Het bericht ‘Omwonenden niet blij met gang van zaken rondom Paddepoelsterbrug’ |
|
Rutger Schonis (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Omwonenden niet blij met gang van zaken rondom Paddepoelsterbrug»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom de besluitvorming over een nieuwe tijdelijke brug zo lang op zich laat wachten?
Over het herstellen van de verbinding door een tijdelijke hoge fiets-voetgangersbrug heb ik met de gemeenten Groningen, Westerkwartier en het Hogeland en de provincie Groningen op 7 juni 2019 overeenstemming bereikt. Voor de realisatie van deze tijdelijke oplossing stel ik € 1,5 mln. ter beschikking.
Het realiseren van deze tijdelijke hoge fiets-voetgangersbrug kost echter tijd. De tijdelijke brug kan vanwege de ruimtelijke inpassing niet exact op de huidige locatie. Op basis van effectonderzoeken en in samenspraak met de omgeving, zoekt Rijkswaterstaat naar de beste locatie voor deze tijdelijke hoge brug. Nadat de locatie bepaald is, dienen er vergunningen aangevraagd te worden, moet de realisatie aanbesteed worden en vervolgens moet de brug gebouwd worden. Ik zet mij in om dit proces zo snel mogelijk te doorlopen.
Is het correct dat, wat mij tijdens gesprekken met omwonenden is verteld, in plaats van een tijdelijke brug ook een tijdelijke pont wordt overwogen? En zo ja, kunt u aangeven wanneer deze pont wordt gerealiseerd?
De regionale bestuurders hebben op 7 juni jl. gevraagd om te onderzoeken of het mogelijk is om in afwachting van de tijdelijke hoge fiets-voetgangersbrug, een veerpont te laten varen. Ik heb een onderzoek laten uitvoeren. Uit het onderzoek blijkt dat er twee locaties zijn waar een veerpont mogelijk is. Dit onderzoek heb ik eind augustus met de regionale bestuurders gedeeld. Ik ben in afwachting van hun reactie.
Wordt bij de besluitvorming ook een tijdelijke brug overwogen honderd meter van de eerdere locatie, zodat het voor de fietser bereikbaar blijft? Zo nee, waarom niet?
De locatie van de tijdelijke hoge fiets-voetgangersbrug is afhankelijk van diverse factoren zoals de samenstelling van de grond en oever, de inpassingsruimte, de effecten op natuur en landschap en de wensen van de omgeving. Pas nadat de effecten zijn onderzocht en bewoners hebben mee kunnen praten over de locatie, wordt de locatie bepaald.
Kunt u toelichten welke veiligheidsafweging er gemaakt is voor het wel of niet plaatsen van een tijdelijke brug?
De hoofdvaarweg Lemmer – Delfzijl ter hoogte van de Paddepoelsterbrug kent een hoog risicoprofiel waardoor de kans op aanvaringen groot is. De infrastructuur is afwijkend ten opzichte van de rest van de vaarweg, de brug is afwijkend ten opzichte van de andere bruggen, de massa van de brug is laag ten opzichte van de schepen die passeren, er is geen volledig detectiesysteem van naderende schepen aanwezig en de brug is slecht zichtbaar doordat de contouren van de brug «wegvallen» in de omgeving.
Bij de afweging op welke wijze de verbinding tijdelijk te herstellen, heb ik gekeken naar een oplossing die het risicoprofiel zo veel mogelijk verlaagt en tevens de fietsers en voetgangers zo veel mogelijk tegemoet komt. Een tijdelijke fiets-voetgangersbrug op 9,10 meter over de volledige overspanning van de vaarweg past daar het beste bij. Daarnaast worden de oude brugdelen verwijderd en het kanaal over 400 meter verbreed.
Wanneer start de besluitvormingsprocedure voor de aanleg van een definitieve nieuwe brug?
Voor het bepalen van de structurele oplossing wordt het reguliere MIRT-proces doorlopen zoals is afgesproken in het BO MIRT najaar 2018.
In de MIRT-verkenning wil ik een oplossing zoeken voor zowel het scheepvaartverkeer als het kruisend verkeer van voetgangers en fietsers. In het bestuurlijk overleg MIRT van het najaar 2019 wil ik samen met de regionale bestuurders de aanpak voor de MIRT-verkenning Paddepoelsterbrug vaststellen, waarna de MIRT-verkenning zal starten. Het voorkeursalternatief zal in het tweede kwartaal van 2021 zijn vastgesteld, waarna de planuitwerkingsfase start.
Is het vertrekpunt voor de besluitvormingsprocedure, voor de nieuwe brug, de planstudie die in 2015 is afgerond? Of bent u voornemens om een nieuwe planstudie uit te voeren voor de komst van een nieuwe brug?
Vanuit de doelstelling voor veiligheid van de scheepvaart, wordt het noodzakelijk geacht dat de beweegbare bruggen op het Van Starkenborghkanaal uniform zijn in overspanning en doorvaarthoogte, in lijn met de eerder vervangen beweegbare bruggen bij Dorkwerd, Aduard en Zuidhorn. De in 2015 uitgevoerde planstudie van de provincie Groningen is daarmee niet actueel meer en is niet als bestuurlijk voorkeursalternatief vastgesteld. De reden is dat het destijds voorgestelde voorkeursalternatief een te lage doorvaarthoogte en een te beperkte overspanning kent.
Op welke wijze gaat u de omwonenden, gemeente en provincie betrekken bij de verdere besluitvormingsprocedure?
Bij elk MIRT-project wordt er een omgevingsproces opgestart waarin bewoners, belangenorganisaties en overheden mee kunnen denken over de afwegingen en mogelijke oplossingen.
De hoogte van leges voor een Kinderpardon-aanvraag |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Deze families hebben recht op kinderpardon, maar geen geld voor de aanvraag»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de persoonlijke financiële situatie van een aanvrager niet van doorslaggevende betekenis mag zijn bij het bepalen of hij/zij recht heeft op verblijf op grond van de Afsluitingsregeling Langdurig Verblijvende Kinderen? Zo nee, waarom niet?
Het legesvereiste gold alleen voor personen die niet door de ambtshalve herbeoordeling van een eerder ingediende aanvraag onder de Afsluitingsregeling Langdurig Verblijvende Kinderen (hierna: Afsluitingsregeling) vielen. Personen die niet in aanmerking kwamen voor een ambtshalve herbeoordeling, maar van oordeel waren toch in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling, konden tot 25 februari 2019 op eigen initiatief een aanvraag indienen. Voor deze aanvragen dienden leges betaald te worden. In een aantal gevallen, waarbij personen niet direct de leges konden betalen, heeft de IND meermaals de gelegenheid geboden om alsnog tot betaling over te gaan. Hierin werd maatwerk geleverd.
Normaal gesproken geldt voor niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunningen, de categorie waar de verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling in valt, een legesbedrag van € 1.033. Het bedrag van € 164 is een substantieel lager bedrag. Dit legestarief van € 164 gold ook voor de Definitieve Regeling Langdurig Verblijvende Kinderen (hierna: Definitieve Regeling) uit 2013. Daarbij is aansluiting gezocht.
Een aanvraag op grond van de Definitieve Regeling was in eerste instantie gratis. Dit leidde echter tot een aanzienlijk aantal aanvragen waarbij evident niet aan de voorwaarden werd voldaan. In 2014 is door mijn ambtsvoorganger besloten om dergelijke aanvragen te ontmoedigen door onder meer het invoeren van een legestarief van € 152. Uw Kamer is hierover op 14 april 2014 geïnformeerd.2 Door jaarlijkse indexering van de leges, is het tarief inmiddels € 164.
In dit licht bezien, vind ik het legesbedrag van € 164 redelijk en proportioneel.
Kunt u aangeven waarom het heffen van € 164 per persoon aan leges, in het geval van de Afsluitingsregeling, proportioneel en redelijk is? Bent u bereid de hoogte van dit bedrag te herzien, of een uitzonderingsmogelijkheid te treffen voor aanvragers die een dergelijk bedrag redelijkerwijs niet kunnen betalen voor een aanvraag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is bij het bepalen van de hoogte van leges voor aanvragen in brede zin de betaalbaarheid voor minder vermogende aanvragers een factor van betekenis? Zo ja, kunt u dit aantonen?
Bij het bepalen van de hoogte van de leges is, gelet op het antwoord op vragen 2 en 3, de betaalbaarheid van een aanvraag een factor van betekenis geweest. Ik ben niet voornemens verder onderzoek in te stellen naar de betaalbaarheid van de leges.
Bent u bereid te onderzoeken in welke mate de hoogte van leges een belemmering vormt voor het kunnen indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor minder vermogenden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat een uitvaartverzekeraar mensen met een psychische aandoening weigert |
|
Ronald van Raak |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Bent u ervan op de hoogte dat uitvaartverzekeringen mensen met een psychische aandoening weigeren?1
Ik ben op de hoogte van het nieuwsbericht hierover.
Welke weigeringsgronden zijn toegelaten voor uitvaartverzekeraars?
In beginsel zijn verzekeraars vrij om hun eigen acceptatiebeleid te voeren en te bepalen welke criteria zij hanteren om een verzekeringsaanvraag af te wijzen. Hiervoor hoeft een verzekeraar zich niet op een (wettelijke) weigeringsgrond te beroepen. Wel perkt de wet de vrijheid om een eigen acceptatiebeleid te voeren voor bepaalde verzekeringen of gevallen in (zie bijvoorbeeld de in de beantwoording van vraag 4 beschreven wetgeving).
Vindt u het ook onwenselijk dat nabestaanden moeten crowdfunden omdat een verzekering niet mogelijk is?
Ik vind het onwenselijk en heel naar voor de betrokkenen als een dierbare overlijdt en onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de uitvaart te bekostigen. Om die reden vind ik toegankelijke en betaalbare uitvaartverzekeringen van groot belang. Ook verzekeraars zijn zich van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid hiervoor bewust. In de Gedragscode verzekeraars is als gedragsregel opgenomen dat verzekeraars zich inspannen om voor zoveel mogelijk (potentiële) klanten risico’s financieel af te dekken en te voorkomen dat mensen tegen hun wil onverzekerd zijn. In het acceptatiebeleid van verzekeraars worden daarmee niet uitsluitend commerciële afwegingen betrokken, maar ook hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Sinds 14 juni 2016 is er op grond van de Wet gelijke behandeling reeds een verbod van toepassing op het maken van direct onderscheid op basis van handicap of chronische ziekte bij het verlenen van toegang tot diensten in de uitoefening van een beroep of bedrijf (zoals het verzekeringsbedrijf). Het is verzekeraars bijvoorbeeld niet toegestaan een risicoselectie te hanteren waarbij vooraf al is aangegeven dat mensen met een bepaalde handicap of chronische ziekte een bepaalde verzekering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd of alleen tegen een bepaalde hoge premie te verkrijgen is. Een langdurige mentale beperking is een handicap in de zin van die wet. Het maken van indirect onderscheid is uitsluitend toegestaan indien dat objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Bij de verstrekking van financiële diensten, waaronder verzekeringen, kan dus rekening worden gehouden met (gezondheids)risico’s als onderdeel van het acceptatiebeleid. Indien consumenten van mening zijn dat het acceptatiebeleid van uitvaartverzekeraars in individuele gevallen strijdig is met de wet, dan kunnen zij dit voorleggen aan het College voor de rechten van de mens of de rechter.
Bent u bereid deze discriminerende maatregel niet langer toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Illegalen die panden kraken |
|
Sietse Fritsma (PVV), Emiel van Dijk (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe is het mogelijk dat de club krakende illegalen «We are here» al jarenlang ongestraft huizen en gebouwen kan kraken?1 Waarom wordt de anti-kraakwet niet gehandhaafd?
Door het Openbaar Ministerie wordt geen registratie bijgehouden van strafbare feiten die gepleegd zijn door personen die zich rekenen tot de «We are here» groep. De groepering bestaat overigens niet uit één vaste groep personen, maar heeft een wisselende samenstelling. Het OM en de Raad voor de rechtspraak beschikken dan ook niet over cijfers met betrekking tot het aantal vervolgingen c.q. veroordelingen van personen van de «We are here» groep wegens het misdrijf kraken.
Zoals ik in mijn brief van 29 januari 2019 (Kamerstukken 2018–2019, 31 560, nr. 51) heb opgemerkt lost een aanhouding van een kraker een onrechtmatige kraaksituatie nog niet op. Het huisrecht van krakers wordt pas beëindigd indien wordt overgegaan tot ontruiming van een gekraakt pand. Effectief optreden tegen krakers bestaat dan ook eerder uit het toepassen van de ontruimingsbevoegdheid dan uit de aanhouding en vervolging van krakers.
Zijn er weleens krakers van deze bende vervolgd c.q. veroordeeld wegens het kraken, wat toch echt een misdrijf is? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er (daarna) weleens krakers van deze bende uit Nederland verwijderd? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
De DT&V beschikt niet over cijfers met betrekking tot het aantal personen uit deze groep dat (gedwongen) uit Nederland is vertrokken.
Bent u bereid per direct al deze krakende illegalen uit de door hen bezette kraakpanden te verwijderen en, belangrijker nog, ook uit Nederland te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering geeft het OM de bevoegdheid om een gekraakt pand te ontruimen. Het OM past het (reguliere) beleid toe conform de beleidsbrief van het College van procureurs-generaal uit 2010.
De DT&V, de gemeente Amsterdam en de politie hebben de afgelopen jaren veelvuldig gesproken over de problematiek omtrent illegaal verblijvenden. Steeds is gebleken dat de overgrote meerderheid van deze groep niet mee wil werken aan terugkeer en ook niet met de DT&V in gesprek wil.
Niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen hebben altijd de mogelijkheid om zelfstandig terug te keren naar het land van herkomst. Indien zij actief willen werken aan hun terugkeer, kunnen ze zich wenden tot de DT&V om hierbij ondersteund te worden. De opstelling en terugkeerbereidheid van de vreemdeling zijn van doorslaggevende betekenis, zeker in het geval gedwongen terugkeer (op korte termijn) niet mogelijk is.
Het opnieuw lekken van een Prinsjesdagplan |
|
Ronald van Raak |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Bent u bereid het Prinsjesdagplan over de zorgpremie niet alleen naar de krant, maar ook naar de Kamer te sturen?1
Ten aanzien van deze vragen kan ik niet anders dan in dezelfde lijn antwoorden als ik deed op de vragen met de kenmerken 2019Z15914, 2019Z16002 en 2019Z16156. Laat ik vooropstellen dat ik zeer veel waarde hecht aan adequate informatievoorziening aan uw Kamer, ook met betrekking tot plannen voor Prinsjesdag, die hun beslag krijgen in de begrotingswetten, het Belastingplan en de Miljoenennota.
De plannen van dit kabinet voor Prinsjesdag worden op de daarvoor aangewezen momenten met uw Kamer gedeeld zodat het besproken kan worden tijdens de algemene politieke beschouwingen, de algemene financiële beschouwingen en in de hierop volgende wetsbehandelingen.
Bent u bereid dit plan vóór vrijdag 6 september a.s. naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘ouderen komen amper uit de bijstand ’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ouderen komen amper uit de bijstand»?1
Ja.
Bent u het eens dat een daling van 45-plussers in de bijstand met 1.000 personen heel teleurstellend is, gegeven het feit dat circa de helft van de mensen in de bijstand (231.000 mensen) 45-plus is? Kunt u uw antwoord motiveren?
Het bijstandsvolume daalt. In juni 2019 ontvingen 426 duizend mensen tot de AOW-leeftijd (66 jaar en 4 maanden) bijstand. Dat is een afname van 21.650 ten opzichte van een jaar eerder.
Juni 2018
447.650
44.400
168.950
234.420
Juni 2019
426.000
39.000
154.000
233.000
Verschil
– 21.650
(– 4,8%)
– 5.400
(– 12,2%)
– 14.950
(– 8,8%)
– 1.420
(– 0,6%)
Bron CBS, bewerking SZW
De daling is vooral zichtbaar bij jongeren onder de 27 (– 12,2%) en bijstandsontvangers tussen 27 en 45 jaar (– 8,8%). Het aantal 45-plussers neemt het minst af, iets meer dan duizend tussen juni 2018 en juni 2019 (– 0,6%).
Deze «stand cijfers» laten niet de dynamiek zien die er ook binnen de groep 45-plussers in de bijstand is. Los van de uitstroom naar de AOW, stroomden er in 2018 in totaal 33.590 mensen ouder dan 45 jaar uit de bijstand, van wie 15.550 naar werk. Dit laat echter onverlet dat het hier gaat om mensen met doorgaans een flinke afstand tot de arbeidsmarkt en met complexe problematiek. Ook wij zien graag dat het aantal 45 plussers in de bijstand verder daalt.
Bent u het eens dat tot op zekere hoogte gesproken kan worden van een nederlaag van het arbeidsmarktbeleid voor ouderen nu er, zelfs na jaren van hoogconjunctuur, nog zo weinig 45-plussers de bijstand verlaten naar werk? Kunt u uw antwoord motiveren?
In het bij vraag 5 aangehaalde artikel in de Volkskrant stelt de CBS-hoofdeconoom: «De bijstand reageert als een olietanker op de economie». Dit zogenoemde «na-ijleffect» geldt voor de sociale zekerheid in het algemeen maar ook daarbinnen stromen mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt eerder uit dan mensen met meer afstand tot de arbeidsmarkt.
Gemeenten hebben in toenemende mate aandacht voor mensen die langdurig in de bijstand zitten. Die aandacht doet mensen groeien en zij slagen er in stappen te zetten in hun ontwikkeling en participatie.
Gemeenten zetten een behoorlijk deel van hun re-integratievoorzieningen in voor de groep 45 jaar – AOW-leeftijd: 47% van de bijstandsgerechtigden die eind 2018 ondersteund worden is ouder dan 45 jaar. Vaak betreft het vrijwilligerswerk, coaching of andere vormen van sociale activering, zo blijkt uit de Statistiek Re-integratie door Gemeenten (SRG) die sinds begin 2019 meer inzicht biedt in de aard van de ingezette voorzieningen.
De inzet van re-integratievoorzieningen draagt bij aan uitstroom naar werk. In 2018 registreerde het CBS ruim 42.000 startende banen voor mensen die vooraf hulp bij hun re-integratie kregen. Dit betreft zowel mensen die minder dan 2 jaar bijstand ontvingen (52%), als ook mensen die meer dan 2 jaar (48%) of zelfs langer dan 5 jaar in de bijstand zaten (15%). Meer dan een kwart (27%) van de mensen met een startende baan, die daarbij door de gemeenten werden ondersteund, is ouder dan 45 jaar.
