Het stikstofbeleid in Nederland en andere lidstaten |
|
Derk Jan Eppink (JA21) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht sturen van de grenswaarden voor een vergunning (stikstofnorm) per lidstaat in de Europese Unie (of ten minste van België, Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Ierland, Spanje en Italië) in gram stikstof per hectare per jaar?
Ik kan u geen overzicht sturen van de grenswaarden stikstof voor alle EU-lidstaten, omdat deze op dit moment niet voorhanden is. Mede als gevolg van de ruimte die lidstaten hebben om de verplichtingen volgend uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zelfstandig vorm te geven in nationale wet- en regelgeving, alsook de verschillen in onder andere juridische en ecologische omstandigheden, zijn er verschillen (ontstaan) in beleid om aan deze internationale verplichtingen te voldoen. Voor de Nederlandse situatie geldt dat deze nationale ecologische en juridische omstandigheden op dit moment geen ruimte laten om een drempelwaarde toe te staan.
Ten aanzien van de buurlanden Vlaanderen en Duitsland kan ik u het volgende laten weten. Voor Vlaanderen geldt dat zeer beperkt ruimte bestaat voor vergunningverlening. Vlaanderen hanteert op basis van een (tijdelijke) ministeriele instructie een drempelwaarde voor NOx van maximaal 1% (met een maximum van 0,3 kg N/ha/jr) van de KDW voor Natura 2000-gebieden waar deze wordt overschreden. Indien sprake is van een overschrijding van deze drempelwaarde dient een passende beoordeling plaats te vinden over de impact op de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende natuurgebied. Voor ammoniak wordt een drempelwaarde van 0,1% van de KDW gehanteerd. Voor ammoniak veroorzaakt door veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties moet altijd een passende beoordeling worden opgemaakt. Deze tijdelijke instructie zal vervangen worden door een nieuwe beoordelingssystematiek die onderdeel is van de definitieve Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Waarschijnlijk zal deze PAS begin volgend jaar worden vastgesteld door de Vlaamse regering.
In Duitsland, in de «Technische Anleitung zur Reinhaltung der Luft« (TA Luft), is voorgeschreven dat zodra er een kans is dat een vergunningsplichtige activiteit een negatief effect kan hebben op een Natura 2000-gebied, een zogenaamde «verdraagzaamheidsstudie» naar federale natuurbeschermingswetgeving verplicht is. Daarin moet worden aangetoond dat er geen negatief effect zal zijn op Natura 2000-gebieden. In de TA Luft wordt voor stikstofdeposities in natuurgebieden een grens aan de wetenschappelijke meetbaarheid van stikstofdepositie in natuur gehanteerd. Valt de verwachte toename van de stikstofdepositie als gevolg van de geplande activiteit onder die grenswaarde voor meetbaarheid, dan hoeft er geen extra procedure gevolgd te worden. Als in het betreffende natuurgebied de KDW al overschreden wordt, mag de toename niet meer dan 3% van de KDW zijn (de zogenoemde «Bagatellschwelle»). Ook bouwvoornemens die deze waarden niet overschrijden moeten aan aanvullende bouwtechnische eisen aan stallen en mestopslag voldoen, zoals luchtzuivering en luchtdichte mestopslag.
Welk rekenmodel wordt in andere lidstaten gebruikt voor het berekenen van landelijke en regionale stikstofdepositie op natuurgebieden?
Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van modellen en het toepassingsbereik ervan in Duitsland, Verenigd Koninkrijk, België en Denemarken1. De aanpak verschilt per onderzocht land tussen een modelmatige grenzen en beleidsmatig gekozen waardes. In Nederland wordt met het rekenmodel OPS gerekend (met uitzondering van projectberekeningen voor wegverkeer, daarvoor wordt het rekenmodel SRM2 gehanteerd). Uit dit onderzoek blijkt dat in de onderzochte landen gebruikt wordt gemaakt van het model VLOPS (Vlaanderen), het SCAIL-model (Verenigd Koninkrijk) en OML-DEP model (Denemarken).
Worden in andere lidstaten bodems van natuurgebieden frequenter gemeten dan in Nederland?
Nee, voor zover bekend zijn er geen lidstaten die frequenter de concentratie en depositie van stikstof in de natuurgebieden meet dan Nederland.
Wordt er in andere lidstaten bij nieuwe activiteiten een rekenmodel gebruikt voor het becijferen van de stikstofdepositie op natuurgebieden? Zo ja, op wat voor «grid» wordt de depositie berekend (per hectare, per vierkante meter, per natuurgebied et cetera)?
Alle lidstaten hebben de verplichting om te voldoen aan de verplichtingen volgend uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, verschilt de implementatie per lidstaat. Dit heeft ook invloed op het gehanteerde detailniveau van berekeningen (ook wel het «grid» genoemd). Op dit moment wordt onderzocht of een internationale vergelijkingsstudie van de gehanteerde modellen van toegevoegde waarde kan zijn voor de Nederlandse systematiek.
Kunt u verklaren waarom er in Italië, waar de stikstofuitstoot vergelijkbaar is met die van Nederland, geen stikstofcrisis is?
Zoals aangegeven in vraag 1 moet elke lidstaat voldoen aan de verplichtingen volgend uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Het samenstel van (eigenschappen van) Natura 2000-gebieden, mate van uitstoot van stikstof en nationale wet- en regelgeving die daar direct of indirect op stuurt, maakt vergelijkingen zeer ingewikkeld. Voor Nederland geldt dat het is geconfronteerd met de zogenaamde PAS-uitspraak van de Raad van State vanwege de overmatige stikstofdepositie op het grootste gedeelte van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. De uitspraak van de Raad van State en betekenis daarvoor voor beleid, wet- en regelgeving is specifiek van toepassing voor Nederland en de Nederlandse omstandigheden ten aanzien van stikstofuitstoot en de staat van de N2000-gebieden hier.
Kunt u een vertaling of uiteenzetting sturen van de Italiaanse wetgeving omtrent stikstof met bronvermeldingen erbij?
Voor zover mij bekend, komt stikstof in Italiaanse wetgeving voornamelijk voor in regelgeving met betrekking tot nitraat, water- en luchtkwaliteit. Hier wordt dan ook vaak verwezen naar Europese wetgeving, zoals de NEC- of nitraatrichtlijnen. In het «National Air Pollution Control Programme (NAPCP)» geven de lidstaten aan hoe zij de emissiereductieverplichtingen van de NEC-richtlijn willen nakomen. In de NAPCP van Italië van maart 2019 zijn regionale ammoniakreductiedoelstellingen voor 2030 voorgesteld voor onder andere de Regio’s in de Po-vlakte: Lombardije -19.7%, Piemonte -17%, Emilia Romagna -18,4% en Veneto -15,4%.2 Aanvullend geldt dat veel relevante (landbouw)regelgeving, met bijvoorbeeld betrekking tot nitraat door regionale overheden wordt vormgegeven en uitgevoerd, waaronder bijvoorbeeld regionale actieprogramma’s gericht op ammoniak, nitraat en waterkwaliteit.
Kunt u verklaren waarom andere lidstaten (zoals Italië) minder streng naar de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kijken dan Nederland?
Alle lidstaten, waaronder Italië, hebben de plicht om de implementatie van richtlijnen op terreinen als natuur, klimaat en water eigenstandig vorm te geven om zo aan de internationale verplichtingen te voldoen. De monitoring in hoeverre wordt voldaan aan de invulling van deze verplichtingen is aan de nationale instanties van de lidstaten en de Europese Commissie. Ook wil ik benadrukken dat de wijze waarop andere lidstaten invulling geven aan hun internationale verplichtingen niets afdoen aan de verantwoordelijkheid van het Nederlandse kabinet deze na te komen.
Hoeveel dagen had AERIUS dit jaar storing?
Het eerst half jaar van 2022 zijn onderdelen van AERIUS vijf keer kortstondig niet beschikbaar geweest vanwege een storing. In alle gevallen is de oorzaak snel achterhaald en waren alle functionaliteiten na ongeveer een uur beschikbaar.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Gegeven de aard van de vragen, en omdat ik hecht aan een gedegen beantwoording, heeft beantwoording van deze vragen niet binnen drie weken plaatsgevonden.
De aanhoudende oversterfte |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat sinds week tien van dit jaar wekelijks meer mensen overlijden dan op basis van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)-model verwacht werd? Zo ja, heeft u hiervoor een verklaring en/of gaat u hier onderzoek naar doen?
Uit de sterftecijfers van het CBS kan geconstateerd worden dat er in het begin van 2022 geen sprake was van oversterfte. Sinds week 10 lag volgens het CBS het aantal overledenen boven de verwachte sterfte, maar binnen het interval van gewoonlijke fluctuaties. Hierdoor was er tot week 13 geen sprake van oversterfte. Vanaf week 13 tot week 33 is er in iedere week sprake van oversterfte (alleen week 21 ligt net onder de grens) volgens de berekeningen van het CBS. Om deze oversterfte nader te duiden, zijn onder andere de doodsoorzakenstatistieken nodig. Op dit moment zijn de doodsoorzakenstatistieken beschikbaar bij het CBS tot en met mei 2022 (voorlopige cijfers)1. Hierbij is het belangrijk om aan te geven dat hoeveel mensen overlijden afhankelijk is van een groot aantal factoren. De oorzaak voor een periode van oversterfte is daarom niet eenduidig aan te wijzen (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u op de hoogte van het feit dat sinds week dertien van dit jaar elke week sprake is van oversterfte, de weken 21 en 31 uitgezonderd? Deelt u de mening dat dit hoogst ongebruikelijk is, zeker omdat na een periode van oversterfte vaak een periode van ondersterfte volgt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat deze toename in aantallen overlijdens niet toegeschreven kan worden aan corona-infecties, aangezien de meer dan verwachte sterfte veel hoger is dan de sterfte die corona-gerelateerd is? Zo ja, hoe verklaart u deze sterfte dan? Gaat u onderzoek doen naar de mogelijke andere oorzaken van deze sterfte, bijvoorbeeld naar een eventuele, onverwachte toename van bepaalde aandoeningen?
De cijfers over de (over)sterfte zijn gebaseerd op de berichten over het aantal overledenen die het CBS dagelijks van gemeenten ontvangt. Deze berichten bevatten geen informatie over de doodsoorzaak. Die informatie ontvangt het CBS later via een doodsoorzakenverklaring. Voor alle overledenen tot en met mei 2022 is op dit moment de doodsoorzaak bekend (voorlopige cijfers). In de periode januari 2022 tot en met april 2022 overleden circa 4.400 personen aan COVID-19. Naast de COVID-19-epidemie is er vanaf half maart 2022 dertien weken lang een griepepidemie in Nederland geweest2. Ook waren er aanzienlijk lange, zeer warme, zelfs hete perioden in de zomer. Net als in veel andere landen overleden veel mensen extra in vooral juli, mogelijk door de hittegolf. In landen waar het koeler was, was de sterfte toen niet verhoogd. Hierover is meer te lezen in het laatste verschenen nieuwsbericht van het CBS3.
Bent u op de hoogte van het feit dat de toename van overlijdens direct volgt op de start van de nieuwe vaccinatiecampagne en het zetten van herhaalprikken? Houdt u er rekening mee dat deze nieuwe ronde vaccinaties van invloed zou kunnen zijn op de toename van sterfte? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide analyse geven waarom u dit verband uitsluit?
In het oversterfteonderzoek van het CBS en het RIVM4 is gekeken naar het risico op overlijden binnen acht weken na COVID-19 vaccinatie. Uit dit onderzoek blijkt voor geen enkele leeftijdsgroep of vaccindosis een verhoogd risico op overlijden aan andere oorzaken dan COVID-19 gevonden na COVID-19 vaccinatie. Onderzoeken in andere landen met nog grotere populaties, zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, laten ook geen verhoogd sterfterisico na vaccinatie zien. Vaccinatie heeft een sterk beschermend effect tegen overlijden aan COVID-19 en heeft daardoor veel (over)sterfte voorkomen. Uiteraard hecht ik belang aan verder onderzoek naar mogelijke oorzaken van de oversterfte en stimuleer dit door middel van de uitvoering van traject 3 van het oversterfte onderzoek via ZonMw5.
Hoe verklaart u het feit dat er een correlatie is tussen het aantal vaccinaties dat per week toegediend wordt en het aantal extra overlijdens in de week daaropvolgend? Kunt u inzichtelijk maken welke andere oorzaken behalve vaccinatie aannemelijk zijn en waar u deze vermoedens op baseert?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt het gegeven dat wereldwijd het aantal mensen dat sterft met/aan een corona-infectie is gedaald tot op het niveau van voor de eerste coronagolf en op dit moment dus niet langer sprake is van een epidemie, zich tot de aanhoudende oversterfte van de afgelopen tijd?
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is COVID-19 nog steeds een pandemische ziekte. In lijn daarmee, is COVID-19 in Nederland nog steeds een epidemische ziekte. De oversterfte van de afgelopen tijd is (nog) niet (volledig) onderzocht. Volgens de laatste publicaties van het CBS is er in 2022 sprake van oversterfte (zie antwoord 1 en 2). Cijfers over doodsoorzaken zijn op dit moment tot en met mei 2022 beschikbaar bij het CBS. Om een beeld te krijgen van de redenen en oorzaken van de oversterfte in 2022 dienen naast deze gegevens ook andere bronnen gebruikt te worden. Ik vind het belangrijk dat ook hier gedegen onderzoek naar gedaan gaat worden. In het huidige oversterfte onderzoek, waarbij traject 3 recentelijk van start is gegaan, wordt gekeken naar de oversterfte in de periode 2020–20216.
Is, gezien de onzekerheid rondom de veiligheid van de coronavaccins, de afname van de werkzaamheid van vaccinatie en de ontwikkeling van het coronavirus wereldwijd, niet een herijking van het beleid gewenst? Waarom wordt het vaccinatieprogramma niet (tijdelijk) gestaakt, bijvoorbeeld om te meten of de oversterfte na het stoppen met vaccineren afneemt?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op uw schriftelijke vragen van 25 juli jl.7, worden vaccins alleen goedgekeurd door het EMA en het CBG als de werkzaamheid, kwaliteit én veiligheid voldoende zijn aangetoond. Dat is voor alle COVID-19-vaccins die in Nederland worden gebruikt het geval. Als er twijfel is over de kwaliteit, werkzaamheid of veiligheid van vaccins, is dat reden om het zekere voor het onzekere te nemen. Op dit moment is dat niet aan de orde. Door te vaccineren voorkomen we juist dat mensen ernstig ziek worden of overlijden door COVID-19. Ik zie dan ook geen aanleiding om het vaccinatieprogramma (tijdelijk) te staken.
Het tegenhouden van onafhankelijk onderzoek naar uithuisplaatsing kinderen toeslagenouders |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onafhankelijk onderzoek naar uithuisplaatsing kinderen toeslagenouders tegengehouden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is dat er onafhankelijk onderzoek komt dat duidelijk maakt of kinderen van toeslagenouders vanwege schuldenproblematiek uit huis zijn geplaatst? Zo ja, waarom? En zo ja, waarom wordt dat dan nog niet uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat onafhankelijk onderzoek naar de relatie tussen de toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen noodzakelijk is. Dit krijgt vorm door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV). Hierover is uw Kamer in november 2021 geïnformeerd.2 Daarnaast heb ik reeds aan uw Kamer gemeld te werken aan de instelling van een onderzoekscommissie die aanvullend onderzoek zal doen naar het verband tussen de toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen.3 Voorts vind ik het positief dat de rechtspraak zelf aan reflectie en onderzoek doet. De bestuursrechters reflecteerden eerder al, eveneens naar aanleiding van het de toeslagenaffaire. Het rapport dat deze werkgroep opleverde getuigt van het vermogen om grondig en kritisch naar het eigen functioneren te kijken.4 Bij het reflectieprogramma van de familie- en jeugdrechters zijn behalve rechters, raadsheren en juridisch medewerkers ook vier externe adviseurs betrokken. Deze adviseurs komen uit de wetenschap, ontwikkelingspsychologie en advocatuur. Ook bij het geplande dossieronderzoek van de rechtspraak naar de uithuisplaatsingen van kinderen uit gedupeerde gezinnen zal een externe begeleidingscommissie zijn.
Deelt u de mening dat de in het artikel genoemde motie waarin stond dat toeslagenouders en hun kinderen een herbeoordeling aan moeten kunnen vragen, geen reden mag zijn om een onafhankelijk onderzoek naar deze uithuisplaatsingen te belemmeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Van belemmering van onafhankelijk onderzoek naar de uithuisplaatsingen onder gedupeerden is geen sprake en mag geen sprake zijn. De rechtspraak heeft zelf een toelichting gegeven op hun beslissing om verkennende gesprekken voor een onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen te staken.5 Onafhankelijk onderzoek krijgt vorm door het al lopende onderzoek van de IJenV. Aanvullend werk ik aan de instelling van een onderzoekscommissie. Het doen van onafhankelijk onderzoek staat los van de herbeoordelingen (of herzieningen) waartoe ouders of de Gecertificeerde instelling kunnen verzoeken. In mijn brief van 3 juni jl. ben ik ingegaan op de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de motie Omtzigt-Marijnissen.6 In oktober informeer ik uw Kamer nader over de uitvoering van onder meer deze motie.
Kunnen de uitkomsten van een onafhankelijk onderzoek niet juist bijdragen aan herstel van de band tussen ouders en kinderen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Onafhankelijk onderzoek naar het verband tussen de toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen heeft mijns inziens inzicht en erkenning als doel. Voor individuele (her)beoordeling zal per gezin bekeken moeten worden of de uithuisplaatsing nog noodzakelijk is en of terugplaatsing mogelijk is. Iedere aanvraag of verlenging van een machtiging uithuisplaatsing moet onderbouwd worden vanuit de veiligheid en ontwikkeling van het kind. Uiteindelijk weegt een kinderrechter af of de uithuisplaatsing in het belang van het kind is. Hiervoor is geen wetenschappelijk onderzoek naar het verband nodig maar vooral een goede analyse van de gezinssituatie, opvoedmogelijkheden van de ouders en de behoeften van het kind in een concrete zaak.
Is de Raad voor de Rechtspraak naar uw mening een instelling die onafhankelijk onderzoek kan doen naar het dat er functioneren van rechters bij de genoemde uithuisplaatsingen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Aangezien een deel van de uithuisplaatsingen nog voorligt bij de rechter (lopende uithuisplaatsingen worden jaarlijks opnieuw beoordeeld), past het niet om door een derde partij onderzoek laten doen naar rechtbankdossiers. Dit is pas mogelijk nadat de zaken afgesloten zijn. Daar kan nog veel tijd overheen gaan. Uitgangspunt in ons rechtsbestel is dat rechters in appel oordelen over beslissingen in eerste aanleg, dat is een essentieel onderdeel van onafhankelijke rechtspraak. Ik vind het mede daarom positief dat de rechtspraak zelf aan reflectie en onderzoek doet. De bestuursrechters reflecteerden eerder al, eveneens naar aanleiding van het de toeslagenaffaire. Het rapport dat deze werkgroep opleverde getuigt van het vermogen om grondig en kritisch naar het eigen functioneren te kijken.7 Bij het lopende reflectieprogramma van de familie- en jeugdrechters zijn behalve rechters, raadsheren en juridisch medewerkers ook vier externe adviseurs betrokken. Deze adviseurs komen uit de wetenschap, ontwikkelingspsychologie en advocatuur. Ook bij het geplande dossieronderzoek van de rechtspraak (dat dus naast het reflectietraject staat) naar de uithuisplaatsingen van kinderen uit gedupeerde gezinnen zal een externe begeleidingscommissie zijn.
Denkt u dat ouders die slachtoffer zijn van de kindertoeslagaffaire een onderzoek naar de rol van rechters door rechters vertrouwen? Zo ja, waar is uw mening op gebaseerd? Zo nee, wat betekent dat volgens u?
Ik kan niet namens gedupeerde ouders spreken. Wel viel mij in de gesprekken die ik met ouders en kinderen over dit onderwerp heb gevoerd telkens op hoe belangrijk zij het vinden dat er geleerd wordt van het verleden. Inzicht en erkenning zijn voor hen niet alleen belangrijk voor het hier en nu maar ook voor de toekomst. Overigens zal het eigen onderzoek van de Rechtspraak begeleid worden door een commissie waarin (onafhankelijke) wetenschappers zitting hebben.
Hoe gaat u er zorg voor dragen dat het onafhankelijk onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen gehouden gaat worden?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om nog een onderzoek te initiëren omdat het inspectieonderzoek al loopt, de onderzoekscommissie in voorbereiding is en de rechtspraak een reflectietraject is gestart en dossieronderzoek naar de uithuisplaatsingen gaat doen
Het artikel Onafhankelijk onderzoek naar uithuisplaatsing kinderen toeslagenouders tegengehouden. |
|
Pieter Omtzigt |
|
Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Onafhankelijk onderzoek naar uithuisplaatsing kinderen toeslagenouders tegengehouden»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom u de Kamer niet eerder geïnformeerd heeft over de mogelijkheid om dit onderzoek te doen?
Het kabinet heeft geen betrokkenheid (gehad) bij het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. In het voorjaar werd mijn ministerie over het onderzoeksplan geïnformeerd door één van de onderzoekers. Eind juli bleek bij navraag vanuit mijn ministerie dat het onderzoek geen doorgang zou vinden. Ik heb uw Kamer steeds geïnformeerd over de manier waarop onafhankelijk onderzoek zou plaatsvinden, namelijk door de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) en aanvullend door een onderzoekscommissie.
Kunt u bevorderen dat het onderzoeksvoorstel van de Rijksuniversiteit Groningen openbaar wordt en aan de Kamer wordt gestuurd?
Het onderzoeksvoorstel is met een persbericht op 26 mei 2022 op de website van de Rijksuniversiteit Groningen gepubliceerd.2
Kunt u aangeven wie wanneer besloten heeft om dit onderzoek niet te laten plaatsvinden? Kunt een overzicht maken wanneer welk overleg daarover heeft plaatsgevonden en wie met wie daarover gecommuniceerd heeft?
De Raad voor de Rechtspraak heeft op enig moment besloten om zelf onderzoek te gaan doen. Toen zij op de hoogte raakten van het onderzoeksplan van de Rijksuniversiteit Groningen zijn verkennende gesprekken gevoerd. Hierna is besloten door de rechtspraak dat zij niet met de universiteit zouden gaan optrekken. Ik heb hierover niet met de rechtspraak gecommuniceerd en geen inzicht in het overleg en de communicatie tussen de universiteit en de rechtspraak. De rechtspraak heeft zelf een toelichting gegeven op hun beslissing.3
Kunt u de informatie die u of de ambtelijke top over dit voorstel heeft ontvangen in 2022 bij de beantwoording van deze Kamervragen voegen?
Mijn ministerie beschikt alleen over het persbericht en het onderzoeksplan. Beiden zijn openbaar. Daarnaast is eenmaal op ambtelijk niveau per e-mail geïnformeerd naar de stand van zaken en planning van het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. Hierop heeft de onderzoeker laten weten dat het onderzoek geen doorgang zou vinden.
Bent u bekend met onderzoeksvoorstel van de Rijksuniversiteit Groningen, dat voorziet in de mogelijkheid van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek door analyse van de dossiers, wat duidelijk kan maken of er een aanwijsbaar causaal verband is tussen de door een (kinder)rechter genomen beslissing tot uithuisplaatsing van een kind en het terugvorderen van kinderopvangtoeslagen en de daaruit voortvloeiende schuldenproblematiek? Wanneer heeft u kennisgenomen van het voorstel?
