Hoe Nederlandse vlees-, zuivel- en veevoerbedrijven ontbossing, landroof en corruptie stimuleren |
|
Christine Teunissen (PvdD), Tom van der Lee (GL) |
|
de Th. Bruijn , Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van Milieudefensie «Een schimmige sojaketen. Hoe Nederlands vlees en zuivel ontbossing voeden» en de Zembla uitzending van 25 november jongstleden, waarin onder meer dit onderzoek aan de orde kwam?1, 2
Ja.
Wat vindt u ervan dat de sojaketen in Nederland niet transparant is als het gaat om zakelijke relaties en herkomst van soja in de veevoerketen?
Het kabinet verwacht dat bedrijven de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen naleven. Onder deze richtlijnen behoren bedrijven te communiceren over relevante informatie over hoe gepaste zorgvuldigheid is toegepast. Dit heeft ook betrekkingen op de internationale sojaketens van Nederlandse bedrijven. De OESO-richtlijnen schrijven niet voor dat bedrijven transparant moeten zijn over hun zakelijke relaties. Wat betreft het al dan niet transparant zijn over de herkomst van de soja in de veevoerketen kan ik opmerken dat dit in belangrijke mate afhangt van het handelsmodel dat van toepassing is op de aangekochte soja. Zowel bij het Book&Claim (B&C)-model als bij het (Area) Mass Balance-modelvindt er vermenging van meerdere sojastromen plaats en is de herkomst van de soja niet exact aan te geven. Wordt de soja geleverd onder het Segregated-model, dan is de herkomst wel precies aan te geven. Ik begrijp dat om reden van marktvraag in overwegende mate het B&C-model wordt toegepast.
Wat vindt u ervan dat de bedrijven die centraal staan in het onderzoek van Milieudefensie (FrieslandCampina, Vion, ForFarmers, De Heus en Agrifirm) geen gerichte actie ondernemen tegen ontbossing die recent is gedetecteerd in de keten van sojahandelaar Bunge, waarmee deze bedrijven een (directe, dan wel indirecte) zakelijke relatie blijken te hebben?
Onder de OESO-richtlijnen wordt van bedrijven verwacht dat zij de risico’s voor mens en milieu, zoals ontbossing, in kaart brengen en deze risico’s voorkomen en aanpakken. Indien het niet mogelijk is om met alle geïdentificeerde risico’s aan de slag te gaan, dan mag het bedrijf de risico’s prioriteren op ernst en waarschijnlijkheid om te bepalen met welke risico’s het bedrijf als eerste aan de slag gaat. Bij deze prioritering behoort een bedrijf te overleggen met zakelijke relaties, andere relevante ondernemingen en (mogelijk) betrokken stakeholders en rechthebbenden. Ook behoort een bedrijf transparant te zijn over dit proces.
Zoals hiervoor is aangegeven kan duurzame en ontbossingsvrije soja vermengd zijn met niet-duurzame soja, waarvoor ontbossing kan hebben plaatsgevonden. Ik heb echter ook kennis genomen van een recent initiatief van een aantal door u genoemde bedrijven om te komen tot aankoop van gegarandeerd ontbossingsvrije soja en die volgens het segregated (gescheiden) handelsmodel te importeren. Ik zal deze ontwikkeling met belangstelling volgen. Het kabinetsbeleid is gericht op verduurzaming en daarmee het ontbossingsvrij maken van alle soja-importen, door Nederlandse bedrijven, maar ook in andere Europese landen. Het kabinet verwelkomt daarom dat er nu een voorstel van wet van de Europese Commissie voorligt om producten, waaronder soja, van de Europese markt te weren die gerelateerd zijn aan ontbossing en bosdegradatie.
Hoe beoordeelt u de conclusie van FrieslandCampina over Round Table of Responsible Soy (RTRS)-soja dat «niet voor 100% gegarandeerd kan worden dat de gevoerde soja volledig ontbossingsvrij is geproduceerd»?3
Dit zal bovenal afhangen van het door bedrijven zelf gekozen handelsmodel voor aanvoer van soja. Zie ook mijn antwoord op voorgaande 2 vragen.
Deelt u de conclusie van het Wereld Natuur Fonds (WNF) dat «certificering niet heeft gewerkt om ontbossing tegen te gaan»? En zo nee, waarom niet?4
Nee, deze conclusie deel ik niet. De afspraak die leden van de Nederlandse diervoederindustrie (NEVEDI) in 2015 vrijwillig hebben vastgelegd om alleen soja te gebruiken die voldoet aan bepaalde minimum duurzaamheidseisen en daarvan afgeleide certificering en certificeringschema’s zijn wel degelijk een effectief middel gebleken om het Nederlandse verbruik van geïmporteerde soja te verduurzamen en ontbossingsvrij te maken. Dit wordt bevestigd in de meest recente Monitor Duurzame Agro-grondstoffen 2021 van het CBS.
Bent u van mening dat gezien de klimaat- en biodiversiteitscrisis ontbossing in internationale productieketens zo spoedig mogelijk dient te worden beëindigd? En zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening.
Bent u bekend met het pleidooi dat er zowel nationaal als Europees een wet moet komen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen, die bedrijven verplicht om schendingen van mensen- en arbeidsrechten en schade aan milieu, biodiversiteit en klimaat in internationale ketens te voorkomen?
Ja. In oktober 2020 heeft het kabinet de beleidsnota «Van voorlichten tot verplichten: een nieuwe impuls voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO)» vastgesteld (Kamerstuk 26 485, nr. 337). In deze beleidsnota kondigde het kabinet aan in te zetten op een doordachte mix van elkaar versterkende maatregelen om IMVO te bevorderen. Het kernelement van de doordachte mix is IMVO-wetgeving. IMVO-wetgeving betekent dat bedrijven die onder de reikwijdte van de wet vallen, verplicht wordt gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen toe te passen. Op 5 november jl. stuurde de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een brief naar uw Kamer met daarin de bouwstenen voor IMVO-wetgeving van het kabinet (Kamerstuk 26 485, nr. 377). IMVO-wetgeving wordt bij voorkeur op EU-niveau ingevoerd. In het commissiedebat IMVO op 2 december jl. kondigde de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan nationale IMVO-wetgeving te gaan voorbereiden. De indiening van een wetsvoorstel is aan een nieuw kabinet.
Deelt u de mening dat een wet voor Inclusief Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) inclusief Klimaatplicht nodig is om uitstoot door en in de keten van grote bedrijven, mede als gevolg van ontbossing, in lijn te brengen met het Klimaatakkoord van Parijs? En zo nee, waarom niet?
IMVO-wetgeving zal zien op de zes stappen van het gepaste zorgvuldigheidsproces zoals dat is voorgeschreven in de OESO-richtlijnen, alsook de thema’s van de OESO-richtlijnen. Het gaat om mensenrechten, arbeidsrechten en milieu. Onder milieu wordt ook klimaat begrepen. Zodoende zullen bedrijven ook voor klimaatrisico’s in hun keten verplicht worden gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO-richtlijnen te betrachten.
Het stopzetten van ondernemerskrediet door ABN AMRO |
|
Mahir Alkaya |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Wat vindt u van het feit dat ABN AMRO ondernemers midden in de coronacrisis slapeloze nachten bezorgt, door hun ondernemerskrediet plotseling stop te zetten?1, 2
Ik heb kennis genomen van het stopzetten van het product Ondernemerskrediet door ABN AMRO. Ik vind het vervelend als ondernemers die zich financieel al in moeilijkheden bevinden, zich nu extra zorgen maken over de gevolgen van de keuze van ABN AMRO om dit product stop te zetten.
Navraag bij ABN AMRO leert dat de bank een team heeft ingericht om klanten te begeleiden met vragen en ze persoonlijke hulp te kunnen bieden. Het team neemt proactief contact op met klanten die veelvuldig gebruikmaken van het ondernemerskrediet en/of zich in coronagevoelige sectoren bevinden.
Hoe kan het dat ABN AMRO eenzijdig hiertoe kan besluiten?
ABN AMRO gaat zelf over haar productaanbod en zij kan ervoor kiezen om een product niet meer aan te bieden. Onder welke voorwaarden en op welke termijn dit mogelijk is, hangt met name af van wat daarover specifiek is bepaald in de overeenkomst tussen klant en bank. Ik vind het belangrijk dat financiële instellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
ABN AMRO is van mening dat de bank het krediet op grond van de overeenkomst eenzijdig kan opzeggen. ABN AMRO zegt dat de bank daarbij rekening houdt met de belangen van de klant door middel van het aanbieden aan de klant van verschillende mogelijkheden om het krediet terug te betalen.
Ik kan niet treden in de beoordeling van overeenkomsten tussen een individuele financiële instelling en haar klanten. Dat is in voorkomend geval voorbehouden aan het Kifid, indien het krediet onder de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering valt, of aan de rechter.
Dienen ondernemers met een overeenkomst met ABN AMRO niet zelf ook akkoord te gaan met een ingrijpende wijziging of beëindiging van hun overeenkomst?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de betrokkenheid geweest van de aandeelhouders, waaronder de staat, bij de vaststelling van de nieuwe strategie3 waaruit deze keuze van ABN AMRO volgt?
Het vaststellen van een nieuwe strategie is een aangelegenheid van de raad van bestuur, waarop de raad van commissarissen toezicht houdt. ABN AMRO heeft in 2020 de hoofdlijnen van zijn aangescherpte strategie wel aan mij toegelicht. Deze specifieke kredietfaciliteit is toentertijd niet aan bod gekomen.
De uitvoering van de strategie en bedrijfseconomische keuzes (bijvoorbeeld over de kredietverlening aan klanten) zijn bovendien aangelegenheden van de bank zelf. Ik heb daar als aandeelhouder – mede ingevolge de ACM-maatregelen die verhinderen dat NLFI noch ik invloed mogen uitoefenen op de commerciële strategie – geen betrokkenheid bij.
Deelt u de mening dat klanten, die door ABN AMRO drie opties krijgen aangeboden4, in geen enkele situatie benadeeld mogen worden door deze eenzijdige stap van de bank?
Ik vind het van belang dat een financiële instelling, en in dit geval dus ABN AMRO, in zulke situaties mogelijke opties voor de klant schetst en aangeeft maatwerk te willen verrichten, waarbij wordt gezocht naar de best mogelijke oplossing voor de klant.
Volgens ABN AMRO geldt een opzegtermijn van 12 maanden voor het ondernemerskrediet. Klanten hebben daarmee een jaar de tijd om het krediet af te lossen, ofwel uit eigen middelen ofwel met ander krediet. ABN AMRO verwacht dat een groot deel van de klanten naar kredietverstrekker New10 over kan gaan.
Indien de klant niet in staat is om af te lossen of over te sluiten, kan een betaalregeling overeengekomen worden. Daarbij wordt het ondernemerskrediet in vijf jaar afgebouwd. ABN AMRO geeft aan via het team ondernemerskrediet ondersteuning te bieden, passend bij de specifieke situatie.
Wat gaat u doen om dit te bewerkstelligen?
Ik heb bij ABN AMRO in zijn algemeenheid aandacht gevraagd voor goede communicatie over de mogelijke opties en gevolgen daarvan. Ik kan mij niet mengen in de individuele contractuele relatie tussen klant en bank of eventuele geschillen die daaruit voortvloeien. Indien een klant het oneens is met (de wijze van) beëindiging van het krediet, kan de klant bij ABN AMRO een klacht indienen via de interne klachtprocedure. Indien het krediet onder de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering valt, kan de klacht ook worden voorgelegd aan het Kifid. Valt het krediet daarbuiten, dan staat de gang naar de rechter open.
Deelt u de mening dat de mogelijkheid voor maatwerk duidelijk opgenomen dient te worden in de correspondentie met bestaande klanten en dat reeds gecontacteerde klanten ook hiervan op de hoogte dienen te worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat klanten bij een dergelijk besluit tot stopzetten van een product goed worden geïnformeerd. Daarbij is van belang dat de klant inzicht wordt geboden in de mogelijke opties en de gevolgen daarvan. Ik verwacht tevens dat ABN AMRO maatwerk levert waar dit op zijn plaats is en hierover ook goed communiceert.
Bent u bereid om over het opnemen van de mogelijkheid voor maatwerk in de correspondentie met bestaande klanten in gesprek te gaan met ABN AMRO?
Ik heb bij ABN AMRO aandacht gevraagd voor goede communicatie over de mogelijke opties en gevolgen daarvan.
De verplichting door gemeenten tot een alimentatieverzoek als al vaststaat dat dit geen kans van slagen heeft |
|
Renske Leijten , Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, waarbij de rechter erop wijst dat mensen die op het bestaansminimum leven, en de gehele maatschappij, onnodig op kosten worden gejaagd als er een verplichting tot een alimentatieverzoek bestaat, terwijl al duidelijk is dat dit verzoek geen kans van slagen zal hebben?1
Ja, ik ben bekend met de door u aangehaalde uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2021:10845).
Bent u het met ons eens dat de rechtbank terecht afkeuring en zorgen uitspreekt over een gemeente die ogenschijnlijk «de papieren werkelijkheid van een checklist is gevolgd zonder de werkelijke situatie van de betrokken burgers te beoordelen»? Zo nee, waarom niet?
Ja. De gemeente heeft er hier voor gekozen om aan de bijstand de extra verplichting te verbinden tot het indienen van een alimentatieverzoek. Zo’n extra verplichting kan worden opgelegd indien de verplichting strekt tot vermindering van het beroep op bijstand. Deze bevoegdheid dient met de nodige zorgvuldigheid te worden gebruikt. Uit een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:3164) blijkt dat voor een verplichting tot het doen van een alimentatieverzoek geen ruimte is, indien het alimentatieverzoek geen kans van slagen heeft.
Kunt u ingaan op de uitspraak van de bewindvoerder dat in meerdere gemeenten de verplichting van een bij voorbaat kansloos alimentatieverzoek bestaat? In hoeveel gemeenten is dit het geval?
Indien gemeenten aan de bijstand de extra verplichting van een alimentatieverzoek willen verbinden, dienen zij zich van de opportuniteit van zo’n verzoek te vergewissen en de bijstandsgerechtigde met bijzondere bijstand te ondersteunen in de te maken kosten. Ik vind het onwenselijk als – zoals de rechter ook stelt – niet alleen de bijstandsgerechtigde, maar in beginsel de hele maatschappij onnodig op kosten wordt gejaagd.
Hoe vaak de geschetste situatie voorkomt, is mij niet bekend. Kijkend naar de gepubliceerde sociale zekerheidsjurisprudentie, stuit ik slechts op één procedure bij de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:3164) aangaande een vanuit de gemeente opgelegde verplichting tot het doen van een alimentatieverzoek.
In hoeverre verhoudt volgens u deze opstelling zich tot uw oproep aan gemeenten: «Samen moeten we er voor zorgen dat de menselijke maat altijd centraal staat.», «Wie hulp zoekt, moet geholpen worden.» en «Laten we dit nooit vergeten: we zijn één overheid, en hebben samen één doel voor ogen. We besturen niet om te besturen, maar om de burger te dienen.»?2
Gelet op de rechterlijke uitspraak in deze casus, past deze niet bij het centraal stellen van de menselijke maat. Zoals vermeld, kunnen gemeenten aan de bijstandsverlening de verplichting verbinden tot het doen van een alimentatieverzoek. Die verplichting is opportuun indien de inschatting bestaat dat de ontstane bijstandsafhankelijkheid mede in het licht van de inkomenspositie van de ex-partner gevolgen heeft voor de alimentatieverplichtingen van deze ex-partner. Het gaat hier niet om een standaard verplichting, maar om een bevoegdheid van de gemeente die zij met de nodige zorg dient te gebruiken. Dat laatste houdt in dat zij zich via de bijstandsgerechtigde ervan dient te vergewissen dat het verzoek enige kans van slagen heeft en dat zij de bijstandsgerechtigde ook met bijzondere bijstand dient te ondersteunen bij eventueel met het verzoek samenhangende kosten. Uitgaande van de rechterlijke uitspraak, is dat hier ten onrechte achterwege gelaten, hetgeen niet past bij het centraal stellen van de menselijke maat.
Bent u bereid in kaart te brengen hoeveel vergelijkbare zaken er zijn gevoerd sinds de invoering van de Participatiewet en wat daarvan de maatschappelijke kosten zijn? Zo nee, waarom niet?
Dit is het eerste signaal dat mij op dit vlak bereikt, wat mij sterkt in het geloof dat gemeenten de gevraagde zorgvuldigheid ook betrachten. Ik vind een brede inventarisatie zoals u voorstelt in dat licht te vergaand en ik acht een dergelijke inventarisatie ook onuitvoerbaar. Er is geen register van afgewezen alimentatieverzoeken, noch zijn alle uitspraken in alimentatieverzoeken gepubliceerd, terwijl anderzijds ook niet elk afgewezen alimentatieverzoek van een bijstandsgerechtigde zonder meer als kansloos gekwalificeerd kan worden.
Zijn er vergelijkbare regelingen waarbij mensen genoodzaakt zijn om bij voorbaat kansloze procedures aan te spannen omdat zij anders gekort worden op uitkeringen of voorzieningen? Bent u bereid dit in kaart te brengen, door bijvoorbeeld in overleg te gaan met de Rechtspraak en gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ik benadruk hier nogmaals dat de wet gemeenten niet verplicht tot het opleggen van de gewraakte verplichting. Het gaat hier om een bevoegdheid, waarbij van de gemeente gevraagd mag worden dat zij een zorgvuldige afweging met betrekking tot de noodzaak van het opleggen van een dusdanige verplichting maakt. Daarbij ligt binnen het duale bestel de controle op die zorgvuldige uitvoering in eerste instantie ook bij de gemeenteraad.
Via zowel het traject naar een Participatiewet vanuit vertrouwen en met oog voor de menselijke maat als het onderzoek naar hardvochtigheden in de sociale zekerheid3 wordt op dit moment onderzoek gedaan naar regelingen die (mogelijk) in de praktijk hard uitpakken. Daartoe reken ik ook een verplichting tot het opstarten van een kansloze procedure. Over de eerste uitkomsten van het traject inzake Participatiewet bent u in juni4 van dit jaar bericht. De uitkomsten van het onderzoek naar hardvochtigheden zullen midden 2022 aan u worden aangeboden.
Bent u bereid om een wettelijke grondslag te creëeren zodat in zaken waar er bij voorbaat al vast te stellen is dat een dergelijk verzoek kansloos is, de proceskosten kunnen worden toegewezen aan gemeenten, zoals de rechtbank hier uiteenzet? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk – zo stelt ook de rechtbank vast – om een partij die niet in de procedure betrokken is, in de proceskosten te veroordelen. Wel komen indirect de kosten van het proces bij de gemeente terecht nu de gemeente – omdat ze betrokkene tot het opstarten van de procedure heeft verplicht – gehouden is de hieruit voortvloeiende bijzondere kosten vanuit de bijzondere bijstand (artikel 35 Pw – zie o.m. ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1426) te vergoeden.
Bent u bereid een einde te maken aan dit soort onnodige bureaucratische praktijken, die voor mensen onnodig stressvol en kostbaar zijn, en die de samenleving geld kosten en niets anders opleveren dan wantrouwen in de overheid? Zo nee, waarom niet?
Natuurlijk ben ik bereid dit bij gemeenten onder de aandacht te brengen. Gemeenten moeten zorgvuldig met de hen gegeven bevoegdheden omgaan en onnodige bureaucratische praktijken moeten zonder meer worden voorkomen. Zoals aangegeven is dit het eerste signaal dat mij in deze bereikt, wat mij sterkt in het geloof dat gemeenten de gevraagde zorgvuldigheid ook betrachten. Desalniettemin zie ik in de door u aangehaalde uitspraak wel aanleiding om gemeenten op hun verplichtingen te wijzen. Ik zal hiertoe in het aanstaande Gemeentenieuws een bericht opnemen.
Het feit dat ondernemers die door zwangerschap geen of onvoldoende referentieomzet hebben gedraaid geen toegang krijgen tot de TVL als coronasteun |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de kabinetsbrief van 26 februari 2021 over schrijnende gevallen binnen de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) (Kamerstuk 35 420, nr. 233) en de aangenomen motie-Amhaouch c.s. (Kamerstuk 35 669, nr. 19) om coulance te tonen bij de beoordeling van schrijnende gevallen binnen de TVL?
Ja.
Herinnert u zich dat u in deze brief aangeeft dat «ondernemers die in de referentieperiode te kampen hebben gehad met brand, ernstige ziekte of een overlijden in de directe omgeving» op aandringen van de Kamer toch in aanmerking komen voor coronasteun? Kunt u per categorie een definitie en een voorbeeld geven van ondernemers die volgens u in aanmerking komen?
RVO spant zich tijdens hele proces in om de menselijke maat een plek te geven. Waar het ondernemers in bijzondere situaties betreft, heeft RVO een maatwerkteam dat goed en snel met ondernemers contact opneemt. Zo worden ondernemers ondersteund tijdens het aanvraagproces, bijvoorbeeld door fouten in de subsidieaanvraag te voorkomen of te herstellen en, waar mogelijk, bezwaren ruimhartig toe te kennen. De meeste ondernemers worden hiermee geholpen.
