderwijs, dat met name ook moet zorgen voor een betere positie van de gepromoveerden op de arbeidsmarkt, zal die aansluiting punt van onderzoek zijn in de evaluatie. Daarom vindt de evaluatie na vijf en een half jaar plaats. De resterende periode van het experiment is ingebouwd voor het geval dat op basis van de evaluatie geconcludeerd wordt dat het experiment een succes is. Er dient immers in dat geval voldoende tijd aanwezig te zijn om een wetgevingstraject te starten om promotieonderwijs een basis in de wet te geven. Overigens vindt er na drie jaar een tussenevaluatie plaats.
Het niet naleven van de wettelijke bepaling om de Wet dieren te evalueren |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat in artikel 10.11 van de Wet dieren is vastgelegd dat «Onze Minister binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag zendt over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk»?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat de Wet dieren op 1 januari 2013 in werking is getreden, dus ruim zes jaar geleden?
Met ingang van 1 januari 2013 is de eerste fase van de Wet dieren in werking gesteld. Het betrof het merendeel van meer algemene bepalingen van die wet, zoals strafbepalingen en bepalingen inzake de bestuurlijke boete. Daarnaast zijn de onderwerpen diergeneesmiddelen, diervoeders en dierlijke producten (Stb. 2012, 659) in werking gesteld.
De tweede fase van inwerkingtreding van de Wet dieren vond plaats met ingang van 1 juli 2014. De artikelen van de Wet dieren inzake het houden van dieren en de diergeneeskundige beroepen traden toen in werking. Daarnaast werden in deze fase ook het Besluit houders van dieren, het Besluit diergeneeskundigen als ook enkele artikelen van het Besluit dierlijke producten in werking gesteld.
Gezien de gefaseerde inwerkingtreding van de wet start ik met de evaluatie in 2019. Deze termijn van vijf jaar is ook redelijkerwijs nodig om een goed beeld te krijgen van de doeltreffendheid en effecten van deze wet en onderliggende besluiten en regelingen.
Zouden we kunnen stellen dat u hiermee uw eigen wet hebt overtreden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe het zo is gekomen dat u de wettelijk vastgelegde termijn voor de uitvoering van de evaluatie van de Wet dieren niet bent nagekomen?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaan er op uw ministerie problemen met de prioriteit die aan dierenwelzijn wordt gegeven, zoals te weinig menskracht of een cultuur waarin aan dierenwelzijn te weinig gewicht wordt toegekend?
Dierenwelzijn heeft prioriteit op mijn ministerie. Voor mijn inzet op de dierenwelzijnsonderwerpen verwijs ik u naar de inhoud van de dierenwelzijnsbrief van 4 oktober 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 991). Ook is dierenwelzijn één van de negen toetsstenen in de meetlat van de Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: waardevol en verbonden.
Mijn ministerie houdt zich naast beleidsvorming ten aanzien van dierenwelzijn ook bezig met het beantwoorden van vragen van de parlementaire vertegenwoordiging.
Is de evaluatie inmiddels wel in gang gezet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de stappen die u tot nu toe hebt gezet?
De evaluatie is in gang gezet. De opzet en uitwerking van de evaluatievragen zijn nagenoeg gereed. Er is volgens de geldende aanbestedingsregels een start gemaakt met het aantrekken van een onderzoeksbureau dat de evaluatie gaat uitvoeren. Het onderzoeksbureau zal het evaluatierapport uiterlijk eind van het jaar opleveren, waarna ik uw Kamer begin volgend jaar zal informeren.
Was u van plan de Kamer te betrekken bij de opzet van de evaluatie en de formulering van de onderzoeksvragen? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Net als bij andere beleidsevaluaties het geval is, zal ik de resultaten van de evaluatie met de Kamer delen, waarbij ik aangeef wat ik van plan ben met de resultaten te gaan doen. Ik ga het gesprek daarover dan graag met uw Kamer aan.
Wie zal de evaluatie van de Wet dieren uitvoeren?
Een onderzoeksbureau dat ervaring heeft met het uitvoeren van evaluaties zal worden aangetrokken.
Welke partijen worden bij de evaluatie van de Wet dieren betrokken?
Ik zal in ieder geval per diersector de relevante partijen betrekken, bracheorganisaties en betrokken Ngo’s. Ook zullen de toezichthoudende diensten zoals de Landelijke inspectiedienst dierenbescherming (LID), Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de politie worden betrokken.
Worden ook alle onderliggende besluiten, zoals het Besluit houders van dieren – waarin veel open normen zijn opgenomen, waarvan gerede twijfel bestaat of deze wel (kunnen) worden gehandhaafd – meegenomen in de evaluatie? Zo nee, waarom niet?
Ja, alle onderliggende besluiten en regelingen worden meegenomen in de evaluatie.
Wordt de handhavingscapaciteit meegenomen in de evaluatie? Zo nee, waarom niet?
De handhavingscapaciteit wordt niet meegenomen in de evaluatie, omdat de evaluatie gaat over de doeltreffendheid en effecten van de Wet dieren in de praktijk.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden? Zo nee, kunt u dit onderbouwen?