Hoewel deze cijfers het niet rechtvaardigen om te spreken van een nederlaag van het arbeidsmarktbeleid, tekent zich wel het vraagstuk af hoe meer mensen aangesproken en geholpen kunnen worden om actief mee te doen in de maatschappij. In lijn met de motie Raemakers c.s.2 zal de Staatssecretaris verkennen hoe gemeenten, met de beschikbare middelen voor participatie, mensen in de bijstand een niet-vrijblijvend aanbod kunnen doen, waarbij de sociale activering ten behoeve van de eigen ontwikkeling en de wederkerigheid zoals omschreven in de huidige tegenprestatie goed ingebed zijn.
Hoe verklaart u dat de uitstroom uit de Werkloosheidswet (WW) van 55-plussers wegens maximale duur van de uitkering (9.451 personen, cumulatief maart 2019) nog steeds de uitstroom wegens werkhervatting (5.469 personen, cumulatief maart 2019) verre overtreft, ondanks de hoogconjunctuur?2 Wijst dit eveneens op beperkt succes van het arbeidsmarktbeleid voor ouderen? Kunt u uw antwoord motiveren?
De werkloosheid onder 45-plussers is volgens cijfers van het CBS in een jaar tijd gedaald van 3,7% in juli 2018 naar 2,7% in juli 2019. Dat is een goede ontwikkeling en in lijn der verwachting met het na-ijleffect van de conjunctuurbeweging op deze groep. Daaruit leiden wij niet af dat het arbeidsmarktbeleid voor ouderen beperkt succesvol is.
We weten echter dat hoewel 50-plussers niet veel vaker in de WW belanden dan andere leeftijdsgroepen, zij na instroom in de WW lastiger aan een nieuwe baan komen in vergelijking met andere leeftijdsgroepen.
De werkloosheid onder vijftigplussers heeft onze aandacht en wordt door het kabinet, samen met UWV, gemeenten en sociale partners, langs diverse lijnen aangepakt. Wij noemen er hier enkele.
Met het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers»4 is in 2017 en 2018 een gemeenschappelijke aanpak van kabinet en sociale partners om het arbeidsmarktperspectief van vijftigplussers te verbeteren ingezet. Kern van deze aanpak is om vijftigplussers te ondersteunen bij het vinden van een nieuwe baan, werknemers wendbaarder te maken op de arbeidsmarkt en werkgevers minder terughoudend te laten zijn bij het aannemen van vijftigplussers. De maatregelen uit dit actieplan lopen in 2019 door5.
Recent is een tussenevaluatie van dit actieplan naar uw Kamer gestuurd6. De eindevaluatie volgt in 2020.
Daarnaast zet het Kabinet in 2019 en 2020 samen met UWV, gemeenten, werkgevers en het onderwijsveld in op een extra, gezamenlijke impuls via het programma «Perspectief op Werk». Dit project heeft als doel om in de arbeidsmarktregio’s meer mensen te laten participeren, onder wie ook ouderen.
Tot slot doet ook UWV al veel voor de oudere werkzoekenden. De in te zetten dienstverlening wordt bepaald aan de hand van de vraag wie wat op welk moment nodig heeft om zijn verblijf in de WW zo kort mogelijk te laten zijn. Dat is dus maatwerk en hangt af van de persoonlijke omstandigheden. Ook creëert UWV door het hele land ontmoetingen tussen werkgevers met vacatures en werkzoekenden.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van hoofdeconoom van Mulligen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in de Volkskrant dat het van een grote groep dus nog maar de vraag is of zij ooit nog uit de bijstand zullen komen?3 Wat is hiervan volgens u de oorzaak? In hoeverre is de zeer beperkte uitstroom naar werk te wijten aan falend arbeidsmarktbeleid en een tekort aan persoonlijke begeleiding van 45-plussers in de bijstand?
Het kabinet wil dat mensen in de bijstand meer perspectief krijgen om weer aan het werk te komen. Wij vinden het belangrijk dat mensen naar vermogen in de samenleving en op de arbeidsmarkt mee kunnen doen en berusten niet in het afschrijven van mensen op basis van welk kenmerk dan ook. Onze doelstellingen zijn gericht op een inclusieve samenleving, op werk, meedoen, activeren en ontwikkelen. De bijstand is het vangnet waar iedereen een beroep op kan doen die, tijdelijk, niet of niet volledig in de noodzakelijke bestaanskosten kan voorzien.
Bij oudere werkzoekenden gaat het vaak om mensen met een flinke afstand tot de arbeidsmarkt. Meer dan de helft van de mensen met een bijstandsuitkering is ouder dan 45 jaar. En van de mensen die langer dan twee jaar in de bijstand zitten is 62% ouder dan 45 jaar. Langdurige uitkeringsafhankelijkheid kan leiden tot sociaal isolement en vergroot de kans op schulden. Activeren van mensen om mee te doen, doet mensen groeien en ontwikkelen. Het vergroot hun baankans en kan bijdragen aan (vroeg-)signalering van andere problemen alsmede de handhaving van rechten en plichten. Het kabinet zet in op het benutten van de kansen die de arbeidsmarkt nu biedt voor mensen die minder makkelijk zelfstandig de weg naar werk vinden.
Dit vraagt van gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor het aan het werk helpen van mensen in de bijstand, dat zij hun klanten kennen en aanspreken op hun mogelijkheden en waar nodig passende ondersteuning bieden, bij voorkeur met als doel werk en uitstroom uit de bijstand en indien dit (nog) niet haalbaar is gericht op andere vormen van participatie.
De dienstverlening aan werkzoekenden door gemeenten en UWV wordt gekenmerkt door maatwerk; er is geen panacee dat voor iedereen werkt. Daarom vinden wij het belangrijk dat professionals kennis en ervaring delen over het aan het werk helpen van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. We stimuleren dit aanvullend met bijvoorbeeld onderzoek onder gemeenten naar werkzame elementen van een aantal methoden om mensen die langdurig in de bijstand zitten uit te laten stromen naar werk. In het najaar zal dit onderzoek samen met de eindevaluatie Participatiewet naar uw Kamer worden gestuurd.
Een ander belangrijk onderdeel van een traject naar werk is een goede matching tussen werkzoekenden en werkgevers in de regio. Daarom zetten wij samen met gemeenten en UWV in op het verbeteren van de werkgeversdienstverlening en de matching op werk via het programma «Matchen op Werk» en op het programma «Perspectief op Werk».
Deelt u de mening dat wij onder geen beding mogen berusten in een min of meer verloren generatie van oudere werkzoekenden en bent u bereid het beleid ter bestrijding van (langdurige) ouderenwerkloosheid extra aan te scherpen en te intensiveren? Zo ja, hoe? Indien u niet tot intensivering van gericht beleid voor oudere werkzoekenden bereid bent, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het eens dat het inzetten van meer middelen voor duurzame inzetbaarheid specifiek van ouderen behoud van werk en kans op het weer krijgen van werk kan vergroten? Bent u het eens dat de stijging van de Algemene Ouderdomswet (AOW)-leeftijd een gerichte verhoogde inspanning en investering om te komen tot duurzame inzetbaarheid van ouderen juist rechtvaardigt? Zo ja, hoe wilt u dit vorm geven? Zo nee, waarom deelt u deze mening niet?
Investeren in duurzame inzetbaarheid is van belang voor alle werkenden – jong en oud – die wendbaar en inzetbaar willen blijven op de arbeidsmarkt. Om in goede gezondheid te kunnen doorwerken tot de pensioenleeftijd is het van belang dat werknemer en werkgever tijdig investeren in duurzame inzetbaarheid, en niet pas op latere leeftijd.
In het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel van 5 juni jl. hebben kabinet en sociale partners een pakket maatregelen afgesproken dat ertoe moet leiden dat een ieder gezond werkend de pensioenleeftijd kan halen. Onderdeel hiervan zijn afspraken over temporisering van de AOW-leeftijd en over een tijdelijke aanpassing van de zogenaamde RVU-heffing, die sociale partners ruimte biedt voor sectorale afspraken over vervroegd uittreden voor specifieke groepen oudere werknemers, die niet hebben kunnen anticiperen op de eerdere verhoging van de AOW-leeftijd en voor wie gezond doorwerken tot aan de AOW niet haalbaar is. Ook vindt een forse inzet plaats op het investeren in duurzame inzetbaarheid. Het kabinet stelt vanaf 2021 800 miljoen euro beschikbaar, waarop sociale partners een beroep kunnen doen voor het vormgeven van sectorale maatwerkafspraken. Met als doel dat de toekomst iedereen gezond kan doorwerken tot aan het pensioen.
Bent u het eens dat uitgaven voor een leven lang ontwikkelen gezien kunnen worden als een harde investering in menselijk kapitaal en de economie? Bent u bereid om een extra impuls voor leven lang ontwikkelen, waaronder in het bijzonder voor ouderen, op te nemen in een eventuele (nieuwe) investeringsagenda van het kabinet?
Investeringen in leven lang ontwikkelen en duurzame inzetbaarheid zijn van belang voor iedereen. Voor werkenden – jong en oud – die wendbaar en inzetbaar willen blijven op de arbeidsmarkt en in goede gezondheid moeten kunnen doorwerken tot hun pensioenleeftijd. Voor werkgevers die investeren in de continuïteit of de groei van hun bedrijf en voor behoud en groei van de arbeidsproductiviteit van de beroepsbevolking.
Het kabinet zet zich in voor een doorbraak op het gebied van Leven Lang Ontwikkelen (LLO) en een sterke en positieve leercultuur. We stimuleren dat iedereen een individueel budget voor algemene scholing en ontwikkeling tot zijn of haar beschikking krijgt.
Hiervoor stimuleert het kabinet dat private partijen individuele leer- en ontwikkelrekeningen voor hun werknemers ter beschikking stellen en het zet de fiscale aftrek voor scholingskosten om in een uitgavenregeling voor publieke individuele leer- en ontwikkelbudgetten, het zogenaamde STAP-budget. Hiervoor is structureel 218 miljoen euro beschikbaar. Uw Kamer is middels een brief dd. 20 september jl., over de voortgang van de vormgeving en totstandkoming van het STAP-budget geïnformeerd. Daarnaast wordt gewerkt aan de uitvoering van de motie Wiersma8, waarbij structureel 48 miljoen euro wordt ingezet voor het ondersteunen van werkgevers bij het stimuleren van scholing en ontwikkeling in het mkb.
Deze maatregelen worden nu uitgewerkt en geïmplementeerd. Aanvullende investeringen zijn nu niet aan de orde.
Bent u bereid gemeenten nog beter in staat te stellen om mensen in de bijstand, waaronder veel 45-plussers, op maat intensieve begeleiding naar werk te geven?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de re-integratie van alle mensen die onder de Participatiewet vallen. Zij hebben daarvoor een breed scala aan instrumenten tot hun beschikking. Zij geven het beleid zelf vorm en bepalen afhankelijk van de situatie wie op welke manier geholpen kan worden. De Staatssecretaris zal, conform de eerde genoemde motie Raemakers c.s., laten verkennen hoe gemeenten, met de beschikbare middelen voor participatie, mensen in de bijstand een niet-vrijblijvend aanbod kunnen doen.
Het bericht ‘Concurrentiebeding wordt vaak oneigenlijk gebruikt’. |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Concurrentiebeding wordt vaak oneigenlijk gebruikt»?1
Ja.
Wat is het aandeel contracten waarin een non-concurrentiebeding is opgenomen?
In 2015 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van het concurrentiebeding in arbeidsovereenkomsten. 19% van de ondervraagde werknemers gaf toen aan een concurrentiebeding te hebben. Er is geen direct vergelijkbaar onderzoek bekend, maar het aandeel nieuwe contracten met een concurrentiebeding kan voor 2018 worden benaderd voor vaste en tijdelijke contracten. Hieronder valt het concurrentiebeding, maar bijvoorbeeld ook een relatiebeding.
In de rest van beantwoording wordt de term «concurrentiebeding» gebruikt.
Per contractvorm is gekeken naar het aandeel mensen dat in de enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS aangeeft korter dan een half jaar geleden gestart te zijn met een nieuwe baan, waarbij een concurrentiebeding is opgenomen in het arbeidscontract. Een eerste verkenning laat zien dat van het deel van deze groep werknemers met een vast contract 19 procent een concurrentiebeding heeft opgenomen in zijn of haar arbeidscontract. Van de mensen met een tijdelijk contract is dat 16 procent. Voor beide groepen geldt dat rond een kwart van de mensen niet weet of er sprake is van een concurrentiebeding in hun arbeidscontract.
Wat is het aandeel contracten voor bepaalde tijd waarin een non-concurrentiebeding is opgenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het bekend hoe vaak werkgevers zich beroepen op deze bepaling in het contract?
Dat is niet bekend. Het opnemen van een concurrentiebeding zegt inderdaad nog niets over in hoeveel gevallen een werkgever een beroep doet op het concurrentiebeding. Dit is in beginsel een zaak tussen werkgever en werknemer. Indien een werkgever een beroep doet op het concurrentiebeding, kan het zijn dat de werknemer dit accepteert. Deze gevallen worden dus niet openbaar. Dit is ook het geval als werkgever en werknemer besluiten een mogelijk geschil hierover te schikken. Er zijn alleen cijfers over het aantal rechtszaken, maar dit geeft geen volledig beeld van het aantal gevallen waarin werkgevers het concurrentiebeding inroepen.
Deelt u het beeld van VNO-NCW dat rechters nu al vaak een vergoeding toekennen? In hoeveel van de gevallen vragen werknemers om een dergelijke vergoeding?
Hier zijn geen recente cijfers over bekend. Uit onderzoek uit 2011 blijkt dat er in de periode tussen 2000 en 2010 92 gepubliceerde uitspraken zijn aangetroffen waarin een vergoeding wordt verzocht door werknemers. In 15 procent van de gevallen werd ook daadwerkelijk een vergoeding toegekend aan de werknemer. Er is geen recent onderzoek bekend waarin is onderzocht of dit in recente jaren anders is.
Op welke manier wordt het criterium van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bij het opnemen van een non-concurrentiebeding bij een contract voor bepaalde tijd gewogen? Kan dat bijvoorbeeld worden gelezen als «weinig gespecialiseerde technici beschikbaar»?
De werkgever dient in het beding zelf te motiveren welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die een concurrentiebeding vereisen.2 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een werkgever per geval dient te motiveren welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen een concurrentiebeding vereisen. Daardoor kan volgens de Hoge Raad geen algemene uitspraak worden gedaan over welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen aan de orde moeten zijn om een dergelijk beding te rechtvaardigen. Dit verschilt dus van geval tot geval. Er is nog geen uitvoerig onderzoek gedaan hoe rechters deze belangen in de praktijk wegen. In lagere rechtspraak is wel aangegeven dat krapte op de arbeidsmarkt geen onderdeel uitmaakt van het met een concurrentiebeding rechtens te beschermen belang van de werkgever. Dit betekent dat de rechter krapte niet meeweegt in zijn afweging, en ook niet honoreert als zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.3 In hoeverre dit algemeen geaccepteerd is in de rechtspraktijk is niet bekend.
Hoe vaak wordt er in contracten voor bepaalde tijd toch een non-concurrentiebeding opgenomen, als er eigenlijk geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zijn?
Dit is niet bekend. De inhoud van arbeidsovereenkomsten is niet bekend, en veel conflicten over bedingen worden geschikt. Er is dus geen totaalbeeld. In de evaluatie van de Wet werk en zekerheid is aandacht voor de motivatie van het opnemen van een concurrentiebeding in een contract voor bepaalde tijd. Of deze motivatie geldt als zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen wordt per geval beoordeeld door de rechter, zoals omschreven in het antwoord op vraag 6.
Bent u het eens met de analyse uit het artikel dat de huidige krapte op de arbeidsmarkt ervoor zorgt dat werkgevers zich vaker beroepen op het non-concurrentiebeding?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is het niet bekend hoe vaak werkgevers zich beroepen op het concurrentiebeding en ook niet op welke gronden zij zich beroepen. Er is dus ook geen beeld van de samenhang daarvan met arbeidsmarktkrapte. Zo is niet bekend of werkgevers zich vanwege arbeidsmarktkrapte vaker beroepen op het concurrentiebeding. De krapte op de arbeidsmarkt geldt in de rechtspraak in ieder geval op zichzelf niet als te beschermen belang van de werkgever (zie ook het antwoord op vraag 6).
Heeft het non-concurrentiebeding ook structureel een negatief effect op het aantal baanwisselingen?
Het concurrentiebeding beperkt het recht van de werknemer op vrijheid van arbeidskeuze. Het is mogelijk dat werknemers omwille van het concurrentiebeding in hun contract minder vaak beslissen om van baan te wisselen. Het is niet bekend in hoeverre werknemers in de praktijk ook daadwerkelijk deze afweging maken en de arbeidsmobiliteit wordt beperkt door het concurrentiebeding. Uit onderzoek van CentERdata uit 2015 blijkt dat bijna de helft van de werknemers niet weet of zijn werkgever hem aan het concurrentiebeding gaat houden bij het vinden van ander werk. Ruim 20 procent denkt dat dit wel het geval zal zijn. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat ongeveer 13 procent van de ondervraagde werkenden denkt dat het concurrentiebeding (enige) hinder zal opleveren bij het vinden van een nieuwe baan. Van de groep werknemers die korter dan vijf jaar bij de huidige werkgever werkt en in de vorige functie te maken had met een concurrentiebeding geeft 11 procent aan (enige) hinder te hebben ervaren bij het vinden van een nieuwe baan. Het is niet bekend of dit in de afgelopen 5 jaar is veranderd.
Zou het meenemen van klanten naar een nieuwe werkgever ook als onrechtmatige daad kunnen worden gezien, waardoor de huidige wetgeving de werkgever al bescherming biedt?
Bij het ontbreken van een relatie- of concurrentiebeding is de werknemer in beginsel na dienstverband vrij om dit te doen. Dit kan natuurlijk anders zijn als er al tijdens het dienstverband concurrerende activiteiten worden ontplooid.4 Ook hebben rechters geoordeeld dat een werknemer een onrechtmatige daad tegen zijn werkgever begaat door het kopiëren van de database van kandidaten van een uitzendbureau en deze mee te nemen naar de nieuwe werkgever, of door bedrijfsgeheimen (prijsstellingen) mee te nemen naar de nieuwe werkgever.5 In zoverre beschermt de huidige wet werkgevers al tegen het onrechtmatig handelen van (ex-)werknemers. Dat betekent overigens niet dat in alle gevallen waarbij klanten wisselen van bedrijf doordat een werknemer overgaat naar een andere werkgever, er sprake is van een onrechtmatige daad.