Voor ondernemers die hiermee niet geholpen zijn, is een aparte commissie opgericht binnen RVO, waar in de genoemde Kamerbrief melding van wordt gemaakt. Op basis van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordeelt deze commissie of er vanwege bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de regels, omdat de nadelige gevolgen van een besluit onevenredig zouden zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. Tot dusver zijn er 6000 zaken in het bovengenoemde maatwerktraject beoordeeld. In het geval van 548 cases zijn de omstandigheden als dermate bijzonder geclassificeerd, dat nadere beoordeling noodzakelijk was. 37 dossiers hiervan zijn ter beoordeling voorgelegd aan de commissie. Hun advies voorziet dan in criteria waarlangs ook vergelijkbare zaken kunnen worden beoordeeld. Al deze cases zijn uniek, en hebben vaak betrekking hebben op meervoudige oorzaken als brand, ernstige ziekte en overlijden. Hier verder voorbeelden van geven is niet mogelijk in verband met de herleidbaarheid van de situaties tot personen.
Valt een vrouwelijke ondernemer die tijdens de referentieperiode geen omzet heeft gedraaid vanwege haar zwangerschap onder de geschetste definitie? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven kan RVO bij ondernemers in bijzondere omstandigheden afwijken van de regels van de TVL, op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Het is op grond van dit artikel niet mogelijk om categorale uitzonderingen op de voorwaarden van de TVL te maken. Daarmee is het niet mogelijk om, binnen het bestaande maatwerktraject, zwangerschapsverlof in de referentieperiode bij de groep ondernemers die hiermee te maken had, op zichzelf als uitzonderingsgrond te hanteren.
Deelt u de mening dat ondernemers die door zwangerschap geen referentieomzet hebben behaald in deze periode ook onder de schrijnende gevallen regeling zouden moeten vallen, ook omdat deze in de geest van de motie-Amhaouch c.s. en de regeling vallen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet erkent dat zwangerschapsverlof bij ondernemers kan zorgen voor geen of verminderde omzet in het referentiekwartaal van de TVL, waardoor er ook geen of verminderde aanspraak op TVL kan worden gemaakt. Problemen van ondernemers die, om redenen zoals zwangerschapsverlof, geen representatieve referentieomzet hebben, zijn ook eerder veelvuldig met uw Kamer besproken. Naar aanleiding daarvan is vanaf Q2 2021 het keuzereferentiekwartaal in de TVL geïntroduceerd. Dit gaf ondernemers de mogelijkheid om, indien het standaardreferentiekwartaal voor een ondernemer nadelig zou zijn voor de aanspraak die op TVL gemaakt kon worden, een alternatief kwartaal te kiezen. Het kabinet meent dat zij daarmee ondernemers voldoende tegemoet is gekomen.
In TVL Q4 is echter een nieuwe situatie ontstaan. Deze openstelling van de TVL is namelijk de enige waarin het keuzereferentiekwartaal in de tijd direct aansluitend is op het standaardreferentiekwartaal. Daarmee ontstaat de mogelijkheid dat zwangerschapsverlof in beide referentiekwartalen een representatieve referentieomzet voorkomt. Het kabinet heeft voor de openstelling voor dit kwartaal dan ook onderzocht of het mogelijk is om deze ondernemers tegemoet te komen. Dit heb is ook door mijn voorganger toegezegd tijdens het debat over het nieuwe steunpakket corona (8 december 2022).
De uitkomst van dit onderzoek is dat het kabinet dat deze ondernemers middels een gerichte hardheidsclausule binnen de TVL Q4 tegemoet komt, zoals eerder aan de Tweede Kamer is gemeld (Kamerstuk 35 420, nr. 464). Door deze hardheidsclausule krijgen ondernemers die kunnen aantonen dat zij in beide referentiekwartalen minimaal drie weken met zwangerschaps- en/of bevallingsverlof waren en als gevolg hiervan geen representatieve omzet is behaald in de referentieperiode, een alternatief referentiekwartaal aangeboden. Ondernemers hebben de mogelijkheid gehad om een beroep te doen op deze clausule.
Bent u bereid contact op te nemen met alle ondernemers die afgelopen 1,5 jaar zijn afgewezen voor TVL omdat ze geen of onvoldoende referentieomzet konden overleggen door toedoen van zwangerschap? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven, erkent het kabinet dat ondernemers als gevolg van zwangerschap tijdens een referentieperiode van de TVL, mogelijk geen of minder aanspraak op TVL hebben gemaakt. De erkenning hiervan leidde eerder tot de introductie van een keuzereferentiekwartaal vanaf TVL Q2 2021. Dat de TVL Q4 2021 twee in de tijd opeenvolgende referentieperiodes kent en daarmee de keuzereferentieperiode de betreffende ondernemers wellicht minder goed helpt, is de reden dat het kabinet binnen deze openstelling ondernemers met de genoemde gerichte hardheidsclausule tegemoet komt. Daarmee is zij van mening dat zij ondernemers die als gevolg van zwangerschaps- en/of bevallingsverlof geen of verminderde aanspraak op TVL Q4 2021 hebben, voldoende ondersteunt.
De hardheidsclausule kan niet met terugwerkende kracht worden ingevoerd voor openstellingen van de TVL met één referentiekwartaal, omdat het kabinet afgesloten TVL-openstellingen niet opnieuw kan openen. Zij probeert daarom om lessen uit voorgaande openstellingen, zo goed mogelijk mee te nemen in eventuele nieuwe openstellingen. Zoals beschreven heeft dit o.a. geleid tot het keuzereferentiekwartaal vanaf TVL Q2 2021.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor de voortzettingvan het notaoverleg over het nieuwe coronasteunpakket?
Het kabinet heeft uw Kamer eerder laten weten (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1081) dat de Kamervragen van het lid Aartsen niet binnen de gestelde termijn beantwoord konden worden. Zij heeft hiermee gewacht tot de uitkomsten van het toegezegde onderzoek over deze kwestie bekend waren.
De petitie van 700 distributiemedewerkers van GXO |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «FNV: H&M moet leverancier aanspreken op veiligheidscheck in pauze»?1
De werkgever is primair verantwoordelijk om te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. De werkgever dient zich daarbij te houden aan de geldende wettelijke kaders. Ook opdrachtgevers kunnen een rol spelen bij het bevorderen van gezond en veilig werken in de praktijk. In het kader van verantwoord opdrachtgeverschap is het van belang dat zij bij de aanbesteding, uitvoering en evaluatie van de opdracht rekening houden met gezond en veilig werken en hierover afspraken maken. Dit doet echter niets af aan de verantwoordelijkheid van de opdrachtnemer als werkgever.
Bent u het met de actievoerende distributiemedewerkers eens dat GXO de veiligheidscheck niet zou moeten uitvoeren in de tijd van de werknemers, maar in de tijd van de werkgever? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Op basis van de Arbeidstijdenwet hebben werknemers bij werkdagen van meer dan 5,5 uur recht op minimale pauzetijden. Dit zijn pauzes van minimaal 15 minuten waarin de werknemer zijn tijd vrij kan besteden en zich met eigen zaken kan bezighouden. In die tijd mag de werkgever geen verplichtingen opleggen aan de werknemer.
De handhaving van deze pauzetijden is civielrechtelijk geregeld. Indien in het uiterste geval geen overeenstemming wordt bereikt tussen werkgevers en werknemers dan kunnen zij naar de rechter te stappen. Daarnaast kan bij vermoeden van niet-naleving van de arbeidswetten melding worden gedaan bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: Inspectie SZW). Bijvoorbeeld indien er het vermoeden is dat de maximale arbeidstijd uit de Arbeidstijdenwet wordt overschreden omdat de pauzetijd vanwege de opgelegde verplichtingen aan de werknemer als arbeidstijd moet worden gerekend. Wanneer meldingen via de ondernemingsraad of de vakbond worden ingediend, volgt altijd onderzoek door de Inspectie.
Wat vindt u ervan dat medewerkers van GXO tijdens een jaarlijkse inspectie van de Hennes & Mauritz (H&M) wordt opgedragen te zeggen dat zij geen Engels kunnen spreken om een goede controle te belemmeren?
Ik kan geen uitspraken doen over deze individuele casus. Voor wat betreft de arbeidsrechtelijke relatie tussen de werkgever en werknemer en mogelijke stappen die daarin ondernomen kunnen worden verwijs ik naar de antwoorden in vraag 2.
Wat vindt u ervan dat eerst GXO weigerde de petitie van de distributiemedewerkers in ontvangst te nemen, en gisteren ook de top van H&M dit weigerde?2
Ik kan dit niet beoordelen. Dit is een onderlinge zaak van werkgevers en werknemers.
Bent u bereid een onaangekondigde controle uit te voeren om vast te stellen of het beleid van GXO in Tilburg voldoet aan de wetten en regels? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie SZW heeft kennisgenomen van de aangehaalde berichten. Over individuele casuïstiek worden geen mededelingen gedaan. De Inspectie houdt risicogericht toezicht op de arbeidswetten, waaronder ook de Arbeidstijdenwet. Inspecties zijn veelal onaangekondigd. Bij vermoeden van niet-naleving van de arbeidswetten kan melding worden gedaan bij de Inspectie. Wanneer meldingen via de ondernemingsraad of de vakbond worden ingediend, volgt altijd onderzoek door de Inspectie.
Het bericht 'Tekort aan lijkschouwers dreigt: ‘Weinig geneeskundestudenten kiezen ervoor’' |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Mark Strolenberg (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Tekort aan lijkschouwers dreigt: «Weinig geneeskundestudenten kiezen ervoor»»?1
Ja.
Binnen welke termijn kan de Kamer de nieuwe raming tegemoet zien, aangezien u schrijft dat u het Capaciteitsorgaan gaat vragen een nieuwe raming forensisch geneeskunde uit te voeren?2
De nieuwe raming sociale geneeskunde, waar forensische geneeskunde onder valt, wordt eind 2022 verwacht.
Is de door u benoemde wervingscampagne die door de GGD GHOR Nederland in opdracht van de betrokken ministeries wordt ontworpen al van start gegaan? Zo nee, wanneer zal deze campagne van start gaan?
Nee, deze campagne is nog niet gestart, GGD GHOR Nederland heeft recent een meerjarige subsidie ontvangen voor de promotie van de forensische geneeskunde, waaronder het organiseren van een wervingscampagne. De uitvoering daarvan is in voorbereiding. Beoogd wordt om de campagne in het tweede kwartaal van 2022 te laten starten. De uitvoering van de wervingscampagne zal gefaseerd plaatsvinden en opbouwen in omvang, waarbij er gekeken wordt naar de mogelijkheid om onder meer een speciale website en ambassadeurs in te zetten en meeloopdagen te organiseren.
Binnen welke termijn wordt de door u benoemde rondetafelbijeenkomst, die mede wordt georganiseerd door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), ingepland en wanneer kunnen wij als Kamer informatie omtrent de resultaten ervan verwachten?
In navolging van het toezicht door de IGJ op de lijkschouw, zoals die wordt uitgevoerd door forensisch artsen, treft de IGJ voorbereidingen voor de uitvoering van het toezicht op de lijkschouw, zoals die wordt uitgevoerd door behandelend artsen. Een belangrijk onderdeel van deze voorbereidingen is het opstellen van een toetsingskader, in overleg met relevante veldpartijen. Hiertoe wordt in het voorjaar van 2022 een rondetafelbijeenkomst georganiseerd. De uitkomsten hiervan zullen enerzijds worden betrokken bij het toezicht dat de IGJ gaat houden op de lijkschouw door behandelend artsen, anderzijds bij het wettelijk borgen van het toezicht op de lijkschouw als onderdeel van de modernisering van de Wet op de lijkbezorging (Wlb). Uw Kamer zal de uitkomsten van de rondetafelbijeenkomst dus kunnen vinden in het wetsvoorstel tot modernisering van de Wlb. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting eind 2022 aan uw Kamer worden aangeboden.
Binnen welke termijn kunt u de resultaten van de gesprekken met de Kamer delen, aangezien u schrijft dat u in samenspraak met veldpartijen de huidige benoemingsprocedure van forensisch artsen tegen het licht zult houden?3
De benoemingsprocedure van forensisch artsen wordt betrokken bij de voorbereiding van het wetsvoorstel tot modernisering van de Wet op de lijkbezorging. In dat kader wordt ook gesproken met de genoemde veldpartijen. De uitkomsten daarvan worden betrokken bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel.
Bent u ook bekend met diverse berichtgeving in de media over regio’s die bovengemiddeld kampen met een tekort aan forensisch artsen?4,5
Ja.
Op welke manieren zet u zich in om deze specifieke regionale tekorten aan te pakken?
Dat er verschillende regio's zijn die te kampen hebben met een tekort aan forensisch artsen is zorgwekkend. In de beleidsreactie van de ministers van BZK, JenV en VWS op het rapport van de IGJ «Gemeentelijke lijkschouw door forensisch artsen onder druk, veel zorgen op korte termijn» van 15 november jl. is aangegeven welke maatregelen worden getroffen om deze tekorten tegen te gaan . Zie hiervoor ook de antwoorden op vragen 2 en 3. Daarnaast worden opleidingsplaatsen tot forensisch arts gefinancierd, is het opstellen en uitvoeren van een kennisagenda voor de forensische geneeskunde gefinancierd, wordt er ingezet op meer regionale samenwerking en is er een nieuwe driejarige opleiding ontwikkeld door het Forensisch Medisch Genootschap (FMG). Voor de regio's waar acuut een probleem bestaat met het blijven uitvoeren van de lijkschouw en waar werving en bovenregionale samenwerking vooralsnog onvoldoende resultaat hebben, vindt overleg plaats met FMG, GGD GHOR en IGJ over noodoplossingen. Een mogelijke noodoplossing is om basisartsen onder supervisie van forensisch artsen in te zetten voor eenvoudige werkzaamheden in het kader van de lijkschouw. Hierbij wordt uiteraard rekening gehouden met de noodzakelijke kwaliteit van de lijkschouw Dit soort noodoplossingen zullen tijdelijk van aard zijn.
Het rapport 'No Forgiveness for People Like You,’ Executions and Enforced Disappearances in Afghanistan under the Taliban' |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «No Forgiveness for People Like You». Executions and Enforced Disappearances in Afghanistan under the Taliban van Human Rights Watch waarin wordt gerapporteerd over gedwongen verdwijningen en executies van militair en civiel personeel, politieagenten en inlichtingenofficieren die voor de vorige Afghaanse regering hebben gewerkt?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat de Taliban haar belofte om amnestie te verlenen aan het personeel van de vorige Afghaanse regering niet nakomt en de amnestiebrief soms als lokroep gebruikt om individuen alsnog gevangen te nemen of wel te executeren? Wat voor consequenties vindt u dat deze omgang met mensenrechten moet hebben?
De berichten zijn uiterst zorgelijk, en in strijd met de amnestie die de Taliban heeft afgekondigd voor personeel van de vorige regering. De amnestie is door vertegenwoordigers van het de-facto Taliban regime herhaald in gesprekken met de internationale gemeenschap, zo ook in de gesprekken met de Nederlandse en Duitse Speciaal gezanten tijdens hun bezoek aan Kaboel op 18 november jl. De Nederlandse gezant heeft tijdens het bezoek nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van het de-facto Taliban regime onderstreept voor het zich onthouden van en tegengaan van vergeldingsacties tegen Afghanen die met het Westen geassocieerd worden en andere kwetsbare groepen, zoals mensenrechtenverdedigers, journalisten en hun fixers, vrouwelijke gezagsdragers, en NGO-medewerkers. In reactie hebben de leiders van het Afghaanse de facto regime bevestigd zich te willen houden aan de algemene amnestie die is afgekondigd toen zij aan de macht kwamen, en de noodzaak onderschreven deze boodschap ook in Afghanistan zelf meer voor het voetlicht te brengen. Het de-facto Taliban regime heeft tevens aan de internationale gemeenschap toegezegd de situatie te onderzoeken. Vanuit de internationale gemeenschap wordt in gesprekken benadrukt dat verdere engagement sterk afhankelijk is van de implementatie van dit soort toezeggingen.
Was u reeds op de hoogte van deze verdwijningen en executies van personeel van de vorige Afghaanse regering? Zo ja, wanneer wist u hier van?
Het kabinet was via de media en andere bronnen op de hoogte van geruchten dat, hoewel er geen sprake leek van systematische vergeldingsacties, verdwijningen en executies wel degelijk voorvielen. Deze geruchten zijn echter moeilijk te verifiëren, zo ook de achtergrond of wie daarvoor verantwoordelijk zijn. Het bestaan van de geruchten was echter wel aanleiding voor de Nederlandse gezant om tijdens het Nederlands-Duitse bezoek aan Kaboel de Taliban nadrukkelijk er op te wijzen dat zij zich dienden te onthouden van dergelijke vergeldingsacties en tevens dergelijke acties van anderen dienden tegen te gaan (zie ook het antwoord op vraag 2).
Tijdens een briefing over de mensenrechtensituatie in Afghanistan in de Mensenrechtenraad op 14 december jl. gaf de VN Ondercommissaris voor Mensenrechten, Nada Al-Nashif, aan dat er geloofwaardige aanwijzingen zijn dat er sprake is van meer dan 100 moorden op Afghanen die geassocieerd worden met de voormalige Afghaanse regering of veiligheidsdiensten. Tenminste 72 daarvan worden aan de Taliban toegeschreven. Daarnaast zijn er sinds augustus tenminste 8 activisten en 2 journalisten vermoord door onbekende gewapende mannen, en heeft UNAMA bijna 60 gevallen van bedreiging, mishandeling en arbitraire detentie gedocumenteerd.
Kunt u iets zeggen over de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in deze gedwongen verdwijningen en executies?
Sinds de val van Kabul en het uiteenvallen van informatienetwerken is het een uitdaging om betrouwbare standaarden voor de verificatie van (burger)slachtoffers te hanteren, waaronder voor UNAMA. Op basis van de beschikbare informatie lijkt het merendeel van deze geweldsincidenten zich op mannen te richten. Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld ook vrouwelijke officiers van justitie in angst leven slachtoffer te kunnen worden van geweld door gedetineerden – al dan niet geaffilieerd met of in naam van de Taliban.
Concrete incidenten met vrouwelijke slachtoffers zijn onder andere de moord op vijf politieagentes, waaronder een zwangere vrouw, in Kandahar, Kapisa, Ghazni en Ghor provincie waarover is bericht in internationale media. De Taliban hebben enige vorm van betrokkenheid hierin ontkend. Amnesty International heeft in oktober jl. gerapporteerd over de dood van een 17-jarig Hazara meisje in Daykundi provincie, dat als burgerslachtoffer omkwam tijdens de buitenrechtelijke executie van elf voormalig (Hazara) ANDSF-leden.
Gebruikt de Taliban geavanceerd materieel van de westerse troepen, in handen gekregen na het vertrek van de NAVO deze zomer, bij het opsporen van haar tegenstanders? Zo ja, wat voor materieel wordt er waarschijnlijk gebruikt?
De Taliban maken bij het opsporen van tegenstanders waarschijnlijk geen gebruik van geavanceerd materieel van westerse troepen. Het is echter niet uit te sluiten dat hier in het geheel geen sprake van is.
Wat betekenen deze nieuwe feiten voor de omgang met schrijnende gevallen inzake de evacuatie- en asielregelingen voor mensen die voor het Nederlands belang hebben gewerkt in Afghanistan?
De Nederlandse regering zal blijven zoeken naar wegen om uitvoering te geven aan de overbrenging van de groepen die zijn genoemd in de Kamerbrieven van 11 oktober 2021 en 16 november 2021. Hierbij is, zoals eerder aangegeven in de Kamer, ruimte voor schrijnende gevallen.
Als u deze feiten op u laat inwerken, ziet u dan een groot verschil tussen de Taliban uit de jaren ’90 en de Taliban van nu? Zo ja, op welke vlakken?
In de jaren ’90 regeerden de Taliban vijf jaar lang over het land. Nu hebben zij pas een aantal maanden de macht. Het is nog vroeg om conclusies te trekken over de manier waarop de Taliban ditmaal zullen regeren. Anders dan in de jaren ’90 hebben de Taliban controle over het gehele gebied. Binnen het leiderschap lijken ook meer krachten doordrongen te zijn van de noodzaak om het land echt te gaan besturen, vergeleken met de jaren ’90. Dit betreft echter een momentopname, en zegt in principe nog weinig over de verdere ontwikkelingen in Afghanistan. Bovendien is de Taliban geen homogene groep. Ook dat maakt het moeilijk algemene conclusies te trekken over de wijze waarop de Taliban zich manifesteert.
In de korte tijd sinds de machtsovername op 15 augustus jl. is al wel duidelijk geworden dat er op het gebied van inclusiviteit in de zelfverklaarde interim-regering vooralsnog weinig verschil lijkt met de benadering van destijds. Dat er een amnestie werd afgekondigd was voorzichtig bemoedigend, maar signalen dat de wil of het vermogen ontbreekt om die af te dwingen, zijn verontrustend.
