Het beschermen en behouden van maritiem erfgoed. |
|
Lucille Werner (CDA), Hilde Palland (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Geld nodig voor beheer schepen: Utrecht wil maritiem erfgoed beschermen»?1
Ja
Deelt u de overtuiging dat havens een herkenbaar gezicht geven aan een vissersdorp, vesting-, handels- of havenstad en dat maritiem erfgoed en varend erfgoed daarin onmisbaar zijn?
Onder de door het Rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten bevinden zich meerdere historische zee- en rivierhavens. De aanwezigheid van varend erfgoed en soms ook van hiermee samenhangende ambachtelijke nijverheid geven deze historische plekken meerwaarde en levendigheid.
Onderkent u ook het belang van het behoud van historische woonschepen?
Bij cultureel erfgoed gaat het om «uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden».2 Ook historische woonschepen kunnen daar onderdeel van uitmaken en in die zin onderwerp zijn van het streven naar behoud.
Hebt u kennisgenomen van het rapport «Maritiem erfgoed in de provincie Utrecht»?2 Bent u bereid te reageren op de conclusies en aanbevelingen die het Rijk en het rijksbeleid betreffen?
Ja, ik heb kennisgenomen van het genoemde rapport. Ik ben, samen met het Ministerie van EZK, in gesprek met de sectororganisaties van de bruine vloot, het varend erfgoed en betrokken provinciale en gemeentelijke overheden over de toekomst en de ontwikkelingen in de sector, mede ter uitvoering van de motie Inge van Dijk c.s.4 De Minister van EZK heeft uw Kamer recent over de voortgang van dit gesprek geïnformeerd.5 In het overleg is verkend hoe de verschillende partijen vanuit hun eigen rol een bijdrage kunnen leveren. Voor het Rijk ligt die vooral in ondersteuning en facilitering op het vlak van kennis en kunde.
In het genoemde overleg met de sectororganisaties is onder andere een aantal constateringen uit het rapport, zoals de basis voor wettelijke bescherming en de problematiek rondom financieringen, aan de orde geweest. Anders dan het rapport aangeeft valt mobiel erfgoed wel degelijk onder de definitie van cultureel erfgoed. Ook kunnen medeoverheden zelf beleid voeren ten aanzien van het behouden, beleven en benutten van cultureel erfgoed waar zij aan hechten. De Erfgoedwet biedt de mogelijkheid aan provincies en gemeenten om hiertoe een erfgoedverordening vast te stellen. Ik ben verheugd dat de provincie Utrecht zich blijkens het rapport sterk maakt voor het cultureel erfgoed in deze provincie. Dit najaar zal opnieuw een overleg met de genoemde partijen plaatsvinden.
Bent u bereid stappen te zetten om te komen tot een transparante registratie en cultuurhistorische waardering en een duidelijke definiëring van maritiem erfgoed, varend erfgoed en historische schepen?
Bij maritiem erfgoed als bedoeld in het rapport van de provincie Utrecht gaat het om een breed thema met veel aspecten zoals waterbeheer, visserij, verkeer, handel en recreatie. Het kan daarbij over zowel roerende (bijvoorbeeld schepen), onroerende als immateriële zaken gaan. Als het gaat om registratie en waardering zijn er voldoende mogelijkheden binnen de bestaande regelingen en beleid en is er al veel gerealiseerd. Voor het varend erfgoed beheert de sector zelf een register, het Register Varend Erfgoed Nederland, dat gekoppeld is aan het Nationaal Register Mobiel Erfgoed. De afgelopen jaren heb ik de sector mobiel erfgoed ondersteund om dit te ontwikkelen. Tal van historische havens maken voorts deel uit van de door het rijk aangewezen stads- of dorpsgezichten en onder de rijksmonumenten bevinden zich talrijke panden die onderdeel zijn van ons maritieme verleden. Ook gemeenten en provincies hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsbeleid gebouwen, structuren en objecten die betrekking hebben op het maritieme verleden een beschermde status te geven.
Welke mogelijkheden ziet u om bescherming van maritiem erfgoed, varend erfgoed en historische schepen wettelijk te verankeren?
De Erfgoedwet, de Omgevingswet en het instrument van de gemeentelijke en provinciale erfgoedverordening bieden veel mogelijkheden om zowel roerend als onroerend erfgoed te beschermen. Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de evaluatie van de Erfgoedwet als onderdeel van de beleidsdoorlichting erfgoed. Eerder heeft de «Commissie Collectie Nederland» mij geadviseerd over de werking van het onderdeel roerend erfgoed in de Erfgoedwet.6 Ik heb uw Kamer toegezegd aan het eind van dit jaar een reactie te geven op de uitkomsten van beide onderzoeken.
Bent u bereid in overleg met provincies en gemeenten te werken aan een plan van aanpak voor het behoud van maritiem erfgoed, varend erfgoed en historische schepen, mede in verband met de uitvoering van de motie-Inge van Dijk c.s. (26 419, nr. 101)?
Ik ben, mede in verband met de uitvoering van de motie Inge van Dijk c.s., die oproept tot het bouwen aan een inhoudelijke agenda, samen met het Ministerie van EZK in overleg met de sectororganisaties en medeoverheden. In het overleg is verkend hoe de verschillende partijen vanuit hun eigen rol een bijdrage kunnen leveren aan een beter toekomstperspectief. Dit najaar zal een vervolggesprek met deze partijen plaatsvinden over de voortgang op de verschillende acties. De rijksoverheid kan de sector ondersteunen met kennis en kunde.
Het artikel 'Onprofessionele geneeskundestudent moet makkelijker weggestuurd kunnen worden' |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Onprofessionele geneeskundestudent moet makkelijker weggestuurd kunnen worden»?1
Ja.
Wat vindt u van het bericht dat geneeskundeopleidingen onvoldoende mogelijkheden zien om geneeskundestudenten die herhaaldelijk onprofessioneel gedrag vertonen van de opleiding te verwijderen?
Instellingen die onvoldoende mogelijkheden zien kunnen de Onderwijs- en Examenregeling (OER) aanpassen en zo extra mogelijkheden creëren. Sommige instellingen hebben dit al gedaan, andere zijn hiermee bezig. Zo wordt in het curriculum bijvoorbeeld getoetst op professioneel gedrag en is het aantal herkansingen beperkt. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Zijn de beschreven beperkingen van de Iudicium Abeundi (IA)-regeling bij u bekend? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Iudicium Abeundi (letterlijk: het oordeel (besluit) dat men bij een opleiding moet vertrekken) is een protocol dat is opgesteld op basis van de wettelijke bepalingen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).
Het protocol is opgesteld door universiteiten en De Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) teneinde (dier)geneeskundige en tandheelkundige faculteiten (examencommissies en decanen) en de Colleges van Bestuur van de betreffende universiteiten een leidraad te geven voor het afgeven van een Iudicium Abeundi wegens gedrag of uitlatingen die indiceren dat de betreffende student(en) ongeschiktheid is/zijn voor de toekomstige beroepsbeoefening dan wel de praktische voorbereiding op die beroepsuitoefening.
De mogelijkheden voor toepassing zijn beperkt. Het IA is voorbehouden aan zeer uitzonderlijke omstandigheden waarbij in de regel sprake is van een «gevaarzettingssituatie», bijvoorbeeld een directe of indirecte ernstige bedreiging van de patiëntveiligheid. Een Iudicium Abeundi-procedure is zeer zeldzaam. In de afgelopen tien jaar zijn enkele keren IA-procedures gestart.
Waarom is ervoor gekozen de IA-regeling op de huidige manier vorm te geven, dus met inachtneming van de voorwaarde dat de veiligheid van een patiënt in het geding is gebracht?
Bij het opstellen van de wettelijke bepalingen in de WHW, waarop het protocol Iudicium Abeundi is gebaseerd, is terughoudendheid betracht vanwege de grote gevolgen die deze kunnen hebben voor de betrokken student. Het betreft immers de toegankelijkheid van het hoger onderwijs en het belang van de student om een opleiding al dan niet te kunnen afronden. Daarom is het belangrijk dat instellingsbesturen heel zorgvuldig de verschillende belangen in een individuele casus afwegen bij de toepassing van dit instrument. Het curriculum en de beoordeling van de student vallen onder de verantwoordelijkheid van het instellingsbestuur. Het IA is in opzet bedoeld voor zeer uitzonderlijke omstandigheden.
Tijdens de opleiding zijn er andere waarborgen voor de veiligheid van patiënten, zoals de aandacht die er in het curriculum is voor professioneel gedrag. Professioneel gedrag moet in overeenstemming zijn met de normen en waarden van de beroepsgroep. Hiervoor is het Raamplan Artsenopleiding 2020 opgesteld door NFU, waarin de eindkwalificaties van een afgestudeerde bachelor en master geneeskunde student staan beschreven. De geneeskundeopleidingen gebruiken dit raamplan voor de inrichting van het onderwijs. Tijdens de opleiding werken geneeskundestudenten onder de verantwoordelijkheid van BIG-geregistreerde artsen die zijn onderworpen aan het tuchtrecht. Op deze manier wordt de patiëntveiligheid zoveel mogelijk gewaarborgd.
Kunt u inventariseren hoeveel geneeskundestudenten per jaar herhaaldelijk onprofessioneel gedrag vertonen?
Navraag bij de universiteiten leert dat het jaarlijks gaat om enkele gevallen.
Bestaat er een correlatie tussen artsen die onprofessioneel gedrag vertonen tijdens de geneeskundeopleiding en artsen die in aanraking komen met het tuchtrecht? Kunt u dit toelichten?
Cijfers over studenten die onprofessioneel gedrag vertonen tijdens de opleiding en later in aanraking komen met het tuchtrecht zijn niet beschikbaar.
Welke instrumenten hebben geneeskundeopleidingen tot hun beschikking om dit probleem op te pakken?
Instellingen kunnen de Onderwijs- en Examenregeling (OER) aanpassen en zo extra mogelijkheden creëren. Sommige instellingen hebben dit reeds doorgevoerd, andere zijn hiermee bezig. Het gaat dan onder meer om een leerlijn professionaliteit en patiëntencontacten, zorgdragen voor goede en zorgvuldige beoordelingen op professionaliteit en competenties, begeleidingstrajecten bij herkansing, het beperken van het aantal tentamenkansen en de geldigheidsduur van tentamens.
Is het bij u bekend of de in het artikel benoemde problemen breder spelen, bij meer opleidingen?
Uit navraag bij de instellingen blijkt dat dit thema ook speelt bij andere opleidingen, met name bij opleidingen als tandheelkunde en (klinische) psychologie.
Bent u het ermee eens dat patiëntveiligheid en de kwaliteit van zorg niet eerst in het geding zouden moeten komen, voordat een toekomstig arts kan worden geweerd van de geneeskundeopleiding? Zo nee, waarom niet?
De patiëntveiligheid en de kwaliteit van zorg mag nimmer in het geding komen. De geneeskundestudent leert en werkt tijdens de opleiding onder de verantwoordelijkheid van een BIG-geregistreerde arts die onderworpen is aan het tuchtrecht en verantwoordelijk is voor de handelingen van de geneeskundestudent.
De basis voor professioneel gedrag en optimaal functioneren moet worden gelegd in de studie geneeskunde en worden uitgebouwd in de geneeskundige vervolgopleiding. Het is aan onderwijsinstellingen om het curriculum vast te stellen en te toetsen of de student over de juiste competenties beschikt die volgens de beroepsnormen van hem worden verwacht.
Bent u bereid om een aanpassing van de wettelijke regeling te onderzoeken en hierover in gesprek te gaan met universiteitsbesturen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover rapporteren?
Aanpassing van de wettelijke bepalingen acht ik niet wenselijk. Het IA is bedoeld voor zeer uitzonderlijke omstandigheden (zie antwoord op vraag 4).
De verantwoordelijkheid voor het curriculum, de beoordeling van de student en de examens ligt bij de instellingen. Uit navraag is gebleken dat instellingen reeds doende zijn meer mogelijkheden te creëren om in te grijpen bij onprofessioneel gedrag (zie antwoord op vraag 7).
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Arbeidsmarktbeleid in de zorg op 6 juli 2022?
Vanwege de noodzakelijke interdepartementale afstemming en vooral ook de afstemming met de instellingen is dit helaas niet gelukt.
De brief 'Actualisatie prognose reizigersaantallen OV' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat de reizigersprognoses van het Kennisinstituut Mobiliteitsbeleid (KiM) optimistischer zijn dan de prognoses van vervoerders, vervoersregio’s en decentrale overheden?1
Het KiM kan niet nagaan waarom de KIM-ramingen optimistischer zijn over het herstel van de reizigersaantallen dan de prognoses van vervoerders, vervoersregio’s en decentrale overheden omdat de prognoses van vervoerders niet openbaar gepubliceerd zijn. In het antwoord op vraag 2 ga ik nader inhoudelijk op deze vraag in.
Kunt u in meer detail toelichten hoe deze verschillen ontstaan?
Verschillen in de verwachtingen voor de toekomstige ontwikkeling van het ov-gebruik kunnen in het algemeen ontstaan door:
Het ov-gebruik kan op verschillende manieren gedefinieerd worden en op verschillende gebieden betrekking hebben, bijvoorbeeld voor totaal Nederland (KiM) of voor specifieke openbaar vervoerwijzen in specifieke regio’s. Het KiM gebruikt als uitgangspunt de totale omvang van de afgelegde afstand van ov-gebruikers op Nederlands grondgebied (in zogenoemde reizigerskilometers) zoals gepubliceerd door de NS in haar jaarverslagen (trein) en door het CROW-KpVV in de publicatie «Staat van het regionale ov» (trein, bus, tram en metro)2. Gegevens over het totale regionale ov-gebruik in Nederland in 2021 zijn nog niet beschikbaar bij het CROW.
De manier waarop de verwachtingen voor het toekomstig ov-gebruik gemaakt worden, kan verschillen. Het KiM beschrijft in openbare stukken hoe de toekomstverwachting gemaakt wordt en welke methodiek en uitgangspunten daarbij gebruikt worden.
De uitgangspunten met betrekking tot de toekomstige ontwikkeling van het overheidsbeleid en de omgevingsvariabelen zoals onder andere het aantal inwoners, het aantal studenten, het besteedbaar inkomen, de kosten van het ov- en autogebruik kunnen verschillen. Het KiM baseert zich daarbij op het recentste beschikbare toekomstverwachtingen van o.a. het CPB, het CBS en het Ministerie van OC&W.
De verwachtingen omtrent de structurele gedragsveranderingen als gevolg van de coronacrisis kunnen verschillen. Het KiM baseert zich hierbij op de resultaten van het MobiliteitsPanel Nederland (MPN) waarbij in de afgelopen 3 jaar regelmatig gevraagd is aan een panel van respondenten over hun reisgedrag en de invloed van de coronacrisis op hun toekomstig reisgedrag.
Klopt het dat de KiM-prognose losse verkoop voor onder meer toerisme niet meetelt? Klopt het dat juist die reizigers de meest winstgevende reizigers betreffen?
Nee, dat klopt niet. Het KiM gebruikt als uitgangspunt de totale omvang per jaar van de afgelegde afstand van ov-gebruikers op Nederlands grondgebied zoals gepubliceerd in de NS jaarverslagen tot en met 2021 en «Staat van het regionale ov» door CROW-KpVV tot en met 2020. Het KiM gaat ervan uit dat dit totale ov-gebruik inclusief de losse verkoop van reizen is. Bij het KiM is onbekend of de losse verkoop reizigers de meest winstgevende reizigers zijn. Daarover is geen openbare informatie beschikbaar.
