Het bericht ‘Trump administration wants to remove 'gender' from UN human rights documents’. |
|
Vera Bergkamp (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trump administration wants to remove «gender» from UN human rights documents»?1 2
Ja. De VS heeft tekstvoorstellen gedaan om gendertaal in VN-resoluties af te zwakken. Een recent voorbeeld hiervan is de Nederlands-Franse VN-resolutie over het tegengaan van geweld tegen vrouwen, waar de VS amendementen introduceerde die eerder overeengekomen taal over gender zou afzwakken of verwijderen. Die amendementen werden evenwel met grote meerderheid verworpen door het VN-lidmaatschap, waarna de resolutie alsnog zonder stemming kon worden aangenomen.
Tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie in Beijing in 1995, is de focus op vrouwenrechten verbreed naar het begrip «gender» en «gendergelijkheid». Dit houdt in dat vrouwen en mannen, maar ook mensen met een andere gender of seksuele geaardheid, gelijke rechten, kansen, vrijheden en verantwoordelijkheden hebben. Sinds die tijd zijn nieuwe internationale verdragen en honderden resoluties met gendertaal in verschillende VN-fora, waaronder de Mensenrechtenraad, aangenomen en daarmee verankerd in zogeheten agreed language. Volgens de huidige VS-regering is de term gender evenwel teveel een sociaal construct dat afbreuk doet aan het binaire stelsel van man/vrouw. Het kabinet vindt deze opstelling van de VS zorgwekkend, omdat de voorgestelde afzwakkingen afbreuk doen aan de verworvenheden op het terrein van gendergelijkheid. Ook andere landen spreken zich nu in het kielzog van de VS expliciet uit tegen genderteksten. Nederland zet zich binnen internationale fora ervoor in te zorgen dat de geboekte vooruitgang niet wordt teruggedraaid en agreed language behouden blijft.
Klopt het dat Amerikaanse functionarissen in een aantal VN-comités proberen om het gebruik van de term «gender» te vervangen door «vrouw»? Wat vindt u ervan dat dit gebeurt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat het wijzigen van het gebruik van de term «gender» naar «vrouw» in internationale verdragen zeer ongewenst is? Zo ja, op welke wijze bent u bereid dit bij uw Amerikaanse ambtsgenoot en/of de Amerikaanse vertegenwoordiging bij de VN, zowel bilateraal als gezamenlijk met Europese en andere gelijkgezinde partners, kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja, het wijzigen van het gebruik van de term gender naar «man en vrouw» in VN-documenten is ongewenst. De Nederlandse zorgen hierover zijn recentelijk bilateraal op hoogambtelijk niveau als ook via multilaterale kanalen overgebracht.
Welke gevolgen voor internationale rechtsbescherming voor transgenders en personen met een intersekse conditie heeft het vervangen van de term «gender» door «vrouw» in internationale verdragen?
Als nieuwe VN-documenten niet langer naar gender verwijzen, maar enkel naar «man en vrouw», vervalt de internationale druk op regeringen om de LHBTI’s te beschermen. Zoals in ons antwoord op vraag 1 en 2 aangegeven, zijn er inmiddels honderden resoluties die het concept gender hanteren, o.a. EU-Raadsconclusies en resoluties van de VN-Mensenrechtenraad. Dit is belangrijk voor het maatschappelijk middenveld en activisten om regeringen aan hun internationale afspraken te houden.
Welke effecten zou het wijzigen van deze term op de rechtsbescherming van transgenders en personen met een intersekse conditie in Nederland kunnen hebben?
Op dit moment loopt een parlementair proces om discriminatie op grond van genderidentiteit, -expressie en geslachtskenmerken expliciet te verbieden (initiatiefwetsvoorstel Bergkamp c.s.). Hiermee wordt de rechtsbescherming van trans- en intersekse personen geëxpliciteerd in de Nederlandse wet.
Eventuele beperkingen van deze termen in nieuwe VN-documenten zullen niet tot een beperking van de rechtsbescherming van trans- en intersekse personen in Nederland leiden, mede gezien de bestaande VN-resoluties, EU-raadsconclusies en andere internationale afspraken die gelijke rechten voor individuen benadrukken.
Wat is de huidige internationale trend wat betreft het erkennen van het begrip «gender» breder dan alleen het geslacht waar iemand mee geboren wordt? Duidt u deze positief of negatief?
Er is geen eenduidige internationale trend zichtbaar. Wereldwijd zijn er verschillende landen waar wettelijke erkenning van de rechten van trans- en intersekse personen gerealiseerd of in wording is, zoals bijvoorbeeld recente wetgeving in Uruguay die het mogelijk maakt om op basis van zelfidentificatie wettelijk van geslacht te veranderen. Tegelijk zien we in verschillende landen ook een beweging waarbij gepleit wordt voor beperking van gelijke rechten, zoals bijvoorbeeld momenteel in de Verenigde Staten.
Om gelijke rechten te bevorderen, heeft Nederland onder meer in 2016 met gelijkgezinde landen succesvol gepleit voor het mandaat van de onafhankelijk expert op gebied van seksuele oriëntatie en genderidentiteit bij de VN. In september jl. presenteerde deze expert een rapport waarin hij ingaat op de verantwoordelijkheid van staten als het gaat om de erkenning van genderidentiteit en het voorkomen van discriminatie en geweld op grond van genderidentiteit.3 Dit rapport draagt bij aan het doorlopende debat over dit thema.
Het bericht ‘Hoe minder kernenergie, hoe groter de opwarming’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe minder kernenergie, hoe groter de opwarming»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u van de stelling van de geïnterviewde dat om de uitstoot van broeikasgassen te beperken kernenergie nodig is voor een leefbare planeet en dat op zonne-energie en wind nooit een hele economie kan draaien?
Kernenergie kan voorzien in CO2-vrij en regelbaar productievermogen. In de scenario’s van het Internationale Energie Agentschap (IEA) wordt er van uitgegaan dat er internationaal een verdubbeling van de capaciteit voor kernenergie in 2050 nodig is ten opzichte van de huidige capaciteit om de doelen van Parijs te halen. Wereldwijd, hoofdzakelijk in Azië, zijn er ca. 60 kerncentrales in aanbouw. Dat laat onverlet dat op nationaal niveau landen vrijheid hebben om scenario’s voor de eigen situatie in te vullen. Daarbij komt dat de elektriciteitsvraag naast kernenergie op een aantal andere manieren kan worden ingevuld met CO2-vrije en regelbare elektriciteit, bijvoorbeeld met behulp van hernieuwbare gassen zoals onder andere biogas, energie uit fossiele bronnen waarbij CO2 wordt afgevangen of met CO2-vrije waterstof.
Kunt u ingaan op de vier door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) onderschreven scenario’s over kernenergie als een van de mogelijke manieren om meer koolstofarme elektriciteit te produceren in vergelijking met fossiele brandstoffen als kolen en olie?
Binnen het IPCC zijn door wetenschappers verschillende mondiale toekomstscenario’s ontwikkeld ter «stroomlijning» van wetenschappelijke analyses van de effecten van klimaatverandering en mogelijke adaptatie- en mitigatiemaatregelen. Deze zijn wereldwijd door modelteams gebruikt ter verkenning van CO2-emissiereductiepaden voor het beperken van de mondiale gemiddelde temperatuurstijging tot 1,5 graden Celsius. Het gaat daarbij om de volgende scenario’s:
In alle scenario’s groeit de inzet van nucleaire energie tot 2030 in absolute zin (met ca. 60–100% ten opzichte van 2010). De inzet van kernenergie groeit in de meeste 1,5°C-routes verder tot 2050, maar in sommige scenario’s (het LED- en S1-scenario) neemt de bijdrage van kernenergie zowel relatief als absoluut af na 2030. Na 2050 groeit in sommige scenario’s kernenergie nog wel absoluut, maar neemt het aandeel in de energievoorziening (verder) af in alle scenario’s. Er zijn overigens wel grote verschillen in de inzet van kernenergie tussen modellen, zowel door technologische onzekerheden als ook de veronderstelde maatschappelijke acceptatie van kernenergie.
Wordt aan de Nederlandse klimaattafels kernenergie als onderdeel van de toekomstige energiemix meegenomen? Zo ja, hoe? Zo nee, deelt u dan de mening dat kernenergie uit de taboesfeer gehaald zou moeten worden?
Ja. Het proces rondom het Klimaatakkoord is zo ingericht dat het aan de partijen aan de sectortafels is om met elkaar te bekijken welke opties invulling kunnen geven aan de CO2-reductieopgave. In deze setting is het aan de (markt)partijen om het ter tafel te brengen als er richting 2030 en/of 2050 potentie is voor kernenergie om op een kosteneffectieve wijze bij te dragen aan de CO2-reductie, en zo ja daarbij in beeld te brengen welke kennis- en innovatie-vraagstukken daarmee samenhangen. Verschillende studies laten zien dat kernenergie inderdaad een kosteneffectieve mogelijkheid kan zijn en dat een positieve business case op lange termijn, niet voor 2030, tot de mogelijkheden kan behoren. Daarbij is het huidige beeld dat de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland voor 2030 niet als reële optie wordt gezien, vanwege onder andere de verwachte rentabiliteit en de doorlooptijden.
Wat is de CO2-reductie ten gevolge van het inzetten van kernenergie en welke aanvullende bijdrage zou kernenergie kunnen leveren aan een verstandige energiemix, naast wind-, zonne- en andere vormen van duurzame energie?
De inzet van kernenergie leidt, net als zon- en windenergie, indirect tot CO2-reductie. Het daadwerkelijke CO2-effect hangt daarmee af van de productie van de kerncentrale en de productie van andere centrales die daarmee vervangen worden. Indien wordt uitgegaan van het vervangen van de productie van een gascentrale door een kerncentrale van 1.000 MW (1 GW) kan er in potentie 2,9 Mton CO2 gereduceerd worden.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek en de aanbevelingen van de, op voorspraak van de bewindspersonen van Economische Zaken, Infrastructuur en Milieu, Financiën en Volksgezondheid, Welzijn en Sport ingestelde, Hoogambtelijke Werkgroep Nucleair Landschap (HAW) over kerncentrales en in hoeverre heeft deze een plaats aan de Klimaattafels?
De Hoogambtelijke Werkgroep Nucleair Landschap (HAW) was ingesteld met als doel om het nucleaire landschap van Nederland in kaart te brengen, de financiële risico’s voor de overheid te inventariseren en beleidsopties voor de toekomst van het nucleair landschap in Nederland in beeld te brengen. Uit het rapport van de HAW blijkt dat de nucleaire sector in Nederland omvangrijk is en naast een CO2-neutrale energievoorziening diverse andere publieke belangen dient, zoals de voorzieningszekerheid van medische radioisotopen.
Het rapport schetst op drie functionaliteiten (medisch, energie, onderzoek) een afbouw-, continuerings- en intensiveringsscenario ten behoeve van toekomstige beleidsvorming. Het voorgaande kabinet heeft na het uitkomen van dit rapport twee vervolgonderzoeken gepubliceerd. Over de uitkomsten daarvan is uw Kamer op 26 april 2018 geïnformeerd (Kamerstuk 25 422, nr. 220).
Welke concrete beperkingen bestaan er op dit moment voor aanbieders van kerncentrales om deze in Nederland te exploiteren?
Nederland beschikt momenteel over één kerncentrale. Dit is de KCB die voor circa 4% aan de Nederlandse elektriciteitsproductie bijdraagt. De bouw van een nieuwe kerncentrale neemt gemiddeld ongeveer tien jaar in beslag. Sinds begin jaren zestig is er een Kernenergiewet die het mogelijk maakt om een aanvraag voor een nieuwe kerncentrale te doen. Dat houdt in dat marktpartijen die aan alle randvoorwaarden voldoen, zoals nucleaire veiligheid en voldoende financiële reservering voor ontmanteling en verwerking van afval, in aanmerking kunnen komen voor een vergunning voor de bouw van een kerncentrale (zie hiervoor ook de «randvoorwaardenbrief», Kamerstuk 32 645, nr. 1). Van die mogelijkheid is in de afgelopen decennia echter geen gebruik gemaakt. De huidige marktomstandigheden in relatie tot het investeringsklimaat zijn hiervoor de voornaamste reden.
Wat zijn gemiddeld genomen de kosten die een marktpartij moet maken om in Nederland een kerncentrale te openen en operationeel te laten zijn?
Het is lastig om een inschatting te maken van de kosten van het bouwen van een nieuwe kerncentrale in Nederland. Dit hangt onder meer af van de doorlooptijd van de constructie van een nieuwe kerncentrale. De constructiekosten van een nieuwe kernenergiecentrale variëren van 5.100 (Olkiluoto-centrale die nu in aanbouw is in Finland) tot 6.755 EUR/kWe (Hinkley Point die nu in aanbouw is in het Verenigd Koninkrijk). Hierbij komen dan nog kosten voor financiering die uiteen kunnen lopen van 8 tot 80% van de constructiekosten afhankelijk van de bouwtijd. Het lijkt al met al niet onredelijk om uit te gaan van bouwkosten tussen de 8 en 10 miljard euro voor een centrale van 1.000 MW2.
Hoeveel huishoudens kunnen van energie worden voorzien door één moderne kerncentrale? Hoeveel is dat in vergelijking met een gascentrale en kolencentrale?