Het antwoord op vraag twee, drie en vier is samengevoegd, waarmee ik uitleg waarom de evaluatie in 2019 start en niet in 2018. De antwoorden worden binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoord.
Het artikel ‘35.000 ton bommen uit WO I lekken springstof vlak voor kust in Knokke’ |
|
Henk Krol (VVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «35.000 ton bommen uit WO I lekken springstof vlak voor kust in Knokke»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de uitkomsten van de periodieke controle door de Belgische FOD Volksgezondheid en bent u bereid de Kamer daarover nader te informeren?
Het Ministerie van Defensie is in contact met de Belgische Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu over de bevindingen van de periodieke controles bij de munitiestortplaats «Paardenmarkt» voor de kust bij Knokke. Het doel van die contacten is elkaar op de hoogte houden van de situatie en lering trekken uit onderzoeken die zowel in Nederland als in België met betrekking tot de munitiestortplaatsen zijn en worden uitgevoerd.
In mei 2019 zal de FOD Volksgezondheid ter plaatse van de munitiestortplaats een uitgebreid onderzoek vanaf het onderzoeksschip Belgica laten uitvoeren. Over de situatie in België kan ik verder geen uitspraken doen; dat is aan de Belgische overheid. Ook bij de beantwoording van de vragen 3, 4 en 5 beperk ik me tot de situatie in Nederland.
Zijn er nog meer «munitiekerkhoven» voor de Belgische en/of Nederlandse kust?
In Nederland bevinden zich vier munitiestortplaatsen in de kustwateren: één in de Oosterschelde, twee op de Noordzee 30 kilometer uit de kust ter hoogte van IJmuiden en Hoek van Holland en één ten oosten van Ameland. Deze locaties staan als zodanig vermeld op zeekaarten en zijn betond. Er gelden beperkingen met betrekking tot ankeren, duiken en het gebruik van sleepnetten om verspreiding van de gestorte munitie te voorkomen.
Over wat voor soort munitie gaat het op de «munitiekerkhoven»? Zijn er ook gifgassen gestort?
Op de vier Nederlandse munitiestortplaatsen is in de periode 1945–1967 met een vergunning van het toenmalige Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw voornamelijk Duitse en Engelse munitie uit de Tweede Wereldoorlog gestort. TNO heeft onderzoek gedaan naar de samenstelling van deze munitie (gedeeld met de Kamer o.a. per brief d.d. 22 augustus 2001). Het betreft conventionele munitie en zoals uit het TNO-onderzoek blijkt zijn er geen granaten met gifgassen als mosterdgas, chloorgas, zenuwgas, etc. gestort. De gestorte materialen bestaan uit metaal van hulzen en munitiekisten, grondstoffen voor kruit en springstof en in beperkte mate materialen uit rook- en lichtgranaten.
Kunt u een beschrijving geven van het soort gevaren en het risico daarvan voor het milieu, de vissen, de scheepvaart en de Belgische en Nederlandse inwoners?
Vanaf 1998 zijn er in opdracht van Rijkswaterstaat en het Ministerie van Defensie diverse onderzoeken door het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ), TNO en Imares/Wageningen UR uitgevoerd naar de mogelijke risico’s als gevolg van de aanwezigheid van de munitiestorten. Er is onderzoek gedaan naar de kans op spontane ontploffing van de gestorte munitie, naar de waterkwaliteit en de waterbodemfauna in de directe omgeving van de munitiestorten en naar de eventuele verspreiding van energetische stoffen en zware metalen in schelpdiervlees. De resultaten en conclusies uit de onderzoeken zijn aan uw Kamer gerapporteerd, onder andere in de brief van 28 mei 2015 (Kamerstuk 27 625 nr.339).
De onderzoeken hebben aangetoond dat de kans op spontane ontploffing praktisch nihil is omdat de ontstekers destijds uit de munitie zijn gehaald. Er zijn geen negatieve effecten op het milieu aangetoond en ze worden ook niet verwacht aangezien de corrosie van de gestorte munitie een buitengewoon traag proces is dat honderden jaren zal duren. De daarbij vrijkomende metalen en andere stoffen komen, mede door de stroming ter plaatse, sterk verdund in het water. De gevonden waarden bij het onderzoek in 2015 boven de munitiestortplaats zijn vergeleken met die van het reguliere meetpunt in de Oosterschelde nabij Wissenkerke. Daarbij zijn geen significante verschillen gevonden tussen die twee locaties. De waarden van de reguliere maandelijkse metingen, die Rijkswaterstaat vanuit haar verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit van de rijkswateren op verschillende meetpunten in de Oosterschelde (zoals bij Wissenkerke) en de Noordzee uitvoert, blijven ook nu binnen de geldende normen. Uiteraard worden de reguliere metingen, die Rijkswaterstaat doet ten behoeve van de waterkwaliteit, voortgezet. Het onderzoek boven de munitiestortplaats wordt in 2019 herhaald.
