Problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand onder het Europese Migratiepact |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juridische bijstand in asielzaken onder nieuwe EU-migratiepact loopt nu al mis: afspraken met asieladvocaten tijdelijk stopgezet»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen dagen een aanzienlijk aantal intakegesprekken tussen asielzoekers en hun rechtsbijstandverlener geen doorgang heeft kunnen vinden doordat uitnodigingen niet of te laat zijn verstuurd en vervoer niet was geregeld?
Het klopt dat na invoering van het Pact zowel intakegesprekken als nabesprekingen van het gehoor tijdelijk niet zijn doorgegaan. Sinds 25 juni 2026 stonden op de locaties Ter Apel, Den Bosch en Zevenaar de eerste gesprekken met asieladvocaten gepland na inwerkingtreding van het EU-Migratiepact. In de periode 25 t/m 29 juni zijn daar in totaal 115 gesprekken ingepland, waarvan 85 geen doorgang vonden wegens niet-verschijnen van de asielzoeker. Dit betrof met name logistieke knelpunten: uitnodigingen die de asielzoeker niet (tijdig) bereikten en vervoer dat niet was geregeld. Op de locatie Schiphol worden in de asielgrensprocedure eveneens zaken onder het Migratiepact behandeld. Daar hebben sinds 12 juni jl. alle geplande intakes en nabesprekingen volgens planning plaatsgevonden.
Hoeveel intakegesprekken en nabesprekingen zijn sinds de inwerkingtreding van het Europese Migratiepact gepland, hoeveel daarvan zijn niet doorgegaan en wat zijn daarvan de oorzaken?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Raad voor Rechtsbijstand de planning van nieuwe rechtsbijstandsgesprekken tijdelijk heeft opgeschort? Zo ja, sinds wanneer en welke gevolgen heeft dit voor de voortgang van asielprocedures? Wanneer worden de rechtsbijstandgesprekken weer hervat?
De Raad voor Rechtsbijstand heeft op 29 juni 2026 een communicatiebericht verspreid over de logistieke problemen met de planning van kennismakingsgesprekken onder alle asieladvocaten. Advocaten die stonden ingeroosterd voor gesprekken die geen doorgang vonden, zijn individueel geïnformeerd. Op 2 juli 2026 heeft de Raad voor de Rechtsbijstand de planning in asielprocedures weer kunnen hervatten.
Welke organisaties zijn verantwoordelijk voor respectievelijk het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken, het organiseren van vervoer, de afstemming tussen Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en Raad voor Rechtsbijstand?
Er is geen wettelijke bepaling die één partij exclusief verantwoordelijk maakt voor het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken. In de praktijk nodigt iedere betrokken instantie de asielzoeker zelf per brief uit voor de betreffende afspraak. Post voor asielzoekers wordt geleverd bij de receptie van de opvanglocatie. De asielzoeker is zelf verantwoordelijk voor het tijdig openen en opvolgen van deze post en voor het nakomen van gemaakte afspraken. Dit wordt echter bemoeilijkt wanneer de asielzoeker (nog) niet is toegewezen aan een opvanglocatie en daardoor moeilijk bereikbaar is voor postbezorging.
Het COA is op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van openbaarvervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure. Deze verstrekking maakt onderdeel uit van het reguliere opvangpakket en vloeit voort uit de aan het COA toegekende taken op grond van de Wet COA.
Worden gehoren door de IND uitgesteld wanneer een asielzoeker vooraf geen daadwerkelijk gesprek met zijn of haar advocaat heeft kunnen voeren? Zo nee, hoe waarborgt u in dat geval het recht op effectieve rechtsbijstand? Zo ja, welke vertraging brengt dit in praktijk met zich mee?
In beginsel spreekt de aanvrager twee dagen voor het gehoor zijn advocaat voor een kennismakingsgesprek. Dit gesprek is niet bedoeld als inhoudelijke voorbereiding op het gehoor. De intake is bedoeld om de advocaat tijdig te kunnen koppelen aan een asielzoeker, kennis te maken en toegang te geven tot het dossier. Het uitblijven van dit gesprek staat het doorgaan van het gehoor daarmee niet in de weg. Twee dagen na het gehoor vindt de nabespreking met de advocaat plaats. Vanaf dat moment vervult de advocaat ook formeel een rol in de versnelde en niet-versnelde asielprocedure.
Deelt u de opvatting dat effectieve toegang tot rechtsbijstand een essentieel onderdeel vormt van een zorgvuldige asielprocedure en van de implementatie van het Europese Migratiepact?
Ja. Effectieve toegang tot rechtsbijstand is een essentieel onderdeel van een zorgvuldige asielprocedure. Dit is geborgd doordat gedurende de hele procedure rechtsbijstand beschikbaar is. Juridische counseling is beschikbaar vanaf het moment van de asielaanvraag tot aan de koppeling met een advocaat, waarna de advocaat de juridische vertegenwoordiging overneemt.
Bestaat het risico dat besluiten die onder deze omstandigheden met problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand worden genomen door de rechter worden vernietigd vanwege onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen? Heeft u hierover juridisch advies ingewonnen?
De tijdelijke onderbreking van de planning van asielrechtsbijstand heeft enkele dagen geduurd. Inmiddels is de planning hervat. Dit heeft er niet toe geleid dat in lopende procedures besluiten zijn genomen zonder dat rechtsbijstand beschikbaar was. Gehoren zijn doorgegaan en in overleg met de advocatuur is gezorgd dat nabesprekingen, die aanvankelijk niet konden plaatsvinden, alsnog worden ingepland. De IND heeft vanwege de tijdelijke onderbreking geen besluit genomen en zal geen besluit nemen voordat de asielzoeker rechtsbijstand heeft ontvangen. Tegen deze achtergrond zie ik geen reëel risico dat besluiten door de rechter worden vernietigd wegens onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen als gevolg van deze tijdelijke onderbreking.
Zijn deze uitvoeringsproblemen het gevolg van onvoldoende voorbereiding op de invoering van het migratiepact, capaciteitsproblemen, ICT-problemen, logistieke knelpunten of andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Door een achterstand bij de uitplaatsing vanuit Ter Apel naar opvanglocaties verspreid over het land moesten asielzoekers voor gesprekken met hun advocaat en voor IND gehoren naar behandellocaties in het land worden vervoerd. Dat vervoer bleek niet in alle gevallen geregeld. Daarnaast ontstonden knelpunten doordat uitnodigingen voor een gesprek met de advocaat niet tijdig op het juiste adres werden bezorgd of de asielzoeker niet bereikten. Dit werd mede veroorzaakt doordat personen niet konden uitstromen uit de Centrale Ontvangstlocatie (COL) waardoor post niet goed kon worden uitgereikt. Als gevolg hiervan konden veel gesprekken niet doorgaan. De COL is ingericht voor kortdurende opvang en niet voor langdurig verblijf. Voorzieningen voor langer verblijf, zoals een reguliere postvoorziening, waren daarom in beginsel niet beschikbaar. Dit is ondervangen door in Ter Apel een extra postkamer in te richten.
Welke acute maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand, vervoer en communicatie zo snel mogelijk weer volledig functioneren?
Om een goede overgang te borgen, zijn tijdelijke werkafspraken gemaakt tussen COA, IND en Raad voor de Rechtsbijstand over betere informatievoorziening, tijdige aanlevering van afsprakenlijsten en duidelijke afspraken over het vervoer voor asielzoekers. In Ter Apel is een extra postkamer ingericht om ervoor te zorgen dat informatie asielzoekers tijdig en correct bereikt. Volwassen asielzoekers zijn zelf verantwoordelijk voor het controleren van hun post, waaronder berichten over het contact met hun advocaat. Deze maatregelen gelden totdat er structurele afspraken worden gemaakt in de uitvoeringsketen. Met deze maatregelen functioneren de informatievoorziening, rechtsbijstand en het vervoer weer volgens de gemaakte werkafspraken. De uitvoering wordt wekelijks gemonitord, zodat de tijdelijke werkprocessen waar nodig kunnen worden bijgesteld. Hiermee wordt de uitvoering verder gestabiliseerd en worden risico's op vergelijkbare knelpunten zoveel mogelijk voorkomen.
Om herhaling te voorkomen worden structurele ketenafspraken voorbereid. Het COA, de IND en de Raad voor Rechtsbijstand verduidelijken verantwoordelijkheden in de uitvoeringsketen en stellen vaste procedures vast voor het tijdig verstrekken van uitnodigingen en het organiseren van vervoer naar afspraken met de IND en de rechtsbijstandverlener. Daarnaast wordt de informatievoorziening verder verbeterd.
Welke structurele maatregelen neemt u om te voorkomen dat vergelijkbare uitvoeringsproblemen zich opnieuw voordoen tijdens de verdere implementatie van het Europese Migratiepact?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht 'Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties»?1
Is het u bekend dat Holland2Stay landelijk op grote schaal woningen verhuurt en beheert, en dat in meerdere steden vergelijkbare klachten bestaan over kapotte liften, defecte toegangssystemen, gebrekkig onderhoud en veiligheidsproblemen?
Acht u het aanvaardbaar dat bewoners maandenlang in een aantoonbaar onveilige situatie verkeren voordat een verhuurder tot een structurele oplossing overgaat, en welke termijn acht u bij een veiligheidsgebrek van deze aard nog acceptabel?
Hoe beoordeelt u het dat de huren worden verhoogd terwijl een basisvoorziening als een werkende lift al maanden niet toegankelijk is, en acht u de mogelijkheden voor huurders om hier iets aan te doen toereikend en toegankelijk?
Herkent u het bredere signaal dat juist kwetsbare of minder mondige huurdersgroepen, zoals expats, extra risico lopen op uitbuiting door grote verhuurders, en welke stappen zet u om ook deze groep effectief te beschermen?
Hoe beoordeelt u het dat de oprichter en een directeur van Holland2Stay in 2021 ieder een taakstraf hebben aanvaard wegens het manipuleren van tijdelijke huurcontracten, en welke consequenties verbindt de overheid aan zo'n veroordeling voor een partij die vervolgens op grote schaal actief blijft op de gereguleerde woningmarkt?
Hoe verhoudt het door Sikkom bevestigde feit dat Holland2Stay meer dan 280 huurders in Groningen tussen € 150 en € 200 aan verboden bemiddelingskosten heeft gerekend en weigerde proactief terug te betalen, zich tot het wettelijke verbod op bemiddelingskosten, en welke mogelijkheden hebben gedupeerde huurders om hun geld terug te krijgen?2
Deelt u, gelet op signalen dat Holland2Stay gebruikmaakt van een vennootschapsstructuur waarbij het bedrijf zich in juridische procedures op het standpunt stelt slechts «beheerder» en niet «verhuurder» te zijn met als gevolg dat huurders bij de rechter bot vangen, de zorg dat ondoorzichtige vennootschapsstructuren huurders het effectief uitoefenen van hun rechten kunnen ontnemen, en welke mogelijkheden ziet u om de werkelijke verhuurder voor huurders kenbaar en aanspreekbaar te maken?
Hoe beoordeelt u het dat Holland2Stay een voormalig student van de Technische Universiteit Eindhoven na een bedwantsenplaag aanvankelijk ruim € 12.000 in rekening bracht, een bedrag dat na protest stapsgewijs werd verlaagd tot € 5.083,21, terwijl een onafhankelijk kenniscentrum aangeeft dat de kosten van een dergelijke bestrijding doorgaans veel lager liggen? Deelt u de zorg dat grote verhuurders onderhouds- en bestrijdingskosten op ondoorzichtige wijze en mogelijk bovenmatig op individuele huurders afwentelen?3
Acht u, mede gelet op de oproep van meerdere partijen in de Groningse gemeenteraad in februari 2025 om de verhuurdersvergunning van Holland2Stay te heroverwegen wegens veiligheidsovertredingen en aanhoudend wangedrag, de instrumenten die gemeenten met de Wet goed verhuurderschap hebben gekregen toereikend om landelijk opererende verhuurders met een aantoonbaar patroon van misstanden aan te pakken, en op welke wijze faciliteert het Rijk de uitwisseling van handhavingsinformatie over zulke verhuurders tussen gemeenten?4
Deelt u de opvatting dat een verhuurder die in de ene stad misstanden begaat of een vergunning verliest, niet ongehinderd in een andere stad zou moeten kunnen doorgaan, en bent u bereid te onderzoeken of een landelijk register van verhuurders met herhaalde overtredingen wenselijk en mogelijk is?