Uiteraard kan een relatiebeding worden opgenomen in plaats van een concurrentiebeding, dat minder vergaande gevolgen heeft voor de werknemer, maar de werkgever wel beschermt tegen het meenemen van klanten. Een relatiebeding valt overigens onder dezelfde wettelijke bescherming als het concurrentiebeding.6
Wat vindt u van het idee om werknemers financieel te vergoeden bij het opnemen van een concurrentiebeding? Zou dit mogelijk kunnen helpen om het aantal contracten met een concurrentiebeding terug te dringen?
Naar aanleiding van de motie van u en het lid Gijs van Dijk die is aangenomen bij de begrotingsbehandeling SZW zal ik onderzoek doen naar de wenselijkheid van het stellen van nadere voorwaarden aan het gebruik van het concurrentiebeding. Hierbij zal ik ook een verplichte vergoeding overwegen.
De lobby van multinationals die al decennia helpen de politieke agenda te formuleren |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
Kent u het artikel van Follow the Money over de lobby van multinationals die met clubs en subcommissies de politiek beïnvloedden?1 Wat is hierop uw reactie?
Ja. Het bewuste artikel gaat over belangbehartiging vanuit het bedrijfsleven, specifiek vanuit ABDUP. ABDUP is een informeel overlegorgaan van AkzoNobel, Shell, DSM, Unilever en Philips. Op gezette tijden komen deze bedrijven in informele setting bijeen over thema’s waar deze multinationals mee te maken hebben. ABDUP nodigt soms gasten uit om hier aan bij te dragen.
Belangenbehartiging is een instrument waar alle maatschappelijke actoren zich van bedienen. Ik beschouw een dialoog tussen de overheid en maatschappelijke organisaties, belangenorganisaties en bedrijven als waardevol. Het kabinet hecht aan persoonlijk, open en vertrouwelijk contact met al deze partijen om beleidsopties te verkennen en de kwaliteit van wetgeving te verbeteren. Het kan inzicht geven in standpunten, argumenten en belangen, of draagvlak creëren voor beleid. Voor de kwaliteit van ons werk is het van groot belang om signalen van de buitenwereld te ontvangen en mee te wegen in beleidsvorming. Het kabinet maakt ten allen tijde haar eigen afwegingen en keuzes, waar het kabinet verantwoordelijk voor gehouden kan worden.
Zijn er nu ook nog subcommissies actief? Zo ja, hoeveel, welke en op welke beleidsterreinen zijn zij actief? Zo nee, waarom niet?
ABDUP staat los van de rijksoverheid. Ik heb geen zicht op eventuele subcommissies die vanuit ABDUP actief zijn.
Kunt u in een tijdlijn weergeven hoe vaak er overleg plaats heeft gevonden tussen de ABDUB-bedrijven, PHAUSD en/of de subcommissies? Hoe vaak zijn daar kabinetsleden bij aanwezig geweest? Hoe vaak zijn daar hoge ambtenaren bij aanwezig geweest?
Ik beschouw een open dialoog tussen de overheid en maatschappelijke organisaties, belangenorganisaties en bedrijven als waardevol. Daarom is het ook belangrijk om transparant te zijn over dergelijke contacten. Zo is er doorgaans in wetgevingsvoorstellen een lobbyparagraaf opgenomen dat verslag doet van de internetconsultatie en andere contacten met externen, inclusief een reactie en inzage in de belangenafweging op hoofdlijnen. Per dossier is er dus in de regel goede transparantie over met wie er contact is geweest. Echter, er is geen totaaloverzicht per maatschappelijke organisatie, belangenorganisatie of bedrijf over de contacten met alle verschillende ambtenaren. Voor de volledigheid merk ik op dat de overheid geen lid is van ABDUP en ik dus ook geen tijdlijn kan construeren van overleg dat in dit verband heeft plaatsgevonden.
Zoals ook blijkt uit de documenten die zijn verstrekt in het kader van recente Wob-verzoeken over ABDUP waren tussen eind 2010 en heden de volgende bewindspersonen voor gedachtewisseling te gast bij een ABDUP-overleg, waarbij geen hoge ambtenaren aanwezig waren:
Op 14 februari 2011: Minister president Mark Rutte over onderwerpen als vestigingsklimaat; positie van Nederland in de wereld; concurrentiepositie.
Op 24 november 2011: Minister van Economische Zaken Maxime Verhagen over de macro-economische situatie in Nederland; Europa; en het Topsectorenbeleid.
Op 23 november 2015: Minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem over Europa; de concurrentiepositie van Nederland in Europa/wereld; de Nederlandse groeiagenda; en de rol van de industrie in de Nederlandse economie.
PHAUSD was een overlegorgaan tussen de bedrijven Philips, Hoogovens, Akzo, Unilever, Shell en DSM met de ambtelijke top van het toenmalige DG Industrie van het Ministerie van Economische Zaken. Voor zover nog na te gaan vond dit overleg in de jaren negentig circa vier keer per jaar plaats en dateert het laatste overleg van 2002.
Kunt u tevens weergeven in die tijdlijn welke ministeries daarbij betrokken waren? Welke beleidsterreinen? Wat was het doel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid toe te geven dat de afschaffing van de dividendbelasting wel degelijk door de «Nederlandsche industrieën met groote internationale belangen» aanhangig is gemaakt? Zo nee, hoeveel boeken en/of artikelen zijn er nog nodig om dat wel toe te geven?
Zoals aangegeven op vraag 1 hoort het bij het werk van ambtenaren op ministeries om signalen van de buitenwereld te ontvangen en te wegen. Verschillende Nederlandse (beursgenoteerde) bedrijven dragen al jaren uit dat de dividendbelasting een maatregel is waar zij last van hebben in vergelijking met buitenlandse concurrenten. Dit dateert van ver voor de recente discussie over dit onderwerp. Zo is dit onderwerp uitgebreid besproken op 26 juni 2008 in een hoorzitting/rondetafelgesprek voor de vaste commissie van Financiën.2
Over welke belastingmaatregelen lobbyde ABDUP nog meer?
De ABDUP is een informeel samenkomen tussen AkzoNobel, Shell, DSM, Unilever en Philips waar allerhande onderwerpen besproken kunnen worden. Uit mijn antwoord op vraag 3 blijkt dat tussen eind 2010 en heden drie maal een bewindspersoon genodigd was. Daar zijn geen notulen van, dus kan ik deze vraag niet beantwoorden. Daarnaast is het van belang dat partijen vrijuit en in vertrouwen met de overheid kunnen spreken. Ook wordt in deze informele overleggen bedrijfsvertrouwelijke informatie gewisseld. Het is het niet aan mij om ingebrachte punten uit dergelijke overleggen naar buiten te brengen.
Duurt het honoreren van de Wob-verzoeken van Follow the Money zo lang omdat u niet wilt dat deze lobby, naast de openlijke lobby, bekend wordt?
Mijn ministerie streeft ernaar om elk Wob-verzoek binnen de wettelijke termijn af te handelen. De herkomst of het doel van de vraag noch de uitkomst ervan heeft invloed op de doorlooptijd van behandeling. Het overschrijden van de termijn kan in algemene zin wel veroorzaakt worden door bijvoorbeeld de omvang of complexiteit van een Wob-verzoek, het opvragen van zienswijze van derden, of het groeiend aantal Wob-verzoeken dat mijn organisatie te verwerken krijgt. Daar hebben we dan contact over met de verzoeker.
Bij welke milieumaatregelen kwam PHAUSD in opstand? Wanneer? Welke wetgeving is veranderd door de lobby van PHAUSD?
Ook in het verleden onderhielden ambtenaren bij het maken van beleid goed contact met de buitenwereld, waaronder met genoemde en andere bedrijven. Deze gang van zaken betekent niet dat er sprake was van ongewenste invloed op beleidvorming en wetgeving. Bovendien gold ook destijds dat het kabinet te allen tijde haar eigen afwegingen en keuzes maakt en hiervoor verantwoordelijk gehouden kan worden.
Welke politieke projecten komen naast het Innovatieplatform en Jet-Net voort uit de lobby van deze clubs?
Ik herken me niet in de bewering dat het ontstaan van het Innovatieplatform, Jet-Net of andere projecten toe te schrijven zijn aan belangenbehartiging vanuit het ABDUP-overleg.
Hoeveel publiek geld is er in dit soort projecten gestoken?
Zie antwoord vraag 9.
Lobbyen deze clubs ook bij provinciale en gemeentebesturen?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden aangezien ik geen zicht heb op de agenda en activiteiten van ABDUP.
Het bericht dat het concurrentiebeding vaak oneigenlijk wordt gebruikt |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bedrijven het concurrentiebeding in contracten met werknemers steeds vaker niet gebruiken om oneerlijke concurrentie tegen te gaan, maar om personeel bij zich te houden in de huidige krappe arbeidsmarkt?1
Ik vind het begrijpelijk dat een werkgever in bepaalde situaties een concurrentiebeding kan opnemen in de arbeidsovereenkomst. Het kan een effectieve wijze zijn om te voorkomen dat een werknemer na het einde van het dienstverband bijvoorbeeld klanten of bedrijfsgeheimen meeneemt. Inherent aan een concurrentiebeding is echter dat dit een belemmerende werking heeft voor de werknemer. Gezien het belang van de werknemer dient daarom zorgvuldig gebruik te worden gemaakt van het beding. Juist daarom is het sinds de invoering van de Wet Werk en zekerheid verplicht dat er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen moeten zijn voor het opnemen van een concurrentiebeding in een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Een concurrentiebeding is niet bedoeld om personeel vast te houden in deze krappe arbeidsmarkt. Tevens biedt de wet aan de rechter de mogelijkheid dat hij aan de werkgever de verplichting tot het betalen van een vergoeding oplegt als de werknemer door het concurrentiebeding in belangrijke (dus te grote) mate belemmerd wordt om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn. Overigens valt een relatiebeding onder dezelfde wettelijke regeling als het concurrentiebeding. In de rest van beantwoording wordt de term «concurrentiebeding» gebruikt.
Herkent u het beeld dat juridische dienstverleners DAS en Stichting Achmea Rechtsbijstand schetsen, dat het aantal rechtszaken en schikkingen over het oneigenlijk gebruik van het concurrentiebeding toeneemt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Via de Raad voor de Rechtspraak zijn cijfers verkregen over het aantal rechtszaken dat jaarlijks wordt gevoerd over het concurrentiebeding. De ontwikkeling over de jaren 2014 tot medio november 2019 wordt hieronder weergegeven.
2014
2015
2016
2017
2018
2019 (tot half november)
Aantal rechtszaken concurrentiebeding
329
359
328
316
291
227
Uit de cijfers van de Raad voor de Rechtspraak blijkt geen stijging van het aantal rechtszaken. Er wordt niet geregistreerd in hoeveel gevallen de rechter de werking van het beding heeft ingeperkt. Het aantal gevallen dat een schikking buiten de rechter om wordt getroffen is niet bekend. Dit is een aangelegenheid tussen de werkgever en de werknemer.
Wat is uw reactie op de constatering van de arbeidsjurist, dat in de praktijk concurrentiebedingen dikwijls «een schaamlap» zijn voor het frustreren van de vertrekwens van werknemers? Is dit voor u acceptabel?
Zie antwoord 1.
Klopt het dat één op de vijf arbeidscontracten een concurrentiebeding bevat? Hoe heeft dit aantal zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
In 2015 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van het concurrentiebeding in arbeidsovereenkomsten. 19% van de ondervraagde werknemers gaf toen aan een concurrentiebeding te hebben. Er is geen direct vergelijkbaar onderzoek bekend, maar het aandeel nieuwe contracten met een concurrentiebeding kan voor 2018 worden benaderd voor vaste en tijdelijke contracten. Daarvoor is gekeken naar het aandeel mensen dat in de enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS aangeeft korter dan een half jaar geleden gestart te zijn met een nieuwe baan, waarbij een concurrentiebeding is opgenomen in hun arbeidscontract. Een eerste verkenning laat zien dat van het deel van deze groep werknemers met een vast contract 19 procent een concurrentiebeding heeft opgenomen in zijn of haar arbeidscontract. Van de mensen met een tijdelijk contract is dat 16 procent.
Ik kan niet speculeren over de verklaring van deze ontwikkeling. Wel wordt in de evaluatie van de Wwz nagegaan hoe de maatregel heeft uitgewerkt dat een concurrentiebeding in een tijdelijk contract alleen mogelijk is als dit noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de cijfermatige ontwikkeling van het aantal concurrentiebedingen, met name in tijdelijke contracten.
Erkent u dat het oneigenlijke gebruik van het concurrentiebeding ook een nadelig effect kan hebben op de lonen, omdat werkgevers minder hun best hoeven te doen om werknemers te behouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een concurrentiebeding kan een werknemer gedurende een bepaalde periode belemmeren om te gaan werken voor een concurrerend bedrijf. Hiermee wordt een werknemer belemmerd om over te stappen naar een andere baan. Er zijn verschillende mogelijke effecten van een concurrentiebeding op de lonen. Het is mogelijk dat de werkgever minder prikkels heeft om te investeren in arbeidsvoorwaarden, zoals loon, aangezien de werknemer wellicht minder snel kan profiteren van een hoger loonaanbod van een concurrent. Ook kunnen lonen lager uitvallen doordat vertrekkende werknemers in sectoren terechtkomen waar zij minder productief zijn. Daarnaast kan een verminderde arbeidsmobiliteit leiden tot minder innovatie, doordat er minder kennisverspreiding plaatsvindt.
Hier staat tegenover dat de «kosten» van het ondertekenen van het beding door de werknemer zouden kunnen worden gecompenseerd in andere componenten van het arbeidscontract, zoals het loon. Dit geldt echter alleen bij een voldoende sterke onderhandelingspositie van een werknemer. Daarnaast kan het zijn dat bedrijven waarin veel gebruik wordt gemaakt van concurrentiebedingen meer investeren in innovatie en over meer bedrijfsspecifieke kennis beschikken, waardoor de productiviteit van het bedrijf stijgt. Ook kan een duurzame(re) arbeidsrelatie, die ontstaat door een lagere arbeidsmobiliteit, de productiviteit verhogen doordat de werkgever en werknemer een vertrouwensband hebben opgebouwd en bedrijfsspecifieke kennis (beter) wordt benut. Een hogere productiviteit kan doorwerken in het loon van de werknemers.
Er is sprake van oneigenlijk gebruik wanneer de werknemer door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever. De rechter kan het concurrentiebeding dan geheel of gedeeltelijk vernietigen. Hierdoor vervalt de belemmering van de overstap. Ook kan de rechter de werknemer compenseren voor de belemmering door een vergoeding toe te kennen aan de werknemer.
Het is zeer de vraag of en hoe deze effecten in de praktijk zichtbaar zijn, en zo ja, welk effect dominant is. Er zijn vele factoren die invloed hebben op de loonontwikkeling.
Klopt het dat Nederland één van de weinige Europese landen is zonder een verplichte vergoeding voor concurrentiebedingen? Wat is hiervan volgens u de verklaring?
Uit onderzoek van 2011 over 23 Europese landen blijkt dat 12 van de 23 onderzochte landen voor de geldigheid van een concurrentiebeding een financiële compensatie verplicht hebben gesteld.2 In zeven van deze landen is bij wet een minimale vergoeding bepaald, uiteenlopend van 100 procent van het laatstverdiende loon in Tsjechië, tot 15 procent in Italië. Hieruit blijkt dat ruim de helft van de landen een financiële compensatie vereisen, maar er ook landen zijn die het concurrentiebeding op andere wijze wettelijk reguleren.
Bent u bereid om ook in Nederland een verplichte vergoeding voor concurrentiebedingen in te voeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe hoog zou die vergoeding volgens u moeten zijn?
Naar aanleiding van de motie van Van Weyenberg en Gijs van Dijk die is aangenomen bij de begrotingsbehandeling SZW zal ik onderzoek doen naar de wenselijkheid van het stellen van nadere voorwaarden aan het gebruik van het concurrentiebeding. Hierbij zal ik ook een verplichte vergoeding overwegen.
Een falend warmtepompsysteem in Duindorp |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wijk in de kou door falend warmtepompsysteem»?1
Ja.
Deelt u de mening dat bij nog experimentele energiebronnen waarbij er geen alternatief is, niet de bewoners, huurders noch woningeigenaren, in het geval het experiment problemen vertoont voor de ontstane kosten zouden moeten opdraaien? Zo ja, waarom en wie zou de kosten dan wel moeten dragen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat gebruikers die zijn aangesloten op een warmtenet, en voor hun warmtevoorziening afhankelijk zijn van een monopoloïde warmteleverancier, beschermd moeten worden. Ook experimentele energiebronnen vallen hieronder. In de Warmtewet is hiervoor een aantal beschermende bepalingen opgenomen en is ook voorzien in de mogelijkheid om eventuele geschillen laagdrempelig voor te leggen aan een onafhankelijke geschillencommissie. Daarnaast heeft een gebonden gebruiker van warmte de mogelijkheid om de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te vragen om handhavend op te treden ingeval van een (vermeende) overtreding van de bepalingen van de Warmtewet.
In het geval van levering van warmte door een verhuurder aan zijn huurder bevat het huurrecht gelijksoortige bepalingen.
Het is aan de geschillencommissie of – ingeval van huur – de Huurcommissie en uiteindelijk aan de rechter om uitspraken te doen over dergelijke conflicten en in samenhang daarmee de vraag wie verantwoordelijk is voor kosten. Het is niet aan mij om me te mengen in dit soort conflicten.
Deelt u de mening dat het draagvlak voor de overgang naar duurzame energie voor de verwarming van huizen afneemt als blijkt dat de nieuwe energiebron slecht werkt en bovendien duurder is dan conventionele verwarming? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor het draagvlak is het belangrijk dat warmtelevering vanuit een warmtenet zo ongestoord mogelijk plaatsvindt en dat burgers gemiddeld gesproken niet duurder uit zijn dan bij verwarming van hun huis op basis van aardgas. Daarom bevat de Warmtewet zowel bepalingen over de maximumprijs – met een koppeling met de prijs van aardgas – als over de compensatie in geval van storing en onderbreking van de warmtelevering. Omdat de koppeling tussen de aardgasprijs en de warmteprijs op langere termijn minder voor de hand ligt, wordt in het kader van de Warmtewet 2.0. gekeken naar een passend alternatief.
