Het bericht ‘Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de positie van aanklager Karim Khan onhoudbaar is en zal Nederland, als één van de beslissende staten, daarom ook voor zijn ontslag stemmen? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld moet worden dat de beschuldigingen aan het adres van de Aanklager van het Internationaal Strafhof (ISH) zeer verontrustend zijn. De Aanklager moet aan de hoogste standaarden worden gehouden. Het oordeel van het dagelijkse bestuursorgaan van de Vergadering van verdragspartijen – het zogenaamde Bureau, waar 21 van de 125 verdragspartijen zitting in hebben2 – dat er sprake is geweest van «ernstig wangedrag» en «ernstig plichtsverzuim» roept ernstige vragen op voor wat betreft de houdbaarheid van de positie van de Aanklager.
De vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop het Bureau zijn beslissing heeft gebaseerd zullen zorgvuldig worden bestudeerd door Nederland en in overleg met andere verdragspartijen zal worden bezien welke conclusies hier aan moeten worden verbonden. Uw Kamer zal per brief worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet tijdens de Speciale Zitting van de Vergadering van verdragspartijen die in het kader van deze procedure zal worden gehouden op 24 juli 2026 in New York.
Zal Nederland het arrestatiebevel gericht tegen leden van de Israëlische regering handhaven, gelet op het feit dat dit mogelijk door valse intenties tot stand is gekomen? Zo ja, waarom?
Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome. Dit betekent dat de arrestatiebevelen van het ISH niet worden uitgevaardigd door de Aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De Aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel. Aan de hand van de door de rechters uitgevaardigde arrestatiebevelen kan het ISH landen verzoeken om aanhouding en overlevering.
Voor Nederland geldt dat – conform de verplichtingen onder het Statuut van Rome – elk verzoek om aanhouding en overlevering dat Nederland ontvangt van het ISH direct in behandeling wordt genomen, zoals ook is opgenomen in de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.
Hoe beoordeelt Nederland deze (seksuele) wanpraktijken bij het Internationaal Strafhof en welke consequenties voor de geloofwaardigheid van het Hof heeft dit?
Zie het antwoord op vraag 2. Nederland staat als gastland en verdragspartij achter het ISH en de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. De geloofwaardigheid van het Hof staat niet ter discussie. Het kabinet acht het van groot belang dat de procedures van het ISH voor het onderzoeken en beoordelen van aantijgingen van wangedrag tegen individuele ambtsdragers van het Hof worden gevolgd.
Welke consequenties verbindt Nederland aan de geloofwaardigheid en de bindende kracht van het Internationaal Strafhof, gezien het feit dat vergaande beslissingen klaarblijkelijk op arbitraire gronden genomen worden?
Het kabinet herkent niet het beeld dat het ISH vergaande beslissingen op arbitraire gronden neemt. Zie ook de antwoorden op de vragen 3 en 4.
Welke stappen kan Nederland, en zult u specifiek als Minister, ondernemen tegen deze ambtsbekleder die waarschijnlijk strafbare feiten heeft gepleegd op Nederlandse bodem?
Zie het antwoord op vraag 2. De Vergadering van verdragspartijen zal zich tijdens de speciale zitting buigen over de beslissing van het Bureau en de onderliggende rapporten om te bezien welke conclusies hier aan verbonden moeten worden. Nederland zal hier als een van de 125 verdragspartijen aan deelnemen en na beoordeling van de onderliggende informatie naar behoren handelen.
Voor wat betreft eventuele mogelijkheden van strafrechtelijke vervolging voor vermeende feiten die zijn gepleegd op Nederlands grondgebied dient te worden opgemerkt dat het aan het Openbaar Ministerie is om te bezien of het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over individuele gevallen.
Welke consequenties zal Nederland eraan verbinden indien het merendeel van de leden niet voor ontslag stemt en daarmee de bindende en overtuigende kracht van het Internationaal Strafhof diskwalificeert?
Daar kan het kabinet niet op vooruitlopen. Eerst zullen de beslissing van het Bureau en de vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop die beslissing is gebaseerd zorgvuldig moeten worden bestudeerd en zal met andere verdragspartijen moeten worden bezien welke conclusies daaraan moeten worden verbonden.
De noodverordening in Zandvoort en de overlast, intimidatie en geweldsincidenten op Nederlandse stranden |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Noodverordening moet «hufterigheid» in Zandvoort tegengaan. «Die meiden zijn net zo brutaal»» in de Volkskrant van 31 mei 2026?1
Ja.
Klopt het dat de burgemeester van Zandvoort een noodverordening heeft afgekondigd wegens ernstig overlastgevend gedrag na de Pinksterdagen, en dat ook het strand bij Nesselande in Rotterdam is aangewezen als veiligheidsrisicogebied?
Ja. De burgemeester van Zandvoort heeft op 29 mei tot en met 31 mei jl. en op 20 juni tot en met 22 juni jl. een noodverordening afgekondigd wegens incidenten zoals bedreigingen, mishandeling en openlijke geweldpleging. Het strand van Nesselande is door de burgemeester van Rotterdam aangewezen als veiligheidsrisicogebied voor de periode van 12 juni tot 1 oktober 2026.
Kunt u bevestigen dat strandpachters zijn geïntimideerd, een portier een stok in zijn gezicht kreeg, serveersters zijn lastiggevallen en twee strandpaviljoens daardoor eerder zijn gesloten?
De overlast en incidenten in Zandvoort en in andere strandgebieden hebben impact op de hele gemeenschap. Op donderdag 4 juni jl. ben ik op het strand van Zandvoort in gesprek gegaan met de burgemeester, ondernemers, politie, boa’s en het OM over de situatie. De strandpachters vertelden mij dat personeel is geïntimideerd, bespuugd of uitgescholden. De verhalen zijn indringend. Strandpachters voelden zich genoodzaakt eerder dicht te gaan of zelfs dicht te blijven, omdat de situatie niet meer veilig voelde. Dat is niet normaal. Zandvoort moet veilig en toegankelijk blijven.
Bent u in staat om cijfers aan te leveren over het jaarlijkse aantal vergelijkbare incidenten van intimidatie, bedreiging en geweld tegen ondernemers, personeel en bezoekers op stranden van de afgelopen tien jaar?
Bent u bereid om – gelet op de zware oververtegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in de criminaliteitscijfers en het actuele maatschappelijke debat over migratie – in kaart te brengen wat de herkomst is van de daders van deze overlast- en geweldsincidenten?
Bent u bereid in dat overzicht niet alleen eerste en tweede generatie migranten op te nemen, maar ook derde en vierde generatie migranten, zodat een volledig beeld ontstaat?
Indien u deze gegevens niet paraat heeft, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Indien het antwoord op bovenstaande vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een openbaar dashboard in te richten waarop per periode zichtbaar is hoeveel personen worden verdacht van geweldsmisdrijven, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en herkomst, inclusief derde en vierde generatie migranten? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt er «weinig onderzoek» gedaan – aldus Ira Helsloot, de in het artikel genoemde hoogleraar besturen van veiligheid – naar de oorzaak van de overlast en het geweld? Waarom wordt dat onderzoek niet gedaan?
Bent u bereid alsnog onderzoek te laten doen naar de oorzaken van deze overlast, inclusief de migratieachtergrond van de daders? Zo nee, waarom niet?
Herkent u uit politieregistraties het beeld – alsook beschreven door bovenstaande hoogleraar – dat met name jongeren met een migratieachtergrond niet accepteren dat vrouwen schaars gekleed op het strand zitten?
Op basis van politieregistraties kunnen hier geen uitspraken over worden gedaan.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat vrouwen op een Nederlands strand worden lastiggevallen of geïntimideerd vanwege hun kleding of gedrag?
Ja. Het lastigvallen of intimideren van vrouwen, om welke reden dan ook en waar dan ook, is onaanvaardbaar.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat de vrijheid van vrouwen op het strand wordt ingeperkt door intimiderend gedrag van groepen jongeren?
Handhaving van de openbare orde is aan het lokaal gezag. Bestaande maatregelen die hiertoe kunnen bijdragen zijn zichtbare aanwezigheid van politie, boa’s, toezicht- en handhavingsteams, toepassing van Algemene Plaatselijke Verordening (APV)-instrumenten en gebiedsverboden, Halt-trajecten voor minderjarigen, lokale preventie (jeugdwerk, voorlichting, afspraken met strandexploitanten) en in het uiterste geval de inzet van de noodbevoegdheden. De afweging wat effectief en proportioneel is vindt plaats in de lokale driehoek.
Indien u die maatregelen nog niet heeft, op welke termijn komt u hiermee?
Zie antwoord vraag 14.
Welke gevolgen voor het beleid verbindt u aan de signalering van de burgemeester dat de overlastgevende groep steeds jonger wordt – soms 12 of 13 jaar – en een anti-autoritaire houding heeft?
Het is belangrijk dat de politie en het lokale gezag in staat zijn om de openbare orde op straat en in onze wijken goed te handhaven. En dat het gezag wordt gerespecteerd en dat we ons veilig voelen op straat en in onze buurt. De signalering dat overlastgevende groepen steeds jonger zijn, onderstreept het belang van een vroegere en integrale preventieve en doortastende inzet; een goede samenwerking tussen gemeenten, onderwijs, justitie, zorg en jongerenwerk. Het is daarbij aan de burgemeester om in samenwerking met andere (gemeentelijke) partners en het OM (voor zover het om strafbare feiten gaat) om (jeugd-)overlast aan te pakken. Vanuit het Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid zijn hiervoor verschillende handreikingen beschikbaar.
Hoeveel aanhoudingen en gebiedsverboden zijn er dit voorjaar landelijk opgelegd wegens strand- en uitgaansoverlast?
Aanhoudingen en gebiedsverboden in de context van strand- en uitgaansoverlast worden niet apart geregistreerd.
Acht u de huidige bevoegdheden van politie en handhaving toereikend om dit soort overlast aan te pakken?
Ik heb geen signalen dat de huidige bevoegdheden niet toereikend zijn om dit soort overlast aan te pakken. Strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen o.a. openlijke geweldpleging, mishandeling en bedreiging. Bestuursrechtelijk staan onder andere het noodbevel en de noodverordening, gebiedsverboden, cameratoezicht en aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied ter beschikking. Waar het minderjarigen betreft kan handhaving tevens bestaan uit het opleggen van Halt-trajecten en de inzet van het jeugdstrafrecht. De afweging wat nodig en proportioneel is vindt plaats in de lokale driehoek.
Zo nee, welke aanvullende bevoegdheden acht u nodig?
Zie antwoord vraag 18.
Bent u bereid bij geweld en intimidatie door minderjarigen ook de ouders aansprakelijk te stellen, mede gelet op de constatering dat ouders minder betrokken zijn?
Ouders kunnen niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor het gedrag van hun kinderen. Als het gaat om civiele aansprakelijkheid voor veroorzaakte schade zijn ouders aansprakelijk voor veroorzaakte schade door hun kinderen tot en met 13 jaar.5 Hierbij kunnen benadeelden een schadeclaim voegen in een eventuele strafzaak.
Ten aanzien van ouders of gezagsdragers van kinderen onder de 12 jaar heeft de burgemeester de bevoegdheid om rechtstreeks aan ouders het bevel te geven ervoor te zorgen dat kun kind zich niet onbegeleid op bepaalde plaatsen bevindt.6 De burgemeester kan in geval van overtreding van de APV een last onder dwangsom opleggen ter voorkoming van herhaalde overtreding.
Welke consequenties verbindt u aan herhaalde overlast voor de verblijfsstatus of het inburgeringstraject van daders, voor zover dit van toepassing is?
Het Europees Unierecht vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er sprake moet zijn van een ernstig misdrijf of een bijzonder ernstig misdrijf om de verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken.
Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor onherroepelijk veroordeeld zijn, beoordeelt de IND altijd of dit ook verblijfsrechtelijke gevolgen heeft. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de verblijfsduur van de vreemdeling en de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Na een weigering of intrekking van de verblijfsvergunning door de IND start de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) het terugkeerproces.
Deelt u de analyse dat het toenemende aantal overlast- en geweldsincidenten op publieke plaatsen mede samenhangt met de omvang en samenstelling van de immigratie van de afgelopen decennia?
De in de vraag genoemde analyse en de bijbehorende feitelijke onderbouwing zijn niet bekend. Het is daarom niet mogelijk de genoemde analyse te duiden.
Indien u deze analyse niet deelt, op welke gegevens baseert u dat?
Zie antwoord vraag 22.
Deelt u de mening dat de burger recht heeft op een veilig en onbezorgd strandbezoek, en dat de overheid op dit moment tekortschiet in het faciliteren hiervan?
Ik deel de mening dat iedere burger die het strand bezoekt dat veilig en onbezorgd moet kunnen doen. Ik heb geen signalen dat de huidige bevoegdheden van het lokaal gezag niet toereikend zijn om overlast aan te pakken.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en vóór het zomerreces te beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet’ |
|
Harmen Krul (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksproducent Philip Morris in het Nederlandse wietexperiment is gestapt door deels eigenaar te worden van de grootste deelnemende teler?1
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Zijn er meer voorbeelden bekend waarin de tabaksindustrie investeert in de cannabismarkt, via telers, coffeeshops of het financieren van wetenschappelijk onderzoek?
