Het bericht ‘Gebrekkig spooronderhoud leidde tot ontspoorde trein bij Groningen’ |
|
Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gebrekkig spooronderhoud leidde tot ontspoorde trein bij Groningen»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht «Gebrekkig spooronderhoud leidde tot ontspoorde trein bij Groningen».
Deelt u de visie van ProRail dat één van de oorzaken van het ongeluk het uitstellen van onderhoudswerkzaamheden is?
Ja, in het rapport van ProRail concludeert zij dat één van de oorzaken het niet tijdig uitvoeren van onderhoud door de aannemer in 2012 en 2016 is waarmee de levensduur van het betrokken spoorgedeelte zou zijn verlengd. ProRail concludeert niet dat de vervanging niet uitgesteld had mogen worden, maar wel dat het inspectieregime van de aannemer en het toetsingsregime van ProRail ontoereikend zijn geweest. Voor de instandhouding van het spoor tot de uitgestelde vervanging heeft ProRail te veel vertrouwd op het proces van de aannemer voor onderhoud en inspecties. De aannemer had onder andere in 2020 een integrale inspectie moeten uitvoeren.
Zijn er meer locaties bekend waar al meer dan 10 jaar geen uitgebreide beoordeling van het spoor is gedaan?
Nee, op dit moment zijn bij ProRail geen gebieden bekend waar al meer dan 10 jaar geen beoordeling van het spoor is gedaan. Deze beoordeling bestaat uit verschillende onderdelen. ProRail is verantwoordelijk voor het beheren van de infra van het spoor. Het gaat om ca. 7.000 km spoor, ca. 6300 wissels, ca. 2400 overwegen en ca 11.600 seinen. Om hier een goede uitvoering aan te geven heeft ProRail contracten met onderhoudsaannemers die bepaalde gebieden onderhouden op basis van prestatieafspraken, zogeheten Prestatie Gericht Onderhoud (hierna PGO). De PGO-aannemer is verplicht een risicoanalyse uit te voeren en in combinatie met de specifieke eisen die gelden voor de spoorinfrastructuur wordt er een inspectie- en onderhoudsplan opgesteld. De PGO-aannemer is hierbij verplicht om minimaal eenmaal per jaar aan te tonen dat de spoorinfrastructuur voldoet aan de vastgestelde eisen conform het PGO-contract (de beoordeling van de infra). ProRail heeft als opdrachtgever de verplichting om de uitgevoerde onderhoudsactiviteiten en inspectieresultaten «steekproefsgewijs» te verifiëren en valideren, en om actie te ondernemen bij eventuele afwijkingen of als de risico’s niet voldoende zijn beheerst. Verder maakt ProRail gebruik van meettreinen waarmee zij de staat van het spoor in beeld brengt en waarvan zij de data ter beschikking stelt aan PGO-aannemers als extra input voor hun inspectie- en onderhoudsplannen.
Klopt het dat meettreinen, treinen die de actuele stand van het spoor meten, de rails in Groningen sinds 2008 niet meer hebben onderzocht?
Ja, de sporen waarop deze ontsporing in Groningen heeft plaatsgevonden waren sinds 2008 niet meer door een meettrein gemeten. Dat had te maken met de «permanente» opstelling van treinen op dit spoor, waardoor een meting door een meettrein niet mogelijk was. De overige doorgaande sporen zijn wel gemeten door een meettrein. In dit geval had een fysieke inspectie moeten plaatsvinden van de sporen die ontoegankelijk waren voor een meettrein om de risico’s te kunnen inschatten en eventuele maatregelen te nemen, maar dat is niet op tijd gebeurd.
Wat is de gebruikelijke frequentie waarop meettreinen het spoor inspecteren?
De inspectiefrequentie door een meettrein is afgestemd op de snelheid waarmee op de rails wordt gereden en de belasting van het spoor en/of wissels. Er zijn sporen die slechts één keer per jaar worden gemeten. Er zijn ook sporen die meer frequent, tot vier keer per jaar, worden gemeten. De inspectiefrequentie voor de spoorgeometrie is weergegeven op de kaart onder het antwoord van vraag 7, die afkomstig is van ProRail en tevens is te vinden op de website van ProRail2.
Zijn er meer spoortracés waar langer dan 10 jaar geen meettrein overheen gereden heeft?
Ja, als het gaat om de inzet van meettreinen maakt ProRail een weloverwogen keuze waar wel (en met welke frequentie) en waar niet gemeten wordt met een meettrein, en waar in dat geval een fysieke inspectie toereikend is. Redenen waarom niet met de meettrein wordt gemeten zijn onder andere de lage snelheid (< 40 km/uur), de geringe mate van gebruik (gepasseerd jaarlijkse tonnage), logistieke redenen («permanent» opgestelde treinen) of technische redenen (de lengte van het spoor is te kort om te kunnen meten).
Bent u bereid de Kamer een overzicht te verschaffen van spoortracés waar langer dan 10 jaar geen meettrein overheen heeft gereden?
Ja, op onderstaande kaart, die tevens te vinden is op de website van ProRail2, is te zien op welke sporen de meettrein niet rijdt.
Waar en hoe vaak meet de (geometrie) meettrein in 2022
Is het u bekend dat ProRail aangeeft dat zij als het gaat om de instandhouding van het spoor, te veel vertrouwt op «het proces van de aannemer en inspecties»? Deelt u die mening? Zo ja, bent u van plan dit proces anders in te richten?
Ja, op pagina 9 van haar rapport schrijft ProRail: «Voor het – tot de vervanging – in standhouden van het spoor vertrouwt ProRail te veel op het proces van de aannemer voor onderhoud en inspecties.» Het rapport van ProRail gelezen hebbende, deel ik die mening. Het is nu aan ProRail om haar processen tegen het licht te houden en waar nodig en mogelijk procesverbeteringen door te voeren. Dit doet zij in een programma dat is gericht op de aantoonbaarheid van de veilige berijdbaarheid van het spoor. ProRail legt momenteel de laatste hand aan een herijking van het programmaplan. Het is van groot belang dat ProRail hier zorgvuldig opvolging aan geeft, omdat het gaat om de veiligheid van de spoorgebruikers en ik van ProRail verwacht dat zij goed zicht heeft op de staat van het spoor. De ILT houdt daarom toezicht op de voortgang van de uitvoering van het programmaplan door ProRail. Ook is met ProRail afgesproken dat zij mij, als verlener van de beheerconcessie aan ProRail, over de uitvoering van het programma informeert via de jaarverantwoording.
Ik vertrouw erop de vragen hiermee voldoende te hebben beantwoord.
Het risico op een overval op tabaksspeciaalzaken. |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de eigenaresse van een tabakswinkel zwaar getraumatiseerd is als gevolg van een gewapende overval?1
Ja.
Hebt u gezien dat zowel het raam als de voordeur van de betreffende winkel volledig zijn geblindeerd waardoor niemand van buiten kan zien wat er binnen gebeurt en andersom?
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van deze winkeliers eist dat zij ramen en voordeur volledig afplakken om aan de regel te voldoen dat rookwaren van buitenaf niet zichtbaar zijn?
Nee, dat klopt niet. De NVWA eist niet van winkeliers dat zij hun ramen en voordeur volledig afplakken.
Voor verkooppunten van tabaks- en aanverwante producten geldt een uitstalverbod. Het uitstalverbod geldt onder voorwaarden niet voor bepaalde uitgezonderde speciaalzaken2. De wetgeving eist van hen dat te koop aangeboden tabaks- en aanverwante producten van buiten de speciaalzaak niet zichtbaar zijn. Daar houdt de NVWA toezicht op.
Uitgezonderde speciaalzaken hebben een aantal opties om aan deze wetgeving te voldoen en het is aan hen om daar zelf keuzes in te maken. Zo kunnen ze bijvoorbeeld besluiten de producten zodanig af te schermen dat deze niet van buitenaf zichtbaar zijn, of de opstelling in hun winkel hieraan aanpassen.
Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs van de NVWA of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken. De inspecteur van de NVWA verplicht niet tot het afdekken van de ramen, die keuze is aan de ondernemer zelf. Dit wordt ook zo gecommuniceerd via de website van de NVWA en door de inspecteurs die de controles uitvoeren.
Is het juist dat deze regel alleen geldt voor een beperkte groep tabaksspeciaalzaken die vanwege de strikte definitie van tabaksspeciaalzaak en de daaraan verbonden vereisten niet onder het uitstalverbod vallen?
Nee, er is geen regel die verplicht tot het afplakken van ramen en deuren. Uitgezonderde (tabaks)speciaalzaken hoeven niet te voldoen aan het uitstalverbod en zijn (onder voorwaarden) vrijgesteld van het verbod op reclame in de winkel mits tabaksproducten en aanverwante producten en reclame niet van buitenaf zichtbaar zijn.
Wat vindt u van de praktische vuistregel van brancheorganisatie NSO Retail dat het voor tabaksspeciaalzaken volstaat als voorbijgangers die op het trottoir langs de winkel lopen en een blik naar binnen werpen geen rookwaar zien?
Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken
Realiseert u zich dat, wanneer mensen met hun neus tegen de etalage staan of op de drempel van de ingang staan om naar binnen te gaan, het niet altijd te vermijden is dat tabaksproducten van buitenaf zichtbaar zijn?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat tabakswinkels behoren tot een risicosector als het gaat om gewapende overvallen?
Voor retail-winkels in algemene zin geldt dat de risico’s mede bepaald worden door de verkoop van aantrekkelijke en gemakkelijk te verhandelen buit, in combinatie met al dan niet genomen preventieve maatregelen, zoals het alleen cashless betalen of het hebben van camera’s in een winkel.
Weet u dat het Platform Criminaliteitsbestrijding (NPC) het advies geeft dat winkels in het kader van beperking van overvalrisico’s transparant moeten zijn?
Het NPC3 bespreekt op bestuurlijk niveau thema’s die landelijke, regionale en lokale aanpakken kan ondersteunen. Het NPC geeft geen dergelijke concrete adviezen.
Door de politie wordt in het algemeen aan retail-winkels het advies gegeven ervoor te zorgen dat er zichtlijnen zijn, ofwel wordt transparantie bepleit, zodat een eventuele overval zichtbaar is en omstanders, andere winkelmedewerkers of mensen die langs lopen zo spoedig mogelijk alarm kunnen slaan.
Op verzoek van het Ministerie Justitie en Veiligheid zal vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie worden meegedacht met tabakswinkeliers hoe zij de tabakswaren zodanig kunnen opstellen dat zij voldoen aan voornoemde wetgeving en er tegelijkertijd zichtlijnen blijven houden voor de veiligheid van winkelier, medewerkers, klanten en andere omstanders.
Vindt u het gerechtvaardigd om van kleine winkeliers te eisen dat ze zichzelf en hun medewerkers in gevaar brengen vanwege de strikte afplakeis van de NVWA?
De NVWA stelt geen afplakeis aan kleine winkeliers.
Uitgezonderde speciaalzaken hebben een aantal opties om aan de wetgeving te voldoen en het is aan hen om daar zelf keuzes in te maken.
Zo kunnen ze bijvoorbeeld besluiten de producten toch af te schermen of de opstelling in hun winkel zodanig aan te passen dat de producten niet van buitenaf zichtbaar zijn. Als men dat ook niet wil of niet kan zal men iets met een andere afscherming moeten doen. Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken. Er wordt door de inspecteur van de NVWA niet verplicht tot het afdekken van de ramen, die keuze is aan de ondernemer zelf.
Weegt het volledige gebrek aan doeltreffendheid van deze eis van de NVWA wat u betreft op tegen de substantiële verhoging van het risico dat winkeliers en hun medewerkers lopen op een gewapende overval en het gevaar en potentiële trauma’s die hiermee gepaard gaan?
Zie het antwoord op vraag 9
Wilt u hierover snel met de branche in gesprek gaan?
Op verzoek van het Ministerie Justitie en Veiligheid zal vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie worden meegedacht met tabakswinkeliers hoe zij de tabakswaren zodanig kunnen opstellen dat zij voldoen aan de wetgeving en er tegelijkertijd zichtlijnen blijven houden voor de veiligheid van winkelier, medewerkers, klanten en andere omstanders.
De Denktank Desinformatie. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Denktank Desinformatie (hierna te noemen DD) uit de onderstaande Kamerstukken en met hoe deze DD op social media «desinformatie» over onder andere vaccins bestrijdt?1
Vanzelfsprekend ben ik daar mee bekend. Uw Kamer is meerdere malen geïnformeerd over de oprichting en de werkwijze van de denktank desinformatie. Zie de Kamerbrieven van mijn voorganger over het actieplan Verder met Vaccineren2.
Kunt u aangeven wie, naast de toenmalige Staatssecretaris, met de werving en selectie van de leden van de DD waren en zijn belast? Zo nee, waarom niet?
In 2019, vóór de uitbraak van COVID-19, is de Vaccinatiealliantie, bestaande uit een groep van meer dan 100 professionals waaronder artsen, verpleegkundigen, doktersassistenten, apothekers, verloskundigen, communicatiedeskundigen, wetenschappers en beleidsmakers, gestart in het kader van het actieplan Verder met Vaccineren. Alle deelnemers hebben zich uitgesproken voor het belang van vaccineren en maken zich hier vanuit hun eigen positie en rol hard voor. Aanleiding voor de start van de Vaccinatiealliantie was de dalende trend van de vaccinatiegraad voor vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma en de herhaalde oproep vanuit de Tweede Kamer om op te treden tegen desinformatie. De denktank desinformatie is in 2019 gestart onder de vlag van de Vaccinatiealliantie. Tijdens de eerste bijeenkomst van de Vaccinatiealliantie is door de toenmalige Staatssecretaris een oproep gedaan aan de deelnemers of zij wilden participeren aan de denktank desinformatie.
Evenals mijn voorganger maak ik mij hard voor het weerspreken van desinformatie over vaccinaties en het vindbaar maken van de juiste informatie. Het gaat hierbij om het al dan niet moedwillig verkondigen of verspreiden van feitelijke onjuistheden over vaccinaties.
Desinformatie ondermijnt het vertrouwen in vaccinaties. Dat is schadelijk voor de volksgezondheid. Met vaccinaties voorkomen we een veelheid van infectieziekten, kunnen we jonge kinderen een gezonde start geven en hen en andere kwetsbaren beschermen. Ik sta dan ook voor het belang van vaccinaties, wil bevorderen dat mensen vertrouwen hebben in vaccinaties en beslissen over vaccineren aan de hand van feitelijk juiste, betrouwbare informatie.
Tijdens de eerste bijeenkomsten zijn de uitgangspunten voor respectievelijk de Vaccinatiealliantie als de denktank desinformatie besproken met de deelnemers, en die zijn als volgt:
Kortom, de deelnemers van de denktank konden zich vrijwillig hiervoor aanmelden, er heeft – behalve een oproep tot deelname tijdens de eerste bijeenkomst van de Vaccinatiealliantie – geen werving en selectie door VWS plaatsgevonden.
Uw Kamer is meerdere malen geïnformeerd over de oprichting en de werkwijze van de denktank desinformatie. Zie de Kamerbrieven van mijn voorganger over het actieplan Verder met Vaccineren3.
Kunt u gezien de rol van uw ministerie bij deze DD, aangeven op welke wijze de leden van DD zijn geworven en welke selectiecriteria zijn toegepast? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht van de namen van de DD en/of hun functies en kwalificaties aan de Kamer verstrekken? Zo nee, waarom niet?
In de denktank zitten professionals met medische, wetenschappelijke en communicatie-expertise. De namen en functies van de individuele deelnemers van de denktank maak ik niet openbaar in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de deelnemers. In de documenten die openbaar worden gemaakt, zijn in sommige documenten daarnaast organisatienamen niet altijd openbaar gemaakt, bijvoorbeeld omdat het openbaar maken van die organisatienamen leidt tot herleidbaarheid naar personen.
Om u toch een beeld te geven van de deelnemers en deelnemende organisaties, deel ik hierbij met u dat de volgende organisaties betrokkenen zijn bij de denktank desinformatie: onder andere Universiteit Utrecht, Maastricht University, Wageningen University & Research, Radboud UMC, VUMC, Erasmus MC, AJN Jeugdartsen Nederland, VWS, RIVM, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), CBG, GGD, Facebook, Google, TNO en Lareb.
Zijn er ook journalisten of redacteuren, werkzaam bij een week-, dag- of vakblad, betrokken bij de DD en het bestrijden van «desinformatie» op social media? Zo ja, bij welke uitgevers? Indien u dat niet weet, kunt u dat onderzoeken en uitsluiten? Zo nee waarom niet?
Voor zover mij bekend is, zijn er geen journalisten of redacteuren deelnemer van de denktank. Het is uiteraard niet uit te sluiten dat deelnemers van de denktank publiceren op basis van hun expertise en functie.
Kunt u – gezien de uit het eerdergenoemde Kamerstuk blijkende coördinerende rol van uw ministerie – aangeven in welk proces werd en wordt bepaald wat «desinformatie» is? Kunt u aangeven hoe dat steeds met nieuwe inzichten (van bijvoorbeeld tanende vaccin-effectiviteit, nieuwe bijwerkingen, medicatie, etc.) werd en wordt getoetst alvorens de DD «desinformatie» bestreed en bestrijdt op social media? Zo nee, waarom niet?