Een gemiddeld huishouden in Nederland verbruikt ca. 3.000 Kwh. per jaar aan elektriciteit. In Nederland werd in 2017 31 TWh. aan elektriciteit opgewekt met kolencentrales. Dat is gemiddeld ca. 6 Twh. voor één kolencentrale. Dat betekent dat een kolencentrale gemiddeld ca. 2 miljoen huishoudens voorziet van elektriciteit. In Nederland werd er in 2017 57 Twh. aan elektriciteit opgewekt uit gascentrales3. Dat is gemiddeld ca. 1.5 Twh. per gascentrale. Dat betekent dat een gascentrale ca. 0,5 miljoen huishoudens voorziet van elektriciteit. Met een moderne kerncentrale (uitgaande van een vermogen 1.000 tot 1.500 MW) kan jaarlijks circa 8 Twh. aan elektriciteit opgewekt worden. Dat betekent dat een moderne kerncentrale in theorie ca. 3 miljoen huishoudens van elektriciteit kan voorzien.
Wat is feitelijk bekend over kernafval en de wijze waarop kernafval opgeslagen wordt, aangezien veel mensen zich zorgen maken over kernafval?
Radioactief afval ontstaat op verschillende plaatsen in onze maatschappij, zoals bij de productie van kernenergie, bij de productie en het gebruik van medische isotopen, in verschillende industriële toepassingen en tijdens onderzoek. Vanwege de ioniserende straling die dit afval uitzendt, moet radioactief afval veilig worden beheerd totdat het stralingsniveau zodanig is gedaald dat het niet meer gevaarlijk is. Dit vervalproces kan minuten tot duizenden jaren duren.
Radioactief afval dat ontstaat bij de productie van kernenergie kent een zeer lang vervalproces. Dit afval kan tijdelijk bovengronds worden opslagen. Vanwege de lange levensduur is bovengrondse opslag echter geen eindstation voor dergelijk radioactief afval. Richtlijn 2011/70/Euratom verplicht Europese landen om te komen tot een passief veilige eindberging voor radioactief afval. Geologische berging wordt op dit moment, ook internationaal, gezien als de meest veilige en duurzame wijze om hoogradioactief afval op de lange termijn te beheren. Een aantal landen, zoals Finland, Frankrijk en Zweden, zet op dit moment concrete stappen richting een geologische eindberging voor hoogradioactief afval.
In Nederland wordt radioactief afval centraal opgeslagen in speciaal daarvoor ontworpen gebouwen bij de Centrale Opslag Voor radioactief Afval (COVRA) in Nieuwdorp. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) houdt toezicht op de veiligheid van het beheer. Geologische eindberging is voorzien rond 2130. Het beleid rond het beheer van radioactief afval is beschreven in het nationale programma voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen (Kamerstuk 25 422, nr. 149). In augustus vorig jaar is uw Kamer geïnformeerd over de meest recente stand van zaken rond het beheer van radioactief afval in Nederland (Kamerstuk 25 422, nr. 226).
Deelt u de mening dat er in een realistisch klimaatbeleid een rol weggelegd kan zijn voor kernenergie als onderdeel van een kostenefficiënte energiemix?
Gelet op de mondiale ontwikkelingen in de bouw van kerncentrales en de rol van kernenergie in de IPCC-scenario’s deel ik die mening. Echter, zoals ik ook aangeef in mijn antwoord op vraag 1 laat dat onverlet dat elk land vrijheid heeft om de scenario’s voor haar eigen situatie in te vullen en dat er een aantal andere manieren zijn waarop de elektriciteitsvraag kan worden ingevuld met CO2-vrije, regelbare elektriciteit.
Voor wat betreft Nederland laat het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) naar mogelijke invullingen van 80 tot 95% CO2-reductie in 2050 zien dat kernenergie onderdeel kan zijn van een kosteneffectieve oplossing bij het streven naar 95 procent CO2-reductie. Onder het huidige kader kunnen marktpartijen in Nederland die aan alle randvoorwaarden voldoen, zoals nucleaire veiligheid en voldoende reservering voor ontmanteling en verwerking van afval, in aanmerking komen voor een vergunning voor de bouw van een kerncentrale.
Het bericht dat er Nederland Shell aan gaswinst helpt in straatarm Mozambique |
|
Sadet Karabulut |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
Kent u het bericht dat Nederland Shell aan gaswinst helpt in staatarm Mozambique?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is door de journalisten om een reactie gevraagd op het artikel «Nederland helpt Shell aan gaswinst in straatarm Mozambique». Deze reactie is onderaan het artikel te lezen. In aanvulling daarop benadrukt het kabinet dat er geen Nederlands ontwikkelingsgeld ten goede is gekomen aan Shell's activiteiten in Mozambique.
Kunt u uiteenzetten welke ontwikkelingshulp Nederland Mozambique geeft en om welke bedragen het gaat?
In de afgelopen jaren werd jaarlijks ongeveer € 30 miljoen aan gedelegeerde middelen via de Nederlandse ambassade in Mozambique ingezet (2017: € 32,4 mln.; 2016: € 29,3 mln.) op drie speerpunten: voedselzekerheid, water en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Daarnaast is ook geïnvesteerd in de dwarsdoorsnijdende thema’s, zoals vrouwenrechten en gendergelijkheid, versterking van het maatschappelijk middenveld en klimaat. Ook werd bijgedragen aan programma’s om transparantie en accountability te bevorderen en om het investeringsklimaat en de lokale private sector te verbeteren.
Kunt u uiteenzetten welke hulp Nederland geeft aan Nederlandse bedrijven die in Mozambique willen investeren, en om welke bedragen het gaat?
Economische diplomatie is een belangrijke pijler van het buitenlands beleid. Dat betekent ondersteuning van het Nederlands bedrijfsleven en programma’s om het investeringsklimaat en de lokale private sector te verbeteren.
De ondersteuning van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen is onder te verdelen in vier categorieën: het overdragen van kennis en informatie, het ter beschikking stellen van netwerken en contacten, het verstrekken van financiering en het behartigen van de belangen van Nederlandse bedrijven. Concreet gaat het dan bijvoorbeeld om het signaleren van kansen, informeren over de manier van zakendoen, het identificeren van lokale partners, (financiële) ondersteuning bij het verkennen van de markt of het wegnemen van drempels, zoals beperkende officiële procedures, bij het internationaal zakendoen.
In 2018 worden via diverse centraal beheerde programma’s een aantal Nederlandse bedrijven ondersteund bij investeringen in Mozambique. In totaal is hier ongeveer € 6,5 miljoen mee gemoeid, waarbij een aantal programma’s een meerjarige looptijd heeft. De meeste programma’s vinden plaats in de watersector en hebben, onder andere, betrekking op geïntegreerd waterbeheer, havenontwikkeling en opleidingen daarbinnen.
Hoe verhoudt de steun van Nederland aan Shell in Mozambique zich tot de klimaatdoelen van de regering «de toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden vergroten», aangezien gas niet duurzaam is?
De Nederlandse economische diplomatie zet zich ook in voor het Nederlands bedrijfsleven dat actief is in de fossiele energiesector in het buitenland. Tegelijkertijd zet Nederland zich actief in om het aandeel van duurzame energie wereldwijd te vergroten. Het Kabinet heeft de ambitie om het gebruik van fossiele brandstoffen af te bouwen in lijn met de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs.
Klopt het dat de internationale gasindustrie vijftig miljard dollar aan investeringen in Mozambique heeft gepland om het gas op te pompen, terwijl het bruto binnenlands product van Mozambique in 2016 slechts 12 miljard dollar was? Deelt u de mening dat deze verhouding ontzettend scheef is en de buitenproportionele macht van de gasindustrie aantoont?
De orde van grootte van genoemde bedragen is juist. Hoewel het om forse bedragen gaat betekent dit niet per se een scheve verhouding, omdat de investeringen een meerjarig karakter hebben en het bruto binnenlands product eenjarig is. De regering van Mozambique stelt zelf de voorwaarden vast voor de verlening van concessies en vergunningen die de internationale gasindustrie nodig heeft om de gasvoorraden te mogen exploreren en exploiteren. Deze concessies en vergunningen worden door middel van internationale aanbestedingen verleend.
Wat is uw reactie op het verhaal van de inwoner van het dorp Quitunde die stelt dat de medewerkers van Shell langskomen maar nauwelijks de dialoog aan gaan? Deelt u de mening dat dit voorbeeld erop lijkt dat de medewerkers slechts een checklist afwerken maar niet daadwerkelijk in gesprek gaan met de inwoners van de gebieden waar zij willen investeren? Begrijpt u de wens van transparantie van inwoners van Mozambique?
Het kabinet is niet bekend met het specifieke verhaal van de inwoner van dit dorp. Wel is het duidelijk dat er het nodige valt te verbeteren in de communicatie en coördinatie rondom ontwikkelingen in de regio waarin dit dorp ligt. De ontwikkelingen in het noorden van Mozambique, waar de gasvondsten zijn gedaan, bieden zowel kansen voor groei als risico’s dat slechts een beperkt deel van de bevolking hiervan profiteert. Om die reden is tijdens het bezoek van de Mozambikaanse president aan Nederland, in mei 2017, gesproken over inclusieve en duurzame economische ontwikkeling van de regio rondom de havenstad Palma (de plek van de gasvondsten in de provincie Cabo Delgado). Dit is ook de reden om in het Nederlands beleid voor Mozambique de provincie Cabo Delgado tot één van de geografische aandachtsgebieden te benoemen.
De Nederlandse overheid verwacht van Nederlandse bedrijven die in het buitenland investeren dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen onderschrijven en naleven. Nederland spreekt hen hier actief op aan. Indien overtredingen van deze normen worden geconstateerd, kan dit tot gevolg hebben dat het betreffende bedrijf wordt uitgesloten van ondersteuning door de overheid. Er zijn geen aanwijzingen dat Shell in Mozambique handelt in strijd met de OESO-richtlijnen en landrechten geschonden worden.
Waarom acht u een dermate nauwe samenwerking met Shell in Mozambique gerechtvaardigd als niet gegarandeerd kan worden dat Shell geen landrechten schendt en niet gegarandeerd kan worden dat de opbrengsten ook ten goede komen van Mozambique, terwijl bekend is dat dit vaak niet het geval is en andere gas- en oliebedrijven wel landrechten schenden in Mozambique?2
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat lokale ontvangers van Nederlands ontwikkelingsgeld gevraagd wordt een goed woordje te doen voor de Nederlandse gassector bij de Mozambikaanse publieke gassector? Zo ja, op welke manier wordt dit gevraagd en deelt u de mening dat dit een volstrekt ongelijke machtsverhouding is, waardoor de lokale ontvangers moeilijk zullen kunnen weigeren?
De in het artikel genoemde samenwerking tussen het Nederlandse Vitens Evides International (VEI) en het publieke Mozambikaanse drinkwaterbedrijf FIPAG richt zich sinds 2003 op capaciteitsversterking en verbetering van de drinkwatervoorziening aan Mozambikaanse burgers. Dit partnerschap heeft inmiddels voor minstens 2,1 miljoen Mozambikanen toegang tot schoon drinkwater opgeleverd en heeft de bedrijfsvoering van het publieke nutsbedrijf FIPAG sterk verbeterd. De Wereldbank beschouwt dit als een van de succesvolste partnerschappen op het gebied van publieke drinkwatervoorziening in Afrika. Het toont aan dat – ook in Afrika – aanzienlijke performance-verbetering mogelijk is in een publiek nutsbedrijf. Binnen het departement van Buitenlandse Zaken is geopperd om deze samenwerking als voorbeeld te laten dienen voor andere sectoren. Uiteindelijk is dit idee niet in praktijk gebracht. Het is dus niet zo dat lokale ontvangers van Nederlands ontwikkelingsgeld is gevraagd een goed woordje te doen voor de Nederlandse gassector.
Komen Shell en haar toeleveranciers in principe aanmerking voor een exportkredietverzekering?
Ja, in beginsel kan elke Nederlandse exporteur in aanmerking komen voor een exportkredietverzekering. Hiervoor moeten exporteur en de onderliggende transactie wel aan de gestelde voorwaarden voldoen en wordt er een financiële, milieu en sociale due diligence uitgevoerd.
Waarom is besloten de informatie over welke steun Nederlandse bedrijven precies krijgen in ontwikkelingslanden en in de vorm van exportkredietverzekeringen niet vrij te geven? Deelt u de mening dat als dergelijke zaken met publiek geld worden betaald het volk het recht heeft op transparantie en te weten wat er precies met dat geld is gebeurd?
Ja, het kabinet acht transparantie van groot belang. Om deze reden wordt op de website van Atradius Dutch State Business altijd gepubliceerd aan welke bedrijven een exportkredietverzekering is verstrekt. De lijst met afgegeven polissen staat op: https://atradiusdutchstatebusiness.nl/nl/publicaties/afgegeven-polissen.html
Waarom is de diplomatieke lobby voor een bilateraal belastingverdrag met Mozambique voortgezet, nadat de grote fraudezaak aan het licht was gekomen? Klopt het dat het Nederlandse bedrijfsleven meerdere malen zijn belangen hierbij hebben aangekaart? Op welke manier zal een belastingverdrag Mozambique ook bevoordelen en hoe verhoudt zich dit tot de reputatie die de Nederlandse belastingverdragen hebben met betrekking tot het faciliteren van internationale belastingfraude?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zowel (belasting)fraude als belastingontwijking wordt tegengegaan. De veronderstelling dat internationale belastingontduiking – waarbij heimelijk wordt gehandeld in strijd met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen – door Nederlandse belastingverdragen wordt gefaciliteerd is onjuist. Wat betreft belastingontwijking vindt het kabinet het onwenselijk dat bijvoorbeeld brievenbusmaatschappijen op oneigenlijke wijze gebruik maken van (Nederlandse) belastingverdragen. Het kabinet heeft zich daarom gecommitteerd aan de maatregelen tegen belastingontwijking die internationaal in het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS)-project van de G20/OESO zijn afgesproken. Deze maatregelen worden aangeboden aan landen waarmee Nederland onderhandelt en dus ook aan Mozambique. Daarnaast neemt Nederland in haar belastingverdragen bepalingen op waardoor belastingautoriteiten relevante informatie kunnen uitwisselen en bijstand bij invordering kunnen verlenen. Hiermee worden verdragspartners beter in staat gesteld om met de verkregen informatie antimisbruikbepalingen toe te passen en belastingontduiking en -ontwijking tegen te gaan.