Het onderzoeksvoorstel is met het persbericht op 26 mei 2022 op de website van de Rijksuniversiteit Groningen gepubliceerd.4 Ik heb hier destijds kennis van genomen.
Bent u bekend met de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek die voorziet in de mogelijkheid dat de directeur-generaal van het CBS op verzoek, ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek, een verzameling gegevens waarbij met betrekking tot het gebruik passende maatregelen zijn genomen om herkenning van afzonderlijke personen, huishoudens, ondernemingen of instellingen te voorkomen, kan verstrekken aan een dienst, organisatie of instelling als bedoeld in het tweede lid van artikel 41 van de CBS-wet, dan wel daartoe toegang kan verlenen? En bent u bekend met het feit dat het tweede lid onder a een universiteit noemt in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek?
Ja.
Bent u ermee bekend dat onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek daarom steeds mogelijk is geweest, zonder dat nieuwe wetgeving nodig is om de CBS-gegevens te ontsluiten en te herleiden naar persoonsgegevens die nodig zijn voor dossieronderzoek?
Ja, ik ben bekend met de mogelijkheid die de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (CBS) biedt. In deze wet is het geformuleerd als een zogenaamde «kan-bepaling». Aan een universiteit kunnen gegevens verstrekt worden. Het is de vraag of het CBS deze gegevens voor dit doel aan de Rijksuniversiteit Groningen verstrekt zou hebben. Deze afweging is aan het CBS.
De Wet op het Centraal bureau voor de statistiek biedt de mogelijkheid om gegevens te verstrekken aan een universiteit voor statistisch of wetenschappelijk onderzoek. Het is niet mogelijk de CBS-gegevens te ontsluiten en te herleiden naar persoonsgegevens die nodig zijn voor dossieronderzoek. Het CBS mag ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek alleen toegang verschaffen tot gepseudonimiseerde data. Ook het CBS zelf werkt alleen met gepseudonimiseerde data. Data die het CBS ontvangt worden zo spoedig mogelijk na ontvangst gepseudonimiseerd, voordat de data verder worden verwerkt. In de onderhavige kwestie speelt bovendien mee dat er door het CBS data zijn verkregen van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) voor een specifiek doel: namelijk het in kaart brengen van de omvang van de groep kinderen van gedupeerde ouders die uit huis werd geplaatst in het kader van een jeugdbeschermingsmaatregel. Het CBS mag deze gegevens zonder toestemming van de UHT niet aan derden verstrekken.
Wilt u het onderzoeksvoorstel van de Rijksuniversiteit Groningen alsnog laten uitvoeren – ter uitvoering van de motie van de leden Omtzigt en Marijnissen (Kamerstuk 31 839, nr. 850) – en al dan niet via de Raad voor de rechtspraak opdracht geven tot dat onderzoek of door financiering voor dat onderzoek mogelijk te maken?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om nog een onderzoek te laten uitvoeren omdat het inspectieonderzoek reeds loopt en de onafhankelijke onderzoekscommissie in voorbereiding is. Het doen van onafhankelijk onderzoek staat los van de herbeoordelingen (of herzieningen) waartoe ouders of de Gecertificeerde Instelling kunnen verzoeken. In mijn brief van 3 juni jl. ben ik ingegaan op de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de motie Omtzigt-Marijnissen.5 In oktober informeer ik uw Kamer nader over de uitvoering. Overigens kan ik als Minister niet dergelijke opdrachten geven aan de Raad voor de Rechtspraak, omdat de rechtspraak onafhankelijk is.
Vindt u, indien u nog niet bekend was met het onderzoeksvoorstel, met de kennis van nu, dat alsnog opdracht moet worden gegeven tot dat onafhankelijke wetenschappelijke onderzoek, zodat uit dat onderzoek duidelijk wordt of en, zo ja, welke aanwijsbare rol de verdenking van toeslagenfraude heeft gespeeld bij het uit huis plaatsen van kinderen?
Ik heb in mijn antwoord op vraag 9 reeds aangegeven dat ik daartoe geen aanleiding zie.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit onafhankelijke onderzoek nu al afgerond had kunnen zijn en had kunnen helpen bij het begrijpen hoe groot de omvang van het probleem is en bij het selecteren en ondersteunen van gezinnen in het toeslagenschandaal wiens kinderen uit huis geplaatst zijn?
Of het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen al afgerond had kunnen zijn, kan ik niet beoordelen. Het onderzoek zou als focus hebben te achterhalen wat de invloed was van schuldenproblematiek op de beslissing een kind uit huis te plaatsen, en of die schuldenproblematiek het gevolg was van het terugvorderen van kinderopvangtoeslag. Naar verwachting wordt dit met het onderzoek van de IJenV ook inzichtelijk gemaakt. De IJenV bekijkt namelijk welke factoren een rol speelden bij het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel bij gedupeerde gezinnen.
Uit het onderzoeksplan van de Rijksuniversiteit Groningen maak ik niet op dat het onderzoek gericht is op het inzichtelijk krijgen van de omvang van het probleem. Ook zie ik niet hoe het onderzoek zou bijdragen aan het selecteren en ondersteunen van de betreffende gezinnen. Data waartoe de universiteit zou kunnen beschikken zou uitsluitend voor statistische en onderzoeksdoeleinden aangewend kunnen worden, en niet voor het (selectief) benaderen van gedupeerden.
Tenslotte wordt in het onderzoeksvoorstel een aantal randvoorwaarden genoemd waaraan nog niet is voldaan. Ik onthoud mij van speculeren over wat een onderzoek dat niet heeft plaatsgevonden zou hebben opgeleverd.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
Ja.
De opkoop van stikstofruimte uit boerderijen ten behoeve van het verbreden van de A27 bij Amelisweerd |
|
Jan de Graaf (CDA), Pieter Grinwis (CU) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Heeft u bij het in gang zetten van het Tracébesluit A27 gewogen wat het inzetten van ammoniakruimte uit boerenbedrijven ten behoeve van het verbreden van een snelweg (waarvoor ook nog bomen moeten worden gekapt) doet met het vertrouwen in de overheid tijdens een stikstofcrisis, zeker gezien de marktmacht van een grote partij als Rijkswaterstaat? Wat zijn uw overwegingen geweest hierbij?
Het Tracébesluit voor de Ring Utrecht is in 2020 vastgesteld en daarvoor loopt op dit moment een beroepsprocedure bij de Raad van State. Intussen zijn begin 2021 naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van State over het project A12/A15 Ressen – Oudbroeken (ViA15) de uitgangspunten voor het berekenen van stikstofneerslag op Natura 2000-gebieden gewijzigd. Het te onderzoeken gebied voor stikstof (en daarmee de mogelijk te nemen maatregelen) is vergroot van 5 naar 25 km van het project en alle wegvakken met netwerkeffecten als gevolg van het project. Hierdoor was het noodzakelijk om het stikstofonderzoek te actualiseren naar de laatste inzichten en de geldende wet- en regelgeving.
Bovendien onderschrijf ik nog steeds de doelstellingen van het project, namelijk het verbeteren van de bereikbaarheid/doorstroming, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid rond de weg. Het project betreft het aanleggen van extra rijstroken en het scheiden van drukke, kruisende verkeersstromen. Daarnaast worden voor verbetering van de leefbaarheid rond de weg nieuwe, hogere geluidsschermen geplaatst en wordt een deel van de weg overkapt.
Hoeveel boerenbedrijven zijn c.q. vergunningruimte is precies wanneer en waar tegen welke prijs opgekocht? Hoe verhield de betaalde prijs zich tot de destijds actuele marktwaarde van agrarische grond in de omgeving?1
Met acht agrarische bedrijven is op vrijwillige basis een overeenkomst gesloten, waarin is overeengekomen dat activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd, de vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken en de depositiereductie die dat oplevert, ingezet kan worden ter mitigatie van mogelijke effecten als gevolg van het project.
In bijlagen bij het tracébesluit staat beschreven wanneer met welke bedrijven een overeenkomst is gesloten en is per bedrijf onder andere in beeld gebracht wat de toegestane feitelijk gerealiseerde capaciteit is, hoeveel ammoniakemissie is ingezet voor mitigatie en hoeveel depositieruimte dit oplevert.2
De in de overeenkomst genoemde bedragen betreffen gevoelige informatie die de onderhandelingspositie van de Staat raakt. In het geval agrarisch onroerend goed is verworven, dan is de marktwaarde hiervan getaxeerd door een erkend taxateur.
Waarom is er alleen gekozen voor de opkoop van boerenbedrijven en niet voor andere bedrijvigheid, zoals een papierfabriek?
Daar is niet bewust voor gekozen. De overeenkomsten zijn op vrijwillige basis gesloten. De acht agrarische ondernemers hebben interesse getoond om een overeenkomst te sluiten.
Hoe komt het dat voor het aanleggen van wegen binnen zeer afzienbare tijd stikstofruimte gecreëerd kan worden, terwijl dat voor PAS-melders of natuurherstel maar niet lukt? Vindt u dat niet buitengewoon wrang? Zo ja, wat doet u eraan? Zo nee, waarom niet?
Het is niet zo dat voor de aanleg van wegen eerder stikstofruimte kan worden gevonden dan voor andere doeleinden. Omdat het stikstofonderzoek en het zoeken naar stikstofruimte veel tijd en capaciteit kost, lopen veel wegenprojecten jaren vertraging op. Ook voor andere doeleinden, zoals de natuur, PAS-melders en woningbouw wordt gewerkt aan reductie van stikstofdepositie en het verkrijgen van stikstofruimte. Dat leidt nu ook tot de eerste stikstofruimte voor PAS-melders. Half september worden ontwerpbesluiten genomen om de eerste zes meldingen in Limburg te legaliseren.
Waarom heeft Rijkswaterstaat gekozen voor een route van extern salderen en niet voor een route die de agrarische belangen beter borgt, zoals via de nationale stikstofbank die in ontwikkeling is?
Ik juich de komst van een nationale stikstofbank voor rijksprojecten toe. Op dit moment bestaat deze echter nog niet. Daarom heeft IenW er geen gebruik van kunnen maken.
Het Ministerie van IenW heeft voor het project Ring Utrecht overeenkomsten gesloten met agrarische bedrijven die hun vergunde activiteiten vrijwillig willen aanpassen of beëindigen. Een nationale stikstofbank – waarin op termijn ook ruimte uit overeenkomsten met agrarische bedrijven geregistreerd kan worden – zal de agrarische belangen niet beter borgen.
Waarom heeft Rijkswaterstaat de stikstofvraag die logischerwijs aan de orde komt bij de voorgenomen verbreding van de A27 geen onderdeel gemaakt van het gebiedsproces van de provincie(s)?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 kan de procedure over het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht bij de Raad van State niet op pauze worden gezet. Daarom kon niet worden gewacht op de eventuele uitkomsten van de gebiedsprocessen.
Waarom is er bij de vergunningaanvraag en het extern salderen voor de verbreding van de A27 niet gewacht tot de plannen voor de mobiliteitssector om stikstof te reduceren zijn gepresenteerd, zodat er een integrale afweging gemaakt kan worden voor grote mobiliteitsprojecten als deze?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet zich al geruime tijd in voor een verduurzaming van de mobiliteit. Dit gebeurt onder meer door een beter OV, meer fietsgebruik, het terugdringen van de stikstofuitstoot door het steeds schoner worden en elektrificeren van voertuigen, het voorbereiden van Betalen naar gebruik en het bevorderen van thuiswerken. Deze maatregelen zijn echter in beginsel niet inzetbaar als mitigerende maatregel in het kader van toestemmingverlening. De reductie van stikstofuitstoot en -depositie dankzij deze maatregelen komt, op een enkele uitzondering na, volledig ten goede aan de verbetering van de natuur.
Bovendien kan, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, de procedure over het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht bij de Raad van State niet op pauze worden gezet.
Hoeveel is de stikstofreductieopgave voor mobiliteit door tracébesluiten sinds 2018 toegenomen? Hoeveel ruimte is opgehaald c.q. hoeveel kleiner is hierdoor de opgave voor de landbouw geworden sinds die tijd? Wordt dit verwerkt in de nationale verdeling van de stikstofreductieopgave en de bijdrage van elke sector daarin en zo ja, hoe? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met het feit dat tot voor kort beschikbare ammoniakemissieruimte is en wordt ingezet voor extra uitstoot van stikstofoxiden?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) houdt in haar ramingen van stikstofemissies op voorhand rekening met de realisatie van wegenprojecten uit het MIRT. De stikstofreductieopgave voor mobiliteit is sinds 2018 dan ook niet toegenomen door Tracébesluiten.
Generieke bronmaatregelen voor wegverkeer hebben in de achterliggende decennia gezorgd voor een sterke afname van de stikstofemissies door wegverkeer en ook de komende decennia zullen deze zorgen voor een verdere afname. Uit de Emissieregistratie van het RIVM blijkt dat de NOx-emissies door wegverkeer tussen 2010 en 2018 zijn gedaald met ongeveer 30%, ondanks de toename van het totaal aantal gereden kilometers. Uit ramingen van het PBL volgt dat de stikstofemissies van wegverkeer richting 2030 verder zullen dalen.3 Tussen 2018 en 2030 voorziet het PBL een daling van de totale NOx-emissies door wegverkeer met ruim 50%, waarbij op voorhand dus al rekening is gehouden met de realisatie van wegenprojecten uit het MIRT.
Begin 2023 komt het kabinet met indicatieve NOx-emissiereductiedoelen voor onder andere de sectoren industrie en mobiliteit. Deze doelen zullen, tegelijkertijd met de regionale doelen voor NH3, op 1 juli 2023 definitief worden vastgesteld. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft uw Tweede Kamer op 9 september geïnformeerd over het verdere proces om tot sectorale NOx-emissiereductiedoelen te komen. Met het vaststellen van de indicatieve sectordoelen kan ook bepaald worden of de richtinggevende regionale emissiereductiedoelen NH3 bijgesteld moeten worden.
Vindt u het wenselijk dat op deze wijze ammoniakemissieruimte verdwijnt uit de landbouw zonder dat dit bijdraagt aan natuurherstel en aan perspectief voor de landbouw? Waarom wel/niet? Hoe gaat u voorkomen dat de opgaven voor de andere sectoren extern gesaldeerd mogen blijven worden met stikstofemissieruimte uit de landbouw? Hoe gaat u daarbij uw eigen uitvoeringsdiensten, zoals Rijkswaterstaat, en staatsdeelnemingen, zoals Schiphol, zodanig bij de les houden dat in de toekomst de landbouw niet meer wordt gezien en behandeld als een bron van stikstofemissieruimte voor infrastructurele wensen?
Het Ministerie van IenW heeft voor het project Ring Utrecht overeenkomsten gesloten met agrarische bedrijven die hun vergunde activiteiten vrijwillig willen aanpassen of beëindigen. Er is geen reden om bij het zoeken naar stikstofruimte schotten tussen sectoren op te werpen. Als overheid staan we voor realisatie van meerdere maatschappelijke opgaven in het fysieke domein. Zo komt, zoals al aangegeven in het antwoord op vraag 7, de reductie van stikstofuitstoot en -depositie dankzij maatregelen in de mobiliteitssector, ook, op een enkele uitzondering na, volledig ten goede aan de natuur.
Hoe verhoudt dit tracébesluit zich met het regeerakkoord, waar ruimte is gegeven aan de Utrechtse regio om met een alternatieve beleidsoplossing te komen waardoor de verbreding van de A27 niet meer nodig zal zijn? Welk proces doorloopt u met de regio? Kan worden toegezegd dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat beide partijen het erover eens zijn dat dit proces afgerond is?
Het Tracébesluit is in overeenstemming met het regeerakkoord vastgesteld. In 2020 is het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht vastgesteld. Daarvoor loopt op dit moment een gerechtelijke procedure bij de Raad van State. Op dit moment ligt er geen uitgewerkt alternatief voor uitvoering van het huidige Tracébesluit. Omdat de procedure bij de Raad van State niet op pauze kan worden gezet in afwachting van een mogelijk alternatief, wordt de procedure daar voortgezet. U bent eerder geïnformeerd dat het stikstofonderzoek van het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht zou worden geactualiseerd om te voldoen aan gewijzigde inzichten ten aanzien van de maximale rekenafstand. Recent bent u geïnformeerd dat de actualisatie heeft plaatsgevonden.
Zoals eerder aangegeven in beantwoording van de Kamervragen van het lid Alkaya (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2374) werkt de regio aan een alternatief. Als de regio een alternatief gereed heeft, ga ik met hen in gesprek en kan, als het alternatief de problematiek op het gebied van veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid op gelijkwaardige wijze oplost, het Tracébesluit worden aangepast.
Realisatie van het Tracébesluit is niet aan de orde zolang de gerechtelijke procedure bij de Raad van State loopt. Als het Tracébesluit op enig moment onherroepelijk is vastgesteld en de regio op dat moment (nog) geen alternatief zou hebben, dan overleg ik vanzelfsprekend voorafgaand aan (het starten van) een aanbesteding eerst met de regio of en wanneer een alternatief te verwachten is. Hoe dan ook zal bij een onherroepelijk besluit de schop niet direct de grond in gaan. Het gaat om een omvangrijke realisatieopgave en daarvoor is nog een uitgebreide aanbestedingsprocedure nodig.
Zijn medeoverheden, waaronder de provincies Gelderland en Utrecht, door u op de hoogte gesteld van dit provinciegrens-overschrijdende extern salderen, aangezien dit de afspraak is, zoals blijkt uit het antwoord op Kamervragen van het lid Bisschop van 13 oktober 2020?2 Zo ja, kunt u een afschrift van de correspondentie en/of een verslag van dat overleg bij de beantwoording van deze vraag voegen? Zo nee, waarom niet?
Beide provincies zijn in een bestuurlijk gesprek de hoogte gesteld van de voorgenomen overeenkomsten. Van dit gesprek is geen verslag vastgelegd.
Is er, zoals voorgeschreven in de Gelderse beleidsregels, in het koopcontract tussen Rijkswaterstaat en de agrariër/verkoper in kwestie opgenomen hoe de stallen worden gesloopt? Zo nee, waarom niet?
Sommige bedrijven worden geheel opgekocht (dus met huiskavel, erf, stallen en weilanden) en bij anderen is alleen een overeenkomst gesloten waarin is overeengekomen dat activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd en de vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken. In het laatste geval is het aan de eigenaar om te bepalen wat er verder met het bedrijf gebeurt binnen de geldende wet- en regelgeving en met inachtneming van de overeenkomst dat de stikstof-emitterende activiteit niet wordt voortgezet of wordt beperkt. Daarom is in de overeenkomsten geen sloopverplichting opgenomen.
Klopt het dat er voor de verbreding van de A27 «restmitigatie» uit eerdere externe saldering voor de A15 opnieuw wordt aangevoerd door Rijkswaterstaat? Hoe verhoudt «restmitigatie» zich juridisch tot de regels over extern salderen, aangezien een vergunning niet twee keer ingetrokken mag worden én in het desbetreffende contract staat dat de vergunning ingetrokken moest worden voor 31 december 2021?
Het is juist dat stikstofruimte van één bedrijf is ingezet bij project ViA15 én bij project A27/A12 Ring Utrecht. De stikstofruimte van dit bedrijf is voor het project ViA15 alleen gebruikt ter saldering van de stikstofbijdragen van het project ViA15 op het Natura 2000-gebied Binnenveld. De stikstofruimte die als gevolg van de intrekking van de natuurvergunning ontstaat op andere Natura 2000-gebieden dan Binnenveld, is niet ingezet voor het project ViA15 en was dus nog beschikbaar voor het project A27/A12 Ring Utrecht. De stikstofruimte is dus niet «dubbel» ingezet.
Het gaat om één vergunning die maar één keer wordt ingetrokken. Van belang is dat de bedrijfsactiviteiten worden gestaakt, voordat de ViA15 en de A27/A12 Ring Utrecht worden opengesteld.
Klopt het dat de beleidsregels zijn aangepast, waardoor het mogelijk gemaakt is om alvast contracten af te sluiten, vóór de daadwerkelijke aanvraag voor saldering wordt ingediend? Zo nee, hoe zit het dan wel in elkaar?
Nee, er zijn geen beleidsregels aangepast om dit mogelijk te maken.
In de overeenkomsten is vastgelegd wanneer de activiteiten uiterlijk worden beëindigd. De vergunningen van de acht bedrijven worden in ieder geval ingetrokken, voordat de A27/A12 Ring Utrecht wordt opengesteld, dus voordat enig effect als gevolg van ingebruikname van het project op Natura 2000-gebieden kan optreden.
Wat is destijds de onderliggende regel voor deze beleidswijziging geweest, aangezien er per saldo méér stikstof wordt uitgestoten wanneer er gesaldeerd mag worden met stikstofruimte die al lange tijd niet meer in gebruik is? Hoe oud mogen deze contracten zijn als ze gebruikt worden voor externe saldering en hoeveel tijd mag er dus tussen originele stikstofuitstoot van de saldogever en nieuwe stikstofuitstoot van de saldonemer zitten? Bent u bereid deze beleidswijziging terug te draaien? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een beleidswijziging. Er wordt enkel stikstofruimte ingezet die het gevolg is van de feitelijk gerealiseerde capaciteit (gerealiseerde stallen) op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten. Daarnaast worden enkel overeenkomsten gesloten met bedrijven die recentelijk nog een representatieve hoeveelheid dieren hadden staan.
Hoeveel stikstofruimte heeft het Rijk in vervolg op deze beleidswijziging al opgekocht voor toekomstige projecten? Om hoeveel boerderijen c.q. vergunningruimte gaat het en waar zijn deze boerderijen gelegen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 14 en 15 is geen sprake van een beleidswijziging. Tot nu toe zijn ten behoeve van extern salderen met in totaal 19 bedrijven overeenkomsten gesloten. Van 13 van deze bedrijven is stikstofruimte ingezet voor de projecten ViA15 en A27/A12 Ring Utrecht. De zes bedrijven waarvan nog geen ruimte is ingezet, zijn gelegen in Didam, Helvoirt, Kamerik, Weesp, Westbroek en Zegveld.
Acht u, reflecterend op deze casus, de hele gang van stikstofzaken in het kader van het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht 2020 een ordentelijke wijze van (samen)werken of vindt u het via deze wijze eenzijdig ophalen van stikstofruimte bij de boer een staaltje koehandel dat niet voor herhaling vatbaar is? Wat kan en moet er volgens u beter en hoe gaat u dat borgen?
Het stikstofonderzoek en de aankoop van stikstofruimte voor dit project zijn ordentelijk verlopen en conform interbestuurlijke afspraken.5 De bottleneck zit echt bij de huidige staat van de natuur als gevolg van onder andere een jarenlange overbelasting door stikstof. Hiervoor heeft het kabinet de Structurele aanpak stikstof vastgesteld en aanvullend neemt het kabinet maatregelen in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied. Er wordt volop gewerkt aan de implementatie hiervan, maar de uitvoering kost tijd. Hierdoor zullen ook de komende jaren in veel gevallen uitgebreide onderzoeken moeten worden uitgevoerd en allerlei projectspecifieke maatregelen worden genomen – zoals het aankopen op vrijwillige basis van stikstofruimte van bijvoorbeeld veehouderijen – om projecten mogelijk te kunnen maken.