Op het gebied van vrouwenrechten lijken er vooralsnog wel verschillen te ontstaan: basisonderwijs is in een groeiend aantal provincies voor meisjes toegankelijk en ook universitair onderwijs voor vrouwen gaat in grote delen van het land door. In enkele provincies zijn ook middelbare scholen toegankelijk voor meisjes. Vrouwen lijken in bepaalde sectoren te mogen werken en deelname van vrouwen aan het openbare leven in stedelijke gebieden is aan minder verregaande beperkingen onderhevig dan in de jaren ’90. Wel is de positie van vrouwen sterk achteruit gegaan vergeleken met de afgelopen 20 jaar. Ook dit betreft echter een momentopname en het valt niet uit te sluiten dat verdergaande maatregelen ter onderdrukking van vrouwen nog zullen volgen. Het is daarom van belang dat de internationale gemeenschap hierover heldere en eensgezinde boodschappen richting de Taliban blijft afgeven. Ook de Nederlandse en de Duitse Gezanten hebben tijdens hun bezoek aan Kaboel specifiek de verwachtingen van de internationale gemeenschap over de positie van vrouwen en meisjes met de Taliban vertegenwoordigers besproken.
Kunt u er in internationale gremia, zoals de EU en de VN, voor pleiten dat in elk contact met de Taliban, op alle niveaus (district, regionaal, nationaal) met gedisciplineerde consistentie wordt aangedrongen op het naleven van mensenrechten en dat daarbij expliciet de gedwongen verdwijningen en executies worden benoemd, inclusief het belang van het veroordelen van dit soort praktijken en een functionerend rechtssysteem?
De internationale gemeenschap is eensgezind in de zorgen over de inclusiviteit en mensenrechten van de Afghaanse bevolking, en geeft hier richting de Taliban op alle niveaus consistent heldere boodschappen over af. De Ondercommissaris voor Mensenrechten benadrukte tijdens haar briefing aan de Mensenrechtenraad op 14 december jl. dat Afghanistan, ongeacht door wie het de facto wordt geregeerd, gebonden blijft aan diens internationale verplichtingen. Tijdens het bezoek van de Nederlandse en Duitse Speciaal Gezanten aan Kaboel op 18 november jl. is nadrukkelijk over deze onderwerpen gesproken (zie ook het antwoord op vraag 2), alsmede tijdens de dialoog die de EU met vertegenwoordigers van de Taliban had op 27–28 november jl. Het rapport van Human Rights Watch was daarnaast aanleiding voor de internationale gemeenschap om een gezamenlijke verklaring uit te doen gaan op 4 december jl., waarin de Taliban wordt opgeroepen de gerapporteerde schendingen te onderzoeken en ervoor te zorgen dat de door hen afgekondigde amnestie effectief gehandhaafd wordt.
In welke mate wordt er overwogen om mogelijke financiële (non-humanitaire) hulp aan Afghanistan onderhevig te maken aan bepaalde gerichte voorwaarden zodat de Taliban de juiste stappen neemt in de richting van haar internationaal rechtelijke verplichtingen als zijnde dede facto overheid van Afghanistan?
Nederlandse ontwikkelingssteun voor Afghanistan staat momenteel on hold. Indien besloten wordt ontwikkelingssteun te verlenen, dan staat de Afghaanse bevolking daarbij centraal. Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Toekomstige hulp aan en inzet in Afghanistan» van 16 november jl. zou eventuele hulp moeten voldoen aan specifieke voorwaarden voor dienstverlening. Zo dient steun alleen via multilaterale organisaties of ngo’s te worden verstrekt, niet (direct of indirect) via de Taliban; mag er geen inhoudelijke bemoeienis van de Taliban plaatsvinden met beleid, uitvoering en management; en dient gelijke toegang zeker gesteld te zijn voor vrouwen en meisjes. Nederland pleit er in internationaal verband voor om ondersteuning te richten op die provincies waar aan de voorwaarden wordt voldaan, met het doel om daadwerkelijke daden op het gebied van de gestelde voorwaarden te stimuleren.
Kunt u er in internationale gremia op aandringen dat de United Nations Assistance Mission to Afghanistan (UNAMA) volledige toegang tot Afghanistan moet krijgen en behouden, inclusief bezoeken aan detentiecentra, om te rapporteren over misstanden en mensenrechtenschendingen?
Ja. UNAMA moet het volledige mandaat kunnen blijven uitvoeren, inclusief bezoeken aan detentiecentra. UNAMA rapporteert reeds over de mensenrechtensituatie in Afghanistan en moet dit kunnen blijven doen.
Kunt u er daarbij op aandringen dat UNAMA publiekelijk moet kunnen rapporteren en in dialoog moet kunnen treden met de Taliban over mensenrechtenschendingen?
Ja. UNAMA treedt in contact met de Taliban en mensenrechten worden hierbij besproken. UNAMA rapporteert reeds publiekelijk over de mensenrechtensituatie in Afghanistan en moet dit kunnen blijven doen.
Kunt u er tevens op aandringen dat UNAMA alle steun krijgt die het nodig heeft vanuit de internationale gemeenschap zodat het een zo groot mogelijk politiek en moreel mandaat krijgt om haar werk zo goed als mogelijk te doen, en er daarbij in VN-verband voor pleiten dat UNAMA de benodigde middelen en personeel krijgt die het nodig heeft?
Ja. De Nederlandse regering is voorstander van een zo robuust mogelijk mandaat voor UNAMA met de benodigde middelen en personeel om dit mandaat uit te voeren. Het mandaat van UNAMA wordt in maart 2022 door de VN-Veiligheidsraad opnieuw vastgesteld. Omdat Nederland geen lid is van de VN-Veiligheidsraad, pleit Nederland actief voor een robuust UNAMA-mandaat bij partners die wel in dit forum zitting nemen. Binnen de budgettaire commissie van de VN zet Nederland zich tevens specifiek in om UNAMA te voorzien van adequate, voorspelbare financiering.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het Kerstreces beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Facebook vs. Zeewolde: hoe lokale politici moeten beslissen over een landelijke kwestie’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Stef Blok (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Facebook vs. Zeewolde: hoe lokale politici moeten beslissen over een landelijke kwestie»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe oordeelt u over het feit dat er in Zeewolde wellicht een van de grootste datacentra van Europa gebouwd gaat worden?
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)2 wordt aangegeven dat de vestiging van nieuwe hyperscale datacenter(cluster)s een goede ruimtelijke afweging en afstemming vergt met andere belangen in de leefomgeving. In de NOVI wordt de voorkeur uitgesproken om hyperscale datacenters te vestigen aan de randen van Nederland, op locaties waar veel aanbod is van (hernieuwbare) elektriciteit, waar aansluiting op het elektriciteitsnetwerk kan worden geboden en waar ruimte minder schaars is. De voorkeur gaat uit naar vestiging in de randen van Nederland, zoals op de bestaande locaties Eemshaven en Middenmeer. Daarnaast geeft de NOVI richtingen mee voor het benutten restwarmte, landschappelijke inpassing en duurzame energie.
De provincie en gemeente hebben hierbij eigen afwegingen gemaakt. Voor realisatie van het beoogde bedrijventerrein zijn Rijksgronden benodigd. Als grondeigenaar heeft de Staatssecretaris van BZK, mede namens de Ministers van BZK en LNV en de Staatssecretaris van EZK, voorwaarden gesteld voor de verkoop aan de gemeente Zeewolde. Deze liggen in het verlengde van keuzes in NOVI, zijn gebaseerd op een advies van het College van Rijksadviseurs (CRa) en betreffen maximale energiezuinigheid van servers, maximale opwekking van zonne-energie op daken en gevels van het datacenter, minimaal gebruik van water voor koeling en het gebruik van restwarmte voor een warmtenet.
Welke impact heeft de komst van grote hyperscale datacentra op de internationale concurrentiekracht van het economisch kerngebied van Nederland en onze digitale infrastructuur ten opzichte van regionale, kleinere datacentra?
Rond Amsterdam zitten veel co-locatie (of multi-tenant) datacenters met zeer snelle onderlinge verbindingen. Dit zorgt voor zogeheten hyperconnectiviteit tussen deze datacenters. Op dit moment hebben maar vijf steden in Europa3, waaronder Amsterdam, de unieke vestigingsvoorwaarden voor (hyperconnectiviteit)datacenters. Dit is dus bijzonder en speelt een belangrijke faciliterende rol voor de Nederlandse maar ook de Europese digitale economie. Deze hyperconnectiviteit rond Amsterdam draagt bij aan een zeer gunstig vestigingsklimaat voor co-locatie datacenters en bepaalde dienstverlening waarvoor hyperconnectiviteit een vereiste is.
Hyperscale datacenters zijn voor de kwaliteit van hun dienstverlening niet genoodzaakt om zich te vestigen in een regio met hyperconnectiviteit, internationale ontsluiting vindt plaats via eigen connecties met hyperconnectiviteitsclusters. Dit betekent dat de locatie waar het hyperscale datacenter is gevestigd vanuit het perspectief van de gebruiker weinig uitmaakt.
Dit heeft tot gevolg dat hyperscale datacenters weinig bijdragen aan het in stand houden van of uitbreiden van de in Nederland bestaande hyperconnectiviteitsclusters, onderdeel van de Nederlandse digitale infrastructuur en daarbij voor de ambitie uit het coalitieakkoord om van Nederland een digitaal knooppunt te maken. Ook faciliteren co-locatie datacenters meer dan hyperscale datacenters regionale partijen in hun digitaliseringsbehoefte, omdat hyperscale datacenters primair worden gebruikt voor het opslaan van data of het verlenen van dienstverlening voor de internationale markt. Dit betekent dat de vestiging van hyperscale datacenters een relatief beperkte invloed heeft op de internationale concurrentiekracht van Nederland en de digitale infrastructuur ten opzichte van co-locatie datacenters.
Deelt u de mening dat het van belang is dat Nederland haar koploperspositie niet verliest aan Frankfurt, Londen, Amsterdam, Parijs (de FLAP-steden), Noord-Ierland of Zweden? Kan dit ook zonder de komst van hyperscale centra?
Nederland heeft vanwege de vele onderlinge verbindingen van co-locatie datacenters rond Amsterdam een koploperpositie binnen Europa op het gebied van hyperconnectiviteit. Deze hyperconnectiviteit rond Amsterdam draagt bij aan een zeer gunstig Nederlands vestigingsklimaat voor multi-tenant datacenters en bepaalde dienstverlening waarvoor hyperconnectiviteit een vereiste is.
De FLAP-D steden zijn van groot belang voor de doorvoer van internetverkeer in Europa. Nederland fungeert hierbij als datacenterrotonde van Europa. De hyperconnectiviteitsclusters rond de FLAP-D steden bedienen zowel de nationale als Europese markt. Het is van belang dat Nederland deze belangrijke rol blijft houden, mede omdat het voor alle in Europa gevestigde bedrijven en organisaties het van belang is dat de (Europese) datacentercapaciteit groeit.
Hyperscale datacenters dragen weinig tot niet bij aan het in stand houden van of uitbreiden van de in Nederland bestaande hyperconnectiviteitsclusters. Dit betekent dat de Nederlandse koppositie op het gebied van hyperconnectiviteit behouden kan blijven zonder de aanvullende vestiging van hyperscale datacenters.
Deelt u de mening dat een slimme datacenterstrategie ook betekent dat er gekeken wordt naar het opvangen en gebruiken van restwarmte, een lang gekoesterde wens van menig datacentrum?
Ja, het streven dient altijd te zijn om restwarmte voor zover mogelijk te benutten. Maar of dit daadwerkelijk lukt is complex en van de specifieke situatie afhankelijk. Een haalbare businesscase voor een warmtenet is van veel factoren afhankelijk. Datawarmte is van (zeer) lage temperatuur (in de regel 20–30°C4, soms hoger) en moet opgewaardeerd worden indien een bestaand of beoogd warmtenet een hogere temperatuur heeft. Cruciaal is dat er voldoende warmtevraag moet zijn in de nabijheid van een datacenter; het vollooprisico is één van de grootste belemmeringen voor een goede business case. Het gebruik van warmtebronnen is vraaggestuurd; een warmtebedrijf bepaalt uiteindelijk of het afnemen van restwarmte zinvol is om een kosteneffectieve warmtevoorziening te realiseren.
EZK stelt kaders en instrumenten ten behoeve van de benutting van restwarmte. O.a. via het wetsvoorstel voor de Wet Collectieve Warmtevoorziening waarin een «ophaalrecht» voor restwarmte is opgenomen. Hiermee krijgen restwarmteproducenten zoals datacenters de verplichting om hun restwarmte af te staan aan een warmtebedrijf indien die daarom vraagt en dat met de aanleg van een warmtenet mogelijk maakt, waarbij uitsluitend de feitelijke uitkoppelkosten aan de restwarmteproducent worden vergoed. De SDE++-subsidie biedt financiële ondersteuning bij het realiseren van duurzame warmteprojecten en helpt de uitkoppelkosten te dekken.
Wat is de impact van dit soort grote datacentra op de netproblematiek, gezien het feit dat de energietransitie op veel vlakken vastloopt op de beschikbare netcapaciteit? Deelt u de mening dat regio-overstijgende sturing voor dit soort ingrijpende besluiten (over)belasting van het stroomnet kan voorkomen?
Datacenters leggen net als andere grootverbruikers een relatief groot beslag op de beschikbare transportcapaciteit van het elektriciteitsnet. Een aanvraag van een grootverbruiker op een plek waar er nog maar beperkte transportschaarste is voor afname van elektriciteit kan tot extra knelpunten leiden. Het creëren van extra (complementaire) vraag op plekken waar deze elektriciteit niet weg kan worden getransporteerd kan juist verlichting brengen in de ontstane transportschaarste5.
Decentrale overheden hebben de mogelijkheid om sturing te geven aan allerlei (maatschappelijke) initiatieven via het ruimtelijk beleid. Pas als decentrale overheden de bestemmingen mogelijk maken en ruimtelijke vergunningen verlenen, zal een initiatief zich kunnen vestigen en aangesloten kunnen worden. Het is dus belangrijk dat decentrale overheden in een vroeg stadium rekening houden met beschikbare netcapaciteit bij ruimtelijke inpassing van zowel initiatieven als netinfrastructuur. In dit verband is voorts relevant dat het Rijk – zoals aangekondigd in het coalitieakkoord – naar aanleiding van het grote beslag op duurzame energie in verhouding tot de economische en maatschappelijke meerwaarde, de landelijke regie voor hyperscale datacenters zal aanscherpen en ook de toelatingscriteria voor de vergunningverlening. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening komt hier dit voorjaar in een gezamenlijke brief met de Minister voor Klimaat en Energie op terug.
Klopt het dat dit datacentrum meer energie zal verbruiken dan de provincie Flevoland of de stad Amsterdam?2 Hoe gaat die energie opgewekt worden?
Als de datacentercampus volledig gebouwd is (dat gebeurt gefaseerd en beslaat een periode van 2021–2028), kan het totale jaarlijkse verbruik groeien tot 1,38 TWh volgens de plannen.
Het elektriciteitsverbruik van Flevoland is zo’n 2 TWh en het elektriciteitsverbruik van de gemeente Amsterdam is zo’n 4,6 TWh. De vergelijking wordt vaak gemaakt met het elektriciteitsverbruik van huishoudens. In 2020 was het elektriciteitsverbruik van de huishoudens in Nederland 22% van het totale elektriciteitsverbruik (KEV, 2021). Dus het klopt dat het datacenter in de eindsituatie meer elektriciteit verbruikt dan huishoudens in Flevoland of Amsterdam. Overigens is de huidige productie van hernieuwbare elektriciteit in Flevoland momenteel zo’n 2,7 TWh, groeiend naar maximaal 5,8 TWh in 2030 (bron: Monitor RES 1.0 PBL). Alleen al het nabij gelegen windpark Groen zal jaarlijks zo’n 1,8 TWh produceren, wat dus meer is dan het datacenter maximaal zal gebruiken in de eindsituatie.
Vraag en aanbod van elektriciteit in ons land zijn op elk moment van de dag in balans. Productie van elektriciteit zal in toenemende mate via wind en zon verlopen. In 2030 dient er volgens het Klimaatakkoord 84 TWh hernieuwbare elektriciteit uit wind en zon te zijn. Dit is dan ca. 75% van de vraag.
De Stuurgroep extra opgave7 raamt de extra elektriciteitsvraag voor datacenters in 2030 tussen de 5–15 TWh ten opzichte van het Klimaatakkoord. De Stuurgroep adviseert tevens hiervoor extra wind op zee te realiseren. In lijn met de moties Boucke c.s.8 wordt ingezet op het mogelijk maken van 10 GW aan extra wind op zee tot rond 2030. Een volgend kabinet zal besluiten over de precieze omvang van de opgave.
Wat is de impact van dit datacentrum op de capaciteit van het stroomnet? Wat betekent de komst hiervan voor de continuïteit van andere grote stroomgebruikers in de regio?
Ik heb geen zicht op de exacte impact van dit initiatief op het elektriciteitsnetwerk. De netbeheerder zal moeten beoordelen of de gevraagde transportcapaciteit ook op korte termijn geleverd kan worden of dat dit nog aanvullende investeringen vergt. Andere gebruikers worden niet direct geraakt. Netbeheerders dienen bij het uitgeven van transportcapaciteit rekening te houden met de benodigde transportcapaciteit die de gezamenlijk gebruikers van het net nodig hebben. De netbeheerders publiceren een actueel overzicht van de beschikbare transportcapaciteit.9 Hieruit blijkt dat er een transportprobleem is voor wat betreft invoering van elektriciteit (door o.a. zon- en windinstallaties) en niet voor afname.
Welke trajecten voor de komst van regionale kleine of hyperscale datacentra lopen er op dit moment? Om welk type datacentrum gaat het, om welke locaties gaat het en per wanneer?
Voor zover bekend, op basis van de informatie van TenneT en de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA), lopen er rond de 20 à 25 projecten voor de vestiging en uitbreiding van datacenters in Nederland. Dit is ook toegelicht in de brief over datacenters van 17 december jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 968). Dit betreffen datacenters van uiteenlopende grootte die in verschillende fases van voorbereiding zitten; van zeer globale tot concrete plannen. Het gaat onder andere om projecten in de regio’s Noord-Holland, Flevoland en Groningen. Meer specifieke informatie ten aanzien van de locatie van de projecten en aanvragen voor aansluitingen op het elektriciteitsnet is bedrijfsvertrouwelijk en mag niet door de NFIA of TenneT worden gedeeld. Dit aantal is overigens niet uitputtend. Het is mogelijk dat er ook bij lokale overheden projecten lopen, waar op nationaal niveau geen zicht op is.
Het is tot slot goed om te benadrukken dat bedrijven bij dergelijke investeringsprojecten vaak verschillende locaties in verschillende landen vergelijken om zo tot een vestigingslocatiekeuze te komen. Daarom is het dus zeer onzeker of deze lopende projecten uiteindelijk ook tot nieuwe vestigingen in Nederland zullen leiden, en zo ja op welke termijn. In de praktijk zien we daarbij dat bedrijven met datacenters, door de teruglopende beschikbaarheid van fysieke ruimte en stroom, steeds vaker kiezen voor een locatie buiten Nederland.
Wat is de impact van dit soort grote datacentra op het energiebesparingsdoel dat Nederland heeft vanuit de Europese Commissie?
Het energieverbruik van datacenters, net als dat van andere energieverbruikers, telt mee voor het EU-energieverbruiksdoel zoals vastgelegd in artikel 3 van de Energy Efficiency Directive (EED). Dit doel is vertaald naar een energieverbruiksniveau in 2030, zowel voor primair als finaal energieverbruik. De precieze impact van grootschalige datacenters op het Nederlandse aandeel van het Europese energieverbruiksdoel is niet te geven.
Volgens het CBS verbruikten datacenters in 2020 2,8% van de totale elektriciteit in Nederland. Indien datacenters in de toekomst (netto) meer energie verbruiken, zal het energieverbruik van andere verbruikers verder moeten afnemen om aan de EU-verbruiksdoelen te voldoen. Dit geldt overigens ook indien andere energie-intensieve bedrijven zich in Nederland vestigen of in de toekomst meer energie verbruiken. Voor datacenters zijn er eisen met betrekking tot energie-efficiëntie vastgelegd in de Erkende Maatregelenlijst energiebesparing (EML Commerciële Datacenters). Vanaf 2023 vallen alle datacenters, inclusief de grote datacenters, automatisch onder de energiebesparingsplicht.
In de voorgestelde herschikking van de EED worden er op EU-niveau strengere eisen aan datacenters gesteld. Zo komt er een verplichting om energieverbruik van datacenters te monitoren en rapporteren. De herschikking van de EED is onderdeel van het Fit-for-55 pakket dat momenteel in Brussel wordt besproken.
