De berichten ‘Bewegingsjacht om dierziekte te voorkomen ‘veel gedoe voor weinig opbrengst’’ en ‘Omstreden jacht met bijna 80 man levert op: één dood zwijn’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bewegingsjacht om dierziekte te voorkomen «veel gedoe voor weinig opbrengst»» en het artikel «Omstreden jacht met bijna 80 man levert op: één dood zwijn»?1 2
Ja.
Bent u bekend met het door de Volkskrant aangehaalde openbare jachtverslag van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente, waarin verslag wordt gedaan van een grootschalige bewegingsjacht op wilde zwijnen op 5 januari jongstleden?
Ja.
Valt de in het jachtverslag van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente beschreven bewegingsjacht, waarbij 79 geweerdragers, 61 drijvers en een onbekend aantal jachthonden een gebied van 17 aaneengeschakelde jachtvelden hebben doorkruist, onder uw definitie van beperkte bewegingsjacht zoals u deze heeft beschreven in uw brief van 12 oktober 2018, inhoudende maximaal 6 geweerdragers, 3 jachthonden en 6 drijvers die hoorbaar een jachtgebied doorkruisen en kunt u uw antwoord toelichten?3
Uit informatie van de provincie Overijssel blijkt dat er sprake was van een telling van wilde zwijnen over in totaal 17 jachtvelden in het gebied Zuid-Oost Twente. Dit vond plaats in een groot areaal van enkele duizenden hectares aan weerszijden van de grens met Duitsland. In sommige van die jachtvelden is ook een beperkte bewegingsjacht, uitgevoerd met maximaal 6 jagers en 6 drijvers per jachtveld. Hierbij zijn in totaal vier wilde zwijnen gedood. Deze aanpak past binnen de definitie van de beperkte bewegingsjacht, zoals door mij is neergelegd in de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest van 19 oktober 2018.
Is het wat u betreft onder de geldende ministeriële regeling toegestaan dat jachtvelden op de hierboven beschreven wijze gecombineerd worden, waardoor er in de praktijk in één jachtveld tientallen jagers en drijvers rondlopen en kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het in algemene zin wenselijk dat uw besluit om beperkte bewegingsjacht toe te staan in de praktijk nu heeft geleid tot een jachtevenement waar 140 jagers aan hebben deelgenomen, met alle verstoring voor het in het gebied aanwezige wild van dien, met als resultaat één gedood wild zwijn? Zo ja, waarom wel?
Zoals uit het vorige antwoord blijkt, past dit binnen de definitie van beperkte bewegingsjacht. Er was daarnaast sprake van een telling in een groot gebied om een beeld te krijgen van de aanwezigheid en de aantallen wilde zwijnen in het gebied Zuid-Oost Twente. Deze telling werd gecombineerd met een afschotactie aan Duitse kant van de grens. Er was dus geen sprake van een jacht waaraan 140 jagers hebben deelgenomen. Wel is het zo dat er meer jagers bij de telling waren betrokken.
Hoe verhoudt de in het jachtverslag beschreven invulling van «beperkte bewegingsjacht» zich tot de uitspraak in uw brief van 12 oktober jongstleden dat beperkte bewegingsjacht een vorm is die de bezwaren die er zijn tegen het drijven in het algemeen (ecologische schade, verstoring, een niet-selectieve werking en dierenwelzijnsissues) wegneemt? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Het doel van de gehouden bewegingsjacht in Zuid-Oost Twente was primair een inschatting maken van de omvang van de populatie wilde zwijnen die zich in de grensstreek met Duitsland ophoudt. Wilde zwijnen zijn lastig te tellen, omdat zij zich ophouden in dicht struikgewas dat voor mensen en aangelijnde honden niet of nauwelijks toegankelijk is. Door de bewegingsjacht werden de zwijnen beperkt opgejaagd en was het mogelijk ze beter te tellen. Deze telling werd in enkele jachtvelden gecombineerd met het afschot van wilde zwijnen (in totaal vier) om zo de populatie niet verder te laten groeien in het kader van preventie van de Afrikaanse varkenspest.
Hoe verhouden de volgende twee uitspraken uit het Volkskrant-artikel zich tot elkaar en tot bovengenoemde stelling uit uw brief aan de Kamer van 12 oktober jongstleden dat beperkte bewegingsjacht geen ecologische schade aanricht en niet verstorend werkt: «de verstoring meeviel door de grote omvang van de jachtvelden» (uw ministerie volgens de Volkskrant) en deze vorm van jacht «toch een aanslag is op de natuur, en we willen de zwijnen niet teveel verstoren» (de voorzitter van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente)?
Zie antwoord vraag 6.
Zit er wat u betreft een bovengrens aan het aantal jagers dat simultaan kan deelnemen aan één bewegingsjacht en zo ja, wat is die bovengrens?
Er was niet sprake van één bewegingsjacht, maar van meerdere bewegingsjachten in meerdere jachtvelden tegelijkertijd. Deze zijn uitgevoerd conform de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest.
Deelt u de mening dat het instrument bewegingsjacht met de grootste zorgvuldigheid moet worden ingezet en alleen als nut en noodzaak onomstotelijk vaststaat vanwege het zijn van een verregaande vorm van faunabeheer die niet voor niets is uitgesloten op grond van de Wet Natuurbescherming en die maatschappelijk gevoelig ligt?
De bewegingsjacht zoals bedoeld in de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest heeft tot doel de populatie wilde zwijnen te verkleinen, teneinde het risico op een besmetting met het AVP-virus te minimaliseren. Uiteraard dient daarbij de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht te worden genomen, teneinde verstoring aan andere ecologische waarden zo veel mogelijk te voorkomen. Uit informatie verkregen van provincie en faunabeheereenheid concludeer ik dat hieraan in het beschreven geval is voldaan.
Bent u van mening dat dit voorwaarden zijn, zie vraag 9, waar in het hierboven beschreven geval aan is voldaan? Zo ja, waarom wel?
Zie antwoord vraag 9.
Hebben er, naast de twee bewegingsjachten op wilde zwijnen in Brabant en Twente, meer bewegingsjachten plaatsgevonden en/of zijn er in de komende maanden meer voorzien en wat waren hiervan de resultaten?
In Noord-Brabant hebben op twee dagen twee bewegingsjachten plaatsgehad. Daarbij zijn in totaal tien wilde zwijnen afgeschoten. Mij zijn geen andere bewegingsjachten bekend dan de twee genoemde bewegingsjachten in Noord-Brabant en de in voorgaande antwoorden bedoelde bewegingsjachten in Zuid-Oost Twente.
Bent u bereid de Kamer spoedig te informeren over de bewegingsjachten die hebben plaatsgevonden en/of in de komende maanden zijn voorzien?
Ik ben bereid de Kamer te informeren over de bewegingsjachten die hebben plaatsgevonden.
Bent u bereid om op redelijke termijn de effectiviteit en proportionaliteit van de ministeriële regeling te evalueren en de Kamer te informeren over de uitkomsten hiervan?
Ik ben voornemens de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest twee jaar na inwerkingtreding te evalueren op effectiviteit en proportionaliteit. Uw Kamer zal ik van de uitkomst van deze evaluatie op de hoogte stellen.
Het bericht 'Het is politie-eigen' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Lekken is politie-eigen»?1 Zo ja, klopt dit?
Ja, ik ken het bericht. Integriteit staat hoog in vaandel bij de politie. De politie moet integer zijn en onze politie is ook integer. Wel blijft het belangrijk om medewerkers van de politie weerbaarder te maken en te houden. Aangezien de conclusies van het rapport nog niet definitief zijn, kan ik op de inhoud niet verder ingaan. Zodra het rapport beschikbaar is zal ik het zo spoedig mogelijk aan uw Kamer doen toekomen.
Hoe is het mogelijk dat bij onderzoeken naar het ambtsmisdrijf inhoudende het lekken van informatie door agenten veel mis gaat, terwijl gesteld wordt dat opsporing hiervan de hoogste prioriteit heeft?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat ieder lek er één teveel is? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
Ja, de politie moet integer zijn en het lekken van politie informatie past daar niet bij. De politie heeft naar aanleiding van diverse incidenten een onderzoek laten uitvoeren naar de drijfveren van politieambtenaren om vertrouwelijke informatie onrechtmatig te delen.
De politie voert een actief integriteitsbeleid en beschikt over een palet aan instrumenten om de integriteit van de organisatie te bewaken en te stimuleren. Deze instrumenten zijn enerzijds preventief en zien op het weerbaarder maken van de politiemedewerkers – door het leren van ervaringen, via bewustwordingsprocessen en het elkaar aanspreken – en de aandacht voor integriteit bij de werving, selectie en screening van medewerkers. Anderzijds heeft de politie repressieve instrumenten om de integriteit van de organisatie te bewaken. Elke melding over mogelijk plichtsverzuim wordt onderzocht. Als het onderzoek daar aanleiding toe geeft wordt disciplinair gesanctioneerd door de korpschef en kan door de strafrechter een straf worden opgelegd.
Deelt u de mening dat dergelijke gevallen de integriteit van het korps aantasten en een schoffering zijn van de agenten die wel naar eer en geweten hun werk doen?
Ja, maar de politie als organisatie is integer. Integriteit is een van de kernwaarden van de politie. De incidenten en de onderzoeken die hebben plaatsgevonden laten echter zien dat blijvende aandacht voor integriteit nodig is. Het blijft daarom belangrijk om medewerkers van de politie weerbaarder te maken en te houden. Voorts bereid ik een wetsvoorstel voor om de screeningsbevoegdheden van politie verder uit te breiden. Ik verwacht dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk aan uw Kamer aan te bieden.
Hoe is het mogelijk dat de diverse afdelingen Veiligheid Integratie en Klachten (VIK) op een dergelijke van elkaar afwijkende en zelfs slordige manier werken, waardoor er soms zelfs sprake blijkt te zijn van «schaduwdossiers» en «lege dossiers»?
Op het moment van beantwoording van deze vraag is het rapport nog niet definitief. Ik kan daarom nog niet ingaan op eventuele conclusies uit het rapport. Zodra het rapport beschikbaar is zal ik het zo spoedig mogelijk aan uw Kamer doen toekomen.
Ten aanzien van de werkwijzen van de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten verwijs ik u graag de brief interne onderzoeken politie die ik op 15 januari 2019 aan uw Kamer heb gezonden.2
Deelt u de mening dat deze afdelingen zo spoedig mogelijk op orde gebracht dienen te worden in die zin dat op eensluidende wijze ordentelijke dossiers worden opgebouwd in situaties waarin sprake is van melding van een (vermoeden van een) lek?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Einde subsidieregeling jongeren voor gemeenten’ |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Einde subsidieregeling jongeren voor gemeenten»?1
Ja.
Bent u tevreden over het effect van deze subsidieregeling? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De Stichting Arbeidsmarkt en Opleidingsfonds Gemeenten (A&O fonds Gemeenten) heeft een zelfstandige positie als het aankomt op gemeentelijke subsidieregelingen. Welke subsidieregelingen worden ingevoerd, voortgezet of beëindigd is een beslissing van het bestuur van het A&O fonds Gemeenten. Ik ga daar niet over. Navraag bij het A&O fonds Gemeenten geeft het volgende beeld.
De situatie van jongeren op de gemeentelijke arbeidsmarkt is sinds de aanvang van de jongerenregeling ingrijpend veranderd. Ten tijde van de invoering was er sprake van enerzijds een vergrijzend personeelsbestand binnen gemeenten en anderzijds een problematische jeugdwerkeloosheid. In dat licht was het logisch een jongerenregeling te starten met als doel formatieve ruimte bij gemeenten te creëren (nog eens versterkt door de effecten van de eerste zogeheten Generatiepacten), waarop jongeren konden worden aangenomen. Inmiddels is de situatie dusdanig veranderd dat het middel (subsidieregeling) het doel niet meer volledig dekt. Inmiddels geldt dat:
Tegelijkertijd hebben gemeenten nu moeite jongeren te werven en te binden:
De jongerenregeling is breed bekend in de sector en er is door veel gemeenten gebruik van gemaakt. Het aantal aanvragen overtrof jaar na jaar de verwachtingen, en daardoor het gereserveerde budget. In 2018 is het beleid rond de jongerenregeling aangepast. Met de aangescherpte jongerenregeling worden gemeenten gestimuleerd jongeren voor langere tijd (minimaal 2 jaar, in plaats van voorheen 1 jaar) in dienst te nemen. Deze aanscherping bleek minder effectief. Slechts een enkele keer heeft een gemeente aangegeven hun beleid rond de proefaanstelling (doorgaans 1 jaar) uit te breiden naar 2 jaar om daarmee in aanmerking te komen voor de subsidie.
Wat is volgens u het te verwachten gevolg van het stoppen van deze subsidieregeling met betrekking tot de aanname en doorstroming van jonge ambtenaren?
Het A&O fonds Gemeenten verwacht geen of nauwelijks effect. Juist het grote aantal aanvragen maakt duidelijk dat het een heel laagdrempelige regeling betrof. De overtuiging is dat de aanstellingen van jongeren die gesubsidieerd zijn, ook zonder subsidie tot stand zouden zijn gekomen. Het belang van de financiële steun was vooral gelegen in de stimulans om (meer) aandacht te genereren voor het aantrekken van jongeren. Nu blijkt dat gemeenten zich daarvan terdege bewust zijn en er meer formatieve ruimte is ontstaan, is er niet voldoende reden om de regeling te continueren.
Hoeveel geld is er sinds de instelling van de subsidie aan gemeenten uitgekeerd en hoeveel jonge medewerkers zijn hierdoor aangenomen?
één- of tweejaars contracten van jongeren
100
197
244
211
leerbanen MBO/leertrajecten HBO
9
14
1
Traineeships (1 of 2 jaar)
75
101
30
Werkervaringsplekken
7
24
6
Totaal Bedrag
€ 831.000
€ 1.208.000
€ 1.252.500
€ 1.470.000
Hoeveel jongeren die mede door middel van deze subsidieregeling zijn aangenomen hebben een vaste aanstelling bij een gemeente gekregen?
Het in vaste dienst aannemen was geen voorwaarde voor de jongerenregeling. Daardoor zijn cijfers hierover niet bekend bij het A&O fonds Gemeenten.
Kunt u een actueel beeld geven van de leeftijdsopbouw van gemeente-ambtenaren? Kunt u daarbij per leeftijdscategorie ook aangeven hoeveel procent een vaste aanstelling en hoeveel procent een tijdelijke aanstelling heeft en hoeveel procent extern wordt ingehuurd?
Op dit moment zijn alleen betrouwbare cijfers over 2017 beschikbaar; de cijfers over 2018 worden momenteel uitgevraagd onder gemeenten en zijn nog niet verwerkt. De Personeelsmonitor Gemeenten 2017 geeft de volgende cijfers:
Een specificatie van vaste en tijdelijke inhuur per leeftijdscategorie is niet beschikbaar. Onderstaande tabel geeft inzicht in de algemene verhouding tussen vaste en tijdelijke dienstverbanden.
Voor wat externe inhuur betreft is het belangrijk dat begrip af te bakenen. De definitie van externe inhuur zoals hier gehanteerd, is gebaseerd op de definitie die binnen de rijksoverheid geldt. Deze luidt als volgt: het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een bij de gemeente in dienst zijnde opdrachtgever, door een private organisatie met winstoogmerk, door middel van het tegen betaling inzetten van personele capaciteit en deskundigheid, zonder dat daar een arbeidsovereenkomst of aanstelling tussen de gemeente en de daarbij ingezette personen aan ten grondslag ligt.
Over externe inhuur zijn uit dezelfde personeelsmonitor de volgende gegevens bekend:
Bent u bereid om met gemeenten, de Stichting Arbeidsmarkt en Opleidingsfonds (A&O-fonds) en andere betrokken partijen in overleg te treden om te bezien hoe permanent, effectief p&o-beleid gevoerd kan worden om voldoende jongeren in dienst te nemen bij gemeenten? Zo ja, wilt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
Overkoepelend p&o-beleid van de sector Gemeenten is een bevoegdheid van de sector zelf. Het College voor Arbeidszaken voert namens de VNG op autonome basis het arbeidsvoorwaardenoverleg met de vakbonden. In het arbeidsvoorwaardenoverleg kunnen afspraken worden gemaakt tussen werkgevers en werknemers over arbeidsvoorwaarden en p&o beleid. In het arbeidsvoorwaardenakkoord sector Gemeenten 2017–2019 zijn bijvoorbeeld afspraken gemaakt over het aantal aan te nemen jongeren.
Het door u gevraagde overleg vind ik daarom niet nodig en niet passend.
Op welke manier worden andere decentrale overheden zoals provincies en gemeenten gestimuleerd om jongeren in dienst te nemen?
Gezien de autonome verantwoordelijkheid van decentrale overheden op dit terrein zie ik geen rol voor het kabinet om hen in hun wervingsbeleid te stimuleren. Decentrale overheden voelen zelf voldoende het belang van het aannemen van jongeren. Uit onderstaande arbeidsvoorwaardenafspraken die provincies en gemeenten hebben gemaakt, blijkt dat ook.
In het meest recente arbeidsvoorwaardenakkoord sector Gemeenten 2017–2019 is afgesproken dat er in deze looptijd minimaal 2.000 jongeren worden aangenomen om de gemeentelijke organisatie te verjongen en te vernieuwen. Verder blijkt uit de Personeelsmonitor van het A&O-fonds Gemeenten dat 72% van de gemeenten actief beleid voert om jongeren binnen de gemeentelijke organisatie te behouden. Het A&O-fonds Gemeenten geeft informatie en voorlichting over beleid waarop gemeenten jongeren in dienst kunnen nemen.
In de sector Provincies ligt de focus op aantrekkelijk werkgeverschap voor medewerkers van alle leeftijden. Concreet betekent dit afspraken over levensfasenbeleid, regie op de eigen loopbaan en een persoonlijk ontwikkelbudget van 5.000 euro per 5 jaar. Maatregelen specifiek gericht op jongeren zijn:
Een aantal provincies kent een generatiepact regeling en een aantal provincies kent een regeling die opties biedt voor medewerkers in alle levensfasen. In beide gevallen vindt herbezetting van vrijkomende formatieruimte veelal plaats door het aannemen van jongere medewerkers.
Het bericht ‘Witte hesjes, zorg dat de gezondheidszorg weer zorg wordt’ |
|
Simon Geleijnse (50PLUS) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Witte hesjes, zorg dat de gezondheidszorg weer zorg wordt»?1
Ja.
Wat vindt u van het idee om het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) kostenstandaarden te laten ontwikkelen en deze te controleren? Kunt u antwoord toelichten?
Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor een financieel gezonde bedrijfsvoering. Ik vind niet dat hier door VWS opgestelde kostenstandaarden aan ten grondslag zouden moeten liggen. Onderdeel van een goede bedrijfsvoering is dat zorgaanbieders inzicht hebben in hun kosten en deze ook toerekenen, passend bij de eigen lokale situatie. Een goede bedrijfsvoering betekent daarnaast dat er goede afspraken gemaakt moeten worden met de betrokken zorgverzekeraars over een passende vergoeding voor de geleverde zorg.
Wat vindt u van de stelling dat in elke ziekenhuisbestuur of in de raden van toezicht een arts benoemd moet worden en vertegenwoordigers van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Kunt u antwoord toelichten?
Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede en veilige zorg en voor het organiseren van de daarvoor benodigde bestuurlijke en bedrijfsmatige randvoorwaarden. Vanuit dat gegeven ga ik niet mee met deze stelling. Het staat zorgorganisaties vrij om artsen of andere medische professionals te benoemen in hun raad van bestuur of raad van toezicht. Dit komt in de praktijk ook regelmatig voor. Zowel bij ziekenhuizen als in andere sectoren van de zorg.
Wanneer vertegenwoordigers van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en/of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zelf deel uit zouden maken van het bestuur of de raad van toezicht van een zorgaanbieder, dan zouden de NZa en/of IGJ mede verantwoordelijk worden voor zorg waarvoor zij als publieke toezichthouder juist onafhankelijk op toe moeten zien. Er zou dan sprake zijn van de spreekwoordelijke situatie waarbij de slager zijn eigen vlees keurt. Een dergelijke situatie is onwenselijk.
Wat vindt u van de stelling dat zorgverzekeraars geen doorslaggevende invloed dienen te hebben op behandelingen in een ziekenhuizen door prijs- en begrotingsafspraken, omdat financiële belangen van zorgverzekeraars op deze manier voorrang krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het niet eens met deze stelling. Het gaat mij niet om het belang van de zorgverzekeraar, maar om het belang van de verzekerde. Zorgverzekeraars onderhandelen namens hun verzekerden met ziekenhuizen over meerdere aspecten. Kwaliteit en toegankelijkheid van zorg zijn daarbij belangrijk. Maar natuurlijk moet ook worden onderhandeld over de prijzen (en indirect begrotingen) van behandelingen in het ziekenhuis. Als een zorgverzekeraar lagere prijzen afspreekt, kan hij dit immers doorrekenen in een lagere premie voor een verzekerde waardoor de premie (en dus de zorg) betaalbaar blijft.
De ranglijst christenvervolging 2019 uitgebracht door ‘Open Doors’ |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de «ranglijst christenvervolging 2019»?
Ja.
Deelt u de conclusie dat alleen al in de top 50 van deze ranglijst 245 miljoen christenen met vervolging te maken hebben gehad vanwege hun geloof? Zo nee, waarom niet?
Open Doors baseert zijn conclusies mede op gegevens van de ngo Freedom House en de Amerikaanse denktank Pew Research Center. Het kabinet deelt de zorg over de door Open Doors gesignaleerde trend van een toenemend aantal vervolgingen van christenen op basis van hun religie.
Deelt u de analyse dat één op de negen christenen wereldwijd met vervolging te maken krijgt, terwijl dat twee jaar geleden nog één op de elf was? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke conclusies verbindt u hieraan voor het Nederlandse mensenrechtenbeleid dat godsdienstvrijheid als een van de prioriteiten heeft?
Nederland blijft zich zowel bilateraal als via de diverse multilaterale fora inzetten voor de vrijheid van religie en levensovertuiging en zal deze inzet in de komende jaren intensiveren, zoals schriftelijk aan uw Kamer medegedeeld op 29 oktober 2018 (Kamerstuk 32 735, nr. 227). Ook de (binnen afzienbare termijn) te benoemen Nederlandse speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging zal aandacht schenken aan de verontrustende trend van toenemende vervolgingen van christenen en andere groepen vervolgd om redenen van religie of levensovertuiging.
Welke mogelijkheden ziet u voor Nederland om bij te dragen aan de veilige terugkeer van christenen in (Noord-)Irak waarbij hun rechten als burger gewaarborgd worden?
De Nederlandse inzet in Irak is gericht op het versterken van de stabiliteit in Irak en het duurzaam verslaan van ISIS. Deze hulp richt zich ook op de meest kwetsbare groepen, opdat ook zij veilig kunnen terugkeren naar huis en hun leven weer kunnen oppakken. Daarnaast brengt Nederland respect voor mensenrechten en de positie van minderheden, waaronder christenen, regelmatig op in gesprekken met Iraakse autoriteiten en met de VN. In dit kader wordt aangedrongen op een meer inclusief bestuur en veiligheidssector, opdat ook de zorgen en behoeftes van deze minderheden worden meegenomen in besluitvorming. Zo ook tijdens mijn laatste bezoek aan Irak op 16-18 december jl.
Vindt u onder uw Europese collega’s voldoende eensgezindheid om als Europese Unie landen als China en India, waar de positie van christenen en andere religieuze minderheden verder verslechterd is, hierover aan te spreken? Zo nee, bent u bereid u in te spannen om binnen de EU te komen tot een gezamenlijk optreden ten aanzien van deze landen? Zo ja, welke stappen onderneemt de Europese Unie om India en China te bewegen tot een betere behandeling van christenen en andere religieuze minderheden?
De EU heeft zowel met China als met India een reguliere mensenrechtendialoog, waarin de vrijheid van religie en levensovertuiging en de rechten van minderheden belangrijke onderdelen zijn. De EU staat pal voor deze rechten. Dat blijkt ook uit de door de voortrekkersrol van de EU bij de resolutie Freedom of Religion and Belief, met consensus aangenomen in de Mensenrechtenraad en de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN, de EU-richtsnoeren voor vrijheid van religie en levensovertuiging en de aanstelling van een Speciaal Gezant van de EU voor godsdienstvrijheid, Ján Figel.
Hebt u de indruk dat China zich iets aangetrokken heeft van de bilaterale stappen die Nederland het afgelopen jaar ondernomen heeft? Zo ja, kunt u aangeven welke gevolgen deze stappen hebben gehad? Zo nee, hoe zou het effect van zulke stappen vergroot kunnen worden?
Er is sprake van een breder patroon van toegenomen beperkingen op de vrijheid van religie en levensovertuiging in China. Het kabinet maakt zich daar ernstige zorgen over, en stelt dit zowel bilateraal als multilateraal aan de orde. Bilateraal heeft Nederland, ook op politiek niveau, dit het afgelopen jaar bij verschillende gelegenheden gedaan naar aanleiding van de situatie in Xinjiang, waar de vrijheid van religie en levensovertuiging onder zware druk staat. Nederland kaartte dit ook aan tijdens het landenexamen over de mensenrechten in China in de mensenrechtenraad (Universal Periodic Review). De religieuze vrijheid van christenen is specifiek aan de orde gebracht tijdens de bilaterale mensenrechtendialoog met China. Nederland zal dit aan de orde blijven stellen. Ook blijft Nederland streven naar het ondersteunen van projecten vanuit het Mensenrechtenfonds die bijdragen aan de vrijheid van religie en levensovertuiging in China, al is dit gezien de geldende beperkingen een grote uitdaging.
Bent u het eens met de analyse dat de trend van religieus nationalisme in verschillende landen verder is toegenomen, zoals met name in India? Zo nee, waarom niet?
Ja. De toename van door religie geïnspireerd nationalisme is een zorgwekkende trend, niet alleen in India maar in meerdere delen van de wereld.
Bent u bereid uw Indiase collega te vragen te erkennen dat de etnische of nationale identiteit niet onlosmakelijk verbonden is met één bepaalde religie of geloofsovertuiging? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen over gestaag afnemende tolerantie ten opzichte van godsdienstvrijheid in India, hoewel vrijheid van religie is verankerd in de Indiase Grondwet.
De Nederlandse overheid zoekt blijvend de dialoog met India, zowel bilateraal als in EU verband. Nederland en de EU benadrukken daarbij het belang van respect voor mensenrechten voor een ieder, waaronder religieuze en andere minderheden, voor een goed functionerende democratische rechtsstaat. Tijdens de 27e sessie van de Universal Periodic Review (op 4 mei 2017) heeft Nederland in de VN-Mensenrechtenraad een aanbeveling gedaan over godsdienstvrijheid en de conversiewetten in een aantal deelstaten. Ook verschillende andere EU lidstaten hebben een dergelijke aanbeveling over godsdienstvrijheid gedaan. India heeft de aanbevelingen genoteerd. De mensenrechtenambassadeur heeft tijdens zijn bezoek aan New Delhi op 22 en 23 november 2017 aandacht besteed aan het onderwerp godsdienstvrijheid en de wetten die in een aantal Indiase staten zijn aangenomen die veranderen van geloof bemoeilijken.
Deelt u de mening dat de anti-bekeringswetten die in acht Indiase deelstaten gelden, in strijd zijn met godsdienstvrijheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Acht u het geboden, gezien de ontwikkelingen in India, uw Europese collega’s ertoe op te roepen om dit land ook in Europees verband aan te spreken op de verslechterde positie van christenen? Zo nee, waarom niet? Wat is de respons geweest van India op eerdere gelegenheden waarbij deze problemen zijn besproken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de zorgen ten aanzien de ontwikkelingen in Algerije waar het weigeren of vertragen van de toekenning van de verplichte vergunningen voor kerken effectief leidt tot een inperking van de godsdienstvrijheid voor christenen? Hecht u geloof aan de verklaring van de Algerijnse Minister van buitenlandse zaken dat de wet op de gebedshuizen vooral gericht is tegen clandestiene moskeeën en dat kerken daar niets van te vrezen hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
Tijdens mijn gesprek met Minister van Buitenlandse Zaken Messahel in mei 2018 heb ik mijn zorg uitgesproken over de situatie van een aantal Protestantse kerken in Algerije. In reactie stelde mijn Algerijnse ambtgenoot dat de nieuwe wetgeving voor gebedshuizen vooral op clandestiene moskeeën gericht was en dat kerken in Algerije niets van deze wetgeving te vrezen hadden. De kwestie is later in het jaar ook besproken door de Nederlandse ambassadeur in Algiers met de president van de Algerijnse officiële mensenrechtenraad. Die bevestigde dat vrijheid van religie wettelijk is vastgelegd, maar dat kerken, net als andere maatschappelijke organisaties en gebedshuizen van andere religies zich correct dienen te registeren. Wel komt het soms voor dat er problemen zijn bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen om diensten te houden. Het spreekt voor zich dat ik de ontwikkelingen hieromtrent nauwgezet volg en indien nodig zowel bilateraal als in EU-verband, aandacht zal vragen voor de vrijheid van religie en levensovertuiging.
Wat is tot nu toe het effect geweest van de aandacht die zowel door Nederland als door de EU hiervoor gevraagd is?
In EU-verband is aandacht gevraagd voor de problemen bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen om in bepaalde plaatsen kerkdiensten te houden. De zaligverklaring van 19 katholieke geestelijken in Oran 8 december jl. kreeg veel aandacht in de pers, en leidde tot een relevant publieke debat over vrijheid van religie en levensovertuiging in Algerije.
Kunt u ons informeren over de stand van zaken in de zaak-Asia Bibi? Welke druk wordt er in Europees of ander multilateraal verband nog druk uitgeoefend om Asia Bibi veilig het land te laten verlaten?
Nederland heeft zich in EU-verband en met andere gelijkgezinde landen de afgelopen 10 jaar intensief inspannen voor de zaak Asia Bibi. Op 29 januari 2019 heeft het Pakistaanse Hooggerechtshof de review petitie tegen haar vrijspraak verworpen en komt er eindelijk een einde aan de jarenlange juridische procedure. Het kabinet verwelkomt de bevestiging van haar vrijspraak. Voor wat betreft de opvang van Asia Bibi in Pakistan of in een ander land geldt dat het kabinet gezien de veiligheidsrisico’s voor alle betrokkenen kiest voor stille diplomatie.
Wanneer begint de speciale gezant voor godsdienstvrijheid, waar de Kamer een motie over heeft aangenomen, met zijn werkzaamheden?
De speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging zal zijn of haar werkzaamheden zo spoedig mogelijk aanvangen.
Het bericht ‘Grote ICT-storing treft ziekenhuis, maar Luus (hier 10 uur oud) komt gewoon’ |
|
Maarten Hijink |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de ziekenhuizen in Alkmaar en Den Helder met een grote ICT-storing kampten waardoor een chaos in de ziekenhuizen ontstond, onder andere omdat het medisch personeel geen toegang had tot agenda’s, patiëntendossiers of hersenscans?1
Laat ik vooropstellen dat toegankelijke en veilige informatie nodig is voor goede zorg. Ziekenhuizen zijn in eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de ICT-voorzieningen en de toegankelijkheid van gegevens. Ze moeten passende maatregelen nemen om weerbaar te zijn tegen cyberaanvallen en om computerstoringen zoveel mogelijk te voorkomen. Ze moeten ook kunnen optreden en adequaat handelen wanneer een incident of storing zich voordoet.
Wat is uw reactie op de opmerking van de IT-expert in het desbetreffende artikel dat het bijzonder is dat er in zo’n geval geen plan B beschikbaar is en dat men op de EHBO bijvoorbeeld terug moet kunnen naar de gegevens van een dag eerder? Deelt u deze opvatting?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor het leveren van goede en veilige zorg. Een onderdeel daarvan is, dat zij risico’s in de zorg inventariseren en bijpassende maatregelen treffen om de risico’s te beheersen. Een voorbeeld van een risicobeheersmaatregel is een noodscenario om bij uitval van ICT-systemen tijdelijk een alternatieve voorziening te gebruiken, mits dit leidt tot goede en veilige zorg.
Zorginstellingen moeten zich onder meer houden aan de Nederlandse normen voor informatieveiligheid in de zorg (NEN-norm 7510).
De getroffen Noordwest ziekenhuisgroep heeft op mijn vraag laten weten dat ze over een noodscenario als onderdeel van Integraal Crisisbeleid beschikken dat direct na de ICT-storing ook in werking is getreden. Het doel van dit noodscenario is het vastleggen van het handelen en het inzichtelijk maken van alternatieven, in geval van uitval van systemen.
Tot slot is het onderwerp zorgcontinuïteit één van de aandachtspunten bij inspecties van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op het gebied van
eHealth. Daarbij komt aan de orde welke voorzieningen en plannen aanwezig zijn om op storingen te kunnen reageren. Bij dergelijke maatregelen is wel altijd een zorgvuldige afweging nodig tussen risico’s, kosten en stand der techniek. Storingen kunnen daarom nooit volledig worden uitgesloten. Belangrijk is dan dat de zorgverlening op een verantwoorde wijze wordt voortgezet (met tijdelijke maatregelen op het gebied van bijvoorbeeld dossierinzage) dan wel op een gecontroleerde manier tijdelijk wordt gestaakt met minimale gevolgen voor patiënten.
Bent u van mening dat in alle ziekenhuizen in Nederland effectieve noodscenario’s klaar moeten liggen voor het geval er (grote) ICT-storingen plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Is bekend welke ziekenhuizen in Nederland momenteel nog geen noodscenario’s voor ICT-storingen beschikbaar hebben? Zo nee, wordt dit onderdeel meegenomen door de Onderzoeksraad voor de Veiligheid in haar onderzoek naar de digitale veiligheid van ziekenhuizen? Zo nee, bent u bereid dit apart te inventariseren?
Het is mij niet bekend welke ziekenhuizen wel of geen noodscenario’s hebben voor ICT-storingen. Zoals reeds gemeld bij het antwoord op vraag 2 en 3 zijn ziekenhuizen zelf verantwoordelijk voor het leveren van goede en veilige zorg onder alle omstandigheden. De IGJ ziet hier op toe.
Uit de informatie die ik ontving van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) blijkt dat in het lopende onderzoek naar de digitale veiligheid in de ziekenhuizen vooral wordt gekeken naar hoe ziekenhuizen storingen en misbruik van informatietechnologie proberen te voorkomen. Ook wordt gekeken in hoeverre zij voorbereid zijn om de gevolgen daarvan te beperken. Afhankelijk van de uitkomsten van het OVV-onderzoek, dat ik verwacht in kwartaal drie van dit jaar, bezie ik of/welke acties nodig zijn om risico’s op ICT-storingen in ziekenhuizen te mitigeren.
Kunt u garanderen dat er binnen afzienbare tijd bij alle ziekenhuizen in Nederland noodscenario voor ICT-storingen klaarliggen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit voor elkaar te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Is Interpol being manipulated by authoritarian regimes’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is Interpol being manipulated by authoritarian regimes»?1
Ja.
Deelt u de mening van Mr Browder dat er een patroon is waarbij Interpol in toenemende mate wordt ingezet door autoritaire en corrupte staten teneinde politieke vijanden en andere rivalen aan te pakken?2 Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat deze observatie zorgelijk is?
Ik heb geen informatie die een trend onderbouwt dat instrumenten van de International Criminal Police Organisation INTERPOL, hierna Interpol, in toenemende mate worden misbruikt voor politieke doeleinden. Ik onderken evenwel dat er zowel in de media, bij maatschappelijke organisaties maar vooral ook binnen de Interpol organisatie zelf de afgelopen jaren in toenemende mate aandacht is voor het signaleren en bestrijden van eventueel misbruik. Ik ben van mening dat er strikt op moet worden toegezien dat de constitutie en de regels voor het verwerken van gegeven van Interpol, en dus ook het gebruik van red notices en diffusions correct worden toegepast. Nederland heeft afgelopen jaren actief deelgenomen aan de discussies die hierover binnen Interpol worden gevoerd en zal dit ook blijven doen.
Interpol is een organisatie waarbinnen 194 landen samenwerken om criminaliteit te bestrijden op basis van regels en afspraken en in goed vertrouwen. Ieder land heeft binnen de Interpol General Assemblee 1 gelijke stem in de besluitvorming over de koers die wordt gevaren. Majeure koerswijzigingen vergen een navenant zwaardere geclassificeerde meerderheid. De meest ingrijpende wijzigingen, zoals in de constitutie, vergen een 2/3 meerderheid van de 194 leden. Dat impliceert een grote mate van stabiliteit in de basiswaarden van Interpol, waaronder het handelen in de geest van Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
De constitutie van Interpol stelt tevens duidelijk dat activiteiten van politieke, militaire, religieuze of racistische aard strikt verboden zijn.
Het is hierom dat dat Nederland sterk inzet op actieve deelname in de diverse bestuursorganen van Interpol. Zo heeft Nederland de afgelopen 4 jaar als gekozen lid deelgenomen aan het Interpol European Committee en is de politiechef van de Landelijke Eenheid met steun van de General Assemblee eind vorig jaar toegetreden als lid van het toezichthoudende Executive Committee.
De General Assembly van Interpol heeft op voordracht van dit Executive Committee in 2016 het besluit genomen extra maatregelen te treffen voor het volgens de regels toepassen van red notices en het diffusion systeem. Deze maatregelen betreffen onder meer:
Een belangrijke waarborg van deze commissie is dat personen hier een verzoek tot wijziging of verwijdering kunnen indienen als zij menen dat de informatie over hen in de Interpol systemen, waaronder signaleringen, niet correct is of in strijd met de Interpol regels.
In hoeverre bent u van mening dat Interpol van binnenuit beter beschermd zou moeten worden tegen interne, kwaadwillende en mogelijke belangenverstrengeling?
In mijn antwoord op vraag 2 staan extra maatregelen genoemd die in de afgelopen jaren zijn genomen om toe te zien op een juiste toepassing van de Interpol systemen, diensten en producten.
Een belangrijke maatregel is de bevoegdheid van het Interpol-secretariaat (IPSG) om informatie, waaronder signaleringen, te verwijderen uit de Interpol systemen als wordt vermoed dat deze om politieke redenen via de Interpolsystemen worden verspreid. Daarbij dienen ontvangende landen deze informatie tevens te verwijderen uit hun nationale systemen.
De wens om deze internationale politieorganisatie effectief en relevant te laten blijven, mede door ongewenste politieke inmenging te voorkomen, wordt breed gedeeld onder de bij Interpol aangesloten landen. Bovendien is dit ook het nadrukkelijke streven van de Secretaris Generaal van Interpol.