Bent u, gelet op dit incident en het bredere patroon van fraude, illegale kosten, gebrekkig onderhoud en het ontwijken van aansprakelijkheid, bereid de handelwijze van Holland2Stay te onderzoeken en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om huurders beter te beschermen tegen grote, landelijk opererende verhuurders die een structureel patroon van misstanden laten zien?
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
De mogelijke financiering van langeafstandskruisvluchtwapens voor Oekraïne |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederland de productie financiert van circa 700 Ruta Block 2-kruisvluchtwapens voor Oekraïne, zoals de Oekraïense Minister Mykhailo Fedorov publiekelijk heeft verklaard?1
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, waarom is zowel tijdens de persconferentie van 17 juni 2026 als in het officiële persbericht van Defensie uitsluitend gesproken over «drones», terwijl de fabrikant de Ruta Block 2 aanduidt als een «cruise system» (kruisvluchtwapen)? Bent u van mening dat u de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving daarmee juist en volledig heeft geïnformeerd?2
Beschouwt u de Ruta Block 2 als een drone, een kruisvluchtwapen of een andere wapencategorie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Waarom heeft u ervoor gekozen de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving niet expliciet openbaar te informeren dat Nederland de productie financiert van langeafstandskruisvluchtwapens voor Oekraïne?
Bent u bereid de Tweede Kamer alsnog openbaar en ondubbelzinnig te informeren over de aard van de door Nederland voor Oekraïne gefinancierde wapensystemen? Zo nee, waarom niet?
Realiseert u zich hoe abject uw megagiften aan Oekraïne zijn, terwijl de Nederlandse bevolking grote bezuinigingen op de zorg en de sociale zekerheid te wachten staan op grond van uw coalitieakkoord en er dankzij uw wanbeleid jaarlijks miljarden euro's naar islamitische gelukzoekers gaan? Zo ja, bent u nog helemaal bij zinnen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het bericht 'Ondanks AZWA-afspraak worden ‘te zware’ ggz-cliënten nog steeds geweigerd' |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondanks AZWA-afspraak worden «te zware» ggz-cliënten nog steeds geweigerd»?1
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat juist de mensen die zo hard goede zorg nodig hebben, deze vaak niet krijgen doordat zij worden geweigerd op grond van exclusiecriteria?
Hoe beoordeelt u het gegeven dat, ondanks de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, er nog steeds mensen geweigerd worden door ggz-aanbieders op basis van exclusiecriteria?
Erkent u dat de gevolgen voor betrokkenen enorm groot kunnen zijn, met onder meer de mogelijkheid tot verergering van klachten en verlies van vertrouwen in de zorg en in de overheid?
Kunt u uiteenzetten hoeveel meldingen er in 2026 binnen zijn gekomen over mensen die geweigerd zijn voor een ggz-behandeling op grond van exclusiecriteria zoals suïcidaliteit, autisme, hoge complexiteit of andere omstandigheden?
Bent u bekend met de aangenomen motie Synhaeve2 waarin verzocht wordt om binnen drie maanden na het afsluiten van de nieuwe contracten de Kamer te informeren of er inderdaad geen exclusiecriteria meer gebruikt worden? Kunt u toelichten hoe u, naast de uitvoering van deze motie, verder gaat toezien op naleving van de AZWA-afspraak dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria?
Waar kunnen cliënten zich melden wanneer ze worden afgewezen op basis van exclusiecriteria? Welke actie wordt hier vervolgens op ondernomen?
Wie is volgens u verantwoordelijk wanneer een cliënt met een complexe zorgvraag door een ggz-aanbieder wordt afgewezen op grond van exclusiecriteria en vervolgens zonder warme overdracht of passende behandelplek terugvalt op de huisarts?
Welke actie gaat u ondernemen op basis van dit nieuws?
De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen |
|
Kunt u per provincie aangeven hoeveel agrarische bedrijven binnen de voorgestelde bufferzones van 500 meter en 1 kilometer rondom Natura 2000-gebieden liggen?
Deze cijfers zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp.1
Voor de zones tot 500 meter gaat het in totaal (voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, exclusief grote wateren), over 3.077 agrarische bedrijven, 66 industriële bedrijven, en ca. 153.000 hectare landbouwgrond. De cijfers per gebied, ook voor zones tot 1.000 meter, zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM en bijbehorende databestanden.
De uiteindelijke selectie van gebieden en vastgelegde begrenzing is uiteindelijk leidend voor de precieze hectares en bedrijfsaantallen die in de zones zullen vallen.
Kunt u per provincie aangeven hoeveel andere bedrijven binnen deze bufferzones liggen, uitgesplitst naar sector?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel hectare landbouwgrond komt binnen deze bufferzones te liggen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket extra maatregelen moet nemen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten extensiveren? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten verplaatsen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket uiteindelijk zullen stoppen?
Het kabinet kiest voor een aanpak gebaseerd op duidelijke normen en kaders, waarbinnen ondernemers de ruimte krijgen om zelf te kiezen op welke wijze ze hieraan willen voldoen (mogelijkheden uit trappetje van Remkes: innoveren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of stoppen). Dit betekent dat op voorhand niet te zeggen is hoeveel bedrijven welke ontwikkelrichting kiezen. Wel is het de verwachting dat bijna alle veehouderijen aanpassingen moeten doen binnen hun bedrijfsvoering en ook in de akkerbouw zullen aanpassingen nodig zijn. De mate waarin en de manier waarop is afhankelijk van de huidige bedrijfsvoering, de locatie van het bedrijf en de keuze in ontwikkelrichting van de ondernemer. Met de aanpak van het kabinet komt de vergunningverlening juist weer in beweging en gaat Nederland stapsgewijs van het slot.
Hoeveel andere bedrijven verwacht u dat door dit pakket worden beperkt in hun bedrijfsvoering of vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedrijven krijgen te maken met een stapeling van maatregelen, zoals bufferzones, emissieplafonds, grondgebondenheid en aanvullende gebiedseisen?
Het is niet te zeggen om hoeveel bedrijven dit precies gaat, aangezien dit afhankelijk is van de specifieke bedrijfssituatie. Generieke maatregelen, zoals bedrijfsspecifieke emissienormen en grondgebondenheid, gelden in heel Nederland. Binnen de uiteindelijke begrenzing van zones rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden worden daarnaast aanvullend gebiedsgerichte maatregelen getroffen. Hier is ook aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning beschikbaar om het ook voor deze boeren behapbaar te houden.
Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor woningbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor landbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor industrie? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor infrastructuur?
Voor de projecten waar u naar verwijst, is hoofdzakelijk de provincie het bevoegd gezag voor vergunningverlening. Ik heb geen overzicht van de lopende of nieuwe aanvragen bij de provincies, en kan daarom geen exacte aantallen noemen.
Het aantal vergunningen dat daadwerkelijk wordt verleend, hangt bovendien af van factoren die per aanvraag verschillen, waaronder de specifieke situatie van het project en de staat van de natuur in het betreffende gebied.
Dit geldt ook voor het aantal woningbouwprojecten dat vooruitlopend op de invoering van de rekenkundige ondergrens doorgang kan vinden. Het effect van de ondergrens werkt per project verschillend uit, afhankelijk van de afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied.
Ik kan dan ook geen betrouwbare prognose geven van het aantal vergunningen, woningen of bedrijven dat hiermee gemoeid is, uitgesplitst naar sector of peildatum.
Hoeveel woningbouwprojecten kunnen volgens u voor invoering van de rekenkundige ondergrens alsnog doorgaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel woningen levert dit pakket voor 1 januari 2028 daadwerkelijk op?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel bedrijven kunnen tot eind 2027 geen vergunning krijgen om hun bedrijf uit te breiden of te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om vergunningverlening weer op gang te brengen zolang de rekenkundige ondergrens nog niet is ingevoerd?
We verwachten dat op korte termijn per Natura 2000-gebied een plan wordt opgesteld waarmee additionaliteit kan worden onderbouwd. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Parallel hieraan wordt met voorrang gezorgd dat verduurzaming versneld doorgang kan vinden.
Waarom kiest u ervoor de rekenkundige ondergrens pas uiterlijk eind 2027 in te voeren?
Het kabinet wil de ondergrens zo snel mogelijk invoeren, maar uiterlijk eind 2027. Voor een verantwoorde invoering zijn echter ook beheersmaatregelen nodig. Alle deposities onder de rekenkundige ondergrens tellen bij elkaar op en kunnen lokaal voor een toename van depositie zorgen. Daarom is onder andere geadviseerd door de wetenschappers Arthur Petersen en Chris Backes om flankerend beleid in te voeren. Als kabinet volgen we deze adviezen. Het uitwerken en borgen van deze beheersmaatregelen pakken we met urgentie op, maar dit kost wel tijd.
Daarnaast wordt de technische en praktische werking van de rekenkundige ondergrens nog nader uitgewerkt.
Welke juridische, technische en wetenschappelijke belemmeringen maken een eerdere invoering onmogelijk?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft u onderzocht wat invoering van een rekenkundige ondergrens van 1 mol zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Op 4 juli 2024 heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) de Interbestuurlijke Verkenning Rekenkundige Ondergrens opgeleverd.2 Daarin is ook een impactanalyse voor verschillende sectoren in opgenomen. De verwachting is dat vooral PAS-melders, de woningbouw, en kleine projecten geholpen zullen worden.
Heeft u onderzocht wat een bestuurlijke drempelwaarde, vergelijkbaar met de Duitse systematiek, zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?
De mogelijkheden voor een drempelwaarde zijn ook betrokken bij de hierboven genoemde verkenning van IPO. Als de beheersmaatregelen voor de rekenkundige ondergrens eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet gaan inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes
Hoeveel PAS-melders verwacht u voor eind 2027 daadwerkelijk te legaliseren?
Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt verschillende oplossingsrichtingen waarmee de PAS-melder weer in een legale situatie terechtkomt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Het programma streeft ernaar om voor elke PAS-melder uiterlijk in maart 2028 een oplossing in beeld te hebben. De oplossing hoeft in maart 2028 nog niet volledig geïmplementeerd te zijn, de ondersteuning vanuit Rijk en provincies loopt door tot en met 2030 zodat er ruimte is voor de implementatie van de oplossing en het traject van vergunningverlening.
Welke extra maatregelen neemt u om PAS-melders voor invoering van de rekenkundige ondergrens sneller duidelijkheid te geven?
Met de invoering van de rekenkundige ondergrens zal een deel van de PAS-melders een oplossing hebben, omdat zij met hun gehele activiteit binnen deze grens blijven. Zij krijgen geen vergunning, maar er komt wél een einde aan hun onzekerheid. Voor de andere PAS-melder presenteert het programma andere oplossingsrichtingen. Om het maatwerkprogramma extra slagkracht te geven, wordt er € 350 miljoen extra vrijgemaakt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past.
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken is gekozen voor bufferzones van 500 meter en 1 kilometer?
Het nut en de noodzaak van zoneringsbeleid is terug te lezen in publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).3 De cijfermatige onderbouwing van de zones is gebaseerd op de cijfers uit de bijpassende kennisnotitie van het RIVM4. Daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken benut om inzichtelijk te maken welke afstanden passend zijn om druk vanuit agrarische activiteiten en grondgebruik op het Natura 2000-gebied te beperken. Denk daarbij aan verspreiding van nutriënten via het bodem- en watersysteem, of de verspreiding van schadelijke stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via drift, water, atmosferische depositie of via ongewervelden. De passende afstand verschilt per drukfactor en hangt samen met de knelpunten die in de natuurdoelanalyses per gebied opkomen. Daarmee is 500 meter naar voren gekomen als minimale afstand om breed aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden te voldoen.