De denktank desinformatie richt zich onder andere op het weerspreken van desinformatie op sociale media en het beschikbaar en vindbaar maken van de juiste en betrouwbare informatie. Deelnemers van de denktank reageren op persoonlijke titel en vanuit eigen expertise (bijvoorbeeld medisch, wetenschappelijk en communicatief) op basis van de meest recent beschikbare wetenschappelijke kennis. Er is geen toetsingsproces ingericht hiervoor, deelnemers van de denktank maken zelf, op basis van hun expertise, de afweging of zij reageren en wat deze reactie inhoudt.
Kunt u aangeven welke andere ministeries, overheidsinstanties, bedrijven en instellingen nog meer betrokken waren en zijn, naast het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de DD en in welke rol? Indien u dat niet weet, bent u bereid dat te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Weet u of leden van de DD of hun werkgevers een vergoeding hebben ontvangen of uren mogen schrijven voor hun activiteiten voor de DD en zo ja, hoeveel? Indien u dat niet weet, kunt u dat onderzoeken en daarover verslag doen? Zo nee, waarom niet?
De deelnemers van denktank ontvangen hiervoor geen financiering van VWS.
Kunt u aangeven hoe de coördinerende rol van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het mandaat dat aan de DD is gegeven zich verhoudt tot eerdere antwoorden op de Kamervragen2 van de leden Agema en van der Plas over influencers – antwoorden waarin de Minister van Justitie en Veiligheiden (mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) zegt dat haar ministerie geen influencers gebruikt om de publieke opinie te beïnvloeden?
Anders dan bij de influencers die zijn ingezet binnen de campagne «Alleen Samen» waarnaar verwezen wordt in bovenstaande vraag, is er geen sprake van een overeenkomst van opdracht tussen deelnemers aan de denktank desinformatie en het Ministerie van VWS. De deelnemers aan de denktank ontvangen geen financiering voor deelname en er is aan hen ook geen mandaat verstrekt voor het bestrijden van desinformatie namens VWS. Deelname aan de denktank vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Ten tijde van de oprichting van de denktank desinformatie in 2019, voor de uitbraak van COVID-19, was er ook geen aanleiding gebruik te maken van influencers voor het verhogen van de vaccinatiegraad voor vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma.
Kunt u aangeven welke feedback de DD aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of andere ministeries gaf en kunt u daarvan alle relevante documenten aan de Kamer ter inzage geven? Zo nee, waarom niet?
Deelnemers van de denktank delen signalen van desinformatie of misinformatie met elkaar. Dit gebeurt live tijdens de bijeenkomsten die VWS voorzit, of per mail. VWS is initiator en deelnemer van de denktank en kan signalen die naar VWS worden gestuurd doorzetten naar de andere deelnemers van de denktank. De deelnemers van de denktank hebben daarnaast zelf een besloten Facebookgroep opgericht. VWS maakt geen deel uit van de Facebookgroep.
Signalen van desinformatie komen op verschillende wijzen bij deelnemers van de denktank terecht. Het kunnen bijvoorbeeld berichten zijn die worden gedeeld op sociale media, maar ook bijdragen die op websites verschijnen of brieven die worden verzonden naar leden van de denktank vanwege hun beroep of functie. Naast signalen die gedeeld zijn binnen de denktank, zijn er ook veel andere typen documenten die betrekking hebben op de denktank, zoals vergaderstukken.
Het verzamelen en beoordelen van alle documenten, die direct en indirect betrekking hebben op de denktank, is een proces dat veel tijd kost. Om die reden is het niet mogelijk de documenten te verstrekken binnen de beantwoordingstermijn van deze schriftelijke vragen. Vooruitlopend op de verdere verstrekking van relevante documenten, stuur ik u – waar sprake is geweest van een vastgesteld verslag van de bijeenkomsten -bij de beantwoording van deze Kamervragen allereerst deze verslagen. Conform de eerder gemaakte afspraken met de deelnemers over het besloten en het vertrouwelijke karakter van de denktank, en bovendien de privacy van de desbetreffende deelnemers en de bescherming van diens persoonlijke levenssfeer zijn alle tot personen herleidbare gegevens onleesbaar gemaakt. Dit geldt in sommige documenten ook voor organisatienamen, bijvoorbeeld wanneer die bijdragen aan de herleidbaarheid naar personen. Overige, relevante documenten zal ik binnen een termijn van drie maanden delen met de Kamer. Ook voor deze documenten geldt dat alle tot personen herleidbare gegevens onleesbaar worden gemaakt.
Kunt u aangeven of de DD ook namen of accounts doorgaf (aan uw ministerie of aan andere overheidsinstanties) van mensen die zogenaamd «desinformatie» zouden verspreiden? Indien u dat niet weet, kunt u dat onderzoeken en uitsluiten? Zo nee, waarom niet?
In het kader van het tegengaan van de verspreiding van desinformatie kan het voorkomen dat er namen of accounts gedeeld worden. De focus hierbij ligt op het tegengaan van het verspreiden van feitelijk onjuiste informatie, niet op de namen of accounts.
Kunt u van elk recent- en oud-lid van de DD laten onderzoeken of hij of zij mensen rapporteerde of rapporteert bij organisaties zoals bijvoorbeeld Twitter, Facebook of Linkedin, zodat berichten die volgens hem of haar «desinformatie» bevatten, werden verwijderd of accounts werden opgeschort? Zo nee, waarom niet?
Deelnemers van de denktank maken zelf de keuze of zij een reactie geven op desinformatie en wat die reactie inhoudt. Daarbij kunnen zij berichten op sociale media rapporteren zoals dat door een ieder ander gedaan kan worden. Online platformen hanteren hun eigen gebruikersvoorwaarden over hoe om te gaan met dergelijke meldingen. Ik zie geen aanleiding hier nader onderzoek naar te laten doen.
Kunt u alle documenten, gesprekken en berichtenverkeer die direct of indirect betrekking hebben op de DD ter beschikking stellen aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Signalen van desinformatie komen op verschillende wijzen bij deelnemers van de denktank terecht. Het kunnen bijvoorbeeld berichten zijn die worden gedeeld op sociale media, maar ook bijdragen die op websites verschijnen of brieven die worden verzonden naar leden van de denktank vanwege hun beroep of functie. Naast signalen die gedeeld zijn binnen de denktank, zijn er ook veel andere typen documenten die betrekking hebben op de denktank, zoals vergaderstukken.
Het verzamelen en beoordelen van alle documenten, die direct en indirect betrekking hebben op de denktank, is een proces dat veel tijd kost. Daarom stuur ik u als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen allereerst de verslagen van de bijeenkomsten. Conform de eerder gemaakte afspraken met de deelnemers over het besloten en het vertrouwelijke karakter van de denktank, en bovendien de privacy van de desbetreffende deelnemers en de bescherming van diens persoonlijke levenssfeer zijn alle tot personen herleidbare gegevens onleesbaar gemaakt. Overige, relevante documenten zal ik binnen een termijn van drie maanden delen met de Kamer. Ook voor deze documenten geldt dat alle tot personen herleidbare gegevens onleesbaar worden gemaakt.
Kunt u onderzoeken en aan de Kamer laten weten wat de betrokkenheid van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) bij de DD is? Kunt u onderzoeken en aan de Kamer laten weten of de NCTV zich inhoudelijk heeft bemoeid of nog bemoeit met wat door de DD al dan niet als desinformatie beschouwd diende en dient te worden? Zo ja, kunt u de Kamer de resultaten uit dat onderzoek op korte termijn doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
De NCTV is geen deelnemer van de denktank desinformatie. Zoals blijkt uit de openbaar gemaakte verslagen heeft de NCTV – vanwege diens expertise op het gebied van desinformatie – in samenwerking met andere organisaties wel een werksessie tijdens een bijeenkomst van de Vaccinatiealliantie over desinformatie begeleid. Alle deelnemers aan de Vaccinatiealliantie – dus ook leden van de denktank – konden zich aanmelden voor deze werksessie.
In enkele gevallen is er informatie uitgewisseld met de NCTV.
Kunt u aan de Kamer laten weten of in het geval van betrokkenheid van de NCTV bij de DD, er sprake is geweest van het noemen of doorgeven van namen van personen die volgens de DD of de NCTV desinformatie verspreiden of verspreiden? Zo ja, kunt u de Kamer de resultaten uit dat onderzoek op korte termijn doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
De verschillen in handhaving bij boerenprotesten en klimaatdemonstraties. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat bij de demonstraties van boeren en klimaatactivisten op 22 juni jl. verschillen waren in de manier waarop de politie ingreep?1, 2
Ja. Daarbij merk ik wel op dat ook de omstandigheden waarin deze twee demonstraties hebben plaatsgevonden niet dezelfde zijn.
Erkent u dat dit niet de eerste keer is dat verschillend wordt gehandhaafd bij boeren- en klimaatdemonstraties?3, 4
Mijn ambtsvoorganger heeft naar aanleiding van de eerdere boerenprotesten met uw Kamer van gedachten gewisseld over de handhaving van de rechtsorde tijdens acties door boeren- en klimaatdemonstranten en daarover op 5 november 2019 een brief gestuurd5. Recenter heeft mijn ambtsvoorganger geantwoord op vergelijkbare Kamervragen.6 Aangegeven is steeds dat de verschillende situaties zich slecht laten vergelijken en dat het lokaal gezag afwegingen maakt op basis van de lokale situatie. Dat was ook op 22 juni jl. het geval.
Erkent u dat het feit dat de politie niet tegen trekkers op de snelweg is opgewassen ervoor zorgt dat een boerendemonstrant een aanzienlijk kleiner risico loopt belemmerd te worden in zijn demonstratierecht dan een klimaatdemonstrant zonder een trekker als machtsmiddel?
Allereerst merk ik op dat het recht om te demonstreren in Nederland een groot goed is. De uitoefening daarvan kan enkel worden beperkt ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Daarin is geen verschil tussen boerendemonstranten en klimaatdemonstranten.
Het demonstratierecht biedt evenwel geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten. Daarbij geldt dat de wet voor iedereen geldt. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt, wordt bepaald binnen de lokale driehoek.
Rondom de recente boerenprotesten heeft ter ondersteuning van het bevoegd gezag bestuurlijke afstemming plaatsgevonden met vertegenwoordigers lokaal bestuur, OM en politie. Daarbij zijn enkele uitgangspunten als advies voor de lokale driehoeken gedeeld met burgemeesters, onder meer dat de overheid zichtbaar en merkbaar optreedt tegen blokkades en andere buitenwettelijke acties. Waar directe handhaving niet mogelijk is wordt ingezet op opsporing en vervolging na de acties.
In het geval van het gebruik van landbouwvoertuigen was het met het oog op de veiligheid van medeweggebruikers en politiemedewerkers niet altijd goed mogelijk om ter plaatse handhavend in te grijpen. Dat is in sommige gevallen wel gebeurd bij excessen, zoals blokkades van de snelweg. Daarnaast is en wordt achteraf geverbaliseerd op basis van kentekengegevens en beeldmateriaal.
Omdat opgelegde boetes bij de politie niet op doelgroepen worden geregistreerd, is het niet mogelijk om precies na te gaan hoeveel tractorbestuurders een boete hebben ontvangen. Sinds 22 juni 2022 zijn in totaal in ieder geval 700 extra verkeersboetes uitgeschreven voor overtredingen die zijn te relateren aan de boerenprotesten. Het daadwerkelijke aantal ligt mogelijk hoger. Daarnaast zijn de afgelopen periode ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband houden met de boerenprotesten.
Vindt u dat een wenselijke situatie?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het lokale gezag verantwoordelijk is voor het handhaven van de wet, de openbare orde en de veiligheid bij een demonstratie, maar dat het aan u is rechtsongelijkheid bij de handhaving van demonstraties te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad niet aan mij als Minister om in de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag te treden. Zoals aangegeven meen ik dat in dezen geen sprake is van rechtsongelijkheid. De wet geldt voor iedereen. Ook bij de demonstraties door boeren is handhavend ingegrepen.
Het bericht ‘Postchaos in 's-Heer Arendskerke nog niet voorbij: 'Het is nu tijd om verdere stappen te nemen’’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Postchaos in ’s-Heer Arendskerke nog niet voorbij: «Het is nu tijd om verdere stappen te nemen»»?1
Ja.
Was u voor deze berichtgeving op de hoogte van problemen met de postbezorging in ’s-Heer Arendskerke? Zo ja, hoe lang bent u al bekend met dit probleem?
Nee.
Kunt u zich de schriftelijke Kamervragen over het bericht «Weer geen post in Kattendijke: «We noemen het hier al postgate»» nog herinneren?2
Ja.
Bent u bereid, aangezien u in de antwoorden op deze eerdere vragen aangaf de mening te delen dat de postbezorging overal in Nederland op orde dient te zijn, conform de eisen aan de Universele Postdienst (UPD), en dat inwoners er dus van verzekerd moeten kunnen zijn dat hun post wordt bezorgd, het probleem met de postbezorging in ’s-Heer Arendskerke te bespreken met PostNL (uitvoerder van de UPD) en te zorgen, zo nodig in samenspraak met de gemeente en inwoners van ’s-Heer Arendskerke, voor een structurele oplossing?
Inderdaad is het uitgangspunt dat de postbezorging overal in Nederland op orde moet zijn, conform de eisen aan de UPD. Incidentele problemen met de postbezorging zijn niet altijd te voorkomen. Alhoewel het kwaliteitsniveau van de postbezorging in Nederland tot de hoogste ter wereld behoort, kan er sprake zijn van omstandigheden die ook PostNL niet geheel in de hand heeft of kan voorzien. Krapte op de arbeidsmarkt, winterse omstandigheden, disfunctioneren van individuele postbezorgers, COVID-19 zijn daar voorbeelden van. Dergelijke omstandigheden kunnen leiden tot tijdelijke problemen bij de bezorging van post. Het is aan PostNL om hier zo snel mogelijk actie op te ondernemen, zodat weer wordt voldaan aan de eisen van de Postregelgeving. Het is aan ACM om hier toezicht op te houden en om zo nodig handhavend op te treden.
Voor wat betreft de situatie in de regio Goes heb ik van PostNL begrepen dat zij in direct, persoonlijk contact zijn met betrokkenen in ’s-Heer Arendskerke om bezorgfouten te voorkomen. Verder is het bedrijf druk bezig om nieuwe postbezorgers te werven, zodat de bezorging snel weer op het niveau is dat van PostNL verwacht mag worden. Het is in deze regio echter erg lastig om personeel te krijgen.
Bent u bereid verder te onderzoeken of er meer gemeenten zijn waar dit probleem zich voordoet, dit eventueel in samenwerking met PostNL, gezien het feit dat dit in korte tijd in twee Zeeuwse gemeenten aan de orde is, en de Kamer hierover te informeren?
PostNL dient jaarlijks aan ACM te rapporteren over de kwaliteit van de postbezorging. ACM heeft een toezichthoudende rol op het terrein van de wettelijke kwaliteitsnormen voor postbezorging. Zij kan handhavend optreden indien PostNL in gebreke blijft. Over het jaar 2021 heeft ACM ook een boete opgelegd aan PostNL, die overigens door PostNL wordt aangevochten. Verder heeft het kabinet op 24 juni maatregelen aangekondigd om de problemen op de arbeidsmarkt aan te pakken.
Aanhoudende diefstal, intimidatie en agressie veroorzaakt door asielzoekers. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woede om asieloverlast, ze fluiten mijn dochter van 14 na»?1
Ja.
Wat is de status van uw belofte op eerdere Kamervragen waarbij u heeft gesteld dat het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland?2 Hoeveel mensen zijn op basis van een misdrijf vanaf 1 januari teruggestuurd naar het land van herkomst? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Zoals aangegeven in reactie op eerdere Kamervragen en u ook in uw vraag aangeeft, is uitgangspunt van het openbare-ordebeleid dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor een verblijf in Nederland.3 Dit is geen belofte, maar staand beleid dat wordt uitgevoerd.
De IND kan de vluchtelingenstatus of een subsidiaire beschermingsstatus alleen weigeren of intrekken op grond van openbare orde indien de vreemdeling (onherroepelijk) is veroordeeld voor een (bijzonder) ernstig misdrijf. Hiervoor moet voldaan zijn aan een aantal voorwaarden, waarvoor ik u verwijs naar de antwoorden op eerder genoemde Kamervragen.4
De Staat van Migratie, die uw Kamer op 7 juli jl. is toegezonden, laat het aantal verblijfsvergunningen asiel zien dat is ingetrokken en het aantal asielaanvragen dat is afgewezen op grond van de openbare orde. Dit kunnen zowel eerste als opvolgende asielaanvragen zijn.5
De IND bepaalt of om redenen van openbare orde een verblijfsvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken. In 2021 zijn op grond van openbare orde 20 verblijfsvergunningen asiel ingetrokken en 20 asielaanvragen afgewezen. In 2020 ging het om 40 intrekkingen en 30 afwijzingen. In 2019 ging het om 30 intrekkingen en 30 afwijzingen.6
Als een vreemdeling in aanraking komt met de strafrechtketen (als verdachte/pleger van een misdrijf) wordt zijn dossier overgedragen aan de DT&V. De DT&V houdt bij hoeveel vreemdelingen in de strafrechtketen aantoonbaar vertrokken zijn uit Nederland. In 2021 zijn er ca. 740 VRIS-ers aantoonbaar vertrokken uit Nederland. In 2022 t/m mei waren dit er ca. 270. Deze cijfers worden ook maandelijks openbaar gemaakt in de Kerncijfers Asiel en Migratie.