Hoe verklaart u de stijging van het aantal diffusions van 19,338 in 2015 naar 26,645 in 2016 en de bijna verdubbeling naar 50,530 in 2017?3 Kunt u achterhalen waar deze stijging vandaan komt? Zijn er één of meerdere specifieke landen aan te wijzen die de afgelopen twee jaar een groter beroep op Interpol hebben gedaan?
Een aanzienlijk percentage van de stijging heeft te maken met het signaleren van de zogenoemde »Foreign Terrorist Fighters». Dit zijn personen die zijn overgehaald om af te reizen naar een buitenlands conflictgebied om daar deel te nemen aan een strijd.
Met het vertrek van deze «Foreign Terrorist Fighters» die zich hebben aangesloten bij IS in Syrië en Irak hebben veel landen ingezet op het verbeteren van de detectie van (verdachte) FTF’s en zijn landen meer informatie met elkaar gaan delen en met Interpol. Ook zetten verschillende landen in – en aangemoedigd door Interpol – op het versterken van de detectiecapaciteiten op de grens. Hierdoor vinden er meer «hits» plaats op de gedeelde databanken van Interpol, zoals de Interpol NOMINAL databank en de «Stolen en Lost Traveldocuments» (SLTD) databank,.
Zijn er signalen dat er diffusions worden uitgevoerd die eigenlijk als red notice zouden moeten worden uitgezet of signalen dat diffusions op een andere manier worden ingezet dan waar zij voor zijn bedoeld?4
Ik beschik niet over gegevens om te kunnen beoordelen of diffusions worden uitgevoerd die eigenlijk als red notice zouden moeten worden uitgezet, noch kan ik patronen daarin herkennen. Wel kan ik u melden dat de controlemechanismen die aanwezig zijn voor de publicatie van notices and diffusions inhouden dat wanneer een verzoek tot publicatie van een notice wordt geweigerd, deze niet alsnog als diffusion mag worden verspreid door een land.
In hoeverre kunt u stellen dat het misbruik van Interpol en het red notice systeem door sommige lidstaten het afgelopen jaar is afgenomen? Kunt u dit onderbouwen met cijfers?
Er zijn geen cijfers over «misbruik» van het red notice systeem van Interpol op basis waarvan ik een uitspraak zou kunnen doen over het toenemen of afnemen van vermeend «misbruik».
Ik heb echter vertrouwen in het functioneren van de ingestelde multidisciplinaire taskforce die nieuwe aanvragen en reeds gepubliceerde Interpol signalering nog grondiger toetst op de constitutie en regels voor gegevensverwerking, als effectieve maatregelen om het niet-naleven van de Interpol-regels verder te beperken.
Is er een patroon te vinden in het soort diffusions dat wordt uitgezet, afgezien van de 27,000 diffusions uit 2017 waarover Interpol zegt dat het vooral ging om hun buitenlandse terroristen project?
Zie antwoord vraag 5.
Ziet u oplossingsmogelijkheden misbruik van opsporingslijsten door landen zoals Rusland en Turkije, zoals ook genoemd in het artikel, te voorkomen? Waar denkt u dan aan?
De bepalingen in de Interpol constitutie verbieden misbruik van de systemen, diensten en producten van Interpol. Interpol heeft de laatste jaren diverse maatregelen heeft genomen om de integriteit van signaleringen zoals red notices en diffusions te verbeteren.
In het huidige proces ten aanzien van red notices en diffusions zijn controlemechanismen ingebouwd die door verschillende partijen worden uitgevoerd. De NCB’s zijn verantwoordelijk voor het aanleveren van juiste en volledige informatie in overeenstemming met nationale wetgeving en de Interpol constitutie. Vervolgens heeft het IPSG de taken en verantwoordelijkheden die omschreven zijn in de antwoorden bij vraag 2 en 3. Tot slot kan een land dat twijfels heeft of een signalering in overeenstemming met de Interpol regels is, dit melden aan het signalerende land, het Secretartiaat Generaal en bij de Commissie voor Controle op Interpol dossier (CCF)
Als een signalering wordt ingetrokken, worden landen tevens verzocht de gegevens uit hun nationale database te verwijderen. Bovendien heeft een red notice of diffusion geen verplichtend karakter. Het is aan elk individueel land om te bepalen of er uitvoering aan wordt gegeven.
In geval van twijfel over de naleving van de voorwaarden voor gegevensverwerking, verplichten de Interpol regels het Secretariaat Generaal alle passende maatregelen te nemen om directe of indirecte schade te voorkomen die de gegevens kunnen veroorzaken voor de organisatie of de personen die de gegevens betreffen. Op basis van deze bepaling kan het Secretariaat-Generaal onmiddellijk stappen ondernemen wanneer een mogelijke schending van de is vastgesteld of waarschijnlijk zal plaatsvinden. Bij vermoeden van een flagrante schending bieden deze bepalingen zelfs de grondslag om de mogelijkheid voor een land om gegevens aan 1 of meerdere Interpol-systemen toe te voegen, voorlopig te ontnemen, hetgeen in uitzonderlijk geval ook is toegepast.
Bent u van mening dat door de verhouding tussen private en publieke gelden bij Interpol de neutraliteit, dan wel de mate van onafhankelijkheid van bepaalde belangen nog steeds ter discussie staat? Heeft Nederland dit na 2015, sinds de nieuwe Secretaris-Generaal, de heer Stock is aangetreden, aan de orde gesteld? Heeft Nederland dit na 2015 aan de orde gesteld, zo ja, op welke wijze?
Interpol wordt gefinancierd door jaarlijkse contributies van leden van Interpol. Aanvullende publieke donaties lopen vaak via de Interpol Foundation for a Safer World. Aanvullende private donaties worden beheerd en gerapporteerd door het Interpol Fund for International Police Cooperation. Voor beide fondsen geldt dat het geld alleen kan worden aangewend voor projecten die Interpol van tevoren heeft gedefinieerd. Met de donaties kan dus geen invloed worden uitgeoefend op de besteding ervan. Bovendien kunnen deze fondsen niet worden aangewend voor de financiering van de kerntaken van Interpol. De fondsen kunnen dus alleen worden aangewend voor op zich zelf staande projecten. Het toezichthoudende Executief Committee heeft een belangrijke rol in het due dilligence proces voor donaties, en hanteert daarbij sinds 2015 transparante richtlijnen criteria ter bescherming van de reputatie, neutraliteit, onpartijdigheid en integriteit van de Interpol. Het bewaakt onder meer dat bijdragen geen organisatorisch of individueel belangenconflict met zich mee brengen.
Ik zie nu geen reden om de Secretaris-Generaal van Interpol nader aan te spreken op de neutraliteit en onafhankelijkheid in relatie tot de financiering van Interpol.
Bent c.q. deelt u de mening dat Interpol te veel afhankelijk is van giften van derden? Bent u van mening dat Interpol kwetsbaar wordt voor manipulatie vanwege extra bijdragen van landen als Saoedi Arabië? Waarom wel of niet?
Donaties aan Interpol door derden kunnen enkel worden ingezet voor de financiering van door Interpol van tevoren geïdentificeerde organisatiebehoefte in de vorm van vastgestelde projectvoorstellen. Donaties en donerende private partijen ondergaan een zorgvuldige due dilligence toets. De uitvoering van essentiële activiteiten van Interpol is bovendien niet afhankelijk van donaties van derden. Ik ben daarom van mening dat Interpol niet kwetsbaar wordt voor manipulatie middels dergelijke extra bijdragen. Er zijn diverse landen die een aanvullende donatie doen aan Interpol. En dat is goed want zonder die middelen zou de organisatie niet voldoende kunnen door-ontwikkelen en innoveren om ook in de toekomst effectief en relevant te blijven voor de internationale opsporingsgemeenschap. Ook voor deze aanvullende donaties geldt echter dat zij enkel kunnen worden aangewend voor van tevoren door Interpol bepaalde projecten en niet voor de kerntaken van Interpol.
Wat zijn de concrete resultaten van het actief inzetten op de afbouw van dergelijke private financieringspraktijken?
Het toepassen van de due diligence procedure5 heeft er in 2015 al toe geleid dat lopende contracten met bepaalde bedrijven niet zijn verlengd. Daarnaast worden sinds november 2015 in geen enkel geval donaties geaccepteerd van de tabaks-, wapen-, alcohol-, seks- en gokindustrie.
Deelt u de mening van de in het artikel aan het woord zijnde Jago Russel, CEO van Fair Trials, dat de dreigende verzoeken vanuit Interpol, autoritaire bewinden kan helpen bij het creëren van een angstklimaat met als gevolg dat dissidenten zich niet meer veilig voelen, terwijl het doel van Interpol juist is veiligheid te waarborgen?
Ik keur misbruik van red notices en diffusions door landen af. Signaleringen van Interpol hebben als doel om veiligheid te vergroten en criminaliteit te bestrijden.
Bent u van mening dat Interpol op dit moment de juiste voorzorgsmaatregelen in acht neemt teneinde misbruik te voorkomen? Ziet u hiervoor nog ruimte voor verbetering? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te spannen op Europees niveau?
Ik heb vertrouwen dat de landen en het Secretariaat Generaal zich inzetten voor de naleving van de vastgestelde regels en afspraken opdat de Interpol informatiesystemen worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn en dus niet voor politieke, militaire, religieuze of racistische doeleinden. Toch kan niet altijd voorkomen worden dat individuele landen de regels en gemaakte afspraken niet, of niet volledig nakomen. Zoals gezegd, moeten zowel het CCF, IPSG als de deelnemende Interpollanden daar alert en kritisch op blijven en zo nodig de corrigerende maatregelen nemen die daartoe ter beschikking staan. Nederland zal actief, samen met gelijkgestemde landen, bijdragen aan het in stand houden van deze cruciale «checks and balances».
Hoe verhoudt de zin in uw brief5 «Sinds november 2015 accepteert Interpol in geen enkel geval donaties van de tabaks-, wapen-, alcohol, seks- en gokindustrie» zich met het gegeven dat in de Interpol overzichten na 2015 van private donateurs er nog wel donaties zijn opgenomen van bijvoorbeeld de wapenindustrie? Waarom staat bij noot 2 in diezelfde overzichten dat nog niet alle namen van donateurs zijn opgenomen?6 Hoe kunt u dit verklaren? Deelt u de mening dat alle namen van alle donateurs openbaar moeten zijn?
Ik heb Interpol op deze punten bevraagd. In het overzicht waar u op doelt is een bedrijf, Ultra Electronic Forensic Technology, opgenomen. Dit bedrijf is gespecialiseerd in forensisch ballistisch vuurwapenonderzoek en vuurwapenidentificatie en speelt een belangrijke rol bij het Interpol Ballistic Information Network (IBIN). Op dit bedrijf is de due diligence procedure toegepast met een positief resultaat voor continuering voor de samenwerking.
Dat nog niet alle namen van donateurs zijn opgenomen, hangt samen met het feit dat deze reeds voor 2016 bestaande donateurs nog toestemming moeten geven voor het publiceren van hun naam. Geen van deze donateurs valt binnen de categorie tabaks-, wapen-, alcohol, seks- en gokindustrie Sinds 2016 wordt systematisch in alle overeenkomsten met particuliere entiteiten een clausule opgenomen die voorziet in openbaarmaking van de naam van de donateur, de grote van de donatie en het gesteunde initiatief. Net als Interpol ben ik van mening dat uiteindelijk alle namen van private donateurs openbaar gemaakt moeten worden.
Hoe verhoudt dit bericht zich tot diezelfde brief waarin u aangeeft dat de balans tussen private en publieke gelden momenteel op een gezond niveau is? Bent u van mening dat deze stelling in strijd is met de observaties uit het eerst genoemde artikel?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Vindt u dat samenwerkingsverbanden tussen private en publieke partijen en financiering door derden, waaronder private partijen of bedrijven, moeten worden opgeschort als bepaalde landen zich niet blijken te houden aan internationale mensenrechtenverdragen?7
Ik onderschrijf het belang van publiek-private samenwerking door Interpol, maar uiteraard alleen zolang deze in aard en opzet verenigbaar is met de principes, doelstellingen, regels en activiteiten van Interpol en mits de juiste voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen. De eerder genoemde due dilligence procedure ziet hierop.
De mogelijkheid tot publieke-private samenwerking is met strenge waarborgen omkleed en ik verwacht dat als niet aan deze waarborgen wordt voldaan, Interpol de maatregelen treft die binnen haar mogelijkheden liggen.
Is het volgens u wenselijk de governance van Interpol meer in te richten op de manier waarop de governance van Europol is georganiseerd, zoals bijvoorbeeld in de vorm van de Joint Parliamentary Scrutiny Group van Europol? Zo ja, worden hiertoe al stappen ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Interpol is een samenwerkingsorganisatie van uitvoerende politiekorpsen en opsporingsdiensten en geen supranationaal agentschap van een statenverband. Europol daarentegen is een vol agentschap van de Europese Unie geworden. Dat verklaart het verschil. Een Joint Parliamentry Scrutiny Group zie ik dan ook niet zo snel ontstaan. Evenwel zal ik er mij voor inspannen om uw Kamer meer proactief te informeren over belangwekkende ontwikkelingen binnen Interpol.
Welke verbeteringen ziet u verder voor het verbeteren van toezicht en transparantie bij Interpol? Hoe zet u zich hiervoor in op EU-niveau? Bent u bereid met collega’s daarin gelijk op te trekken en de Kamer hierover te informeren?
De Nederlandse politie neemt actief deel aan de bestuursorganen (Executive Committee en het Interpol European Committee) en de nieuwe werkgroep betreffende de besturing van Interpol de en de werkgroep voor gegevensverwerking welke door de General Assembly weer bijeen is geroepen ten behoeve van een brede review en modernisering van de Interpol regels voor de verwerking van gegevens. Afgelopen november is de huidige politiechef van de Landelijke Eenheid door de General Assembly als lid gekozen van het genoemde Executive Committee, op basis van een verkiezingsprogramma dat zich mede richtte op strikte naleving en doorontwikkeling van het versterkte raamwerk van besturingsmodel, checks and balances en regelgeving van de Organisatie.
Het rapport ‘Vulnerable and abandoned’ van Oxfam Novib |
|
Maarten Groothuizen (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Vulnerable and abandoned» van Oxfam Novib?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie van kwetsbare vluchtelingen op de Griekse eilanden? Welke verbeteringen of verslechteringen ziet u?
Met uw Kamer is vaak gesproken over de situatie van vluchtelingen op de Griekse eilanden. Hoewel er sprake is van verbeteringen maakt dit rapport andermaal duidelijk dat deze helaas nog steeds onvoldoende zijn, en dat de omstandigheden verder moeten verbeteren. Gerealiseerde verbeteringen zijn de uitbreiding van het aantal bezwaarcommissies, de beschikbaarheid van speciale zorg voor alleenstaande minderjarigen en de speciale behandeling van kwetsbaren die daar uiteraard recht op hebben. Namens Nederland wordt zowel door leden van het kabinet als op hoog-ambtelijk niveau hiervoor met grote regelmaat aandacht gevraagd bij de Griekse autoriteiten én de Europese Commissie.
Hoeveel artsen, psychologen en psychiaters bevinden zich op dit moment op Lesbos en specifiek in het opvangkamp Moria? Zijn hieronder ook experts als het gaat om het herkennen van slachtoffers van marteling en seksueel geweld? Zo ja, hoeveel? Beoordeelt u dat als afdoende? Indien er, naar uw oordeel, onvoldoende (medische) specialisten en andere hulpverleners aanwezig zijn, wat is daarvoor dan de verklaring?
De medische ondersteuning in de hotspot wordt georganiseerd door KEELPNO, de uitvoeringsorganisatie van het Griekse Ministerie van Volksgezondheid. Zij hebben de afgelopen periode aanzienlijke moeilijkheden ondervonden bij de werving van medisch en psychosociaal personeel. Dat heeft geleid tot tekortkomingen in de medische zorgen tot vertragingen in de asielprocedure bij de vaststelling van de eventuele kwetsbaarheid van asielzoekers. De Griekse autoriteiten werken aan verbetering met steun van de Europese Commissie, bijvoorbeeld door de arbeidsvoorwaarden voor medisch personeel aantrekkelijker te maken. Er was de afgelopen periode een twintigtal psychologen, maatschappelijk hulpverleners en verpleegkundigen aanwezig vanuit KEELPNO. Het tekort wordt voorlopig opgevuld door een militaire arts van het Griekse Ministerie van Defensie en medisch personeel van verschillende ngo’s. Tenslotte is er een publiek ziekenhuis op Lesbos aanwezig met onder andere een chirurgische kliniek en een psychiatrische kliniek. Hier kunnen vluchtelingen en migranten gebruik van maken.
Hoe wordt op dit moment beoordeeld of iemand die aankomt op Lesbos al dan niet kwetsbaar is? Hoe wordt vervolgens de zorg, voor iemand die als kwetsbaar is aangemerkt, geregeld? Welke knelpunten ziet u en welke mogelijkheden ziet u tot verbetering?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen twee manieren waarop wordt geoordeeld of er sprake is van kwetsbaarheid. Bij aankomst beoordeelt KEELPNO in eerste instantie of iemand kwetsbaar is. Daarna volgt in het kader van de procedure een kwetsbaarheidstoets door de EASO-experts die hiervoor specifiek zijn getraind. Indien iemand als kwetsbaar wordt aangemerkt, en medische zorg noodzakelijk is die niet op het eiland beschikbaar is, krijgt betrokkene een verwijzing naar het vasteland. Zodoende zijn in 2018 30.000 personen van de Griekse eilanden naar het vasteland overgebracht, waarvan het grootste gedeelte in de laatste maanden. Daarmee is de druk op Lesbos aanzienlijk verlicht. Op dit moment zijn er bijna 7.000 vluchtelingen en migranten op Lesbos. Dat zijn er nog steeds te veel, maar ook minder dan de ongeveer 10.000 in het najaar van 2018.
Het is mogelijk dat een persoon later in de procedure alsnog als kwetsbaar wordt aangemerkt, bijvoorbeeld doordat de benodigde medische zorg niet beschikbaar is op de eilanden. Helaas speelt ook de gebrekkige opvang een rol: tekortschietende accommodatie en gebrek aan voorzieningen hebben vooral in de winter een negatief effect op de gezondheid van migranten zoals ook in het rapport naar voren komt. Wanneer een persoon later in de procedure als kwetsbaar wordt aangemerkt, wordt betrokkene in beginsel alsnog naar het vasteland overgebracht.
De relatie tussen kwetsbaarheid en overbrenging naar het vasteland wordt soms ook misbruikt. Omdat terugkeer nog steeds onvoldoende op gang komt, is het voor de autoriteiten een manier om de druk op de eilanden alsnog te verlichten. Ook bestaat het vermoeden dat een toenemend aantal mensen stelt medische klachten te hebben. Immers, eenmaal op het vasteland vallen migranten niet meer onder de terugkeerregeling in het kader van de EU-Turkije Verklaring. Het is dan ook van groot belang dat deze toetsen zo zorgvuldig mogelijk plaatsvinden. Uiteraard deel ik uw mening dat de medische zorg op de eilanden moet verbeteren, net als de algemene opvangomstandigheden. Daar heb ik meermaals met mijn Griekse collega over gesproken, en dat heb ik ook ook tijdens mijn bezoek gedaan.
