De geweldsgolf in Lelystad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Lelystad opnieuw wordt geteisterd door een reeks explosies bij woningen, waarbij zeer jonge daders worden ingezet en bewoners in grote angst leven?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het geweld in Lelystad al langere tijd speelt en dat er ondanks eerdere arrestaties en maatregelen opnieuw een reeks aanslagen plaatsvindt? Erkent u dat dit voor bewoners het beeld oproept dat de overheid de grip op de situatie dreigt te verliezen?
Het is begrijpelijk dat deze reeks aanslagen bij een deel van de bewoners zorgt voor onrust en mogelijk het beeld oproept dat er onvoldoende grip is op de situatie. De burgemeester, in samenspraak met de lokale driehoek, is verantwoordelijk voor de lokale handhaving van de openbare orde. Op d.d. 5 maart heeft de burgemeester van Lelystad tijdens een interpellatiedebat in de gemeenteraad een uitgebreide toelichting gegeven op raadsvragen naar aanleiding van recente explosies in de stad. Tijdens deze raadsvergadering is benadrukt dat de aanpak van de explosies hoge prioriteit heeft bij politie, OM en gemeente.
Landelijk zien we dat aanslagen met explosieven een hardnekkig en complex fenomeen zijn. Daarom is eind 2024 het Offensief tegen Explosies opgericht. Binnen dit Offensief werken publieke en private partners samen om te komen tot een duurzame afname van het aantal aanslagen met explosieven. In 2025 was landelijk sprake van een lichte daling, maar het aantal is nog steeds te hoog. Samen met het Offensief tegen Explosies blijf ik mij daarom onverminderd inzetten om het aantal aanslagen op woningen, bedrijven en voertuigen terug te dringen.
Hoe kan het dat een vermeende leider van een criminele groep, die in verband wordt gebracht met meerdere geweldsincidenten, met een enkelband en gebiedsverbod tijdelijk de straat op mocht om zijn rijbewijs te halen, terwijl de stad tegelijkertijd wordt geconfronteerd met een nieuwe golf van explosies en geweld? Hoe legt u dit uit aan bewoners die zich inmiddels onveilig voelen in hun eigen wijk?
Gedetineerden kunnen, in het kader van resocialisatie, verlof krijgen en bij voorlopige hechtenis kan hiervoor schorsing worden verleend. Bij de beoordeling hiervan wordt een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij onder meer het recidiverisico en de veiligheid voor de samenleving worden meegewogen. Aan het verlof of de schorsing kunnen voorwaarden worden verbonden die met een enkelband kunnen worden gemonitord, zoals een gebiedsverbod. Over individuele gevallen kan ik geen uitspraken doen.
Deelt u de mening dat het ronselen en inzetten van minderjarigen voor zware criminaliteit een bijzonder laffe en verwerpelijke praktijk is en bent u met ons van mening dat hier aanzienlijk zwaardere straffen voor moeten gelden?
Ik deel de mening dat het verwerpelijk en kwalijk is dat minderjarigen worden geronseld voor het plegen van zware criminaliteit. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, lopen een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken van criminele ronselaars. Dit is zorgelijk. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Hier speelt ook de vaak hoge (tijd)druk door criminelen een rol. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken.
Het is aan de rechter om te bepalen over de strafoplegging. Het OM en de politie geven aan dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de officier van justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten.2
Afhankelijk van de omstandigheden zijn daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment genomen om de betrokken criminele netwerken achter deze explosies op te rollen en welke verdere concrete maatregelen bent u van plan te gaan nemen?
Op individuele casuïstiek kan ik niet ingaan. In algemene zin kan ik melden dat vanuit diverse politieteams en afdelingen wordt gewerkt om niet alleen uitvoerders op te sporen en te vervolgen, maar ook om ronselaars (voor uitvoerders) en opdrachtgevers te identificeren en aan te pakken.
Het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen, zoals ronselaars en brokers is één van de prioriteiten voor 2026 vanuit het Offensief tegen Explosies.
Bent u bereid om, onder andere, extra politiecapaciteit, opsporingsmiddelen en bestuurlijke maatregelen in te zetten om deze geweldsgolf zo snel mogelijk te stoppen en de veiligheid van bewoners te herstellen?
De huidige situatie is ernstig en heeft logischerwijs een aanzienlijke impact op het veiligheidsgevoel van bewoners. Het is belangrijk dat deze geweldsgolf snel stopt. In het geval van lokale veiligheidsproblematiek, zoals de problematiek in de wijk Kempenaar in Lelystad, is het aan de veiligheidsdriehoek, de burgemeester, de politie en het OM, om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden.
Het gebruik van explosieven om te intimideren is niet enkel beperkt tot Lelystad. Aanslagen met explosieven komen verspreid over het gehele land voor. Met deze aanslagen wordt het veiligheidsgevoel in wijken ernstig aangetast. Dit vind ik onacceptabel. Eén van de punten waar het Offensief tegen Explosies zich op richt is het vergroten van de weerbaarheid van gemeenten. Hiertoe is onder andere een handelingskader ontwikkeld voor gemeenten.3 Deze kunnen gemeenten gebruiken ten behoeve van de lokale aanpak. Daarnaast zet ik met het Offensief in op het tegengaan van de brede beschikbaarheid van zwaar vuurwerk, het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen en het voorkomen van (herhaald) daderschap.
Het bericht 'Pijnlijke conclusie: peperdure maatregelen tegen witwassen niet effectief en oneerlijk' |
|
Inge van Dijk (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL en het achterliggende rapport van de Algemene Rekenkamer «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Deelt u de hoofdconclusie van de Algemene Rekenkamer dat de huidige anti-witwasaanpak onvoldoende effectief en efficiënt is?
De Algemene Rekenkamer (AR) richtte zich in haar onderzoek op de periode 2020–2024. Ik ben het met de AR eens dat de antiwitwasaanpak in die jaren in de praktijk beter kon. Na afloop van die onderzoeksperiode heb ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid onze nieuwe antiwitwasaanpak met de Tweede Kamer gedeeld.2 Deze nieuwe antiwitwasaanpak adresseert veel van de conclusies van de AR. In deze nieuwe antiwitwasaanpak benoemen wij twee hoofddoelen: 1) verlagen van lasten voor bonafide burgers en bedrijven; en 2) barrières verhogen voor criminelen. Door deze doelen centraal te stellen zetten we in op een antiwitwasaanpak die zowel effectief is als efficiënt.
Kun u een inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van de personele inzet ter bestrijding van witwassen en hoe deze kosten doorberekend worden aan klanten?
Ik kan geen inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van de personele inzet, of de gevolgen van de hogere compliancekosten voor de concurrentiepositie van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen.
Banken bepalen zelf hun eigen inzet op het antiwitwasdossier. Er is sinds de publicatie van «Herstel naar balans» door De Nederlandsche Bank (DNB) nadrukkelijk ingezet op een verbeterde risicogebaseerde toepassing van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zowel door de toezichthouder als door banken.3 Dit betekent dat de inzet hoger moet zijn als de risico’s hoger zijn. Als de risico’s lager zijn moeten de maatregelen beperkt worden. De Wwft geeft hier ook de ruimte voor. Ook in de nieuwe antiwitwasaanpak is dit een belangrijke pijler aangezien is gebleken dat banken in de praktijk de risicogebaseerde aanpak nog steeds onvoldoende toepassen. Banken stellen hierdoor nog steeds soms onnodige vragen aan bepaalde klanten, en sommige burgers ervaren zelfs discriminatie. Een verbetering van de risicogebaseerde aanpak zorgt ervoor dat banken minder onnodige vragen stellen, en minder maatregelen nemen wanneer de risico’s lager zijn. Dit kan er toe leiden dat banken minder kosten maken. De uitvoering van de risicogebaseerde benadering ligt primair bij de banken, zij dienen ervoor te zorgen dat de maatregelen die zij nemen proportioneel zijn aan het geconstateerde risico. DNB houdt toezicht op deze risicogebaseerde benadering.
Daarnaast hebben veel banken de afgelopen jaren grootschalige hersteltrajecten moeten uitvoeren, omdat zij de basis van de antiwitwasaanpak niet op orde hadden.4 Deze hersteltrajecten waren nodig om onder andere een goede basis te leggen voor de risicogebaseerde aanpak.
De problematiek rondom discriminatie bij banken speelt breder dan enkel de toepassing van de Wwft. Het is onacceptabel dat burgers discriminatie ervaren in de interactie met banken. De afgelopen jaren hebben we zelf ook onderzoeken gedaan naar (ervaren) discriminatie. De Minister van Financiën heeft naar aanleiding van deze onderzoeken diverse acties opgesteld om (ervaren) discriminatie aan te pakken. Dat geldt ook voor de banken zelf en voor DNB. Hierover is de Tweede Kamer in mei 20245, december 20246 en september 20257 geïnformeerd.
In hoeverre acht u de genoemde kosten proportioneel in verhouding tot de effectiviteit van het beoogde doel van witwasbestrijding, mede gelet op neveneffecten zoals het risico op discriminatie, de toegenomen regeldruk voor bedrijven en verenigingen en het mogelijke afhaken van vrijwilligers waardoor maatschappelijk initiatief onder druk kan komen te staan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom in het rapport wel de effecten van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) op (oud-)politici (Politically Exposed Persons, PEP’s) zijn onderzocht, maar bijvoorbeeld niet is gekeken naar de effecten op maatschappelijke organisaties zoals (sport)verenigingen, terwijl deze laatste groep ook signalen van administratieve lasten en belemmeringen meldt?2
De AR bepaalt zelf hoe zij hun onderzoek vormgeven. In het rapport benoemt de AR dat zij drie groepen hebben geselecteerd om te onderzoeken hoe verschillend de ervaren controles door banken zijn. Ze hebben niet enkel groepen geselecteerd op signalen van lasten. Daarnaast is het zo dat er voor PEP’s specifieke onderzoeksverplichtingen zijn voor poortwachters.9
Bent u bereid deze effecten op maatschappelijke organisaties alsnog te laten onderzoeken om zo een volledig beeld te krijgen van de neveneffecten?
In 2023 heeft SIRA in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een onderzoek gedaan naar regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen.10 Daar is vervolgens ook een kabinetsreactie op gestuurd in 2024, mede namens mij.11 In het onderzoek is genoemd dat de Wwft-verplichtingen maatschappelijke organisaties voornamelijk tijd kosten.
Het Ministerie van Financiën is ook regelmatig in gesprek met een brede groep aan organisaties om de impact van de antiwitwascontroles te bespreken, onder andere in hetMaatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) de-risking. In het MOB de-risking zitten vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), DNB, betaalinstellingen, goede doelen en ondernemers- en consumentenverenigingen samen om de voortgang op de aanpak van de-risking te bespreken en aan te pakken. Zo heeft de NVB standaarden opgesteld om banken te helpen in hun klantonderzoek. In haar proportionaliteitsverkenning onderstreept DNB de positieve vooruitgang die er op dit gebied heeft plaatsgevonden.12 Daarnaast spreekt het Ministerie van Financiën ook regelmatig met onder andere banken en maatschappelijke organisaties, waarbij de neveneffecten van de Wwft regelmatig onderwerp van gesprek zijn.
SIRA noemde enkele mogelijkheden tot verbetering, waaronder inzetten op de risicogebaseerde benadering. Daar ben ik nu mee bezig, maar dit staat en valt met de inzet vanuit banken zelf. Zij staan primair aan de lat om hier werk van te maken. Ik zie geen reden voor aanvullend onderzoek.
Vindt u de huidige personele inzet bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) proportioneel ten opzichte van de zeer grote personele inzet bij banken voor het verzamelen en melden van ongebruikelijke transacties, mede gelet op signalen dat de opvolging van deze meldingen niet altijd inzichtelijk is?
De personele inzet bij DNB kan wat mij betreft niet vergeleken worden met de inzet bij banken aangezien deze twee organisaties totaal verschillende rollen hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Banken vullen een centrale rol in ons financiële stelsel en dienen risicogebaseerd onderzoek te doen naar klanten en hun transacties te monitoren.
DNB controleert of financiële ondernemingen, waaronder banken, voldoen aan hun wettelijke verplichtingen. De taken die hierbij komen kijken zijn anders dan die van banken, en dus is het logisch dat de personele inzet van een andere orde is. Ik ben van mening dat de huidige inzet van DNB daarom proportioneel is.
De personele inzet bij FIU-Nederland laat zich moeilijk vergelijken met de inzet bij banken aangezien deze twee organisaties verschillende rollen en verantwoordelijkheden hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het analyseren van alle ongebruikelijke transacties geen doel op zich is. De FIU-Nederland analyseert meldingen risicogebaseerd, waarbij het zich richt op de grootste risico’s en op de prioriteiten van de ketenpartners. Dit past binnen de risicogebaseerde aanpak van witwassen.
De FIU-Nederland ziet in de aanbevelingen in het rapport tevens een aansporing van de huidige inzet op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering, zoals aanbevolen door de AR, verder mogelijk. De data gedreven benadering maakt het vervolgens mogelijk om beter inzicht te krijgen en geven in de meest risicovolle meldingen en de opvolging hierop.
Hoe beoordeelt u de signalen dat de huidige werkwijze van de FIU ertoe leidt dat niet alle ongebruikelijke transacties worden opgepakt, dat de aanpak onvoldoende risico- en datagedreven is en dat er weinig wordt gedaan aan kwaliteitsverbetering en structurele terugkoppeling richting banken en bent u bereid hier concrete stappen op te zetten?
De focus van de FIU-Nederland ligt op het verder versterken van de risicogebaseerde aanpak, waarbij de grootste witwasrisico’s prioriteit krijgen. In de praktijk betekent dit dat de FIU-Nederland meldingen risicogebaseerd analyseert en zich richt op de belangrijkste risico’s en de prioriteiten van ketenpartners. Het oppakken van alle ongebruikelijke transacties is daarbij geen doel op zich.
Bovendien neemt de FIU-Nederland de conclusies en aanbevelingen ter harte om meer risico- en datagedreven te werken. De FIU-Nederland zet daarom ten eerste in op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering verder mogelijk. De versterkte datapositie zal de FIU-Nederland ook de mogelijkheid geven om risico’s, trends en fenomenen beter te identificeren en te duiden. Daarnaast zal de FIU-Nederland verkennen in hoeverre IT-oplossingen kunnen ondersteunen in een meer data-gedreven benadering. De afgelopen jaren zijn al een aantal belangrijke stappen gezet ten behoeve van het objectief prioriteren van belangrijke meldingen.
De FIU-Nederland onderstreept het belang dat de AR geeft aan kwalitatief goede meldingen door meldingsplichtige instellingen. Binnen de huidige wettelijke mogelijkheden werkt de FIU-Nederland momenteel al concreet aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen, bijvoorbeeld door middel van een aanstaande update van de meldformulieren. Gedurende het jaar publiceert de FIU-Nederland bovendien op diens website over witwasmethoden, zoals bijvoorbeeld het «cash compensatie model», zodat poortwachters en andere partijen die inzichten kunnen benutten in hun werk. Het nieuwe Europese antiwitwaspakket biedt de FIU-Nederland vanaf juli 2027 meer mogelijkheden om informatie te verstrekken aan toezichthouders en feedback te geven aan poortwachters. Dit zal een verdere impuls geven aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen. De FIU-Nederland bereidt zich momenteel voor op de implementatie van deze wetgeving.
Klopt het dat DNB een strengere toezichtfilosofie hanteert dan toezichthouders in andere landen en dat Nederland de Europese anti-witwasregels strikter toepast, waardoor de administratieve lasten voor Nederlandse financiële instellingen hoger uitvallen?
De Europese antiwitwasrichtlijn schrijft voor wat poortwachters moeten doen, de toezichthouder houdt hier toezicht op. De afgelopen jaren heb ik in verschillende gesprekken signalen ontvangen van verschillende poortwachters waarin zij aangaven dat Nederland, dan wel DNB strenger zou zijn op bepaalde onderdelen. Dit bleek telkens om een Europese verplichting te gaan en niet om een nationale interpretatie. Bovendien zie ik dat in andere EU-landen toezichthouders ook optreden richting poortwachters die de antiwitwasverplichtingen niet op orde hebben.
