| Ingediend | 6 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 24 april 2026 (na 49 dagen) |
| Indiener | Diederik Boomsma (CDA) |
| Beantwoord door | Letschert , David van Weel (VVD) |
| Onderwerpen | onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z04542.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1781.html |
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen. Inderdaad konden niet alle scholen hun volledige lesdag draaien.
Onderwijs is een grondrecht. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst, en juist daarom zou dat altijd ongehinderd mogelijk moeten zijn. Ik vind het dan ook onacceptabel wanneer leerlingen en medewerkers niet naar school kunnen vanwege een gepoogde blokkade. Het is aan de scholen zelf om waar nodig aangifte te doen tegen de organisatoren van de demonstratie. Bij vermoedens van strafbare feiten adviseert het kabinet altijd om aangifte te doen. Het is vervolgens aan het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Het recht op onderwijs is in Nederland verankerd in artikel 23 van de Grondwet. Of en zo ja welke wetten worden overtreden wanneer iemand dit recht inperkt is afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval; die beoordeling is aan het OM.
Het Wetboek van Strafrecht kent geen zelfstandige bepaling die het verhinderen van kinderen om naar school te kunnen gaan als zodanig strafbaar stelt. In hoeverre dit onder een andere strafbepaling zou kunnen vallen is eveneens afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden en in de eerste plaats ter beoordeling van het OM.
Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is. De bepalingen die een rechtspersoon rechten en verplichtingen toekennen (artikel 2:5 Burgerlijk Wetboek) en die het aanmerken van een rechtspersoon en als zodanig strafrechtelijk vervolgen van die rechtspersoon (artikel 51 Wetboek van Strafrecht) mogelijk maken, zijn dan ook niet van toepassing. In het geval van Extinction Rebellion zullen voor het verhalen van schade en eventuele strafrechtelijke vervolging dus steeds de verantwoordelijke natuurlijke personen moeten worden geïdentificeerd.
Artikel 140 Wetboek van Strafrecht stelt de deelname aan een criminele organisatie strafbaar. Deze wetgeving is gericht op de bescherming van onze samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Om te kunnen worden aangemerkt als een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht moet het oogmerk van de organisatie gericht zijn op het plegen van misdrijven. De afweging of hier sprake van is, is uiteindelijk aan de rechter.
Ja. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk opgetreden worden.
Hierbij deel ik u, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede dat de schriftelijke vragen van het lid Boomsma (JA21), van uw Kamer aan de Minister van Justitie en Veiligheid over scholen voor voortgezet onderwijs die donderdag 5 maart zijn geblokkeerd door activisten van Extinction Rebellion (ingezonden 6 maart 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.