Dat is niet bekend, daarover wordt geen informatie verzameld.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en hoe de toenemende verwevenheid tussen de tabaksindustrie en de cannabismarkt er precies uit ziet?
Nee. Wel zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment – naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gesloten, gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium4 worden opgesteld – onderdeel zijn van het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie onderdeel van dit gesprek is en zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Deelt u de zorgen van experts dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat de agressieve verkoop- en lobbytechnieken van de tabaksindustrie worden gekopieerd naar de teelt en verkoop van wiet, zoals we ook hebben gezien bij vapes?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid.
Het wettelijk kader voor het wietexperiment bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie. Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief tips om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit houden toezicht op de naleving van de eisen.
Deelt u de zorg dat hierdoor de kans groter wordt dat mensen bijvoorbeeld regelmatig gaan blowen én vapen, terwijl dit extra schadelijk is? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen?
Het is niet duidelijk dat dit een causaal verband betreft. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren.
Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Wat vindt u ervan dat een dochterbedrijf van Philip Morris wetenschappelijke artikelen financiert die zich richten op de vermeende voordelen van het gebruik van cannabis? Hoe vaak komt dit soort onderzoek gefinancierd door de tabaksindustrie voor?
Historisch gezien heeft de tabaksindustrie veel ervaring met het financieren van onderzoek dat aansluit bij haar belangen. Het kabinet vindt dit zeer onwenselijk en verwerpelijk. Niet omdat elk commercieel gefinancierd onderzoek automatisch onbetrouwbaar is, maar omdat de tabaksindustrie een lange geschiedenis heeft van strategisch omgaan met wetenschap. Onafhankelijk onderzoek is zeer belangrijk, zeker wanneer het gaat om de gezondheid van mensen. Het kabinet baseert dan ook geen beleid op onderzoeken die door de tabaksindustrie zijn gefinancierd.
Acht u het wenselijk dat ondernemingen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie een positie verwerven binnen het Nederlandse wietexperiment? Zo ja, waarom? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dergelijke betrokkenheid te beperken?
Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen de markt vrij te laten aan telers en coffeeshops. Daarbij past dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4. Verder geldt dat het wettelijk kader geen bepaling bevat die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Hoe verhoudt de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij deelnemende telers zich volgens u tot de doelstellingen van het wietexperiment op het gebied van volksgezondheid, verslavingspreventie en het terugdringen van de illegale markt?
Het kabinet beoogt met het wietexperiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. De effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium en zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid verder brengen. Er zijn binnen het wietexperiment geen doelen geformuleerd ten aanzien van verslavingspreventie of het terugdringen van de illegale markt, het experiment is een exploratief onderzoek.
Bent u bereid te onderzoeken of, analoog aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, aanvullende waarborgen nodig zijn om invloed van de tabaksindustrie op het Nederlandse cannabisbeleid en het wietexperiment te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Artikel 5.3 van WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging is niet van toepassing op het wietexperiment. De reden hiervoor is dat cannabis(producten) niet als legale producten worden aangemerkt. De Wet Experiment gesloten coffeeshopketen regelt in essentie dat de aangewezen telers uitgezonderd zijn van de strafbaarstelling onder de Opiumwet, mits zij voldoen aan de in het wietexperiment opgenomen eisen. De cannabisproducten die geproduceerd worden binnen het wietexperiment blijven echter nog steeds onder de Opiumwet vallen en zijn daardoor nog steeds illegaal. Hieruit volgt dat de Tabaks- en rookwarenwet en de Tabaksproductenrichtlijn niet van toepassing zijn op de producten die binnen dit experiment worden verkocht. Daarbij past de conclusie dat internationale verplichtingen ook niet van toepassing zijn.
Dat neemt niet weg dat het kabinet de zorgen die hierover leven serieus neemt. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht, zijn ook de beleidsmatig geleerde lessen van belang voor het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie onderdeel van dit gesprek is en zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u uitsluiten dat partijen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie via deelnemende telers invloed kunnen uitoefenen op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid na afloop van het experiment? Zo nee, welke risico’s ziet u daarin?
De risico’s voor het uitoefenen van invloed op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid acht het kabinet klein. Aangezien met name de onderzoeksresultaten over de effecten van de gesloten, gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht en het eindverslag van de onafhankelijke begeleidingscommissie de basis hiervoor vormen.
Welke wettelijke en contractuele mogelijkheden bestaan er momenteel om eisen te stellen aan investeerders, aandeelhouders of uiteindelijk belanghebbenden van deelnemers aan het wietexperiment?
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid te bezien of deze mogelijkheden moeten worden aangescherpt om betrokkenheid van de tabaksindustrie te voorkomen?
Nee. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding voor aanvullende regels. Naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht, zijn ook de beleidsmatig geleerde lessen van belang voor het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de samenhang tussen het tabaks- en cannabisbeleid hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
Ja. Uit onderzoek in opdracht van de Raad voor de Rechtspraak (Rvdr) uit 2010 blijkt ook dat in bepaalde landen waar minimumstraffen zijn ingevoerd de rechter gebruik kon maken van hardheidsclausules.1
Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
De gesprekken met de organisaties gingen (onder meer) over de vraag hoe zij aankijken tegen minimumstraffen in algemene zin en bij geweld tegen publieke hulpverleners in het bijzonder. De gesprekken gingen minder over de wijze waarop minimumstraffen in de praktijk kunnen worden toegepast. Desondanks hebben het OM en de Rvdr wel aandacht gevraagd voor een hardheidsclausule bij een eventuele invoering van minimumstraffen om disproportionele strafoplegging te voorkomen.
Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
Het OM heeft tijdens de gesprekken toegelicht dat de huidige wetgeving in combinatie met het strafvorderingsbeleid voldoende ruimte biedt om tot proportionele (voldoende zware) strafeisen en strafopleggingen te komen. De verhoging van strafmaxima creëert juist extra ruimte voor zwaardere bestraffing voor zaken die zich daarvoor lenen; hiervan kan de rechter ook gemotiveerd gebruik maken in de gevallen waarin de ernst van het feit en de impact op de samenleving hiervoor aanleiding geeft.
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk? Zo nee, waarom niet?
Deze uitspraak van het OM zegt op zich niets over de wijze waarop verhogingen van strafmaxima in de rechtspraktijk doorwerken. In het door u aangehaalde WODC-rapport wordt geconstateerd dat verhogingen van wettelijke strafmaxima slechts een beperkte impact hebben gehad op de strafoplegging. In mijn nadere reactie op het rapport zal ik op deze constatering inhoudelijk reageren.2
Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten strafzaken?
Slachtofferhulp Nederland en Reclassering Nederland hebben aandacht gevraagd voor de uitlegbaarheid van straffen. Als opgelegde straffen beter worden uitgelegd kan dit er volgens hen toe leiden dat er meer begrip voor de opgelegde straffen ontstaat en dat de maatschappelijke ophef wordt beperkt.
Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf?
Reclassering Nederland en Slachtofferhulp Nederland hebben in de gesprekken aandacht gevraagd voor het beter toelichten van opgelegde straffen respectievelijk het beter betrekken van de samenleving bij de totstandkoming van de richtlijnen die voor het eisen en opleggen van straffen gelden. Er wordt door hen noch door mij geconcludeerd dat een gebrek aan uitleg een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf.
Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
Het is vooral aan het OM en de Rechtspraak om te bepalen of en hoe opgelegde straffen beter kunnen worden uitgelegd. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren door een actiever beleid op sociale media. Zoals ik heb toegelicht in mijn brief van 8 juni 2026 ben ik in overleg met het OM en de Rechtspraak om over de knelpunten bij minimumstraffen te spreken en bericht ik u in de tweede helft van 2026 over de uitkomst.3
Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen daders van ernstige delicten?
Bij de discussie over minimumstraffen moet uiteraard naar het belang van bescherming van de samenleving worden gekeken. Onder meer politie en Slachtofferhulp Nederland hebben hier aandacht voor gevraagd tijdens de gesprekken en ik doe dit ook bij het vervolg van de overleggen met het OM en de Rechtspraak. Overigens hangen gedragsverandering van de dader en bescherming van de samenleving met elkaar samen. Zonder gedragsverandering is de samenleving immers minder beschermd als de dader weer op vrije voeten komt.
Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat een langere detentieperiode als voordeel heeft dat gedurende deze tijd de kans erg klein is dat de veroordeelde opnieuw slachtoffers maakt. Het beschermen van de samenleving is een van de strafdoelen die de rechter kan gebruiken om een langere gevangenisstraf op te leggen.4 De rechter neemt strafdoelen mee in het wegen van de uiteindelijke straf in het vonnis. Hoe vaak een rechter een strafdoel meeweegt in een vonnis wordt niet geregistreerd, maar soms wel gemotiveerd in individuele strafzaken.
Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
Het klopt dat wanneer een veroordeelde langere periode in detentie zit, deze persoon geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken. Het klopt niet dat langere gevangenisstraffen recidive bevorderen, want uit onderzoek blijkt dat detentieduur geen effect heeft op resocialisatie-uitkomsten.5
Het is niet mogelijk om de twee stellingen goed met elkaar te vergelijken omdat deze betrekking hebben op verschillende effecten van detentie. Recidive betreft het gedrag na vrijlating (lange termijn) terwijl het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken ziet op het directe effect (korte termijn) van vrijheidsbeneming gedurende de detentieperiode.
Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
Ja, uit onderzoek blijkt dat bij zeer korte detenties (minder dan 3 maanden) de mogelijkheden om problemen op te lossen heel beperkt zijn, terwijl bij een langere strafduur doorgaans meer ruimte is voor het bieden van behandeling, begeleiding en resocialisatie. Tegelijkertijd is ook bekend dat – ongedacht de detentieduur – het op orde hebben van basisvoorwaarden (woning, inkomsten, schulden, zorg, ID-bewijs, sociaal netwerk) samenhangt met een kleinere kans op recidive en dat bij kortgestraften de detentieschade relatief hoog ligt. Het is daarom van belang dat de mogelijkheid wordt geboden deze basisvoorwaarden op orde te houden en/of brengen. In het meerjarig actieplan Ruimte voor Recht6 wordt dan ook voorgesteld dat partners, zoals gemeenten, daarbij zo goed als mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om gedetineerden hierbij fysiek of digitaal te ondersteunen.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak slecht tot niet zijn onderbouwd?
De onderzoekers concluderen dat de beoogde effecten (in hoeverre de wetswijzigingen bijdragen aan de strafdoelen die het Nederlandse strafrecht kent, bijvoorbeeld vergelding en preventie) van de voorgestelde wetswijzigingen door de wetgever slecht tot niet werden onderbouwd. Vooruitlopend op mijn nadere reactie op het rapport, merk ik op dat ik het eens ben met de onderzoekers dat het belangrijk is dat de wetgever toelicht waarom een strafverhoging wordt ingevoerd zodat de officier en rechter hiermee bij de bepaling van de hoogte van respectievelijk de strafeis en de straf rekening kunnen houden.
Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met de onderzoekers van het WODC eens dat het belangrijk is dat goed wordt toegelicht waarom een strafverhoging wordt doorgevoerd. Dus als een wetsvoorstel tot doel heeft om de samenleving te beschermen dan moet dit worden toegelicht. Hiervoor is naar mijn mening geen onderzoek nodig. Overigens is bescherming van de samenleving reeds één van de strafdoelen die het Nederlandse strafrecht kent.
Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde strafverhogingen volgens het WODC slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
Ik heb deze conclusie vooralsnog voor kennisgeving aangenomen. Zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb toegelicht ben ik in overleg met het OM en de Rechtspraak over onder meer deze conclusie en zal ik mijn duiding hiervan in een brief aan de Tweede Kamer toelichten.
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de rechterlijke macht en het OM onvoldoende uitvoering geven aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om bepaalde delicten zwaarder te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient te staan?
Zie antwoord vraag 14.
Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
Zoals in het WODC-onderzoek wordt geconstateerd zitten er twee kanten aan dit verhaal. Aan de ene kant functioneert de scheiding van de machten goed: de rechter vormt geen uitvoeringsorgaan van de wetgever, maar komt onafhankelijk binnen zijn eigen professionele normen en jurisprudentiële kaders tot een oordeel. Aan de andere kant kan de beperkte doorwerking ook worden gezien als een signaal van beperkte responsiviteit van de rechtspraak ten opzichte van maatschappelijke en politieke signalen. Na mijn gesprekken met het OM en de rechtspraak kom ik hierop terug.
Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling, rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
Minimumstraffen beperken de vrijheid van de rechter. Dit wil echter niet zeggen dat het niet mogelijk is om minimumstraffen in te voeren en daarom ga ik hierover nader in gesprek met het OM en de Rechtspraak. Zonder het invoeren van hardheidsclausules kunnen minimumstraffen inderdaad een grotere voorspelbaarheid en rechtszekerheid tot gevolg hebben. Het is echter de vraag of dit wenselijk is als dit leidt tot disproportionele of onuitvoerbare straffen.
Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht ben ik nog in overleg met het OM en de Rechtspraak over de straffen bij geweld tegen hulpverleners en licht ik de uitkomst schriftelijk toe. Gelet op de onafhankelijkheid van de Rechtspraak, is het aan de Rechtspraak zelf om de oriëntatiepunten vast te stellen. Ook het OM gaat in beginsel zelf over zijn Aanwijzingen, gezien de bijzondere staatsrechtelijke positie van het OM. Ik kan echter wel aandacht vragen voor de bevindingen van het WODC-onderzoek en dit zal ik ook doen.
Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming van de samenleving en rechtszekerheid?
Uit het in het antwoord op vraag 1 genoemde en enigszins gedateerde onderzoek uit 2010 blijkt dat er destijds in ieder geval minimumstraffen bestonden in België, Duitsland, Frankrijk en Engeland en Wales. In geen van deze landen was specifiek onderzoek beschikbaar waaruit valt af te leiden of de minimumstraf onomstotelijk heeft geleid tot de beperking van de criminaliteit of tot de vermindering van de recidive. Ook op andere punten bevatte dit onderzoek geen conclusies waarmee een goede «best practice» kan worden geselecteerd.
Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
Zie antwoord vraag 20.
Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners in te voeren?
Ik heb kennis genomen van de standpunten van de ketenorganisaties en wil, net als u, de hulpverleners zo goed mogelijk beschermen en een harde aanpak van geweld tegen hulpverleners. Na mijn overleg met het OM en de Rechtspraak infomeer ik u hier nader over.
Het artikel 'Verbijstering over webshop gouden helm-dief vanuit bajes: ’Een hele dikke middelvinger naar justitie’' |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is het mogelijk om een verbod op te leggen aan gedetineerden die online een webshop runnen waarbij zij hun delict romantiseren?1
Het is niet passend dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerden gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Wordt het adres van het Justitieel Centrum Schiphol daadwerkelijk gebruikt als postadres voor de webshop die handelt in «merchandise» van de Roemeense kunstroof? In hoeverre kan hiertegen worden opgetreden en in hoeverre gebeurt dit al in deze zaak?
Ik kan niet ingaan op individuele casussen. In zijn algemeenheid kan ik mededelen dat het gebruik van een penitentiaire inrichting (PI) als postadres voor een commercieel bedrijf niet in lijn is met de bestemming en het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
In hoeverre is het mogelijk om opbrengsten van deze webshop te verhalen en in te zetten om een deel van de gemaakte kosten (zoals in het strafproces, het onderzoek, etc.) te dekken? Kan er worden ingegaan op hoe dat in deze specifieke zaak is gebeurd?
Ik ga niet in op individuele zaken. In algemeenheid geldt dat de mogelijkheid om opbrengsten die iemand met een strafbaar feit heeft behaald, af te romen via een ontnemingsmaatregel (art. 36e Sr) gericht is op wederrechtelijk verkregen voordeel. Of en in hoeverre dit per individuele casus toepasbaar is, hangt af van het verband tussen de opbrengsten en een gepleegd delict.
In beginsel worden de kosten van een strafproces, behoudens enkele uitzonderingen, niet verhaald op de verdachte.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een einde te maken aan deze webshop? Zo niet, waarom niet?
Ik ga niet in op de specifieke casus. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1 voor een overzicht van wat wel en niet mogelijk is.
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Ja.
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze mishandeling. Het veroorzaken van overlast en het plegen van strafbare feiten zijn onacceptabel. Voor het kabinet is het belangrijk dat het gevoel van veiligheid op straat blijft bestaan. Het is aan het bevoegd gezag om daarvoor zorg te dragen, en ik zet mij ten volle in om het daartoe in staat te stellen.
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Tegen crimineel en overlast gevend gedrag moet altijd worden opgetreden, ongeacht de achtergrond van de daders.
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
De grootschalige handel in designerdrugs |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse bedrijven voor bijna twee miljard euro aan gevaarlijke designerdrugs uit India hebben geïmporteerd?1, 2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van deze handel, waarbij circa 153.000 kilo aan middelen is ingevoerd en met zeer hoge winstmarges wordt doorverkocht?
Ik ben geschrokken van de omvang van de handel in designerdrugs zoals geschetst in het artikel. Deze handel is enorm en zeer kwalijk en ik veroordeel deze handel ten zeerste. Het is uitermate schokkend dat er partijen zijn die dit soort – mogelijk levensgevaarlijke Í middelen aanbieden voor eigen financieel gewin. Ik zet mij ten volle in om politie en justitie in staat te stellen dit te bestrijden. Een belangrijke maatregel in deze strijd is de invoering van lijst IA op 1 juli 2025, een verbod op een drietal stofgroepen die zijn afgeleid van middelen die op lijst I van de Opiumwet staan. Binnenkort wordt via een AMvB een vierde stofgroep, de nitazenen, toegevoegd aan lijst IA.
In het door de media genoemde onderzoek wordt voornamelijk gerefereerd aan handel in middelen gedurende de periode van vóór de invoering van dit stofgroepenverbod. Deze middelen vielen destijds nog niet onder de Opiumwet, waardoor politie en justitie toen nog niet konden ingrijpen. Sinds de invoering van het stofgroepenverbod (lijst IA bij de Opiumwet) per 1 juli 2025 kunnen zij dit wél en is het aanbod in designerdrugs via websites als Funcaps.nl sterk afgenomen. Dat aanbod betrof voornamelijk stoffen voor recreatief gebruik zoals varianten van partydrug 3-mmc. We zien nu helaas een verschuiving van het aanbod naar namaak geneesmiddelen zoals designerbenzodiazepinen (namaak slaap- en kalmeringsmiddelen) of namaak pijnstillers. Deze middelen vallen niet onder de Opiumwet. Het is een grote uitdaging om dit aanbod effectief te bestrijden. Verkopers zoeken de randen van de wet op om hun verdienmodel in stand te houden.
De Minister van VWS en ik werken samen met de NVWA, IGJ, Politie en het OM aan een integrale aanpak om de online verkoop van (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs effectiever te bestrijden. In deze aanpak is aandacht voor wet- en regelgeving, maar ook voor bevoegdheden, capaciteit en (internationale) samenwerking. Uw Kamer is hierover recent geïnformeerd met de brief over (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs.3
Hoe beoordeelt u het morele aspect van deze handel, waarbij willens en wetens middelen worden verhandeld die in verband worden gebracht met verslaving, hersenschade en sterfte? Kunt u toezeggen dat u er van uw kant alles aan doet om politie en justitie in staat te stellen dit krachtig te bestrijden? Zo ja, wat bent u van plan om aanvullend te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorg dat de handel in designerdrugs mede wordt gefaciliteerd door het gebruik van bv-constructies die persoonlijke aansprakelijkheid afschermen, en welke mogelijkheden ziet u om natuurlijke personen achter deze constructies directer aansprakelijk te stellen en hun crimineel verkregen vermogen af te pakken?
Ik deel uw zorgen over de import van en handel in designerdrugs. Mede daarom is recent de Opiumwet aangescherpt, zodat meer middelen dan voorheen verboden zijn en verboden kunnen worden, en dat ook productie en handel daarin kan worden aangepakt. Het gebruik van bv-constructies voor legale handel, zoals de handel in deze middelen grotendeels was tot en met 1 juli 2025, is toegestaan.
Het overtreden van de Opiumwet en aanpalende wet- en regelgeving is een serieus misdrijf, waar het OM stevig tegen optreedt. In dit kader kunnen behalve natuurlijke personen ook rechtspersonen en hun bestuurders strafrechtelijk worden vervolgd. Dat kan leiden tot gevangenisstraffen, geldboetes en/of het ontnemen van vermogen.
Met de implementatie van de Europese Confiscatierichtlijn worden de mogelijkheden voor het afpakken van het crimineel verkregen vermogen verruimd. Zo kan vermogen straks ook worden afgepakt zonder strafrechtelijke veroordeling (NCBC-procedure4).
Zoals ook in het Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland5 (DON) en in de Koersbrief6 beschreven is, worden legale infrastructuren misbruikt door criminelen om crimineel geld te verkrijgen, criminele activiteiten te verhullen of het criminele businessmodel te ondersteunen. Samen met verschillende partners, waaronder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) kijken we naar systeemkwetsbaarheden in onze economie, en wordt er door EZK gewerkt aan een (wets)voorstel om de (poortwachters)rol van de Kamer van Koophandel te versterken.
In hoeverre acht u het huidige instrumentarium toereikend om te voorkomen dat producenten via kleine chemische aanpassingen de Opiumwet blijven omzeilen? Kunt u reflecteren op de effectiviteit van het per 1 juli 2025 ingevoerde groepenverbod en in hoeverre dit het «kat-en-muisspel» daadwerkelijk heeft doorbroken?
Het (online) aanbod van nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) is de afgelopen periode aanzienlijk versmald. Tientallen stoffen die voorheen legaal konden worden verhandeld, zijn inmiddels strafbaar gesteld en daarmee uit het aanbod verdwenen. Zoals reeds benoemd blijven verkopers echter creatief in het vinden van manieren om hun verdienmodel in stand te houden. Er is sinds de invoering van het stofgroepenverbod wel een toename zichtbaar in het aanbod van namaak geneesmiddelen zoals de designerbenzodiazepinen (namaak slaap- en kalmeringsmiddelen) en namaak-pijnstillers.
Het op 1 juli 2025 ingevoerde stofgroepenverbod wordt binnen drie jaar na de inwerkingtreding uitgebreid geëvalueerd. Bij die evaluatie worden zowel de effecten op de volksgezondheid als de effecten op de productie en handel in kaart gebracht.
Deelt u de zorg dat nog altijd risicovolle middelen buiten het bereik van het groepenverbod vallen? Welke aanvullende aanscherpingen zijn wat u betreft nodig, en bent u bereid hier met spoed werk van te maken?
Binnenkort treedt een AMvB in werking waarmee een extra stofgroep, de nitazenen, wordt toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Nitazenen zijn een stofgroep synthetische opioïden die zeer potent en dus gevaarlijk zijn.
Zoals in het antwoord op vraag 3 toegelicht, blijft er een aanbod van middelen dat buiten het stofgroepenverbod valt. Dat betreft voornamelijk varianten van geneesmiddelen die onder de Geneesmiddelenwet vallen (zoals een variant van Tramadol) en van geneesmiddelen die al onder lijst II van de Opiumwet vallen (varianten van slaap- en kalmeringsmiddelen, designer benzo’s). De Kamer is over de aanpak van illegale handel in (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs geïnformeerd met een Kamerbrief.
Hoe beoordeelt u het dat na het sluiten van 43 websites de handel grotendeels doorgaat via buitenlandse websites en besloten kanalen, en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om dat een halt toe stoppen?
Vanwege het grensoverschrijdende karakter van het internet wordt de aanpak van criminaliteitsfenomenen, zoals de illegale handel in drugs, bemoeilijkt. Het sluiten van websites is een belangrijke maatregel voor de korte termijn, maar biedt voor de lange termijn geen structurele oplossing omdat eigenaren van dit soort websites op andere domeinextensies of besloten kanalen doorgaan. De focus van de aanpak moet zich toespitsen op het oprollen van de netwerken achter deze websites. Dat is tijdrovend en arbeidsintensief opsporingsonderzoek.
Voor zover websites kwalificeren als tussenhandeldiensten waarop gebruikers online content kunnen plaatsen, zoals online platforms en online marktplaatsen, blijft de Digitale Services Act (DSA) van toepassing. De DSA hanteert een brede definitie van «illegale inhoud». Daaronder vallen naast illegale producten, bijvoorbeeld ook diensten en activiteiten die in strijd zijn met het Unierecht of het recht van een lidstaat. Hieronder valt ook de handel in illegale drugs. Op grond van de DSA zijn hostingdiensten, waaronder online platforms en online marktplaatsen, gehouden illegale content te verwijderen zodra zij hier kennis van krijgen. Doen zij dit niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Ook moeten online platforms gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, schorsen. Online marktplaatsen moeten verder aan verschillende verplichtingen voldoen om ervoor te zorgen dat handelaren op hun platform traceerbaar zijn en dat zij hij het toepasselijke Unierecht naleven. Op de DSA wordt toezicht gehouden. De lidstaat van (Europese) vestiging bepaalt welke toezichthouder bevoegd is. Deze toezichthouders hebben evenwel niet de bevoegdheid om content offline te halen. Besloten kanalen en groepen vallen buiten de reikwijdte van de DSA. Er is sprake van beslotenheid als er effectief deurbeleid wordt gehanteerd.