Wat vindt u van het feit dat bewoners stellen dat de asieloverlast alsmaar erger wordt? Kunt u in uw beantwoording concreet ingaan op de vraag hoe u deze mensen gaat helpen?
Dat overlast van asielzoekers ook impact heeft op bewoners in de gemeente Westerwolde, is mij bekend en neem ik uiterst serieus. De migratieketen staat onder grote druk en alle inspanningen van betrokken partijen zijn erop gericht om de huidige situatie in de asielopvang te verbeteren om zo ook verdere overlast in Ter Apel te voorkomen.
Met inzet van beveiligers en politie proberen we overlast als asociaal gedrag op straat en winkeldiefstal te voorkomen om zo het woonklimaat voor bewoners en de werkomstandigheden voor ondernemers te verbeteren. Naast de preventieve aanpak wordt ook ingezet op een breed palet aan vreemdelingenrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in de aanpak van overlast.
Voor het treffen van passende maatregelen kan de gemeente Westerwolde opnieuw een beroep doen op de specifieke uitkering ten behoeve van de lokale aanpak van overlastgevende asielzoekers (SPUK) waarmee een maximale bijdrage van € 150.000,– kan worden aangevraagd.
Om ondernemers verder tegemoet te komen, zijn in overleg met de gemeente Westerwolde de beschikbare middelen voor de SODA-regeling aangevuld en opgehoogd tot een bedrag van € 25.000,–, zodat de regeling verder doorgang kan vinden.
Voorts ben ik momenteel de mogelijkheden en haalbaarheid van een aparte opvang aan het onderzoeken voor vreemdelingen met een kansarme aanvraag. In deze opvanglocatie geldt een sober regime en het vereiste dat de bewoners op locatie beschikbaar dienen te zijn voor het snel kunnen doorlopen van de procedure. De verwachting is dat een dergelijke locatie zal bijdragen aan het verminderen van de overlast aangezien vreemdelingen met een kansarme asielaanvraag relatief vaak betrokken zijn bij een incident of misdrijf.7
Heeft u de bereidheid om bewoners en ondernemers financieel te compenseren voor de kosten die zij maken om zichzelf tegen geboefte te beveiligen? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer is het voor u een keer genoeg voor wat betreft het opvangen van asielzoekers? Op welk momentum sluit u de grenzen? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Iedereen heeft recht op een eerlijke asielprocedure. Tijdens de asielprocedure hebben asielzoekers recht op opvang en begeleiding, dit gebeurt grotendeels in asielzoekerscentra. Vanzelfsprekend is elke vorm van overlast en criminaliteit onacceptabel en zet ik samen met onder meer partijen uit de migratieketen, de politie, het Openbaar Ministerie en gemeenten in op het voorkomen van overlastgevend gedrag en een harde aanpak. Zoals u bekend is het kabinet van mening dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk.
De rechtsbescherming van gedupeerden van het kinderopvangtoeslagenschandaal |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat er nog altijd gedupeerden van het kinderopvangtoeslagenschandaal naar de rechter moeten om wettelijk geldende beslistermijnen af te dwingen en inzicht te krijgen in het eigen dossier?1 2
Het lukt helaas niet om ouders binnen de wettelijke termijnen uitsluitsel te geven bij de integrale beoordeling en bezwaren. Dat is onwenselijk. Helaas zijn de mogelijkheden om alsnog binnen de termijnen te beslissen beperkt. Dit gelet op het grote aantal aanvragen en het aantal ouders dat nog integraal beoordeeld moet worden of nog wacht op de afhandeling van een bezwaarschrift. Op peildatum 30 september 2022 hebben zich ruim 57.000 ouders aangemeld, van wie het overgrote deel wel tijdig een eerste toets heeft gehad (ruim 55.000). Wel is op peildatum 30 september 2022 van 41.335 aanvragen de wettelijke beslistermijn verstreken. Ten aanzien van bezwaar geldt dat voor 2.913 bezwaarschriften. Ook moeten ouders langer op dossiers wachten dan gewenst. Er wordt zowel voor de integrale beoordeling en bezwaren als voor het ter beschikking stellen van dossiers hard gewerkt om knelpunten aan te pakken en processen te versnellen en te verbeteren.
Welke stappen zet u om te voorkomen dat ook andere gedupeerden naar de rechter moeten om hun recht te halen? Waarom wordt niet gewoon inzage gegeven in eigen dossiers en waarom wordt niet volgens de geldende beslistermijnen gehandeld door de Belastingdienst of de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT)?
Uitgangspunt bij de integrale beoordeling is dat behandeling op volgorde van aanmelding plaatsvindt. De ruimte daarvoor is afhankelijk van de besliscapaciteit, van de ouders in urgente situaties die voorrang krijgen en de capaciteit die is gemoeid met het beslissen op ingediende beroepen niet tijdig beslissen.
In urgente (schrijnende) situaties krijgt een ouder voorrang. Daarnaast is UHT gehouden om rechterlijke uitspraken op te volgen. Hierdoor doorkruizen de beroepen niet tijdig de behandelvolgorde op basis van volgorde van aanmelding.
UHT zet maximaal in op maatregelen om -waar mogelijk- sneller te beslissen, waaronder opschaling. Daarnaast zet UHT in op het versneld afdoen van specifieke groepen, zoals ouders die waarschijnlijk genoeg hebben aan € 30.000,- en ouders die duidelijk niet gedupeerd zijn. In bezwaar zet UHT naast opschaling onder meer in op het vroegtijdig zoeken van contact met ouders in bezwaar, op mediation en op het waar mogelijk voorkomen van samenloop met andere procedures. Maatregelen om dossiers sneller en beter op de informatiebehoefte van ouders afgestemd te verstrekken zijn onder andere automatisering, outsourcing van werkzaamheden, naast het verder opschalen van de organisatie. Daarnaast wordt bij het beschikbaar stellen van dossiers prioriteit gegeven aan bezwaardossiers zodat bezwaarprocedures afgehandeld kunnen worden.
UHT werkt in bredere zin aan het verbeteren informatievoorziening. Onderdeel daarvan is ook dat PZB-ers het informatie- en beoordelingsformulier aan ouders ter beschikking kunnen stellen. De ouder wordt hierdoor beter en gerichter geïnformeerd.
In de 11e Voortgangsrapportage, in het bijzonder paragraaf 2.1 (integrale beoordeling), paragraaf 2.4 (bezwaar) en paragraaf 2.5 (dossiers) is nader op deze maatregelen ingegaan. In de 12e Voortgangsrapportage zal een actualisatie plaatsvinden.
Wat vindt u van de constatering van de rechtbank Gelderland dat zij geen bevoegdheden heeft om de Belastingdienst of UHT te verplichten om een kopie van het dossier aan de gedupeerde te verzonden?3
Zoals kan worden opgemaakt uit de beantwoording van eerdere Kamervragen3 gelden er bij het verstrekken van dossiers geen beslistermijnen in de zin van de Awb. Een verzoek om een dossier te verstrekken is namelijk geen aanvraag, maar is gekoppeld aan de procedure waarin die stukken nodig zijn.
Voor de integrale beoordeling geldt een wettelijke verplichting om (uiterlijk) bij de verzending van de direct aan de beschikking grondslag liggende documenten te verstrekken. Het verstrekken van het informatie- en beoordelingsformulier geeft daar invulling aan. Voor de bezwaarprocedures geldt op grond van artikel 7:4, derde lid, Awb dat dossierstukken voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar beschikbaar dienen te zijn.
De rechter kan in de onderliggende procedure toetsen of de uiteindelijke beslissing voldoet aan de relevante wettelijke verplichtingen, waaronder ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De inzet is en blijft om knelpunten aan te pakken, zowel ten aanzien van het verstrekken van dossiers als ten aanzien van de procedures waar die dossiers op zien.
Hoeveel geld is de overheid al kwijt aan dwangsommen vanwege het niet tijdig nemen van beslissingen conform de Algemene wet bestuursrecht in de afwikkeling van het kinderopvangtoeslagenschandaal?
Aan bestuurlijke dwangsommen die worden verbeurd wegens door ouders ingediende ingebrekestellingen is € 9.257.898,00 verschuldigd (peilmoment 30 september 2022).
Voor door de rechter opgelegde dwangsommen geldt dat deze in de meeste gevallen kunnen worden voorkomen. De verschuldigde dwangsommen in dat kader bedragen inmiddels € 150.000 (peildatum 30 september 2022).
Wanneer heeft de laatste gedupeerde van het toeslagenschandaal eindelijk inzicht in zijn of haar dossier en wanneer is de laatste gedupeerde volledig gecompenseerd?
Naar verwachting is voor de hersteloperatie kinderopvangtoeslag nog een aantal jaren nodig. Mogelijk gedupeerde ouders kunnen zich tot eind 2023 aanmelden. Volledige afronding is mede afhankelijk van het aantal nog uit te voeren integrale beoordelingen en het afhandelen van eventuele vervolgstappen (verzoeken werkelijke schade, bezwaren, (hoger) beroep bij de rechter). Hoeveel tijd hiervoor nodig is, is mede afhankelijk van de verbeteringen en versnellingen waaraan wordt gewerkt. Over de voortgang van de hersteloperatie wordt regulier gerapporteerd in de voortgangsrapportages.
Wat gaat u doen om de Belastingdienst of UHT te verplichten om gedupeerden hun eigen dossier toe te sturen? Hoe gaat u rechters de mogelijkheid geven om het verstrekken van dossiers af te dwingen?
Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 2 en 3.
Is er nu voldoende capaciteit bij de Belastingdienst om binnen wettelijke termijnen dossiers te verstrekken? Zo nee, geldt dit argument ook voor belanghebbenden die niet tijdig belastingaangifte doen of anderszins niet in staat zijn aan een wettelijke fiscale termijnen te voldoen? Waarom niet?
Zoals in de 11e Voortgangsrapportage is aangegeven, is bij de hersteloperatie de vraag naar dossiers nog veel groter dan de beschikbare capaciteit voor het samenstellen en lakken van dossiers. Prioriteit ligt bij het verstrekken van bezwaardossiers, omdat hoorzittingen pas doorgang kunnen vinden nadat de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt.
Wettelijke termijnen moeten worden nageleefd. Dit geldt zowel voor het bestuursorgaan als voor belanghebbenden. Het onverhoopt niet naleven van een termijn door een partij ontslaat de andere partij niet van de naleving van wettelijke verplichtingen.
Hoeveel beslissingen van de Belastingdienst of UHT die nog moeten worden genomen zijn op dit moment niet tijdig genomen?
Van de ruim 57.000 aanmeldingen heeft het overgrote deel wel tijdig een eerste toets heeft gehad (ruim 55.000). Op peildatum 30 september 2022 is van 41.335 aanvragen de wettelijke beslistermijn van een jaar voor de integrale beoordeling verstreken. Ten aanzien van bezwaar geldt dat voor 2.913 bezwaarschriften. Op verzoeken om werkelijke schade wordt wel binnen de termijn van een jaar beslist, wel is in de 11e Voortgangsrapportage aangegeven dat er naar wordt gestreefd de doorlooptijden te verkorten.
Hoeveel procedures betreffende het niet tijdig nemen van een beslissing door de Belastingdienst of UHT zijn op dit moment bij rechtbanken aanhangig?
Er zijn 1.899 beroepen niet tijdig beslissen aanhangig bij de rechtbanken (peilmoment 30 september 2022).
Heeft u inzicht in het effect op de werkdruk van de rechterlijke macht indien alle betrokken burgers een beroep niet tijdig indienen? Kunnen de rechtbanken deze aantallen bolwerken? Wat kan daar nog aan gedaan worden om daar voor te zorgen?
De afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken worden op dit moment geconfronteerd met een hoge instroom aan beroepen niet tijdig door te late beslissingen van de UHT. Het is de verwachting van Raad voor de rechtspraak dat deze instroom de komende periode zal toenemen. Dit leidt tot een grote belasting van de afdelingen bestuursrecht en zal negatieve gevolgen hebben voor de doorlooptijden.
Het kabinet trekt ruim € 155 miljoen uit om de rechtspraak de komende jaren te versterken. Het zal echter nog enige tijd duren voordat de effecten hiervan zichtbaar zijn in de doorlooptijden. Het duurt gemiddeld drie jaar om een rechter op te leiden.
Bent u het eens met de stelling dat mensen te maken hebben met gebrekkige rechtsbescherming als gevolg van het niet verstrekken van de dossiers en het niet respecteren van de beslistermijnen door de Belastingdienst of UHT? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat mensen binnen een redelijke termijn uitsluitsel krijgen over hun recht op compensatie. In de Nederlandse wetgeving zijn termijnen voorgeschreven waarbinnen een beslissing genomen moet worden.
De eerste toets is zoals bij de beantwoording van vraag 1 en 8 aangegeven voor meeste aangemelde ouders verricht, binnen de geldende wettelijke termijn van zes maanden. Ruim 27.000 gedupeerde ouders hebben € 30.000 gekregen en komen in aanmerking voor aanvullende regelingen (schuldenaanpak en gemeentelijke hulp). Er wordt onder meer versneld contact gezocht met ouders die hier naar verwachting voldoende mee zijn geholpen om te bespreken of dat inderdaad het geval is (paragraaf 2.1 van de 11e Voortgangsrapportage). Ook wordt gekeken of evident niet-gedupeerde ouders versneld kunnen worden afgedaan. Het lukt echter onvoldoende om alle ouders in het kader van de integrale beoordeling tijdig duidelijkheid te bieden over hun recht op compensatie. Dat geldt ook voor de beslistermijnen bij bezwaarzaken. Met het niet halen van wettelijke termijnen wordt de rechtsbescherming van ouders te kort gedaan.
Voor een goede rechtsbescherming is het ook van belang dat procedures zorgvuldig worden doorlopen, bijvoorbeeld door in bezwaarprocedures de op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen en ouders in staat te stellen daarop te reageren. Het zorgvuldig doorlopen van een procedure draagt bij aan die rechtsbescherming, maar vraagt tijd.
In voortgangsrapportages en waar nodig tussentijds wordt gerapporteerd over de mogelijkheden om het proces te verbeteren en te versnellen.
Wat gaat u doen tegen deze situatie van het in strijd handelen met de wet door de Belastingdienst of UHT?
UHT zet zich maximaal in om handelen in strijd met de wet te voorkomen, maar, zoals ook volgt uit de beantwoording van vraag 1, is dat helaas in veel gevallen niet te voorkomen.
Iedere zaak waarin de beslistermijn wordt overschreden levert handelen op dat in strijd is met de wet. Dat is uitermate onwenselijk, maar wel de realiteit waar ouders en UHT helaas mee te maken hebben. Het onderstreept het belang om te kijken waar knelpunten weggenomen kunnen worden en verbetering en versnelling aangebracht kan worden, zie ook het antwoord op vraag 2. In de 12e Voortgangsrapportage zal zoals aangegeven een actualisatie plaatsvinden.
Wettelijke verplichtingen zien overigens niet alleen op de beslistermijnen opgenomen in de AWIR, maar bijvoorbeeld ook op termijnen die de rechter op kan leggen bij ingediende beroepen niet-tijdig en op de zorgvuldige voorbereiding van een besluit op de aanvraag.
Erkent u dat deze situatie niet zal bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de burger?
Een lange behandelduur draagt niet bij aan het herstel van vertrouwen van de burger. Ook daarom is het van groot belang te blijven werken aan versnelling en verbetering. Ook betere uitleg over het proces en de duur van de behandeling kunnen bijdragen aan meer vertrouwen, net als de hulp die ouders wel krijgen tijdens en na afloop van het proces.
Waarom wordt niet besloten dat de gedupeerde burgers een schade-expert toegewezen krijgen om hun schade te bepalen?
Zoals ook in het wetgevingsoverleg van 27 september jl. is toegezegd zal ik in de 12e Voortgangsrapportage informatie geven over schade-experts.
Helpt of ondersteunt de persoonlijk zaakbehandelaar een ouder die in de knel zit tijdens een procedure fictieve weigering?
Om hulp te krijgen is het niet nodig om procedure fictieve weigering (beroep niet tijdig) in te dienen. Zo kunnen ouders bij acute problemen hulp krijgen van het acute hulpteam of het brede hulpteam.
Als een ouder vragen heeft dan kan deze contact opnemen met het serviceteam van UHT of, als hij deze heeft, zijn persoonlijk zaakbehandelaar.
Zij kunnen op basis van de situatie van de ouder kijken welke hulp of ondersteuning een ouder op dat moment nodig heeft.
Het bericht dat de minister inzet op krimp van het aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf van 16 juni jl. dat u inzet op krimp van het aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol?1
Voor de volledigheid verwijs ik u naar de Hoofdlijnenbrief Schiphol van 24 juni jl.2
Kunt u een toelichting geven, gebaseerd op volledige wetenschappelijke bronnen (dus niet de onvolledige CE Delft-rapporten en onwetenschappelijke Werkgroep Toekomst Luchtvaart-rapporten), wat krimp doet voor de Nederlandse economie, het vestigingsklimaat en banen?