Is de energie-infrastructuur aangepast in zowel (groot) Amsterdam als Almere, zoals te lezen is in de «Ruimtelijke Strategie Datacenters»?3 Zo nee, waarom niet en wanneer en hoe gaat dit gebeuren? Hoe zit het met de andere locaties die in de strategie worden genoemd?
Pas als decentrale overheden de bestemmingen mogelijk maken en ruimtelijke vergunningen verlenen, zal een initiatief zich kunnen vestigen en aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnet. Het is bij het maken van deze ruimtelijke plannen belangrijk om ook na te denken over de afstemming met het energiesysteem.
De netbeheerder zelf maakt geen onderscheid tussen functies en sluit functies aan op volgorde van binnenkomst. De netbeheerder zal bij een aansluitverzoek moeten beoordelen of de gevraagde transportcapaciteit ook op korte termijn geleverd kan worden of dat dit nog aanvullende infrastructuurversterkingen vergt.
De netbeheerders werken op veel locaties in Nederland aan de versterking van de elektriciteitsinfrastructuur. Dit gebeurt echter niet voor een specifieke sector.
Op welke manier is er afstemming geweest tussen lokale bestuurders, de provincie en de rijksoverheid en wat is er afgesproken over randvoorwaarden voor de bouw van het datacentrum?
In aanloop naar de mogelijke vestiging van het Meta datacenter in Zeewolde hebben de netbeheerders de Minister van Economische Zaken en Klimaat advies gevraagd over een bijzondere wijze van aansluiting op het hoogspanningsnet die Meta wenste. Vervolgens is getoetst of de Elektriciteitswet deze bijzondere wijze van aansluiting toestond, en geconstateerd dat dit het geval is.
Op dat moment zijn ook de provincie Flevoland en gemeente Zeewolde benaderd over de vestiging, waar zij benadrukten een zorgvuldige afweging te hebben gemaakt en grote belangen te hechten aan de vestiging.
Een van de vervolgstappen van de provincie en gemeente was het verzoek aan het Rijk om rijksgronden te verkopen in het kader van de beoogde bestemmingswijziging en daaraan gekoppelde procedures. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Rijk, in overleg met de gemeente en provincie, aan het College van Rijksadviseurs (CRa) de opdracht gegeven voor een verkenning naar een optimaler ontwerp en inpassing van het datacenter. De Staatssecretaris van BZK stelde, mede namens de Ministers van BZK en LNV en de Staatssecretaris van EZK, op basis van deze verkenning de onder antwoord 2. genoemde voorwaarden. Op dit moment heeft Zeewolde nog geen aangepast plan gedeeld, het Rijksvastgoedbedrijf is in afwachting van dit aangepast plan.
Welke afspraken zijn er gemaakt met Meta/Facebook over onder andere het betalen van (lokale) belastingen, het wel of niet ontvangen van subsidies, de komst van arbeidsplaatsen en watercompensatie?
De inhoudelijk betrokkenheid van het Rijk bij deze mogelijke investering van Facebook richtte zich op de netaansluiting en de mogelijke verkoop van grond van het Rijksvastgoedbedrijf. Belastingen, subsidies, arbeidsplaatsen en watercompensatie waren geen onderwerpen in deze gesprekken. In de gesprekken tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente over de eventuele verkoop van de grond zijn voorwaarden van het Rijk gesteld. Daarbij zijn ook de processtappen besproken die voorschrijven dat de gemeente zorgt voor een aangepast plan, het Rijk deze laat toetsen en vervolgens beoordeelt en daarna beslist over verkoop (zie de brief van de Staatssecretaris van BZK van 13 december jl.11).
Deelt u de mening dat het niet wenselijk zou zijn als lokale politici en bestuurders zonder afstemming met provincie en rijksoverheid zouden besluiten over de komst van een datacentrum vanwege de regio-overstijgende consequenties?
De NOVI is zelfbindend voor het Rijk maar geeft ook de onder 2 genoemde richtingen mee voor deze afwegingen.
Het verdient daarbij voorkeur als provincies zelf beleid formuleren voor vestiging van datacenters en de inrichting van locaties. Het Rijk gaat hier met provincies over in overleg. In lijn met het coalitieakkoord zal dit kabinet de landelijke regie en de toelatingscriteria ten aanzien van (hyperscale) datacenters aanscherpen. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal hier komt hier dit voorjaar in een gezamenlijke brief met de Minister voor Klimaat en Energie op terug.
Deelt u de mening dat de komst van een regionaal klein datacentrum bij kan dragen aan de internationale concurrentiekracht van het economisch kerngebied van Nederland en het onze digitale infrastructuur versterkt, mits het geen blokkerende impact heeft op het Nederlandse stroomnet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u dit meenemen in de datacentervisie die naar de Tweede Kamer wordt gestuurd?
Het merendeel van de datacenters in Nederland zijn regionale datacenters waarvan een groot deel in de regio Amsterdam gevestigd is. Regionale (co-locatie) datacenters spelen een belangrijke faciliterende rol in de digitalisering van Nederlandse bedrijven en organisaties en daarmee de internationale concurrentiekracht van deze bedrijven maar datacenters in Nederland zorgen ook voor uitstekende internationale connectiviteit. Clusters van co-locatie datacenters rond Amsterdam en de AMS-IX zorgen voor deze zeer snelle internationale verbindingen, de zogenoemde hyperconnectiviteit. Deze hyperconnectiviteit draagt bij aan de goede digitale infrastructuur en is daarmee ook gunstig voor het Nederlands vestigingsklimaat, met name voor multi-tenant datacenters en bepaalde dienstverlening waarvoor hyperconnectiviteit een vereiste is. De Metropoolregio Amsterdam (MRA) houdt bij het opstellen van de nieuwe verstedelijkingsstrategie met het oog op groei van deze hyperconnectiviteitclusters dan ook rekening met de beschikbare (toekomstige) energie-infrastructuur. Met betrekking tot de datacentervisie verwijs ik u naar het antwoord op vraag 16.
Deelt u de mening dat er meer landelijke sturing moet zijn en dat er meer duidelijkheid moet komen over het beleid rondom het bouwen van datacentra in Nederland? Zo ja, welke randvoorwaarden zouden hier volgens u van toepassing zijn? Zo nee, waarom niet?
Op 17 december jl. heeft uw Kamer een brief ontvangen over datacenters (Kamerstuk 32 813, nr. 968) die verder ingaat op de verwachte groei van de datacentersector, de elektriciteitsvraag die daarbij gepaard gaat en de wenselijkheid van datacenters mede gezien schaarse ruimte en de landschappelijke impact. Voorts: in het coalitieakkoord constateert het kabinet dat hyperscale datacentra een onevenredig groot beslag leggen op de beschikbare duurzame energie in verhouding tot de maatschappelijke en/of economische meerwaarde. Daarom scherpen we de landelijke regie en de toelatingscriteria bij de vergunningverlening hiervoor aan. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening komt hier dit voorjaar in een gezamenlijke brief met de Minister voor Klimaat en Energie op terug.
Het bericht dat verzekeraars jagen op miljarden in het nieuwe pensioenstelsel |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Wat vindt u ervan dat verzekeraars op jacht gaan naar pensioenmiljarden bij ondernemingspensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel?1
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel brengt met zich mee dat het overgrote deel van de pensioenovereenkomsten moet worden aangepast. Dit kan voor werkgevers en werknemers aanleiding zijn om de bestaande uitvoerder te heroverwegen. Voor pensioenfondsen kan het aanleiding vormen om na te denken over hun toekomst en of ze door willen gaan onder de nieuwe regelgeving. Dynamiek in de pensioensector is op zichzelf niets nieuws. Het laatste decennium is het aantal pensioenfondsen als gevolg van liquidaties en fusies fors gedaald van circa 1000 naar circa 200 fondsen. Dit heeft zijn grondslag in het beperken van de kosten en het kunnen blijven voldoen aan de toegenomen eisen die aan professionele pensioenuitvoering worden gesteld. Als het pensioenfonds besluit te gaan liquideren, heeft het pensioenfonds de mogelijkheid om de bestaande verplichtingen over te dragen aan een bedrijfstakpensioenfonds, een algemeen pensioenfonds of een verzekeraar.
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel wijzigt niets aan de verantwoordelijkheid van de werkgever om de regeling onder te brengen bij een van de wettelijk toegestane pensioenuitvoerders. De keuze voor een uitvoerder zal afhankelijk zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld op grond van het type contract of kosten. Aan de onderbrenging van een pensioenregeling gaat een zorgvuldig proces vooraf. Bij een proces van onderbrenging van reeds opgebouwde rechten naar een andere pensioenuitvoerder zijn wettelijke eisen van toepassing, waarbij de fondsorganen zoals het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan een advies- respectievelijk goedkeuringsrecht hebben. Daarnaast dient een waardeoverdracht gemeld te worden bij DNB waarna DNB de waardeoverdracht beoordeelt en eventueel een verbod oplegt als de waardeoverdracht niet in het belang van de deelnemers is. In dit proces wordt nadrukkelijk gekeken naar de impact op deelnemers en evenwichtige belangenafweging voor werkenden en gepensioneerden.2
Hoeveel ondernemingspensioenfondsen verwacht u dat overgenomen gaan worden door verzekeraars in het nieuwe stelsel?
Aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder gaat, zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, een zorgvuldig proces vooraf. Dat is in het huidige pensioenstelsel het geval en zal ook in het nieuwe pensioenstelsel het geval zijn. Het is vooraf niet volledig in te schatten welke keuzes partijen hierin zullen maken. Uit een recente uitvraag van DNB onder pensioenfondsen, blijkt dat circa 20 procent van alle pensioenfondsen verwacht te liquideren.3 Vrijwel al deze fondsen hebben een beheerd vermogen van minder dan 1 miljard euro. Het is daarbij niet bekend wat de verwachting is voor wat betreft het type uitvoerder waarnaar bestaande pensioenaanspraken worden overgedragen.
Acht u het wenselijk dat ondernemingspensioenfondsen overgaan in verzekeraars?
De keuze voor een bepaalde pensioenuitvoerder hangt af van vele factoren. Zoals hierboven beschreven biedt de wetgeving ruimte voor verschillende soorten pensioenuitvoerders. Nadat betrokken partijen een keuze hebben gemaakt voor de nieuwe pensioenregeling kan een uitvoerder worden gezocht die daar het beste bij past. Het kan zijn dat betrokken partijen van mening zijn dat een verzekeraar deze pensioenovereenkomst het beste kan uitvoeren, bijvoorbeeld vanwege het type contract of de kosten. Hetzelfde geldt bij keuze van een sociale partners en het pensioenfonds om reeds bestaande verplichtingen onder te brengen bij een andere uitvoerder. Het is niet aan mij als Minister om daar een oordeel over te hebben.
Welke effecten zal de overname van ondernemingspensioenfondsen hebben op de pensioenen van werkenden en gepensioneerden? Welke kosten kunnen hierdoor optreden voor de pensioenen van werkenden en gepensioneerden? Welke effecten zal dit hebben op de solidariteit in het stelsel? Kunt u deze vragen uitwerken voor verschillende scenario’s en verschillende hoeveelheden overnames?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 gaat aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder een zorgvuldig proces vooraf, waarbij DNB een waardeoverdracht kan verbieden als deze niet in het belang van de deelnemers is.
Op dit moment is geen inschatting te maken van het aantal pensioenovereen-komsten dat op dit moment bij een ondernemingspensioenfonds is ondergebracht en in het nieuwe stelsel bij een verzekeraar zal worden ondergebracht. Daarbij is het ook nog de vraag voor welke pensioenovereenkomst in dat scenario wordt gekozen. Zoals hierboven aangegeven is dat de verantwoordelijkheid van de betrokken partijen, die daarbij ook het kostenaspect in ogenschouw zullen nemen.
Welke effecten zijn er op de zeggenschap van gepensioneerden en werkenden over hun pensioengeld en het beleggingsbeleid wanneer hun pensioengeld in een pensioenfonds overgenomen wordt door een verzekeraar?
Bij een pensioenfonds zijn vertegenwoordigers van belanghebbenden vertegenwoordigd in het bestuur en in de fondsorganen. Iedere pensioenfondsbestuurder, dus ongeacht of deze bestuurder een onafhankelijk bestuurder is of een zetel bekleedt namens de werknemer, werkgever of gepensioneerde heeft de bestuurstaak om de belangen evenwichtig af te wegen.4 Bij pensioenfondsen wordt ook specifiek de risicohouding en daaruit volgend het beleggingsbeleid vastgesteld na overleg met de pensioenfondsorganen.
In het algemeen gelden bij verzekeraars andere regels met betrekking tot de medezeggenschap. Een werkgever die zijn pensioenregeling onderbrengt bij een verzekeraar sluit daartoe een contract met die verzekeraar, waarin zo nauwkeurig mogelijk beschreven staat tot welke prestaties de verzekeraar verplicht is en welke premie de werkgever daarvoor betaalt. Verzekeraars zijn geen beslisbevoegden, in tegenstelling tot pensioenfondsen, en hebben geen ruimte om inhoudelijke beslissingen te maken over de invulling van de pensioenregeling. Het is de werkgever die, in samenspraak met de ondernemingsraad, de beslissingen neemt over de invulling van de regeling. De ondernemingsraad komt op grond van de Wet op de Ondernemingsraden een instemmingsbevoegdheid toe over ieder besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van pensioenregelingen.
Verzekeraars hebben de verplichting om te zorgen dat het product dat zij aanbieden is afgestemd op de doelgroep. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld het beleggingsbeleid. De AFM gaat in het rapport «Sectorbeeld Pensioenen 2021» in op keuzevrijheid van deelnemers in het beleggingsbeleid specifiek bij premieregelingen.5 De meeste deelnemers bij verzekeraars (85%) kunnen gebruik maken van beleggingsvrijheid, te weten door middel van door de pensioenaanbieder gedefinieerde beleggingsverhoudingen (profielbeleggen) en/of door zelf de beleggingen te kiezen (opt-out beleggen). Daarnaast komt uit het rapport naar voren dat de meeste deelnemers bij verzekeraars zeggenschap hebben over de ingangsdatum van het pensioen, over de variatie in uitkeringshoogte en ook uitruilmogelijkheden hebben tussen verschillende typen pensioen.
Welke mate van extra winst, procentueel en in absolute cijfers, verwacht u dat verzekeraars gaan maken als resultaat van de overgang naar het onwenselijke nieuwe pensioenstelsel? Kunt u een overzicht geven van hun huidige omzet, deelnemersaantal en winsten?
In 2019 bouwden er circa 820 duizend deelnemers actief pensioen op bij een verzekeraar en circa 480 duizend bij een premiepensioeninstelling. De premie-inleg in dat jaar bedroeg bij verzekeraars € 4,8 miljard en bij premiepensioeninstellingen € 1,8 miljard. Het aantal deelnemers en de totale premie-inleg bij pensioenfondsen is aanzienlijk groter (5,9 miljoen actieve deelnemers en € 35,4 miljard premie-inleg).6 Een openbaar totaaloverzicht van de winsten die verzekeraars maken op pensioenuitvoering is mij niet bekend. Op voorhand is geen inschatting te maken van mogelijke verschuivingen in het marktaandeel tussen verschillende pensioenuitvoerders.
Welke mate van extra winst, procentueel en in absolute cijfers, verwacht u dat pensioenadviseurs gaan maken als resultaat van de overgang naar het complexe nieuwe pensioenstelsel? Kunt u een overzicht geven van hun huidige omzet, winsten en hoeveelheid pensioenfondsen en pensioenuitvoerders die adviesverzoeken doen?
Het is niet mogelijk om een overzicht van de gevraagde informatie te geven, omdat deze informatie niet beschikbaar is. Om die reden is het eveneens niet mogelijk om een inschatting te maken van de (eventuele) extra winst die pensioenadviseurs gaan maken als gevolg van de overgang naar een nieuw pensioenstelsel. Wel zal in het wetsvoorstel een inschatting worden gegeven van de regeldrukeffecten en uitvoeringskosten van de stelselherziening voor werkgevers, burgers en pensioenuitvoerders.
Klopt het dat er schijnbaar maar één commerciële aanbieder is die alle pensioen gerelateerde diensten binnen de eigen organisatie kan aanbieden te weten «Defined Benefit (db-) en Defined Contribution (dc)-regeling, een Premie Pensioen Instelling (PP) en een uitvoerder»? Hoe is dit zo gekomen? Acht u het wenselijk dat één private organisatie een dusdanig dominante positie inneemt?
Eind 2019 waren er in Nederland in totaal 206 pensioenaanbieders actief, waaronder dertien verzekeraars en zeven premiepensioeninstellingen.7 Deze aanbieders concurreren met elkaar bij het aanbieden van tweedepijlerpensioen. Verzekeraars bepalen – binnen de wettelijke kaders – zelf welke diensten en producten zij aanbieden. Zij bepalen ook zelf hoe ze zich organiseren. Een aantal verzekeraars, premiepensioeninstellingen en algemeen pensioenfondsen is onderdeel van een groep. Hierbinnen worden de verschillende typen producten aangeboden, via de dochterondernemingen, te weten een premiepensioeninstelling, levensverzekeraar of een algemeen pensioenfonds. Zij bepalen ook zelf of ze diensten, zoals vermogensbeheer en pensioenadministratie, uitbesteden of zelf uitvoeren.
Gegeven de verscheidenheid van commerciële aanbieders is het dan ook niet zo dat als één verzekeraar alle pensioengerelateerde diensten aanbiedt, deze aanbieder daarmee ook op voorhand een dominante positie inneemt. Het kabinet heeft op dit moment geen signalen dat er sprake zou zijn van een dominante positie van één pensioenuitvoerder. De ACM houdt hierop toezicht vanuit mededingingsperspectief.
Wat gaat u doen om de pensioenen van werkenden en gepensioneerden te beschermen voor een overnamecircus waar enkele spelers dominant worden en grote private winsten behalen, maar pensioenbelangen in het gedrang kunnen komen?
Aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder gaat een zorgvuldig proces vooraf. Bij een proces van onderbrenging van opgebouwde rechten naar een andere pensioenuitvoerder zijn wettelijke eisen van toepassing, zoals de eis dat sprake moet zijn van actuariële en collectieve gelijkwaardigheid, waarbij de fondsorganen zoals het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan een advies- respectievelijk goedkeuringsrecht hebben op de waardeoverdracht. Daarnaast heeft de toezichthouder DNB de mogelijkheid om de waardeoverdracht te verbieden, indien niet is voldaan aan de wettelijke waarborgen. In dit proces wordt dus nadrukkelijk gekeken naar de impact op deelnemers en evenwichtige belangenafweging voor werkenden en gepensioneerden.8 Ook zijn alle pensioenuitvoerders gebonden aan wetgeving en vallen zij onder het toezicht van DNB. Dat is in het huidige pensioenstelsel het geval en zal ook in het nieuwe pensioenstelsel het geval zijn. Ik heb dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat door een mogelijke verandering van uitvoerder de pensioenbelangen in het gedrang kunnen komen.
Deelt u de mening dat voor zoiets onmisbaars als pensioen ook een publiek alternatief dat het algemeen belang van werkenden en gepensioneerden dient, moet bestaan tegenover de winstbeluste private aanbieders, zeker wanneer de zogenaamde marktwerking zo verstoord is door overnames, enkele aanbieders die dominant zijn en de wettelijke regelingen en verplichtingen rondom pensioen?
Ik ben van mening dat op de huidige pensioenmarkt veel pensioenuitvoerders actief zijn. Daarnaast biedt de wetgeving waaraan deze pensioenuitvoerders moeten voldoen werkenden en gepensioneerden zekerheid en bescherming. Een publiek alternatief is dus niet nodig.
In welke mate hebben de verzekeraars of hun vertegenwoordigers bij u of uw ambtenaren gelobbyd of invloed uitgeoefend om tot deze overgang naar een nieuwe stelsel te komen? Welke rol hebben zij gespeeld in de totstandkoming van het Pensioenakkoord?
Zoals ook vermeld in de Hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord, die in juni 2020 aan uw Kamer is aangeboden, is het Verbond van Verzekeraars, evenals de Pensioenfederatie en de beide toezichthouders DNB en AFM, als adviseur betrokken geweest bij de stuurgroep uitwerking pensioenakkoord. Daarnaast heeft het Verbond (evenals de Pensioenfederatie) tijdens de internetconsultatie inbreng geleverd. Van deze mogelijkheid hebben ook verschillende individuele verzekeraars en pensioenfondsen gebruik gemaakt. Deze inbreng is terug te vinden op https://internetconsultatie.nl/wettoekomstpensioenen. In totaal zijn 484 reacties openbaar. In de toelichting bij het wetsvoorstel wordt verantwoording afgelegd over hoe is omgegaan met alle consultatie-inbreng.
Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat in beginsel elk wetsvoorstel op het terrein van pensioenwetgeving gedurende het wetgevingstraject wordt besproken met de beide uitvoeringsorganisaties (Pensioenfederatie en Verbond van verzekeraars) om te bezien welke uitvoeringsaspecten van belang zijn. Uiteraard is het de verantwoordelijkheid van het kabinet om de uitvoeringsaspecten te wegen in verhouding tot de beleidsmatige wensen. Ook leveren de uitvoerders vaak een formele inbreng in tijdens de internetconsultatie. Dit is per wetsvoorstel terug te vinden op de website internetconsultatie.nl.
Kunt u een overzicht geven van de voorstellen van verzekeraars of hun vertegenwoordigers die verwerkt zijn in het Pensioenakkoord en in de Wet toekomst pensioenen die recentelijk naar de Raad van State is verzonden?
Het wetsvoorstel toekomst pensioenen is een uitwerking van het tussen kabinet en sociale partners gesloten Pensioenakkoord en wordt openbaar op het moment dat het voor indiening naar Uw Kamer wordt gestuurd. Zoals hierboven is opgemerkt wordt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel verantwoording afgelegd over hoe is omgegaan met de inbreng die is ontvangen in de consultatiefase.
Kunt u een overzicht geven van de voorstellen van pensioenadviseurs of hun vertegenwoordigers die verwerkt zijn in het Pensioenakkoord en in de Wet toekomst pensioenen die recentelijk naar de Raad van State is verzonden?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u een overzicht van alle ontmoetingen, formeel en informeel, die de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben gehad met verzekeraars of hun vertegenwoordigers sinds 2007 toesturen met daarbij graag een overzicht van de besproken zaken, met specifiek uitgelicht wanneer de positie of belangen van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel is besproken?
Op basis van de beschikbare informatie is in de onderstaande gesprekken tussen afgevaardigden van de verzekeringssector en de bewindspersonen van Financiën en SZW de positie van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel aan de orde gekomen. Hierbij is gekeken naar de agenda’s van de bewindspersonen in de kabinetten Rutte II en Rutte III, omdat de huidige stelselherziening zijn oorsprong vindt in de keuzes die onder Rutte II zijn gemaakt (met onder meer de Pensioendialoog in 2015 en de Perspectiefnota in 2016). Per gesprek is voor zover bekend het gespreksonderwerp weergegeven. Daarbij dient opgemerkt te worden dat in een deel van deze gesprekken een breed palet aan onderwerpen besproken is, waarbij de rol van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel daar een van was.
Kunnen we ditzelfde overzicht ontvangen voor de Minister en Staatssecretaris van Financiën voor alle gevallen sinds 2007 waar zij pensioen of daar aan gerelateerde onderwerpen hebben besproken met verzekeraars of hun vertegenwoordigers?
Zie antwoord vraag 14.
Het bericht ‘Sociale media niet geschikt voor kinderen, concludeert Consumentenbond’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Stef Blok (VVD), Raymond Knops (CDA), Sander Dekker (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sociale media niet geschikt voor kinderen, concludeert Consumenenbond»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat geen enkel onderzocht sociaal medium serieus rekening houdt met de kinderen en dat hun privacyrechten worden geschonden?
Het is zorgelijk signalen te ontvangen dat socialemediaplatforms zich niet zouden houden aan de regels die de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) stelt voor het verwerken van persoonsgegevens. In de AVG wordt aan kinderen specifieke bescherming toegekend. Zo moet op grond van artikel 12, eerste lid, AVG de informatie en communicatie met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens van een kind in begrijpelijke taal worden gesteld, zodat voor kinderen en hun ouders goed te begrijpen is wat er met die gegevens gebeurt. Wanneer deze regels niet zouden worden nageleefd, is het aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) om hier een onderzoek naar in te stellen. De AP legt de komende jaren in het toezichtwerk extra nadruk op drie focusgebieden: datahandel, digitale overheid en artificiële intelligentie en algoritmes. Daarnaast is het een goede zaak dat toezichthouders uit verschillende landen tijdens de 43e gesloten sessie van de algemene vergadering van de Global Privacy Assembly in oktober 2021 een resolutie hebben aangenomen die ziet op aandachtspunten met betrekking tot de rechten van kinderen in de digitale wereld.2
Het kabinet zet zich in om de bewustwording onder jonge gebruikers van sociale media te vergroten. Zo heeft het kabinet met de campagne «denk 2x na voor je iets deelt» bijgedragen aan het vergroten van de bewustwording rondom het delen van foto’s of video’s waar anderen op staan, of het verspreiden van andermans teksten of andere informatie op sociale media.3 Daarnaast is het van belang dat bedrijven goed op de hoogte zijn van de rechten van kinderen. In dat kader heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vorig jaar de Code voor Kinderrechten Online gepresenteerd.4 Die Code bestaat uit tien beginselen met praktische voorbeelden waarmee ontwerpers en ontwikkelaars van digitale diensten de fundamentele rechten van kinderen kunnen waarborgen. De beginselen zijn op zichzelf niet juridisch afdwingbaar, maar gebaseerd op wet- en regelgeving (zoals het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind 1989) die wel degelijk juridisch bindend is.
Wat vindt u er van dat Facebook, Instagram, Snapchat, TikTok en YouTube kinderen reclame tonen op basis van hun persoonlijke kenmerken?
Het kabinet wil kinderen extra beschermen tegen niet-passende online reclame en kindermarketing en kinderen het recht geven om niet gevolgd te worden en geen dataprofielen te krijgen.5 Wanneer socialemediaplatforms persoonsgegevens verzamelen en willen gebruiken voor reclamedoeleinden, dan moeten de betrokkenen om wier persoonsgegevens het gaat daarover op grond van de AVG duidelijk worden geïnformeerd. In geval van toestemming geldt voor minderjarigen die nog niet de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt dat toestemming vereist is van diens wettelijk vertegenwoordiger. Voor verwerking op basis van toestemming geldt dat deze onder andere vrijelijk, geïnformeerd en ondubbelzinnig moet zijn gegeven, en dus ook kan worden onthouden.
In Europees verband wordt momenteel onderhandeld over de verantwoordelijkheden van online tussenpersonen voor hun omgang met illegale, waaronder strafbare en onrechtmatige online inhoud, (Digital Services Act (DSA)). Het Europees parlement (EP) heeft bij het voorstel amendementen ingediend die beperkingen stellen aan het verwerken van persoonsgegevens van minderjarigen voor het online tonen van persoonlijke advertenties. Aan online platformen wordt in die amendementen ook een verbod opgelegd om gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen online te tonen. Het kabinet steunt dan ook het doel dat het EP nastreeft om kinderen online beter te beschermen, bijvoorbeeld door een verbod op profilering of door privacy-by-design een verplicht onderdeel van het ontwerp van de online dienst te maken. Het kabinet heeft wel zorgen over de mogelijke implicaties voor de gegevensbescherming van het voorstel van het EP om een verbod op gepersonaliseerde advertenties op te nemen in de DSA. Het kabinet wil voorkomen dat online platformen de verplichting om de leeftijd te verifiëren aangrijpen om aanvullende persoonlijke gegevens van hun gebruikers te verzamelen. Dat is zowel onwenselijk als technisch en juridisch onnodig.
Wat vindt u ervan dat Snapchat en TikTok het gedrag van kinderen komen om zo tot nóg persoonlijkere advertenties te komen?
Zie antwoord vraag 3.
Maakt u zich grote zorgen dat kinderen op sommigen sociale media niet de klant maar het product zijn, waaraan door advertenties geld wordt verdiend?
Ja. Het kabinet zet zich in voor betere bescherming van kinderen online. Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt zonder rechtmatige grondslag, wordt in strijd met de AVG gehandeld. In het geval van kinderen geldt dat ook. Kinderen verdienen binnen de AVG immers een specifieke bescherming.
Bent u het eens met de stelling dat het oneerlijk is om advertentieprofielen van kinderen bij te houden, ondermeer omdat zij op de persoon afgestemde reclame nog niet goed kunnen beoordelen?
Ja, zie ook de antwoorden bij vraag 2, 3, 4 en 5. Het kabinet wil kinderen extra beschermen tegen niet-passende online reclame en kindermarketing en kinderen het recht geven om niet gevolgd te worden en geen dataprofielen te krijgen. In het geval van kinderen zullen verwerkingsverantwoordelijken zich er ook nu al bewust moeten zijn van de extra verantwoordelijkheid die de AVG oplegt ten aanzien van het gebruik van duidelijke en begrijpelijke communicatie.
Bent u het eens met de stelling dat de overheid ook een verantwoordelijkheid heeft voor de bescherming van kinderen in het digitale domein? Zo ja, hoe geeft u deze verantwoordelijkheid handen en voeten?
Ja, zie ook het antwoord op de vragen 3 en 4. Tijdens het Commissiedebat Bescherming Persoonsgegevens van 20 mei 2021 sprak uw Kamer al met de toenmalig Minister voor Rechtsbescherming over het onderzoek van de Consumentenbond: Children and Data Protection – How the term «specific protection» for children under the GDPR should be implemented by social media platforms»6 De toenmalig Minister voor Rechtsbescherming had toegezegd in de volgende rapportage de Tweede Kamer te informeren over aanvullende mogelijkheden voor de bescherming van persoonsgegevens van kinderen. Bij de uitwerking van de werkagenda digitalisering, zoals aangekondigd in de hoofdlijnenbrief beleid digitalisering, zal ook deze ambitie ten aanzien van de bescherming van kinderen ter hand worden genomen en zal uw Kamer daar nader over worden geïnformeerd.
Welke mogelijkheden ziet u om de positie van kinderen in nationale regelgeving te versterken?
Het wetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming voorziet in een wijziging van artikel 5 van de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Deze wijziging stelt jongeren vanaf 12 jaar gemakkelijker in staat om toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens in te kunnen trekken. Dit wetsvoorstel is afgelopen najaar aangeboden aan de Afdeling advisering van de Raad van State en zal vermoedelijk voor de zomer bij uw Kamer worden aangeboden.
Een versterking van de positie van kinderen valt in de eerste plaats te realiseren door naleving van de bestaande regelgeving. De AVG schept duidelijke verplichtingen voor verwerkingsverantwoordelijken, juist in het geval het persoonsgegevens van kinderen betreft. Het kabinet juicht het dan ook toe dat de AP zich met dit onderwerp bezighoudt zoals genoemd in het antwoord op vraag 2. Daarnaast heeft dit kabinet extra middelen vrijgemaakt voor de AP en heeft het kabinet middelen gereserveerd voor de oprichting van een algoritmetoezichthouder.7
Bent u bereid bij de gesprekken over de Digital Services Act, harde en afdwingbare voorwaarden te stellen over: Kunt u op elk van bovenstaande voorwaarden afzonderlijk ingaan?
Zoals in antwoord op vraag 3 en 4 heeft het EP bij het bepalen van zijn positie voor de onderhandelingen met lidstaten en Europese Commissie (EC) van de DSA amendementen voorgesteld die gepersonaliseerd adverteren richting minderjarigen moet beperken. Zoals ook bij het antwoord van vraag 3 en 4 aangegeven, staat het kabinet sympathiek tegenover de doelstelling om kinderen online beter te beschermen, bijvoorbeeld door een verbod op profilering of door privacy-by-design een verplicht onderdeel van het ontwerp van de online dienst te maken. Er zijn wel zorgen over de implicaties voor de gegevensbescherming van het amendement van het EP voor een verbod op het gebruik van profielen van kinderen voor advertentiedoeleinden. Het zou disproportioneel zijn wanneer online platformen de verplichting om de leeftijd te verifiëren aangrijpen om aanvullende persoonlijke gegevens van hun gebruikers te verzamelen, zoals kopieën van identiteitsbewijzen. Dat is juridisch onwenselijk en technisch onnodig. Het kabinet zet zich er ook voor in dat de vormgeving van diensten niet leidt tot het manipuleren van gebruikers, of hen anderszins beperken in het vrijelijk maken van keuzes of hun autonomie.
Zoals gemeld bij de andere antwoorden van deze Kamervragen legt de AVG verwerkingsverantwoordelijken al speciale verplichtingen op ten aanzien van het gebruik van duidelijke en begrijpelijke communicatie. In geval van toestemming, geldt bij de AVG voor minderjarigen die nog niet de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt al dat toestemming vereist is van diens wettelijk vertegenwoordiger. Voor toestemming geldt dat deze onder andere vrijelijk, geïnformeerd en ondubbelzinnig moet zijn gegeven, en dus ook kan worden onthouden.
Indien dit enkel Europees kan, is dit ook uw inzet bij de gesprekken over de Digital Services Act?
Zie antwoord vraag 9.
Welke mogelijkheden ziet u om de Code Kinderrechten bindend te maken voor applicaties die zich op kinderen richten? Welke lessen kunt u hierbij trekken uit de Britse Age Appropriate Design Code en de implementatie hiervan?2
Er bestaat al regelgeving om kinderen te beschermen in de onlinewereld van apps, games en andere software. De AVG is daar een voorbeeld van, maar ook de grondrechten van kinderen zoals die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of in het VN-Verdrag voor de Rechten van het Kind zijn belangrijk. De Code voor Kinderrechten is een instrument om te helpen bij de naleving van deze bestaande wet- en regelgeving. In die zin is het niet anders dan andere instrumenten met dat doel, zoals de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) of het Impactassessment voor Mensenrechten en Algoritmen (IAMA). De Age Appropriate Design Code uit het Verenigd Koninkrijk heeft als voorbeeld gediend bij het uitwerken van de Code Kinderrechten.
Bent u bereid om samen met andere landen te komen tot een Europese bindende Code Kinderrechten waar bedrijven die in Europa applicaties aanbieden aan kinderen zich hebben te houden?
Ik juich Europese samenwerking op dit terrein toe en zal de Code voor Kinderrechten onder de aandacht brengen van de EC. De EC heeft in haar Kinderrechtenstrategie 2021–2024, waarin ook een onderdeel gaat over de digitale en informatiesamenleving, aangekondigd om de Europese Strategie voor een Beter Internet voor Kinderen in 2022 te actualiseren. De Code voor Kinderrechten kan daarbij als inspiratie dienen.
Welke bewindspersoon is nu verantwoordelijk voor de bescherming van kinderen en het handelen van socialemediabedrijven hierin, gezien de Digital Services Act wordt behandeld door de Minister van Economische Zaken, de Minister voor Rechtsbescherming verantwoordelijk is voor persoonsgegevens en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betrokken partij is bij de Code voor Kinderrechten?
Zoals uiteengezet in de hoofdlijnenbrief beleid digitalisering zal dit kabinet onder mijn regie volop inzetten op het benutten van kansen die de digitale transitie ons biedt en waar nodig normerend optreden naar publieke en private partijen. Daarnaast zet de Minister van Economische Zaken en Klimaat zich in voor onze digitale economie en digitale infrastructuur en de Europese (digitale) interne markt. De Minister voor Rechtsbescherming richt zich op gegevensbescherming en digitale rechtsbescherming in algemene zin en is er verantwoordelijk voor dat rechten op een effectieve wijze beschermd zijn.
De aanvraag bij het EU Solidariteitsfonds. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de laatste stand van zaken van de aanvraag bij het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (hierna: EU Solidariteitsfonds) naar aanleiding van de overstromingen in Limburg afgelopen juli?
Er is een aanvraag ingediend bij het EU Solidariteitsfonds, waarbij de eerste inschatting van de totale schade gebaseerd is op de Quick Scan van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aangezien de definitieve schade nog niet bekend is. In de correspondentie met Brussel is dan ook opgenomen dat het gaat om «A first estimation of the total damage». De Europese Commissie zal op basis van de aanvraag van Nederland een voorstel doen aan de Raad en het Europese Parlement voor ondersteuning vanuit het EU Solidariteitsfonds. Het is de verwachting dat begin 2022 helder wordt of en hoeveel middelen Nederland uit het EU Solidariteitsfonds zal ontvangen.
Voor welke doeleinden wilt u het geld uit het EU Solidariteitsfonds inzetten indien de aanvraag wordt gehonoreerd?
Na eventuele toekenning neemt het kabinet een besluit over besteding van de middelen. Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat of en hoeveel middelen Nederland uit het EU Solidariteitsfonds ontvangt, geen gevolgen heeft voor de gedupeerde burgers en ondernemers die een beroep doen op de regeling tegemoetkoming waterschade op grond van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) die eerder met de Kamer is gedeeld. Kortom, de uitkeringen op grond van de Wts staan volledig los van het feit of Nederland middelen uit het EU Solidariteitsfonds krijgt.
Kunt u toezeggen dat eventuele middelen vanuit dit fonds aanvullend op de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) worden ingezet in Limburg, bijvoorbeeld om schade aan publieke infrastructuur te herstellen?
Een eventuele bijdrage uit het EU Solidariteitsfonds zal worden ingezet voor de afhandeling van de schade aan en herstel van de publieke infrastructuur in Limburg. Het EU Solidariteitsfonds is een fonds dat is opgericht om overheden financieel te kunnen ondersteunen bij maatregelen tijdens en na natuurrampen.
Kunt u de Kamer inzage geven in de aanvraag voor het EU Solidariteitsfonds?
Het ingediende schadeformulier is nog niet definitief. Bij de aanvraag is uitgegaan van een eerste inschatting van de schade gebaseerd op de Quick Scan van de RVO. De aanvraag loopt en de indiening is nog niet definitief. Zodra deze definitief is, wordt de Tweede Kamer nader geïnformeerd.
Het bericht dat met corona besmette studenten toch naar VU gaan door aanwezigheidsplicht |
|
Peter Kwint |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Met corona besmette studenten gaan toch naar VU door aanwezigheidsplicht»?1 2
Ik vind het zorgelijk dat studenten in dergelijke situaties druk voelen om naar de instelling te komen. Het is van groot belang dat iedereen zich aan de geldende coronamaatregelen houdt.
Deelt u de mening dat het handhaven van de aanwezigheidsplicht de gezondheid van docenten, studenten en medewerkers van de VU in gevaar brengt doordat studenten die besmet zijn met corona naar colleges komen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet de bedoeling dat studenten, docenten en andere medewerkers die in quarantaine behoren te zitten toch fysiek aanwezig zijn op de instelling. Van instellingen wordt verlangd om naar passende oplossingen te zoeken als studenten niet naar de opleiding kunnen komen vanwege de quarantaineregels. Van de VU heb ik begrepen dat er sprake is van extra coulance voor de aanwezigheid voor studenten. Zo is de aanwezigheidsplicht voor werkgroepen binnen de opleiding Psychologie versoepeld en roept de VU studenten op om in gesprek te gaan met de opleiding indien niet aan de aanwezigheidsplicht kan worden voldaan door corona. Er wordt dan gekeken naar een passende oplossing. Met deze mogelijkheden wordt mijn inziens voldoende rekening gehouden met het waarborgen van een veilige werkomgeving voor studenten, docenten en werknemers.
Deelt u de mening dat het absurd is dat de aanwezigheidsplicht voor bepaalde colleges wordt gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Van studenten mag worden verwacht dat zij zich inzetten om fysiek onderwijs te volgen en daar mag een instelling eisen aan stellen, zoals een aanwezigheidsplicht. Het is tevens de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen om een veilig werk- en onderwijsklimaat te creëren voor studenten, docenten en medewerkers. Indien er studenten zijn die door de quarantaineplicht thuis moeten blijven en het daarom niet verantwoord is om naar de onderwijsinstelling te komen, dan wordt van de instelling verwacht dat zij in redelijkheid meedenkt met deze studenten en ervoor zorgt dat zij toch zoveel mogelijk het onderwijs kunnen volgen, zonder hierbij vertraging op te lopen.
Waar kunnen studenten terecht die door een coronabesmetting niet naar colleges kunnen en zo dus niet aan de aanwezigheidsplicht kunnen voldoen?
In eerste instantie kunnen studenten zich afwezig melden bij het eerste aanspreekpunt binnen hun instelling, bijvoorbeeld bij de docent. Deze kan met de student op zoek gaan naar een oplossing. Mochten de consequenties van corona langdurig zijn, dan kan een student zich voor advies ook wenden tot een tutor, studieadviseur of de examencommissie.
Zijn er bij u andere opleidingen bekend waar studenten die besmet zijn alsnog naar de campus komen omdat zij moeten voldoen aan een aanwezigheidsplicht?
Er zijn bij mij enkele signalen bekend dat studenten niet in quarantaine blijven, omdat ze een tentamen of onderwijsactiviteit met aanwezigheidsplicht hebben op de instelling. Ik blijf in contact met de onderwijskoepels en studentenorganisaties om dergelijke signalen op te vangen en hierover in gesprek te gaan voor passende oplossingen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met instellingen, en de opleiding Psychologie aan de VU in het bijzonder, teneinde ervoor te zorgen dat in het geval van een besmetting of quarantaineplicht er coulance wordt betracht bij de verplichte aanwezigheid?
Ik heb hierover contact gehad met de VU. De VU geeft aan in eerste instantie te werken met het reguliere examenreglement. De faculteiten zijn daarnaast gevraagd om te kijken naar aanvullende maatregelen. Zij raden daarbij alle studenten aan om bij afwezigheid door klachten of besmetting in overleg te gaan met hun opleiding of examencommissie, zeker als ze daarmee studievertraging dreigen op te lopen. Daarnaast voer ik gesprekken over deze en andere coronazaken met de onderwijskoepels en zal deze gesprekken ook voortzetten.