Nederland heeft – net als andere ontwikkelde landen – een uitgebreid verdragennetwerk en onderhandelt voortdurend met andere landen over (nieuwe) belastingverdragen. Welke landen het betreft is openbaar. Het Ministerie van Financiën publiceert regelmatig een nieuwsbericht met aankondigingen van voorgenomen onderhandelingen. Belanghebbenden, waaronder het bedrijfsleven, kunnen het ministerie informeren over aspecten die bij die onderhandelingen van belang zijn. Uiteraard wordt het hierbij ook op prijs gesteld als naast het bedrijfsleven ook maatschappelijke organisaties gebruik maken van de mogelijkheid informatie te geven over aspecten die bij de lopende onderhandelingen relevant zijn.
Wat betreft de vraag op welke manier een belastingverdrag Mozambique zal bevoordelen merkt het kabinet op dat een belastingverdrag zorgt voor verbetering van de economische relatie tussen de betrokken landen en voor een versterking van de administratieve samenwerking. Belastingverdragen helpen bij het aantrekken van investeringen en stimuleren van bedrijvigheid, waarmee onder andere de werkgelegenheid kan worden bevorderd. Daarnaast helpt een belastingverdrag overheden bij de onderlinge samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van de uitwisseling van fiscale informatie en hulp bij invordering van belastingschulden. Dit is ook de reden dat veel landen belang hechten aan het sluiten van belastingverdragen. Het voorkomen van dubbele belasting is volgens het kabinet wel bedoeld voor economisch reële situaties. Daarom is het belangrijk dat belastingverdragen – zeker bij ontwikkelingslanden – antimisbruikbepalingen bevatten om oneigenlijk gebruik van deze verdragen te voorkomen.
Bent u bereid deze vragen voor de begrotingsbehandeling Buitenlande Handel en Ontwikkelingssamenwerking (in de week van 27–28-29 november 2018) te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het verlenen van de SDE+ subsidie door RVO |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat één van de voorwaarden voor de SDE+ subsidie voor zonneparken is dat de aanvrager een toegekende omgevingsvergunning moet aanleveren?
Ja.
Klopt het dat tijdelijke omgevingsvergunningen slechts tien jaar gelden, terwijl de SDE+ subsidie voor een periode van vijftien jaar wordt toegekend? Klopt het ook dat er daardoor een discussie is ontstaan of projecten met een tijdelijke omgevingsvergunning wel economisch haalbaar zijn? Klopt het dat er daardoor een significant aantal SDE+ subsidieaanvragen met een tijdelijke omgevingsvergunning worden afgewezen?
Er zijn verschillende termijnen mogelijk voor een tijdelijk omgevingsvergunning. Indien de termijn gelijk is aan 15 jaar of langer is dit vanwege de looptijd van de SDE+ geen probleem. De tijdelijke vergunningen voor een periode van 10 jaar of korter zijn wel een probleem voor de economische haalbaarheid. De SDE+ gaat uit van een subsidieduur van 15 jaar voor een rendabele business case. Er zijn aanvragen afgewezen omdat geen rendabele businesscase mogelijk was binnen de vergunde periode in de tijdelijke vergunning. Dit betrof in de voorjaarsronde van 2018 circa twintig van de meer dan 4.000 aanvragen voor zon-PV.
Wist u dat de doorlooptijd van aanvraag tot toekenning veel korter is bij een tijdelijke omgevingsvergunning dan bij een permanente omgevingsvergunning? Deelt u dan de mening dat het voor veel aanvragers vaak makkelijker is om eerst een tijdelijke omgevingsvergunning aan te vragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om sneller de SDE+ aanvraag te kunnen doen en dan pas later de permanente omgevingsvergunning aanvragen? Zo nee, waarom niet?
Ja, de doorlooptijd van de tijdelijke vergunning kan korter zijn en dat wordt veroorzaakt doordat het bevoegd gezag zo’n aanvraag meestal niet op alle eisen toetst. Bij een SDE+ aanvraag vereis ik een vergunning om te voorkomen dat premature projecten een aanspraak op schaars subsidiebudget doen en niet tijdig gerealiseerd kunnen worden. Het is mij bekend dat projecten in het verleden gebruik hebben gemaakt van de kruimellijst (Bijlage II, artikel 4, lid 11, Besluit omgevingsrecht) om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan. Het gaat dan om een periode van maximaal 10 jaar. Het is met het oog op de tijdige realisatie van projecten en de kosteneffectieve inzet van subsidiemiddelen van belang dat een project vooraf over een vergunning beschikt voor tenminste de gehele looptijd van het project. Vandaar dat ik sinds de najaarsronde van de SDE+ in mijn regelgeving heb opgenomen dat een vergunning op basis van de kruimellijst niet voldoet om in aanmerking te komen voor SDE+. Ik heb dit aangekondigd in mijn brief over de openstelling van de najaarsronde 2018 van 10 juli 2018 (Kamerstuk 31 239, nr. 290).
Wist u dat er veel gevallen zijn geweest waarbij een SDE+ subsidie niet is verleend, vooral energiecoöperaties, omdat er nog werd uitgegaan van de eerdere tijdelijke omgevingsvergunning terwijl er ondertussen al een permanente vergunning was verleend? Wist u dat er door sommige van deze coöperaties – waaronder Energiecoöperatie Noordseveld – binnen de wettelijke bezwaartermijn een bezwaar tegen deze beslissing is ingediend waarbij de permanente omgevingsvergunning werd toegezonden? Wist u ook dat er nog steeds een negatief oordeel ten aanzien van de SDE+ subsidie van de RVO kwam?
Er zijn enkele voorbeelden bekend waarbij de permanente vergunning niet of niet tijdig is verstrekt. De aanvrager moet tegelijk met zijn aanvraag een geschikte vergunning meesturen. Ook in een bezwaarprocedure wordt getoetst of de geschikte vergunning tijdig is afgegeven. Op het moment dat de geschikte vergunning later wordt verstrekt kan de aanvrager in de eerstvolgende openstellingsronde een aanvraag indienen. De SDE+ wordt tweemaal per jaar opengesteld.
Deelt u de mening dat het uitermate ongewenst is dat het energiecoöperaties vanwege onnodige redenen onmogelijk wordt gemaakt in aanmerking te komen voor de SDE+ regeling, zeker gezien de energie-opgave waar Nederland voor staat?
Nee, energiecoöperaties worden in de SDE+ niet anders behandeld dan andere aanvragers.
Deelt u de mening dat de RVO in deze procedure meer ruimte moet geven aan aanvragers om nadere onderbouwing te kunnen leveren en bezwaren op te lossen binnen de wettelijke termijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u hiervoor zorgdragen?
Nee, op het moment van aanvragen moet een aanvraag aan de voorwaarden voor subsidie voldoen. Als deze voorwaarden pas later vervuld worden kan de aanvrager bij een latere openstelling van de SDE + een nieuwe aanvraag doen.
Deelt u de mening dat de RVO met de SDE+ subsidie juist lokale initiatieven zou moeten stimuleren omdat het tot draagvlak en een versnelling van de energietransitie leidt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om dit probleem verder te onderzoeken en op te lossen om op die manier bij te dragen aan de energietransitie? Zo nee, waarom niet?
Lokale initiatieven zijn belangrijk voor de energietransitie. De SDE+ ondersteunt deze initiatieven. Het hebben van een geschikte vergunning borgt een juiste procedure met belangenafweging van belanghebbenden en tijdige realisatie van projecten. Verder onderzoek acht ik niet nodig.
Het bericht ‘Geld kan soms toch groeien op lapjes landbouwgrond’ |
|
Jaco Geurts (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herkent u de in het artikel «Geld kan soms toch groeien op lapjes landbouwgrond» genoemde praktijken van grondspeculatie met (landbouw-)grond?1
Ja. Grond wordt al langer aangeboden als product, waarin kan worden geïnvesteerd. De AFM heeft consumenten in het verleden meermaals op de risico’s hiervan gewezen.
Klopt het dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) momenteel niet kan ingrijpen, omdat er met een «slimmigheidje» wordt voorkomen dat de landbouwgronden als beleggingsobject worden gezien?
Volgens de Wet op het financieel toezicht (Wft) is sprake van een beleggingsobject indien het beheer «hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een ander dan de verkrijger». De reden voor dit criterium is dat het bij een beleggingsobject naar zijn aard moet gaan om een belegging waar de consument geen omkijken meer naar heeft. Wanneer op papier uitdrukkelijk wordt bepaald dat de consument het beheer van de zaak uitvoert en de praktijk is hiermee in overeenstemming, verschilt de investering in grond niet van een investering in overig vastgoed. Het staat de eigenaar van grond vrij om zijn grond te verpachten, net als dat de eigenaar van een pand dat mag verhuren. Er is in deze gevallen dan ook geen sprake van een beleggingsobject. Hetgeen op papier wordt overeengekomen hoeft evenwel niet leidend te zijn voor de beoordeling van de praktijk. Er kan door constructies worden heengekeken. Wanneer in praktijk onderhands wel degelijk het beheer van de zaak aan de consument wordt gelaten, kan dat beheer van de zaak geacht worden onderdeel uit te maken van hetgeen aangeboden wordt aan de consument; waardoor alsnog sprake kan zijn van een beleggingsobject en de regels van de Wft van toepassing zijn.
Wanneer gronden op papier in bezit en beheer zijn van particuliere beleggers, terwijl het feitelijk beheer wordt uitgevoerd door een derde (bijvoorbeeld een agrariër) en dus niet door de particuliere belegger, is er dan toch niet feitelijk sprake van een beleggingsobject waarmee er dus financieel toezicht nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Waar kunnen particuliere beleggers die zich misleid voelen door aanbieders van producten zoals in het artikel genoemd terecht, nu de producten formeel niet vallen onder het financieel toezicht van de AFM?
Volgens Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is het een handelaar niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken te verrichten. Een oneerlijke handelspraktijk is bijvoorbeeld het verstrekken van onjuiste, misleidende of onvolledige informatie. Het toezicht hierop vindt op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) plaats door de AFM, mits er sprake is van een financiële dienst of activiteit. Een financiële dienst of activiteit is bijvoorbeeld het aanbieden van financiële producten in de zin van de Wft (zoals beleggingsobjecten). Als hier geen sprake van is, is de ACM bevoegd. Beleggers in een investering in grond die niet kwalificeert als een financiële dienst of activiteit (zoals het aanbieden van een grondperceel waarbij de consument het beheer van de zaak zelf uitvoert), kunnen zich dus melden bij de ACM.
Wanneer de AFM of ACM tot het oordeel komt dat er een oneerlijke handelspraktijk wordt verricht, kan een zelfstandige last of last onder dwangsom worden opgelegd om de handelaar te verplichten de oneerlijke handelspraktijk te beëindigen. In de praktijk betekent dit dat onjuiste of misleidende informatie moet worden hersteld en dat onvolledige informatie moet worden aangevuld. Ook kunnen de AFM of de ACM boetes opleggen van maximaal € 450.000,–. Een oneerlijke handelspraktijk levert een onrechtmatige daad op, waarvoor consumenten de aanbieder aansprakelijk kunnen stellen om hun schade te verhalen.
Is het waar dat u werkt aan een wetsvoorstel om beleggers beter te beschermen tegen aanbieders van dubieuze beleggingsobjecten, zoals in het artikel is vermeld? Wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
Ja. Momenteel bereid ik een wetsvoorstel voor waarmee de bescherming van beleggers in beleggingsobjecten wordt versterkt. Hierover voer ik overleg met de AFM. Het is mijn voornemen het wetsvoorstel in de loop van 2019 aan uw Kamer te zenden.
Een windmolenpark in Drenthe |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Te veel windmolens ingetekend»?1
Ja.
Klopt het dat in het Windpark Drentse Monden en Oostermoer wordt voorzien in de bouw van 45 windturbines met een vermogen van 175,5 MW?
Ja, de initiatiefnemers van het Windpark De Drentse Monden en Oostermoer hebben gekozen voor de Nordex N131 windturbine met een vermogen van
3,9 MW. De keuze voor deze windturbine voldoet aan de verleende Omgevingsvergunningen. Het windpark bestaande uit 45 windturbines heeft daarmee een opgesteld vermogen van 175,5 MW.
Klopt het dat uw ambtsvoorganger de opgave voor dit windpark heeft gereduceerd naar 150 MW? Zo ja, betekent dit dat die 150MW een maximum betreft?
Het Windpark De Drentse Monden en Oostermoer is qua omvang in fasen teruggebracht van 420 MW, naar 255 MW en via 185,5 MW uiteindelijk naar circa 150 MW. In het Rijksinpassingsplan (45 windturbineposities met een omvang van circa 150 MW) zijn bandbreedten vastgesteld per windturbine voor de ashoogte (minimaal 119 meter en maximaal 145 meter) en de rotordiameter (minimaal 112 meter en maximaal 131 meter).
In de door de rijksoverheid verleende Omgevingsvergunningen is een bandbreedte voor het opgesteld vermogen voorgeschreven per windturbine. Deze bandbreedte is vastgesteld tussen de 2,3 MW en 4,2 MW, zodat de initiatiefnemers kunnen kiezen uit verschillende types windturbines. Dit betekent dat het windpark met een omvang tussen de 103,5 MW en 189 MW mag worden gerealiseerd. Het door de initiatiefnemers van het windpark gekozen type windturbine voldoet aan de in het Rijksinpassingsplan en Omgevingsvergunningen vastgestelde bandbreedtes.