Wanneer aangifte of melding wordt gedaan van strafbare online content, dan kunnen het Openbaar Ministerie en de politie een verwijderverzoek richten aan aanbieders van communicatiediensten om de betreffende online content offline te halen. Dit verzoek kan alleen worden gedaan als bekend is wie de aanbieder is van de content en waar die aanbieder is gevestigd, dat kan ook in het buitenland zijn. Soms komt het voor dat niet bekend is waar de illegale content precies staat. In die gevallen is het niet mogelijk een verwijderverzoek te doen. Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een (dwingend) bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijk van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten. Deze route leidt niet altijd tot het gewenste resultaat omdat niet met ieder land een rechtshulprelatie bestaat en het doen van dergelijke verzoeken vaak ook enige tijd vergt.
Het ontoegankelijk maken van online content en het gebruik van notice-and-actionmechanismen zijn belangrijke instrumenten, maar moeten worden gezien als onderdeel van een bredere aanpak. Omdat aanbieders kunnen uitwijken naar buitenlandse domeinen, besloten kanalen of nieuwe webshops, blijft het van belang om daarnaast in te zetten op strafrechtelijk onderzoek naar de aanbieders achter deze handel, financiële stromen, logistieke schakels en internationale aanvoerroutes.
Welke inzet pleegt u om deze handel internationaal, met name richting India, bij de bron aan te pakken? Wat gaan u en uw collega van Buitenlandse Zaken aanvullend doen om dit aan te pakken?
De internationale banden die zijn aangehaald bij de SYNDEC7 en de Commission on Narcotic Drugs van de VN worden actief gebruikt om het gesprek aan te gaan over de problematiek rondom de verkoop van designerdrugs. Hiermee wordt getracht een betere samenwerking te faciliteren tussen India en Nederland. Dit zal helpen met het in kaart brengen van de grootschalige legale en illegale aanvoerroutes van de chemische en farmaceutische industrie.
Deelt u de opvatting dat naast repressie ook een krachtige norm nodig is tegen drugsgebruik, en welke concrete maatregelen neemt u om het gebruik van designerdrugs actief te ontmoedigen, met name onder jongeren?
Ja, die opvatting deel ik. De sociale norm rondom een bepaalde gedraging is één van de belangrijkste voorspellers voor zo’n gedraging. Als we het gebruik van (designer-)drugs willen verminderen, is het van belang daarop in te zetten. De Minister van VWS en ik dragen deze norm vaak uit, in Kamerbrieven en debatten. Daarnaast werk ik met de Minister van VWS aan een voortzetting van de campagne die jongeren bewust moet maken van de negatieve gevolgen op de maatschappij en gezondheid van drugsgebruik. Hierover bent u door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geïnformeerd via de recente Verzamelbrief ontwikkeling drugsbeleid.
Het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Vernieling van een gebedshuis is ernstig en onacceptabel. Dergelijke incidenten raken niet alleen gebouwen, maar ook mensen. Ze veroorzaken gevoelens van onrust, angst en onveiligheid binnen gemeenschappen.
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op moskeeën onaanvaardbaar zijn?
In Nederland moet iedereen zijn of haar geloof vrij en veilig kunnen belijden. De vrijheid van godsdienst is een grondwettelijk recht. Aanvallen op gebedshuizen, waaronder moskeeën, zijn onaanvaardbaar.
Vernieling van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar.2 Wanneer dergelijke strafbare feiten gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met een discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief, kan dit worden betrokken in het opsporingsonderzoek conform de Aanwijzing discriminatie.4
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest met het bestuur van de Mevlana-moskee?
De primaire verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie en het contact met religieuze instellingen ligt bij het lokale gezag. De burgemeester van Rotterdam heeft direct na het incident contact opgenomen met het bestuur van de Mevlana-moskee om haar steun te betuigen en te bespreken welke ondersteuning passend is vanuit de gemeente. Zij heeft ook een oproep gedaan aan getuigen om zich te melden bij de politie.
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Over de details van een lopend strafrechtelijk onderzoek worden geen uitspraken gedaan.
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Op basis van de registratiepraktijk bij officiële meldinstanties is een uitsplitsing naar jaar, type incident en religieuze instelling niet beschikbaar.
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten en acht u deze maatregelen toereikend?
De verantwoordelijkheid voor het treffen van passende veiligheidsmaatregelen ligt op de eerste plaats bij deze instellingen zelf. De lokale driehoek kan aanvullende veiligheidsmaatregelen nemen als deze instellingen, redelijkerwijs op eigen kracht geen, of onvoldoende, weerstand kunnen bieden tegen de dreiging en het risico. Het treffen van aanvullende maatregelen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie en risicobeeld.
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden over (specifieke) maatregelen publiekelijk geen mededelingen gedaan.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nederland?
Het is primair aan het OM om te beoordelen wanneer en op welke wijze over (de afdoening van) individuele zaken kan worden gecommuniceerd. Indien het onderzoek tot uitkomsten leidt die van belang kunnen voor uw Kamer, zal ik er zorg voor dragen dat uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Seksuele uitbuiting van minderjarigen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd «EKO Kajal» heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes – van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is – rondom het centraal station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit?
Ja
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving, mede in het licht van de grootschalige zaken in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen overwegend bestonden uit mannen van Pakistaanse afkomst en de slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren – en waarbij de officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de dadergroepen niet durfden te benoemen – en deelt u de opvatting dat onderzocht moet worden in hoeverre bij dergelijke zaken sprake is van etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?
Seksueel misbruik van minderjarigen is afschuwelijk; ieder slachtoffer van seksuele uitbuiting is er één te veel. Gelet op het feit dat het hier gaat om berichtgeving over individuele zaken die buiten Nederland spelen, ga ik op de berichten niet verder in. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor structureel etnisch gemotiveerde slachtofferselectie in Nederlandse zaken, daarom is een onderzoek gericht op etniciteit niet nodig.
Deelt u de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en de huidige zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon laten zien waarbij kwetsbare minderjarigen door georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs of intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden gebracht en vervolgens stelselmatig seksueel worden misbruikt en uitgebuit – en dat dit patroon zich doorgaans buiten het directe zicht van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?
Seksueel misbruik van minderjarigen is afschuwelijk. De situaties in Rotherham, Rochdale en Neurenberg spelen in verschillende landen. Het is niet aan mij om daar verdere uitspraken over te doen.
Voor de Nederlandse situatie geldt dat er geen vergelijkbare zaken bekend zijn van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet. De politie en het OM hebben wel onderzoeken gekend waarin minderjarige slachtoffers seksueel zijn uitgebuit door samenwerking van meerdere daders, maar er zijn geen aanwijzingen voor een structureel patroon. De politie is hier alert op en zal bij eventuele nadere signalen direct afwegen of opsporingsonderzoek geïndiceerd is.
Beschikt u over signalen dat vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet – zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend? Zo nee, op basis waarvan concludeert u dat dergelijke signalen ontbreken, mede gelet op het feit dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen?
Bij de politie zijn thans geen aanwijzingen bekend van vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet.
De waarschuwing van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna: Nationaal Rapporteur) voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen was mede aanleiding voor het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) om onderzoek te doen naar ronselpraktijken binnen zorginstellingen. Uit dat onderzoek volgt dat zorginstellingen vanwege de kwetsbaarheid van bewoners aantrekkelijk kunnen zijn voor mensenhandelaren. Tot dusverre is in één geval betrokkenheid van een medewerker vastgesteld. Ondanks de resultaten uit dit onderzoek ben ik mij bewust van de signalen van criminele infiltratie in zorginstellingen. We voeren binnen het Actieplan Samen tegen mensenhandel daarnaast een pilot uit naar de preventie van ronselen in beschermd en begeleid wonen. Dit is gericht op het herkennen, bespreken en voorkomen van ronselen in zorginstellingen. De eerste inzichten laten zien dat de aanpak professionals helpt bij het signaleren en bespreekbaar maken van risico’s.
Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin minderjarige meisjes via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of andere vormen van dwang in seksuele uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet, en acht u dit aanvaardbaar?
De politie registreert slachtoffers van uitbuiting die bij haar in beeld komen, waaronder minderjarige meisjes. De specifieke vorm van dwang waardoor zij in de uitbuitingssituatie terecht zijn gekomen (bijvoorbeeld drugs, schulden of afhankelijkheidsrelaties) wordt niet landelijk en uniform geregistreerd. Daar is vanuit het opsporingsbelang ook geen directe noodzaak toe, omdat voor minderjarigen het bestaan van dwang geen vereiste is om te komen tot strafbaarheid wegens mensenhandel.
Kunt u aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting van minderjarigen de afgelopen vijf jaar sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere daders, en in hoeveel zaken van een individuele dader?
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) houdt geen registratie bij van het aantal zaken met betrekking tot seksuele uitbuiting van minderjarigen waarin sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband dan wel van individuele daders.
In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten, jeugdzorginstellingen en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over voldoende instrumenten om georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen, en welke knelpunten worden hierbij gesignaleerd?
De politie en het OM zijn primair verantwoordelijk voor het herkennen (politie) en het opsporen en vervolgen (OM) van verdachten van georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten. Gemeenten en jeugdzorginstellingen vervullen een cruciale signalerings- en meldfunctie richting ketenpartners. De Nationaal Rapporteur doet onafhankelijk onderzoek en adviseert het kabinet over verbeteringen in de aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen.
De politie en het OM geven aan te beschikken over toereikende instrumenten om signalen van georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten tijdig te herkennen en te onderzoeken. Wanneer dergelijke netwerken in beeld komen, biedt het huidige wettelijke kader voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden.
Er wordt stevig geïnvesteerd in het versterken van de signalerings- en meldfunctie rond mensenhandel in brede zin, bij ketenpartners. Binnen het Actieplan Programma Samen tegen Mensenhandel is specifieke aandacht voor minderjarige slachtoffers via bewustwording en deskundigheidsbevordering, onder meer bij jeugdzorg, politie en het OM. Professionals worden ondersteund met een gratis e-learning, maatwerktrainingen en de campagne «Jongeren zijn #GeenBuit» om signalen van mensenhandel bij jeugdigen tijdig te herkennen en ernaar te handelen. Ook wordt ingezet op het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen lokale en regionale partners centraal, en de versterking van de regionale en bovenregionale samenwerking.
Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde groepen minderjarige meisjes een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van deze vorm van uitbuiting – bijvoorbeeld meisjes uit instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp – en zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
Er zijn op dit moment geen signalen bekend bij de politie van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet. Gericht onderzoek op basis van politiedata naar deze concrete modus operandi is daardoor momenteel niet mogelijk.
Beschikt u over gegevens omtrent de nationaliteit, migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten die in Nederland betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen? Zo ja, bent u bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, deelt u de opvatting dat het ontbreken van deze registratie – gelet op de uitdrukkelijke conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen van de achtergrond van dadergroepen het ingrijpen heeft vertraagd en slachtoffers heeft geschaad – zelf een beleidsrisico vormt dat correctie behoeft?
De politie en het OM registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten. Indien bekend wordt de nationaliteit door de politie wel geregistreerd; deze gegevens worden gedeeld met de Nationaal Rapporteur en opgenomen in haar jaarbeeld. Bijzondere categorieën van politiegegevens mogen ook enkel door de politie en het OM verzameld en verwerkt worden indien dit noodzakelijk is voor het doel van de verwerking, i.c. de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Deze gegevens worden dan ook niet categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal zijn. De Nationaal Rapporteur heeft de wettelijke taak om onderzoek te doen naar de aard en omvang van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. Ook is het een wettelijke taak om onderzoek te doen naar de effecten van het huidige beleid op de aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen en om de regering te adviseren over het voorkomen en bestrijden ervan. Ik laat me hierover dan ook adviseren door de Nationaal Rapporteur.
Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen niet structureel worden verzameld of geanalyseerd, acht u het wenselijk hierin verandering te brengen, zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en achtergrond van deze ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden afgestemd?
Zie antwoord vraag 9.
Welke concrete lessen trekt u uit de zaken in Neurenberg, Rotherham, Rochdale en vergelijkbare buitenlandse onderzoeken, en ziet u aanleiding om de Nederlandse aanpak – inclusief het instrumentarium voor vroegherkenning, registratie en vervolging – tegen het licht te houden?
Het is niet aan ons om op basis van mediaberichten over buitenlandse zaken conclusies te trekken of beleidslessen te formuleren.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland, inclusief de wijze waarop politie, Openbaar Ministerie en hulpverlening dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling of het huidige instrumentarium toereikend is?
De Nationaal Rapporteur rapporteert jaarlijks over de aard en omvang van seksuele uitbuiting, ook van minderjarigen. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 7 geven politie en OM aan voldoende uit de voeten te kunnen met het huidige instrumentarium.
De Blauwe Haven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke handelingen en interventies heeft de korpsleiding vanaf juni 2024 verricht ten aanzien van De Blauwe Haven?
De korpsleiding heeft mij laten weten dat het eerste signaal over De Blauwe Haven hen in juni 2024 heeft bereikt. Dit signaal was ernstig, maar op dat moment nog onvoldoende concreet. In de periode daarna is om aanvullende informatie verzocht. Deze informatie is schriftelijk aangeleverd. Daaropvolgend is de korpschef geïnformeerd en heeft zij direct opdracht gegeven tot een intern oriënterend onderzoek door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO).