Welke oplossing kan er voor besmette studenten worden gevonden die te maken hebben met een aanwezigheidsplicht voor colleges? Waarom kunnen zij in dit geval de werkcolleges niet online volgen?
Het is aan de instelling om met de student(en) in gesprek te gaan over een passende oplossing. In overleg met de onderwijskoepels en studentenorganisaties, zal ik in het servicedocument hoger onderwijs de verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen om in dit geval maatwerk te bieden, nader expliciteren.
Het bericht ‘Onverzekerdenkwestie lijkt veel op toeslagenaffaire’ |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Onverzekerdenkwestie lijkt veel op toeslagenaffaire»?1
Sinds 2009 is er een wettelijke regeling voor compensatie aan zorgaanbieders voor medisch noodzakelijke zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen (artikel 122a Zorgverzekeringswet) en sinds 2017 is er de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Deze regeling is bedoeld voor rechtmatig in Nederland verblijvende personen. Beide regelingen worden door zorgaanbieders goed gebruikt.
Ik verwijs kortheidshalve naar de evaluatie van de Subsidieregeling die ik op 4 oktober 2021 naar de Tweede Kamer heb gestuurd.2
Wat is uw reactie op de uitspraak dat lang niet alle zorgaanbieders gebruik maken van subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden, doordat het «een enorme bureaucratische, administratieve rompslomp» is?
Om in aanmerking te komen voor vergoeding van zorg op grond van de Subsidieregeling zijn er twee belangrijke administratieve verplichtingen:
Voor zowel de melding als de declaratie zijn de gebruikte formulieren (online bij het Meldpunt) vastgesteld door de Minister van VWS en gedurende de looptijd van de regeling verschillende keren aangepast om zo eenvoudig en laagdrempelig als mogelijk de noodzakelijke gegevens te verstrekken. Zo is het aantal formulieren teruggebracht naar één formulier, wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van «aankruisvakjes» en mogen zorgaanbieders de regulier door hun systemen aangemaakte nota’s meesturen met het declaratieformulier.
Ik deel niet de gedachte dat er sprake is van een administratieve rompslomp. Het aantal administratieve verplichtingen in de Subsidieregeling is teruggebracht tot het minimum om de subsidie rechtmatig te kunnen uitkeren. Wel is onderkend dat het indienen van een declaratie (thans per post) in de toekomst digitaal zou moeten om het voor zorgaanbieders makkelijker te maken.
Hoeveel mensen zijn sinds 2015 de zorgverzekering uitgezet, omdat zij niet meer staan ingeschreven bij de Basisregistratie Personen?
Dit is niet bekend. Uitschrijving kan om verschillende redenen en als er een signaal komt dat iemand is uitgeschreven zal een zorgverzekeraar dat onderzoeken en dient binnen twee weken contact te worden opgenomen met de verzekerde (telefonisch, per email of per brief). Dit is standaard praktijk bij alle zorgverzekeraars en zo afgesproken tussen zorgverzekeraars, de Sociale Verzekeringsbank, de Nederlandse Zorgautoriteit, het CAK en VWS.
Deze afspraken zijn onderdeel van de werkwijze waarop zorgverzekeraars omgaan met het vaststellen van het begin en einde van de verzekeringsplicht.
De in de Zorgverzekeringswet neergelegde verplichting dat het woonadres overeen moet komen met het in de Basisregistratie Personen geregistreerde adres (artikel 4a Zvw) heeft te maken met het feit dat zorgverzekeraars bij het inschrijven van een verzekerde uitgaan van de premisse van ingezetenschap. Er is sprake van gerede twijfel over de verzekeringsplicht op grond van ingezetenschap, indien het door de verzekerde opgegeven woonadres in Nederland afwijkt van het in de BRP opgenomen adres. Daarom wordt het adresgegeven onderzocht. Mensen mogen – als ze geen woonadres hebben – ook op een briefadres ingeschreven staan.
Hoeveel mensen hebben sinds 2017 zorg gekregen die vergoed werd via de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden?
In onderstaande tabel is het aantal toegekende declaraties vermeld. Dit geeft een beeld voor hoeveel mensen zorg is vergoed is op grond van de «Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden». Er kunnen meerdere declaraties voor één persoon toegekend worden. Hier kan het CAK geen onderscheid in maken.
Farmacie (incl. SEZ)
46
58
140
1.168
1660
GGZ (incl. SEZ)
38
651
1.682
2.481
1757
Huisartsenzorg
17
71
147
413
415
Overige Zorg
2
3
3
0
0
Hulpmiddelen
0
0
0
0
0
Eerstelijnsverblijf
0
0
0
11
11
Verloskundige zorg
0
2
10
10
5
Wijkverpleging
0
2
2
8
10
Ziekenhuizen (incl. SEZ)
61
1.263
4.220
8.368
7839
Kraamzorg
0
0
0
6
0
Paramedische zorg
0
0
0
2
0
Tandheelkundige hulp
0
0
0
1
0
Bron: CAK
t/m oktober 2021
Hoeveel onverzekerde mensen hebben naar schatting sinds 2017 medisch noodzakelijke zorg nodig gehad?
Aan de hand van het aantal meldingen dat het Meldpunt Onverzekerden Zorg registreert is in Tabel 1 te zien dat zorgaanbieders sinds 2017 steeds vaker gebruik maken van de Subsidieregeling. De onderstaande cijfers betreft het totaal aantal meldingen van zorg aan een onverzekerde persoon, maar is nog niet gecorrigeerd voor meerdere meldingen van zorg (door verschillende zorgaanbieders) aan dezelfde persoon. Daarnaast leidt niet elke melding tot een declaratie bij het CAK, omdat zorgaanbieders onder meer proberen een deel van rekening te verhalen op de patiënt. In dat geval wordt niet (meteen) gedeclareerd.
t/m oktober 2021
Bron: Meldpunt Onverzekerder Zorg (GGD GHOR Nederland)
In onderstaande is het totaal aantal toegekende en afgewezen declaraties vermeld dat het CAK op grond van de «Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden» heeft geregistreerd. Er kunnen meerdere declaraties voor één persoon ingediend worden. Hier kan het CAK geen onderscheid in maken. Ook wordt niet voor elke melding van medisch noodzakelijke zorg die een zorgaanbieder doet een declaratie ingediend.
Farmacie (incl. SEZ)
160
172
270
1.592
2.105
GGZ (incl. SEZ)
122
992
2.263
2.981
2.234
Huisartsenzorg
77
269
349
624
574
Overige Zorg
19
20
8
1
0
Hulpmiddelen
5
36
0
0
0
Eerstelijnsverblijf
0
0
0
16
13
Verloskundige zorg
5
17
35
28
17
Wijkverpleging
0
5
25
40
30
Ziekenhuizen (incl. SEZ)
323
2.219
5.659
10.567
9.469
Kraamzorg
0
0
0
12
2
Paramedische zorg
0
0
0
5
2
AWBZ instellingen
0
0
0
137
56
Tandheelkundige hulp
0
0
0
5
2
t/m oktober 2021
Bron: CAK
Deelt u de mening dat alle mensen in Nederland toegang moeten hebben tot goede gezondheidszorg, zonder dat zij hierdoor met onbetaalbare rekeningen geconfronteerd worden?
Ja. Om deze reden zijn de genoemde regelingen in het leven geroepen. Zorgaanbieders hebben een inspanningsverplichting na te gaan of mensen (een deel van) de rekening kunnen betalen.
Worden mensen die als gevolg van deze problematiek onverzekerd waren en hierdoor niet de zorg hebben kunnen krijgen die ze nodig hadden gecompenseerd voor de materiële en/of immateriële schade die ze hierdoor hebben opgelopen? Zo ja, waar kunnen zij zich melden? Zo nee, waarom niet?
Iedereen die in Nederland verblijft en onverzekerd is kan medisch noodzakelijke zorg krijgen. Sinds de genoemde regelingen bestaan worden zorgaanbieders door de rijksoverheid gecompenseerd. Omdat mensen zorg krijgen en kregen, is compensatie niet aangewezen.
Welke stappen kunnen er worden ondernomen om ervoor te zorgen dat mensen die hun huis verliezen niet ook hun zorgverzekering verliezen?
Zorgverzekeraars zijn gehouden het adresgegeven te controleren. Zie het antwoord bij vraag 3. Voor verzekerden is van belang te reageren als de zorgverzekeraar dit onderzoekt.
De brief Overwegingen 1G. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw brief «Reactie op de motie van het lid Bikker c.s. over 1G uitwerken in verschillende modaliteiten» d.d. 24 november jl.?1
Ja.
Bent u bekend met de passage: «De modellering van het OMT laat zien dat 1G weliswaar effectiever is dan 3G, maar minder effectief dan 2G. Hierbij gaat het om de relatieve effectiviteit, te weten – de kans op minder besmettingen of ziekenhuisopnames afgezet tegen 3G binnen een Ctb-setting. 1G reduceert – in Ctb-settings waar dit wordt toegepast bij een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking – het aantal nieuwe besmettingen ten opzichte van 3G met maximaal 35% in dit model. En ook ziekenhuisopnames met maximaal 35%. Voor 2G is dat respectievelijk 50% en 82%. Het verschil tussen 1G en 2G zit met name in de vatbaarheid van mensen op de locatie aldus het OMT. Deze waardes zijn afhankelijk van vaccineffectiviteit en testsensitiviteit. Wanneer de testsensitiviteit veel hoger zou zijn, dan zouden zowel 3G als 1G effectiever worden. 1G is volgens dit model effectiever dan 2G voor het voorkomen van ziekenhuisopnames bij een sensitiviteit van de testen van 88% of hoger. En effectiever voor het voorkomen van besmettingen bij een sensitiviteit van 69% en hoger. Deze hogere sensitiviteit kan bereikt worden met PCR- testen die maximaal 24 uur voor de start van de activiteit afgenomen zijn.»
Ja.
Klopt het dat voor de modellering van de coronatoegangsbewijs (CTB)-modaliteiten gerekend is met een 20 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde? Zo nee, kunt u dit uitleggen?
Bij het 130e OMT-advies is een bijlage gevoegd over de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs. In dat model wordt gerekend met vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopnames van 94% (95% BI 93–95%, vergelijkbaar met een 20 keer kleinere kans). Deze aanname is gebaseerd op een studie van het RIVM over de periode van 4 april tot en met 29 augustus 20214. In mijn antwoord op Kamervragen over het 130e OMT-advies5, heb ik aangegeven dat er in het model van de TU Delft sprake was van een onderschatting van een conditionele kans, die door de onderzoekers is gecorrigeerd. Dat is niet het geval bij de modellering van het OMT.
In de brief aan de Eerste Kamer wordt verwezen naar een studie van het RIVM6 over de periode van 20 september tot 14 november. In die periode heeft het RIVM de vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopnames berekend op 92% (95% BI 91–93%, vergelijkbaar met een 12,5 keer kleinere kans). In diezelfde rapportage was de vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopnames 86% (95% BI 84–87%, vergelijkbaar met een 7 keer kleinere kans) bij mensen van 70 jaar en ouder. In die rapportage wordt geen uitsplitsing gemaakt naar de effectiviteit voor de groep boven de 65.
Of klopt het dat er gerekend is met een 4x kleinere kans dan een 20 keer kleinere kans? Zo nee, kunt u dit uitleggen?2
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat u inmiddels rekent met een 12,5 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde?3
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat u inmiddels rekent met een 7 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde 65-plusser?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat België inmiddels rekent met een 3 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde 65-plusser?
Ik ben niet bekend met de kans waar in de vraag naar wordt verwezen.
Begrijpt u dat het niet kan dat u voor uw onderbouwing voor wetgeving rekent met cijfers die een momentopname zijn?
Het is duidelijk dat de vaccineffectiviteit over tijd afneemt, vooral in het tegengaan van besmettingen. Dat betekent dat de cijfers regelmatig geüpdatet moeten worden. Ik ben niet van mening dat die update maximaal twee weken oud mag zijn, maar streef ernaar de meest actuele cijfers te gebruiken in de onderbouwing.
Zo nee, begrijpt u dat als u als u voor uw onderbouwing voor wetgeving rekent met cijfers die een momentopname zijn, dat die cijfers dan op zijn minst actueel (hooguit twee weken oud) moeten zijn tijdens de wetsbehandeling?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de CTB-modaliteiten opnieuw door te laten rekenen op basis van een 12,5 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer over de stand van zaken COVID-19 van 14 december7, heb ik gemeld dat de TU Delft nieuw onderzoek verricht naar de effectiviteit van de verschillende modaliteiten van het CTB. In dat onderzoek worden ook verschillende aannames voor de vaccineffectiviteit meegenomen. Ik streef ernaar dat onderzoek begin 2022 met uw Kamer te delen, voor de behandeling van de wetsvoorstellen over de bredere inzet van het coronatoegangsbewijs en 2G.
Zijn er meer cijfers gebruikt in de modellering voor de CTB-modaliteiten die een momentopname zijn?
In een bijlage bij het 130e OMT-advies, worden de volgende aannames genoemd voor de ineffectiviteit van een gemiddeld persoon boven de 12:
Om de vatbaarheid van een gemiddeld persoon vanaf 12 jaar te bepalen, worden de volgende cijfers gebruikt:
De cijfers die het OMT gebruikt in haar modellering, zijn aannames op basis van de meest recente en relevante studies. Er wordt regelmatig onderzoek verricht naar de effectiviteit van vaccins en de gebruikte testen, en waar nodig worden de nieuwste inzichten meegenomen in de adviezen.
Welke cijfers zijn er nog meer gebruikt voor de modellering van deze CTB-modaliteiten?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met de onderzoeken uit Israel en het Verenigd Koninkrijk (VK) waaruit blijkt dat gevaccineerden even besmettelijk zijn als ongevaccineerden, en in het VK zelfs besmettelijker? Zo nee, waarom bent u niet bekend met de laatste stand van de wetenschap?
De onderzoeken waar vermoedelijk naar wordt verwezen, hebben aangetoond dat besmette gevaccineerde mensen een vergelijkbare peak viral load (piek in de hoeveelheid virusdeeltjes) hebben als ongevaccineerde besmette mensen bij de op dat moment dominante virusvarianten. Dat betekent echter niet dat gevaccineerde mensen even besmettelijk zijn. Ten eerste is de kans dat gevaccineerden überhaupt besmet worden, kleiner dan de kans bij niet-gevaccineerden (zie ook de aannames in het antwoord op vraag 11 en8. Daarnaast neemt de viral loadbij gevaccineerden sneller af dan bij ongevaccineerden, waardoor ze minder lang besmettelijk zijn. Gevaccineerden raken dus minder vaak besmet en zijn vervolgens ook minder besmettelijk.
Het OMT is in het 134e advies9 ook ingegaan op de actuele situatie aan de hand van de omikronvariant. Vaccinatie en doorgemaakte infectie lijken vooralsnog weinig bescherming te bieden tegen de omikronvariant. Daarbij adviseert het OMT om «tijd te kopen» voor de boostercampagne, om de verspreiding van de omikronvariant te vertragen en de uitgangspositie van de zorg te verbeteren. Mede op basis van dat advies heeft het kabinet ervoor gekozen zaterdag 18 december nieuwe maatregelen aan te kondigen.
Is voor de modellering van de CTB-modaliteiten gerekend met een 75% lagere kans op besmetting door een dubbel gevaccineerde?
Zie het antwoord op vraag 11 en 12.
Bent u bereid de CTB-modaliteit opnieuw te laten doorrekenen, waarbij alle gebruikte cijfers geactualiseerd zijn tot ten hoogste de laatste twee weken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kan de Kamer de geactualiseerde modellering van de CTB-modaliteiten ontvangen voor de wetsbehandelingen over de uitbreiding van het coronatoegangsbewijs en 2G?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden alvorens de wetsbehandelingen over de uitbreiding van het coronatoegangsbewijs en 2G in de Tweede Kamer plaatsvinden?
Ja.
De opgelopen inflatie en de gevolgen voor de koopkracht in 2022 |
|
Pieter Omtzigt |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Herinnert u zich dat het Centraal Planbureau (CPB) en de regering ervan uit gingen dat de inflatie zou uitkomen op 1,9% in 2021 en 1,8% in 2022?
Ja, het CPB raamt in de MEV-raming dat de inflatie volgens de consumentenprijsindex (cpi) 1,9% bedraagt in 2021 en 1,8% in 2022.
Heeft u kennis genomen van het feit dat inflatie volgens de Nederlandse Centraal Bureau voor de Statastiek (CBS-)definitie is opgelopen naar 3,4% en volgens de Europese definitie naar 3,7%.1
Ja, hiervan heb ik kennisgenomen. In mijn brief aan de Tweede Kamer2 van 26 november ga ik nader in op deze prijsstijging.
De jaarmutatie op de cpi voor de maand oktober bedraagt 3,4%. Dit betekent dat de prijzen in oktober 2021 met 3,4% zijn gestegen ten opzichte van oktober 2020. Om de inflatie over een heel jaar te bepalen wordt het gemiddelde van de maandelijkse prijswijzigingen afgezet tegen dat gemiddelde in het voorgaande jaar. Dit jaarcijfer is relevant voor het bepalen van koopkracht, omdat huishoudelijke bestedingen gedurende het hele jaar plaatsvinden.
Op dit moment is nog onzeker wat het jaarcijfer gaat bedragen doordat de de cpi-cijfers uit november en december nog onbekend zijn. Ter illustratie: stel dat de 3,4% inflatie uit oktober aanhoudt in november en december dan komt het jaarcijfer voor 2021 uit op 2,3% (tegenover 1,9% in de MEV-raming).
Naast de cpi meet het CBS ook de harmonised index of consumer prices(hicp). Deze indicator wordt berekend volgens Europees gestandaardiseerde richtlijnen, waardoor de inflatie tussen EU-lidstaten goed vergelijkbaar wordt. In oktober lag de hicp op 3,7 procent. Op 30 november werd het voorlopige hicp-cijfer voor november bekend, dit bedraagt 5,6 procent. Begin december worden de definitieve hicp- en ook de cpi-cijfers gepubliceerd. Als ook de cpi met 5,6 procent stijgt in november en december dan komt de jaarmutatie voor de cpi over heel 2021 uit op 2,7%.
Dit cijfer laat zien dat de oplopende inflatie zich doorzet, met gevolgen voor de portemonnee van huishoudens. Het kabinet heeft daarom al eerder besloten om de energiebelasting te verlagen vanwege de uitzonderlijke prijsstijgingen op de energierekening. Ik blijf de inflatieontwikkelingen goed monitoren.
Herinnert u zich dat de inflatiecorrectie in de belastingen (de zogenaamde tabelcorrectiefactor) slechts 1,3% bedroeg?
Ja, de tabelcorrectiefactor voor 2022 bedraagt 1,0133. Voor 2021 bedraagt deze 1,0164.
Heeft u de recente uitspraken over langdurige hogere inflatie gehoord uit de hoek van de Centrale Bankiers, zoals dhr. Knot?
Ja, deze berichten zijn mij bekend.
Kunt u aangeven wat de standaard koopkrachtplaatjes uit de begroting zijn indien de inflatie dit jaar en volgende jaar 3,4% bedraagt?
Op dit moment lijkt het niet waarschijnlijk dat de cpi in 2021 uitkomt op 3,4%, omdat de (jaar-op-jaar) cpi hiervoor in november en december circa 10% moet bedragen. In maart 2022 bij het CEP of bij een doorrekening van het Regeerakkoord publiceert het CPB een nieuwe raming van de cpi voor 2022. Een opwaarts bijgestelde inflatie zal waarschijnlijk een macro-economische doorwerking hebben op onder andere de lonen waardoor het effect op de koopkracht op dit moment lastig in te schatten is.
In onderstaande figuren ziet u de boxplot met koopkrachtcijfers voor 2021 en 2022 bij een cpi van 3,4% in beide jaren. Deze figuren zijn gebaseerd op de MEV-raming. De gevolgen van maatregelen die door de Tweede Kamer zijn aangenomen bij de Algemene Politieke Beschouwingen zijn hierin nog niet meegenomen, zoals de verhoging van de algemene heffingskorting, hogere salarissen in zorg en primair onderwijs en de verlaging van de energiebelasting. Voor een nieuw integraal koopkrachtbeeld is het wachten op de eerstvolgende macro-economische raming van het CPB.
Figuur 1 Koopkrachtbeeld voor 2021 op basis van MEV-raming met 3,4% inflatie (cpi)
Figuur 2 Koopkrachtbeeld voor 2022 op basis van MEV-raming en maatregelen na APB met 3,4% inflatie (cpi)
Kunt u deze vragen voor de SZW begroting beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘French government protests EU Commissioner meeting with ‘Islamist’ NGO’ |
|
Hatte van der Woude (VVD), Bente Becker (VVD), Roelien Kamminga (VVD) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «French government protest EU commissioner meeting with «Islamist» NGO»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Franse Minister voor Burgerschap Schiappa en de Franse Staatssecretaris voor Europese Zaken Beaune dat de ontmoeting tussen FEMYSO en de Eurocommissaris voor Gelijkheid Dalli op zijn zachtst gezegd onwenselijk was? Sluit u zich bij deze uitspraken aan?
