De gevolgen van het Circulair Materialenplan voor de verwerking van bodemas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen bij het bedrijfsleven over de gevolgen van het Circulair Materialenplan (CMP) voor de verwerking van bodemas van afvalverbrandingsinstallaties1 in combinatie met de afnemende afzetmogelijkheden in eigen land?
Ja.
Hoe waardeert u deze zorgen?
Het Ministerie van EZK en het Ministerie van IenW voeren regelmatig gesprekken met de sector, zowel voor als na de inwerkingtreding van het Circulair Materialenplan (CMP). Naast deze gesprekken loopt er een traject van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie (SRCE) dat de rijksoverheid, decentrale overheden en de sector samenbrengt om het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas te herstellen.
Is de veronderstelling juist dat de huidige afzetproblematiek en de snel opgelopen voorraden van ongereinigde bodemas niet zijn meegenomen bij de vaststelling van het CMP?
Ten behoeve van een verantwoorde toepassing en het versterken van het vertrouwen hierin, is in het CMP opgenomen dat bodemas moet voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Daarnaast zien we dat het reinigen van AVI-bodemas technisch goed mogelijk is en al geruime tijd in de praktijk toegepast wordt.
De sector is nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen van de maatregelen in het CMP. Er hebben verschillende gesprekken met partijen uit de sector plaatsgevonden. Tijdens deze gesprekken hebben belanghebbenden zorgen kunnen uiten en inbreng kunnen leveren. Mede op basis van deze gesprekken is besloten tot een overgangstermijn van twee jaar om de sector in staat te stellen om (de capaciteit van) hun reinigingsinstallaties aan te passen.
Verwacht u dat de huidige overgangstermijn voldoende is voor het realiseren van voldoende wascapaciteit voor het reinigen van bodemas? Zo ja, waar baseert u dat op?
Het concept-CMP is begin 2025 gedeeld. Daarnaast zien we dat de reiniging van AVI-bodemas al geruime tijd wordt toegepast in de praktijk. Twee jaar lijkt om deze reden een redelijke overgangstermijn. Het Rijk is en blijft ook met de sector (exploitanten van AVI’s en opwerkers van AVI-bodemas) in gesprek over de voortgang. In het afvalplan AVI-bodemassen is in de paragraaf Toekomstplannen opgenomen dat, als blijkt dat de overgangstermijn van twee jaar niet voor alle situaties toereikend is terwijl de sector zich naar het oordeel van de rijksoverheid wel voldoende heeft ingespannen, wordt gekeken of uitstel nodig is.
Ziet u mogelijkheden voor het tijdelijk toestaan van export van bodemas ten behoeve van nuttige toepassingen, bijvoorbeeld voor opvulling of andere toepassing in de diepe ondergrond, om zo de voorraadproblematiek op te lossen?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is het bevoegd gezag dat export van afvalstoffen toetst aan de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) via de zogenaamde kennisgevingsprocedure. ILT hanteert, naast de regels van de EVOA, het toetsingskader van het CMP voor de beoordeling van kennisgevingen. Als er concrete verzoeken om export ten behoeve van «andere nuttige toepassing» komen, beslist de ILT van geval tot geval of kan worden ingestemd met deze export. Mocht de ILT vinden dat het noodzakelijk is om af te wijken van het toetsingskader van het CMP, dan zullen zij een melding «afwijken CMP» doen. Deze meldingen worden door het Ministerie van EZK van advies voorzien.
Is het u bekend dat verschillende gemeenten het gebruik van gewassen bodemas verbieden dan wel sterk beperken, terwijl het CMP deze ruimte voor gebruik van gewassen bodemas, gelet op de gewenste circulariteit, nadrukkelijk wel biedt en zich verzet tegen dergelijke generieke verboden en beperkingen?
Ja.
Hoe waardeert u deze beperkingen?
In het CMP is een oproep gedaan om geen generieke beperkingen op te nemen voor de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving, maar om specifiek per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken.
Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet mogelijk is. Een bevoegd gezag mag hiertoe besluiten. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het CMP verandert hier niets aan. Hierover is 23 april jongstleden een brief naar de Kamer gestuurd.2
Wat bent u voornemens te doen om onnodige inperking van de ruimte voor gebruik van gewassen bodemas te beperken?
Er vinden verschillende gesprekken plaats tussen de rijksoverheid, de sector en decentrale overheden in het traject van de SRCE. Dit traject focust zich op lokale overheden via IPO, VNG en ODNL en op herstel van het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas.
Deelt u de analyse dat de kwaliteit van Nederlands bodemas relatief slecht is ten opzichte van de bodemas uit onder meer België en Frankrijk, mede vanwege de keuze voor snelle verbranding?
Er zijn mij signalen bekend van opwerkers van bodemas dat er relatief grote verschillen bestaan tussen de kwaliteit van bodemas van Nederlandse AVI’s (dit betreft ongereinigde «ruwe» bodemas) en bodemas uit het buitenland.
Welke maatregelen neemt u voor verbetering van de kwaliteit van het bodemas?
Om de kwaliteit van de bodemas in Nederland te verbeteren zijn met het CMP de eisen aangescherpt. Het is niet langer toegestaan om bodemas die niet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 voldoet, toe te passen of te gebruiken voor de productie van vulstof voor vormgegeven bouwstoffen of inzet als granulaat in vormgegeven bouwstoffen. Dit vanwege milieutechnische redenen en met het oog op een circulaire toekomst. Het reinigen van AVI-bodemas is technisch goed mogelijk en wordt al geruime tijd in de praktijk toegepast.
Ook wordt op dit moment een studie voorbereid waarbij de verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse bodemas concreter en specifieker worden uitgelicht en de gevolgen daarvan voor de reinigbaarheid van de ongereinigde «ruwe» bodemas. In dit onderzoek zal ook gekeken worden naar de noodzaak en mogelijkheden om te sturen op een betere kwaliteit van ongereinigde «ruwe» bodemas en naar mogelijke gevolgen daarvan voor het verbranden zelf. Wanneer dit onderzoek klaar is, zal de Kamer hierover geïnformeerd worden.
De evacuatie van gedetineerden uit PI Vught |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat na de brand in de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught in korte tijd voor 162 gedetineerden elders plek is gevonden?1
Ja.
Hoe verklaart u dat binnen zeer korte tijd voor tientallen gedetineerden elders capaciteit beschikbaar bleek, terwijl al langere tijd wordt gewezen op een ernstig tekort aan celcapaciteit?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft alles op alles gezet om alle beschikbare plekken tijdelijk te benutten als noodoplossing. Er zijn vrije plekken in de Vreemdelingenbewaring en enkele isoleercellen ingezet. In een aantal gevallen is personeel van de PI Vught meegegaan met de gedetineerden omdat de ontvangende inrichting wel plekken maar geen personeel had. Dit was alleen voor enkele dagen mogelijk en is geen duurzame oplossing. Op 26 mei jl. is geconstateerd dat de unit in Vught weer veilig in gebruik kon worden genomen en zijn alle gedetineerden in de nacht van 26 op 27 mei weer ingesloten in hun eigen cel.
Betekent dit dat er feitelijk meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen aanwezig is dan eerder werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is niet meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen dan eerder werd aangenomen. De capaciteit die nu is ingezet, biedt geen structurele oplossing en kon alleen voor enkele dagen worden ingezet als noodoplossing.
Deelt u de opvatting dat het onbegrijpelijk zou zijn wanneer enerzijds wordt gesproken over cellentekorten, terwijl anderzijds in crisissituaties kennelijk in korte tijd aanzienlijke capaciteit beschikbaar blijkt? Zo nee, waarom niet?
Zoals in vraag 2 en 3 aangegeven heeft DJI alles op alles gezet om deze groep gedetineerden kortdurend te verplaatsen, ook naar plekken die niet geschikt zijn voor een langere periode of waar geen personeel beschikbaar was. Dit was dus een tijdelijke noodoplossing.
Kunt u aangeven waar deze 162 gedetineerden precies zijn ondergebracht en op basis waarvan daar ruimte beschikbaar was?
Van de 162 gedetineerden is er voor circa 140 extern een plek gevonden. Deze gedetineerden zijn verplaatst naar zeven verschillende inrichtingen. Zoals hierboven vermeld is dit in een aantal gevallen gebeurd met het meesturen van personeel vanuit PI Vught. De overige gedetineerden zijn intern verplaatst.
Hoe is bij de overplaatsing van de 162 gedetineerden gewaarborgd dat hoogrisicogedetineerden of gedetineerden uit criminele netwerken niet in contact komen met personen met wie zij om veiligheidsredenen juist gescheiden dienen te blijven?
Het betrof de evacuatie van een unit waar geen hoog risico gedetineerden waren geplaatst. De tijdelijke overplaatsing heeft op een veilige manier plaatsgevonden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Schilder over het hanteren van meerpersoonscellen als norm waar dit veilig en verantwoord kan (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 127)?
Waar mogelijk wordt ingezet op het gebruik van meerpersoonscellen (MPC). Concreet betekent dit dat – indien de gebouwelijke voorzieningen en de veiligheid van zowel gedetineerden als het personeel dit toelaten – MPC’s worden ingezet.
Hoeveel extra celplaatsen zouden op korte termijn kunnen worden gerealiseerd indien meerpersoonscellen breder worden toegepast?
Er zijn op korte termijn geen extra MPC’s te realiseren binnen de bestaande capaciteit. Conform de motie Eerdmans2 wordt in het geval van renovatie en uitbreiding van capaciteit ingezet op de realisatie van zo veel mogelijk MPC’s.
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ieder kind heeft recht om op een veilige plek op te groeien. Bij signalen van onveiligheid, moet snel duidelijk worden wat een passend vervolg is. Daarom moet het stelsel beter en eenvoudiger, en wachttijden tot het minimum worden beperkt.
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Ja, uit de cijfers van Veilig Thuis blijkt dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen de afgelopen jaren is gestegen. Ongeveer de helft hiervan heeft betrekking op kindermishandeling. Dit percentage is door de jaren heen stabiel gebleven, al is het aantal adviesvragen en meldingen met betrekking tot kindermishandeling in absolute aantallen gestegen. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nader overzicht.
Dat hoeft echter niet direct te betekenen dat kindermishandeling vaker voorkomt; het kan ook zijn dat onveilige situaties vaker worden gesignaleerd en dat vaker contact wordt opgenomen met Veilig Thuis. Het is positief dat Veilig Thuis wordt benaderd om situaties waarin kinderen zich mogelijk in onveiligheid bevinden waar nodig nader te onderzoeken.
In de beleidsinformatie die periodiek door Veilig Thuis met het CBS wordt gedeeld, wordt geen onderscheid gemaakt tussen «ernstige» en «niet-ernstige» mishandeling. Ik beschouw iedere situatie van mishandeling ook als één te veel en als schadelijk.
Voor seksueel misbruik bij kinderen is het beeld gemengd. Het aantal adviesvragen steeg van 3.635 in 2022 naar 4.515 in 2025, terwijl het aantal meldingen in diezelfde periode licht terugliep, van 1.985 naar 1.830.
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Veilig Thuis levert twee keer per jaar cijfers aan het CBS. Daaruit is op jaarbasis het volgende overzicht van het aantal meldingen kindermishandeling op te maken:
Jaar
Aantal meldingen kindermishandeling
2019
55.590
2020
62.795
2021
61.495
2022
62.460
2023
65.750
2024
67.030
2025
68.150
Er wordt landelijk niet bijgehouden wanneer de wettelijke termijnen worden overschreden. Vanuit de decentrale inrichting van de regionale Veilig Thuis-organisaties is het deels afhankelijk van de wijze van aanbesteding hoe de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties hierover verantwoording afleggen aan de gemeenten. Landelijk houdt de IGJ daarnaast toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele organisaties, waaronder ook de naleving van de termijnen.
Een exact percentage van het aantal gevallen waarin de wettelijke termijn voor het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling niet wordt gehaald, is daardoor niet goed te geven. Wel is bekend dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40 en 60 procent van de veiligheidsbeoordelingen niet tijdig werd afgerond en dat dit al jaren een structureel knelpunt is bij Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde, en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden. Op het overschrijden van deze wettelijke termijnen ga ik in de beantwoording van vraag 7 nader in. Voor de volledigheid wil ik hierbij benadrukken dat na ontvangst van een melding altijd binnen 24 uur een eerste triage wordt uitgevoerd, en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
Voor het overschrijden van de wettelijke termijnen zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een tekort aan personeel speelt daarbij zeker een rol, maar ook de beperkte capaciteit bij samenwerkingspartners van Veilig Thuis en de toegenomen complexiteit van de casuïstiek. Al deze factoren samen verklaren waarom de termijnen niet altijd worden gehaald.
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal afgeronde diensten onderzoek door Veilig Thuis.
Jaar
Aantal afgeronde diensten onderzoek totaal (alle vormen van huiselijk geweld inclusief kindermishandeling)
Aantal afgeronde diensten onderzoek specifiek bij een vermoeden van kindermishandeling
2019
6.100
2.440
2020
7.305
3.735
2021
7.615
4.025
2022
7.585
4.145
2023
7.530
4.335
2024
7.720
4.610
2025
7.435
4.405
Totaal
51.290
27.695
Ook voor de termijn van 10 weken voor het afronden van een onderzoek geldt dat naleving niet centraal wordt geregistreerd, waardoor helaas niet exact bekend is hoe vaak de termijn van tien weken wordt overschreden. Ik vind het belangrijk dat er meer uniformiteit en daarmee ook een beter landelijk overzicht komt, en werk daarom samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis hard aan het meer gelijk maken van werkprocessen en data.
In de tabel hieronder het gevraagde overzicht van het aantal keer dat Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingeschakeld:
Jaar
Aantal afgeronde casussen met overdracht naar de Raad voor de Kinderbescherming
2019
355
2020
520
2021
620
2022
565
2023
595
2024
630
2025
490
Totaal
3.775
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Zoals hierboven toegelicht, is er wel inzicht in cijfers over het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis, maar niet in concrete gegevens over wachttijden en wachtlijsten. Daardoor kan er geen antwoord worden geven op de vraag wat de gemiddelde wachttijd voor gezinnen is na een melding. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat dit beeld er in de toekomst wel komt. Daarom werk ik met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis aan uniformiteit in de registratie van deze gegevens.
Evenmin is bekend hoeveel kinderen zich op dit moment in een onveilige situatie bevinden. Ook de cijfers van Veilig Thuis bieden hier geen uitsluitsel: zij geven uitsluitend een beeld van het aantal huishoudens waarover jaarlijks een melding wordt gedaan, niet van de totale omvang van kinderen in onveiligheid.
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Het is duidelijk dat Veilig Thuis onder grote druk staat en dat dit helaas leidt tot het overschrijden van de wettelijke termijnen. Ondanks de vele initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is het niet gelukt de wachtlijsten weg te werken. Dit is zorgelijk.
Hierbij is het goed om te vermelden dat, zoals ook in dit NOS-artikel staat, los van een eventuele wachtlijst bij een melding altijd direct een triage wordt uitgevoerd en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Daarbij is het belangrijk te blijven beseffen dat dit niet alleen een probleem is van Veilig Thuis zelf, maar van de keten als geheel. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt aan een stelselwijziging die ook de structurele knelpunten in de keten moet aanpakken: een stelsel dat eenvoudiger moet worden, met minder overdrachten van gezinnen en huishoudens.
Tegelijkertijd blijven we zoeken naar manieren om de wachtlijsten ook op kortere termijn terug te dringen. Daarvoor is het van belang een beter landelijk beeld te krijgen van de omvang en oorzaken van de problematiek. Uniformiteit tussen de 25 Veilig Thuis-organisaties is daarbij een cruciale voorwaarde, net als verdere verbetering van de werkprocessen waar dat mogelijk is. Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie van JenV en de IGJ onderzoeken we hoe we de wettelijke basis en bijpassende kwaliteitseisen kunnen aanscherpen om tot meer uniformiteit te komen.