In haar toezicht benadrukt DNB dat poortwachters de verplichtingen uit de Wwft risicogebaseerd moeten uitvoeren, zoals onder meer blijkt uit haar leidraad (de Q&A en Good Practices Wwft).13 Voorts hebben DNB en het ministerie bijgedragen aan de totstandkoming van de eerder genoemde risicogebaseerde sectorstandaarden van de NVB, en heeft DNB in 2025 onderzoeken gedaan naar het tegengaan van discriminatie14 en de proportionele toepassing van de Wwft door banken.15 De FATF heeft ook in haar richtsnoeren over financiële inclusie (juni 2025) Nederland diverse malen genoemd als positief voorbeeld.16 Nederland blijft ook in Europees, waaronder in AMLA-verband, aandacht houden voor de versterking van de risicogebaseerde aanpak.
In hoeverre hebben deze hogere compliancekosten gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reflecteert u op uw rol en die van uw ministerie ten aanzien van de beperkte inhoudelijke betrokkenheid bij de effectiviteit van het toezicht van DNB en bent u bereid om het gesprek over de effectiviteit en de gevolgen van de anti-witwasaanpak structureel te verankeren in de toekomstige overlegstructuur met DNB?
De uitvoering van de opgedragen taken is primair de verantwoordelijkheid van DNB zelf. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken.
Tegelijkertijd ben ik systeemverantwoordelijk voor het functioneren van het toezichtsysteem en de toezichthouders. Hierbij moet ik kunnen beoordelen of DNB haar taken op doeltreffende en doelmatige wijze uitvoert. Ik oefen hiertoe zogenaamd «toezicht op afstand» uit op DNB. Dat doe ik conform de visie Toezicht op afstand17 en de Kaderwet zbo’s, op basis waarvan vijfjaarlijks het doeltreffend en doelmatig functioneren van DNB als zelfstandig bestuursorgaan wordt geëvalueerd.
Het is wenselijk om over de taakuitvoering van de Wwft meer inzicht te krijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het integriteitstoezicht van DNB. Ik ga dan ook met DNB in gesprek over hoe dit opgepakt kan worden. Hierbij geef ik de voorkeur om dit structureel te verankeren in bestaande publicaties of kanalen.
Wanneer kunnen we de integrale kabinetsreactie ontvangen op het Algemene Rekenkamerrapport «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend», inclusief een verbeterplan hoe de anti-witwasaanpak concreet meer risicogestuurd ingericht kan worden om zo de efficiëntie te verhogen?
De reactie van de Minister van Justitie en Veiligheid en mijzelf is opgenomen in het rapport van de AR. In die reactie gaan wij in op de conclusie en aanbevelingen van het AR rapport. Deze is ook te vinden op de site van de AR.18
In de tweede helft van 2026 zullen wij een voortgangsbrief sturen waarin de Kamer wordt geïnformeerd over de nieuwe antiwitwasaanpak. In de voortgangsbrief zullen wij verder inzage geven in de voortgang van de risicogebaseerde benadering. Ik merk hierbij op, net als wij richting de AR in onze reactie hebben opgemerkt dat de risicogebaseerde aanpak primair bij de banken ligt: zij dienen ervoor te zorgen dat ze zich op hoge risico’s richten en minder op lage risico’s.
Kan de Minister erop toezien dat bovengenoemde vragen meegenomen worden in de aanstaande kabinetsreactie?
Zie antwoord vraag 12.
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel medewerkers zijn momenteel werkzaam bij het Politiedienstencentrum? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar vaste medewerkers en ingehuurde krachten?
Voordat ik inga op uw vragen wil ik graag benadrukken dat ik als Minister van Justitie en Veiligheid jaarlijks verantwoording afleg over de begroting van mijn ministerie, waarin het begrotingsartikel 31 Politie is opgenomen. Daarnaast kent de politie een eigen begroting en jaarverantwoording waarin de korpschef verantwoording aflegt over het gevoerde beleid en de uitgaven. Dit is in lijn met andere organisaties binnen de Rijksoverheid. Bij enkele van uw vragen wordt gevraagd naar een dieperliggend detailniveau als het gaat om gevraagde overzichten en uitsplitsingen. In de beantwoording heb ik mij tot het uiterste ingespannen om uw vragen te beantwoorden. Daar waar de gevraagde gegevens niet voorhanden zijn, kan ik deze niet aan u verstrekken.
De bezetting van de totale niet-operationele sterkte beslaat momenteel ruim 13.000 fte. Hier valt de klassieke bedrijfsvoering onder, maar ook bijvoorbeeld de docenten aan de Politieacademie. Van de ruim 13.000 fte werken er bij het Politiedienstencentrum ongeveer 8.000 fte. De overige ongeveer 5.000 fte zijn werkzaam bij andere organisatieonderdelen en eenheden van de politie.
Daar waar de niet-operationele functies overbezet zijn, heb ik met de korpschef afgesproken dat deze overbezetting wordt afgebouwd. Dit is ook nodig om de politiebegroting op orde te krijgen. Ik monitor de afbouw van genoemde overbezetting.
Bij de politie zijn 1256 medewerkers werkzaam (excl. Politieacademie) op basis van externe inhuur, waarvan 911 bij het Politiedienstencentrum (peildatum 01-04-2026). Hiermee kunnen fluctuaties in werkbelasting worden opgevangen en kan specifieke expertise (zoals bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen, IV-specialisme) tijdelijk ingezet worden als deze niet binnen de organisatie voor handen is.
Wat bedragen de bestuurskosten van de korpsleiding van de Nationale Politie? Kunt u deze kosten per jaar uitsplitsen over de periode 2020 tot en met heden?
De bestuurskosten van de korpsleiding van de politie worden maandelijks gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid (Rijksoverheid.nl). Hiermee sluit de politie aan bij de systematiek die wordt gehanteerd bij de openbaarmaking van de bestuurskosten van bewindspersonen en topambtenaren in de sector Rijk. Vanaf april 2026 zullen deze gegevens op open.overheid.nl worden gepubliceerd.
De hoogte van de bestuurskosten zijn redelijk stabiel, met uitzondering van de jaren 2020 en 2021. Dit had te maken met de toen geldende COVID-maatregelen.
Zie hieronder het overzicht van bestuurskosten van de korpsleiding sinds 2020:
Jaar bedrag
2020 17.240,27 euro
2021 23.501,46 euro
2022 26.705,73 euro
2023 32.856,33 euro
2024 28.850,05 euro
2025 30.986,34 euro
Hoe hebben de bestuurskosten van de korpsleiding zich ontwikkeld sinds 2020 en wat zijn de belangrijkste oorzaken van eventuele stijgingen of dalingen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat wordt binnen de Nationale Politie verstaan onder de begrippen «operationele sterkte» en «operationele slagkracht»? Kunt u toelichten hoe deze begrippen binnen de organisatie worden gehanteerd en gebruikt in de sturing van de politieorganisatie?
Het begrip «operationele sterkte» is vastgelegd in regelgeving (Art. 1 besluit verdeling sterkte en middelen), heeft betrekking op de operationele formatie en bezetting en is verdeeld in de werksoorten gebiedsgebonden politie (GGP), opsporing, informatiefunctie, intake & service en meldkamer, beveiliging, overige operationele functies, en leiding. De formatie is de door mij gefinancierde politiesterkte (in fte’s). Deze wordt ieder jaar vastgesteld als bijlage bij het begrotings- en beheerplan. De bezetting is het personeel dat daadwerkelijk in dienst is bij de politie, oftewel de mate waarin de formatie gevuld is.
Het begrip «operationele slagkracht» is niet vastgelegd in regelgeving. Ik versta hieronder de mate waarin de politie operationeel effectief is.
Hoeveel personen worden momenteel door de Nationale Politie ingehuurd? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar functiecategorieën of typen werkzaamheden?
Momenteel worden er door de politie ongeveer 1250 personen extern ingehuurd. Een uitsplitsing naar functiecategorieën of typen werkzaamheden is niet beschikbaar. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, werkt een groot deel van deze externe krachten bij het Politiedienstencentrum, bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen en IV-specialisten.
De gemiddelde duur van een extern inhuurcontract is 2,2 jaar. Er zijn personen die langer worden ingehuurd. Eén persoon wordt sinds de vorming van de nationale politie ingehuurd voor meerdere opdrachten op verschillende plekken binnen de politieorganisatie. Deze persoon heeft gereageerd op meerdere opdrachten. Bij een nieuwe opdracht wordt er een nieuwe aanbesteding in de markt gezet, waarop een kandidaat kan reageren. Hierbij is er geen bijzondere aandacht voor het gegeven of iemand al werkzaam is binnen de organisatie. Dit kan er in de praktijk toe leiden dat de aaneengesloten periode waarin iemand werkzaam is op inhuurbasis in sommige gevallen langer uit kan pakken.
Het uitgangspunt blijft dat de persoon die het beste past op de opdracht, de opdracht gegund krijgt.
De kosten voor externe inhuur zijn te vinden in de jaarverantwoordingen van de politie voor de desbetreffende jaren. In 20241 betroffen de kosten voor externe inhuur € 184 mln. op de totale personeelskosten van € 6 miljard. Het per jaar aan externe inhuur bestede bedrag is ongeveer 3% van de totale personeelskosten van de politie. Dat is ruimschoots minder dan de Roemernorm van 10%, die voor overheidsorganisaties geldt.
Bij de externe inhuur van de politie zijn verschillende partijen betrokken. Zo wordt er een partij ingezet voor de inhuur van uitzendkrachten tot en met mbo niveau (exclusief IV-functies), twee partijen voor inhuurprofessionals vanaf hbo niveau en alle IV-functies en zijn er specialistische raamcontracten.
Hoeveel geld heeft de Nationale Politie in de jaren 2020 tot en met heden per jaar uitgegeven aan externe inhuur? Kunt u deze bedragen per jaar specificeren?
Zie antwoord vraag 5.
Met welke externe bureaus of organisaties doet de Nationale Politie momenteel zaken in het kader van externe inhuur?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de langst aaneengesloten periode waarvoor een externe kracht door de Nationale Politie is ingehuurd en wat is de gemiddelde duur van externe inhuurcontracten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van het programma «Politie voor Iedereen» sinds de start van dit programma? En wilt u deze kosten per jaar uitsplitsen en aangeven welk budget hiervoor de komende jaren is gereserveerd?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. In de jaarverantwoording politie legt de korpschef verantwoording af over het gevoerde beleid van de organisatie en haar uitgaven. De politie heeft geen apart overzicht van alle (zowel interne als externe middels inhuur en dergelijke) inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
In de begroting en beheerplan politie 2025–2029 is opgenomen hoe het korps inzet op diversiteit en inclusie. Voor de opgave Politie voor Iedereen wordt jaarlijks tussen de 3 en 5,5 miljoen euro begroot. Alle eenheden en diensten krijgen een budget voor het realiseren van die wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt.
Kunt u een specificatie geven van de uitgaven binnen het programma «Politie voor Iedereen», zoals kosten voor personeel, trainingen, communicatiecampagnes, onderzoek, evenementen en overige activiteiten?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre worden binnen het programma «Politie voor Iedereen» externe bureaus, consultants of trainers ingehuurd? Kunt u aangeven welke organisaties hierbij betrokken zijn en welke bedragen hiermee gemoeid zijn geweest, uitgesplitst per jaar?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van alle politie-iftars – incusief het uitsplitsen van de kosten per georganiseerde iftar? En kunt u deze kosten ook doen toekomen van voorgaande jaren en welk budget voor aankomende jaren hiervoor gereserveerd is?
Zie antwoord vraag 9.
Herkent u of de korpsleiding signalen uit de organisatie dat er feitelijk sprake is van bezuinigingen op eenheidsniveau, bijvoorbeeld doordat voertuigen met schade niet worden gerepareerd of doordat bureaus keuzes moeten maken tussen functies vanwege budgettaire beperkingen? Hoe duidt u deze signalen?
In de door mijn voorganger verstuurde Kamerbrief van 21 januari 2026 over de financiële situatie bij de politie, heb ik u geïnformeerd dat de eenheden binnen de politie zelf sturen binnen het per eenheid beschikbare budget.
Voor 2026 zullen daarbij de basisteams (de gebiedsgebonden politie en de opsporing in de basisteams) helemaal buiten beschouwing worden gelaten. Hiermee wordt geborgd dat de aanwezigheid van de politie in buurt, wijk, stad en gemeente en de opsporing in de basisteams niet geraakt worden. Met andere woorden: blauw op straat blijft dus buiten beschouwing. Daarnaast zullen in 2026 de bijzondere bijdragen (zoals voor de Dienst Specialistische Interventies en ondermijning) ongemoeid blijven. Er wordt in 2026 ook niet getornd aan de instroom van aspiranten en er worden geen mensen ontslagen.
Hoeveel medewerkers van de Nationale Politie zitten momenteel thuis met een diagnose van posttraumatische stressstoornis (PTSS) dan wel andere psychische klachten?
De korpsleiding herkent dit signaal niet. Vanaf 1 april 2025 is het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten in werking getreden. Nieuwe meldingen van politiemedewerkers met beroepsgerelateerde klachten vallen onder dit nieuwe stelsel. Zodra een politiemedewerker zich meldt met gezondheidsklachten, en deze meer dan 1% beroepsgerelateerd zijn, ontvangt de politiemedewerker direct de benodigde begeleiding, zorg en gerichte vergoedingen. Dat geldt bij alle gezondheidsklachten. In dit stelsel staat aandacht en zorg voor de politiemedewerker voorop. Politiemedewerkers kunnen makkelijker en sneller aanspraak maken op voorzieningen uit de rechtspositie, omdat er wordt gewerkt vanuit vertrouwen in plaats van een juridische erkenningsprocedure.
Voor het maken van aanspraak op de voorzieningen in het nieuwe stelsel is de medische diagnose niet relevant. Hierdoor zijn er geen aantallen beschikbaar van politiemedewerkers met een diagnose van PTSS of andere psychische klachten. In 2025 zijn er 1804 meldingen geregistreerd die vallen onder het nieuwe stelsel met een toekenning van 1% beroepsgerelateerde gezondheidsklachten. Of deze politiemedewerkers thuis zitten of (gedeeltelijk) aan het werk zijn is afhankelijk van de individuele casuïstiek. Hierover kan ik geen uitspraken doen.
Het nieuwe stelsel wordt continue gemonitord en na drie en vijf jaar geëvalueerd. De eerste monitor van het nieuwe stelsel is positief, waaronder op de gemiddelde doorlooptijden van een melding, het advies op de melding en het besluit daarover.
Herkent u of de korpsleiding signalen dat verzuimmeldingen, in het bijzonder bij PTSS, niet altijd adequaat worden opgevolgd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke maatregelen worden genomen om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 14.
Klopt het dat politiemedewerkers in de eenheid Midden-Nederland, met name in Utrecht, arrestanten regelmatig moeten vervoeren naar cellencomplexen in andere plaatsen in de regio, zoals Amersfoort, Houten of andere locaties, omdat in Utrecht zelf onvoldoende capaciteit beschikbaar is voor insluiting?
Het vervoeren van arrestanten door de politie is onderdeel van de taakuitvoering van de politie. De politie geeft het vervoer van arrestanten zo efficiënt als mogelijk vorm en houdt hierbij rekening met de inzetbaarheid van de agenten op straat. Zij doen dit bijvoorbeeld door meerdere arrestanten tegelijk te vervoeren door de inzet van arrestantenbussen bemenst met medewerkers van de Teams Arrestantentaken in elke regionale eenheid. Daarbij komt het enkele keren voor dat er niet direct een arrestantenbus kan rijden door gebrek aan capaciteit. Binnen de portefeuille arrestantenzaken wordt doorlopend gereflecteerd op hoe het proces efficiënter kan worden ingericht.