In hoeverre is er speciale aandacht voor kwetsbare vrouwen, zoals vrouwen die zwanger zijn of net zijn bevallen?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich uw antwoorden gegeven in het algemeen overleg JBZ-raad van 6 en 7 december 2018, waarin u aangeeft dat een op de zeven experts in Griekenland uit Nederland afkomstig is?2 Hoeveel experts uit de Europese Unie zijn er in totaal in Griekenland aanwezig? Kunt u expliciet aangeven hoeveel daarvan afkomstig zijn van EASO, Frontex, het COA, de IND en eventueel nog van een andere instelling of organisatie? Acht u dit totale aantal voldoende?
In totaal zijn er op dit moment 149 medewerkers voor EASO actief ter ondersteuning van Griekenland bij de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring, de nationale asielprocedure en het opvangsysteem. Daarvan zijn op dit moment3 72 experts werkzaam op de eilanden (27 experts uit andere lidstaten, 26 tijdelijke zaakbehandelaars met een juridische achtergrond en 19 tijdelijk gedetacheerde medewerkers).
Tegelijkertijd worden in totaal 371 experts ingezet voor de Frontex operatie Poseidon in de Egeïsche zee, waarvan 20 experts voor de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring. Daarnaast worden circa 40 experts ingezet voor Frontex langs de verschillende landgrenzen. Namens Europol zijn in totaal 25 experts werkzaam in Griekenland, waarvan 23 op de Griekse eilanden.
De Nederlandse bijdrage bestaat uit het volgende. Via EASO stelt Nederland doorlopend een 11-tal experts beschikbaar. Het gaat met name om IND-medewerkers, maar ook om een expert van het COA op het gebied van opvang. Via Frontex worden doorlopend circa 66 Nederlandse experts ingezet. Het betreft grenswachters, tolken en medewerkers van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O). Nederland heeft ook enkele busjes ter beschikking gesteld via DV&O waarmee personen die op de eilanden aankomen van en naar de centra worden vervoerd. Daarnaast detacheert Nederland beleidsexperts op strategische plekken, waaronder bij het Ministerie van Economische Zaken om de toegang tot en het gebruik van de EU fondsen te bevorderen. Ook is een expert ter beschikking gesteld op Chios om de coördinator van de hotspot te adviseren op het gebied van opvang.
De Europese agentschappen maken een inschatting of de inzet van experts voldoende is. Het is bekend dat de agentschappen in variërende mate personeel nodig hebben. Met regelmaat roepen zij lidstaten op om meer experts te leveren of deze langduriger in te zetten. Nederland steunt deze oproep, waarbij zij opgemerkt dat Nederland zelf geen additionele experts meer kan leveren, mede vanwege de achterstanden in de Nederlandse asielprocedure.
Bevinden zich onder de experts die Nederland levert aan Griekenland ook medische specialisten en psychologen? Indien dit niet het geval is, bent u bereid te kijken of het mogelijk is om vanuit Nederland Griekenland te ondersteunen met medisch personeel? In hoeverre ziet u mogelijkheden uw Europese collega’s op te roepen ook medische experts naar Griekenland te sturen?
Nederland levert geen medische specialisten of psychologen. Wel levert Nederland vanuit de IND experts voor de hogergenoemde kwetsbaarheidstoets. Voor wat betreft de uitzending van Nederlandse experts is de behoefte vanuit agentschappen als EASO leidend. Nederland bekijkt betreffende verzoeken altijd welwillend. Ook vraagt Nederland op EU-niveau met grote regelmaat aandacht voor de situatie in Griekenland en roept Nederland ook andere lidstaten op om te zorgen dat voldoende experts beschikbaar zijn voor de Europese diensten.
Deelt u de mening dat kwetsbare mensen zo snel mogelijk naar het vaste land moeten worden gebracht, zodat zij voldoende toegang hebben tot medische zorg? Wat voor mogelijkheden ziet u teneinde dit te bewerkstelligen? In hoeverre heeft u hierover specifiek met uw Griekse collega gesproken?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat vluchtelingen en migranten die in detentie zijn op Lesbos niet tot nauwelijks toegang hebben tot mentale en psychische hulp en dat personeel van het Griekse Ministerie van gezondheid, ziektebeperking en preventie, geen toegang heeft tot het detentie gedeelte van Moria? Deelt u de mening dat deze vluchtelingen en migranten hier wel recht op hebben? Bent u bereid uw collega hierop aan te spreken?
Migranten die in het zogenaamde «pre-removal»-centrum verblijven, zijn in afwachting van hun terugkeer naar Turkije of hun herkomstland. Zij hebben toegang tot medische en psychosociale diensten van de Griekse uitvoeringsorganisatie KEELPNO. Ze kunnen ook naar het plaatselijke ziekenhuis worden gebracht, wanneer dat nodig is. Bovendien is een speciaal agentschap gecontracteerd door de Griekse politie dat ook actief psychosociale diensten verleent in deze centra. In het «pre-removal» centrum in Moria werkt één psycholoog en één maatschappelijk hulpverlener.
Klopt het, dat door gebrek aan personeel mensen die nu aankomen op Lesbos pas hun eerste asiel gesprek zullen hebben ergens in 2020? Zo nee, wat is dan de prognose? Hoe beoordeelt u dat?
Hoe lang het duurt voor mensen hun eerste asielgesprek krijgen hangt af van verschillende factoren, waaronder de kwetsbaarheid, de nationaliteit van betrokkene en of hij/zij in aanmerking komt voor de versnelde grensprocedure zoals die is vastgesteld in de EU-Turkije Verklaring. Het kabinet ziet versnelling van deze procedures als belangrijkste duurzame oplossing voor de huidige overbevolking in de opvangfaciliteiten en ondersteunt de Griekse autoriteiten hier ook bij, bijvoorbeeld via de inzet van experts voor EASO. Als snel duidelijk is wie mag blijven en wie terug moet, verlicht dat de druk op de hotspots aanzienlijk.
Wat wordt er op dit moment gedaan teneinde vrouwen en kinderen, waarvan respectievelijk 70% en 78% zegt zich nooit veilig te voelen op Moria, te beschermen tegen geweld en ander gevaar? Waar kan dit volgens u nog verbeterd worden?
Seksuele intimidatie en geweld – ook tegen mannen en jongens overigens – is helaas een groot risico in Moria. Het beperkte aantal gespecialiseerde diensten, tolken en politieagenten, versterkt gevoelens van onveiligheid bij vluchtelingen en migranten. Daarnaast is de overbevolking van het kamp problematisch, bijvoorbeeld vanwege het tekort aan toiletten, douches en afgeschermde opvang. De Griekse autoriteiten werken aan verbetering, bijvoorbeeld via transfers naar het vasteland en het inhuren van extra tolken. Daarnaast ondersteunt de EU activiteiten van UNHCR om seksuele intimidatie en geweld te voorkomen. UNHCR werkt in Moria samen met gespecialiseerde nationale partners op het terrein van kinderbescherming, ondersteuning bij casemanagement, het organiseren van counselling sessies en het creëren van veilig onderdak.
Herinnert u zich uw antwoorden in het algemeen overleg JBZ-raad van 6 en 7 december 2018 waarin u spreekt over het geld dat vanuit de Europese Unie aan Griekeland is toegekend teneinde de asielprocedure en de omstandigheden in de Griekse kampen te verbeteren?3 Bent u van mening dat dit geld goed is besteed? Kunt u bevestigen dat er controle is geweest op deze uitgaven en zo nee, bent u van plan hierop aan te dringen?
Zoals ik in het betreffende algemeen overleg heb toegelicht is er geen sprake van een gebrek aan financiële middelen. Voor Griekenland is, in relatie tot andere EU-lidstaten, verreweg het meeste geld om de opvang en asielprocedure te verbeteren beschikbaar gesteld.5 Over de besteding, uitputting en het effect van deze middelen heb ik ook vaker met uw Kamer gesproken. Terzake zijn zeker verbeteringen mogelijk. Daarom biedt Nederland Griekenland al langere tijd een expert om middelen te ontsluiten en uit te putten. De controle op deze middelen is een EU-aangelegenheid. Bij alle EU-fondsen wordt besteding en effectiviteit gecontroleerd door de Europese Rekenkamer die betreffende rapportages ook publiceert en de Commissie aanbevelingen doet.
Herinnert u zich het gesprek met uw Griekse collega waarbij u heeft aangedrongen op het versnellen van de asielprocedures, meer terugkeer en humane opvangomstandigheden, een snelle structurele oplossing en dat Nederland Griekenland daarbij zal blijven ondersteunen?4 Wat was de reactie van uw Griekse collega op uw opmerkingen en wat vond u daarvan? Heeft hij nog toezeggingen gedaan? In hoeverre vond u het beeld dat uw Griekse collega heeft gegeven met betrekking tot de situatie op de Griekse eilanden overeenkomen met het beeld dat wordt geschetst in het rapport van Oxfam Novib? Op wat voor manier zet u zich in om een snelle structurele oplossing te realiseren? Welke medestanders ondersteunen u daarbij? Tot wat voor resultaten heeft dit tot nu toe geleid?
In het kader van de vertrouwelijkheid van het diplomatieke verkeer, kan ik niet ingaan op de uitlatingen van mijn Griekse collega. In algemene zin kan ik wel aangeven dat hij uiteraard de zorgen over de moeilijke situatie deelt. Daarover is de Europese Commissie ook met de Minister en met verantwoordelijke onderdelen van de Griekse overheid doorlopend in gesprek. Hij is zich ook bewust van de noodzaak dat de situatie verbetert. Dat beperkt zich echter niet alleen tot de opvangcondities maar hangt ook samen met de asiel- en terugkeerprocedures. Het is duidelijk dat de Griekse overheid al langere tijd voor grote uitdagingen staat om het Griekse systeem te laten voldoen aan wat nodig is.
Het kabinet zal, zoals u bekend, Griekenland daarbij steun blijven bieden en binnen de geschetste mogelijkheden al het mogelijke doen om de situatie op de Griekse eilanden te verbeteren. Dit is ook de reden voor mijn voorgenomen bezoek aan Griekenland. Daarbij geldt ook dat ik, evenals andere collega’s in het kabinet, hiervoor tijdens Europese overleggen voortdurend aandacht vraag. Zoals ik u ook tijdens het Algemeen Overleg van algemeen overleg JBZ-raad van 6 en 7 december 2018 heb gemeld, is het helaas zo dat Nederland dit als een van de weinige lidstaten doet.
Bent u bereid gezamenlijk met uw Europese collega’s meer druk uit te oefenen op Griekenland teneinde te zorgen dat omstandigheden op de Griekse eilanden snel verbeteren?
Zie antwoord vraag 13.
De terugkeer van de wolf in Nederland |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de terugkeer van de wolf een positieve ontwikkeling is en dat de inspanningen om de wolf te beschermen hun vruchten afwerpen?
De bescherming van de wolf in een groot deel van Europa heeft bijgedragen tot het herstel van deze soort. Vanuit het natuurperspectief is dat een belangrijke ontwikkeling. Tegelijk bemerk ik dat de terugkeer van de wolf niet alleen in Nederland maar ook in andere Europese landen nieuwe vragen en discussies oproept, waar we goed mee om moeten gaan.
Deelt u de mening dat deze inspanningen teniet worden gedaan wanneer er over zou worden gegaan tot heropening van de jacht op de wolf?
In diverse landen gaan stemmen op om de groei van de wolvenpopulaties te beheersen. Afschot zou daarbij een van de mogelijke beheersmaatregelen zijn. Dit hoeft niet a priori te leiden tot het teniet doen van de inspanningen die geleid hebben tot de terugkeer van de wolf.
De jacht op de wolf is in Nederland niet aan de orde. De wolf staat op de lijst van streng beschermde diersoorten van het Verdrag van Bern en op de lijst van diersoorten van communautair belang van de Habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn en de Wet natuurbescherming staan geen jacht toe op diersoorten van communautair belang.
Kent u het bericht «Directeur De Hoge Veluwe wil dat afschieten van wolf mogelijk wordt»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de directeur van Nationaal Park de Hoge Veluwe in Europa lobbyt om de beschermde status van de wolf, een inheemse diersoort, die hier lang was uitgestorven door toedoen van de mens, weer te gaan bejagen?
Ik ben slechts op de hoogte van de uitlatingen van de directeur van Nationaal Park de Hoge Veluwe in het bericht genoemd onder vraag 3. Dat de directeur met Europese collega’s op zijn vakgebied spreekt lijkt me een logische zaak. Het staat een ieder vrij om in Europa meningen te mobiliseren. In mijn antwoord op vraag 2 heb ik al aangegeven dat de jacht op de wolf als soort van communautair belang niet is toegestaan.
Verkeert de wolf momenteel in een gunstige staat van instandhouding in Europa?
De gunstige staat van instandhouding van de wolf verschilt per land. In sommige landen verkeert de wolf in een gunstige staat van instandhouding. In andere landen is dit (nog) niet het geval. De tot op heden in Nederland waargenomen wolven zijn afkomstig van de Pools-Duitse laaglandpopulatie. Deze populatie verkeert nog niet in een gunstige staat van instandhouding.
Hoe groot acht u de kans dat de beschermde status van de wolf wordt opgeheven vanwege de staat van instandhouding in het kader van de EU-habitatrichtlijn?
Als de staat van instandhouding gunstig is en de wolf niet meer beschouwd wordt als bedreigd, kwetsbaar of zeldzaam, is het in principe mogelijk om de wolf van de lijst van beschermde diersoorten te halen. Het is aan de gezamenlijke lidstaten van de Europese Unie om daarover te beslissen.
Deelt u de mening van de directeur van Nationaal Park de Hoge Veluwe dat de wolven in Europa zijn uitgezet? Zo ja, op welk onderzoek baseert u dit? Zo nee, heeft u enig idee waarop de directeur van Nationaal Park de Hoge Veluwe dit soort complottheorieën baseert?
Uit genetisch onderzoek is de herkomst en de onderlinge verwantschap van wolven in veel populaties goed bekend. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is van uitgezette dieren in Europa.
Kent u ecologen die beweren dat de wolf in Nederland en/of Europa zijn schuwheid verliest? Zo ja, welke? Zo nee, hoe beoordeelt u de uitspraken van de directeur van de Hoge Veluwe in dit licht?
Het begrip schuwheid kan verschillend worden geïnterpreteerd. De meeste wolven zijn voorzichtig richting mensen. Bekend is dat jonge, onervaren wolven vaak minder «schuw» zijn en zich nieuwsgierig kunnen gedragen.
Kent u het bericht «De wolf is terug: door dit beschermde dier zijn schapen hun leven niet langer zeker»?2
Ja.
Op welke wijze wordt het aantal wolven in Nederland geschat en is de schatting dat er op dit moment 50 wolven in Nederland leven realistisch volgens u?
In Nederland wordt telkens door middel van genetisch onderzoek vastgesteld of schapen door wolven zijn gedood en, indien mogelijk, welk individuele wolf dit was. Daarnaast wordt ook genetisch onderzocht van welke wolven gevonden keutels afkomstig zijn. In 2018 is de aanwezigheid van tien verschillende wolven aangetoond, die voor een deel ook met zekerheid ons land weer hebben verlaten. Zie ook de volgende link: https://www.wur.nl/nieuws/In-2018-tot-nu-toe-tien-verschillende-wolven-vastgesteld-in-Nederland-waarvan-zes-wijfjes.htm
Klopt het dat Duitsland overweegt om de jacht op de wolf te openen en is dit toegestaan volgens Europese regelgeving?3
In verschillende Duitse deelstaten vindt politiek debat plaats over de beschermde status van de wolf. Recent heeft de verantwoordelijk Minister Schultze zich uitgesproken tegen het bejagen van wolven in Duitsland. Volgens de Habitatrichtlijn is jacht op de wolf niet toegestaan. Wel kan in uitzonderlijke situaties afschot van een individuele wolf («probleemwolf») plaatsvinden, bijvoorbeeld bij een hondsdolle of een zich naar de mens toe agressief gedragende wolf.
Zie ook het volgende bericht: https://www.noz.de/deutschland-welt/politik/artikel/1632476/umweltministerin-schulze-ueber-bio-discount-tierwohl-und-den-wolf
De berichten ‘Baas Hoge Veluwe wil wolven afschieten: 'Slechts ruimte voor handjevol'’ en ‘Directeur De Hoge Veluwe wil dat afschieten van wolf mogelijk wordt’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Baas Hoge Veluwe wil wolven afschieten: «Slechts ruimte voor handjevol»» en «Directeur De Hoge Veluwe wil dat afschieten van wolf mogelijk wordt», beide van 16 januari 2019?1 2
Ja.
Klopt het dat Nederlandse landeigenaren via de European Landowners Organisation in Europa lobbyen om de wolf van de lijst van beschermde diersoorten af te halen? Zo ja, hoeveel landeigenaren zijn lid van deze organisatie?
Het is mij niet bekend dat Nederlandse landeigenaren via de European Landowners Organisation (ELO) lobbyen om de wolf van de lijst van beschermde diersoorten af te halen. Van de ELO zijn organisaties uit 28 landen lid. Het Nederlandse lidmaatschap wordt verzorgd door de Federatie Particulier Grondbezit.
De directeur van De Hoge Veluwe spreekt in het artikel in de Gelderlander van sterke vermoedens dat wolven in Nederland door mensen worden losgelaten, kunt u toelichten hoe realistisch dit geschetste beeld is?
Uit genetisch onderzoek is de herkomst en de onderlinge verwantschap van wolven in veel populaties goed bekend. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is van uitgezette dieren in Europa.
Kunt u toelichten hoe andere Europese landen met het oprukken van de wolf omgaan?
Landen gaan verschillend om met het oprukken van de wolf, omdat de omvang van de wolvenpopulaties, conflicten en oplossingen ook verschillen. In het algemeen hebben landen een wolvenplan waarin de aspecten zorg voor een gunstige staat van instandhouding, omgang met conflicten en voorlichting en educatie een belangrijke rol spelen. De meeste landen hebben programma’s om dierhouders (meest schapenhouders) te compenseren voor verloren vee en subsidies te verstrekken voor het nemen van preventieve maatregelen om vee te beschermen.
De extra tonnen voor de vertrekregeling van de Belastingdienst |
|
Renske Leijten |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
Sinds wanneer bent u op de hoogte dat er grote extra uitgaven aan de vertrekregeling aankwamen voor de Belastingdienst?1
Op 22 november 2018 en 16 januari 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep, (hierna: CRvB) uitspraken over de levensloop/vertrekregeling gedaan. Het financiële belang voor deze en de nog lopende procedures ligt in totaal in de orde van grootte van één miljoen.
Wanneer is het beroep bij De Centrale Raad van Beroep (CRvB) aangespannen door betreffende medewerkers?
In de periode augustus 2017 en september 2018 heeft de werkgever acht keer hoger beroep aangetekend, drie keer is dit door een medewerker gedaan.
Kunt u aangeven waarom u de Kamer niet op de hoogte heeft gebracht van deze procedure en de mogelijkheid van hogere kosten van de omstreden vertrekregeling?
Gezien het voor de werkgever relatief beperkte financiële belang van de procedures afgezet tegen de gehele financiële omvang van de vertrekregeling, was er voor mij geen aanleiding om uw Kamer te informeren. Er is in oktober 2017 aan uw Kamer toegezegd een brief te sturen met de eindafrekening van de vertrekregeling en de diverse mogelijke arrangementen.2 De planning hiervoor is 2021.
Welke mogelijke extra kosten en/of boetes zijn nog mogelijk omdat er procedures omtrent de vertrekregeling lopen? Kunt u hiervan een overzicht aan de Kamer sturen?