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van signalen en het inschatten van veiligheidsrisico's behoren tot de kerntaken van Veilig Thuis. Zoals ook in het antwoord op vraag 7 is benoemd, worden ondanks de bestaande wachtlijsten alle meldingen binnen 24 uur op urgentie beoordeeld door daartoe opgeleide professionals. Op basis van de inhoud van de melding wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin sprake is van acute of ernstige onveiligheid en situaties waarin een andere vorm van vervolg, ondersteuning of monitoring meer passend is. Hierbij moet Veilig Thuis afgaan op de informatie die zij krijgt. Samenwerking van Veilig Thuis met overige ketenpartners is dan cruciaal om het beeld van mogelijke onveiligheid scherper te krijgen en gezamenlijk tot een passend vervolg van ondersteuning, hulp en/of bescherming te komen. Deze gezamenlijke opgave vraagt ook om bredere oplossingen binnen het stelsel, waaronder een betere samenwerking tussen lokale teams en veiligheidspartners, zoals uitgewerkt in het Toekomstscenario.
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Ouders die wachten op een vervolgactie van Veilig Thuis kunnen altijd contact opnemen als zij het gevoel hebben dat de situatie niet langer kan wachten of dat er iets is veranderd. Zoals eerder aangegeven beoordeelt Veilig Thuis elke nieuwe melding opnieuw op acute onveiligheid.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming vereist een zorgvuldig proces in afstemming met betrokken organisaties en gemeenten. Bij ernstige gevallen vind ik het van belang dat Veilig Thuis of een andere betrokken organisatie de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk inschakelt. Dit vraagt ook om een goede gezamenlijke analyse om de aard en ernst van een situatie goed te kunnen inschatten, iets wat vanuit het Toekomstscenario verder wordt versterkt.
Waar dat mogelijk en verantwoord is, streven we tegelijkertijd naar passende oplossingen binnen het vrijwillige kader. In die gevallen is het vooral belangrijk dat het gezin vanuit de juiste expertise bij de professionals tijdig de ondersteuning krijgt die het nodig heeft.
Overigens is het aandeel van Veilig Thuis-meldingen in de totale instroom bij de Raad voor de Kinderbescherming al jarenlang ongeveer 17 procent.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Kinderrechtenverdrag. Dat betekent dat wij als kabinet een positieve verplichting hebben om kinderen in staat te stellen zich optimaal en veilig te ontwikkelen. Dat vraagt van alle betrokkenen voortdurende inzet en aandacht. De situatie van het zwaar mishandelde meisje dat verbleef in een pleeggezin in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat het niet altijd en overal lukt om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Een van de kernbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan.2 Daarom zijn sinds het debat van 4 maart 2025 meerdere verbeterpunten gerealiseerd binnen de pleegzorg, jeugdbescherming en Veilig Thuis om de stem van kinderen te versterken.
Allereerst wordt binnen de Richtlijn Pleegzorg de focus meer gelegd op formele en informele vertrouwenspersonen, in aanvulling op het betekenisvol 1-op-1 contact tussen de professional en het pleegkind. Eveneens heb ik, in lijn met de motie Westerveld3, opdracht gegeven aan Jeugdstem om samen met ervaringsdeskundige jongeren uit de pleegzorg, de NVP en de Alliantie Informele Steun een informatiepakket te maken voor pleegkinderen zodat zij weten dat zij recht hebben op de hulp van vertrouwenspersonen en informele steunfiguren. Dit informatiepakket bestaat onder andere uit het «Ken-je-rechten-boekje» specifiek voor pleegkinderen, informatievideo’s en podcastafleveringen. Jeugdstem zal ook informatie beschikbaar maken voor pleegzorgbegeleiders, zodat deze ook over de juiste informatie beschikken. Jeugdstem verwacht in september het informatiepakket voor pleegkinderen gereed te hebben.
Daarnaast heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2025 de positie van het kind versterkt, onder andere door het verbeteren van het kindgesprek, het inzetten van een ervaringsdeskundigen en het aanscherpen van de handreiking «Praten met kinderen over seksueel misbruik».
De Gecertificeerde Instellingen hebben naar aanleiding van het inspectierapport van 25 september 2025 een plan van aanpak opgesteld waarin onder andere gewerkt wordt aan de gezamenlijke uitgangspunten voor betekenisvolle face-to-face contacten. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die in het kader van het Toekomstscenario is ontwikkeld. Voorts is de afgelopen jaren met het landelijk tarief de workload van de jeugdbeschermer verlaagd met bijna 30%. Dit geeft meer ruimte voor betekenisvol contact van de jeugdbeschermer met het kind en het gezin. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat naar aanleiding van de ernstige mishandeling in Vlaardingen maatregelen zijn genomen om het zicht op veiligheid van het kind te verbeteren, bijvoorbeeld door ieder kwartaal een toets uit te voeren op de actualiteit van kind-alleen-gesprekken.
Vanuit Veilig Thuis is er al een protocol voor het handelen bij disclosure, dat is wanneer een kind zelf aangeeft mishandeld te worden. Disclosure valt in alle gevallen onder vermoedens van acuut en/of ernstig structureel huiselijk geweld. Bij een melding bij Veilig Thuis waar sprake is van disclosure moet altijd een vertrouwensarts worden betrokken en moet een «top tot teen»-onderzoek plaatsvinden.
De vreselijke gebeurtenis in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat bij een deel van de professionals nog te weinig bekend was over disclosure en de afgesproken handelingsperspectieven. Daarom heeft Veilig Thuis vooral geïnvesteerd in het creëren van bewustwording rondom disclosure, zowel door rechtstreekse voorlichting aan professionals als door veel aandacht hierover op het nieuwe digitaal platform (o.a. met AI-chatbots). Ook is er brede aandacht voor de adviesfunctie voor professionals en heeft verbetering plaatsgevonden van meldings-en informatiesystemen. Daarnaast vindt voorlichting plaats op scholen over de radarfunctie van Veilig Thuis en via digitale kanalen. Tot slot verbetert Veilig Thuis zelf ook de gespreksvoering met kinderen door de medewerkers te trainen in systematische gespreksvoering met kinderen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (NICHD-methode).
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Op het handelen van Veilig Thuis wordt onafhankelijk toezicht gehouden door de IGJ. Dit toezicht is zowel risicogestuurd als thematisch van aard. Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld.
De IGJ toetst of Veilig Thuis voldoet aan de geldende normen en verplichtingen op vier terreinen: veiligheid, de mate waarin gezinnen en huishoudens centraal worden gesteld, de deskundigheid van professionals en goed bestuur. Hiervoor heeft zij in januari 2025 ook een geactualiseerd toetsingskader opgesteld.
Daarnaast geldt voor Veilig Thuis een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waarbij zij betrokken is. De IGJ beoordeelt vervolgens onafhankelijk of nader onderzoek nodig is.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen, het toezicht van de IGJ en het debat van 4 maart 2025 zijn pleegzorgorganisaties en gecertificeerde instellingen gezamenlijk aan de slag gegaan met het verbeteren van de samenwerking. De Ministeries van JenV en VWS hebben Jeugdzorg Nederland, als koepel voor pleegzorg en jeugdbescherming, de opdracht gegeven om de Handreiking samenwerkingsafspraken Jeugdbescherming-Pleegzorgaanbieder uit 2016 te actualiseren. Vanuit Jeugdzorg Nederland zijn hiervoor projectleiders aangetrokken. In dit traject zijn onder andere de volgende onderwerpen meegenomen: versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen professionals, samenwerkingsafspraken met gezinshuizen en optimaal betekenisvol contact met het kind. De planning voor het vaststellen van deze hernieuwde samenwerkingsafspraken is najaar 2026. Aanvullend op deze samenwerkingsafspraken zijn er geen wetsvoorstellen in voorbereiding.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
In regio’s zijn stappen gezet om de verbinding tussen school en onderwijs te versterken. Onder meer door het aanstellen van vaste contactpersonen voor onderwijspartners. Deze contactpersonen zijn goed bereikbaar en gemakkelijk te vinden voor scholen, beantwoorden vragen vanuit het onderwijs en vertalen signalen en verbeterpunten intern door binnen Veilig Thuis. Overigens is in het Handelingsprotocol van Veilig Thuis opgenomen dat scholen vanuit Veilig Thuis altijd de informatie krijgen die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Ook krijgt de school altijd een terugkoppeling.
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Een goede screening van pleegouders is belangrijk. Hiervoor moet een zorgvuldige procedure doorlopen worden, bestaande uit voorbereiding en beoordeling van de geschiktheid van pleegouders door de pleegzorgaanbieders, aangevuld met een justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming.
De IGJ heeft in het thematisch toezicht naar de pleegzorg onder meer gekeken naar de screening en heeft op dit gebied geen aanbevelingen gedaan.
Desalniettemin hebben pleegzorgaanbieders het Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening vervroegd geëvalueerd. Binnen deze evaluatie wordt kritisch gekeken naar het opvragen van referenten, informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders onderling en screening en voorbereiding van netwerkpleegouders. Het nieuwe Kwaliteitskader is eind vorige maand bestuurlijk vastgesteld.
Ten aanzien van de justitiële screening (Verklaring van Geen Bezwaar) die de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van de pleegzorgaanbieder uitvoert, past de RvdK sinds de herziening van zijn handreiking in februari 2025 consequent het vier-ogen-principe toe bij besluitvorming over (her-)screeningen van pleeggezinnen. Ter versterking van de zorgvuldigheid raadpleegt de RvdK op vaste momenten in het justitiële (her-)screeningstraject de Gecertificeerde Instelling en de pleegzorgaanbieder op het moment dat er zorgen zijn. Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft kunnen er meer informanten worden geraadpleegd.
Naast een goede screening is vooral goede ondersteuning en begeleiding van pleegouders belangrijk, zodat eventuele zorgen over de opvoedsituatie tijdig in beeld komen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders gebeurt primair door de pleegzorgwerkers en begeleiding vanuit de aanbieders. De komende periode geven de pleegzorgaanbieders uitvoering aan hun verbeteragenda, waar het versterken van de begeleiding van pleegouders een kernonderdeel van is.
Verder is het van belang dat pleegouders ergens terecht kunnen met vragen en klachten, als zij er niet uitkomen met de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor geef ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdstem. Zij kunnen pleegouders ondersteunen. Aanvullend heb ik maatregelen genomen voor het beter ondersteunen van pleeggezinnen zoals het financieel mogelijk maken van kinderopvang voor pleegkinderen en het uitbreiden van de bijzondere kostenvergoeding in het vrijwillig kader.
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Het LECK heeft als primaire taak artsen te adviseren bij vermoedens van kindermishandeling. Dit advies is gebaseerd op medische informatie en fotomateriaal en richt zich op de vraag of geconstateerd letsel past bij de beschreven toedracht, of dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke kindermishandeling. Voor een zorgvuldige beoordeling is het daarbij van belang dat het LECK beschikt over kwalitatief goede informatie.
Via de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn er verschillende routes waarlangs deze expertise kan worden ingezet. Zo kan Veilig Thuis medische professionals adviseren eerst een consult bij het LECK aan te vragen voordat een melding wordt gedaan. Daarnaast kunnen Veilig Thuis en vertrouwensartsen bij een vermoeden van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik advies of onderzoek laten uitvoeren door een forensisch arts.
Het aantal adviezen van het LECK is de afgelopen jaren toegenomen, en ook de financiering is in die periode substantieel gegroeid. Ik vind het belangrijk dat de expertise van het LECK behouden blijft en toegankelijk is voor de professionals die daarop zijn aangewezen. In lijn met de aangenomen motie Krul-Westerveld ben ik daarom met het LECK en andere betrokken partijen in gesprek over hoe deze expertise duurzaam kan worden geborgd. Daarnaast verken ik hoe de samenwerking en afstemming tussen gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, forensische expertiseorganisaties en het LECK in breder verband verder versterkt kunnen worden.
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Ik herken de ernst van de problemen binnen het stelsel. Met de betrokken partners voer ik overleg over de aanpak daarvan, vooralsnog binnen het bestaande financiële kader en met de extra POK-middelen die regio's hebben ontvangen: € 18 miljoen in 2026 en € 17 miljoen in 2027. Over de veranderstrategie van het Toekomstscenario zal ik uw Kamer in juli informeren.
steeds).
Het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek in het huidige jaar 37,56 procent bedraagt? Klopt het dat dit kabinet voornemens was om de hypotheekrenteaftrek te verruimen naar 38,19 procent (2027) en 38,23 procent (structureel), een verruiming van € 281 miljoen?
Als logisch gevolg van de wettelijke systematiek voor het bepalen van het maximale aftrektarief voor grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief van de tweede schijf. Dat is geregeld in het tweede lid van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet inkomstenbelasting 2001. Het maximale aftrekpercentage is vormgegeven als een tariefcorrectie. Deze tariefcorrectie komt er inderdaad in 2026 op neer dat het maximale aftrektarief 37,56% (de hoogte van het tarief van de tweede schijf) bedraagt.
Voor de komende jaren zal het kabinet de afspraken van het coalitieakkoord verwerken in de belastingwetgeving. Voor wat betreft de belastingtarieven kan dit tot gevolg hebben- vanwege de compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies – dat het tarief in de eerste en tweede schijf stijgt. Dit is de standaardsystematiek voor de compensatie van de zorgpremies. Deze systematiek is bijvoorbeeld toegepast door het voorgaande kabinet voor de maatregelen op de zorg bij het hoofdlijnenakkoord, en gedurende de kabinetsperiode voor de besluitvorming over de zorguitgaven (onder andere in de Voorjaarsnota 2025). Ook in het kabinet daarvoor is deze systematiek gevolgd (zie bijvoorbeeld Miljoenennota 2023). Hierdoor komt de lastenverzwaring terecht bij een brede doelgroep die ook profiteert van de lagere zorgpremies, waardoor er een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld ontstaat. Als gevolg van de wettelijke systematiek beweegt het maximale aftrektarief automatisch mee met het tarief in de tweede schijf. Het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan het tarief in de één na hoogste belastingschijf. Momenteel is dat de tweede schijf. Deze systematiek van een tariefscorrectie op de hoogste schijf, geldt sinds de afbouw is gestart in 2014. Tijdens de afbouwfase werd er telkens met een steeds groter percentage gecorrigeerd op het hoogste belastingtarief (eerst was dit met 0,5%, later werd de afbouw versneld). Vanaf het moment dat de afbouw voltooid was, is de tariefscorrectie het verschil tussen het tarief van de derde en de tweede schijf van de inkomstenbelasting.
De hoogte van de belastingtarieven voor volgend jaar loopt mee in de augustusbesluitvorming. Als de compensatie zorgpremies via het tarief in de eerste en tweede schijf in de IB zou lopen, zou naar de huidige verwachtingen, het tarief in de tweede schijf, en daarmee ook het maximale aftrektarief, 38,19% bedragen in 2027 en 38,23% structureel vanaf 2030. Deze tarieven zouden in dat geval een verhoging van 0,60%-punt in 2027 en 0,79%-punt in 2030 bevatten ten opzichte van het basispad als gevolg van de compensatie zorgpremies uit het coalitieakkoord.1
In het geval dat het maximale aftrektarief met 0,60%-punt stijgt, neemt het budgettair belang van de aftrekposten in de IB met € 235 miljoen toe in 2027. Voor specifiek de hypotheekrenteaftrek gaat het om € 183 miljoen in 2027. In 2030 is de tariefsverhoging 0,79%-punt en neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek met € 281 miljoen toe.
Kunt u aangeven wat de hoogte was van de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen tien jaar en per jaar aangeven of dit tarief wel/niet gelijk was aan het tarief tweede schijf?
In de hierna weergegeven tabel zijn de maximale aftrekpercentages en het tarief van de tweede schijf voor de laatste tien jaren opgenomen. In de periode 2020 t/m 2024 was er sprake van een gemeenschappelijk basistarief naast het toptarief.2 Tot 2020 bestonden er vier schijven in de inkomstenbelasting. Ik heb daarom voor de volledigheid ook het tarief van de schijf die qua hoogte meer overeenkomt met het huidige tarief in de tweede schijf in de tabel opgenomen.