Welke informatie bevatte het eerste signaal dat de korpsleiding in juni 2024 bereikte, op basis waarvan werd dit signaal als ernstig aangemerkt en welke concrete gegevens ontbraken volgens de korpsleiding waardoor niet direct een onderzoek of interventie is gestart?
In verband met de privacy van de melder en betrokkenen doe ik geen uitspraken over de inhoudelijke aspecten van dit eerste signaal.
Hoeveel personen hebben zich gedurende het onderzoek gemeld als mogelijk slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag, aanranding of verkrachting binnen De Blauwe Haven, ongeacht of hun verklaring uiteindelijk formeel onderdeel is geworden van het onderzoek, en zijn er signalen ontvangen dat het aantal mogelijke slachtoffers aanzienlijk hoger ligt dan het aantal slachtoffers dat tot op heden publiekelijk bekend is gemaakt?
De politie heeft mij laten weten dat de medewerkers van het onderzoeksteam met tientallen mensen hebben gesproken, zowel melders als getuigen. In verband met de privacy van de melder en betrokkenen doe ik geen uitspraken over de inhoudelijke aspecten van meldingen.
Hoe kan worden vastgesteld dat het onderzoek een volledig beeld heeft opgeleverd, terwijl de politie zelf erkent dat personen terughoudend waren om formeel te verklaren?
Ik heb vertrouwen in de professionaliteit van het landelijk team interne onderzoeken (LTIO).
Erkent u dat medewerkers terughoudend kunnen zijn om melding te doen wanneer onderzoek plaatsvindt door een team dat onderdeel uitmaakt van dezelfde politieorganisatie als waartegen de meldingen zich richten? Zo ja, waarom is niet gekozen voor een volledig extern en onafhankelijk onderzoek?
Het landelijk team interne onderzoeken (LTIO) is een team dat is opgericht om eenheidsoverstijgende interne integriteitskwesties te onderzoeken. Ik heb vertrouwen in hun professionaliteit. Bij vermoedens van strafbare feiten neemt het LTIO contact op met het openbaar ministerie.
Waarom kiest u voor de formulering dat het onderzoek zich «niet per definitie» heeft beperkt tot drie personen, in plaats van helder uiteen te zetten wat de feitelijke scope van het onderzoek is geweest?
De politie heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de signalen medewerkers van het onderzoeksteam met tientallen mensen hebben gesproken. Op basis hiervan zijn drie disciplinaire onderzoeken gestart. Ook is er één strafrechtelijk onderzoek gestart in opdracht van de officier van justitie.
Welke personen, functies, leidinggevenden, werkprocessen of cultuuraspecten binnen De Blauwe Haven zijn naast de drie disciplinaire onderzoeken onderzocht?
De politie heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de signalen medewerkers van het onderzoeksteam met tientallen mensen hebben gesproken. Er is op geen enkele wijze onderscheid gemaakt tussen personen op basis van functies. Ik doe derhalve geen uitspraak over welke functies, leidinggevende, werkprocessen of cultuuraspecten direct of indirect onderdeel uitmaakten van het onderzoek.
Klopt het dat binnen het onderzoek naar De Blauwe Haven aanvankelijk signalen bestonden die betrekking hadden op zeven mogelijke verdachten en dat deze signalen onder meer betrekking hadden op aanranding, verkrachting, discriminatie, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging en fraude? Zo ja, hoe zijn deze signalen onderzocht en wat is de afdoening per categorie geweest?
Alle signalen over betrokkenen zijn meegenomen in het onderzoek. In verband met de privacy van de melders en betrokkenen doe ik geen uitspraak over de inhoud en hoeveelheid meldingen.
Kunt u aangeven hoeveel signalen, meldingen, verklaringen en aangiften met betrekking tot aanranding, verkrachting, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging, discriminatie en fraude gedurende het onderzoek zijn ontvangen, ongeacht of deze uiteindelijk formeel onderdeel zijn geworden van een disciplinair onderzoek?
De politie heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de signalen medewerkers van het onderzoeksteam met tientallen mensen hebben gesproken. Ik doe geen uitspraak over de inhoudelijke aspecten van deze gesprekken.
Kunt u uitsluiten dat meldingen of signalen over mogelijk strafbare feiten binnen De Blauwe Haven uitsluitend disciplinair zijn afgehandeld zonder dat een beoordeling door het Openbaar Ministerie heeft plaatsgevonden? Zo nee, om hoeveel gevallen gaat het en welke feiten betroffen dit?
Zie het antwoord op vraag 6.
Acht u het handelen van de korpschef achteraf bezien volledig adequaat? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, welke tekortkomingen constateert u?
De korpschef heeft direct nadat ze is geïnformeerd een onderzoek ingesteld. Dit vind ik een juiste handelingswijze.
Bent u bereid alsnog een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
De Rijksrecherche verricht onderzoeken in opdracht van het College van Procureurs-Generaal (OM), niet van de Minister van Justitie en Veiligheid.
Ik heb vertrouwen in de professionaliteit van het LTIO. Bij vermoedens van strafbare feiten neemt de politie contact op met het openbaar ministerie.
Bent u bereid een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen buiten de politiehiërarchie beschikbaar te stellen voor (oud-)medewerkers van De Blauwe Haven? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat politiemedewerkers die een melding willen maken hiertoe de gelegenheid hebben. Hiervoor heeft de politie een uitgebreid lokettenlandschap met onder meer een stelsel van vertrouwenspersonen, diverse meldpunten en de ombudsfunctionaris politie. Sinds 2023 is tevens het Sociaal Loket opgericht dat fungeert als centraal aanspreekpunt bij vragen en meldingen, die vervolgens worden doorgeleid naar het juiste loket in de organisatie.
Waarom zijn een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen niet expliciet als aanvullende maatregel aangewezen indien medewerkers zich niet veilig genoeg voelden om via de reguliere politiekanalen te verklaren?
Gedurende het onderzoek heeft het LTIO gebruik gemaakt van een «geheimhouder». Dit betekent dat melders zich anoniem konden melden bij de geheimhouder. Voor meer informatie over de werkzaamheden van de geheimhouder verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Coenradie van 29 mei jl.
Klopt het dat meerdere vermeende slachtoffers in het kader van De Blauwe Haven gesprekken hebben gevoerd met vertegenwoordigers van de Nederlandse Politiebond (NPB) over het doen van aangifte? Zo ja, welke opvolging is hieraan gegeven?
De politie heeft mij laten weten dat zij signalen hebben ontvangen dat dergelijke gesprekken met de NPB hebben plaatsgevonden. Zij zijn niet bekend met de inhoud van deze gesprekken.
Klopt het dat zogenoemde kluisverklaringen al bestonden of werden besproken voordat het LTIO-onderzoek formeel van start ging? Zo ja, wat was de aanleiding hiervoor en op welke wijze zijn deze verklaringen betrokken bij het onderzoek?
Gedurende het onderzoek heeft het LTIO gebruik gemaakt van een «geheimhouder». Dit betekent dat melders zich anoniem konden melden bij de geheimhouder. De korpsleiding heeft mij laten weten dat zich enkele personen bij deze geheimhouder hebben gemeld, waarop met hen een gesprek is gevoerd.
Zijn u signalen bekend dat medewerkers die melding wilden doen of een verklaring wilden afleggen zijn benaderd of geïntimideerd door verdachten, familieleden van verdachten of leidinggevenden? Zo ja, hoeveel van dergelijke signalen zijn ontvangen, wanneer heeft de korpsleiding hiervan kennisgenomen en welke maatregelen zijn naar aanleiding daarvan genomen?
De politie heeft mij laten weten dat enkele personen zich hebben gemeld bij het onderzoeksteam die intimidatie en bedreigingen hebben ervaren. Deze signalen zijn meegenomen door het onderzoeksteam.
Zijn u signalen bekend dat binnen De Blauwe Haven of aanverwante projecten werd gesproken over een zogenoemde «lijst» waarop medewerkers zouden staan die misstanden hadden gemeld of hierover vragen hadden gesteld? Zo ja, is onderzocht of een dergelijke lijst daadwerkelijk heeft bestaan en wat waren de bevindingen?
De politie heeft mij laten weten dat zij niet bekend zijn met een zogenoemde «lijst» met medewerkers die misstanden hebben gemeld.
Kunt u aangeven of er binnen het onderzoek aanwijzingen zijn aangetroffen voor een cultuur van angst, terughoudendheid of vrees voor repercussies onder medewerkers die melding wilden doen van misstanden? Zo ja, welke conclusies zijn hieruit getrokken?
De Blauwe Haven moet bij uitstek een omgeving zijn waar politiemensen onder veilige omstandigheden kunnen werken of re-integreren. De politie heeft geconstateerd dat er bij de Blauwe Haven in de loop der jaren een onwenselijke cultuur is ontstaan, waarbinnen sprake was van onwenselijke omgangsvormen. De korpsleiding is geschrokken van het beeld dat is ontstaan en heeft daarom ingegrepen. Naast drie disciplinaire trajecten zijn ook wijzigingen doorgevoerd bij de leiding van de Blauwe Haven.
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) is gevraagd om informatie te verstrekken om deze vraag te kunnen beantwoorden. De Rvdr heeft aangegeven dat in de voor hun beschikbare managementinformatiesystemen geen gemiddelde straffen worden genoemd. Wel kan een berekening worden gemaakt van een selectie zaken.
Omdat de genoemde delictscategorieën soms erg breed zijn en een combinatie bevatten van zware feiten en minder zware feiten, is ervoor gekozen om een overzicht te maken van de gemiddelde straffen van één of meerdere vergelijkbare veelvoorkomende delictscategorieën over de jaren 2021–2025.
Het gaat om de navolgende delicten:
Voor het merendeel van deze delicten geldt dat in het grootste deel van de 1-feitszaken (dat wil zeggen zaken die slechts één bewezen feit omvatten) een vrijheidsstraf is opgelegd, al dan niet in combinatie met een taakstraf, geldboete en/of maatregel zoals bijvoorbeeld terbeschikkingstelling (TBS). Voor het delict «zware mishandeling» geldt dat in ruim twee derde van de 1-feitszaken waarin sprake is van een strafoplegging een vrijheidsstraf is opgelegd: in de meeste zaken van het overige deel is een taakstraf (die bij jeugdigen en jongvolwassenen kan bestaan uit een leerstraf en/of werkstraf volgens artikel 77h SR) opgelegd.
De rechter baseert de strafmaat vooral op de ernst van het specifieke feit, vergelijkbare uitspraken en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het strafmaximum fungeert daarbij als uiterste grens en niet als uitgangspunt.
Ook de richtlijnen van het Openbaar Ministerie blijven onder de strafmaxima. De hogere strafmaxima zijn in de praktijk voorbehouden aan de meest zware gevallen.
Als bijlage is een overzicht bijgevoegd van de gemiddelde opgelegde vrijheidsstraf (het onvoorwaardelijk en het voorwaardelijke deel samen) en van de opgelegde TBS of Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ) voor deze delicten.
Hierbij volgt de toelichting bij de cijfers genoemd in het overzicht:
Tot slot merkt de Rvdr bij het aanleveren van het overzicht over de opgelegde straffen per delict in zijn algemeenheid op dat de informatie over de straffen in relatie tot de maximumstraf geen betrouwbare informatie oplevert en daarom ook niet in het overzicht is opgenomen.
Kunt u aangeven welk percentage van de bij het Openbaar Ministerie aangebrachte geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht uiteindelijk heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per delictscategorie en per jaar uitsplitsen?
Deze informatie is bij zowel het Openbaar Ministerie als bij de Raad voor de rechtspraak niet beschikbaar waardoor ik daar geen antwoord op kan geven.
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Met verwijzing naar het op antwoord 1, beperkt de aangeleverde informatie door de Rvdr zich tot een gemiddelde straf per delict. Deze cijfers in het aangeleverde overzicht hebben betrekking op het grondfeit. Voor zover dat juridisch mogelijk is, kan het daarbij zowel gaan om voorbereiding van het grondfeit, poging tot het grondfeit of het voltooide grondfeit. Daarnaast kan – voor zover dat juridisch mogelijk is – (ook) sprake zijn van deelneming aan het grondfeit (medeplegen, medeplichtigheid, uitlokking of doen plegen van het grondfeit). Ook kan sprake zijn van samenloop tussen feiten. Hierdoor is er geen betrouwbare informatie uit de beschikbare managementinformatiesystemen te halen ten aanzien van de toepasselijke wettelijke maximumstraf in een concrete zaak.
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 3 kan op deze vraag geen antwoord worden gegeven.
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
De strafeis per individuele strafzaak of per delictscategorie wordt door het Openbaar Ministerie niet geregistreerd.
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 5, is de gevraagde informatie over het gemiddelde verschil tussen de strafeis en de opgelegde straf niet beschikbaar. Daarom kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Kunt u voor geweldsdelicten tegen hulpverleners inzichtelijk maken wat in de afgelopen vijf jaar de gemiddelde strafeis van het Openbaar Ministerie was, wat de gemiddelde uiteindelijk opgelegde straf was en hoe groot de afwijking daartussen gemiddeld was, zowel in absolute zin als percentage van de strafeis?