Deelt u de opvatting dat het gewenst is dat er bewoners moeten worden behoed voor nadeel die ontstaat omdat nieuwe innovatieve, alternatieve energiesystemen niet volgens verwachting functioneren, om teleurstellingen te voorkomen en het draagvlak voor deze systemen te behouden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u dat bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat kunnen bewoners die aangesloten zijn bij de genoemde pilot in Duindorp doen om ervoor te zorgen dat zij wel een betrouwbare en betaalbare verwarming krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Wie is verantwoordelijk voor het vaststellen wat de oorzaak van de storingen is en het oplossen daarvan?
Als het gaat om problemen met de warmtelevering, dan is de warmteleverancier verantwoordelijk voor het vaststellen en het oplossen van storingen.
Bent u bereid om uw invloed aan te wenden en voorzieningen te treffen om te bewerkstelligen dat er een billijke oplossing wordt gecreëerd voor de bewoners die kampen met complicaties en kosten die hun oorzaak vinden in het warmtenet? Zo ja, wat gaat u concreet doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Voorziet de Warmtewet in compensatie van de schade voor bewoners indien de schade aan de warmtepomp zelf door externe factoren wordt veroorzaakt? Zo ja, op welke wijze voorziet die wet daarin? Zo nee, waarom niet en bent u van mening dat de wet daarop moet worden aangepast?
De Warmtewet bevat geen expliciete bepalingen over compensatie bij schade aan apparaten, zoals in dit geval de warmtepomp. De algemene verplichting in de Warmtewet om te voorzien in een betrouwbare en kwalitatief goede levering biedt naar mijn mening voldoende waarborgen. Ik zie daarom geen reden tot aanpassing van de wet op dit punt.
Het verslag van een schriftelijk overleg over het chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CVS). |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op constatering van de Gezondheidsraad, die geen reden ziet voor toepassing van graduele oefentherapie bij Myalgische Encefalomyelitis/Chronischevermoeidheidssyndroom (ME/CVS) en vindt dat gedragstherapie niet als enige behandelingsoptie aangeboden moet worden? Bent u van plan de betrokken partijen actief op deze conclusie te wijzen? Welke behandelingen zijn er voor ME/CVS-patiënten die gedragstherapie of graduele oefentherapie niet als optie zien? Deelt u de mening dat dit aanbod zeer beperkt is?1
Het is aan de betrokken zorgprofessionals om te bepalen welke behandeling geschikt is, en dit kan van geval tot geval verschillen. In mijn reactie op het advies van de Gezondheidsraad heb ik reeds aangegeven dat de behandeling moet passen bij de patiënt en heb ik zorgverleners opgeroepen om deze aandoening serieus te nemen.
Wat is uw reactie op de conclusie van de Gezondheidsraad dat verbetering van de zorg voor patiënten met ME/CVS urgent is en zo snel mogelijk moet plaatsvinden?
Ik deel de urgentie. Tegelijkertijd moet ik hierbij wel realistisch zijn over de tijd die gemoeid zal zijn met het onderzoeksprogramma dat de Gezondheidsraad adviseert op te starten. Om die reden is het belangrijk dat zorgverleners, in afwachting van nieuwe inzichten uit dat onderzoek, ook alert blijven op ontwikkelingen, waaronder in het buitenland, om de zorg voor patiënten waar mogelijk te verbeteren.
Bent u van mening dat het afwachten van de resultaten van de onderzoeken die wellicht gaan plaatsvinden binnen het onderzoeksprogramma eer doet aan deze urgentie en snelheid?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ertoe bereid naast budget voor een eventueel onderzoeksprogramma ook budget vrij te maken voor directe disseminatie van de (internationale) biomedische kennis die er al over de ziekte ME bestaat, en zo ja, hoe denkt u dat vorm te geven?
In het plan van aanpak dat ZonMw op mijn verzoek op dit moment met de patiëntenorganisaties voorbereidt, wordt onder andere aandacht besteed aan kennisverspreiding van (onder andere) internationale wetenschap en een communicatietraject gericht op het omvormen van bestaande opvattingen omtrent ME/CVS. Besluitvorming over het vrijmaken van middelen op de begroting van VWS en het beschikbaar stellen hiervan aan Zonmw, is aan de orde als het plan van aanpak beschikbaar is.
Erkent u ME als ziekte conform de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)-classificatie, waaraan Nederland zich als lidstaat van de WHO dient te houden?
Ik sluit mij aan bij de Gezondheidsraad die concludeert dat ME/CVS een ernstige chronische ziekte is die het functioneren en de kwaliteit van leven van mensen die eraan lijden substantieel beperkt. De International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD) van de WHO heeft een belangrijke functie bij het standaardiseren en vergelijkbaar maken van gerapporteerde doodsoorzaken en morbiditeit in en tussen landen. Wat als ziekte wordt bestempeld binnen de ICD is een dynamisch proces en het resultaat van input die de internationale experts aan de WHO leveren. De WHO heeft het chronisch vermoeidheidssyndroom in de ICD11 opgenomen onder nummer 8E49 «Postviral fatigue syndrom». Het erkennen van ziekten is in zijn algemeenheid geen overheidstaak. Van het expliciet van overheidswege overnemen van de diagnosen uit de ICD is gelet daarop ook geen sprake.
Wat vindt u ervan dat beroepsgroepen zich tegen een advies van de Gezondheidsraad inzake ME/CVS keren en in een enkel geval het advies zelfs expliciet naast zich neer leggen? Gaat u hier iets aan doen?
Wanneer mij signalen bereiken dat de beroepsgroepen waarmee ik samenwerk het advies negeren, zal ik ze hierop aanspreken. Overigens heb ik daar nog geen concrete aanwijzingen voor. Het Ministerie van SZW heeft naar aanleiding van de uitspraken van de voorzitter van de NVVG (verzekeringsartsen) in de media contact gezocht met het UWV. De richtlijn van de NVVG stelt dat cognitieve gedragstherapie altijd wordt aangeboden aan en besproken met mensen met ME/CVS. Wanneer iemand om moverende redenen en in overleg met de reguliere behandelaar echter afziet van cognitieve gedragstherapie, dan is dit geen reden om aanspraak op sociale zekerheid aan cliënt te onthouden.
Bent u ertoe bereid in gesprek te gaan met wetenschappelijke verenigingen om aan te dringen op een zo spoedig mogelijke herziening of aanpassing van de behandelaanbevelingen uit de richtlijn CVS? Zo ja, wanneer gaan deze gesprekken plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Ik zie ten principale geen rol voor de overheid om zich inhoudelijk te mengen in de inhoud van richtlijnen. Aandringen op een revisie in deze zou impliceren dat VWS één richting kiest in een kwestie die professioneel controversieel is. Er bestaat immers grote verdeeldheid over de behandelaanbevelingen. Ook de commissie van de Gezondheidsraad heeft hierover geen unaniem advies kunnen geven. Sommige beroepsgroepen stellen bovendien dat de Gezondheidsraad ook geen nieuwe wetenschappelijke informatie gepresenteerd heeft. Ik ben er verder wel van overtuigd dat iedere beroepsgroep de discussie over ME/CVS scherp op het netvlies heeft staan. Onder deze omstandigheden zie ik ook geen aanleiding tot het voeren van agenderende gesprekken.
Is het correct dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zelfstandig een onderwerp op de Meerjarenagenda van het Zorginstituut Nederland kan plaatsen als het gaat om het ontwikkelen van kwaliteitsproducten? Zo ja, waarom kiest u hier niet voor als het gaat om het herzien van de richtlijn voor ME/CVS?2
Het Ministerie van VWS kan niet zelfstandig een onderwerp op de Meerjarenagenda plaatsen. Het Ministerie van VWS kan net als betrokken veldpartijen het Zorginstituut verzoeken om een onderwerp op de Meerjarenagenda te zetten. De Raad van Bestuur van het Zorginstituut neemt het besluit om dit wel of niet te doen. Dit gebeurt na advies van de Kwaliteitsraad, een adviescommissie die is verbonden aan het Zorginstituut.
Om de richtlijn voor ME/CVS te herzien is nieuwe informatie nodig en daarvoor wordt op advies van de Gezondheidsraad een onderzoeksprogramma gestart. Richtlijnen en kwaliteitsstandaarden zijn van de veldpartijen zelf. Het heeft daarom de voorkeur dat veldpartijen zelf een herziene kwaliteitsstandaard aan het Zorginstituut aanbieden en indien nodig het Zorginstituut verzoeken om deze op de Meerjarenagenda te plaatsen als ze er zelf niet uitkomen.
Bent u bereid een voorlichtingscampagne op basis van het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat een verkeerde registratie door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) grote gevolgen kan hebben voor het vervolgtraject, zoals het bepalen van een uitkering, de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid of de te ontvangen therapie?
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft mij geïnformeerd dat de registratie geen doorslaggevende rol heeft. Verzekeringsartsen bij het UWV onderzoeken welke functionele mogelijkheden iemand heeft, gegeven zijn klachten en beperkingen die op hun beurt zijn terug te voeren naar de achterliggende ziekte of gebrek. De door de behandelend arts gestelde diagnose ME/CVS sec is onvoldoende voor het kunnen vaststellen van de functionele mogelijkheden van betrokkene. De verzekeringsarts van het UWV stelt de functionele mogelijkheden vast, gegeven de geconstateerde beperkingen die op hun beurt het gevolg zijn van ziekte of gebrek. De diagnose die de behandelend arts heeft vastgesteld of het feit dat de cliënt wel of geen behandeling ondergaat is dus niet bepalend voor de vaststelling van de functionele mogelijkheden op het moment van de beoordeling en heeft dus geen gevolgen voor het bepalen van de uitkering.
Wat is uw oordeel over het aantal registraties op code N690 door het UWV in vergelijking met de incidentie van ME/CVS? Bent u van mening dat cliënten met ME/CVS correct geregistreerd worden door het UWV? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat een correcte registratie van ME/CVS verhoogd wordt?
Zoals aangegeven in mijn reactie op vraag 10 is de registratie niet van doorslaggevend belang in het bepalen van het recht op een uitkering.
Heeft u inmiddels het advies van de Gezondheidsraad en de signalen dat patiënten niet altijd de zorg krijgen die ze nodig hebben onder aandacht gebracht bij de gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dit is verlopen? Is er specifiek aandacht besteed aan de leerplichtambtenaren in relatie tot ME/CVS? Zo ja, op welke wijze?
In het Gemeentenieuws van 28 augustus 2019 van het Ministerie van SZW is het advies dat de Gezondheidsraad 19 maart 2019 heeft uitgebracht over ME/CVS onder de aandacht gebracht. Ik zal er in aansluiting hierop voor zorgen dat de gemeenten ook in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gewezen op het advies en gevraagd worden hiermee rekening te houden bij het uitvoeren van hun taken. Ik ga ervan uit dat de gemeenten dit vervolgens verspreiden onder alle ambtenaren die deze kennis moeten hebben, ook de leerplichtambtenaren.
Is er volgens u voldoende kennis bij zorgverleners, zoals huisartsen en specialisten, met betrekking tot diagnostisch onderzoek en behandeling bij ME/CVS? Zo nee, hoe verwacht u op korte termijn voldoende kennis te organiseren zonder bijvoorbeeld een polikliniek of expertisecentrum?
Ik heb geen signalen dat de beschikbare wetenschappelijke kennis rond ME/CVS niet op het netvlies van behandelaars staat. Dat die kennis verdiept kan worden beschouw ik als een gegeven en dat is de reden waarom in ZonMw gevraagd heb te werken aan onderzoeksagenda.
Bent u ertoe bereid in gesprek te gaan met de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), de Universitair Medisch Centra (UMC’s) en de patiëntenorganisaties over hoe zij de specialistische zorg voor ME/CVS-patiënten kunnen verbeteren en hoe zij aankijken tegen het oprichten van poliklinieken?
In mijn reactie van 20 juni 2019 op de Commissiebrief van uw Kamer inzake SO Reactie op het advies van de Gezondheidsraad over ME-CVS heb ik al aangegeven bereid te zijn de komende periode in mijn gesprekken met de NFU na te gaan of er rond ME/CVS ontwikkelingen zijn die aandacht vragen. Daarbij heb ik eveneens aangegeven dat het oprichten van poliklinieken met name aan de orde zal zijn als bezoek aan zo’n polikliniek een noodzakelijke voorwaarde is om de best mogelijke zorg op basis van de huidige inzichten te ontvangen. Het advies van de Gezondheidsraad biedt daarvoor wat betreft behandeling thans geen aanknopingspunten. Ik verwacht wel dat umc’s een rol kunnen vervullen in het onderzoek naar ME/CVS, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs via het inrichten van poliklinieken. Bezoek aan een polikliniek is geen noodzakelijke voorwaarde om de best mogelijke zorg op basis van de huidige inzichten te ontvangen.
Verder heeft er in juli van dit jaar een gesprek plaatsgevonden tussen de NFU en de patiëntenorganisaties, te weten Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid, ME/CVS Stichting, en ME/cvs Vereniging. In het gesprek heeft de NFU aangegeven bereid te zijn in contact te blijven en probleempunten en wensen voor te leggen aan de bestuurders.
Bent u van mening dat ME/CVS opgenomen dient te worden op de Chronische aandoeningenlijst fysiotherapie als het gaat om vergoeding van fysiotherapie?
Voor opname van een behandeling met fysio-/oefentherapie gericht op een bepaalde chronische aandoening in het verzekerde pakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is in ieder geval noodzakelijk dat zo’n behandeling bewezen effectief is. Bovendien dient het Zorginstituut te adviseren over het al dan niet opnemen in het basispakket. Dit is noodzakelijk omdat de aanspraak op fysio-/oefentherapie voor langdurige of chronische aandoeningen gesloten is geformuleerd. Dit houdt in dat de categorieën aandoeningen waarvoor langdurige fysio-/oefentherapie ten laste van de Zvw wordt vergoed, zijn omschreven in de bijlage bij het Besluit zorgverzekering (Bzv).
De Gezondheidsraad geeft in zijn advies met betrekking tot Graded Exercise Therapy (GET) aan «geen reden te zien om de toepassing van GET in Nederland aan te bevelen». ik maak hieruit op dat de Gezondheidsraad onvoldoende aanwijzingen ziet voor bewijs van de werkzaamheid van oefentherapie bij ME/CVS. Ik zie dan ook geen reden om het Zorginstituut thans om een advies te vragen over het opnemen van ME/CVS op de bijlage van het Bzv. Opname van ME/CVS op de bijlage van het Bzv is daarom niet aan de orde.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het nader in te plannen plenair verslag van een schriftelijk overleg (VSO) over dit onderwerp?
Ja.
Het bericht dat straaljagers van Defensie zonder vergunning boven het Wad vliegen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Botsende belangen boven het beschermde wad: Defensie vliegt er al jaren zonder natuurvergunning?»1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat er, ondanks toezeggingen door uw ambtsvoorgangers, nog altijd zonder natuurvergunning met straaljagers boven het Wad gevlogen wordt?
De vergunningaanvragen betreffen verschillende categorieën van militaire vliegactiviteiten en een variëteit aan beschermde Natura 2000-gebieden. Omdat regulier militair vliegverkeer op basis van de Wet luchtvaart is gebonden aan een minimum vlieghoogte (zie ook het antwoord op vraag 4) en van het laagvliegen door helikopters de meest verstorende effecten werden verwacht, is destijds besloten eerst voor het laagvliegen door helikopters een vergunning aan te vragen. Die vergunning is in 2012 door de Staatssecretaris van Economische Zaken verleend aan de Minister van Defensie (Kamerstuk 33 400 X, nr. 6). Na een bezwaar- en beroepsprocedure is het vergunningtraject voor de helikopterlaagvlieggebieden met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak voltooid op 17 september 2014.
Na de voltooiing van deze vergunningprocedure voor de helikopterlaagvlieggebieden kon worden aangevangen met de vergunningaanvraag voor de overige militaire vliegactiviteiten boven of nabij Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder die voor de militaire vliegactiviteiten boven of nabij het Natura 2000-gebied de Waddenzee. Deze vergunningaanvraag is momenteel in voorbereiding. In maart 2018 is door het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een, in opdracht van het Ministerie van Defensie opgestelde, voortoets voor verschillende categorieën militaire vliegactiviteiten akkoord bevonden. Het Ministerie van Defensie heeft op basis van de uitkomsten van deze voortoets aan een onderzoeksbureau opdracht gegeven om vervolgonderzoek uit te voeren. Met de uitkomsten van deze effectenanalyse vraagt het Ministerie van Defensie in het eerste kwartaal van 2020 voor de verschillende activiteiten een vergunning aan bij het Ministerie van LNV.
Kunt u aangeven om hoeveel vlieguren en om welke gebieden het precies gaat? Kunt u ook aangeven op welke hoogte gevlogen wordt?
De overlast voor mens en natuur wordt zoveel mogelijk beperkt door hier in de naderingsroutes en de vlieghoogte rekening mee te houden. De oefenlocatie De Vliehors wordt bijvoorbeeld zoveel mogelijk via de Noordzee benaderd, wat de overlast verminderd. Bovendien is, nadat de omgeving hierover contact had opgenomen met Defensie, de vliegroute boven Ameland aangepast (zie ook het antwoord op vraag 7). De minimum vlieghoogte (Wet Luchtvaart) in Nederland bedraagt 1.200 voet (ongeveer 365 meter) voor jachtvliegtuigen. Boven de Waddenzee is de vlieghoogte hoger, namelijk 1.500 voet (ongeveer 450 meter). Deze vlieghoogte komt overeen met de minimum vlieghoogte boven de Waddenzee voor civiel luchtverkeer. In het Natura 2000-beheerplan Waddenzee 2016–2022 wordt geconcludeerd dat de reguliere luchtvaart, die boven de gestelde minimum vlieghoogte blijft, geen effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen. In een door een onderzoeksbureau uitgevoerde voortoets voor verschillende categorieën militaire vliegactiviteiten is geconcludeerd dat voor militaire vliegactiviteiten op reguliere vlieghoogten geen verdere beoordeling en daarmee geen vergunningaanvraag nodig is. Het lopende onderzoek naar effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, dat ten grondslag zal liggen aan de bij onder vraag 2 genoemde vergunningaanvraag voor de militaire vliegactiviteiten, moet uitwijzen of aanvullende maatregelen nodig zijn in die delen van het luchtruim waar op lagere hoogten wordt gevlogen, bijvoorbeeld in naderingsgebieden van de militaire luchthavens, schietrange De Vliehors, of helikopterlandingsplaatsen.