Hoe verandert de prognose, indien deze losse verkoop wél wordt meegenomen?
Op basis van de gegevens van NS en CROW over de afgelegde afstand door ov-reizigers zijn volgens het KiM de verwachtingen voor het ov-gebruik wel inclusief de losse verkoop.
Is het model van het KiM aangepast, nadat in 2022 de prognoses te optimistisch bleken te zijn? Zo ja, welke aanpassingen zijn daarin meegenomen?
De basisraming en het alternatieve scenario voor het ov-gebruik in 2022 van het KiM van november 2021 zijn hoger dan de geactualiseerde ramingen voor 2022. Belangrijke verklaring daarvoor is het feit dat in november 2021 in de basisraming niet voorzien was dat er in 2022 nog een aantal maanden gedragsbeperkende maatregelen zouden zijn. In het pessimistische scenario van november 2021 was wel voorzien dat er in 2022 nog twee maanden gedragsbeperkende maatregelen zouden zijn maar die periode heeft uiteindelijk langer geduurd en mede daardoor was het negatieve effect op het ov-gebruik groter dan verwacht.
Het model van het KiM is niet aangepast. Maar omdat het inmiddels halverwege 2022 is, zijn de ramingen voor het jaar 2022 in de actualisatie niet met het model gemaakt maar op basis van een extrapolatie van de reeds bekende gegevens van het ov gebruik in 2022 en daarom vallen de prognoses lager uit. De uitgangspunten voor de latere jaren 2023–2026 zijn aangepast aan de meest recente informatie van CPB, CBS, OC&W, e.d.
Hoe groot zijn de onzekerheden in het model van het KiM volgens henzelf en wat zijn de betrouwbaarheidsintervallen van de prognoses?
De onzekerheid voor de toekomst is vormgegeven door uit te gaan van een basisraming met daarnaast een alternatief scenario. Voor de basisraming is tevens een gevoeligheidsvariant doorgerekend waarbij aangenomen is dat er geen kwaliteitsverbetering optreedt in het ov tot en met 2026. Voor de gebruikte methodiek van het KiM is het niet mogelijk om statistische betrouwbaarheidsintervallen aan te geven van de verwachtingen.
Welke andere methodes en modellen gebruikt u om uw beleid rondom ov op te baseren?
Er worden verschillende methodes en modellen gebruikt, afhankelijk van welk aspect van het ov het betreft. Wat betreft het ov-aanbod voor 2023 en verder zijn de belangrijkste bronnen de BVOV monitor (bedrijfsvertrouwelijke financiële ramingen), de OV-aanbod monitor (open data), de monitoringsrapportage Transitie OV en op basis van (uitgevraagde) informatie afkomstig van de decentrale overheden en vervoerders. Voor de langere termijn wordt onder andere de Integrale Mobiliteitsanalyse 2021 (IMA-2021).
Welke kengetallen zijn daarbij van groot belang voor besluitvorming rondom een vangnet voor het ov?
Op 15 juni jl. heb ik samen met de vervoerders en de decentrale overheden om tafel gezeten om met elkaar te spreken over het ov in 2023, mede naar aanleiding van het verschijnen van de nieuwe KIM-prognose. Zoals ik uw Kamer geïnformeerd heb3 is er afgesproken dat we de komende weken gebruiken om in gesprek te blijven en in het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad nader onderzoek te doen naar de, gegeven de onzekerheid, verwachte situatie in 2023 in de verschillende ov-concessies. Alle informatie die bij deze gesprekken relevant zijn, zowel vanuit het KiM als van alle bij het NOVB betrokken partijen, komen op tafel.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat er zo’n grote discrepantie is tussen de verschillende modellen van de rijksoverheid enerzijds en andere overheden, vervoersautoriteiten en vervoerders anderzijds?
Regionale vervoerders en decentrale overheden hanteren geen prognose model maar kijken naar scenario’s en realisaties op regionale schaal. NS werkt wel met een prognose model, maar deze is niet openbaar.
Opbrengstverantwoordelijke vervoerders en decentrale overheden schatten het tempo waarin reizigers terug keren in het OV anders in dan het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid.
Bent u bereid te werken aan een uniform model voor zowel het KiM als de vervoerders? Zo ja, hoe en op wat voor termijn gaat u dat proces inrichten?
Het KiM is onafhankelijk en hun werkwijze is transparant en navolgbaar. Vervoerders gebruiken voor hun scenario’s bedrijfsvertrouwelijke info die niet openbaar beschikbaar is. Een uniform model wordt daarom lastig.
Hoe snel kan het KiM de prognoses actualiseren in reactie op nieuwe ontwikkelingen, zoals mogelijke nieuwe oplevingen van het coronavirus?
Het KiM maakt in het najaar 2022 een nieuwe raming van het ov-gebruik voor de periode 2022–2027. Het KiM doet dat twee keer per jaar omdat toekomstverwachtingen voor de belangrijke omgevingsontwikkelingen beperkt beschikbaar komen in de loop van het jaar. Voor de inwonersaantallen van het CBS en studentenaantallen van OC&W is dat 1 keer per jaar en voor de economie, het inkomen, olieprijzen, e.d. van het CPB is dat twee keer per jaar in het Centraal Economisch Plan (CEP) en de Macro Economische Verkenning (MEV). Voor het lopende jaar wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de beschikbare realisaties van het ov-gebruik van translink. Eventuele gevolgen voor het ov gebruik van nieuwe oplevingen van het coronavirus en daarmee samenhangende gedragsbeperkende maatregelen kunnen in het lopende jaar gemonitord worden op basis van de weekgegevens van translink.
Kan er vaker dan tweemaal per jaar een nieuwe prognose komen in het geval dat de aannames achter de prognoses niet blijken te kloppen door veranderende situaties?
Het KiM doet dat twee keer per jaar omdat toekomstverwachtingen voor de belangrijke omgevingsontwikkelingen beperkt beschikbaar komen in de loop van het jaar. Alleen als deze omgevingsontwikkelingen vaker beschikbaar komen, dan zou het KiM frequenter actualisaties kunnen maken.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, maar ten minste vóór het rondetafelgesprek Beschikbaarheidsvergoeding openbaar vervoer (BVOV) op 30 juni a.s. beantwoorden?
Ja, dat heb ik bij deze gedaan.
Het bericht: ‘Zorgpremies schieten omhoog vanaf volgend jaar’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zorgpremies schieten omhoog vanaf volgend jaar»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de zorgkosten voor verschillende typen huishoudens met daarin zowel de zorgpremie als de inkomensafhankelijk bijdrage die via werkgevers wordt geïnd? Zo ja, kunt u daarbij de verwachte stijging voor de komende jaren vermelden?
De nominale premie 2022 bedraagt gemiddeld 1.522 euro. Er is daarin een flinke bandbreedte. Er is geen informatie over de verdeling van de nominale premie naar huishoudenstypes.
De inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) die werkgevers afdragen bedraagt in 2022 6,75% van het premieplichtig inkomen. Het premieplichtig inkomen kent een maximum van € 59.704. De maximale IAB die een werkgever afdraagt is dus € 4.030.
Zelfstandigen en gepensioneerden betalen 5,5% van hun inkomen aan IAB, waarbij het premieplichtig inkomen ook gemaximeerd is op € 59.704.
Over de premieontwikkeling in de komende jaren valt nog niet veel zinnigs te zeggen. De bedragen die genoemd zijn in het aangehaalde Skipr-artikel zijn niet afkomstig van het Ministerie van VWS en herkent het Ministerie van VWS ook niet.
Het Ministerie van VWS heeft in maart jl een zeer indicatieve berekening (maartraming) gemaakt van de nominale premieontwikkeling in de komende jaren. In die berekening stijgt de premie in 2023 met circa € 15 per maand in 2023 en met circa € 35 per maand van 2022 op 2027. Die premiestijging vloeit vooral voort uit de relatief hoge loon- en prijsstijgingen die het CPB verwachtte in het Centraal Economisch Plan 2022 (CEP 2022). Deze premiestijging ligt echter fors lager dan vermeld in het Skipr-artikel.
In de indicatieve berekening van het Ministerie van VWS kan echter veel informatie nog niet worden meegenomen die wel van invloed zal zijn op de premieontwikkeling. Zo is nog geen rekening gehouden met de uitgavenrealisaties 2022 en de doorwerking daarvan in latere jaren. VWS ontvangt begin augustus inschattingen van de (verwachte) uitgaven van verzekeraars in 2022 en kan dan pas een redelijke inschatting maken van de uitgavenontwikkeling 2022 en de doorwerking daarvan naar latere jaren.
Daarnaast zal het CPB zijn ramingen van loon- en prijsontwikkeling nog aanpassen in de Macro Economische Verkenning (MEV). Ook dat kan forse effecten hebben op de zorguitgaven.
In de bovengenoemde maartraming is ook nog geen (goede) inschatting verwerkt van de gevolgen van de catastroferegeling, het uitstel van IAB-afdrachten door werkgevers, en de mogelijke inzet van reserves door verzekeraars om een premiestijging te drukken.
Kortom, het is op dit moment echt te vroeg om een goede raming van de nominale premie 2023 te maken.
Waarom stegen de totale zorguitgaven in het basispad voor het coalitieakkoord tot 2026 met 6,9% (voorafgaand aan de maatregelen uit het coalitieakkoord) en stijgen de premielasten in de voorjaarsnota tot en met 2026 in totaal 28,1%?
In de VWS-begroting 2022 (opgesteld vóór het coalitieakkoord) stegen de Zorgverzekeringswet (Zvw) uitgaven van € 54,5 miljard in 2022 naar € 64,0 miljard in 2026, ofwel een stijging van € 9,5 miljard of 18%.
De Zvw-uitgaven stijgen in de huidige raming (inclusief coalitieakkoord) van € 54,9 miljard in 2022 naar € 67,4 miljard in 2026, ofwel een stijging van € 12,5 miljard of 23%.
Dat de premiestijging (in de bovengenoemde maartraming) iets hoger wordt ingeschat dan de uitgavenontwikkeling komt omdat verzekeraars de premiestijging in 2022 fors hebben gedrukt door inzet van reserves en er in de huidige raming geen rekening is gehouden met de inzet van reserves in 2026.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de maatregelen die in het coalitieakkoord zijn aangekondigd om de houdbaarheid van de zorguitgaven te verbeteren? In hoeverre zijn deze meegenomen in deze geraamde premiestijging?
Er wordt aan alle maatregelen hard gewerkt. De grootste opbrengst zal moeten worden gerealiseerd via het Integraal Zorgakkoord. Daarover wordt nu gesproken met zorgaanbieders en zorgverzekeraars. In de uitgavenraming en de premieraming is er van uit gegaan dat de in het coalitieakkoord ingeboekte taakstelling geheel wordt gerealiseerd.
Deelt u de mening dat het van belang is om de jaarlijkse stijging te beperken, zeker in deze tijd waarin de koopkracht voor alle huishoudens onder druk staat? Welke mogelijkheden kunt u inzetten om de stijging van zorgkosten voor huishoudens te beperken?
De Zvw kent een lastendekkende premie. Daar is bij de vormgeving van de Zvw expliciet voor gekozen. De Europese regels over staatssteun staan ook niet toe dat de overheid private verzekeraars subsidieert om de premie te dempen. De enige manier om de zorgpremiestijging te beperken is het in de hand houden van de uitgavenontwikkeling in de zorg.
Met de maatregelen uit het coalitieakkoord wordt een bijdrage geleverd aan het in de hand houden van de premieontwikkeling.
Overigens: voor huishoudens met een laag inkomen wordt de premiestijging gecompenseerd via de zorgtoeslag.
Klopt het dat de bijdrage aan zorgverzekeraars uit het «catastrofeartikel Zvw» vanwege de coronapandemie een tekort in het Zorgverzekeringsfonds heeft veroorzaakt? Zo ja, in hoeverre is de stijging van de rekenpremies aan dit tekort te wijten?2
De catastroferegeling leidt tot een uitkering aan verzekeraars uit het Zorgverzekeringsfonds. Dat leidt op zich tot een tekort in het Zorgverzekeringsfonds.
Tegenover uitgaven voor corona staan bij verzekeraars lagere uitgaven voor niet-coronazorg. Omdat het Ministerie van VWS met de verzekeraars voor 2021 een macronacalculatie van 85% heeft afgesproken, slaat deze meevaller voor 85% neer in het zorgverzekeringsfonds.
Het saldo van deze twee effecten leidt tot een tekort in het fonds dat moet worden opgevangen via hogere premies. Het grootste deel van dit effect was echter al bekend ten tijde van de begroting 2022 en is dus meegenomen bij het vaststellen van de premies 2022. De huidige cijfers duiden erop dat de uitkering op basis van de catastroferegeling hoger uitvalt dan geraamd in de begroting 2022. Daar tegenover staat dat de uitgaven aan niet-coronazorg lager zijn uitgevallen dan geraamd in de begroting wat leidt tot een meevaller in het Zorgverzekeringsfonds. Het per saldo negatieve effect op het Zorgverzekeringsfonds van deze twee bijstellingen moet worden weggewerkt via de premiestelling 2023. Dit per saldo effect valt naar huidige inschatting mee in omvang.
Is bij u bekend of, en zo ja welke, verzekeraars de bijdrage uit het catastrofeartikel gebruiken voor compensatie van de stijging van de rekenpremie, of dat zij dit aan de reserves toevoegen?
Verzekeraars hebben de premie 2022 fors gedrukt met inzet van reserves. Dit was mede mogelijk vanwege de catastroferegeling. Let wel, bij verzekeraars staan zorgkosten tegenover de uitkering catastroferegeling. Ze maken dus geen winst op de catastroferegeling. Het geld dat verzekeraars konden inzetten om de premie te drukken resulteerde uit lagere uitgaven bij de niet-coronazorg die in 2020 geheel en in 2021 deels toevielen aan verzekeraars.
Kunt u de beantwoording van deze vragen aan de Kamer sturen voor het commissiedebat Zorgverzekeringswet / Eigen bijdragen in de zorg op 29 juni aanstaande?
Ja.
Het bericht dat een vanwege een personeelstekort bij de rechtbank Gelderland zaken niet meer voor de rechter worden gebracht |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Personeelstekort rechtbank noodzaakt tot sepot zaken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer betreurenswaardig is dat maar liefst 1500 strafzaken niet meer voor de rechter kunnen komen omdat er niet genoeg capaciteit bij de rechtbank is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het zeer betreurenswaardig dat het Openbaar Ministerie zich genoodzaakt voelt deze stap te nemen. Zeker voor zover het zaken betreft waarbij slachtoffers betrokken zijn. Daar waar slachtoffers erop vertrouwden dat een rechter een onafhankelijk oordeel zou vellen over de zaak waar ze bij betrokken waren, gebeurt dit nu niet.
Hoeveel van de genoemde 1500 zaken moeten geseponeerd worden bij gebrek aan capaciteit? Deelt u de mening dat seponeren van deze zaken niet voortkomt uit een bewuste keuze voor seponering maar alleen uit nood geboren is? Zo ja, wat is uit mening daarover? Zo nee, waarom niet?
Ondanks maximale inspanning van het Openbaar Ministerie om oudere zaken af te handelen, kon niet worden voorkomen dat de voorraden bleven oplopen. Dit heeft tot gevolg dat ongeveer 90% van deze 1500 zaken worden geseponeerd. Deze keuze is uit nood geboren en dat is zeer betreurenswaardig.