Er is door het Ministerie van IenW een analyse uitgevoerd waarvan de uitgangspunten zijn voorgelegd aan drie onafhankelijke externe partijen.3 Uit deze analyse blijkt dat Nederland met 440.000 vluchten vanaf Schiphol goed verbonden kan blijven met de rest van de wereld. Dit geeft het kabinet voldoende houvast dat bij 440.000 vliegbewegingen de netwerkkwaliteit en het vestigingsklimaat op een goed niveau blijven. Als de andere hubluchthavens in de landen om ons heen kunnen blijven groeien, kan het wel zijn dat Schiphol in de loop van de tijd achterop raakt met het aantal bestemmingen. In de hoofdlijnenbrief Schiphol is aangegeven dat het kabinet wil overstappen op sturen op normen en in lijn met de Luchtvaartnota op de voortdurende vermindering van negatieve externe effecten van de luchtvaart. Deze normstelling moet in de komende periode worden ontwikkeld. Het kabinet zal voor de normstelling de milieueffecten van het maximum van 440.000 vliegtuigbewegingen als bovengrens hanteren. Daarbinnen is er deels ruimte voor ontwikkeling van de luchtvaartsector bij het gebruik van schonere en stillere vliegtuigen, waarmee een deel van het eerdergenoemde risico dat Schiphol achterop kan raken ten opzichte van buitenlandse luchthavens zou kunnen worden gemitigeerd. Minder vluchten op Schiphol zal leiden tot minder activiteit op de luchthaven ten opzichte van de jaren voor COVID-19. Het effect op de werkgelegenheid is niet precies uit te drukken, het PWC onderzoek geeft aan dat op lange termijn geen effect merkbaar zal zijn.
Heeft u KLM en ander airlines geconsulteerd over het voornemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de analyse van de home-carrier KLM op het voornemen tot krimp?
Het kabinet heeft een integrale afweging van belangen gemaakt waarbij het tijdig en volledig informeren van de Kamer voorop staat. Over de implementatie van het besluit gaat IenW breder met verschillende partijen en bijvoorbeeld ook de Europese Commissie in overleg. In het kader van de balanced approach is ook een consultatie van belanghebbenden, zoals de luchtvaartmaatschappijen, voorzien.
Klopt het dat door krimp meer grote vliegtuigen op Schiphol zullen komen die meer uitstoten op gebied van geluid, CO2, stikstof, ultrafijnstof? Kunt u kwantificeren hoeveel impact dat heeft opmens, natuur en milieu?
Een lager aantal vluchten (krimp) betekent minder geluid en minder emissies van stoffen. De totale (geluid)belasting in de omgeving van de luchthaven zal (ten opzichte van nu) dalen, maar dit betekent niet dat elk deel van de omgeving er (in gelijke mate) op vooruit gaat. De inzet van meer grote vliegtuigen op Schiphol is niet uit te sluiten, ook zonder een besluit over minder vluchten niet. Echter door het beëindigen van het anticiperend handhaven wordt teruggevallen op het stelsel met de handhavingspunten. Bij dit stelsel wordt de totale hoeveelheid geluid per handhavingspunt beperkt, het kan dus zeker niet zo zijn dat de effecten op de omgeving toenemen.
Het kabinet realiseert zich echter ook dat aanvullende stappen nodig blijven om (geluid)belasting in de omgeving van de luchthaven verder terug te dringen. Daarom blijft het kabinet bijvoorbeeld inzetten op de programmatische aanpak geluid4.
Klopt het dat het kabinet in het coalitieakkoordhet verminderen van negatieve effecten van luchtvaart voor mens, milieu en natuur als doel heeft gesteld? Hoe wilt u met terugval naar het oude stelsel met handhavingspunten, wat hier haaks op staat, invulling aan het doel geven?
In het Coalitieakkoord stelt het kabinet dat er aandacht moet zijn voor het verminderen van de negatieve effecten van luchtvaart voor mens, milieu en natuur. Het kabinet zal stoppen met anticiperend handhaven in combinatie met het voortzetten van het strikt preferentieel baangebruik. In het kader van het Kabinetsbesluit van 24 juni jl. is aan onderzoekers van To70 gevraagd wat de impact is van het beëindigen van het anticiperend handhaven en het vliegen binnen het stelsel met de handhavingspunten.5 Dit zorgt ervoor dat ook in de toekomst de vliegtuigen die start- en landingsbanen gebruiken die op dat moment de minste overlast geven. Vooruitlopend op het te wijzigen LVB en de natuurvergunning wil ik via een ministeriële regeling, het nieuwe maximum van 440.000 vliegtuigbewegingen, de strikte regels voor preferentieel baangebruik en de slotreductie vastleggen, met het doel dat de ILT hierop kan handhaven.
Klopt het dat het kabinet in het coalitieakkoordeen stabiel en voorspelbaar ondernemingsklimaat tot doel heeft gesteld? Hoe wilt u met krimp, wat hier haaks op staat, invulling aan dit doel geven?
Het kabinet verwacht dat bij 440.000 vliegtuigbewegingen de netwerkkwaliteit en het Nederlandse vestigingsklimaat op een adequaat niveau blijven. Deze verwachting is ook uitgesproken door de onafhankelijke, externe partijen die een kritische evaluatie hebben uitgevoerd op de uitgangspunten van de bestemmingenanalyse. Deze bestemmingenanalyse en het verslag van de kritische evaluatie zijn als bijlage bij de Hoofdlijnenbrief Schiphol van 24 juni jl. meegestuurd.
Vindt u het alleszins redelijk na alle inspanningen van de luchtvaartmaatschappijen (onder andere vlootvervanging, duurzame brandstoffen) om over te gaan op krimp? Hoe ziet u zich hierin als betrouwbare overheid?
Een beperking van het aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol heeft impact op alle luchtvaartmaatschappijen en zal mogelijk scherpe keuzes van de luchtvaartmaatschappijen vragen voor de toekomst. Rond de luchthaven Schiphol zijn er echter verschillende maatschappelijke belangen die in balans met elkaar moeten worden gebracht. Alles overwegende en vanuit de wens om te zorgen voor meer juridische zekerheid en het anticiperend handhaven te beëindigen heeft het kabinet het besluit genomen om het aantal vliegtuigbewegingen voor de komende jaren te reduceren. Voor een toelichting op deze belangenafweging verwijs ik u naar de Hoofdlijnenbrief Schiphol.6 Met dit besluit bieden we duidelijkheid voor alle betrokken partijen, zoals ook als doel gesteld in het coalitieakkoord.
Klopt het dat door retaliatie en reciproque maatregelen KLM meer geraakt wordt dan invliegende luchtvaartmaatschappijen uit bijvoorbeeld het Midden-Oosten en daardoor harder moet krimpen dan de concurrentie?
Zoals aangegeven in de hoofdlijnenbrief Schiphol zal een beperking van het aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol voor KLM (als home carrier) in absolute zin sterker merkbaar zijn dan voor andere luchtvaartmaatschappijen aangezien KLM een groot aandeel van de vluchten op Schiphol voor haar rekening neemt. Dit vraagt mogelijk scherpe en moeilijke keuzes van KLM om voor de toekomst gesteld te staan.
Klopt het dat meer omwonenden geluidsbelast worden en dus het aantal ernstig gehinderden significant zal toenemen bij het oude stelsel met handhavingspunten waar u op terug wil vallen?
Nee. Uit het onderzoek van To70 blijkt niet dat het oude stelsel met handhavingspunten tot veel meer hinder leidt. Door het besluit om te stoppen met het toestaan van overschrijding van de geluidsnormen en het aantal vluchten hiervoor omlaag te brengen zal de totale geluidsoverlast van Schiphol afnemen. Er wordt daarbij vastgehouden aan het zogenoemde preferentieel baangebruik. Dat betekent dat vliegtuigen die start- en landingsbanen gebruiken die op dat moment de minste overlast geven.
Klopt het dat doorgaan met het huidige «Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel Schiphol»-traject met natuurvergunning een kortere doorlooptijd kent dan terugvallen op het stelsel met handhavingspunten?
Het doel blijft het vaststellen van een LVB, waarmee het NNHS wordt verankerd. Het vastleggen van het NNHS in een te wijzigen LVB laat echter, als gevolg van het ontbreken van een natuurvergunning voor Schiphol, in de tijd nog steeds op zich wachten. Hierdoor is een tussenstap van belang, omdat het gedogen van een groter aantal vluchten en de rechtsonzekerheid die hiermee gepaard gaat niet langer houdbaar is. Mocht de komende maanden alsnog het traject van het LVB in een stroomversnelling komen dan is uiteraard de tussenstap niet nodig.
Klopt het dat u helemaal opnieuw moet beginnen met de complete MER-procedure en dat alleen de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) overeind blijft als u overgaat op het handhavingspuntenstelsel?
Het kabinetsbesluit heeft ook gevolgen voor de definitie van het voornemen en daarmee de in de milieueffectrapportage «Nieuw Normen- en Handhavingstelsel Schiphol» opgenomen resultaten en conclusies. Dit kan aanleiding zijn tot een nader verzoek om aanvulling van het milieueffectrapport.
Klopt het dat de stikstofberekeningen voor de natuurvergunning op Schiphol bijna af zijn? Klopt het dat krimp hierin niet een oplossing biedt en andere maatregelen veel effectiever zijn? Hoe zijn de meest actuele berekeningen meegenomen in uw afweging?
Hoewel het effect van dit kabinetsbesluit tot beperking van de maximumcapaciteit op Schiphol bijdraagt aan de reductie van stikstofemissies, is dat niet de reden voor het nemen van dit besluit. Wel draagt het bij aan de noodzakelijke beperking van stikstofdepositie door de luchtvaart. Royal HaskoningDHV (RHDHV) heeft een verkennende studie uitgevoerd naar de depositieopgave van Schiphol en mogelijke bronnen voor saldering. Op basis van deze studie is de verwachting dat, ook bij een reductie van het maximum aantal vliegtuigbewegingen naar 440.000 per jaar een restopgave bestaat. Het onderzoeken van de precieze depositieopgave en mogelijkheden voor maatregelen voor intern en extern salderen is de verantwoordelijkheid van Schiphol, ten behoeve van de vergunningaanvraag door het bedrijf. Het bevoegd gezag zal de vergunningaanvraag en de aanvulling op de vergunningaanvraag door Schiphol beoordelen.
Heeft u de EU-verordening 598/2014, ook wel «Balanced Approach» genoemd, doorlopen alvorens terug te vallen op het stelsel met handhavingspunten? Zo nee, waarop baseert u dat terugvallen op het stelsel met handhavingspunten en krimp mogelijk is?
In de Hoofdlijnenbrief van 24 juni 2022 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het kabinetsbesluit inzake Schiphol. Daarin is aangegeven dat per direct wordt gestart met alle procedures die vanuit oogpunt van zorgvuldigheid en EU-regelgeving moeten worden doorlopen binnen de geldende (internationale) regelgeving, waaronder de Balanced Approach procedure. Hiervoor is nog voor de zomer overleg met de Europese Commissie gestart.
Wat zijn de ervaringen van de overheid inzake Balanced Approach in relatie tot nachtreductie? Hoe is deze procedure doorlopen? Wat zijn de uitkomsten van deze procedure geweest?
Er zijn nog geen eerdere voorbeelden van het doorlopen van de Balanced Approach door een lidstaat. In de Europese verordening ((EU) Nr. 598/2014) inzake geluidgerelateerde exploitatiebeperkingen op luchthavens binnen het kader van een evenwichtige aanpak (Balanced Approach), zijn regels opgesteld voor de instelling van geluidgerelateerde exploitatiebeperkingen. Deze verordening is sinds 13 juni 2016 van kracht. Voor de evenwichtige aanpak ten aanzien van de nachtreductie van 32.000 naar 29.000 nachtvluchten op Schiphol zijn de eerste stappen in de procedure zijn gezet die zijn gericht op het verkrijgen van informatie voor het consultatie- en kennisgevingsproces. De verdere stappen in de evenwichtige aanpak van de reductie van nachtvluchten worden nader bezien in de evenwichtige aanpak voor de reductie van het aantal vliegbewegingen naar 440.000 per jaar die is aangekondigd in de brief van 24 juni jl.
Klopt het dat de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport op 5 november 2021 gesteld heeft dat concreet zicht op legalisatie ontbreekt en hij door de rechter gedwongen kan gaan worden om te moeten handhaven volgens het oude handhavingspuntenstelsel? Heeft u dit als basis voor uw besluit tot krimp genomen? Zo ja, hoe ziet u de bruikbaarheid van de memo met het feit dat de stikstofberekeningen bijna af zijn, waardoor zicht is op een natuurvergunning met een nieuw Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) om het nieuwe stelsel te formaliseren?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft hier eerder aandacht voor gevraagd.7 Het signaal van ILT over anticiperend handhaven heeft een rol gespeeld in het besluit om het anticiperend handhaven te beëindigen. Op dit moment is er nog geen concreet zicht op het vastleggen van het NNHS in een te wijzigen LVB. Dit laat juist, als gevolg van het ontbreken van een natuurvergunning voor Schiphol, in de tijd nog steeds op zich wachten. Dat is de reden waarom er nu gestopt wordt met het anticiperend handhaven.
Het bericht 'Uitspraak Europees Hof zet Nederlands asielbeleid op losse schroeven; staat mag documenten asielzoeker niet meer zomaar opzijschuiven' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uitspraak Europees Hof zet Nederlands asielbeleid op losse schroeven; staat mag documenten asielzoeker niet meer zomaar opzijschuiven»?1
Met dit bericht ben ik bekend. Mijn voorganger heeft u op 8 juli 2021 over de betreffende uitspraak geïnformeerd.2
Bent u bekend met de uitspraak van de Raad van State op 26 januari 2022 die deze uitspraak nogmaals onderstreept?2
Met die uitspraak ben ik bekend.
Bent u bekend met de reactie van uw ambtsvoorganger op het rapport «Bewijsnood: wanneer nationaliteit en identiteit ongeloofwaardig worden bevonden»? (Kamerstuk 19 637, nr. 2760)
Met die reactie ben ik bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het Nederlandse beleid moet worden aangepast naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof en de Raad van State, ook omdat dit conform de afspraak uit het coalitieakkoord is waarin staat dat Nederland alle EU-richtlijnen uitvoert? Zo nee, waarom niet?
Zoals mijn ambtsvoorganger heeft toegelicht in voornoemde Kamerbrief van 8 juli 2021, liet de voorheen geldende lijn van de Afdeling de IND de mogelijkheid om documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, geheel buiten beschouwing te laten. De uitvoeringspraktijk was echter al minder strikt. Ik acht de huidige werkwijze van de IND in overeenstemming met de hier bedoelde jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie en de Raad van State. Ik verwijs naar de openbare IND-werkinstructie 2022/13 (opvolgende asielaanvragen), die geldt sinds 1 juli 2022 en waarin reeds eerder gegeven instructies aan de IND medewerkers in de vorm van informatieberichten zijn verwerkt.4 Mijn ambtsvoorganger heeft de voor die tijd geldende werkinstructie 2021/74, tezamen met een aantal andere werkinstructies, al eerder aan uw Kamer toegezonden.5 Hieruit volgt dat de IND – overeenkomstig voormelde jurisprudentie – ook kopieën betrekt van documenten en documenten waarvan de authenticiteit niet is vastgesteld, of die geen objectief verifieerbare bron hebben, bij de beoordeling van een opvolgende asielaanvraag. De IND beoordeelt conform de EU-Procedurerichtlijn wat de bewijswaarde van het document is en of het de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maakt. Dat zal onder andere niet het geval zijn als het document geen informatie behelst die relevant is voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag of als het document geen steun biedt voor het asielrelaas of er misschien zelfs mee in strijd is. Ook de omstandigheid dat de authenticiteit van een stuk niet is aangetoond, kan bij de beoordeling van de bewijswaarde van overgelegde documenten worden meegewogen.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen die ervoor zorgen dat er een realistische bewijslast komt voor asielzoekers die in overeenstemming is met het EU-recht en EU-richtlijnen? Bent u in het bijzonder bereid het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) en het beginsel van het «voordeel van de twijfel» beter te waarborgen gedurende de asielprocedure?
Zoals hiervoor is toegelicht, acht ik de huidige werkwijze van de IND in overeenstemming met de eisen die het EU-recht daaraan stelt. Zoals mijn ambtsvoorganger in de beleidsreactie van 8 juli 2021 op het rapport van Amnesty International «Bewijsnood» heeft toegelicht,6 is de Nederlandse asielprocedure erop gericht de asielzoeker zo goed mogelijk in staat te stellen zijn asielrelaas naar voren te brengen. IND-medewerkers maken zich er dagelijks hard voor dat asielbescherming wordt geboden aan hen die daar recht op hebben. Uiteraard kan de IND enkel een asielvergunning verlenen indien aannemelijk is dat de betreffende vreemdeling te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 31, zesde lid van de Vreemdelingenwet en artikel 4 van de EU-Kwalificatierichtlijn, kan er aanleiding zijn om de vreemdeling hieromtrent het voordeel van de twijfel te gunnen, hetgeen ook veelvuldig voorkomt.
Bent u bereid er voor te zorgen dat bij de overdracht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de Dienst Terugkeer & Vertrek duidelijk is of de nationaliteit al dan niet is vastgesteld en of een inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden naar de risico’s bij uitzetting naar het vermoedelijke land van herkomst of een eventueel derde land? Zo nee, waarom niet?