Voor de militaire vliegactiviteiten die momenteel in het vervolgonderzoek zijn betrokken, gaat het om eenenvijftig verschillende Natura 2000-gebieden. Het aantal vlieguren en de vlieghoogten boven deze gebieden zijn per militaire vliegactiviteit gedocumenteerd en worden betrokken in het onderzoek. Het ontwerpbesluit op de aanvraag zal met toepassing van de uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage worden gelegd, waardoor een ieder een zienswijze kan geven op het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken, waaronder de onderzoeksrapporten.
Kunt u aangeven wat momenteel gedaan wordt om overlast te beperken en om verstoring van natuur en dieren te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of er in het verleden onafhankelijk onderzoek is uitgevoerd naar de effecten van de vliegoefeningen op de natuur en de dieren? Zo ja, wat waren daarvan de bevindingen en welke conclusies zijn eruit getrokken? Zo nee, bent u bereid alsnog een dergelijk onderzoek in te stellen? Zo ja, hoe zal dit worden vormgegeven?
Sinds de jaren 80 zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van civiele en/of militaire vliegactiviteiten op de natuur en de dieren. Het onderzoeksbureau dat het thans lopende onderzoek uitvoert, betrekt hierbij de conclusies uit relevant voorgaand onderzoek.
Is het juist dat het aantal vliegbewegingen dit voorjaar vanaf de vliegbasis Leeuwarden naar de oefengebieden boven de Waddenzee en de Noordzee, met 350 procent gegroeid is naar 23 overvliegende straaljagers per dag? Kunt u de redenen voor deze toename toelichten?
Tussen mei en eind juli dit jaar vonden gemiddeld 23 vliegbewegingen met jachtvliegtuigen per dag plaats vanaf vliegbasis Leeuwarden naar de oefengebieden boven de Wadden- en Noordzee. Dit in verband met een Fighter Weapons Instructor Training (FWIT), een oefening die vrijwel jaarlijks plaatsvindt. Dit is een training waarbij het operationele F-16 squadron op Vliegbasis Leeuwarden de opleiding tot wapeninstructeur organiseert voor de beste F-16-vliegers van verschillende Europese landen. De ligging van Vliegbasis Leeuwarden ten opzichte van de oefengebieden is bij deze opleiding van belang. Zonder een dergelijke oefening zijn er gemiddeld 3 vliegbewegingen per dag.
Waarom is ervoor gekozen deze vliegbewegingen om te leiden tussen Ameland en Schiermonnikoog door, recht boven de Engelsmanplaat? Is daarbij rekening gehouden met het effect op de natuur en in het wild levende dieren, zoals de vogels en zeehonden?
Naar aanleiding van klachten van een provinciale vereniging voor natuurbescherming, mede namens vele toeristen die verbleven op Ameland, is er voor gekozen om Ameland te ontzien door een andere vliegroute te hanteren. Hierdoor is dichter langs de Engelsmanplaat gevlogen. De gehanteerde vlieghoogte was hierbij boven de 1.500 voet (ongeveer 450 meter). Zie ook antwoord op vraag 4.
Klopt het dat natuurorganisaties een jaar geleden al bij Defensie aanklopten met het verzoek te voldoen aan de Wet natuurbescherming en een vergunning te regelen?
Bij de totstandkoming van de vergunningaanvraag voor de militaire vliegactiviteiten consulteert Defensie een klankbordgroep van natuurorganisaties. Dit overleg acht ik waardevol en draagt bij aan de totstandkoming van de onderzoeken die nodig zijn voor de vergunningaanvraag. Daarbij wordt ook gesproken over de planning en voortgang.
Vindt u het wenselijk dat natuurorganisaties u eraan moeten herinneren zich aan de wet te houden, tien jaar nadat de toenmalige Staatssecretaris van Defensie toezegde de natuurvergunning in orde te maken? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Welke stappen heeft Defensie gezet om de in vraag 9 genoemde toezegging om te zetten in beleid? Kunt u een tijdsoverzicht geven van deze stappen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze vergunning zo snel mogelijk in orde te maken?
Ja.
Bent u bereid het recente onderzoek door de universiteit Leiden te betrekken bij de natuurtoets die nodig is voor de vergunning?2
De natuurtoets wordt opgesteld door een onafhankelijk onderzoeksbureau. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid dergelijke oefeningen boven de Wadden geheel op te schorten in het belang van het beschermen van de kwetsbare natuur?
Dit is niet nodig, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bemoeienis van het ministerie van Justitie en Veiligheid met het proces Wilders |
|
Michiel van Nispen (SP), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Op basis van welke wettelijke grondslag worden punten ten aanzien van mogelijk door de verdediging te voeren verweren «meegegeven» aan het openbaar ministerie (OM)?1
Welke punten met betrekking tot mogelijke verweren werden door de desbetreffende ambtenaar aan het OM «meegegeven»? Bent u bereid deze met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij ingaan op de redenen om verweren die blijkbaar door het OM niet waren opgenomen in het ambtsbericht niet met de Kamer te delen?
In hoeverre kan uit het ambtelijk «meedenken» over verweren worden afgeleid dat (ambtenaren van) het departement uitging(en) van vervolging, dan wel daar een voorkeur voor hadden?
Waarom is niet eerder aan de Kamer gemeld dat ambtenaren meedachten over de inhoud van een (eventuele) strafzaak? Hoe beoordeelt u dat? Deelt u de mening dat u op de hoogte had kunnen zijn van deze e-mailwisseling?
Hoe beoordeelt u dit «meedenken» in het licht van uw eerdere antwoord op Kamervragen dat u zich «als Minister van Justitie en Veiligheid niet [mengt] in de behandeling van individuele strafzaken»?
Hoe beoordeelt u dit «meedenken» in het licht van de onafhankelijke magistratelijke rol van het OM?
Wat is de reden dat ambtenaren van het departement een juridische analyse maken over het door het OM opgestelde ambtsbericht? Welke toegevoegde waarde heeft een dergelijke analyse? Bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij ingaan op de redenen om de analyse die blijkbaar door het OM niet was opgenomen in het ambtsbericht niet met de kamer te delen?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1 tot en met 6. Voorts verwijs ik u naar mijn brief van 10 september jl. waarbij ik uw Kamer de documenten heb doen toekomen welke, ten behoeve van de procedure bij het Hof, door het OM aan mij zijn verzocht en welke zijn toegevoegd aan het strafdossier.
Het bericht dat de Coöperatie Laatste Wil een handleiding online heeft gezet waarmee het mogelijk is om een leven te beëindigen |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Coöperatie Laatste Wil (CLW) een handleiding online heeft gezet waarin namen worden genoemd van chemische stoffen waarmee het mogelijk is om een leven te beëindigen?1
Ja.
Wat is uw reactie op het plaatsen van een dergelijke handleiding door de CLW?
De inzet van dit kabinet is om het aantal suïcides terug te dringen. Daarnaast zijn chemische stoffen, waaronder middel X, niet bedoeld of geschikt om op een menswaardige wijze een einde aan het leven te maken. Ik acht het dan ook zeer onwenselijk dat een dergelijke handleiding verspreid wordt en maak me zorgen over de gevolgen daarvan.
Deelt u de mening dat het naïef is van de CLW om te veronderstellen dat een dergelijke handleiding niet buiten de kring van de eigen leden bekend zal worden, en dat daarom te verwachten is dat kennis van het «middel X» ook breder verspreid zal worden?
Het is allerminst uitgesloten dat een dergelijke handleiding verder zal worden verspreid.
Bent u bereid om met de CLW in gesprek te gaan om hen ervan te doordringen hoe ongewenst het verspreiden van een dergelijke handleiding is?
De CLW treedt op als belangenbehartiger voor de groep mensen die regie willen voeren over hun levenseinde. Zoals eerder aangegeven in brieven aan uw Kamer en de beantwoording van Kamervragen, maakt het kabinet zich zorgen over de wijze waarop de CLW dit doet. In eerdere gesprekken tussen medewerkers van het Ministerie van VWS en de CLW is het standpunt van het kabinet reeds helder overgebracht. De CLW lijkt echter gemotiveerd om voor het bereiken van haar doelstelling de grenzen van de wet op te zoeken.
Bent u van mening dat het plaatsen van deze handleiding mogelijkerwijs als een overtreding van artikel 294 Wetboek van Strafrecht gekwalificeerd zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Een ieder die een ander behulpzaam is bij zelfdoding is strafbaar. Dit staat in artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de jurisprudentie wordt aangenomen dat daarvoor meer nodig is dan het verschaffen van algemene informatie. Het geven van gerichte instructies om zelfdoding te vergemakkelijken is wel strafbaar. Of er sprake is van hulp bij zelfdoding hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Het is aan het Openbaar Ministerie (hierna: OM) om te beslissen een eventueel onderzoek in gang te zetten naar de vraag in hoeverre sprake is van strafbare handelingen. De weging en waardering van deze omstandigheden is aan de rechter.
Herinnert u zich dat de regering in een eerdere instantie een nadere analyse heeft laten uitvoeren naar het handelen van de CLW, omdat dit handelen mogelijk strafbaar zou zijn?2
Het is niet de regering die een nadere analyse naar het handelen van de CLW heeft laten uitvoeren. Het OM heeft de CLW gevolgd sinds september 2017 toen bekend werd dat ze een zelfdodingsmiddel, aangeduid als middel X, ter beschikking wilde stellen aan haar leden. Toen in maart 2018 bekend werd dat inkopers het middel daadwerkelijk zouden gaan bestellen, is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart. Het OM heeft de ontwikkelingen een periode gemonitord en geconcludeerd dat in die periode niet is gebleken dat de CLW zich schuldig heeft gemaakt aan hulp bij zelfdoding of dat er anderszins sprake was van strafbare feiten. Het OM heeft in juli 2018 besloten het onderzoek te sluiten.
Bent u bereid het College van Procureurs-Generaal te verzoeken om opnieuw te verkennen of er aanknopingspunten zijn voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek naar het handelen van de CLW? Zo nee, waarom niet?
Het OM heeft laten weten bekend te zijn met de recente ontwikkelingen. Het OM maakt een eigenstandige, onafhankelijke afweging over het al dan niet starten van een strafrechtelijk onderzoek. Over de uitkomst van deze afweging in de onderhavige kwestie zal mijn ambtgenoot van Justitie en Veiligheid uw Kamer informeren wanneer het OM hierin een afweging heeft gemaakt. Dat is nu nog niet het geval.
De Nederlandse soja-import uit Zuid-Amerika |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is sojajunk Nederland medeverantwoordelijk voor Amazonebranden?»1
Ja.
Is het waar dat er een verschuiving van de sojaproductie gaande is, van de Amazone naar minder goed beschermde, maar evenzeer waardevolle ecoysystemen in Zuid-Amerika zoals de Cerrado en Chaco? Zo nee, waarom niet?
Sinds het sojamoratorium in de Amazone lijkt de productie-uitbreiding van soja in Latijns-Amerika zich inderdaad te hebben verplaatst naar de Cerrado en de Chaco. Deze verschuiving laat zich echter lastig kwantificeren.
De soja-productie in de Amazone neemt overigens ook nog steeds toe. Verklaringen daarvoor zouden kunnen zijn, dat de sojaproductie op bestaand landbouwgebied is toegenomen en dat veebedrijven zijn overgeschakeld op akkerbouw.
Erkent u dat de ecosystemen zoals het Savannegebied Cerrado en het droge bos Chaco waardevol zijn en volwaardig beschermd zouden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Het savannegebied Cerrado en het droge bos van de Gran Chaco behoren met de Amazone tot de belangrijkste en meest biodiverse habitattypen van Latijns-Amerika. In deze regio’s vinden de grootste uitbreidingen van het landbouwareaal plaats. De overheden van Brazilië, Argentinië en Paraguay zijn verantwoordelijk voor wetgeving t.a.v. het landgebruik en de bescherming van deze gebieden. In tegenstelling tot de Amazone, waar een moratorium op ontbossing voor soja effectief is, zijn er in de Cerrado nog weinig middelen om ontbossing tegen te gaan. Ontbossing is daar toegestaan voor 65–80% van het particuliere grondgebied voor agrarische ontwikkeling. Diverse NGO’s en bedrijven onderzoeken op welke wijze de omstandigheden kunnen worden gecreëerd waaronder boeren zich voor agrarische expansie op braakliggende gronden gaan richten in plaats van op bosgebieden. Nederland ondersteunt via het Initiatief Duurzame Handel (IDH) duurzame productie van soja en veeteelt in de deelstaat Mato Grosso, dat een deel van de Cerrado omvat. Daarnaast voert Nederland doorlopend een dialoog met Brazilië over het belang van verdere verduurzaming van de landbouw en het tegengaan van ontbossing.
Is het waar dat 50 procent van de Braziliaanse soja die in Amsterdam en Rotterdam aankomt afkomstig is uit de Cerrado? Vindt u dit verantwoord? Zo ja, waarom?
Volgens berekeningen van Trase2 was in 2017 ca. 2,0 miljoen ton van de ca 4,4 miljoen ton door Brazilië geëxporteerde soja die in Amsterdam en Rotterdam aankomt afkomstig uit de Cerrado3. De herkomstcijfers zijn, net als het ontbossingsrisico, berekend op het niveau van gemeentes. Of de soja uit de Cerrado die in Rotterdam of Amsterdam aankomt rechtstreeks aan ontbossing kan worden gekoppeld, is uit de cijfers niet af te leiden, omdat geen informatie beschikbaar is tot op het niveau van de producenten zelf, binnen die gemeentes. Gemeentes daar zijn in grootte vergelijkbaar met provincies in Nederland.
Op de vraag of de in Nederland geïmporteerde soja uit de Cerrado verantwoord is kan ik daarom geen antwoord geven. Wel voldoet alle soja uit Latijns-Amerika die in ons land via veevoer in vlees, zuivel en eieren bij de Nederlandse consument terechtkomt aan de criteria van de Round Table on Responsible Soy (RTRS), omdat deze is afgedekt met RTRS-certificaten. RTRS garandeert dat de productie van de soja duurzaam en zonder ontbossing heeft plaatsgevonden. De kwaliteit van de RTRS-standaard is in juni jl. in een studie van Profundo in opdracht van IUCN zeer goed beoordeeld4. Nederlandse bedrijven die voor de Nederlandse consumentenmarkt produceren tonen daarmee aan werk te maken van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Wat betreft de inzet van de Nederlandse overheid om de Europese vraag naar ontbossingsvrije soja te stimuleren verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 8 en 10.
Vindt u het acceptabel dat van in ieder geval de helft van de soja die in Nederland achterblijft (en dus niet wordt doorgevoerd) niet gegarandeerd kan worden dat er waardevol bos voor gekapt is? Hoe verhoudt zich dat tot de duurzame doelstellingen van het kabinet en het Akkoord van Parijs dat door het kabinet wordt onderschreven?
Het aandeel soja dat in Nederland achterblijft en dus niet wordt doorgevoerd, is de soja die via veevoer in vlees, zuivel en eieren bij de Nederlandse consument terecht komt. Dit volume aan soja is sinds 2015 geheel afgedekt met RTRS-certificaten. RTRS garandeert dat de productie van de soja duurzaam en zonder ontbossing heeft plaatsgevonden.
Herkent u zich in de stelling in het artikel dat de Nederlandse overheid de ontbossingsproblematiek vooral aan de markt overlaat, terwijl de problemen al decennia bekend zijn? Zo nee, waarom niet?
Daar herken ik mij niet in. De soja die via in Nederland geproduceerde dierlijke producten in Nederland wordt geconsumeerd wordt voor 100% door RTRS-certificaten afgedekt.
Dat is in veel mindere mate het geval in de rest van Europa. In de European Soy Monitor5 over het gebruik van ontbossingsvrije soja over het jaar 2017 wordt gerapporteerd dat slechts 13% van het sojagebruik in de EU28 plus Noorwegen en Zwitserland aantoonbaar vrij was van ontbossing. Wereldwijd beloopt de marktvraag naar ontbossingsvrije soja slechts 1 tot 2%.
Een beleid dat zich uitsluitend richt op de Nederlandse markt is derhalve onvoldoende om de onderliggende problematiek van niet-duurzame productie en ontbossing te adresseren. Nederland spant zich daarom in om te komen tot EU-beleid om de marktvraag naar gecertificeerd duurzame en ontbossingsvrije producten binnen de Unie en daarbuiten te vergroten, en zal er bij de Europese Commissie op aandringen om op de kortst mogelijke termijn in beeld te brengen welke mogelijkheden er zijn om handelsketens volledig vrij te maken van ontbossing, bosdegradatie en ecosysteemconversie. Daarbij moedigt Nederland de Commissie aan alle effectieve maatregelen te overwegen, zowel regelgevende als niet-regelgevende. Zie ook het antwoord op vraag 11.
Herkent u zich in de stelling dat aan grote veevoederproducenten de afgelopen jaren geen enkele restrictie is opgelegd bij de import van soja? Zo nee, waarom niet?
Daar herken ik mij niet in, zie antwoord op vraag 6.
Waarom wordt niet enkel nog soja geïmporteerd die aan de standaarden van de Round Table on Responsible Soy (RTRS) voldoen? Welke stappen zet u om dit op de kortst mogelijke termijn alsnog te regelen? Ziet u mogelijkheden om de import dan wel doorvoer van niet-RTRS-soja te verbieden?
Nederland verwelkomt RTRS als vrijwillige, transparante standaard voor duurzaam geproduceerde soja. Maatschappelijke organisaties en marktpartijen zijn betrokken bij de doorlopende monitoring en verbetering van deze standaard. RTRS is sinds 2010 operationeel, maar de vraag naar RTRS gecertificeerde soja is zeer beperkt. Van de wereldwijde productie van soja is slechts 1,28% RTRS gecertificeerd. Hiervan komt 60% op de Nederlandse markt terecht. In de meeste Europese landen ontbreekt de urgentie van omschakeling naar gebruik van verantwoorde soja in diervoeders. Hetzelfde geldt voor de nog veel grotere Chinese afzetmarkt. Hierdoor ontbreekt voor onze exporterende bedrijven een belangrijke stimulans om in een Europese en mondiale concurrerende markt voluit te kiezen voor de duurdere verantwoorde soja. In dat licht zet Nederland voor het bereiken van een volledige transitie in op Europese samenwerking en op de dialoog met China als grootste afnemer van soja.
Is het waar dat multinationals, waaronder Unilever, Ahold en FrieslandCampina, niet op schema liggen om de ontbossing, die nodig is voor de productie van hun producten, in 2020 te hebben gestopt? Heeft u er vertrouwen in dat zij hun belofte alsnog op tijd na komen? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, wat gaat u doen om hen aan te sporen zich alsnog meer in te spannen om deze doelstelling wel te halen? Bent u bereid hierover met hen in gesprek te gaan?