Het overbrengen van arrestanten naar het Politie Cellencomplex (PCC) in Houten is de standaardprocedure van de politie in de eenheid Midden-Nederland en is al sinds langere tijd van kracht. De bureaus in Utrecht, ook het bureau in Utrecht Centrum (Kroonstraat), beschikken niet over cellen, wel over ophoudruimten. In die ruimten kunnen en mogen arrestanten slechts korte tijd opgehouden worden. Overnachten kan en mag alleen in een Politie Cellencomplex, zoals in Houten. Arrestanten worden daarom in principe altijd naar de cellencomplexen vervoerd. District Utrecht beschikt over een eigen ophoudgebied waar arrestanten in de piekmomenten ondergebracht kunnen worden. Daarmee is een zorgvuldige afweging over wanneer het efficiënter is om met arrestanten naar Houten te rijden of wanneer het efficiënter is om politiecapaciteit vrij te maken om de arrestanten in het ophoudgebied te laten verblijven. Zo wordt er geen kostbare politiecapaciteit vastgezet in het ophoudgebied op de momenten dat daar (vrijwel) geen arrestanten zitten. Vanuit Houten worden de arrestanten, indien van toepassing, zoals overeengekomen met de Dienst Vervoer en Ondersteuning en van de Dienst Justitiële Inrichtingen, overgebracht naar een locatie van het gevangeniswezen.
De inzet voor het vervoer van arrestanten naar de PCC’s in de eenheid vindt plaats volgens een op basis van ervaring vastgesteld roosterschema. De bussen doen vanuit efficiëntie meerdere bureaus in de eenheid Midden-Nederland aan. Een registratie van het aantal uren per inzet per politiemedewerker zou een onevenredige administratiedruk op de politie betekenen en is daarom ook niet opgelegd.
Deelt u de zorg dat het vervoeren van arrestanten over langere afstanden politiecapaciteit kost, doordat agenten tijd kwijt zijn aan het heen- en terugbrengen van arrestanten, en dat dit ten koste kan gaan van de inzetbaarheid van politie op straat? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen of te beperken?
Zie antwoord vraag 16.
Hoe vaak is het in de afgelopen drie jaar voorgekomen dat arrestanten vanuit Utrecht naar een andere plaats in de regio moesten worden vervoerd wegens gebrek aan beschikbare cellencapaciteit en hoeveel politiecapaciteit (bijvoorbeeld in uren of inzet van medewerkers) is hiermee gemoeid geweest?
Zie antwoord vraag 16.
Krijgen de 1.700 agenten die een niet-verzonden brief hebben gekregen, een aantekening in hun personeelsdossier of blijft dit op een ander manier zichtbaar en daarmee kleven aan de betreffende dienders?
Zoals met uw Kamer gedeeld, zijn de eerder uitgereikte brieven ingetrokken.3 Indien de brieven in het personeelsdossier waren opgenomen, worden deze verwijderd.
Hoeveel politiemedewerkers beschikken momenteel over gehoorbescherming en hoeveel medewerkers beschikken daar nog niet over?
Alle politiemedewerkers die op straat werken en voor wie dat nodig is, beschikken over gehoorbeschermingen. De politie heeft in 2026 een budget beschikbaar voor de gehoorbescherming van 2,2 miljoen euro.
Welke kosten zijn gemoeid met het verstrekken van gehoorbescherming aan politiemedewerkers en welk budget is hiervoor gereserveerd?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over politie van 25 maart 2026?
Het bericht dat 3,3 miljard euro aan IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid is stopgezet |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rechter dwarsboomt IT-aanbesteding rijksoverheid van € 3 mrd» (Financieel Dagblad, 9 maart 2026)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de uitspraak van de rechter in Den Haag, die stelt dat twee IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid ter waarde van 3,3 miljard euro gestaakt moeten worden?2
Ja.
Wat is uw reactie op de berichtgeving en de rechterlijke uitspraak?
De Staat werkt momenteel aan verduidelijking en, waar nodig, aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden, in lijn met het vonnis.
Mede omdat de zaak onder de rechter is, wordt niet in algemene zin ingegaan op de berichtgeving. Dat is anders ten aanzien van concrete vragen die de Kamer stelt.
Kunt u toelichten welke aanpassingen u gaat doorvoeren of al heeft doorgevoerd in de aanbestedingsvoorwaarden om aan de rechterlijke uitspraak te voldoen?
Nee, op dit moment nog niet. Het onderzoek naar de mogelijkheden om de aanbestedingsvoorwaarden te verduidelijken danwel aan te passen loopt nog.
Zouden de IT-aanbestedingen, indien ze doorgang vinden, de digitale autonomie van Nederland vergroten of verkleinen? Kunt u dit onderbouwen?
Op dit moment kan niet concreet worden gezegd of de aanbestedingen de digitale autonomie van Nederland vergroten danwel verkleinen. Echter, op de Europese Aanbesteding Programmatuur 2025 (EAP-2025) aanbestedingen waren en blijven de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) van toepassing. De ARBIT bevat ook voorwaarden die bijdragen aan digitale autonomie en soevereiniteit, zoals voorwaarden met betrekking tot exit, opzegging, ontbinding en informatieveiligheid.
Met de aanbestedingen wordt beoogd raamovereenkomsten te sluiten met daartoe geschikt bevonden resellers. Dat zijn resellers die zich aan de aanbestedingsvoorwaarden conformeren. De deelnemers doen binnen de raamovereenkomsten met de resellers nadere uitvragen voor de levering van specifieke producten. De impact op de digitale autonomie is vooral afhankelijk van de inhoud van deze nadere uitvragen.
Hoe houdt u de komende vier jaar de mogelijkheid om de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven via aanbestedingen te verkleinen conform de wens van de Tweede Kamer,3 nu u middels een raamovereenkomst de voorwaarden voor nieuwe inkoop jarenlang vastlegt?
Bij aanpassing van de aanbestedingsstrategie en -voorwaarden wordt, waar van toepassing en mogelijk, (nieuw) rijksbreed beleid geborgd, waaronder rijksbreed beleid inzake digitale autonomie en soevereiniteit.
Deelnemers moeten binnen hun inkoopvraagstukken borgen dat zij gericht besluiten nemen inzake de reductie van het risico op afhankelijkheid. Dat betekent dat zij bestaande producten vervangen door alternatieven die minder / geen risico op afhankelijkheid kennen. Voor nieuwe producten dienen zij voor hun nadere uitvragen binnen de raamovereenkomsten aanvullende eisen en voorwaarden op te nemen, passend bij de specifieke opdracht, om te borgen dat het risico op afhankelijkheid beheersbaar blijft.
Ziet u met de rechterlijke uitspraak en de noodzaak om de aanbestedingsvoorwaarden aan te passen ook de mogelijkheid om digitale autonomie zwaarder mee te wegen als criterium?
Deze vraag kan op dit moment nog niet worden beantwoord. De categorie Software Rijk onderzoekt nog of en zo ja, in welke mate de aanbestedingsvoorwaarden ten aanzien van digitale soevereiniteit en autonomie verder moeten worden aangepast.
Welke gevolgen heeft de rechterlijke uitspraak voor de twee IT-aanbestedingen ter waarde van 3,3 miljard euro? Kunt u een overzicht geven van lopende contracten waar deze uitspraak mogelijk ook gevolgen voor heeft?
Voor het antwoord op de eerste vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. De aanbestedingen zijn gestaakt. De Staat onderzoekt de noodzaak en mogelijkheden voor aanpassing of herziening van de aanbestedingsvoorwaarden en neemt op basis van de bevindingen een besluit inzake de vervolgaanpak. Ter overbrugging zijn de bestaande raamovereenkomsten verlengd, om te voorkomen dat de inkoop van standaardprogrammatuur tussentijds stilvalt.
De uitspraak van de rechter heeft gevolgen voor alle opdrachten (nadere overeenkomsten) die worden afgesloten onder de verlengde raamovereenkomsten van het Ministerie van Defensie en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De ministeries zijn hierover geïnformeerd.
Wat is het doel en de noodzaak van de twee IT-aanbestedingen? Welke diensten zouden precies ingekocht worden bij Microsoft en Oracle, en in welke ministeries en overheidsorganisaties zouden deze gebruikt worden?
Zoals toegelicht bij vraag 6 is het doel van de aanbestedingen om voor de inkoop van standaardprogrammatuur (zowel nieuwe, als uitbreidingen op bestaande software) een duidelijk en rechtmatig afsprakenkader te creëren. Deze aanbestedingen hebben niet specifiek betrekking op software van Microsoft of Oracle.
De noodzaak van de aanbestedingen is drieledig, namelijk:
Diensten die worden ingekocht zijn: de levering van standaardsoftware, onderhoud en support, helpdeskondersteuning, adviesdiensten, installatie en configuratie van standaardsoftware en trainingen en opleidingen.
De aanbestedingen worden uitgevoerd ten behoeve van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De lijst met deelnemende organisaties staat onderaan de beantwoording van deze lijst met vragen en antwoorden.
Waarom vraagt u in de aanbesteding voor deze grote IT-projecten om «levering van standaardprogrammatuur van vendor Microsoft» in plaats van dat u de technische eisen uitvraagt van de software die u wil inkopen?4
Binnen de lopende raamovereenkomsten moet het voor deelnemers mogelijk zijn om, indien nodig, het aantal licenties voor het gebruik, onderhoud en/of beheer van deze programmatuur uit te kunnen breiden. Een uitvraag op basis van technische eisen kan leiden tot aanbod van een ander typen licenties, hetgeen praktisch niet wenselijk is en tot kostenverhoging kan leiden.
Wat bedoelt u met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft? Op welke toepassingen gaat dit, en waarom neemt u deze af via de tussenhandelaar?5
Met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft wordt de closed source- en open source, software bedoeld die softwareleveranciers gebruiken voor het leveren van hun software(diensten). Dat is ook van toepassing voor software(diensten) van Microsoft (Perceel6. Binnen deze aanbesteding is het leveren van open-source software(diensten) voorbehouden aan een ander Perceel, Perceel 2. Om te voorkomen dat dit voorbehoud ervoor zorgt dat de software van de softwareleverancier in Perceel 1 niet meer werkt, danwel wordt uitgesloten, omdat deze open source software bevat, is de uitzonderingsgrond toegevoegd dat ook software(diensten) met gerelateerde open source toepassingen in Perceel 1 kunnen worden aangeboden.
De Staat neemt deze oplossingen af via resellers omdat de Staat de software op deze wijze op basis van eenduidige voorwaarden (ARBIT) in kan kopen.
Hoe verhoudt het niet opnemen van technische eisen voor de af te nemen software zich tot artikel 2.75–2.77 van de Aanbestedingswet 2012, nu ook de term «of gelijkwaardig» (2.76, lid 4, subartikel b) ontbreekt?6
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (> 4.000) kunnen leveren. De concrete, technische eisen worden niet in de raamovereenkomst vastgelegd, maar pas bij elke afzonderlijke nadere offerteaanvraag van een deelnemer. Die offerteaanvraag kan:
Waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat, geldt die ook voor de betreffende nadere offerteaanvraag voor standaardprogrammatuur en bijbehorende dienstverlening. Dat kan bijvoorbeeld in de volgende situaties:
Samengevat: de technische specificaties worden per opdracht geformuleerd binnen het raamwerk, en waar de wet uitzonderingen of een lichter regime toelaat, wordt dat op die specifieke nadere offerteaanvraag toegepast.
Zijn de toepasselijke (verplichte of aanbevolen) standaarden van het Forum Standaardisatie uitgevraagd in deze aanbestedingen? Zo nee, waarom niet, en hoe verzekert u dan dat ook gegadigden naast Microsoft en Oracle aan de aanbesteding kunnen voldoen?
Ja, de standaarden van het Forum Standaardisatie zijn uitgevraagd.
Zijn de IT-aanbestedingen gericht op het inkopen van software of het vinden van softwareverkopers? Gaan deze aanbestedingen niet feitelijk over het aangaan van een licentieovereenkomst, waarbij het softwarebedrijf als rechthebbende eenzijdig de voorwaarden bepaalt?
De EAP-aanbestedingen zijn gericht op het contracteren van meerdere resellers (softwareverkopers) die binnen de raamovereenkomst in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (>4.000 softwareproducten) kunnen leveren.
De deelnemers doen binnen de (rijksinkoopvoorwaarden van de) raamovereenkomst bij de gecontracteerde resellers nadere offerteaanvragen die leiden tot het aangaan van licentieovereenkomsten. De licentieovereenkomsten worden echter gesloten onder de voorwaarden van de Rijksoverheid en niet eenzijdig onder voorwaarden van de softwareleverancier.
Zijn Microsoft en Oracle de énige techbedrijven die kunnen voldoen aan de technische en operationele eisen die u stelt in de aanbesteding? Zo ja, bent u het dan met de indieners eens dat de aanbesteding toeschrijft naar Microsoft en Oracle?
Nee, niet alleen Microsoft of Oracle kunnen aan de aanbestedingseisen voldoen.
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe een zeer breed scala aan standaardprogrammatuur (meer dan 4.000 producten) kunnen leveren. De EAP2025-aanbestedingen schrijven daarom niet toe naar Microsoft of Oracle.
Wat bedoelt de Staat met de stelling dat «80 tot 85% van de offerteaanvragen een productgerichte offerteaanvraag [betreft]»? Kan er sprake zijn van een open aanbesteding als het merendeel van offertes om één specifiek product vraagt?
Met «80–85%» wordt gedoeld op het aandeel nadere offerteaanvragen dat productgericht is en middels minicompetities binnen de raamovereenkomsten wordt uitgevraagd. Het doen van productgerichte uitvragen binnen een raamovereenkomst is wettelijk toegestaan in die gevallen waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat. Zie ook de beantwoording op vraag 12.
De aanbesteding is open want deze heeft tot doel meerdere opdrachtnemers te contracteren die in staat zijn om de gevraagde standaard programmatuur te kunnen leveren.
Hoeveel van deze 80 tot 85% van deze productgerichte offerteaanvragen worden uiteindelijk bij Microsoft en Oracle afgenomen? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Nee, die informatie kan niet inzichtelijk worden gemaakt, omdat deze informatie niet centraal wordt geregistreerd.
Zorgen deze productgerichte offerteaanvragen ervoor dat het op voorhand vrijwel zeker is dat software van Microsoft en Oracle zal worden gekozen? Zo nee, waarom is er dan gekozen voor productgerichte offerteaanvragen? Zo ja, is het dan terecht om te stellen dat er sprake is van een vendor lock-in?
Nee, een productgerichte offerteaanvraag zorgt ervoor dat door één van de gecontracteerde resellers een specifiek product (standaardprogrammatuur) wordt uitgevraagd en geleverd. Dit kan Microsoft of Oracle betreffen, maar ook andere standaardprogrammatuur.
Voor een productgerichte uitvraag wordt gekozen, omdat er bijvoorbeeld sprake is van uitbreiding van de licenties van een oplossing die reeds in gebruik is. Zie ook de beantwoording van vraag 12.
Een productgerichte uitvraag betekent op zichzelf niet dat sprake is van een vendor lock-in.
Deelt u de analyse van de indiener dat deze mate van productgerichte offerteaanvragen een vendor lock-in van enkele grote techbedrijven in de hand speelt? Zo nee, kunt u onderbouwen dat dit niet het geval is?
Nee, de analyse wordt niet gedeeld.
In de vraag worden oorzaak en gevolg omgedraaid. Immers, het uitgangspunt is dat een deelnemer standaardprogrammatuur functioneel uitvraagt, tenzij op grond van de Aanbestedingswet 2012 voor de concrete opdracht een lichter regime of een uitzondering geldt. In dat geval kan de deelnemer een productgerichte uitvraag doen bij de gecontracteerde reseller.
Een vendor lock-in kan ontstaan ná ingebruikneming van de oplossing met de beste prijs-kwaliteitverhouding. In die situatie kan die afhankelijkheid een grond zijn om bij uitbreidingen of vernieuwing productgericht uit te (moeten) vragen.