Er lopen omtrent de collectieve vertrekregeling van de Belastingdienst nog een tiental procedures. Gelet op het procesbelang van de Staat en zijn bestuursorganen doe ik verder geen mededelingen over de verwachte uitkomsten. Zoals op vraag één is geantwoord ligt het financiële belang in totaal in de orde van grootte van één miljoen.
Op welke gronden heeft u aanvankelijk de in het gelijkgestelde medewerkers afgewezen voor de vertrekregeling en op welke gronden kunnen zij er toch aanspraak op maken? Kunt u een analyse naar de Kamer sturen?
Voor het afwijzen van een vertrekregeling bij medewerkers die met levensloop zijn, is noodzakelijk dat er sprake is van een onmiskenbare en ondubbelzinnige wilsuiting gericht op het beëindigen van het dienstverband.
De Raad heeft de analyse niet gevolgd dat hier sprake van is als:
de medewerker feestelijk afscheid heeft genomen, waarbij een tegemoetkoming is verleend uit hoofde van het «Beleid Ambtsjubilea en Recepties», en
het voornemen is geuit na afloop van de periode van levensloopverlof, al dan niet gecombineerd met het gebruik van de PAS-regeling en
het tussentijds opnemen van verlofuren, niet meer terug te keren naar de werkvloer, of
de indruk heeft gewekt dit voornemen te hebben.
Kunt u aangeven hoeveel mensen onder de vertrekregeling vallen en hoeveel mensen er zijn afgewezen? Zijn er gelijkluidende gronden van afwijzing die juridisch nog kunnen worden aangevochten?
Ongeveer 5.500 mensen hebben gebruik gemaakt van de vertrekregeling. De afgewezen verzoeken liggen in de orde van grootte van honderd, daarvan zijn er nog een tiental om uiteenlopende redenen in procedure.
Welke analyse hebben de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën gemaakt over het debacle met de vertrekregeling? Is het in de toekomst nog mogelijk dat u en de Kamer voor een voldongen feit komen te staan aangaande een verregaande vertrekregeling?
Medio oktober 2016 hebben de Minister en de Staatssecretaris van Financiën aan drs. H. Borstlap en mr. T.H.J. Joustra gevraagd onderzoek te doen naar de besluitvormingsprocedures binnen de Belastingdienst en de mechanismen die daaraan ten grondslag lagen. Het besluit van de bewindslieden om de «Commissie onderzoek Belastingdienst» in te stellen vond zijn aanleiding in de totstandkoming van een vertrekregeling voor medewerkers, die de Belastingdienst begin december 2015 was overeengekomen met de vakbonden.
De commissie heeft het verzoek van de bewindslieden toegespitst op drie doelen:
Het rapport van de Commissie van 27 januari 2017 beschrijft uitvoerig deze drie elementen: toedracht, analyse en aanbevelingen. Het rapport is, voorzien van een kabinetsreactie, aangeboden aan de Tweede Kamer bij brief van 27 januari 2017.3 Deze kabinetsreactie stelt: «De Commissie heeft een scherpe analyse gemaakt en doet concrete en heldere aanbevelingen ter verbetering van de huidige situatie. Al deze conclusies worden door ons overgenomen. De aanbevelingen zijn onder te verdelen in aanbevelingen met betrekking tot de interne sturing binnen de Belastingdienst (1–6), met betrekking tot de interne beheersing van de processen binnen de Belastingdienst (7–9) en met betrekking tot het toezicht vanuit het departement van Financiën (10–13).» Over de uitvoering van de aanbevelingen is de Tweede Kamer regelmatig geïnformeerd. De afsluitende rapportage is op 8 december 2017 aan de Tweede Kamer verzonden.4
Met het rapport van de Commissie is de in de vraag bedoelde analyse, in opdracht van de bewindslieden, gemaakt. Door het uitvoeren van de aanbevelingen is de kans op een met de vertrekregeling vergelijkbare gang van zaken zo veel mogelijk gereduceerd.
Erkent u dat het funest voor het vertrouwen in de Belastingdienst is als enerzijds de permanente boodschap is dat de boel nog lang niet op orde is en er tegelijkertijd berichten naar buiten komen over al maar duurder wordende vertrekregelingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Belastingdienst werkt langs verschillende lijnen en op beheerste wijze aan zijn vernieuwingsopgaaf, mede om het vertrouwen in de dienst te vergroten. Dat neemt echter niet weg dat externe factoren, zoals in dit voorbeeld een uitspraak van de CRvB, hun invloed hier op kunnen hebben. Dit is een «fact of life» waarvan de gevolgen niet altijd zijn te voorkomen. Dit mag echter niet afleiden van de focus om tot de noodzakelijke vernieuwingen en verbeteringen binnen de Belastingdienst te komen
Kunt u aangeven hoe de extra kosten gedekt zijn?
De extra kosten worden gedekt binnen de begroting van de Belastingdienst.
De toename van psychiatrische problematiek in de jeugdzorg |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Jeugdzorgverleners: «Die continue alertheid zuigt je leeg»»?1
Ja.
Ben u ook geschrokken van het sterk stijgende aantal suïcides en suïcidepogingen? Welke stappen gaat u nemen om deze ontwikkeling te remmen?
Ik schrik als ik hoor van het sterk stijgend aantal suïcides en suïcidepogingen. Het verlies van deze jongeren – en het verdriet en onmacht van de ouders en naasten die achterblijven – raken mij diep.
Bij brieven van september respectievelijk december 2018 hebben de Staatssecretaris van VWS en ik u geïnformeerd over de toename van het aantal suïcides onder jongeren in 2017.2 Als we naar de cijfers kijken:
Naar aanleiding van deze cijfers hebben de Staatssecretaris van VWS en ik het afgelopen jaar met verschillende organisaties gesproken over de oorzaken en achtergronden en wat we nog meer kunnen doen om suïcides te voorkomen
Er volgt nog een verdiepend onderzoek om inzicht te krijgen in de factoren die bij de suïcides in 2017 een rol speelden. Dat gebeurt door middel van diepte-interviews en vragenlijsten met ouders en vrienden van de overleden jongeren en met betrokken hupverleners en docenten. In september 2019 krijgt uw Kamer naar verwachting de beleidsrapportage met aanbevelingen.
Naast deze inspanningen om een beter inzicht te krijgen gaat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in haar toezicht op de jeugdhulpverleners specifiek toezien op de implementatie van de professionele standaarden voor goede zorg bij suïcidaal gedrag, waarbij de samenwerking in de keten meer nadruk zal krijgen.
Deelt u de mening dat het doorschuiven van jongeren met psychiatrische problemen uit jeugd-GGZ instellingen naar gesloten Jeugdzorg-instellingen geen passende oplossing is?
Ja. Elk kind heeft recht op een liefdevolle en stabiele omgeving om in op te groeien. Als kinderen niet meer thuis kunnen wonen, willen we dat ze zo veel mogelijk kleinschalig, gezinsgericht en perspectief biedend worden opgevangen. Dat geldt ook voor jongeren met psychiatrische problemen. Als een jeugdige niet op zijn plek is vanwege complexe problematiek, moeten jeugd-ggz en jeugdzorg samen kijken hoe passende zorg wel kan worden geboden. Als dat nodig is, kan de instelling daarvoor een beroep doen op het regionaal expertteam. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Welke concrete stappen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat jongeren niet continu worden herplaatst waardoor gedragsproblematiek verergert?
Het is onacceptabel dat uit huis geplaatste kinderen zo vaak worden doorgeplaatst. Alle betrokken partijen (o.a. zorgverleners, overheden) moeten hierin verantwoordelijkheid nemen. Ik zal dit blijven agenderen en aanjagen richting alle betrokken partijen om het doorverhuizen van uit huisgeplaatste kinderen te stoppen/terug te brengen.
Met de gemeenten en jeugdhulp zijn we bezig om meer pleeggezinnen te werven. Ook investeren we in opvangplekken waar kinderen zo fijn en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Om dit voor elkaar te krijgen, is het belangrijk om per gemeente te weten hoeveel kinderen er worden doorgeplaatst. Daarom gaan we op korte termijn met VNG, de branches gespecialiseerde zorg jeugd (BGZJ)en het CBS in gesprek te gaan om deze cijfers inzichtelijk te krijgen.
Door de inzet van regionale expertteams kunnen onnodige overplaatsingen worden beperkt. Elke jeugdregio heeft inmiddels een regionaal expertteam om ervoor te zorgen dat elk kind met complexe casuïstiek snel passende hulp krijgt, ongeacht de complexiteit van de zorgvraag. De VNG heeft op haar website een landelijk dekkend overzicht gepubliceerd van de expertteams met contactgegevens. Deze lijst is gedeeld met instanties en organisaties die met complexe casuïstiek te maken hebben, zodat de expertteams ook voor hen vindbaar zijn. Uit recent onderzoek «Geef nooit op – gebrek aan vervolghulp JeugdzorgPlus» blijkt dat expertteams met doorzettingsmacht een sleutel kunnen zijn voor succes bij het vinden van (juiste) vervolghulp.4 Hiervoor is nog wel verdere ontwikkeling nodig, zoals ook te lezen is in het factsheet van de IGJ: «De regionale expertteams: nog stappen te zetten.»5
Deelt u de mening dat het bizar is dat Jeugdzorg-instellingen steeds generalistischere zorg moeten verlenen vanwege constante aanbestedingen in plaats van specialistische hulp te verstrekken zodat jongeren zo goed mogelijke zorg kunnen ontvangen? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend dat jeugdzorg-instellingen steeds generalistischere zorg moeten verlenen vanwege constante aanbestedingen in plaats van specialistische hulp te verstrekken. Volledigheidshalve informeer ik u over mijn ambitie om de praktijk van de inkoop beter aan te laten sluiten bij de aard van het sociale domein en de praktijk van de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning.
Met gemeenten en aanbieders heb ik in een Bestuurlijk Overleg op 24 januari 2019 een aanpak vastgesteld om gemeenten en aanbieders te ondersteunen bij de inkoop in het sociaal domein6. Deze aanpak is tot stand gekomen door gemeenten en aanbieders zelf, waarbij zij ondersteund worden door de rijksoverheid en diverse kennisinstellingen.
In het kader van deze aanpak heeft de afgelopen maanden een traject plaatsgevonden waarin de knelpunten in de inkoop en het aanbesteden in het sociaal domein in kaart zijn gebracht. Daarbij is niet naar voren gekomen dat specialistische jeugdhulpaanbieders generalistischere zorg verlenen vanwege aanbestedingen.
Op basis van de ervaren knelpunten zijn doelen geformuleerd die de basis voor de aanpak vormen. Daarbij gaat het niet alleen over hoe de inkoop technisch vorm moet krijgen (kennis en informatie beschikbaar maken). Belangrijk is ook hoe partnerschap tussen gemeenten en aanbieders vorm krijgt (betere samenwerking), hoe ruimte ontstaat voor beleidsvrijheid zonder onnodige administratieve lasten (meer standaardisatie) en hoe inkoop bijdraagt aan de transformatie door dit onderdeel te laten zijn van een continu leer- en verbeterproces. Dit alles uiteraard ten behoeve van de inwoner/cliënt.
Sommige knelpunten vloeien voort uit de Europese aanbestedingsrichtlijn en zijn daardoor niet of nauwelijks op te lossen op nationaal niveau. Deze knelpunten kaart ik aan op Europees niveau. Daarbij hanteer ik als uitgangspunt dat zaken als lokaal partnerschap, samenwerking en continuïteit belangrijker zijn dan overwegingen met betrekking tot mededinging en concurrentie.
Welke oplossingen ziet u en gaat u invoeren om de zwaar overbelaste Jeugdzorg-medewerkers te ontzien?
Afgelopen december heb ik het rapport Arbeidsmarktverkenning jeugdsector naar uw Kamer gestuurd.7 Jeugdprofessionals die hebben deelgenomen aan de focusgroepen zeggen over nieuwe (pas afgestudeerde) collega’s dat ze snel opbranden doordat hun caseload – door het tekort aan mensen – te snel wordt opgebouwd en de inwerkperiode is ingekort. Uit de focusgroepen komt naar voren dat werkdrukverlaging vraagt om een aanpak gericht op meerdere factoren. Aspecten die bijdragen aan werkdrukverlaging zijn onder meer een lagere caseload, minder regeldruk en meer collegiaal overleg. In de arbeidsmarktverkenning staan veel adviezen, aanbevelingen en kansrijke voorbeelden, waaronder de pilot «Caseload verlagen» van Jeugdbescherming regio Amsterdam en de traineeships van Intervence en Enver voor pas afgestudeerden en zij-instromers. Op basis van deze opbrengst maak ik met veldpartijen afspraken om samen tot concrete verbeteracties te komen die worden ingezet naast de reeds ingezette acties zoals de aanstelling van mevrouw Verdonk en de heer Leisink als speciaal adviseur om de regeldruk aan te pakken.
De onjuiste informatie die door apothekers verspreid wordt over geneesmiddelentekorten |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het feit dat apothekers blijven beweren dat de lage prijzen in Nederland de oorzaak zijn van geneesmiddelentekorten?1 Deelt u de mening dat het een wat vreemde redenering van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Pharmacie (KNMP) is dat de prijzen van geneesmiddelen zouden moeten stijgen om voldoende voorraad te kunnen waarborgen?
Ik ondersteun niet de bewering van de KNMP dat de lage prijzen in Nederland de oorzaak zijn van geneesmiddelentekorten. Leveringsproblemen van geneesmiddelen zijn een wereldwijd probleem en geen specifiek Nederlands probleem. Geneesmiddelenproductie is een internationale markt. De oorzaken voor leveringsproblemen zijn gelegen in grondstoftekorten en productieproblemen en mogelijk een toegenomen kwetsbaarheid van de keten (globalisering); daar heeft de hele wereld mee te maken.
Ik ben in overleg met stakeholders, inclusief de KNMP, om de voorraad van geneesmiddelen in Nederland te vergroten. Daarbij wordt gekeken waar de extra voorraad moet liggen (firma, groothandel of apotheek), en welke risico’s of kosten dit met zich meebrengt. Ik vind het nu nog te vroeg om een uitspraak te doen over risico’s en kosten en waar die dan liggen in de keten van geneesmiddelenproductie en -distributie.
Ik zal u voor het zomerreces informeren over de uitkomst van dit overleg.
Is het waar dat de oorzaak van het recent opgetreden piltekort lag in het feit dat er een tekort aan grondstoffen ontstond en vervolgens, toen de productie weer op gang kwam eerst de Microgynon 20 werd geproduceerd die in Duitsland, Frankrijk en België meer wordt voorgeschreven en dus een veel grotere omzet heeft en vervolgens pas de in Nederland gangbare Microgynon 30?
De leveringsproblemen van de anticonceptiepil werden veroorzaakt door productieproblemen in twee fabrieken, waardoor de kwaliteit, werkzaamheid en veiligheid van het geneesmiddel niet kon worden gegarandeerd. Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten heeft geen informatie ontvangen dat de Microgynon 20 eerst werd geproduceerd en daarna pas de Microgynon 30.
Wat vindt u van het feit dat de heer Janson, directeur KNMP, blijft beweren dat de lage prijs van anticonceptiemiddelen de oorzaak was van het tekort dat recent speelde? Heeft de heer Janson gelijk of beweert hij dit ten onrechte?
Ik ben het niet eens met de heer Janson dat de lage prijs van de anticonceptiemiddelen in Nederland de oorzaak was van het tekort dat recent speelde. De leveringsproblemen van de anticonceptiepil werden veroorzaakt door productieproblemen in twee fabrieken, waardoor de kwaliteit, werkzaamheid en veiligheid van het geneesmiddel niet kon worden gegarandeerd. Deze productieproblemen troffen dus niet alleen Nederland maar een groot aantal landen.
Hoe past deze bewering van de apothekers dat de tekorten veroorzaakt worden door (te) lage prijzen, bij het feit dat de laatste twee jaar de tekorten van preferente middelen juist zijn gedaald?
Bij de prijzen van geneesmiddelen is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen geneesmiddelen die onderhevig zijn aan concurrentie (generieke geneesmiddelen) en geneesmiddelen die dat niet zijn.
Het is in het algemeen aan de markt hoeveel er betaald wordt voor geneesmiddelen die onderhevig zijn aan concurrentie. Voor wat betreft de maximale geneesmiddelenprijzen in Nederland laat het rapport «International price comparison of pharmaceuticals 2017» (TLV)2 zien dat voor wat betreft geneesmiddelen waarvoor concurrentie bestaat, de prijzen in Nederland laag liggen (t.o.v. andere Europese landen). Voor geneesmiddelen zonder concurrentie (de middelen met een patent) liggen de prijzen echter hoger dan in andere Europese landen. Ook in deze groep geneesmiddelen komen tekorten voor.
Ik constateer dat de prijzen van generieke geneesmiddelen soms laag zijn. Dat is in algemene zin goed nieuws, want dat zorgt ervoor dat de premie voor de zorgverzekering betaalbaar blijft. Mede hierdoor is er sinds 2011 € 2,5 miljard bespaard op extramurale geneesmiddelen ten opzichte van het beschikbare kader. Er wordt regelmatig gesuggereerd dat leveringsproblemen veroorzaakt worden door de lage prijzen van geneesmiddelen in Nederland, maar dat wordt niet onderbouwd. Bij de meeste meldingen van leveringsonderbrekingen bij het Meldpunt wordt als reden aangegeven dat dit het gevolg is van een vertraging in de productie of het distributieproces van een geneesmiddel.
De lage prijzen kunnen mogelijk wel een rol spelen op het moment dat een firma na een productieprobleem de productie weer opstart en bij de herverdeling van de beperkte nieuwe voorraad voorrang geeft aan de landen met hogere prijzen. Maar vanwege de lage prijzen besparen we in Nederland ook veel op de zorgkosten.
Bij slechts een deel van de tekorten is sprake van een preferent geneesmiddel.
Is het waar dat jaarlijks een contract wordt gesloten over de hoeveelheid geneesmiddelen die wordt afgenomen en deze cijfers door de landelijke kantoren van internationale farmaceuten worden doorgegeven aan het hoofdkantoor dat daarmee de omvang van de productie bepaalt? Zo ja, wordt daarmee de bewering van de apothekers dat Nederland achteraan in de rij staat, ontkracht, omdat de omvang van de te leveren hoeveelheid geneesmiddelen immers al van te voren is afgesproken en vaststaat?
Bij het inkoopbeleid van zorgverzekeraars met firma’s worden ook afspraken gemaakt over de leveringszekerheid en de verwachte hoeveelheid geneesmiddelen die een firma zal afleveren. Daarnaast maken firma’s zelf ook een inschatting van de verkoop van hun geneesmiddelen waarop geen inkoopbeleid wordt toegepast door zorgverzekeraars.
Een firma kan zijn productie afstemmen op basis van de afspraken die hij zelf maakt. Het komt echter voor dat een firma te maken krijgt met een onverwachte hogere vraag, bijvoorbeeld omdat een andere firma een vergelijkbaar geneesmiddel niet kan leveren. Dat was ook het geval bij de recente leveringsproblemen van de anticonceptiepil. Daarom is het van belang dat alle firma’s tijdig melden als ze een leveringsprobleem verwachten, omdat alleen dan het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen een goede inschatting kan maken van de impact en andere firma’s hun productie of distributie wellicht kunnen aanpassen.