Met verwijzing naar het antwoord op vragen 1 en 5, is de gevraagde informatie bij geweldsdelicten tegen hulpverleners niet beschikbaar en kan daarom geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 5 en 6, kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 3, kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
De verhouding tussen de opgelegde straffen en de wettelijke strafmaxima wordt zowel door het ministerie, als het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak niet structureel bijgehouden. In het licht van het antwoord op vraag 1, kan met de beschikbare informatie uit de managementinformatiesystemen geen voldoende betrouwbaar en compleet beeld worden gegeven met betrekking tot het bewezenverklaarde feit in relatie tot de opgelegde straf en/of maatregel. Ook ontstaat daardoor geen voldoende betrouwbaar beeld over de van toepassing zijnde maximumstraf in een concrete zaak en kan dus ook de vraag hoe de opgelegde straf zich verhoudt tot die maximumstraf niet worden beantwoord. Wat de maximumstraf is in een concrete zaak hangt – zoals in het antwoord op vraag 1 besproken – van zoveel factoren af dat het verwerken van deze informatie in de managementinformatiesystemen een intensief en complex traject zal zijn – los van of het technisch haalbaar is.
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Het WODC-onderzoek «Strafverzwaring in samenhang» biedt mede door middel van jurisprudentieonderzoek inzichten in de mate waarin verhogingen van wettelijke strafmaxima doorwerken in de rechterlijke straftoemeting.1 Daarmee bestaat voor een aantal delicten reeds een beeld van de betekenis van strafmaxima in de rechterlijke straftoemetingspraktijk.
De onderzoekers concluderen dat de uitdaging ligt in het ontwikkelen van beter onderbouwde en consistent toegepaste straftoemetingskaders. De wetgever kan volgens de onderzoekers wettelijke strafmaatverhogingen beter onderbouwen en de rechterlijke macht (rechtspraak en het Openbaar Ministerie) zou de onderbouwing van de straftoemetingsrichtlijnen kunnen verbeteren.
Aanvullend inzicht in de verhouding tussen wettelijke strafmaxima, de strafvorderingsrichtlijnen van het OM en de oriëntatiepunten van de rechtspraak kan evenwel bijdragen aan een beter begrip van de wijze waarop deze factoren zich tot elkaar verhouden. Tegen deze achtergrond ben ik in gesprek met het OM en de Rechtspraak over het versterken van de onderbouwing van de wettelijke strafmaatverhogingen, de straftoemetingsrichtlijnen van het OM en de rechtspraak en over de doorwerking van de wettelijke verhogingen. Ik informeer u hierover nader in de tweede helft van 2026.
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) is gevraagd om informatie te verstrekken om deze vraag te kunnen beantwoorden. De Rvdr heeft aangegeven dat in de voor hun beschikbare managementinformatiesystemen geen gemiddelde straffen worden genoemd. Wel kan een berekening worden gemaakt van een selectie zaken. Omdat de genoemde delictscategorieën soms erg breed zijn en een combinatie bevatten van zware feiten en minder zware feiten, is ervoor gekozen om een overzicht te maken van de gemiddelde straffen van één of meerdere vergelijkbare veelvoorkomende delictscategorieën over de jaren 2021–2025.
Het gaat om de navolgende delicten:
Voor het merendeel van deze delicten geldt dat in het grootste deel van de 1-feitszaken (dat wil zeggen zaken die slechts één bewezen feit omvatten) een vrijheidsstraf is opgelegd, al dan niet in combinatie met een taakstraf, geldboete en/of maatregel zoals bijvoorbeeld terbeschikkingstelling (TBS). Voor het delict «zware mishandeling» geldt dat in ruim twee derde van de 1-feitszaken waarin sprake is van een strafoplegging een vrijheidsstraf is opgelegd: in de meeste zaken van het overige deel is een taakstraf (die bij jeugdigen en jongvolwassenen kan bestaan uit een leerstraf en/of werkstraf volgens artikel 77h SR) opgelegd.
De rechter baseert de strafmaat vooral op de ernst van het specifieke feit, vergelijkbare uitspraken en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het strafmaximum fungeert daarbij als uiterste grens en niet als uitgangspunt. Ook de richtlijnen van het Openbaar Ministerie blijven onder de strafmaxima. De hogere strafmaxima zijn in de praktijk voorbehouden aan de meest zware gevallen.
Als bijlage is een overzicht bijgevoegd van de gemiddelde opgelegde vrijheidsstraf (het onvoorwaardelijk en het voorwaardelijke deel samen) en van de opgelegde TBS of Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ) voor deze delicten.
Hierbij volgt de toelichting bij de cijfers genoemd in het overzicht:
Tot slot merkt de Rvdr bij het aanleveren van het overzicht over de opgelegde straffen per delict in zijn algemeenheid op dat de informatie over de straffen in relatie tot de maximumstraf geen betrouwbare informatie oplevert en daarom ook niet in het overzicht is opgenomen.
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 1, beperkt de aangeleverde informatie door de Rvdr zich tot een gemiddelde straf per delict. Deze cijfers in het aangeleverde overzicht hebben betrekking op het grondfeit. Voor zover dat juridisch mogelijk is, kan het daarbij zowel gaan om voorbereiding van het grondfeit, poging tot het grondfeit of het voltooide grondfeit. Daarnaast kan – voor zover dat juridisch mogelijk is – (ook) sprake zijn van deelneming aan het grondfeit (medeplegen, medeplichtigheid, uitlokking of doen plegen van het grondfeit). Ook kan sprake zijn van samenloop tussen feiten. Hierdoor is er geen betrouwbare informatie uit de beschikbare managementinformatiesystemen te halen ten aanzien van de toepasselijke wettelijke maximumstraf in een concrete zaak.
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 2 kan op deze vraag geen antwoord worden gegeven.
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
De strafeis per individuele strafzaak of per delictscategorie wordt door het Openbaar Ministerie niet geregistreerd.
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 4, is de gevraagde informatie over het gemiddelde verschil tussen de strafeis en de opgelegde straf niet beschikbaar. Daarom kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Met verwijzing naar vraag 4 en 5, kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 1 en 2, kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
De verhouding tussen de opgelegde straffen en de wettelijke strafmaxima wordt zowel door het ministerie, als het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak niet structureel bijgehouden. In het licht van het antwoord op vraag 1, kan met de beschikbare informatie uit de managementinformatiesystemen geen voldoende betrouwbaar en compleet beeld worden gegeven met betrekking tot het bewezenverklaarde feit in relatie tot de opgelegde straf en/of maatregel. Ook ontstaat daardoor geen voldoende betrouwbaar beeld over de van toepassing zijnde maximumstraf in een concrete zaak en kan dus ook de vraag hoe de opgelegde straf zich verhoudt tot die maximumstraf niet worden beantwoord. Wat de maximumstraf is in een concrete zaak hangt – zoals in het antwoord op vraag 1 besproken – van zoveel factoren af dat het verwerken van deze informatie in de managementinformatiesystemen een intensief en complex traject zal zijn – los van of het technisch haalbaar is.
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Het WODC-onderzoek «Strafverzwaring in samenhang» biedt mede door middel van jurisprudentieonderzoek inzichten in de mate waarin verhogingen van wettelijke strafmaxima doorwerken in de rechterlijke straftoemeting.1 Daarmee bestaat voor een aantal delicten reeds een beeld van de betekenis van strafmaxima in de rechterlijke straftoemetingspraktijk.
De onderzoekers concluderen dat de uitdaging ligt in het ontwikkelen van beter onderbouwde en consistent toegepaste straftoemetingskaders. De wetgever kan volgens de onderzoekers wettelijke strafmaatverhogingen beter onderbouwen en de rechterlijke macht (rechtspraak en het Openbaar Ministerie) zou de onderbouwing van de straftoemetingsrichtlijnen kunnen verbeteren.
Aanvullend inzicht in de verhouding tussen wettelijke strafmaxima, de strafvorderingsrichtlijnen van het OM en de oriëntatiepunten van de rechtspraak kan evenwel bijdragen aan een beter begrip van de wijze waarop deze factoren zich tot elkaar verhouden. Tegen deze achtergrond ben ik in gesprek met het OM en de Rechtspraak over het versterken van de onderbouwing van de wettelijke strafmaatverhogingen, de straftoemetingsrichtlijnen van het OM en de rechtspraak en over de doorwerking van de wettelijke verhogingen. Ik informeer u hierover nader in de tweede helft van 2026.
Strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme |
|
Gidi Markuszower (PVV), Mona Keijzer |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van de leden Keijzer en Markuszower over het met grote spoed naar de Kamer sturen van het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State en het wetsvoorstel inzake de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme (Kamerstuk 23 432, nr. 662)?
Ja.
Kunt u toelichten waarom deze motie tot op heden nog niet is uitgevoerd en waarom het nader rapport en het wetsvoorstel nog niet aan de Tweede Kamer zijn toegezonden?
De Raad van State heeft op 30 maart jl. advies uitgebracht over het wetsvoorstel strafbaarstelling verheerlijken van terrorisme en openbare steunbetuiging aan terroristische organisaties. De afgelopen periode is benut om het advies van de Raad van State te verwerken. Inmiddels is dit gebeurd en zal het wetsvoorstel op zeer korte termijn – via het Kabinet van de Koning – bij uw Kamer worden ingediend.
Deelt u de opvatting dat spoedige behandeling van het wetsvoorstel, gelet op de maatschappelijke en nationale veiligheidsbelangen, noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Het wetsvoorstel beoogt aan deze belangen een bijdrage te leveren, door zowel het verheerlijken van de meest ernstige terroristische misdrijven als het in het openbaar betuigen van steun aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen. Zo kunnen boodschappen die radicalisering en de gevaren die daarvan uitgaan – zoals het oproepen tot en later plegen van geweld – tot gevolg kunnen hebben, in een vroeg stadium strafrechtelijk worden geadresseerd.
Op welke uiterste datum verwacht u het nader rapport en het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te sturen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze vragen binnen enkele dagen te beantwoorden?
Ja.
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Ja.
Hoe reageert u op dit bericht?
Wij vinden het zeer zorgwekkend dat dergelijke beelden van met name jonge vrouwen worden gemaakt en verspreid. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van meerderjarige personen zonder hun toestemming is strafbaar. Het mag duidelijk zijn dat dit soort strafbare feiten onacceptabel is en niet mag plaatsvinden. De impact en de gevolgen van dergelijke deepnudes kunnen voor slachtoffers en hun omgeving enorm zijn, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast betreft het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes (zoals bijvoorbeeld afbeeldingen die zijn bewerkt met een zogenaamde downsyndroomfilter) waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag een schending van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Het betreft non-consensueel gemanipuleerde of gegenereerde seksuele beelden van echte jonge vrouwen die via zowel open platforms als gesloten kanalen worden verspreid. Via een brede uitvraag bij de politie, Centrum Seksueel Geweld (CSG), Offlimits, de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), Slachtofferhulp Nederland, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (NRM) en het Openbaar Ministerie (OM) is naar voren gekomen dat representatieve cijfers ontbreken in het geval van beelden waarbij sprake is van een combinatie van AI-gegenereerde naaktbeelden en digitale verminking, dan wel met de toevoeging van een beperking en/of het toepassen van een downsyndroomfilter.
Omdat in de registratiesystemen van de politie geen onderscheid wordt gemaakt tussen misbruik van seksueel beeldmateriaal en misbruik van beeldmateriaal dat met AI is gegenereerd, beschikt de politie niet over cijfers van het aantal seksuele deepfakes. De afgelopen maanden signaleert de politie wel een toename van platformmeldingen via NCMEC (het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children) van online materiaal van seksueel kindermisbruik dat met AI is aangemaakt of bewerkt. Hierbij benadrukt de politie dat deze meldingen laten zien dat illegale content wordt gegenereerd, maar niet op basis van welke prompts dit is gebeurd. Dit maakt het voor de politie complex, in sommige gevallen zelfs onmogelijk, om vast te stellen wat een gebruiker precies heeft gedaan, of de prompt op basis van materiaal van echte personen is geweest en of de gebruiker bijvoorbeeld de intentie had om strafbaar materiaal te vervaardigen. Hierdoor is het lastig om de (strafrechtelijke) verwijtbaarheid aan te tonen. Daarnaast ontbreekt in zijn algemeenheid vaak veel noodzakelijke informatie bij de meldingen. De politie analyseert doorlopend de binnengekomen NCMEC-meldingen.
Het CSG geeft aan dat meldingen over dit soort beelden niet expliciet worden geregistreerd omdat mensen hen bellen in nood en hun beleid is om niet actief uit te vragen wat daarvan de achtergrond is, want dat is niet nodig voor het bieden van eerste psychische hulp. Het CSG krijgt in algemene zin een heel breed scala aan seksuele geweldsvormen binnen.