Is software van Microsoft en Oracle de enige manier om uw dienstverlening te kunnen handhaven? Zo nee, waarom is dan gekozen voor de productgerichte offerteaanvragen?
Nee, software van Microsoft en Oracle is niet de enige manier om dienstverlening te kunnen handhaven. De vraag of een deelnemer zonder software van bijvoorbeeld Microsoft, Oracle of een andere fabrikant kan, wordt op deelnemer niveau vastgesteld.
Centraal inzicht in overwegingen die ten aanzien van besluitvorming over offerteaanvragen van individuele deelnemers ten grondslag ligt, ontbreekt; die gegevens zijn niet centraal bijgehouden en geregistreerd.
Is dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren, eerder toegepast bij IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid, zoals gesteld wordt in de berichtgeving? Zijn er lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is?
Ja, dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren is eerder toegepast bij uitgevoerde aanbestedingen voor raamovereenkomsten van de Rijksoverheid inzake de levering van standaardprogrammatuur.
Ja, er zijn lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is.
Hoe verhouden deze productgerichte offerteaanvragen bij Microsoft en Oracle zich tot de Aanbestedingswet 2012, artikel 1.10a, in het bijzonder lid 2, namelijk het verbod om opdrachten te ontwerpen «met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen»?7
In dit kader kan worden verwezen naar het antwoord op vraag 18. Overigens zien productgerichte uitvragen niet alleen toe op Microsoft en Oracle. De gronden om productgericht uit te vragen, gelden in gelijke mate voor de softwareproducten (> 4.000) van alle vendors.
Bent u bekend met (in omvang) vergelijkbare aanbestedingen van ICT die op een soortgelijke manier, door het noemen van de merknaam, een of meer Europese leveranciers bevoordelen? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom is dit bij Amerikaanse bedrijven dan wel het geval?
Nee. In dit kader kan verder worden verwezen naar de beantwoording op vraag 10.
De aanbestedingen richten zich niet specifiek op de levering van producten van Amerikaansen vendors, maar op producten (> 4.000) die de deelnemers via de gecontracteerde resellers afnemen.
Kunt u alle relevante stukken die betrokken zijn bij de (voorbereiding van) deze twee IT-aanbestedingen aan de Kamer doen toekomen, inclusief risico-analyses en voorbereidende notities?
Ja, in de bijlagen treft u de relevante aanbestedingsstukken en nota’s van inlichtingen aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, en toezeggen dat u de IT-aanbestedingen niet doorzet totdat deze juridisch houdbaar zijn en de Kamer volledig is geïnformeerd?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Toegezegd wordt dat de aanbestedingen worden voortgezet nadat op basis van de resultaten van de in- en externe consultaties een besluit is genomen over de (mate van) aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden en de vervolgaanpak. De Kamer zal tegelijkertijd met de markt worden geïnformeerd op de wijze waarop de aanbesteding zal worden hervat.
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht dat een rapport over Amerikaanse clouddiensten is verwijderd |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Jantine Zwinkels (CDA), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Onderzoek naar Amerikaanse cloud-risico’s door Ministerie van overheidswebsite verwijderd» (De Volkskrant, 5 maart 2026)?
Ja.
Kunt u verklaren waarom het onderzoek naar de risico’s van de Amazon «European Sovereign Cloud» tijdelijk offline is gehaald?1
Vanwege onduidelijkheden in de interpretatie is de publicatie tijdelijk teruggenomen voor verduidelijking in het begeleidende bericht en daarna opnieuw geplaatst; de inhoud van het rapport is geheel ongewijzigd.
Wat is uw reactie op het rapport?
Het onderzoeksrapport dat SLM heeft laten opstellen door het advocatenkantoor Greenberg Traurig bevat een objectieve juridische beoordeling van de AWS ESC ten aanzien van de soevereiniteit op data en soevereiniteit op de beschikbaarheid van het systeem.
Het onderzoek heeft samengevat de volgende bevindingen opgeleverd:
De conclusie van Greenberg Traurig dat de AWS European Sovereign Cloud compatibel kan zijn met de visie digitale autonomie en soevereiniteit, heeft alleen betrekking op een deel van de eisen ten aanzien van Nederlandse of Europese jurisdictie, maar niet op de overige autonomie doelstellingen van de Visie.
Wat is het doel geweest van het onderzoek van GreenbergTraurig? Wat wordt er gedaan met de uitkomsten?
Binnen de scope en mandaat van SLM Microsoft, Google Cloud en AWS valt het onderzoeken van het aanbod van de genoemde partijen. Zo voert SLM onder meer Data Protection Impact Assessments (DPIA’s) uit op diensten van deze partijen.
Gezien het beschikbaar zijn van de AWS European Sovereign Cloud (AWS ESC) per 15–01 jl. is dit aanbod in opdracht van SLM onderzocht.
Het onderzoeksrapport dat SLM heeft laten opstellen door het advocatenkantoor Greenberg Traurig bevat een objectieve juridische beoordeling van de AWS ESC ten aanzien van de soevereiniteit op data en soevereiniteit op de beschikbaarheid van het systeem.
Een belangrijke disclaimer is dat dit geen technisch onderzoek is naar de doeltreffendheid van technische en/of organisatorische maatregelen van AWS. Ook betreft dit geen beleidsadvies of een compliance-beoordeling.
Hoe reageert u op de kritiek dat het rapport eenzijdig is geschreven? Ziet u aanleiding om de risico’s nader te onderzoeken?
Het rapport beoogt een objectieve juridische beoordeling te geven van de juridische onderzoeksvragen die in het rapport geformuleerd zijn.
Momenteel is er geen aanleiding om de risico’s nader te onderzoeken. Nu wordt prioriteit gegeven aan onderzoek en contractering van EU leveranciers (momenteel STACKITt, ESET en OVH).
Hoe leest u de conclusies van het rapport, waaruit blijkt dat de Amerikaanse overheid via de Amazon «European Sovereign Cloud» nog steeds toegang kan krijgen tot Nederlandse data?
Zie beantwoording vraag 3.
Kunt u bevestigen dat het afnemen van de Amazon «European Sovereign Cloud» en soortgelijke initiatieven van Amerikaanse techgiganten niet bijdraagt aan het digitaal autonoom maken van Nederland? Wordt het afbouwen van het gebruik hiervan onderdeel van het kabinetsbeleid?
Zie antwoord op vraag 3 (voor eerste deelvraag).
Het kabinetsbeleid is er, middels de Nederlandse Digitalisering Strategie (NDS), op gericht een soevereine overheidscloud te realiseren, waar mogelijk en passend in samenwerking met de Nederlandse of Europese IT industrie.
In algemene zin is de inzet van het kabinet erop gericht om eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Hebben ministeries, uitvoeringsorganisaties, zbo’s of andere overheidsdiensten reeds plannen om gebruik te maken van de Amazon «European Sovereign Cloud» of soortgelijke initiatieven? Zo ja, kunt u een overzicht geven van organisaties die van plan zijn om de dienst af te nemen of dit al hebben gedaan?
Overheidsorganisaties zijn verantwoordelijk voor hun eigen gebruik van clouddiensten. Op dit moment is mij niet bekend of er overheidsorganisaties voornemens zijn deze clouddienst te gaan gebruiken.
Zijn er nog andere risicoanalyses of onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen voor de digitale autonomie bij het afnemen van de Amazon «Sovereign European Cloud» of soortgelijke initiatieven? Zo ja, kunt u deze aan de Kamer doen toekomen?
In samenwerking met een werkgroep van het CIO Platform Nederland, waaraan ook een aantal overheid CIO’s deelnemen, is er een inventarisatie gedaan naar een aantal cloud diensten die als «soevereine cloud» worden aangeboden.
Deze inventarisatie is nog niet afgerond en indien een rapport wordt opgesteld, kan het gedeeld worden met de Tweede Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Pedobots gewoon te vinden op internet en dat mag volgens de wet: Anya (7) is vastgebonden en huilt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke AI-toepassingen net als kindersekspoppen bijdragen aan de normalisering van seksueel misbruik van minderjarigen, ook wanneer er geen fysiek kind bij betrokken is?
Wij zijn met zijn allen verantwoordelijk voor de bescherming van onze kinderen en moeten elke subcultuur die seksueel misbruik van kinderen normaliseert, bestrijden. Seksueel misbruik van kinderen is onacceptabel en heeft ernstige gevolgen voor de slachtoffers en hun omgeving. Elk slachtoffer van (online) seksueel kindermisbruik is er één te veel. De AI-ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn op dit vlak, en de berichten die hierover naar buiten komen, baren mij zorgen. Dit soort ontwikkelingen zijn zeer onwenselijk.
Deelt u de mening dat gedragingen die in de fysieke wereld strafbaar zijn, ook online niet moeten worden getolereerd, ook wanneer het gaat om nabootsing door middel van AI?
Die mening deel ik. Uitgangspunt van de Wet seksuele misdrijven (hierna: WSM) is dat wat offline strafbaar is, ook online strafbaar is. Het voeren van seksgesprekken met of het aanbieden van AI-seksbots van kinderen keur ik af;iedere poging tot normalisering van seksueel misbruik van kinderen is zeer onwenselijk.
Het enkel voeren van seksgesprekken met een AI-chatbot die zich voordoet als een kind is op dit moment niet als zodanig strafbaar. Datzelfde geldt voor het vervaardigen van een AI-chatbot die zich kan voordoen als een kind.
Dat betekent overigens niet dat gebruikers van zo’n chatbot vrij spel hebben: bepaalde aspecten van het bevragen van of praten met een AI-chatbot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht.
De strafzaak waarnaar wordt verwezen in het door u aangehaalde artikel van het Algemeen Dagblad is een voorbeeld waarin wel sprake was van een strafbare situatie. Hoewel een en ander altijd afhankelijk is van de omstandigheden van het geval overwoog de rechtbank dat sprake was van voorbereidingshandelingen van seksueel kindermisbruik. In de gesprekken die de verdachte met de AI-chatbot voerde werd niet alleen gesproken, of «gefantaseerd», over misbruik, maar werd hoofdzakelijk informatie vergaard over een methode voor het groomen van het neefje van de verdachte om de voorwaarden te scheppen waarin dat misbruik zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het chatgesprek daarmee, in samenhang met de geschetste context, een duidelijk instructieve inslag had.2
In hoeverre biedt het huidige strafrecht voldoende mogelijkheden om op te treden tegen het ontwikkelen van dergelijke bots, het verspreiden ervan en het gebruiken van dergelijks bots met een seksueel oogmerk?
Het ontwikkelen, verspreiden en gebruiken van dergelijke bots is niet strafbaar gesteld. Bepaalde aspecten van het bevragen van/praten met een dergelijke bot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht, en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 Wetboek van strafrecht.
Bent u bereid om het Wetboek van Strafrecht aan te passen zodat ook het creëren, aanbieden of gebruiken van seksueel expliciete AI-personages die minderjarigen voorstellen strafbaar wordt gesteld?
Als beantwoord in de vragen 3 en 4 kunnen bepaalde aspecten van het gebruiken van dit soort bots strafbaar zijn, daarmee zijn er dus nu al instrumenten om dit gedrag aan te pakken. Ik heb daarom op dit moment niet het voornemen om het creëren, aanbieden of gebruiken van deze bots apart strafbaar te stellen.
Scholen voor voortgezet onderwijs die donderdag 5 maart zijn geblokkeerd door activisten van Extinction Rebellion |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat activisten van Extinction Rebellion donderdag 5 maart meer dan dertig Amsterdamse middelbare scholen hebben afgesloten door kettingen aan hekken te hangen en/of sloten onklaar te maken?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat in veel gevallen de politie moest komen om de deuren open te krijgen, dat meerdere scholen lessen dus moesten laten vervallen, en kinderen dus geen onderwijs konden krijgen?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen. Inderdaad konden niet alle scholen hun volledige lesdag draaien.
Deelt u de mening dat dit onacceptabel, abject en verwerpelijk is en moet worden ontmoedigd, (moreel) veroordeeld, vervolgd en bestraft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderwijs is een grondrecht. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst, en juist daarom zou dat altijd ongehinderd mogelijk moeten zijn. Ik vind het dan ook onacceptabel wanneer leerlingen en medewerkers niet naar school kunnen vanwege een gepoogde blokkade. Het is aan de scholen zelf om waar nodig aangifte te doen tegen de organisatoren van de demonstratie. Bij vermoedens van strafbare feiten adviseert het kabinet altijd om aangifte te doen. Het is vervolgens aan het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Deelt u de mening dat de schade moet worden verhaald op de daders, zodat scholen en de overheid niet opdraaien voor deze kosten, en om ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken niet worden aangemoedigd?
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat meerdere scholen aangifte hebben gedaan?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Kunt u aangeven welke wetten bij deze actie zijn overtreden? In hoeverre is het strafbaar om kinderen te verhinderen om naar school te kunnen gaan?
Het recht op onderwijs is in Nederland verankerd in artikel 23 van de Grondwet. Of en zo ja welke wetten worden overtreden wanneer iemand dit recht inperkt is afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval; die beoordeling is aan het OM.
Het Wetboek van Strafrecht kent geen zelfstandige bepaling die het verhinderen van kinderen om naar school te kunnen gaan als zodanig strafbaar stelt. In hoeverre dit onder een andere strafbepaling zou kunnen vallen is eveneens afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden en in de eerste plaats ter beoordeling van het OM.
In hoeverre kan de organisatie Extinction Rebellion uit wier naam deze acties worden gevoerd verantwoordelijk worden gesteld voor de schade en/of vervolgd voor dergelijke acties?
Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is. De bepalingen die een rechtspersoon rechten en verplichtingen toekennen (artikel 2:5 Burgerlijk Wetboek) en die het aanmerken van een rechtspersoon en als zodanig strafrechtelijk vervolgen van die rechtspersoon (artikel 51 Wetboek van Strafrecht) mogelijk maken, zijn dan ook niet van toepassing. In het geval van Extinction Rebellion zullen voor het verhalen van schade en eventuele strafrechtelijke vervolging dus steeds de verantwoordelijke natuurlijke personen moeten worden geïdentificeerd.
Op welk moment kan een organisatie die structureel ertoe aanzet om wetten te overtreden, worden aangemerkt als een criminele organisatie en als zodanig worden vervolgd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Artikel 140 Wetboek van Strafrecht stelt de deelname aan een criminele organisatie strafbaar. Deze wetgeving is gericht op de bescherming van onze samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Om te kunnen worden aangemerkt als een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht moet het oogmerk van de organisatie gericht zijn op het plegen van misdrijven. De afweging of hier sprake van is, is uiteindelijk aan de rechter.
Deelt u de opvatting dat klimaatactivisten voor ontwrichtende acties niet anders behandeld zouden mogen worden dan anderen op grond van hun activistisch oogpunt?
Ja. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk opgetreden worden.
De komst van antisemitische activisten naar een bijeenkomst in de Dominicuskerk in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het evenement «People’s Congress» dat op 7 maart 2026 plaatsvindt in de Dominicuskerk in Amsterdam, waarbij onder meer Omar Barghouti, Francesca Albanese en Jeremy Corbyn als sprekers zijn aangekondigd?1
Ja.
Bent u bekend met antisemitische uitlatingen van verschillende aangekondigde sprekers op dit evenement, waaronder de uitspraak van Omar Barghouti dat hij zich «definitely, most definitely» verzet tegen het bestaan van een Joodse staat, en de uitspraak van Jeremy Corbyn waarin hij sprak over «our friends in Hamas and Hezbollah», terroristische organisaties die oproepen tot de vernietiging van Israël?
Haatzaaiende uitingen tegen bepaalde groepen kunnen bijdragen aan gevoelens van onveiligheid en uitsluiting. Dat is verwerpelijk. Hamas is in 2003 op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. Deelname aan deze terroristische organisatie is dan ook strafbaar. De publieke steunbetuigingen aan Hamas worden door het kabinet met grote zorg bezien. Daarom wordt aan een wetsvoorstel gewerkt om zowel het verheerlijken van terrorisme als het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen. Momenteel wordt het advies van de Raad van State verwerkt. Het kabinet heeft kennisgenomen van de wens om het wetsvoorstel zo snel mogelijk naar de Kamer te verzenden.