Bent u bereid deze onderzoeken met de Kamer te delen?
Deze onderzoeken zijn reeds openbaar, zie hiervoor de links in de voetnoten bij de beantwoording van de vorige vraag.
Bent u bekend met het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat ongeveer 90 procent van de uitgestoten stikstof in hogere luchtlagen terechtkomt en elders neerslaat, terwijl van de circa 10 procent die binnen 500 meter neerslaat, het grootste deel al binnen 100 meter van de bron terechtkomt? Waarom kiest het kabinet desondanks voor bufferzones van 500 meter en één kilometer?1
Dat onderzoek is bij mij bekend. Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen van het RIVM dat dichtbij de bron de meeste stikstof per hectare neerslaat en dat die bijdrage langzaam afneemt naarmate de afstand groter wordt. Ook op meer dan 100 meter kunnen emissiebronnen echter nog tot veel stikstofdepositie leiden, zeker als we kijken naar de optelsom van alle bijdragen per hectare. Uit ander onderzoek van het RIVM6 blijkt dat tot 1.000 meter van het gebied, stikstofmaatregelen ongeveer 2,5x effectiever zijn dan generieke maatregelen.
Waarom kiest u voor generieke bufferzones rond Natura 2000-gebieden, terwijl de problemen per natuurgebied verschillen?
De komende periode gaat het kabinet aan de slag met de verdere uitwerking van de zoneringsaanpak. Daarbij worden enerzijds instructieregels uitgewerkt, waaronder over de breedte van de zones. Deze vormen de ruggengraat van het Rijk om te komen tot een zoneringsaanpak. Anderzijds krijgen gebieden de mogelijkheid om tot 1 januari 2028 met een gebiedseigen oplossing te komen die gelijk is in doelbereik, financiën en juridische borging. Dit kan bijvoorbeeld vormgegeven worden via een omwisselbesluit. Daarbij zoekt het kabinet een balans tussen een gelijk speelveld en ruimte bieden voor gebiedseigen oplossingen. In beide gevallen is er daarbij ruimte voor provinciale doorvertaling van de landelijke beleidsvoornemens en kaders naar specifieke Natura2000-gebieden.
Allereerst maakt het kabinet onderscheid tussen gebieden waar zonering geen nut en noodzaak heeft, waar wordt ingezet op een 500 meter zone en waar wordt ingezet op een 1.000 meter zone. Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen kaders. Daar is sprake van voor:
Heeft u onderzocht wat kleinere, gebiedsgerichte bufferzones of zones van maximaal 250 meter zouden betekenen voor natuurherstel en vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Uit de reflectie van PBL, RIVM, Deltares en Wageningen University and Research (WUR) op het MCEN pakket7 met zones van 250 meter is naar voren gekomen dat deze afstanden onvoldoende doen om achteruitgang te stoppen. Deze afstanden zijn niet passend bij een integraal pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat nodig is om druk vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden zo veel mogelijk te verzachten. Daarnaast zorgen zones van 250 meter voor meer uitdagingen op het gebied van grondmobiliteit en het mogelijk maken van een volwaardige extensieve bedrijfsvoering voor bedrijven met percelen in de zones. Daarbij is er ook een afweging te maken. In kleinere zones zal er een grotere opgave liggen in de zone zelf. Deze opgave is dusdanig dat er niet tot nauwelijks ruimte is voor landbouw in de zone. Een grotere zone dan 250 meter raakt meer bedrijven. Tegelijkertijd blijft er hierdoor ruimte voor extensieve vormen van landbouw.
Klopt het dat de huidige AERIUS-systematiek en de bestaande natuurdoelanalyses voorlopig blijven gelden en dat de Kritische Depositiewaarde daardoor in de praktijk voorlopig een belangrijke rol blijft spelen bij vergunningverlening?
Dat klopt. Bij toestemmingverlening zal de best beschikbare wetenschappelijke kennis benut blijven worden, dat verlangt de rechter ook van ons.
Wat verandert er morgen concreet voor een ondernemer die een natuurvergunning aanvraagt ten opzichte van de situatie voor deze Kamerbrief?
Met de kabinetsaanpak zetten we de essentiële stappen om vergunningverlening weer stapsgewijs mogelijk te maken. Het vraagt nadere uitwerking voordat er in de praktijk weer meer vergunningen kunnen worden verleend. Daar gaan we mee aan de slag.
Op basis van welke juridische adviezen verwacht u dat de nieuwe systematiek beter standhoudt bij de rechter dan de huidige?
Het kabinet kiest voor een omvangrijk pakket met juridisch geborgde maatregelen waar nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfsspecifieke emissienormen, wettelijke doelstellingen en de regels op zonering. Met daarbij aandacht voor monitoring en bijsturing. Dit is niet gebaseerd op een nieuwe systematiek, maar bouwt voort op de inzet van het vorige kabinet en het advies dat de Landsadvocaat toentertijd heeft gegeven. Daarbij benadrukt de Landsadvocaat onder meer het belang van een goede borging van maatregelen.
Kunt u uitsluiten dat de maatregelen uit dit pakket ertoe leiden dat boeren hun veestapel moeten verkleinen?
Dat kan ik niet uitsluiten. Dit maatregelpakket zal van sommige veehouderijen ingrijpende besluiten vragen, bijvoorbeeld van intensieve melkveebedrijven om aan de grondgebondenheidsnorm te voldoen. Hierbij hebben deze ondernemers afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden, zoals het kopen of pachten van extra grond, het aangaan van samenwerking met akkerbouwers in de omgeving, of het verminderen van het aantal dieren. Het kabinet treft flankerende maatregelen om boeren hierbij te ondersteunen.
Indien u dat niet kunt uitsluiten, hoeveel boeren verwacht u dat hierdoor minder dieren zullen moeten houden?
Omdat ondernemers verschillende ontwikkelrichtingen hebben om aan de verschillende normen te voldoen, is het op voorhand niet te zeggen hoeveel boeren hierdoor minder dieren zullen gaan houden. Het kabinet biedt brede ondersteuning gericht op de verschillende ontwikkelrichtingen.
Heeft het kabinet berekend met hoeveel koeien, varkens en kippen de Nederlandse veestapel als gevolg van dit pakket zal afnemen? Zo ja, wilt u deze berekeningen met de Kamer delen?
Het kabinet zet in op het verlagen van de emissies op bedrijfsniveau via doelsturing. Met stalaanpassingen en managementmaatregelen is er in deze sectoren nog veel emissiereductie te realiseren. Omdat het kabinet niet het onmogelijke wil vragen van ondernemers, zijn deze normen gebaseerd op het technisch reductiepotentieel. Dat betekent ook dat hiermee niet de gehele opgave gerealiseerd kan worden. Daarom zet het kabinet ook in op aanvullende generieke reductiemaatregelen, waaronder vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming. Het resultaat van deze maatregelen is onder andere afhankelijk van de deelname bereidheid en van de dynamiek op de markt. Een exacte inschatting van het gevolg voor het aantal dieren in de verschillende sectoren is daarom op voorhand niet te maken.
Klopt het dat ondernemers die willen investeren in emissiereducerende technieken daarvoor vaak eerst een natuurvergunning nodig hebben?
Met het voorliggende pakket vertrouw ik erop dat natuurvergunningen voor verduurzamingsprojecten op korte termijn weer verleend kunnen worden. Vooruitlopend op reguliere toestemmingeverlening werkt het kabinet met voorrang aan het versneld mogelijk maken van verduurzaming. Hierbij wordt gekeken naar onder andere de passende maatregel als instrument. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming weer een onderdeel van de oplossing.
Het is afhankelijk van de maatregel of nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Zo zullen voor managementmaatregelen over het algemeen geen nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Voor stalmaatregelen is dat vaak wel het geval. Daarvoor kan toestemmingverlening weer in gebieden waar het pakket behoud van de natuur borgt. Waar dat niet het geval is, kan de passende maatregel worden ingezet om toch de verduurzaming doorgang te laten vinden, dan is geen natuurvergunning nodig.
Hoe voorkomt u dat bedrijven die willen investeren en verduurzamen opnieuw vastlopen doordat zij geen natuurvergunning kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoeveel verschillende landelijke en gebiedsgerichte regels krijgen agrarische ondernemers als gevolg van dit pakket? Acht u dit een vereenvoudiging van het stikstofbeleid?
Het is nog niet definitief vast te stellen hoeveel verschillende regels precies uit dit pakket volgen, omdat nog niet alle regels volledig zijn vastgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat het pakket direct leidt tot een vereenvoudiging van het stikstofbeleid, maar er zijn wel onderdelen die leiden tot vereenvoudiging, zoals het verhogen van de rekenkundige ondergrens. Tevens biedt het ondernemers meer duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt, onder meer met de bedrijfsspecifieke emissienormen en de grondgebondenheidsnorm. Agrarische ondernemers kunnen binnen deze kaders en met de beschikbare ondersteuning keuzes maken die passen bij hen als ondernemer, bij hun bedrijf en bij de omgeving van het bedrijf. Bij het inrichten van het pakket wordt rekening gehouden met bestaande regelgeving en het zo eenvoudig mogelijk houden van de wet- en regelgeving.
Heeft het kabinet onderzocht wat de stapeling van al deze maatregelen betekent voor een gemiddeld agrarisch bedrijf? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Het kabinet realiseert zich dat het maatregelpakket veel impact kan hebben op agrarische bedrijven, ook in termen van het verdienvermogen. Met breed ondersteuningsbeleid gaat dit kabinet naast de ondernemer staan en wordt er ondersteuning geboden voor de verschillende ontwikkelrichtingen. PBL, WUR en RIVM zullen het maatregelpakket beoordelen, onder meer op emissiereductie en sociaaleconomische aspecten. Onderdeel van de reflectie van de kennisinstellingen op sociaaleconomische aspecten van het beleid is ook een inschatting van het effect van het pakket op het verdienvermogen van de agrarische sector. We hebben de kennisinstellingen verzocht om hun reflecties gereed te hebben vóór de behandeling van de LVVN-begroting in de Tweede Kamer.
Voor de wettelijke borging van verschillende maatregelen is het daarnaast noodzakelijk om de sociaaleconomische gevolgen goed in beeld te hebben.
Kunt u per maatregel aangeven welke bedoeld is om vergunningverlening weer op gang te brengen en welke bedoeld is om de landbouwsector structureel te veranderen?
De maatregelen in de aanpak vormen één samenhangend geheel. De bedrijfsspecifieke emissienormen in de landbouw werken alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt. De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Daarmee zijn alle onderdelen van de aanpak nodig om de vergunningverlening weer op gang te brengen. Tegelijkertijd kijken we naar de synergie van het pakket met andere opgaven, door bijvoorbeeld ook gewasbescherming, dierwaardigheid en klimaat mee te nemen.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de Nederlandse voedselproductie, voedselzekerheid en de afhankelijkheid van voedselimport? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
In Nederland is er een ruim, divers en voor de meeste mensen betaalbaar aanbod van voedsel. Dit is het resultaat van voedselproductie hier en de invoer van voedsel uit landen die onderdeel zijn van de Europese Unie, alsook van daarbuiten. Juist de combinatie van eigen productie en de mogelijkheden voor import maakt dat we voedselzeker zijn. Ondanks dat de samenstelling mogelijk verandert, zet dit kabinet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere termijn. De Staatssecretaris werkt aan een Voedselzekerheidsagenda en zal de Kamer spoedig informeren over de contouren en het proces.
Kunt u garanderen dat ondernemers die de komende jaren investeren om aan alle nieuwe regels te voldoen, niet later alsnog worden geconfronteerd met extra beperkingen of een generieke korting op productierechten?
Wanneer is voor het kabinet de vrijwillige aanpak niet langer voldoende? Welke criteria hanteert u om over te gaan tot dwingende maatregelen?
Kunt u uitsluiten dat ondernemers uiteindelijk worden gedwongen hun bedrijf of veestapel te verkleinen als de gestelde doelen niet worden gehaald?
Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid van dwingende maatregelen en voortdurende onzekerheid grote gevolgen kan hebben voor de waarde en financierbaarheid van agrarische bedrijven? Heeft u dit onderzocht?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de bereidheid van banken en andere financiers om agrarische bedrijven te financieren? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Voor boeren, banken en financiers heeft de juridische onzekerheid over vergunningverlening afgelopen jaren geleid tot een terughoudendheid om te investeren in de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Vergunningen zijn een belangrijke randvoorwaarde om financiering te verstrekken aan agrarische bedrijven. Eind vorig jaar gaf bijvoorbeeld de Rabobank aan dat er in de landbouw vooral is geïnvesteerd in grond, en minder in innovaties zoals technieken of nieuwe stallen. Het kabinet heeft het vertrouwen dat door dit pakket de vergunningverlening weer op gang komt, net als de investeringen in deze sector.
Bent u bereid deze vragen, gelet op het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van 1 juli 2026, voor aanvang van dat debat te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de staatssecretaris dreigt de Kamer te passeren voor versoepeling van de bescherming van de wolf |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer middels motie-Kostić (Kamerstuk 33 118, nr. 310) de regering heeft verzocht geen verdere stappen te zetten in de voorbereiding of uitvoering van de voorgestelde wijziging van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, tot het nieuwe kabinet is aangetreden en de Kamer inzicht heeft kunnen krijgen in het voorgenomen besluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen?
Ja.
Erkent u dat dit definitieve oordeel moet worden geveld door de Kamer ten tijde van een voorgenomen besluit van het nieuwe kabinet, voordat er verdere stappen door het kabinet kunnen worden genomen?
De aangenomen motie Kostić verzoekt inderdaad geen verdere stappen te zetten tot het nieuwe kabinet (het kabinet Jetten) is aangetreden en uw Kamer inzicht heeft gekregen in het gewijzigde ontwerpbesluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen. Ik heb uw Kamer inzicht gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, maar uw Kamer heeft nog geen oordeel over het ontwerpbesluit geveld. Ik heb uw Kamer gelet op het belang van spoedige vaststelling van het besluit meermaals opgeroepen om dit debat zo snel als mogelijk met mij te voeren. Het afwachten van dit oordeel is echter geen vereiste in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit. Een algemene maatregel van bestuur (amvb) onder de Omgevingswet kent op grond van artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswet een voorhangprocedure. Dit betekent dat het ontwerp van amvb wordt voorgelegd aan het parlement, zodat uw Kamer zich over het ontwerp kan uitspreken, maar vereist niet dat wordt gewacht op een definitief oordeel of instemming. Deze voorhangprocedure is gestart op 10 juni 2025 en is inmiddels doorlopen. Daarbij heeft uw Kamer middels het tweeminutendebat Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) van 29 januari jl. uw reactie aan de regering kenbaar gemaakt.
Waarom heeft u recent in de media laten weten dat u de wetgeving voor het zomerreces wil invoeren, of de Kamer er nou over kan debatteren of niet?1
Het is belangrijk dat de amvb in werking kan treden voor het zomerreces, om handvatten voor de aanpak van probleemwolven te bieden. Hier vragen provincies en gemeenten om. Daarom heb ik uw Kamer gevraagd deze amvb zo snel mogelijk te behandelen (Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 486). Het welpenseizoen staat voor de deur. Als er onverhoopt incidenten zijn deze zomer, wil ik dat gemeenten en provincies zo snel mogelijk kunnen handelen en daarbij gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die deze amvb biedt.
Kunt u zich voorstellen dat uw woorden, waarin het lijkt alsof u dreigt met het passeren van de Kamer, als niet passend worden ervaren?
Ik vind het vervelend dat mijn woorden door het lid Kostic zo worden ervaren en zal u mijn dilemma schetsen. Gezien de urgentie en het lopende recreatieseizoen, wil ik snel handelen. Daarom heb ik spoedadvies gevraagd aan de Raad van State. Uw Kamer heeft mij ook gevraagd snel te handelen middels de motie van het lid Ten Hove die de regering verzoekt zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking (Kamerstuk II 2025/26, 36 800 XIV, nr. 51). Dit verzoek staat op gespannen voet met het laatste deel van de motie Kostić. De motie Kostić is bijna helemaal uitgevoerd; alleen het laatste deel van het in deze motie geformuleerde verzoek kan ik door de grote tijdsdruk niet uitvoeren, mede omdat uw Kamer ervoor heeft gekozen de amvb vooralsnog niet te behandelen.
Als de wetgeving zo urgent voor u is, waarom heeft u dan het Nationaal Wolvenberaad geannuleerd een dag voor uw mededeling dat u zo snel mogelijk de wetgeving wil invoeren? Ziet u de meerwaarde van overleg met het Nationaal Wolvenberaad voordat definitieve besluiten door de Kamer worden genomen? Zo nee, waarom niet?2
Het Nationaal Wolvenberaad vormt geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Ik wil dit beraad benutten om persoonlijk kennis te maken met vertegenwoordigers van verschillende overheden en maatschappelijke organisaties betrokken bij het wolvendossier in Nederland. Met deze partijen wil ik vanuit verschillende perspectieven input krijgen over de ontwikkelingen rondom wolven en de rol die de verschillende partijen in het dossier hebben en voor zichzelf zien. Ook wil ik het Nationaal Wolvenberaad voeren om de vervolgstappen met alle relevante partijen te bespreken.
Helaas heb ik op heel korte termijn de geplande afspraak moeten annuleren. Er was die ochtend een overleg van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingelast waar ik bij aanwezig moest zijn. Ik wil bij het Nationaal Wolvenberaad persoonlijk spreken met de diverse partijen de te maken hebben met het wolvendossier. Daarom heb ik besloten het beraad te verplaatsen naar het najaar.
Kunt u zich voorstellen dat de Kamer ook een extreem drukke agenda heeft waarin allerlei andere belangrijke zaken nog afgerond moeten worden voor het zomerreces en de werklast al hoog ligt (bij zowel Kamerleden als medewerkers), waardoor de Kamer het debat over het ontwerpbesluit liever vlak na het zomerreces zou willen voeren? Kunt u die situatie respecteren en niet in de media communiceren dat u het definitieve besluit doorzet voor het zomerreces zonder dat de Kamer er een definitief oordeel over heeft geveld?
De Kamer is via de brieven van 24 april en 8 juni 2026 geïnformeerd over de laatste wijzigingen in de AMvB. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking kan treden om zo provincies en gemeenten deze zomer al meer mogelijkheden te bieden om op te treden indien er onverhoopt incidenten zijn met wolven. Daarom heb ik de Kamer opgeroepen dit debat zo spoedig mogelijk in te plannen.
Kunt u bevestigen dat u zich houdt aan de wens van de Kamer en dat u het respecteert als de Kamer na het zomerreces definitief over het betreffende Ontwerpbesluit wil beslissen?
Zoals ik in mijn eerdere antwoorden heb aangegeven vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking treedt. Ik zal aan eventuele wensen van de Kamer die na het zomerreces worden geformuleerd naar beste kunnen invulling geven.
Als de Kamer het debat na het zomerreces gaat voeren over het ontwerpbesluit, ziet u nog mogelijkheden om alsnog voor dat debat overleg te plegen met het Nationaal Wolvenberaad?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, vormt het Nationaal Wolvenberaad geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Het beraad zal in het najaar plaatsvinden, een exacte datum is hiervoor nog niet vastgesteld. Ik begrijp dat er in uw Kamer een meerderheid is voor het inplannen van een debat over de wolf de eerste week na het reces, op basis van de Regeling van werkzaamheden op 30 juni 2026. In dat geval zal het wolvenberaad na het debat plaatsvinden.
Kunt u een exact overzicht geven van alle personen en organisaties die waren uitgenodigd voor dat Nationaal Wolvenberaad?
Deelnemers aan het Nationale Wolvenberaad zijn:
Kunt u deze vragen één voor één uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden?
De hersteloperatie van de toeslagenaffaire en de brievenadministratie inzake het massale uitvraagproces |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe het herstel van het Toeslagenschandaal ontspoorde: zeker 20.000 ouders ontvingen ten onrechte compensatie»1 uit NRC Handelsblad van 15 juni 2026?
Ja
Kunt u een uitgebreide inhoudelijke reactie geven op dit artikel, waaronder in ieder geval ten aanzien van het genoemde aantal van 20.000 personen, die ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt en gecompenseerd in het kader van de toeslagenaffaire?
Ik herken mij niet in het beeld dat «zeker 20.000 ouders ten onrechte compensatie hebben ontvangen», zoals in het artikel wordt gesteld. De in het artikel geschetste weergave is naar mijn oordeel onjuist dan wel onvolledig. Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20262 geeft de verzend- en ontvangst administratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Mede naar aanleiding van verzoeken vanuit uw Kamer is onderzocht of een nauwkeurigere inschatting mogelijk is. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Waarom werd, zoals in het artikel wordt vermeld, binnen UHT verondersteld dat het versturen van de uitvraag- en rappelbrieven aan ouders niet te bewijzen was, aangezien zowel de administratie van deze grootscheepse operatie als het boven water krijgen ervan als onderdeel van de hersteloperatie van cruciaal belang waren?
Voor de zomer van 2024 was het beeld dat van oudere perioden van het massale uitvraagproces geen volledige administratie van verzonden vraag- en rappelbrieven beschikbaar was. Daarom werd ervan uitgegaan dat verzending in veel gevallen niet of slechts beperkt kon worden gereconstrueerd. Daarnaast was het ouderverhaal leidend binnen de hersteloperatie. Indien een ouder verklaarde geen brieven te hebben ontvangen, werd daarvan uitgegaan, omdat UHT destijds evenmin over deze brieven beschikte.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen dat mogelijk toch een administratie beschikbaar was. Dat signaal is opgepakt en heeft ertoe geleid dat ik de ADR gevraagd heb onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
Is er eerder onderzoek gedaan naar de verzendadministratie? Zo ja, wat waren de resultaten hiervan en kunt u deze met de Kamer delen?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld3. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Wat was in de beginfase van de UHT de werkwijze met betrekking tot het boven water krijgen van de benodigde informatie en correspondentie van Toeslagen voor een beoordeling door UHT? Welke afdelingen waren hierbij betrokken, wat kunt u over dit proces vertellen en hoe heeft zich dit vervolgens in de loop der jaren ontwikkeld?
In de beginfase van de hersteloperatie werd informatie verzameld uit de verschillende beschikbare systemen, archieven en administraties van Toeslagen en de Belastingdienst. Daarbij waren meerdere organisatieonderdelen betrokken, waaronder Toeslagen, UHT en onderdelen die verantwoordelijk waren voor informatiebeheer.
Hoeveel ouders hebben vanaf 2007 per toeslagjaar een uitvraagbrief ontvangen, hoeveel een rappelbrief en hoeveel een stopbrief (tweede rappelbrief)?
De cijfers die beschikbaar zijn gaan over de periode 2007 tot en met 2018. In die periode gaat het om:
Uitvraagbrief (2007–2018): circa 193.000 gemiddeld per jaar
Rappelbrief (2007–20174): circa 61.000 gemiddeld per jaar
De uitvraagbrieven en rappelbrieven worden verstuurd vanuit een massaal proces, de stopbrieven worden verzonden vanuit een kantoorproces. Op dit moment weet ik niet of de cijfers van het kantoorproces zijn bijgehouden.
Deelt u de analyse dat wanneer in het proces van het versturen van uitvraag-, rappel- en stopbrieven een volgende brief niet is verstuurd, dit inhoudt dat de betrokken persoon óf op de vorige brief gereageerd heeft óf uit het proces is gehaald? Zo nee, waarom niet?
Ja, in algemene zin deel ik die analyse. Daarbij merk ik wel op dat uitzonderingssituaties kunnen hebben bestaan. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat de feitelijke gang van zaken in individuele dossiers hiervan afweek.