Vanaf 2014 is deze wettelijke systematiek geïntroduceerd en vanaf 2023 is als gevolg van de wettelijke koppeling het maximale aftrekpercentage gelijk aan de hoogte van de tweede belastingschijf. In de jaren daarvoor is het maximale aftrekpercentage hoger dan het tarief in de 2e schijf. Dit komt doordat in eerdere jaren het maximale aftrektarief stapsgewijs werd afgebouwd van het toptarief naar het tarief in de één na hoogste schijf.
37,56
37,56
37,48
37,48
36,97
36,97
36,93
36,93
40
37,07
43
37,10
46
9,70
37,35
49
10,45
38,10
49,5
13,20
40,85
50
13,15
40,80
Klopt het dat de hoogte van de hypotheekrenteaftrek niet per definitie gelijk hoeft te zijn aan het tarief van de tweede schijf en dat het dus een politieke keuze is wat de hoogte is van de hypotheekrenteaftrek?
De hoogte van het maximale aftrektarief is wettelijk gekoppeld aan de hoogte van het tarief in de tweede schijf. Deze koppeling geldt voor alle zogenoemde grondslagverminderende posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de giftenaftrek. Op dit moment is dit zo vormgegeven in zowel de wet als de ICT-systemen van de Belastingdienst. Dat betekent dat dit – omwille van uitvoerbaarheid – niet op ieder moment gewijzigd kan worden (zie ook het antwoord op vraag 4).
Klopt het dat het beleidsmatig verlagen van het maximale aftrekpercentage mogelijk is per 1 januari 2028? Klopt het dat het aanpassen van het eigenwoningforfait mogelijk is per 1 januari 2027?
Het aanpassen van het eigenwoningforfait is voor de uitvoering een parameterwijziging en zou uitvoeringstechnisch mogelijk zijn per 1 januari 2027.
Het maximale aftrektarief is op dit moment vormgegeven als een tariefscorrectie. Dit was ook zo ten tijde van de afbouw van de hypotheekrenteaftrek vanaf 2014 en vanaf 2020 de andere grondslagverminderende posten. Volgens deze systematiek was het altijd de bedoeling dat de beperking niet verder ging dan het verschil tussen de hoogste en de op een na hoogste schijf. Zoals ook te zien is in de hiervoor opgenomen tabel, gold dit ook tijdens het afbouwpad tot 2023. Naar aanleiding van de motie van de leden Grinwis en Stultiens3 heeft de Belastingdienst een quickscan opgesteld (zie de bijlage). De motie verzoekt het kabinet inzichtelijk te maken wanneer het mogelijk is het tarief voor de aftrekposten in box 1 als zelfstandige tariefknop te implementeren in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Uit de quickscan blijkt dat het voorstel een grote IV-impact heeft, en op zijn vroegst uitvoerbaar is per belastingjaar 2029.
Erkent u dan ook dat de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) wel degelijk uitvoerbaar is, dat de motie geen geld kost maar geld oplevert en dat er dus geen enkele valide reden is om de motie niet uit te voeren?
Zoals in de antwoorden op de vragen 3 en 4 aangegeven, is het minder eenvoudig om een wijziging door te voeren dan wellicht op het eerste oog gedacht kan worden. In de brief van 12 mei jl.4 staat dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft, om het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
Hebt u meegekregen dat Minister Heinen aangeeft dat hij deze motie «niet kan uitvoeren»1? Kunt u nogmaals bevestigen dat deze motie wel degelijk uitvoerbaar is, dat het een politieke keuze is wat het tarief van de hypotheekrenteaftrek de komende jaren zal zijn en dat een Kamermeerderheid heeft aangegeven het huidige tarief (37,56 procent) van de hypotheekrenteaftrek niet te willen verruimen?
Vanuit uitvoeringsperspectief zijn er verschillende aspecten aan de motie. Het maximale aftrektarief loskoppelen van het tarief tweede schijf heeft een grote IV-impact, waardoor dit gewogen moet worden ten opzichte van andere beleidswensen. Andere uitwerkingen hebben geen IV-impact doordat ze aansluiten bij bestaande parameters.
Het kabinet heeft in augustus besluitvorming over de lastenkant, wat impact heeft op de belastingtarieven. Ook weegt het kabinet opties om het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 te verbeteren, wat ook impact heeft op het ICT-portfolio van de Belastingdienst. De uitkomst zal het kabinet met Prinsjesdag delen met uw Kamer.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat fiscaliteit van 24 juni 2026 en daarbij klip en klaar bevestigen dat u de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) gewoon zal gaan uitvoeren?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Het kabinet zal met Prinsjesdag komen met een reactie op de motie Stultiens.
De klimaatzaak Bonaire |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zijn de verschillende verantwoordelijke ministeries reeds in gesprek met de eisers in de Klimaatzaak Bonaire, zijnde Greenpeace Nederland en de acht inwoners van Bonaire? Zijn alle verantwoordelijke ministeries van plan dit te doen in het geval dit nog niet is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Vanaf de eerste sommatie Greenpeace op 11 mei 2023 tot op heden zijn er gesprekken geweest met Greenpeace en/of met een afvaardiging van de acht inwoners van Bonaire. De primair betrokken ministeries – het Ministerie van EZK, het Ministerie van IenW en het Ministerie van BZK – zijn aanwezig geweest bij deze gesprekken.
Wat zijn de consequenties van het vonnis voor het huidige doel voor 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 uit de nationale Klimaatwet?
De rechtbank heeft de Staat bevolen om binnen achttien maanden bindende emissiereductiedoelen voor de gehele economie in nationale regelgeving op te nemen, waaronder tussentijdse doelstellingen en trajecten voor de gehele periode tot 2050. De uitspraak van de rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat het kabinet de bevelen uit het vonnis direct moet uitvoeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. Vanzelfsprekend houdt het kabinet zich aan gerechtelijke uitspraken en werkt zij aan de uitvoering daarvan. In het vonnis stelt de rechtbank een aantal eisen, maar laat de rechtbank ook ruimte voor invulling voor hoe het vonnis uitgewerkt moet worden. Momenteel wordt bezien op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan dit mitigatiebevel. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 hierover nader te informeren, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Gezien het feit dat de rechtbank oordeelt dat de Staat heeft nagelaten om te kwantificeren hoeveel emissieruimte Nederland nog heeft als eerlijk deel van het mondiale emissiebudget dat resteert om de opwarming tot 1,5 °C te beperken, hoe gaat u dit nu alsnog kwantificeren zodat het klimaatbeleid en de klimaatdoelen in lijn komen met dit resterende budget?
Onderdeel van het mitigatiebevel is dat inzichtelijk gemaakt moet worden wat de (resterende) emissieruimte voor Nederland is. Het kabinet neemt dit mee in de uitwerking van het vonnis. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader te informeren over de wijze waarop aan het vonnis uitvoering wordt gegeven, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Bent u bekend met de kwantificering van de emissieruimte door het Ministerie van Financiën in het «Blauwe Boekje 2023–2024», waar de rechtbank in het vonnis naar verwijst? Zo ja, kunt u overwegen om de Minister van Financiën te vragen om een actualisatie van deze berekening? Hoe zorgt u dat er bij deze kwantificering en het vaststellen van nieuwe klimaatdoelen ruimte is voor inspraak en publieksconsultatie en dat dit proces gebaseerd is op de meest recente inzichten van de klimaatwetenschap?
Ja. Deze kwantificering combineert data van de mondiale emissieruimte op basis van het IPCC AR6 rapport (2023) om de opwarming van de aarde tot 1,5°C te beperken met data van het Planbureau voor de Leefomgeving, om inzichtelijk te maken welke bijdrage Nederland kan leveren aan het beperken van de klimaatverandering. Daarbij worden verschillende aannames gehanteerd om tot de becijferde emissieruimte te komen. Omdat het gaat om ramingen voor de toekomst, moet de berekening uitgaan van een bepaalde kans waarmee een scenario zich voordoet. Hierbij is gekozen voor een emissieruimte die correspondeert met een kans van 50% om het temperatuurdoel van 1,5°C te halen. Daarnaast bevat de berekening de aanname dat Nederland naar verhouding van zijn bevolkingsomvang ten opzichte van de wereldbevolking een bijdrage levert aan het tegengaan van klimaatverandering. Historische emissies zijn daarbij buiten beschouwing gelaten.
Het kabinet zal uitvoering geven aan het rechterlijk bevel om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Hierbij zal het begrip emissieruimte en de manieren waarop dit kan worden berekend, worden betrokken. Het kabinet zal bezien of een berekening op basis van bovengenoemde aannames de meest navolgbare en robuuste manier is om de emissieruimte inzichtelijk te maken. Voor het vaststellen van beleid wordt gebruik gemaakt van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Bij de voorbereiding van regelgeving ter uitvoering van het vonnis wordt voorzien in een internetconsultatie, zodat er ruimte is voor inspraak.
Welke concrete stappen neemt u nu, gezien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, om uitvoering te geven aan de veroordeling van de rechtbank om uiterlijk binnen 18 maanden, dus 28 juli 2027 nieuwe, bindende en economie-brede klimaatdoelen in de Klimaatwet vast te leggen?
Het kabinet treft de nodige voorbereidingen om aan de uitspraak van de rechtbank te voldoen. Hiervoor wordt een wetsvoorstel tot wijziging van de Klimaatwet voorbereid en daarvoor worden verschillende opties in kaart gebracht. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader te informeren over de wijze waarop aan het vonnis uitvoering wordt gegeven, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Hoe interpreteert u de vaststelling van de rechtbank dat het onrechtmatig is dat er geen bindende nationale klimaatdoelstellingen zijn om de emissies van internationale lucht- en scheepvaart terug te dringen?
In de Kamerbrief van 10 april jl. heeft het kabinet aangegeven dat de overweging van de rechtbank dat emissies van internationale lucht- en zeevaart bij het vaststellen van de nationale emissiereductiedoelen moeten worden meegenomen, naar de overtuiging van het kabinet niet aansluit bij de internationale aanpak, waarin deze emissies worden gereguleerd via gespecialiseerde VN-organisaties (ICAO en IMO). Dit vormt dan ook één van de gronden die in hoger beroep wordt aangevoerd.
Wat betekent het vonnis in de Bonaire Klimaatzaak voor het CO2-plafond voor de internationale lucht- en scheepvaart dat is voorgenomen in het coalitieakkoord? En hoe verhoudt het openen van Lelystad Airport zich tot de uitspraak?
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de totale CO2-uitstoot van de burgerluchtvaart op Schiphol en Lelystad Airport in 2030 lager moet zijn dan de uitstoot op Schiphol in 2024. Aan de uitwerking van deze afspraak wordt momenteel gewerkt. Daarbij wordt ook bezien wat de gevolgen van het vonnis in de Klimaatzaak Bonaire zijn voor deze afspraak. De komende maanden wordt nader uitgewerkt op welke wijze de afspraak kan worden geborgd. Uw Kamer wordt hierover rond de zomer geïnformeerd via een beleidsbrief luchtvaart.
Bent u bekend met het rapport «Effectinschatting klimaatmaatregelen Coalitieakkoord» van onderzoeksbureau Kalavasta, waaruit volgt dat er een gat van tenminste 6 megaton is tussen het huidige Nederlandse klimaatbeleid en het 2030-doel van 55% reductie? Welke maatregelen, zowel normerend als beprijzend, gaat u nemen om dit gat te dichten en uitstootreductie te versnellen, inclusief voor lucht- en scheepvaart?
Het kabinet is bekend met dit rapport. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om in het voorjaar van 2027, indien nodig, nationaal geborgde maatregelen te treffen om het doel van 2040 te halen. Het kabinet zal dit rapport bestuderen en meenemen in de voorbereiding voor het voorjaar van 2027.
Kunt u aangeven wat de consequentie van het klimaatzaakvonnis is voor methaan en andere broeikasgasemissies in de landbouw en hoe dit zich verhoudt tot het eerdere vonnis van de rechtbank Den Haag in de rechtszaak van Greenpeace tegen de Staat over stikstofdepositie?
Het bevel van de rechtbank is om absolute emissiereductiedoelen voor de gehele economie in nationale regelgeving op te nemen, dus inclusief landbouw.
Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Den Haag in de bodemprocedure van Greenpeace over de maatregelen die de Staat treft om de stikstofbelasting op de meest kwetsbare natuur te verminderen, heeft voormalig Minister van LVVN uw Kamer op 11 april 2025 geïnformeerd dat het kabinet heeft besloten om hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen1. De uitkomst van dit hoger beroep is nog niet bekend. Aangezien ook dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, worden – in lijn met het kabinetsbeleid – maatregelen genomen om de stikstofbelasting op de meest kwetsbare natuur te verminderen. Een aantal van deze maatregelen heeft ook een effect op de reductie van broeikasgasemissies in de landbouw.
Klopt het dat de Verenigde Staten en/of Amerikaanse bedrijven gas en/of olie willen winnen voor de kust van de BES-eilanden en de CAS-eilanden? Kunt u een overzicht bezorgen van alle fossiele winningsprojecten op de eilanden, in de territoriale wateren en in de nabijheid van de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden?
Er zijn geen actieve winningsprojecten in de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden. Voor Aruba heeft Compania Arubano di Petroleo N.V. (CAP) in 2024 een overeenkomst gesloten met Armstrong Oil & Gas Exploration (een Amerikaanse onderneming) om exploratieonderzoek uit te voeren in de territoriale wateren van Aruba. Volgens de huidige stand van zaken betreft dit nog uitsluitend studies en exploratieactiviteiten. Er vindt geen commerciële winning plaats. Het verdere verloop hangt af van de resultaten van technische evaluaties en de besluitvorming door de Arubaanse regering.
Welke instantie beslist of dergelijke winningsprojecten al dan niet mogen doorgaan? Vallen dergelijke winningsprojecten onder de Nederlandse Mijnbouwwet?
De Nederlandse Mijnbouwwet is niet van kracht in de Caribische delen van het Koninkrijk. Specifiek op de Saba Bank is de Petroleumwet Saba Bank BES van kracht. Hier heeft Saba Bank Resources N.V. een vergunning voor exploratie. Voor de CAS-eilanden geldt dat zij als autonome landen binnen het Koninkrijk zelf bevoegd zijn voor besluitvorming over eventuele opsporings- en winningsactiviteiten in hun territoriale wateren.
Bent u het ermee eens dat dergelijke fossiele winningsprojecten door een niet-Europese mogendheid tot een geopolitiek onwenselijke ontwikkeling kan leiden?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat eventuele winning van olie of gas in de Caribische delen van het Koninkrijk zou leiden tot een significante positie op de internationale olie- of gasmarkt. Eventuele aanvragen voor exploratie- of winningsactiviteiten worden beoordeeld op basis van de geldende wet- en regelgeving en een integrale afweging van alle relevante belangen. Daarbij moet een bedrijf voldoen aan de geldende milieu-, veiligheids- en andere vereisten. Ook worden economische, veiligheids- en geopolitieke aspecten betrokken, waarbij rekening wordt gehouden met bredere strategische belangen en afhankelijkheden.
Waarom zijn adaptatiemaatregelen op Bonaire systematisch later opgepakt dan in Europees Nederland, en hoe gaat u deze achterstand inhalen? Zal een dergelijke inhaalbeweging voldoende zijn om de mensen op Bonaire effectief te beschermen tegen schade ten gevolge van klimaatrampen?
Sinds Bonaire onderdeel werd van het land Nederland in 2010 zijn er substantiële investeringen geweest op het eiland. Aanvankelijk richtte dit zich op het op orde brengen van de basisvoorzieningen. Er is veel geïnvesteerd in verschillende domeinen, waaronder in zaken die bijdragen aan het verminderen van kwetsbaarheden van kleine eilanden zoals weerwaarschuwingssystemen, drink- en afvalwatersystemen, natuurbeheer. Al deze zaken dragen bij aan klimaatadaptatie.