Bent u van mening dat een vermogen 175,5 MW overeenkomt met «circa 150 MW» het vermogen dat in het ontwerpbesluit is genoemd? Zo ja, waarom? Waar liggen de boven- en ondergrens van «circa 150 MW» en wie bepaalt die? Zo nee, waarom is dan meer dan circa 150 MW vergund?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt zich het vergunnen van 45 windturbines met een vermogen van 175,5 MW zich met het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) waarin in overweging is gegeven om bij het gebruik van windturbines met een groter vermogen het aantal windturbines te reduceren?
Voor het voornemen van een Windpark met een vermogen van circa 150 MW en 50 windturbines is advies gevraagd aan de Commissie voor de m.e.r.
De Commissie heeft in haar advies aangegeven dat de bestuurlijke keuze voor een windpark van circa 150 MW betekent dat de opgave ingevuld kan worden met verschillende combinaties van turbinegrootte en/of aantal turbines. De Commissie heeft daarbij in overweging gegeven om deze combinaties en hun milieueffecten beknopt op een rij te zetten.
In het Milieueffectrapport (MER) zijn van de nodige opstellingsvarianten de milieueffecten in beeld gebracht. Destijds is er geen aanleiding gezien om opnieuw opstellingen te beschouwen met een groter vermogen per windturbine om zodoende te komen tot een kleiner aantal windturbines. Het MER geeft door de manier waarop het is opgesteld al alle milieu-informatie van de individuele windturbines en windturbinelijnen.
De Commissie heeft in het eindadvies van 9 juni 2016 ten aanzien van de volledigheid en de juistheid van het MER aangegeven dat zij van oordeel is dat het hele traject vanaf de keuze van het veenkoloniale gebied als locatie voor een grootschalig windpark tot de uitwerking en effectbeschrijving van een voorkeursalternatief gestructureerd, helder en volledig is beschreven in het MER. De Commissie concludeert dan ook dat de essentiële informatie aanwezig is om het milieubelang volwaardig te kunnen meewegen bij het besluit van de Ministers over het windpark.
In het kader van de verdere besluitvorming over het Rijksinpassingsplan is in de uiteindelijke afweging besloten om één lijn van vijf windturbines te laten vervallen en de bandbreedte van het vermogen per windturbine te handhaven.
Waarom is het advies van de Commissie m.e.r. niet opgevolgd, mede in het licht van het gegeven dat in het gebied het draagvlak bij bewoners en mede-overheden vrijwel geheel afwezig is, er grote zorgen zijn over de aantasting van de leefbaarheid in het gebied en gelet op het gegeven dat een vermogen van 150 MW volstaat om de taakstelling voor de provincie Drenthe te realiseren?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om te bewerkstelligen dat het aantal windturbines in het windpark wordt verminderd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dat te doen in overleg met de mede-overheden, waarbij het uitgangspunt is dat zo veel mogelijk knelpunten voor de leefbaarheid worden weggenomen?
Het Rijksinpassingsplan met de bijbehorende Omgevingsvergunningen zijn in 2016 door de toenmalige Ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 21 februari 2018 uitspraak gedaan over het Rijksinpassingsplan en de bijbehorende vergunningen Windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Het Rijksinpassingsplan en de bijbehorende vergunningen zijn hiermee onherroepelijk. Zoals ik tijdens het debat met uw Kamer op 8 november 2018 heb aangegeven zie ik vanuit het perspectief van rechtszekerheid en een betrouwbare overheid geen mogelijkheid om nu opnieuw de omvang van het windpark ter discussie te stellen.
Het bericht ‘Rookgordijnen rond Bilal L.’ |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rookgordijnen rond Bilal L.»?1
Ja.
Bent u bereid Bilal L. en Abderrazak A.O. de Nederlandse nationaliteit te ontnemen en ze (en hun handlangers) voor eeuwig uit Nederland te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op eerdere kamervragen2 berichtte ik Uw Kamer reeds dat het Nederlanderschap kan worden ingetrokken wanneer iemand veroordeeld is voor een terroristisch misdrijf of zich heeft aangesloten bij een organisatie die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. In beide gevallen kan intrekking van het Nederlanderschap alleen indien de persoon hierdoor niet staatloos wordt.
Bent u bereid de hele Stopera uit te kammen en alle islamitische maffia en jihadfaciliterende elementen te laten verwijderen, ze in administratieve detentie te zetten, te zorgen dat zij hun welverdiende straf krijgen en in het geval van een dubbele nationaliteit de Nederlandse nationaliteit te ontnemen en hen het land uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik herken me niet in het door u geschetste beeld. De gemeente Amsterdam is verantwoordelijk voor de Amsterdamse lokale aanpak jihadisme en de uitvoering daarvan.
Het stelselmatig martelen van critici door de Palestijnse autoriteiten |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnse autoriteiten martelen stelselmatig critici»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie dat de Palestijnen 25 jaar na «Oslo» helaas niet in staat zijn gebleken een fatsoenlijk functionerende rechtsstaat op te bouwen op de Westoever of in Gaza?
Het rapport van Human Rights Watch (HRW) stelt dat een aantal veiligheidsdiensten in de Palestijnse Gebieden, en dan primair de Internal Security van Hamas en bij de Palestijnse Autoriteit (PA) de Preventive Security, Intelligence Services, en Joint Security Committee, verantwoordelijk zijn voor arbitraire detentie, mishandelingen of zelfs marteling. Volgens HRW is dit dermate gebruikelijk, bewust en is het gebruik van marteling zo breed bekend over een periode van jaren, dat HRW het systematisch noemt. Daarom concludeert HRW dat in de 25 jaar sinds Oslo de PA en Hamas een systeem van repressie hebben gevestigd dat afwijkende meningen onderdrukt. HRW stelt echter niet dat dit de gehele justitieketen zou betreffen.
Het kabinet is zeer bezorgd over de in het HRW-rapport beschreven misstanden. Dergelijke praktijken zijn in strijd met fundamentele normen op het gebied van mensenrechten, waaraan ook de Palestijnse Autoriteit zich gebonden acht en horen niet thuis in een rechtsstaat. Mede daarom is het voor Nederland van belang te blijven inzetten op rechtsstaatontwikkeling in de Palestijnse Gebieden.
Was de Nederlandse regering op de hoogte van de betreurenswaardige gevangennemingen en mishandelingen van journalisten (en in toenemende mate van gewone burgers)?
Berichten over mishandelingen door Palestijnse veiligheidsdiensten en politiek gemotiveerde arrestaties, alsook over de toenemende druk op mensenrechtenverdedigers en journalisten, zijn bekend. Nederland en de EU hebben diverse malen zorgen geuit over de mensenrechtenschendingen in de Palestijnse Gebieden, bijvoorbeeld tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden eerder dit jaar, alsook in de mensenrechtendialoog die de EU met de Palestijnse Autoriteit voert. Nederland heeft ook het voortouw genomen om de PA aan te spreken toen Palestijnse veiligheidsfunctionarissen – gekleed in burger – in juni dit jaar vreedzame demonstranten aanvielen. Nederland zal zich in dit kader sterk blijven maken voor accountability. Daarnaast heeft Nederland, bilateraal en met andere donoren, als actief betrokken donor in de justitiesector misstanden die de opbouw van de rechtsorde ondermijnen aan de orde gesteld bij de Palestijnse Autoriteit.
Wilt u er bij de Europese Unie (EU), de Verenigde Staten en andere betrokken overheden op aandringen dat zij financiering van betrokken instanties opschorten dan wel beëindigen?
Het rapport wordt hoog opgenomen door alle donoren, inclusief de EU en de VS. De Palestijnse Autoriteit heeft aangegeven de zorgen serieus te nemen en heeft een comité ingesteld om de aantijgingen te onderzoeken. Nederland zal dit onderzoek nauwgezet volgen, gezamenlijk met de EU en andere donoren. In gezamenlijkheid met onze internationale partners zal Nederland bezien welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden. De organisaties die door HRW met name genoemd worden, worden overigens niet gesteund door Nederland of de EU.
Welke acties worden in VN- en EU-verband ondernomen naar aanleiding van het onderzoek van Human Rights Watch (HRW)?
Nederland en andere donoren, inclusief EU en VN-organisaties, hebben de Palestijnse Autoriteit aangesproken op de bevindingen uit het onderzoek. Nederland en de EU hebben geen contacten met Hamas. De Palestijnse Autoriteit heeft een comité ingesteld om onderzoek te doen naar de aantijgingen. Nederland en andere donoren zullen dat onderzoek en mogelijke vervolgacties nauwgezet monitoren.
Momenteel wordt in samenwerking met de Palestijnse Autoriteit een nationaal mechanisme opgericht ter voorkoming van marteling in de Palestijnse Gebieden, dat per januari 2019 operationeel moet zijn. De oprichting van dit mechanisme volgt uit de Palestijnse toetreding tot het Optioneel Protocol bij het VN Verdrag tegen Foltering in december 2017. Nederland en andere donoren, inclusief de EU en de VN, ondersteunen de oprichting van dit mechanisme, onder andere via een gezamenlijk VN-programma en steun aan de Independent Commission on Human Rights (ICHR). Nederland en andere donoren zullen erop toezien dat dit mechanisme op een onafhankelijke manier kan opereren in lijn met de daarvoor binnen de VN geldende standaarden.
Welke consequenties hebben de bevindingen in het HRW-rapport voor de Nederlandse financiële bijdragen aan de Palestijnse Autoriteit en aan lokale mensenrechtenorganisaties?
Nederland verleent geen steun aan de diensten die volgens Human Rights Watch primair betrokken zijn bij de gedocumenteerde misstanden. Wel zet Nederland in de Palestijnse Gebieden in op rechtsstaatontwikkeling en accountability via de VN en het zgn. Sawasya-programma. Zoals aangegeven door Minister Blok tijdens het notaoverleg mensenrechtenbeleid is verbeterde naleving van internationale standaarden een proces van lange adem. Via het Sawasya-programma wordt door Nederland een breed scala aan actoren gesteund, waaronder het bureau van de Procureur-Generaal, de civiele politie en het Openbaar Ministerie, die werk moeten maken van de betere naleving van standaarden waaraan de Palestijnse Autoriteit zich gebonden acht.
Tevens levert Nederland expertise via de EU politie- en justitiemissie EUPOL COPPS en draagt als deelnemer aan United States Security Coordinator (USSC) bij aan capaciteitsopbouw in de veiligheidssector en de coördinatie tussen de veiligheidsdiensten van de Palestijnen en de Israëliërs. In een aantal programma’s van USSC wordt aandacht besteed aan mensenrechten. Het Nederlandse contingent bij USSC, bestaande uit 5 militairen en 1 civiel expert, richt zich op ondersteuning van de leiding van de USSC-missie, advisering op het gebied van ICT projecten (zoals verbindingssystemen), infrastructurele projecten en training van Palestijnse instructeurs op het gebied van leiderschap. De Palestijnse veiligheidsinstanties die volgens HRW primair verantwoordelijk zijn voor de genoemde misstanden worden niet gesteund door USSC. Wel is er samenwerking met de National Security Forces (NSF). In het rapport wordt een aantal incidenten genoemd bij de NSF. Deze incidenten worden momenteel nader uitgezocht door USSC.
De bevindingen van het HRW-rapport onderstrepen het belang van steun aan lokale mensenrechtenorganisaties. HRW heeft voor dit rapport gebruik gemaakt van de input van lokale organisaties, zoals Al Haq, al Mezan Center for Human Rights, Defense for Children International Palestine, ICHR en Palestinian Nongovernment Organizational Network. Dit zijn organisaties die door Nederland gesteund worden. Het bestaan van dit soort lokale organisaties die zich uitspreken tegen schendingen van de mensenrechten van Palestijnse burgers, ongeacht of deze door de PA, Hamas of Israël worden begaan, is van groot belang. Deze organisaties, maar ook Human Rights Watch hebben te maken met groeiende druk in de Palestijnse gebieden en in Israël. Juist vanwege hun waardevolle inbreng blijft Nederland deze organisaties steunen en zich in bilateraal en in EU- en VN-verband inzetten tegen deze groeiende druk.
Hoe kan Nederland ook anderszins bijdragen aan beëindigen van de straffeloosheid, bijvoorbeeld via het diplomatieke spoor?
Nederland kaart zorgen over mensenrechtenschendingen enaccountability regelmatig aan in contacten met de Palestijnse Autoriteit (zie ook het antwoord op vraag 3). Recent heeft Minister-President Rutte tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in gesprek met president Abbas zorgen geuit over de krimpende ruimte van mensenrechtenverdedigers, journalisten en maatschappelijke organisaties om kritiek uit te oefenen op het Palestijnse beleid. Dit is ook door de EU-ambassadeurs aangekaart in gesprek met Minister-President Hamdallah en door de gezamenlijke donoren in de veiligheids- en justitiesector in Ramallah. Hoewel het Koninkrijk de «Staat Palestina» niet erkent en het derhalve van mening is dat de «Staat Palestina» niet in juridische zin is toegetreden tot multilaterale (mensenrechten)verdragen, heeft deze eenzijdige Palestijnse stap wel politieke betekenis. Het betekent immers dat de Palestijnse Autoriteit politiek kan worden aangesproken op de toepassing en naleving van fundamentele mensenrechtennormen, zoals het verbod op marteling, waaraan zij zich gebonden acht.
De bloemenveiling in Aalsmeer die een gigantische plastic afvalberg produceert en daar jaarlijks miljoenen euro’s aan verdient |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bloemenveiling verdient miljoenen aan plastic afvalberg»?1
Ja, ik ben van dit bericht op de hoogte.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er op de bloemenveiling in Aalsmeer jaarlijks 180 miljoen plantentrays worden weggegooid, die samen goed zijn voor zo’n 23 miljoen kilo plasticafval per jaar? Zo nee, waarom niet?