Deelt u tevens de analyse dat indien een persoon een stopbrief heeft ontvangen, dat dit in ieder geval inhoudt dat er geen reactie is binnengekomen op de uitvraag- en de rappelbrief? Zo nee, waarom niet?
Ja. In algemene zin betekent het verzenden van een stopbrief dat er op dat moment geen reactie was geregistreerd naar aanleiding van de eerdere uitvraag- en rappelbrief.
Wel konden zich uitzonderingssituaties voordoen, bijvoorbeeld wanneer een ouder pas reageerde nadat de stopbrief al was verzonden. Ook kunnen ouders gereageerd hebben zonder gebruik te maken van het meegezonden retourformulier, informatie fysiek aanboden op een kantoor van de Belastingdienst of reageerden nadat het toeslagjaar administratief was afgesloten. Verder zijn voorbeelden bekend van ouders die met hun brieven aan de balies hebben gestaan en deze brieven handmatig hebben laten registreren, wat niet altijd goed is gegaan
De enkele aanwezigheid van een stopbrief betekent daarom niet zonder meer dat een ouder uiteindelijk helemaal niet heeft gereageerd.
Hoeveel procent van de ouders heeft over de jaren heen (vanaf 2007) gereageerd op een uitvraag- of rappelbrief, waardoor vervolgens dus niet de fase van de stopbrief is bereikt?
In de periode 2007 tot en met 2018 was het gemiddelde reactiepercentage op het massale proces (uitvraagbrief en rappelbrief) 87%.
Hoe aannemelijk acht u het dat van een ouder alle schriftelijke reacties op uitvragen, rappels etcetera in het kader van het massale uitvraagproces op verschillende momenten in de tijd zijn kwijtgeraakt? Hoe aannemelijk acht u het dat dit op grote schaal is gebeurd?
Het kwijtraken van stukken voortkomend uit het massale uitvraagproces wordt niet aannemelijk geacht. Voor de verwerking van binnengekomen reacties waren verschillende registraties, controles en archiveringsprocessen ingericht. Dit sluit aan bij de bevindingen van het ADR-onderzoek naar de waarborgen rondom de verzend- en ontvangstadministratie, waarover uw Kamer op 6 februari 20265 is geïnformeerd. Ook zijn er geen aanwijzingen dat reacties van ouders op grote schaal verloren zijn gegaan.
Klopt het dat er geen enkele aanwijzing is dat stukken bij de verwerking door CAP in het kader van het massale uitvraagproces bewust zijn kwijtgemaakt? Zo nee, welke aanwijzingen bestaan daarvan?
Er zijn geen aanwijzingen dat stukken bij de verwerking door CAP bewust zijn kwijtgeraakt of verwijderd. Binnen het massale uitvraagproces waren verschillende controlemaatregelen ingericht voor zowel de verzending van post als de monitoring van de tijdige ontvangst daarvan. Ook werd de kwaliteit van het verzendproces gecontroleerd.
Hoe verhoudt het risico van het kwijtraken van stukken die als zogeheten «ongestructureerde post» binnenkomen (dus niet via de standaardroute) in het kader van het massale uitvraagproces zich tot het risico op het kwijtraken van ongestructureerde post bij andere overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst? Welke (schattingen van) percentages zijn er bekend met betrekking tot het kwijtraken van ongestructureerde post door overheidsdiensten?
De Belastingdienst houdt geen cijfers bij over het risico van kwijtraken van post in verhouding tot andere overheidsorganisaties. Er wordt post verwerkt voor de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Wat door de Belastingdienst aan binnenkomende post wordt ontvangen wordt gedigitaliseerd (gescand), voorzien van metadata en digitaal afgeleverd in systemen van het behandelend organisatieonderdeel.
Kunt u nauwgezet uiteenzetten op welke gronden ouders voor het massale uitvraagproces in aanmerking komen? Welke selectiecriteria worden hierbij gehanteerd?
In de fase van het definitief toekennen van de kinderopvangtoeslag wordt er in het massale proces een vraagbrief naar een ouder gestuurd als Toeslagen van de kinderopvangorganisatie geen jaaropgave ontvangt voor die ouder of als de jaaropgave significant afwijkt van de aanvraag van die ouder. Dat kan gaan om het aantal uren opvang dat is afgenomen of dat de gegevens over het aantal afgenomen uren niet compleet zijn. Dat is zowel in de situatie waarin de ouder meer kinderopvangtoeslag aanvraagt als in de situatie dat een ouder minder kinderopvangtoeslag aanvraagt in vergelijking met de jaaropgave van de kinderopvangorganisatie. Met de vraagbrief ontvangt de ouder tevens een retourformulier dat ingevuld met bijbehorende bijlagen teruggestuurd dient te worden. Op basis van de teruggestuurde gegevens zal de kinderopvangtoeslag door Toeslagen definitief worden vastgesteld.
Hoeveel procent van de binnengekomen post in reactie op uitvragen en rappels werd in de jaren sinds 2007 door de scanner verwerkt?
Dit wordt niet bijgehouden.
Hoe en door welk team werden de stukken die niet door de scanner kwamen beoordeeld en zijn er aanwijzingen dat bij deze fysieke beoordelingen te strikt is opgetreden? Zo ja, welke aanwijzingen?
Stukken die niet door de scanner komen worden door medewerkers van de Belastingdienst gelezen om te beoordelen bij welk dienstonderdeel het thuis hoort. Daarna wordt het betreffende stuk opgestuurd naar het behandelend dienstonderdeel. Mij zijn geen algemene bevindingen bekend waaruit volgt dat hierbij structureel te strikt is gehandeld.
Zijn er inmiddels -sinds het ADR-onderzoek- wijzigingen aangebracht in bovengenoemde werkwijze bij het verwerken van binnenkomende stukken in het kader van het massale uitvraagproces? Zo ja, welke? Zo nee, welke andere conclusie is daaruit te trekken anders dan dat dit proces ook destijds goed verliep?
De in het ADR-rapport beschreven verwerking van de reacties per antwoordbrief is ongewijzigd gebleven en de vraag- en rappelbrieven worden volgens de standaardprocessen voor inkomende reacties afgehandeld. Ook de beschreven werkwijze bij het reageren in een andere vorm dan via het antwoordformulier en de antwoordenvelop is niet gewijzigd. De werkwijze onbestelbaar retour ontvangen post is ongewijzigd gebleven. Voor het onderzochte massale uitvraagproces zijn door de ADR aanwijzingen gevonden dat het proces gestandaardiseerd was, waarborgen bevatte en dat de onderzochte administratieve vastleggingen consistent zijn.
Indien de compensatiegrond wegens vooringenomen handelen wegvalt door het meenemen van de aangetroffen brievenadministratie, welke compensatiegronden blijven dan nog wel van kracht voor de betreffende jaren?
De vraag veronderstelt dat het meenemen van de aangetroffen brievenadministratie ertoe leidt dat de grond voor vooringenomen handelen wegvalt. Dat kan niet zonder meer worden geconcludeerd.
«Onterechte non-respons» is namelijk geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond, maar kan één van de omstandigheden zijn die bijdragen aan de vaststelling van individuele vooringenomenheid. Ook wanneer deze omstandigheid in een individueel geval zou wegvallen, kan nog steeds sprake zijn van vooringenomen handelen op basis van andere feiten en omstandigheden.
Daarnaast kan een ouder gedupeerd zijn op grond van de hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Welke grond of gronden van toepassing zijn, hangt af van de integrale beoordeling van het betreffende toeslagjaar en dossier.
Klopt het dat niet per toeslagjaar is vastgelegd wat de verschillende compensatiegronden zijn geweest en hoe de verhoudingen qua aantallen zijn? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd, aangezien inzicht in compensatiegronden van groot belang is om de achtergronden van (de afhandeling van) de toeslagenaffaire inzichtelijk te maken? Zo nee, kan de Kamer alle beschikbare gegevens hierover ontvangen?
Dat is juist. Er is niet per toeslagjaar systematisch vastgelegd welke specifieke onderliggende omstandigheden hebben geleid tot de conclusie dat sprake was van vooringenomenheid of hardheid. Aan het begin van de hersteloperatie was de noodzaak om alle onderliggende oorzaken en omstandigheden afzonderlijk vast te leggen niet voorzien. De nadruk lag destijds op het zo snel mogelijk beoordelen van dossiers en het bieden van herstel aan gedupeerde ouders.
Wel kan inzicht worden gegeven in de hoofdgrond waarop een ouder is beoordeeld. Zo zijn circa 34.000 ouders in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen.
Had de ADR in haar onderzoek de ruimte om naar aanleiding van haar bevindingen ten aanzien van de administratieve vastleggingen tevens conclusies te trekken over de implicaties hiervan voor de mate waarin ouders terecht zijn gecompenseerd op grond van vooringenomen handelen? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd? Zo nee, zijn dergelijke conclusies wel getrokken in eerdere, niet-definitieve versies van het onderzoek? Indien dit het geval is: hoe luidden deze?
De ADR is gevraagd onderzoek te doen naar de opzet en de werking van de waarborgen gericht op de juistheid en volledigheid van de administratie. Ook is de ADR gevraagd om voor 130 als gedupeerd aangemerkte ouders vanwege vooringenomenheid voor een geselecteerd toeslagjaar (2007 tot en met 2019) na te gaan welke informatie over verzonden brieven en ontvangen reacties in de database aanwezig is.
Uit het ADR-onderzoek volgt niet dat kan worden vastgesteld dat ouders ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt. Het viel niet binnen de reikwijdte van het ADR-onderzoek om conclusies te trekken over de juistheid van de kwalificatie als gedupeerde ouder. Daarnaast is het ook niet mogelijk om op basis van deze onderzoeksresultaten conclusies te trekken of de gedupeerdheid van een ouder al dan niet terecht is. Zoals ik eerder al heb uitgelegd is «onterechte non-respons» namelijk geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond, maar kan één van de omstandigheden zijn die bijdragen aan de vaststelling van individuele vooringenomenheid. Ook wanneer deze omstandigheid in een individueel geval zou wegvallen, kan nog steeds sprake zijn van vooringenomen handelen op basis van andere feiten en omstandigheden.
Deelt u de analyse dat over het algemeen te stellen is dat nieuwe beschikbare informatie in zaken waarin puur is uitgegaan van het ouderverhaal twee zaken kan aantonen, namelijk dat de verstrekte compensatie terecht was of dat er ten onrechte (of te veel) is gecompenseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet zonder meer. Nieuwe informatie kan bijdragen aan een vollediger beeld van een dossier, maar kan niet op zichzelf aantonen dat compensatie terecht of onterecht is verstrekt. De beoordeling van gedupeerdheid berust op een integrale afweging van alle relevante feiten en omstandigheden, waarbij het verhaal van de ouder leidend is.
Zijn er aanwijzingen dat er -los van de digitale datakluis- nog andere informatie (in welke vorm dan ook) beschikbaar is die nog niet betrokken is bij het beoordelen van dossiers en die mogelijk relevant was geweest bij het vaststellen van de vraag of personen al dan niet gedupeerd zijn? Zo ja, welke aanwijzingen en welke informatie?
Naar aanleiding van regulier archiefbeheer worden momenteel fysieke dozen met FIOD dossiers beoordeeld om te bepalen of ze voor vernietiging in aanmerking komen. Er wordt nog nader onderzocht of deze FIOD dossiers gebruikt mogen worden en relevantie hebben.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
De afwezigheid van het habitattype grijze duinen in Natura 2000 gebied Westerschelde |
|
André Flach (SGP) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Integrale Effectenanalyse voor de locatiekeuze voor nieuwe kerncentrales (Kamerstuk 2026D31307), waarin wordt aangegeven: «In de verkenning zijn hoge depositiebijdragen berekend op nabijgelegen (zoekgebied voor) grijze duinen. Dit zoekgebied/ deze habitat die is opgenomen in Aerius blijkt echter niet aanwezig. Dit vraagt om aanpassing van Aerius.»?
Ja.