Allereerst merk ik op dat een inhoudelijke toets naar de risico’s bij (gedwongen) terugkeer wordt uitgevoerd door de IND naar aanleiding van een ingediende asielaanvraag. Voorts verwijs ik naar de uitgebreide toelichting die mijn ambtsvoorganger heeft gegeven over het vertrekproces van vreemdelingen van wie de nationaliteit niet is vastgesteld in de beleidsreactie op het rapport van Amnesty International. Tot slot wijs ik op paragraaf 13 van de openbare IND-werkinstructie 2022/4 (herkomstonderzoek in asielzaken).
In beginsel geldt dat een vreemdeling die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft, Nederland dient te verlaten. Dat is eerst en vooral een eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. Dat kan vertrek naar het land van herkomst zijn, maar ook een ander land van bestendig verblijf, een land van doorreis, of enig ander land waar de vreemdeling naar wil terugkeren. Uitgangspunt is dat toegang tot het andere land dient te zijn geborgd. Voorafgaand aan het vertrek wordt aan de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgereikt dat het land vermeldt waarnaar wordt uitgezet. Ook voor die tijd kan worden gewerkt aan terugkeer naar een ander land, of zelfs meerdere landen tegelijk, mocht vertrek naar het in het terugkeerbesluit opgenomen land niet mogelijk blijken. Eventueel zal, nadat de vreemdeling is gehoord, een aanvullend terugkeerbesluit worden genomen waarin het (nieuwe) land van beoogde terugkeer wordt vermeld. Wanneer de vreemdeling in het gehoor voorafgaand aan het aanvullend terugkeerbesluit naar voren brengt dat terugkeer naar dat land voor hem bezwaarlijk is, kan de betreffende ketenpartner dat afhankelijk van wat de vreemdeling in dit kader precies naar voren brengt, onderkennen als een asielaanvraag. In dat geval wordt die aanvraag doorgeleid naar de IND.
De vreemdeling en/of diens gemachtigde heeft op meerdere momenten de mogelijkheid om op te komen tegen de beoogde (gedwongen) terugkeer; bijvoorbeeld wanneer hij voorafgaand aan het aanvullende terugkeerbesluit gehoord wordt, hij beroep instelt tegen het aanvullend terugkeerbesluit of wanneer hij bezwaar indient tegen de feitelijke uitzetting.
Daarnaast kan de vreemdeling in iedere fase van het terugkeerproces een opvolgende asielaanvraag indienen, waarbij hij de gestelde risico’s bij terugkeer naar dat land naar voren kan brengen. De DT&V wijst de vreemdeling op deze mogelijkheid indien gedwongen vertrek aan de orde is. Tegen een afwijzing van die opvolgende asielaanvraag kan de vreemdeling bij de rechter in beroep komen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat wanneer de nationaliteit tijdens het uitzetproces alsnog wordt vastgesteld, dit wordt doorgegeven aan de IND zodat toetsing aan het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM alsnog kan plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe gaat u er voor zorgen dat de IND en de DT&V voldoende waarborgen inbouwen, zodat het niet afhankelijk is van een advocaat om mogelijke schendingen te voorkomen tijdens het uitzetproces?
Zie antwoord vraag 6.
Het informeren van de Kamer |
|
Laura Bromet (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden van 20 juni jl. op onze schriftelijke vragen van 3 juni 2022 over het informeren van de Kamer?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom niet iedere vraag inhoudelijk is beantwoord? Kunt u zich voorstellen dat door de zeer summiere beantwoording van de gestelde vragen over de grondwettelijke informatiepositie van de Kamer de indruk kan worden gewekt dat de regering de zorgen uit het parlement over de tijdige en volledige informatie niet serieus neemt?
Ja. In de antwoorden van 20 juni jl. op de schriftelijke vragen van 3 juni jl. is de inzet van het kabinet toegelicht ten aanzien van het zorgvuldig en tijdig informeren van de Kamer. Een zorgvuldige informatievoorziening van beide Kamers is in het licht van artikel 68 Grondwet essentieel in de verhouding tussen de regering en Kamers. Daarbij hoort dat de regering de Kamers zo snel als redelijkerwijs mogelijk informeert over relevante zaken. Sinds 2013 geldt hiervoor als werkafspraak voor verzending van stukken aan de Tweede Kamer dat stukken minimaal een kwartier voordat door media nieuws naar buiten wordt gebracht dienen te worden aangeleverd bij de griffies in verband met de benodigde verwerkingstijd. Naar aanleiding van uw vragen is deze werkafspraak nogmaals onder de aandacht gebracht bij alle Ministeries.
Wilt u vraag 3 «Hoe vindt u dat het sinds de beantwoording van genoemde schriftelijke vragen is gegaan met het naleven van werkafspraken tussen kabinet en Kamer over de wijze van informeren van de Kamer?» alsnog inhoudelijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat Kamerleden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is worden geinformeerd over relevante zaken. Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, zijn de gemaakte werkafspraken over het tijdig informeren van de Kamer opnieuw bij alle Ministeries onder de aandacht gebracht.
Wilt u vraag 5 «Kunt u zich voorstellen dat Kamerleden hun werk niet goed kunnen doen, wanneer zij moeten reageren op berichtgeving in de media terwijl de informatie nog niet aan de Kamer is gezonden?» alsnog inhoudelijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat Kamerleden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is worden geinformeerd over relevante zaken, zodat Kamerleden hun werkzaamheden goed kunnen uitvoeren. Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, zijn de gemaakte werkafspraken over het tijdig informeren van de Kamer opnieuw bij alle Ministeries onder de aandacht gebracht.
Wilt u vraag 6 «Deelt u de mening dat het feit dat een bewindspersoon graag in de media wil optreden (bijvoorbeeld interview in een krant of een optreden in een televisie-uitzending) over een kabinetsplan het niet rechtvaardigt dat media voordat een kabinetsplan naar de Kamer wordt gestuurd, van het kabinetsplan (onder embargo) op de hoogte worden gesteld? Zo nee, waarom acht u een mediaoptreden en/of het onder embargo naar de media sturen van een kabinetsplan belangrijker dat het tijdig informeren van de Kamer? En op welke wijze acht u dit passen binnen de werkafspraken met de Tweede Kamer?» alsnog inhoudelijk beantwoorden?
Het is belangrijk dat Kamerleden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is worden geinformeerd over relevante zaken, zodat Kamerleden hun werkzaamheden goed kunnen uitvoeren, waaronder het te woord staan van media in reactie op kabinetsbeleid dat aan de Kamer is gestuurd. Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, zijn de gemaakte werkafspraken over het tijdig informeren van de Kamer opnieuw bij alle Ministeries onder de aandacht gebracht.
Wat bedoelt u precies met «zo snel als redelijkerwijs mogelijk» in uw antwoord op vraag 2 van 20 juni jl.? Kunt u dit nader concretiseren aan de hand van voorbeelden? Deelt u de mening dat wanneer bewindspersonen (onder embargo) media kunnen informeren, het redelijkerwijs ook mogelijk moet zijn om diezelfde informatie ten minste op hetzelfde moment aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
De betreffende passage houdt onder meer in dat alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Het is aan elke bewindspersoon hierin een zorgvuldige afweging te maken en hierover ook in voorkomende gevallen verantwoording af te leggen. Sinds 2013 geldt hiervoor als werkafspraak voor verzending van stukken aan de Tweede Kamer dat stukken minimaal een kwartier voordat door media nieuws naar buiten wordt gebracht dienen te worden aangeleverd bij de griffies in verband met de benodigde verwerkingstijd. Naar aanleiding van uw vragen is deze werkafspraak nogmaals onder de aandacht gebracht bij alle Ministeries.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden zonder te verwijzen naar antwoorden op voorgaande vragen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht ‘Metselaarstekens op tiental Walcherse kerken verminkt door restauratie’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Metselaarstekens op tiental Walcherse kerken verminkt door restauratie»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat bij verschillende kerken op Walcheren inderdaad de zogeheten metselaarstekens zijn verdwenen door de restauratie? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren binnen de geldende kaders inzake restauratie en wat is de rol geweest van de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (RCE) als het gaat om Rijksmonumenten?
Ik waardeer de betrokkenheid vanuit de samenleving bij de instandhouding van erfgoed zoals bij deze bijzondere metselaarstekens. Uit observaties van de RCE ter plaatse en gesprekken met de gemeenten Veere en Middelburg blijkt echter dat van het afschaven of verwijderen van metseltekens bij restauratie geen sprake is. Inmiddels heeft de gemeente Veere alle betreffende kerken bekeken en is er contact geweest met de lokale historicus. Sommige tekens zijn in de loop der tijd minder zichtbaar geworden door algehele verwering van het metselwerk. Daarbij is de glazuurlaag van de decoratieve stenen van nature gevoelig voor craquelé en afbrokkeling. Nergens is geconstateerd dat metseltekens zijn afgeschaafd of verwijderd.
Hoe is het mogelijk dat zulke opzichtige elementen aan monumenten door restauratie aangetast kunnen worden? Wat doet u om te bevorderen dat basale kennis voldoende op peil is?
Zoals hierboven beschreven is in dit geval gelukkig geen sprake van aantasting van de monumenten door restauratie. De geleidelijke veroudering van metseltekens geeft geen aanleiding om te ingrijpen. Mijn beleid is erop gericht dat bij de instandhouding van monumenten zoveel mogelijk historisch materiaal wordt behouden. Dit vormt ook het uitgangspunt bij het beoordelen van subsidieaanvragen en het adviseren van gemeenten door specialisten van de RCE. Daarnaast ondersteun ik de sector via de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) die een belangrijke rol speelt in het stelsel dat zorgt voor kwaliteit bij restauratie en onderhoud van monumenten. Dat doet ERM door het samen met de sector ontwikkelen en vaststellen van uitvoeringsrichtlijnen. In de richtlijn voor historisch metselwerk wordt ook aandacht besteed aan deze zogenaamde metseltekens.
Op welke wijze kunt u bijdragen aan eventuele mogelijkheden tot herstel van deze monumenten of het voorkomen van problemen in lopende restauraties? Is de RCE voornemens contact te zoeken met alle gemeenten waar dit probleem aan de orde is, ook als geen sprake is van Rijksmonumenten?
De RCE is vanuit zijn wettelijke adviesrol doorlopend in contact met gemeenten en provincies. Zo ook met de gemeenten Veere en Middelburg en de provincie Zeeland. Zij geven dit specifieke onderwerp de volle aandacht. Daarnaast organiseert de RCE regelmatig bijeenkomsten voor de monumentensector waar kennis over specifieke instandhoudingsvraagstukken wordt uitgewisseld.
In hoeverre kan deze problematiek op andere plaatsen in Nederland aan de orde zijn? Bent u bereid dit in beeld te brengen en de gemeenten, die hiermee te maken kunnen krijgen, hierover te informeren?
Hoewel er in dit geval dus geen sprake is van een probleem, heeft de kwaliteit van uitvoering bij instandhouding van monumenten voortdurend mijn aandacht. Zo hebben de provincies en de RCE een monumentenmonitor ingericht die een goed beeld geeft van de kwaliteit van onze rijksmonumenten. Daarnaast is de kwaliteit van instandhouding voor de RCE het uitgangspunt bij het adviseren rondom vergunningverlening en bij subsidieverlening.
Een veel kleinere zwijnenpopulatie als gevolg van voedselschaarste |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Veel minder zwijnen»?1
Ja.
Is het waar dat er als gevolg van voedselschaarste en kleinere aanwas sprake is van een veel kleinere zwijnenpopulatie dan in eerdere jaren? Zo ja, hoe groot is het geschatte aantal dieren dat nu aanwezig is op de Veluwe volgens de voorjaarstellingen? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De reproductie van wilde zwijnen is afhankelijk van het voedselaanbod. Wanneer er minder te eten is worden er inderdaad minder biggen geboren. Dit is een natuurlijk proces. Navraag bij de provincie Gelderland leert dat zij geen aanwijzingen heeft dat sprake zou zijn van een veel kleinere zwijnenpopulatie. De betreffende faunabeheereenheden zijn verantwoordelijk voor de tellingen. Voor de aantallen dieren verwijs ik u naar een recente publicatie2 van de Faunabeheereenheid Gelderland.
Deelt u de mening dat een landelijk jachtverbod in draag- en zoogtijd van wilde zwijnen een logisch signaal zou zijn in de richting van de provincies, gelet op het feit dat er in belangrijke mate predatie plaatsvindt door grote inheemse roofdieren zoals de wolf in relatie tot de kleinere populatie zwijnen van dit moment? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid een landelijk jachtverbod in te stellen per 1 juli wanneer het afschot van pasgeboren wilde zwijnenbiggen gepland staat?
Wilde zwijnen zijn niet opgenomen in artikel 3.20, tweede lid van de Wet natuurbescherming. Derhalve is er geen sprake van jacht op wilde zwijnen, maar van beheer. In de Wet natuurbescherming is het faunabeheer en zo ook het beheer van wilde zwijnen gedecentraliseerd naar de provincies. Gedeputeerde staten zijn in dezen bevoegd gezag en besluiten over de door de Faunabeheereenheid Gelderland vastgestelde faunabeheerplannen waarin het beheer beschreven staat. Het faunabeheerplan dient tevens ter onderbouwing van de aanvraag om ontheffing die vervolgens door gedeputeerde staten wordt afgegeven onder de daarin opgenomen voorwaarden. Het is niet aan mij om te treden in de afwegingen en besluiten die de provincie hierbij neemt.
Zoals eerder aangegeven in antwoord op uw vragen (kenmerk 2021D24569) kan in gebieden waar de wolf gevestigd is jacht, schadebestrijding en populatiebeheer plaatsvinden, overeenkomstig de voor die gebieden geldende goedgekeurde faunabeheerplannen en daaruit voortvloeiende ontheffingen.
Deelt u de mening van prof dr. Josef Reichholf dat jacht geen regulerende werking heeft? Zo nee waarom niet?2
Ik deel deze mening niet. Jacht is een van de regulerende activiteiten om populaties te beheren. Regulering is toegestaan als deze geschiedt met het oog op nauwkeurig omschreven doelstellingen die betrekking hebben op het natuurbeheer en op bepaalde maatschappelijke belangen, en als de staat van instandhouding van de betrokken diersoorten niet in het geding komt. Voor degenen die bij jacht zijn betrokken, voorziet de Wet natuurbescherming in regels over het deskundige gebruik van middelen en over het goed jachthouderschap.
Deelt u de mening dat het toenemend aantal wolven in Nederland noopt tot een herbezinning ten aanzien van het afschot van grote hoefdieren die tot het voedselpakket van de wolf behoren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat de aanwezigheid van de wolf en het beheer van grote hoefdieren tot conflicten leidt. Zoals ik al eerder aangeef in mijn beantwoording is het niet aan mij om te treden in de afwegingen en besluiten die de provincie neemt in het kader van schadebestrijding en populatiebeheer.
Kunt u aangeven hoe groot het aantal edelherten en wilde zwijnen is dat voor 2022 op de nominatie staat om afgeschoten te worden volgens de planning van de provincie Gelderland?
Mijn ministerie beschikt niet over deze gegevens. Deze aantallen worden bepaald door de betreffende faunabeheereenheden. De afschotvergunningen zijn geopenbaard en voor een ieder toegankelijk. Ik verwijs u hiervoor graag door naar Faunabeheer Gelderland4 en Kroondomein Het Loo.5
Het artikel ‘Arbeidsmigranten profiteren van leefgeld voor Oekraïense vluchtelingen: ‘Mogelijk misbruik’’ |
|
Bente Becker (VVD), Zohair El Yassini (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Arbeidsmigranten profiteren van leefgeld voor Oekraïense vluchtelingen: «Mogelijk misbruik»»1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de leefgeldregeling bedoeld is om ontheemde Oekraïners te ondersteunen die als gevolg van de verschrikkelijke oorlog in hun thuisland hebben moeten vluchten? En deelt u de opvatting dat het onwenselijk is indien leefgeld terecht komt bij mensen die niet ontheemd zijn, omdat dit ten koste gaat van de steun aan de gevluchte Oekraïners die dit nu juist hard nodig hebben?
Ik deel de mening dat de voorzieningen in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (ROOO), waaronder het leefgeld, bedoeld zijn om ontheemden uit Oekraïne te ondersteunen die als gevolg van de verschrikkelijke oorlog in hun thuisland hebben moeten vluchten. De regeling is bewust ruimer opgezet omdat arbeidsmigranten die terug zouden willen keren naar Oekraïne maar die mogelijkheid niet meer hebben ook ontheemd zijn. Daarom kunnen ook deze mensen gebruik maken van de regeling.
Hebt u cijfers over de hoeveelheid aanvragen voor leefgeld ingediend door Oekraïense arbeidsmigranten die al voor de Russische inval in Oekraïne in Nederland woonachtig waren? In hoeveel gevallen werden deze aanvragen goedgekeurd? In welke gemeenten zijn deze signalen bij u bekend?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aantal arbeidsmigranten die al in Nederland verbleven en onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vallen. Ontheemden die inkomsten hebben uit arbeid en voor wie onderdak elders is voorzien kunnen materieel geen aanspraak maken op de voorzieningen.
Klopt het dat gemeenten op basis van de huidige regelgeving in een dergelijk geval een aanvraag voor leefgeld niet zomaar kunnen weigeren? Hoe beoordeelt u dit?