Het inzamelpercentage van kleine plastic flesjes |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u zich herinneren dat het lid Van Esch tijdens het tweeminutendebat Circulaire economie in februari 2022 vroeg wat het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes was en dat u daarop aangaf dat het bedrijfsleven op 1 augustus 2022 verslag zou doen van de behaalde resultaten en u de Kamer hier kort na 1 augustus over zou informeren?1
Ja.
Heeft u de inzamelpercentages van de kleine plastic flesjes inmiddels van het bedrijfsleven ontvangen? Zo ja, wanneer? Zo nee, wat gaat u doen om deze alsnog zo snel mogelijk te ontvangen?
Op grond van het Besluit beheer verpakkingen moeten producenten en importeurs die drank in een kunststoffles van 3 liter of minder in Nederland op de markt brengen (verder: het verpakkende bedrijfsleven), in een kalenderjaar 90 gewichtsprocent van de hoeveelheid in de handel gebrachte flessen gescheiden inzamelen. Dit inzamelpercentage geldt conform het Besluit beheer verpakkingen vanaf kalenderjaar 2022. Op grond van de Regeling verslaglegging verpakkingen dienen uiterlijk op 1 augustus gegevens over het afgelopen kalenderjaar te worden verstrekt. Ik heb in augustus van dit jaar dus de gegevens over 2021 ontvangen. Aangezien het minimumpercentage voor gescheiden inzamelen van plastic flessen in 2021 nog niet gold, bevat deze rapportage nog geen gegevens daarover.
Kunt u een overzicht geven van de inzamelpercentages van plastic flessen, uitgesplitst naar kleine plastic flesjes en grote plastic flessen en uitgesplitst per maand vanaf 1 juli 2021 (de start van de inzameling van de kleine plastic flesjes) tot nu? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven gaat het om een jaarlijkse verplichting, voor alle plastic flessen van 3 liter of minder. Een uitsplitsing per maand wordt daarbij niet gemaakt, evenmin als een onderscheid tussen grote en kleine flessen. Ook geldt het minimale inzamelpercentage pas vanaf 2022. In 2023 ontvang ik dus voor het eerst een rapportage hierover.
Wat is uw reactie op de inzamelpercentages van de kleine plastic flesjes en de trend van deze inzamelpercentages het afgelopen jaar?
Zoals hierboven toegelicht heb ik nog geen rapportage ontvangen over de inzamelpercentages van kunststofflessen en wordt geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleinere flessen (met een inhoud van 3 liter of minder).
Klopt het dat het gezamenlijke inzamelpercentage van de grote plastic flessen en kleine plastic flesjes naar beneden wordt getrokken door het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven toegelicht heb ik nog geen rapportage ontvangen over de inzamelpercentages van kunststof flessen en wordt geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleinere flessen (met een inhoud van 3 liter of minder).
Zijn er naar uw mening maatregelen nodig om het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes te verhogen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen?
Het is aan het verpakkende bedrijfsleven om het wettelijk vastgestelde inzamelpercentage te behalen. Als daartoe maatregelen nodig zijn, is het aan hen om die te nemen. Uiteraard zal ik dit goed volgen en indien nodig hen hierop aanspreken.
Indien er geen overzicht kan worden gegeven van de inzamelpercentages van de kleine plastic flesjes – zoals kan worden opgemaakt uit de Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 20212 – waarom heeft u in het tweeminutendebat Circulaire economie dan de indruk gewekt dat het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes op 1 augustus 2022 wel aan u beschikbaar zou worden gesteld?
Zoals hierboven uiteengezet ontvang ik in 2023 voor het eerst gegevens over het minimum inzamelpercentage dat geldt vanaf 2022. Wel ontving ik in augustus 2022 gegevens gerelateerd aan verplichtingen die in 2021 golden, waaronder de verplichte recyclingpercentages van verpakkingen. Dit heeft mogelijk tot verwarring geleid in de beknopte beantwoording van de gestelde vraag bij het tweeminutendebat. Ik hoop met deze antwoorden alsnog duidelijkheid te kunnen geven.
Heeft het bedrijfsleven een overzicht van de inzamelpercentages van de kleine plastic flesjes, per maand vanaf de start van de inzameling van kleine plastic flesjes tot nu, ook al is dit niet opgenomen in de rapportage? Zo ja, gaat u dit overzicht alsnog opvragen?
Uitvoeringsorganisatie Statiegeld Nederland geeft op hun website3 op eigen initiatief aan dat binnen een jaar na invoering van statiegeld op flessen kleiner dan 1 liter, een inzamelpercentage van 80% (voor alle statiegeldflessen) wordt behaald. Ook geeft Statiegeld Nederland daar aan maatregelen en initiatieven te nemen om de doelstelling van 90% te halen, waaronder een publiekscampagne en een uitbreiding van het aantal inleverlocaties.
Ik zie geen noodzaak voor een aparte rapportage over inzamelresultaten van grote en kleine flessen en zal daarvan geen overzicht opvragen. Met de invoering van statiegeld ook voor kleine flessen, is dit onderscheid juist irrelevant geworden. Ik zal het verpakkend bedrijfsleven houden aan de wettelijke inzameldoelstelling van 90% voor alle plastic flessen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er in de toekomst in de rapportage over de inzamelresultaten van plastic drankflessen wel onderscheid zal worden gemaakt tussen de inzamelpercentages van grote plastic flessen en kleine plastic flesjes?
Ik zie geen noodzaak voor een aparte rapportage over inzamelresultaten van grote en kleine flessen. Met de invoering van statiegeld ook voor kleine flessen, is dit onderscheid juist irrelevant geworden. Ik zal het verpakkend bedrijfsleven houden aan de wettelijke inzameldoelstelling voor alle plastic flessen.
Hoe kunt u afleiden hoe succesvol de invoering van statiegeld op kleine plastic flesjes is, als het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes en de trend hiervan niet beschikbaar zijn?
Het al dan niet behalen van de wettelijke doelstelling van 90% inzameling is een indicatie van het succes van het statiegeldsysteem voor alle flessen. Een verdere indicatie is de constatering dat kleine plastic flesjes, sinds ook daar statiegeld op van toepassing is, aanzienlijk minder vaak in het zwerfafval worden aangetroffen. Uw Kamer is per brief van 5 april geïnformeerd over de resultaten van de monitoring van drankverpakkingen in het zwerfafval4, waaruit blijkt dat het aantal flesjes in het zwerfaval met ca 40% is afgenomen sinds de invoering van statiegeld op kleine flesjes. Zwerfafval van plastic flessen blijft onder de aandacht van de structurele monitoring van zwerfafval. Uw Kamer ontvangt binnenkort de volgende halfjaarlijkse monitoringsresultaten.
Deelt u de mening dat het essentieel is om te weten wat de inzamelpercentages zijn van grote plastic flessen en kleine plastic flesjes afzonderlijk, zodat er gerichte maatregelen kunnen worden genomen om het gezamenlijke inzamelpercentage te verhogen, zoals een innameplicht en/of een uitbreiding van de statiegeldregeling naar flessen met een andere inhoud dan frisdrank en water? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik hierboven heb aangegeven houd ik het bedrijfsleven aan de wettelijke doelstelling die geldt voor alle flessen. Als die doelstelling niet gehaald wordt, is het aan hen om nadere of gerichtere maatregelen te treffen. Daarnaast houd ik trends in het zwerfafval in de gaten, inclusief ten aanzien van plastic flessen.
Bent u, gelet op het bericht van Statiegeld Nederland van februari 2022 dat 80% van alle plastic statiegeldflessen (groot en klein) retour komt3, nog steeds in de veronderstelling dat de wettelijke inzameldoelstelling van 90% op 31 december 2022 zal worden gehaald? Zo ja, waar baseert u dit op? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de wettelijke inzameldoelstelling wel zal worden gehaald?
Zoals ik hierboven heb aangegeven, houd ik het bedrijfsleven aan de wettelijke doelstelling die geldt voor alle flessen. Het is aan hen om indien nodig nadere of gerichtere maatregelen te treffen om te zorgen dat de doelstelling gehaald wordt.
Welke consequenties worden eraan verbonden als de wettelijke inzameldoelstelling van 90% niet wordt gehaald op 31 december 2022?
Indien de wettelijke doelstelling niet wordt gehaald, kan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) handhavend optreden. Welke actie wordt ondernomen, zal afhangen van de situatie in de praktijk en het is aan de ILT om dit te beoordelen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen spoedig beantwoorden, aangezien u heeft toegezegd de Kamer kort na 1 augustus te informeren over de behaalde inzamelpercentages?
Ik heb mijn best gedaan de vragen spoedig te beantwoorden.
De onduidelijkheid over de veiligheid van coronavaccins voor zwangere vrouwen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de update van de «Summary of the Public Assessment Report for Covid-19 Vaccine» van Pfizer/BioNTech van 16 augustus 2022?1
De webpagina waar u naar verwijst is een samenvatting van het Britse beoordelingsrapport (Public Assessment Report) van het COVID-19-vaccin van BioNTech/Pfizer, welke dateert uit december 2020. Hoewel op de webpagina wordt vermeld dat deze op 16 augustus 2022 is geüpdatet, gaat het hier niet om een inhoudelijke aanpassing van de samenvatting en/of het rapport. Uit een gearchiveerde versie van de webpagina van 24 juli jl.2 valt namelijk op te maken dat er ten opzichte van de vorige versie geen tekstuele wijzigingen in de samenvatting zijn gemaakt. De enige wijziging is de toevoeging van een kennisgeving bovenaan de pagina, waarin wordt aangegeven dat de tekst van het beoordelingsrapport uit december 2020 ongewijzigd blijft en dat de geüpdatete adviezen van het Medicines and Healthcare products Regulatory Agency (MHRA) elders te vinden zijn. De samenvatting waar u naar verwijst geeft dus niet de huidige inzichten weer.
In de meest recente versie van de bijsluiter (Summary of Product Characteristics) van het vaccin van BioNTech/Pfizer3 schrijft het MHRA dat uit een grote hoeveelheid observationele data blijkt dat vaccinatie van zwangeren niet heeft geleid tot een toename van het aantal complicaties in het tweede en derde trimester. Ook is er geen verhoogd risico op een miskraam in het eerste trimester gezien. Er zijn daarnaast geen aanwijzingen dat het geven van borstvoeding na vaccinatie met het BioNTech/Pfizer-vaccin negatieve effecten heeft op de gezondheid van zuigelingen. Naast updates van de bijsluiters, rapporteert het MHRA regelmatig over de veiligheidsmonitoring van COVID-19-vaccins in het Verenigd Koninkrijk. In deze rapportages4 vindt u een uitgebreid en actueel overzicht van de beschikbare informatie over de veiligheid van COVID-19-vaccins voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven. Er zijn geen aanwijzingen dat vaccinatie tegen COVID-19 het risico op een miskraam, doodgeboorte, foetale afwijkingen of zwangerschapscomplicaties vergroot.
Hierbij dient wel de kanttekening te worden geplaatst dat het gaat om publicaties van de Britse overheid. Verantwoordelijkheid voor de inhoud van deze webpagina’s berust dan ook bij de regering van het Verenigd Koninkrijk. De adviezen en besluiten van het MHRA hebben geen betrekking op het Nederlandse beleid.
Kunt u aangeven of het hier slechts een update betreft van een oud rapport, waarin de gegevens overwegend ongewijzigd zijn gebleven, ondanks eventuele nieuwe wetenschappelijke inzichten en data, of dat alle onderzoeksresultaten die in dit rapport staan overeenkomen met de huidige werkelijkheid en recente inzichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u op de hoogte van het feit dat in deze update van het rapport nog altijd staat dat de veiligheid van het coronavaccin van Pfizer/BioNTech voor zwangere vrouwen niet gegarandeerd kan worden en dat de overheid Britse artsen oproept tot grote terughoudendheid met het vaccineren van zwangere en borstvoedende vrouwen? Is deze bevinding inmiddels herzien en op basis van welke wetenschappelijke bewijzen en onafhankelijke toetsing kan dan nu met zekerheid gesteld worden dat het vaccin absoluut veilig is voor zwangere en borstvoedende vrouwen?
Zie antwoord vraag 1.
Blijft men in Nederland actief zwangere vrouwen het coronavaccin van Pfizer/BioNTech – en andere farmaceuten – aanbieden? Zo ja, waarom? Kunt u een een uitgebreide uitleg geven over waarom u dit nog steeds verantwoord en veilig acht?
Vaccinatie tegen COVID-19 is erg belangrijk voor zwangere vrouwen. Zoals ik ook in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Van Meijeren (FvD) van 6 oktober 20215 heb aangegeven, geeft zwangerschap een sterk verhoogd risico op ernstige ziekte door COVID-19, met name in het derde trimester. Verschillende internationale onderzoeken6 laten zien dat zwangeren vaker door COVID-19 moeten worden opgenomen op de intensive care en vaker aan COVID-19 komen te overlijden. Ook is bekend dat COVID-19 schade aan de placenta kan toebrengen, wat de toevoer van zuurstof en voedingsstoffen aan het ongeboren kind in gevaar brengt en waarschijnlijk een hogere kans op doodgeboorte geeft. Daarnaast leidt een SARS-CoV-2-infectie tijdens de zwangerschap tot een hoger risico op vroeggeboorte en daarmee samenhangende gezondheidsproblemen voor het kind. Het is aangetoond dat vaccinatie het risico op ernstige complicaties door COVID-19 verlaagt en daarmee van potentieel levensreddend belang is voor moeder en kind. Om deze reden geldt voor alle zwangeren het advies om zich tegen COVID-19 te laten vaccineren, ongeacht het aantal weken zwangerschap.
Wereldwijd zijn al grote aantallen zwangeren gevaccineerd tegen COVID-19. Uit studies onder ongeveer 65.000 zwangere vrouwen blijkt dat de mRNA-vaccins van Pfizer en Moderna geen ernstige bijwerkingen veroorzaken bij zwangeren en hun baby’s. Ook laat onderzoek geen ernstige nadelige gevolgen zien na vaccinatie in de borstvoedingsperiode. Wel is een verhoogde of verminderde moedermelkproductie gemeld als mogelijke bijwerking van COVID-19-vaccinatie, wat kan samenhangen met systemische bijwerkingen zoals vermoeidheid, koorts en braken. Vaak herstelde dit binnen enkele dagen. Bij zwangeren zijn eventuele bijwerkingen overwegend mild en tijdelijk van aard, vergelijkbaar met bijwerkingen bij niet-zwangeren.
Voor meer informatie over de veiligheid van COVID-19-vaccins voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven, verwijs ik u naar de actuele versies van de bijsluiters op de websites van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)7 en College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG)8, en de kennispagina’s van Bijwerkingencentrum Lareb9. Ik acht het op basis van deze informatie medisch-ethisch verantwoord om zwangere vrouwen, vrouwen in het kraambed en vrouwen die borstvoeding geven de mogelijkheid te bieden om zich tegen COVID-19 te laten vaccineren en zo zwangerschapscomplicaties en ernstige ziekte door COVID-19 te voorkomen.
Hoe is het mogelijk dat de data over de toxiciteit van deze vaccins en de invloed op de voortplanting en de gezondheid van vrouwen en hun (ongeboren) baby’s dusdanig ontoereikend is, dat nog steeds weinig harde garantie kan worden gegeven over de veiligheid voor zwangere en borstvoedende vrouwen (op de lange termijn), terwijl deze vaccins al geruime tijd en op grote schaal aan zwangere vrouwen worden gegeven?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven op welke manier het überhaupt medisch-ethisch verantwoord is om kwetsbare groepen zoals zwangere en borstvoedende vrouwen te vaccineren met een nieuw en experimenteel middel, zonder dat de gevolgen daarvan op de langere termijn duidelijk zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Is het niet zo dat er op het moment van (voorlopige) goedkeuring voor zwangere en borstvoedende vrouwen eigenlijk veel te weinig data was om deze goedkeuring op te baseren? Zo nee, hoe kan veiligheid op de lange termijn voor deze groep dan gegarandeerd worden als deze data simpelweg nog niet bestaat?
Voorafgaand aan EMA-goedkeuring zijn voor alle geregistreerde COVID-19-vaccins onderzoeken naar reproductietoxiciteit uitgevoerd. Dit zijn dierproeven die kijken naar de effecten van een geneesmiddel op de vruchtbaarheid, de zwangerschap en de ontwikkeling van foetussen en nakomelingen. Ten tijde van EMA-goedkeuring waren deze data beschikbaar voor de vaccins van BioNTech/Pfizer, Moderna en Janssen, en deels beschikbaar voor het vaccin van AstraZeneca. Uit de studies kwamen geen aanwijzingen naar voren dat er schadelijke effecten zouden zijn op de vrouwelijke vruchtbaarheid, zwangerschap of ontwikkeling van foetussen en nakomelingen. De studies lieten ook zien dat het onwaarschijnlijk was dat bestanddelen van het vaccin bij het ongeboren kind zouden komen.
Op basis van de beschikbare data uit dierproeven, alsook de theoretische kennis van de werkingsmechanismen en ingrediënten van de vaccins en de ervaring met vaccins in het algemeen, was ten tijde van de EMA-goedkeuring van de eerdergenoemde COVID-19-vaccins al duidelijk dat de risico’s van vaccinatie tijdens de zwangerschap beperkt zouden zijn. Er waren op dat moment echter te weinig klinische data beschikbaar om de veiligheid van gebruik tijdens de zwangerschap te bevestigen. Tijdens de klinische studies voorafgaand aan de markttoelating waren zwangere vrouwen namelijk uitgesloten van deelname. Het advies van de EMA was daarom om vaccinatie van zwangere vrouwen alleen te overwegen als de te behalen gezondheidswinst voldoende opweegt tegen de potentiële risico’s (zie bijvoorbeeld de bijsluiter van het BioNTech/Pfizer-vaccin10 uit december 2020). In Nederland wordt door de Gezondheidsraad over dergelijke afwegingen met betrekking tot de inzet van COVID-19-vaccins geadviseerd. Vanwege het ontbreken van klinische data adviseerde de raad destijds om te wachten met het vaccineren van zwangeren totdat in voldoende mate kon worden aangetoond dat de COVID-19-vaccins veilig zijn voor gebruik tijdens de zwangerschap. De toenmalige Minister van VWS heeft de Kamer in zijn brief van 24 december 202011 over het Gezondheidsraadadvies over de inzet van het vaccin van BioNTech/Pfizer geïnformeerd.
Vanaf eind april 2021 is in Nederland begonnen met het vaccineren van zwangeren tegen COVID-19 met de mRNA-vaccins van BioNTech/Pfizer en Moderna. Data van circa 90.000 zwangeren die in de periode daarvoor in de Verenigde Staten al met deze vaccins werden gevaccineerd lieten namelijk geen nadelige bevindingen zien. Ook is gebleken dat zwangeren een aanzienlijk hoger risico hebben op ernstige ziekte door COVID-19 dan niet-zwangeren, zoals ik in het antwoord op vraag 4 t/m 6 heb toegelicht. De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) adviseerde daarom eind april 2021 om zwangeren de mogelijkheid te bieden om zich tegen COVID-19 te laten vaccineren.12 Op basis van dit advies en de eerste observationele data die de veiligheid van de vaccins voor gebruik tijdens de zwangerschap bevestigden, is het vaccinatiebeleid voor zwangeren in de uitvoeringsrichtlijn van het RIVM aangepast. Sinds begin 2022 adviseert de NVOG zelfs nadrukkelijk alle zwangere vrouwen om zich tegen COVID-19 te laten vaccineren, omdat dit van potentieel levensreddend belang is voor moeder en kind.13
Hoewel de vaccins van BioNTech/Pfizer, Moderna, AstraZeneca, Janssen en Novavax op het moment van EMA-goedkeuring ook nog niet op vrouwen die borstvoeding geven waren getest, achtte de Gezondheidsraad deze vaccins – op basis van bestaande kennis van andere niet-replicerende vaccins – wel voldoende veilig voor gebruik bij deze groep. Onderzoek heeft daarnaast uitgewezen dat de overdracht van bestanddelen van de mRNA-vaccins naar de moedermelk verwaarloosbaar laag is, en dat het mRNA in de meeste gevallen helemaal niet in de moedermelk terechtkomt.14 Aan te nemen is dat de zeer kleine hoeveelheid mRNA die eventueel in de moedermelk terechtkomt wordt afgebroken in het verteringsstelsel van het kind.15 Dit in tegenstelling tot de door de moeder aangemaakte antistoffen, die juist wel via de borstvoeding aan het kind worden meegegeven. Het is dus niet zo dat zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven door zich te laten vaccineren deelnemen aan een medisch experiment.
Hoe is het mogelijk dat de Food and Drug Administration (FDA) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) deze goedkeuring toch hebben verleend en waarom hebben uw departement en het kabinet hier destijds geen vragen over gesteld? Kunt u dit uitgebreid verklaren?
Zie antwoord vraag 7.
Kan worden geconcludeerd dat de zwangere en borstvoedende vrouwen die tot nu toe zijn gevaccineerd met het vaccin van Pfizer/BioNTech fungeren als deelnemers aan een real time medisch experiment, zonder dat zij dat op voorhand wisten en dus ook zonder dat zij hiervoor toestemming hebben gegeven? Kunt u reflecteren op welke wijze dit medisch-ethisch verantwoord is?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn deze zwangere en borstvoedende vrouwen na het ontvangen van hun coronavaccinatie(s) actief gevolgd door medische professionals om in kaart te brengen hoe de zwangerschappen, hun baby’s en hun eigen gezondheid zich ontwikkelden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe dan en wat zijn de bevindingen tot nu toe?
Naast reguliere pre- en postnatale zorg (bijvoorbeeld bij de gynaecoloog, neonatoloog en het consultatiebureau) worden zwangeren en pasgeboren baby’s niet actief gemonitord op bijwerkingen van COVID-19-vaccinaties. Zoals ik in reactie op uw motie van 24 mei jl.16 in de Verzamelbrief van 4 juli jl.17 ook heb toegelicht, zijn zorgverleners volgens de Geneesmiddelenwet (artikel 78:3) verplicht om bij Lareb melding te maken van ernstige vermoedelijke bijwerkingen. Ook kunnen mensen zelf vermoedelijke bijwerkingen melden bij Lareb. Wanneer een nieuwe bijwerking wordt gevonden, of nieuwe kennis van bestaande bijwerkingen wordt opgedaan, wordt dit door Lareb onderzocht. Bevindingen worden met het CBG, en waar nodig met het EMA en de WHO, gedeeld.
Wel kunnen zwangeren vrijwillig deelnemen aan onderzoek van Moeders van Morgen (onderdeel van Lareb). Uit onderzoek van Moeders van Morgen bij inmiddels ruim 10.000 zwangere vrouwen in Nederland blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een verhoogd risico op miskramen, vroeggeboortes of andere nadelige uitkomsten van de zwangerschap of bij het kind na vaccinatie tegen COVID-19.