Verder is recent het klimaatplan Bonaire aangeboden aan het Bestuurscollege Bonaire. Dit plan is lokaal opgesteld door de Klimaattafel Bonaire, in opdracht van het openbaar lichaam Bonaire en met ondersteuning vanuit het Rijk. In dit plan zijn verschillende maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren.
Daarnaast is het streven dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) vast te stellen. De NAS omvat ook Caribisch Nederland. In de NAS geeft het Rijk aan wat de nationale ambitie is voor klimaatadaptatie, welke concrete doelen daarbij horen en hoe we ons als Rijk de komende jaren zullen inspannen om deze ambitie en doelen te halen. Recent is de ontwerp-NAS vastgesteld. Dit ontwerp ligt nu in consultatie. Het streven is om samen met de definitieve NAS ook een uitvoeringsprogramma vast te stellen waarin ook voor Caribisch Nederland concreet wordt gemaakt hoe deze inspanningen tot uitvoer zullen komen. Bij de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma zal ook het Klimaatplan Bonaire worden meegenomen.
Wat betekent het vonnis voor Saba en Sint-Eustatius, en in hoeverre wordt hier nu opvolging aan gegeven, inclusief preventieve maatregelen om alle inwoners van de BES-eilanden te beschermen tegen klimaatrampen en daarbij de gelijkwaardigheid van inwoners te borgen?
Het vonnis van de rechtbank gaat over Bonaire. Het kabinet is er echter van doordrongen dat het net zo goed de taak heeft om de inwoners van Saba en Sint Eustatius voldoende te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het kabinet neemt die taak serieus en geeft daar invulling aan, onder meer door te werken aan de NAS en het uitvoeringsprogramma die ook Saba en Sint Eustatius beslaan. Het streven is om beide dit jaar vast te stellen. Zie hierover het antwoord op vraag 13.
Verder wordt op Saba en Sint Eustatius gewerkt aan klimaatplannen. Op Sint Eustatius is het klimaatplan vastgesteld door het Bestuurscollege. Op Saba bevindt dit plan zich in een afrondende fase. Bij de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma zullen naast het Klimaatplan Bonaire ook de klimaatplannen van Saba en Sint Eustatius worden meegenomen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de rechtbank Den Haag stelt dat het huidige adaptatiebeleid voor Bonaire onvoldoende en zelfs discriminatoir is? Welke conclusies trekt u uit de erkenning dat het Nederlandse beleid discriminatoir is?
De rechtbank oordeelt dat de inwoners van Bonaire bij het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. De rechtbank erkent wel dat er sinds 2023 goede stappen zijn genomen om tot passende maatregelen te komen. Het kabinet zal deze inspanningen doorzetten en samen met het Openbaar Lichaam Bonaire doen wat voor de inwoners van Bonaire nodig is.
Hoe gaat u om die discriminatie tegen te gaan het «gelijkwaardig beschermingsniveau» voor de BES-eilanden wettelijk verankeren? Is er voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius reeds een analyse gebeurd, waarbij voor ieder eiland afzonderlijk een inschatting is gemaakt van de kwetsbaarheid voor toenemende klimaatrampen alsook van hun financiële en andere capaciteit om adequaat op rampen te reageren? Krijgen de eilanden dezelfde veiligheidsnormen (overstromingskansen) als de Nederlandse kust?
Er zijn verschillende gevolgen van klimaatverandering. Mede als gevolg van de geografische en klimatologische omstandigheden op deze eilanden zullen deze gevolgen zich op verschillende wijze manifesteren op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES). In 2016 is een onderzoek naar de gevolgen door overstromingen uit zee en hevige neerslag uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit onderzoek is in 2024 geactualiseerd aan de hand van de KNMI’23 klimaatscenario’s. Voor andere gevolgen van klimaatverandering worden soortgelijke analyses voorbereid in het kader van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS). De situatie tussen Europees Nederland en de BES-eilanden en tussen de BES-eilanden onderling verschilt. Daardoor is het niet mogelijk en niet wenselijk om overal dezelfde veiligheidsnormen te hanteren en is er reden voor maatwerk. Er wordt dan ook per eiland een inschatting gemaakt van de relevante risico’s en hierop wordt het beleid afgestemd. Hierbij geldt het grondwettelijk verankerde gelijkheidsbeginsel als uitgangspunt.
Bent u bereid om per direct dezelfde overstromingskansnormen wettelijk te verankeren voor Bonaire als voor Europees Nederland of, indien deze overstromingskansnormen onvoldoende zijn om alle inwoners van Bonaire afdoende te beschermen, bent u bereid striktere normen voor Bonaire wettelijk te verankeren? Zo nee, welke normen zullen dan worden toegepast om te voldoen aan het discriminatieverbod?
Bij de verdere uitwerking van het waterveiligheidsbeleid voor Bonaire zal het discriminatieverbod worden betrokken. Het kabinet gaat daarbij voor de BES-eilanden uit van een beschermingsniveau dat, rekening houdend met de lokale omstandigheden, vergelijkbaar is met dat van Europees Nederland. Van belang is dat de aard en gevolgen van overstromingen op Bonaire wezenlijk verschillen van die in Europees Nederland, dat wordt gekenmerkt door de ligging in een laaggelegen delta met polders, rivieren en primaire waterkeringen. Bonaire daarentegen, is grotendeels boven de zeespiegel gelegen en heeft vooral te maken met tropische stormen en daardoor veroorzaakte stormvloeden en de effecten van hevige neerslag die met name samenhangen met onvoldoende afwatering. Het handelingsperspectief op Bonaire richt zich dan ook op het tijdig waarschuwen, inzet van de crisisorganisatie en ruimtelijke ordening.
Overigens wordt in Europees Nederland voor waterveiligheid gewerkt met het principe van meerlaagsveiligheid. Dit houdt in dat we overstromingsrisico’s aanpakken via drie pijlers: preventie (dijken en keringen), ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing. Een vergelijkbare benadering ligt ook voor Bonaire in de rede. Verder is relevant dat er momenteel geen wettelijke grondslag is voor het vastleggen van waterveiligheidsnormen voor de BES-eilanden.
Hoe garandeert u dat de geëiste kustbescherming op Bonaire uiterlijk in 2030 volledig geïmplementeerd is, en welk budgettair pad is hiervoor nu reeds vastgelegd om te voorkomen dat plannen slechts bij ambities blijven?
In het ontwerp van de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) worden de doelen en inspanningen genoemd die nodig zijn om Caribisch Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. De verdere uitwerking van deze doelen vindt plaats in de uitvoeringsstrategie, die naar verwachting eind 2026 gelijktijdig met definitieve NAS wordt vastgesteld.
In het kader van de Klimaattafel Bonaire is de afgelopen jaren gewerkt aan voorstellen om de weerbaarheid van Bonaire tegen onder meer zeespiegelstijging, oceaanopwarming en kusterosie te vergroten. Naar verwachting zullen de aanbevelingen van de Klimaattafel, waaronder die ten aanzien van kustbescherming, worden betrokken bij de verdere uitwerking van het uitvoeringsprogramma om zo tijdig maatregelen te treffen die bijdragen aan het verminderen van klimaat gerelateerde risico’s.
Waarom is de waterveiligheid van Bonaire nog niet structureel gekoppeld aan het Deltafonds? In hoeverre kan en zal het Deltafonds worden opengesteld voor de BES-eilanden? Zal de regering ervoor zorgen dat er voldoende budget in het fonds is voor de adaptatienoden van zowel Europees als Caraïbisch Nederland? Wat is hiervoor nodig?
De bepalingen over het Deltafonds zijn onderdeel van de Waterwet. De reikwijdte van de Waterwet is beperkt tot Europees Nederland. Hierdoor maken de BES-eilanden (Caribisch Nederland) geen onderdeel uit van de scope van het Deltafonds. Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Voor de BES-eilanden geldt dat financiering van infrastructuur, klimaatadaptatie en waterbeheer momenteel via andere instrumenten verloopt, zoals bijzondere uitkeringen, het BES-fonds en aanvullende, thematische programma’s.
Bent u bereid om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten zodat naast de benodigde en omvangrijke investeringen in adaptatiemaatregelen ten aanzien van waterveiligheid, ook maatregelen in het kader van bijvoorbeeld hitte, gezondheid en natuur tijdig kunnen worden gefinancierd? Of middels welke fondsen zal u zorgen voor een equivalent beschermingsniveau tegen klimaatverandering op Bonaire?
Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Er is op dit moment niet voorzien om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten. De inspanningen en maatregelen die nodig zijn om de weerbaarheid van Caribisch Nederland te vergroten tegen de verschillende gevolgen van klimaatverandering zullen gefinancierd worden vanuit de begrotingen van de daarvoor verantwoordelijke departementen.
Tot welke Europese fondsen hebben de BES-eiland toegang voor de financiering van adaptatie- en mitigatiemaatregelen? Hebben ze gelijke toegang tot alle fondsen die de lidstaten ter beschikking staan als gemeenten in continentaal Europa of worden ze hiervan uitgesloten? Hebben ze toegang tot Europese fondsen voor internationale klimaatadaptatie?
Niet alle EU fondsen zijn toegankelijk voor de BES-eilanden, sommige programma’s echter wel zoals BESTLIFE 2030 en Life IP. De Kamer is in 2023 geïnformeerd over de fondsen waarvoor de LGO in aanmerking komen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 410 IV, nr. 35). Daarnaast is het ook niet altijd makkelijk om vanuit de BES-eilanden een succesvol aanvraag in te dienen. Om het identificeren van geschikte fondsen en het succesvol indienen van aanvragen te bevorderen, heeft Nederland in 2023 een speciaal gezant voor Caribisch Nederland voor EU-fondsen benoemd., De speciaal gezant zet zich in voor betere benutting van fondsen van de EU voor de BES-eilanden.
Is de toegang van BES- en CAS-eilanden tot Europese financiering gelijkwaardig aan de toegang van de Franse overzeese departementen en gebieden, zoals het Franse gedeelte van Sint-Maarten?
Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint-Maarten hebben binnen de Europese Unie (EU) allen de status van landen en gebieden overzee (LGO). De geoormerkte financiële middelen voor de LGO zijn per Meerjarig Financieel Kader (MFK)-periode geregeld in het LGO-besluit. Het Franse Saint Martin heeft echter de status van ultraperifeer gebied (UPG) en is daarom, in tegenstelling tot de LGO, onderdeel van de interne markt van de EU. Dit gaat samen met de toegang tot Europese structuurfondsen, zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Daartegenover staat dat de UPG’s alle interne marktregels moeten toepassen, met uitzondering van enkele uitzonderingen.
Voor de horizontale/thematische, niet geoormerkte, fondsen geldt dat de Europese Commissie in de huidige MFK-periode (2021–2027) de toegang tot de verschillende fondsen voor de LGO heeft verbeterd. Deze ambitie wordt voortgezet in het voorstel voor het nieuwe LGO-besluit, waarbij wordt ingezet op het verbeteren van de aansluiting van de LGO op de brede EU-financieringsarchitectuur. Er bestaan echter wel verschillen tussen de LGO en UPG ten aanzien van EU financiering. In het verslag van EU-rapporteurs Roelien Kamminga (VVD) en Jorien Wuite (D66) uit 2023 wordt gedetailleerd weergegeven om welke fondsen het gaat.2
Hoe kan het dat na orkaan Irma het Franse deel van Sint-Maarten beter beschermd was en/of sneller kon heropbouwen dan het deel binnen het Koninkrijk der Nederlanden? Wat zijn de oorzaken hiervan? Welke verschillen zaten er in de toegang tot Europese financiering? En hoe verschilde de financiering voor zowel preventieve maatregelen als voor wederopbouw vanuit Den Haag met de financiering vanuit Parijs?
De verschillen in herstel tussen het Franse Saint-Martin en het Nederlandse Sint Maarten na orkaan Irma (2017) komen voornamelijk door verschillen in politieke structuren, toegang tot EU-middelen, financieringsstructuren en bestuurscapaciteit. Saint-Martin is Frans gebied, terwijl Sint-Maarten een autonoom land is binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Saint-Martin had hierdoor de voordelen van snelle toewijzing van EU-gelden zoals Noodfondsen, centrale coördinatie door Parijs, en integratie in Franse noodplannen. Frankrijk zegde direct € 1,2 miljard toe voor alle Franse Caribische eilanden. Nederland stelde € 550 miljoen beschikbaar aan Sint-Maarten, waarmee snelle noodhulp is geboden voor de acute gevolgen van de orkaan en vervolgens steun is geleverd via het Trustfonds wederopbouw Sint Maarten van de Wereldbank, waarvan de projecten voorspoedig verlopen.
Wat zijn de risico's voor de CAS- en BES-eilanden van de aangekondigde Super El Niño? Wat is de huidige staat van paraatheid van de verschillende eilanden? Wat doet u om de eilanden te ondersteunen in hun weerbaarheid tegen dit fenomeen? Welke extra stappen worden er gezet?
Er is inderdaad een grote kans op een El Niño3, en ook dat het een relatief zware El Niño kan worden. El Niño zorgt in de regio van de CAS en BES eilanden doorgaans voor een kleinere kans op orkanen, hogere temperaturen en minder neerslag. In termen van risico betekent het dus een lagere kans op orkanen (maar de kans op een orkaan blijft natuurlijk altijd bestaan tijdens het orkaanseizoen), een hogere kans op droogte en daarbij horende impacts waaronder gezondheidsrisico's gerelateerd aan droogte en hitte, en gevolgen voor biodiversiteit en landbouw. In het kader van weerbaarheid worden met alle eilanden kennis en planvorming op gebied van crisisbeheersing uitgewisseld, onder andere tijdens de Week van de crisisbeheersing Caribische delen van het Koninkrijk. Crisisbeheersing is verder een landsaangelegenheid.
Welke extra expertise en uitvoeringskracht acht het Rijk voor het Openbaar Lichaam Bonaire nodig om ervoor te zorgen dat er voldoende lokale capaciteit is om de plannen uit te voeren?
Het gebrek aan uitvoeringskracht en specialistische expertise is een terugkerende uitdaging. Het Rijk werkt met het Openbaar Lichaam Bonaire aan structurele verbetering hierin. Daarnaast zal bij de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) en het bijbehorende uitvoeringsprogramma bezien worden of er aanvullende inspanningen nodig zijn om deze klimaatplannen uit te voeren.
Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen opdat de BES-eilanden op korte termijn volledig overgaan op duurzame energie, zodat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import?
Het kabinet zet zich samen met de eilandelijke overheden en energiebedrijven in voor de verdere verduurzaming van de energievoorziening op de BES-eilanden. De afgelopen jaren zijn vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat middelen beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van duurzame energie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De uitvoering van deze projecten beslaat meerdere jaren en draagt eraan bij dat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import. Op Saba en Sint Eustatius verlopen de verduurzamingsprojecten voorspoedig. Er zijn plannen voor 90% duurzame energie op Saba (huidig 38%) en 85% op Sint Eustatius (huidig 55%)4. De elektriciteitsproducent van Bonaire beschikt over middelen en geheel uitgewerkte plannen voor de verdere verduurzaming met zonne- en windenergie tot 70% duurzame elektriciteit. Een uitdaging bij de realisatie is de vergunningverlening door het openbaar lichaam Bonaire.
Eventuele bijkomende maatregelen worden in nauwe samenwerking met de betrokken stakeholders op de eilanden uitgewerkt. Daarbij wordt gekeken naar welke aanvullende stappen technisch, financieel en bestuurlijk haalbaar zijn om de verduurzaming van de energievoorziening verder te versnellen, rekening houdend met de lokale omstandigheden en de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de energievoorziening. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat blijft hierover in gesprek met de openbare lichamen, energiebedrijven en andere betrokken partijen en zal waar nodig ondersteuning bieden in de vorm van expertise, facilitering en financiering.