Bent u bekend met de uitspraak van VN-rapporteur Francesca Albanese na de gruwelen van 7 oktober dat het geweld «must be put in context» en deelt u de mening dat dit neerkomt op het legitimeren van terrorisme?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met VN-Veiligheidsraadresolutie 1566 (2004), waarin wordt gesteld dat terroristische daden «under no circumstances justifiable by considerations of a political, philosophical, ideological, racial, ethnic, religious or other similar nature» zijn, en deelt u de mening dat de uitspraken van de genoemde sprekers stuk voor stuk rechtstreeks ingaan tegen deze door de VN-Veiligheidsraad vastgestelde norm? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Nederland nooit een podium mag bieden aan sprekers die antisemitisme verspreiden, oproepen tot het verdwijnen van een bondgenoot en terroristische aanslagen legitimeren? Zo nee, waarom niet?
In Nederland geldt het grondrecht van vrijheid van meningsuiting, dat alleen onder strikte voorwaarden kan worden beperkt. Het kabinet acht het daarom niet passend om in algemene zin te stellen dat bepaalde personen of sprekers nooit een podium mogen krijgen.
Wel geldt dat wanneer uitlatingen de grenzen van de wet overschrijden, bijvoorbeeld door aan te zetten tot haat, discriminatie of geweld, hiertegen kan worden opgetreden. Het is in eerste instantie aan lokale autoriteiten en het Openbaar Ministerie om, binnen de geldende wettelijke kaders, te beoordelen of en welke maatregelen in concrete gevallen noodzakelijk zijn.
Bent u bereid deze buitenlandse sprekers ter bescherming van de openbare orde de toegang tot Nederland te ontzeggen en hun een inreisverbod op te leggen?
Ik deel uw bezorgdheid over antisemitisme in Nederland. De Minister van Asiel en Migratie gaat niet in op individuele zaken. In algemene zin kan ik zeggen dat een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, bijvoorbeeld vanwege het uitdragen van extremisme, de toegang tot Nederland (en het Schengengebied) geweigerd kan worden. Dit is mogelijk middels onder andere het weigeren van een visum, een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III).
Bent u bekend met het feit dat deze bijeenkomst plaatsvindt in een kerkgebouw, namelijk de Dominicuskerk in Amsterdam, en deelt u de mening dat het moreel volstrekt onacceptabel is dat een kerk wordt gebruikt als podium voor antisemitische propaganda?
Ik vind elke vorm van antisemitische propaganda altijd onacceptabel.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat Nederland een vrijhaven wordt voor internationale sprekers die antisemitische propaganda verspreiden?
Het kabinet acht het van belang dat de openbare orde en nationale veiligheid worden beschermd en dat binnen de grenzen van de rechtsstaat wordt opgetreden tegen strafbare uitingen, zoals het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Daartoe bestaat een breed palet aan maatregelen.
Bij strafbare feiten, zoals uitlatingen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie, opruiing of (onnodige) belediging is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk door de Politie en het Openbaar Ministerie.
Indien de spreker een aantoonbaar risico vormt voor de openbare orde, kan de burgemeester besluiten om het evenement of de manifestatie vooraf te beperken of te verbieden.
Wanneer dit niet het geval is, kunnen lokale overheden hun zorgen over de spreker of het evenement met de uitbater van de locatie bespreken, maar is het aan de uitbater zelf om te zorgen dat extremistische boodschappen bij hen geen podium krijgen.
Daarnaast kan de toegang tot Nederland worden geweigerd of een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III), indien de IND beschikt over informatie van de AIVD, de lokale driehoek of een duiding van de NCTV, waaruit blijkt dat de aanwezigheid van de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Het kabinet blijft zich, samen met betrokken partners, inzetten voor de bescherming van de openbare orde en het tegengaan van strafbare gedragingen.
Kunt u deze vragen uiterlijk op 6 maart om 20:00 uur (vanavond) beantwoorden en maatregelen nemen om te voorkomen dat deze bijeenkomst doorgaat?
Dat is helaas niet gelukt.
Bent u bekend met het bericht «Extinction Rebellion lijmt deuren van meer dan dertig scholen in Amsterdam dicht: «Dit heeft niets meer met demonstratievrijheid te maken»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat dit soort misstanden blijft voortduren en zich uitbreidt naar nieuwe maatschappelijke sectoren en dat overheden er kennelijk niet in slagen om zulke misstanden te verijdelen of zo snel mogelijk te beëindigen voordat maatschappelijke overlast ontstaat?
Ik vind het onacceptabel dat door deze actie niet alle scholen een volledige lesdag hebben kunnen draaien. De burgemeester van Amsterdam heeft de actie ook nadrukkelijk afgekeurd en aangegeven dat dit niets met demonstratievrijheid te maken heeft. Demonstreren is een groot goed in onze democratische rechtsstaat. Het biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, mits dit vreedzaam en binnen de grenzen van de wet gebeurt. Het plegen van geweld, intimidatie of, zoals in dit geval vernielingen hoort daar niet bij.
In hoeverre was de gemeente vooraf op de hoogte van de plannen om scholen te blokkeren en wat is verricht om deze misstanden te voorkomen of zo snel mogelijk te beëindigen?
De gemeente Amsterdam was niet van tevoren op de hoogte van de actie van Extinction Rebellion om de deuren van scholen dicht te lijmen. Om die reden waren er geen mogelijkheden om de actie te voorkomen. Op het moment dat de scholen erachter kwamen dat hun deuren dichtgelijmd of geblokkeerd waren hebben zij de politie gebeld en zelf maatregelen genomen om de deuren weer toegankelijk te maken. Wat er precies is gedaan verschilt per school(locatie), maar het algemene beeld is dat de scholen vrij snel weer in staat waren om de lessen te vervolgen.
Hoe reageert u op de aankondiging van Extinction Rebellion (XR) dat er noodzaak zou zijn de strijd te intensiveren? Welke inspanningen verricht u om te voorkomen dat meer scholen met deze overlast te maken krijgen?
Onderwijs moet zonder hinder kunnen plaatsvinden. Het is aan scholen om samen met gemeente en politie te beoordelen of maatregelen nodig zijn. Iedereen, dus ook Extinction Rebellion, heeft het recht om te demonstreren, mits zij zich aan de wet houdt.
Hebben alle scholen inmiddels aangifte gedaan tegen XR? Stimuleert u scholen dit te doen en hoe bevordert u dat de kosten zoveel mogelijk verhaald worden op XR?
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen, moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Onderkent u dat gezien de aanhoudende, intensieve en brede inzet van XR om de maatschappij te ontwrichten door belangrijke locaties zoals snelwegen, stations en scholen te bezetten en te blokkeren, specifieke landelijke regie en ondersteuning van gemeenten nodig is om deze organisatie de kop in te drukken en misstanden vaker te kunnen voorkomen? Wil u hierbij uitdrukkelijk aandacht besteden aan scholen?
Demonstreren mag, maar wel binnen de kaders van de wet. Het zoveel mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie een onderzoek in voorbereiding heeft om de rechter te verzoeken XR te verbieden, gezien het feit dat XR daadwerkelijk op allerlei terreinen uitwerking geeft aan de uitdrukkelijke doelstelling om de maatschappij te ontwrichten?
De bevoegdheid die het Openbaar Ministerie op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek toekomt, ziet op het door de rechter laten verbieden en ontbinden van een rechtspersoon. Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is en als zodanig niet kan worden ontbonden. Van een procedure ex artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek is dan ook geen sprake.
Hoe verhoudt de kennelijke doelstelling van XR om te maatschappij te ontwrichten zich tot de fiscale ondersteuning van de ANBI-regeling die gericht is op het bevorderen van maatschappelijk nut? Vindt u ook dat organisaties die blijkens eigen uitingen een doelstelling nastreven die in strijd is met het algemeen nut niet voor de ANBI-status in aanmerking mogen komen?
Extinction Rebellion is geen rechtspersoon. In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staan momenteel wel twee instellingen vermeld die als doel hebben de beweging «Extinction Rebellion» te ondersteunen (Stichting vrienden van XR). Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan geen nadere informatie worden verstrekt over individuele instellingen.
Vanzelfsprekend dient eenieder zich aan de wet- en regelgeving te houden. Een ANBI-status maakt daarin geen verschil. In zijn algemeenheid kan daarnaast worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. De inspecteur van de Belastingdienst zal een ANBI-status bij beschikking intrekken of een aanvraag weigeren indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de ANBI-status, waaronder de hiervoor genoemde voorwaarde van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets». Kortgezegd houdt deze integriteitstoets in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggevende of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Weliswaar verbindt de fiscale wetgeving gevolgen aan bepaalde veroordelingen, maar het uitgangspunt hierbij is dat strafbare feiten strafrechtelijk moeten zijn afgedaan. De inspecteur kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten. Ook wordt de ANBI-status ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.2 Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag waarvan niet iedereen het algemeen nut kan inzien zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken. Dit is ook in de Kamerbrief van 19 maart 2025 naar aanleiding van de motie van het lid Eerdmans die het kabinet verzocht om de ANBI-status van Extinction Rebellion in te trekken aangegeven.3
Strafbare acties van Extinction Rebellion en het blokkeren van scholen in Amsterdam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat activisten van Extinction Rebellion in de nacht van 4 op 5 maart 2026 meerdere middelbare scholen in Amsterdam hebben geblokkeerd door sloten dicht te lijmen en kettingen om schoolhekken te leggen, waardoor de toegang tot de gebouwen werd verhinderd?1
Ja.
Deelt u de mening dat het dichtlijmen van sloten, het blokkeren van de toegang tot gebouwen en het veroorzaken van schade aan eigendommen simpelweg strafbare feiten zijn en niets te maken hebben met het recht op demonstratie?
Ik sluit me aan bij de woorden van de burgemeester van Amsterdam, die de actie nadrukkelijk afgekeurd heeft en heeft aangegeven dat dit niets met demonstratievrijheid te maken heeft. Demonstreren is een groot goed in onze democratische rechtsstaat. Het biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, mits dit vreedzaam en binnen de grenzen van de wet gebeurt. Het plegen van geweld, intimidatie of, zoals in dit geval vernielingen hoort daar niet bij.
Hoe beoordeelt u het feit dat Extinction Rebellion zelf aangeeft dat deze actie «nog maar het begin» is en dat verdere ontwrichtende acties worden aangekondigd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht naar aanleiding van deze actie en welke strafbare feiten worden de betrokken activisten precies ten laste gelegd?
Op dit moment zijn er nog geen aanhoudingen verricht.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de volledige schade, herstelkosten en politie-inzet op de daders en de organisatie worden verhaald, zodat niet de samenleving maar de veroorzakers betalen?
Het uitgangspunt is dat schade zoveel mogelijk op de daders wordt verhaald. Momenteel zijn er nog geen aanhoudingen verricht en zijn er geen verdachten in beeld. Daarmee ontbreekt op dit moment de mogelijkheid om schade te verhalen. Mocht alsnog uit onderzoek blijken wie verantwoordelijk is, dan wordt uiteraard bezien of schade op hen kan worden verhaald.
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet houdt niet bij wanneer en waarvan scholen aangifte doen. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen, moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Het is helaas niet altijd mogelijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek moet worden aangepast of uitgebreid zodat ook organisaties die structureel maatschappelijke ontwrichting of chaos nastreven, maar op dit moment misschien niet direct onder de reikwijdte van dit wetsartikel vallen, effectiever kunnen worden verboden?
Wanneer er daadwerkelijk strafbare feiten worden gepleegd, biedt de wet nu al voldoende middelen om daartegen op te treden.
Wat gaat u verder concreet doen tegen deze anarchistische organisatie die herhaaldelijk strafbare en ontwrichtende acties organiseert en welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Extinction Rebellion opnieuw publieke voorzieningen kan blokkeren en de openbare orde kan verstoren?
De beoordeling of er in een concreet geval is van strafbare feiten is aan het OM, en uiteindelijk aan de rechter. Het is aan het lokaal gezag om demonstraties te faciliteren en waar nodig maatregelen te treffen als de openbare orde in het gevaar is.
Het bericht 'Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen' |
|
Björn Schutz (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat in de treinen van de NS-reclame is uitgezonden van China Media Group (CMG)?
Ja.
Deelt u de mening dat het Centrale Propaganda Departement onder andere gericht is op buitenlandse beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
Reclame maken over China en Chinese culturele activiteiten is een vorm van openlijke beïnvloeding van de publieke opinie in Nederland. De relatie tussen het Centrale Propaganda Departement (CPD) en de Chinese overheid maakt dat het CPD zich bezig houdt met buitenlandse beïnvloeding. Buitenlandse beïnvloeding is niet ondermijnend wanneer het op openlijke en legitieme wijze plaatsvindt en daarbij de normen en waarden van de Nederlandse democratische rechtsorde respecteert.2 Desondanks kunnen zich situaties voordoen die wel degelijk als onwenselijk kunnen worden ervaren, en toch binnen de grenzen van Nederlandse wet en- regelgeving blijven.
In hoeverre acht u het wenselijk dat buitenlandse mogendheden toegang hebben tot advertentieruimte in Nederlandse infrastructuur, zoals het openbaar vervoer?
Diplomatie of promotionele campagnes zijn op zichzelf geen uitzonderlijk fenomeen, ongeacht of deze afkomstig zijn van statelijke of niet-statelijke actoren. Tegelijkertijd kunnen buitenlandse advertentie- of mediacampagnes risico’s met zich meebrengen, omdat dergelijke uitingen ook onderdeel kunnen zijn van bredere strategische communicatie of beïnvloedingsactiviteiten. De rijksoverheid heeft geen sturingsmogelijkheid op de (buitenlandse toegang tot) advertentieruimte in Nederlandse infrastructuur, mits dit binnen de grenzen van de Nederlandse wet- en regelgeving blijft en zolang dit geen risico vormt voor de continuïteit van vitale processen, zoals het openbaar vervoer of voor de nationale veiligheid.
Deelt u de mening dat staatsbedrijven, zoals de NS, een voorbeeldfunctie hebben om buitenlandse mogendheden geen reclameruimte te bieden? Zo nee, waarom niet?
Van staatsdeelnemingen mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun maatschappelijke positie en zorgvuldig omgaan met vraagstukken die raken aan publieke belangen.
Dat betekent echter niet dat in algemene zin moet worden uitgesloten dat buitenlandse partijen gebruik maken van advertentieruimte voor toeristische of culturele uitingen. Het is aan de onderneming om binnen de geldende kaders en met inachtneming van relevante risico’s een afgewogen beleid te voeren.
In hoeverre kunnen staatsbedrijven, zoals de NS, afstemmen en schakelen met een contactpersoon binnen de rijksoverheid over zaken als buitenlandse inmenging en beïnvloeding? Zo ja, tot wie kunnen zij zich richten en is dat op dit moment ook gebeurd? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken of hier behoefte aan is?
Iedere staatsdeelneming heeft goed contact met haar aandeelhouder (het Ministerie van Financiën) en het betreffende beleidsdepartement. Staatsdeelnemingen kunnen daarom bij vragen altijd in contact worden gebracht met het beleidsverantwoordelijke departement.
In hoeverre kunnen commerciële partijen, zoals DSBP-consultants, schakelen met contactpersonen binnen de rijksoverheid over ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding?
Afhankelijk van de situatie kan een commerciële partij schakelen met een passende contactpersoon binnen de rijksoverheid, in eerste instantie van het beleidsverantwoordelijk departement. Het is aan commerciële partijen om aan wet- en regelgeving te voldoen en in eerste instantie zorg te dragen voor continuïteit van vitale processen. De rijksoverheid heeft een rol op het moment dat de nationale veiligheid in het geding is.
Bestaan er richtlijnen of kaders vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over samenwerking met buitenlandse propagandakanalen? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer en zijn deze ook gedeeld met de NS? Zo nee, waarom niet?