Welke acties gaat u ondernemen op het gegeven dat de afgelopen jaren veel zwangere vrouwen zijn gevaccineerd tegen het coronavirus met een nog altijd potentieel onveilig en ontoereikend getest middel? Wordt er een onderzoek gestart naar de gevolgen van deze medische misser en zo ja, hoe gaat dit onderzoek eruit zien? Op welke termijn wordt dit onderzoek gestart en door wie wordt het uitgevoerd? Gaat u de (destijds) zwangere vrouwen en moeders die zich hebben laten vaccineren met het vaccin van Pfizer/BioNTech actief opsporen/benaderen en informeren over de bevindingen uit het bovengenoemde veiligheidsrapport? Zo ja, hoe wordt dat gedaan en door wie? Kunnen deze vrouwen aanspraak maken op slachtofferhulp en/of compensatie voor misleiding en/of de eventueel/potentieel geleden schade veroorzaakt door deze vaccinatie?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 t/m 9, is in Nederland met het vaccineren van zwangeren gewacht totdat in voldoende mate kon worden aangetoond dat de COVID-19-vaccins veilig zijn voor gebruik tijdens de zwangerschap. In de periode daaraan voorafgaand konden zwangeren hier alleen voor in aanmerking komen als vaccinatie tegen COVID-19 door een behandelend arts medisch noodzakelijk werd geacht. Er is nooit sprake van geweest dat de gezondheid van zwangeren door middel van vaccinatie in gevaar is gebracht en het klopt niet dat de vaccins waarmee zwangeren worden gevaccineerd (nog altijd) potentieel onveilig zijn. Integendeel: door middel van vaccinatie wordt juist voorkomen dat zwangere vrouwen en/of hun ongeboren kinderen aan de gevolgen van een SARS-CoV-2-infectie komen te overlijden.
Gaat u met terugwerkende kracht een onderzoek starten naar de veiligheid van het coronavaccin van Pfizer/BioNTech – en de coronavaccins van andere farmaceuten – voor zwangere en borstvoedende vrouwen? Wat gaat u doen als uit dergelijk onderzoek blijkt dat het vaccin (op de langere termijn) onveilig/schadelijk is voor deze doelgroep?
Door Lareb wordt al onderzoek gedaan naar bijwerkingen onder vrouwen die tijdens de zwangerschap zijn gevaccineerd. In mijn antwoorden op uw schriftelijke vragen van 5 juli18, 6 juli19 en 25 juli jl.20 ben ik daarnaast meermaals ingegaan op de zorgvuldige wijze waarop (mogelijke) bijwerkingen van COVID-19-vaccinaties in Nederland worden gemonitord. Ik acht het niet nodig om hierin aanpassingen te maken.
Worden de (ongeboren) baby’s van (destijds) zwangere vrouwen en (destijds) borstvoedende moeders opgespoord en actief gevolgd om in kaart te brengen wat de gevolgen en schade van deze vaccins zijn voor hun gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitleggen waarom maandenlang actief campagne is gevoerd om zwangere en borstvoedende vrouwen aan te sporen zich te laten vaccineren, terwijl toereikende data over de veiligheid van het coronavaccin van Pfizer/BioNTech (op de lange termijn) ontbrak en nog altijd ontbreekt? Deelt u de mening dat de Nederlandse overheid hiermee willens en wetens een groot risico heeft genomen met de gezondheid van deze vrouwen en hun baby’s?
Kunt reflecteren op het feit dat het vaccin door de overheid en betrokken partners bij deze campagnes expliciet is aangemerkt als veilig voor zwangere en borstvoedende vrouwen en dat deze doelgroep zelfs is verteld dat niet vaccineren een groot risico voor hun gezondheid met zich meebracht? Deelt u de mening dat dit misleiding is?
Als er niet voldoende data is over de veiligheid van dit vaccin voor zwangere en borstvoedende vrouwen, terwijl wij wel weten dat het coronavirus zelf voor de meeste mensen nauwelijks een gevaar vormt, kan dan worden geconcludeerd dat de gezondheidsrisico’s van het nemen van een potentieel onveilig vaccin groter zijn dan het doorlopen van een natuurlijke infectie? Deelt u de mening dat uw departement hiermee bewust de gezondheid van een grote groep mensen in gevaar heeft gebracht? Zo nee, kunt u dan uitgebreid verklaren waarom er volgens u niet gespeeld is met gezondheid en in potentie met levens?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat in veel landen de geboortecijfers de laatste maanden drastisch zijn afgenomen? Is het mogelijk dat het vaccineren van zwangere vrouwen hiermee te maken heeft? Heeft u inzicht in hoeveel miskramen, vroeg- en stilgeboortes er sinds de start van het vaccinatieprogramma hebben plaatsgevonden? Zo nee, gaat u hier met terugwerkende kracht onderzoek naar doen?
Uit meerdere (internationale) wetenschappelijke studies blijkt dat na vaccinatie geen sprake is van een verhoogd risico op miskramen, vroeg- en doodgeboortes of andere nadelige effecten op de zwangerschap. Ook heeft vaccinatie geen invloed op de vruchtbaarheid of de werking van vrouwelijke en mannelijke geslachtsorganen. Het is dus uiterst onwaarschijnlijk dat er een causaal verband bestaat tussen vaccinatie tegen COVID-19 en afnemende geboortecijfers. Ook is bekend dat zeer weinig tot geen bestanddelen van de vaccins in de borstvoeding terechtkomen, en zijn in verschillende studies geen nadelige gevolgen bij kinderen van gevaccineerde moeders gezien.22
In mijn antwoorden op uw schriftelijke vragen van 5 juli23, 6 juli24 en 25 juli jl.25 ben ik meermaals ingegaan op de zorgvuldige wijze waarop (mogelijke) bijwerkingen van COVID-19-vaccinaties in Nederland worden gemonitord. Ik zie geen reden om hierin aanpassingen te maken of aanvullend onderzoek te doen.
Gaat u onderzoek doen naar de kwaliteit van moedermelk van moeders die gevaccineerd zijn met het Pfizer/BioNTech vaccin en de ontwikkeling van hun baby’s ten opzichte van die van flesgevoede kinderen en kinderen van borstvoedende moeders die niet gevaccineerd zijn?
Zie antwoord vraag 17.
Gaat u onderzoek doen naar het verloop van de zwangerschappen van gevaccineerde moeders, de complicaties waar zij tijdens hun zwangerschappen mee te maken krijgen, hun bevallingen, de conditie van hun baby’s direct na de bevalling (APGAR scores) en de hoeveelheid zorg die zowel moeders als baby’s na de zwangerschap en bevalling vereisen, afgezet tegen moeders en baby’s die niet zijn blootgesteld aan het vaccin?
Zie antwoord vraag 17.
Wordt er prenataal en in vivo onderzoek gestart naar de effecten, gevolgen en schade die de coronavaccins mogelijk veroorzaakt bij foetussen en ongeboren baby’s?
Zie antwoord vraag 17.
U bent zelf arts van origine, hoe rijmt u het vaccineren van een kwetsbare groep mensen met een experimenteel en mogelijk onveilig middel met de Eed van Hippocrates die u heeft afgelegd?
In mijn antwoorden op voorgaande vragen heb ik in voldoende mate onderbouwd waarom ik het medisch-ethisch verantwoord acht om zwangere vrouwen, vrouwen in het kraambed en vrouwen die borstvoeding geven de mogelijkheid te bieden om zich tegen COVID-19 te laten vaccineren. Hierbij wil ik nogmaals benadrukken dat vaccinatie voor zwangere vrouwen en vrouwen in het kraambed van potentieel levensreddend belang is, gezien het feit dat zij per definitie tot een risicogroep behoren.
De laatste ontwikkeling op de energiemarkt |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de grote zorgen die leven in de energiemarkt over mogelijke tekorten de komende winters? Hoe apprecieert u deze zorgen? Hoort u deze zorgen ook terug in de Nederlandse energiemarkt?1
Ik ben bekend met de zorgen die leven in de energiemarkt en neem deze serieus. In mijn Kamerbrieven van onder meer 20 juni, 21 juli en 9 september (Kamerstuk 29 023, nrs. 312, 337 en 21501-33-501, nr. 951) heb ik uiteengezet welke analyses zijn en worden gemaakt ten aanzien van de actuele stand van de gasleveringszekerheid en de komende winter. Het kabinet heeft ook maatregelen genomen om de gasleveringszekerheid te borgen. Er wordt stevig ingezet op energiebesparing en verduurzaming. Daarnaast wordt ook het aanbod van energiebronnen gediversifieerd, onder meer doordat nog voor de winter de importcapaciteit van vloeibaar gas (LNG) is verdubbeld. Ten slotte is het gelukt de gasopslagen voor de winter volledig te vullen en heeft het kabinet onlangs bekend gemaakt hoe de opslagen voor komende winter te gaan vullen (Kamerstuk 29023, nr. 35216).
Hoe beziet u het risico op ieder-voor-zich-beleid waarbij Europese lidstaten geen gas of elektriciteit exporteren naar elkaar bij een strenge winter? Heeft u signalen dat lidstaten hier over nadenken?
Op grond van het Werkingsverdrag van de EU, de Verordening gasleveringszekerheid en de Verordening risicoparaatheid in de elektriciteitssector geldt dat de leveringszekerheid van gas en elektriciteit een EU-aangelegenheid is, met solidariteit als belangrijk uitgangspunt, waardoor het grensoverschrijdend transport niet mag worden beperkt. Voortbouwend op deze regelingen is, voor wat betreft gas, tijdens de Energieraad op 26 juli jl. een akkoord bereikt dat ook door Nederland is gesteund, over de Verordening over gecoördineerde gasbesparingsmaatregelen. Hierover is uw Kamer onder meer geïnformeerd op 25 juli (Kamerstuk 29 023, nr. 338), 16 augustus (Kamerstuk 21501–33, nr. 950) en op 30 augustus jl. Vanuit de EU, met de Europese Commissie in een centrale en ook toezichthoudende rol, vindt voortdurend overleg plaats over de uitvoering en toepassing van de genoemde verordeningen. Nederland is hier nauw bij betrokken. Ook tijdens de Europese Energieraden die de tweede helft van het jaar hebben plaatsgevonden heeft energieleveringszekerheid en de samenwerking ter zake tussen lidstaten, hoog op de agenda gestaan. Tijdens de ingelaste energieraad van 30 september jl. is een noodpakket aan maatregelen aangenomen dat ziet op de beteugeling van de hoge energieprijzen. In oktober heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan over maatregelen die gezamenlijk optreden van de lidstaten betreft inzake inkoop van gas op de wereldmarkt. Op de Energieraad van 19 december jl. is hierover een definitief akkoord bereikt. Uw Kamer ontvangt hierover separaat verslag.
Hoe gaat u zich Europees inspannen om een dergelijk ieder-voor-zich-beleid te voorkomen? Brengt u dit op bij uw Europese collega’s bij de eerstvolgende extra Energieraad?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u in gesprek met Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk over de mogelijkheid dat zij een dergelijk ieder-voor-zich-beleid voeren komende winter? Zo nee, kunt u dat zo snel mogelijk doen gezien de interconnecties tussen de Nederlandse energiemarkt en die van Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk?
Ja, met beide landen wordt regelmatig overleg gevoerd, zowel wat betreft de elektriciteits- als de gas-interconnecties.
Hoe staat het daarnaast met de uitvoering van stresstesten voor onze energiemarkt deze winters? Houdt u hierbij rekening met alle mogelijk scenario’s? Wanneer kan de Kamer deze scenario’s en resultaten van de stresstesten verwachten?
Over de scenario’s betreffende het wegvallen van de gastoevoer heb ik uw Kamer geïnformeerd in de brief over Voortgang Bescherm- en Herstelplan Gas (BH-G) en gasleveringszekerheid (Kamerstuk 29 023 nr. 342). Uiteraard blijf ik de situatie monitoren met Gasunie Transport Services (GTS). Wat betreft de elektriciteitsmarkt gebeurt de seizoen-monitoring vooral op EU-niveau door ENTSO-E (samenwerking van de landelijk elektriciteitsnetbeheerders) met de Summer- en Winteroutlook. Via de EU Electricity Coordination Group (EU ECG) worden maandelijks de voorlopige inzichten gedeeld met de Europese Commissie, lidstaten en toezichthouders. De openbare publicatie van de Winter Outlook voor elektriciteit door ENTSO-E heeft op 1 december plaatsgevonden2. Ook zal Nederland in 2023 de samenwerking met buurlanden tijdens elektriciteitscrises oefenen. Dit zal o.a. gebeuren in een crisisoefening die Nederland als onderdeel van het voorzitterschap van het Pentalateraal Energieforum zal organiseren.
Zijn er Nederlandse energieleveranciers met liquiditeitsproblemen door de enorm hoge inkoopprijzen (en gerelateerde margin calls) die ze nu moeten betalen voor zowel stroom als gas? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de liquiditeitspositie van leveranciers die alleen handelen en niet zelf produceren? Kunt u de monitoring van de liquiditeitsposities van de Nederlandse energieleveranciers intensiveren?
In Nederland lijken grote en middelgrote energieleveranciers nog niet in acute liquiditeitsproblemen te komen door de hoge energieprijzen en meer specifiek de hoge kosten voor zekerheid (margin-verplichtingen), die ze nu moeten voldoen voor het afdekken voor risico’s op de elektriciteits- en gasmarkt. De toegenomen margin-verplichtingen op de termijnmarkten voor energie reflecteren de toegenomen onrust en risico’s op de markt.
Zoals aangekondigd in mijn brief van 20 september 2022 (Kamerstuk 29 023, nr. 347) wordt het toetsingskader voor de vergunningverlening en het toezicht op energieleveranciers aangescherpt. De daartoe aangekondigde Beleidsregels zijn inmiddels vastgesteld door ACM en mijzelf. Op 3 oktober jl. zijn de Beleidsregels gepubliceerd; deze regels zijn van kracht met ingang van 4 oktober 2022.3
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, maar in ieder geval voorafgaand het aankomende commissiedebat Gasmarkt en leveringszekerheid?
De beantwoording is abusievelijk te laat afgerond, waarvoor mijn welgemeende excuses.
De intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Kinderombudsman: asieldeal is in strijd met Kinderrechtenverdrag»?1 Wat is uw reactie op deze kritiek?
Ja. Met de Kinderombudsman heb ik op 29 augustus jl. een constructief gesprek gevoerd over, onder meer, dit onderwerp.
Bent u van mening dat ondanks de zware kritiek van de Kinderombudsman op het voornemen om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken deze maatregel wel verenigbaar is met het Kinderrechtenverdrag? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kinderrechtenverdrag verplicht landen om gezinsherenigingsaanvragen van kinderen met welwillendheid, menselijkheid en spoed te behandelen. Het grote belang van het kind om te herenigen met de gezinsleden is iets wat Nederland van harte onderschrijft. Bij de inhoudelijke beoordeling van de nareisaanvraag blijft het belang van het kind dan ook leidend. Het besluit op de aanvraag neemt de IND nog altijd zo snel als praktisch mogelijk is.
De getroffen maatregel dient daarbij zoveel mogelijk te voorkomen dat het kind met de gezinsleden in Nederland geen opvang kan worden geboden die aan onze eigen normen en standaarden voldoet. Met de garantie dat met de maatregel de gezinshereniging slechts met maximaal 6 maanden wordt uitgesteld, meent het kabinet een balans te hebben gevonden tussen het belang van het kind bij zowel geschikte huisvesting als bij de uitoefening van het recht op gezinshereniging.
Heeft u verder kennis genomen van andere kritische reacties van migratierechtexperts op uw voornemen om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken?2
Ja.
Welke (departementale) juridische analyses liggen ten grondslag aan deze kabinetsbeslissing? Wilt u deze z.s.m. de Kamer doen toekomen?
De documenten ten behoeve van de kabinetsbeslissing genomen in de week van 26 augustus vindt u bijgevoegd. 3
Een beperking op het terrein van nareis botst al snel met bijvoorbeeld de EU-gezinsherenigingsrichtlijn. Daar zijn de ambtelijke adviezen steeds duidelijk in geweest. Dat is voor het kabinet dan ook de reden geweest om de maatregel in te richten op de wijze die u heeft kunnen lezen in de brief aan uw Kamer. Dan doel ik op de inhoud van de maatregel, de beperking in duur van de maatregel en een individuele beperking in tijd voor de betreffende personen.
Hoeveel mensen die in het buitenland verblijven en in aanmerking komen voor gezinshereniging verwacht u dat door deze maatregel later herenigd zullen worden met familie in Nederland?
De maatregel geldt alleen voor nareizigers die nog geen besluit op hun aanvraag hebben gekregen. De IND en het COA hebben enige tijd nodig om tot implementatie over te kunnen gaan en handelen hier zo spoedig mogelijk naar.
Het zou naar verwachting tot eind december 2023 ruwweg tussen de 6000 en 8000 nareizigers betreffen die maximaal zes maanden later dan gebruikelijk naar Nederland kunnen reizen.
Bieden in tegenstelling tot de opvatting van migratierechtexperts volgens u de Gezinsherenigingsrichtlijn en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) juridische ruimte voor de voorgestelde beperking van het recht op gezinshereniging? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie dat het categorisch onmogelijk maken van gezinshereniging of het inzetten van de maximale ruimte van de Gezinsherenigingsrichtlijn als standaard wachttermijn niet mag en dat altijd een individuele toetsing moet plaatsvinden?
Het Europees verdrag voor de rechten van de mens wijst lidstaten erop dat iedereen recht heeft op respect voor het familie- en gezinsleven. Bij de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag wordt hier niet aan voorbij gegaan.
De Gezinsherenigingsrichtlijn staat het niet toe dat lidstaten eisen dat het gezinslid in Nederland beschikt over geschikte huisvesting. De IND zal deze omstandigheden dan ook niet betrekken bij de beoordeling van de nareisaanvraag. Het ontbreken ervan zal een eventuele inwilliging niet in de weg staan. Als de gezinsleden aan de staande voorwaarden voldoen, zal de IND overgaan op inwilliging.
Als de IND eenmaal heeft vastgesteld dat er recht is op hereniging wordt slechts met de afgifte van een visum daartoe gewacht tot het gezin in Nederland ook daadwerkelijk van geschikte huisvesting kan uitgaan of tot er maximaal zes maanden zijn verstreken. De gezinshereniging wordt daarmee uitgesteld, niet afgesteld.
Wat vindt u van de inschatting van migratierechtexperts dat Nederland met grote waarschijnlijkheid uiteindelijk in het ongelijk zal worden gesteld? In hoeverre steunt dat de veronderstelling dat deze beperking vooral bedoeld is om te traineren?
Deze maatregel wordt enkel genomen omdat het kabinet van oordeel is dat deze maatregel, als onderdeel van een breder pakket, noodzakelijk is om zeker te stellen dat we een einde kunnen maken aan de situaties in Ter Apel die we hebben gezien. Situaties waarin we aan mensen geen opvang kunnen bieden of in het beste geval opvang op een manier die niet voldoet aan onze eigen normen en standaarden.
Met de inrichting waar het kabinet uiteindelijk voor heeft gekozen, wordt primair getracht aanzienlijke verlichting te bieden in de acute situatie in de opvangcrisis.
Bent u het ermee eens dat met het oog op de verstrekkende persoonlijke gevolgen het van belang is dat voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze beperking moet zijn vastgesteld dat de voorgestelde beperking in overeenstemming is met EU-recht? Zo nee, waarom niet?
Met de inrichting waar het kabinet uiteindelijk voor heeft gekozen, wordt getracht de impact zo beperkt mogelijk te houden en toch tegelijkertijd de acute situatie in de opvangcrisis aanzienlijke verlichting te bieden. De getroffen individuele waarborgen dienen er mede toe om de juridische uitlegbaarheid te versterken. In elke situatie is het uiteindelijk aan de rechtspraak om te oordelen over de juridische houdbaarheid.
Bent u bereid om deze vragen per omgaande te beantwoorden?
Uw vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat Hongarije toestemming geeft voor het bouwen van twee Russische kerncentrales |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Hongarije toestemming geeft voor de bouw van twee Russische kerncentrales in het land door het Russische bedrijf Rosatom?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat de oorlog in Oekraïne Hongarije er niet toe heeft bewogen om af te zien van de bouw van deze nieuwe kerncentrales? Wat zegt dit volgens u over de banden tussen premier Orbán en president Poetin?
Gezien de Russische militaire agressie in Oekraïne en het hierop volgende EU-beleid om tegen Rusland op te treden, komt het Hongaarse besluit duidelijk niet overeen met de geest van dit EU-beleid. Dit Hongaarse besluit straalt daarmee negatief af op de EU-eenheid in deze oorlog. Hongarije schendt met het besluit over de bouw van twee reactoren geen EU-regelgeving. Overeenkomstig de beginselen van het Europees energiebeleid is de keuze voor de eigen energiemix aan de lidstaten.
Wat betekent dit volgens u voor de eenheid die Europa uitstraalt in dit conflict?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met het feit dat de bouw van deze kerncentrales, die voor 80% gefinancierd worden met Russisch geld, lijnrecht ingaat tegen de rationale achter de Europese sanctiepakketten tegen Rusland die juist willen voorkomen dat de Russische staatskas gevuld wordt door handel met Europese landen, ondanks dat de Russische kernenergie niet valt onder de huidige Europese sanctiepakketten?
Ja.
Bent u bereid om dit onderwerp nog formeel of informeel te adresseren tijdens het aanstaande informele Raad Buitenlandse Zaken op 30–31 augustus 2022 en de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken hier op aan te spreken?
Het kabinet kaart het belang van EU-eenheid, de noodzaak druk op Rusland op te voeren en het belang van het zo snel mogelijk afbouwen van energieafhankelijkheid van Rusland continu aan in relevante bijeenkomsten in multilateraal en bilateraal verband, waaronder in de Raad Buitenlandse Zaken, en zal dit blijven doen.
Kunt u aangeven waarom het nucleaire agentschap Rosatom, een van Ruslands grootste staatsbedrijven dat een zeer groot belang heeft in Europa, na zeven sanctierondes nog steeds niet toegevoegd is aan de sanctielijst van de Europese Unie?
Nederland is binnen de EU voortdurend in gesprek over het toevoegen van entiteiten aan de EU-sanctielijsten. Het kabinet kijkt hierbij naar de brede mogelijkheden die er onder het sanctieregime bestaan, waaronder het nemen van beperkende maatregelen tegen entiteiten die materieel of financieel bijdragen aan acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, entiteiten die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie en entiteiten die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie. Voor het plaatsen van entiteiten op de EU-sanctielijsten dient te worden voldaan aan de desbetreffende listingscriteria, uitgangspunten van EU-eenheid en doelstellingen van de sancties.
Bent u bereid om binnen de Europese onderhandelingen over een achtste sanctiepakket er serieus voor te pleiten om Rosatom toe te voegen aan de lijst met gesanctioneerde bedrijven?
Het kabinet is voorstander van aanvullende sanctiemaatregelen, maar doet geen uitlatingen over specifieke listingsvoorstellen. De reden is dat dit mogelijk de effectiviteit van dergelijke maatregelen ondermijnt gelet op onder andere het verrassingseffect.
Het bericht Acht boerderijen (deels) dicht voor extra stikstof door verbreding A27 en A12 bij Utrecht |
|
Joris Thijssen (PvdA), Laura Bromet (GL), Suzanne Kröger (GL), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Acht boerderijen (deels) dicht voor extra stikstof door verbreding A27 en A12 bij Utrecht»?1
Ja.
Waarom wacht u niet de uitkomst af van het alternatief waaraan, ondanks dat er volgens het tracébesluit geen alternatief is, de provincie Utrecht en de gemeente Utrecht werken, waarvoor mogelijk minder of geen stikstofruimte nodig zou zijn?