Wanneer iemand onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) valt, dan kan een gemeente de aanvraag niet weigeren. De burgemeesters kunnen op basis van art. 7 lid sub b en art. 13 ROOO de verstrekkingen intrekken indien blijkt dat de ontheemde inkomsten uit arbeid heeft of opvang (of onderdak) elders is voorzien. Ontheemden die inkomsten hebben uit arbeid en voor wie onderdak elders is voorzien kunnen materieel geen aanspraak maken op de voorzieningen.
Klopt het dat gemeenten op dit moment geen manier hebben om te verifiëren of een aanvrager voldoet aan alle voorwaarden2 die gesteld zijn voor het (blijven) ontvangen van leefgeld? Hoe beoordeelt u het verzoek van de gemeenten om hier wel zicht op te kunnen krijgen?
Op dit moment moet een ontheemde die gaat werken dit zelf aangeven bij de gemeente om het leefgeld te beëindigen. Momenteel wordt de Regeling opvang ontheemden Oekraïne geactualiseerd. Hierin wordt ook bezien of gemeenten inzage kunnen krijgen in de gegevens van het UWV om zo te weten of een ontheemde werkt. Zo hoeft een ontheemde niet meer zelf aan te geven dat hij/zij is gaan werken.
Hebt u cijfers over de hoeveelheid aanvragen voor leefgeld door Oekraïense burgers die na het doen van de aanvraag naar het buitenland vertrokken zijn? Op welke wijze wordt hierop gecontroleerd door gemeenten? Zijn zij naar uw inschatting voldoende in staat om te kunnen beoordelen of hiervan sprake is en om aanvragen voor leefgeld te weigeren indien dit het geval is?
Een ontheemde is verplicht zich uit te schrijven uit de BRP wanneer hij/zij vertrekt uit Nederland. Gemeenten registreren deze uitschrijvingen en zorgen er vervolgens voor dat het leefgeld gestopt wordt. Inmiddels hebben bijna 8.000 ontheemde Oekraïners, en 230 derdelanders zich uitgeschreven uit de BRP.
Hebt u zicht op de mate waarin Oekraïense arbeidsmigranten door werkgevers, uitzenders of huisvesters onder druk worden gezet om leefgeld aan te vragen? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken? Welke stappen gaat u ondernemen om deze malafide en zeer verwerpelijke praktijk aan te pakken dan wel te voorkomen?
Op dit moment heb ik geen zicht op de mate waarin Oekraïners die reeds in Nederland verbleven om arbeid te verrichten voor de inval van Rusland in Oekraïne door werkgevers, uitzenders of huisvesters onder druk worden gezet om leefgeld aan te vragen. Met u ben ik van mening dat dit een onwenselijke praktijk zou zijn. Zoals hierboven aangegeven moet een ontheemde die gaat werken of reeds werkt dit doorgeven aan de gemeente. Het recht op leefgeld vervalt op het moment dat iemand arbeid verricht. Ik zal bekijken hoe we dit kunnen onderzoeken en welke maatregelen we, indien dit nodig blijkt, kunnen nemen.
Welke andere stappen gaat u nemen om tegemoet te komen aan de verzoeken van gemeenten om meer zicht en controle te kunnen hebben op de juiste besteding van leefgeld, om te voorkomen dat Oekraïense ontheemden het slachtoffer worden van oneigenlijk gebruik van de leefgeldregeling? Bent u bereid om hierover met spoed het gesprek aan te gaan in het kabinet? Zo nee, waarom niet?
Er wordt gewerkt aan een aanpassing van de ROOO, waarbij onderzocht wordt of inzage in gegevens van het UWV kan worden gerealiseerd door een wettelijke verankering op te nemen in de wet SUWI. Met deze inzage kunnen gemeenten zien of ontheemden werken en gelijktijdig leefgeld ontvangen. Hiermee krijgen gemeenten meer zicht en controle op de juiste besteding van leefgeld.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het WEF |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Het World Economic Forum (WEF) stuurt, zo is inmiddels bekend dankzij de correspondentie die het afgelopen half jaar door de regering is vrijgegeven, regelmatig brieven en uitnodigingen naar leden van het kabinet, brieven die echter zelden (lijken te) worden beantwoord door het kabinet. Is dit correct?
Uitnodigingen van het WEF zijn niet rechtstreeks beantwoord aan de organisatie van het WEF. Dit verliep via de Permanente Vertegenwoordiging (PV) van Nederland te Genève. De PV Genève vormt de tussenschakel voor de ministeries en het WEF, en verzorgt de ondersteuning bij het coördineren van het bezoek van de Nederlandse bewindspersonen aan het WEF.
Of heeft de Kamer (nog) niet alle antwoorden die vanuit het kabinet naar het WEF zijn gestuurd ontvangen? Indien dit het geval is, kan de Kamer ook de antwoorden van het kabinet aan het WEF alsnog ontvangen?
Het verzoek dat destijds is gedaan, is geïnterpreteerd als direct contact tussen Den Haag en het WEF, niet het contact met de PV. De communicatie met en van de PV is wel opvraagbaar (zie het antwoord op vraag 3).
Tot slot, in de brief van 9 februari 20221 wordt Minister Kaag uitgenodigd door het WEF voor de jaarlijkse WEF bijeenkomst van 22 tot en met 26 mei in Davos. Heeft de Minister deze uitnodiging beantwoord? Indien dit niet het geval is, hoe kon het WEF in dat geval weten dat Minister Kaag naar deze bijeenkomst zou komen? Indien dit wel het geval is, kan de Kamer het antwoord van het kabinet op deze brief en uitnodiging van het WEF (alsnog) ontvangen?
Zoals hierboven beschreven, is dit via de PV Genève gecommuniceerd aan het WEF. In de bijlage treft u de bevestigingsmail van het Ministerie van financiën aan de PV Genève. De PV heeft dit mondeling medegedeeld aan het WEF.
De schrijnende situatie van een Iraniër die met de dood wordt bedreigd |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Buurt in actie voor illegale Navid uit Iran»?1
Ik heb het artikel gelezen maar zoals u weet kan ik niet ingaan op individuele gevallen.
Wat zegt het volgens u dat buurtbewoners in actie komen om Navid een legale verblijfsstatus te geven?
De betrokkenheid van de buurtbewoners vind ik een mooi gebaar van solidariteit. Voor zover u met uw vraag doelt op de legitimiteit die dit al dan niet verleent aan de verblijfsaanvragen van betrokkene, ben ik in algemene zin van mening dat betrokkenheid van burgers niet per definitie hoeft te betekenen dat er een grondslag bestaat voor het verlenen van een verblijfsvergunning.
Hoe kunt u van een vluchteling verwachten dat die tijdens een reis van duizenden kilometers lang bewijs meeneemt van bedreiging van zichzelf en zijn familie?
Het startpunt voor de beoordeling van de asielaanvraag zijn de verklaringen van de vreemdeling. Tegelijk mag verwacht worden dat een vreemdeling zijn aanvraag en verklaringen zo goed als redelijkerwijs mogelijk met documenten weet te onderbouwen. Als (bepaalde) documenten ontbreken wordt nagegaan waarom de vreemdeling de betreffende documenten niet heeft. Als een relevant element niet voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, zoals documenten, wordt aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren de geloofwaardigheid van het asielrelaas beoordeeld. Ook daarin kunnen indicatieve documenten een rol spelen. Een asielaanvraag zal niet enkel worden afgewezen omdat iemand bepaalde documenten niet kon meenemen uit of verkrijgen in zijn land van herkomst, of omdat hij deze onderweg is verloren.
Hoe stelt u bekeerlingen in staat hun bekering te bewijzen om te voorkomen dat zij ten onrechte terug worden gestuurd en met de dreiging van de doodstraf worden geconfronteerd?
De geloofwaardigheidsbeoordeling vindt, zoals ook vermeld in antwoord 3, grotendeels plaats aan de hand van de verklaringen van de asielzoeker. De algemene geloofwaardigheidsindicatoren die in de werkinstructie met nummer 2014/10 benoemd worden, zijn ook van toepassing op bekeringszaken. Daarnaast heeft de IND een werkinstructie met nummer 2022/3 die specifiek ziet op de geloofwaardigheidsbeoordeling in bekerings- en afvalligheidszaken. Op basis van deze werkinstructie, toetst de IND of het aannemelijk is dat de door de vreemdeling gestelde bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Daarbij wordt gekeken naar de kennis van het nieuwe geloof, de activiteiten die in dit kader zijn verricht en de motieven voor, en het proces van, bekering. Een bekering kan aanvullend worden onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van derden. Te denken valt aan een verklaring van kerkelijke personen of instanties.
In iedere bekeringszaak dient bovendien een bekeringscoördinator geraadpleegd te worden. Voor alle zaken – ook niet bekeringszaken – geldt dat indien de IND twijfelt over de beoordeling van de geloofwaardigheid er collegiaal overleg met een (senior) medewerker mogelijk is. Eventueel kan nader onderzoek in de vorm van een aanvullend gehoor opgestart worden. Ook kunnen deskundigen, bijvoorbeeld landenspecialisten, worden geraadpleegd.
Hoe acht u het mogelijk iemand terug te sturen wiens familie openlijk is bedreigd door het regime nadat een protestvideo van hem online is verschenen?
Als gezegd kan niet worden ingegaan op individuele gevallen. Op het moment dat een asielzoeker terug moet keren houdt dat in dat deze persoon geen recht op asielbescherming heeft in Nederland. Betrokkene heeft in dergelijke gevallen de volledige asielprocedure doorlopen, eventuele rechtsmiddelen uitgeput en daarbij is vastgesteld dat betrokkene geen individueel risico loopt op ernstige schade of vervolging bij terugkeer. Nederland heeft op dat moment aan al haar verplichtingen voldaan in het kader van het (internationaal) vreemdelingenrecht en er kan dus overgegaan worden tot terugkeer.
Bent u bereid het dossier van Navid te laten toetsen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst als schrijnend geval? Zo nee, waarom niet?
Zoals u in uw vraag aangeeft is het aan de IND om te toetsen op schrijnendheid. Dit gebeurt ambtshalve bij de eerste asielaanvraag wanneer hiervoor aanleiding bestaat. Indien een vreemdeling meent dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die zijn aanvraag kunnen ondersteunen staat het hem vrij om een herhaalde aanvraag in te dienen. Bij deze aanvraag vindt echter geen schrijnendheidstoets plaats. In dit proces is geen rol voor mij weggelegd en ik zal deze zaak daarom ook niet aan de IND voorleggen.
De gevaren die boeren op snelwegen veroorzaken |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boeren massaal over de snelweg naar actiedag in Stroe, politie machteloos»?1
Ja.
Wat waren de gevolgen van het spookrijden en het blokkeren van vluchtstroken voor de verkeersveiligheid en voor de doorgang van ambulances?
Sinds woensdag 22 juni zijn er op meerdere momenten blokkades op de snelwegen en toegangswegen geweest. Er zijn op 22 juni op de wegen in beheer van Rijkswaterstaat vijf ongevallen geregistreerd in het interne systeem van Rijkswaterstaat die direct te relateren zijn aan de aanwezigheid van tractoren op het hoofdwegennet. Het valt niet uit te sluiten dat het totale aantal hoger ligt. Ook zijn hierbij eventuele ongevallen op autowegen en autosnelwegen in beheer van andere wegbeheerders niet meegerekend, zoals bijvoorbeeld ambulances die geen doorgang konden vinden.
Onderschrijft u de constatering van een chirurg uit het St. Antonius Ziekenhuis dat deze acties levensgevaarlijk zijn?2
Ja.
Waarom worden tractoren niet direct van de snelweg afgeleid, eventueel op straffe van aanhouding?
Het doen stilhouden van een rijdend landbouwvoertuig kan risico’s opleveren voor de veiligheid van medeweggebruikers of politiemedewerkers. Wanneer om die reden door de politiemedewerkers ter plaatse wordt besloten een voertuig niet stil te houden, wil dat niet zeggen dat bestuurders van deze voertuigen wegkomen met strafbare feiten.
Na vaststelling van de identiteit op basis van beeldmateriaal of op andere wijze volgt een bekeuring of aanhouding.
Deelt u de grote zorgen dat de politie naar eigen zeggen «simpelweg niet opgewassen tegen deze machines» is?3 Het mag toch nooit zo zijn dat het recht van de sterkste bepaalt tegen wie de politie optreedt en tegen wie niet?
De wet geldt voor iedereen. Er wordt door de politie handhavend opgetreden, direct of achteraf. Handhaving kan op verschillende manieren gebeuren. Het lokaal gezag maakt hierin afwegingen waarin ook de veiligheid van wegverkeer en politiemedewerkers wordt betrokken. In dit geval is ter plaatse waar mogelijk gehandhaafd en is er ook geverbaliseerd, zowel ter plaatse als achteraf.
Herinnert u zich het antwoord van vorig jaar, dat één boete was opgelegd bij blokkades op de A1 voor bellen achter het stuur, en dat er geen aanhoudingen werden verricht?4
Ja.
Denkt u dat uit dat optreden van de politie een afschrikwekkende werking is uitgegaan waardoor boeren dit soort acties in het vervolg niet zouden herhalen?
Van belang is dat personen die zich schuldig maken aan strafbare feiten daar niet mee wegkomen. Er wordt door de politie handhavend opgetreden. Wanneer dat ter plaatse niet lukt, gebeurt dat achteraf.
Hoe duidt u de uitspraak van de politie dat het niet hun «doel [is] om zo veel mogelijk boetes uit te schrijven»?5 Hoe kan worden voorkomen dat boeren dit soort acties herhalen als het beeld wordt gecreëerd dat boeren niet voor boetes hoeven te vrezen?
Het doel is duidelijk te maken dat strafbare feiten en gevaarlijke situaties niet worden geaccepteerd en daar waar mogelijk wordt ingegrepen. Dit is herhaaldelijk door politie en OM gecommuniceerd. Wanneer het de politie door de omstandigheden niet lukt om deze feiten te voorkomen of om daarop direct te handhaven, wordt ingezet op opsporing en vervolging achteraf. Het is cruciaal dat personen die doelbewust de wet overtreden daar niet mee wegkomen.
Hoe komt het dat de politie niet in staat of niet bereid was in alle situaties te handhaven? Is daarbij overwogen bijstand in te schakelen van de Koninklijke Marechaussee?
Ik wijs u op de voorgaande antwoorden. Er was voor de gezagen geen aanleiding om de Koninklijke Marechaussee te verzoeken om bijstand te leveren.
Hoeveel tractoren zijn op 22 juni 2022 op de snelweg gesignaleerd? Hoeveel van hen hebben een boete gekregen? Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht?
Het is bij Rijkswaterstaat niet bekend hoeveel tractoren zich op 22 juni 2022 op de snelweg hebben bevonden en evenmin hoeveel bestuurders daarvan of automobilisten een snelweg hebben geblokkeerd. Rijkswaterstaat heeft namelijk geen systeem waarmee die informatie wordt verzameld. Bij politie is dit evenmin bekend.
Omdat opgelegde boetes bij de politie niet op doelgroepen worden geregistreerd, is het niet mogelijk om precies na te gaan hoeveel tractorbestuurders een boete hebben ontvangen. Wel is duidelijk dat de politie op 22 juni 2022 enkele honderden bekeuringen meer heeft uitgeschreven dan op andere woensdagen in 2022. Op 22 juni 2022 heeft de politie veertien aanhoudingen verricht die samenhangen met de voornoemde landelijke actiedag. Sinds 22 juni 2022 zijn in totaal in ieder geval 700 extra verkeersboetes uitgeschreven voor overtredingen die zijn te relateren aan de boerenprotesten. Het daadwerkelijke aantal ligt mogelijk hoger. Daarnaast zijn de afgelopen weken ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband houden met de boerenprotesten. Ook hierbij geldt dat het daadwerkelijke aantal mogelijk hoger ligt, omdat onderzoeken nog lopen.
Hoeveel automobilisten hebben op 22 juni 2022 snelwegen geblokkeerd? Hoeveel van hen hebben een boete gekregen? Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht?
Zie antwoord vraag 10.
Wat gaat u in het vervolg doen om dit te voorkomen?
De politie treedt op onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en de burgemeester.
Rondom recente acties heeft ter ondersteuning van het bevoegd gezag bestuurlijke afstemming plaatsgevonden met vertegenwoordigers van het lokaal bestuur, OM en politie.
De volgende uitgangspunten zijn als advies voor de lokale driehoeken gedeeld met burgemeesters:
De overheid treedt zichtbaar en merkbaar op tegen blokkades en andere buitenwettelijke acties.
Demonstreren mag, blokkeren niet. De overheid begrenst vroegtijdig en treedt waar mogelijk direct op. Blokkades worden zoveel mogelijk voorkomen dan wel zo snel mogelijk beëindigd (oplopend van vrijwilligheid naar vormen van dwang/handhaving).
Blokkades op en rondom snelwegen zijn niet acceptabel. Dit is voornamelijk gelegen in:
Gevaarzetting (ongevallen, gewonden, mogelijk zelfs dodelijke slachtoffers, bermbranden, gevaarlijke stoffen).
Snelweg is geen geschikte locatie, alternatieve locaties om te demonstreren worden in overleg met het lokaal bevoegd gezag aangewezen
Artikel 2 van de Wet openbare manifestaties biedt de mogelijkheid om een betoging in verband met de verkeersveiligheid te beperken of te verbieden.