Er zijn goede kansen voor het verduurzamen van de plantentrays die worden gebruikt in de bloemenveilingen.
Medio 2016 heeft het Kamerlid Cegerek vragen gesteld over deze problematiek, na signalen van de Plastic Soup Foundation over het onnodig gebruik van eenmalige plantentrays. Mijn voorganger heeft toen aangegeven een LCA-onderzoek naar diverse opties voor verduurzaming af te wachten, maar het ook aan de sierteeltbranche, waaronder Flora Holland, te laten om maatregelen te nemen in het kader van hun producentenverantwoordelijkheid.
Ik constateer dat Flora Holland in het kader van de producenten-verantwoordelijkheid gehouden is om te voldoen aan de essentiële eisen voor verpakkingen. Die verplichten om alleen verpakkingen op de markt te brengen die zodanig zijn ontworpen dat hergebruik of recycling mogelijk is en dat het milieueffect bij het verwijderen van verpakkingsafval zoveel mogelijk wordt beperkt. Uit de LCA studie, die in het voorjaar van 2018 is gepubliceerd door Flora Holland, blijkt dat meervoudig bruikbare plantentrays beter zijn voor het milieu dan enkelvoudige trays. Bovendien beschikt Flora Holland al over goede retoursystemen voor andere emmers en trays. Ik zie dan ook alle reden om te kiezen voor meermalig te gebruiken plantentrays.
Erkent u dat deze plastic afvalberg is te voorkomen via een statiegeldsysteem, zoals al in 1996 wetenschappelijk is aangetoond en in de praktijk al lang is bewezen?
Naar verluidt, passen de bloemenveilingen voor emmers en andere trays al jaren naar tevredenheid een systeem van hergebruik en retourlogistiek toe. Het ligt daarom voor de hand om ook de onderhavige eenmalige trays te vervangen door meermalig te gebruiken trays.
Wat vindt u ervan dat een wegwerpsysteem aanzienlijk meer loont dan een statiegeldsysteem (in het geval van de bloemenveiling in Aalsmeer respectievelijk 52 miljoen euro en 5 miljoen euro) en dat zonder het wegwerpsysteem de bloemenveiling mogelijk zelfs verlies zou draaien?
Ik ben voorstander van hergebruik waar dit kan. Er zijn omstandigheden waar hergebruik in de praktijk leidt tot een minder duurzaam resultaat dan eenmalig gebruik met volledige recycling. De bloemenveilingen zijn logistieke dienstverleners, die zeker in staat moeten zijn om door te rekenen wat het meest duurzame alternatief is.
Erkent u dat de marktwerking daarmee verkeerde prikkels geeft die de circulaire economie frustreren? Zo ja, op welke wijze kunt u hier op bijsturen? Zo nee, waarom niet?
Op ambtelijk niveau is naar aanleiding van het artikel in «Follow the Money» contact geweest met Flora Holland en de Vereniging Bloemenveilingen in Nederland (VBN). Flora Holland en VBN hebben inmiddels aangegeven dat zij op dit moment samen met hun leden en klanten een plan uitwerken (inclusief doelstellingen) om op korte termijn (1) het gebruik van meermalige trays te bevorderen en (2) het hergebruik van materiaal van eenmalige trays te verhogen. Zij hebben de ambitie uitgesproken om op langere termijn te komen tot maximale circulariteit in transportverpakkingen. Ik houd de vinger aan de pols.
Wat vindt u ervan dat de bloemenveiling middels haar monopolypositie milieuvriendelijke innovaties, zoals een statiegeldsysteem, buiten de deur houdt? Was u hiervan op de hoogte en heeft u hier al eerder op ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
Flora Holland en VBN geven aan te werken aan verduurzaming van hun verpakkingen, door meer recycling en hergebruik, maar ook door nieuwe, duurzame materialen toe te laten (zoals van papierpulp).
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de veilingen blijven vasthouden aan wegwerpplantentrays, terwijl er een goedkope en herbruikbare tray beschikbaar is die minstens driemaal milieuvriendelijker is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb gelet op de signalen die ik heb ontvangen van Flora Holland en de VBN vooralsnog geen reden om aan te nemen dat zij voornemens zijn vast te blijven houden aan de eenmalig te gebruiken trays. Wel begrijp ik, dat zij alleen directe invloed kunnen uitoefenen op trays die «via de klok» worden gebruikt in de handelsketen van bloemen en planten. In de praktijk gaan ook veel eenmalige trays rechtstreeks van kweker naar afnemer zonder tussenkomst van de bloemenveilingen.
Bent u bereid uw invloed aan te wenden voor een zo snel mogelijke overstap van wegwerpsysteem naar statiegeldsysteem? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik heb Flora Holland en de VBN uitgenodigd om hun ambitie om eenmalige trays uit te faseren neer te leggen in een «pledge» waarbij zij zich kunnen aansluiten bij het te sluiten Plastic Pact. Beide partijen hebben aangegeven dit voorstel aan hun achterban voor te leggen. Ik zie uit naar de uitkomsten van dit achterbanoverleg en zal op basis daarvan bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn.
De crisis bij Careyn |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Crisis in Tuindorp-Oost door hoog ziekteverzuim en problemen bij zorg»1 en «Crisis bij Careyn Utrecht net voor einde aanwijzing IGJ»?2
Ja.
Klopt het dat een negenendertigtal zeer oude bewoners van de locatie Tuindorp Oost van Careyn, waaronder drie honderdjarigen, gedwongen zijn om te verhuizen omdat een projectontwikkelaar dit bedongen heeft bij de aankoop van het pand?
Er zijn momenteel 32 bewoners in de locatie Tuindorp-Oost, waaronder twee honderdjarigen. Daarvan moeten 22 bewoners verhuizen omdat de huidige woonruimte niet langer voldoet aan de voorwaarde voor veilige en goede zorgverlening. Verhuizen is voor de bewoners een bijzonder ingrijpende gebeurtenis en het is daarom van majeur belang om dit proces met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te doorlopen. Careyn heeft afgewogen hoe zij de benodigde verbetering in de woonvoorziening voor deze cliëntengroep zo veilig mogelijk kan laten verlopen en met de minste belasting voor de cliënten.
Klopt het dat de cliëntenraad in eerste aanleg negatief geadviseerd heeft aangaande deze verhuizing, maar dat na het verstrekken van verkeerde en onvolledige informatie de clientenraad positief heeft geadviseerd?
De regionale cliëntenraad heeft in juni 2018 aanvankelijk positief geadviseerd over de verhuizing, maar heeft dit advies begin augustus 2018 ingetrokken vanwege het feit dat zij niet tijdig geïnformeerd waren over de gemaakte afspraken met de projectontwikkelaar.
Op dit moment is de cliëntenraad nauw betrokken en heeft medio oktober een advies uitgebracht over het plan van aanpak van de interne verhuizing Tuindorp Oost. Zij benoemden in dat advies voorwaarden voor de verhuizing. Deze voorwaarden zijn door Careyn overgenomen.
Het is uiteraard van belang dat de besluitvorming bij Careyn op een zorgvuldige manier verloopt. Wanneer IGJ daar aanleiding toe ziet, onderzoekt ze of zorg veilig en van voldoende kwaliteit is.
Welke mogelijkheden hebben bewoners en familie om toch nog bezwaar te maken tegen deze verhuizing?
Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om na te gaan of de zorg op een veilige manier geleverd kan worden. De bewoners zijn door Careyn geïnformeerd dat de kwaliteit en veiligheid van de zorg in de bestaande locatie niet meer gegarandeerd kan worden. Daarom wordt hen alternatieve huisvesting geboden. Het is belangrijk dat zorgaanbieders de leefwensen van cliënten kennen en hiermee rekening houden waar mogelijk en redelijk. Ook moeten bestuurders de zorg op een goede en veilige manier organiseren. Wanneer cliënten niet tevreden zijn over de individuele zorgsituatie kunnen zij bij de klachtencommissie een klacht indienen. Careyn heeft hiervoor een passende klachtenregeling. In tweede instantie kan de cliënt de klacht voorleggen aan de rechter of de geschillencommissie die dan een bindende uitspraak doet. Echter, de bewoners van Tuindorp-Oost zijn door Careyn geïnformeerd dat de kwaliteit en veiligheid van de zorg in het hoogbouwdeel niet meer voldoende gegarandeerd kan worden. Daarom biedt Careyn alternatieve huisvesting aan. Het is begrijpelijk dat ouderen dit als een enorme verandering ervaren. Careyn moet zich daarom tot het uiterste inspannen om noodzakelijke verhuizingen zorgvuldig te begeleiden. Dat moet ook gebeuren wanneer een cliënt bij nader inzien liever naar een andere zorgaanbieder verhuist omdat de zorg daar meer aan diens leefwensen voldoet.
Speelt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) nog een rol wanneer blijkt dat een verhuizing op oneigenlijke gronden een positief advies heeft gekregen van de cliëntenraad?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de voorzitter van de cliëntenraad vanwege de chaotische toestand is opgestapt?
De voorzitter van de cliëntenraad heeft op 8 november 2018 zijn functie neergelegd. Het is niet aan mij om toe te lichten welke redenen hij daarvoor had.
Kunt u aangeven wie de externe audit heeft uitgevoerd namens de Raad van Bestuur van Careyn, waaruit zou blijken dat de bewoners in Tuindorp Oost een positief beeld hebben van de huidige situatie?
Ik heb van Careyn begrepen dat het een audit naar de kwaliteit van de zorg en organisatorische aspecten daarvan betrof. Het is niet aan mij om de naam van de auditor te delen.
Klopt het dat het ziekteverzuim onder het personeel vier tot vijf maal zo hoog ligt bij de locatie van Careyn in Tuindorp-Oost dan landelijk gemiddeld?
Nee, dit klopt niet. Het ziekteverzuim in de locatie Tuindorp Oost was in september 9,1%, organisatiebreed was dit percentage t/m oktober 7,8%.
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd(IGJ) geconstateerd dat het ontbreekt aan veilige zorg en dat goede toediening van medicatie niet op orde is in deze locatie?
Nee.
Heeft de IGJ nu geconstateerd dat er bij Careyn nu niet langer problemen zijn op het gebied van inzet en deskundigheid van medewerkers, kwaliteit en veiligheid van zorg en bestuur?
De IGJ toetst momenteel of Careyn aan de voorwaarden voldoet, zoals die omschreven zijn in de aanwijzing die zij vorig jaar november aan Careyn gaf. Die aanwijzing bestond uit twee delen. De IGJ concludeerde in mei van dit jaar dat Careyn aan het eerste deel van de aanwijzing voldeed (gericht op de onderwerpen verbeteren van de dossiervoering en het organiseren van voldoende tijd voor rapportage en overdracht). Het tweede deel van de aanwijzing was gericht op het wegnemen van tekortkomingen op het gebied van de inzet en deskundigheid van medewerkers, de sturing van kwaliteit en veiligheid en goed bestuur en die termijn liep 7 november 2018 af. Ik kan op die uitkomsten niet vooruitlopen, de IGJ publiceert haar bevindingen en conclusie over dit toezichttraject zodra de gebruikelijke procedure doorlopen is, naar verwachting begin 2019.
Is de IGJ van plan om ondanks deze crisisachtige sfeer de aanwijzing te beëindigen?
Zie antwoord vraag 10.
Stel dat de aanwijzing wordt gehandhaafd, is er dan grond voor de IGJ om haar toezicht aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 10.
De toename van het aantal daklozen |
|
Jasper van Dijk |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht dat een dakloze vrouw van 50 jaar in een rolstoel niet welkom is in de nachtopvang in Haarlem en daardoor meerdere nachten op straat heeft moeten doorbrengen?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja, dit bericht is bekend.
Ik ben geschrokken van wat ik las. Het is belangrijk dat mensen die ondersteuning nodig hebben, die ook daadwerkelijk ontvangen. Ik heb contact opgenomen met de gemeente Haarlem, die heeft aangegeven dat mevrouw sinds 29 oktober een slaapplek in de opvang heeft. Mevrouw kan in de opvang in de gemeente Haarlem blijven totdat zij een geschikte woning heeft gevonden, zolang zij zich aan de regels van de opvanginstelling houdt. Denk bijvoorbeeld aan het betalen van een eigen bijdrage of optimaal meewerken aan het traject om zo snel mogelijk weer op eigen kracht deel te nemen aan de samenleving. Bij iedereen die in de opvang verblijft, start na 2 weken een trajectbehandeling gericht op duurzame uitstroom naar een passende plek. Mijn beeld is dat mevrouw op dit moment op een goede manier geholpen wordt, waardoor ik nu geen aanleiding zie hier verdere acties op te ondernemen.
Wat gaat u doen voor deze vrouw?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat u doen om te zorgen dat er geen daklozen meer geweigerd worden omdat er geen plek is?
Tijdens het AO maatschappelijke opvang op 13 juni jl. heb ik uitgebreid met uw Kamer gesproken over de bij een aantal gemeenten nog tekortschietende (landelijke) toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang. Met een tiental gemeenten heb ik op 6 juni jl. gesproken over de maatregelen die ze nemen om de toegankelijkheid te waarborgen. Het gaat daarbij zowel om de landelijke toegankelijkheid als het waarborgen van voldoende capaciteit. Op 5 oktober jl. heb ik deelgenomen aan het wethoudersoverleg van de centrumgemeenten, waar is afgesproken dat de VNG nieuwe en duidelijkere beleidsregels opstelt en stimuleert dat gemeenten die in het voorjaar van 2019 overnemen en vaststellen. Op dit moment voert Trimbos (opnieuw) onderzoek uit naar de landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang, welk onderzoek naar verwachting eind van het jaar klaar is. Ik verwacht dit onderzoeksrapport mee te kunnen sturen met de voortgangsrapportage beschermd wonen en maatschappelijke opvang die uw Kamer voorafgaand aan het AO maatschappelijke opvang op 20 december a.s. ontvangt.