Het Tracébesluit voor de Ring Utrecht is in 2020 vastgesteld en daarvoor loopt op dit moment een beroepsprocedure bij de Raad van State. Op dit moment ligt er geen uitgewerkt alternatief voor het huidige Tracébesluit. Omdat de procedure bij de Raad van State niet op pauze kan worden gezet in afwachting van een alternatief, wordt de procedure daar voortgezet.
Als de regio een alternatief gereed heeft, ga ik met hen in gesprek. Als het alternatief de problematiek op het gebied van veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid op gelijkwaardige wijze oplost kan het Tracébesluit worden aangepast.
Voor welke andere projecten kan de stikstofruimte worden ingezet die nu wordt toegewezen aan de verbreding van de A27 en A12, en welke afweging zit daarachter? Waarom zet u de nu beschikbare stikstofruimte niet in voor bijvoorbeeld woningbouw, natuurherstel, PAS-melders of uitbreiding van het OV?
De stikstofruimte had ook kunnen worden ingezet voor andere IenW-projecten die stikstofruimte nodig hebben op dezelfde specifieke locaties in dezelfde specifieke Natura 2000-gebieden. Om dit preciezer te duiden, moeten eerst berekeningen en ecologische beoordelingen voor andere projecten worden uitgevoerd. Het zal in ieder geval gaan om projecten die netwerkeffecten hebben in hetzelfde gebied als de A27/A12 Ring Utrecht, zoals de A28/A1 Knooppunt Hoevelaken.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, kan de procedure bij de Raad van State niet op pauze worden gezet en was daarvoor een nadere onderbouwing nodig. Daarom is de stikstofruimte voor dit project ingezet.
Voor andere doelen (bijvoorbeeld woningbouw, natuurherstel en de legalisatie van PAS-meldingen) heeft het kabinet andere bronmaatregelen voorzien, die worden gefinancierd vanuit andere budgetten. Dat leidt nu ook tot de eerste stikstofruimte voor PAS-melders. Half september worden ontwerpbesluiten genomen om de eerste zes meldingen in Limburg te legaliseren.
Welk signaal gaat er volgens u uit van het inzetten van schaarse stikstofruimte voor een zeer omstreden project, terwijl het land op slot zit en het boeren aan perspectief ontbreekt?
Ik onderschrijf de doelstellingen van het project: de doorstroming, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid rond de weg verbeteren. Het project betreft het aanleggen van extra rijstroken en het scheiden van drukke, kruisende verkeersstromen. Daarnaast worden voor verbetering van de leefbaarheid rond de weg nieuwe, hogere geluidsschermen geplaatst en wordt een deel van de weg overkapt.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kan de procedure bij de Raad van State niet op pauze worden gezet. In dat kader is onlangs een nadere onderbouwing opgesteld.
Bij toestemmingverlening via saldering wordt een zorgvuldige procedure doorlopen. Daarnaast is er voor 7 MIRT-projecten, woningbouw en PAS-melders de mogelijkheid om via het stikstofregistratiesysteem (SSRS) toestemming te verlenen. Op dit moment wordt ruimte uit de Saneringsregeling varkenshouderij via het SSRS gebruikt voor het legaliseren van de eerste PAS-melders. Zodoende deel ik de stelling niet dat hier een signaal vanuit gaat.
Heeft u een overzicht van projecten waarvoor het Rijk de komende jaren stikstofruimte nodig zal hebben, een prioritering hiervan en een plan voor hoe het Rijk aan de benodigde stikstofruimte gaat komen? Zo ja, kunt u dit overzicht delen? Zo nee, bent u van plan of bereid om een dergelijk overzicht op te stellen?
In de MIRT-brief van juni 2022 is de werkvolgorde gegeven van aanlegprojecten waarvan op dat moment werd verwacht dat deze een beroep doen op de beperkt beschikbare stikstofdeskundigen.2 Voor deze projecten zullen als eerste stikstofberekeningen worden opgesteld en mogelijke effecten op de natuur worden beoordeeld. Als significant negatieve effecten van een project op Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, zal worden gezocht naar mitigerende maatregelen.
Van andere projecten van het Rijk die niet op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat liggen, heb ik geen overzicht.
Deelt u de analyse dat het Rijk het goede voorbeeld moet geven en vol moet inzetten op stikstofreductie en de verduurzaming van onze mobiliteitssector, en dat de verbreding van de A27 en A12 hier niet in past?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet vol in op verduurzaming van de mobiliteit. Dit gebeurt onder meer door een beter OV, meer fietsgebruik, het terugdringen van de stikstofuitstoot door het steeds schoner worden en elektrificeren van voertuigen, het voorbereiden van Betalen naar gebruik en het bevorderen van thuiswerken.
De bereikbaarheidsproblematiek blijft echter groot, evenals de noodzaak om te werken aan het vergroten van de verkeersveiligheid en het verbeteren van de leefbaarheid rondom infrastructuur. Hierdoor blijven investeringen in het wegennet noodzakelijk. Ook het gekozen Voorkeursalternatief bestaat uit een combinatie van investeringen in weg en OV: naast een wegverbreding is ook de Uithoflijn gerealiseerd.
Kunt u wetenschappelijk onderbouwen dat wegverbredingen zoals deze helpen om files op te lossen?
IenW brengt bij elk besluit voor een wegverbreding de effecten van het project in beeld. De effecten zullen bij ieder project van elkaar verschillen. De effecten van de wegverbreding in het TB A27/A12 Ring Utrecht zijn in beeld gebracht in het deelrapport MER A27/A12 Ring Utrecht Tweede Fase (2016). De kwaliteit van de gebruikte informatie voor besluitvorming over Tracébesluiten voor wegverbredingen zoals opgenomen in het MER is onafhankelijk getoetst door de Commissie voor de m.e.r. De Commissie voor de m.e.r. geeft aan dat zij in haar advies rekening houdt met actuele relevante ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied. In 2020 is aanvullend de oplegnotitie verkeer 2020 van de A27/A12 Ring Utrecht uitgevoerd. De onderzoeken gaven aan dat de wegverbreding in het TB A27/A12 Ring Utrecht de files (congestie) op het hoofdwegennet meer dan halveert ten opzichte van de situatie zonder project. Voor het verkeersonderzoek is gebruik gemaakt van het Nederlands Regionaal Model (NRM) van Rijkswaterstaat. Op het NRM vinden onafhankelijke audits en reviews plaats. Hierin is geconstateerd dat het NRM van goede kwaliteit is en uitgaat van wetenschappelijk geaccepteerde theorieën.
Content op websites |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe vaak heeft de politie de afgelopen vijf jaar in totaal jaarlijks contact opgenomen met bedrijven om hen erop te wijzen dat er strafbare content en/of content in strijd met hun gebruikersovereenkomst op hun website wordt gepubliceerd?
Zoals recent aangegeven in antwoord op vragen van uw Kamer neemt de politie geen contact op met bedrijven met als doel een account te verwijderen. De politie kan wel, net als eenieder, in het kader van zelfregulering door platformen, contact opnemen met bedrijven om hen erop te wijzen dat er stafbare content en/of content in strijd met hun gebruikersovereenkomst op hun website wordt gepubliceerd.1 De beoordeling daarvan is vervolgens aan het bedrijf. De politie kan daarnaast in specifieke, bij wet bepaalde gevallen,2 de officier van justitie vragen om een bevel tot ontoegankelijkmaking te richten aan bedrijven als Twitter. De officier van justitie heeft daarbij een voorafgaande rechterlijke machtiging nodig (artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering). De politie registreert dit soort meldingen niet op zodanige wijze dat de gevraagde informatie uit de politiesystemen kan worden gehaald.
Kan u deze (jaarlijkse) cijfers (verder) uitsplitsen naar «strafbare content» en «gebruikersovereenkomst»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
In het geval van «strafbare content», kan u de cijfers verder uitsplitsen naar het wetsartikel op basis waarvan de politie de content strafbaar acht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is het een taak van de politie bedrijven te informeren wanneer hun gebruikersovereenkomst zou worden geschonden? Waarom is dat zo? Kunnen en moeten bedrijven dat niet zelf doen? Is dit bovendien niet een vorm van ongeoorloofde staatssteun? Hoeveel uur heeft de politie de afgelopen jaren besteed aan het controleren van het naleven door klanten van de gebruikersovereenkomsten van particuliere bedrijven?
De politie heeft geen taak bedrijven te informeren wanneer hun gebruikersovereenkomst wordt geschonden. De politie levert een bijdrage aan de handhaving van de rechtsorde. Dit betekent soms dat zij signalen aan derden afgeeft, zodat deze maatregelen kunnen nemen die bijdragen aan het beperken en voorkomen van (verdere) schade door strafbare feiten of het voorkomen of beëindigen van (ernstige) openbare orde schendingen.
Welke bedrijven werden door de politie de afgelopen vijf jaar benaderd omdat er strafbare content of content in strijd met de gebruikersovereenkomst van deze bedrijven zou zijn gepubliceerd op hun website? Kan u op zijn minst een top vijf geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe vaak heeft de politie de afgelopen vijf jaar jaarlijks contact opgenomen met Twitter om erop te wijzen dat er stafbare content en/of content in strijd met de gebruikersovereenkomst van Twitter op Twitter zou zijn gepubliceerd?
Zie antwoord vraag 1.
Kan u deze cijfers (dus alleen voor Twitter) uitsplitsen naar «strafbare content» en «gebruikersovereenkomst»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
In het geval van «strafbare content», kan u de cijfers (wederom alleen voor Twitter dus) verder uitsplitsen naar het wetsartikel op basis waarvan de politie de content op Twitter strafbaar acht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft Twitter de aanwijzingen van de politie in alle gevallen opgevolgd? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze heeft Twitter de aanwijzingen opgevolgd? Zijn tweets verwijderd? Of accounts geschorst naar aanleiding van «aanwijzingen» van de politie?
Zie antwoord vraag 1.
Kan u nader ingaan op de aard van de «aanwijzingen»? Vroeg de politie via de «aanwijzingen» bijvoorbeeld om bepaalde tweets te verwijderen? Of om accounts te schorsen? Tijdelijk? Of zelfs permanent? Kortom, kan u de «aanwijzingen» van de politie aan Twitter categoriseren en vervolgens aangeven hoe vaak Twitter, de afgelopen jaren, welk soort «aanwijzing» van de politie heeft gekregen?
Zie antwoord vraag 1.
Indien Twitter de aanwijzingen van de politie niet zou hebben opgevolgd, wat zouden hiervan dan de gevolgen voor Twitter kunnen zijn? Zou de politie het OM hebben kunnen vragen tot vervolging van Twitter over te gaan? Heeft de politie dit laatste ook ooit aan Twitter laten weten?
De politie kan slechts verwijderverzoeken doen, waarbij een beroep wordt gedaan op de zelfregulering van de internetsector. Het niet opvolgen van een dergelijk verzoek heeft geen rechtsgevolgen. Wel kunnen platformen als Twitter zich onder omstandigheden schuldig maken aan het plegen van een strafbaar feit en daarvoor worden vervolgd.3
Tot slot, heeft de politie de afgelopen vijf jaar ook ooit met de traditionele media (NPO, Volkskrant, NRC, Trouw, RTL, .......) contact opgenomen om hen erop te wijzen dat er stafbare content en/of content in strijd met hun gebruikersovereenkomst op hun website wordt gepubliceerd?
Zie antwoord vraag 1.
Kan u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ik heb ervoor gekozen dit niet te doen, omdat het antwoord op een aantal vragen eensluidend is.
Het rapport ‘What is a fair emissions budget for The Netherlands’ |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met nieuwe rapport van NewClimate Institute (NCI) «What is a fair emissions budget for The Netherlands? How The Netherlands can integrate the principle of common but differentiated responsibilities and capabilities in their climate target»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van dit rapport dat een eerlijk klimaatdoel (fair share) voor Nederland nul uitstoot in 2030 (of zelfs negatief) is? Zo ja, welke gevolgen geeft u aan dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Nee. Volgens het kabinet zijn de aangescherpte Nederlandse klimaatdoelen voor 2030 (ten minste 55% en streven naar 60%-reductie) en 2050 (klimaatneutraal oftewel netto-nul-broeikasemissies) op basis van het IPCC in lijn met het 1,5 gradendoel van het Akkoord van Parijs. Dit wordt ook ondersteund door het PBL.
Er is geen objectieve basis voor een eerlijke verdeling van de mondiale emissiereductieopgave. Wel klopt het dat volgens het klimaatverdrag uit 1992 en het Akkoord van Parijs de ontwikkelde landen het voortouw dienen te nemen. Dat hebben ze met het Kyoto protocol gedaan en doet de EU nu met haar reductiedoel van 55%-reductie in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050. Het doel om de nationale uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 procent en zo mogelijk 60% in 2030 te reduceren ten opzichte van 1990 ligt significant hoger dan de wereldwijde reductie van broeikasgassen in IPCC-scenario’s voor beperking van de mondiale opwarming tot 1.5°C aan het eind van deze eeuw. Volgens die scenario’s is hiervoor in 2030 een reductie nodig van alle broeikasgassen samen van ongeveer 43% ten opzichte van 2019. Dit komt overeen met 37%-reductie t.o.v. 2010 en ca. 18%-reductie t.o.v. 1990.
Hetzelfde geldt voor het nationale en Europese doel om netto nul uitstoot van broeikasgassen in 2050 te bereiken. Volgens de IPCC-scenario’s dienen voor het 1.5°C-doel de mondiale CO2-emissies rond 2050 een netto nul niveau te bereiken, maar geldt voor alle broeikassen dat rond 2050 een reductie van 84% t.o.v. 2019 nodig is, wat neer komt op ca.76% t.o.v. 1990 (Zie IPCC AR6 WGIII, SPM, tabel SPM.1). Het doel van de EU en Nederland om in 2050 netto nul uitstoot van broeikasgassen te bereiken, oftewel 100% reductie, gaat dus aanzienlijk verder dan wat het IPCC aangeeft dat wereldgemiddeld nodig is. Daarmee zijn de Nederlandse en EU-klimaatdoelen voor 2030 en 2050 ook in lijn met de afspraak dat ontwikkelde landen, waaronder Nederland en de EU, het voortouw nemen bij de bestrijding van klimaatverandering.
Onderschrijft u de methode waarlangs de conclusies van dit rapport zijn opgesteld? Zo nee, waar zit/zitten volgens u de zwakheden of fouten?
Nee. Ik zie de volgende aandachtspunten bij de methode die in het rapport is gehanteerd.
Het NCI gaat uit van het koolstofbudget dat resteert om met 67% zekerheid de mondiale temperatuurstijging tot 1,5 graden te beperken zonder overschrijding van de 1,5 graden. De haalbaarheid daarvan wordt niet met scenario-analyses onderbouwd. Het IPCC beschrijft in haar laagste scenariocategorie (C) scenario’s met geen of zeer beperkte overschrijding van de 1,5 graden (C1) en scenario’s met meer overschrijding waar ingezet wordt op netto negatieve emissies die de mondiale temperatuurstijging terug brengen tot 1,5 graden later in de eeuw (C2). Daarbij gaat het om scenario’s die uitgaan van 50% zekerheid dat het 1,5 gradendoel wordt bereikt. De analyse van scenario’s voor 1,5 graden in IPCC’s laatste assessment maakt duidelijk dat zelfs bij 50% zekerheid het zeer moeilijk is om overschrijding van de 1,5 graden nog te vermijden gezien de extreem snelle mondiale emissiereducties die dat zou vergen. Als wordt uitgegaan van de C1-categorie van IPCC dan zijn de mondiale CO2-emissies rond 2050 netto-nul en niet in 2037 zoals in de NCI-analyse.
In de berekening van het Nederlandse koolstofbudget neemt het NCI-rapport aan dat in Nederland geen netto negatieve emissies door CO2-vastlegging mogelijk zijn. Daarbij kijkt het alleen naar vastlegging in landgebruik en het gebruik van biomassa in combinatie met CCS en niet naar andere technieken zoals direct air capture (DAC). Ook wordt er niet gekeken naar mogelijkheden voor internationale samenwerking. Op basis daarvan wordt het Nederlandse koolstofbudget extra beperkt.
Staat u nog achter de ambitie van het kabinet om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad en de biodiversiteit te versterken? Zo nee, hoe is dat veranderd?2
Ja.
Erkent u dat de huidige Nederlandse klimaatdoelen aantoonbaar niet in lijn zijn met belangrijke onderdelen van het Parijsakkoord? Zo nee, op welke manier onderbouwt u dat?
Nee, zie het antwoord op vraag 2
Erkent u dat de uitgangspunten van dit rapport dezelfde zijn als die van het Kabinet, namelijk het onderschrijven van het Klimaatakkoord van Parijs? Zo nee, waar zit het verschil in de uitgangspunten?
Nee, zie het antwoord op vraag 3.
Wat is uw reactie op de conclusie van NCI: «For contributing its full fair share, the Netherlands» emissions allocations need to be below zero in 2030 already and need to remain there going forward»?
Zoals in mijn antwoord op vraag 3 is aangegeven dienen de mondiale CO2-emissies rond 2050 netto-nul te zijn als wordt uitgegaan van de C1-categorie van IPCC.
Klopt het dat dit rapport en het rapport van de Finse Klimaatraad over klimaatneutraliteit vergelijkbare uitgangspunten hanteren met betrekking tot het CO2-budget? Zo nee, waarom niet?3
Er zijn overeenkomsten maar ook verschillen tussen dit rapport en het rapport van de Finse Klimaatraad over klimaatneutraliteit. De beide rapporten gaan op basis van het IPCC speciale rapport over 1,5 graden uit 2018 uit van een resterend CO2-budget van 400Gton om de opwarming met 67% kans te beperken tot 1.5 graden en veronderstellen geen scenario’s met tijdelijke overschrijding van de 1,5 graden. Beide rapporten nemen ook landgebruik CO2 en niet-CO2-emissies mee in hun berekeningen, maar het is niet duidelijk in hoeverre de methoden daarvoor verschillen. Beide rapporten gebruiken verschillende verdelingsprincipes voor het berekenen wanneer nationale emissies netto nu moeten zijn.
Erkent u de conclusie van NCI: «The government’s proposed target pathway of reducing emissions by 55%, 70% and 80% in 2030, 2035 and 2040, and achieve climate neutrality in 2050 exceeds the Netherlands» fair share budget by about 2400 MtCO2e, or 14 times current annual emission levels.»? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 3 en 4. Voorts wil ik erop wijzen dat de huidige reductiedoelstellingen van het kabinet volgens het PBL al grenzen aan wat uitvoerbaar is.
Bent u bereid om de Nederlandse klimaatdoelen aan te scherpen middels een rechtvaardig koolstofbudget dat volledig in lijn is met het Parijsakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nee, de huidige klimaatdoelen zijn volgens het kabinet en PBL in lijn met Akkoord van Parijs.
Deelt u de conclusie dat de verschillende koolstofbudgetruimtes, en dus de tijd die nog rest gegeven de budgetruimtes, de ruimte bepalen waarbinnen de politiek heeft te handelen (mede gegeven ook de internationaalrechtelijke verdragen)? Zo nee, waarom niet?
Onder klimaatwetenschappers is het inderdaad zeer gebruikelijk om de klimaatopgave te vertalen in de beschikbare koolstofbudgetruimte. Die koolstofbudgetruimte wordt mede bepaald door de mogelijkheden van het gebruiken van negatieve emissies.
Wat is uw reactie op de stelling: «The Netherlands» so far have not argued why their proposed target is a fair contribution or takes up a fair share of the remaining carbon budget»? Kunt u alsnog onderbouwen waarom de huidige Nederlandse klimaatdoelen voldoen aan een minimale interpretatie van fair share?
Onder het Akkoord van Parijs heeft niet Nederland, maar de EU zich aan een Nationally Determined Contribution gecommitteerd en wordt door de EU mede namens Nederland beargumenteerd waarom de EU-bijdrage in lijn is met de afgesproken klimaatdoelstellingen en een eerlijke en ambitieuze bijdrage daaraan vormt. Daarnaast, zoals aangekondigd in het ontwerpbeleidsprogramma Klimaat, wil het kabinet met het klimaatbeleid programmeren op 60%-reductie, zodat 55% in 2030 met grote waarschijnlijkheid wordt gehaald.
Deelt u de mening dat het 14 keer opgebruiken van het fair share koolstofbudget zeer onrechtvaardig is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2 en 3 waarin ik aangeef dat ik de manier waarop het rapport het fair share voor nederland bepaalt niet onderschrijf.
Onderschrijft u het gegeven dat het sneller opmaken van het fair share CO2-budget de overlevingskansen van volgende generaties, zowel in Nederland als daarbuiten, aanzienlijk verkleint? Zo nee, waarom niet?
Het opmaken van de koolstofbudgetruimte beperkt inderdaad de overlevingskansen van volgende generaties. In het antwoord op vraag 2 en 3 heb ik echter aangegeven dat ik de manier waarop het rapport het fair share voor Nederland bepaalt niet onderschrijf.
Erkent u dat er nog steeds exportkredietverzekeringen worden verstrekt door de Nederlandse overheid voor grote fossiele brandstofprojecten in ontwikkelingslanden, en dat er nog steeds jaarlijks miljarden liters vieze brandstoffen vanuit de Nederlandse havens naar ontwikkelingslanden worden verscheept?4
Tijdens de COP26-conferentie heeft Nederland de verklaring ondertekend voor het in lijn brengen van internationale overheidssteun met de groene energietransitie («de COP26-verklaring»). De COP26-verklaring biedt, onder erkenning van de bevindingen van de IPCC en IEA’s net zero-analyse, richting voor nieuw beleid (beëindiging nieuwe directe overheidssteun aan de internationale unabated fossiele energiesector voor 1 januari 2023). Het kabinet heeft op 8 november 2021 aangegeven in overleg met stakeholders te werken aan een zorgvuldige implementatie met behoud van kennis en banen, in het bijzonder voor de exportkredietverzekering. Op 7 april en 7 juli jl. zijn brieven aan uw Kamer gestuurd, waarin de voortgang, het verdere proces en het internationale speelveld beschreven werd. Het kabinet streeft ernaar om tijdig voor COP27 een meer gedetailleerde invulling van het beleid aan uw Kamer te versturen.
Op welke manieren zorgt Nederland nog meer voor een toename van CO2-uitstoot in ontwikkelingslanden? Graag een opsomming. Wanneer gaat u een eind maken aan deze schadelijke praktijken?
De binnenlandse productie en consumptie maken vaak onderdeel uit van ketens die de landsgrenzen overstijgen. In het ontwerpBeleidsprogramma (Kamerstuk 32 813, nr. 1049) geeft het kabinet aan dat er oog is voor de hele consumptie- en productieketen. De blik reikt daarmee verder dan Nederland. Het kabinet ziet ook een belangrijke inspanningsopgave om emissies in de keten te verminderen om een maximaal mondiaal klimaateffect te realiseren. Het is belangrijk dat er inzicht komt in ketenemissies, om het klimaateffect in de keten zo groot mogelijk te laten zijn en te kunnen meenemen in het instrumentarium. Dit vergt ook inzet op EU-niveau.
Kunt u aangeven wat wel nodig is om wel binnen de grenzen van het fair share koolstofbudget te blijven? Graag een toelichting.