Waar directe handhaving niet mogelijk is wordt ingezet op opsporing en vervolging na de acties. Er wordt ingezet op een hoge pakkans.
De situatie in Ter Apel |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het tienpuntenplan zoals dat op 21 juni door het College van burgemeester en Wethouders van Westerwolde aan de Kamer is voorgelegd?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, ik heb met interesse kennisgenomen van het tienpuntenplan. Op 24 juni 2022 bracht ik een werkbezoek aan de gemeente Westerwolde, inclusief de locatie Ter Apel. In navolging van het tienpuntenplan heb ik uit de eerste hand mogen vernemen welke problemen inwoners, ondernemers, het betrokken personeel en nieuw binnenkomende asielzoekers ervaren. Ik kan niet vaak genoeg benadrukken dat dit een zeer onwenselijke situatie is die ik ten zeerste betreur. Tegelijkertijd is de problematiek dusdanig complex dat een structurele oplossing niet snel en eenvoudig voorhanden is. Het is dan ook niet uitgesloten dat de onwenselijke omstandigheden aanhouden. Dat de gemeente Westerwolde in het tienpuntenplan stelt «het geduld voorbij» te zijn, kan ik ten volle begrijpen.
Graag sta ik stil bij het belang van de locatie Ter Apel en de samenwerking met de gemeente Westerwolde. Ter Apel is uniek in zijn soort. Het is de plek waar asielzoekers het asielproces starten, maar het is ook de plek waar asielzoekers opvang krijgen en, bij wijze van sluitstuk, voorbereidingen treffen op hun vertrek uit Nederland.2 Het asieldomein wordt hier over de volle breedte zichtbaar, vandaar ook de aanwezigheid van een veelheid aan organisaties. Zij werken met grote inzet en toewijding aan de uitvoering van het asielbeleid. De intensieve ketensamenwerking en concentratie van expertise is een kracht, maar ook een risico. Door de grote onderlinge afhankelijkheden hebben knelpunten en problemen binnen de keten gevolgen voor de organisaties die daarvan deel uitmaken. Helaas geldt dit ook voor de wijdere omgeving en in dit geval de gemeente Westerwolde. Ik ben vastbesloten in mijn streven om, hoe complex ook, de situatie in Ter Apel te verbeteren.
Ik wil mijn waardering uitspreken voor de gemeente Westerwolde die, ondanks de huidige problematiek, bereid blijft om op constructieve wijze mee te denken over mogelijke maatregelen. Een gedetailleerde reactie op de verschillende maatregelen geef ik in het antwoord op vraag 3. In algemene zin onderschrijf ik de strekking van het tienpuntenplan, namelijk dat de opvang van personen die vluchten voor oorlog en geweld vereist dat gemeenten een evenredige bijdrage leveren. De enorme druk op Ter Apel is namelijk onhoudbaar en moet verminderen. Voor degenen die oneigenlijk gebruik (en zelfs misbruik) maken van het fundamentele recht om asiel aan te vragen, is geen plek in Nederland. Overlastgevend of gewelddadig gedrag is volstrekt onacceptabel, óók van asielzoekers.
Bent u het eens met de strekking van het plan snel een einde te maken aan de enorme druk op Ter Apel, de onveiligheid en het gebrek aan capaciteit?
Het is evident dat de locatie Ter Apel structureel ontlast moet worden. Om een einde te maken aan de enorme druk op Ter Apel, de onveiligheid en het gebrek aan capaciteit, moet de situatie in breder perspectief worden geplaatst. De gevolgen manifesteren zich weliswaar op lokaal niveau in Ter Apel, maar het onderliggende probleem heeft betrekking op de doorstroom in de asielketen. Als zodanig is het een probleem van nationale omvang en betekenis dat, vanwege de nijpende situatie in Ter Apel, met urgentie geadresseerd moet worden. Om die reden heeft het kabinet op 17 juni 2022 besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren.3
Ik kan u verzekeren dat alle inzet erop is gericht om snelle resultaten te boeken, in de eerste plaats om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en de nijpende situatie op de locatie Ter Apel te verhelpen. Tegelijkertijd is het streven om structurele verbetering te realiseren. Om die reden hanteert het kabinet een stapsgewijze aanpak bestaande uit plannen voor de korte, middellange en lange termijn om voldoende opvang- en huisvestingscapaciteit te creëren. Stip op de horizon is in ieder geval de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. De gezamenlijke inzet en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen zal bepalen in hoeverre we hierin slagen.
Voor de precieze inhoud van de plannen verwijs ik naar de brief die uw Kamer op 24 juni 2022 heeft ontvangen.4 In de Kamerbrieven van 28 juli 2022 en 9 augustus 2022 wordt de actuele stand van zaken beschreven.5, 6 Tot slot wil ik benoemen dat de ontwikkelingen op het gebied van de crisisbesluitvorming elkaar razendsnel opvolgen. Dat heeft tot gevolg dat het beeld zeer snel verandert en het kabinet zich daar continu op moet aanpassen. Ik span mij, samen met mijn collega’s, in om uw Kamer tijdig en accuraat te informeren.
Kunt u per maatregel aangeven wat uw oordeel is?
Recent heb ik aanvullende maatregelen aangekondigd ter voorkoming en aanpak van overlast en criminaliteit door een in omvang beperkte groep asielzoekers. Een van de maatregelen betreft het opzetten van een nieuwe opvangmodaliteit, de zogeheten procesbeschikbaarheidslocatie (PBL). De PBL is bedoeld voor de opvang van asielzoekers met een kansarme asielaanvraag, te weten asielzoekers in spoor 1 (Dublinclaimanten) en spoor 2 (veilige landers). In de PBL zal een sober regime gelden. In het belang van het versneld afdoen van deze asielaanvragen wordt van betrokkenen vereist steeds beschikbaar te zijn op locatie. Van (semi)gesloten opvang is echter geen sprake, aangezien dit op juridische bezwaren stuit. De brief die ik op 29 juni 2022 aan uw Kamer heb gestuurd, bevat meer informatie over de PBL en andere maatregelen.7
Tevens wordt ingezet op versobering van de opvang(voorzieningen) van Dublinclaimanten op bestaande opvanglocaties. Dit houdt in ieder geval in dat betrokkenen bepaalde verstrekkingen, zoals artikelen voor persoonlijke hygiëne, in natura ontvangen. Ook andere mogelijkheden tot versobering worden bezien, dit met inachtneming van de uitvoeringsconsequenties. Een versoberd opvangregime is passend in het licht van de ambitie van een beperkte behandelduur van deze aanvragen en daarmee de beperkte verblijfsduur in de opvang.8
Verschillen fraudevormen zijn reeds strafbaar. Asielzoekers die fraude plegen of anderszins onheus gebruik maken van de asielprocedure, maken misbruik van de geboden gastvrijheid. Ik voeg hieraan toe dat ook bestuursrechtelijke sancties kunnen worden getroffen. Toepassing hiervan ligt meer in de rede, aangezien het vreemdelingenrecht een onderdeel is van het bestuursrecht. Bovendien moet het strafrecht worden beschouwd als ultimum remedium. Belangrijke bestuursrechtelijke sanctie om te noemen is de mogelijkheid om een reeds verleende verblijfsvergunning in te trekken. Om tot intrekking over te gaan moet evenwel aan de strenge voorwaarde worden voldaan dat er concreet bewijs is dat onjuiste gegevens zijn verstrekt in de procedure en dat die gegevens bovendien van doorslaggevend belang zijn geweest bij het toekennen van een vergunning.
De mogelijkheid om een «nieuwe» asielaanvraag te doen, is verankerd in Europese wet- en regelgeving. Hieraan ligt ten grondslag dat na afwijzing van een eerste asielaanvraag altijd sprake kan zijn van veranderde omstandigheden, zowel in het land van herkomst als in de situatie van de persoon zelf. Aangezien dit tot gevolg kan hebben dat terugkeer niet mogelijk is, dient het mogelijk te zijn om een nieuwe aanvraag in te dienen. Wel kan worden ingezet op een snelle afhandeling van dergelijke aanvragen. Snelle procedures kunnen immers de prikkel wegnemen om nieuwe kansloze aanvragen te doen. In een speciale «opvolgende aanvraagkamer» geeft de IND hier al uitvoering aan. Naast snelle procedures is een ontmoedigingsmaatregel op het terrein van rechtsbijstand ingevoerd. Daar geldt namelijk dat een lagere vergoeding wordt toegekend bij herhaalde asielaanvragen die worden afgewezen.
Overlastgevend of gewelddadig gedrag is volstrekt onacceptabel. Er bestaat al een breed pakket aan stevige maatregelen. Hierbij kan gedacht worden aan de persoonsgerichte aanpak van asielzoekers die de meeste overlast veroorzaken («Top-X-aanpak»), de maatwerkgerichte inzet van ketenmariniers en de financiering van lokale maatregelen om overlastgevende asielzoekers aan te pakken. Aanvullende maatregelen ter voorkoming en aanpak van overlast en criminaliteit zijn ook voorzien. Naast het opzetten van een PBL (zie onder 1) gaat het om nieuwe maatregelen om overlast op bestaande opvanglocaties tegen te gaan, inzet op vreemdelingenbewaring, toepassing van het middel van de ongewenstverklaring en aanpak van overlast in het openbaar vervoer.9 Veroordeling voor een (bijzonder) ernstig misdrijf kan onder bepaalde voorwaarden een grond zijn om geen verblijfsvergunning te verlenen.10
Ingevolge jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie hebben Dublinclaimanten tot aan hun overdracht recht op opvang. Bij wijze van alternatief wordt ingezet op een snelle afhandeling van dergelijke aanvragen, gevolgd door overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Hiervoor is nodig dat de verantwoordelijke lidstaat de overdracht accepteert en dat de overdracht binnen de overdrachtstermijn plaatsvindt. Naast snelle procedures wordt ook gewerkt aan het opzetten van een PBL en het versoberen van de opvang(voorzieningen) op bestaande opvanglocaties (zie onder 1). Dit kan de komst en het verblijf in Nederland ontmoedigen en daardoor bijdragen aan een reductie van de benodigde opvangcapaciteit.
Het kabinet zet in op de realisatie van nieuwe aanmeldcentra, aanvullend op het reeds bestaande netwerk van gelijksoortige voorzieningen, zoals in Budel en Zevenaar. Uiteindelijke doel is de doorontwikkeling van de aanmeldcentra tot Gemeenschappelijke Vreemdelingen Locaties. Op 6 juli 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de zoektocht naar nieuwe aanmeldcentra heeft geleid tot een mogelijkheid op een kavel in Bant, op loopafstand van het bestaande azc in Luttelgeest.11 Met de ontwikkeling van een locatie aldaar ontstaat perspectief om de locatie Ter Apel structureel te ontlasten en de afhankelijkheid van die ene locatie te reduceren. Realisatie vindt bij voorkeur plaats met medewerking van de gemeente Noordoostpolder. Bij belangwekkende ontwikkelingen zal ik uw Kamer uiteraard informeren.
Op basis van de reprimande-regeling kunnen winkeldieven bij het eerste vergrijp een waarschuwing krijgen in plaats van strafvervolging. Het Openbaar Ministerie is bevoegd om te beslissen of de reprimande-regeling wordt toegepast en dit doet dit in samenspraak met politie. Omdat voor deze regeling landelijk gemaakte afspraken gelden, is het niet mogelijk de regeling specifiek voor Ter Apel af te schaffen. Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om prioriteiten te bepalen in de door hen opgepakte zaken. Tegen deze achtergrond heb ik de wens van de gemeente Westerwolde hieromtrent onder de aandacht gebracht bij de politie en het Openbaar Ministerie.
Recent zijn de uitkomsten van de verkenning naar een juridisch instrumentarium bekend gemaakt. Het kabinet concludeert dat het voor de realisatie van voldoende opvangcapaciteit nodig is om een wettelijke taak bij gemeenten te beleggen om opvangvoorzieningen beschikbaar te stellen. Daarnaast is het van belang dat deze wettelijke taak voor gemeenten zo wordt vormgegeven dat het toezicht bij onverhoopte taakverwaarlozing effectief te realiseren is. Daarmee wordt materieel een aanwijzingsbevoegdheid gecreëerd. Een nadere uitwerking van bovenstaande uitkomsten is nodig, gevolgd door de voorbereiding van een wetsvoorstel. In de brief die ik op 8 juli 2022 met uw Kamer heb gedeeld, staat een uitgebreide toelichting bij het juridisch instrumentarium.12
Asielzoekers moeten zich in ieder geval een keer melden bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, namelijk na aankomst in Nederland. Binnen de huidige kaders kunnen bepaalde processtappen namelijk alleen daar worden doorlopen, zoals identificatie en registratie en medische checks. Vervolgens gaan asielzoekers doorgaans naar een (crisis)(nood)opvanglocatie elders. Dat asielzoekers zich op verschillende momenten moeten melden in Ter Apel is dus eerder uitzondering dan regel, met de kanttekening dat het in de huidige situatie wel vaker voorkomt. Ook hier geldt dat maatregelen worden gezocht en getroffen om de locatie Ter Apel te ontlasten. Zo geldt sinds begin 2022 dat het niet voor alle nareizigers verplicht is om zich in Ter Apel te melden. In plaats daarvan kunnen zij terecht in Zevenaar. Momenteel wordt onderzocht of de doelgroep kan worden uitgebreid.13
Net als in 2020 en 2021 kunnen gemeenten ook in 2022 een aanvraag indienen voor een zogeheten specifieke uitkering voor maatregelen tegen overlast en criminaliteit door asielzoekers. Hiervoor heb ik in 2022 een budget van 1,25 miljoen euro beschikbaar gesteld. Dit is een verhoging ten opzichte van de ter beschikking gestelde budgetten in 2020 en 2021 (beide jaren 1 miljoen). De uitkering geeft gemeenten de mogelijkheid tot (gedeeltelijke) financiering van lokale (kleinschalige) maatregelen die het beste bij hun problematiek passen. In het concrete geval van de gemeente Westerwolde betekent dit dat de extra financiële middelen kunnen worden aangewend voor de inzet van extra BOA.14 Ook het COA financiert enkele BOA’s die lokaal worden ingehuurd en ingezet. Ik hecht eraan om te benoemen dat, ondanks alle maatregelen die worden getroffen, overlast en criminaliteit nooit helemaal voorkomen kunnen worden.
Wat onderneemt u verder om de nijpende situatie in Ter Apel te verhelpen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het Rode Kruis zich heeft teruggetrokken uit Ter Apel omdat vluchtelingen al 12 uur geen eten en drinken kregen? Hoe gaat u dit voorkomen in de toekomst?
Allereerst wil ik mijn dank betuigen aan het Rode Kruis voor het plaatsen van 50 tenten op het parkeerterrein bij Ter Apel. Ook op andere manieren helpen zij om de noden van asielzoekers te verlichten. Van het Rode Kruis begreep ik dat zij op 16 juni 2022 inderdaad hebben besloten om de tenten te verwijderen. De reden zou gelegen zijn in de constatering dat de organisatie geen goede ondersteunende hulp kon bieden. Ik snap dat het Rode Kruis zich grote zorgen maakt over de situatie in Ter Apel, met name op die bewuste dag. Om die reden heeft het kabinet op 17 juni 2022 besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren. Ik herhaal dat alle inzet binnen de crisisstructuur erop is gericht om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en daardoor de nijpende situatie in Ter Apel te verhelpen. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vragen 2 en 4.
De lange wachttijden bij de ggz |
|
Rens Raemakers (D66) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zware depressie? 17 maanden wachten op hulp»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat zorgverzekeraars in het verleden ieder jaar 300 miljoen euro overhielden en er dus sprake was van onderbesteding, terwijl dit geld ook gebruikt kon worden voor bijvoorbeeld zogenoemde wachttijdmonitors?
Het klopt het dat een aantal jaren (tot en met 2018) sprake is geweest van een forse onderuitputting van het macrokader voor de geneeskundige ggz, terwijl er tegelijkertijd sprake was van wachttijden. Ik vind dat een onwenselijke combinatie, maar het laat ook zien dat de wachttijden een taai probleem vormen – waar meerdere factoren aan ten grondslag liggen – en dat de aanpak van wachttijden niet alleen een geldkwestie is. Sindsdien zijn er dan ook diverse maatregelen in gang gezet om de wachttijden aan te pakken. Zorgverzekeraars pakken met het in het gang zetten van die maatregelen duidelijk hun rol. Op dit moment is onderuitputting van het macrokader niet langer aan de orde. Over de ggz financiën voor de komende jaren worden nieuwe afspraken gemaakt in het IZA.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat geestelijke gezondheidszorg (ggz)-instellingen moeten sluiten vanwege een personeelstekort, terwijl hier patiënten opgevangen worden met dusdanig hoogcomplexe problemen die nergens anders opgevangen kunnen worden?