Nee, vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst bestaan geen richtlijnen of kaders die specifiek zijn gericht op de samenwerking tussen commerciële partijen in Nederland die (willen) samenwerken met buitenlandse mediakanalen. Het staat commerciële partijen vrij om binnen Nederlandse wet- en regelgeving buitenlandse advertenties te tonen, zolang deze geen risico vormen voor de continuïteit van vitale processen of de nationale veiligheid.
Bent u van plan om in gesprek te treden met de NS over bovenstaande zaak en het advertentiebeleid? Zo nee, waarom niet?
De aandeelhouder van NS (het Ministerie van Financiën) voert regelmatig gesprekken met NS over de algemene gang van zaken en relevante maatschappelijke thema’s. Daarbij staat NS als staatsdeelneming op afstand en treedt de aandeelhouder niet in de dagelijkse bedrijfsvoering. Commerciële activiteiten, zoals het advertentiebeleid, behoren daarom tot de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur.
Deelt u de mening dat de NS zich niet kan verschuilen achter het argument dat het advertentiebeleid formeel is nageleefd?
Het is van belang dat NS handelt binnen de geldende wet- en regelgeving en haar eigen beleid en tegelijkertijd oog heeft voor de bredere maatschappelijke context en daarmee voor evidente risico’s, ook wanneer formeel aan de geldende kaders wordt voldaan.
NS baseert haar advertentiebeleid in hoofdzaak op de Nederlandse Reclame Code en de richtlijnen van de Reclame Code Commissie, aangevuld met enkele eigen aanscherpingen. Op grond van dit kader, en voor zover kan worden vastgesteld ook in het licht van de Mediawet en de beleidsregels van het Commissariaat voor de Media, wordt de betreffende advertentie niet uitgesloten. Advertenties worden voorafgaand aan publicatie getoetst aan dit beleid.
Zijn er bij u andere gevallen bekend van de afgelopen twaalf maanden waarbij buitenlandse mogendheden gebruik maken van advertentieruimte van de NS?
NS geeft desgevraagd aan dat Duitsland, via het Duits Verkeersbureau, diverse keren geadverteerd heeft in de trein bij NS. Naast overigens diverse regionale promotie- en marketingorganisaties uit Nederland.
Het bericht 'Zo’n 1700 politiemedewerkers keken in dossier over Lisa: ‘Onacceptabel’' |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS waarin wordt gemeld dat circa 1.700 politiemedewerkers hebben gekeken in het dossier inzake het onderzoek naar de dood van Lisa, zonder dat daarbij sprake was van een aantoonbare functionele noodzaak?1
Ik ben bekend met het bericht.
Kunt u bevestigen hoeveel medewerkers daadwerkelijk inzage hebben gehad in het betreffende dossier, over welke periode deze inzage heeft plaatsgevonden en om welke categorieën gegevens het daarbij ging? Was het gehele dossier inzichtelijk?
Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» of in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging. De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Waarom was deze zaak niet enkel toegankelijk voor personen met noodzaak daartoe? Welke tekortkomingen in toegangsbeheer of controle ziet u, zeker ten aanzien van zaken met een grote maatschappelijke impact zoals deze?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep (autorisatiebeleid en opleiding). Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Deelt u de opvatting dat aandacht en bewustwording alleen niet kan voorkomen dat politiemedewerkers meekijken en structurele technische waarborgen dan ook noodzakelijk zijn om privacy te beschermen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Is het (technisch) mogelijk dergelijke zaken af te sluiten en enkel toegankelijk te maken voor een noodzakelijk aantal personen? Welke mogelijkheden ziet u voor strengere autorisaties of verplichte motivering bij inzage in gevoelige dossiers?
Per systeem is de afweging gemaakt over de mate van afscherming. Indien nodig kunnen binnen systemen ook dossiers geheel worden afgeschermd. Veel systemen zijn juist bedoeld om politiemensen te informeren, bijvoorbeeld vanwege hun eigen veiligheid, maar ook om de heterdaadkracht direct na de melding te vergroten. In de praktijk blijkt iedere dag hoe effectief dat is en dat moet behouden blijven. Inzage in een geheel onderzoek-dossier vergt een aparte autorisatie in het informatiesysteem van de recherche en is per zaak voorbehouden aan een selecte groep medewerkers.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Hoe wordt momenteel gemonitord wie welke dossiers raadpleegt? Is daarbij ook sprake van actieve controle of slechts van controle achteraf zoals bij dit dossier naar aanleiding van een melding?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt dit incident zich tot eerdere signalen of onderzoeken over ongeoorloofde inzage binnen de politie? Is hier sprake van een incident of van een herhaling?
De politie heeft doorlopend aandacht voor ongeoorloofde inzage in de politiesystemen en rapporteert hierover in haar jaarverslag. De korpsleiding heeft mij geïnformeerd dat er in dit geval een onderzoek gestart is omdat er zeer concrete signalen waren over onterechte bevragingen en omdat er vertrouwelijke informatie over het onderzoek in de media is beland.
Kunt u de vragen individueel beantwoorden en deze antwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over politie de Kamer doen toekomen?
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat tussen Wit-Rusland en Polen tunnels zijn aangetroffen die mogelijk zijn gegraven door terroristische organisaties zoals Hamas, Islamitische Staat (IS), Hezbollah of Iran-gelieerde groeperingen om illegale migranten Europa binnen te smokkelen?1
Ja.
Erkent u dat, als deze tunnels daadwerkelijk zijn gebruikt, er duizenden terroristen via deze route Europa en mogelijk dus ook Nederland kunnen zijn binnengekomen?
Nederland en de EU werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren.
Hoewel het bekend is dat terroristen mogelijk misbruik kunnen maken van migratiestromen is het overgrote deel van de migranten niet betrokken bij terrorisme. Dat dergelijke door de Poolse grensautoriteiten onderkende tunnels door migranten kunnen zijn benut is hoe dan ook een kwalijke zaak. Het kabinet onderstreept dan ook het belang van de inzet door landen aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Lidstaten zijn daarbij verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie (EU) meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen.
Realiseert u zich dat één doorgelaten jihadist al voldoende is voor een bloedige aanslag op Nederlandse bodem?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe ziet u deze ontwikkeling in het licht van de oplopende spanningen met Iran en de angst voor de inzet van terroristische netwerken om aanslagen in Europa te plegen?
Het is bekend dat Iran en aan Iran gelieerde groepen in Europa doorgaans via clandestiene netwerken, terroristische of criminele proxy’s en (online) gerekruteerde individuen opereren, maar niet via logistiek complexe infrastructuur zoals tunnels. De oplopende spanningen hebben de hoogste aandacht van alle veiligheidsdiensten.
Kunt u ons garanderen dat via deze route géén personen met banden met jihadistische organisaties Nederland zijn binnengekomen? Zo nee, erkent u dat alle Nederlanders dus ernstig gevaar lopen?
Ondanks de strenge procedure en inspanningen kan er nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen. Nederland heeft een sterke en brede aanpak om signalen van terrorisme tijdig te onderkennen en personen die worden verdacht van misdrijven met een terroristisch oogmerk op te sporen, te vervolgen en, indien toepasselijk, te bestraffen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3 blijft het kabinet zich onverminderd inzetten om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen.
Binnen de asiel- en nareisprocedure bestaan daarnaast verschillende maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2
Hoeveel illegale migranten zijn in 2024 en 2025 via de oostelijke buitengrens de EU binnengekomen, hoeveel daarvan zijn in Nederland terechtgekomen en hoeveel van deze groep zijn daadwerkelijk uitgezet?
Volgens cijfers van Frontex werden in 2025 10.846 irreguliere grenspassages aan de oostelijke landgrens van de EU waargenomen, dit is 37% minder dan in 2024.3 Over het aantal migranten dat vervolgens doorreist naar Nederland, en het aantal daarvan dat (al dan niet gedwongen) terugkeert zijn geen cijfers beschikbaar. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de afgelegde reisroute niet in de cijfers wordt geregistreerd, en er voorts ook geen koppeling mogelijk is met de terugkeercijfers.
Bent u het eens dat, als Europa en Nederland overspoeld worden met miljoenen illegale migranten, miljoenen mensen moeten worden uitgezet en bent u bereid daartoe een massief uitzetprogramma te starten? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het kabinet van mening dat de omvang van migratie naar Nederland ingeperkt moet worden. Dat geldt ook voor asielmigratie. Binnen de geldende internationale en Europese juridische kaders doet het kabinet dan ook wat kan om dit te bewerkstelligen. Een belangrijk sluitstuk van het migratiebeleid richt zich reeds op het bewerkstelligen van effectieve terugkeer, al dan niet door gefaciliteerde zelfstandige terugkeer middels terugkeer- en herintegratieondersteuning van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) of via gedwongen vertrek indien vreemdelingen vertrekplichtig zijn en niet meewerken aan zelfstandig vertrek. Zoals u ook kunt lezen in het regeerakkoord steunt het kabinet de nieuwe EU-terugkeerverordening waarmee onder andere de mogelijkheden voor gesloten opvang voorafgaand aan gedwongen vertrek worden verruimd. Het kabinet is hierbij tevens voorstander van het verruimen van het zogeheten bandencriterium, waardoor het gemakkelijker wordt op EU-niveau terugkeerafspraken te maken met landen buiten Europa. Bij afspraken over terugkeer- en transithubs waarborgt Nederland dat migranten nooit terug worden gestuurd naar een land waar zij het risico lopen om vervolgd te worden.4
Bent u het eens dat Wit-Rusland migratie inzet als hybride oorlogsvoering tegen Europa, dat dit bewuste ondermijning is van onze nationale veiligheid en dat daartegen harde tegenmaatregelen moeten volgen?
Het kabinet vindt de hybride dreiging door instrumentalisering van migratiestromen door Belarus onaanvaardbaar en heeft zich dan ook altijd voorstander getoond voor het sanctioneren van het Belarussische regime in Europees verband. Zo sprak de Europese Raad zich gezamenlijk al in 2021 uit tegen de hybride aanvallen aan de grenzen van de EU, en stelde daar gepast op te reageren richting het Belarussische regime.5 Zo werd de sanctieregeling aangepast waardoor ook opgetreden kan worden wanneer migranten worden ingezet voor politieke doeleinden, en zijn er om deze reden Europese sancties uitgevaardigd tegen Belarus. Sindsdien zijn er – mede in relatie tot de oorlog in Oekraïne – reeds verscheidene sanctiepakketten uitgevaardigd tegen het Belarussische regime en andere betrokkenen, ook in reactie op de hybride aanvallen tegen EU-landen.6
Bent u het eens dat dit precies laat zien waarom Nederland per direct een asielstop moet invoeren en weer volledige controle moet nemen over wie ons land binnenkomt? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingen die asielbescherming behoeven moeten die conform Europese en internationale verplichtingen ook kunnen krijgen. Een algehele asielstop is dus niet de juiste oplossing. Het kabinet staat voor een nieuw modern migratiemodel met meer grip migratie, een verlaging van de instroom en verhoging van de terugkeer van asielmigranten, fatsoenlijke opvang en sneller meedoen, en sturing op arbeidsmigranten. Het EU-migratiepact dat op 12 juni in werking treedt is een grote stap om meer grip te krijgen over wie er naar Nederland komt. Zoals toegelicht onder vraag 7 vormt een effectief terugkeerbeleid een sluitstuk van ons migratiebeleid, en zal de nieuwe EU-terugkeerverordening het Europese terugkeerbeleid effectiever maken en de nationale autoriteiten meer opties geven om terugkeer te effectueren. Daarnaast zet het kabinet onverkort in op nationale maatregelen en brengen we de asielketen op orde, spant het kabinet zich internationaal in voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht, en werkt het kabinet – zowel billateraal als in Europees verband – intensief samen met landen langs de migratieroutes met als doel het beperken van irreguliere migratie en het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig verblijf en het bieden van bescherming aan migranten.
Kunt u deze vragen vóór vrijdag 6 maart om 12.00 uur beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht dat 1.700 agenten in het dossier van vermoorde Lisa uit Abcoude te neuzen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat maar liefst 1.700 politieagenten het dossier van de vermoorde Lisa uit Abcoude hebben ingezien? Zo ja, klopt dit bericht? Over welke periode heeft deze inzage plaatsgevonden? En in welke systemen vonden deze inzagen plaats? Is hier uit te splitsen naar inzagen in het dossier met onder meer verhoren, aangiftes, sporen en/of in de melding en de daarop volgende updates van de ontwikkeling van de melding, het signalement van de verdachte en andere info die tot de opsporing en aanhouding van de verdachte kon leiden?
Ik ben bekend met het bericht. Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» en in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging.De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
In hoeveel van deze inzagen was sprake van een functionele noodzaak?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat een dergelijk groot aantal politiefunctionarissen ongeoorloofde toegang heeft kunnen krijgen tot dit dossier? Welke autorisatiestructuur en toegangsbeperkingen waren van toepassing op dit dossier? Is sprake geweest van systeemfouten, tekortschietend toezicht of cultuurproblemen binnen de organisatie?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Op welk moment is intern geconstateerd dat sprake was van ongeoorloofde inzage? Wie heeft dit vastgesteld en welke directe maatregelen zijn toen genomen? Waarom is dit niet eerder gesignaleerd of voorkomen?
Begin september 2025 kwamen er concrete signalen over onterechte bevragingen binnen. Dat leidde uiteindelijk tot een landelijk oriënterend onderzoek.
Het past bij een professionele organisatie om, als daar aanleiding toe is, ook bereid te zijn zichzelf te onderzoeken. Daarom geeft de politie nu opvolging aan het onderzoek.
Welke sancties worden ondernomen tegen politiefunctionarissen die zonder functionele noodzaak inzage hebben gehad in dit dossier? Kunt u aangeven welke sancties in vergelijkbare gevallen eerder zijn opgelegd?
Wanneer er onterechte bevragingen zijn, zal dit op de binnen de politie gebruikelijke wijze worden opgepakt. Het is aan het bevoegd gezag om passende maatregelen te treffen als uit de te voeren gesprekken met politiemedewerkers blijkt dat er geen sprake was van een functionele noodzaak.
Kunt u aangeven wat de impact van dit gedrag van deze politiefunctionarissen is geweest voor de nabestaanden van Lisa? Heeft u ze gesproken? Heeft de politieleiding ze gesproken?
Het spijt mij heel erg dat de nabestaanden van Lisa geconfronteerd zijn geweest met de grote hoeveelheden berichtgeving van de afgelopen tijd. De politie en ikzelf staan met de nabestaanden in contact via hun advocaat. Er staat een gesprek met hen gepland.
Welke maatregelen kent de politie in de praktijk om ongeoorloofde inzage te voorkomen? Vindt u deze beperkingen effectief? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet? Wilt u dat onderbouwen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Zijn er in de afgelopen vijf jaar eerder signalen geweest van ongeoorloofde wijze van inzagen in dossiers? Zo ja, om hoeveel gevallen ging het? Hoe is tot op heden met deze meldingen omgegaan? Waarom is niet eerder actie ondernomen door de politieleiding?
In het jaarverslag van de politie is terug te vinden hoeveel disciplinaire maatregelen er zijn opgelegd die te relateren zijn aan de verkeerde omgang met informatie; 183 in 20242.
Welke aanvullende maatregelen neemt u zich thans voor om de informatiebeveiliging te optimaliseren zodat herhaling wordt voorkomen?
Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging. Ik blijf hierover met de politie in gesprek.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het interne onderzoek en eventuele vervolgstappen?
Zoals ook met u gedeeld in mijn brief van 20 maart jl., heeft de korpschef mij gemeld dat er vanuit de korpsleiding een persoonlijke herstelbrief komt voor de medewerkers die eerder een brief ontvingen in het kader van het raadplegen van de systemen. Daarnaast worden er laagdrempelige bijeenkomsten georganiseerd waar politiemedewerkers worden uitgenodigd om met de korpsleiding in gesprek te gaan. Vakbonden en medezeggenschap worden hierbij uitgenodigd. Deze gesprekken zijn gericht op het herstel van vertrouwen. Zoals ook aangekondigd in mijn brief van 9 maart, worden ook de gesprekken tussen leidinggevenden en betrokken politiemedewerkers gevoerd. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Grootschalige naamfouten in strafrechtelijke vonnissen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verbijsterde Kamer eist duidelijkheid over massale naamfouten bij justitie»?1
Ja.