Meerdere ontwikkelingen op het gebied van kernenergie |
|
Henri Bontenbal (CDA), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aankondiging van Rolls Royce en ULCE Energy om te werken aan de bouw van kleine kerncentrales in Nederland?1
Ja.
Hoe apprecieert u deze veelbelovende private ontwikkeling, die naast de twee kerncentrales uit het coalitieakkoord kan leiden tot een groter aandeel kernenergie in Nederland?
Deze specifieke samenwerking tussen Rolls-Royce, ULC-Energy en Constellation is gericht op het realiseren van een zogenaamde «kleine modulaire reactor» (Small Modular Reactor, SMR). Ik begrijp dat beide partijen hiervoor tevens een Memorandum of Understanding zijn aangegaan met de Amerikaanse firma Constellation Energy Corporation.
SMR is de verzamelnaam voor een heel divers scala aan reactorconcepten in verschillende stadia van ontwikkeling. Een groot aantal partijen, nationaal en internationaal, is hierbij actief betrokken en ik volg de actualiteiten met interesse. Voor SMRs zijn er meerdere toepassingen denkbaar waarin ze een rol zouden kunnen spelen; naast de productie van elektriciteit bijvoorbeeld ook als bron van hoge-temperatuur warmte voor de energie-intensieve industrie of voor de productie van waterstof. Als de beoogde voordelen van SMRs zich inderdaad in de praktijk voordoen, dan zou het een interessante complementaire energiebron kunnen zijn in de energiemix.
Sommige concepten zijn al in een vergevorderd stadium van ontwikkeling, maar in het Westen zijn er op dit moment nog geen SMRs verwezenlijkt. Op basis van de marktconsultatie van KPMG (Kamerstuk 32 645, nr. 96) lijkt de realisatie van SMRs op meerdere locaties in Nederland nu (nog) niet haalbaar. Een belangrijke voorwaarde voor de introductie van SMRs is namelijk de beschikbaarheid van locaties waar deze gerealiseerd kunnen worden en waar ook maatschappelijk draagvlak bestaat.
Ziet u specifieke kansen voor kleine modulaire kernreactoren bij de verduurzaming van de Nederlandse industrieclusters? Bent u bekend met industrieclusters die interesse hebben in atoomstroom? Hoe neemt u deze plannen mee in de CES’sen?
Er zijn twee industrieclusters die aangeven dat kernenergie een mogelijke toepassing kan hebben. In de CES van de Schelde-DeltaRegio worden nieuwe kerncentrales nadrukkelijk genoemd als bron van CO2-vrije elektriciteit voor de verduurzaming van de industrie. In de CES van Chemelot wordt ook verwezen naar een mogelijk rol voor SMRs in de toekomst. Clusters kunnen zelf het initiatief nemen om kernenergie op te nemen in vraag en/of aanbod.
In de CES-en wordt gevraagd inzicht op clusterniveau te bieden in elektriciteitsvraag en -aanbod. Uitvraag naar elektriciteit is met name gericht op hernieuwbare elektriciteit en de integratie daarvan in het industriecluster. Voor veel clusters geldt dat de beschikbaarheid van voldoende CO2-vrije elektriciteit een randvoorwaarde is voor elektrificatie. Dit zijn soms baseload processen met grote vermogens (zoals elektrisch kraken), waar een wisselend elektriciteitsaanbod uit wind en zon tot uitdagingen leidt. Hier kan kernenergie een rol vervullen in de verduurzaming van de industrie.
Bent u bekend met het zojuist afgeronde onderzoek van de provincie Limburg over de mogelijkheden voor kernenergie in Limburg? Hoe apprecieert u deze conclusies? Hoe werkt u samen met de provincie aan een mogelijk vervolgonderzoek?2
Ja.
De provincie Limburg heeft onderzoek laten doen naar de mogelijkheden voor kernenergie in Limburg, en meer specifiek in de vorm van SMRs. Dit is mede in het licht van de toenemende vraag naar beschikbaar regelbaar vermogen vanuit grote industriële clusters,
Een van de conclusies van het onderzoek is, dat de vraag naar beschikbaar regelbaar vermogen vanaf 2030–2035 gedeeltelijk zou kunnen worden ingevuld door SMRs. Volgens het onderzoek is realisatie van grote, conventionele reactoren in Limburg niet waarschijnlijk, mede wegens gebrek aan koelwatercapaciteit in de provincie.
Hoe faciliteert en ondersteunt u private ontwikkelingen op het gebied van nucleaire innovatie en private initiatieven?
Nederland heeft zich verbonden aan het doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Dit betekent dat in de komende decennia een omschakeling moet plaatsvinden in ons energiegebruik en de manier waarop we in onze energiebehoefte voorzien. Om de klimaatdoelen te bereiken en de omschakeling in het energiesysteem te bewerkstelligen zijn alle opties nodig. Daarom acht ik het wenselijk dat we ook onderzoek blijven doen naar nieuwe vormen van CO2-vrije nucleaire energie opwekking.
De Nederlandse overheid draagt al vele jaren financieel bij aan onderzoeken naar nieuwe vormen van CO2-vrije nucleaire energie opwekking, zoals ook SMRs en gesmolten-zout-technieken. Dit zal in de toekomst voortgezet worden. Deze onderzoeken worden bijvoorbeeld uitgevoerd door de Nuclear Research & Consultancy Group (NRG) in Petten en door de Technische Universiteit Delft.
Het Ministerie van EZK is al jaren op verschillende niveaus van de organisatie in overleg met diverse partijen op gebied van SMRs, thorium, en kernfusie. Partijen worden op weg geholpen door ze in contact te brengen met de juiste instanties, zoals bijvoorbeeld de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) waar ze informatie kunnen inwinnen over vergunningstrajecten en technische beoordelingskaders.
Voor een concept-specifieke technologie op het gebied van thorium is in 2020 een VroegeFaseFinanciering (VFF) van 350.000 euro verstrekt aan Thorizon; een startup, die een plan ontwikkelt voor een reactor op basis van gesmolten zout. Dit jaar heeft Thorizon met succes aanspraak gemaakt op een bijdrage van 1.5 miljoen euro van Invest-NL.
De gesmolten-zout-techniek is een mogelijke toepassing van kernenergie in het toekomstig energiesysteem. Of deze technologie in de toekomst daadwerkelijk een rol kan spelen, zal nog moeten blijken uit de verdere ontwikkeling van reactorontwerpen door marktpartijen.
Bent u ook bekend met de recente aankondiging van een Nederlandse startup om aan de slag te gaan met een thoriumpilotcentrale? Hoe apprecieert u die ontwikkeling? Hoe heeft u dit proces ondersteunt?3
Zie antwoord op vraag 5
Bent u ook bekend met het bericht «SCK leidt onderzoek naar kleine modulaire kerncentrales van vierde generatie en krijgt daarvoor 100 miljoen euro ter beschikking»?4
Ja.
Hoe waardeert u deze inzet van onze zuiderburen op specifiek onderzoek naar innovatieve kleine modulaire reactoren (SMR’s), ook als u de Belgische investering van € 100 miljoen afzet tegen de gelden die Nederland beschikbaar stelt voor onderzoek naar nieuwe generatie kernreactoren?
De komende decennia dient er zowel nationaal als internationaal een omschakeling plaats te vinden in ons energiegebruik en de manier waarop we in onze energiebehoefte voorzien. De opgave om CO2-vrije vormen van energie te gebruiken om klimaatdoelen te halen is mondiaal. Ik vind het daarom ook goed dat de Belgische overheid onderzoek faciliteert naar nieuwe vormen van kernenergie. Alle opties zijn immers nodig en de inzet van SMRs kan een mogelijke optie voor het toekomstig energiesysteem zijn.
Met deze investering voor vier jaar gaat België onderzoek doen op het vlak van o.a. technologie, passieve veiligheid, het verminderen van langlevend afval en economische haalbaarheid.
In Nederland geeft EZK jaarlijks een onderzoeksbudget van ruim 7 miljoen euro aan NRG waarmee ook onderzoek naar SMRs en gesmolten-zout-reactoren wordt verricht.
België kent een ander nucleair landschap dan Nederland: er is een veel groter aandeel kernenergie in de energiemix en ook een ander innovatie-ecosysteem. Deze impuls kan worden bezien als een vorm van kennismanagement en -behoud tegen de achtergrond van de sluitende kerncentrales. In lijn met EU-beleid is het ook goed dat landen niet concurreren op onderzoeksgebieden. In plaats daarvan moeten ze specialiseren op nationaal relevante thema’s en samenwerken op gebieden waar gedeelde interesses zijn.
Deelt u de mening dat er ook in Nederland meer geïnvesteerd zou moeten worden in innovatieve nucleaire technologie, zoals SMR’s, thorium en andere nieuwe reactortypes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 5
Welke overheidsfondsen en instrumenten staan ter beschikking tot nieuwe nucleaire innovaties? Wanneer gaat u de topsector energie openstellen voor nucleaire innovaties?
Zoals ik heb aangegeven bij mijn antwoord op vragen 5, 6, 9 en 11 staan in principe de volgende instrumenten open voor nucleaire innovaties: VroegeFaseFinanciering, het Nationaal Groeifonds, en Invest-NL. Of er ook daadwerkelijk met succes een beroep kan worden gedaan op deze fondsen en instrumenten is afhankelijk van het aansluiten van gehanteerde doelen en uitgangspunten van deze fondsen en instrumenten op de aanvragen die worden ingediend.
Zoals ik uw Kamer eerder al informeerde (Kamervragen (Aanhangsel), 2021–2022, nr. 3353) vindt binnen de Topsector Energie een korte verkenning plaats over de rol die de Topsector kan spelen in de Nederlandse bevordering van innovatie rondom kernenergie. Het streven is om eind dit jaar deze verkenning af te ronden en daarna uw Kamer hierover te informeren.
Bent u in gesprek geweest met partijen op het gebied van SMR’s of thorium? Hebben deze partijen geprobeerd om met u in contact te komen? Hoe zijn zij ondersteunt bij hun initiatieven?
Zie antwoord op vraag 5
In hoeverre had of heeft u contact met uw Belgische collega als het gaat om een gezamenlijke inzet op het gebied van nucleaire technologie en innovatieve technieken?
In 2016 hebben België en Nederland middels een Politieke Verklaring inzake Energiesamenwerking afgesproken te verkennen in hoeverre de samenwerking tussen beider instituten voor nucleair onderzoek kan worden versterkt.
Dit jaar, in april, had ik op de Thalassa Top in Gent contact met mijn Belgische collega. Aangezien het verstandig is om de samenwerking te intensiveren, is afgesproken deze Politieke Verklaring te actualiseren met daarin ook aandacht voor nucleair onderzoek.
Welke mogelijkheden ziet u om, naar aanleiding van de investering die België nu doet, meer in te zetten op samenwerking met België op het gebied van onder andere kennisontwikkeling over SMR’s en andere nieuwe technieken? Ziet u ook andere samenwerkingsverbanden met bijvoorbeeld Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk?
Onderzoekers uit Nederland werken al jaren op reguliere basis nauw samen met Belgische onderzoekers op het gebied van o.a. veiligheidsanalyses, geavanceerde reactoren, en thermohydraulica (zie bijvoorbeeld Nureth19: Lead the Flow!). Dit vindt plaats in de vorm van bilaterale samenwerkingen maar ook in internationale consortia die worden gefinancierd door de Europese Commissie in het kader van Euratom Horizon. Ook met Franse onderzoekers vindt samenwerking plaats op gebied van o.a. splijtstoffen, recycling en transmutatie. Intensieve samenwerking met Britse onderzoekers is door o.a. door Brexit en de pandemie de laatste jaren enigszins bemoeilijkt.
Ik sta open voor een versterking van internationale samenwerking. Het is daarbij van belang dat een mogelijke extra impuls voor internationale samenwerking op effectieve wijze bijdraagt aan het versterken van de kennisinfrastructuur. Bij voorbereidingen om te komen tot de bouw van nieuwe kerncentrales hoort ook een toename van de internationale activiteiten die ik onderneem. Daarbij blijf ik alert op kansen voor internationale samenwerking op het gebied van kennisontwikkeling over innovatieve technieken.
Kunt u een laatste stand van zaken geven rondom het European SMR Partnership, zoals ook aangekondigd door Eurocommissaris Simson?5
Na de bijeenkomst in juni 2021 over het European SMR Partnership is in maart dit jaar de eerste bijeenkomst van het Steering Committee van de European SMR pre-Partnership geweest. Het doel van dit comité is om een verkenning uit te voeren naar mogelijke voorwaarden en condities (inclusief financieel) waaronder de constructie en ingebruikname van SMRs in Europa in het volgende decennium en verder mogelijk kan zijn. Dit in overeenstemming met wet- en regelgeving vanuit de EU en Euratom in het bijzonder. Hierbij wordt met name gekeken naar:
Er wordt binnen de verschillende werkstromen samengewerkt door industrie, toezichthouders, onderzoekers en de Europese Commissie. Ook vanuit Nederland is op een aantal niveaus deelname aan deze werkstromen.
Men verwacht in 2023 drie tot vier SMR ontwerpen uit te kunnen kiezen waarop de verdere activiteiten gericht zijn. Ook wordt vanaf dit najaar de verdere vorm van samenwerking binnen een toekomstig SMR Partnership doorontwikkeld.
Bent u bekend met het feit dat NuScale, één van de veelbelovende SMR-ontwerpen, in de VS een veiligheidscertificaat heeft gekregen van de Nuclear Regulatory Commission (NRC)? Is het mogelijk om het vergunningstraject voor nieuwe kernreactoren te harmoniseren tussen de Europese lidstaten en tevens te versnellen? Welke inspanningen doet u daartoe?
Ja.
Nucleaire veiligheid is een nationale verantwoordelijkheid. Voor het vergunningstraject betekent dit, dat de bevoegde autoriteit van een land (in Nederland de ANVS), een vergunningaanvraag en de daarbij behorende veiligheidsonderbouwing moet beoordelen en goedkeuren voordat een vergunning afgegeven kan worden. Zonder afbreuk te doen aan de eigen verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de veiligheid zoekt de ANVS in een dergelijk traject de samenwerking op met collega’s uit het buitenland en maakt gebruik van hun expertise. Een voorbeeld daarvan is de huidige samenwerking tussen de ANVS en de Nuclear Regulatory Commissie (de Amerikaanse regulator). Dit in het kader van het vergunningverleningstraject van het Amerikaanse bedrijf SHINE, dat van plan is een nucleaire installatie voor de productie medische isotopen te bouwen in Veendam. De ANVS participeert ook actief in het SMR pre-partnership, zie ook het antwoord op vraag 14.
Het artikel 'Internationale zorgen over vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne' |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u zich in de bevindingen die geschetst worden over de stand van zaken omtrent de registratie van onbegeleide Oekraïense vluchtelingenkinderen in Nederland gedurende de eerste maanden van de oorlog? Zo niet, waarom?1
Het artikel waar u naar verwijst, is geschreven over de situatie rond de periode maart 2022.
Kort nadat de eerste amv’s uit Oekraïne naar Nederland kwamen, is afgesproken dat deze amv’s, die arriveerden met een volwassen begeleider die niet de ouder of wettelijk voogd is, bij aankomst door gemeenten gemeld konden worden bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). In de gevallen dat de amv’s uit Oekraïne zonder volwassen begeleider arriveerden, konden deze bij Nidos worden gemeld. Deze afspraken hebben toentertijd tot verwarring geleid, waardoor registratie en monitoring van deze groep niet altijd plaatsvond.
Dit is aanleiding geweest om met betrokken partijen (Ministerie van Justitie en Veiligheid, de RvdK, Nidos en de VNG) de afspraken te herzien. Deze nieuwe procesafspraken zijn in juni jl. gestart. Hierover is uw Kamer reeds geïnformeerd middels de verzamelbrief van 8 juli jl.2 De bevindingen uit het artikel worden daarom slechts ten dele herkend.
Volgens de nieuwe procesafspraken dient iedere minderjarige die zonder ouder(s) binnenkomt bij een gemeente te worden aangemeld bij Nidos. Nidos beoordeelt op basis van een intake met de minderjarige (en waar mogelijk met de ouder(s) op afstand) of het aanvragen van tijdelijke voogdij gepast is. Nidos schakelt de RvdK in wanneer een minderjarige bij een gastgezin verblijft. Dit gastgezin wordt vervolgens gescreend door de RvdK.
Erkent de Staatssecretaris dat de registratie van vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne beter op orde is in landen als België, Tsjechië, Frankrijk en Italië, die – in tegenstelling tot Nederland – naast het aantal alleenreizende kinderen ook het gender en de leeftijd registeren? Zo niet, waarom?
Het kabinet onderschrijft het belang van een zo secuur mogelijke identificatie, registratie en opvang van alle personen die uit Oekraïne vluchten op dit moment. Vanwege hun kwetsbaarheid, is dit proces bij kinderen nog meer zwaarwegend.
Zoals bij vraag 1 uitgelegd zijn er nieuwe procesafspraken gemaakt om alleenstaande minderjarige vreemdelingen beter in beeld te krijgen. Hierbij worden ook persoonlijke gegevens geregistreerd. Dit is nodig om een gedegen onderzoek te kunnen doen naar de situatie en eventuele aanvraag van voogdijschap van de minderjarige. Waar dat mogelijk is, kijken we bij het verbeteren van ons proces ook over de grens. In het kader van de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen zijn met name het Solidariteitsplatform en het Blueprint-netwerk, beiden geleid door de Europese Commissie, hiervoor de geëigende kanalen. In deze Europese platforms worden ervaringen, signalen en lessen bij de registratie van alleenstaande minderjarige vreemdelingen tussen lidstaten uitgewisseld, ook met de in de vraag benoemde lidstaten. In de beantwoording van vraag 10 en 11 ga ik hier nader op in.
Klopt het dat in Nederland geen registratie plaatsvond van de leeftijd en het gender van alleenreizende vluchtende kinderen? Worden deze gegevens nog steeds niet geregistreerd? Zo niet, waarom?
Iedere onbegeleide minderjarige moet gemeld worden bij Nidos. Bij elke melding worden door Nidos verschillende gegevens, waaronder geboortedatum, geslacht, en contactgegevens van het kind, eventuele begeleider en diens ouder(s), geregistreerd.
Klopt het dat Nederland relatief gezien nog altijd weinig vluchtende alleenreizende kinderen registreert in vergelijking met andere Europese lidstaten? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Sinds de bovengenoemde nieuwe procesafspraken zijn ingegaan, zien wij een stijging van het aantal meldingen bij Nidos, en het aantal amv's dat wordt geregistreerd. De meeste minderjarigen die in Nederland aankomen, worden vergezeld door een volwassen begeleider, die vaak in bezit is van notariële aktes waarin de wensen van de ouders voor wat betreft de begeleiding van de kinderen zijn opgenomen. Op die manier is de begeleiding en verzorging van de minderjarige in Oekraine al geformaliseerd. Hierop wordt bij de beantwoording van vraag 8 en 9 uitgebreider ingegaan.
Klopt het dat zij alleen worden geregistreerd wanneer zij zichzelf melden? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat mensenhandelaren de weg naar registratie voor deze groep belemmeren?
Iedere minderjarige die zonder ouder(s) binnenkomt bij een gemeente moet worden gemeld bij Nidos. Wij zien dat meldingen via verschillende kanalen binnenkomen, zowel vanuit de begeleider van de minderjarige als gemeente ambtenaren. Uitgangspunt is dus signalering vanuit gemeenten, en omgeving. Hiervoor is de handreiking «signaleren van kinderen en jongeren uit Oekraïne» gemaakt. Tot nu toe zijn er geen meldingen binnengekomen van mensenhandel binnen de groep amv's. Verschillende organisaties, waaronder de IND, Rode Kruis, en VluchtelingenWerk, zijn door Nidos geïnformeerd over het aanmeldingsproces. Deze organisaties kunnen ook zelf alleenstaande minderjarigen melden bij Nidos.
Vooralsnog is het beeld dat gemeenten amv's goed signaleren bij aankomst.
Welke concrete acties heeft u ondernomen sinds de aangenomen motie Koekkoek c.s. over gecentraliseerde informatievoorziening over de registratie van onbegeleide vluchtelingenkinderen (Kamerstuk 19 637, nr. 2872)?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer kan het plan voor gecentraliseerde informatievoorziening en voorlichting over het belang en de noodzaak van de registratie van onbegeleide vluchtelingenkinderen – waar bovenstaande motie om verzoekt – verwacht worden?
Er is uitvoering gegeven aan bovenstaande motie in de verzamelbrief Opvang Oekraïne van 8 juli jl.3
In hoeverre is de juiste kennis en kunde in de gemeenten m.b.t. signalering en begeleiding van alleenreizende kinderen volgens u verbeterd sinds de aangenomen motie Koekkoek c.s. (Kamerstuk 19 637, nr. 2872)? Is er sprake van verbetering? Zo ja, hoe meet u dit?
Zoals hierboven is gesteld is er een handreiking «signaleren van kinderen en jongeren uit Oekraïne» gemaakt voor gemeenten. Dit dient hen te helpen bij het signaleren van amv's. Daarbij is volgens de nieuwe procesafspraken het uitgangspunt dat iedere minderjarige die zonder ouder(s) aankomt, ook al is deze vergezeld door een volwassen begeleider, gemeld wordt bij Nidos. Dit heeft ervoor gezorgd dat gemeenten niet meer zelf de afweging hoeven te maken over hoe voogdij is geregeld tussen de persoon met wie de minderjarige reist, en of er dus een onderzoek moet worden ingesteld door de RvdK. De kennis en kunde is hierdoor sec belegd bij Nidos die met een jarenlange ervaring een gedegen afweging kan maken of voogdij nodig is, en of eventuele screening nodig is.
Bij alle meldingen weegt het Nidos zorgvuldig af of een voorziening in de voogdij vanuit Nidos noodzakelijk is. Voor deze afweging verzamelt het Nidos informatie. Deze informatie wordt uitgevraagd bij de melder, de minderjarige, ouders (indien zij te bereiken zijn), en de begeleiders in Nederland. Dit wordt gedaan door professionele, SKJ geregistreerde jeugdbeschermers en zij worden hierin ondersteund door juristen en gedragswetenschappers. Sinds 14 juni is er ook specialistische ondersteuning door Nidos opgezet in de vorm van een Meldpunt waar zowel mensen van buitenaf als intern advies kan worden ingewonnen. Bij twijfel wordt er ook contact gezocht met de Oekraïense autoriteiten in Nederland.
Alle zaken die bij de RvdK liepen zijn onderzocht of afgesloten. Sinds de nieuwe procesafspraken zien we een stijging van het aantal meldingen bij Nidos. Op 19 september jl. gaat dit bij elkaar om 500 meldingen. In 50 zaken is Nidos belast met voogdijschap. Voor ca. 30 minderjarigen loopt nog een verzoek van Nidos aan de rechtbank. Voor ca. 150 minderjarigen is door Nidos het verzoek om te worden benoemd als voogd van de minderjarige niet aangevraagd bij de rechtbank omdat er geen voorziening in de voogdij noodzakelijk was. Daarbij kan worden gemeld dat er tot op heden geen gedwongen voogdijmaatregel is uitgesproken. Voor de overige ca. 270 minderjarigen loopt nog een onderzoek bij Nidos.
Hebben de tot nu toe ondernomen concrete acties geleid tot een stijging in het aantal registraties van het aantal vluchtende, alleenreizende kinderen uit Oekraïne?