Hoe kunt u ervoor zorgen dat energie betaalbaar is voor inwoners van Bonaire, ook gezien de toenemende noodzaak van energieverbruik voor airconditioning als gevolg van de opwarming van de aarde?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat verstrekt structurele subsidies om de kosten voor netbeheer van elektriciteit op Bonaire te verlagen. Hierdoor zijn deze kosten de afgelopen jaren teruggebracht tot een niveau dat vergelijkbaar is met dat in Europees Nederland. Daarnaast investeert het kabinet in de uitbreiding van duurzame energie op het eiland. Door het vergroten van het aandeel duurzame energie wordt de afhankelijkheid van invoer van fossiele brandstof verminderd, wat bijdraagt aan lagere energiekosten voor inwoners. Zie hierover het antwoord op vraag 26.
Kunt u aangeven welke maatregelen u treft tegen de gevolgen van de toenemende hitte en extreme neerslag op Bonaire? Welke aanvullende stappen zijn noodzakelijk en wat is de investeringsopgave hiervan?
Voor de toenemende hitte ondersteunt het kabinet de publieke gezondheid via de openbare lichamen, waarbij ook aandacht is voor hittestress, Zo verkent de GGD Bonaire wat er nodig is om een hitteplan op te stellen. Het kabinet verkent ook hoe kennis te ontwikkelen over wateroverlast door extreme neerslag binnen de verschillende lagen van meerlaagsveiligheid. Dit betreft zowel het modelleren van de gevolgen van extreme neerslag als het opzetten van een regenwaterbeheerplan. Deze verkenningen zullen ook leiden tot betere inzichten over aanvullende stappen en de benodigde financiering hiervan.
Welke maatregelen kan het kabinet nemen tegen de onder andere door klimaatverandering veroorzaakte sargassumcrisis, die de economie van Caraïbisch Nederland ernstig schaadt, met name in toerisme en visserij?
Aangespoelde sargassum kan verwijderd worden op plaatsen waar het hinder veroorzaakt langs de kust. In de eerste fase van het Natuur en Milieu Beleidsplan zijn daarom door het kabinet middelen ter beschikking gesteld voor Bonaire voor de aanschaf van apparatuur en materialen om sargassum langs de kust op te ruimen. Indien er in Caribisch Nederland grote problemen ontstaan met aangespoeld sargassum zal het kabinet in gesprek gaan over een gepaste oplossing.
Hoe beoordeelt u de relevantie van de rechtsoverwegingen in het Bonaire-vonnis voor de overige landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten), gezien de gedeelde verantwoordelijkheid voor de waarborging van mensenrechten (artikel 43 Statuut)? Erkent u dat de Staat der Nederlanden een coördinerende en faciliterende verantwoordelijkheid heeft om te waarborgen dat ook de inwoners van de CAS-eilanden een gelijkwaardig niveau van mensenrechtelijke bescherming tegen klimaatgevaren genieten, met in ogenschouw nemend het vereiste respect voor de autonome status van deze landen?
Het vonnis gaat over Bonaire. Bonaire maakt deel uit van het land Nederland. Curaçao, Aruba en Sint Maarten (CAS-landen) maken geen deel uit van het land Nederland maar zijn autonome landen binnen het Koninkrijk. Dat staatkundige verschil maakt dat de rechtsoverwegingen uit het vonnis niet 1-op-1 van toepassing zijn voor de CAS-landen.
In artikel 43 Statuut is opgenomen dat elk land zorgdraagt voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden. Daarmee is het primair een taak van de landen om ervoor te zorgen dat de mensenrechten gerealiseerd en beschermd worden. In het geval dat niet lukt of kan, kan het Koninkrijk via de waarborgfunctie ingrijpen. De vier landen van het Koninkrijk zijn het erover eens dat dit een ultimum remedium is.
Bent u bereid om, in de geest van het vonnis, proactief met de regeringen van de CAS-eilanden in gesprek te gaan over een Koninkrijksbreed Klimaatfonds, zodat ook daar de noodzakelijke adaptatiemaatregelen om mensen(rechten) te beschermen in de klimaatcrisis gefinancierd kunnen worden die de lokale draagkracht te boven gaan?
Op dit moment is niet voorzien om een meerjarig Koninkrijksbreed Klimaatfonds op te richten. De CAS-eilanden zijn zelf verantwoordelijk voor het financieren van inspanningen en maatregelen die nodig zijn om de weerbaarheid van de CAS-eilanden te vergroten tegen de gevolgen van klimaatverandering. Wel is actieve ondersteuning mogelijk via kennisuitwisseling als bijdrage aan de klimaatadaptatie strategie op de eilanden.
Bent u het ermee eens dat, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden de officiële verdragspartij is bij de UNFCCC, de belangen van de CAS-landen en BES-eilanden integraal onderdeel moeten zijn van de Nederlandse en dus ook Europese inzet in internationale klimaatonderhandelingen? Kunt u toelichten hoe de structurele consultatie met de regeringen en lokale besturen van deze eilanden is vormgegeven in de aanloop naar de jaarlijkse COPs?
Het Koninkrijk der Nederlanden is als geheel verdragspartij bij het VN Raamverdrag inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de Overeenkomst van Parijs. De Overeenkomst van Parijs is op internationaal niveau alleen voor Europees Nederland aanvaard. Dit betekent dat de territoriale gelding van de Overeenkomst van Parijs beperkt is tot het Europese deel van het Koninkrijk. De uit de verdragen voortvloeiende verplichtingen zijn dan ook alleen van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk. Ook de dataverzameling van broeikasgasemissies en de rapportage aan de UNFCCC en aan de Europese Commissie hebben alleen betrekking op het Europese deel van het Koninkrijk.
Het gehele jaar door vindt er op ambtelijk niveau overleg plaats met het Caribisch deel van het Koninkrijk, met een intensivering richting de COP. Alle zes de eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk worden gevraagd om een gezamenlijke inzet te formuleren voor de COP, die wordt opgenomen in de Koninkrijksinstructie. Deze inzet wordt op het hoogste niveau (ministerieel voor de landen en met de gezaghebber op de eilanden) afgestemd en geaccordeerd op de CAS-eilanden, de BES-eilanden en uiteindelijk in de Rijksministerraad. De zes Caribische delen van het Koninkrijk worden ook in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan de COP. Tijdens COP28 heeft bijvoorbeeld de MP van Curaçao deelgenomen en tijdens COP29 hebben de BES-gezant en ambtelijke vertegenwoordiging van Curaçao deelgenomen. Tijdens COP25 en COP26 is er ministeriële deelname geweest van respectievelijk Curaçao en Aruba. Tijdens COP21 is er op politiek niveau deelname geweest van alle drie de CAS-landen.
Erkent u dat «effectieve bescherming», zoals geëist in het vonnis, onmogelijk is zonder een structurele meerjarige financiering die direct aansluit op de lokale behoeften die aan de Klimaattafel zijn geformuleerd? Hoeveel extra middelen zijn er volgens u nodig, en hoeveel middelen zal het Rijk beschikbaar stellen en wanneer besluit u hierover?
Zoals in vraag 18 is toegelicht zullen de benodigde inspanningen genoemd die nodig zijn om Caribisch Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering verder uitgewerkt worden in het uitvoeringsprogramma bij de NAS. In dit proces worden ook de klimaatplannen van alle drie de BES eilanden betrokken.
Het uitvoeringsprogramma zal ook een financiële paragraaf bevatten waarin duidelijk wordt gemaakt wat de benodigde financiering is om dit uit te voeren. Zoals in antwoord 20 is toegelicht zullen de inspanningen gefinancierd worden vanuit de begrotingen van de daarvoor verantwoordelijke departementen. Afhankelijk van de type inspanning zal gekeken worden of hier structureel meerjarig financiering voor nodig is.
Op welke wijze beschermt het kabinet het cultureel erfgoed op de zuidpunt van Bonaire (zoals de slavenhuisjes) dat door de zeespiegelstijging reeds in 2050 dreigt te verdwijnen?
De Monumentenwet Bes vormt het kader voor beheer en behoud van cultureel erfgoed op Bonaire. Dit wordt nader ingevuld door de monumenteneilandsverordeningen. Binnen deze kaders is het de taak van het Openbare Lichaam Bonaire (OLB) om het cultureel erfgoed te beschermen, bijvoorbeeld door aanwijzing als monument en door ruimtelijke bescherming. Het Rijk ondersteunt daarbij. De huisjes van slaafgemaakten zijn door het OLB aangewezen als monument.
Onderzoek toont aan dat de huisjes van tot slaafgemaakten in 2050 dreigen te verdwijnen door zeespiegelstijging indien er geen maatregelen worden getroffen. De effecten van klimaatverandering op cultureel erfgoed zijn relatief nieuw en hangen sterk samen met andere opgaven zoals kustbescherming en natuur. Er zal daarom integraal verkend moeten worden wat passende maatregelen zijn en hoe dit in het klimaatbeleid van Bonaire past, zoals opgenomen in de ontwerp-NAS’26. Het Rijk ondersteunt het OLB hier bij.
Hoe waarborgt u dat inwoners van Bonaire en de Klimaattafel Bonaire een doorslaggevende stem krijgen in het nationale adaptatieplan dat uiterlijk in 2030 geïmplementeerd moet zijn?
De ontwerp NAS is momenteel ter inzage gelegd. De hoofdstukken over CN zijn vertaald naar het Engels en Papiaments, om de inspraak toegankelijk te maken voor de inwoners van Caribisch Nederland. Bonaire heeft een klimaatplan opgesteld waarbij veel aandacht is besteed aan de consultatie van de inwoners van het eiland. Dit klimaatplan vormt de basis voor de uitwerking naar prioriteiten en uitwerking.
Hoe zult u garanderen dat adaptatieprocessen op de BES-eilanden lokaal geleid kunnen worden?
Het ligt voor de hand dat maatregelen die lokaal genomen kunnen worden ook lokaal geleid zullen worden. Het opstellen van de eilandelijke klimaatplannen is dan ook in opdracht van de openbare lichamen gebeurd, met ondersteuning vanuit het Rijk. In die processen is ruime aandacht besteed aan lokale participatie. Daar waar er sprake is van grotere processen waar het Rijk in grotere mate bij betrokken is, zal dat altijd in nauwe afstemming zijn met de openbare lichamen.
Bent u bekend met de motie van de Eilandsraad van Bonaire, waarin het Bestuurscollege wordt opgeroepen om de Nederlandse Staat te houden aan de rechtskracht van het vonnis? Welke aspecten van deze motie gaat u uitvoeren? En kunt u toezeggen dat alle aanbevelingen die voortvloeien uit de motie van de Eilandsraad integraal onderdeel worden van de Nederlandse inzet tijdens de komende Klimaattop (COP), om Bonaire als internationaal voorbeeld van «Small Island Justice» te positioneren? Hoe beoordeelt u de passage in de motie die spreekt over de «historische schuld» en de plicht van Nederland om de kwetsbaarste delen van het Koninkrijk prioritair te beschermen?
Het kabinet is bekend met deze motie aan het Bestuurscollege. Bij de voorbereiding van het hoger beroep beziet het kabinet over welke onderdelen van de uitspraak er grieven worden ingediend. Voor de VN-klimaattop hanteren we de aanpak zoals beschreven in het antwoord op vraag 32. De CAS en BES formuleren hierbij hun inzet voor de COP, als onderdeel van de Koninkrijksinstructie. Op deze wijze nemen we de belangen van de Caribische delen van het Koninkrijk, en dus ook Bonaire, mee tijdens de COP.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over het vonnis inzake de Bonaire Klimaatzaak?
Ja.
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee. Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen. Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken, deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen, is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren), specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen (LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode, daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT, VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning te bieden.
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct prioriteit.
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie». Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een top tot teen-onderzoek volgt.
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak nodig zijn.
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis. De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente zou moeten zijn.
Het bericht dat Moerdijk mogelijk mag blijven bestaan |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan , Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de berichtgeving vanuit het bestuur van Moerdijk dat het dorp mogelijk mag blijven bestaan?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving. Het kabinet heeft op 29 mei 2026 met een brief2 de Tweede Kamer geïnformeerd over het verkennen van een scenario met een kleiner ruimtebeslag waarbij het dorp Moerdijk kan blijven bestaan.
Is de lijst van zaken die volgens de gemeente verduidelijkt moet worden volledig, of liggen er nog andere vragen voor?
Het kabinet is in gesprek met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant over de randvoorwaarden voor een alternatief scenario, met kleinere opgave. De hoofdpunten hierin zijn het borgen van de leefbaarheid van de omgeving en woonkernen en de lange termijn levensvatbaarheid van het haven- en industriecluster.
Klopt het dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk? Zo ja, waar zit dit verschil in met eerdere plannen? Waarom kon dit niet eerder duidelijk worden?
Het klopt dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk. Een aantal ontwikkelingen, zoals de nationale energieprojecten die al in procedure zijn, worden met grote zekerheid gerealiseerd in de regio Moerdijk. Hetzelfde geldt voor de verduurzaming van de bestaande industrie. Voor andere ontwikkelingen, zoals additionele circulaire en industriële activiteiten en energie-infrastructuur na 2040 zijn nog andere ruimtelijke keuzes te maken. Die hoeven niet per se in Moerdijk te landen. Het niet realiseren van deze projecten in Moerdijk betekent wel dat de ruimtelijke druk op andere gebieden in Nederland zal toenemen, bijvoorbeeld in de andere energie-intensieve haven- en industrieclusters van nationaal belang. Hiervoor werkt het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, verder aan een nationale ruimtelijk-economische strategie voor de haven- en industrieclusters van nationaal belang. Het niet afwentelen op andere ruimtelijke opgaven is hierbij van essentieel belang en wordt meegewogen in de besluitvorming.
Wanneer komt er duidelijkheid vanuit het Rijk voor de inwoners van Moerdijk? Hoe veel langer heeft het Rijk nodig voor haar onderzoek en besluitvorming? Kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
Dat is onderdeel van gesprek tussen het kabinet, de gemeente Moerdijk en de provincie Noord-Brabant. Het kabinet is van mening dat inwoners en ondernemers uit dorp Moerdijk en bredere omgeving zo spoedig mogelijk duidelijkheid moeten krijgen. Het kabinet vindt tegelijkertijd dat een besluit niet lichtvaardig genomen moet worden en wil daarom tijd nemen om tot goede besluitvorming te komen. Ook is het belangrijk om hierin gezamenlijk op te trekken met de gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant. Het is daarom lastig voor het kabinet om eenzijdig inschattingen over het tijdspad te geven.
Deelt u de mening dat inwoners rust verdienen?
Zie antwoord op vraag 4. Het kabinet begrijpt dat gesprekken over de toekomst van het dorp en het uitstellen van besluitvorming tot onzekerheid leiden bij inwoners en ondernemers uit de regio.
Deelt u de mening dat wanneer er duidelijkheid is dat het dorp kan blijven hiervoor dan ook langjarige garanties moeten worden afgegeven, zodat deze discussie niet wéér op kan laaien binnen een paar jaar? Welke juridische of bestuurlijke middelen bestaan er om zulk een garantie af te geven?
Het kabinet is aan het onderzoeken welke garanties er gegeven kunnen worden aan mensen in de regio, de gemeente en provincie, zodat de discussie niet opnieuw oplaait. In de ruimtelijke ordening kunnen overheden toezeggingen doen die enige zekerheid bieden, maar absolute juridische garanties kunnen niet gegeven worden. Ruimtelijke plannen kunnen namelijk weer gewijzigd worden op een later moment in de tijd.
Hoe gaat u zorgen dat wanneer het dorp mag blijven, de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit hier gegarandeerd worden?
Het kabinet is met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant in gesprek over hoe de gestelde randvoorwaarden door de gemeente zo goed mogelijk ingevuld kunnen worden, waaronder de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit van en rondom het dorp Moerdijk, de overige kernen en het buitengebied.
Als het Rijk de voorkeur heeft het dorp op te heffen, hoeveel tijd en financiering zou het kosten om hierover een bindend referendum onder de bewoners te organiseren, waarbij zij de kans krijgen zich voor of tegen uit te spreken en voorwaarden te stellen? Kunt u deze vraag serieus en inhoudelijk beantwoorden, ook als u niet van mening bent dat er een referendum zou moeten komen?