Het onderzoek uit 2015 naar de aanwezigheid van energetische stoffen en zware metalen in schelpdiervlees uit de Oosterschelde in de nabijheid van de munitiestortplaats laat zien dat de concentraties lager zijn dan de risiconiveaus voor humane voedselveiligheid en voor de ecologie.
Wat gaat u doen om de veiligheid te garanderen? Is het veiliger om de munitie te bergen? Is het beter om nu te handelen in plaats van wachten tot de problemen door roest groter worden?
Zie antwoord vraag 5.
De visumaanvraag van Nigeriaanse weduwen om de rechtszaak tegen Shell bij te wonen |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Shell maakte van mij een in armoede levende weduwe»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Bent u het er mee eens dat het onwenselijk is dat twee van de vier weduwen die de rechtszaak tegen Shell hadden aangespannen, niet bij de zitting aanwezig konden zijn omdat zij geen visum konden krijgen? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin kan worden gesteld dat mensen zoveel mogelijk in de gelegenheid moeten worden gesteld om een rechtszaak bij te wonen indien zij hiertoe door de rechtbank zijn uitgenodigd. In de zaak in kwestie, was voor het bijwonen van de rechtszaak in Nederland door betrokkenen ook een Schengenvisum vereist. Voor afgifte van het visum moet uiteraard worden voldaan aan de voorwaarden die de Europese regelgeving (de Visumcode, Verordening (EG) nr. 810/2009) hiervoor stelt. Het Franse consulaat-generaal in Lagos (Nigeria), dat Nederland voor Schengenvisa in Lagos vertegenwoordigt, heeft na toetsing van het visumdossier, de visa aan betrokkenen geweigerd.
Klopt het dat Nederland het visumbeleid in Nigeria compleet heeft uitbesteed aan de Belgische Ambassade in Abuja en het Franse Consulaat in Lagos? Zo ja, wordt Nederland dan helemaal niet meer betrokken bij visumaanvragen voor bezoek aan Nederland, ook niet als deze worden afgewezen? Zo nee, kunt u toelichten welke rol Nederland nog heeft?
In Nigeria wordt Nederland voor Schengenvisa in Lagos vertegenwoordigd door Frankrijk en in Abuja door België. De gemeenschappelijke Schengenvisumregelgeving leent zich voor deze samenwerking, omdat het Schengenvisumbeleid geharmoniseerd is, ook wat betreft de uitvoering van de regelgeving.
De bilaterale vertegenwoordigingsafspraak met Frankrijk (en ook met België) is gebaseerd op art. 8, lid 4 onder d) van de Visumcode. Hierbij is de bevoegdheid om definitief te beslissen op een visumaanvraag volledig overgedragen aan het vertegenwoordigende Schengenland. De vertegenwoordigende lidstaat behandelt zelfstandig de Schengenvisumaanvragen voor de lidstaat die vertegenwoordigd wordt, inclusief het weigeren van visumaanvragen. In geval van knelpunten bij de wederzijdse visumvertegenwoordiging kan zowel op lokaal als op hoofdstedenniveau gezamenlijk naar een oplossing worden gezocht.
Waarom is de visumaanvraag van deze twee vrouwen geweigerd door het Franse Consulaat in Lagos? Klopt het dat de aanvraag was voorzien van een uitnodigingsbrief van het advocatenkantoor, een verzoek van de rechtbank om bij de zitting aanwezig te zijn en een garantstelling van Amnesty International?
Het Frans consulaat-generaal heeft aangegeven dat het dossier incompleet was. Niet alle benodigde documenten voor het nemen van een onderbouwde beslissing waren bij de visumaanvraag gevoegd en een financiele garantstelling ontbrak eveneens. Het Franse consulaat-generaal heeft de visumaanvragen van betrokkenen derhalve geweigerd.
Heeft de Nederlandse ambassade in Nigeria contact gehad met het Franse Consulaat over de visumaanvraag van deze twee vrouwen? Zo ja, wat was de strekking hiervan?
Ja, medewerkers van de Nederlandse ambassade in Nigeria hebben contact gehad met collega’s van het Franse consulaat-generaal en aangegeven dat Nederland de afgifte van een visum aan betrokkenen ondersteunt. Samen met het Franse consulaat-generaal hebben de Nederlandse medewerkers in Nigeria nog gezocht naar een oplossing. Uiteindelijk speelde het krappe tijdsbestek voor betrokkenen voor de afgifte van een visum om nog tijdig bij de zitting in Nederland aanwezig te kunnen zijn een rol. Betrokkenen besloten daarop in overleg met het advocatenkantoor af te zien van het reizen naar Nederland.
Bent u bereid om bij een eventueel vervolg van de rechtszaak de visumaanvraag proactief te ondersteunen en er bij het Franse Consulaat op aan te dringen om deze goed te keuren?
Ja. Indien betrokkenen bij een eventueel vervolg van de rechtszaak wederom door de rechtbank worden uitgenodigd, ben ik, op basis van een volledig visumdossier, voorzien van alle benodigde documenten, bereid de afgifte van een visumaanvraag van betrokkenen bij het Franse consulaat-generaal in Lagos te ondersteunen.