Zie antwoord vraag 8.
Wat doet u in Europees verband om ervoor te zorgen dat andere lidstaten de registratie van vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne te verbeteren? Kunt u dit onderwerp ter sprake brengen in de volgende Europese Raadsvergadering en de Kamer hierover informeren?
Zoals reeds benadrukt, acht het kabinet het waarborgen van de veiligheid van alleenreizende kinderen die vluchten voor het conflict in Oekraïne van groot belang. Omdat de veiligheid van deze kinderen naast een nationaal vraagstuk ook een Europese dimensie kent, onderschrijft het kabinet het belang van het uitwisselen van best practices en informatie met andere Europese lidstaten op het gebied van registratie. Door de vergaderingen die van hoog tot laag (ambtelijk) niveau plaatsvinden, kan Nederland continu leren van andere landen en bezien of het proces zo optimaal is geregeld. Ook levert Nederland zelf een actieve bijdrage vanuit de ervaringen op nationaal niveau. Zo wordt tijdens bijeenkomsten van het Solidarity Platform, geleid door de Europese Commissie, aandacht besteed aan casuïstiek (bijvoorbeeld verzoeken vanuit de Oekraïense autoriteiten aangaande deze groep) en aan lessen die lidstaten onderling met elkaar kunnen delen. Daarnaast is het onderwerp in de afgelopen maanden ook onderwerp van gesprek geweest tijdens bijeenkomsten van het Integrated Political Response Mechanism (IPCR), momenteel onder leiding van Tsjechië. Tijdens deze bijeenkomsten stond gezamenlijke interactie met de Oekraïense autoriteiten over de aanwezigheid en veiligheid van alleenstaande minderjarige vreemdelingen eveneens centraal. Tot slot deelt het Blueprint-netwerk – dat onder leiding staat van de Europese Commissie en waarin alle lidstaten inclusief de Schengen-geassocieerde landen zijn vertegenwoordigd – elke week de meest actuele kwantitatieve gegevens over registraties van amv’s met elkaar. Nederland levert ook daar een bijdrage aan.
Spreekt u met uw Belgische, Tsjechische, Franse en/of Italiaanse collega’s over mogelijk te nemen maatregelen ter verbetering van de registratie van onbegeleide vluchtende Oekraïense kinderen in Nederland? Zo ja, wat leveren die gesprekken concreet op?
Zie antwoord vraag 10.
De aanpak van de inhumane situatie bij Aanmeldcentrum Ter Apel |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat in het kabinet is afgesproken dat gemeenten in totaal 20.000 statushouders moeten huisvesten, dat elke veiligheidsregio 225 extra crisisnoodopvang plekken realiseert en dat uiteenlopende projecten worden opgezet om de opvangcrisis te bestrijden?1 In hoeverre is dit additioneel ten opzichte van eerdere verzoeken die in juli zijn gedaan?
Het kabinet heeft met de gemeenten afgesproken dat gemeenten zich inspannen om 20.000 statushouders te huisvesten. Met betrekking tot het verzoek van het Kabinet aan de Veiligheidsregio’s om 225 extra crisisnoodopvang plekken te realiseren gaat het inderdaad om een additioneel verzoek. Wat betreft het huisvesten van 20.000 statushouders moeten gemeenten voldoen aan de taakstelling die zij hebben gekregen. Zoals opgenomen in de bestuurlijke afspraken gaat het hier om het huisvesten van minstens 15.300 statushouders in gemeenten in de tweede helft van 2022, dit is onderdeel van reeds bestaande taakstelling uitplaatsing vergunninghouders plus de reeds aanwezige achterstand. Daarnaast is het streven om in totaal meer dan 20.000 statushouders te huisvesten in de tweede helft van 2022, dit is inclusief de reeds afgesproken, maar nog niet gerealiseerde versnelling van 7500 statushouders. Daarmee wordt vooruitgelopen op de naar verwachting fors hogere taakstelling in het eerste half jaar van 2023.
Kunt u aangeven in hoeverre en op welke termijn met de genoemde maatregelen de huidige inhumane situatie rond Aanmeldcentrum Ter Apel wordt bestreden? Klopt onze veronderstelling dat de genoemde maatregelen vooral op middellange termijn extra opvangplekken opleveren, maar dat de actuele schrijnende nood er niet mee wordt opgelost?
De afspraken die het kabinet heeft gemaakt met de Veiligheidsregio’s zien op het realiseren van crisisnoodopvangplekken op de korte en middellange termijn. Daarnaast is afgesproken om gezamenlijk toe te werken naar een situatie waarin per 10 september 2022 geen mensen meer buiten in schrijnende situaties voor het terrein voor het aanmeldcentrum in Ter Apel moesten overnachten. Om die reden is alle inzet erop gericht om deze situatie te beëindigen. Met dank aan het Ministerie van Defensie en de gemeente Hogeland is op 10 september 2022 het voorportaal op het terrein van de Marnewaard in gebruik genomen. De locatie is bedoeld om de personen op te vangen totdat zij terecht kunnen in Ter Apel voor de registratie, waarna zij zullen worden ondergebracht in opvanglocaties elders in het land. De afgelopen tijd hebben onder meer het COA, de Veiligheidsregio’s en het Rode Kruis hard gewerkt om genoeg opvangplekken te realiseren. De afgelopen twee weken zijn er vaak genoeg plekken gerealiseerd zodat mensen niet gedwongen buiten hoefden te slapen. Het blijft een uitdaging om genoeg opvang plekken te blijven realiseren. De recente afspraken komen bovenop de inspanningen die reeds geleverd worden, niet alleen qua crisisnoodopvang, maar ook de in gebruik name van twee cruiseschepen als opvanglocatie in de gemeente Velsen en in de gemeente Amsterdam. Deze cruiseschepen zijn ingericht op ieder ruim 1.000 opvangplekken.
Klopt het dat het toezicht op alleenstaande kinderen (AMV’s) op dit moment zowel binnen als buiten de poort in Aanmeldcentrum Ter Apel zeer beperkt is? Wat gaat u doen om er vandaag nog voor te zorgen dat deze kinderen de juiste bescherming krijgen?
Op het terrein voor het aanmeldcentrum in Ter Apel heeft het COA eerder sanitaire voorzieningen geplaatst en gezorgd voor het schoonmaken van de voorzieningen.
Worden op dit moment adequate praktische maatregelen genomen, zoals bijvoorbeeld extra mobiele sanitaire voorzieningen, het verstrekken van hygiëneproducten, kookvoorzieningen en het voorzien in beddengoed, schone kleding en dergelijke? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen tijd hebben onder andere COA, de Veiligheidsregio’s en het Rode Kruis hard gewerkt om genoeg opvangplekken te realiseren. Hierdoor hebben de afgelopen nachten geen mensen gedwongen buiten geslapen voor de hekken van het aanmeldcentrum in Ter Apel.
De Nederlandse krijgsmacht ondersteunt al bij de opvang van ontheemden en asielzoekers. Op de militaire locaties Marine Etablissement Amsterdam, Walaardt Sacré Kamp te Huis ter Heide, Legerplaats De Harskamp en de Willem-Lodewijk van Nassaukazerne te Zoutkamp worden momenteel asielzoekers respectievelijk ontheemden tijdelijk gehuisvest. Aanvullend op deze ondersteuning, realiseert Defensie extra tijdelijke vooropvang te Zoutkamp. Deze tijdelijke huisvesting is op 10 september jl. gerealiseerd.
Klopt het bericht dat u ervan uitgaat dat ook komende nacht nog asielzoekers buiten zullen slapen?2 Bent u het met ons eens dat geen dag langer kan worden volstaan met wat nu al gedaan wordt en dat bijvoorbeeld humanitaire inzet van de Nederlandse krijgsmacht serieus moet worden overwogen? Zo ja, bent u bereid om de Nederlandse krijgsmacht te vragen zich nu al voor te bereiden op het bieden van adequate hulp als een verzoek daartoe van de Veiligheidsregio wordt gedaan? Zo nee, waarom niet?
Bij de beantwoording is de actualiteit meegenomen.
Bent u bereid om deze vragen per ommegaande te beantwoorden?
Het bericht ‘Den Haag vindt na Gazprom geen gasleverancier, gemeente wil ontheffing’ |
|
Faissal Boulakjar (D66), Raoul Boucke (D66) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Minister dwingt gemeenten tot nieuwe dure gascontracten, geld gaat naar Rusland» en «Den Haag vindt na Gazprom geen gasleverancier, gemeente wil ontheffing»?1
Ja.
Klopt het dat de Europese tak van Gazprom in de praktijk Duits is? Zo ja, wat is de reden dat deze contracten volgens u onder de sancties vallen? Waarom zien andere landen, waaronder Italië en Frankrijk, dit anders?
Voor de toepasselijkheid van de sancties is bepalend of sprake is van een contract met een entiteit die in Russisch eigendom is. Wat betreft SEFE Energy Ltd. (voormalig Gazprom Marketing/Gazprom Energy) en SEFE Securing Energy for Europe GmbH (de aandeelhouder van SEFE Energy Ltd.) was dit tot 11 november jl. het geval. Tot die tijd was er weliswaar sprake van een grote mate van zeggenschap van de Duitse Staat via een aangestelde bewindvoerder, maar de eigendomsrechten waren nog steeds volledig in Russische handen. Daarom vielen de contracten die door aanbestedende diensten zijn gesloten onder de sancties.
Duitsland heeft SEFE Securing Energy for Europe GmbH («SEFE GmbH») op 11 november jl. genationaliseerd ter verdere borging van de energiezekerheid in Duitsland. Door deze wijziging in eigendomsstructuur, waardoor zowel controle als eigendom in Duitse handen is, valt het bedrijf niet meer binnen de reikwijdte van artikel 5 duodecies van Verordening 833/2014, ofwel artikel 5 van de Europese sanctiewet.
Het kabinet heeft bij verschillende lidstaten een uitvraag gedaan over de SEFE-contracten. Uit deze inventarisatie blijkt dat vooralsnog geen lidstaten (meer) contracten aanhouden met SEFE. Zo zijn in sommige landen andere dochtermaatschappijen van Gazprom actief, of kochten overheidspartijen niet rechtstreeks bij een (deels) Russische gasleverancier. De uitzondering hierop is het Verenigd Koninkrijk, maar dat land is niet gebonden aan de Europese sanctiewetgeving.
Is het kabinet voornemens om de ontheffing aan gemeente Den Haag te verlenen? Zijn of worden er aan andere gemeenten ontheffingen verleend? Wat betekent het afgeven van ontheffingen voor de Europese afspraken over sancties tegen Rusland?
De ontheffingsaanvraag van de gemeente Den Haag is op 30 augustus 2022 door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ontvangen en de ontheffing is inmiddels verleend. Ook aan andere gemeenten zijn reeds ontheffingen verleend. De mogelijkheid voor het afgeven van een ontheffing is voorzien in de Europese sanctieverordening en doet dus niet af aan de sanctieverplichting. Een ontheffing maakt een (tijdelijke) afwijking van de sanctieverplichting mogelijk.
In mijn brief van 15 november jl. (TK 2022D47565) heb ik aangegeven dat vanwege de nationalisatie van SEFE GmbH het niet meer nodig is om een ontheffing aan te vragen om de contracten met SEFE Energy Ltd. aan te kunnen houden.
Wat is het verschil tussen de gemiddelde prijs voor gas in de lopende contracten en de prijs die gemeenten gemiddeld zullen moeten gaan betalen bij een nieuw contract? Klopt het dat gemeenten «tientallen miljoenen» extra kwijt zullen zijn bij het afsluiten van nieuwe contracten? Hoe waardeert u deze extra kosten ten opzichte het belang van sancties tegen Rusland?
Uit de informatie die ik heb ontvangen blijkt dat er een groot prijsverschil is tussen de prijs in de lopende contracten met SEFE Energy Ltd. en de prijs die gemeenten moeten betalen voor nieuwe contracten op basis van de actuele marktprijzen. Er bestaat echter geen volledig overzicht van alle lopende (energie)contracten van gemeenten. Er valt dus niet precies te zeggen wat het gemiddelde prijsverschil is. Hoeveel gemeenten extra kwijt zijn als direct gevolg van de sanctie is ook afhankelijk van de resterende looptijd van de contracten met SEFE Energy Ltd. Uit sommige ingediende ontheffingsaanvragen blijkt wel dat met het afsluiten van nieuwe contracten vaak meerkosten zijn gemoeid, die variëren (in euro’s) van een paar ton tot een paar miljoen per (inkoop)organisatie.
Hoe kan worden gegarandeerd dat bij nieuwe contracten niet alsnog (een deel van) de winsten naar Rusland vloeien? Wat als dit – gelet op de hoge gasprijzen – meer is dan de winsten voor Rusland onder de lopende contracten?
Er mogen geen nieuwe overheidsopdrachten gegund worden aan Russische partijen; er is bovendien een maximum gesteld aan het gedeelte Russische toeleveranciers (10%). Dit leidt ertoe dat de levering van Russisch gas via de nieuwe contracten wordt beperkt.
Wat is de reden dat de aanbesteding van de gemeente Den Haag geen nieuwe gasleverancier heeft opgeleverd?
Het kabinet kan niet ingaan op de details van de gedane aanbesteding van de gemeente Den Haag. Dat is aan de gemeente Den Haag zelf. In het algemeen kunnen er meerdere redenen zijn waarom een aanbesteding mislukt, waaronder prijs, eisen in het bestek, volume dat wordt gevraagd etc.
Wat doet u om de gemeenten te helpen om een nieuwe gasleverancier te vinden? Hoe zorgt u er hierbij voor dat gemeenten niet de hoofdprijs betalen of dat zij gecompenseerd worden voor de extra kosten die zij moeten maken? Ziet u kansen voor samenwerking tussen gemeenten bij het afsluiten van gascontracten en welke rol kunt u hierbij spelen?
Gemeenten konden al een ontheffing aanvragen als bijvoorbeeld geen nieuwe leverancier gevonden kan worden, om zo te zorgen dat ze niet zonder gas komen te zitten terwijl ze verder zoeken naar een nieuwe gasleverancier. Ik hoor van diverse gemeenten dat dit al wel is gelukt. Hierover wordt vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) al een aantal maanden het gesprek gevoerd met onder meer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), waterschappen, Interprovinciaal Overleg (IPO), en meerdere andere partijen.
Omdat vanwege de nationalisatie van SEFE GmbH de bestaande contracten met SEFE Energy Ltd. aangehouden kunnen worden, verwacht ik niet dat gemeenten nog in de problemen komen bij het vinden van een gasleverancier.
Aan alle partijen die een contract met SEFE hadden, maar deze voortvarend hebben opgezegd, ben ik voornemens een tegemoetkoming te geven voor de meerkosten die zij tussen 10 oktober en 31 december 2022 hebben gemaakt. Ook ga ik graag verder in gesprek met de partijen die een contract hebben opgezegd dat na 1 januari 2023 door zou lopen, gelet op de verruiming van de ontheffingsmogelijkheid tot en met 31 maart 2023. Hierbij weeg ik mee dat deze groep na 1 januari 2023 ook deels gebruik kan maken van de andere maatregelen die zijn aangekondigd om het effect van de hoge energieprijzen te dempen.
Daarnaast moedig ik gemeenten, net als alle partijen in Nederland, aan om te kijken wat er mogelijk is om energieverbruik in het algemeen te verlagen om zo de kosten te drukken.
Wat doet u om gemeenten te helpen om energie te besparen zonder dat de gemeentelijke dienstverlening hieronder te lijden heeft?
Wij zijn op dit moment in gesprek met gemeenten naar aanleiding van deze casuïstiek, en vragen hierbij expliciet naar mogelijkheden die zij zelf zien om te besparen en waar ze mogelijk hulp bij nodig hebben. Dit kan bijvoorbeeld steun zijn voor het gebruik van schonere technieken, het leveren van kennis en expertise etc. Ook kunnen gemeenten aanvragen indienen voor de subsidie duurzaam maatschappelijk vastgoed (DuMaVa) voor verduurzamingsmaatregelen van gemeentelijk vastgoed.
Klopt het dat gemeenten geen instrumenten voorhanden hebben om energiebesparende maatregelen op te leggen in hun gemeenten? Bent u voornemens om landelijke regels in te stellen die energiebesparing verplichten of om gemeenten de mogelijkheid te geven om dit zelf te verplichten?2
Nee. De landelijke energiebesparingsplicht verplicht bedrijven en instellingen met een verbruik van 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas alle energiebesparende maatregelen met een vijf jaar terugverdientijd uit te voeren. Gemeenten en hun omgevingsdiensten hebben dus een belangrijke rol in het toezicht op de landelijke energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen. Het kabinet verbreedt deze plicht en scherpt deze plicht momenteel aan en heeft ook meer middelen vrijgemaakt voor de handhaving er van. Daarnaast kunnen gemeenten besparingsmaatregelen uitvoeren in eigen kantoren en bedrijfsvoering in hun gemeente. Niet alle mogelijke energiebesparende maatregelen verdienen zich in vijf jaar terug en bedrijven met een beperkt energiegebruik vallen niet onder de plicht. Lokale afspraken of voorschriften (o.a. op basis van de Woningwet) kunnen in sommige gevallen hier invulling aan geven.
Het onbenut laten van Bibob-toetsing bij subsidieverlening |
|
Ingrid Michon (VVD), Joost Sneller (D66) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ministeries laten belangrijkste instrument tegen criminele ondermijning onbenut»?1
De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) is een belangrijk instrument om de integriteit van de overheid te beschermen. Bestuursorganen kunnen aan de hand van een zogenoemde Bibob-toets subsidieaanvragen preventief weigeren of reeds genomen subsidiebesluiten in trekken. Er moet daarvoor een ernstig gevaar bestaan dat de subsidiebeschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen (art. 3, eerste lid). Daarnaast bestaan voornoemde bevoegdheden indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd, waarbij dan geldt dat de weigering dan wel intrekking slechts plaatsvindt, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
Het toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid van bestuursorganen om hun eigen integriteit te beschermen. Gedachte achter deze discretionaire bevoegdheid is dat bestuursorganen zelf het beste kunnen inschatten welk instrument ze wanneer kunnen inzetten. In de praktijk zien we dat met name gemeenten (veelvuldig) gebruik maken van de Wet Bibob, maar dat de inzet van de Wet Bibob bij de rijksoverheid achterblijft. Dat is een groot aandachtspunt. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) gaat met verschillende departementen in gesprek om het gebruik van de Wet Bibob bij de rijksoverheid te stimuleren. Onderdeel daarvan zijn de gesprekken die worden gevoerd met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
Deelt u de mening dat de Wet Bibob (Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur) erop gericht is om te voorkomen dat de overheid de onderwereld faciliteert, dat door een Bibob-toets uit te voeren op een potentiële subsidieontvanger kan worden nagegaan of niet onbedoeld subsidie wordt verstrekt aan personen met banden met het criminele circuit en dat daarmee de concurrentiepositie van bonafide ondernemers wordt beschermd?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat bij een Bibob-onderzoek gesloten bronnen kunnen worden geraadpleegd, zoals gegevens betreffende toezicht, controle en inspectie en justitiële- en politiegegevens, die in controles achteraf niet meer geraadpleegd kunnen worden?
Ja.
Kunt u toelichten hoe vaak de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een van de grootste subsidieverstrekkers van de rijksoverheid, de afgelopen drie jaar een Bibob-toets heeft uitgevoerd op een subsidieontvanger? Hoe reflecteert u op dat aantal?
Tussen 2019 en 2022 zijn er in het kader van subsidies geen Bibob-toetsen uitgevoerd door RVO. Wel zijn er door RVO op basis van de Wet Bibob 336 onderzoeken gedaan in verband met de registratie voor het handelen in dierlijke meststoffen. Het Ministerie van EZK is in gesprek met het Ministerie van JenV om te bezien hoe er ook bij subsidieverlening door RVO beter gebruik zou kunnen worden gemaakt van de Wet Bibob.
Zowel RVO als ook UVB hebben bij de subsidieverlening in recente jaren andere instrumenten gebruikt om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan. Reeds in de ontwikkelingsfase van een subsidieregeling is er aandacht voor het risico op misbruik en de wijze waarop dit risico gemitigeerd kan worden. Daarnaast wordt voorafgaand aan het verstrekken van subsidies door UVB en RVO onderzoek gedaan. De diepgang van dit onderzoek dient op grond van de Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (USK) en het Raamwerk Uitvoering Subsidies (RUS) in verhouding te staan tot de hoogte van het subsidiebedrag. Tot slot vinden achteraf controles plaats gebaseerd op Europese en/of nationale wet- en regelgeving. De uitvoering door RVO en UVB hiervan staat onder controle van onafhankelijke controlerende instanties als de Accountantsdienst Rijk, de Algemene Rekenkamer en, in het geval van Europese subsidies, de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer.
Deelt u de mening dat toetsing of controle van een subsidieontvanger achteraf geen adequate vervanging kan zijn van toepassing van een Bibob-toets vooraf om de doelen van de wet Bibob te bereiken?
Ja, een Bibob-toets en toetsing of controle van een subsidieontvanger achteraf zijn twee verschillende zaken. Met de Wet Bibob wordt de integriteit van betrokken personen bij een subsidie onderzocht. Bij een subsidiecontrole achteraf wordt gekeken of de verstrekte subsidie doelmatig en rechtmatig is besteed, waarbij dan overigens ook integriteitskwesties naar voren kunnen komen. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de controles van RVO en UVB zich niet enkel beperken tot controles achteraf. Gedurende het gehele subsidieproces vinden controles plaats teneinde misbruik te voorkomen en ontdekken. Bij het vaststellen van misbruik wordt opgetreden.
Hoe reflecteert u op het feit dat een van de grootste subsidieverstrekkers van de rijksoverheid, Uitvoering van Beleid SZW, de afgelopen drie jaar op geen enkele subsidieontvanger een Bibob-toets heeft uitgevoerd?
In tegenstelling tot de berichtgeving in de media heeft UVB in het jaar 2021 geen 2 miljard euro aan subsidie verstrekt maar circa 200 miljoen waarvan circa de helft aan publieke partijen en de andere helft aan private organisaties. De afgelopen drie jaar is door UVB bij verstrekking van die subsidies geen gebruik gemaakt van de Wet Bibob. Dat is een aandachtspunt. SZW beziet of dit anders zou moeten.
UVB heeft de afgelopen jaren wel andere instrumenten gebruikt om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies bij de subsidieverlening tegen te gaan. Daarvoor verwijs ik u naar de beantwoording op vraag 4.
Hoe vaak hebben RVO en Uitvoering van Beleid SZW de afgelopen drie jaar tips ontvangen van andere organisaties of personen op basis van de tipbevoegdheid uit de Wet Bibob? Indien deze zijn ontvangen, kunt u toelichten wat met deze tips is gedaan?
UVB heeft de afgelopen drie jaar geen tips ontvangen op basis van de tipbevoegdheid uit de Wet Bibob. Voor RVO geldt dat in de periode 2019 tot en met 2022 drie tips ontvangen zijn in het kader van de Wet Bibob. Het ging hierbij in één geval om een tip in het kader van de SDE++2 en in twee gevallen in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Bij dergelijke tips laat RVO door de subsidieaanvrager het Bibob-vragenformulier invullen met betrekking tot subsidiebeschikkingen, welk is vastgesteld op grond van artikel 7a van de Wet Bibob. Mede aan de hand van de antwoorden wordt bezien of een beslissing kan worden genomen over de aanwezige risico’s. In die gevallen kon daarover een oordeel worden gegeven en was geen verder advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) nodig.