Een juridisch bindend referendum zoals in de vraag geformuleerd is in Nederland staatsrechtelijk niet mogelijk. Dat vergt een grondwetswijziging die o.a. onderdeel is van het initiatiefwetsvoorstel tot aanpassing van de Grondwet voor een bindend correctief referendum.
Daarbij doet een bindend referendum gericht op het gebied alleen geen recht aan de complexiteit en de afwegingen die gemaakt dienen te worden. In Powerport Moerdijk komen nationale, regionale en lokale belangen samen. Het is wel van groot belang dat de belangen, wensen en meningen van het dorp Moerdijk en de omliggende woonkernen meegewogen worden. Daarom wordt ingezet op een zorgvuldig participatietraject met omwonenden. Daarnaast is het lastig in te schatten hoeveel tijd en financiering het kost om een referendum te organiseren voor bewoners, omdat dit sterk afhangt van de hoeveelheid mensen die in aanmerking komen voor het referendum. De verwachting is dat het organiseren van een referendum voor het dorp Moerdijk enkele maanden tot een halfjaar zou duren en enkele tienduizenden euro’s kost. Voor een precieze inschatting zou nader onderzoek gedaan moeten worden.
De 'Summer School on Palestine' van het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam georganiseerde «Summer School on Palestine», waarin expliciet wordt gesproken over «legal mobilisation, solidarity and resistance» en waarbij wordt samengewerkt met Birzeit University?1, 2, 3, 4
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Birzeit University internationaal onder vuur ligt vanwege Hamasinvloed op de campus, Hamasgelieerde studentenorganisaties en meerdere incidenten rondom extremisme en radicalisering en vindt u samenwerking met een dergelijke instelling wenselijk voor een Nederlandse publieke universiteit?
Het is aan universiteiten om eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen. Van instellingen verwacht ik dat zij zich voortdurend inzetten om een veilige leer- en werkomgeving, de academische vrijheid en het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te borgen. Dit betekent dat zij regelmatig hun risico’s inventariseren en proportioneel veiligheidsbeleid voeren.
Bent u het ermee eens dat termen als «resistance» in de context van een samenwerking met een universiteit waar Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, op zijn minst buitengewoon ongepast en zorgwekkend zijn? Zo nee, waarom niet?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs. Het past niet bij de academische vrijheid dat ik commentaar lever op de inhoud van een onderwijsprogramma.
Klopt het dat voor deze samenwerking een delegatie van studenten, medewerkers en docenten van Birzeit University naar Nederland en Den Haag zal reizen? Zo ja, op welke wijze worden deze personen vooraf gecontroleerd op mogelijke Hamas sympathieën, steun voor terrorisme of antisemitische standpunten en welke veiligheidsrisico’s acht de regering hierbij aanwezig?
Ja, het klopt dat er voor deze samenwerking een delegatie van Birzeit University naar Nederland reist.
Kennisinstellingen zijn bij uitstek plekken van open dialoog. Vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid staan hier centraal. Wanneer personen uitlatingen doen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie, of opruiend zijn beschouw ik dat als risico voor de veiligheid op de instelling. In deze gevallen is er mogelijk sprake van een strafbaar feit. Indien deze situatie zich voordoet is het daarom zaak dat de instelling aangifte doet. Strafrechtelijk optreden is in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie.
Hoe verhoudt deze ideologische eenzijdigheid zich tot academische pluriformiteit en wetenschappelijke objectiviteit?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Universiteiten vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ik acht het daarom van belang dat er ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven binnen politiek-maatschappelijke thema’s.
Wat schiet de Nederlandse belastingbetaler concreet op met het financieren van een activistische «Summer School on Palestine» waarin termen als «solidarity» en «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met Birzeit University en waarom moet publiek geld worden besteed aan dit soort ideologische programma’s?
Ik doe als Minister geen uitspraken over de inhoud en kwaliteit van een summer school. Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Hogescholen en universiteiten bepalen binnen de kaders van de wet hoe zij de middelen inzetten en verantwoorden zich hierover via het jaarverslag.
Deelt u de mening dat dit soort eenzijdige activistische programma’s, waarin anti Israëlische retoriek en termen als «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, bijdragen aan de normalisering van antisemitisme en het gevoel van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten ernstig vergroten? Zo nee, waarom niet?
Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs en voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Het past niet bij de academische vrijheid dat ik commentaar lever over de inhoud van een onderwijsprogramma of een academische samenwerking. Wel verwacht ik van instellingen dat zij zich voortdurend inzetten om de veilige leer- en werkomgeving te borgen en programma’s aanbieden die passen binnen de academische kernwaarden.
Bent u bereid het College van Bestuur van Erasmus Universiteit Rotterdam ter verantwoording te roepen over het faciliteren van een programma met banden met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenorganisaties actief zijn en maatregelen te nemen zodat publieke universiteiten zich weer richten op neutraal onderwijs, wetenschap en academische vrijheid in plaats van ideologische activistische programma’s die bijdragen aan antisemitisme en gevoelens van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit onderwerp geen aanleiding om met het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam in gesprek te gaan. Het is aan universiteiten om eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen.
De ontvoering, vernedering en mishandeling van de Global Sumud Flotilla activisten door Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u de video van de Israëlische Minister Ben Gvir gezien waarin de gekidnapte opvarenden van de Global Sumud Flotilla vernederd en mishandeld worden?1 Wat is uw reactie?
Bent u bereid dit geweld, dat regelrecht ingaat tegen het internationaal recht, ondubbelzinnig te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om onmiddellijke vrijlating van de opvarenden, waaronder de Nederlandse opvarenden, te eisen? Zo nee, waarom niet?
Welke sanctiemaatregelen gaat u treffen tegen Israël voor de op de video zichtbare ontvoering, vernedering en mishandeling van de Flotilla-opvarenden?
Verleent Nederland consulaire hulp aan de Nederlandse opvarenden die zijn gekidnapt in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de ontboden ambassadeur aan te dringen op excuses aan de ontvoerde opvarenden van de Global Sumud Flotilla? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om er in de EU voor te pleiten om de hele regering Netanyahu op de sanctielijst te zetten? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u Israel dwingen om de humanitaire blokkade van Gaza door Israël op te heffen?
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek te starten naar mishandelingen en martelingen van Nederlandse staatsburgers die gekidnapt zijn door Israël in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u binnen 24 uur antwoord geven op de vragen?
Massasterfte van zwaluwen door pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de massasterfte van oeverzwaluwen bij de Haarrijnse Plas?1
Deelt u de zorg dat sterfte door pesticiden waarschijnlijk structureel wordt onderschat, omdat zieke dieren zich verstoppen, snel worden opgegeten door aaseters of niet toxicologisch onderzocht worden?
Wordt momenteel gemonitord hoeveel vogels en andere wilde dieren jaarlijks slachtoffer worden van pesticiden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, bent u bereid om een landelijk monitoringsprogramma op te zetten voor pesticidevergiftiging bij wilde dieren, inclusief structureel toxicologisch onderzoek bij massasterfte?
Bent u bekend met het toxicologisch onderzoek van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat bij de gestorven oeverzwaluwen hoge concentraties gif zoals permethrine en tetramethrine op de veren en in hersenweefsel zijn aangetroffen?2
Wat vindt u ervan dat de twee pesticiden nu gelden als «relatief veilig voor vogels», maar toch gevaarlijk blijken te zijn?
Erkent u de conclusies van de wetenschappers dat deze bevindingen erop wijzen dat vogels ernstig ziek kunnen worden of sterven door blootstelling aan pesticiden via huidcontact of inhalatie, terwijl deze blootstellingsroutes momenteel niet standaard worden meegenomen in toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich?
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige risicobeoordeling van pesticiden vooral uitgaat van opname via voedsel, terwijl onderzoekers nu expliciet waarschuwen dat blootstelling via veren, huid en luchtwegen mogelijk minstens zo schadelijk kan zijn?
Welke gevolgen hebben deze onderzoeksresultaten voor de bescherming van (bedreigde) vogelsoorten zoals de oeverzwaluw, waarvan populaties al onder druk staan door verlies van leefgebied, voedseltekorten en milieuvervuiling?
Heeft u gelezen dat de onderzoekers hopen dat de manier waarop pesticiden worden beoordeeld opnieuw onder de loep zal worden genomen en dat dit onderzoek aanleiding geeft om bij de toelating van pesticiden rekening te houden met meer scenario’s dan alleen blootstelling via voedsel?
Bent u bereid om het advies van de wetenschappers op te volgen? Zo ja, hoe en op welke termijn?
Vindt u dat er daarbij ook beter gekeken moet worden naar hoe in de toelatingssystematiek en beoordelingssystematiek rekening gehouden wordt met mogelijke cumulatieve en synergistische effecten van pesticidencombinaties voor (wilde) dieren en mensen? Zo ja, hoe gaat u dat verwerken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) te verzoeken om op deze nieuwe bevindingen te reflecteren en te kijken wat kan worden gedaan om ervoor te zorgen dat blootstelling via huidcontact en inhalatie structureel wordt onderzocht, zodat volgens en andere wilde dieren beter worden beschermd tegen pesticiden?
Bent u bereid om bij het Ctgb en in Europees verband erop aan te dringen dat cumulatieve en synergistische effecten van pesticiden voor (wilde) dieren en mensen structureel mee moeten worden genomen in de toelating en herbeoordeling van stoffen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in Europees verband, ook in het kader van de gesprekken rondom de Omnibus Food and Feed Safety Simplification, te wijzen op deze wetenschappelijke bevindingen en te pleiten dat die bevindingen worden verwerkt in beleid om wilde dieren beter te beschermen tegen pesticiden (ook in het kader van Europese doelen voor biodiversiteit)?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om blootstelling van wilde dieren aan pesticiden terug te dringen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd»?1
Ja, daar is het kabinet bekend mee.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat duizenden hartpatiënten in Nederland jarenlang hebben rondgelopen met een ICD-draad die mogelijk sneller stukgaat dan zou moeten, terwijl zij daar niet actief over zijn geïnformeerd?
Het kabinet begrijpt de zorgen die zijn ontstaan naar aanleiding van de berichtgeving over de Linox-draden. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat medische hulpmiddelen veilig zijn en dat signalen over mogelijke risico’s zorgvuldig worden opgevolgd.
Tegelijkertijd is het van belang de feiten zorgvuldig te wegen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat cardiologen vanaf ongeveer 2013/2014 signalen van mogelijke problemen met deze specifieke lead serieus hebben genomen. Zij hebben deze signalen gemeld bij de fabrikant en de toezichthouder en hebben ervoor gekozen patiënten met deze leads extra te monitoren. Daarbij werden patiënten bij wie daadwerkelijk slijtage of andere problemen werden vastgesteld, geïnformeerd en behandeld.
Het klopt dat niet alle patiënten met een Linox-draad destijds actief zijn benaderd. Volgens de betrokken cardiologen was daarvoor gekozen, omdat er geen officiële veiligheidswaarschuwing of terugroepactie van de fabrikant of toezichthouders was afgegeven en een algemene waarschuwing tot onnodige onrust en mogelijk risicovolle medische ingrepen zou kunnen leiden.
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten tijdig en volledig worden geïnformeerd over relevante risico’s die hun gezondheid kunnen raken. Tegelijkertijd moeten zorgverleners steeds een zorgvuldige afweging maken tussen het informeren van patiënten, de beschikbare wetenschappelijke kennis op dat moment en de mogelijke gevolgen van aanvullende medische interventies. Het kabinet zal bij de beroepsgroep benadrukken dat dit een afweging is die regelmatig opnieuw moet worden bezien.
Klopt het dat tussen 2006 en 2019 bij minstens 4.600 Nederlandse patiënten een Linox-draad van fabrikant Biotronik is geïmplanteerd en dat naar schatting nog zeker duizend mensen in Nederland met zo’n draad rondlopen?
Uit contact met de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (hierna: NVVC) heeft de IGJ opgemaakt dat de genoemde cijfers inderdaad vergelijkbaar zijn.
Klopt het dat cardiologen in binnen- en buitenland al jarenlang signalen zagen dat deze ICD-draden sneller kapotgingen dan andere draden? Zo ja, sinds wanneer waren de fabrikant, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en betrokken ziekenhuizen hiervan op de hoogte?
In 2014 zijn de Linox-draden besproken in een overleg tussen de IGJ, NVVC, de Netherlands Cardiovascular Data Registry (NCDR) en de Nederlandse Hart Ritme Associatie (NHRA)). De meldingen over de Linox-draden laten geen opmerkelijke verschillen zien met meldingen over andere leads. Daarnaast zijn er geen tegengestelde signalen ontvangen vanuit andere Europese en mondiale toezichthouders. De IGJ had daarom geen reden om aan te nemen dat de Linox-draden minder presteren dan vergelijkbare leads en zag geen aanleiding tot een vervolgactie.
Naar aanleiding van de vragen van Investico en Nieuwsuur heeft de IGJ onlangs opnieuw gesproken met de NVVC en NHRA over de zorgen die cardiologen hebben over deze leads en de wijze waarop de fabrikant omgaat met meldingen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de IGJ vragen uitstaan bij de fabrikant over zijn systeem van post market surveillance. Daarnaast gaat de IGJ de prestaties van de leads bespreken met de betrokken autoriteit in Duitsland, waar de fabrikant is gevestigd.
Kunt u verklaren waarom patiënten niet actief zijn gewaarschuwd, terwijl het gaat om een implantaat in hun lichaam dat bij defecten onterechte, zeer ingrijpende shocks kan geven? Klopt het dat de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie patiënten niet informeerde omdat zij het vertrouwen in hun apparaat niet wilde aantasten, en hoe beoordeelt u die afweging?
Hierbij wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat bij de IGJ in Nederland ten minste 59 meldingen zijn binnengekomen van onterechte shocks door deze draden, waarvan de meest recente melding uit 2026 komt? Hoeveel meldingen van defecten, complicaties en andere problemen met deze draden zijn in totaal bekend?
Nederlandse ziekenhuizen plaatsen jaarlijks ongeveer tienduizend ICD-draden. De IGJ ontving sinds 2009 in totaal 425 meldingen over Linox-draden. Bij 83 van deze meldingen ging het om onterechte shocks. De IGJ ziet hierin geen verschillen met de meldingen over andere leads.
Welke concrete stappen worden momenteel gezet om patiënten die nog met deze Linox-draden rondlopen persoonlijk te informeren over de mogelijke risico’s en over wat dit voor hen betekent? Kunt u garanderen dat geen enkele patiënt tussen wal en schip valt?
Patiënten worden benaderd wanneer daar aanleiding toe is vanuit de normale ziekenhuiscontrole of thuismonitoring. Verder heeft de NVVC informatie beschikbaar gesteld aan cardiologen, verpleegkundigen, pacemakertechnici, de Hartstichting en patiëntenorganisatie STIN, zodat patiënten en hun omgeving kunnen worden voorgelicht.2 Patiënt die vragen hebben, worden verwezen naar hun eigen cardioloog of behandelcentrum.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor het toezicht op fabrikanten van medische hulpmiddelen en voor de manier waarop patiënten worden geïnformeerd bij signalen over mogelijk falende implantaten?
Deze casus bevestigt het belang van aandacht voor de informatiepositie van patiënten in de regelmatige onderlinge informatie-uitwisseling tussen de inspectie en beroepsgroep. Deze informatie-uitwisseling is onderdeel van het toezicht op de post-market fase, omdat dit ten goede komt aan de monitoring van de kwaliteit van medische hulpmiddelen en daarmee aan de zorgvuldige en veilige zorg voor patiënten.
Aanhoudende zorgen over buitenproportionele eisen voor de vrijwillige scheepsvaart. |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rondvaartbedrijf Amersfoortse grachten wil uitzondering op Europees schippersdiploma»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe reflecteert u op signalen dat vrijwilligers bij vele organisaties en stichtingen vrezen dat zij hun activiteiten in de toekomst niet kunnen voortzetten vanwege de aangescherpte kwalificatie-eisen? Kunt u aangeven van welke organisaties zorgen hierover bij u bekend zijn?