Ik deel uw zorgen op dit punt, het mag inderdaad niet zo zijn dat patiënten met een specialistische, complexe en intensieve zorgbehoefte verstoken blijven van zorg als gevolg van personeelstekorten. In dit licht is het opvallend dat het aantal gezondheidszorg (GZ) psychologen de afgelopen vijf jaar met meer dan twintig procent is toegenomen. Dit zou juist voor meer behandelcapaciteit moeten zorgen. Een verklaring voor deze twee tegengestelde bewegingen is dat we vaak zien dat personeel er voor kiest om (al dan niet als ZZP’er) lichtere zorg aan te bieden in plaats van te werken binnen de instellingen die complexe specialistische en intensieve zorg bieden. Dat vind ik zorgwekkend. Ik ben daarom op dit moment met het veld in gesprek over de vraag wat ervoor nodig is om het werken binnen de instellingen zelf aantrekkelijker te maken. Ik zie daarbij een grote rol weggelegd voor de werkgevers zelf, maar we moeten ook nagaan of de prikkels in het systeem nu goed staan. Het is van belang om het zorgpersoneel en instellingen te stimuleren om zich te (blijven) ontfermen over complexe(re) patiënten. Ik wil daarom in het kader van het Integraal Zorg Akkoord (IZA) afspraken maken met zorgaanbieders, professionals en zorgverzekeraars op dit punt, om te zorgen dat ook patiënten met een complexe(re) zorgvraag op goede en passende zorg kunnen blijven rekenen.
Hoe kijkt u aan tegen het omvormen van grote ggz-instellingen tot kleine ggz-instellingen, om het voor personeel aantrekkelijker te maken hier te gaan werken?
Ook binnen grotere organisaties kan goed werkgever- en werknemerschap zorgen voor een aantrekkelijke werkomgeving. Wat de beste schaalgrootte is om de gestelde doelen – waaronder het aantrekkelijker maken van de werkomgeving – te bereiken is een afweging die ggz-instellingen zelf kunnen maken.
Bent u bereid om de wachtlijsten in de ggz voor zorgverzekeraars beter inzichtelijk te maken?
Het verbeteren van transparantie op het gebied van de wachtlijsten is vanaf het begin één van de belangrijkste speerpunten van de wachttijdenaanpak geweest. Er zijn sinds 2020 dan ook grote stappen in gezet. Zo zijn aanbieders door de aanpassing van de Transparantieregeling2 verplicht om de gemiddelde wachttijden door te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en hebben we sinds begin 2021 ook inzicht in het aantal wachtenden. In vervolg op deze stappen maakt de NZa problemen in de toegang tot- en wachttijden in de ggz verder inzichtelijk, bijvoorbeeld door onderzoek te doen naar het aantal dubbel- en voorkeurswachtenden.3
Ook wil ik in het IZA afspraken maken over de structurele vragen die in de ggz moeten worden aangepakt, toegankelijkheid en wachttijden zijn daarbij voor mij belangrijke thema’s. Uw Kamer zal hierover op een later moment nader worden geïnformeerd.
Hoe gaat u, aangezien in het artikel staat beschreven dat een zorginstelling niet de verplichting heeft om aan te schuiven bij een regiotafel hoogcomplexe ggz (waar gesproken wordt over hoe cliënten met een hoogcomplexe zorgvraag het best geholpen kunnen worden), de deelname van zorginstellingen aan de regiotafels bevorderen, zodat samen naar oplossingen gezocht kan worden?
De deelname aan een bovenregionale casuïstiektafel hoogcomplexe ggz is inderdaad geen harde verplichting voor ggz-aanbieders, hoewel partijen zich er – via koepelpartijen de Nederlandse ggz en MeerGGZ – wel aan gecommitteerd hebben. Ik spreek partijen dan ook op hun verantwoordelijkheid aan wanneer dat nodig is.
Ook kunnen zorgverzekeraars deelname aan de bovenregionale casuïstiektafels onderdeel maken van de contractuele afspraken die zij met ggz-aanbieders maken.
Bent u al in gesprek gegaan met de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) over het probleem dat mensen niet bij instelling A behandeld kunnen worden omdat ze te complex zijn en vervolgens ook moeten wachten bij instelling B? Zo ja, welke oplossing is daar uit voortgekomen?
Zie mijn antwoord op vraag 5 ten aanzien van het verbeteren van transparantie op het gebied van wachttijden in de ggz. Daarnaast zal ik het genoemde punt meenemen in de gesprekken die nu lopen in het kader van het IZA, waarbij zoals vermeld de toegankelijkheid van de ggz en de wachttijden belangrijke aandachtspunten zijn. Overigens zal een afspraak hierover breder zijn dan de NVvP; het zijn de aanbieders en verzekeraars die ik primair aanspreek waar het over de wachttijden in de ggz gaat.
Wanneer kunnen we de tijdens het commissiedebat GGZ / Maatschappelijke opvang / Suïcidepreventie door u toegezegde brief over de handhavingsmogelijkheden met betrekking tot de zorgplicht van de zorgverzekeraars verwachten?
Deze brief is op 22 juni 2022 naar de Tweede Kamer verzonden4.
Heeft het tijdens het commissiedebat GGZ / Maatschappelijke opvang / Suïcidepreventie door u toegezegde gesprek met Zorgverzekeraars Nederland en de NZa, om duidelijkheid te verschaffen over het inkopen van de zorgbehoefte, al plaatsgevonden en wat kwam daaruit?
Naar aanleiding van het commissiedebat van 11 mei jl. heb ik de signalen van verschillende Kamerleden over het niet verhogen van omzetplafonds bij bepaalde (kleinere) zorgaanbieders die zorg leveren waarvoor wachttijden bestaan gedeeld met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en NZa. Het contact over deze signalen met ZN en de NZa is nog gaande. Dit omdat ik het van belang vind dat deze specifieke signalen zorgvuldig en in een bredere context worden bekeken.
De grote belangstelling voor de regeling ‘impulsaanpak winkelgebieden’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fonds aanpak noodlijdende winkelgebieden fors overtekend: 16 miljoen meer dan beschikbaar is»?1
Ja.
Bent u van mening dat, met het oog op de snelle veranderingen in de winkelstraat, de urgentie hoog is om winkelgebieden klaar te maken voor de toekomst?
Ja.
Bent u voornemens om, conform de toezegging van de voormalig Staatssecretaris van Economische Zaken, met de Tweede Kamer te kijken hoe geld uit de impulsregeling naar voren kan worden gehaald als er ruim meer goede aanvragen zijn ingediend dan er budget beschikbaar is?2
Wanneer veel meer goede projectaanvragen zijn ingediend dan kunnen worden gehonoreerd met het beschikbare budget voor deze openstellingsronde, dan zal ik dat zeker overwegen. Dat is nu echter nog niet aan de orde.
Bent u bereid om het geld uit de impulsaanpak dat gereserveerd staat voor de vierde en laatste tranche (2024) naar voren te halen en te verdelen over de tweede (2022) en de derde tranche (2023)?
Daarvoor zie ik op dit moment geen aanleiding. Er zijn in de eerste openstellingsronde 16 projecten ingediend die gezamenlijk 38 miljoen euro subsidie vragen. Er is voor deze ronde 22 miljoen euro beschikbaar.
Momenteel wordt de businesscase van de projectaanvragen beoordeeld op validiteit. Wanneer de projectaanvragen in financieel-technische zin akkoord zijn, dan worden de aanvragen inhoudelijk beoordeeld door de Adviescommissie Impulsaanpak Winkelgebieden. De commissie stelt een ranking op, waarbij de beste projecten het hoogst zullen eindigen. Deze projecten komen het eerst in aanmerking voor subsidie, tot het beschikbare budget is uitgeput. In de maand augustus zullen de beschikkingen worden afgegeven. Dan wordt ook duidelijk welke projectaanvragen niet voor subsidie in aanmerking komen. Het valt te verwachten dat nog enkele projectaanvragen worden afgewezen. Gemeenten worden in de gelegenheid gesteld om hun aanvragen, zonodig na een verbeterslag, opnieuw in te dienen voor een volgende openstellingsronde.
Hoe gaat u de projecten die onder deze regeling uitgevoerd gaan worden, gebruiken om andere gemeenten en private partijen te inspireren ook te investeren in transformatie en revitalisering van winkelgebieden?
Nieuwe kennis en inzichten worden actief opgehaald en gedeeld om gemeenten en andere geïnteresseerde partijen te activeren. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een breed scala aan communicatiemiddelen als websites, nieuwsbrieven, informatiebijeenkomsten en publicaties. We laten betrokkenen aan het woord, zodat hun persoonlijke ervaring en motivatie gaat leven. Hierbij werken we nauw samen met allerlei partijen, waaronder de partijen achter de Retailagenda, die dicht bij de verschillende relevante doelgroepen staan. Voorbeelden zijn de brancheorganisaties in retail en vastgoed en organisaties van gemeenten als VNG en G40, maar ook bijvoorbeeld Platform 31 en De Nieuwe Winkelstraat.
Hoe wilt u, naast de uitvoering van de regeling «impulsaanpak winkelgebieden», die door het vorige kabinet in het leven is geroepen, invulling geven aan het door dit kabinet in het regeerakkoord geformuleerde ambitie om leegstand tegen te gaan en samenwerking tussen retail, cultuur en horeca te stimuleren?
Om leegstand verder tegen te gaan werkt mijn ministerie nauw samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de gemeenten, onder andere op het terrein van transformatie. Bijvoorbeeld bij de uitwerking van het Nationaal Transformatieplan en de Verkenning Binnensteden van de G6-gemeenten. Binnen de Retailagenda wordt samengewerkt met alle partijen die actief betrokken zijn bij de transitie van de retail en de vitale binnensteden. Daarbij wordt uitdrukkelijk ingezet op het nog beter aansluiten van cultuur en horeca.
Het bericht ‘Prijsexplosie GHB vanwege oorlog in Oekraïne, verslaafden stoppen met de drug’ |
|
Songül Mutluer (PvdA), Mirjam Bikker (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Prijsexplosie GHB vanwege oorlog in Oekraïne, verslaafden stoppen met de drug»?1
Ja.
Herkent u de kansen en risico’s die verslavingsdeskundigen zien als gevolg van de plotselinge prijsstijging, waardoor gebruikers plotseling moeten stoppen? Hoe beoordeelt u deze kansen en risico’s?
Er is geen eenduidige informatie of er sprake is van een prijsstijging van GHB. Indien sprake is van een prijsstijging is het mogelijk dat sommige verslaafde gebruikers kunnen overstappen naar andere meer betaalbare middelen (zoals alcohol, XTC/MDMA en amfetamine) die een gelijke werking hebben om hun onthoudingsklachten te onderdrukken. Dit laatste is uiteraard onwenselijk. Het zou beter zijn als gebruikers overgaan tot behandeling van hun verslaving.
Deelt u de opvatting dat het van belang is om laagdrempelige en toegankelijke hulpverlening te bieden en bekendheid te geven aan het aanbod om mensen te helpen op een verantwoorde wijze van hun verslaving af te komen? En dat deze situatie nog meer aanleiding geeft om de inzet hierop te versnellen?
Ik deel deze opvatting. Laagdrempelige toegang tot goede verslavingszorg is van groot belang en hierin is samen met partijen in het veld in geïnvesteerd. Het Trimbos instituut heeft in samenwerking met partners, een gemeentelijke casus-gerichte GHB-aanpak ontwikkeld. In deze aanpak gaat het over het centraal stellen van de cliënt en het verstevigen van de samenwerking tussen verslavingszorg, gemeente, politie en andere netwerkpartners. Een aantal gemeenten in Nederland voert deze aanpak momenteel uit met behulp van een ontwikkelde handreiking voor gemeenten die ondersteunt bij het opzetten van deze aanpak. Deze handreiking wordt regelmatig bijgewerkt. Daarnaast organiseert het Trimbos-instituut intervisiebijeenkomsten voor de gemeentelijke projectleiders die met de aanpak werken en is er eind 2021 een webinar georganiseerd voor het algemene publiek. Gemeenten die kampen met GHB-problematiek kunnen door het Trimbos-instituut een onderzoek laten uitvoeren naar de aard en omvang van de problematiek in de gemeente (een Scanner), wat kan leiden tot gerichte aanbevelingen voor de gemeente in de aanpak van GHB-problematiek.
Tevens heeft het Nijmegen Insitute for Scientist-Practitioners in Addiction (Nispa) in 2020 in samenwerking met instellingen voor verslavingszorg, het Bongers Instituut en het Trimbos-instituut een handreiking uitgebracht over hoe behandeling van de groep (zeer) problematische GHB-gebruikers vormgegeven moet worden. Deze handreiking bevat praktische informatie voor zowel professionals als voor ervaringsdeskundigen, patiënten en naasten. Tot slot wordt momenteel door Novadic-kentron in samenwerking met het Nijmegen Institute for Scientist-Practitioners in Addiction (NISPA-Radboud) gewerkt aan nieuwe innovatieve behandelingen die het effect van de bestaande behandeling en de toegang tot zorg voor personen met een GHB verslaving moet verbeteren.
Bent u bereid de voorlichting voor GHB-gebruikers en in het bijzonder mensen met een GHB-verslaving per direct op te schalen, bijvoorbeeld op sociale media, waarbij zij worden gewezen op hulpverlening en verslavingszorg? Zo ja, hoe geeft u dit vorm? Zo nee, welke stappen overweegt u om wel te zetten?
Het is zinvol om in te zetten op toeleiding naar zorg bij de groep GHB gebruikers. Door het vergroten van de bekendheid over het beschikbare aanbod om van de verslaving af te komen, zowel bij de zorgverlener als de gebruiker, kan dit worden bewerkstelligd. Sociale media kan hiervoor ingezet worden, waarbij gebruikers worden gewezen op hulpverlening en verslavingszorg. Het Trimbos-instituut, maar ook verslavingszorginstellingen, bepalen zelf hoe zij het meest effectief gebruik kunnen maken van sociale media voor de voorlichting over de beschikbare hulpverlening en zorg.
Gebruikers van GHB kunnen terecht op de websites https://www.drugsinfo.nl/ghb en https://www.drugsenuitgaan.nl/ghb. Op de website drugsenuitgaan.nl kunnen zij ook een gebruikerstest doen om te kijken of het gebruik riskant is. Naast het risico op «out gaan» wordt ook het risico op verslaving benadrukt. Mensen die de drugsinfolijnen bellen en bij wie problematisch gebruik wordt vermoed, worden doorverwezen naar de huisarts. Afhankelijk van de behoeften van de beller, wordt doorverwezen naar een andere instantie.
Bent u voorts bereid met spoed het gesprek te voeren met de aangewezen zorgpartners over de vraag hoe er voldoende hulpverlening en verslavingszorg beschikbaar kunnen zijn voor mensen die al dan niet noodgedwongen afkicken, zodat zij op een veilige en duurzame manier van hun verslaving af komen?
Ik blijf in gesprek met de betrokken zorgpartners om zo samen tot de beste oplossingen voor voldoende hulpverlening en verslavingszorg te komen. Er zijn reeds goede initiatieven bewerkstelligd zoals de ontwikkeling van een handreiking door het Nispa, onder andere in samenwerking met instellingen voor verslavingszorg, over hoe behandeling van de groep (zeer) problematische GHB gebruikers vormgegeven moet worden.
Op welke wijze houdt u er zicht op of gebruikers overstappen op andere gevaarlijke middelen, conform de vrees van Novadic-Kentron? Op welk moment verbindt u daar beleidsvoornemens aan?
Er zijn in Nederland diverse monitors actief op het gebied van middelengebruik, zoals het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS). Het Trimbos-instituut monitort het gebruik van middelen met verschillende monitors en periodieke onderzoeken. Ook verslaving aan middelen kan weer beter in beeld gebracht worden met behulp van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS). Het LADIS systeem is sinds 1 juli jl. weer in werking en draagt bij aan het verkrijgen van informatie in de ontwikkelingen binnen de verslavingszorg, zoals de verslavende middelen die verslaafden gebruiken en het aantal mensen dat zich heeft aangemeld voor verslavingszorg. Gelet op de vrees van Novadic-Kentron blijven we alert op signalen die aanleiding geven tot ingrijpen.
Hoe wordt voorkomen dat hier substitutie optreedt en criminelen een nieuwe «markt» aanboren?
De beste manier om substitutie te voorkomen is door de vraag weg te nemen. Het is daarom belangrijk mensen die verslaafd zijn aan middelen toe te leiden naar een behandeling, zodat zij ook geen behoefte ervaren om een substituut voor GHB te vinden. De inzet op drugspreventie2 ondersteunt ook de aanpak van drugscriminaliteit. Immers: hoe minder gebruikt wordt, hoe kleiner de vraag. Een vraag die een gevaarlijke en gewelddadige keten mede in stand houdt. De aanpak van de criminaliteit die met de productie en handel van drugs gepaard gaat en de ondermijnende effecten die deze criminaliteit op de samenleving heeft, vallen onder de coördinerende verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid. Het hele kabinet zet zich hiervoor in. Mijn inzet op drugspreventie is daarin een belangrijke schakel.
Naast het wegnemen van de vraag is het belangrijk om het aanbod en de bijbehorende georganiseerde drugscriminaliteit terug te dringen. De aanpak van georganiseerde criminaliteit is van groot belang voor dit kabinet en zal de komende periode topprioriteit zijn. In de Kamerbrief van 26 april jl. over de aanpak van georganiseerde criminaliteit op hoofdlijnen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid het belang van een consistente en samenhangende repressieve en preventieve aanpak benadrukt.3 In deze brede aanpak gelden vier inhoudelijke prioriteiten: voorkomen, doorbreken van criminele netwerken en verdienmodellen, bestraffen en beschermen. Er zijn structurele middelen beschikbaar gesteld voor de aanpak van drugscriminaliteit.