Deelt u de analyse dat het habitattype grijze duinen niet voorkomt in het betreffende Natura 2000-gebied?
In aanwijzingsbesluit van Westerschelde & Saeftinghe is het habitattype grijze duinen (kalkrijk) opgenomen met het doel «behoud oppervlakte en kwaliteit». Dit habitattype is aanwezig en beschermd in het betreffende N2000-gebied.
De opmerking in de Effectenanalyse gaat over de aanwezigheid op een specifieke locatie. Het is aan de voortouwnemer van het gebied om de habitatkartering actueel te houden. In dit geval is Rijkswaterstaat de voortouwnemer.
Bent u voornemens ervoor te zorgen dat Aerius hier zo snel mogelijk op wordt aangepast?
AERIUS bevat de habitatkaarten zoals deze worden aangeleverd door de voortouwnemers. Ieder jaar wordt AERIUS geactualiseerd, onder andere om de habitatkartering bij te werken naar de laatste versie. Over deze specifieke casus ben ik in gesprek met Rijkswaterstaat.
Het artikel 'Honderden euro’s bonus voor slim gebruik elektriciteit tegen overvol stroomnet: ‘Auto buiten piekuren opladen’' |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energiebedrijven zetten geld in tegen overvol stroomnet: vergoeding voor slim laden en gebruik thuisbatterij»? Hoe beoordeelt u deze samenwerking van regionale netbeheerders?1
Het kabinet ziet dit initiatief van netbeheerders, energieleveranciers en marktpartijen als een positieve ontwikkeling en is verheugd met de samenwerking.
Het initiatief is versneld tot stand gekomen in het kader van de FGU-aanpak, waarover de Kamer onlangs is geïnformeerd2. De intensieve samenwerking binnen deze FGU-aanpak heeft eraan bijgedragen dat deze oplossing snel kon worden ontwikkeld. De ACM en het kabinet werken daarnaast aan het wegnemen van knelpunten in wet- en regelgeving om verdere opschaling mogelijk te maken.
Ziet u het ook als een win-win-win dat door het slim aansturen van laadpalen, thuisbatterijen en hybride warmtepompen het stroomnet op piekuren wordt ontzien, er ruimte komt op het net voor nieuwe aansluitingen en huishoudens geld kunnen verdienen?
Ja. Dit sluit volledig aan bij de reeds ingezette aanpak binnen het spoor «Beter benutten – kleinverbruikers» van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN).
Flexibel elektriciteitsverbruik door huishoudens biedt aanzienlijke mogelijkheden om het elektriciteitssysteem tijdens piekmomenten te ontlasten. Dat kan door het gebruik van elektrische apparaten te verschuiven naar momenten buiten de piek. Vooral slimme «net-intensieve» apparaten, zoals laadpalen, thuisbatterijen en warmtepompen, kunnen daarbij een verschil maken.
Onderdeel van deze aanpak zijn ook de normen die het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontwikkelt voor slimme apparaten die deelname aan flexibiliteitsdiensten makkelijker maken. Zo kunnen huishoudens eenvoudiger bijdragen aan een stabieler elektriciteitsnet en beter sturen op elektriciteitskosten om meer grip te krijgen op hun energierekening.
Heeft u er kennis van genomen dat klanten van Essent met een «buurtbonus» een jaarlijkse bonus kunenn krijgen van 400 euro per jaar als zij meer eigen zonnestroom gebruikem en dat ook huishoudens geld kunnen verdienen als zij hun batterij actief gebruiken voor het ondersteunen van het net? Deelt u dat dit een goede stimulans kan zijn voor huishoudens om zonnepanelen en batterijen aan te schaffen?
Het is aan energieleveranciers en andere marktpartijen om aantrekkelijke en begrijpelijke proposities voor consumenten te ontwikkelen. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor partijen die huishoudens ontzorgen en hen helpen te profiteren van prijsprikkels, bijvoorbeeld via slimme apps en energiemanagementsystemen die apparaten zoals thuisbatterijen, laadpalen en warmtepompen automatisch aansturen op basis van de situatie op het elektriciteitsnet en de elektriciteitsprijs.
Het kabinet ziet dat marktpartijen, zowel landelijk als regionaal, steeds meer van dit soort flexibiliteitsdiensten ontwikkelen. Daarmee dragen zij bij aan een efficiënter gebruik van het elektriciteitssysteem, minder druk op het stroomnet en kunnen huishoudens hiervan financieel profiteren.
Kunt u andere regionale netbeheerders aansporen hier ook mee aan de slag te gaan, zodat dit ook in gang gezet kan worden buiten de FGU-regio?
Dit initiatief is een samenwerking van alle regionale netbeheerders. In deze fase richt het zich op de FGU-regio en Noord-Brabant, omdat daar de netcongestieproblematiek het meest kritiek is. Het is nadrukkelijk de bedoeling om succesvolle elementen van deze aanpak in een volgende fase breder, en bij voorkeur landelijk, toe te passen.
Hoe gaat u van dit samenwerkingsverband leren?
Dit initiatief maakt onderdeel uit van de aanpak van netcongestie door het Rijk, netbeheerders, medeoverheden en de ACM, zowel binnen de FGU-aanpak als binnen de Landelijke Aanpak Netcongestie (LAN). Het laat zien hoe deze intensieve samenwerkingen bijdraagt aan innovatieve en structurele oplossingen voor netcongestie. Binnen deze aanpakken worden maatregelen gemonitord en worden succesfactoren continu in kaart gebracht. De opgedane kennis wordt actief gedeeld en benut om de aanpak van netcongestie in andere regio’s verder te verbeteren.
De Kamer wordt via de halfjaarlijkse voortgangsrapportages3 geïnformeerd over de voortgang van de landelijke aanpak netcongestie, waaronder relevante ontwikkelingen en de lessen die daaruit worden getrokken. Daarnaast heeft het lid Grinwis het kabinet verzocht4 de geleerde lessen en succesvolle maatregelen uit de FGU-aanpak in kaart te brengen. Hierover wordt de Kamer geïnformeerd in de volgende voortgangsrapportage, die in oktober wordt verwacht.
Hoe verhoudt dit plan zich tot de volume en tijdsafhankelijke tarieven, waarmee de Autoriteit Consument & Markt (ACM) deze zomer komt?
In het toekomstige elektriciteitssysteem zijn zowel tijdsafhankelijke nettarieven als marktgebaseerde flexibiliteitsdiensten, zoals hierboven beschreven, nodig om het stroomnet efficiënter te benutten. Het nieuwe tariefstelsel zal naar verwachting een belangrijk deel van de benodigde verschuiving van het elektriciteitsverbruik naar rustigere momenten realiseren. Flexibiliteitsdiensten vormen daarop een waardevolle aanvulling, doordat ze lokaal en op specifieke momenten extra flexibiliteit kunnen vrijmaken. Daarmee helpen ze resterende knelpunten te verminderen en ruimte te creëren voor nieuwe aansluitingen.
Het artikel dat de stikstofplannen van het kabinet bedrijven hard gaan raken en zorgt voor een economische bom voor Nederland. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat uw stikstofplannen ook de industrie keihard zullen raken? Kunt u aangeven welk effect uw stikstofplannen op de Nederlandse economie hebben? Zo nee, waarom niet?1
Uw eerste vraag refereert aan een bericht in de Telegraaf (van 25 juni jl.) dat «bijna 100 bedrijven in de buurt van Natura 2000 gebieden een verplichting opgelegd krijgen om hun stikstofuitstoot radicaal omlaag te brengen». In dit artikel wordt ingegaan op de economische impact van de stikstofmaatregelen. In de Kamerbrief van 26 juni jl. wordt het stikstofbeleid verder toegelicht. Hierin is ook rekening gehouden met economie. De vergunningverlening weer op gang krijgen vraagt iets van alle sectoren die bijdragen aan de uitstoot van stikstof en dus ook van de industrie. Industriële bedrijven doen al veel, omdat ze moeten voldoen aan milieu- en klimaatmaatregelen. Voor industrie geldt bijvoorbeeld dat de vergunning periodiek wordt vernieuwd en de fabriek zich moet aanpassen naar de beste beschikbare techniek (BBT). Daarom daalt de stikstofuitstoot van de industrie al lange tijd gestaag en deze ontwikkeling zet zich de komende periode voort, en dat geldt ook voor bedrijven in de nabijheid van natura 2000 gebieden. Het kabinet heeft gekeken naar wat de industrie aanvullend kan doen. Zo is het kabinet voornemens om aanvullend middelen beschikbaar te maken voor de (bestaande) subsidieregeling Beperking Ammoniakemissies Industrie, en bieden we industriële bedrijven binnen de vastgestelde zones rondom natura 2000 gebieden, een kans om een vrijwillige bijdrage te leveren door bovenwettelijk extra stikstofoxide te verminderen.
Doordat er momenteel geen vergunningen kunnen worden verleend loopt de Nederlandse economie schade op. Voor de periode van 2024 tot 2030 is dat rond de 4,1 miljard euro voor projecten die geen vergunning kunnen krijgen. (Jaarlijks 0,1% van het BBP). En de economische schade van stikstofemissies op gezondheid en natuur komt in 2023 neer op jaarlijks minstens 15,1 miljard euro (Jaarlijks 1,6% van het BBP) (Stikstofuitstoot en stikstofbeperkingen; Wat is de schade? SEO 20252). Dit maatregelenpakket zorgt ervoor dat vergunningverlening weer op gang kan komen. Dit zal stap voor stap en gebied voor gebied gaan.
Kunt u een opsomming geven van de bijna honderd bedrijven in de buurt van Natura 2000-gebieden die een verplichting opgelegd blijken te krijgen om hun stikstofuitstaat radicaal omlaag te brengen, inclusief cijfers van al gerealiseerde stikstofreductie per bedrijf? Indien dit niet kan, waarom niet?
Het aantal bedrijven in de zones rondom Natura 2000-gebieden is te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/KN-2025-0016.pdf). Op individueel bedrijfsniveau zijn de emissiegegevens van agrarische activiteiten om privacy-redenen niet openbaar.
Voor industriële bedrijven in zones worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld. Het kabinet is wel voornemens om stikstofimpact van industrie te verminderen door voor bedrijven die zich dicht bij natuurgebieden bevinden een tenderregeling open te stellen voor bovenwettelijke reductie.
Wat zijn de gevolgen voor de betreffende bedrijven? Wat zijn de gevolgen economisch gezien? Hoeveel werknemers gaan hier de gevolgen van merken? Hoeveel gezinnen betreft dit?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld voor industriële bedrijven in zones.
Is er voor uw plannen een brede impactanalyse gedaan, waarin in ieder geval de impact op de Nederlandse economie, de voedselzekerheid, de voedselautonomie, de werkgelegenheid, de schade aan bedrijven, de impact om de burgers en de impact op de woningbouw zijn meegenomen? Zo ja, kunt u deze delen voor het plenair debat over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Indien nee, hoe bestaat het dat deze er niet is?
In de plannen heeft het kabinet zich gebaseerd op de diverse onderzoeken en rapporten die de afgelopen jaren verschenen zijn over mogelijke oplossingen en effecten van de stikstofproblematiek. Het kabinet kiest nu voor deze aanpak, juist ook vanwege de hoge maatschappelijke kosten waar de economie momenteel onder gebukt gaat en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in de Tweede Kamer een reflectie op het maatregelpakket publiceren, die het kabinet zal benutten bij de verdere uitwerking van de verschillende maatregelen en besluiten. Het kabinet zal ook scherp zicht houden op mogelijke (regionale) sociaaleconomische effecten, onder meer via de reguliere monitoring.
Houdt u er rekening mee dat er meer dan 30 rioolwaterzuiveringsinstallaties binnen de plannen vallen? Hoe gaat u voorkomen dat bedrijven die buiten de zones vallen, maar wel lozen op deze zuiveringen ook gedwongen moeten krimpen en niet meer kunnen uitbreiden of starten? Kunt u een lijst van alle bedrijven die dit betreft sturen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, komen er met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels voor industriële bedrijven, en ook niet rioolwaterzuiveringen. Veel rioolzuiveringsinstallaties worden al vernieuwd door waterschappen om te kunnen voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Welke consequenties heeft dit voor de nieuw aan te sluiten woningbouw in deze gebieden, want die lozen ook op de rioolwaterzuiveringen?