Vanuit het ministerie en het CBR is op verschillende momenten contact geweest met bedrijven, organisaties en stichtingen in de rondvaartsector. Er zijn ook werkbezoeken in het land afgelegd door het ministerie en het CBR. Zo zijn bezoeken afgelegd in Zutphen, Leiden, Giethoorn, de Keukenhof, Kinderdijk, Bunnik en Leeuwarden. Daarbij zijn de zorgen die bij organisaties en stichtingen leven duidelijk geworden. Bij de opstelling van de eisen aan het certificaat is daarom zoveel mogelijk rekening gehouden met deze zorgen, door de aan het nieuwe kwalificatiecertificaat gestelde eisen op de kenmerken van deze sector af te stemmen. Een van de geuite zorgen was bijvoorbeeld, dat de vaak oudere vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. Mede daarom ligt het accent voor het behalen van het certificaat op het aantonen van voldoende praktijkkennis. Ook is getracht de kosten zo laag mogelijk te houden en is er een overgangsregeling voor bestaande schippers, die kunnen aantonen over voldoende ervaring te beschikken.
Kunt u reflecteren op de kosten die gepaard gaan met de aangescherpte kwalificatie-eisen, specifiek de scholingskosten en de tweejaarlijkse medische keuring? Acht u die draagbaar en redelijk voor dergelijke, van vrijwilligers afhankelijke, organisaties?
De totale kosten voor het behalen van het certificaat bij het CBR liggen rond de € 450,–. Met het CBR kan worden afgesproken dat er meerdere personen op dezelfde dag het praktijkexamen doen, wat voordeliger kan zijn.
Voor wat betreft het opleidingsplan is het voor organisaties, bedrijven en instellingen mogelijk om zelf een opleidingsplan in te dienen en te laten goedkeuren bij het CBR. De jaarlijkse kosten hiervoor liggen op gemiddeld € 175,–. Wanneer het bedrijf of de instelling een externe opleider wil inschakelen liggen de kosten voor het behalen van het certificaat ongeveer € 300,– per kandidaat hoger. Daarbij komen de kosten voor een medische keuring. Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–. De tweejaarlijkse keuring is verplicht vanaf 70 jaar. De kosten liggen dus aanzienlijk lager dan gesteld in genoemd artikel.2
Met het ontwikkelde kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is volgens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een goede en redelijke balans gevonden tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en een voldoende garantie van de veiligheid voor de passagiers, die aan boord stappen.
Kunt u toelichten waarom bij de vrijstellingsmogelijkheid voor open rondvaartboten, die met lage snelheden varen in beperkte en afgesloten vaargebieden, is gekozen voor een certificaat met verzwaarde kwalificatie-eisen, in plaats van een daadwerkelijke vrijstelling waarin voor deze groep vastgehouden wordt aan de bestaande situatie met het klein vaarbewijs? Kunt u hierbij ook reflecteren op de situatie in Amersfoort waar sprake is van een beperkt en afgesloten vaargebied met ondiepe wateren, waar met lage snelheid wordt gevaren en geen ander gemotoriseerd vaarverkeer en geen verkeerstekens aanwezig zijn en de bestuurders over praktijkervaring beschikken?
Ook een vaargebied als in Amersfoort valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn. De Richtlijn stelt de eis dat, wanneer er een vrijstelling verleend wordt en er een ander certificaat wordt afgegeven, dit certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor deze schippers gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Bij dit certificaat ligt de nadruk op het kennen van de veiligheidsvoorschriften en of de schipper in het eigen vaargebied het schip onder controle heeft. Daarnaast wordt getoetst of een schipper juist weet te handelen als bijvoorbeeld een passagier overboord slaat. Ook in een vaargebied als in Amersfoort, waar beperkt ander vaarverkeer is, is het van belang dat de schipper kan aantonen over deze vaardigheden te beschikken. Het praktijkexamen, dat onder toezicht van het CBR dient te worden afgelegd, mag plaatsvinden in het eigen vaargebied. Met het ontwikkelen van dit certificaat is dus al zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt.
Kunt u toelichten hoe u het begrip afdoende veiligheidsniveau bij de implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/2397 (hierna: de Richtlijn) heeft geïnterpreteerd?
Voor het voldoen aan de eis van een afdoende veiligheidsniveau is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector, waarin ook veel vrijwilligers werken, gevraagd kan worden en het belang van de passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft dit ook in verschillende rapporten naar aanleiding van ongevallen met passagiersvaart benoemd. Met het ontwikkelde certificaat wordt dit afdoende veiligheidsniveau bereikt.
Kunt u bevestigen dat de Richtlijn niet voorschrijft dat uitsluitend een praktijkexamen kan bijdragen aan een afdoende veiligheidsniveau, maar ruimte laat voor andere vormen van veiligheidsborging? Hoe is deze ruimte door Nederland geïnterpreteerd?
In de Richtlijn is zeer gericht voor het behalen van het Kwalificatiecertificaat schipper een verplicht praktijkexamen geïntroduceerd. De bijdrage van dit praktijkexamen aan het bereiken van een afdoende veiligheidsniveau wordt hier als essentieel beschouwd. De Richtlijn schrijft bij een vervangend certificaat inderdaad niet voor, dat er een praktijkexamen dient plaats te vinden. Echter, ook bij het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten acht het ministerie het vooral van belang dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt is. Daarnaast is er door verschillende organisaties op gewezen, dat de meeste vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. De voor bestaande schippers opgenomen overgangsregeling, waarbij hen de mogelijkheid wordt geboden om op basis van aantoonbare ervaring direct het door het CBR af te nemen praktijkexamen te doen, komt hier maximaal aan tegemoet. Deze schippers hoeven dan geen opleidingstraject te doorlopen.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de implementatie van de Richtlijn rekening is gehouden met het proportionaliteitsbeginsel, mede gelet op het feit dat de aangescherpte kwalificatie-eisen met name negatieve gevolgen hebben voor vrijwilligers en kleine stichtingen?
Bij de implementatie van de Richtlijn voor deze sector is gezocht naar een balans tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd is. Het gaat bij deze passagiers bijvoorbeeld ook om kwetsbare groepen zoals kinderen of ouderen. Hiertoe is gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt en zoveel mogelijk rekening gehouden met de kenmerken van de sector. Met het nieuwe certificaat blijven de lasten voor de sector zoveel als mogelijk beperkt, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau voor de passagiers bereikt wordt.
Bent u het ermee eens dat artikel 7 van de Richtlijn ruimte laat voor een functionele beoordeling van veiligheid, waarbij niet uitsluitend gekeken hoeft te worden naar de inhoud of zwaarte van een diploma, maar ook naar de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart?
Artikel 7 biedt de mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen en dan een certificaat af te geven dat een afdoende veiligheidsniveau dient te bieden. Daarbij kan rekening worden gehouden met de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart. Bij de ontwikkeling van het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is dat dan ook gedaan. Zo is de gevraagde theoretische kennis tot een minimum beperkt, is zoveel mogelijk vrijheid gegeven aan organisaties om zelf hun opleiding te ontwikkelen en mogen de praktijkexamens, waarvan alleen de laatste onder toezicht van het CBR hoeft plaats te vinden, in het eigen vaargebied worden afgenomen.
Kunt u toelichten waarom Nederland ervoor gekozen heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 van de Richtlijn beperkt toe te passen, terwijl deze bepaling juist bedoeld lijkt om maatwerk mogelijk te maken voor minder complexe of lokaal begrensde vormen van binnenvaart?
Het ministerie heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 zo ruim als mogelijk toegepast en er is juist zoveel mogelijk maatwerk geboden voor deze sector. Daarbij is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt.
Klopt de constatering dat u, gezien de beantwoording van eerdere Kamervragen op dit onderwerp, geen ruimte ziet om tegemoet te komen aan de in de artikelen geschetste zorgen van onder andere de traditionele scheepsvaartsector – zoals de Berkelse en de Enterse Zompen – en de vrijwillige rondvaartsector?2, 3
Uit het artikel in Schuttevaer en ook uit andere artikelen is mij gebleken, dat er in deze sector het misverstand lijkt te blijven bestaan, dat aan alle eisen van de Richtlijn dient te worden voldaan en er geen gebruik is gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid, die de Richtlijn biedt. Zo wordt in genoemd artikel gesteld dat er een Europees MBO-3 diploma behaald zou moeten worden en worden de kosten te hoog ingeschat. Ook wordt gesteld dat alle vrijwilligers omgeschoold zouden moeten worden. Zoals hiervoor aangegeven hoeven bestaande vrijwilligers geen opleiding te volgen, maar kunnen zij tijdens een overgangsperiode na het aantonen van voldoende vaarervaring direct het praktijkexamen bij het CBR afleggen.
Niet alle zorgen, die nog in de sector leven, lijken terecht te zijn. En voor zover mogelijk, is aan de zorgen van de sector al tegemoet gekomen binnen de grenzen die een veilig vervoer van passagiers vereisen.
Bent u bereid, met inachtneming van de bovengenoemde zorgen, in overleg met de Commissie te treden over de Nederlandse implementatie van de Richtlijn?
Naar mijn mening biedt de Richtlijn voldoende ruimte om een juiste balans te vinden tussen de kenmerken van deze sector en het belang van passagiers, dat een voldoende veiligheidsniveau gegarandeerd wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding om met de Europese Commissie in overleg te treden.
Bent u bereid, indien uit overleg met de Commissie blijkt dat een ruimere interpretatie van de Richtlijn mogelijk is, met een nieuw voorstel voor de implementatie van de kwalificatie-eisen te komen?
Ik ben ervan overtuigd met het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten een goede balans te hebben gevonden tussen het belang van deze sector en het belang van passagiers dat een voldoende veiligheidsniveau geboden wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding de nu al zo veel als mogelijk op deze sector aangepaste eisen aan te passen.
Terugvorderingen toeslagenwet door fout bij UWV, naar aanleiding van eerder beantwoorde vragen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat de controle van het partnerinkomen of andere relevante inkomsten is uitgebleven?
Helaas is een systeemfout ontstaan bij UWV en die is, zoals in de beantwoording van 10 februari jl. staat, ontdekt in april 2025.1 Als gevolg hiervan is bij de vaststelling van het recht op, en de hoogte van de toeslag op de Ziektewetuitkering (ZW), in een aantal gevallen de controle van het partnerinkomen uitgebleven. De toeslag is in deze gevallen vastgesteld op basis van de door de uitkeringsgerechtigde opgegeven inkomsten van de partner, conform de inlichtingenplicht. Door deze systeemfout zijn deze gegevens niet automatisch gecontroleerd met de voor UWV beschikbare inkomstengegevens van de partner in de Polisadministratie.
Als iemand naast de ZW ook een aanvulling vanuit de Toeslagenwet (TW) ontvangt, dan hebben inkomsten van zowel uitkeringsgerechtigde als diens partner invloed op de hoogte van de uitkering en de toeslag. Uitkeringsgerechtigden zijn zelf verplicht om partnerinkomsten door te geven wanneer zij een toeslag van UWV ontvangen. Omdat uit de praktijk blijkt dat uitkeringsgerechtigden de partnerinkomsten niet of niet volledig opgeven is het mogelijk dat hierdoor uitkeringsgerechtigden een te hoog of te laag bedrag als aanvulling vanuit de TW hebben ontvangen. Om uitkeringsgerechtigden te ondersteunen en hoge terugvorderingen te voorkomen maakt UWV sinds 2023 gebruik van een geautomatiseerde functionaliteit om nieuwe (partner)inkomsten met de Polisadministratie te onderkennen.
Gaat het hierbij enkel om de toeslag bij Ziektewetuitkering? Hoe zit dit bij andere regelingen van UWV? Zijn bij de Werkloosheidwet (WW), Wajong, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ook fouten gemaakt met het partnerinkomen of andere relevante inkomsten? Kunt u in uw antwoord specifiek stilstaan bij elke afzonderlijke regeling?
Ja, het gaat bij deze herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag Ziektewet» enkel om de Toeslagenwet bij de Ziektewetuitkering. Specifiek voor mensen die in de Werkloosheidswet zaten en ziek werden en zo in de Ziektewet terecht kwamen. De systeemfout had alleen betrekking op de Toeslagenwet bij de Ziektewet en niet op andere regelingen.
Is onderzocht of andere componenten (naast partnerinkomen of andere relevante inkomsten) mogelijk ook onjuist zijn verwerkt in dezelfde periode of daarbuiten?
Ja, UWV laat weten dat er structureel onderzoek plaatsvindt naar mogelijke fouten. De TW wordt in de reguliere kwaliteitsmetingen via de Meting Operationele Kwaliteit (MOK) van de basisregelingen meegenomen. Daar wordt op verschillende aspecten via een steekproef gecontroleerd op de afhandeling van de TW. Daarnaast vinden er jaarlijks rechtmatigheidscontroles plaats in het kader van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Ook zijn er bij verschillende wetten verbeterinitiatieven gericht op de kwaliteit van de uitvoering.
Hoe wordt een BSN van de partner gekoppeld aan de uitkeringsgerechtigde? Is de koppeling met de BSN van de partner correct gemaakt? En hoe worden hier correcties op doorgevoerd als blijkt dat er een fout gemaakt is?
UWV laat weten dat de uitkeringsgerechtigde bij de aanvraag voor de TW het BSN van de partner doorgeeft. Een UWV medewerker registreert het BSN van de partner vervolgens in het systeem. Als tijdens de uitkering een leefvorm wijzigt, bijvoorbeeld bij een scheiding, dient een uitkeringsgerechtigde dit zelf door te geven via het wijzigingsformulier, UWV kan dit namelijk niet zelfstandig achterhalen. Als een uitkeringsgerechtigde doorgeeft dat er iets is gewijzigd of niet klopt, dan wordt hier op reguliere wijze (handmatig) een correctie op doorgevoerd. Dan wordt ook bekeken of de hoogte van de toeslag moet worden aangepast aan de nieuwe situatie.
Zijn de technische problemen met de systemen inmiddels opgelost?
Ja, zoals gedeeld in de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl.2 kan deze fout zich niet meer voordoen. De systeemfout is op 7 april 2025 door UWV opgelost.
Wanneer kunt u de Kamer informeren over de omvang van het probleem? Kunt u toezeggen de Kamer hierover te informeren voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
In de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl.3 heb ik met uw Kamer gedeeld dat het om ongeveer 400 dossiers gaat. Het precieze aantal is 411 dossiers die UWV opnieuw moet beoordelen om te kijken of er een correctie moet plaatsvinden. UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom informeer ik uw Kamer via deze beantwoording over de omvang van het probleem op basis van de informatie die nu beschikbaar is. Deze beantwoording stuur ik u voorafgaande aan het Commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli aanstaande.
UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de eerstvolgende Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
In hoeveel gevallen gaat het om een terugvordering?
Voor de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW», waarbij het zieke WW’ers betreft gaat het in totaal om 411 uitkeringsgerechtigden waarvan UWV het recht en de hoogte van de toeslag opnieuw dient te beoordelen. Dit zijn de uitkeringsgerechtigden met een toeslag die liep op de peildatum 7 april 2025 of in het laatste half jaar daarvoor was beëindigd. UWV is nog niet gestart met de herstelactie. Om meer inzicht in de gevolgen te krijgen heeft UWV wel een steekproef gedaan op 85 dossiers. Op basis van deze steekproef schat UWV de volgende gevolgen in:
Er komen in de genoemde categorieën situaties voor waarbij de ene maand te veel toeslag is betaald en de andere maand te weinig (bij wisselende partnerinkomsten). Dit wordt door UWV per dossier en per maand beoordeeld. Daarbij past UWV de menselijke maat toe en wordt per casus bekeken welke vervolgactie passend is. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
In hoeveel gevallen gaat het om een volledige terugvordering van de Toeslagenwet (vanwege dat er achteraf is vastgesteld dat er geen recht is)? In hoe veel gevallen gaat het om een gedeeltelijke terugvordering?
UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom kan ik nog geen definitieve cijfers delen. UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef.