Offlimits ziet bij hun hulplijn dat AI gerelateerd online misbruik mensen van alle leeftijden en genders kan treffen. AI-gegenereerde naaktafbeeldingen worden niet alleen gebruikt voor seksuele doeleinden, maar worden ook ingezet om mensen te vernederen of in diskrediet te brengen. Offlimits ziet bij hun hulplijn dat naast seksuele deepfakes, AI ook wordt gebruikt om mensen te vervormen of esthetisch onaantrekkelijk te maken. Dit kan voor slachtoffers ingrijpende gevolgen hebben. Offlimits zag in 2025 een toename in het aantal meldingen van afbeeldingen gemaakt met AI. Zij hebben in dat jaar 291 keer gesprekken gevoerd over AI gegenereerd beeldmateriaal.2 Het gaat dan met name om cyberpesten en sextortion. Het werkelijke aantal zal hoger liggen omdat niet in alle gevallen duidelijk is dat het om dit soort afbeeldingen gaat. Offlimits geeft aan dat sprake is van een omvangrijk en groeiend probleem.
De ATKM heeft ten aanzien van het soort afbeeldingen waaraan wordt gerefereerd in het artikel van De Telegraaf geen concrete meldingen ontvangen. Slachtofferhulp Nederland kan geen uitspraak doen over de omvang van dit soort beelden omdat zij in hun registratiesysteem bij seksuele misdrijven geen onderscheid maken tussen AI gegenereerd en niet-AI-gegenereerd materiaal. Het OM en de NRM kunnen geen uitspraken doen omtrent de aard en omvang van dit soort AI-gegenereerde beelden.
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties zoals Offlimits, Slachtofferhulp Nederland en het CSG. De routes daartoe verschillen, maar deze organisaties werken veel samen om zo de behoefte van slachtoffers het beste te dienen. Slachtoffers hebben grofweg drie hoofdbehoeftes. Bij het uitkomen van (of dreigen met) beelden hebben slachtoffers een hoge urgentie voor het verwijderen van het online materiaal.3 Als het materiaal wordt ingezet voor chantage, afpersing of dwang, is er behoefte aan veiligheid en juridische ondersteuning. Na de eerste angst en stress hebben slachtoffers behoefte aan psychische ondersteuning. Slachtoffers van dit soort feiten hebben vaak ook behoefte aan herstel van het veiligheidsgevoel in de digitale omgeving en van het geschaad zelfbeeld. Bovendien gaat online seksueel geweld vaak gepaard met fysiek seksueel geweld, wat medische en forensische inzet vraagt.
Slachtofferhulp Nederland, het CSG en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken zij gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door. In het geval van aangifte worden gegevens na toestemming van de aangever automatisch gedeeld met Slachtofferhulp Nederland, waarna medewerkers van Slachtofferhulp Nederland contact opnemen met het slachtoffer. Deze medewerkers kunnen professionele juridische begeleiding bieden, helpen bij het aanvragen van schadevergoeding maar ook laagdrempelige emotionele en praktische steun en lotgenotencontact organiseren. Het CSG krijgt veel verwijzingen van professionals uit zowel politie-, (huisartsen)zorg- en GGZ-ketens. Het CSG biedt bewezen effectieve psychologische hulp en kunnen GGZ-wachtlijsten overbruggen en medische en forensische zorg coördineren. Offlimits helpt als trusted flagger bij het verwijderen van beeldmateriaal en werkt veel samen met bijvoorbeeld scholen om kinderen en jongeren te bereiken.
Offlimits, het CSG, Fier en Fonds Slachtofferhulp vormen tot slot een consortium tegen online seksueel geweld. Fonds Slachtofferhulp faciliteert een chat waarin Offlimits, Fier en het CSG samenwerken waardoor laagdrempeliger en zo beter onderling wordt doorverwezen afhankelijk van wat nodig is.
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Slachtoffers kunnen daarnaast terecht bij verschillende organisaties, zie hiervoor de beantwoording van vraag 4.
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Met het Europees verbod als opgenomen in de AI-verordening wordt het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt verboden. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.5 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de nieuwe AI-verordening.
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
De genoemde partijen zijn onder de DSA aangewezen als zogeheten «zeer groot online platform» wat betekent dat zij moeten voldoen aan bijzondere verplichtingen onder de digitale dienstenverordening (Digital Services Act, DSA). In die hoedanigheid zijn Meta en X verplicht om systeemrisico’s die kunnen voortvloeien uit het verspreiden van seksuele deepfakes (deepnudes), te identificeren en te beperken. Ook moeten zij het voor gebruikers mogelijk maken om illegale inhoud op eenvoudige wijze te melden. Die meldingen moeten zij op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze beoordelen. Daarnaast kan de hulp van Offlimits, als trusted flagger onder de DSA, worden ingeschakeld bij het indienen van een verwijderverzoek. Het primaat van het DSA-toezicht op Meta en X als zeer grote online platformen ligt bij de Europese Commissie (EC). Als de EC concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de EC bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X.6 Wij blijven als vanzelfsprekend onze steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de EC.
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Voor zover bekend circuleren op zowel het open internet als het dark web verzamelingen en op verzoek vervaardigde AI-beelden die zich richten op specifieke doelgroepen, waaronder beelden van jonge vrouwen met amputaties, letsel of een zichtbare beperking. Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen voor een gecoördineerd netwerk of een achterliggende organisatievorm die deze content stelselmatig produceert of verspreidt.
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Platforms beschikken doorgaans over gegevens en technische mogelijkheden die hen in staat stellen onderzoek te doen naar de wijze waarop content op hun diensten wordt geüpload en verspreid. Daardoor kunnen zij in bepaalde gevallen achterhalen welke accounts betrokken zijn bij het uploaden of verspreiden van dergelijke beelden. Platforms kunnen vervolgens maatregelen treffen, zoals het verwijderen van content, het beperken van de verspreiding daarvan of het uitschakelen van accounts. De Europese Commissie kan bovendien, als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms, op eigen initiatief een onderzoek starten naar vermeende inbreuken op de DSA.
Tegelijkertijd geldt dat intern onderzoek door de platforms niet altijd leidt tot identificatie van de personen die verantwoordelijk zijn voor het maken of verspreiden van de beelden. Er kan daarom niet in algemene zin worden gesteld dat uitsluitend intern onderzoek door platforms voldoende is om in beeld te brengen wie dergelijke beelden maken of verspreiden. Wij beschikken niet over nadere informatie over de omvang of de aard van de onderzoeken die Meta en X zelf uitvoeren naar de makers en verspreiders van dergelijke AI-beelden.
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, vindt het kabinet het belangrijk dat er ook onafhankelijk onderzoek plaatsvindt naar contentmoderatie en de naleving van platformbeleid.7 Artikel 40 van de DSA voorziet in mogelijkheden voor zogenoemde erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms en zoekmachines. Dit maakt onderzoek mogelijk dat kan bijdragen aan het opsporen, vaststellen en begrijpen van systeemrisico’s en het beoordelen van de adequaatheid van risicobeperkende maatregelen. Om de status van «erkende onderzoeker» te krijgen moet een onderzoeker eerst een aanvraag indienen bij de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging, in Nederland is dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
Daarbij moeten onderzoekers aan een aantal criteria voldoen. Daarnaast verplicht artikel 40, twaalfde lid van de DSA zeer grote online platforms om onderzoekers onverwijld toegang te geven tot openbaar toegankelijke gegevens. Daar wordt op toegezien door de EC. In december 2025 heeft de EC bijvoorbeeld een boete opgelegd aan X, onder meer omdat X niet voldoet aan de verplichting om onderzoekers toegang te bieden tot de openbare gegevens van het platform.8
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Er zijn diverse instanties die werken aan de aanpak van seksuele deepfakes, waaronder de politie, het OM, de ATKM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de EC, en de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
De EC houdt op grond van de DSA toezicht op zeer grote online platformen zoals Meta en X. Zij kan als bevoegd toezichthouder onderzoeken instellen en, indien nodig, handhavend optreden. Daarbij kan zij boetes opleggen van maximaal 6% van de omzet van een platform. De ACM is de bevoegde Nederlandse toezichthouder op de DSA. De ACM heeft op grond van de DSA echter geen bevoegdheid om verwijderbevelen voor specifieke inhoud op te leggen. Wel kan de ACM op grond van de DSA handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende maatregelen treffen tegen illegale inhoud of wanneer hun procedures voor het afhandelen van meldingen niet op orde zijn. Daarvan kan sprake zijn wanneer een platform niet, onvoldoende gemotiveerd of niet tijdig reageert op meldingen van illegale inhoud door gebruikers of trusted flaggers, zoals Offlimits. De ACM roept daarnaast gebruikers op om zelf melding te doen bij het betreffende platform of de hostingdienst, bij de politie of een trusted flagger, zoals Offlimits. Deze meldingen zijn van belang om aan te tonen dat beelden zonder toestemming zijn vervaardigd of verspreid. Ook kunnen dergelijke meldingen aantonen dat een platform tekortschiet in de aanpak van illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Het zonder toestemming van de afgebeelde vervaardigen of verspreiden van AI gegenereerde nepnaaktbeelden is strafbaar. De strafbaarstelling in artikel 254ba Wetboek van Strafrecht (Sr) omvat onder meer het zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van seksueel beeldmateriaal. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het kinderpornografisch materiaal en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
De officier van justitie kan op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Voor illegale deepfakes die vallen onder de strafbaarstelling van de artikelen 252, 254ba en artikel 285d Sr is dit het geval. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het OM ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de meldmogelijkheden onder de DSA. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a Sr).
Ten aanzien van kinderpornografisch materiaal is in Nederland de ATKM bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Dit geldt ook voor AI gegenereerd materiaal. Als aanbieders van hostingdiensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Tenslotte biedt de AVG mogelijkheden om illegale deepfakes tegen te gaan. Dit geldt bijvoorbeeld als een deepfake inbreuk maakt op de privacy van een er in afgebeelde persoon. Zo verbiedt de AVG het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag. In de praktijk is daardoor een deepfake die zonder toestemming is gemaakt, zeker als daarin gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) content is te zien, strijdig met de AVG. Het is aan de onafhankelijke toezichthouder op de AVG, de AP, om te beoordelen of zij in individuele gevallen een (rechtmatigheids)onderzoek doet en handhavend optreedt. Dan staan de toezichthouder maatregelen en sancties ter beschikking zoals een boete, een last onder dwangsom, een verwerkingsverbod of een berisping. Een complicerende factor kan daarbij zijn dat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker niet altijd te achterhalen is (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform). Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit in de EU de verwerkingsverantwoordelijke aanbieders van onlinediensten in bepaalde gevallen bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal.
Toezichthouders, politie en OM werken samen aan het identificeren van mogelijkheden om niet alleen de individuele gevallen waarin nudify apps zijn gebruikt voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal of nepnaaktbeelden zonder toestemming, maar juist ook de nudify apps zelf aan te pakken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor het commissiedebat over digitale inclusie op 24 juni.
Het artikel ‘Ombudsman: gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Ombudsman: «gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten» en van het onderzoek van de Nationale ombudsman over de mate waarin de overheid demonstratierecht behoorlijk beschermt en faciliteert?1, 2
Ja.
Herkent u de volgende constatering van de Nationale ombudsman: «Ook aan anti-abortusdemonstranten leggen gemeenten soms voorschriften op die niet overeenkomen met het juridisch kader»?
Ik ben bekend met het rapport van de Nationale ombudsman waarin is opgenomen dat gemeenten soms aan anti-abortusdemonstranten voorschriften opleggen die niet overeenkomen met het juridisch kader. Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de burgemeester hierin een juiste afweging heeft gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan over demonstraties bij abortusklinieken.4 Daarin heeft de rechter duidelijke handvatten gegeven aan gemeenten over hoe kan worden omgegaan met demonstraties bij abortusklinieken.
Kunt u toelichten om welke gemeenten het hier gaat en op welke wijze de door deze gemeenten opgelegde voorschriften niet in overeenstemming zijn met het juridisch kader?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat ook anti-abortusdemonstranten delen in dezelfde rechten als andere demonstranten, en dat dergelijke oneigenlijk opgelegde voorschriften daardoor zeer onwenselijk zijn?4
Een ieder heeft in Nederland het recht om te demonstreren. Daarbij mag geen onderscheid gemaakt worden in het onderwerp of thema waarover wordt gedemonstreerd. Het is aan het lokale gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan voorafgaand aan een demonstratie voorschriften stellen en tijdens een demonstratie aanwijzingen geven over het verloop van de demonstratie, maar alleen op grond van drie criteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie speelt daarbij geen rol.
Bent u bereid met deze gemeenten in gesprek te treden om herhaling te voorkomen, en gemeenten in bredere zin voor te lichten om te voorkomen dat zij met hun voorschriften inbreuk maken op het demonstratierecht, juist ook van deze groep demonstranten?
Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gemeenten hierover aan te spreken.