Deelt u de mening dat de rijksoverheid een voorbeeldfunctie heeft richting andere overheden bij het bevorderen van integriteit en dat oproepen aan gemeenten om de Bibob-toets te gebruiken krachtiger zijn als deze voorbeeldrol goed wordt ingevuld?
Ja.
Hoe reflecteert u, in het licht van het bovenstaande, op het feit dat de deze Bibob-toets nauwelijks door de rijksoverheid wordt ingezet bij het verstrekken van nationale subsidies en EU-subsidies? Welke risico’s brengt dat met zich mee ten aanzien van de bestemming subsidiegeld?
Het doel van de Wet Bibob is om de eigen integriteit te beschermen van de overheid en om te voorkomen dat door subsidieverstrekking onbedoeld criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Er zijn meerdere instrumenten die bijdragen aan dat doel, maar de inzet van de Wet Bibob bij de rijksoverheid verdient meer aandacht. Het Ministerie van JenV voert Rijksbreed gesprekken om de inzet van de Wet Bibob te stimuleren, waaronder ook met de Ministeries van SZW en EZK. Los van de Wet Bibob zijn er ook nog andere instrumenten die de rijksoverheid voorafgaand aan, tijdens en na de verstrekking van een subsidie, kan toepassen om de risico’s op misbruik van overheidsgeld zo veel als mogelijk te voorkomen.
Bent u bereid om te bevorderen dat de rijksoverheid, in het bijzonder de RVO en Uitvoering van Beleid SZW, bij het verlenen van subsidies gebruik van de Wet Bibob beleidsmatig beter zullen verankeren opdat hier frequenter gebruik van zal worden gemaakt?
Er kan worden opgemerkt dat de Wet Bibob bestuursorganen een discretionaire bevoegdheid geeft die een bestuursorgaan de mogelijkheid geeft om de wet in te zetten. Bovendien is toepassing van de Wet Bibob geen doel op zich. Echter is het in beginsel belangrijk dat ook diensten die vallen onder de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid de wet effectief in (kunnen) zetten. Daar kan winst behaald worden. Zoals in de beantwoording op vraag 9 aan de orde is gekomen worden door het Ministerie van JenV momenteel gesprekken gevoerd met de Ministeries van SZW en EZK om daar stappen in te zetten.
Bij de gesprekken zullen geen vertegenwoordigers van de RIEC’s en het LIEC worden betrokken, aangezien zij voor de uitvoering van de Wet Bibob bij landelijke organisaties geen rol hebben. Wel zal het LBB daarvoor worden uitgenodigd. Voorts is tijdens de wetsbehandeling van de tweede tranche van de Wet Bibob de noodzaak om de RVO toe te voegen als informatieleverancier aan artikel 27 Wet Bibob niet gebleken (Kamerstukken 2021/22, 35 764, nr. 6, blz. 28–29).
Zijn RVO en Uitvoering van Beleid SZW adequaat toegerust om de nieuwe bevoegdheden in de Wet Bibob (tweede tranche, Stb. 2022, nr. 304) vanaf 1 oktober 2022 goed te kunnen uitvoeren? Welke stappen zijn er reeds gezet bij deze organisaties om een goede implementatie van de wet te bevorderen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u in gesprek gaan met het Landelijk Bureau Bibob en het RIEC-LIEC over hoe RVO en Uitvoering van Beleid SZW de Wet Bibob effectiever kunnen gebruiken en kunt u hierbij ook de wens van het RIEC-LIEC betrekken ten aanzien van opname van de RVO als informatieleverancier in artikel 27 van de Wet Bibob?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de Kamer voor de inwerkingtreding van de tweede tranche Bibob wederom te informeren over de voortgang van het verbeteren van de toepassing van de Wet Bibob door de rijksoverheid bij subsidieverlening?
Vanzelfsprekend ben ik bereid om uw Kamer te informeren over de voortgang van het verbeteren van de toepassing van de Wet Bibob door de rijksoverheid. Dat zal echter niet lukken voor de inwerkingtreding van de tweede tranche van de Wet Bibob op 1 oktober van dit jaar. Uiterlijk in het eerste kwartaal van 2023 wordt u geïnformeerd.
Het Stelsel Beroepsziekten en Dienstongevallen Politie |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Graag vraag ik uw aandacht voor onderstaande vragen met betrekking tot het Stelsel Beroepsziekten en Dienstongevallen Politie:
(Voormalig) politiemedewerkers met PTSS of een andere beroepsziekte hebben recht op de zorg die zij behoeven en een zorgvuldige afwikkeling van hun schade. In dit kader is een nieuw stelsel ontwikkeld, dat volgend jaar zal ingaan. In het nieuwe stelsel wordt veel meer aandacht besteed aan zorg en herstel. Het stelsel wordt gebaseerd op vertrouwen. Daarbij wordt zoveel mogelijk voorkomen dat betrokkenen zich bij geschillen tot de rechter moeten wenden.
Vooruitlopend op dit nieuwe stelsel wikkelt de politie de lopende schadezaken af op basis van een interne richtlijn, die is opgesteld langs de contouren van dit nieuwe stelsel. De politie doet betrokkenen een voorstel voor een minnelijke schikking. Daarbij wordt ruimhartig omgegaan met de vergoeding van zowel de immateriële als de materiële schade.
De interne richtlijn zal worden vervangen door overgangsbeleid, dat is overeengekomen met de politievakorganisaties. Gestreefd wordt naar invoering begin 2023. Dit overgangsbeleid is opgesteld langs de uitgangspunten van het nieuwe stelsel. En met het overgangsrecht wordt voorkomen dat bepaalde betrokkenen tussen wal en schip vallen.
Op basis van zowel de interne richtlijn als het overgangsbeleid wordt rekening gehouden met eerder uitgekeerde bedragen. Indien betrokkenen het hier niet mee eens zijn of om andere reden geen overeenstemming bereiken met de politie kunnen zij zich wenden tot een onafhankelijke, paritaire commissie, de Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie. Deze commissie is door mijn voorganger ingesteld om een onafhankelijk oordeel te geven over de billijkheid en redelijkheid van het voorstel van het bevoegd gezag. De commissie beoordeelt per individuele casus of sprake is van een redelijk en billijk voorstel aan de betrokkene, of dat er sprake is van specifieke persoonlijke omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigen. Het advies van de commissie wordt opgevolgd door de politie, tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om dit niet te doen.
Bent u ermee bekend dat bij de uitvoering van het Stelsel Beroepsziekten en Dienstongevallen Politie de reeds uitgekeerde vergoedingen voor immateriële schade worden verrekend met de materiële restschade waar o.a. (voormalig) politieambtenaren met PTSS recht op hebben?
De (hoogte van de) vergoedingen bij het nieuwe stelsel en op basis van de interne richtlijn en het overgangsbeleid zijn in de meeste gevallen gunstiger voor de betrokkenen dan bij het oude stelsel. Onder het oude stelsel ontvingen de betrokkenen enkel smartengeld. In de berekening van dit smartengeld zijn zowel immateriële als materiële componenten van schade meegenomen.
In het nieuwe stelsel, het overgangsbeleid en onder de interne richtlijn zijn de immateriële en materiële schade uit elkaar gehaald. De betrokkenen ontvangen zuiver smartengeld voor immateriële schade en een vergoeding voor materiële schade. Bij de berekening van de vergoeding voor de materiele schade worden meer componenten meegenomen dan onder het oude stelsel.
In lopende schadezaken (die onder de interne richtlijn worden afgewikkeld) wordt daarom een nieuwe en ruimhartige berekening gemaakt van zowel de immateriële als de materiële schade. Aan deze betrokkene wordt vervolgens een nieuw voorstel gedaan als minnelijke schikking. Aanzien betrokkene onder het oude stelsel al een vergoeding heeft ontvangen en deze vergoeding dezelfde schade betreft, wordt dit bedrag betrokken bij het minnelijke voorstel. Dit doen we ook om rechtsongelijkheid met andere betrokkenen te voorkomen.
De interne richtlijn was tot stand gebracht zonder instemming van de politievakorganisaties. Zij hadden met name bezwaar tegen de wijze waarop het voorstel wordt bepaald die naar hun oordeel onvoldoende concreet is beschreven. Ik ben blij dat met de politievakorganisaties inmiddels een nieuw overgangsbeleid is overeengekomen. Daarbij wordt voor de schade-afwikkeling aangesloten bij de wijze waarop hiermee wordt omgegaan in het nieuwe stelsel. Uitgangspunt blijft dat eerder uitbetaalde bedragen worden betrokken bij de afwikkeling van de schade. Indien betrokkenen zich niet kunnen vinden in het voorstel van de politie, hebben zij de mogelijkheid hun casus voor te leggen aan de Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie.
Waarom heeft u gekozen voor deze verrekening?
Ik kan mij voorstellen dat voor sommige betrokkenen de uitkering van het smartengeld die zij ontvingen, op basis van het oude stelsel, hebben ervaren als een erkenning van hun leed en de mentale (en fysieke) schade waar zij mee kampen als gevolg van hun PTSS (of een andere beroepsziekte). En dat het feit dat deze uitkering wordt betroken in het uiteindelijke voorstel wordt ervaren als het intrekken van deze uitkering. Ik betreur dat beeld want het belang van de betrokkene staat voor mij altijd voorop. Om deze reden hoop ik dat de uitleg in de beantwoording van vraag 2 meer helderheid geeft over het betrekken van het smartengeld bij het minnelijke voorstel en dat de betrokkene onder het nieuwe stelsel of op basis van de interne richtlijn ruimhartig wordt gecompenseerd.
Mijn intentie is dat ruimhartig, rechtvaardig en verdedigbaar wordt omgegaan met de vergoeding, dat is wat onze politiemedewerkers verdienen. Politie maakt hiertoe op basis van de contouren van het nieuwe stelsel een ruimhartige inschatting van zowel de materiële schade als het smartengeld. Als die eerder uitgekeerde vergoeding niet zou worden betrokken bij het voorstel zou dat niet uitlegbaar zijn naar andere betrokkenen. Tenzij er sprake is van specifieke omstandigheden die een afwijkende aanpak rechtvaardigen. De Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie is door mijn voorganger ingesteld om hierover een onafhankelijk advies te geven. De commissie beoordeelt per individuele casus of sprake is van een redelijk en billijk voorstel aan de betrokkene, of dat er sprake is van specifieke persoonlijke omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigen. Het advies van de commissie wordt opgevolgd door de politie, tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om dit niet te doen.
Erkent u dat dit betekent dat politieagenten nu dus praktisch gezien zelf betalen voor psychologische schade die men heeft geleden en nog steeds onder kampen naar aanleiding van hun werk bij de politie?
Ik acht het van belang voor de betrokkenen dat de lopende schadezaken voortvarend en zorgvuldig worden afgehandeld, waarbij gekomen wordt tot een afhandeling die recht doet aan hun situatie op het gebied van benodigde zorg en toegekende aanspraken. De vraag is of alles overziend een redelijk en billijk voorstel wordt gedaan. Om hier een onafhankelijk advies over te krijgen hebben betrokkenen de mogelijkheid hun dossier voor te leggen aan de Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie. Die beoordeelt per individuele casus of sprake is van een redelijk en billijk voorstel aan de betrokkene, of dat er specifieke persoonlijke omstandigheden zijn die een andere uitkomst rechtvaardigen.
Is de Minister van mening dat dit in lijn is met motie-Helder (Kamerstuk 35 570, nr. 6) waarin de regering verzocht wordt om het smartengeld toegekend in oude PTSS-dossiers niet te verrekenen met materiële restschade?
Het advies van 25 februari 2022 is door het lid Helder onder mijn aandacht gebracht. Daarin stelt de commissie dat verrekening van het eerder toegekende smartengeld strikt juridisch genomen niet is toegestaan, maar dat met wederzijdse instemming van de betrokken partijen hier wel toe kan worden besloten. In een later advies heeft de commissie dit aangevuld en gesteld dat het totaal aan uitkeringen mag worden betrokken in de eindafdoening en van de medewerker mag worden verlangd dat die eerdere aanspraken betrekt bij de vraag of alles overziend een redelijk en billijk voorstel wordt gedaan, gezien het minnelijke, niet strikt-juridische karakter van de eindafdoening.
De afhandeling van de individuele restschadedossiers valt onder de verantwoordelijkheid van de korpschef. Ook in de zaken die worden ingediend bij de Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie ben ik als Minister geen partij. De politie heeft mij medegedeeld dat zij de adviezen van de commissie tot op heden heeft opgevolgd. Naar ik heb begrepen heeft dat met twee betrokkenen nog niet tot overeenstemming geleid. Momenteel wordt door de politie bekeken op welke wijze deze dossiers op zorgvuldige wijze alsnog in der minne kunnen worden afgewikkeld, indien betrokkenen hier open voor staan. Betrokkenen staat uiteraard een formele rechtsgang open als zij er in het minnelijke traject niet uitkomen.
Is de Minister bekend met de adviezen van de Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie (CARAP) op 25 februari 2022 en 14 maart 2022 waarin het CARAP adviseert om al toegekende smartengeld niet in mindering te brengen op de aan hem uit te keren restschade?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom heeft u niet gehandeld in lijn met dit advies?
De Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie deelt haar adviezen enkel met de betrokken partijen. Als Minister ben ik geen partij in de zaken die dienen bij deze commissie. Omdat de adviezen privacygevoelige informatie bevatten over de betrokkenen word ik als Minister door het bevoegd gezag op hoofdlijnen geïnformeerd. Ten behoeve van de beantwoording van uw vragen zijn twee andere adviezen geanonimiseerd met mij gedeeld. Omdat de adviezen van de commissie over individuele casussen gaan, en ik als Minister zoals gezegd daarin geen partij ben, is het niet aan mij om deze adviezen met uw Kamer te delen.
Kunt u met de Kamer de interne correspondentie op het ministerie en de andere adviezen die u heeft gehad naar aanleiding van dit advies delen?
Ik betreur het beeld dat u schetst dat politieagenten, die vaak hun leven en gezondheid op het spel hebben gezet om de samenleving te dienen, het idee hebben dat ze in de steek worden gelaten. Daarvan kan wat mij betreft geen sprake zijn. Integendeel, zij verdienen de zorg die nodig is en een passende vergoeding van hun schade. Ik onderken dat het huidige stelsel minder gericht is op zorg en ondersteuning. Medewerkers hebben aangegeven hierdoor de aandacht en de morele steun van de werkgever te missen. Onder andere om die reden is in het nieuwe stelsel aandacht besteed aan factoren die in het verleden het herstel en de re-integratie van betrokkenen hebben belemmerd en wordt het stelsel verbeterd met de volgende uitgangspunten: eenvoudiger, minder druk op de medewerker, tempo in de afhandeling en re-integratie bij de politie. Ook de afwikkeling van lopende zaken vindt zoveel mogelijk volgens dezelfde uitgangspunten plaats. Dat past bij een rechtvaardige en verdedigbare benadering. Het streven is de lopende procedures op een snelle en zorgvuldige (informele) wijze af te ronden, zodat betrokkenen een juridische procedure wordt bespaard. Ik wil benadrukken dat vele betrokkenen inmiddels langs deze weg een overeenkomst met de politie hebben kunnen treffen en dat het om enkelen gaat waar dit nog niet lukt. Voor die gevallen heeft mijn voorganger eerdergenoemde commissie ingesteld.
Begrijpt u dat deze gang van zaken op (voormalig)politieagenten, die vaak hun leven en gezondheid op het spel hebben gezet om de samenleving te dienen, overkomt alsof ze in de steek worden gelaten?
De huidige werkwijze leidt mijns inziens tot een ruimhartige en verdedigbare uitkomst, waarbij zoveel mogelijk wordt vooruitgelopen op het nieuwe stelsel. Zoals hierboven genoemd is ook overeenstemming bereikt met de vakorganisaties over nieuw overgangsbeleid. Ook in het overgangsbeleid blijft sprake van het betrekken van eerder uitgekeerde bedragen.
Indien betrokkene het niet eens is met het voorstel van de politie kan de betrokkene zich voor een onafhankelijk advies wenden tot de onafhankelijke Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie die per individuele casus beoordeelt of sprake is van een redelijk en billijk voorstel aan de betrokkene, of dat er sprake is van specifieke persoonlijke omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigen. Het advies van de commissie wordt opgevolgd door de politie, tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om dit niet te doen.
In vrijwel alle gevallen heeft dit geleid tot overeenstemming over het voorstel, in enkele gevallen tot een nader advies van de Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie.
Kan de Minister toezeggen dat ze deze situatie rechtzet en reeds uitgekeerde immateriële schade niet verrekend met materiële restschade?
Zie antwoord op vraag 9.
Is de Minister bereid om de gevallen waar dat wel al is gebeurd te rectificeren?
Ik heb geprobeerd de vragen zoveel mogelijk afzonderlijk te beantwoorden.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Het is vanwege de afstemming met verschillende betrokken partijen helaas niet gelukt, mijn excuses hiervoor.
Kunt u deze vragen voor 15 oktober beantwoorden?
Problemen met tolkenvoorzieningen in de zorg |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de bureaucratische werkwijze van het UWV voor het aanvragen van tolkvoorzieningen door mensen met een auditieve beperking en door belangenorganisaties voor mensen met een auditieve beperking? Kunt u uw antwoord toelichten?1, 2
In 2021 heeft onderzoeksbureau Ruigrok NetPanel in opdracht van UWV onderzoek gedaan naar de ervaringen van tolkgebruikers met de tolkvoorziening. Hierin beoordelen tolkgebruikers de dienstverlening van UWV gemiddeld met een 7,7 en is het merendeel van de gebruikers tevreden (60%) of zeer tevreden (30%). Daarnaast is in 2021 door Berengroep in opdracht van UWV een tevredenheidsonderzoek uitgevoerd onder tolken Nederlandse Gebarentaal en onder schrijftolken over de dienstverlening van UWV en Tolkcontact. Hierin geeft 64% van de respondenten de dienstverlening van UWV een 8 of hoger en wordt de dienstverlening gemiddeld met een 7,58 beoordeeld. De ervaringen van tolkgebruikers en tolken met de dienstverlening van UWV kunnen derhalve als overwegend positief beschouwd worden.
De uitvoering van de tolkvoorzieningen is bij een bestuursorgaan belegd, om rechtsbescherming van gebruikers bij een aanvraag, en daarmee de mogelijkheid om in bezwaar en beroep te gaan, te garanderen. Ten tijde van de behandeling Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein is in 2019 gekozen voor UWV als uitvoerder, omdat UWV reeds de tolkvoorzieningen voor het werk- en onderwijsdomein uitvoerde. Hierdoor was UWV het bestuursorgaan met de meeste ervaring met zowel de doelgroep als met het uitvoeren van vergelijkbare regelingen. UWV heeft daarbij een deel van de werkzaamheden belegd bij de Berengroep (Tolkcontact). Gezien de genoemde tevredenheid van tolkgebruikers en tolken, ben ik nog steeds van mening dat UWV het meest geschikte bestuursorgaan is om de tolkvoorziening te beleggen.
Waarom duurt de aanvraag voor een tolkvoorziening tussen de tien werkdagen en acht weken? Deelt u de mening dat dit een veel te lange periode is? Zo ja, kunt u deze periode laten verkorten? Zo neen, waarom niet?
De termijn van 8 weken betreft een wettelijke termijn, waarbinnen UWV verplicht is een aanvraag verwerkt te hebben.3 Het is wenselijk dat aanvragen sneller verwerkt worden dan deze wettelijke termijn en daarom hanteert UWV een streeftermijn van 10 dagen. Bij spoedsituaties kunnen gebruikers via Tolkcontact direct een tolk regelen en wordt de aanvraag achteraf behandeld. In het onderzoek van Ruigrok NetPanel geeft 69% van de respondenten aan tevreden of zeer tevreden te zijn met de snelheid waarmee UWV beslist over aanvragen en geeft 25% van de gebruikers aan de behandelsnelheid van UWV neutraal te beoordelen of hier geen mening over te hebben. Ik acht het daarom niet noodzakelijk de periode te laten verkorten.
Met welke reden kunnen extra tolkvoorzieningen buiten de standaard-uren niet in het buitenland gebruikt worden, waardoor het voor mensen onmogelijk wordt om een uitstapje te maken of bijvoorbeeld een congres bij te wonen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gebruikers van de tolkvoorziening hebben standaard recht op 30 uren aan tolkdiensten per jaar in het leefdomein en in het geval van zowel een auditieve als visuele beperking 168 uren per jaar. Deze tolkuren kunnen naar wens van de gebruiker worden ingezet. Tolkgebruikers hebben daarnaast de mogelijkheid om extra tolkuren aan te vragen als maatwerk.
Per 1 januari 2022 zijn de kaders voor de maatwerkaanvragen van de tolkvoorziening leefdomein aangepast, waarbij er voor maatwerkaanvragen een maximum van acht uur per dag gesteld is en aanvragen voor het buitenland in principe niet gehonoreerd worden. Deze kaders zorgen ervoor dat UWV de maatwerkaanvragen op een transparante wijze kan beoordelen. Daarnaast dragen de kaders bij aan de houdbaarheid van de tolkvoorziening met het oog op het aantal beschikbare tolken, evenals de financiële houdbaarheid.
Als er door de kaders schrijnende situaties ontstaan, dan blijft maatwerk mogelijk. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inzetten van een tolk bij een ziekenhuisbezoek in het buitenland.
Om welke reden stelt het UWV dat schrijftolken niet meer dan acht uur per dag kunnen declareren als er sprake is van extra tolkvoorzieningen buiten de standaard uren in het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom er voor schrijftolken in het leefdomein en voor organisaties pas vanaf twee uur en vijf minuten een teamtolk ingezet kan worden en in het werkdomein pas vanaf anderhalf uur, waardoor schrijftolken in die situaties respectievelijk twee uur en vijf minuten of anderhalf uur non-stop moeten tolken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Afhankelijk van de duur, intensiteit en complexiteit van een tolkopdracht is de inzet van een teamtolk mogelijk. In het werkdomein is dit mogelijk bij tolkopdrachten die langer duren dan één uur. Ik ben voor het leefdomein op dit moment bezig met het verkennen van de impact van het verlagen van de minimumduur van teamtolkopdrachten van twee uur naar opdrachten die langer dan één uur duren.
Bent u nog steeds van mening dat het UWV geschikt is om de tolkvoorzieningen te beheren, aangezien belangenorganisaties kritische geluiden hebben geuit over het beleggen van de uitvoering van de tolkvoorziening bij het UWV ten tijde van de behandeling van de Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke maatregelen gaat u nemen om de bureaucratische werkwijze van tolkvoorzieningen bij het UWV te verminderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit de tevredenheidsonderzoeken genoemd in het antwoord op de vragen 1 en 6 blijkt dat de ervaringen van tolkgebruikers en tolken met de dienstverlening van UWV overwegend positief zijn. Dit laat onverlet dat ik samen met UWV en de Ministers van OCW (tolkvoorziening onderwijsdomein) en SZW (werkdomein) doorlopend werk aan het optimaliseren van de tolkvoorziening. Bijvoorbeeld inzake de inzet van de teamtolk. Daarbij nemen we de signalen vanuit de belangenorganisaties uiterst serieus.