Wat gaat u doen om kwetsbare daklozen, zoals mensen met een handicap of met kinderen, te helpen?
Uit de cijfers van het CBS blijkt dat het aantal daklozen tot 2015 is toegenomen. In 2016 is een kleine daling zichtbaar (zie antwoord 5, 9, 10 en 11 voor meer informatie). De toename is zorgelijk, met name de stijging onder jongeren.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van goede hulp en ondersteuning aan mensen die dakloos (dreigen) te worden. De afgelopen jaren hebben gemeenten gewerkt aan regionale plannen van aanpak waarin zij aangeven hoe zij de ondersteuning aan cliënten van beschermd wonen en de maatschappelijke opvang vormgeven. De implementatie van deze plannen is gaande. Om gemeenten en andere betrokken lokale en regionale partijen te ondersteunen in hun opgave heb ik – met 11 landelijke partijen – de meerjarenagenda beschermd wonen en maatschappelijke opvang opgesteld, die een beeld geeft van de inhoudelijke koers en prioriteiten die betrokken partijen graag gezamenlijk oppakken en waar zij naar vermogen een bijdrage aan willen leveren. Tevens start ik een Actieprogramma Zwerfjongeren.
Welk cijfermatig inzicht kunt u bieden in de wachtlijsten voor daklozenopvang? Indien u hier geen helder inzicht in kunt bieden, bent u bereid hier onderzoek naar te doen of dit structureel bij te houden?
Het CBS brengt in opdracht van het Ministerie van VWS periodiek het aantal daklozen in beeld. De onderstaande tabel geeft een beeld van het aantal daklozen (incl. het aantal dakloze jongeren) in de jaren 2012–2016. Dit zijn de meest recente cijfers die bij CBS beschikbaar zijn.
6.400
20.900
7.200
17.600
6.800
20.100
8.300
22.700
12.400
18.100
Bron: Statline CBS
Er zijn geen landelijke cijfers beschikbaar van (eventuele) wachtlijsten voor de nachtopvang en het aantal economisch daklozen. Ook de exacte oorzaken voor dakloosheid zijn niet bekend. Dit betekent ook dat ik niet kan zeggen wat de eventuele invloed van bijv. de kostendelersnorm of de wachtlijsten in de jeugdzorg is.
Om meer inzicht in de groei van het aantal daklozen te krijgen, voert CBS op dit moment in opdracht van VWS onderzoek uit naar specifieke groepen daklozen en de ontwikkelingen daarin. Dit onderzoek rondt CBS eind 2018 af. Zodra dit rapport beschikbaar is, deel ik dit met uw Kamer.
Daarnaast bekijk ik samen met gemeenten of het inzicht in (het gebruik van de) maatschappelijke opvang vergroot kan worden via doorontwikkeling van de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein. In de voortgangsrapportage beschermd wonen en maatschappelijke opvang die ik eind 2018 naar uw Kamer stuur, zal ik u nader over dit traject informeren.
Wat is uw reactie op de constatering van hulporganisaties dat er onvoldoende laagdrempelige kortdurende opvang beschikbaar is in Nederland?
Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor het bieden van goede hulp en ondersteuning. Het beschikbaar stellen van voldoende capaciteit maakt daar deel van uit. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad het college hierop te controleren en – daar waar nodig – bij te sturen. In antwoord op vraag 4, 18 en 19 geef ik aan hoe ik gemeenten en andere partijen wil ondersteunen bij hun aanpak.
Gaat u met de opvangorganisaties overleggen over adequate opvangcapaciteit en oplossingen voor de toenemende dakloosheid?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is uw reactie op de uitspraak: «met ongeveer de helft van de mensen die ik de afgelopen tien maanden heb ontmoet, is weinig meer aan de hand dan dat ze een dak boven hun hoofd hebben verloren, meestal door financiële problemen»?2
Het is belangrijk dakloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. Dit vraagt om een goede vroegsignalering en preventieve maatregelen. Gemeenten zijn hier actief mee bezig, onder andere in het kader van de gemeentelijke plannen van aanpak voor het oplossen van schulden en armoede en in het kader van de regionale plannen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Uitgangspunt is wat mij betreft dat huisuitzettingen ten gevolge van schulden tot een absoluut minimum moeten worden beperkt.
Kunt u een overzicht geven van de groei van het aantal daklozen in de afgelopen jaren en van het aantal dakloze jongeren?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel daklozen zijn economische daklozen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de oorzaken van de groei van het aantal daklozen? Kunt u in uw antwoord de rol van de kostendelersnorm, de bezuiniging op de psychiatrische zorg, de wachtlijsten in de jeugdzorg en de rapportage Cijfers maatschappelijke opvang van de Federatie Opvang meenemen?
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat er nog steeds gemeenten zijn die daklozen een briefadres weigeren?
Ja. Tegelijkertijd constateer ik ook dat het onderwerp leeft onder gemeenten. Het besef dat ook daklozen ingeschreven moeten zijn in de basisregistratie personen (BRP) is de afgelopen jaren sterk toegenomen.
Erkent u dat het weigeren van een briefadres grote problemen geeft voor daklozen omdat zij dan onder andere geen uitkering, geen zorgverzekering en geen identiteitsbewijs kunnen krijgen?
Het klopt dat het voor daklozen belangrijk is om een briefadres te hebben.
Eind 2016 is door de Minister van BZK de circulaire «Briefadres en BRP» aan gemeenten verzonden met uitleg over het toekennen van een briefadres. In deze circulaire, die destijds onder andere met de Nationale ombudsman is afgestemd, wordt de wettelijke plicht van de gemeente benadrukt om burgers die feitelijk in Nederland verblijven maar geen woonadres hebben, zo nodig ambtshalve, van een briefadres te voorzien.
Het Ministerie van BZK heeft begin 2017, en in september en oktober 2018, landelijke workshops georganiseerd en begeleid om specifiek de aandacht te vestigen op de in de circulaire genoemde onderwerpen. De deelnemers toonden zich zeer betrokken en gemotiveerd om te bouwen aan meer samenwerking (met name tussen burgerzaken en het sociaal domein) en aan een werkwijze om de burger beter te helpen. In vervolg op de workshops is een stappenplan ontwikkeld ten behoeve van de uitvoering bij gemeenten, om situaties die maatwerk vragen beter te kunnen beoordelen. Een en ander moet ertoe leiden dat de betrokken personen sneller op een briefadres worden ingeschreven.
Welke actie gaat u ondernemen indien blijkt dat een gemeente toch een dakloze een briefadres weigert?
Maatschappelijke organisaties zoals Federatie Opvang of Bureau Straatjurist weten het Ministerie van BZK, verantwoordelijk voor de BRP, in dergelijke gevallen al te vinden. Bij signalen neemt het ministerie contact op met de betreffende gemeente om te bespreken of de juiste afweging is gemaakt. Als er sprake is van een terecht signaal, dan zal inschrijving alsnog volgen. Er zijn echter ook uitzonderingsgevallen waarin iemand wel terecht geweigerd is voor inschrijving op een briefadres, bijvoorbeeld omdat iemand een woonadres blijkt te hebben. Ook kan het voorkomen dat iemand wel is ingeschreven op een briefadres, maar op dat briefadres niet bereikbaar blijkt te zijn voor de overheid. Dan wordt die inschrijving ongedaan gemaakt.
Hoeveel meer dakloze personen hebben door uw acties dit jaar een briefadres gekregen ten opzichte van vorige jaren?
Dit is niet bekend en ook niet te achterhalen, omdat niet alleen daklozen in aanmerking komen voor een briefadres. Ook mensen die bijvoorbeeld in een psychiatrische instelling, een blijf-van-mijn-lijfhuis, gevangenis of zorginstelling verblijven kunnen ingeschreven zijn op een briefadres. De reden voor een briefadres wordt niet centraal bijgehouden.
Wat gaat u doen om te garanderen dat gemeenten nooit meer een dakloze een briefadres weigeren?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid om het recht op een briefadres wettelijk te verankeren?
Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft, moet worden ingeschreven in de BRP op een woonadres en bij het ontbreken daarvan op een briefadres. Dat is reeds vastgelegd in de wet BRP. In de bestuurlijke overleggen met gemeenten zal ik daar ook actief aandacht voor vragen.
Welke structurele oplossing heeft u voor het toenemende aantal economische daklozen?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het ook schokkend dat het aantal daklozen bijna verdubbelde tussen 2009 en 2015 en dat het aantal economische daklozen groeit? Wat gaat u doen om deze Amerikaanse toestanden te bestrijden?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘De diensten zijn regelmatig niet blij met ons’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «De diensten zijn regelmatig niet blij met ons»?1
Ja.
Deelt u de mening van mw. Moussault, de voorzitter van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB), dat er sprake is van een weeffout in de wet, nu die niet voorziet in de benoeming van een plaatsvervangend lid van de TIB? Zo nee, waarom niet?
Wij vinden het van groot belang dat de TIB haar werk goed kan blijven uitvoeren en onderschrijven de door de TIB naar voren gebrachte zorg. Omdat dit het functioneren van de TIB direct raakt, is de TIB geïnformeerd over ons voornemen om in de wet te voorzien in de mogelijkheid tot het benoemen van plv. leden die bij belet of ontstentenis van een van de leden van de TIB kan worden ingeschakeld.
Herinnert u zich, dat u in het debat over de uitslag van het referendum over de Wiv hebt gezegd «dat het goed is om ernaar te kijken als in de tussentijd blijkt dat de huidige bezetting krap is»?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om een wijziging van de Wiv voor te stellen, die voorziet in de benoeming van een plaatsvervangend lid van de TIB?
Zie antwoord vraag 2.
De voortgangsbrief van de TIB |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u nota genomen van de voortgangsbrief van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB)?
Ja.
Is de mededeling in de brief waar dat de ministers van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie het besluit hebben genomen om de aantallen verzoeken die aan de TIB zijn gericht niet openbaar te maken via deze voortgangsbrief?
Ja.
Zullen deze gegevens ook niet openbaar gemaakt mogen worden in het jaarverslag van de TIB? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom dan wel?
De Minister van Defensie en ik hebben in onze reactie op de voortgangsbrief aan de TIB gemeld er geen bezwaar tegen te hebben dat de TIB in het aankomend jaarverslag het totaal aantal aanvragen noemt, indien de cijfers van de AIVD en MIVD samen worden genomen.
Elk stukje informatie dat over de diensten naar buiten wordt gebracht, kan, in combinatie met al openbare informatie, onbedoeld inzage verschaffen in de werkwijze van de diensten.
De Minister van Defensie en ik zijn van oordeel dat de absolute getallen in de voortgangsbrief van de TIB, mede gelet op de korte periode waarop de voortgangsbrief betrekking heeft, teveel inzicht geeft in deze werkwijze.
Met het verschijnen van het jaarverslag van de TIB zullen de aantallen een hoger aggregatieniveau hebben en minder makkelijk herleidbaar zijn, zeker indien de getallen van beide diensten worden samengenomen. Daarom hebben wij er geen bezwaar tegen indien de TIB dit totaalaantal in zijn jaarverslag openbaar maakt.
Waarom beoordeelt u het publiceren van tapstatistieken van de AIVD en MIVD als niet-problematisch en zou het publiceren van het aantal verzoeken tot toestemming door de TIB wel een gevaar voor nationale veiligheid zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Is het wel toegestaan aan de TIB om trends in kaart te brengen, waardoor de Tweede Kamer tenminste nota kan nemen van het feit of steeds meer of minder verzoeken aan de TIB worden voorgelegd?
Ja.
Hoe beoordeelt u de zienswijze van de leden van de TIB dat het goed zou zijn om de wettelijke regeling rondom de hack-bevoegdheid nog eens nader te bezien en zo mogelijk beter te waarborgen in de wet?
Naast de reacties die in het kader van de internetconsultatie zijn ontvangen, is ook desgevraagd advies uitgebracht door de TIB en de CTIVD. De TIB is in haar reactie onder meer ingegaan op de hack-bevoegdheid. Naar aanleiding van de ontvangen reacties is bezien of en, zo ja, op welke wijze deze tot aanpassing van het wetsvoorstel zouden moeten leiden.
In de memorie van toelichting is daarop nader ingegaan. De ministerraad is op 30 november akkoord gegaan met het voorstel van wet tot wijziging van de Wiv 2017. Het wetsvoorstel wordt thans voor advies voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Bij de indiening van het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer, naar verwachting in het eerste kwartaal van 2019, wordt ook de wijze waarop met de ontvangen reacties is
omgegaan openbaar.
Hoe beoordeelt u de opvatting van de leden van de TIB dat het huidig aantal leden van de TIB kwetsbaar is? Bent u van plan om dit aantal in aanloop naar de wetswijziging nader te bezien en bijvoorbeeld een reserve lid toe te voegen?
Wij vinden het van groot belang dat de TIB haar werk goed kan blijven uitvoeren en onderschrijven de door de TIB naar voren gebrachte zorg. Omdat dit het functioneren van de TIB direct raakt, is de TIB geïnformeerd over ons voornemen om in de wet te voorzien in de mogelijkheid tot het benoemen van plv. leden die bij belet of ontstentenis van een van de leden van de TIB kan worden ingeschakeld.