Organisaties als de Forest 5006 en Global Canopy7 geven aan dat genoemde bedrijven niet op schema liggen om in 2020 de ontbossing in hun productieketens te hebben uitgebannen. Navraag bij de drie genoemde bedrijven leerde echter dat dit doel wat hen betreft wel is of zal worden behaald.
FrieslandCampina liet weten dat sinds 2015 uitsluitend 100% RTRS-gecertificeerde soja wordt gekocht. Dit geldt zowel voor de soja als voor het sojameel dat in de eigen productie van Nutrifeed wordt verwerkt8.
Ahold liet weten de 2020-doelstelling voor 100% duurzaamheid voor de eigen merkartikelen te halen. Dit wordt ingevuld door uitsluitend palmolie, soja en papieren producten in te kopen die aan de hoogste eisen van duurzaamheid voldoen (RSPO voor palmolie, RTRS en ProTerra voor soja, FSC en PEFC voor hout).
Unilever liet weten dat een klein deel van de soja uit Zuid-Amerika komt, waarvan een deel uit de Cerrado uit gebieden waar ontbossing niet aan de orde is. De sojavolumes waarmee wordt gewerkt zijn RTRS-gecertificeerd. Sojaolie koopt Unilever in de Verenigde Staten waar ontbossing geen rol speelt. Alle palmolie die Unilever gebruikt zal aan het eind van 2019 gecertificeerd duurzaam zijn en alle papier en karton voor verpakkingen FSC-gecertificeerd.
We werken in allerlei verbanden samen met deze bedrijven in de bredere aanpak van het tegengaan van ontbossing bij de productie van agrogrondstoffen, en zullen daarbij ook de ontwikkelingen en hun inzet op tijdgebonden toezeggingen en ambities blijven volgen.
Ziet u voor Nederland, als groothandelaar van soja, extra verantwoordelijkheden om ontbossing en bosbranden te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich in Europees verband actief in voor verduurzaming van de wijze waarop soja wordt geproduceerd, inclusief de milieuproblematiek, de verbetering van arbeidsomstandigheden en de naleving van mensenrechten. In dit beleid stimuleert Nederland de private sector om duurzaam geproduceerde grondstoffen in te kopen en de marktvraag naar gecertificeerd duurzame en ontbossingsvrije producten binnen de Europese Unie en daarbuiten te vergroten.
De Nederlandse overheid stimuleert dit o.a. met een actieve inzet binnen het Amsterdam Declarations Partnership (ADP). In het ADP werkt Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. Mede op aandringen van het ADP heeft de Europese Commissie in juli een Mededeling gepubliceerd waarin maatregelen worden voorgesteld voor een Europese aanpak ter bescherming en het herstel van bossen in de wereld9. Het BNC-fiche over de Mededeling is onlangs aan uw Kamer toegestuurd.
Vanwege de zorgen over en risico’s bij de productie van soja wil de EU minder afhankelijk worden van import en meer zelfvoorzienend worden in de productie van plantaardige eiwitten10. Deze oproep van de EU zal worden uitgewerkt in een nationale eiwitstrategie toegesneden op de Nederlandse situatie.
Deelt u de mening dat bossenwetgeving, waarmee het mogelijk wordt de import van producten uit waardevolle ontboste gebieden wettelijk te verbieden en waardevolle bosgebieden beter worden beschermd, noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
In de mededeling van de Europese Commissie over bescherming en herstel van bossen wereldwijd wordt onderzoek naar wettelijke maatregelen voorgesteld. Nederland zal er bij de Europese Commissie op aandringen om op de kortst mogelijke termijn in beeld te brengen welke mogelijkheden er zijn om handelsketens volledig vrij te maken van ontbossing, bosdegradatie en ecosysteemconversie. Daarbij moedigt Nederland de Commissie aan alle effectieve maatregelen te overwegen, zowel regelgevende als niet-regelgevende.
Toezicht op crowdfundingplatforms zoals Dream or Donate. |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op mijn eerdere vragen over het crowdfundingplatform Dream or Donate?1
Ja.
Vindt u nu, nadat Dream or Donate onbereikbaar werd en een nog onbekend bedrag aan donaties verdwenen lijkt te zijn, nog steeds dat er voldoende toezicht is geweest op dit platform? Had u dit niet kunnen voorkomen door beter toezicht te houden?2
Het kabinet vindt het erg vervelend voor donateurs en initiatiefnemers dat zij in onzekerheid hebben verkeerd over wat er met hun donaties was gebeurd, nadat de website offline ging. Positief is dat een aantal gedupeerden begin en eind september alsnog is uitbetaald. Verder is het in dergelijke situaties aan de politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen en te bepalen of er sprake is van een strafbaar feit (bijv. fraude of oplichting).3
Zoals aangegeven in de beantwoording op de vragen van het lid Alkaya van 5 februari 2019, vindt het kabinet dat het toezicht afdoende is geregeld.4 Crowdfunding door middel van doneren of het ondersteunen van een project tegen een (niet-financiële) tegenprestatie (sponsoring of «reward based») valt, voor zover de initiatiefnemer een consument is, onder het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt. In geval van mogelijke fraude of oplichting is de strafrechtketen aan zet.
Aan welke eisen moeten crowdfundingplatforms op het gebied van commercie, dat wil zeggen zogenaamde loan based en/of equity based crowdfunding, voldoen waar andere platforms zoals Dream or Donate nog steeds niet aan hoeven te voldoen?
Bij crowdfunding door uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening, maakt de geldgever aanspraak op een financiële tegenprestatie in de vorm van aflossing, rente of dividend. In deze gevallen verricht het platform bemiddelende werkzaamheden ten aanzien van het verwerven van financiële instrumenten (effecten en obligaties) en het aantrekken van opvorderbaar geld van het publiek (onderhandse leningen). Het toezicht van de AFM vloeit voort uit de aard van deze activiteiten. Die aard – namelijk investeren met als doel het behalen van rendement met behulp van een bemiddelend platform – verschilt fundamenteel van de aard van crowdfunding door middel van donatie. Bij deze laatste vorm doet de geldgever moedwillig afstand van zijn of haar geld met het oogmerk een bepaald doel te ondersteunen.
Crowdfunding door middel van donatie is daarom vergelijkbaar met doneren aan meer traditionele charitatieve instellingen, bijvoorbeeld via een collectebus. Op deze activiteit is er eveneens geen toezicht van de AFM, noch is daar aanleiding voor. Voor doneren aan charitatieve instellingen geldt voor het kabinet zelfregulering als uitgangspunt. De sector heeft hier ook initiatief genomen (zie het antwoord op vraag 4 hieronder) en verkent momenteel wat nodig is voor deze specifieke vorm van doneren.
Deelt u de mening dat burgers erop moeten kunnen rekenen dat ook donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden, en dus dat hierop toegezien moet worden zoals dat bij crowdfunding gericht op commercie wél gebeurt?
Ja, het kabinet deelt de mening van uw Kamer dat burgers erop moeten kunnen rekenen dat donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden. Evenals bij donaties aan meer traditionele charitatieve instellingen is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sector zelf om deze zekerheid aan consumenten te bieden. Een manier waarop de platformen dat kunnen doen, is door te garanderen dat financieringsstromen van donaties buiten de platformen om verlopen (bijvoorbeeld via een Stichting Derdengelden). Aansluiten bij de erkenningsregeling van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), die het Ministerie van Justitie en Veiligheid middels een structurele jaarlijkse bijdrage ondersteunt vanuit zijn coördinerende rol inzake filantropie, is op basis van de criteria en de aard van crowdfunding echter niet goed mogelijk. Betrokken bedrijven, Nederland Filantropieland (NLFL) en het CBF verkennen momenteel wat nodig is, zodat het publiek ook gerust kan geven via crowdfundingplatformen.5 Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een gedragscode. Het kabinet vindt dit een positieve ontwikkeling en acht, mede in het licht van deze ontwikkeling, aanvullende overheidsmaatregelen niet nodig.
Bent u bereid om websites als Dream or Donate vergunningsplichtig te maken en toezicht door de Autoriteit Financiële Markten te laten plaatsvinden op alle crowdfundingplatforms, ongeacht of deze platforms een tussenpersoon zijn bij het aangaan van leningen of het doen van donaties? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken hoe beter toezicht op crowdfundingplatforms dan wel georganiseerd kan worden?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 reeds naar voren komt, verschillen crowdfunding door middel van donatie enerzijds en crowdfunding in onderhandse leningen en effecten anderzijds fundamenteel van elkaar. Hierdoor acht het kabinet het niet passend of wenselijk om crowdfunding door middel van donatie onder het toezicht van de AFM te brengen. Voor het tweede deel van uw vraag wordt verwezen naar de beantwoording op vraag 4.
Welke mogelijkheden hebben slachtoffers van Dream or Donate op dit moment naast een civielrechtelijke procedure tegen de eigenaar?
Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen en vast te stellen of er sprake is van een strafbaar feit. De politie heeft gebruikers van het platform opgeroepen om aangifte te doen wanneer zij vermoeden dat ze mogelijk zijn opgelicht. Daarnaast staat gebruikers – zoals gebruikelijk in dit soort contractuele relaties – de civielrechtelijke weg open, bijvoorbeeld met het oog op het verkrijgen van schadevergoeding vanwege wanprestatie.
Het bericht 'Donatiewebsite plotseling offline: tienduizenden euro’s verdwenen' |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht 'Donatiewebsite plotseling offline: tienduizenden euro’s verdwenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederlanders veilig online zaken met elkaar moeten kunnen doen en dat het aan de overheid is om hiertoe de juiste voorwaarden te scheppen, spelregels af te spreken en toezicht te houden?
Ja, het kabinet deelt de mening dat Nederlanders veilig online zaken met elkaar moeten kunnen doen. Dit is ook een van de speerpunten van de Consumentenagenda van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.2 Het is de verantwoordelijkheid van de overheid om de juiste voorwaarden te scheppen voor een gezond ondernemersklimaat en consumenten te beschermen waar dat nodig is.
Is bekend hoeveel websites als «Dream or Donate» er in Nederland actief zijn?
Bij de beantwoording van deze vraag, wordt er vanuit gegaan dat uw leden met «websites als Dream or Donate» doelen op crowfundingwebsites die zich richten op donaties of het ondersteunen van een project tegen een niet-financiële tegenprestatie (sponsoring of «reward-based»).
Het is niet exact bekend hoeveel dergelijke platforms er in Nederland actief zijn. De meest complete bron hiervoor is www.crowdfundingcijfers.nl. Hieruit blijkt dat er in 2018 in totaal voor 329 mln. euro gecrowdfund is in Nederland. Hiervan bestond minder dan 10% uit donaties en rewards (resp. 14 en 18 mln. euro). Deze statistiek is samengesteld op basis van de gegevens van 49 bedrijven, maar deze richten zich voor het merendeel op leningen.
Hoe is op dit moment de controle op dit type crownfundingplatformen georganiseerd? Welke wet- en regelgeving is hier van toepassing?
Crowdfunding door middel van doneren of het ondersteunen van een project tegen een (niet-financiële) tegenprestatie (sponsoring of «reward based») valt, voor zover de initiatiefnemer een consument is, onder het toezicht van de ACM. Dit houdt in dat bijvoorbeeld het verbod op oneerlijke handelspraktijken van toepassing is, maar ook dat het bedrijf gebonden is aan transparantie-eisen over zijn aanbod. Tot slot is de strafrechtketen het sluitstuk van de toepasselijke wet- en regelgeving indien sprake is van strafbare feiten.
Vindt u dat voor crowdfundingplatformen op het gebied van doneren dezelfde regels zouden moeten gelden als voor crowdfundingplatformen gericht op beleggingen en investeringen, zoals vermelding in een register, een vergunning- of ontheffingsplicht en controle door de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Bij crowdfunding door uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening maakt de geldgever aanspraak op een financiële tegenprestatie in de vorm van aflossing, rente of dividend. In deze gevallen verricht het platform bemiddelende werkzaamheden ten aanzien van het verwerven van financiële instrumenten (effecten en obligaties) en het aantrekken van opvorderbaar geld van het publiek (onderhandse leningen). Het toezicht van de AFM vloeit voort uit de aard van deze activiteiten. Die aard – namelijk investeren met als doel het behalen van rendement met behulp van een bemiddelend platform – verschilt fundamenteel van de aard van crowdfunding door middel van donatie. Bij deze laatste vorm doet de geldgever moedwillig afstand van zijn of haar geld met het oogpunt een bepaald doel te ondersteunen.
Crowdfunding door middel van donatie is daarom vergelijkbaar met doneren aan meer traditionele charitatieve instellingen, bijvoorbeeld via een collectebus. Op deze activiteit is er eveneens geen toezicht van de AFM, noch is daar aanleiding voor. Voor doneren aan charitatieve instellingen geldt voor het kabinet zelfregulering als uitgangspunt.
Bent u bereid de huidige wet- en regelgeving ten aanzien van crowdfundingplatformen tegen het licht te houden om situaties als bij «Dream or Donate» in de toekomst te voorkomen?
Zoals het kabinet aangeeft in de beantwoording op de vragen van het lid Alkaya (SP), die uw Kamer gelijktijdig toekomt, moeten burgers erop kunnen rekenen dat donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden. Evenals bij donaties aan meer traditionele charitatieve instellingen, is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sector zelf om deze zekerheid aan consumenten te bieden. Aansluiten bij de erkenningsregeling van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), die het Ministerie van Justitie en Veiligheid middels een structurele jaarlijkse bijdrage ondersteunt vanuit zijn coördinerende rol inzake filantropie, is op basis van de criteria en de aard van crowdfunding echter niet goed mogelijk. Betrokken bedrijven, Nederland Filantropieland (NLFL) en het CBF verkennen momenteel wat nodig is zodat het publiek ook gerust kan geven via crowdfundingplatformen.3 Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een gedragscode. Het kabinet vindt dit een positieve ontwikkeling en acht, mede in het licht van deze ontwikkeling, aanvullende overheidsmaatregelen niet nodig.
Is hier volgens u nog een aanvullende rol weggelegd voor het keurmerk van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), ook voor wat betreft online crowdfunding voor goede doelen?
Het CBF is een stichting die toezicht houdt op de Erkende Goede Doelen. De kennis en expertise van het CBF is zeer relevant in dit kader. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 verkent CBF momenteel samen met NLFL en partijen uit de sector de mogelijkheid tot het ontwikkelen van een gedragscode.
Oefenvluchten van Defensie boven het Waddengebied zonder hiervoor via een natuurvergunning afspraken te hebben gemaakt |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
Bent u bekend met de door Defensie gehouden oefenvluchten boven het Waddengebied?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe het kan dat de verstoringen de afgelopen tijd met 350% zijn toegenomen?2
Tussen mei en eind juli dit jaar vonden gemiddeld 23 vliegbewegingen met jachtvliegtuigen per dag plaats vanaf vliegbasis Leeuwarden naar de oefengebieden boven de Wadden- en Noordzee. Dit in verband met een Fighter Weapons Instructor Training (FWIT), een oefening die jaarlijks plaatsvindt. Zonder een dergelijke oefening zijn er gemiddeld drie vliegbewegingen per dag.
Kunt u aangeven of sprake is van een natuurvergunning? Zo ja, op welke wijze is de bescherming van de natuur in deze vergunning geregeld?
De vergunningaanvragen betreffen verschillende categorieën van militaire vliegactiviteiten en een variëteit aan beschermde Natura 2000-gebieden. Destijds is besloten eerst voor helikopterlaagvlieggebieden een vergunning aan te vragen, omdat regulier militair vliegverkeer op basis van de Wet luchtvaart is gebonden aan een minimum vlieghoogte en van het laagvliegen door helikopters werden de meest verstorende effecten verwacht. Die vergunning is in 2012 door de Staatssecretaris van Economische Zaken verleend aan de Minister van Defensie (Kamerstuk 33 400 X, nr. 6). Na een bezwaar- en beroepsprocedure is het vergunningtraject voor de helikopterlaagvlieggebieden met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak voltooid op 17 september 2014.
De vergunningaanvraag voor de overige militaire vliegactiviteiten boven of nabij Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder die voor de militaire vliegactiviteiten boven of nabij het Natura 2000-gebied de Waddenzee, is in voorbereiding. In maart 2018 is door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een, in opdracht van het Ministerie van Defensie opgestelde, voortoets voor verschillende categorieën militaire vliegactiviteiten akkoord bevonden.
Op basis van de voortoets is geen verdere beoordeling en daarmee geen vergunningaanvraag nodig voor militaire vliegactiviteiten voor zover die op reguliere vlieghoogten plaatsvinden, zoals het geval is bij de betreffende vliegbewegingen vanaf vliegbasis Leeuwarden naar de oefengebieden boven de Wadden- en Noordzee.
Dit komt overeen met het Natura 2000-beheerplan Waddenzee 2016–2022, waarin wordt geconcludeerd dat reguliere luchtvaart boven de minimum vlieghoogte geen effect op de instandhoudingsdoelstellingen heeft.
Het Ministerie van Defensie heeft op basis van de uitkomsten van deze voortoets aan een onderzoeksbureau opdracht gegeven om vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek richt zich op de effecten van overig militair luchtverkeer boven of nabij Natura 2000-gebied voor zover dat op een lagere hoogte dan de reguliere vlieghoogte plaatsvindt. Met de uitkomsten van deze effectenanalyse vraagt het Ministerie van Defensie in het eerste kwartaal van 2020 voor de verschillende activiteiten een vergunning aan bij het Ministerie van LNV.
Samenvattend:
Voor helikopterlaagvliegen is een vergunning verleend.
Gewone militaire vliegactiviteiten boven de reguliere wettelijke minimumhoogte zijn getoetst en niet vergunningplichtig gebleken.
Voor overig militair luchtverkeer (niet vallend onder a. en b.) boven of nabij Natura 2000-gebied is een vergunningaanvraag in voorbereiding.
Kunt u aangeven of er via deze vergunning afspraken worden gemaakt met de natuurbeschermende en natuurbeherende organisaties in dit gebied?
Bij de totstandkoming van de vergunningaanvraag voor de militaire vliegactiviteiten consulteert Defensie een klankbordgroep van natuurorganisaties. Daarbij wordt ook gesproken over de planning en voortgang.
Het ontwerpbesluit op de aanvraag zal met toepassing van de uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage worden gelegd, waardoor een ieder een zienswijze kan geven op het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken, waaronder de onderzoeksrapporten.