Is de situatie bij het Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak in Oost-Nederland symptomatisch voor de situatie elders in Nederland? Zo ja, voor welke delen van Nederland dreigen ook strafzaken via sepots of OM-strafbeschikkingen te worden afgedaan? Zo nee, kunt u dan garanderen dat elders in Nederland dit niet zal gaan voorkomen?
Nee. Hoewel ook in andere arrondissementen tekorten aan rechters zijn waardoor niet alle zaken op tijd kunnen worden behandeld, zijn de achterstanden bij de rechtbank Gelderland verreweg het grootst. Zowel het Openbaar Ministerie als de Rechtspraak spannen zich maximaal in om te voorkomen dat ook elders in
Nederland tot dit soort vergaande maatregelen moeten worden overgegaan. Sepotbeslissingen van een vergelijkbare omvang in andere arrondissementen liggen daarom niet voor de hand.
Hoe komt het dat terwijl al een aantal jaren bekend is dat er een tekort aan rechters bij de rechtbank Gelderland is, dat probleem niet eerder is opgelost? Welke garanties kunt u geven dat dit probleem binnen afzienbare tijd wel wordt opgelost en aan welke termijn denkt u dan?
De afgelopen jaren zijn zaken steeds complexer geworden en is de behandeltijd per zaak fors toegenomen. Er zijn reeds maatregelen getroffen om het tekort aan rechters bij de rechtbank Gelderland terug te dringen. Zo zijn er op dit moment 20–25 nieuwe rechters in opleiding bij de rechtbank Gelderland, waarmee de maximale opleidingscapaciteit volledig is benut. Dat lost de problemen op korte termijn echter niet meteen op. Het opleiden van nieuwe rechters kost 1 tot 3 jaar, de personeelstekorten zullen er daarom nog wel enige tijd zijn.
Deelt u de mening van het OM en de rechtbank dat de keuze om zaken niet voor de strafrechter te brengen «zeer pijnlijk kan zijn voor slachtoffers»? Zo ja, waarom en wat gaat er gebeuren om slachtoffers, anders dan de wijze op de mogelijkheid van art. 12 Sv, toch genoegdoening te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik realiseer me dat met deze beslissing onvoldoende tegemoet wordt gekomen aan de wens van slachtoffers dat recht wordt gedaan aan wat hen is overkomen en dat betreur ik zeer. Daarom wordt gekeken op welke wijze het beste tegemoet kan worden gekomen aan de slachtoffers. In de zaken waarin slachtoffers schade hebben geleden, wordt beoordeeld of dat aanleiding is om de verdachte alsnog te dagvaarden op de geringe gereserveerde zittingsruimte of een OM-strafbeschikking op te leggen. Wanneer dat niet mogelijk is en de zaak wordt geseponeerd, krijgen de slachtoffers (en hun advocaat) een brief met een toelichting op het sepot. Daarnaast wordt – afgewogen in het geheel van de zaken die daarvoor in aanmerking komen – een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd in die gevallen waarin het niet vergoeden van de schade tot schrijnende situaties zou leiden. Over de praktische uitvoering daarvan zullen nadere afspraken worden gemaakt.
Deelt u de mening dat nu eens te meer blijkt hoe nodig het is om slachtoffers ook bij OM-strafbeschikkingen altijd de mogelijkheid tot het uitoefenen van hun spreekrecht te geven? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
De OM-strafbeschikking is een vorm van buitengerechtelijke afdoening met als doel om veelvoorkomende criminaliteit snel te kunnen afdoen en de rechtspraak te ontlasten. Ook bij de keuze voor een strafbeschikking, houdt het OM – naast de ernst van het misdrijf en de persoon van de verdachte – rekening met de belangen van slachtoffers.
Het standaard regelen van een spreekrecht voor slachtoffers staat op gespannen voet met het hiervoor genoemde doel van de strafbeschikking. Desondanks ga ik hierover nog in gesprek met het College van Procureurs-Generaal. U wordt over de uitkomst hiervan geïnformeerd.
Het PGB |
|
Fonda Sahla (D66), Mirjam Bikker (CU) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u tot het besluit bent gekomen om kleinschalige woonvormen die functioneren als een zorg in natura, niet meer structureel in aanmerking te laten komen voor het gebruik van een persoonsgebonden budget (PGB)? Waarom komt u juist op dit moment met het besluit en welke afweging heeft u hierin gemaakt?1
Voorop staat dat ik het pgb een waardevol instrument vind, omdat het de eigen regie van zorgvragers ondersteunt. Mijn uitgangspunt is dat het pgb bedoeld is voor mensen die daar bewust voor kiezen en die in staat zijn eigen regie te voeren (oftewel: pgb-vaardig zijn). Vanuit dat uitgangspunt bezie ik ook kleinschalige woonvormen.
Ik heb waardering voor bewoners- en ouderinitiatieven, waarin bewoners/ouders met enorme inspanningen de zorg en ondersteuning op maat organiseren. Vaak doen zij dat voor hun eigen kinderen die te maken hebben met een levenslange en levensbrede beperking. In mijn brief van 20 mei jl.2 betoog ik geen algehele afschaffing van de inzet van het pgb voor kleinschalige woonvormen.
Het onderzoek naar de betekenis en waarde van het pgb3 constateert een toename in pgb-gefinancierde wooninitiatieven. In het rapport komt naar voren dat daarbij ook sprake is van situaties waarin budgethouders in een wooninitiatief onvoldoende eigen regie voeren. VWS krijgt ook direct signalen over wooninitiatieven die het pgb primair inzetten als financieringsmogelijkheid en waarbij van eigen regie door budgethouders weinig sprake lijkt. Dat vind ik onwenselijk, zoals verwoord in mijn brief van 20 mei 2022. Voor deze initiatieven wil ik onderzoeken hoe zij met het zorgkantoor afspraken kunnen maken over contractering.
Ziet u de waarde van het instrument PGB, waarmee de zorgaanvrager eigen regie kan voeren over welke zorg zij of hij inkoopt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u verduidelijken wanneer er wel en wanneer er geen sprake is van het hebben van individuele regie in een ouder- of wooninitiatief? Kunt u daarnaast een definitie geven van ouderinitiatieven en wooninitiatieven?
Individuele regie in een ouder- of wooninitiatief start met de positieve, bewuste keuze voor het pgb. Dat is niet het geval als mensen noodgedwongen budgethouder worden, omdat dat de enige manier is om te kunnen wonen in het wooninitiatief dat hun voorkeur heeft. Vervolgens betekent een pgb ook dat je als budgethouder zeggenschap hebt over zaken als welke zorgverleners er in het wooninitiatief werken, welke dagbesteding je kiest en over de financiën. Dit zijn enkele voorbeelden. Mijn ambtenaren doen op dit moment een gespreksronde met in elk geval ZN/zorgkantoren, VNG en (vertegenwoordigers van) ouder- en wooninitiatieven. 30 mei en 17 juni waren er al gesprekken met de Klankbordgroep Wonen van Per Saldo en het Netwerk ouder(woon)initiatieven. Via deze gesprekken inventariseer ik waar kansen en belemmeringen bestaan, met bijvoorbeeld aandacht voor contracteringsvereisten voor kleinschalige aanbieders. Daarbij stel ik ook, in samenspraak met partijen, een kader op met wat minimaal verwacht mag worden op het vlak van eigen regie in een pgb-gefinancierd wooninitiatief.
In lijn met mijn voorganger definieer ik een ouderinitiatief als een woonvorm die is opgezet door ouders van (meestal volwassen) kinderen met een beperking die niet zelfstandig kunnen wonen. Deze ouders verrichten diverse taken: zij regelen een geschikte woonvorm, vormen met elkaar een bestuur, dragen zorg voor het onderhoud van de woonvorm, overleggen met de verhuurder, kopen ondersteuning of zorg in, organiseren activiteiten en blijven zodoende regie voeren over het leven van hun kind.4 Bij een wooninitiatief met pgb gaat het om een zorgondernemer die de zorg organiseert volgens zijn/haar visie, waarbij op verschillende manieren vorm gegeven kan worden aan hoe bewoners invloed hebben op het beleid en op het organiseren van de zorg.
Hoe borgt u het belang van de cliënten met dit besluit, gegeven het feit dat het instrument PGB is bedoeld voor cliënten die eigen regie kunnen voeren en ook eigen keuzes willen maken over de zorg die ze ontvangen?
Mijn ambitie met het pgb in wooninitiatieven start vanuit het perspectief van de cliënt. Ik vind het onwenselijk dat budgethouders belast worden met de taken en verantwoordelijkheden die horen bij het pgb, terwijl ze daar niet bewust voor kiezen en/of onvoldoende ruimte en vaardigheden voor hebben. Denk aan: administratie bijhouden, declareren, corresponderen met de gemeente of het zorgkantoor en de SVB, wijzigingen in wet- en regelgeving bijhouden, contracten aanpassen en zorgverleners aansturen. Daar waar eigen regie en de ruimte voor eigen keuzes tot zijn recht komen, blijft het pgb beschikbaar voor de inzet in ouder- en wooninitiatieven.
Kunt u aangeven op basis van welke gegevens u tot het oordeel bent gekomen dat het voor een budgethouder lastig kan zijn om vanuit eigen regie verandering aan te brengen en passende zorg en ondersteuning te ontvangen? En kunt u aangeven op basis van welke gegevens er bij zorg die ingekocht wordt met een PGB vaker sprake zou zijn van een afhankelijkheidsrelatie dan bij zorg in natura? Is het niet juist zo dat een budgethouder veel meer eigen regie heeft met een PGB dan wanneer zorg in natura wordt ingekocht? Hoe ziet u dit?
Als budgethouder ben je zelf primair aan zet bij het organiseren van je zorg en ondersteuning, inclusief het toezien op kwaliteit van zorg en rechtmatige besteding. Je schakelt als individu direct met de verstrekker; de verstrekker heeft op zijn beurt geen directe, formele relatie met het wooninitiatief. Als er zorgen bestaan op het niveau van het wooninitiatief, bijvoorbeeld over de kwaliteit van zorg of de besteding van zorggeld, dan kan een verstrekker het wooninitiatief daar niet direct op aanspreken. Dat kan alleen de budgethouder zelf doen, die op individueel niveau minder sterk staat en zodoende een grote(re) afhankelijkheid heeft ten opzichte van het wooninitiatief. Dat geldt nog sterker als een budgethouder niet bewust heeft gekozen voor het pgb en minder de mogelijkheden voor het organiseren van zorg op maat met een pgb benut. De verstrekker kan alleen op het niveau van de budgethouder informatie over bijvoorbeeld declaraties of kwaliteit van zorg achterhalen en is daarbij afhankelijk van de pgb-vaardigheid en bereidheid van budgethouders om zaken aan te kaarten. Omdat budgethouders bijvoorbeeld niet tevreden zijn over de zorg, maar vrezen hun woonplek te verliezen, gebeurt dat niet altijd.
Waarom wordt er niet gekozen voor een overgangsfase waarin geëxperimenteerd wordt met beide vormen?
Zoals aangegeven (bij de beantwoording van vraag 1) beoog ik geen algehele afschaffing van het pgb in wooninitiatieven. Ik wil wel de beweging naar contractering inzetten op die plekken waar het pgb niet volgens het centrale uitgangspunt (bewuste keuze van mensen die pgb-vaardig zijn, eigen regie) wordt ingezet. Daarbij zal ik zorgvuldig te werk gaan. In die gevallen waarin een wooninitiatief onvoldoende vormgeeft aan de uitgangspunten van het pgb, krijgt het initiatief de kans zich daar alsnog op in te richten. Als dat niet gewenst is of niet lukt, dan zal aangestuurd worden op contractering. Uiteraard zullen verstrekkers er in die gevallen zorg voor dragen dat wooninitiatieven voldoende tijd en mogelijkheid hebben om over te stappen naar gecontracteerde zorg. Met verstrekkers onderzoek ik bovendien hoe de contractering eventueel toegankelijker kan worden gemaakt.
Kunt u aangeven waar u het oordeel dat zonder een directe sturingsrelatie met de zorgaanbieder de verstrekker minder zicht heeft op de rechtmatige besteding op baseert?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Was het «feitelijk als zorg in natura functioneren» al eerder een criterium voor u of uw voorganger om te besluiten PGB niet toe te staan voor een bepaald type zorg of woonvorm? Kunt u daar meer toelichting op geven?
Nee, dit is niet eerder een criterium geweest. Het is in de praktijk aan de gemeente of het zorgkantoor om te bepalen of het pgb passend is.
Bent u bekend met de ontwikkeling van de checklist eigen regie? Zo ja, vindt u het een goed idee om de checklist verder door te ontwikkelen tot een meetlat eigen regie, zodat er niet alleen gekeken kan worden naar de mate van eigen regie, maar dat er ook verbeterpunten naar voren komen waaraan gewerkt moet worden om alsnog als PGB-waardig gezien te worden?
Ik ben bekend met deze checklist (gesprekeigenregie.nl), die ik samen met cliënten- en belangenorganisaties heb ontwikkeld.5 Deze website en bijbehorende vragenlijst worden later dit jaar gelanceerd. Met behulp van gesprekeigenregie.nl weet een cliënt heel precies waar hij/zij op kan letten bij de keuze voor een wooninitiatief als het gaat om eigen regie.
In mijn brief aan uw Kamer van 20 mei jl. gaf ik aan dat dit instrument een eerste aanknopingspunt kan zijn om te concretiseren hoe eigen regie minimaal vorm moet krijgen voor budgethouders in wooninitiatieven. Het startpunt is maatwerk vanuit het cliëntperspectief; per initiatief wordt bekeken of het pgb wel/niet passend is. Over de vraag hoe dat er precies uit moet zien en of de vorm van een meetlat daarbij het meest passend is, voer ik de komende tijd het gesprek met Per Saldo, BVKZ en andere belangen- en cliëntenorganisaties.
Hoe kijkt u naar de zorgen en de ophef die zijn ontstaan onder bewoners van wooninitiatieven en onder de initiatieven zelf over of hun bestaanszekerheid kwetsbaar is geworden en kunt u aangeven in hoeverre deze zorgen en onzekerheid terecht zijn?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 1 en 2.
Bent u het eens dat niet elk wooninitiatief op dezelfde wijze werkt en dat per initiatief goed gekeken moet worden naar de tevredenheid van bewoners en naasten? Hoe wordt met dit besluit maatwerk geleverd?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 9.
De aanhoudende chaos bij asielzoekerscentrum Ter Apel en de bevindingen van het Rode Kruis |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rode Kruis trekt handen af van Ter Apel»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe duidt u de bevindingen van het Rode Kruis die waarschuwt voor de «onmenselijke en onhoudbare situatie»? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven waarin u ook ingaat over de zorgen van de hulporganisatie aangaande de veiligheid op het terrein?