De situatie van Asia Bibi nu zij is vrijgesproken van godslastering door het Pakistaanse Hof |
|
Kees van der Staaij (SGP), Sven Koopmans (VVD), Martijn van Helvert (CDA), Joël Voordewind (CU) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van Asia Bibi nu zij nog niet is vrijgesproken van godslastering door het Pakistaanse Hof?
Ja. Asia Bibi is echter wel vrijgesproken van blasfemie door het Pakistaanse Hooggerechtshof. Maar er is, conform Pakistaans recht, een petitie ingediend bij het Hooggerechtshof om deze uitspraak te herzien. Deze petitie wordt conform de in Pakistan geldende procedures behandeld.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om alsnog Asia Bibi vrij te krijgen in samenwerking met andere EU-lidstaten?
Nederland heeft zich de laatste jaren bilateraal, in EU-verband en met andere gelijkgezinde landen intensief ingespannen voor deze zaak en dat zal het kabinet blijven doen. Het is belangrijk dat de uitspraak van het Hooggerechtshof wordt uitgevoerd. Het is daarom positief dat Premier Khan van Pakistan de uitspraak van het Hooggerechtshof steunt en heeft verwelkomd. Gezien de gevoelige context rondom blasfemie en buitenlandse inmenging en de veiligheidsrisico’s voor alle betrokkenen, kiezen alle gelijkgezinde landen in deze zaak op dit moment voor stille diplomatie, zeker waar dit de opvang en bescherming van Asia Bibi betreft. Aan de advocaat van Asia Bibi, alsmede zijn echtgenote en kind, heeft het kabinet een plek in het Shelter City-programma aangeboden. Het Shelter City-programma is bedoeld voor tijdelijke opvang aan mensenrechtenverdedigers om in een veilige omgeving op adem te komen.
Indien Asia Bibi alsnog vrij komt, bent u dan bereid al het nodige te doen samen met andere EU-lidstaten om eraan bij te dragen dat Asia Bibi, haar familie, de advocaat en eventueel de rechters veilig Pakistan kunnen verlaten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u zo nodig bereid hen in Nederland een (tijdelijk) veilig onderkomen te bieden mogelijk via het Shelter City-programma?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om samen met andere EU-lidstaten er alles aan te doen om bij de Pakistaanse overheid er op aan te dringen bescherming te bieden aan christenen, christelijke scholen en kerken?
Tijdens bilaterale en EU-contacten met de Pakistaanse regering wordt consequent aandacht besteed aan de positie van christelijke minderheden, en andere religieuze minderheden alsmede degenen zonder religie en/of levensovertuiging.
Het kabinet zal deze inzet onverminderd voortzetten en op de Raad Buitenlandse Zaken van 19 november 2018 ook aandacht vragen voor deze kwestie.
Het feit dat de het dreigende faillissement van de Ijsselmeerziekenhuizen en het Slotervaartziekenhuis mogelijk al eerder bekend was |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er twee bijeenkomsten zijn geweest, voor en na de zomer, georganiseerd door Achmea, over de situatie rond de Ijsselmeerziekenhuizen en het Slotervaartziekenhuis, waar verzekeraars en ambtenaren van het Ministerie van Volkgezondheid, Welzijn en Sport bij aanwezig waren?
Navraag bij Zilveren Kruis wijst uit dat het bestuur van de MC IJsselmeerziekenhuizen en het MC Slotervaart twee bijeenkomsten heeft georganiseerd. Daar zijn geen ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) bij geweest.
De eerste bijeenkomst vond plaats op 17 juli en hierbij waren het bestuur van beide ziekenhuizen, zorgverzekeraars, aandeelhouders, de ING en PwC aanwezig. Tijdens deze bijeenkomst hebben zij gesproken over de actuele situatie rondom beide ziekenhuizen. Ook is toen de vraag gekomen om de openstaande vorderingen (bijvoorbeeld vanwege bevoorschotting en reeds gedane betalingen voor zorg die nog niet geleverd was) nog niet op te eisen, zodat er een herstelplan gemaakt kon worden. De tweede bijeenkomst vond plaats op 17 oktober. Bij deze bijeenkomst waren het bestuur van beide ziekenhuizen, zorgverzekeraars, PwC en aandeelhouders aanwezig. Tijdens deze bijeenkomst zijn zorgverzekeraars bijgepraat over de stand van zaken en kwam het verzoek tot aanvullende maatregelen (bovenop de reeds bestaande afspraken).
Wanneer vonden deze bijeenkomsten plaats en wie waren er bij aanwezig? Wat is er besproken tijdens deze bijeenkomsten?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer bent u op de hoogte gesteld over wat er tijdens ieder van deze bijeenkomsten is besproken?
Het was mij niet bekend dat deze bijeenkomsten hebben plaats gevonden. Graag verwijs ik u naar mijn brief van 30 oktober jl. voor een overzicht van de feiten over onder andere de momenten waarop VWS en de betrokken toezichthouders zijn geïnformeerd (Kamerstuk 31 016, nr. 113).
Is tijdens een of beide bijeenkomsten in enige mate besproken dat de situatie van (een deel van) de ziekenhuizen hopeloos leek en een faillissement niet uit te sluiten viel?
Navraag wijst uit dat aan het eind van de bijeenkomst van 17 oktober het ziekenhuis MC Slotervaart heeft aangegeven dat het uitblijven van de benodigde investering door zorgverzekeraars mogelijk consequenties zou hebben voor de continuïteit van het ziekenhuis.
Is er verslaglegging van deze bijeenkomsten? Zo ja, kunt u deze naar de Kamer sturen?
VWS was niet bij deze bijeenkomsten aanwezig (zie mijn antwoord op vraag 1 en 2) en ik beschik dus ook niet over de verslaglegging van deze bijeenkomsten.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór dinsdag 6 november 12 uur?
Ja.
Het bericht dat volgens experts een halvering van het aantal tabaksdoden mogelijk is |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Experts: Halvering tabaksdoden in Nederland mogelijk»?1
Ja
Deelt u de mening dat de e-sigaret (veel) minder schadelijk is dan een gewone sigaret? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek van het RIVM uit 2015 heeft aangetoond dat de e-sigaret voor een individuele gebruiker minder ongezond is dan tabakssigaretten2. Maar dan moet de roker wel volledig overstappen op de e-sigaret. In de praktijk blijkt dat driekwart van de e-sigaretgebruikers daarnaast tabaksproducten blijft roken. Er is bovendien ook nog geen wetenschappelijke overeenstemming over hoeveel minder schadelijk de e-sigaret is voor een individu dat volledig overstapt op e-sigaretten. Uit het RIVM-onderzoek is immers gebleken dat de damp van e-sigaretten een aantal ingrediënten en chemische onzuiverheden bevat in hoeveelheden die schadelijk zijn voor de gezondheid. Bij het gebruik van e-sigaretten kunnen kankerverwekkende stoffen vrijkomen, zoals formaldehyde. Op korte termijn kan gebruik van de e-sigaret leiden tot irritatie van de luchtwegen en negatieve effecten op bloedvaten. Schadelijke effecten op de lange termijn zijn nog niet bekend: het product is nog niet lang genoeg op de markt om te weten wat de effecten na tientallen jaren van gebruik zijn.
Naast de vraag welk effect de e-sigaret heeft op de gezondheid van een individu, is het van belang te weten wat het effect op de volksgezondheid is. Of de e-sigaret op populatieniveau leidt tot een netto-daling van het aantal rokers is onbekend. Er is zorg dat niet-rokende jongeren door de e-sigaret verslaafd raken aan nicotine en overstappen op het gebruik van tabakssigaretten. Daarnaast kan met het gebruik van nicotine houdende vloeistof in een e-sigaret een nicotineverslaving in stand worden gehouden.
Wat is uw reactie op het feit dat de e-sigaret een bewezen kans biedt voor een gezonder leven?
Als een roker gezonder wil leven is het advies volledig te stoppen met roken en daarvoor een bewezen effectieve methode te gebruiken. Deze methoden zijn voldoende voorhanden, al is er nog winst te behalen bij het gebruik daarvan. Het is belangrijk dat zorgprofessionals hun patiënten een stoppen-met-roken-advies geven en doorgeleiden naar effectieve ondersteuningsmethoden. In het kader van het Nationaal Preventieakkoord worden initiatieven besproken om meer rokers toe te leiden naar effectieve stoppen-met-roken-zorg.
De recent Herziene Multidisciplinaire Richtlijn Tabaksverslaving en Stoppen-met-rokenondersteuning voor de zorgsector3 stelt dat de effectiefste manier om te stoppen met roken het gebruik van stoppen-met-roken coaching in combinatie met het gebruik van nicotine vervangende middelen is. Het gebruik van de e-sigaret is volgens de richtlijn geen eerste keus, maar behoeft niet te worden afgeraden. Een roker die met de bewezen effectieve methoden meerdere onsuccesvolle stoppogingen heeft ondernomen en op eigen initiatief voorstelt een nieuwe poging om te stoppen met roken te ondernemen ondersteund met een e-sigaret, kan daarin volgens de richtlijn ook door een rookstopcoach worden begeleid. Het betreft hier met nadruk alleen rokers die bereid zijn om zich door een gespecialiseerde zorgprofessional goed te laten informeren over deze optie.
Deelt u de mening dat rokers de toegang tot een gezonder alternatief niet onthouden mag worden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat hoewel stoppen met roken natuurlijk het beste is, maar dat vanwege verslaving en het afkicken beschikbare alternatieven toegankelijk moeten zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Antwoorden op eerdere vragen inzake het bericht ‘Tbs'er verdacht van verkrachting medewerkster’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid elk jaar de DJI-incidentenmonitor te sturen naar de Kamer?1 Zo nee, waarom niet?
DJI registreert geweld tegen personeel waarbij medische verzorging nodig is in de DJI-incidentenmonitor, op basis van de MBV’s (meldingen bijzonder voorval) die door de klinieken worden ingestuurd. De DJI-incidentenmonitor is een interne bron, die wordt gebruikt om deze incidenten binnen DJI te evalueren en hiervan te leren. Deze worden niet opgesteld met het doel om aan derden te verstrekken. Voor zover het ernstige incidenten betreft zoals ernstige mishandeling en verkrachting wordt er – conform de meldingsinstructie – door de instelling een piketmelding opgesteld.2 Deze worden in de maand nadat het incident heeft plaatsgevonden geanonimiseerd op de website van DJI gepubliceerd en dus geregistreerd.3 Indien een nieuw delict begaan door een tbs-gestelde leidt tot een vervolging en een veroordeling, is er doorgaans enige tijd sinds het incident gepasseerd. Het kwalificeren van een delict, evenals het instellen van een opsporingsonderzoek en de vervolging van zo’n delict, is echter geen zaak van de tbs-kliniek maar van de politie en het openbaar ministerie.
Deelt u de mening dat delicten zoals bedreiging, mishandeling en verkrachting gepleegd door tbs’er tegen personeel van tbs-klinieken in het Wetboek van Strafrecht staan en dat u deze delicten daarom achteraf kunt registreren en opnemen in de DJI-incidenten monitor? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u alsnog bereid de delicten gepleegd door tbs’ers tegen personeel te registreren in de DJI-incidentenmonitor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Controleert u of een tbs-kliniek aangifte doet tegen een tbs’er in geval van een incident met een tbs’er? Zo nee, waarom niet? Hoe weet u in dat geval of alle delicten opgenomen worden in de DJI-incidentenmonitor?
Als een tbs-gestelde tijdens de tenuitvoerlegging van de tbs met dwangverpleging een strafbaar feit pleegt waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, is het hoofd van de inrichting verplicht daarvan aangifte te doen. Ook kunnen anderen dan het hoofd van de inrichting aangifte doen, bijvoorbeeld een medewerker. Dit is vastgelegd in de artikelen 53 lid 2 en 57 lid 4 Rvt (Reglement verpleging ter beschikking gestelden). Ook moet, conform de artikelen 23 en 24 Rvt, een MBV worden gestuurd aan DJI. In deze melding moet de kliniek aangeven of aangifte is of wordt gedaan. Bij incidenten waarvoor een piketmelding is opgesteld volgt standaard contact tussen DJI en de kliniek waarin het doen van aangifte wordt besproken.
Kunt u toezeggen dat iedere tbs’er die een strafbaar feit pleegt altijd voor dat feit wordt vervolgd?
Laat ik vooropstellen dat iedere vorm van geweld tegen functionarissen met een publieke taak, waaronder medewerkers van tbs-klinieken, onacceptabel is. Om een eenduidige, effectieve en «hardere» aanpak te realiseren hebben politie en OM in 2010 opsporings- en vervolgingsafspraken gemaakt voor daders van agressie- en geweldsdelicten tegen werknemers met een publieke taak, waaronder medewerkers van tbs-instellingen.4 Het OM beoordeelt in alle gevallen de aangifte en bekijkt of een veroordeling haalbaar is en vervolging opportuun is.
Het artikel ‘Geweerde zorgbureaus slepen in andere Twentse gemeenten nieuw contract in de wacht’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van RTV Oost «Geweerde zorgbureaus slepen in andere Twentse gemeenten nieuw contract in de wacht»?1
Ja.
Kent u de in bedoeld bericht genoemde bureaus, mede naar aanleiding van het feit dat ze eerder negatief in het nieuws kwamen?
Ja.
Voert de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op dit moment een of meerdere onderzoeken uit naar genoemde bureaus? Zo ja, wanneer zijn de uitkomsten daarvan te verwachten? Zo nee, bent u dan bereid de IGJ alsnog te verzoeken in dezen onderzoek(en) te verrichten?
De IGJ heeft op dit moment geen onderzoeken lopen naar de kwaliteit van de zorg bij de genoemde instellingen. Op dit moment loopt nog onderzoek van de sociale recherche. Indien daaruit, of vanuit Wmo-toezicht, signalen komen waaruit blijkt dat de kwaliteit van de zorg in het geding is, zal de gemeente of de IGJ passende actie ondernemen.