Aangezien er geen nieuwe regels zijn voor rioolwaterzuiveringen, is er ook geen sprake van een effect op aan te sluiten woningbouw.
Beseft u dat u met deze stikstofmaatregelen de Nederlandse economie, de Nederlandse voedselvoorziening en de Nederlandse boeren de nek omdraait? Waarom doet u dit?
Het kabinet realiseert zich dat met dit pakket veel wordt gevraagd van (onder meer) agrarische ondernemers. Tegelijkertijd is dit pakket ook noodzakelijk om weer perspectief te bieden. De ondernemer staat er niet alleen voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op verschillende ontwikkelrichtingen. En als onderdeel van de aanpak investeert in de sociale en economische vitaliteit van het platteland.
Waarom legt u het rapport van prof. dr. Meester2 aangaande de statistische relevantie van de berekende stikstofdepositie naast u neer? Waarom kiest u niet, zoals het rapport aangeeft, voor instandhouding van onze natuur zonder radicaal stikstofbeleid waar u op inzet? Waarom blijft u vasthouden aan uw huidige koers van afbraak, terwijl Europa dat niet van ons vraagt?
Het vorige kabinet heeft de heer Meester gevraagd om analyse naar de statistiek onder de modellen die gebruik worden voor het verkrijgen van inzicht in stikstofdepositie die o.a. gebruikt is in de natuurdoelanalyses. Deze analyse is onderhevig geweest aan een uitgebreide review. Het vorige kabinet constateerde reeds dat de bevindingen van de heer Meester niet allemaal berusten op voldoende wetenschappelijke onderbouwing, en dit blijkt ook uit de review van dhr. Petersen.4 Ik sluit mij hierbij aan en vind het belangrijk dat beleid, zeker als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de samenleving, gebaseerd is op een degelijke wetenschappelijke onderbouwing.
Wilt u deze vragen uiterlijk op dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden, maar in ieder geval ruim voor aanvang van het plenaire debat samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Zo nee, waarom niet?
Ja
Bent u bekend met het nieuws via Israël’s Channel 14 dat er een besluit is genomen om Palestijnen te verdrijven uit Gaza?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er onder leiding van de Israëlische veiligheidsraad een dergelijk besluit is genomen?
Nee. Het kabinet heeft geen toegang tot besluiten van de Israëlische veiligheidsraad tenzij deze informatie formeel naar buiten wordt gebracht.
Kunt u bevestigen dat het verdrijven van Palestijnen uit Gaza onderdeel zou zijn van de afspraken tussen de VS en Iran?
Nee.
Deelt het kabinet de mening dat een plan om Palestijnen uit Gaza te verdrijven, neer komt op etnische zuivering?
Het is onduidelijk of dergelijke plannen daadwerkelijk bestaan. Het uitgangspunt van het kabinet is dat Gaza toebehoort aan de Palestijnen. Het kabinet staat achter het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen en de inzet is erop gericht om de situatie in Gaza voor de Palestijnse burgers te verbeteren.
Welke consequentie verbindt het kabinet eraan als deze berichten kloppen?
Er is geen bevestiging dat deze plannen daadwerkelijk bestaan.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor woensdag 1 juli?
Er is getracht om de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Ja.
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
De externe locaties zijn afgehuurd ten behoeve van personeelsbijeenkomsten voor medewerkers van verschillende organisatieonderdelen van het ministerie. Die zijn uitsluitend bedoeld voor eigen personeel. Binnen Rijksbegrotingshoofdstuk VII, Artikel 11 Centraal Apparaat is budget gealloceerd voor Personele uitgaven waar onder andere de kosten voor personeelsbijeenkomsten onder vallen. Deze kosten vallen binnen dit budget, maar zijn niet specifiek uit te splitsen naar dit aggregatieniveau.
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Ieder organisatieonderdeel heeft budgetten beschikbaar gesteld gekregen voor dit type activiteiten. Over de organisatie en invulling van personeelsbijeenkomsten wordt per organisatieonderdeel besloten.
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te maken. De kosten vallen binnen het hierboven genoemde centrale apparaatsbudget.
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Personeelsbijeenkomsten worden georganiseerd om betrokkenheid, onderlinge verbondenheid en waardering te bevorderen.
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Conform Rijksbreed beleid zijn de afgelopen jaren bij elk onderdeel van BZK de kosten van externe locaties, bijeenkomsten, lunches etc. onder de loep genomen en wordt er terughoudend omgegaan met het huren van externe locaties.
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Ieder departement is verantwoordelijk voor een eigen beleid op personeelsbijeenkomsten.
Het bericht ‘Werknemers vallen volgens de vakbond bijna flauw op de werkvloer’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werknemers vallen volgens de FNV bijna flauw op de werkvloer. Welke rechten hebben ze?»?1
Ja, ik ben op de hoogte van de inhoud van dit artikel.
Bent u het met de FNV eens dat het een slechte zaak is dat er in het Arbobesluit alleen staat dat de temperatuur op de werkplek «niet nadelig» mag zijn voor de gezondheid van de werknemer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Ja. Ik ben het hierover eens met de FNV.
De Arbeidsinspectie heeft in 2023 een verkenning uitgevoerd naar hittestress. In deze verkenning wijst de Arbeidsinspectie erop dat artikel 6.1 van het Arbobesluit alleen de factor temperatuur benoemt en niet ingaat op factoren als luchtvochtigheid, luchtverplaatsing en straling. Dit kan ertoe leiden dat bij werkgevers andere relevante (bron)maatregelen niet of minder snel in beeld komen. In de reactie hierop in de Verzamelbrief van 18 juni 20242 wordt dit bevestigd. Het gaat hier om onderliggende factoren die beïnvloeden wat het effect is van de temperatuur op de werkplek op de gezondheid. Een werkgever moet deze factoren wel in beschouwing nemen. De regelgeving zal daarom op dit punt worden verduidelijkt, door in artikel 6.1 op te nemen dat werkgevers bij het nemen van (bron)maatregelen ook rekening moeten houden met factoren als de luchttemperatuur, de luchtvochtigheid, de stralingstemperatuur en de luchtsnelheid. Hieraan wordt momenteel gewerkt.
Welke misstanden heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen vijf jaar geconstateerd rond werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie voerde in 2023 een verkenning uit naar hittestress. Deze verkenning was op basis van 28 inspecties in risicosectoren. Het onderzoek geeft als indicatief beeld dat werkgevers en werknemers zich grotendeels bewust zijn van de negatieve gevolgen van werken onder hoge buitentemperaturen en van de blootstelling aan Uv-straling. Ongeveer twee derde van de werkgevers geeft aan beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of een hitteprotocol, met maatregelen als drinkpauzes en tropenroosters. Wel ontbreekt het soms aan kennis om het risico op hittestress goed vast te stellen of is er sprake van een verouderde of onvolledige Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
Arbo in Bedrijf 2024–20253 kijkt breder naar alle bedrijven, dus niet alleen naar risicosectoren. Daarin wordt geconstateerd dat het risico «werken in warme omstandigheden» buiten bij 10 procent van de bedrijven aanwezig is en binnen bij 13%. Bij 16% van de bedrijven waar het risico aanwezig is, is dit niet adequaat beheerst. Als het risico aanwezig is, hebben werkgevers in 95% van de gevallen wel één of meer maatregelen getroffen, waarvan 49% aan de bron, 53% technisch, 72% organisatorisch en 67% persoonlijk.
Hoeveel bedrijven komt de Nederlandse Arbeidsinspectie tegen waar helemaal geen hitteplan is geformuleerd?
Op grond van de Arbowet moeten werkgevers zorgen voor een veilige en gezonde werkplek. Daarbij mag de temperatuur op de werkplek niet nadelig zijn voor de gezondheid van de werknemer. Het is niet voorgeschreven dat werkgevers een hitteplan moeten hebben. Als hitte of kou een risico is in het bedrijf, moeten werkgevers dit opnemen in de RI&E en in het plan van aanpak aangeven welke maatregelen ze gaan nemen. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de tips en adviezen op het Arboportaal. Andere nuttige bronnen van tips en informatie zijn bijvoorbeeld de website van Volandis, het kennis- en adviescentrum voor de bouw en infrasector; het SER-dossier werken bij hitte, de FNV Werkklimaat app en de CNV weerverlet app. Verder kunnen sectoren de aanpak van hittestress opnemen in hun Arbocatalogi of afspraken opnemen in een cao. Uit de verkenning van de Arbeidsinspectie in 2023 in een beperkt aantal bedrijven in risicosectoren, komt dat ongeveer twee-derde van de werkgevers aangeeft beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of hitteprotocol.
Hoe handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie krijg regelmatig meldingen over werkzaamheden in de hitte. In 2025 waren dat ca. 150 meldingen. Eind juni 2026 heeft de Arbeidsinspectie al meer meldingen ontvangen dan in heel 2025.
Bij een melding over werken bij hitte, stelt de Arbeidsinspectie extra vragen om te kunnen beoordelen of er een kans op hittestress is door een te hoge temperatuur in combinatie met de aard van de werkzaamheden. Met behulp van een objectief weeginstrument gaat de Inspectie na of er een verhoogde kans is op gezondheidsschade. Daarbij kijkt de Inspectie naar drie factoren: of er gezondheidsklachten zijn; of het gaat om risicovolle werkzaamheden en of er risicogroepen werkzaam zijn. Bij een kans op hittestress met een verhoogde kans op gezondheidsschade neemt een inspecteur de melding in behandeling. In het onderzoek wordt beoordeeld of de getroffen maatregelen doeltreffend zijn en of de risico-inventarisatie voldoende aandacht besteedt aan dit onderwerp en aan risicogroepen.
Vindt u de huidige wetgeving op dit moment toereikend genoeg om te voorkomen dat mensen in extreme warmte moeten werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Als de temperatuur in een bedrijf een risico vormt voor de gezondheid van de werknemers, moeten werkgevers dit risico opnemen in de RI&E. In het plan van aanpak geven ze dan aan welke maatregelen ze gaan nemen. Als met andere (bron)maatregelen het risico niet voldoende kan worden weggenomen, kan de werkgever het werk volledig stilleggen. Dit kan al worden bereikt op basis van de huidige wetgeving. Deze is daarvoor dus al toereikend. De ervaring bij de hittegolf van eind juni 2026 laat zien dat diverse werkgevers hiervoor hebben gekozen, als dat in hun bedrijf een optie was. Bedrijven gingen dicht, winkels sloten eerder of helemaal, bezorgtijden werden aangepast en er werd gewerkt volgens tropenroosters. Wel zal, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, de regelgeving worden verduidelijkt. Het doel hiervan is dat werkgevers bij het bepalen van maatregelen ook rekening houden met onderliggende factoren die van invloed zijn op het effect op de gezondheid van de temperatuur op de werkplek, zoals de impact van een hoge luchtvochtigheid.
Bent u het ermee eens dat de huidige wetgeving moet worden aangepast om duidelijkere normen en maatregelen rond werken in de hitte te verankeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, zal de regelgeving worden verduidelijkt zodat duidelijker is welke factoren in beschouwing moeten worden genomen bij het bepalen van maatregelen. Daarnaast zal ik het tweede lid van artikel 6.1 van het Arbobesluit intrekken. Dit lid is strijdig met de arbeidshygiënische strategie uit artikel 3 van de Arbowet. Het lid noemt als eerst te nemen maatregelen het bieden van persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers. Pas daarna worden andere maatregelen, hoger in de arbeidshygiënische strategie, genoemd. Ook dit is een verduidelijking; werkgevers kunnen niet gelijktijdig aan beide regels voldoen.
Hoe staat u tegenover het idee van de FNV om een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet waarbij de kerntemperatuur van het lichaam niet boven de 38 graden mag komen?