Het Rode Kruis heeft op 16 juli jl. besloten de tenten die zij in Ter Apel ter ondersteuning had opgebouwd, te verwijderen. Dit omdat het Rode Kruis constateerde onder de omstandigheden geen goede ondersteunende hulp te kunnen bieden. Ik snap dat het Rode Kruis zich grote zorgen maakt over de situatie in Ter Apel, met name op die bewuste dag. Op 17 juni jl. heeft het kabinet besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren. Binnen de nationale crisisstructuur worden maatregelen in drie fasen getroffen. Allereerst wordt de crisisnoodopvang uitgebreid. Ten tweede worden 7.500 statushouders versneld gehuisvest. Als laatst wordt er gewerkt aan een oplossing voor doorstroming en huisvesting van statushouders na de periode van drie maanden. Dat is, gezien de huidige woningmarkt, geen gemakkelijke opgave. Op 9 augustus is uw Kamer per brief2 geïnformeerd dat deze maatregelen nog onvoldoende renderen waardoor er vaker mensen buiten het aanmeldcentrum de nacht doorbrengen en dat er onvoldoende crisisnoodopvangplekken zijn om deze mensen onder te brengen. In aanvulling op de eerdergenoemde maatregelen zijn de veiligheidsregio’s gevraagd om een deel van de opvangplekken voor Oekraïners die niet benut worden te komende tijd te benutten voor reguliere asielzoekers, en om opnieuw per veiligheidsregio’s 225 extra crisisnoodopvangplekken te realiseren. Het kabinet ziet zich daarnaast genoodzaakt om het RO-instrumentarium in te zetten om opvanglocaties te realiseren.
Waarom bent u horende doof en ziende blind inzake de opvangcrisis, waarbij u de regie volledig kwijt lijkt te zijn? Kunt u in uw beantwoording aangeven hoe u deze chaos gaat oplossen, zeker omdat we u vorige maand naar aanleiding van eerdere chaos ook al over de situatie bevraagd hebben.2
Ik kan u verzekeren dat alle inzet binnen de crisisstructuur erop is gericht om snel resultaten te boeken, zoals beschreven in de beantwoording van vraag 2. De stip op de horizon voor de lange termijn is de realisatie van een stabiel en robuust asielsysteem met een stabiel opvanglandschap door middel van implementatie van «de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen» en het creëren van een wettelijke taak voor gemeenten om een bijdrage te leveren aan de opvang van asielzoekers.
Voor een uitgebreid overzicht van alle maatregelen verwijs ik naar de Tweede Kamerbrief van 9 augustus jl4.
Deelt u de mening dat u de kraan moet dichtdraaien als de emmer overloopt? Zo ja, wilt u eindelijk komen tot immigratiebeperkende maatregelen? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan?
Nee, die mening deel ik niet. Het uitgangspunt van het Nederlandse migratiebeleid is dat Nederland bescherming biedt aan mensen die vluchten voor oorlog, vervolging en geweld. Daarbij komt dat Nederland verplicht is om zich te houden aan internationaal en Europeesrechtelijke verdragen als ook het Unierecht op basis waarvan o.a. asielzoekers die een asielaanvraag doen recht op opvang hebben. Dit laat uiteraard onverlet dat wij ons in Europees verband inzetten om meer grip te krijgen op de irreguliere asielstromen naar de Unie en Nederland. Over die inzet wordt uw Kamer in de geannoteerde agenda en verslagen van de JBZ-Raad geïnformeerd.
Tijdens het commissiedebat van 30 juni jl. heb ik uw Kamer een juridische verkenning toegezegd naar o.a. een tijdelijke asielbehandelstop, op de voet van artikel 111 van de Vreemdelingenwet. Ik kom hier na het zomerreces op terug.
Opnieuw de vraag hoeveel asielzoekers Nederland volgens u nog aankan? Kunt u daar, met de kennis van nu, gedetailleerd op ingaan?
Het Kabinet streeft naar meer grip op migratie. Dit is nodig om ervoor te zorgen dat migratie aansluit op de draagkracht en behoefte van de Nederlandse samenleving. Zoals ook vermeld in mijn brief van 5 juli jl. met de beantwoording van de gestelde vragen tijdens het commissiedebat van 30 juni jl., begint dat met kennis en inzicht. Het kabinet werkt op verschillende manieren aan het vergroten van de kennis over de gevolgen van migratie op de Nederlandse samenleving. Zo is de Adviescommissie Vreemdelingenzaken gevraagd om een advies over de inzet van een beleidsmatig richtgetal van migratie. Daarbij is ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor het incorporatievermogen van de samenleving. Het advies van de ACVZ weegt mee bij de beleidsontwikkeling rondom dit onderwerp. Naar de planning van de ACVZ verschijnt dit advies na het zomerreces.
Opnieuw de vraag wat uw antwoord is aan geografen die stellen dat het absorptievermogen van Nederland is bereikt en dat de aanhoudende bevolkingsgroei Nederland ontwricht? Kunt u daar, met de kennis van nu, gedetailleerd op ingaan?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gaat u concreet doen om asielzoekerscentrum Ter Apel te ontlasten? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan, met een lange termijn visie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt u de veiligheid van bewoners en ondernemers in Ter Apel en omgeving? Kunt u daar gedetailleerd op ingaan?
Dat overlast van asielzoekers ook impact heeft op bewoners en ondernemers in de gemeente Westerwolde, is mij bekend en neem ik uiterst serieus. Het ministerie is continu in gesprek met het COA, de gemeente, ondernemers en omwonenden omtrent de veiligheid en ook zijn er diverse maatregelen getroffen om de veiligheid te borgen. Zo zijn er in het winkelcentrum van Ter Apel dagelijks Boa’s aanwezig. Over het brede palet aan maatregelen bent u per Kamerbrief van 29 juni jl. geïnformeerd.
De onzichtbaarheid van de premier in het maatschappelijk debat over de dringende noodzaak om de natuur te herstellen en de stikstofmaatregelen die daarvoor nodig zijn |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat de huidige stikstofcrisis – de «muur» waar het kabinet tegen aan is gereden – veroorzaakt is door politieke keuzes die (ook) in uw kabinetten zijn gemaakt, denk aan het afschaffen van de Ecologische Hoofdstructuur en de bezuiniging van 70% op het natuurbudget door het kabinet-Rutte I, het doorzetten van het toen al omstreden Programma Aanpak Stikstof (PAS) in het kabinet-Rutte II en een volstrekt ontoereikende stikstofwet in het kabinet-Rutte III? Erkent u dat u eindverantwoordelijk was voor uw kabinetsbeleid op dit gebied? Zo nee, wie was dan wel eindverantwoordelijk voor deze keuzes?
Zoals vaker benoemd, ben ik als Minister-President verantwoordelijk voor datgene wat er onder mijn bewind gebeurt, dus ook voor de gemaakte beleidskeuzes in het natuur- en stikstofbeleid. Als je over langere tijd de verantwoordelijkheid draagt, is het onvermijdelijk dat het voorkomt dat niet de juiste keuzes zijn gemaakt. Daarbij is het van belang om dat op zo’n moment te erkennen en bij te sturen, wat ook gebeurd is op het stikstofdossier na de uitspraak van de Raad van State over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) op 29 mei 2019.
Voelt u zich verantwoordelijk voor de maatschappelijke onrust die is ontstaan nu na lang dralen en talmen alsnog maatregelen door uw kabinet zijn afgekondigd om de uitstoot van stikstof terug te dringen?
Het kabinet heeft direct na de PAS-uitspraak in november 2019 besloten tot een eerste maatregelenpakket voor de stikstofproblematiek in de woningbouw- en infrastructuursector, gevolgd door de structurele aanpak stikstof in april 2020 waarvoor ruim € 5 miljard beschikbaar is gesteld. Daarnaast is op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering inwerking getreden waarin harde stikstofreductiedoelen zijn opgenomen. In het coalitieakkoord zijn de te realiseren doelen verbreed1 en aangescherpt; voor het onontkoombaar terugbrengen van de stikstofuitstoot en -depositie en de daarvoor benodigde transitie van de landbouwsector is incidenteel 25 miljard euro gereserveerd. De richtinggevende stikstofreductiedoelen, die vorige week per gebied bekend zijn gemaakt, zijn nodig om de stikstofdoelen te realiseren en het herstel en behoud van natuur en biodiversiteit te borgen, wat ook voor de landbouw van cruciaal belang is.
Het kabinet is zich ervan bewust dat de doelen voor ondernemers hard zijn aangekomen, de opgave is in sommige gebieden groot. Het is van belang dat provincies, samen met de gebiedspartners, in de gebieden tot passende oplossingen te komen. De doelen zijn nog niet in beton gegoten, maar geven richting aan het gebiedsproces en kunnen nog worden aangepast aan de hand van nieuwe inzichten. En zoals ook in het coalitieakkoord opgenomen zullen alle sectoren, dus ook de industrie en de mobiliteitssector, een evenredige bijdrage leveren aan het oplossen van het stikstofprobleem.
Hoe gaat u die verantwoordelijkheid waarmaken?
Zoals in het voorgaande antwoord is benoemd, neemt het kabinet zijn verantwoordelijkheid. Die blijft het kabinet ook nemen, omdat de stikstofproblematiek niet van vandaag op morgen is opgelost.
Erkent u dat u mensen met uw uitspraak bij Nieuwsuur uit mei vorig jaar – «Neem stikstof, daar hadden we meer tijd voor moeten nemen, in plaats van meteen het probleem op te lossen» – in de veronderstelling hebt gebracht dat het probleem daadwerkelijk was opgelost? Erkent u dat dit soort uitspraken bijdragen aan de onrust die is ontstaan nu er toch verdergaande maatregelen nodig blijken?
Uit het feit dat in het coalitieakkoord € 25 miljard is gereserveerd voor de aanpak van de stikstofproblematiek, blijkt duidelijk dat het stikstofprobleem niet is opgelost. Met mijn uitspraak bij Nieuwsuur heb ik dan ook niet de indruk gewekt dat het probleem reeds was opgelost.
Wat gaat de bevolking van u horen of zien in het verdedigen van de noodzaak om de natuur eindelijk te beschermen tegen de schade die ammoniak (uit de veehouderij) en stikstofoxiden aanrichten in de natuur? Bent u bereid om aan de Nederlandse bevolking en boeren duidelijk uit te leggen dat de achteruitgang van de natuur op dit moment escaleert (op sommige plaatsen al bijna onherstelbaar is verdwenen) en de vergunningverlening voor bijvoorbeeld woningen daardoor grotendeels stilligt?1
Het kabinet vindt het herstel en behoud van natuur en biodiversiteit belangrijk. Dat blijkt ook uit de reeds genomen stikstofmaatregelen, de afspraken uit het coalitieakkoord en de startnotitie van het Nationaal Programma Landelijk Gebied met daarin de richtinggevende stikstofreductiedoelen. Zoals bij elk kabinetsbesluit zal ik daar voor staan en dat toelichten en verdedigen wanneer dat aan de orde is.
Wat gaat de bevolking van u horen of zien als het gaat om reflectie op de eigen politieke keuzes die tot deze dramatische situatie hebben geleid?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 al benoemd, is het van belang om bij te sturen als op enig moment blijkt dat niet de juiste keuzes zijn gemaakt. Dit heeft het kabinet bij het stikstofbeleid ook gedaan, na de uitspraak van de Raad van State over de PAS.
Kunt u zich er iets bij voorstellen dat de premier wordt gemist in deze onrustige tijden voor Nederland?
In het Nederlands staatsbestel dragen Ministers verantwoordelijkheid voor hun eigen beleidsterrein. Daarom voeren de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit primair het woord over het stikstof- en landbouwbeleid.
Zoals bij het antwoord op vraag 5 benoemd, zal ik als Minister-President dat beleid toelichten en verdedigen wanneer dat aan de orde is.
Begrijpt u dat mensen verwachten dat de Minister-President naar voren stapt om zelf ook dit beleid, dat veel losmaakt in ons land, te verdedigen – en het niet alleen overlaat aan de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit?
Zie antwoord op vraag 7.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voorafgaand aan het Kamerdebat over het stikstofbeleid en het perspectief voor de Nederlandse boeren?
Ja.
Ard B. die vastzit in een Franse cel |
|
Pieter Omtzigt |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het door RTV Oost op 14 juni 2022 gepubliceerde artikel over de ziekte van Ard B. die vastzit in een Franse cel?1
Ja.
Klopt het dat Ard B. zijn straf maximaal vier maanden zou uitzitten in Frankrijk om vervolgens uitgeleverd te worden aan Nederland? Zo ja, deelt u de mening dat Nederland zich actief moet inzetten voor deze uitlevering?
De rechtbank Amsterdam heeft in een lopende strafzaak de overlevering van betrokkene door Nederland aan Frankrijk toegestaan. De overlevering is toegestaan nadat Frankrijk aan Nederland een terugkeergarantie heeft afgegeven. Dit betekent dat is gegarandeerd dat betrokkene, na een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf, naar Nederland kan terugkeren om de straf te ondergaan. Mij is geen toezegging bekend dat betrokkene maximaal vier maanden in een Franse cel zou doorbrengen.
Net als in andere zaken heeft de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS) van de Dienst Justitiële Inrichtingen zich ook in deze zaak actief ingezet voor het tot stand brengen van de strafoverdracht door Frankrijk aan Nederland. Nadat het strafvonnis onherroepelijk is geworden, heeft de advocaat van betrokkene bij IOS kenbaar gemaakt dat hij zijn straf in Nederland wilde ondergaan. Hierop heeft IOS de Franse autoriteiten meerdere keren verzocht om de procedure tot strafoverdracht te starten. Op 10 juni jl. heeft Frankrijk aan Nederland verzocht om de tenuitvoerlegging van de straf over te nemen en is de procedure met voorrang gestart. Op 28 juni jl. heb ik ingestemd met de overbrenging van betrokkene op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Dit betekent dat IOS, in overleg met de Franse autoriteiten, betrokkene zo spoedig mogelijk over laat brengen naar Nederland.
Is er met oog op het humane en medische aspect van deze gedetineerde aanleiding voor u om de uitlevering van deze gedetineerde van Frankrijk naar Nederland te bevorderen?
Het doel achter de strafoverdracht is gericht op resocialisatie. Om te oordelen of er een resocialisatiebelang is, wordt er getoetst aan de criteria binding met Nederland en strafrestant. Humanitaire omstandigheden hebben geen invloed op de beoordeling van deze criteria. In deze zaak hebben de humanitaire en medische omstandigheden er wel toe geleid dat de casus met voorrang in behandeling is genomen, zowel door IOS als door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De voorgenomen afschaffing van de BPM-vrijstelling voor bestelauto’s |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wat zijn de doelstellingen van de afschaffing van de BPM-vrijstelling (zoals genoemd in het coalitieakkoord) voor bestelauto’s en kan het kabinet inzage geven in de verwachte verduurzaming van het wagenpark van bestelauto’s door deze maatregel?
Zoals de Algemene Rekenkamer in haar onderzoek Effecten van elektrische auto’s en bestelauto’s 1 heeft aangegeven stoten bestelauto’s, vergeleken met personenauto’s, relatief veel CO2, stikstofoxiden en fijnstof uit. Bestelauto’s dragen hierdoor substantieel bij aan de totale emissie door het wegverkeer. Door de vrijstelling bestelauto ondernemer in de bpm ontbreekt voor de ondernemer een prikkel om bij aanschaf van een bestelauto een milieuvriendelijker alternatief te kiezen. Naast het ontbreken van de milieuprikkel levert de bpm-vrijstelling een aanzienlijke belastingderving op. Als beleidsinstrument gaat deze regeling dan ook met hoge kosten gepaard. Het Coalitieakkoord bevat een aantal maatregelen die bijdragen aan de gestelde klimaatdoelen van dit kabinet. Concreet stelt het kabinet voor om in de Wet BPM 1992 de vrijstelling voor een bestelauto van de ondernemer (ondernemersvrijstelling) met ingang van 1 januari 2025 af te schaffen en de grondslag voor bestelauto’s om te zetten naar CO2-uitstoot. Hiermee wordt de grondslag in de bpm voor bestelauto’s gelijkgetrokken met die voor personenauto’s.