Het kabinet heeft op dit moment geen redenen om zich aan te sluiten bij deze uitspraken. Zie ook antwoord op vraag 3.
Bent u het ermee eens dat voorkomen moet worden dat islamistische organisaties als gesprekspartners worden betrokken bij de uitvoering of ontwikkeling van beleid, ook op Europees niveau? Zo ja, op welke wijze gaat u het Franse standpunt hierop dan ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet acht participatie van en consultatie met een divers maatschappelijk middenveld, inclusief religieuze organisaties, op nationaal, Europees en internationaal niveau waar mogelijk en relevant, van belang voor het bevorderen van een inclusieve dialoog en duurzame beleidsontwikkeling. Om een inclusieve dialoog te kunnen waarborgen dienen gesprekspartners uiteraard mensenrechten en het non-discriminatie beginsel te respecteren.
Klopt het dat de Haagse studentenvereniging MashriQ als «member organisation» verbonden is aan FEMYSO? Wat is de hoogte van de bijdrage en de bestuursbeurzen die MashriQ heeft ontvangen van de Haagse Hogeschool over de afgelopen vijf jaar?
Op de website van FEMYSO staat de Haagse studentenvereniging MashriQ niet vermeld als lid («member organisation»). De Haagse Hogeschool heeft aangegeven niet bekend te zijn met een dergelijke verbinding. De studentenvereniging MashriQ heeft volgens De Haagse Hogeschool nooit een bijdrage ontvangen; de instelling verstrekt geen directe bijdragen aan studentenverenigingen. De instelling geeft aan dat in de periode 2016–2021 bestuursleden van MashriQ die als student ingeschreven waren aan De Haagse Hogeschool in totaal € 10.086 aan bestuursbeurzen hebben ontvangen. Dit betrof vijf bestuursbeurzen in de jaren 2017 en 2018.
Klopt het dat de Moslimstudenten Associatie Nederland verbonden is als «member organisation» aan FEMYSO? Op welke manier heeft deze organisatie bijdrages ontvangen van onderwijsinstellingen of via sponsoring door de door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde Landelijke Studentenvakbond?
Op de website van FEMYSO staat de Moslimstudenten Associatie Nederland inderdaad vermeld als lid («member organisation»). De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) heeft laten weten nooit financiële steun te hebben verstrekt aan de Moslimstudenten Associatie Nederland (MSA Nederland). De bond geeft aan wel een partnerschap met de MSA Nederland te hebben en hier ook achter te staan, omdat daarmee een bredere groep studenten kan worden bereikt en vertegenwoordigd.
De toekenning van bestuursbeurzen voor studentenverenigingen is een zaak van de instellingen. De koepelorganisatie Universiteiten van Nederland (UNL) geeft aan dat de instellingen verschillende criteria hanteren bij het toekennen (en eventueel intrekken) van bestuursbeurzen vanuit hun profileringsfondsen. De keuzes en afwegingen worden zorgvuldig gemaakt, met oog voor de diversiteit aan studenten en typen verenigingen (gezelligheid, sport, levensbeschouwelijk, e.d.). Daarbij zijn altijd juristen van de instellingen betrokken en kunnen ook specifieke uitsluitingsgronden worden gehanteerd, bijvoorbeeld in geval van organisaties en activiteiten die gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie. Het is bij de UNL niet bekend of bestuurders van de Moslimstudenten Associatie Nederland op grond van deze door de instellingen geformuleerde en vastgelegde criteria moeten en kunnen worden uitgesloten.
Zijn er nog andere studie- of studentenverenigingen die aangesloten zijn bij FEMYSO die subsidies of bestuursbeurzen hebben ontvangen van Nederlandse onderwijsinstellingen? Zo ja, welke zijn dit en hoe hoog waren de bijdrages en bestuursbeurzen die de afgelopen vijf jaar aan deze verenigingen zijn verstrekt?
Uit de informatie op de website van FEMYSO kan opgemaakt worden dat er behalve de Moslimstudenten Associatie Nederland geen andere Nederlandse studie- of studentenverenigingen zijn aangesloten bij FEMYSO.
Vindt u het wenselijk dat er geld via het profileringsfonds van hoger onderwijsinstellingen of via de door het ministerie gesubsidieerde organisaties gaan naar studie- en studentenverenigingen die zich aangesloten hebben bij islamistisch gelieerde organisaties zoals FEMYSO? Zo nee, waarom niet?
Het profileringsfonds heeft als doel het financieel ondersteunen van studenten die door bijzondere omstandigheden studievertraging hebben opgelopen of naar verwachting zullen oplopen. Een bijzondere omstandigheid kan het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie zijn, maar ook activiteiten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs dat de student volgt. Het is aan de instelling om te bepalen welke organisaties of activiteiten zij wil ondersteunen. De keuzes en afwegingen bij het toekennen (en eventueel intrekken) van bestuursbeurzen vanuit het profileringsfonds worden zorgvuldig gemaakt, met oog voor de diversiteit aan studenten en typen verenigingen (gezelligheid, sport, levensbeschouwelijk, e.d.). Daarbij zijn altijd juristen van de instellingen betrokken en kunnen ook specifieke uitsluitingsgronden worden gehanteerd, bijvoorbeeld in geval van organisaties en activiteiten die de rechtsstaat ondermijnen, de rechtsgelijkheid van burgers niet onderschrijven of gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie.
Daarnaast subsidieert het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bestuursfuncties bij de twee landelijke studentenbonden die de belangen van alle studenten behartigen.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederlandse onderwijsinstellingen direct of indirect, bijvoorbeeld via het profileringsfonds of indirect via gesubsidieerde organisaties, subsidies, sponsoring of beurzen verlenen aan studentenorganisaties wanneer er signalen zijn dat deze de integratie zouden kunnen tegenwerken?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat onze instellingen voor hoger onderwijs uitstekend in staat zijn om aanvragen voor financiële ondersteuning voor studentenorganisaties kritisch te beoordelen op hun beoogde doelstellingen en daarbij ook bredere maatschappelijke criteria hanteren dan alleen onderwijsgerichte. Mochten er echter signalen zijn dat er activiteiten plaatsvinden die de rechtsstaat ondermijnen, de rechtsgelijkheid van burgers niet onderschrijven of gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie, dan zal de betreffende instelling daarop aangesproken worden.
In hoeverre heeft de Taskforce ongewenste buitenlandse beïnvloeding en problematisch gedrag zicht op mogelijke beïnvloeding via studie- en studentenverenigingen en bent u bereid de Taskforce hier mee aan de slag te laten gaan? Zo ja op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce PG & OBF) heeft tot doel de informatiepositie van het Rijk en gemeenten te versterken, het handelingsperspectief van gemeenten en Rijk te vergroten en ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan.
De Taskforce PG&OBF kan adviseren als er sprake is van gedrag van personen of groepen dat voornamelijk binnen de grenzen van de wet valt, maar tot aantasting en ondermijning van de democratische rechtsorde kan leiden of wanneer er sprake is van ongewenste buitenlandse financiering.
De Taskforce doet geen eigenstandig onderzoek naar personen of organisaties. Als er sprake zou zijn van problematisch gedrag of ongewenste buitenlandse financiering bij de genoemde, of andere, studie- en studentenverenigingen, dan kan de Taskforce gemeenten of het Rijk hierover adviseren. Hierin is leidend dat er dan sprake moet zijn van problematische gedragingen, waarbij ideologie op zichzelf nooit een reden is voor ingrijpen waarbij vrijheden worden beperkt.
Tegelijkertijd zet het kabinet in op het vergroten van de weerbaarheid van, onder andere, de islamitische gemeenschap en van vrouwen en jongeren in het bijzonder. Het kabinet vindt deze benadering momenteel het meest passend en doeltreffend.
De haalbaarheidsstudie ‘Klimaatneutrale paden TSN IJmuiden’ van Roland Berger. |
|
Peter de Groot (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (VVD), Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haalbaarheidsstudie klimaatneutrale paden TSN IJmuiden van Roland Berger?1 Hoe apprecieert u deze studie?
Ja. Het rapport van Roland Berger, gepubliceerd op 23 november jl. geeft in aanvulling op het in september gepubliceerde tussentijdse parlementaire memo2, inzicht in scenario’s voor hoe Tata Steel Nederland (TSN) in de aankomende jaren invulling kan geven aan de ombouw tot het DRI (Direct Reduced Iron)-productieproces. Het rapport richt zich op de evaluatie van de waterstofroute en DRI-technologie, de economische en technische haalbaarheid van verschillende variante binnen die route, hun impact, de benodigde infrastructuur en mogelijkheden om de realisatie te versnellen. Om een groen staalbedrijf te realiseren, stelt Roland Berger dat TSN haar site in drie stappen zal transformeren: het achtereenvolgens vervangen van twee hoogovens, en uiteindelijk geheel opereren op waterstof.
Over dit rapport is het kabinet in gesprek gegaan met TSN op 23 november 2021. Het rapport is te beschouwen als een zeer belangrijke volgende stap in de besluitvorming van TSN omtrent de verduurzamingsopgave en de te verwachte inspanningen van TSN de komende jaren. Bovendien valt te verwachten dat met de keuze voor de waterstofroute de leefomgeving rondom het bedrijf en de mogelijke effecten op gezondheid van omwonenden ook zullen verbeteren. Deze studie geeft verbeterd inzicht in hoe TSN invulling kan geven aan een DRI-productieproces en wat hiervoor benodigd is in de komende jaren.
Tegelijkertijd zal TSN eerst nog moeten kiezen hoe zij precies invulling wil geven aan het DRI-productieproces. De tijdige beschikbaarheid van grote hoeveelheden duurzame elektriciteit en waterstof, infrastructuur en vergunningen heeft hier een groot effect op. Op 1 december jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over hoe de Staat zich hiervoor inspant en onder welke voorwaarden (Kenmerk 2021D47165). Het rapport geeft ook nog niet de zeer specifieke antwoorden over de financiële consequenties voor TSN. Dat kan in deze fase van het proces ook nog niet verwacht worden. Deze vervolgstappen vergen een meer gedetailleerde kostenraming en bedrijfseconomische analyse. Wanneer TSN de business case voor het gewijzigde productieproces verder heeft uitgewerkt, zal de dialoog gevoerd worden met EZK, RVO en daar waar nodig ook met de Europese Commissie, over of en hoe de DRI business case het beste ondersteund kan worden vanuit de Staat. Hierover blijf ik met TSN in gesprek. Gelijktijdig blijft het kabinet verkennen welke verschillende ondersteuningsopties mogelijk zouden kunnen zijn, voor zover mogelijk op basis van de nu beschikbare informatie.
Het rapport geeft ook nog niet alle antwoorden op de effecten van de waterstofroute op emissies van vervuilende stoffen. Voor het kabinet staat buiten kijf dat TSN in de toekomst niet alleen CO2-emissies zal moeten reduceren maar ook schoner moet worden. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft in de Kamerbrief van 1 december jl. en in het onderliggende Plan van Aanpak3 voor het verbeteren van de milieusituatie rondom TSN een onafhankelijk onderzoek aangekondigd om de effecten van de waterstofroute op leefomgeving en gezondheid van omwonenden in kaart te brengen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Erkens2 waarin de regering wordt verzocht voor het einde van het jaar helderheid te geven over hoe de overheid de waterstofroute (financieel) kan ondersteunen?
Over de stand van zaken ten aanzien van de motie Erkens is uw Kamer in de bij antwoord 1 genoemde Kamerbrief op 1 december jl. geïnformeerd.5 In de bijlage bij die brief wordt ingegaan op een eerste inventarisatie van ondersteuningsopties. Welke steunoptie binnen de Europese staatssteunkaders, mogelijk en wenselijk is, is afhankelijk van de verdere informatieverstrekking vanuit TSN. Bovendien ligt er ook, zoals aangegeven bij de uitgangspunten in de Kamerbrief, een verantwoordelijkheid bij TSN om uit te zoeken en in kaart te brengen welke steunopties er nationaal en Europees beschikbaar en passend zijn ter ondersteuning van hun business case. Daarbij moet worden opgemerkt dat voor iedere vorm van maatwerk of het optuigen van een nieuw instrument momenteel nog geen financiële middelen beschikbaar of gereserveerd zijn. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Hoe groot is de financiële ondersteuning die nodig is voor de verduurzaming van Tata Steel? Hoe staat dat in verhouding tot de voormalige mogelijke aanvraag tot een Stimulering-Duurzame-Energieproductiebeschikking (SDE-beschikking) voor CO2-opslag?
Dit is nog niet bekend. Daarom kan ook niet de vergelijking gemaakt worden met de voormalige mogelijke aanvraag tot een Stimulering-Duurzame-Energieproductiebeschikking (SDE-beschikking) voor CO2-opslag. Ik kan geen inzichten geven over eventuele indiening van bedrijven in de SDE++. Behalve dat deze bedrijfsvertrouwelijk zijn, zou dit ook de concurrentie in de SDE++-openstelling kunnen benadelen en daarmee leiden tot hogere subsidies en hogere maatschappelijke kosten.
Om in aanmerking te komen voor financiële ondersteuning voor de verduurzamingsplannen van TSN, dient het bedrijf inzichtelijk te maken welke precieze financieringsbehoefte zij heeft. Een inschatting geven van de grootte van de benodigde (financiële) ondersteuning voor de verduurzaming van Tata Steel ligt derhalve niet bij de Staat. In de Kamerbrief d.d. 1 december 2021 is toegelicht dat het op dit moment, ook na de verkregen inzichten in het rapport van Roland Berger, nog niet mogelijk is om vast te stellen of en zo ja, in welke mate of hoogte financiële overheidssteun vanuit de overheid kan worden toegezegd. Deze vervolgstappen vergen een meer gedetailleerde kostenraming en bedrijfseconomische analyse, alvorens een volgend kabinet hierover kan beslissen.
Welke infrastructurele randvoorwaarden zijn nodig voor de verduurzaming van Tata Steel? Wanneer verwacht het kabinet dat deze gerealiseerd worden?
Het rapport van Roland Berger geeft een eerste inzicht in de benodigdheden voor de realisatie van het DRI-productieproces. In het rapport wordt aangegeven dat ondersteunende infrastructuur een van de randvoorwaarden is om de eerste DRI-installatie vóór 2030 te realiseren. In bijlage bij de Kamerbrief d.d. 1 december wordt ingegaan op de in een eerste inventarisatie van de door Roland Berger in kaart gebrachte randvoorwaarden, en welke acties de regering hieromtrent neemt om niet alleen de transitie van TSN, maar van de gehele Nederlandse industrie, tijdig te kunnen realiseren in Nederland. De komende periode zal een nadere analyse plaats moeten vinden van de studies van Roland Berger, de definitieve verduurzamingsplannen van TSN en hoe de inpasbaarheid van de benodigde randvoorwaarden gerealiseerd kan worden. Dit hangt ook samen met de verduurzaming en de brede wens om de milieusituatie van het Noordzeekanaalgebied te verbeteren.
Deelt u de mening dat, om deze ambities zo snel mogelijk waar te maken, snelle vergunningverlening van belang is? Kan de overheid deze vergunningsprocedures versnellen terwijl tegelijkertijd zorgvuldigheid behouden wordt? Welke andere mogelijkheden ziet u om een versnelling van het proces te bevorderen?
Het rapport van Roland Berger geeft aan dat het cruciaal is om het vergunningverlening traject te bespoedigen om vertragingen van het verduurzamingstraject te voorkomen. Daarvoor zal eerst in kaart moeten worden gebracht door TSN voor welke activiteiten nieuwe ruimtelijke besluiten en vergunningen nodig zijn. Daarbij zal ook worden onderzocht welke bijdrage het inzetten van de Rijkscoördinatieregeling (RCR) dan wel de Provinciale coördinatieregeling (PCR) kan toevoegen voor (onderdelen van) het verduurzamingstraject van TSN. RCR is bedoeld voor projecten van nationaal belang en dient om de bevoegdheid voor het ruimtelijk besluit naar het rijksniveau te brengen, en de ruimtelijke en vergunningprocedures te bundelen en te versnellen. Hiervoor is het benodigd dat het project van nationaal belang is, de RCR tot versnelling leidt, en er over de bevoegdheid voor het ruimtelijk besluit goed overleg is gevoerd met het «reguliere» bevoegde gezag. Voor het grootste deel van de vergunningen aan TSN is de provincie Noord-Holland het bevoegd gezag. De PCR kan procedures op dezelfde manier bundelen en versnellen en is bedoeld voor projecten van provinciaal belang. Op basis van de aangepaste Cluster Energie Strategie (CES) en het overzicht van benodigde ruimtelijke besluiten en vergunningen van TSN zal in gezamenlijkheid met de overheden en TSN onderzocht worden of en op welke onderdelen, de RCR dan wel de PCR-procedure kan worden ingezet. Beide procedures zullen als het nieuwe instrument «projectbesluit» opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan invoering is voorzien op 1 juli 2022.
Erkent u dat een dergelijke omvangrijke transitie coördinatie met lokale, regionale en nationale overheden vergt en dat coördinatie om onnodige vertraging te voorkomen essentieel is? Is het kabinet bereid om een coördinerende rol op zich te nemen via een interdepartementale taskforce?
Ja, ik erken dat een dergelijke omvangrijke transitie coördinatie met lokale, regionale en nationale overheden vergt en dat coördinatie om onnodige vertraging te voorkomen essentieel is.
Het Rijk, provincie Noord-Holland en omliggende gemeenten zijn al langere tijd gezamenlijk in gesprek met en over TSN, met als doel de benodigde verduurzaming van het staalbedrijf te realiseren, inclusief het op korte termijn verder verbeteren van de milieu en gezondheidssituatie rondom de staalfabriek. Het meest recente gesprek vond plaats op 23 november jl. tussen de CEO van TSN, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, gedeputeerden van de provincie Noord-Holland en de wethouders van de gemeenten Beverwijk en Velsen. In dit gesprek werd ingegaan op de versnelling van de Roadmap+-maatregelen op het gebied van milieu en gezondheid en het definitieve rapport van Roland Berger «Haalbaarheidsstudie klimaat neutrale paden TSN IJmuiden», dat ook op 23 november jl. in opdracht van TSN en FNV werd gepubliceerd.
Het instellen van een interdepartementale taskforce biedt op dit moment, naar de mening van het kabinet, daarom geen toegevoegde waarde: er wordt al goed samengewerkt tussen de diverse betrokken overheden op ambtelijk en bestuurlijk niveau. Voordat er sprake is van vergunningverlening of subsidiëring, zal TSN eerst zelf het verduurzamingstraject, wat betreft benodigde ruimtelijke besluiten, vergunningen, randvoorwaarden en het creëren van een structureel rendabele business case voor een duurzaam DRI-productieproces, nog verder moeten vormgeven en uitwerken.
Parallel daaraan zal het kabinet, samen met de betrokken medeoverheden, het gesprek over en met TSN de komende jaren voortzetten om de verduurzaming van het staalbedrijf, zowel op het gebied van klimaat als milieu en gezondheid, op een zo kort mogelijke termijn te realiseren, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid.
Het slachten van ‘opdringerige’ konikpaarden in de Oostvaardersplassen |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Opdringerige» konikpaarden Oostvaardersveld geslacht»?1
Kunt u bevestigen dat de 29 konikpaarden die geslacht worden, officieel de status «gehouden dieren» hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat deze dieren recht hebben op de nodige zorg en bescherming?
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling is dat het Oostvaardersveld een vorm van extensieve veehouderij is, waarbij dieren in een opvolgende cyclus worden geplaatst vanuit de Oostvaardersplassen om vervolgens te eindigen in het slachthuis?
Deelt u de mening dat het niet zo kan zijn dat met regelmaat paarden worden afgevoerd naar de slacht omdat ze zogenaamd «opdringerig» zouden zijn, zonder dat er eerst alles aan gedaan is om de dieren met rust te laten?
Welke stappen zijn er genomen om deze paarden elders op te vangen?
Hoeveel paarden die op het Oostvaardersveld hebben gestaan zijn er in de afgelopen vijf jaar naar het slachthuis gebracht? Wat was hiervoor de reden?
Klopt het dat de plek van de geslachte konikpaarden ingenomen zal worden door konikpaarden uit andere gedeelten van de Oostvaardersplassen?
Deelt u het inzicht dat de nieuwe groep van paarden mogelijk eenzelfde lot te wachten staat? Zo nee, waarom niet?
Kunt u nagaan bij de provincie Flevoland hoe voorkomen gaat worden dat de nieuwe aanwas eenzelfde lot ondergaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de provincie Flevoland adviseren om te voorkomen dat dit scenario zich gaat herhalen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden zonder daarbij te verwijzen naar eerdere antwoorden?