Ik ben daar geen voorstander van. Werkgevers moeten op grond van de Arbowet rekening houden met de specifieke omstandigheden. Dat bereik je niet met zo’n norm. Verder heeft de Gezondheidsraad in 2011 een Briefadvies over hittestress uitgebracht.4 Daarin geeft de Raad aan dat een gezondheidskundige grenswaarde in de vorm van een lichaamskerntemperatuur op individueel niveau niet mogelijk is. Daarvoor fluctueert de lichaamskerntemperatuur binnen een persoon en tussen personen te veel. Bovendien is inwendige vaststelling van de lichaamskerntemperatuur in het rectum, de slokdarm en het maagdarmstelsel te prefereren boven metingen onder de tong, in de oksel of in het oor. Maar inwendige metingen zijn lastig, gevoelig voor de inname van koude of warme dranken en gaan gepaard met ongemak voor de werknemer. Inwendig vaststellen is overigens ook in strijd met artikel 11 van de Grondwet, het recht op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.
Bent u van plan een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op dit terrein niet voor normen of grenswaarden. Er zijn geen normen die voor iedere persoon en voor elke situatie gelden. De invloed van temperatuur op het lichaam verschilt onder meer door luchtvochtigheid, zonnekracht, wind, kleding, de zwaarte van het werk, de gezondheid. Dit is niet te vertalen in een algemene norm, die in alle gevallen geldt. Er zijn diverse landen die wel zo’n systeem hanteren. Daarbij gaat het veelal om systemen die over een enkele situatie gaan zoals buiten werken, of er zijn complexe systemen met meerdere normen. Als sprake is van een hoge hitte moeten werkgevers en werknemers er samen voor zorgen dat er gezond en veilig kan worden gewerkt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Barbara Kathmann (PRO), Lisa Westerveld (PRO) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Het bericht ‘Strenger handhaven bij brug kanaal Roosteren’ |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de verslechterde staat van de brug over het Julianakanaal bij Roosteren en de zorgen van inwoners, ondernemers en agrariërs over de gevolgen van de ingestelde gewichtsbeperkingen?1
Ja.
Klopt het dat nieuwe informatie wijst op ernstigere veiligheidsrisico’s van de brug bij Roosteren dan eerder bekend was? Zo ja, wat houden deze risico’s precies in en welke gevolgen heeft dit voor de veiligheid van weg- en vaarweggebruikers?
Om de veiligheid van weg- en vaarweggebruikers en de betrouwbaarheid van de infrastructuur te waarborgen zijn eind 2025 in overleg met de provincie Limburg en andere wegbeheerders voorzorgsmaatregelen in de vorm van een beperking voor het vrachtverkeer getroffen.
Nadien is er geen nieuwe informatie bekend geworden die wijst op ernstigere veiligheidsrisico’s. Wel zijn in mei de verkeersmaatregelen samen met de provincie en de politie geëvalueerd en is geconstateerd dat het verbod voor vrachtverkeer onvoldoende werd opgevolgd/nageleefd. Hierna is besloten om aanvullende maatregelen te nemen om navolging verder af te dwingen. Denk aan de inzet van verkeersregelaars en de voorbereiding voor een portaal om een fysieke hoogtebeperking te realiseren.
Voor de veiligheid van de scheepvaart zijn op dit moment geen directe risico’s vastgesteld, maar de situatie wordt continu gemonitord.
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie voor Roosteren uitzonderlijk is, nu vrachtverkeer en landbouwvoertuigen zwaarder dan 3,5 ton geen gebruik meer kunnen maken van de brug en een deel van de omgeving feitelijk alleen nog via België bereikbaar is? Welke gevolgen ziet u hiervan voor inwoners, ondernemers en agrarische bedrijven?
De gekozen maatregelen zijn erop gericht om volledige afsluiting te voorkomen en de brug, zij het met beperkingen, veilig beschikbaar te houden. De huidige situatie heeft gevolgen voor de bereikbaarheid voor zwaar verkeer. Voor vrachtwagens is de extra rijtijd, afhankelijk van de route, onder de 10 minuten, voor landbouwvoertuigen is dit ongeveer 12 minuten. Er is geen beperking voor langzaam verkeer en personenauto’s.
Waarom vindt de fysieke inspectie van de brug volgens de huidige planning pas eind november plaats, terwijl sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s en grote gevolgen voor de bereikbaarheid van de regio? Ziet u mogelijkheden om dit onderzoek te versnellen?
De onderzoeken naar de staat van de brug kennen een gefaseerde aanpak, waarbij verschillende technische onderzoeken op elkaar aansluiten. In de komende periode worden achtereenvolgens inspecties en berekeningen uitgevoerd. Daarbij wordt steeds bezien of optimalisatie of versnelling mogelijk is, binnen de randvoorwaarden van zorgvuldigheid en beschikbare capaciteit. Visuele inspecties worden eerder uitgevoerd en staan nu voor juli gepland.
Welke afstemming heeft plaatsgevonden met de provincie Limburg, de betrokken gemeenten en belangenorganisaties van ondernemers en landbouwers over de gevolgen van de beperkingen en de mogelijke oplossingsrichtingen? Wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken?
Er vindt doorlopend afstemming plaats met de provincie Limburg en andere betrokken wegbeheerders (ook met de gemeente Maaseik en het Vlaamse agentschap wegen). Zij zijn eind 2025 geïnformeerd over de situatie. De provincie Limburg heeft daarop het verkeersbesluit genomen. In gezamenlijkheid wordt gekeken naar handhaving en aanvullende maatregelen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid.
Ziet u mogelijkheden om samen met Rijkswaterstaat te bezien welke tijdelijke of structurele maatregelen mogelijk zijn om de bereikbaarheid van Roosteren en omgeving te verbeteren en om het onderzoek naar de staat van de brug te versnellen? Zo ja, welke stappen bent u bereid hiervoor te zetten en op welke termijn kunnen betrokkenen hierover duidelijkheid verwachten?
Rijkswaterstaat is in overleg met regionale partners om te bezien welke aanvullende maatregelen mogelijk en passend zijn. Dit hangt ook af van de uitkomsten van vervolgonderzoek en inspecties. De inzet is gericht op het borgen van de veiligheid en het zo goed mogelijk in stand houden van de bereikbaarheid binnen de gegeven omstandigheden. Eventuele aanvullende maatregelen moeten worden afgewogen in het afweegkader waarover de Tweede Kamer is geïnformeerd2.
Het bericht dat de Defensie investeert in Spaanse en Chinese 3D Machines |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie voor ruim € 6 miljoen metaal-3D-printsystemen van Chinese makelij aanschaft, terwijl er ook Nederlandse producenten zijn die systemen van dezelfde of hogere kwaliteit aanbieden?1
Hoe verhoudt deze aanschaf zich tot de kabinetsambitie om verhoogde defensiebestedingen te laten neerslaan in de Nederlandse maakindustrie?
Is bij de voorbereiding van deze aanbesteding onderzocht of en onder welke voorwaarden Nederlandse fabrikanten aan de gestelde eisen konden voldoen, en zo ja, wat was de uitkomst daarvan?
Hoe beoordeelt u het dat het eisenpakket in de praktijk zo uitpakte dat een Nederlandse partij alleen via een constructie met een buitenlandse distributeur van Chinese systemen kon inschrijven?
Deelt u de opvatting dat een dergelijk traject, met een uitvoerig eisenpakket en een langdurig proces, voor relatief kleinschalige investeringen in productietechnologie onevenredig zwaar is? Zo niet, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of vereenvoudiging mogelijk is zodat kansen voor Nederlandse leveranciers beter benut kunnen worden?
In hoeverre wordt bij aanbestedingen voor strategische productietechnologie de herkomst van leveranciers, Nederlands, Europees of van buiten de EU, meegewogen, en acht u de huidige weging afdoende om te voorkomen dat Nederlandse en Europese bedrijven structureel worden gemist?
Acht u het wenselijk dat de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Marine ervaring met metaal-3D-printen opdoen op Chinese machines, gelet op de ambitie de strategische afhankelijkheden van een land als China af te bouwen?
Hoe wordt geborgd dat de data veilig blijft op een systeem van Chinese makelij, en dat de kennis en kunde, zoals certificeringen, die Defensie opbouwt op deze systemen niet verloren gaan bij een eventuele overstap naar een ander systeem?
Hoe schat u het risico in dat Defensie zich met deze aanschaf afhankelijk maakt van een Chinese fabrikant die op elk moment, door exportrestricties of geopolitieke ontwikkelingen, de levering van vervangende systemen, service en reserveonderdelen kan staken?
Welke maatregelen heeft u genomen om deze afhankelijkheid te beperken, bijvoorbeeld ten aanzien van de beschikbaarheid van reserveonderdelen, software-updates en technische ondersteuning bij een eventuele verstoring van de handelsrelatie met China?
Bent u bereid te onderzoeken hoe bij toekomstige aanbestedingen van strategische productietechnologie Nederlandse en Europese leveranciers beter in beeld komen, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
De blokkade van de Betuweroute op 19 juni jl. |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na nieuwe blokkade is goederenvervoer er klaar mee: «machinisten vast in snikhete locomotief»»?1
Klopt het dat als gevolg van deze blokkade gedurende ongeveer vijf uur geen goederenvervoer over de Betuweroute mogelijk was? Welke factoren hebben ertoe geleid dat het circa vijf uur duurde voordat het spoor werd vrijgemaakt en weer kon worden vrijgegeven voor treinverkeer?
Klopt het dat ProRail tijdens de blokkade de bovenleidingen heeft uitgeschakeld, waardoor de klimaatbeheersing in de locomotieven uitviel, met als gevolg dat machinisten te maken kregen met temperaturen tot wel 42 graden?
Hoe beoordeelt u het feit dat machinisten en ander treinpersoneel met deze omstandigheden te maken kregen op een dag waarop het Nationaal Hitteplan van kracht was?
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat machinisten en ander spoorpersoneel als gevolg van een blokkade gedurende langere tijd worden blootgesteld aan dergelijke temperaturen?
Hoe zijn de belangen van de machinisten en het andere spoorpersoneel meegewogen in de besluitvorming van ProRail om de bovenleiding uit te schakelen vanwege de blokkade?
Welke maatregelen zijn tijdens de blokkade genomen om de gezondheid en veiligheid van de machinisten en het andere spoorpersoneel te waarborgen?
Neemt u de gevolgen van spoorblokkades voor machinisten, spoorvervoerders en de continuïteit van het spoorgoederenvervoer mee in uw overleg met andere ministeries en betrokken organisaties?
Deelt u de opvatting dat het blokkeren van vitale infrastructuur, zoals de Betuweroute, niet alleen gevolgen heeft voor de openbare orde maar ook voor de betrouwbaarheid van de Nederlandse logistieke keten en het vestigingsklimaat?
Bent u bekend met signalen dat dezelfde actiegroep die nu de Betuweroute blokkeerde, voornemens is om op 27 juni de spoorwegen van de haven van Rotterdam te blokkeren?
Welke maatregelen neemt het kabinet om dergelijke toekomstige blokkades te voorkomen?
Acht u het wenselijk dat een relatief kleine groep actievoerders gedurende vijf uren een vitale goederenverbinding kan stilleggen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze gebeurtenis?
Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat het spoor bij toekomstige blokkades sneller kan worden vrijgemaakt voor het treinverkeer?
Welke gevolgen hebben herhaalde spoorblokkades volgens u voor de betrouwbaarheid en aantrekkelijkheid van het spoorgoederenvervoer en voor de door het kabinet nagestreefde modal shift van weg naar spoor?
Deelt u de zorg dat herhaalde blokkades de concurrentiepositie van het spoorgoederenvervoer verslechteren en ertoe kunnen leiden dat goederenstromen terugkeren naar de weg?
Welke maatregelen treft het kabinet om de continuïteit van het spoorgoederenvervoer te waarborgen?
Ziet u aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen of procedures aan te passen om sneller en effectiever op te treden bij spoorblokkades? Zo ja, welke?
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?