De maatregel zorgt ervoor dat ondernemers net als particulieren bpm gaan betalen. Het afschaffen van de ondernemersvrijstelling draagt dan ook bij aan de vereenvoudiging van de autobelastingen en leidt tot een budgettaire opbrengst. Tot slot is de verwachting dat de maatregel in 2030 leidt tot een CO2-reductie van circa 0,7 Mton, bovenop de verwachtingen van de Klimaat- en Energieverkenning 2021. Hierdoor bedraagt in 2030 de totale CO2-uitstoot van de bestelautomarkt in Nederland naar verwachting maximaal 2,9 Mton.
Waar is de CO2-opbrengst van 0,7 Mton precies op gebaseerd, welke aannames liggen daaraan ten grondslag?
De 0,7 Mton is het reductiedoel dat bij deze maatregel voor deze doelgroep in het coalitieakkoord is opgenomen. De CO2-opbrengst van de maatregel zoals die in de vorige vraag is toegelicht en opgenomen in het Belastingplan 2023 is gebaseerd op een doorrekening. In de bijlage treft u het rapport van deze doorrekening aan en de daarbij gehanteerde aannames.
Klopt het dat de cataloguswaarde van bestelauto’s leidend wordt bij de vaststelling van de BPM, en niet de CO2-uitstoot, zoals bij personenauto’s het geval is en waarom is daarvoor gekozen?
De cataloguswaarde wordt niet leidend voor het vaststellen van de hoogte van BPM. Bij de uitwerking van de maatregel is gebleken dat de netto cataloguswaarde zeer moeilijk handhaafbaar is, doordat het geen authentiek gegeven is zoals bijvoorbeeld de CO2-uitstoot. Het risico op grote aantallen bezwaar- en beroepsprocedures is groot. De CO2-uitstoot betreft wel een authentiek gegeven waarvan de kwaliteit wordt geborgd via de basisregistratie van de RDW. Het gebruik van de CO2-uistoot als grondslag sluit bovendien beter aan op de bpm-systematiek. Gelet hierop bevat het Belastingplan 2023 het voorstel om de bpm voor alle bestelauto’s (van zowel particulier als ondernemer) te baseren op de CO2-uitstoot.
In hoeverre verwacht het kabinet een negatief effect van de maatregel, doordat de import van fossiele bestelauto’s aantrekkelijker wordt en doordat de aankoop van fossiele, maar schonere bestelauto’s ontmoedigd wordt?
De beëindiging van de vrijstelling voor ondernemers en de aanpassing van de grondslag naar CO2 vormen een belangrijke prikkel om een emissievrije bestelauto aan te schaffen in plaats van een conventionele bestelauto. Uit de doorrekening van de maatregel blijkt dat de ingroei van nieuwverkochte emissievrije bestelauto’s naar verwachting stijgt van 33% (zonder bpm-maatregel) naar 86% (met bpm-maatregel) in 2030. Dit komt doordat de zogenoemde total cost of ownership (TCO) als gevolg van het beëindigen van de vrijstelling, voor emissievrije bestelauto’s ook snel lager wordt in vergelijking tot conventionele bestelauto’s. Naar verwachting zal de TCO van emissievrije bestelauto’s in 2030 over een gebruiksduur van 6 jaar circa € 12.000 lager zijn dan de TCO van conventionele bestelauto’s.
Verder wordt als gevolg van deze maatregel ook meer import van conventionele bestelauto’s verwacht, maar het wagenpark wordt mede als gevolg van de invoering van de emissievrije zones in totaal wel een CO2-reductie gerealiseerd van 0,7 Mton in 2030.
Zoals bij antwoord 2 aangegeven treft u het rapport van deze doorrekening aan in de bijlage. Daarin staat bovenstaande nog meer in detail toegelicht.
De BPM is een belasting op personenauto’s en motorrijwielen (luxe goederen), en niet op bedrijfskapitaal zoals bestelauto’s. Wat is de juridische grondslag van het belasten van bestelauto’s binnen de BPM?
De bpm is een belasting op de inschrijving van een voertuig in het Nederlandse kentekenregister. In artikel 1 van de wet BPM 1992 is vastgelegd dat ter zake van de inschrijving van een bestelauto bpm is verschuldigd.
Welke alternatieven zijn overwogen om de doelen van het voorstel (CO2-reductie en financiële opbrengst) te realiseren?
Het betreft een uitwerking van de afspraak uit het coalitieakkoord om de vrijstelling van de bpm op bestelauto’s voor ondernemers af te schaffen. Zoals in antwoord 7 aangegeven is hierbij ook gekeken naar het alternatief van het bedrijfsleven.
Is het kabinet bereid met het bedrijfsleven in gesprek te gaan om te komen tot werkbare alternatieven voor het voorstel?
We staan met elkaar voor een grote opgave om de CO2-uitstoot richting 2030 verder te reduceren. Ik ben dan ook voortdurend met het bedrijfsleven in gesprek om vast te stellen hoe we deze opgave kunnen realiseren. Ik begrijp dat de afschaffing van de vrijstelling leidt tot kostenverhoging van een conventionele bestelauto en dit zwaar valt bij het bedrijfsleven. De sector kwam met een alternatief voorstel dat uitgebreid met ze is besproken. Zo zou in het voorstel van de sector de ingroei van emissievrije bestelauto’s gestimuleerd kunnen worden met een verlenging van de aanschafsubsidie (SEBA) voor emissievrije bestelauto’s na 1 januari 2025 in combinatie met het continueren van de vrijstelling/korting in de motorrijtuigenbelasting voor emissievrije bestelauto’s en het verhogen van de dieselaccijns. Bij dit alternatief ontbreekt echter de budgettaire opbrengst die beoogd is met deze maatregel en worden de lasten voor alle gebruikers van diesel verhoogd. Bovendien, zodra gestopt wordt met de stimulering zal de ingroei terugzakken naar het basispad waarmee stimulering niet doelmatig te noemen is. Het alternatieve voorstel acht ik daarom onwenselijk.
De gesprekken met het bedrijfsleven hebben me gesterkt in het idee dat het beter is de maatregel op CO2-uitstoot te baseren dan op cataloguswaarde. Verder geeft het afschaffen van de vrijstelling in de bpm voor bestelauto’s, ondernemers een vereenvoudiging van de autobelastingen op. Dit zou niet worden bereikt met een nieuwe korting in de motorrijtuigenbelasting of met het doortrekken van de aanschafsubsidie (SEBA).
Tot slot werd in het wetsvoorstel voor het Belastingplan 2023 het mrb-tarief voor bestelauto’s van ondernemers tweemaal verhoogd, om de lagere opbrengst van bpm-maatregel te dekken. Het kabinet is zich ervan bewust dat voornoemde dekkingsmaatregel zal resulteren in hogere lasten voor ondernemers die een bestelauto bezitten. Er is daarom gezocht naar een manier om de impact van deze mrb-maatregel te verminderen zonder afbreuk te doen aan de doelen die met de bpm-maatregel samenhangen (CO2-reductie en de realisatie van een budgettaire opbrengst). Met reeds ingediende nota van wijziging2 worden de voorgestelde mrb-tariefsverhogingen voor bestelauto’s van ondernemers voor 2025 en 2026 van respectievelijk 15% en 6,96% geschrapt.
Het bericht ‘Woonadressen van advocaten duiken geregeld op in strafdossiers’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Woonadressen van advocaten duiken geregeld op in strafdossiers. «Onacceptabel en ronduit gevaarlijk»»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat het Openbaar Ministerie (OM) woonadressen van advocaten in strafdossiers herleidbaar heeft opgenomen?
Dit is zeer ongewenst en zorgelijk. Er bestaat geen enkele reden of noodzaak om (afgeschermde) privéadressen van advocaten, of andere geheimhouders, in het strafdossier op te nemen. Dat geldt overigens niet alleen voor het privéadres van geheimhouders, maar ook voor zogenoemde verkeers- en locatiegegevens (meta-gegevens) die betrekking hebben op een «geheimhoudergesprek» (bijvoorbeeld een gesprek met een advocaat).
Wat vindt u van het feit dat in sommige dossiers bijna alle betrokkenen anoniem zijn, maar advocaten kennelijk niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke redenen, of grondslagen, zijn er volgens u om in een strafdossier te registeren dat met een advocaat gebeld is?
In het strafdossier dient te worden verantwoord op welke wijze is gehandeld bij het «onderscheppen» van een geheimhoudergesprek in het kader van een bevel opnemen telecommunicatie. Op grond van art. 4a lid 1 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken wordt, indien bij het opnemen van telecommunicatie een nummer van een advocaat wordt herkend, het opnemen van de communicatie onmiddellijk beëindigd, maar worden wel (uitsluitend) de gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en het gevoerde communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker verwerkt.
Het is echter niet noodzakelijk, en bovendien onwenselijk, om alle verkeers- en locatiegegevens, alsmede de gebruikersgegevens van een geheimhouder, waaronder het (privé)adres, in het dossier te vermelden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de woonadressen van advocaten niet herleidbaar zijn in strafdossiers?
De betrokken partijen, waaronder het OM, de politie en het Centraal informatiepunt onderzoek telecommunicatie (CIOT) onderzoeken in overleg met de advocatuur op welke wijze het opnemen van privégegevens van advocaten in de processtukken kan worden voorkomen. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft de advocatuur op haar website gewezen op het voorgaande en het advies opgenomen om te bezien of het verstandig is om het mobiele telefoonabonnement op een kantooradres te registreren.
Bent u bereid om indringend een gesprek met het OM te voeren over deze gang van zaken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben hierover al in gesprek met de betrokken partijen, waaronder het OM. Ik heb er vertrouwen in dat genoemd onderzoek tot een goede oplossing leidt.
Het bericht ‘Veel financieel kwetsbare ouderen maken geen gebruik van inkomensvoorzieningen’ van de Nationale Ombudsman |
|
Don Ceder (CU) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Nationale ombudsman «Met te weinig genoegen nemen»1?
Ja, het rapport is mij op 16 juni jl. aangeboden, waarbij de Nationale ombudsman mij gevraagd heeft om binnen drie maanden op de conclusies uit het rapport te reageren. Een afschrift van deze reactie doe ik hierbij aan uw Kamer toekomen.
Hoe worden ouderen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geïnformeerd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en/of gemeenten over mogelijke aanvullende voorzieningen, naast Algemene Ouderdomswet (AOW)?
Enkele maanden voordat de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt, start de SVB met het bevorderen van AOW- en AIO-aanvragen door betrokkenen erop te wijzen om op tijd een AOW-uitkering en eventueel een AIO-uitkering aan te vragen. In de communicatie wijst de SVB ook op de mogelijke gevolgen van pensionering voor belastingen en toeslagen en wijst de SVB ook de mogelijkheden die gemeenten kunnen bieden.
Vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft men geen recht meer op werknemersverzekeringen (uitgezonderd Ziektewet). UWV heeft bij deze gebeurtenis de taak om deze verzekeringen en eventuele bijbehorende uitkeringen met ingang van de AOW-leeftijd te beëindigen. UWV heeft in de communicatie verder geen relatie met AOW-gerechtigden, maar beschikt als beheerder van de polisadministratie wel over inkomensgegevens die voor de SVB relevant zijn. Dat is de reden dat UWV betrokken is in een pilot met de SVB waarin wordt gewerkt aan een aanpak waarmee deze informatie gebruikt kan worden voor een pro-actieve benadering van mensen met mogelijk recht op AIO.
Vanaf de pensioengerechtigde leeftijd heeft men geen recht meer op gemeentelijke algemene bijstand. Vanaf die leeftijd wordt, indien men daarvoor in aanmerking komt, algemene bijstand in de vorm van Aanvullende Inkomensvoorziening voor Ouderen (AIO) door de SVB verleend. Dat is veelal in combinatie met een gedeeltelijke AOW. Gemeenten moeten de algemene bijstand dan beëindigen, wijzen betrokkenen op de informatie van de SVB en werken daarvoor ook samen met de SVB. Daarnaast houden gemeenten wel de verantwoordelijkheid voor zaken als bijzondere bijstand (incl. zorgverzekering), kwijtschelding gemeentelijke lasten en een seniorenpas. Daarover blijven zij ook na de pensioengerechtigde leeftijd met hun burgers communiceren.
Bent u bereid om met gemeenten en landelijke uitvoeringsorganisaties in gesprek te gaan over de aanbeveling van de Nationale ombudsman om ouderen (herhaaldelijk) pro actief te benaderen aangaande mogelijke inkomensregelingen?
Zoals ik in mijn reactie op het rapport van de Nationale ombudsman aangeef, zijn gemeenten en landelijke uitvoeringsorganisaties op verschillende manieren aan de slag met een proactieve benadering.
Bent u het met de Nationale ombudsman eens dat eenvoudigere aanvraagprocedures kunnen leiden tot een lager niet-gebruik van inkomensregelingen?
Ik deel deze opvatting. De uitvoeringsorganisaties gaan bijvoorbeeld werken met vooringevulde aanvraagformulieren en gaan meer ondersteuningsmogelijkheden bij de aanvraag bieden.
Hoe beoordeelt u het huidige beleid aangaande het bereiken van ouderen voor het voorkomen van niet-gebruik van inkomensvoorzieningen?
Ik vind het belangrijk dat mensen de inkomensvoorzieningen krijgen waar ze recht op hebben. Dat is belangrijk om armoede te voorkomen en te bestrijden en dat geldt niet alleen voor ouderen. Het tegengaan van niet-gebruik heeft mijn prioriteit en maakt deel uit van de aanpak van geldzorgen, armoede en schulden, die ik in mijn brief aan uw Kamer van 12 juli jongstleden uiteen heb gezet (Kamerstuk 24 515, nr. 643). In deze aanpak komen de elementen terug die de Nationale ombudsman benoemt als het gaat om communicatie, het investeren in intermediairs, het benutten van contacten uit de omgeving van betrokkenen en om het inzetten op een meer proactieve overheid met betrekking tot gegevensuitwisseling. Daarbij ben ik met het onderzoek naar pensionering als levensgebeurtenis op zoek naar mogelijkheden om het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en de vele veranderingen die dit met zich meebrengt voor mensen te versimpelen.
Hoe denkt u over de aanbeveling van de Nationale ombudsman om aan de hand van beschikbare data of door gegevensuitwisseling tussen overheidsinstanties aanvraagprocedures te vereenvoudigen?
Ik ben het eens met de Nationale ombudsman dat het streven moet zijn met beschikbare data of door gegevensuitwisseling de aanvraagprocedures te vereenvoudigen. Dan gaat het bijvoorbeeld om de vooringevulde aanvraagformulieren en het proactief tegengaan van niet-gebruik.
Waar de Nationale ombudsman aanbeveelt om inkomensvoorzieningen waaraan geen verplichtingen verbonden zijn, automatisch toe te kennen, gebeurt dat in de praktijk soms al. Denk bijvoorbeeld aan de energietoeslag die gemeenten ambtshalve toekennen aan bijstandsgerechtigden inclusief AIO. Maar vaak is zoiets niet goed mogelijk, omdat er toch verplichtingen aan de inkomensvoorziening verbonden zijn, veel informatie – ook van de betrokkene zelf – nodig is en daarbij de inrichting van de gegevensuitwisseling waarop beslissingen moeten worden gebaseerd zelf ook omvangrijk en complex zou worden. Mede daarom kom ik in de bovengenoemde «Aanpak van geldzorgen, armoede en schulden» tot een variant die hier wel bij aansluit, maar flexibeler en minder ingrijpend is. Dat is het bieden van een juridische basis voor gegevensuitwisseling die een pro-actieve dienstverlening van overheidsinstellingen ondersteunt om mensen gerichter te benaderen, te informeren en zo nodig te helpen met de aanvraag, met waarborgen voor de bescherming van privacy. Maar we blijven bezien hoe we – voor zover mogelijk – een aanvraag kunnen vereenvoudigen of automatisch kunnen toekennen.