De Franse aanbevelingen ter bescherming van mensen die niet of onvoldoende op coronavaccinatie reageren |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Franse aanbevelingen?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Ziet u ook een meerwaarde in de genoemde antilichaamtherapie?
U refereert naar de antilichaambehandeling Evusheld van producent AstraZeneca. De vraag of dit geneesmiddel van meerwaarde is bij de behandeling van COVID-19-patiënten, is aan de medische beroepsgroep.
Deelt u de mening dat we alles moeten inzetten om ziekenhuisopnames te voorkomen?
Ik ben het met u eens dat we moeten inzetten op het voorkomen van ziekenhuisopnames. De meest effectieve manier om ziekenhuis- en IC-opname te voorkomen, is het vaccin. Dit werkt preventief en voorkomt in de meeste gevallen een ernstig verloop van COVID-19. Het vaccin biedt alleen niet voor iedereen uitkomst. Daarom zet ik mij in op het beschikbaar stellen van innovatieve behandelingen, zoals antilichaambehandelingen en antivirale middelen.
Heeft u al advies gevraagd over de inzet van deze antilichaamtherapie in de strijd tegen corona?
Het adviespanel Innovatieve Behandelingen heeft in oktober aangegeven dat er nog onvoldoende data beschikbaar zijn om te bepalen of deze behandeling een plaats heeft in de behandelpraktijk. Daarnaast is de inzet van deze therapie niet aan mij maar aan de medische beroepsgroep. De Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB) stelt hiertoe protocollen op.
Hoe groot schat u het aantal mensen in Nederland dat niet of onvoldoende reageert op vaccinatie?
Uit verschillende onderzoeken gefinancierd door het ZonMw deelprogramma vaccinaties COVID-19, is gebleken dat bepaalde patiëntengroepen niet voldoende reageren op een primaire vaccinatieserie. Ik heb u hierover ook per brief geïnformeerd op 14 sept jl. Deze mensen zijn nu allen uitgenodigd voor een derde prik. De effectiviteit van de derde prik zal in een aantal gevallen de immuunrespons verhogen, zodat deze voldoende is, maar bij anderen achterblijven. Het is nog niet bekend voor wie dit geldt. Op dit moment zijn 220.000 mensen uitgenodigd voor een derde prik. Hierin zit ook aantal dubbelingen omdat een onbekend aantal patiënten vanuit verschillende ziekenhuizen een uitnodiging heeft ontvangen. Op dit moment is onduidelijk wie de doelgroep is voor deze antilichaambehandeling, omdat de beroepsgroep hierover nog geen uitspraak heeft gedaan.
Bent u ook bereid een pre-order te plaatsen om deze kwetsbare patientengroep meer bescherming te bieden? Zo nee, waarom niet?
Uit de reeks vragen leid ik af dat u doelt op het plaatsen van een pre-order bij AstraZeneca voor het middel Evusheld.
Zoals aangegeven bij vraag 4, is momenteel onvoldoende data beschikbaar om een (pre-)order bij deze fabrikant te plaatsen. Ik blijf met de beroepsgroep en fabrikant in gesprek. Op het moment dat meer onderzoeksdata worden gepubliceerd over dit middel, bepalen we de volgende stap. Hieronder valt de eventuele mogelijkheid tot het reserveren van deze behandeling voor Nederland. Ik wil daarbij benadrukken dat zowel de mogelijke aankoop als inzet van dit middel voorwaardelijk zal zijn aan het verkrijgen van een (voorwaardelijke) handelsvergunning (in andere woorden: goedkeuring door het Europees Medicijn Agentschap).
Het artikel ‘De Deense zaad-invasie: hoe Deense klinieken profiteren van een ongereguleerde markt’. |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Corinne Ellemeet (GL), Rob Jetten (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Deense zaad-invasie: hoe Deense klinieken profiteren van een ongereguleerde markt»?1
Ja.
Hoe reageert u, gegeven artikel 7 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind, op de uitspraak van de directeur van European Sperm Bank (ESB): «Wij zouden ze nooit halfbroers of halfzussen noemen, maar «dna-verbonden mensen». Een donor noemen we ook geen «donorvader». Wij zien het als een taak voor wensouders om de verwachtingen van donorkinderen te temperen. Een daadwerkelijke band met deze mensen, verspreid over de hele wereld, ligt niet in lijn der verwachtingen. [...] Het is een donatie, geen relatie.»
Ik laat de woordkeuze aan de directeur van de European Sperm Bank (ESB).
In Nederland onderschrijven we het in internationale verdragen neergelegde recht van kinderen om hun afstamming te kennen. Dat is de reden dat op
1 juni 2004 de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) inwerking is getreden. Op basis van deze wet zijn klinieken in Nederland wettelijk verplicht om de gegevens van een donor wiens ei- of zaadcellen zijn gebruikt bij een fertiliteitsbehandeling door te geven aan de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb) en kunnen donorkinderen als zij de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt de persoonsidentificerende gegevens van de donor bij de Sdkb opvragen. Anoniem doneren is sinds 1 juni 2004 niet meer mogelijk.
De Wdkb regelt niet dat donorkinderen recht hebben op contact met de donor. De mogelijkheid om contact met elkaar te hebben wordt door Fiom besproken met het donorkind en met de donor, indien het donorkind dit wenst, tijdens het begeleidingstraject dat in gang wordt gezet bij het verstrekken van de persoonsidentificerende gegevens van de donor. Er wordt dan ook indien gewenst besproken op welke manier invulling aan dit contact kan worden gegeven.
Wensouders moeten ervan op de hoogte zijn dat een donor niet wettelijk verplicht is om contact te hebben met een donorkind. Als wensouders voor ogen hebben dat de donor een bepaalde rol in het leven van het donorkind zal vervullen, moeten zij een voor hen bekende donor kiezen. Met deze donor kunnen zij al voor de fertiliteitsbehandeling plaatsvindt wederzijdse verwachtingen bespreken en (schriftelijke) afspraken maken.
Klopt het dat het landelijk standpunt spermadonatie uitgaat van het begrenzen van donaties door één donor tot maximaal twaalf gezinnen op basis van ethische waarden alsmede het beschermen van de rechten en medische veiligheid van donorkinderen, wensouders en de donor zelf?2
Ja.
Klopt het dat de aangekondigde wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wkdb) ook een maximumaantal zogeheten «moedercodes» zal bevatten en dat dit door middel van een algemene maatregel van bestuur op het maximum van twaalf zal worden gesteld?3
Ja.
Hoe verhoudt dit maximum van twaalf gezinnen zich tot het maximum van 25 kinderen per donor?
De norm van maximaal 25 kinderen per donor is neergelegd in de in 1992 vastgestelde CBO-richtlijn «Advies medisch-technische aspecten van kunstmatige donorinseminatie». In 2013 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd dit maximumaantal niet te wijzigen.4 In het wetsvoorstel van de Wdkb is aansluiting gezocht bij het «Landelijk standpunt spermadonatie» van april 2018.5 Dit landelijk standpunt is voorbereid door een werkgroep bestaande uit gynaecologen (verenigd in de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie, NVOG), embryologen (verenigd in de Vereniging voor Klinische Embryologie, KLEM), psychologen en medisch maatschappelijk werkers die verbonden zijn aan de klinieken. Door deze werkgroep is voorgesteld om niet langer het individuele aantal kinderen te tellen, maar om een maximum van 12 gezinnen per donor te hanteren, onder meer om beter te kunnen borgen dat binnen één gezin de kinderen afkomstig zijn van dezelfde donor. Gelet op het gemiddeld aantal kinderen per gezin, zal een maximum van 12 behandelde vrouwen in de praktijk ongeveer op hetzelfde neerkomen als de norm van 25 kinderen. De duidelijkheid gebiedt erop te wijzen dat de norm van 12 behandelde vrouwen kan leiden tot zowel minder als meer dan 25 kinderen, afhankelijk van de door de behandelde vrouwen gemaakte keuzes. Overschrijding van het aantal van 25 kinderen ligt echter geenszins in de lijn der verwachting gelet op het al jarenlange stabiele aantal van minder dan 2 kinderen per vrouw in Nederland (gemiddeld 1,6).6
In het wijzigingsvoorstel van de Wdkb is het maximumaantal van twaalf behandelde vrouwen opgenomen in plaats van twaalf gezinnen in verband met de systematiek van de Wdkb. Het maximumaantal zal bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald. De reden daarvoor is dat indien op basis van voortschrijdend (wetenschappelijk) inzicht aanpassing van het maximumaantal gewenst is, daarvoor niet opnieuw de wet hoeft te worden aangepast.
Hoe kijkt u, gegeven het maximum, aan tegen de komst van een donatiepunt van de ESB naar Nederland en het adverteren met een maximale maandelijkse vergoeding van € 560 hetgeen, uitgaande van veertien donaties per maand en zes spermarietjes per donatie, uitkomt op 84 sperma rietjes en dus 84 mogelijke donaties van een donor per maand?4 en 5
Ik heb begrepen dat de ESB de gedoneerde geslachtscellen transporteert vanuit Nederland naar zijn hoofdvestiging in Denemarken en van daaruit het sperma distribueert. De beroepsgroepen NVOG en KLEM hebben in het Landelijke standpunt spermadonatie9 opgenomen dat klinieken dienen te zorgen voor een juridisch geldend samenwerkingscontract met de buitenlandse spermabank. De standaard is dat klinieken alleen geslachtscellen gebruiken bij een behandeling van spermabanken die onder meer gebruik maken van een zogenaamd «pregnancy slot» om te zorgen dat het maximumaantal van 12 behandelde vrouwen per buitenlandse donor niet wordt overschreden in Nederland. Ik kan niet voorkomen dat via de desbetreffende spermabank ook in andere landen gebruik gemaakt wordt van deze spermadonor. Wensouders die kiezen voor een buitenlandse donor in plaats van een Nederlandse donor, dienen zich de consequenties daarvan, zoals het mogelijk grote aantal nakomelingen, te realiseren.
Wat is de laatste stand van zaken van de hierboven genoemde wetswijziging in het kader van de aangekondigde nota van wijziging? Kunt u een tijdspad schetsen waarin u aangeeft wanneer deze wet inclusief voornoemde nota van wijziging in de Kamer kan liggen voor behandeling?
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wdkb is op 23 juni 2021 bij de Tweede Kamer ingediend.10 De verwachting is dat de nota van wijziging nog voor het kerstreces naar de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling) wordt verzonden. De Afdeling heeft in haar advies over het wetsvoorstel aangegeven dat de nota van wijziging ook aan haar moet worden voorgelegd, omdat het volgens de Afdeling gaat om een ingrijpende wijziging, in ieder geval bezien vanuit het perspectief van de donor. Na ontvangst en verwerking van het advies van de Afdeling zal de nota van wijziging naar de Tweede Kamer worden verzonden. De verwachting is dat dit in maart 2022 zal zijn.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het toezicht op het gebruik van zaadcellen uit het buitenland en de begrenzing aan het gebruik van zaadcellen op één donor in de huidige wet en na de in voorbereiding zijnde wetswijziging in de praktijk werkt? Kunt u hierbij ingaan op de diverse actoren zijnde de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (Sdkb) en de klinieken?
Spermabanken en klinieken in Nederland die handelingen verrichten met zaadcellen (ongeacht de herkomst ervan) moeten hiervoor een erkenning aanvragen bij het CIBG indien het erkennings-plichtige handelingen op grond van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal (Wvkl) betreffen, zoals het in ontvangst nemen, bewaren, bewerken en distribueren van zaadcellen. Een erkenning wordt pas afgegeven als voldaan wordt aan alle veiligheids- en kwaliteitsvereisten die vermeld staan in de Wvkl en onderliggende wetgeving (en daarmee dus ook de EU richtlijnen 2004/23/EG en 2006/86/EG). Na vergunningverlening wordt door de IGJ via onder meer periodieke inspecties toegezien op de naleving van de vereisten. Daarbij wordt dan ook betrokken of een kliniek voldoet aan andere wettelijke eisen, zodat die van de Wdkb en de Embryowet.
Deense wetgeving regelt dat spermabanken geen donorsperma meer kunnen verzenden naar privéadressen. Verzending is alleen toegestaan naar goedgekeurde weefselcentra, vruchtbaarheidsklinieken, ziekenhuizen en geautoriseerde professionele zorgverleners. De Deense spermabanken houden zich ook aan het nationale quotum dat in een bepaald land geldt voor het maximumaantal gezinnen of vrouwen dat gebruik mag maken van geslachtscellen van eenzelfde donor.
Klinieken in Nederland zijn verplicht op basis van de Wdkb om de gegevens van een donor die wordt gebruikt bij een fertiliteitsbehandeling te registreren in het register van de Sdkb. Dit is ook het geval wanneer zaadcellen van een buitenlandse donor worden gebruikt. Ik heb geen zicht op welke klinieken in Nederland werken met donorsperma uit buitenlandse klinieken. Het sperma van eenzelfde donor mag bij maximaal twaalf gezinnen worden gebruikt. Dit heeft de beroepsgroep vastgelegd in het hiervoor reeds genoemde Landelijk Standpunt spermadonatie. Er is op dit moment geen centrale monitoring in Nederland van het maximumaantal kinderen per donor. Iedere kliniek houdt zelf het aantal nakomelingen bij. Het wetsvoorstel zal daarin verandering brengen, omdat daarin een regeling voor centrale monitoring van het maximumaantal verwekkingen per donor is opgenomen. Verwezen wordt naar paragraaf 4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.11
Kunt u toelichten op welke wijze precies uitvoering wordt gegeven aan de twaalfde aanbeveling van de tweede evaluatie van de Wdkb?
De formulering van aanbeveling 12 uit de Tweede evaluatie van de Wdkb12 is als volgt: De IGJ dient haar toezicht op de Sdkb te intensiveren, zeker gezien de hiervoor aanbevolen wijzigingen in de uitvoering van de taken door de Sdkb. Daarnaast dient de IGJ af te stemmen met het Ministerie van VWS waarop het ministerie en waarop de IGJ toezicht houdt en hoe deze werkwijze zich tot elkaar verhoudt.
In mijn reactie op de evaluatie13 heb ik aangegeven dat de IGJ toezicht houdt op de naleving van de in de Wdkb neergelegde eisen door de klinieken en semenbanken, alsmede op het functioneren van de Sdkb voor zover dit het aanleveren van gegevens van donoren en van behandelde vrouwen door klinieken betreft. Om misverstanden te voorkomen is het goed te vermelden dat de Sdkb geen zorgaanbieder is in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de bevoegdheid van de IGJ rechtstreeks gebaseerd is op de Wdkb. Kortom: het toezicht van de IGJ verloopt via de klinieken en het toezicht is gericht op het (kunnen) voldoen aan de registratieverplichtingen. De IGJ vervult een signalerende rol ten aanzien van de wijze waarop de Sdkb op dit vlak functioneert. Als uit het toezicht knelpunten blijken waardoor klinieken niet aan de wettelijke registratieplicht kunnen voldoen, bespreekt de IGJ dit met mij en met de Sdkb. Het Ministerie van VWS heeft een aantal toezichthoudende bevoegdheden ten aanzien van het functioneren van de Sdkb conform de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Kunt u bevestigen dat, conform de achtste aanbeveling van de Tweede evaluatie van de Wdkb en uw reactie op deze evaluatie, het reglement van de Sdkb niet langer in strijd is met de Wdkb?6
Ik kan bevestigen dat het Reglement Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting is geactualiseerd en aangepast op onderdelen die in strijd waren met de Wdkb. Op 6 mei 2021 is het gewijzigde reglement gepubliceerd in de Staatscourant15.
Op welke wijze is het buiten de fertiliteitsklinieken aanbieden van donorzaadcellen, bijvoorbeeld via het internet door particulieren zelf, gereguleerd?
Dit is niet gereguleerd. Het aanbieden van donorzaadcellen via internet of via particulieren gaat om een handeling in de privésfeer en daarop is geen toezicht mogelijk.
Herkent u het beeld dat wensouders in Nederland gebruikmaken van zaadcellen afkomstig van buitenlandse donoren? Klopt het dat zij dit kunnen doen door de behandeling te ondergaan in Nederland als door de behandeling te ondergaan in het buitenland?
Ja wensouders kunnen in Nederland gebruik maken van zaadcellen afkomstig van buitenlandse donoren. Als zij een behandeling met zaadcellen van een buitenlandse donor in Nederland ondergaan geldt de Nederlandse wet- en regelgeving. Dat betekent dat de gegevens van de buitenlandse donor worden geregistreerd door de klinieken in het register van de Sdkb en dat conform het hiervoor gemelde landelijke standpunt de zaadcellen van de buitenlandse donor in maximaal twaalf gezinnen kunnen worden gebruikt. Wensouders kunnen er ook voor kiezen om een dergelijke behandeling in het buitenland te ondergaan.
Kunt u voor de mogelijkheden van het gebruik van zaadcellen van buitenlandse donoren uiteenzetten op welke wijze wensouders precies (proactief) geïnformeerd worden over de mogelijke risico’s die hieraan verbonden zijn?
Ik onderschrijf het belang van goede voorlichting aan wensouders zodat zij zich goed kunnen laten informeren over de mogelijke consequenties van donorconceptie. Fiom ontvangt van het Ministerie van VWS een instellingssubsidie als expertisecentrum op het gebied van onder meer afstammingsvragen. Zowel wensouders als donorkinderen en donoren kunnen bij Fiom terecht met allerlei vragen op dit terrein. Daarnaast is op 12 maart 2021 het digitale Landelijk informatiepunt donorconceptie (LIDC) online gegaan. Het informatiepunt is tot stand gekomen door samenwerking tussen de Stichting donorkind, Stichting meer dan gewenst, Fiom, het POINT netwerk en de Special Interest Group Gameetdonatie van de NVOG. Door de inrichting van dit digitale informatiepunt is alle informatie rond donorconceptie op één centraal punt te vinden. Het Ministerie van VWS financiert dit digitale informatiepunt.
De wensouders worden daarnaast proactief geïnformeerd over de consequenties van het gebruik van de zaadcellen van een buitenlandse donor door de Nederlandse klinieken tijdens de counseling voorafgaand aan de behandeling.16
Indien gebruik is gemaakt van zaadcellen van buitenlandse donoren, bij welke instantie kunnen (wens)ouders en donorkinderen terecht voor vragen hierover? Wat is precies de rolverdeling hieromtrent tussen het Fiom enerzijds en het Landelijk informatiepunt donorconceptie (LIDC)?
Donorkinderen en hun ouders kunnen terecht bij de Sdkb wanneer zij gegevens van de donor willen opvragen. Dit verschilt niet met het opvragen van gegevens van Nederlandse donoren.
Verder kunnen zij zowel bij Fiom als bij het LIDC terecht voor betrouwbare informatie rond dit onderwerp.
Fiom is een expertisecentrum op het terrein van onder meer verwantschapsvragen. Zij stellen op hun website informatie en kennis beschikbaar en leveren ook informatie op maat. Donorkinderen, donoren en (wens-)ouders kunnen hier terecht met hun vragen en ook wordt begeleiding geboden bij bijvoorbeeld contact tussen het donorkind en de donor of tussen donorkinderen onderling.
Het LIDC is een samenwerkingsverband tussen Fiom, het Point netwerk, SIG Gameetdonatie van de NVOG, Stichting Donorkind en Stichting Meer dan Gewenst. Er was behoefte aan een centraal punt waar mensen terecht kunnen als zij meer willen weten over donorconceptie en de mogelijkheden en de consequenties ervan. Wanneer bezoekers van de website specifieke vragen hebben worden zij doorgeleid naar de desbetreffende organisatie die hen verder helpt.
Heeft u een beeld van het maximum dat aan het gebruik van zaadcellen van één donor, zowel kijkend naar gezinnen als naar kinderen, geldt in landen binnen de verschillende landen van de Europese Unie? Op welke wijze wordt dit maximum in andere landen precies vastgesteld?
Landen binnen de Europese Unie hebben op het terrein van medische ethiek een grote mate van beleidsruimte. Dat is ook het geval als het gaat om vraagstukken rond donorconceptie. Een groot aantal landen heeft inmiddels wet- en regelgeving met betrekking tot spermadonatie, maar inhoudelijk zijn er grote verschillen. Zo hebben donorkinderen niet in alle landen toegang tot de persoonsidentificerende gegevens van een donor. In iets meer dan de helft van de landen binnen de Europese Unie is anonimiteit van de donor nog steeds de norm, zoals in België en Frankrijk. Ook het maximumaantal nakomelingen per donor varieert per land. In Duitsland geldt bijvoorbeeld een maximum van tien nakomelingen, in Denemarken een maximum van twaalf en in Oostenrijk geldt dat de zaadcellen van dezelfde donor in maximaal drie gezinnen mogen worden gebruikt. In Polen is hiervoor niets geregeld.
In de meeste landen worden verschillende aspecten tegen elkaar afgewogen. Deze aspecten zijn met name de kans op consanguïniteit, de kans op het wijd verspreiden van een genetische aandoening en het belang van het kind.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Ja.