Op welke wijze is geborgd dat bijvoorbeeld informatie-uitwisseling tussen de IGJ en de in het artikel genoemde sociale recherche plaatsvindt?
De afspraken met betrekking tot de uitwisseling van informatie tussen de Wmo-toezichthouder en de IGJ zijn vastgelegd in het afsprakenkader dat gezamenlijk is opgesteld door de VNG en IGJ. In de praktijk nemen inspecteurs van de IGJ en sociaal rechercheurs contact met elkaar op bij signalen van gebrek aan kwaliteit in de hulp danwel signalen met betrekking tot onrechtmatigheid of fraude.
Bent u ook van mening dat gemeenten geen risico’s zouden moeten lopen met geld dat bestemd is voor de zorg aan kwetsbare mensen? Zo ja, vindt u dat gemeenten die nu blijkbaar toch met genoemde bureaus in zee gaan zo een onverantwoord risico nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat gemeenten risico’s bij de contractering van aanbieders zoveel mogelijk moeten uitsluiten. Gemeenten zijn op basis van de Wmo 2015 gehouden om bij de contractering van een aanbieder te beoordelen of deze voldoet aan de (door de Raad) gestelde kwaliteitseisen. Dit vraagt van gemeenten goed opdrachtgeverschap in de vorm van contractbeheer inclusief een beoordeling van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitgaven. Dit is de verantwoordelijkheid van de gemeenten.
Gemeenten ontwikkelen steeds meer tools voor de selectie van zorgaanbieders. De gemeenten die met genoemde aanbieders contracten sluiten zijn onderdeel van de 14 Twentse gemeenten2. Deze gemeenten hebben, in samenwerking met onder meer het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum Oost Nederland (RIEC- ON), Zorgkantoor Menzis, de Belastingdienst en de VNG, een toolbox ontwikkeld gericht op preventie, controle en handhaving met als doelstelling rechtmatige zorg voor (kwetsbare) inwoners te bevorderen. Het gaat de gemeenten daarbij om het bereiken van een juiste besteding van de zorggelden en het beschermen van een kwetsbare doelgroep. Deze en andere ontwikkelingen bij gemeenten ondersteun ik onder meer door de VNG subsidie te verlenen voor de aanpak van zorgfraude. Ik spreek ook gemeenten aan op deze verantwoordelijkheid in het kader van de ontwikkeling van het whitepaper «dichtbij en daadkrachtig» dat als doel heeft een discussie te faciliteren over het thema toezicht en handhaving in het sociaal domein.
Met het wetsvoorstel bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg wordt een juridische basis gelegd voor het Waarschuwingsregister Zorgfraude. Daarmee kunnen gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren gegevens delen over bij hen bekende fraudeurs waarvoor aangifte is gedaan met elkaar uitwisselen om te gebruiken bij de screening van zorgaanbieders. ZN en de VNG hebben voor de ontwikkeling van dit register een subsidie ontvangen van VWS.
Op basis van de hierboven beschreven acties heb ik er vertrouwen in dat gemeenten de verantwoordelijkheid nemen om onverantwoorde risico’s te voorkomen bij selectie van aanbieders.
Gaat u, als stelselverantwoordelijke, actie nemen richting de gemeenten in kwestie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 5 zijn de gemeenten op basis van de Wmo 2015 gehouden om vast te stellen of Wmo-dienstverlening die wordt uitgevoerd door een gecontracteerde aanbieder voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het college van burgemeester en Wethouders te controleren en te bevragen op de uitvoering van de Wmo 2015 en daarbij gezamenlijk vastgestelde maatschappelijke doelstellingen. Gezien de acties die de betreffende gemeenten in dit geval ondernemen en de rol die de verschillende gemeenteraden innemen, zie ik in dit geval geen aanleiding om deze gemeenten aan te spreken.
Omkoping van artsen door een bedrijf voor medische hulpmiddelen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) een medisch bedrijf verdenkt van het omkopen van artsen?1
Ja.
Kunt u aangeven om welk bedrijf het gaat, aangezien er een bedrijfspand is doorzocht en daartoe sterke aanwijzingen voor strafrechtelijke feiten zullen hebben bestaan?
De opsporingsdienst FIOD van de belastingdienst heeft in een persbericht van
1 november 2018 bekend gemaakt dat er onder leiding van het Functioneel Parket een strafrechtelijk onderzoek is gestart omdat het vermoeden bestaat dat een Nederlandse onderneming, die hulpmiddelen in de medische sector levert, artsen heeft omgekocht. In ruil hiervoor kon het bedrijf vermoedelijk hulpmiddelen leveren aan de ziekenhuizen waar de artsen aan verbonden zijn. De onderneming wordt verdacht van niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift. In verband met het lopende strafrechtelijk onderzoek kan ik u geen nadere informatie geven over deze zaak en dus ook niet over de omvang en eventuele betrokkenheid van personen en zorginstellingen.
Wat is de omvang van de omkoping? Hoeveel artsen en ziekenhuizen zijn hierbij betrokken?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Financial Intelligence Unit (FIU) ook gekeken naar andere transacties die thuishoren in het Transparantieregister Zorg? Zo ja met welke resultaten?
Het Transparantieregister Zorg kent verschillende categorieën financiële relaties, die in contracten zijn vastgelegd en die in het register vermeld kunnen worden, zoals dienstverleningsovereenkomsten. Indien de financiële relatie niet valt onder één van deze categorieën dan hoeft hiervan geen opgave gedaan te worden in het Transparantieregister Zorg.
De FIU-Nederland bekijkt meldingen van ongebruikelijke transacties, ongeacht of deze vermeld moeten worden in het Transparantieregister Zorg. Gezien de status van het onderzoek naar deze transacties, die staatsgeheim zijn, kan ik geen uitspraken doen over andere transacties die door de FIU-Nederland zijn bekeken.
Deelt u de mening dat financiële transacties en gunstbetoon tussen farmaceutische fabrikanten en fabrikanten van medische hulpmiddelen transparant behoren te zijn? Zo ja, op welke wijze heeft u dat nu gegarandeerd?
Zoals ik eerder heb aangegeven in antwoorden op Kamervragen van het lid Ploumen over het bericht dat het betalen van artsen/ onderzoekers door de farmaceutische industrie kennelijk een lucratief marketinginstrument is, worden niet alle financiële relaties van zorgverleners met farmaceutische bedrijven in het Transparantieregister Zorg opgenomen. Hetzelfde geldt voor leveranciers van medische hulpmiddelen. Ook zij doen opgave in het Transparantieregister Zorg. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik dan ook naar het antwoord op vraag 4 van die Kamervragen2.
Deelt u de mening dat zelfregulering via het Transparantieregister onvoldoende garantie biedt dat alle transacties worden gemeld? Zo nee waarom niet?
Nee, ik deel die mening niet.
Voor het antwoord op deze vraag zijn onder meer de resultaten van de evaluatie van het Transparantieregister Zorg van belang. In mijn brief van
19 september 2018 aan de Tweede Kamer3 ben ik nader ingegaan op de evaluatie die thans wordt voorbereid.
Het bericht ‘DELA gebruikt vingerafdruk overledenen voor commerciële doeleinden’ |
|
Monica den Boer (D66), Chris van Dam (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van Radar van 27 oktober 2018 «DELA gebruikt vingerafdruk overleden voor commerciële doeleinden»?1
Ja.
Acht u het wenselijk dat afname van vingerafdrukken voor commerciële doelen een standaardpraktijk zou zijn? Wat is uw oordeel over het overlaten van de keuzevrijheid voor afname van vingerafdrukken aan mensen zelf?
De afname en het gebruik van vingerafdrukken met toestemming van de overledene zelf voor zijn of haar overlijden of van de nabestaanden na overlijden voor bijvoorbeeld het maken van een item ter herinnering aan de overledene, is een persoonlijke keuze. Dat een uitvaartorganisatie, zoals DELA, producten verkoopt met daarop de vingerafdruk van een overledene waarvoor toestemming is gegeven, behoort tot de bedrijfsvoering van de betreffende organisatie. Dit is anders als de afname en het gebruik ervan gebeurt zonder toestemming van de overledene zelf of van de nabestaanden. Het al dan niet gebruiken van een vingerafdruk is een keuze die door nabestaanden moet kunnen worden gemaakt. In de gevallen waarbij zonder toestemming vingerafdrukken zijn afgenomen en zijn gebruikt door DELA, acht ik dat onwenselijk en onacceptabel.
Zijn u meer gevallen bekend van uitvaartondernemers die lichaamseigen materiaal afnemen van een overledene, zoals vingerafdrukken of zelfs DNA?
Het afnemen van lichaamseigen materiaal door uitvaartondernemers voor het gebruik daarvan voor het maken van bijvoorbeeld sieraden en waarvoor toestemming is verleend, behoort tot de bedrijfsvoering van uitvaartondernemers.
Over de afname en het gebruik ervan van lichaamseigen materiaal zonder toestemming zijn mij, anders dan de berichtgeving over DELA, geen gevallen bekend.
Kunt u toelichten wie de regie voert over het lichaam van een persoon na overlijden? Wordt in het keurmerk Uitvaartzorg of in het keurmerk Persoonlijke Uitvaartzorg aandacht besteed aan de integriteit van het lichaam van de overledene?
De regie over het lichaam van een overleden persoon wordt doorgaans gevoerd door de nabestaanden. In de meeste gevallen wordt een uitvaartorganisatie ingeschakeld die de praktische zaken uit handen neemt en de uitvaart verzorgt, in opdracht van de nabestaanden. Zowel de nabestaanden als de uitvaartorganisatie moeten zich houden aan de regels uit de Wet op de lijkbezorging (Wlb). Daarin is onder andere bepaald dat de uitvaart dient te geschieden overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene. Een uitvaartorganisatie kan zich aansluiten bij een organisatie die keurmerken verstrekt. De private organisaties Stichting Keurmerk Uitvaartzorg en Stichting Keurmerk Persoonlijke Uitvaart zijn voorbeelden hiervan. De stichtingen stellen criteria vast om te beoordelen of een uitvaartorganisatie een keurmerk kan verkrijgen. Het spreekt voor zich dat uitvaartondernemingen in de omgang met het lichaam van overledenen de grootst mogelijke zorgvuldigheid betrachten.
In welke gevallen is het toegestaan om, zonder voorafgaande instemming van nabestaanden, lichaamseigen materiaal van een overledene af te nemen en/of te bewaren?
In zijn algemeenheid verzet het recht op lichamelijke integriteit, zoals vastgelegd in artikel 11 van de Grondwet, zich tegen het zonder instemming afnemen van lichaamseigen materiaal. In uitzonderlijke omstandigheden kan hiervan op grond van een expliciete wettelijke grondslag worden afgeweken. Zo kent de Wlb een regeling voor de afname van lichaamsmateriaal in het geval de identiteit van het lichaam niet kan worden vastgesteld. In dat geval draagt de burgemeester er zorg voor dat, onder verantwoordelijkheid van een arts, lichaamsmateriaal wordt afgenomen uitsluitend ten behoeve van de identificatie en de opsporing van vermiste personen. Daar is bij de afname van vingerafdrukken van een overledene waarvan de identiteit bekend is geen sprake van.
Welke bescherming kent een overledene op het gebied van bijvoorbeeld privacy of integriteit van eigen lichaam? Klopt het dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) de privacy van overledenen niet beschermt? Bestaan hier protocollen voor?
Het recht op bescherming van de integriteit van het lichaam blijft gelden na de dood. Van het recht op gegevensbescherming kan worden gezegd dat dit voor overledenen niet op dezelfde wijze geldt als voor levende personen. In de AVG is bepaald dat deze niet van toepassing is op de persoonsgegevens van overleden personen. Dit neemt niet weg dat zorgvuldig moet worden omgegaan met deze gegevens. Het verwerken van biometrische gegevens of het afnemen van lichaamseigen materiaal vormt in beginsel een inbreuk op het recht op lichamelijke integriteit. Beperking van dit recht is slechts mogelijk op grond van een expliciete wettelijke grondslag. Zoals gezegd bevat de Wlb enkele specifieke bepalingen voor de afname van lichaamsmateriaal ten behoeve van de vaststelling van de identiteit van een overledene.
De Wlb regelt verder de afgifte en verwerking van de verklaring van overlijden en de registratie van de doodsoorzaak voor de statistiek. Daarnaast bepaalt de Wet basisregistratie personen dat gegevens van overledenen worden opgeslagen in een centraal archief van overledenen. Dit archief wordt beheerd door het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG). Een deel van de gegevens is onder bepaalde voorwaarden op te vragen bij het CBG.
Kunt u toelichten hoe de verwerking van persoonsgegevens van recent overledenen is geregeld in Nederland, in het bijzonder ten aanzien van biometrische gegevens of lichaamseigen materiaal? Ziet de AVG of enig andere regeling hier op toe?
Zie antwoord vraag 6.
Welke mogelijkheden, juridische of anderszins, hebben nabestaanden indien zij weten of vermoeden dat een uitvaartondernemer gehandeld heeft tegen het naleven van de toestemming van de nabestaanden?
In eerste instantie kunnen nabestaanden bij de betreffende uitvaartondernemer een klacht indienen. De nabestaanden kunnen zich in bepaalde gevallen ook wenden tot de Stichting Klachteninstituut Uitvaartwezen. Indien nabestaanden van mening zijn dat sprake is van strafbare feiten kunnen zij daarvan aangifte doen bij de politie. Op grond van onrechtmatige daad vanwege een inbreuk op de privacy, staat ook de weg naar de civiele rechter open.