Het bericht 'Te weinig rechters in Gelderland, 1500 rechtszaken geschrapt' |
|
Joost Sneller (D66), Mirjam Bikker (CU), Raymond Knops (CDA), Michiel van Nispen (SP), Laura Bromet (GL), Kees van der Staaij (SGP), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Te weinig rechters in Gelderland, 1500 rechtszaken geschrapt»?1
Ja.
Wat vindt u er van dat het Openbaar Ministerie (OM) deze vergaande stap noodzakelijk acht?
Ik betreur het zeer dat zich het Openbaar Ministerie genoodzaakt ziet dit te doen, zeker voor zover het zaken betreft waarbij slachtoffers betrokken zijn. Daar waar slachtoffers erop vertrouwden dat een rechter een onafhankelijk oordeel zou vellen over de zaak waar ze bij betrokken waren, gebeurt dit nu niet.
Hoe weegt u de gevolgen die deze stap heeft voor het vertrouwen van Nederlanders dat recht gedaan wordt na overtredingen en dat rechtsherstel volgt door een goed functionerende strafrechtketen?
De uitdaging is groot om de doorlooptijden van strafzaken structureel te verkorten. Tegelijkertijd zijn we verplicht aan slachtoffers, betrokkenen, verdachten en de samenleving om ons hier onverminderd voor in te zetten. Op de langere termijn zullen de gelden uit het coalitieakkoord leiden tot de inzet van extra menskracht. Voor de korte termijn houden wij met de strafrechtketenorganisaties de vinger aan de pols en overleggen periodiek over de voortgang, zoals die van het Actieplan strafrechtketen die gericht is op het verkorten van de doorlooptijden van zaken op het gebied van veel voorkomende criminaliteit (VVC) en de monitoring van voorraden.
Kunt u aangeven welke factoren ertoe hebben geleid dat deze stap nu wordt gezet? Welk beeld heeft u bij de andere arrondissementen en hoe weegt u de gevolgen daarvan?
De reden dat deze stap door het Openbaar Ministerie is gezet, is het gebrek aan capaciteit bij de rechtbank Gelderland. Hoewel ook in andere arrondissementen tekorten aan rechters zijn waardoor niet alle zaken op tijd kunnen worden behandeld, zijn de achterstanden bij de rechtbank Gelderland verreweg het grootst.
Zowel het Openbaar Ministerie als de Rechtspraak spannen zich maximaal in om te voorkomen dat ook elders in Nederland tot dit soort vergaande maatregelen moeten worden overgegaan. Sepotbeslissingen van vergelijkbare omvang in andere arrondissementen liggen daarom niet voor de hand.
Wat wordt gedaan dit in de toekomst in Gelderland, maar ook bij de andere arrondissementen te voorkomen, met in achtneming van de eigenstandige positie van u en van de rechtspraak en het OM? Welke taak ziet u daarbij voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid? Welk tijdspad heeft u daarbij voor ogen?
De Rechtspraak heeft het aantal rechters in opleiding vergroot van 80 naar 130 per jaar, waarvan er op dit moment 20–25 in opleiding zijn bij de rechtbank Gelderland. Daarnaast wordt bij de rechtbank Gelderland de rechters-capaciteit in de sector strafrecht versterkt door rechters uit andere rechtsgebieden naar de sector strafrecht over te plaatsen. Dat lost de problemen op korte termijn echter niet meteen op. Het opleiden van nieuwe rechters kost 1 tot 3 jaar, de personeelstekorten zullen er daarom nog wel enige tijd zijn. Naast het aannemen en opleiden van extra mensen, onderzoeken de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie daarom ook andere mogelijkheden om de doorlooptijden in strafzaken terug te dringen en voorraden beter te beheren, zoals hiervoor is vermeld.
Op welke wijze worden slachtoffers actief geïnformeerd over de mogelijkheid bezwaar te maken? Is het ook mogelijk slachtoffers op een meer laagdrempelige wijze bezwaar te laten maken tegen sepot?
Er wordt gekeken op welke wijze het beste tegemoet kan worden gekomen aan de slachtoffers. In de zaken waarin slachtoffers schade hebben geleden, wordt beoordeeld of dat aanleiding is om de verdachte alsnog te dagvaarden op de geringe gereserveerde zittingsruimte of een OM-strafbeschikking op te leggen. Er wordt alleen overgegaan tot het opleggen van een OM-strafbeschikking als de zaak daarvoor geschikt is. In de beoordeling daarvan wordt de rechtsbescherming van alle betrokken partijen betrokken. Wanneer dagvaarden of een OM-strafbeschikking niet mogelijk is en de zaak wordt geseponeerd, krijgen de slachtoffers (en hun advocaat) een brief met een toelichting op het sepot. Daarin wordt ook uiteengezet dat zij bezwaar kunnen maken bij het gerechtshof op grond van artikel 12 van het Wetboek van strafvordering. De wet biedt geen andere mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een sepotbeslissing.
De zaken worden nu beoordeeld. Wanneer er zicht is op het aantal slachtoffers, schade en dergelijke wordt besproken of SHN in de nazorg nog een rol kan hebben. Ook de inzet van herstelrecht kan worden overwogen. Tot slot wordt gekeken naar de mogelijkheden van compensatie van schade voor die gevallen waarin het niet vergoeden van de schade tot schrijnende situaties zou leiden.
Welke maatregelen worden getroffen om slachtoffers nazorg te verlenen indien dit nodig is, ook wanneer sprake kan zijn van ervaren leedtoevoeging door het niet doorgaan van een strafzaak?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe blijft er, in die zaken waar overgegaan wordt tot OM-afdoening, oog voor de rechtsbescherming van alle betrokken partijen, juist waar het zaken betreft waar aanvankelijk niet is geoordeeld tot OM-afdoening over te gaan?
Zie antwoord vraag 6.
Welke gevolgen heeft een toename van de artikel 12-procedure voor het gerechtshof en wat betekent een nieuwe toeloop voor zaken die reeds aanhangig zijn, maar ook voor de duur waarop mensen helderheid krijgen over het gevolg voor hun zaak?
Het gerechtshof zal alle artikel 12 Sv-klachten die binnenkomen kunnen en ook wettelijk moeten behandelen, waarbij wel geldt dat afhankelijk van de daadwerkelijke extra instroom de behandeltijden zouden kunnen oplopen. Het gerechtshof heeft intern wel geanticipeerd op een verhoogde instroom. Het is op dit moment nog niet bekend hoeveel zaken met slachtoffers er zijn.
Het plan van de Europese Commissie om gelijke productiestandaarden te eisen van niet EU-landen en de onmogelijkheid om dat in bestaande handelsverdragen, zoals CETA, te regelen. |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie heeft meegedeeld dat zij van plan is dezelfde duurzaamheidscriteria te eisen voor import van voedsel uit niet-EU landen als de duurzaamheidseisen die voor Europese boeren gaan gelden? Kunt u voorts bevestigen dat de EU milieu en klimaatheffingen op kan opleggen als niet-EU landen daar niet aan voldoen, en dat deze heffingen niet in strijd zijn met juridische bepalingen van de Wereldhandelsorganisatie WTO?1
De Commissie heeft op 3 juni jl. het rapport gepubliceerd over een onderzoek naar de juridische haalbaarheid en rationale van het toepassen van EU gezondheids- en milieunormen op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten.2 Het rapport maakt duidelijk dat het in specifieke, onder WTO-regels omschreven omstandigheden mogelijk is om autonome maatregelen te nemen die in overeenstemming zijn met het WTO kader. Daarbij geeft het rapport aan dat een maatregel niet discriminerend mag zijn, noch een kwantitatieve beperking. WTO leden dienen gelijke binnenlandse en buitenlandse producten op gelijke wijze te behandelen. Ook moeten WTO leden gelijke producten uit derde landen onderling gelijk behandelen. Artikel XX Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) bevat mogelijke gronden waarmee eventuele afwijkingen van de GATT gerechtvaardigd zouden kunnen worden, bijvoorbeeld om het wereldwijde milieu te beschermen of om aan ethische bezwaren tegemoet te komen, mits aan strenge voorwaarden wordt voldaan.
De Commissie geeft aan dat de inzet van autonome maatregelen geval per geval bekeken moet worden op WTO-conformiteit, de technische en economische haalbaarheid van controle mechanismen, en de daadwerkelijke impact in relatie tot het te bereiken doel.
Het rapport bevat ook een breed overzicht van een aantal EU-rechtshandelingen of wetgevingsvoorstellen die worden voorbereid om productiemethoden die verband houden met dierenwelzijn of milieubescherming in te perken. Zo worden de herziening van de EU-dierenwelzijnswetgeving, het voorstel voor een verordening inzake ontbossingsvrije producten, het voorstel voor het in aanmerking nemen van milieuaspecten bij de vaststelling van MRL’s, en een horizontale kaderwet voor een duurzaam voedselsysteem genoemd. Het is mogelijk dat er, aanvullend op de onderwerpen die genoemd worden, op termijn ook andere onderwerpen op komen. Er is nu al een breed palet aan onderwerpen waar aan gewerkt wordt, en tijdens de Landbouw- en Visserijraad op 13 juni jl. hebben de lidstaten aan de Commissie gevraagd daarover op regelmatige basis te rapporteren aan de Raad.
De Commissie geeft ook aan dat er risico’s zijn verbonden aan het nemen van autonome maatregelen. Dat betreft onder meer de kans dat een derde land maatregelen aanvecht in het kader van het geschillenbeslechtingssysteem van de WTO.
Kunt u bevestigen dat boeren en tuinders al lange tijd vragen om gelijke productiecriteria of extra heffingen op «goedkope» levensmiddelen uit niet-EU-landen, om oneerlijke concurrentie tegen te gaan?
Ja, er zijn boeren en tuinders die daartoe hebben opgeroepen.
Erkent u dat het importeren van producten uit landen waar lagere productiestandaarden gelden op het gebied van milieu en dierenwelzijn zorgen voor oneerlijke concurrentie voor Europese en Nederlandse boeren?
Juist omdat producenten in Nederland en/of de EU soms extra duurzaamheidsinspanningen moeten verrichten, en hun producten in sommige gevallen moeten concurreren met geïmporteerde producten van producenten die niet altijd aan dergelijke hoge milieu, arbeid- of dierenwelzijnsregels hoeven te voldoen, pleit ik voor aandacht voor dit onderwerp. Zoals bijvoorbeeld bij de Landbouw- en Visserijraad. Het kabinet zet via verschillende fora bovendien in op het verhogen van internationale standaarden op het gebied van milieubescherming en dierenwelzijn. Indien de EU-besluit om autonome maatregelen te treffen voor het op de markt plaatsen van producten, dient dit een bijdrage te leveren aan het gestelde milieu of dierenwelzijnsdoel en moet ook gezocht worden naar een zo min mogelijk handel verstorende maatregel. Dat maakt dat niet elk type maatregel geschikt is.
Dit laat onverlet dat de concurrentiepositie van Europese en Nederlandse boeren ook van een groot aantal andere factoren afhankelijk is, waaronder infrastructuur, scholing, innovatie, arbeidsproductiviteit en natuurlijke omstandigheden. Nederlandse boeren concurreren bovendien vaak op de kwaliteit van hun producten. Het is derhalve geen gegeven dat EU-wetgeving omtrent productie de doorslaggevende factor vormt in de concurrentiepositie van EU-bedrijven.
Nederland is een van de meest concurrerende economieën ter wereld met een sterke export gerichte landbouwsector. Nederland zet hierbij in op de export van kwalitatief hoogwaardige, duurzame producten in plaats van focus op grote volumes. Tegelijkertijd bieden buitenlandse markten een uitgelezen kans voor het agro-bedrijfsleven om een concrete bijdrage te leveren aan de mondiale transitie, met hoogwaardige producten én met kennis en kunde.
Erkent u dat importheffingen gebaseerd op onze hogere milieustandaarden het speelveld weer gelijk kunnen trekken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 3 gesteld, wordt het speelveld van de concurrentiepositie door vele verschillende factoren bepaald. Daaruit volgt dat importheffingen gebaseerd op hogere milieustandaarden niet automatisch bijdragen aan gelijk speelveld. De EU kan overigens geen autonome maatregelen treffen alleen omwille van het behoud van de concurrentiepositie van EU-bedrijven, omdat dit indruist tegen de WTO-regels.
In bilaterale handelsakkoorden worden importheffingen voor de handel met een derde land verlaagd vergeleken met de voor alle derde landen geldende WTO-tarieven. In deze handelsakkoorden gebruikt de EU-importheffingen en quota om gevoelige sectoren te beschermen.
Kunt u bevestigen dat er in Canada lagere productiestandaarden gelden op het gebied van onder andere dierenwelzijn en pesticiden dan in de EU? Kunt u voorts bevestigen dat desondanks Canadese landbouwproducten volgens afspraken in het vrijhandelsverdrag CETA (gedeeltelijk) tariefvrij naar de EU en dus ook Nederland mogen worden geëxporteerd?
Canada is lid van de OIE (Wereldorganisatie inzake Diergezondheid). Uit een evaluatierapport van deze organisatie blijkt dat er in Canada een relatief goed niveau van dierenwelzijn wetgeving en uitvoering is.
Met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hebben landen buiten de EU hun eigen wet- en regelgeving om te beoordelen of gewasbeschermingsmiddelen al dan niet op de markt mogen worden gebracht. Deze landen zullen daarbij rekening houden met bijvoorbeeld de landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van dat land.
Omdat er geen internationaal geldende regelgeving is op het gebied van dierenwelzijn, zet de EU in bilaterale handelsakkoorden in op samenwerking om gezamenlijk met derde landen de standaarden voor dierenwelzijn te verhogen. Ook in CETA is voorzien in afspraken om samen te werken op het verbeteren van dierenwelzijn. CETA biedt juist een platform om met Canada samen te blijven werken aan dierenwelzijn, voedselgezondheid en milieubescherming.
De EU heeft een aantal regels op het gebied van dierenwelzijn waaraan bij de import van goederen in de EU moet worden voldaan. Deze regels worden door CETA niet aangetast.
Onder CETA worden tarieven op veel goederen afgebouwd. Dit geldt niet voor alle goederen en met name voor een aantal landbouwgoederen blijven importheffingen en in sommige gevallen beperkte quota gelden. De meest gevoelige sectoren zoals eieren en pluimveevlees zijn geheel van liberalisering uitgesloten.
Kunt u bevestigen dat de afspraken die gemaakt zijn in een bilateraal handelsverdrag tussen de EU en een handelspartner, zoals CETA met Canada, de beleidsvrijheid wegneemt om nadien hogere duurzaamheidscriteria te eisen dan wel importtarieven te verhogen als de handelspartner in kwestie niet aan deze criteria wil voldoen?
Nee, CETA bevat ambitieuze hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling. Het principe dat overheden het recht hebben om te reguleren wordt in CETA herbevestigd. De EU en Canada bevestigen in CETA expliciet dat overheden de vrijheid houden om beleidsmaatregelen te treffen ten behoeve van milieubescherming (artikel 24.3).
Met betrekking tot importtarieven is de EU gebonden aan bepaalde tarieven waarover zij in WTO-verband afspraken heeft gemaakt. De EU kan deze tarieven niet eenzijdig verhogen. CETA heeft hier geen invloed op.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande debat over de perspectief- en stikstofbrief voor de landbouw?