Kunt u aangeven waarom deze kwestie, waarop toenmalig SP-Kamerlid Krista van Velzen al in 2008 de toezegging kreeg dat Defensie zich zou gaan houden aan de regels met betrekking tot natuurgebieden, nog steeds niet is geregeld?3
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om in overleg met de Minister van Defensie ervoor te zorgen dat deze kwestie wordt opgelost en er via een natuurvergunning een adequate bescherming komt van de betreffende natuurgebieden?
Ja.
Bent u bereid om hierbij ook de natuurbeschermende organisaties te betrekken?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Deelautoproject botst op taaie Woningwet’ |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Deelautoproject botst op taaie Woningwet» (2 september 2019, De Limburger)?
Ja.
Deelt u de mening dat duurzame initiatieven, zoals dit deelautoproject, gestimuleerd moeten worden door de overheid? Zo ja, op welke wijze steunt u dergelijke energieprojecten met veel maatschappelijke voordelen? Zo nee, waarom niet?
Er wordt in Nederland op verscheidene plaatsen geëxperimenteerd met elektrische deelauto’s waarbij de accu’s met behulp van slimme laadinfrastructuur helpen bij het balanceren van het elektriciteitsnetwerk. Het project DeeldeZon is hier een mooi voorbeeld van. Het kabinet juicht dergelijke initiatieven toe omdat ze bijdragen aan het verduurzamen van mobiliteit en de energievoorziening, zoals afgesproken in het klimaatakkoord. Elektrisch autodelen kan een belangrijke versneller zijn voor de introductie van elektrisch autorijden en draagt daarnaast bij aan de verbetering van de luchtkwaliteit en de vermindering van ruimtedruk. Om de opgedane ervaringen bijeen te brengen en te verspreiden heeft het rijk samen met het bedrijfsleven en gemeenten in 2018 de Citydeal Elektrische Deelmobiliteit in stedelijke gebiedsontwikkeling ondertekend. Ook worden belemmeringen uit de praktijk in kaart gebracht waar vervolgens een oplossing voor wordt gezocht om zo projecten zoals DeeldeZon te stimuleren en te faciliteren.
Daarnaast worden innovatieve toepassingen van elektrisch vervoer gecombineerd met een slimme laadinfrastructuur die meerwaarde kan bieden voor het energiesysteem ondersteund via subsidies vanuit de Topsector energie- en de regeling Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatieregeling.
Erkent u dat de huidige regels in de Woningwet de ontwikkeling van dit deelautoproject en samenwerking met woningbouwcorporaties kan belemmeren? Zo ja, waar knellen de regels nu? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit woningcorporaties oordeelt over specifieke casuïstiek maar in algemene zin kan ik stellen dat de Woningwet de mogelijkheid biedt voor woningcorporaties om samen te werken met partijen die dergelijke initiatieven willen aanbieden. Uitgangspunt daarbij is dat een woningcorporatie activiteiten onderneemt op het gebied van de volkshuisvesting. Het is corporaties toegestaan om zonnepanelen op daken van haar gebouwen te plaatsen en de opgewekte stroom aan de bewoners te leveren.
Ook staat de Woningwet corporaties toe om door middel van een recht van opstal daken in gebruik te geven aan derden. Zo kunnen er zonnepanelen op een dak worden gelegd waarvan de stroom wordt gebruikt voor bijvoorbeeld laadpalen van een derde aanbieder. Als de corporatie deelnemer is van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW), dan heeft de corporatie doorgaans vooraf goedkeuring nodig van het WSW voor het geven van een recht van opstal. Dit goedkeuringsvereiste vloeit voort uit privaatrechtelijke afspraken tussen woningcorporaties en het WSW.
Bent u bereid om de regels zo nodig aan te passen zodat woningbouwcorporaties overtollige zonnestroom naar deelauto’s mogen sturen en deelauto’s op hun beurt terug aan de huurwoningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en welke termijn?
In februari heb ik naar aanleiding van de evaluatie van de Woningwet mijn beleidsvoornemens naar de Kamer gestuurd.1 Daarin is aangekondigd dat corporaties dezelfde verduurzamingsmogelijkheden van gebouwen krijgen als andere vastgoedeigenaren, zolang de activiteiten verband houden met de volkshuisvestelijke kerntaken van de corporatie. Activiteiten die primair gericht zijn op het enkel leveren en/of produceren van energie aan derden vallen daar buiten. Er is geen voornemen om het werkdomein van corporaties op te rekken naar het primair leveren energiediensten aan derden. Daarmee zouden woningcorporaties een taak als energieleverancier c.q. -producent krijgen. Daar zijn andere partijen in gespecialiseerd. Deze partijen zijn beter in staat om de risico’s die samenhangen met dergelijke initiatieven in te schatten en te beheersen. Ook zouden corporaties dan met staatssteun (geborgde financiering) die zij ontvangen ten behoeve van volkshuisvestelijke taken als energieproducent in concurrentie treden met reguliere energiepartijen. Wel ben ik bereid om bij de uitwerking van het beleidsvoornemen te bezien hoe de mogelijkheden voor corporaties om met dergelijk initiatieven samen te werken verder kunnen worden vergroot, binnen de grenzen van staatssteun en adequate risicobeheersing voor het maatschappelijk vermogen van corporaties.
Bent u in gesprek met woningbouwcorporaties om dergelijke duurzame innovaties waarmee de energierekening voor sociale huurders omlaag gebracht kan worden, verder te verkennen? Zo nee, waarom niet?
Corporaties spelen een belangrijke rol in de noodzakelijke verduurzaming van de gebouwde omgeving. Door het isoleren van hun woningen en het plaatsen van zonnepanelen krijgen huurders een lagere energierekening en dragen corporaties bij aan zowel de verduurzaming als aan lagere energielasten van de huurder. Met de sector ben ik gesprek om te bezien hoe corporaties hier zo goed mogelijk invulling aan kunnen geven. Uitgangspunt is dat corporaties een bijdrage kunnen leveren aan de verduurzaming vanuit hun volkshuisvestelijke taak. Corporaties kunnen hun gebouwen en daken ook ter beschikking stellen, bijvoorbeeld met een recht van opstal, waarbij de corporatie een vergoeding krijgt van de partij die de energiedienst voor eigen rekening en risico levert. Op deze manier kan de corporatie bijdragen aan het totstandkomen van diensten die buiten het domein van de volkshuisvesting zijn, waarbij de risico’s bij de partij liggen die deze het beste kan dragen.
Op welke wijze ondersteunt u de ontwikkeling van elektrische (deel) auto’s?
Zoals gesteld bij vraag 2, ondersteunt het Rijk het gebruik van elektrische deelauto’s via de Citydeal Elektrische deelmobiliteit in stedelijke gebiedsontwikkeling. Ook via de Greendeal autodelen 2 wordt het gebruik van elektrische deelauto’s gestimuleerd. Vooral voor mensen die zich geen elektrische auto kunnen veroorloven is de elektrische deelauto een uitkomst vanwege de (aanzienlijk) lagere kosten in gebruik in vergelijk met het aanschaffen van een eigen elektrische auto. Het doel van de greendeal autodelen is 100.000 deelauto’s in Nederland en 700.000 deelautogebruikers tegen het eind van 2021.
In het Klimaatakkoord zijn voor de sector mobiliteit een breed pakket aan afspraken opgenomen ter ondersteuning van de transitie naar elektrisch vervoer. Binnen dat pakket zijn met gemeenten, provincies, brancheorganisaties en het bedrijfsleven specifieke maatregelen overeengekomen om elektrische deelauto’s te stimuleren, zoals afspraken over aanduiding, gebruik van bedrijfsauto’s door burgers buiten kantooruren en een campagne.
Bent u verdere initiatieven aan het verkennen dan wel ondersteunen, waarbij accu’s van elektrische auto’s kunnen functioneren als energieopslag? Zo ja, kunt u de ontwikkelingen daarin toelichten? Zo nee, waarom niet?
Naast de genoemde initiatieven in de antwoorden op vraag 2 is besloten om 5 miljoen euro uit de Klimaatenvelop 2019 te besteden aan de realisatie van «slimme laadpleinen» voor elektrische auto’s. Dit jaar starten in diverse gemeenten in Nederland in totaal 45 projecten voor laadpleinen waar slim wordt omgegaan met de beschikbare netcapaciteit en groene stroom en waarbij het terug leveren van stroom aan het elektriciteitsnet mogelijk is (vehicle-to-grid, V2G). De elektrische auto wordt zo benut om nog meer CO2 te besparen en investeringen in netcapaciteit te reduceren.
In deze projecten zullen gemeenten, laadpuntexploitanten, netbeheerders en kenniscentra samenwerken aan de doorontwikkeling van slimme laadconcepten, V2G-technieken en gebruikerstoepassingen. In meerdere projecten wordt de koppeling met deelauto’s en duurzaam opgewekte energie gelegd. De lessen uit de projecten zullen breed worden verspreid ter bevordering van de markt voor slimme laadinfrastructuur.
De toekomst van het pensioenstelsel in relatie tot zijn uitspraak 'Als de rente heel lang nul blijft, hebben we met z'n allen een probleem in een kapitaalgedekt stelsel' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een actueel overzicht geven van de gehanteerde rekenrente voor aanvullende pensioenen in de zeven grootste EU-lidstaten voor 2018 en zo mogelijk ook voor 2019?
De ons best bekende bron van vergelijkbare cijfers over onder andere de gehanteerde rekenrente voor het waarderen van pensioenverplichtingen in EU-landen is EIOPA. Dan gaat het om de cijfers in het Market Development Report 2017 en het 2017 EIOPA IORP Stresstest Report (dit zijn de meest recente uitgaven van deze rapporten, van het IORP Stresstest report verschijnt eind 2019 een nieuwe versie). Recentere cijfers dan deze, goed vergelijkbaar tussen landen, zijn ons niet bekend. Op basis van deze cijfers is onderstaande tabel te maken voor wat betreft de pensioenreserves in de grootste zeven EU-landen. Ik merk op dat ook deze tabel een onvolledig beeld geeft van de pensioenbesparingen in de tweede pijler; ze vat namelijk enkel de besparingen via Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (de zogenoemde IBPV’s). Tussen de betreffende landen verschilt het belang van besparingen via IBPV’s, verzekeraars en balansreserves van ondernemingen aanzienlijk. Bovendien verschillen de stelsels sterk qua karakter van de gedane pensioentoezegging.
Land
Rekenrente1
Pensioen reserves
(mln €)2
Pensioen reserves
(%-BBP)3
Pensioen reserves
(€ per inwoner)4
Duitsland
3,3%
224.231
7%
2.787
Denemarken
1,4%
7.954
3%
1
Frankrijk
Nb
0
0%
0
VK
3,1%
1.612.765
68%
24.664
Italië
3,4%
123.645
7%
1.986
Spanje
4,2%
37.018
3%
750
Nederland
1,2%
1.296.044
184%
75.567
Zweden5
1,6%
316.870
69%
31.558
Cijfers voor 2016, uit: EIOPA, 2017 IORP Stresstest Report, pag. 21. Het betreft hier de nationale disconteringsvoet, gewogen naar de uitstaande verplichtingen, zoals deze volgt uit het basisscenario.
Cijfers voor 2016, uit: EIOPA, 2017 Market development report on occupational pensions and cross-borders IORPs, pag. 32.
Cijfers voor 2016, uit: EIOPA, 2017 Market development report on occupational pensions and cross-borders IORPs, pag. 9
Op basis van inwonersgegevens van www.europa-nu.nl
Dit is de som van article 17(1) en article 4 ring-fenced funds.
Kunt u een overzicht geven van de totale pensioenreserves van dezelfde groep EU-lidstaten in 2018, zowel in euro als in percentage van het bbp (graag tevens per inwoner)?
Het pensioenlandschap van de verschillende Europese lidstaten laat een divers beeld zien. Verschillen in financiële systemen, het belang van overheidspensioenen en het persoonlijk pensioensparen in combinatie met specifieke nationale kenmerken, resulteren in verschillende ontwikkelingsstadia van pensioenuitvoerders in de lidstaten.
Het totale pensioenvermogen in de Europese Unie dat is ondergebracht bij pensioeninstellingen die vallen onder de herziene IORP-richtlijn («IORP’s») bedroeg eind 2016 3800 miljard euro. Uit de onderstaande figuur6 valt op te maken dat Nederland en het Verenigd Koninkrijk qua pensioenvermogen verreweg de grootste lidstaten zijn. Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn samen goed voor 76% van het totale pensioenvermogen in de tweede pijler in de Europese Unie. De totale som van het pensioenvermogen van de lidstaten die niet zijn opgenomen in het onderstaande figuur is minder dan één procent van het totale pensioenvermogen in de Europese Unie.
Tabel 1: Percentage pensioenvermogen per lidstaat ten opzichte van het totale pensioenvermogen in de Europese Unie dat is ondergebracht bij IORP's
Hoeveel jaar pensioenverplichtingen is er gemiddeld nu al in kas bij Nederlandse pensioenfondsen, uitgaande van de huidige rekenrente?
Dit betreft 44 jaar van de ongeveer 80 jaar aan uitkeringen die pensioenfondsen hebben toegezegd. De berekening gaat uit van de aanwezige beleggingsportefeuille (hetgeen pensioenfondsen nu al in kas hebben) die circa 96% van de technische voorziening bedraagt per augustus 2019. Van belang om te realiseren is dat het antwoord afhankelijk is van de aanwezige dekkingsgraad op het berekeningsmoment. De berekening is gedaan op fondsniveau en vervolgens – gewogen naar de omvang van de technische voorzieningen -opgeteld tot een sectortotaal, zijnde het gemiddelde voor alle fondsen.
Kunt u een financieel scenario schetsen waarbij het 40-jarige gemiddelde rendement van pensioenfondsen onder de twee procent komt?
In scenarioanalyses die pensioenfondsen moeten doorrekenen, bijvoorbeeld in het kader van de haalbaarheidstoets, worden paar duizend scenario’s doorgerekend. Daarin zullen ook extreme scenario’s met structureel lage rendementen voorkomen, soms ook lager dan gemiddeld twee procent. Hoewel niet het meest waarschijnlijk, is zo’n scenario dus niet volledig ondenkbaar. Rendementen uit het verleden geven immers geen garantie voor de toekomst. Overigens laten rendementen maar één kant van de medaille bij fondsen zien. Als de actuele kostprijs van pensioenen harder stijgt dan het behaalde rendement, zoals bij veel fondsen in de afgelopen jaren is gebeurd, verslechtert hun financiële positie.
Kunt u uitleggen waarom andere EU-lidstaten met slechts een fractie van het Nederlandse pensioenkapitaal, toch hogere rekenrentes kunnen hanteren en hun pensioenen kunnen indexeren?
De meeste EU-lidstaten hebben relatief weinig kapitaaldekking binnen hun pensioenstelsel. Als er sprake is van kapitaaldekking gaat het bovendien vaak om zogenaamde defined contribution-regelingen, waarbij rekenrentes geen rol spelen, omdat er geen jaarlijkse aanspraken worden opgebouwd die gewaardeerd moeten worden. Van de landen met een kapitaal gedekt pensioenstelsel heeft naast Nederland alleen het Verenigd Koninkrijk (VK) ook veel pensioenregelingen met een collectief fondsvermogen, waarbij risico’s tussen generaties worden gedeeld. Bij dit type regelingen (defined benefit) speelt de rekenrente en eventueel een UFR wel een rol. Het aandeel van het VK en Nederland in dit type pensioenregelingen in de EU is circa 90%.
Juist omdat kapitaaldekking binnen het Nederlandse pensioenstelsel een relatief zwaar gewicht heeft, is het van belang dat alle generaties erop kunnen vertrouwen dat de hen toegezegde pensioenen zo goed mogelijk worden nagekomen. De beste garantie daarop bieden objectieve, arbitragevrije waarderingsgrondslagen, die ervoor zorgen dat het collectieve pensioenvermogen, zonder invloed van deelbelangen, evenwichtig tussen generaties verdeeld blijft. Nederland heeft inderdaad een omvangrijk pensioenkapitaal opgebouwd, maar daar staan ook grote pensioenverplichtingen tegenover. Zowel het pensioenkapitaal als de pensioenverplichtingen zijn door de gedaalde rente sterk gestegen. Om een toekomstig bedrag uit te kunnen keren, moet daarvoor op dit moment veel geld worden gereserveerd vanwege historisch lage rentes. Dat is helaas de economische realiteit van vandaag. Die realiteit ontkennen door het hanteren van een hogere rekenrente betekent dat er op de korte termijn meer kan worden uitgekeerd, maar dat laat jongere generaties met een ongedekte rekening voor hun toekomstige pensioen achter. Er wordt immers direct vermogen, dat volgens objectieve marktgegevens nodig is voor het aan hen toegezegde toekomstige pensioen, aan gepensioneerden uitgekeerd, terwijl het op dit moment onzeker is of risicovol rendement boven de risicovrije rente in de toekomst ooit zal worden gerealiseerd.
Wat is de invloed van de gedaalde rente op de pensioenverplichtingen in de genoemde groep EU-lidstaten? Waarom leidt de gedaalde rente in deze landen niet of nauwelijks tot kortingen en het inhouden van indexatie?
Als lidstaten gebruik maken van een op marktwaardering gestoelde wijze van het waarderen van verplichtingen, heeft de gedaalde rente gezorgd voor een stijging van de verplichtingen. Als lidstaten gebruik maken van een vaste rekenrente of als zij gebruik maken van een omslagstelsel, heeft de gedaalde rente geen effect gehad op de verplichtingen. Alleen als de gevolgen van de gedaalde rente niet meteen worden verwerkt, maar op toekomstige generaties wordt afgewenteld, leidt de gedaalde rente niet of nauwelijks tot kortingen en het behoud van indexatie.
Zoals in het antwoord op vraag 5 genoemd, hebben de meeste EU-lidstaten relatief weinig kapitaaldekking in hun pensioenstelsel. Als er sprake is van kapitaaldekking gaat het meestal om premieregelingen waarbij geen jaarlijkse aanspraken worden opgebouwd en dus van rekenrentes geen sprake is. Om een voorbeeld te geven waarom de gedaalde rente niet in alle landen tot kortingen leidt, noem ik het Verenigd Koninkrijk. Het VK, het land in de EU met meer pensioenvermogen dan Nederland, kent wel uitkeringsregelingen. Deze fondsen staan er financieel slecht voor, aangezien ongeveer 80% van de fondsen een dekkingsgraad lager dan 100% heeft en meer dan 30% zelfs een dekkingsgraad lager dan 80%. Dat pensioenverlagingen in het VK niet vaker voorkomen of hoger zijn, komt omdat werkgevers forse bijstortingen doen.