Waarom houden apothekers, als goede zorgverleners én ondernemers, geen hogere voorraad aan van middelen die (volgens hen) zo laag geprijsd zijn, terwijl de voorraad dus niet heel kostbaar zal zijn?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Wat is de stand van zaken rond het overleg rond de werkgroep geneesmiddelentekorten?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Wie gaat de kosten dragen van een hogere voorraad geneesmiddelen? Vindt u dat het aanhouden van voldoende voorraad behoort bij het ondernemerschap van een apotheker c.q. groothandel?
Op dit moment geldt er al een wettelijke verplichting voor firma’s en groothandels om voldoende geneesmiddel op voorraad te hebben (artikel 36 lid 2 en artikel 49 lid 7 van de Geneesmiddelenwet). Dit maakt nu ook al onderdeel uit van het ondernemerschap. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid de apothekers te vragen nu eens een lijst van geneesmiddelen aan te leveren waarvan aantoonbaar is vastgesteld dat tekorten zijn ontstaan door preferentiebeleid, c.q. te lage prijzen?
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten publiceert in het eerste kwartaal van dit jaar de rapportage over 2018. Daarbij wordt ook gekeken of het geneesmiddel waarvoor een leveringsprobleem wordt gemeld op enige wijze in een preferentiebeleid is opgenomen. Ik wacht deze rapportage van het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten af en zal de apothekers niet vragen om een lijst van geneesmiddelen aan te leveren waarvan aantoonbaar is vastgesteld dat het tekort is ontstaan door preferentiebeleid c.q. te lagen prijzen.
Bent u bereid toe te zeggen dat u geen bindende overeenkomst of afspraak met apothekers, groothandels en farmaceutische fabrikanten maakt zonder deze eerst aan de Kamer voor te leggen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat zal ik waarschijnlijk niet doen. Het is namelijk afhankelijk van de manier waarop we dit gaan vastleggen. Een wetswijziging is wellicht niet nodig als het in andere regelgeving kan worden opgenomen. Alvorens dit te kunnen besluiten ben ik in goed overleg met firma’s, groothandels, zorgverzekeraars en apothekers om te kijken op welke wijze de voorraad geneesmiddelen in Nederland vergroot kan worden op basis van de bestaande wetgeving. Als daarover afspraken zijn gemaakt, zal ik uw Kamer daarover informeren. Het beoogde doel is om de geneesmiddelenvoorraad in Nederland te vergroten, en de firma’s, groothandels, zorgverzekeraars en apothekers overleggen met elkaar op welke wijze men daar invulling aan geeft.
Het bericht ‘Politie zoekt getuigen van levensgevaarlijke rit over wielerparcours’ |
|
Remco Dijkstra (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Politie zoekt getuigen van levensgevaarlijke rit over wielerparcours»?1 Bent u op de hoogte van berichten als «Politiebegeleiding juniorklassiekers op de tocht»2 en «46e omloop NWO afgebroken wegens ongeval»?3
Ja.
Onderschrijft u de noodzaak dat wielerkoersen voor de verkeersveiligheid goed beveiligd moeten zijn? Deelt u de mening dat daarbij veel taken die in het verleden bij de politie rustten, tegenwoordig ook door gekwalificeerde vrijwilligers (de zogenoemde motards) gedaan kunnen worden? Wat is daarvoor nodig om dat veilig te kunnen uitvoeren?
In algemene zin geldt dat noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen getroffen moeten worden, bijvoorbeeld parcoursafzettingen waar nodig. De regelgeving kent geen mobiele verkeersregelaars naast de beroepsmatige weginspecteurs van Rijkswaterstaat en transportbegeleiders van exceptioneel transport. Vrijwillige verkeersregelaars zijn alleen voor zeer eenvoudige verkeersregelende handelingen, bijvoorbeeld op één kruispunt, en tijdens evenementen. De tijdens het rijden verkeersregelende werkzaamheden van motards (naast begeleiding van de koers zelf) zijn niet te beschouwen als eenvoudig. Motards zijn dan ook niet bevoegd om verkeersregelend te handelen rijdend op een motor.
Bent u op de hoogte van initiatieven van de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging (KNMV) en de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie (KNWU) samen om bij wielerkoersen in samenwerking met de politie diensten te verlenen door vrijwillige dynamische verkeersregelaars, de zogenoemde motards?
Ja, maar dit strookt niet met de regelgeving zoals die op dit moment van toepassing is. Bij de laatste wijziging in 2017 van de Regeling verkeersregelaars 2009 is over de problematiek van de motards met de KNWU en NOC*NSF gesproken. Toen is met de partijen gedeeld dat de motards (met als functie onder andere mobiel het verkeer regelen) buiten de kaderstelling van de Regeling verkeersregelaars 2009 vallen. Motards zijn niet bevoegd om verkeersregelend te handelen rijdend op de motor. Zij mogen alleen statisch verkeersregelend optreden als ze zijn aangesteld als verkeersregelaar en onder toezicht staan van de politie. Tussen twee locaties rijdend zijn ze verkeersdeelnemer.
Deelt u de mening dat mogelijk aanpassing van artikel 58a lid 4 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) ervoor kan zorgen dat (beroeps-)verkeersregelaars een wettelijke basis kunnen verkrijgen en dat dit kan helpen in de uitvoering van hun taken?
De werkzaamheden en bevoegdheden van (evenementen- en beroeps)verkeersregelaars zijn expliciet vastgelegd. Vermeende mobiele verkeersregelaars functioneren in strijd met deze regelgeving. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid is een bewuste keuze gemaakt om behoudens weginspecteurs van Rijkswaterstaat in het kader van incidentmanagement, mobiel verkeersregelend handelen niet toe te staan.
Is het waar dat door een terugtrekkende politie vanaf 2020 wellicht nog maar de helft van alle wielerkoersen in Nederland doorgang kan vinden omdat de politie keuzes moet maken en afwezig blijft? Is dit een wenselijke ontwikkeling? Zijn er methoden om dat te voorkomen door inzet van derden? Welke mogelijkheden zijn er om de politie voortaan meer te laten optreden als regisseur dan als uitvoerder, waarbij de politie de beroepsverkeersregelaars, de vrijwilligers en andere betrokkenen onder begeleiding aanstuurt en zelf een stap terug doet?
In overleg met de KNWU is de wielerkalender voor 2019 geanalyseerd op de noodzakelijkheid van politie-inzet. Van oudsher werd in principe iedere aanvraag voor begeleiding gehonoreerd. Door de groeiende inzet van politie bij wielerrondes kwamen andere belangrijke taken op het gebied van verkeershandhaving steeds meer in het gedrang. De KNWU en de politie hebben de organisatoren van wielerrondes onder auspiciën van de KNWU verzocht te kijken naar andere vormen van koersen (bijvoorbeeld koersen op semi-afgesloten parcours) waardoor minder politie-inzet noodzakelijk is. Hierdoor kan de politie weer beter haar andere taken op het gebied van verkeershandhaving vervullen.
Het streven van de KNWU en de politie is om in 2020 alle lagere categorieën wielerrondes te laten rijden op afgesloten omlopen en de inzet van politie met 50% te reduceren. Daarbij is dan een grotere inzet van bebording en van (vrijwillige) verkeersregelaars noodzakelijk om de veiligheid te waarborgen. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de organisaties van wielerrondes, waarbij zij dienen te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden en verkeersveiligheidsbepalingen.
Sommige Provincies, zoals Limburg, kennen veel koersen, hetgeen waarde toevoegt voor het gebied, bewoners, ondernemers, gasten en wielerrecreanten; is het denkbaar dat organisatoren, om goede en veilige koersen te behouden, een financiële bijdrage leveren aan de politie om de noodzakelijke taken toch gedaan te krijgen?
Organisatoren van wielerkoersen zijn verantwoordelijk voor een veilig verloop van hun evenementen. Een belangrijk instrument dat de organisatoren daartoe ter beschikking hebben is de inzet van evenementenverkeersregelaars. De politie heeft hier een toezichthoudende rol. De overheid is primair verantwoordelijk voor openbare orde en veiligheid. Het kabinet is daarom eerder niet overgegaan tot wetgeving inhoudende doorbelasting van politiekosten. Er is geen reden dit standpunt te wijzigen. De politie ervaart bij het uitvoeren van haar toezichthoudende rol, een reguliere taak van de politie, geen knelpunten.
Wat zijn de mogelijkheden voor Stichting Verkeersregelaars Nederland (SVNL), KNWU, Nederlandse Toer Fiets Unie (NTFU) en Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sport Federatie (NOC-NSF) om voorlichting te geven over veilig verkeersgedrag en daarmee voor zowel professionele, als voor toertochten de verkeersveiligheid positief te beïnvloeden? Deelt u de mening dat een gedragsverandering kan bijdragen aan het terugdringen van de politiebegeleiding?
Het geven van voorlichting in het algemeen is altijd goed. De effectiviteit daarvan hangt af van onder andere de aard van de veiligheidsrisico’s die niet generiek te beschrijven zijn, behoudens het oproepen tot oplettendheid en adequate bebording. Goede begeleiding lijkt in alle gevallen gewenst. Een veilige koers is primair de verantwoordelijkheid van de organisator. De overheid blijft daarnaast verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid, waarbij de politie in dit geval in een toezichthoudende rol betrokken is.
Nu geeft de KNWU wielerwedstrijden door aan de Landelijke Eenheid van de politie, is dat een goede werkwijze, of kan het helpen dat lokale eenheden zelf bepalen welke en hoeveel inzet zij plegen bij wielerevenementen, rekening houdende met de landelijke politiestandaard?
Met ingang van het wedstrijdseizoen 2018 dient de aanvraag voor wielerbegeleiding op één punt bij de politie gemeld te worden, namelijk een loket bij de Landelijke Eenheid. Door deze werkwijze is de daadwerkelijke inzet ten behoeve van wielerwedstrijden in beeld gekomen en kan ook centraal de ondersteuning aan regionale eenheden geregeld worden. Naast het loket heeft de Landelijke Eenheid op grond van de Circulaire Bijzondere Verkeerstechnische Begeleiding (VT) ook nog een uitvoerende taak voor geprioriteerde wielerwedstrijden.
Bent u bereid om de genoemde partijen aan te horen en te bezien welke problemen en uitdagingen gezamenlijk opgelost kunnen worden als de inzet van politie minder wordt?
Ja. Ik vind het belangrijk om de mogelijke problemen goed in beeld te krijgen en gezamenlijk mogelijke oplossingen te verkennen, ook waar het gaat om de inzet van motards. Uitgangspunt daarbij moet wel steeds zijn dat elke optie kan bijdragen aan het vergroten van de veiligheid van en rond wielerwedstrijden.
Incassobonussen van deurwaarders voor grote klanten |
|
Michiel van Nispen (SP), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Deurwaarders onder vuur om incassobonus voor grote klanten»?1
Ja.
Deelt u de mening van de toezichthouder, het Bureau Financieel Toezicht, dat de constructie die deurwaarders met grote klanten, zoals zorgverzekeraars, energiebedrijven en telecomaanbieders, hebben opgetuigd «onwenselijk en over de rand» is? Zo nee, waarom niet?
De onafhankelijke toezichthouder Bureau Financieel Toezicht (BFT) doet momenteel onderzoek naar prijsafspraken die deurwaarders met hun opdrachtgevers overeenkomen. Het gaat hier om een zogenaamde kick back fee. Deze houdt in dat de gerechtsdeurwaarder een deel van de opbrengst van de ambtshandeling doorgeeft aan de opdrachtgever. Dit verdienmodel is mogelijk een risico voor de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder. Het zou namelijk een zorgvuldige belangenafweging tussen schuldeiser en schuldenaar in de weg kunnen staan. Dat acht ik onwenselijk en het is daarom goed dat de toezichthouder een onderzoek is gestart.
Hoe verhoudt deze constructie zich in uw ogen tot de Verordening beroeps- en gedragsregels voor gerechtsdeurwaarders? Kunt u in uw antwoord in het bijzonder aandacht besteden aan artikel 2 van deze Verordening over onafhankelijkheid en onpartijdigheid?
Gerechtsdeurwaarders zijn openbare ambtenaren die in onafhankelijkheid hun publieke taak moeten vervullen. De onafhankelijkheid is wettelijk geregeld in de gerechtsdeurwaarderswet. Daarnaast heeft de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) een tweetal verordeningen opgesteld die de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder reguleren. In de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders zijn normen gesteld over de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder zijn beroep uitoefent. Ten aanzien van de onafhankelijkheid is daarin geregeld dat de gerechtsdeurwaarder zijn beroep zo uitoefent dat zijn onafhankelijkheid en ambtelijke onpartijdigheid niet in gevaar komen. In de Verordening onafhankelijkheid gerechtsdeurwaarders artikel 2, eerste lid is geregeld dat de gerechtsdeurwaarder ervoor zorgt dat de aanvaarding en de uitvoering van opdrachten nimmer worden bepaald of beïnvloed door andere rollen of verantwoordelijkheden. Indien uit onderzoek van het BFT blijkt dat in de praktijk prijsafspraken ertoe leiden dat de onafhankelijkheid in het geding is, zal het BFT handhavend optreden. Het is uiteindelijk aan de tuchtrechter om te oordelen of de prijsafspraak in de desbetreffende gevallen toelaatbaar was.
Acht u de waarborgen voor een gerechtsdeurwaarder, een zorgvuldige belangenafweging te kunnen maken tussen schuldeiser en schuldenaar, met deze constructie nog afdoende? Zo ja, welke waarborgen zijn dat en kunt u daarvan aangeven waarom zij, ondanks deze constructie, nog voldoende zijn?
Gerechtsdeurwaarders mogen zich bij de uitvoering van hun publieke taak niet door hun eigen verdiensten laten leiden. Financiële prikkels die er toe leiden dat gerechtsdeurwaarders eerder dan noodzakelijk ambtshandelingen verrichten zijn daarom ongewenst. De KBvG heeft een «Verordening begrenzing tariefmodellen» in voorbereiding die beoogt afspraken met opdrachtgevers tegen te gaan die de afweging kunnen verstoren die een gerechtsdeurwaarder bij het vervullen van zijn publieke taak moet maken. Deze zal naar verwachting dit voorjaar ter goedkeuring aan mij worden voorgelegd.
De relatie tussen de bekostiging van ambtshandelingen en de wijze waarop de deurwaarder zich tegenover de schuldenaar gedraagt, is onderwerp van onderzoek van een adviescommissie. Deze Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (de commissie Oskam) doet aanbevelingen om het stelsel voor tarifering van ambtshandelingen van gerechtsdeurwaarders te actualiseren en te komen tot een bestendige regeling voor de toekomst. Deze commissie levert dit voorjaar haar eindrapport op. Ik zal uw Kamer daar later dit jaar over informeren.
Klopt het, dat deurwaarders al sinds 2009 van deze constructie af willen en dat de toezichthouder hiervan op de hoogte is? Indien deurwaarders inderdaad al sinds 2009 van deze constructie af willen, waarom moet het dan zo lang duren?
Het klopt dat in 2009 al aandacht was voor de prijsafspraken die gerechtsdeurwaarders maken met hun opdrachtgevers. In het rapport «Noblesse oblige» uit 2009 stond de aanbeveling dat opdrachtgevers niet aan ambtshandelingen zouden mogen verdienen.2 Een verbod op prijsafspraken die er toe leiden dat opdrachtgevers verdienen aan een ambtshandeling is door de regering destijds niet nodig geacht om de onafhankelijkheid van gerechtsdeurwaarders voldoende te waarborgen. Het maken van prijsafspraken tussen gerechtsdeurwaarder en opdrachtgever is een logisch gevolg van de in 2001 geïntroduceerde marktwerking.
In 2010 heeft de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie de Verordening onafhankelijkheid gerechtsdeurwaarders van de KBvG goedgekeurd. Vervolgens is in 2016 deze onafhankelijkheid wettelijk vastgelegd in de Gerechtsdeurwaarderswet. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, heeft de KBvG een nieuwe verordening in voorbereiding die tot doel heeft grenzen te stellen aan tariefafspraken. Deze verordening heeft mede tot doel de onafhankelijkheid nader te waarborgen. Daarnaast is de relatie tussen prijsafspraken en onafhankelijkheid sinds medio 2016 onderwerp van aandacht van de toezichthouder, toen het BFT verantwoordelijk werd voor het integraal toezicht.
Welke mogelijkheden ziet u teneinde de waarborgen voor een onafhankelijke en onpartijdige belangenafweging verder te versterken naar aanleiding van deze berichtgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het, dat de marktomstandigheden waar deurwaarderskantoren al enige tijd mee kampen moeilijk zijn? Zo ja, waar ligt dat volgens u aan? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de gerechtsdeurwaarders het financieel zwaar hebben. Gedurende de laatste jaren heeft de sector te maken met een structurele omzetdaling gedurende de laatste jaren (2015: € 423.945.000, 2016: € 406.173.000, 2017: € 389.265.000). De omzetdaling is volgens de KBvG deels te verklaren door een trend dat het aantal ambtshandelingen afneemt. Deze afname wordt onder andere veroorzaakt door een toenemende terughoudendheid om de gang naar de kantonrechter te maken vanwege de verhoging van de griffierechten, maar ook omdat de gerechtsdeurwaarders meer dan voorheen erin slagen om met een schuldenaar een betalingsregeling te treffen, waardoor bijvoorbeeld het leggen van beslag kan worden voorkomen, aldus de KBvG.
Geldt de overheid als een schuldeiser die het risico van een mislukte incasso bij de deurwaarders probeert te leggen? Zo ja, hoe beoordeelt u het effect daarvan op deurwaarderskantoren? Zo nee, waarom niet?
Nee, gerechtsdeurwaarders zijn naast openbaar ambtenaar ook ondernemer en maken in die laatste hoedanigheid zelf (prijs) afspraken met hun opdrachtgever. Zij zijn daarom zelf verantwoordelijk voor het maken van (prijs) afspraken die hen in staat stellen een bestendige praktijk te voeren. Daarnaast dient de overheid zich op te stellen als goed opdrachtgever.
Overigens zal de reeds eerder genoemde Commissie herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders, bij de uitvoering van zijn taak een afweging maken tussen een goede, verantwoorde en efficiënte bedrijfsvoering van de gerechtsdeurwaarder (inclusief een redelijke ondernemingsvergoeding), de bescherming van de schuldenaar tegen te hoog oplopende kosten en de belangen van de schuldeiser. Dit alles binnen de rechtsstatelijke uitgangspunten.
Wat zijn de door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), onder voorbehoud, aangekondigde plannen in 2019 een nieuwe aanbesteding met betrekking tot overheidsopdrachten voor gerechtsdeurwaarders in de markt te willen zetten? Op welke manier heeft u daarin de gevolgen voor de marktwerking in de sector van gerechtsdeurwaarders meegenomen? Wat is de noodzaak tot deze aanbesteding?
Het CJIB heeft in 2017 een succesvolle aanbesteding afgerond, waarin de vorderingen van vier bestuursorganen gezamenlijk zijn aanbesteed. In de aanbestedingsdocumenten is toen aangekondigd dat er op een termijn van circa twee jaar een volgende aanbesteding zou komen met een bredere scope en een grotere diversiteit aan vorderingen. Deze aanbesteding is nu in voorbereiding en start volgens planning medio 2019. Met deze aanbesteding geeft het CJIB uitvoering aan de Rijksincassovisie.
Als onderdeel van de voorbereiding op de aanbesteding verdiept het CJIB zich nadrukkelijk in de marktomstandigheden, heeft zij gesprekken gevoerd met de beroepsorganisatie KBvG en de belangenorganisatie (Deurwaardersbelangen.Nu) en voert zij een brede marktconsultatie uit. Onderdeel van de consultatie was een informatiebijeenkomst op 31 januari 2019, waar alle gerechtsdeurwaarderkantoren, de KBvG en Deurwaardersbelangen.Nu waren uitgenodigd.