Nee.
De bagatellisering van de Bersiap |
|
Simone Kerseboom (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Leids Indië-monument voor de tweede keer in drie weken gevandaliseerd, ditmaal met roze verf»?1
Ja.
Kunt u op dit vandalisme reflecteren?
Dit is een aangelegenheid van het lokaal bestuur. Het lokaal bestuur beschikt over de informatie en bevoegdheden die hierbij van belang kunnen zijn.
Maakt u zich, nu er wéér een incident heeft plaatsgevonden (op dezelfde dag als uw beantwoording op mijn vragen over de bagatellisering van de Bersiap), nog steeds geen zorgen dat de huidige, negatieve weergave van de Nederlandse inzet in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1950 tot vandalisme kan leiden en hoe verhoudt dat zich tot uw antwoord op vraag 10 van mijn Kamervragen van 25 mei 2022, waarin u stelt dat er geen aanwijzingen zijn vastgesteld voor een verband tussen het historisch revisionisme en negationisme over de genocide in Nederlands-Indië (de Bersiap) en het bekladden van monumenten die een eerbetoon zijn aan de mensen die hun leven hebben opgeofferd voor Nederland in deze periode?2
Nee. Dit is een aangelegenheid van het lokaal bestuur dat beschikt over informatie en bevoegdheden terzake.
Vindt u ook dat de gemeente met de vandalen «in gesprek» moet gaan? Is zo’n softe reactie wat u betreft gepast wanneer monumenten voor slachtoffers van genocide worden gevandaliseerd?
Het betreft geen aangelegenheid van de rijksoverheid maar van het lokaal bestuur dat beschikt over de relevante informatie en bevoegdheden om een situatie te beoordelen.
Ontkent u dat er genocide heeft plaatsgevonden in de Bersiaptijd, gezien uw antwoord op vraag 9 van mijn Kamervragen van 25 mei 2022?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Zou u de moord op duizenden (Indische) Nederlanders in de Bersiaptijd als genocide kenmerken? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Erkent u, op zijn minst, dat de Bersiap aspecten van een genocide heeft?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Indien het antwoord op vraag 6 en/of 7 nee is, zou u de moord op duizenden (Indische) Nederlanders tijdens de Bersiap als etnische zuivering kenmerken? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?
Het begrip moord heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op categoriën personen in elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Getroffen maatregelen op het ministerie van Financiën naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Mahir Alkaya (SP) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek of de onderzoeken onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Het kabinet heeft in een kabinetsbrief aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet? en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie wordt voorkomen dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
De ILO-uitspraak met betrekking tot de arbeidsvoorwaardelijke eisen voor KLM |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmenspel rond loonoffer KLM»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport van ILO-Committee on Freedom of Association (CFA) van maart 2022 (Case nr. 3398), waarin wordt vastgesteld dat de Nederlandse overheid ten onrechte de vakbonden niet heeft geraadpleegd en dat eventuele beperkingen alleen mogelijk zijn onder voorwaarde dat aan het voornoemde is voldaan, in een noodsituatie waarbij de maatregelen in duur strak beperkt moeten zijn en strikt niet langer dan dat exceptionele omstandigheden zich voordoen? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze vaststellingen?
Zoals ook aangeven in de Kamerbrief bij de derde rapportage van de staatsagent is het kabinet van mening dat er geen sprake is geweest van een zelfstandige eenzijdig opgelegde loonmaatregel vanuit de Nederlandse staat.2 In het kader van de benodigde kostenreductie en de verbetering van de concurrentiepositie heeft het kabinet aangegeven dat een substantiële bijdrage van het personeel nodig is langs het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Er is een voorstel gedaan op welke manier, conform dit principe, hier nadere invulling aan kan worden gegeven door KLM in overleg met de betrokken vakbonden. KLM heeft vervolgens afspraken met het personeel gemaakt over een bijdrage aan het verlagen van de kosten. Deze afspraken zijn opgenomen in een door KLM opgesteld herstructureringsplan, waarover uw Kamer in november 2020 is geïnformeerd.3
De Nederlandse staat is het met de aanbeveling van de ILO eens dat de maatregel niet langer dient te duren dan strikt noodzakelijk is. Het steunpakket voldoet hieraan, omdat de voorwaarden die zijn overeengekomen met KLM juridisch van kracht blijven tot de steun is afbetaald en beëindigd. Het ILO-rapport heeft geen juridische gevolgen voor de geldigheid van deze voorwaarden. Binnen het eerder beschreven uitgangspunt uit het steunpakket dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en de afspraak dat de beïnvloedbare kosten met minimaal 15% gereduceerd dienen te worden, zijn er bovendien mogelijkheden voor KLM en de bonden om de lonen van bepaalde doelgroepen te verhogen. De ILO heeft de Nederlandse staat opgeroepen om in gesprek te gaan met de vakbonden. Op 1 juli jl. heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie, KLM en de vakbonden.
Klopt het dat het Ministerie van Financiën op verzoek van de KLM haar zienswijze op het ILO-rapport over de handelwijze van de overheid bij het stellen van arbeidsvoorwaardelijke eisen met KLM heeft gedeeld? Kunt u deze brief aan KLM nog voor het commissiedebat staatsdeelnemingen van 22 juni a.s. ook met de beide Kamers delen?
De brief aan KLM is als bijlage toegevoegd. Daarin staat de zin waar u naar verwijst.
Kunt u bevestigen dat in deze brief van het ministerie aan KLM van 3 mei jl. staat: «er zijn geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden gesteld aan het steunpakket»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u dan ook publiekelijk afstand nemen van het standpunt dat er zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden zouden gelden waaraan KLM en/of KLM-medewerkers zouden moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de zienswijze van uw ministerie aan KLM in uw brief van 3 mei jl. zich tot uw publiekelijke uitspraken tijdens het debat in de Eerste Kamer over de aandelenemissie AF-KLM (d.d. 31 mei 2022) waarin u op vragen van de senaat aangeeft dat KLM niet voldoet aan «de voorwaarden voor het doorvoeren van structurele kostenreducties, dus de structurele kant, de arbeidsvoorwaardelijke bijdrage en het beëindigen van het faciliteren van mogelijke belastingontwijking»? Hoe kunt u dergelijke uitspraken (blijven) doen terwijl u richting KLM schriftelijk aangeeft dat er helemaal geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden zijn gesteld?
Onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt met KLM is het opstellen van een herstructureringsplan. Beoogd doel van dit herstructureringsplan is om de concurrentiepositie structureel te verbeteren door middel van een reductie van de beïnvloedbare kosten met minimaal 15%. Uw Kamer is op 3 november 2020 geïnformeerd over de goedkeuring van dit plan door het vorige kabinet. In deze Kamerbrief staan de belangrijkste elementen van dit herstructureringsplan, waaronder de afspraken die KLM heeft gemaakt met het personeel over een bijdrage aan het verlagen van de kosten.4
Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden verwijst de staatsagent naar dit herstructureringsplan en de commitering die KLM daarin is aangegaan. Het toezien op de implementatie en naleving van het herstructureringsplan is onderdeel van zijn werkzaamheden.5
In de leningsdocumentatie is vastgelegd dat de facilitering van mogelijke belastingontwijking door medewerkers wordt beëindigd. Dit betreft dus geen eenzijdig opgelegde loonmaatregel vanuit de Nederlandse staat. Het is aan KLM om deze facilitering te beëindigen.
Hoe verhoudt uw verweer op de vaststellingen van de ILO en de zienswijze aan KLM zich tot publieke uitspraken en rapportages van de staatsagent bij KLM waarin op arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden wordt getoetst?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het eens dat als u bevestigt aan KLM dat er geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke eisen zijn gesteld, daar dan ook niet door de staatsagent zelfstandig op getoetst kan worden in zijn rapportages? Hoe verhouden eerdere rapportages met uw uitspraken aan KLM? Vraagt dat geen algemene erkenning van uw ministerie dat eerdere rapportages, voor zover afwijkend van de nieuwe in uw brief van 3 mei jl uitgedragen grondslagen, een onjuist beeld schetsen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt deze «staffeleis» zich tot het verweer van het kabinet op de ILO-klacht waarin u stelt dat deze «staffel» slechts een voorstel was en uw zienswijze aan KLM dat er geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke eisen zijn gesteld?2 Kunt u de reactie van de overheid aan de ILO (die dateert van januari 2022) nog voor het commisssiedebat staatsdeelnemingen d.d. 22 juni a.s. ook met de beide Kamers delen?
Er is geen sprake van de staffeleis. Dat deze staffel geen harde eis maar een voorstel was blijkt ook uit het feit dat KLM en de vakbonden bij de afspraken voor het cockpitpersoneel geen staffel hebben toegepast maar, volgens KLM op verzoek van de bonden, een gelijke bijdrage ter hoogte van ruim 19% zijn overeengekomen. Het verweer van de Nederlandse staat is bijgevoegd.
Kunt u bevestigen dat invulling van de personeelsbijdrage om aan steunvoorwaarden, zoals de 15 procent beïnvloedbare kostenreductie, aan sociale partners is en dat een personeelsbijdrage überhaupt niet nodig is als KLM op andere punten tot 15 procent kostenreductie komt?
In het kader van de benodigde kostenreductie en de verbetering van de concurrentiepositie heeft het kabinet aangegeven dat een substantiële bijdrage van het personeel nodig zal zijn langs het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Zoals hierboven aangeven heeft KLM hier, samen met de vakbonden, invulling aan gegeven in het herstructureringsplan.
Dat laat onverlet dat binnen het uitgangspunt dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en de afspraak dat de beïnvloedbare kosten met minimaal 15% gereduceerd dienen te worden, er mogelijkheden voor KLM en de bonden zijn om de lonen van bepaalde doelgroepen te verhogen.
Bent u van mening dat de loonkosten die worden bespaard als gevolg van de reorganisaties die bij KLM hebben plaatsgevonden na het uitbreken van de coronacrisis, als kostenreductie van KLM moet worden aangemerkt? Kunt u aangeven hoeveel loonkosten KLM met de reorganisaties heeft bespaard? Indien u van mening bent dat de bespaarde loonkosten niet als kostenreductie aangemerkt moeten worden, kunt u dan aangeven waarom?
De loonkosten zijn onderdeel van de beïnvloedbare kosten. Dit betekent dat als er sprake is van (netto)besparingen op de loonkosten dit bijdraagt aan de afgesproken kostenreductie van 15%. Informatie over de besparingen op de loonkosten van KLM is bedrijfsvertrouwelijk en kan daarom, in zoverre ik daar al over beschik, niet worden gedeeld.
Hoe gaat u voorkomen dat de vakbonden nieuwe klachten tegen de Nederlandse overheid gaan indienen wegens schending van ILO-normen door de Nederlandse overheid?
Indien vakorganisaties en werkgeversorganisaties van mening zijn dat er sprake is van een schending van de verplichtingen voortvloeiend uit de ILO-verdragen dan staat het hen vrij om daarover een klacht in te dienen. Het is dan aan de ILO om daar een uitspraak over te doen. Ik wil daar op geen enkele manier tussen zitten.
Getroffen maatregelen op het ministerie van Defensie naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek c.q. onderzoeken onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert; kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige consequenties en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Getroffen maatregelen op het ministerie van Binnenlandse Zaken naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties en wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Op welke wijze is de 780 miljoen euro die beschikbaar is gekomen om de informatiehuishouding bij de rijksoverheid op orde te brengen tot stand gekomen? Welke onderbouwing is voor deze investering aangeleverd?
De basis voor de investering in het op orde brengen van de informatiehuishouding (Open op Orde) is gebaseerd op de Kosten Baten Analyse van het Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatie (RDDI) aangevuld met kosten voor ontwikkeling/bestendiging van een aantal stelselpartijen, zoals het Nationaal Archief, de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed.
Het RDDI heeft in 2019 opdracht gekregen van het Ministerie van OCW en BZK om onderzoek te doen naar de kosten voor de rijksoverheidsorganisaties om de informatiehuishouding Rijksbreed te verbeteren en naar de baten daarvan. Voor deze Kosten-Baten Analyse is een berekening opgesteld op basis van het bij rijksoverheidsorganisaties realiseren van emailarchivering, websitearchivering, berichtenapp gebruik en archivering, openbaar maken van documenten, ontwikkeling van WOB tooling, een awareness campagne «medewerker aan informatie» en de Programmakosten per rijksoverheidsorganisatie. Deze analyse is uitgevoerd in het najaar van 2019 en heeft een berekening van de totale kosten voor de rijksoverheid opgeleverd.
De analyse betrof meer dan 165 organisatie-eenheden met in totaal circa 290.000 medewerkers. Daarbij is gebleken dat er sprake was van grote verschillen qua omvang, aard en organisatievorm. Aantallen medewerkers per organisatie variëren van enkele tientallen tot tienduizenden. Ook de aard van de werkzaamheden loopt sterk uiteen: beleidsmatig, projectmatig, procesgericht, onderzoek en fysieke uitvoering.
Uit de actieplannen blijkt dat niet alle ambities met de beschikbare middelen gerealiseerd kunnen worden. De consequenties van het verschil tussen vraag en budget beschrijven we in het geactualiseerde Generieke Actieplan «Open op Orde» dat in het vierde kwartaal naar Uw Kamer wordt gestuurd.
Klopt het dat er vier actielijnen zijn uitgezet naar aanleiding van de reactie op het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, zo ja wat is de stand van zaken van deze actielijnen? Kunt u de Kamer informeren over de sturingsinformatie die hierover beschikbaar is?
Het klopt dat voor het verbeteren van de informatiehuishouding vier actielijnen zijn benoemd. Dit zijn de actielijnen van het generieke actieplan Open op Orde:
Professionals,
Volume en aard van informatie,
Informatiesystemen,
Bestuur en naleving.
Op 21 september 2021 is een voortgangsrapportage24 naar uw Kamer gestuurd. Daarin is aangekondigd om uw Kamer via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk periodiek te blijven informeren. Op 17 december 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de benoeming van de heer Arre Zuurmond als regeringscommissaris Informatiehuishouding25. Op 18 mei 2022 is de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 202126 naar uw Kamer gestuurd.
Op welke manier kunnen de Kamer en de samenleving de voortgang of vertraging van de voornemens volgen?
De stukken die genoemd zijn onder vraag 9, zijn naar uw Kamer gestuurd en zijn daarmee openbaar (via o.a. rijksoverheid.nl).
Kunt u tevens aangeven hoe de Kamer zicht kan houden op de besteding van de 780 miljoen euro en in hoe haar budgetrecht is vormgegeven?
In de voorjaarsnota die 28 mei 2021 naar uw Kamer is gestuurd is 780 miljoen voor de periode 2021 t/m 2026 opgenomen en in de begroting van BZK verwerkt. Na beoordeling van de bij BZK ingeleverde actieplannen, is iedere (Rijks)overheidsorganisatie verantwoordelijk voor verantwoording over de gerealiseerde doelen en bestedingen. De eerste tranche voor 2021 ad € 104 miljoen is verdeeld via de najaarsnota. Via de voorjaarsnota 2022 zijn de structurele basisbudgetten verdeeld. De bestedingen van de middelen zijn opgenomen in de financiële verantwoording binnen de eigen programma’s van de rijksoverheidsorganisaties en op totaalniveau in ieders departementale verantwoordingen. Rijksbreed is de verantwoording opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering rijksoverheid. De begroting van BZK, de voor- en najaarsnota en de financiële verantwoording worden door uw Kamer vastgesteld.