Kunt u uitleggen wat voor Nederlandse gepensioneerden het voordeel is van het kapitaalgedekte pensioenstelsel, ten opzichte van de omslagstelsels in omliggende landen?
Zowel kapitaalgedekte stelsels als omslagstelsels hebben hun eigen voor- en nadelen. Een voordeel van een kapitaalgedekt stelsel ten opzichte van een omslagstelsel is bijvoorbeeld dat kapitaaldekking minder last heeft van demografische risico’s. Bij vergrijzing komt de financierbaarheid van een omslagstelsel onder druk te staan, aangezien de verhouding van werkenden ten opzichte van gepensioneerden dan verslechtert. Bij kapitaaldekking speelt dit risico veel minder, aangezien het uitgangspunt hierbij is dat elke deelnemer de kosten van zijn of haar pensionering zelf draagt. Andere voordelen zijn dat in een kapitaalgedekt stelsel het geld belegd kan worden buiten de eigen economie. Dat betekent onder meer dat risico’s beter gespreid kunnen worden en dat belegd kan worden in economieën waar het verwachte rendement hoger is dan in Nederland.
Tegelijkertijd heeft een omslagstelsel ook voordelen. Zo kan een omslagstelsel in principe een goede bescherming bieden tegen inflatierisico’s, doordat een omslagstelsel gepensioneerden een claim geeft op het menselijk kapitaal van de werkende bevolking. Ook is een omslagstelsel minder kwetsbaar voor schokken op financiële markten. Een omslagstelsel is wel kwetsbaar voor economische tegenwind als dat tot gevolg heeft dat er minder (uren) gewerkt wordt. De verhouding tussen werkenden (gewerkte uren) en gepensioneerden verslechtert dan (tijdelijk).
Het belangrijkste voordeel voor Nederlandse gepensioneerden is dat wij een combinatie kennen van omslag (AOW) en kapitaaldekking (tweede pijler). Door de kapitaaldekking in de tweede pijler en de omslagfinanciering in de eerste pijler worden de voordelen van beide stelsels gecombineerd.
Andere landen, waar de nadruk meer ligt op het omslagstelsel, hebben minder kapitaal opgebouwd. Dat brengt, in zijn algemeenheid, een aantal risico’s met zich mee. Het belangrijkste risico daarbij is dat bij vergrijzing de druk op de overheidsfinanciën toeneemt. Dat kan er toe leiden dat het pensioen als gevolg van demografische veranderingen moet worden versoberd of premies en/of belastingen moet worden verhoogd om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te waarborgen.
De risico’s die EU-lidstaten lopen in het kader van de vergrijzing worden door de Europese Commissie in kaart gebracht via het «Ageing Report».7 In dit rapport wordt onder meer vergeleken hoe de omvang van het beslag dat publieke pensioenen op het Bruto Binnenlands Product leggen zich ontwikkelt. Als risico’s voor de overheidsfinanciën zich in andere landen manifesteren, dan is het aan deze landen zelf om maatregelen te nemen.
Welke risico’s lopen andere EU-lidstaten met hun omslagstelsels en nauwelijks geld in kas ten opzichte van Nederland? Zijn de risico’s in deze landen per saldo niet veel groter dan in Nederland, vanwege het gebrek aan reserves? Kunnen deze risico’s de Nederlandse economie raken als ze zich manifesteren? Zo ja op welke wijze?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de aanvullende pensioenstelsels in de andere EU-lidstaten een belangrijke positieve bijdrage leveren aan de automatische stabilisatie van de conjunctuur terwijl dat effect in Nederland juist negatief is geweest? Kunt u dit kwantificeren?
Automatische stabilisatie ontstaat als de op- en neergang van de economische conjunctuur niet versterkt of zelfs tegengegaan wordt. Dit is bijvoorbeeld het geval aan de inkomstenkant van de Rijksbegroting, maar ook bij de basisvoorziening AOW. Bij een aanvullend pensioenstelsel zou automatische stabilisatie bijvoorbeeld betekenen dat je de pensioenen niet (meteen) verhoogt in een hoogconjunctuur en de pensioenen niet (meteen) verlaagt in een laagconjunctuur. Hetzelfde geldt voor de premie. Dat is het geval in Nederland. Immers, er gelden indexatie- en kortingsregels, zoals indexatiedrempels en spreidingstermijnen van maximaal tien jaar, die het onmiddellijke effect van de economie dempen. Ook mag de premie gedempt worden met het verwachte rendement. Ik heb dan ook geen aanwijzing dat er in Nederland sprake zou zijn van negatieve effecten van automatische stabilisatie.
Leidt het niet tot grote verliezen in termen van bbp, dat het Nederlandse aanvullende pensioenstelsel niet of zelfs negatief heeft bijgedragen aan de automatische stabilisatie van de conjunctuur? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het ten principale wenselijk is dat een aanvullend pensioenstelsel een anticyclische ofwel een stabiliserende uitwerking heeft op de nationale conjunctuur / economie? Indien nee, waarom niet?
Een aanvullend pensioenstelsel heeft niet als doel anticyclisch te werken, maar om een goed pensioen te verzorgen voor haar deelnemers en pensioengerechtigden.
Klopt het dat het Nederlandse overschot op de lopende rekening door andere EU-lidstaten en door de Europese Commissie als excessief wordt gezien?
Binnen de Europese macro-economische onevenwichtighedenprocedure (MEOP) zijn er veertien indicatoren waarvan de balans op de lopende rekening er één is. Er zijn wat betreft de lopende rekening twee indicatieve drempelwaarden: een overschot van 6% bbp en een tekort van 4% bbp. Op basis van een analyse van het MEOP-scorebord, dat naast het saldo op de lopende rekening verschillende andere indicatoren bevat, wordt bepaald of landen worden onderworpen aan nader onderzoek. Vervolgens kan de Europese Commissie op basis van dat onderzoek concluderen of een land met «onevenwichtigheden» of «buitensporige onevenwichtigheden» kampt. Nederland is dit jaar, net zoals voorgaande jaren, door de Commissie ingedeeld in de categorie «onevenwichtigheden», als gevolg van het overschot op de lopende rekening en het private schuldniveau. Er is geen sprake van zogeheten «buitensporige onevenwichtigheden».
In 2018 had Nederland een overschot op de lopende rekening van ongeveer 10,9% van het bbp.8 De collectieve besparingen (besparingen in pensioenfondsen) van huishouden droegen voor ongeveer een kwart bij aan dit overschot uit. Overigens droegen bijvoorbeeld bedrijfsbesparingen meer dan de helft bij aan het spaaroverschot. Op basis van deze cijfers kan echter niet worden geconcludeerd wat het effect van het Nederlandse kapitaalgedekte stelsel in zijn geheel of specifiek het korten of niet-indexeren van pensioenen is op de lopende rekening. De collectieve besparingen van het overschot aftrekken is namelijk niet correct. Er moet namelijk rekening worden gehouden met de gedragseffecten van het anders inrichten van het pensioenstelsel (bijvoorbeeld op het spaar- en investeringsgedrag).
Het IMF geeft aan dat in landen met een kapitaalgedekt pensioenstelsel mogelijk sprake is van hogere besparingen in vergelijking met landen met een omslagstelsel.9 In een kapitaalgedekt stelsel wordt vermogen opgebouwd door middel van besparingen die worden belegd terwijl in een omslagstelsel inkomen wordt herverdeeld door middel van belastingen en uitkeringen. De hogere besparingen in een kapitaalgedekt stelsel kunnen leiden tot een hoger overschot op de lopende rekening. De mate waarin is echter afhankelijk van de vormgeving van het betreffende pensioenstelsel. Allereerst is het effect afhankelijk van de (gepercipieerde) toekomstbestendigheid van het betreffende pensioenstelsel. Indien mensen menen dat een pensioenstelsel onvoldoende inkomen zal generen na de pensioenleeftijd zullen zij zelf bijsparen. In een samenleving die vergrijst staat een omslagstelsel eerder onder druk waardoor mensen mogelijk juist meer bijsparen. Een ander belangrijk element in de vormgeving van een pensioenstelsel met een effect op de lopende rekening is het beleggingsbeleid (in een kapitaalgedekt stelsel). Besparingen die in het binnenland belegd worden hebben geen invloed op de lopende rekening. In een relatief klein land als Nederland wordt echter een relatief groot deel van de besparingen in het buitenland geïnvesteerd. Al met al is de specifieke vormgeving van het pensioenstelsel, dus ook juist de keuzes die binnen een kapitaalgedekt, hybride of omslagstelsel worden gemaakt, bepalend voor het effect van het stelsel op de lopende rekening. Het is daarmee ook niet op voorhand aan te geven of een aanvullend pensioenstelsel leidt tot substantiële divergentie in de betalingsbalans posities.
Deelt u het standpunt dat de huidige inrichting van het Nederlandse pensioenstelsel convergentie van EU-lidstaten ondermijnt, door het verder opjagen van ons reeds excessieve overschot op de lopende rekening? Indien nee, waarom niet?
Volgens de EU is er in Nederland geen sprake van zogeheten «buitensporige onevenwichtigheden. Wel lijkt er bewijs dat een land met een kapitaalgedekt pensioenstelsel zoals Nederland over het algemeen relatief hoge besparingen kent. Het Nederlandse kapitaalgedekte pensioenstelsel levert daarmee wellicht een bijdrage aan het overschot op de lopende rekening. Andere factoren spelen echter een grotere rol, zoals de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven, hoge productiviteit van Nederlandse werknemers en positie van Nederland als belangrijke logistieke toegangspoort van de Europese Unie. Het overschot op de lopende rekening van Nederland gaat (per definitie) gepaard met een tekort elders in de wereld. Een tekort hoeft echter geen belemmering te zijn voor convergentie. Een overschot in Nederland gaat immers gepaard met een kapitaalstroom richting landen met een tekort die kan worden aangewend voor groeiverhogende investeringen. Zo kennen een aantal Oost-Europese landen al langer een lopende rekening tekort dat gepaard gaat met hoge groeicijfers en een convergentie met de rest van de EU. Uiteraard dient te worden voorkomen dat een kapitaalinstroom grotendeels wordt benut voor consumptie en/of onproductieve investeringen waardoor de buitenlande verplichtingen in de toekomst niet meer kunnen worden terugbetaald. Binnen de EU worden daarom gemonitord of dergelijke onevenwichtigheden zich opbouwen middels de implementatie van de MEOP.
Figuur 1 Het saldo op de lopende rekening in verschillende EU-landen in 2018 (als % van bbp)
Bent u van mening dat het wenselijk is dat een aanvullend pensioenstelsel een divergerende uitwerking heeft op betalingsbalansposities in de EU en de Eurozone?
Zie antwoord vraag 13.
Wat is het effect van het niet indexeren en van het korten van pensioenen, op de inflatie? Klopt het dat het niet indexeren of korten van pensioenen de inflatiedoelstelling van de Europese Centrale Bank (ECB) ondermijnt? Deelt u de mening dat het niet indexeren of verlagen van pensioenen daarmee bijdraagt aan een verdere intensivering van het extreme beleid van de ECB? Indien nee, waarom niet?
De regels voor de indexatie van pensioenen zijn er om te borgen dat indexatie van de pensioenuitkering duurzaam is en leidt tot een evenwichtige verdeling van het pensioenvermogen tussen de generaties. In het algemeen zou het indexeren van pensioenen ervoor zorgen dat pensioengerechtigden meer te besteden hebben, wat mogelijk voor een beperkte opwaartse druk zorgt op de prijzen in Nederland door toegenomen vraag. Daarbij moet ook de financiële positie van een fonds goed genoeg zijn om een indexatie duurzaam door te kunnen zetten. Gezien de beperkte omvang van de Nederlandse economie op het totaal van de Eurozone en het beperkte effect van het al dan niet indexeren van de pensioenuitkeringen op het totale besteedbare inkomen in Nederland is het zeer onwaarschijnlijk dat het al dan niet indexeren van de pensioenuitkeringen in Nederland een effect heeft op de inflatie op het niveau van de eurozone, en daarmee op het beleid van de ECB.
Klopt het dat het Nederlandse kapitaalgedekte pensioenstelsel bijdraagt aan de steeds lager wordende rente, door de financiële markten «te overspoelen» met kapitaal? Klopt het dat hogere premies en lagere pensioenen dit probleem vergroten? Klopt het dat het indexeren van pensioenen de inflatie zou verhogen? Kunt u, ceteris paribus en in algemene termen aangeven wat het effect zou zijn op de rente, als de hele wereld een pensioenreserve zou hebben van 200% van het bbp? Zou pensioenreserve van dergelijke omvang op wereldschaal houdbaar zijn?
De rente wordt bepaald op de internationale kapitaalmarkt, en wordt dus ook (voor het grootste deel) gedreven door internationale factoren waarin de Nederlandse pensioenbesparingen een minimale rol spelen. Er is al gedurende langere tijd sprake van een dalende trend in de rente, daarbij spelen onder meer de vergrijzing van de ontwikkelde economieën en de opkomst van minder kapitaalintensieve sectoren zoals ICT een rol.
Pensioenbesparingen hebben als doel toekomstige consumptie van pensioengerechtigden mogelijk te maken. Die besparingen worden belegd om rendement te halen via aandelen, obligaties of andere investeringen en leveren daarmee nu reeds een bijdrage aan de wereldwijde economie. Pensioenbesparingen zijn daarmee geen «dood geld», maar deze besparingen bestaan als (productief) reëel kapitaal. Dit kapitaal maakt toekomstige productie en innovatie (en daarmee consumptie) mogelijk.
Deelt u de mening dat beleidsopties zoals een omslagstelsel of een hybride stelsel, met de grote reserves waar Nederland over beschikt, veel betere pensioenprestaties kan leveren dan de omslagstelsels in andere EU-lidstaten, omdat wij kunnen starten met een enorme reserve?
In een omslagstelsel worden de huidige uitkeringen door de huidige premies gedekt. Datzelfde geldt ook voor het omslagdeel in een hybride stelsel. Daarvoor worden dus geen reserves aangelegd en is het huidige aanwezige pensioenvermogen geen voor- of nadeel.
Deelt u de mening dat beleidsopties zoals een omslagstelsel of een hybride stelsel, niet alleen kortingen kunnen voorkomen maar dat het ook positief zou bijdragen aan automatische stabilisatie van de nationale conjunctuur, de convergentie van betalingsbalansen in de eurozone én aan het succes van het rentebeleid van de ECB? Wegen deze effecten mee in de beleidsafwegingen? Indien nee, waarom niet?
Nederland heeft met de huidige pijlers al een hybride systeem. Het is niet gezegd dat een groter aandeel omslag op termijn zou leiden tot hogere pensioenen en/of meer automatische stabilisatie. Dit hangt onder andere af van de financiële mogelijkheden en politieke keuzes in de toekomst. Als de begroting in de toekomst onder druk komt te staan zouden ook de uit de begroting gefinancierde pensioenen onder druk kunnen komen te staan. Het effect op de betalingsbalansen in de eurozone en de internationale kapitaalmarkt (en daarmee de rente) is zeer beperkt en bovendien moeilijk te kwantificeren.
Bent u reeds bereid om een omslag- of hybride stelsel serieus in overweging te nemen, mede in het licht van uw opmerkingen hierover tijdens het debat over het pensioenakkoord op 19 juni jongstleden?
Ik wil de voor- en nadelen van een hybride stelsel onderzoeken. Ik zal dit voor zover mogelijk laten betrekken bij het onderzoek naar de lage rente en kapitaaldekking dat ik naar aanleiding van het verzoek van het lid Omtzigt (CDA) aan het voorbereiden ben.
Hoe verklaart u tegenover de Nederlandse bevolking dat er straks kortingen worden doorgevoerd op hun pensioenuitkeringen en -rechten omdat de pensioenfondsen moeten uitgaan van de premisse dat de komende zestig jaar gemiddeld nooit meer rendement gemaakt gaat worden dan één procent?
Pensioenfondsen moeten niet alleen de pensioenen op dit moment kunnen betalen, maar ook de pensioenen over vijftig jaar. Voor de toekomstige pensioenen moet nu al geld gereserveerd worden. Daarom moet er prudent worden omgegaan met de vermogens die pensioenfondsen op dit moment in kas hebben. In de Pensioenwet en het Besluit Financieel Toetsingskader hebben we de financiële spelregels met elkaar afgesproken, juist ter bescherming van alle pensioenverplichtingen die een pensioenfonds heeft.
Klopt het dat de ambtenaren en gewezen ambtenaren van de Europese Unie vorig jaar een volledige aanpassing van hun pensioenen aan de inflatie hebben gekregen?
Deze informatie is bij mij niet bekend.
Kunt u zeggen op welk niveau de dekkingsgraad van het pensioenfonds voor Europese ambtenaren ligt? Kunt u informatie geven over de berekeningswijze en met name de discontovoet die gebruikt is voor de verplichtingen?
Deze informatie is bij mij niet bekend.
Hoe verklaart u tegenover de Nederlandse gepensioneerde en nog actieve ambtenaren dat zij nu al jaren geen indexatie van hun pensioen c.q. hun pensioenrechten hebben ontvangen terwijl hun collega’s bij de Europese Unie hun indexatie gewoon hebben ontvangen?
Ook tussen Nederlandse pensioenfondsen bestaan grote verschillen in de financiële positie van de pensioenfondsen. Vanwege beleidskeuzes die pensioenfondsbesturen in het verleden gemaakt hebben, staat het ene pensioenfonds er in financieel gezien beter voor dan het andere pensioenfonds. Er zijn in Nederland ook pensioenfondsen die de pensioenaanspraken en -rechten (deels) kunnen verhogen. Daarnaast zijn er zoals bekend ook pensioenfondsen die er minder goed voor staan en zeer waarschijnlijk een korting moeten doorvoeren op de opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten. In andere landen (en voor EU-ambtenaren) gelden andere systemen en zijn daardoor lastig te vergelijken met de situatie van een Nederlands pensioenfonds.
Bent u bereid om, als aanvulling op vraag 9 en 10 van CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt op 13 augustus jongstleden, de Kamer intensief te betrekken bij het vaststellen van scenario’s die voor doorrekening en/of studie door het Centraal Planbureau (CPB) in aanmerking komen?1
Ik zal u via de eerder toegezegde «roadmap» informeren over de uitvoering van het eerder door het lid Omtzigt (CDA) gevraagde onderzoek naar de consequenties van een langdurig lage rente voor een kapitaalgedekt pensioenstelsel.
Kunt u deze vragen per stuk beantwoorden ruim voorafgaand aan het reeds geplande algemeen overleg over Pensioenonderwerpen op 16 oktober 2019?
Ja.