Ruimte voor voorlichting is er zeker; dat doen we onder meer door financiële ondersteuning van de website demonstratierecht.nl. Ook is er, ter voorbereiding van het opstellen van de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht, gesproken met de gemeenten waarin een abortuskliniek gevestigd is over dit type demonstraties. Tijdens dit overleg hebben de gemeenten onderling ervaringen uitgewisseld over de wijze waarop deze demonstraties door het lokale gezag in goede banen geleid kunnen worden. Tot slot heeft er in januari van dit jaar een kennisuitwisselingsbijeenkomst plaatsgevonden met onder andere burgemeesters en gemeenteambtenaren, waarbij dit onderwerp aan bod is gekomen.
Kunt u deze vragen binnen de gangbare termijn, maar in elk geval ruim voor het commissiedebat over het demonstratierecht, beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Drugs, vechtpartijen en gebrek aan controle, zo ontspoort de markt voor begeleid wonen' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Follow The Money over ernstige misstanden binnen de sector begeleid wonen voor kwetsbare jongeren?1
Ja, daarmee ben ik bekend. De situaties die in het artikel worden beschreven zijn ernstig. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Voor het kabinet staat voorop dat de kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid van de (jeugd)zorg centraal staan.
Hoeveel meldingen, signalen of aangiften zijn de afgelopen vijf jaar gedaan over geweld, drugsgebruik, seksuele uitbuiting, mensenhandel, intimidatie, criminele uitbuiting of ondermijning binnen instellingen voor begeleid wonen en hoelang zijn deze signalen al bekend bij gemeenten, inspecties, politie en het Rijk?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Klopt het dat jongeren binnen sommige woonvoorzieningen in aanraking komen met drugscriminelen, geweld en criminele ronselaars en deelt u de mening dat het onacceptabel is dat jongeren die bescherming nodig hebben juist in zulke omgevingen terechtkomen?
Ik ben helaas bekend met deze signalen en deel de mening dat dit onacceptabel is. De afgelopen periode heb ik meerdere maatregelen ingezet om screening en toezicht op zorg- en jeugdhulpaanbieders in het algemeen te versterken en verder aan te scherpen. Via de Kamerbrief van 15 april jl. heb ik u geïnformeerd dat ik besloten heb aan de slag te gaan met een wetsvoorstel waarmee ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders wordt ingevoerd2. Ik ben ook van plan de vergunningplicht voor Wmo-aanbieders in te voeren.
Hoeveel aanbieders van begeleid wonen zijn de afgelopen vijf jaar onderzocht, gesloten, geschorst of strafrechtelijk aangepakt wegens fraude, witwassen, misbruik van zorggeld, ondeugdelijke zorg of banden met georganiseerde criminaliteit?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is.
Hoe verklaart u dat het blijkbaar relatief eenvoudig is om een zorginstelling of woonvoorziening voor kwetsbare jongeren te starten terwijl toezicht, screening en controle volgens het onderzoek ernstig tekortschieten?
Door de decentralisatie en inkoop van jeugdhulp op gemeenteniveau ligt de contractering bij verschillende gemeenten en hanteren zij verschillende eisen. Ik erken dat de huidige toelating van nieuwe jeugdhulpaanbieders in sommige gevallen te eenvoudig is en te weinig randvoorwaarden biedt om malafide aanbieders te weren. Daarom heb ik besloten ook een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders en Wmo-aanbieders te introduceren. De verwachting is dat het wetsvoorstel waarin dat wordt geregeld in 2028 kan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.
Klopt het dat gemeenten in sommige gevallen tienduizenden euro’s per maand betalen voor één jongere in begeleid wonen en hoe wordt gecontroleerd dat dit geld daadwerkelijk aan zorg, begeleiding en veiligheid wordt besteed?
Hoewel het Ministerie van VWS daar geen centrale administratie over bijhoudt, blijkt dat uit de tarieven dat dit voor kan komen. De gemeente is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van gedeclareerde zorg en ondersteuning op grond van de jeugdwet en Wmo en de prijzen die zij hanteren bij inkoop daarvan.
Deelt u de opvatting dat bestaande toelatingseisen, screening en toezicht kennelijk onvoldoende effectief zijn wanneer aanbieders met dubieuze praktijken of banden met criminaliteit actief kunnen blijven? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben. Er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen en het Kabinet heeft aanvullende maatregelen aangekondigd, zoals in het antwoord op vraag 5 en 8 te lezen is.
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Ziet u aanleiding bestaande screening, integriteitstoetsen en financiële controles voor aanbieders van begeleid wonen verder aan te scherpen en met een landelijke aanpak tegen malafide zorgaanbieders te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet komt met een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Het kabinet wil voorkomen dat malafide zorgaanbieders zich eenvoudig kunnen vestigen of na eerdere overtredingen opnieuw kunnen starten in de zorg. Daarom werkt het kabinet aan een wetsvoorstel om de toetredingseisen te versterken. Uitgangspunt is een duidelijk norm en voor alle nieuwe en herstartende aanbieders van zorg. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden ook strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt naar criminelen in plaats van naar mensen die zorg nodig hebben. Voor de aanpak is oplopend tot 50 miljoen euro per jaar beschikbaar. Dit heb ik op 8 juni jl. in een brief aan uw Kamer gecommuniceerd3.
Ook zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het gemeentelijk toezicht binnen de Jeugdhulp en WMO2015 te verstevigen en te professionaliseren. Ik ben momenteel met de VNG in gesprek over wat nodig is om het gemeentelijk toezicht te verstevigen. Daarnaast is sinds 1 januari 2026 de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj) van kracht. De wet stelt strengere eisen aan de financiële bedrijfsvoering en verantwoording van jeugdhulpaanbieders.
Acht u de huidige bevoegdheden en capaciteit van gemeenten, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en opsporingsdiensten voldoende om misstanden snel aan te pakken en bent u bereid met spoed te komen met een landelijke aanpak tegen fraude, criminaliteit, geweld en falend toezicht binnen begeleid wonen en de jeugdzorgsector en de Kamer hierover vóór het zomerreces te informeren?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8. Op 15 april en op 8 juni jl. heb ik aangekondigd welke maatregelen het Kabinet neemt om fraude binnen de (jeugd)zorgsector aan te pakken en het toezicht te verstevigen. Ik ga de komende tijd aan de slag om deze maatregelen uit te werken.
Het stopzetten van het luchtalarm |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Aerdts , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten waarom er geen middelen zijn gevonden om het luchtalarm als middel in crisissituaties te behouden, zoals aangekondigd in uw brief van 18 mei 2026?1
Op 9 juni 2026 is er een brief gestuurd over de inrichting van een nieuwe civiel militaire waarschuwingsketen.2 In deze brief heb ik uw Kamer, mede namens de Minister van Defensie, geïnformeerd dat wij een nieuwe civiel-militaire waarschuwingsketen gaan realiseren. Onderdeel hiervan is een nieuw innovatief sirenenetwerk, in aanvulling op NL-Alert. Een nadere toelichting staat in deze brief.
Hoeveel geld zou het structureel kosten om het luchtalarm na 1 januari 2028 alsnog te behouden?
Zie antwoord vraag 1.
Ziet u mogelijkheden om het luchtalarm in de toekomst te dekken met de aanvullende Defensiemiddelen in het kader van de nationale weerbaarheid?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse dat het afsluiten van het luchtalarm onwenselijk is, gezien het belang van redundantie in de crisiscommunicatie? Is het niet in elke situatie beter als het luchtalarm en NL-Alert (of alternatieven) naast elkaar bestaan?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u naar het gegeven dat het horen van het luchtalarm en het ontvangen van een NL-Alert een andere lading heeft voor de toehoorder? Waarop baseert u dat het luchtalarm en NL-Alert dezelfde staat van paraatheid teweegbrengt bij burgers?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat, in een heftige ramp of crisis, ook sprake kan zijn van sabotage van mobiele netwerken? Waarop baseert u dat NL-Alert in dergelijke situaties altijd bruikbaar zal zijn?
NL-Alert is afhankelijk van de openbare mobiele netwerken. Uit onderzoek is gebleken dat NL-Alert volstaat als alerteringsmiddel in vredestijd. NL-Alert is robuust en er wordt gewerkt om aan het hoogste niveau van informatiebeveiliging te voldoen, maar geen systeem is onfeilbaar. Bij een scenario van ernstige hybride en militaire dreigingen, waarbij een statelijke actor zeer zware en geavanceerde middelen kan inzetten om infrastructuur (waaronder de mobiele netwerken) te ontwrichten, is het kwetsbaar om enkel over NL-Alert te beschikken. Vanwege het ontbreken van een civiel-militaire waarschuwingsketen (van detectie tot en met alertering van de bevolking) bij luchtdreigingen, is in 2025 een verkenning gestart naar wat er nodig is voor de inrichting van een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen. Hierbij is in beeld gebracht welke aanvullende mogelijkheden en middelen, naast NL-Alert, geschikt zijn om burgers te kunnen alerteren in dit specifieke scenario. Hieruit is een advies naar voren gekomen om deze civiel-militaire waarschuwingsketen robuust en redundant in te richten. Voor het inrichten van een robuust en redundante waarschuwingsketen is het nodig een tweede alerteringsmiddel naast NL-Alert te hebben. Dit tweede middel dient complementair te zijn aan NL-Alert, en op een andere infrastructuur te draaien. Een nieuw innovatief sirenenetwerk geeft het beste antwoord op de vraag.
Is het bereik van NL-Alert, met een stabiele dekking van 92%, voldoende om in een crisissituatie iedereen te bereiken? Hoe verwacht u dit bereik te vergroten?
Het primaire alerteringsmiddel bij rampen en crises in Nederland is al enige jaren NL-Alert. NL-Alert kent via de verschillende distributiekanalen al jaren een stabiel bereik van circa 92% van de bevolking. Naast alarmering biedt NL-Alert ook informatie over een crisis, handelingsperspectief en doorverwijzingen naar aanvullende informatiebronnen. Naast verspreiding van NL-Alerts via de mobiele telefoons worden NL-Alerts ook via andere kanalen verspreid om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Zo is NL-Alert te zien op digitale reclameschermen en digitale reisinformatieschermen van trein, bus, tram en metro en via schermen in publieke ruimten zoals huisartsenpraktijken en ziekenhuizen.
Er wordt continu gewerkt om het bereik van NL-Alert verder te vergroten. Onder andere via publiekscampagnes van NL-Alert, maar ook via eventuele technische en functionele aanpassingen van NL-Alert en de distributiekanalen zoals de NL-Alert app. Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert. De NL-Alert app is mede ontwikkeld voor mensen die aan de grens wonen en soms verbonden zijn met buitenlandse zendmasten en hierdoor niet altijd NL-Alerts ontvangen en voor mensen voor wie een NL-Alert niet altijd duidelijk is. Voor mensen met een auditieve of visuele beperking kent de NL-Alert app toegankelijkheidsfuncties om het bericht te ontvangen en beter te kunnen begrijpen. De NL-Alert app wordt verder ontwikkeld en verbeterd waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking. Zo wordt momenteel samen met de belangengroepen gewerkt aan het verbeteren van toegankelijkheid van NL-Alert voor de dovengemeenschap door NL-Alert in de Nederlandse Gebarentaal toe te voegen aan de app.
Kunt u onderbouwen dat een alternatief systeem als NL-Alert, waar mensen een telefoon voor nodig hebben, goed digitaal toegankelijk is?
NL-Alert maakt gebruik van cell broadcast techniek waardoor tekstberichten direct naar mobiele telefoons worden doorgestuurd, ook bij overbelasting van het openbare telecommunicatienetwerk. Mensen hoeven zelf niets te doen om een bericht te kunnen ontvangen. Een NL-Alert bericht wordt in zo makkelijk mogelijke taal geschreven (B1-niveau). Daarnaast zijn er andere distributiekanalen waarlangs een bericht ontvangen kan worden (zie de beantwoording bij vraag 7). Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert.
Daarnaast wordt NL-Alert continu doorontwikkeld en verbeterd. Zo wordt er gewerkt aan de informatiebeveiliging, maar ook aan de toegankelijkheid, waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking.
Bent u bekend met Project Särimner, een Zweedse infrastructuur waarin «datanodes» worden gebouwd die in het geval van sabotage of verstoring onafhankelijk van elkaar crisisinformatie kunnen uitwisselen?2
Ja, ik ben op hoofdlijnen bekend met dit project.
Bent u bereid om een oplossing zoals Project Särimner nader te onderzoeken als aanvulling op de nationale crisisinfrastructuur?
Op dit moment wordt daar in relatie tot het WAS niet naar gekeken omdat er vanuit mijn ministerie al een verkenning is gedaan wat er nodig is om een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen in te richten. Hieruit is het
advies voortgekomen om een nieuw sirenenetwerk in te richten naast NL-Alert.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing van 10 juni 2026 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om deze beantwoording voor het commissiedebat nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing te beantwoorden.
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee. Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen. Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken, deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen, is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren), specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen (LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode, daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT, VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning te bieden.
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct prioriteit.
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie». Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een top tot teen-onderzoek volgt.
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak nodig zijn.
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis. De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente zou moeten zijn.