Klopt het dat eerder 876 naamfouten in strafrechtelijke vonnissen zijn vastgesteld, maar dat inmiddels signalen bestaan dat het mogelijk om circa 50.000 foutieve naamkoppelingen gaat? Sinds wanneer is uw ministerie bekend met deze hogere aantallen en waarom is de Kamer hierover niet eerder volledig geïnformeerd?
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen.; verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat het sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof en dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.2
Wat wordt binnen de justitiële keten exact verstaan onder een «naamfout»? Beperkt dit zich tot administratieve verschrijvingen en typefouten of betreft het tevens gevallen waarin persoonsgegevens van onschuldige burgers ten onrechte zijn gekoppeld aan strafrechtelijke veroordelingen? Kunt u de verschillende categorieën fouten volledig en afzonderlijk kwantificeren?
Het gaat om situaties waarbij de Matching Autoriteit constateert dat de identiteit die zij op dat moment als leidend heeft bepaald, afwijkt van de tenaamstelling van het vonnis. Deze afwijkingen kunnen voortkomen uit schrijffouten, naamswijzigingen, betere identiteitsgegevens die pas later in het strafproces beschikbaar komen, identiteitsfraude of langdurige onzekerheid over de identiteit.
Hieronder is per gevalstype het percentage waarin afwijkingen voorkomen in de 867 geconstateerde zaken indicatief aangegeven:
Deze percentages kunnen wijzigen. Op grond van nadere toetsing kan blijken, dat een zaak tot een ander gevalstype behoort. Deze percentages geven daarmee een voorlopig beeld van de thans beoordeelde zaken.
Op welk moment in de strafrechtketen ontstaan deze fouten precies en waar ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen daarvan? Is sprake van een structurele systeemfout en is hiervoor eerder intern gewaarschuwd?
De problematiek kent verschillende oorzaken. Om te beginnen aan de voorkant van de keten. Daar kunnen verdachten onjuiste of onvolledige gegevens verstrekken die op dat moment niet kunnen worden geverifieerd. Ook kunnen fouten in de registraties ontstaan vanwege verschrijvingen of administratieve vergissingen. Later in het proces, zo leert de praktijk, komen er pas voor het eerst kwalitatief betere identiteitsgegevens beschikbaar (zoals vingerafdrukken). De registraties worden dan indien nodig geactualiseerd. Dat vergt nader ID-onderzoek. Een dergelijk onderzoek neemt veel tijd in beslag en duurt soms langer dan de periode van vervolging/berechting. Hierdoor kunnen fouten lange tijd in de registraties blijven staan en komt pas na het vonnis informatie beschikbaar op basis waarvan wordt geconstateerd dat de tenaamstelling onjuist is. In andere gevallen wordt bij de vervolging (uitbrengen dagvaarding) en berechting (vonnis) niet altijd gewerkt met de meest actuele tenaamstelling, en wordt de identiteit van de verdachte op die momenten niet daadwerkelijk geverifieerd. Bovendien kent de strafrechtketen op dit moment geen structureel herstelproces om deze fouten proactief te herstellen.
Het voorkomen van nieuwe fouten is één van de vier pijlers van de aanpak. Dat laat onverlet dat hier sprake is van een ketenbreed vraagstuk: de oorsprong ligt vaak vroeg in het proces, maar ook in latere fasen moeten signalen tijdig worden onderkend, geverifieerd en verwerkt. Daarom wordt samen met ketenpartners in kaart gebracht waar processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat onzekerheid rondom de identiteit van een verdachte inherent is aan het strafproces. Dat houdt verband met het kernbeginsel dat de verdachte niet verplicht is mee te werken aan de eigen veroordeling, maar ook aan de wisselende betrouwbaarheid van de op dat moment beschikbare identiteitsgegevens. Een volledig foutloze keten is niet realistisch; er zal sprake blijven van menselijke invoerfouten en situaties waarin, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van gegevens, identiteiten in de praktijk niet zijn vast te stellen.
Het belang van de strafrechtspleging vergt dat er wordt gewerkt met de beste op dat moment beschikbare gegevens. Daarom wordt ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de migratieketen en de burgerketen zijn betrokken.
Klopt het dat eenmaal foutief gekoppelde persoonsgegevens automatisch doorwerken in gekoppelde justitiële databanken? Zo ja, welke systemen zijn daarbij betrokken en hoe verhoudt deze automatische doorwerking zich tot het beginsel van juistheid van persoonsgegevens zoals neergelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming?
De Strafrechtketendatabank (SKDB) verwerkt identiteitsgegevens mede op basis van authentieke of gezaghebbende bronregistraties, waaronder in elk geval de Basisregistratie Personen en, voor zover relevant, de Basisvoorziening Vreemdelingen. Wijzigingen in dergelijke bronregisters kunnen doorwerken in de SKDB om identiteitsgegevens te actualiseren en ketenprocessen te ondersteunen. Of en hoe die doorwerking vervolgens effect heeft in andere ketenprocessen of registraties, hangt af van de aard van de wijziging, de betrokken systemen en de noodzakelijke beoordeling van de gevolgen daarvan.
Een beperkt aantal van de aan de SKDB gekoppelde organisaties valt onder de werking van de AVG. Voor andere organisaties geldt dat de Wet Politiegegevens (Wpg) of de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing zijn, die overigens vergelijkbare bepalingen kennen ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de te verwerken persoonsgegevens. Die stelsels kennen ieder eigen regels over de juistheid, zorgvuldigheid en – waar nodig – correctie van persoonsgegevens. De geautomatiseerde doorwerking van brongegevens ontslaat betrokken organisaties dus niet van hun verantwoordelijkheid om, binnen het voor hen geldende wettelijke kader, onjuistheden te corrigeren wanneer die blijken.
Klopt het dat het corrigeren van foutief gekoppelde persoonsgegevens in de praktijk wordt bemoeilijkt doordat wijzigingen automatisch doorwerken in andere systemen? Deelt u de mening dat systeemtechnische beperkingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen om onjuiste strafrechtelijke registraties in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat systeemtechnische beperkingen nooit zouden mogen leiden tot het in stand houden van onjuiste strafrechtelijke registraties. Juist om die reden heeft de Matching Autoriteit de wettelijke taak (Wivvg) de leidende administratieve identiteit van verdachten en veroordeelden te bepalen. Deze identiteit wordt binnen de strafrechtketen gedeeld en vervolgens in alle fasen van het strafproces gebruikt. Door het centraal beheer en onderhoud van identiteitsgegevens in de strafrechtketen en het eenduidig gebruik hiervan in de keten(-systemen), kunnen de uniformiteit van gegevens, dataconsistentie en de mogelijkheid tot integraal herstel (na constatering onjuiste tenaamstelling) worden geborgd. Dat neemt niet weg dat herstel in de praktijk per systeem en per rechtsgevolg verschillende handelingen kan vergen. Juist daarom is van belang dat onjuiste registraties niet alleen technisch, maar ook juridisch en procesmatig zorgvuldig kunnen worden hersteld. Om die reden is begin dit jaar een wijziging in de systemen gerealiseerd waardoor het mogelijk is geworden om geautomatiseerd doorgevoerde wijzigingen weer terug te draaien.
Bestaat er binnen de justitiële keten onduidelijkheid over wie bevoegd is om fouten in strafrechtelijke vonnissen en de daaraan gekoppelde registraties te herstellen? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat geen eenduidige herstelbevoegdheid is vastgelegd terwijl dergelijke fouten verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de rechtspositie van burgers?
Er bestond inderdaad onzekerheid omtrent de herstelbevoegdheden. Deze onzekerheid is inmiddels in belangrijke mate verduidelijkt door het ontwikkelde Toetsings- en handelingskader dat de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen expliciet maakt. Dat kader is conform toezegging in Q1 definitief vastgesteld en wordt in de komende tijd verder geoperationaliseerd in de uitvoeringspraktijk. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht. Dit kader is gebaseerd op een door deskundigen in- en extern gevalideerde juridische grondslag. Daarbij geldt als uitgangspunt dat correctie van registraties onder omstandigheden mogelijk is, maar dat wijziging van een onherroepelijk rechterlijk oordeel uitsluitend door de rechter zelf kan worden gedaan.
Hoeveel burgers hebben aantoonbaar nadeel ondervonden van onjuiste registraties in justitiële systemen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag, bij werk- of veiligheidsscreening, in opsporingsonderzoeken, detentie of verblijfsrechtelijke procedures? In hoeveel gevallen hebben foutieve naamkoppelingen ertoe geleid dat veroordeelde personen niet (tijdig) zijn gedetineerd of ten onrechte op vrije voeten zijn gebleven?
In de Kamerbrief van 10 november 20253 is melding gemaakt van vier gevallen waarin foutieve tenaamstelling aan de orde was. In twee van die gevallen zijn personen bij identiteitscontrole gedetineerd geweest; nadat bleek dat zij niet de dader waren, zijn zij in vrijheid gesteld. Of er in meer zaken sprake is geweest van benadeling van burgers zal moeten blijken uit de lopende analyse van de overige zaken waarin er aanwijzingen zijn dat er sprake was van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.
Ook is aangegeven dat in 8 gevallen waarin binnen de onderzochte groep een VOG-aanvraag aan de orde was, de nieuwe informatie niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoeveel verzoeken tot correctie van onjuist verwerkte persoonsgegevens zijn sinds 2010 ingediend, hoeveel daarvan zijn toegewezen en hoeveel afgewezen, en op welke gronden zijn deze verzoeken afgewezen?
Op de door u gestelde vraag kan geen antwoord worden gegeven, omdat cijfermateriaal vanaf 2010 niet beschikbaar is. Het gevraagde, namelijk onjuist verwerkte persoonsgegevens, is daarbij een ander begrip en veel breder dan een «onjuiste tenaamstelling». Daarnaast kan een verzoek tot correctie betrekking hebben op verschillende onderdelen van de registratie van (persoons-)gegevens in de SKDB en niet uitsluitend op de correctie van de personalia van een betrokkene. Dat neemt niet weg dat ik zal bezien hoe de registratie van dergelijke signalen, verzoeken en afdoeningen vanaf nu eenduidiger kan plaatsvinden, zodat hierover in de toekomst beter kan worden gerapporteerd.
Erkent u dat het ten onrechte registreren van burgers als crimineel een ernstige aantasting kan vormen van hun rechtspositie, reputatie en grondrechten? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om alle foutieve registraties actief op te sporen, gedupeerde burgers te informeren en hen adequaat te compenseren?
Het is van groot maatschappelijk belang dat de identiteit van verdachten in het strafproces juist wordt vastgesteld, om te voorkomen dat onschuldigen nadeel ondervinden of dat daders hun straf ontlopen. Uit de rapportage van de Algemene Rekenkamer (ARK) in mei 2025 en de daarop volgende brieven aan uw Kamer5 blijkt dat het in het verleden niet altijd goed is gegaan
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
Daarbij wordt niet alleen ingezet op het voorkomen van nieuwe gevallen en het beoordelen van bekende zaken, maar ook op het zo veel mogelijk in beeld brengen van gevallen waarin burgers concreet nadeel hebben ondervonden. Waar daar aanleiding toe bestaat, wordt bezien of en hoe betrokkenen actief kunnen worden benaderd en welke passende herstel- of schadetrajecten openstaan. Daarnaast kunnen burgers die menen nadeel te ondervinden van een onjuiste overheidsregistratie zich melden via onder andere het Meldpunt Fouten in Overheidsregistraties; bezien wordt hoe deze route in dit dossier zo toegankelijk mogelijk kan worden gemaakt.
Het bestraffen van frequente verkeersovertreders bij het veroorzaken van ernstige ongelukken |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Abdalla valt in slaap en rijdt voetganger dood, rechter geeft hem celstraf»?1
Ja.
Hoe wordt op dit moment in de vervolging en berechting rekening gehouden met de persoonlijke geschiedenis van het aantal en type verkeersovertredingen van de verdachte? Is deze praktijk volgens u toereikend?
Eerder opgelegde strafbeschikkingen en veroordelingen (met boetes boven de 130 euro) staan in de justitiële documentatie. Bij het bepalen van de strafeis door het Openbaar Ministerie en de oplegging van de straf door de rechter, wordt hier rekening mee gehouden. In de praktijk leidt recidive veelal tot hogere straffen. Artikel 179, vierde lid, van de Wegenverkeerswet bepaalt bijvoorbeeld dat als iemand binnen vijf jaar wederom een rijontzegging krijgt opgelegd, de rijontzegging in plaats van maximaal vijf jaar maximaal tien jaar bedraagt. Daarnaast vallen de misdrijven uit de Wegenverkeerswet 1994 onder de recidiveregeling zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (artikelen 43a en 43b). Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer iemand zich schuldig maakt aan een verkeersmisdrijf terwijl er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een veroordeling voor een soortgelijk misdrijf, het strafmaximum met een derde kan worden verhoogd. Overtredingen die onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vallen, staan niet in de justitiële documentatie omdat het uitgangspunt van deze wet is dat de overtredingen die hieronder vallen, ethisch neutraal zijn.
Kunt u toelichten waarop in de huidige praktijk de gedachte berust dat een gevangenisstraf en rij-ontzegging van één of enkele jaren voldoende is om recht te doen aan verkeerssituaties met dodelijke afloop waarin verdachten reeds herhaaldelijk gevaarzettend gedrag hebben vertoond in het verkeer?
De rechter moet bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de verschillende omstandigheden van het geval. Daarbij wordt gekeken naar de gevolgen van het gedrag, maar vooral ook naar de mate van schuld. Dit kan in verkeerszaken erg uiteenlopen. Zo kan een kort moment van onoplettendheid fatale gevolgen hebben, terwijl zeer onvoorzichtig gedrag soms zonder gevolgen blijft. Hoe verwijtbaar het gedrag ook is, het gaat bij verkeersongevallen wel altijd om een bepaalde mate van schuld. Dit maakt dat de bovengrens van de straf lager is dan bij delicten die met opzet gepleegd worden. Indien een bestuurder iemand opzettelijk aanrijdt, is er geen sprake meer van een verkeersmisdrijf maar van (poging tot) doodslag. Daar gelden andere maximumstraffen voor.
De strafeisen in de richtlijn van het Openbaar Ministerie (OM) in geval van een dodelijke aanrijding lopen dan ook uiteen. Het wegenverkeersrecht kent vier oplopende gradaties van schuld.
Voor de lichtste vorm van schuld, aanmerkelijke schuld, geldt in de meeste gevallen een strafeis van een taakstraf van 240 uur in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. In geval van ernstige schuld volgt een strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar. Als er sprake is van een zeer hoge mate van schuld aan de kant van de verdachte is de strafeis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar. De vierde en zwaarste mate van schuld vormt roekeloosheid, waarvoor maximaal zes jaar gevangenisstraf en vijf jaar ontzegging van de rijbevoegdheid – die ingaat na de gevangenisstraf – kan worden opgelegd. Voor deze zwaarste categorie is in de OM richtlijn geen strafeis geformuleerd, maar er wordt altijd een hogere straf geëist dan bij de in de hiervoor beschreven gradaties.
Wanneer er bij de verdachte ook sprake is van alcohol- of drugsgebruik liggen de strafeisen in de richtlijn hoger, evenals de mogelijke maximumstraffen. Zo is de maximale straf bij roekeloosheid dan op negen jaar gevangenisstraf gesteld.
Vindt u dat sommige bestuurders definitief de rijbevoegdheid moet kunnen worden ontzegd? In hoeverre wordt die mogelijkheid nu geboden en gebruikt?
