| Ingediend | 6 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 23 april 2026 (na 48 dagen) |
| Indiener | Henk Vermeer (BBB) |
| Beantwoord door | Eerenberg |
| Onderwerpen | belasting financiën |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z04544.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1726.html |
Dit klopt. Op grond van de huidige fiscale wet- en regelgeving1 vindt geen rentevergoeding plaats in het geval dat een definitieve aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. De hoofdregel op basis van wetgeving is dat bij rechtsherstel box 3 alleen (belasting)rente vergoed wordt als het formulier Opgaaf werkelijk rendement (formulier OWR) ingediend is voordat de definitieve aanslag is vastgesteld, aan alle overige wettelijke voorwaarden met betrekking tot belastingrentevergoeding is voldaan én dat formulier OWR leidt tot een teruggaaf van belasting.
De Belastingdienst heeft, onder andere per brief, belastingplichtigen geadviseerd om te wachten met indienen van gegevens inzake het werkelijk rendement (hierna: tegenbewijs leveren) tot de beschikbaarheid van het formulier OWR (in juli 2025) en tot het ontvangen van een attentiebrief voor een goed verloop van de hersteloperatie. Dit formulier OWR, waarvan het gebruik door een amendement van uw Kamer op de Wet tegenbewijsregeling box 3 verplicht is gesteld, is namelijk juist ontwikkeld om het rechtsherstel box 3 zo zorgvuldig en uitvoerbaar mogelijk te maken voor de Belastingdienst en de betrokken belastingplichtigen. Het vergoeden van belastingrente was geen overweging bij de communicatie hierover.
In juli 2025 was het formulier OWR klaar voor gebruik en konden belastingplichtigen het tegenbewijs leveren.2 Wegens dreigende verjaring van de aanslagtermijn is de Belastingdienst in een groot aantal gevallen genoodzaakt geweest om de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 vast te stellen, voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren. Het wettelijke gevolg van deze samenloop is dat in deze gevallen geen belastingrente wordt vergoed bij een latere belastingvermindering op grond van het ingediende formulier OWR.
Er is geen sprake geweest van een bewuste misleiding of een andere bewuste handeling van de Belastingdienst om ervoor te zorgen dat een groep belastingplichtigen geen (belasting)rente zal krijgen bij hun belastingvermindering wegens het rechtsherstel box 3.
In navolging van mijn antwoord bij vraag 3, vind ik de kwalificatie foutieve handelwijze niet terecht. Zoals weergegeven bij vraag 1, geldt voor iedereen, binnen en buiten het rechtsherstel box 3, dat geen belastingrente wordt vergoed bij een vermindering van de aanslag bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. Met alleen de belastingvermindering wordt passend en voldoende rechtsherstel geboden. Voorts zullen er veel gevallen zijn geweest waarbij ook geen belastingrente zou worden vergoed indien het tegenbewijs direct bij de aangifte geleverd had kunnen worden.
Om wel belastingrente te vergoeden aan de onderhavige groep belastingplichtigen zou de wet gewijzigd moeten worden. Een verruiming van de huidige wettelijke belastingrenteregeling acht ik echter niet wenselijk, omdat een dergelijke verruiming van de situaties waarin belastingrente verschuldigd is op juridische afbakeningsproblemen stuit. Het maken van een uitzondering op de huidige wettelijke regeling voor een grote groep belastingplichtigen, maakt de wettelijke regeling dat geen rentevergoeding plaatsvindt in het geval een eerder vastgestelde aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure juridisch (zeer) kwetsbaar. Daarnaast zou een wetswijziging tijd kosten, waardoor de uitvoering van het rechtsherstel box 3 vertraging zou oplopen. Daardoor zouden belastingplichtigen mogelijk langer moeten wachten op de beoordeling van het formulier OWR en een eventuele teruggaaf van belasting. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat conform de huidige wet geen belastingrente wordt vergoed als het formulier OWR is ontvangen na de definitieve aanslag. Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen, die nog van dekking had moeten worden voorzien.
Over het belastingjaar 2021 zijn circa 292.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd en over het belastingjaar 2022 zijn circa 905.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd.
Ik ben mij ervan bewust dat door de communicatie vanuit de Belastingdienst burgers mogelijk hebben gewacht met het indienen van de opgaaf werkelijk rendement tot het ontvangen van een attentiebrief. Ik ben het met u eens dat daarom ook anders naar het niet vergoeden van belastingrente bij het rechtsherstel box 3 kan worden gekeken. Echter, dit doet niet af aan de redenen, zoals vermeld bij het antwoord op vraag 4, om geen (belasting)rente te vergoeden.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat bij rechtsherstel box 3 als uitgangspunt geldt dat met alleen de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden. Vanuit juridisch oogpunt is het vergoeden van (belasting)rente bij die vermindering derhalve niet noodzakelijk. De enige uitzondering hierop is wanneer op grond van de wet wel belastingrente vergoed dient te worden. Dit is alleen het geval wanneer het formulier OWR is ingediend voordat de definitieve aanslag is vastgesteld (inclusief het voldoen aan andere eerdergenoemde voorwaarden). De weergegeven samenloop van het vaststellen van de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 wegens dreigende verjaring voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren, brengt geen juridische noodzaak met zich om de wettelijke regeling te verruimen. Ik kan mij voorstellen dat deze conclusie niet door iedere individuele belastingplichtige wordt begrepen. Echter, op grond van de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging kom ik, overeenkomstig mijn voorganger, tot de conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen.
Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen. Deze budgettaire derving had nog van dekking moeten worden voorzien.
Gezien de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging en de daarop gebaseerde conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen, meen ik dat het uitwerken van opties om in meer situaties van rechtsherstel box 3 belastingrente te vergoeden niet de juiste route is.