De juridische noodzaak is gelegen in de Aanbestedingswet 2012. Bovendien biedt een aanbesteding beleidsmatig de mogelijkheid om te zorgen dat alle vorderingen van één debiteur gebundeld worden bij één gerechtsdeurwaarder. Daarnaast kan het CJIB beter sturen op het uitgangspunt dat vorderingen maatschappelijk verantwoord worden afgehandeld door gerechtsdeurwaarderskantoren die dit het beste kunnen uitvoeren. Zo kan het CJIB gerechtsdeurwaarders(kantoren) selecteren die beleidsmatig het best aansluiten bij de Rijksincassovisie.
Bent u bereid een juridische analyse uit te laten voeren over de noodzaak tot aanbesteding teneinde te bepalen in welke mate er ruimte is naar een implementatie van het zogeheten Belgische verdeelmodel van overheidsopdrachten te kijken, zoals o.a. is verzocht door Deurwaardersbelangen in hun brief van 11 januari 2019? Bent u bereid dat in samenspraak en met inzet van alle betrokken instanties te doen? Zo ja, wanneer kunt u die analyse aan de kamer zenden? Zo nee, waarom niet?
De Aanbestedingswet 2012 is voor mij het uitgangspunt. Daarom zie ik geen reden tot een juridische analyse van het Belgisch model. Daarnaast zijn er ook beleidsmatige redenen om tot een aanbesteding over te gaan. Zoals bij de beantwoording van vraag 9 is aangegeven wil het CJIB beter sturen op het uitgangspunt dat vorderingen maatschappelijk verantwoord worden afgehandeld. Door de «methodiek» van aanbesteden kunnen gerechtsdeurwaarderskantoren worden geselecteerd die dit het beste kunnen uitvoeren.
Hoe verhoudt deze aangekondigde planning zich tot de Rijksincassovisie waar het bewustzijn in wordt verwoord dat een burger slechts één afloscapaciteit heeft, zodat een schuldenaar niet door verschillende gerechtsdeurwaarders wordt benaderd?2
Door de aankomende aanbesteding geeft het CJIB uitvoering aan de Rijksincassovisie en kan het CJIB beter sturen op het principe dat een schuldenaar door één gerechtsdeurwaarder wordt benaderd (ten aanzien van de Rijksvorderingen die het CJIB uitvoert).
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de Rijksincassovisie, in het bijzonder met betrekking tot de onderlinge concurrentie tussen gerechtsdeurwaarders en het gebrek aan overzicht over de afloscapaciteit van de schuldenaar waardoor de beslagvrije voet van schuldenaren onder druk kan komen te staan?
Vanuit de Rijksincassovisie wordt gewerkt aan een Rijksincasso die transparant is, daar waar noodzakelijk de afstemming zoekt, maatwerk biedt, en zoveel mogelijk de onnodige ophoging van schulden voorkomt.
Het vanaf 1 januari 2016 operationele Digitale Beslagregister voor gerechtsdeurwaarders levert een belangrijke bijdrage als het om afstemming van de incasso op de mogelijkheden en omstandigheden van mensen met schulden gaat. Alle gerechtsdeurwaarders beschikken via het register over een goed beeld of en zo ja welke beslagen reeds bij een bepaalde schuldenaar liggen, waardoor beter zicht is op de afloscapaciteit van de schuldenaar. Het kabinet vindt het wenselijk dat ook overheidsorganisaties op een vergelijkbare wijze gegevens uitwisselen zodat het beeld van de schuldenaar completer is en een betere afweging kan worden gemaakt inzake de opportuniteit van een eventueel in gang te zetten incassotraject. Over de stand van zaken van de verbreding van het beslagregister is uw Kamer recent geïnformeerd bij brief van 15 november 2018.4
De gestegen kosten voor het gebruik van warmte |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tarieven warmte stijgen in 2019 door koppeling gasprijs en belastingen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het gebruik van warmte essentieel is bij het behalen van de doelen met betrekking tot CO2-reductie in de gebouwde omgeving? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. De inzet van duurzaam geproduceerde warmte en restwarmte zal in de energietransitie een belangrijke bijdrage leveren aan de doelen voor CO2-reductie in de gebouwde omgeving.
Deelt u de mening dat de forse tariefstijging voor warmte een negatieve prikkel oplevert voor het gebruik van warmte en niet bijdraagt aan de omschakeling naar een duurzame energievoorziening? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Voor de omschakeling naar een duurzame energievoorziening en de rol van collectieve warmtelevering zijn twee zaken van belang, namelijk het draagvlak bij de (potentiële) afnemers van warmte van een warmtenet en een goed investeringsklimaat voor de aanleg en het beheer van warmtenetten. Het is daarbij belangrijk dat er een goede balans wordt gevonden tussen beide. Het uitgangspunt blijft dat de gebonden afnemer van warmte beschermd wordt tegen te hoge tarieven. Bij de behandeling in uw Kamer van de in 2018 aangenomen wijziging van de Warmtewet is dit ook aan de orde geweest, waarbij er voor is gekozen om de maximum tarieven te blijven baseren op de gasreferentie. Daarmee betaalt de verbruiker gemiddeld gesproken niet meer dan wanneer gebruik wordt gemaakt van aardgas. Voor de warmteleveranciers betekent de doorwerking van stijgende gastarieven in de maximumprijs voor warmte een verbetering van hun rendementen, waardoor investeren in warmtelevering aantrekkelijker wordt. Uit de laatste in opdracht van ACM uitgevoerde rendementsmonitor blijkt dat de gemiddelde rendementen van warmteleveranciers lager zijn dan wat redelijk mag worden geacht.
Mochten warmteleveranciers de stijgende prijzen van aardgas gebruiken om de warmtetarieven te verhogen zonder dat hun onderliggende kosten (in dezelfde mate) meestijgen, waardoor onredelijk hoge rendementen ontstaan, dan zal dit blijken uit de rendementsmonitor en zal ACM dit kenbaar maken. Indien noodzakelijk zal ik dan de bepalingen uit de Warmtewet in werking laten treden, waarmee ACM de mogelijkheid krijgt om te hoge rendementen van warmteleveranciers te corrigeren via de warmtetarieven.
Deelt u de mening dat het voor gebruikers die zijn aangesloten op warmtenetten zeer onbillijk en onredelijk is dat zij, door de koppeling van warmtetarieven aan de aardgastarieven, een prijsprikkel krijgen toegediend die is bedoeld om aardgasgebruikers te stimuleren over te stappen op andere verwarmingsvormen, terwijl zij geen gebruiker zijn van aardgas? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze onbillijkheid en onredelijkheid weg te nemen?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat aangezien de stijging van de tarieven voor warmte voor een groot deel voorkomt uit de koppeling tussen de prijzen van warmte aan die van aardgas, dat die koppeling zou moeten worden losgelaten? Zo ja, hoe gaat u wet- en regelgeving op dit punt aanpassen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals besproken tijdens de behandeling in uw Kamer van het voorstel tot wijziging van de Warmtewet, vind ik op dit moment het handhaven van de koppeling van de warmteprijs aan de kosten van verwarming met aardgas een verstandige keus. Wanneer aardgas een minder dominante rol heeft in de warmtevoorziening dan nu het geval is, zal er een moment komen dat het verstandig is om die koppeling los te laten en de warmteprijs op een andere grondslag te reguleren. Mede naar aanleiding van de motie van het lid Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 34 723, nr. 29) laat ik onderzoek uitvoeren naar mogelijke alternatieven voor de gasreferentie om de bescherming van kleinverbruikers van warmte en de realisatie van de andere publieke belangen ook in de toekomst te borgen. De resultaten van dit onderzoek zullen worden betrokken bij de voorbereiding van de volgende wijziging van de Warmtewet (Warmtewet 2.0) en zullen daarbij ook met uw Kamer worden gedeeld.
Deelt u de mening dat aangezien het streven is om het gebruik van warmte te stimuleren en gebruik van gas af te remmen, dat de energiebelasting op duurzame warmte niet zou mogen stijgen, of zelfs moet worden gereduceerd? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat deze stijging niet meer aan de orde zal zijn of wordt gereduceerd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Nee. Het doorwerken van een stijgende energiebelasting op aardgas in de maximumprijzen voor warmte vloeit voort uit het blijven hanteren van de gasreferentie. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, wordt bij de volgende wijziging van de Warmtewet gekeken naar alternatieven voor de gasreferentie.
Fouten bij keuring van zieke jongeren |
|
Jasper van Dijk |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht «fouten bij keuring zieke jongeren» waaruit blijkt dat de beoordeling van een op de vijf jonggehandicapten verkeerd is?1 Wat is uw reactie hierop?
Ik ken het bericht. Hieruit trek ik overigens niet de conclusie dat de beoordeling van 1 op de 5 jonggehandicapten verkeerd is, maar dat in 2016 in 1 op de 5 gevallen de rechtmatigheid van de beslissing niet gegarandeerd was. Natuurlijk vind ik dat ernstig. Tegelijk zie ik hier de waarde bewezen van het interne proces van kwaliteitsborging dat UWV heeft ingeregeld. UWV heeft deze ernstige tekortkoming in het proces onderkend en verbetermaatregelen ingezet.
Onderschrijft u dat het onacceptabel is dat 33% van de jonggehandicapten geen Wajong-uitkering krijgt hoewel hij of zij blijvend arbeidsongeschikt is?
In het bewuste artikel wordt gesteld dat 33% van de gevallen die UWV heeft onderzocht ten onrechte geen Wajong-uitkering is toegekend. Dat is onjuist. Het rapport waarnaar wordt verwezen geeft aan dat in 6% van de afgewezen Wajongaanvragen de kans bestaat dat dit onterecht was. De algemene conclusie van het rapport luidde dat in 20% van de onderzochte gevallen een risico bestaat op een onjuiste beoordeling. Dat vind ik en met mij UWV, inderdaad niet acceptabel.
Hoe gaat u zorgen dat het werk van arbeidsdeskundigen de toets der kritiek kan doorstaan, nu uit het onderzoek blijkt dat slechts zeven procent van de arbeidsdeskundige beoordelingen een voldoende scoort?
Uit de analyse van de bevindingen van het kwaliteitsonderzoek uit 2016 op basis van rapportages van de verzekeringsarts en/of arbeidsdeskundige kwam naar voren dat vooral de redeneerlijn op grond waarvan men komt tot oordeelsvorming, het gebruik van de juiste terminologie en daarmee de kwaliteit van de rapportages voor verbetering vatbaar was, met name bij de arbeidsdeskundigen. De rapportages moeten toetsbaar, inzichtelijk en reproduceerbaar zijn. Dit is door UWV opgepakt met gerichte bijscholing voor arbeidsdeskundigen waarin rapporteren centraal stond. Het onderwerp loopt sindsdien mee in de periodieke kwaliteitscontroles van de betrokken divisie. Hieruit blijkt dat UWV een verbetering in het professioneel handelen van genoemde beroepsgroepen heeft weten te realiseren.
Waarom is het betreffende rapport niet naar de Kamer gestuurd?
Binnen UWV worden, als onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering, periodiek kwaliteitsonderzoeken verricht. Waar nodig, voert UWV verbeteracties uit. Daarmee geeft UWV blijk van de professionele taakopvatting die ik ook van de uitvoerder verwacht. UWV doet dat over de gehele linie van de taken die zij uitvoert en moet daarbij een eigen inschatting maken van de risico’s die zij daarbij aantreft.
Het bewuste interne onderzoeksrapport is destijds niet ter informatie aan mij aangeboden. Dat laat onverlet dat mijn departement en UWV steeds in gesprek zijn over een goede balans tussen openheid over de lastige opgaven waar de uitvoering voor staat en de ruimte voor de uitvoering om te werken, te leren en te verbeteren. De Minister van Sociale Zaken en ikzelf pogen uw Kamer ook deelgenoot van te maken door halfjaarlijks een brief met daarin de «Stand van de uitvoering» aan u te sturen (zie Kamerstuk 24 6448, nr. 608).
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken die de afdeling intern kwaliteitsonderzoek vanaf 2014 heeft uitgevoerd? Is in deze periode ook onderzoek gedaan naar de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)-keuring?
Zoals eerder toegelicht, zijn kwaliteitsonderzoeken van de afdeling Business Control en Kwaliteit onderdeel van het primaire proces van UWV. In dat licht acht ik het niet zinvol om alle interne kwaliteitsonderzoeken los van hun context in de externe verantwoording te brengen. De verantwoording aan de Minister en mijzelf als opdrachtgevers is via een andere lijn georganiseerd.
UWV is graag bereid een nadere toelichting te geven op de werking van het centrale kwaliteitsborgingsproces, de doorwerking naar de primaire processen en de interactie tussen kwaliteitsborging en externe verantwoording.
Hoe gaat u bevorderen dat de afdeling intern kwaliteitsonderzoek van het UWV haar kritische en onafhankelijke werk kan voortzetten?
Ik heb geen aanwijzing dat de afdeling haar werk niet zou kunnen voortzetten, dan wel dat zij dat niet kritisch of onafhankelijk doet. Het rapport laat in mijn ogen juist zien dat de afdeling de ruimte heeft om onvolkomenheden in processen bloot te leggen. Ik zie daarom geen aanleiding tot nadere actie.
Kan de afdeling een onafhankelijke positie krijgen, zoals het Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geldgebrek de belemmerende factor is voor jonggehandicapten om in beroep te gaan?
De mogelijkheid van bezwaar en beroep zijn geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. Het maken van bezwaar is kosteloos en vergt geen juridische bijstand. Het griffierecht voor een particulier voor het indienen van een beroepszaak bedraagt in 2019 € 47. Ook het indienen en voeren van een beroepszaak vergt geen juridische bijstand. Zowel in bezwaar als in beroep kan men ervoor kiezen zich te laten vertegenwoordigen door een familielid of naaste. Het is gebruikelijk in het bestuursrecht dat de partij die in beroep in het ongelijk wordt gesteld, niet verantwoordelijk wordt gehouden voor de proceskosten van de wederpartij.
Ik zie geen aanleiding, noch mogelijkheden om de toegankelijkheid van bezwaar en beroep verder te vergroten.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de jonggehandicapten die ten onrechte geen uitkering krijgen, alsnog een uitkering ontvangen?
De rechtmatige verstrekking van uitkeringen op grond van alle materiewetten, waaronder de Wajong2015, is een van de wettelijke taken van UWV. Gesprekken over de scores op rechtmatigheid vinden plaats binnen de reguliere verantwoordingscyclus. De mensen bij wie een risico is geconstateerd op een onjuist proces, zijn opnieuw beoordeeld.
Daarnaast is de Wajong2015, met als belangrijk onderdeel de beoordeling van het recht, in 2019 onderwerp van evaluatie. De rapportage hiervan ontvangt uw Kamer met de integrale evaluatie van de Participatiewet eind 2019.
Het bericht ‘856.000 Nederlanders in loondienst bouwen geen pensioen op’ |
|
Bart van Kent |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
Klopt het dat de circa 35.000 medewerkers in facilitaire klantcontactcentra geen pensioen opbouwen? Zo ja, wat is hierop uw reactie?1 2
Ja
Is het volgens u niet de omgekeerde wereld dat veel uitzendkrachten juist niet in loondienst willen omdat zij dan geen pensioen op kunnen bouwen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Pensioenfonds StiPP voert de pensioenregeling uit voor personeel in de uitzendbranche. Het deelnemen aan het pensioenfonds is verplicht gesteld voor uitzendkrachten die op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam zijn voor een uitzendonderneming. In Nederland kennen we geen algemene pensioenplicht. Bij werkgevers die niet onder een verplichtstelling van een bedrijfstakpensioenfonds vallen of waarbij deelname aan een pensioenregeling ook niet bij cao is geregeld, zijn werkgever en werknemers vrij om afspraken te maken over een pensioenregeling. Dit kan er ook toe leiden dat een werkgever geen pensioenaanbod doet en de betreffende werknemers geen pensioen opbouwen via de werkgever. De verantwoordelijkheid om afspraken te maken over pensioen ligt in beginsel bij sociale partners. Ik ontvang overigens geen signalen dat de verplichtstelling in de uitzendsector ervoor zorgt dat uitzendkrachten juist niet in loondienst willen, omdat zij dan geen pensioen opbouwen.
Hoeveel cao’s zijn er die niets regelen voor het pensioen van werknemers? Om welke bedrijfstakken gaat het daarbij en om hoeveel werknemers?
Pensioenen zijn voorzieningen met een eigen, door de Pensioenwet bepaald regime. Voor pensioenen bestaat parallel aan het algemeen verbindend verklaren van cao-bepalingen de »verplichte deelname» op basis van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (WBpf 2000). In de cao kan een bepaling worden opgenomen waarin wordt verwezen naar de van toepassing zijnde pensioenregeling. Een cao bevat dus zelf geen pensioenregeling, maar verwijst er wel veelal naar. Ik heb om deze reden de grootste cao’s steekproefsgewijs onderzocht. «Groot» wil zeggen: bedrijfstakcao’s van toepassing op 8.000 of meer werknemers en ondernemingscao’s van toepassing op 2.500 werknemers of meer. Gezamenlijk zijn deze van toepassing op ruim 85% van alle werknemers die onder een cao vallen. Uit deze steekproef blijkt dat vrijwel alle cao’s verwijzen naar een pensioenregeling. Het gaat hier om 96 van de 98 onderzochte cao’s. De twee cao’s waar geen verwijzing naar een pensioenregeling is opgenomen zijn de cao van de technische groothandel en de cao van horeca en aanverwant bedrijf. De cao van de technische groothandel (ca. 30.000 werknemers) bevat een aanbeveling aan werkgevers om binnen de onderneming een collectieve pensioenregeling voor werknemers te treffen. De cao van horeca en aanverwant bedrijf bevat geen verwijzing naar een pensioenregeling. Binnen deze sector geldt de verplichtstelling voor het bedrijfstakpensioenfonds Horeca en catering.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat niet alleen zzp’ers, maar ook de werknemers in loondienst vaker een pensioen opbouwen?
Een aanvullend pensioen is een belangrijke arbeidsvoorwaarde voor werknemers. Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 ligt binnen het huidige stelsel het primaat daarvoor in de eerste plaats bij de sociale partners. De instrumenten van de overheid – de verplichtstelling – worden op verzoek van de sociale partners ingezet. Het aanpassen van deze systematiek is een fundamentele stap. Dat kan niet zomaar geregeld worden en past ook niet bij de aard van het Nederlandse stelsel.
Zoals aangegeven in mijn brief over de vernieuwing van het pensioenstelsel vind het kabinet de omvang van de witte vlek een zorgelijke constatering en wil het Kabinet bezien of er maatregelen mogelijk zijn die ertoe leiden dat de pensioenopbouw onder werknemers wordt vergroot. Wat sowieso van belang is, is een goede monitoring van de ontwikkelingen.
Bent u bereid een pensioenplicht te onderzoeken en mogelijk door te voeren, indien het aantal werknemers dat geen pensioen opbouwt niet afneemt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg pensioenonderwerpen van 6 februari aanstaande?
Ja
Wat is uw reactie op het bericht over de arbeidsomstandigheden in klantcontactcentra waaronder dat indien je te lang naar het toilet gaat, je loon in moet leveren?