Op dit moment kan een rijontzegging oplopen tot tien jaar, afhankelijk van het strafbare feit. Dit kan zelfs langer zijn als voor verschillende feiten meerdere rijontzeggingen zijn opgelegd. De duur van een eventueel opgelegde gevangenisstraf wordt bij de termijn van de rijontzegging opgeteld. Ik acht de mogelijkheden die de wet daarmee biedt, toereikend. Een rijontzegging van tien jaar wordt in praktijk maar enkele keren per jaar opgelegd. Van de mogelijkheid om een langere rijontzegging op te leggen, zal daarom in de praktijk naar verwachting ook maar weinig gebruik worden gemaakt.
Op welke wijze wordt toegezien of een veroordeelde zich houdt aan de rij-ontzegging? Hoeveel personen zijn in de afgelopen jaren aangetroffen als bestuurder terwijl sprake was van een rij-ontzegging?
De politie handhaaft op het rijden zonder geldig rijbewijs. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. ANPR-camera’s kunnen kentekens automatisch lezen en deze vervolgens vergelijken met lijsten van kentekens waarmee iets aan de hand is. De politie kan dan de bestuurder van het gelokaliseerde voertuig vervolgens controleren. De eigenaar van het voertuig van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard, kan immers zijn voertuig ook hebben uitgeleend aan of laten besturen door iemand die wel over een geldig rijbewijs beschikt.
In 2025 zijn er in totaal ruim 10.000 bestuurders staande gehouden voor het rijden met een ongeldig rijbewijs. Het ging in 689 gevallen om het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het merendeel van de gevallen betreft het rijden met een rijbewijs dat op grond van het bestuursrecht ongeldig is verklaard.
Vindt u het passen bij de ernst van de veroordeling tot rij-ontzegging na ernstige of zelfs dodelijke ongelukken dat volgens de richtlijn van het Openbaar Ministerie enkele weken gevangenisstraf wordt gevorderd bij niet-naleving?2 Waarop berusten de gekozen normen in de richtlijn?
Er is bij het schenden van een ontzegging van de rijbevoegdheid niet noodzakelijk sprake van het veroorzaken van gevaar, het gaat hierbij het negeren van een opgelegde maatregel. Wanneer er geen gevaarlijk rijgedrag is vastgesteld en er geen slachtoffers zijn gevallen, zou een veel langere gevangenisstraf niet voldoen aan het proportionaliteitsvereiste. De duur van de eerder opgelegde rijontzegging wordt met de duur van de gevangenisstraf verlengd. Na de gevangenisstraf geldt dus nog steeds de resterende duur van de rijontzegging. Ook kan voor het schenden van een rijontzegging naast de gevangenisstraf nog een aanvullende ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.
Bent u bereid te verkennen of en hoe aanscherping van bestraffing nodig is bij ernstige verkeersongevallen door personen met gebleken risicovol gedrag in het verkeer, waaronder in ieder geval begrepen de bestraffing van het niet naleven van de rij-ontzegging?
Met de wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten zijn de strafmaxima voor een aantal ernstige verkeersdelicten reeds verhoogd. De wet is op 1 januari 2020 in werking getreden en wordt momenteel geëvalueerd. De uitkomsten worden in het najaar verwacht. Ik wil de uitkomsten van deze evaluatie afwachten en op basis van de bevindingen bekijken of de straffen verder moeten worden aangescherpt.
Het bericht ‘Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. ‘We kunnen dit niet accepteren’’ |
|
Nicole Moinat (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugsoverlast en dakloosheid in Leeuwarden. «We kunnen dit niet accepteren»»1 in het Nederlands Dagblad van 2 maart 2026?
Ja.
Hoe verklaart u de toename van het drugsgebruik, specifiek in Leeuwarden? Valt deze toename te koppelen aan het niet effectief opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens? Zo nee, waarom niet?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.2 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan. Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt. Het drugsgebruik in Leeuwarden is met andere woorden niet direct en enkel te koppelen aan het opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens.
Welke toename en trends ziet u in het gebruik van legale structuren door ondermijnende bendes, specifiek ingezet voor de drugshandel? Kunt u specifiek per onderdeel aangeven waarop deze vermoedens gebaseerd zijn en welke middelen daartegen momenteel ingezet worden?
Nederland heeft als handelsland internationaal een unieke positie als knooppunt in logistiek, transport, financiële dienstverlening en digitale infrastructuur, waarbij tussen (inter)nationale partners veel gegevens en goederen worden uitgewisseld. Criminelen maken hiervan misbruik voor hun drugshandel. Zo worden leegstaande schuren van boeren misbruikt voor de productie van drugs, wordt illegaal meegelift op transportlijnen en wordt vastgoed aangekocht voor criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend vermogen.
Als breder fundament onder de bestrijding van ondermijning door georganiseerde criminaliteit is het in ontwikkeling zijnde Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) straks van grote waarde. Dit dreigingsbeeld richt zich op de ondermijnende effecten die het gevolg zijn van georganiseerde criminaliteit, welke systeemkwetsbaarden ondermijning in de hand werken, welke infrastructuren kwetsbaar zijn voor crimineel misbruik en brengt in beeld waar maatschappelijke schade optreedt. Daarmee geeft het DON ook inzicht welke publieke en private partijen voor de aanpak (nog meer) moeten worden gemobiliseerd. Om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van criminaliteit tegen het bedrijfsleven, is in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) geherintroduceerd. Naar verwachting wordt eind dit jaar daarvan de eerste editie opgeleverd. Op basis van onder meer die informatie kunnen we de inzet tegen ondermijnende criminaliteit specifieker richten.
In de tussentijd zitten de partners en ik echter niet stil. Om criminele inmenging in legale economische sectoren en structuren tegen te gaan, wordt zowel specifiek als breder ingezet op het weerbaar maken van ondernemers tegen ondermijnende criminaliteit.
Binnen het mainportsprogramma wordt op de grote logistieke knooppunten, zoals de havens van Rotterdam, Vlissingen/Terneuzen, het Noordzeekanaalgebied, de luchthaven Schiphol en de bloemenveiling nauw samengewerkt tussen publieke en private organisaties om barrières op te werpen tegen georganiseerde criminaliteit en organisaties minder kwetsbaar te maken voor criminele inmenging en misbruik.
In de halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit van 10 juni 20253 ben ik uitgebreid ingegaan op mijn aanpak voor een weerbare economie, en de aanpak van criminele geldstromen. De gezamenlijke inspanningen van de financiële sector en overheidspartners om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan, voorkomen dat de financiële sector misbruikt wordt door criminelen voor het uitvoeren van criminele transacties en het witwassen van criminele verdiensten. Binnen criminele geldstromen wordt het anti-witwasbeleid mede gebaseerd op het National Risk Asssessment Witwassen, dat witwasrisico’s identificeert. U bent over de voortgang van het witwasbeleid geïnformeerd door de Minister van Financiën, mede namens mij, in december vorig jaar.4
Omdat criminelen de opgeworpen barrières binnen de financiële sector proberen te omzeilen met een eigen systeem van ondergronds bankieren, ligt binnen de aanpak van criminele geldstromen ook nadrukkelijk focus op de aanpak van ondergronds bankieren, mede op basis van een WODC-onderzoek naar dit onderwerp5. Over de opvolging van dit onderzoek bent u op 2 februari door mijn voorganger, mede namens de Minister van Financiën, geïnformeerd.6 Op basis van de WODC-bevindingen en nadere gesprekken met partners zal ik mij bij de aanpak van ondergronds bankieren specifiek richten op het aanpakken van:
Ik zal de Kamer via de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak en ondermijning op de hoogte houden.
Meer algemeen wordt vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) publiek-privaat samengewerkt en uitvoering gegeven aan het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026.7 Zo zijn er in de agrarische sector vertrouwenspersonen aangesteld en loopt het project Veilig Buitengebied, worden in de transportsector actiedagen georganiseerd voor de preventieve en repressieve aanpak van criminele inmenging en is voor het tegengaan van crimineel gebruik van vastgoed de poortwachtersfunctie versterkt. Naast deze maatregelen zijn de Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) actief in alle regio’s om ondernemers bewust te maken van de risico’s die zij lopen en praktisch handelingsperspectief te bieden om hun personeel en bedrijfsvorming weerbaar te maken tegen criminele inmenging. Naar aanleiding van een eerdere motie van Lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) is een handreiking kwetsbare branches opgesteld en het project Weerbare branches gestart vanuit MKB-Nederland, VNO-NCW en PVO-Nederland.8 Komend jaar wordt samen met publieke en private partners gewerkt aan het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2027–2030, waarin ook de resultaten van de MCB zullen worden meegenomen.
Welke extra landelijke middelen worden ter ondersteuning aangeboden aan gemeentes als Leeuwarden?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het ontwikkelen van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten verder onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC/LIEC bestel wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.
Leeuwarden neemt bovendien deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te halen en te houden. Dit wordt op verschillende manieren gedaan.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid.
Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor weten professionals elkaar inmiddels goed te vinden en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
Bent u het met de leden eens dat er een direct verband bestaat tussen normalisatie van softdrugs en de toename van het gebruik en de normalisatie van harddrugs?
Er is sprake van normalisering wanneer drugs goed beschikbaar zijn, veel jongeren ermee experimenteren, gebruik sociaal geaccepteerd wordt en zichtbaar is in popcultuur en het dagelijks leven. Uit recent onderzoek in Noord-Brabant9 blijkt dat vooral cannabisgebruik aan deze kenmerken voldoet; harddrugsgebruik niet. Hoewel het in dit onderzoek niet om landelijke gegevens gaat valt gezien de omvang van het onderzoek wel te verwachten dat het landelijke beeld er niet heel anders uit ziet. Uit de trends in drugsgebruik die al jaren worden bijgehouden in de Nationale Drug Monitor blijkt niet dat een toename van het gebruik van één middel automatisch leidt tot een toename van het gebruik van andere middelen. Zo zien we afgelopen jaren een lichte stijging in het XTC-gebruik, maar ook een daling in het lachgasgebruik, terwijl het cannabisgebruik relatief stabiel gelijk blijft. Zo bezien lijkt er geen verband te bestaan tussen het gebruik van softdrugs als cannabis enerzijds en het gebruik van harddrugs als XTC anderzijds. Waarschijnlijk spelen gedeelde onderliggende factoren – zoals genetische aanleg, psychologische kenmerken en sociale of omgevingsinvloeden – een belangrijker rol bij zowel softdrugs- als harddrugsgebruik.
Bent u het met de leden eens dat de normalisatie van harddrugs onwenselijk is en zeer schadelijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, in het bijzonder voor jongeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarnaast verdienen criminele netwerken veel geld aan het gebruik van drugs. Drugshandel is het dominante verdienmodel van deze criminele netwerken. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een criminele industrie. Mede om deze redenen is normalisering van harddrugsgebruik onwenselijk.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om drugshandel van/door minderjarigen te bestrijden. Welke digitale opsporingsmiddelen is de Minister bereid daarvoor in te zetten?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Voor de bestrijding van drugshandel kan de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie (bijzondere) opsporingsbevoegdheden inzetten die zij wettelijk tot hun beschikking hebben. Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie (digitaal) rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het internet. Zij verrichten onderzoek in publiek toegankelijke bronnen door het verzamelen en analyseren van informatie. Indien er geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), (digitaal) rechercheurs en data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Verder kunnen politie en OM onder specifieke voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen bij aanbieders van communicatiediensten.
Ten aanzien van online illegale content kunnen toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Politie, wanneer zij dergelijke inhoud tegenkomen, daarvan melding maken bij hostingsdiensten en online platforms. Dit is dezelfde mogelijkheid als die individuele personen hebben op grond van artikel 16, eerste lid, van de Digital Services Act (DSA). De DSA verplicht deze online aanbieders om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en zeer grote onlinezoekmachines.
Strafrechtelijk kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv). In het geval aan aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal een bevel via een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan de eerdere landelijke ambitie om dakloosheid uiterlijk in 2030 sterk terug te dringen, en of deze doelstelling nog steeds geldt?
De doelstelling om uiterlijk in 2030 dakloosheid te beëindigen, geldt nog steeds. Met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030) geeft het kabinet invulling aan die doelstelling. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport gaat, met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd en in samenwerking met alle andere betrokken partijen, onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Wilt u deze vragen uiterlijk vrijdag 13 maart beantwoorden?
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dat is helaas net niet gelukt.
Bent u bekend met het bericht «Rechter legt jeugddetentie op aan 17-jarige jongens voor lidmaatschap IS»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat jeugddetentie veel te slap is voor jihadisten die zich aansluiten bij een terroristische organisatie zoals IS en dat terroristen, ongeacht hun leeftijd, nooit jeugddetentie mogen krijgen maar volwassen straffen verdienen?
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) verplicht Nederland, als verdragsland, tot het hanteren van een apart jeugdstrafrecht met een pedagogische benadering en bepaalt dat het volwassenstrafrecht niet op minderjarigen mag worden toegepast. Daar geeft Nederland gevolg aan. Het ontwikkelingsperspectief van het kind dient voorop te blijven staan bij het bepalen van de straf. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk meer op de persoon en de omstandigheden van de verdachte en op gedragsbeïnvloeding of heropvoeding dan op vergelding. Straffen en maatregelen in het jeugdstrafrecht zijn intensiever en persoonsgerichter van aard dan die binnen het volwassenenstrafrecht. De beschermende factoren, zoals de invloed van ouders of het behalen van een diploma, worden in het jeugdstrafrecht benut om de jongere te laten resocialiseren in de maatschappij.
Wel heeft Nederland een voorbehoud gemaakt bij het IVRK waardoor de rechter de mogelijkheid heeft om, wanneer aan de wettelijke criteria is voldaan, het volwassenstrafrecht toe te passen op 16- en 17-jarigen.2 Dit is een zware maatregel waar niet licht over gedacht mag worden. Uiteindelijk is het aan de rechter om in individuele zaken de feiten en omstandigheden te wegen en tot een oordeel te komen.
Bent u bereid om deze terroristen onmiddellijk het land uit te zetten, hen de toegang tot Nederland voorgoed te ontzeggen en, indien van toepassing, hun Nederlandse nationaliteit in te trekken? Zo nee, waarom beschermt u jihadisten in plaats van Nederlandse burgers?
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus en zet zich onverminderd in om terrorisme en extremisme in Nederland te voorkomen en te bestrijden. De aanpak op terrorisme is breed en robuust, waarbij ketenpartners van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten nauw samenwerken om onze samenleving en democratische rechtsorde te beschermen.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording over de Kamervragen over 15 arrestaties in verband met aanzet tot terreur voor Islamitische Staat (IS) via TikTok: Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een terroristisch misdrijf intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.3
In zijn algemeenheid beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vaststelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet hij Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op gedwongen terugkeer, met inachtneming van internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit soort jihadistisch tuig in de toekomst veel strenger te straffen, inclusief het uitsluiten van jeugddetentie voor terrorismegerelateerde delicten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om de vrienden en familie van deze terroristen grondig te onderzoeken op terroristisch gedachtegoed en zo nodig ook tegen hen maatregelen te nemen, zoals uitzetting of vervolging?
Wanneer sprake is (van verdenking) van strafbare feiten, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om deze te onderzoeken en, waar mogelijk, te vervolgen. De Minister van Justitie en Veiligheid treedt niet in deze bevoegdheden.
Deelt u de mening dat het falende opengrenzenbeleid een regelrechte uitnodiging is voor islamitisch terrorisme, waardoor Nederland verandert in een broeinest voor jihadisten? Zo ja, bent u bereid om per direct onze grenzen te sluiten en een asielstop in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze kwalificatie niet. Hoewel in incidentele gevallen misbruik kan worden gemaakt van migratiestromen, rechtvaardigt dit geen generieke maatregelen gericht op gehele bevolkingsgroepen op basis van religie of herkomst.
Een algemene asielstop of een immigratiestop op basis van religie of herkomst uit zogenoemde «islamitische landen» is bovendien niet verenigbaar met de Grondwet, het Unierecht en internationale verdragsverplichtingen waarbij Nederland partij is. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten.
Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.