Bent u bereid om de Kamer te informeren over de planning, roadmap en activiteiten en wilt u in uw antwoord meenemen hoe u de Kamer ook direct informeert als er iets te melden is?
Op 6 april 2021 is het generieke actieplan Open op Orde naar uw Kamer gestuurd27. Het geactualiseerde generieke actieplan Open op Orde zal in het vierde kwartaal van 2022 naar uw Kamer worden verzonden, daarin zijn de planning, roadmap en activiteiten opgenomen en zal ook worden ingegaan op de voortgang. Daarnaast heeft de Minister-President tijdens het debat met uw Kamer op 19 mei jl. toegezegd ook de departementale actieplannen openbaar te maken. Die worden op korte termijn naar u toegestuurd. Daarnaast wordt u jaarlijks via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk geïnformeerd. We zijn aan het onderzoeken hoe we een rijksbreed dashboard kunnen vormgeven. De verbetering van de Informatiehuishouding is onderdeel van het programma Open Overheid. Zo is de verbinding gelegd tussen een belangrijk doel van het verbeteren van de informatiehuishouding: het sneller openbaar kunnen maken van informatie, bijvoorbeeld bij een WOO-verzoek. Indien nodig zal ik u via de periodieke brieven van het programma Open Overheid informeren, waar Open op Orde onderdeel van is.
Welk mandaat en welke plannen heeft de regeringscommissaris Informatiehuishouding precies gekregen en kunt u aangeven welk werkplan de regeringscommissaris heeft vastgesteld? Kunt u het werkprogramma en de doelstellingen van de benoeming naar de Kamer sturen?
«De taken van de regeringscommissaris Informatiehuishouding zijn vastgelegd in het Instellingsbesluit regeringscommissaris Informatiehuishouding.28 Dit betreft o.a. de taak om de voortgang van het generiek actieplan Open op Orde en de daaronder vallende departementale actieplannen te bevorderen, de ministeries daarop aan te spreken en waar nodig met voorstellen te komen om knelpunten op te lossen. Daarnaast speelt hij een verbindende rol tussen het Adviescollege O&I, de Inspectie O&E en de ministeries.
Bij zijn aanstelling heeft de regeringscommissaris de volgende ambities uitgesproken voor de komende jaren:
Op het gebied van gegevenshuishouding: een forse verbetering in het juiste gebruik van de correcte gegevens.
Op het gebied van documenthuishouding: ook hier een structurele verbetering van de documentenstromen binnen de overheid (oftewel vindbaar, beschikbaar en traceerbaar).
Uitgangspunt van zijn opdracht is een transformatie van de overheid en de bijdrage die een moderne informatiehuishouding daaraan kan leveren. Onderdeel hiervan is het verankeren van fundamentele beginselen in een algemene wet voor informatiebepalingen.
Hierbij geldt dat hij zijn opdracht niet beperkt ziet tot de informatiehuishouding van de rijksoverheid, maar voor de hele overheid.
De regeringscommissaris zal na de zomer zijn bevindingen sinds zijn start begin dit jaar met u delen. Hierin neemt hij ook een aantal aandachtspunten mee die onder andere input zullen zijn voor de actualisatie van het generieke actieplan Open op Orde.»
Is goed geborgd dat de regeringscommissaris en het Rijksprogramma effectief samenwerken?
«In voorbereiding op het Instellingsbesluit regeringscommissaris Informatiehuishouding is zorgvuldig gekeken naar de sturing en het toezicht op de verbetering van de informatiehuishouding door de verschillende actoren die hier een rol in spelen, waaronder het Rijksprogramma. Dit is uitgewerkt in de brief van 22 oktober 202129 aan uw Kamer.
In de praktijk is er intensief contact tussen de regeringscommissaris en de programmamanager van Open op Orde (en andere relevante programma’s) en wordt de regeringscommissaris op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen op het programma.»
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.31
Het onderzoek naar oversterfte en de beschikbaarheid van data |
|
Pieter Omtzigt |
|
Kuipers |
|
Herinnert u zich de heel precieze vragen over de beschikbaarheid van data (Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)-data, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)-data over vaccinatie, Dutch Hospital Data (DHD)-data over comorbiditeit en VECTIS-verzekeringsdata) voor het onderzoek naar oversterfte, die gesteld zijn in het schriftelijk overleg over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?1
Ja.
Hebben de onderzoekers, die het onderzoek gedaan hebben dat op 26 juni gepresenteerd wordt, toegang gehad tot de gekoppelde databestanden, zodat zij voor elk overlijden de vaccinatiestatus, demografische gegevens, comborditeiten, een eerder vastgestelde corona-infectie (GGD)-data en VECTIS-data beschikbaar hadden voor hun onderzoek? Zo zij niet alle koppelingen hadden, kunt u dan aangeven welke koppelingen en datasets zij wel hadden?
Het CBS heeft bij het uitvoeren van het onderzoek toegang gehad tot diverse databronnen. In het bijzonder is door het CBS gebruik gemaakt van sterftecijfers, doodsoorzakengegevens (incl. comorbiditeiten), demografische gegevens en data over langdurig zorggebruik in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CBS had bij dit onderzoek geen toegang tot (GGD-)data over SARS-CoV-2 positief geteste personen en tot vaccinatiegegevens. Het CBS heeft toegang tot Vektis-data, maar voor het beantwoorden van de deelvragen in dit onderzoek was het gebruik van deze databron niet noodzakelijk.
Het RIVM heeft bij het uitvoeren van het onderzoek toegang gehad tot demografische gegevens (BRP), vaccinatiestatus (CIMS, RIVM), Wlz-zorggebruik (CAK) en sterfte- en doodsoorzakenstatistiek (CBS). Het RIVM heeft geen toegang gehad tot data van doorgemaakte SARS-CoV-2 infecties. Verder was het binnen de doorlooptijd van dit onderzoek niet mogelijk om (volledig) te definiëren welke databronnen (en indelingen van variabelen) relevante comorbide aandoeningen in de gehele bevolking het beste benaderen.
De gebruikte data en methodologie in dit onderzoek zijn uitgebreid besproken met de klankbordgroep ingericht door ZonMw2.
Deelt u de mening dat voor de vierde deelvraag, «in hoeverre droeg vaccinatie bij aan de totale sterfte in 2021?», het van groot belang is dat niet alleen vaccinatiedatum (en eerste, tweede vaccinatie, booster) beschikbaar zijn en de overlijdensdatum, maar juist ook andere variabelen zoals leeftijd, geslacht, gezondheidsstatus (VECTIS en DHD) en doorgemaakte infecties (via GGD of bloed)?
Het koppelen van data is niet vanzelfsprekend. Dit brengt ethische en juridische vragen en uitdagingen met zich mee, waardoor de ambitie om vele bronnen aan elkaar te koppelen niet in korte tijd kan worden gerealiseerd. Het is aan de onderzoekende partijen, zijnde het CBS en het RIVM, om de balans te bepalen bij het gebruiken van zo veel mogelijk relevante data, en aan de bronhouder om data beschikbaar te stellen. Ik deel de mening dat het van belang is dat relevante variabelen beschikbaar zijn voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag, binnen de wettelijke kaders.
Bent u ervan op de hoogte dat in andere landen uitgebreide studies gedaan zijn naar de oversterfte tijdens de pandemie door uitgestelde zorg en door andere oorzaken en dat daarvoor juist uitgebreide datasets met controlevariabelen nodig waren?2 en3
In het commissiedebat van 16 juni 2022 gaf ik aan dat ik actief in contact sta met onze buurlanden en dat ik ervan overtuigd ben dat we veel van andere landen kunnen leren om de redenen en oorzaken van oversterfte te verklaren. Daarom heb ik ZonMw gevraagd om in traject drie van het oversterfteonderzoek5 internationale ervaring en kennis met betrekking tot oversterfteonderzoek te betrekken. Naar verwachting start dit traject in juli 2022, waarin academici worden gestimuleerd onderzoek te doen.
Kunt u voor elk van de vijf te beantwoorden deelvragen in het onderzoek naar oversterfte aangeven welke datakoppelingen wel gemaakt zijn en welke van de bovenstaande gevraagde datakoppelingen en de datakoppelingen in tabel 1 van de onderzoeksopzet wel gemaakt zijn welke niet tot stand gekomen zijn in de afgelopen zes maanden?
Ja. Zie hieronder:
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek is door het CBS gebruik gemaakt van sterftecijfers, doodsoorzakengegevens, demografische gegevens en data over langdurig zorggebruik. Er was geen datakoppeling mogelijk met (GGD-)data over SARS-CoV-2 positief geteste personen door het ontbreken van toegang tot deze gegevens.
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek is door het CBS gebruik gemaakt van doodsoorzakengegevens en demografische gegevens. Er was geen datakoppeling mogelijk met (GGD-)data over SARS-CoV-2 positief geteste personen door het ontbreken van toegang tot deze gegevens.
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek is door het RIVM gebruik gemaakt van demografische gegevens (BRP), vaccinatiestatus (CIMS, RIVM), Wlz-zorggebruik (CAK) en sterfte- en doodsoorzakenstatistiek (CBS). De resultaten zijn in het onderzoek niet gecorrigeerd voor comorbide aandoeningen en voor doorgemaakte SARS-CoV-2 infecties.
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek door het RIVM is gebruik gemaakt van demografische gegevens (BRP), vaccinatiestatus (CIMS, RIVM), Wlz-zorggebruik (CAK) en sterfte- en doodsoorzakenstatistiek (CBS). De resultaten zijn niet gecorrigeerd voor comorbide aandoeningen en voor doorgemaakte SARS-CoV-2 infecties.
Bij de uitvoering van dit deelonderzoek door het CBS is gebruik gemaakt van doodsoorzakengegevens. Datakoppelingen met (GGD-)data over SARS-CoV-2 positief geteste personen, met vaccinatiedata en met gegevens van Bijwerkingencentrum Lareb waren niet mogelijk door het ontbreken van toegang tot deze gegevens.
Deze deelvraag vind ik heel belangrijk, maar wordt niet in dit onderzoek beantwoord. Op 10 februari 2022 is deze onderzoeksvraag en de voorgestelde aanpak om die te beantwoorden in de door ZonMw ingestelde klankbordgroep besproken. Tijdens deze sessie heeft de klankbordgroep aan de onderzoekers geadviseerd dat het voorstel van RIVM en CBS om deze vraag te beantwoorden een andere, veel meer uitgebreide benadering vraagt in termen van data, deelvragen, doorlooptijd en expertise. Om deze reden en de beschikbare tijd voor het gehele onderzoek is door het CBS en het RIVM besloten deze deelvraag niet mee te nemen in traject 2 van het oversterfte onderzoek. Het is voor academici in traject 3 mogelijk om voorstellen in te dienen om deze onderzoeksvraag te beantwoorden. Indien de begeleidingscommissie van ZonMW deze voorstellen honoreert, zullen deze door ZonMW worden gefinancierd. Het onderzoeksprogramma van traject 3 zal op de website van ZonMW worden gepubliceerd6.
Heeft het CBS kunnen beschikken over de vaccinatiedata van het RIVM voor het onderzoek?
Nee, het CBS heeft geen beschikking gehad over de vaccinatiedata van het RIVM voor het onderzoek.
Als deze databronnen in Nederland niet zijn gekoppeld, hoe kan dan worden onderzocht wat de oorzaken zijn van de oversterfte?
Ook in afwezigheid van volledige koppeling van data is er gedegen onderzoek gedaan door het CBS en RIVM. Meer informatie hier over vindt u in de appreciatie van dit onderzoek die ik in de stand van zaken brief van 4 juli jl.7 heb mee gestuurd.
Als deze databronnen in Nederland niet zijn gekoppeld voor elk van de vijf deelvragen, wat betekent dat voor de conclusies van het eindrapport van het onderzoek naar oversterfte?
De conclusies in het onderzoeksrapport zijn valide en worden ook in het onderzoeksrapport in een context geplaatst van beschikbare data en de mogelijkheden die dit biedt. Het CBS en het RIVM hebben in het eindrapport vermeld welke data zijn gebruikt en welke niet (zie ook antwoorden op vraag8. Ook worden beperkingen en het belang voor vervolgonderzoek in het rapport besproken. De implicaties van het niet kunnen inzetten van alle wenselijke databronnen zijn uitgebreid besproken met de klankbordgroep voor het onderzoek van traject twee en zijn ook uitvoerig beschreven in het rapport dat op 23 juni 2022 gepubliceerd is.
Wanneer zijn de koppelingen gereed en kunnen de onderzoeken plaatsvinden met alle controle variabelen?
Op dit moment werk ik, samen met het onder meer het RIVM, de GGD’en en het CBS, om de data in de CBS-omgeving toegankelijk te maken voor onderzoek door derden. Met LCCB en RIVM verken ik wat er voor nodig is om data met betrekking tot vaccinatiestatus en doorgemaakte infecties via het CBS toegankelijk te maken voor onderzoekers die door de begeleidingscommissie van ZonMW worden geselecteerd in traject 3. Op dit moment zijn diverse bronnen reeds beschikbaar bij het CBS9 waar onderzoekers onder strikte voorwaarden in de CBS-onderzoeksomgeving onderzoek mee kunnen doen.
Controlevariabelen uit databronnen die beschikbaar zijn bij het CBS, zullen toegankelijk zijn voor onderzoekers in de beveiligde CBS onderzoeksomgeving (Remote Acces) zodra:
(1) onderzoeksvoorstellen door ZonMw gehonoreerd zijn (de planning is om de onderzoeksvoorstellen in de tweede helft van 2022 te honoreren),
(2) de onderzoekers geaccrediteerd zijn om onderzoek te verrichten in de beveiligde onderzoeksomgeving en
(3) de benodigde databronnen beschikbaar zijn (in sommige gevallen is hiervoor per onderzoek toestemming van de bronhouders vereist).
Zodra deze procedure succesvol is doorlopen zijn relevante databronnen voor bepaalde controle variabelen, indien toegankelijk in de beveiligde CBS-onderzoeksomgeving, beschikbaar voor de onderzoeken.
Kunnen dergelijke datakoppelingen centraal worden gedaan, zodat een onafhankelijke onderzoeker maar een keer een dataverzoek hoeft in te dienen?
Dat is niet mogelijk, maar het CBS faciliteert in de CBS-onderzoeksomgeving dat onderzoekers met toegang zelf de datakoppelingen op toegankelijke wijze kunnen maken aan de hand van een generieke koppelsleutel.
Kan een maximale termijn worden gesteld tussen een data-aanvraag en het beschikbaar stellen van de opgevraagde data voor onafhankelijke onderzoekers?
Dit is niet mogelijk, aangezien er per databron verschillende procedures zijn ingericht door de partijen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het verlenen van de toestemming tot de aangevraagde data. Pas na de toestemming zal de data van de bronhouder beschikbaar kunnen worden gesteld voor een onderzoek. In het geval een complete aanvraag wordt ingediend bij het CBS en er toestemming is verkregen van databronhouders voor toegang tot specifieke datasets, vergt de doorlooptijd bij het CBS ongeveer drie weken (mits er geen sprake is van grote drukte). ZonMw zal hier per onderzoeksvoorstel rekening mee houden.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en voor de dag dat het rapport verschijnt beantwoorden?
Het beantwoorden van uw vragen voor de dag dat het rapport verschenen is, is door de korte tijd tussen uw vragen en de publicatie van het rapport helaas niet mogelijk gebleken.