Vanzelfsprekend is het zo dat werknemers in de gelegenheid gesteld moeten worden om voldoende pauze- en rustmomenten in acht te nemen en om naar het toilet te gaan wanneer dit nodig is.
Volgens de Arbeidsomstandighedenwet is het de primaire verantwoordelijkheid van de werkgever om voor goede arbeidsomstandigheden te zorgen en om het werk zo te organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. De werkgever dient bovendien op grond van de Arbeidstijdenwet een beleid inzake arbeids- en rusttijden te voeren in samenhang met het arbeidsomstandighedenbeleid. Hierbij moet de werkgever, voorzover dat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden, rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van werknemers.
De Arbeidstijdenwet legt vast hoe lang werknemers mogen werken en wanneer iemand recht heeft op pauze of rusttijd. Deze wet geeft werkgevers en werknemers ook ruimte om in onderling overleg specifieke afspraken te maken over werk- en rusttijden. Afspraken over pauzes kunnen zijn gevat in de geldende cao’s, maar ook daarnaast kunnen tussen werkgevers en werknemers afspraken worden gemaakt over pauzes en korte werkonderbrekingen. Die kunnen bijvoorbeeld de vorm krijgen van reglementen en protocollen. Dat er sprake is van een vorm van afstemming met betrekking tot pauzegebruik en toiletbezoek om een afdoende bezetting te kunnen garanderen is niet onredelijk. Dit is ook in veel andere sectoren gebruikelijk. Bij het maken van afspraken hierover zijn goed werkgeverschap en goed werknemerschap beide van belang. Het is in eerste instantie aan de cao-partijen – werkgevers en werknemers – om het gesprek aan te gaan over eventuele knelpunten en hierover afspraken te maken. Wanneer sprake is van niet-naleving van de arbeidswetgeving, dan kan hiervan melding worden gemaakt bij de Inspectie SZW.
Bent u zich ervan bewust dat het niet tijdig naar het toilet gaan, daadwerkelijk tot gezondheidsproblemen kan leiden, bijvoorbeeld aan de blaas?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u van mening dat werkgevers met het ontmoedigen van toiletbezoek, voldoen aan hun plicht om het werk zo te organiseren dat het geen nadelige invloed heeft op de gezondheid?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Inspectie SZW te verzoeken onderzoek te doen naar de arbeidsomstandigheden en werkdruk bij klantcontactcentra? Kunt u uw antwoord toelichten?
Enkel signalen in de media zijn onvoldoende aanleiding om de Inspectie SZW te verzoeken onderzoek te doen naar de arbeidsomstandigheden en werkdruk bij klantcontactcentra. Dit houdt in dat zij haar capaciteit daar inzet waar de grootste risico’s op niet naleving zich voordoen. De Inspectie SZW werkt risicogestuurd, programmatisch en effectgericht. De Inspectie SZW analyseert continu of nieuwe risico’s optreden die tot mogelijke aanpassingen van inspectie-inzet aanleiding geven. Deze analyse is gebaseerd op alle bevindingen, onderzoeken, monitoring en uitkomsten van reactieve inspecties en signalen van buiten – waaronder meldingen van misstanden en signalen in de media. Wanneer meldingen van niet-naleving van de arbeidswetgeving via de ondernemingsraad of de vakbond worden ingediend, volgt altijd een onderzoek door de Inspectie SZW.
De gang van zaken rond de mogelijke sluiting van het Bronovo ziekenhuis |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat er nog twee weken onzekerheid zal bestaan over de toekomst van het Bronovo ziekenhuis in Den Haag? Wat vindt u daarvan?1
Zoals beschreven in de brief van 14 januari jl. (Kamerstuk 31 016, nr. 185) heeft de voorzitter van de Raad van Bestuur laten weten dat er nog geen besluit ligt. Hij heeft de scenario’s, voorzien van een eigen onderbouwde richting, in januari formeel voorgelegd aan de cliëntenraad, medezeggenschap en de medische staf. De voorzitter heeft aangegeven dat hij op de inhoud daarvan niet vooruit kan lopen, omdat hij recht wil doen aan de positie van de eigen adviesorganen. Op 18 januari ontving hij de adviezen en op 24 januari zal de Raad van Bestuur het uitgewerkte voorkeurscenario openbaar bekend maken. Vervolgens zal de Raad dat scenario eerst in dialoog met alle belanghebbenden op draagvlak toetsen, en de zorgen en suggesties die daaruit naar voren komen zorgvuldig wegen, voordat er een definitief besluit wordt genomen. Het is goed dat de Raad van Bestuur een zorgvuldig consultatie- en besluitvormingsproces doorloopt, dat geldt natuurlijk ook voor de consultatie van zijn interne adviesorganen. Maar ik vind het wel erg belangrijk, dat er op 24 januari ook echt meer duidelijkheid komt voor alle belanghebbenden, ook buiten het ziekenhuis, over het voorkeursscenario. Dan is helder wat de Raad van Bestuur voor ogen heeft en kan de dialoog met belanghebbenden buiten het ziekenhuis ook echt starten.
Is het waar dat pas nádat uitsluitsel wordt gegeven over «verkenningen» voor de toekomst, informatiebijeenkomsten voor inwoners van de regio worden georganiseerd om draagvlak te toetsen? In hoeverre heeft dan al besluitvorming plaatsgevonden? Welke bijeenkomsten voor de inwoners zijn er tot nu toe al geweest?
HMC heeft mij desgevraagd aangegeven dat de Raad van Bestuur op dit moment verkenningen uitvoert naar de meest wenselijke toekomstige koers, gegeven de ontwikkelingen in de zorg en in het ziekenhuislandschap de komende jaren. Op dit moment liggen er drie mogelijke scenario’s voor bij de medezeggenschapsorganen van HMC, te weten de ondernemingsraad, de cliëntenraad, de verpleegkundige adviesraad en de medische staf. Deze scenario’s zijn voorzien van een door het bestuur onderbouwde voorkeursrichting. Er is aldus het HMC nog geen besluit genomen over één van de scenario’s. Nadat de reacties van de medezeggenschapsorganen hierop zijn verwerkt, zal op 24 januari a.s. het voorkeursscenario bekend worden gemaakt. Vervolgens zal de Raad van Bestuur dat scenario eerst in dialoog met alle belanghebbenden op draagvlak toetsen, en de zorgen en suggesties die daaruit naar voren komen zorgvuldig wegen, voordat er een definitief besluit wordt genomen. Met het oog daarop heb ik de Raad van
Bestuur van het HMC nadrukkelijk geadviseerd te handelen conform de concept-amvb over de versterking van het Regionaal Overleg Acute Zorg. Na 24 januari a.s. zullen verschillende dialoogsessies worden georganiseerd met verschillende belanghebbenden.
Welke mogelijke «verkenningen» kunnen volgens u aan de orde zijn?
Zoals beschreven in mijn brief van 14 januari jl. (Kamerstuk 31 016, nr. 185) heeft het HMC het ministerie gemeld dat er drie toekomstscenario’s zijn ontwikkeld voor het verlenen van zorg in de regio, waarbij de zorg in de nabije toekomst (afhankelijk van het scenario) op één, twee of drie locaties van het HMC wordt geleverd. Waarmee de concentratie van vormen van (acute) zorg op (bepaalde) locaties van het HMC dus een reëel scenario is. Op dit moment verleent HMC zorg op drie locaties: Westeinde en Bronovo te Den Haag en Antoniushove te Leidschendam-Voorburg.
Is het waar dat er een geheim «herstructureringsplan» bestaat, opgesteld in opdracht van het bestuur van het Haaglanden Medisch Centrum, waarin staat dat het vrijwel zeker is dat het Bronovo ziekenhuis eind 2021 of begin 2022 sluit?
Ik ben op de hoogte van het feit dat het HMC verkenningen uitvoert, maar ik beschik niet over een herstructureringsplan. Zoals ik in mijn brief van 14 januari jl. (Kamerstuk 31 016, nr. 185) aan uw kamer aangaf heb ik van HMC mondeling vernomen dat er drie toekomstscenario’s voorliggen, voor het verlenen van zorg in de regio, waarbij de ziekenhuiszorg in de nabije toekomst (afhankelijk van het scenario) op één, twee of drie locaties van HMC wordt geleverd. HMC heeft mij mondeling van de hoofdlijnen van deze toekomstscenario’s op de hoogte gesteld. Een van de scenario’s is dat de zorg in het Bronovo zal worden afgebouwd. De voorzitter van de Raad van Bestuur heeft mij gemeld dat er nog geen besluit over de drie toekomstscenario’s is genomen en dat hij de scenario’s, voorzien van een eigen onderbouwde richting, in januari formeel heeft voorgelegd aan de cliëntenraad, medezeggenschap en de medische staf. De voorzitter heeft mij aangegeven dat hij op de inhoud daarvan niet vooruit kan lopen, omdat hij recht wil doen aan de positie van de eigen adviesorganen. Op 18 januari ontving hij de adviezen en op 24 januari zal de Raad van Bestuur het uitgewerkte voorkeurscenario openbaar bekend maken. Vervolgens zal de Raad van Bestuur dat scenario eerst in dialoog met alle belanghebbenden op draagvlak toetsen, en de zorgen en suggesties die daaruit naar voren komen zorgvuldig wegen, voordat er een definitief besluit wordt genomen.
Bent u op de hoogte van de inhoud van dit herstructureringsplan? Zo ja, wat staat er in? Zo nee, kunt u zich zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen en de Kamer daarover berichten?
Zie antwoord vraag 4.
Op welk moment zijn respectievelijk inwoners uit de regio, personeel, zorgverzekeraars en gemeente voor het eerst geïnformeerd door het bestuur van het Haaglanden Medisch Centrum, over mogelijke sluiting van het Bronovo ziekenhuis?
Het bestuur van HMC heeft mij desgevraagd gemeld dat over de verkenningen tot op heden gesproken is met (o.a.) de volgende partijen: cliëntenraad, medezeggenschapsraad, (bestuur van) de medische staf, de verpleegkundige adviesraad, vertegenwoordigers van de huisartsen, gemeentebestuur Den Haag, wethouders van de randgemeenten, wijkvereniging, IGJ/NZa, bank, waarborgfonds voor de zorg en zorgverzekeraars. Deze gesprekken zijn circa een jaar geleden begonnen, waarbij de advies- en medezeggenschapsorganen als eerste zijn betrokken, daarna -eind zomer- het personeel en in het najaar externe organisaties. De gesprekken zijn nog gaande en verlopen, zo stelt het bestuur van HMC, constructief. Ook de medewerkers van HMC zijn met regelmaat geïnformeerd over het feit dat HMC toekomstverkenningen uitvoert.
Op welk moment is uw ministerie voor het eerst geïnformeerd door het bestuur van het Haaglanden Medisch Centrum, over mogelijke sluiting van het Bronovo ziekenhuis en op welk moment bent u voor het eerst geïnformeerd?
Op 18 september heeft de voorzitter van de Raad van Bestuur van het HMC mij verzocht om een afspraak om te praten over «de Haagse regio». Deze afspraak zou plaatsvinden op 21 november en is verzet naar 22 november i.v.m. een Algemeen Overleg. Op 22 november vond een VAO over dit AO plaats, dus moest de afspraak opnieuw worden verzet naar 9 januari 2019.
Ik heb medio december 2018 telefonisch contact gehad met de voorzitter van de Raad van Bestuur. Hij heeft mij toen kort geïnformeerd over het feit dat het HMC verkenningen uitvoert. Op mijn verzoek heeft kort daarna eenzelfde telefoongesprek op ambtelijk niveau plaatsgevonden. In dat telefoongesprek is dezelfde informatie verstrekt en heeft de voorzitter van de Raad van Bestuur het procedurele verzoek gedaan om begin van het nieuwe jaar op ambtelijk niveau te spreken over ontwikkelingen rond het HMC. Op 2 januari en op 9 januari 2019 hebben deze gesprekken plaatsgevonden tussen de voorzitter van de Raad van Bestuur van het Haaglanden Medisch Centrum (HMC) en respectievelijk een van mijn medewerkers en mijzelf.
De IGJ heeft op 28 december 2018 een persvraag ontvangen en daarover contact gehad met het Ministerie van VWS. Op 29 december verschenen berichten in de media. Op 31 december heeft de IGJ contact opgenomen met de Raad van Bestuur van HMC om een toelichting op de mediaberichten te vragen.
Op welke manier wordt u nu geïnformeerd over de gang van zaken rond de herstructurering van Haaglanden Medisch Centrum? Op welke manier bent u betrokken? Welke aandachtspunten heeft u binnen dit proces?
De Raad van Bestuur is op dit moment in gesprek met de cliëntenraad, medezeggenschap en de medische staf. Op 18 januari ontving hij de adviezen van deze organen en op 24 januari zal de Raad van Bestuur het uitgewerkte voorkeurscenario openbaar bekend maken. Ik zal hierover dan ook worden geïnformeerd en zal uw Kamer dan ook informeren. Ik blijf natuurlijk ook daarna in overleg met het HMC over de verkenning naar toekomstbestendige zorg en het verdere proces. Ik zal er actief op letten dat de communicatie en dialoog met belanghebbenden door de Raad van Bestuur serieus ter hand wordt genomen. De aandachtspunten die ik heb meegegeven aan het HMC en de rol die ik voor mijzelf zie in deze situatie heb ik toegelicht in mijn brief van 14 januari jl. (Kamerstuk 31 016, nr. 185).
Waarom duurt het nog twee weken voordat duidelijkheid kan worden geboden, terwijl het herstructureringsplan mogelijk al klaar ligt? Bent u bereid u in te zetten om zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden aan de inwoners en het personeel van het Bronovo ziekenhuis? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Zorgen om uitbuiting in goedkope nagelsalons’ |
|
Pieter Heerma (CDA), Anne Kuik (CDA) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten van de NOS d.d. 3 en 13 januari 2019: «Zorgen om uitbuiting in goedkope nagelsalons» en «Nationaal Rapporteur wil onderzoek naar misstanden in nagelsalons»1 2
Ja.
Herkent u de signalen van mogelijke uitbuiting, mensenhandel of witwassen in nagelsalons zoals beschreven door de onderzoekers van NOS op 3 januari jl.? Acht u deze sector als risicovol?
De Inspectie SZW ontvangt weinig meldingen over mogelijke arbeidsuitbuiting of ernstige benadeling in nagelsalons. Ook de politie ontvangt nauwelijks signalen van uitbuiting in nagelsalons. Het fenomeen is echter wel herkenbaar, en de signalen die ze ontvangen, worden opgevolgd. Het is dan ook van belang dat misstanden ook door klanten en burgers worden gemeld bij de opsporingsinstanties.
Professionals bij de politie en de Inspectie SZW zijn getraind in het herkennen van signalen van mogelijke arbeidsuitbuiting. De beschrijving in de media van uitbuiting in deze specifieke branche komt overeen met situaties in andere soorten ondernemingen waarin kwetsbare werknemers worden aangetroffen. Signalen over andere fenomenen worden doorgegeven aan betrokken ketenpartners. Indien bij de politie melding wordt gemaakt van strafbare feiten, al dan niet in nagelsalons, kan onder leiding van het Openbaar Ministerie nader onderzoek worden verricht.
Heeft u een verklaring voor de flinke toename van het aantal nagelstudio’s in Nederland in de afgelopen jaren?
Voor het beginnen van een nagelsalon is geen diploma of vergunning vereist. Het is mogelijk om vanuit huis een nagelsalon te beginnen. Dit maakt het starten van een nagelsalon relatief gemakkelijk en toegankelijk voor ondernemers en zelfstandigen.
In haar Meerjarenplan 2019–2022 vermeldde de Inspectie SZW de toename van zogeheten gemaksdiensten, waaronder persoonlijke zorg, nu een deel van de bevolking meer geld heeft.
Acht u de kans aannemelijk dat ook in Nederland criminele netwerken zich verschuilen achter nagelstudio’s, zoals criminele netwerken in Engeland en België illegale Vietnamese werkers in nagelsalons uitbuiten?
Doordat er nauwelijks signalen van uitbuiting in nagelsalons worden ontvangen, is het niet goed te beoordelen of het aannemelijk is dat zich criminele netwerken achter de nagelsalons verschuilen. Ook vanuit het EMM komen geen dergelijke signalen.
Bent u bereid het aantal controles van de Inspectie Sociale Zaken op het gebied van arbeidsrecht in nagelsalons te vergroten?
De Inspectie SZW heeft mij desgevraagd laten weten dat de aanpak van misstanden in de nagelsalons blijvende aandacht van de Inspectie heeft. Meldingen en signalen over mogelijke ernstige benadeling in de sector detailhandel, waaronder nagelsalons, zijn afgelopen jaar opgepakt en ook dit jaar zal dat het geval zijn. Daarnaast zal in het kader van het Inspectieprogramma Horeca en Detailhandel een inventariserend onderzoek plaatsvinden naar vormen van arbeidsgerelateerde misstanden en zal de signalering van nieuwe fenomenen worden geïntensiveerd.
Welke actie gaat u ondernemen, na de oproep van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen teneinde een onderzoek te starten naar misstanden in nagelsalons?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier kunnen gemeenten deze misstanden aanpakken?
Een van de vier actielijnen in het programma «Samen tegen Mensenhandel»3 is het versterken van de gemeentelijke aanpak van mensenhandel. Gemeenten hebben een belangrijke rol bij de integrale benadering van mensenhandel en de adequate samenwerking tussen alle ketenpartners op lokaal niveau. Zij zijn verantwoordelijkheid voor de bestuurlijke aanpak en voor het organiseren van hulp en opvang voor slachtoffers.
Ook als aanjagers van de lokale aanpak van mensenhandel zijn gemeenten onontbeerlijk. Hierover zijn in het Interbestuurlijk Programma (IBP) van februari 2018 al concrete afspraken gemaakt. Zo staat in het IBP dat alle gemeenten over vier jaar duidelijk beleid hebben om mensenhandel tegen te gaan en dat gemeenten werken aan passende regionale opvang, ondersteuning en nazorg en een landelijk dekkend netwerk van zorgcoördinatie.
Verder kunnen gemeenten een belangrijke rol spelen in de signalering van mensenhandel. Ambtenaren met burgercontacten zijn de oren en ogen van een gemeente. Als zij signalen van uitbuiting herkennen en melden, kunnen zij een belangrijke bijdrage leveren aan de strijd tegen mensenhandel. In het kader van het programma «Samen tegen Mensenhandel» wordt de signalering door gemeenten versterkt, onder andere door het aanstellen van projectleiders die gemeenten gaan ondersteunen bij de implementatie van de IBP-afspraken.
Hoe is de samenwerking geregeld met landen zoals België en het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van de informatie-uitwisseling over mogelijke misstanden in deze sector?
De Inspectie SZW werkt regelmatig samen met collega-organisaties in buurlanden om grensoverschrijdende constructies aan te pakken. Op het gebied van arbeidsuitbuiting is er een Europees netwerk actief van arbeidsinspecties en politiediensten onder de vlag van EMPACT (European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats). Vanuit dat netwerk wordt er jaarlijks een Europese actieweek georganiseerd tegen arbeidsuitbuiting; de Joint Action Day Labour Exploitation. Arbeidsinspecties en politiediensten treden dan ook internationaal gezamenlijk op tegen arbeidsuitbuiting, zowel bilateraal als multilateraal. Verder is er bij de zogeheten Dutch Desk van Europol een liaison officer van de Inspectie SZW gestationeerd. Ten slotte wordt er op strategisch niveau samengewerkt via het European Platform Tackling Undeclared Work.