In hoeveel gevallen gaat het om een nabetaling omdat het partnerinkomen of andere relevante inkomsten juist gedaald waren? Worden de toeslagen voor deze mensen nabetaald en gecorrigeerd voor de toekomst?
UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom kan ik nog geen definitieve cijfers delen. UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef. UWV geeft aan dat als een uitkeringsgerechtigde te weinig TW heeft ontvangen, zij zullen nabetalen inclusief wettelijke rente. UWV heeft daarbij oog voor mogelijke gevolgen van een nabetaling voor andere inkomensafhankelijke regelingen en ondersteunt uitkeringsgerechtigden waar nodig. Hierbij wordt de toeslag ook aangepast naar de toekomst. Daarnaast wordt sinds de oplossing van de systeemfout op 7 april 2025, voor nieuwe gevallen de automatische controle weer toegepast.
Kunt u, als u informatie verschaft aan de Kamer over de omvang van het probleem, vragen 5 t/m 7 ook specifiek beantwoorden? Dus om hoeveel mensen gaat het per wet die uitgevoerd wordt door het UWV? Over welke bedragen gaat het?
Ja, het gaat bij de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» enkel om de TW bij de ZW. Specifiek voor mensen die in de WW zaten en ziek werden en zo in de ZW terecht kwamen. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef.
Welke terugvorderingen zijn al in gang gezet? Hoeveel mensen hebben inmiddels een terugvordering ontvangen? Welke besluitvorming ligt hieronder? Kunt u de kamer de stukken die bij die besluitvorming horen, toesturen?
De herstelactie is nog niet gestart. UWV inventariseert nog wanneer de herstelactie
daadwerkelijk kan starten. Voor de 411 uitkeringsgerechtigden in de herstelactie wordt individueel en van maand tot maand bekeken wat de situatie is. In het geval van een terugvordering houdt UWV rekening met de menselijke maat en kan in individuele gevallen, vanwege dringende redenen, een terugvordering matigen of ervan afzien. Het gaat immers om een financieel kwetsbare groep. Na ambtelijk overleg tussen UWV en SZW, heb ik op 7 april jl. via een beslisnota akkoord gegeven voor de voorgestelde herstelaanpak: het opnieuw beoordelen van de betrokken dossiers binnen de zesmaandentermijn en waar nodig over te gaan tot nabetaling of terugvordering. Deze beslisnota is ook gedeeld met uw Kamer als bijlage4 bij de publicatie van de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl. 5 Hieraan voorafgaand is de aanpak voor de herstelactie binnen UWV besproken met de Raad van Bestuur op 6 januari6 dit jaar. De voorlegger voor de Raad van Bestuur kunt u vinden op de website van UWV: Geanonimiseerd document. Ik kan de Kamer de stukken die bij de besluitvorming horen toesturen. Zie de bijlage met de verschillende beslisnota’s bij deze beantwoording.
Kunt u uitsluiten dat de systeemfout zich enkel voordeed in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025? Uit signalen die wij ontvingen blijkt dat de verkeerde toekenning van toeslagen al voor 2022 plaatsvonden voor de WIA, de WAO, de Wajong en voor (oude gevallen) WW en ZW, klopt dat?
De systeemfout met betrekking tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» deed zich enkel voor in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025. Het klopt niet dat de verkeerde toekenning van toeslagen al voor 2022 plaatsvond, niet in relatie tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW». UWV laat weten dat in 2024 wel een andere systeemfout ontdekt is bij de ZW met betrekking tot de afhandeling van de TW. Hierover bent u voor het eerst geïnformeerd via de Stand van de uitvoering van december 2024. Deze herstelactie is afgerond zoals gedeeld in de Stand van uitvoering van april jl. Deze ging over de periode 1 september 2019 tot 1 september 2024. Daarbij werden de beoordeling of betaling van de toeslag niet afgerond, waardoor uitkeringsgerechtigden geen toeslag uitgekeerd kregen. Dat betreft een andere fout dan de onderhavige herstelactie, die ziet op het uitblijven van de controle van partnerinkomen bij de vaststelling van de toeslag.
Wij hebben het signaal ontvangen dat er op dit moment een terugvorderingsactie loopt, namelijk een zogenaamde veegactie, klopt dit en zijn de vorderingsbrieven al (deels) verstuurd? Of zijn die nog opgehouden? Hoeveel van deze brieven zijn er en over welke bedragen gaan deze vorderingen en welke uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid of werkloosheid gaat het?
Ja, dit klopt. UWV laat weten dat zij begin 2026 zijn gestart met controlewerkzaamheden voor de abonnementenservice voor partnerinkomsten bij de TW op de arbeidsongeschiktheidswetten. Deze service geeft een signaal af bij nieuwe partnerinkomsten. Dit staat los van de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW».
Uitkeringsgerechtigden zijn zelf verantwoordelijk voor het tijdig en correct doorgeven van wijzigingen in hun leefvorm en de inkomsten van hun partner aan UWV. Maar omdat dit niet altijd tijdig en correct gebeurt, heeft UWV medio 2023 partnerinkomsten toegevoegd aan de abonnementenservice. Via deze service ontvangt UWV een signaal wanneer er sprake is van nieuwe inkomsten uit een nieuw dienstverband van partners van uitkeringsgerechtigden met een TW. Dit heeft UWV ingevoerd om mogelijke terugvorderingen te voorkomen of te beperken omdat zij zo beter kunnen controleren of de partnerinkomsten kloppen.
Bij de invoering medio 2023 constateerde UWV al dat er partnerinkomsten zijn die al vóór medio 2023 bestonden en niet door uitkeringsgerechtigden aan UWV zijn gemeld. UWV wilde destijds proactief controleren of uitkeringsgerechtigden al bestaande inkomsten aan UWV hadden doorgegeven, maar door beperkte capaciteit was hier helaas nog geen mogelijkheid toe. Om deze reden is UWV begin 2026 alsnog deze controle gestart (deze specifieke controle op partnerinkomsten werd ook wel veegactie genoemd). Hoewel deze controle dus gaat over de door de uitkeringsgerechtigde opgegeven partnerinkomsten, is het vervelend dat deze controle pas in 2026 is gestart.
Als uit de controle blijkt dat de uitkeringsgerechtigde eerder geen of onjuiste partnerinkomsten heeft doorgegeven en er wel partnerinkomsten bekend zijn in de Polisadministratie, dan wordt beoordeeld of dit met terugwerkende kracht leidt tot een herziening van de verstrekte aanvulling vanuit de TW of mogelijk tot een terugvordering. Er worden geen boetes opgelegd.
Omdat het kan gaan om situaties die al langer lopen, kunnen er terugvorderingen zijn met een grote impact voor de uitkeringsgerechtigde. Dat vereist een zorgvuldige aanpak. In het geval van een terugvordering houdt UWV rekening met de menselijke maat en kan UWV in individuele gevallen, vanwege dringende redenen, een terugvordering matigen of daarvan afzien. Ook beoordeelt UWV of het voor de uitkeringsgerechtigde redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de toeslag te hoog was. Er zijn al uitkeringsgerechtigden telefonisch benaderd en sommigen hebben al een vorderingsbrief van UWV ontvangen. Omdat UWV per uitkeringsgerechtigde een beoordeling doet kan ik op dit moment nog geen bedragen delen. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
Hoe komt het dat de fout pas zo laat ontdekt is? En zijn in de jaarlijkse steekproeven in de afgelopen tien jaar niet eerder signalen boven water gekomen dat de koppeling met het partner inkomen ontbraken? Zo ja, zijn er ook al eerder zogenaamde veegacties geweest met vorderingen van te veel uitgekeerde toeslagen? En over hoeveel veegacties met hoeveel vorderingen en welke maximale bedragen zijn die vorderingen gedaan?
De reden dat UWV de fout in de systeemkoppeling ten aanzien van «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» pas in 2025 ontdekte, is dat slechts een klein stukje van de koppeling niet goed werkte terwijl het overgrote deel van de gegevens via de koppeling wel goed liep. Helaas is dit daarom niet eerder in een steekproef naar voren gekomen. In de reguliere uitvoering kan het voorkomen dat in een individueel dossier blijkt dat partnerinkomsten niet of niet juist zijn meegenomen. In dat geval wordt dit individuele dossier gecorrigeerd. Zo’n individuele correctie betekent niet automatisch dat sprake is van een structurele fout. Volgens UWV zijn uit de reguliere uitvoering geen signalen naar voren gekomen dat sprake was van een structureel probleem in de systeemkoppeling. Bij een derde van de dossiers lijkt de controle ook zonder signaal uit het systeem wél te hebben plaatsgevonden. UWV deelt dat er niet eerder dergelijke correctiewerkzaamheden rondom toeslagen zijn geweest die betrekking hadden op het niet juist meenemen van de partnerinkomsten bij het bepalen van de hoogte van de toeslag.
Welke interne waarschuwingen, signalen of audits zijn er sinds 2016 geweest die mogelijk op deze fout hadden kunnen wijzen?
Met betrekking tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» is de fout begin april 2025 geconstateerd door UWV. Zie ook antwoord 14. Dat was het eerste signaal dat erop wees dat de geautomatiseerde controle op partnerinkomsten ontbrak. De systeemfout deed zich voor van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025. In de rechtmatigheidscontroles en audits is het ontbreken van de geautomatiseerde controle op partnerinkomsten bij TW niet naar boven gekomen. Overigens is het niet 100% uit te sluiten dat een individuele medewerker een keer tegenkwam dat er een fout was gemaakt in het meenemen van de partnerinkomsten bij het bepalen van de hoogte van de toeslag, maar zich niet realiseerde dat deze fout een technische oorzaak had.
Op welke manier is de fout ontdekt?
Medewerkers van UWV hebben de fout ontdekt bij beheerwerkzaamheden op de systeemkoppelingen.
In uw antwoorden gaf u aan dat het UWV pas in april 2025 bekend was met de fouten, klopt dat wel? En als het wel klopt hoe kan het dan dat pas na langer dan een halfjaar hierover aan de Minister wordt gerapporteerd?
Ja, dit klopt. UWV heeft de fout in april 2025 geconstateerd, waarna nader onderzoek, waaronder de steekproef, heeft plaatsgevonden. UWV kon dan vaststellen of er daadwerkelijk sprake was van mogelijke financiële onjuistheden. Naar aanleiding van die onderzoeksresultaten is mijn voorganger geïnformeerd over de geconstateerde systeemfout op 18 november 2025. Sinds eind vorig jaar hebben SZW en UWV een proces ingericht om eerder een signaal te ontvangen over een mogelijke herstelactie. Niet elk signaal hoeft een herstelactie te worden. Voor een nadere toelichting op het proces rondom signalen en mogelijke herstelacties verwijs ik naar het antwoord op vraag 18.
Hoe kan het dat de Kamer hierover niet geïnformeerd is, maar dit boven water moet halen door schriftelijke vragen?
Op het moment dat UWV bekend is met een mogelijke herstelactie delen zij dit zo spoedig mogelijk met mij. Op dat moment zijn er nog vaak veel zaken niet duidelijk. Daarom hebben SZW en UWV eind vorig jaar een proces ingericht om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over omvang, impact en mogelijke oplossing. Omdat ik mogelijke betrokkenen duidelijkheid over de situatie en herstelaanpak wil geven en niet onnodig stress wil bezorgen, zoeken we dit eerst zorgvuldig uit. Zodra ik deze duidelijkheid heb, deel ik dit zo spoedig mogelijk met uw Kamer. Ik doe dit bij voorkeur via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
Kunt u de beslisnotities betreffende dit onderwerp bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Ja, de desbetreffende beslisnota stuur ik mee als bijlage bij deze beantwoording. Ook de eerder bij de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april7 gedeelde beslisnota8 over deze herstelactie voeg ik toe.
Kunt u de informatie die u vanuit UWV kreeg bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Ja, de desbetreffende beslisnota die is opgesteld naar aanleiding van deze beantwoording, stuur ik mee als bijlage bij deze beantwoording. Ter voorbereiding van de beantwoording is er overleg geweest tussen UWV en SZW om de huidige stand van zaken rondom de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» te bespreken. De beslisnota vat dit samen en geeft de gemaakte keuzes en afwegingen weer.
Kunt u de vragen telkens separaat beantwoorden voor elke regelingen van UWV?
Ja, waar relevant heb ik dit separaat beantwoord. Het gaat hier om de herstelactie «Controle partnerinkomen toeslag bij de ZW».
Kunt u de vragen specifiek en gesplitst beantwoorden voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
Ja, de vragen heb ik hierbij beantwoord voor het Commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli 2026.
Het artikel ‘Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel’ |
|
Joris Lohman (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de Koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel»?1
Ja.
Op welke wijze trekt u in deze casus samen op met andere bondgenoten die mogelijk eveneens gevolgen ondervinden van het Amerikaanse wetsvoorstel MATCH Act (Multilateral Alignment of Technology Controls on Hardware)?
Hoe beoordeelt u inhoud en reikwijdte van de voorgestelde MATCH Act in het licht van bestaande bilaterale en multilaterale afspraken over exportcontrole en economische samenwerking met de Verenigde Staten?
Hoe duidt u de mogelijke extraterritoriale werking van deze Amerikaanse wet, waarbij van bondgenoten wordt verlangd hun exportbeleid aan te passen, en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse en Europese beleidsautonomie?
Welke gevolgen kunnen ontstaan indien de MATCH Act wordt aangenomen en bondgenoten niet overgaan tot aanscherping van hun eigen exportwetgeving?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die van de MATCH Act uitgaat. Dit druist in tegen het uitgangspunt dat Nederland haar eigen exportcontrolebeleid vormgeeft. Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten. Dit zal ook in komende bezoeken aan de VS worden toegelicht.
In hoeverre acht u het risico reëel dat een serviceverbod kan leiden tot juridische claims wegens contractbreuk tegen ASML of Nederlandse toeleveranciers?
Kunt u aangeven of bestaande Nederlandse of Europese instrumenten bedrijven kunnen beschermen tegen eventuele extraterritoriale toepassing van Amerikaanse wetgeving?
In algemene zin zetten derde landen steeds meer unilaterale en extraterritoriale instrumenten in. Zowel Nederland als de EU zijn geen voorstander van dergelijke maatregelen. Europese wetgeving kent verschillende mitigatiemogelijkheden voor extraterritoriale bepalingen van andere landen.
Specifiek in relatie tot de MATCH Act hecht het kabinet eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen. Het kabinet gaat niet speculeren over de inzet van welk instrument dan ook in relatie tot de Act.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de conceptwettekst nadrukkelijk in de VS onder de aandacht brengen op alle niveaus.
Hoe voorkomt u dat legitieme veiligheidszorgen rond China in de praktijk leiden tot onevenredige economische nadelen voor Europese bedrijven?
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik. Overleg in multilaterale exportcontroleregimes draagt bij aan een breed gedeeld gelijkwaardig toetsingskader en aan een gelijk speelveld voor bedrijven. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Welke Chinese tegenmaatregelen acht u realistisch indien de MATCH Act in de huidige vorm wordt aangenomen, en welke gevolgen zouden dergelijke maatregelen kunnen hebben voor Nederlandse bedrijven in de halfgeleidersector?
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin geldt dat de halfgeleidersector zeer complexe internationale waardeketens kent die gevoelig zijn voor verstoringen.
Kunt u de Kamer informeren over de gevolgen van een mogelijke Chinese «Malicious Entity List» voor Nederlandse bedrijven?2
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin richt het Countering foreign states» unlawful extraterritorial jurisdiction measuredecreet, dat is uitgevaardigd door de Chinese overheid, zich op extraterritoriale maatregelen van landen die volgens de Chinese overheid in strijd zijn met het internationale recht en basisnormen van internationale relaties die volgens China de soevereiniteit, veiligheid en ontwikkeling en de legitieme rechten en belangen van Chinese burgers en organisaties raken.
Dit decreet biedt China de mogelijkheid om tegenmaatregelen te treffen tegen extraterritoriale wetgeving. Die tegenmaatregelen kunnen op haar plaats ook weer extraterritoriaal zijn. Hierbij is onder andere aangekondigd dat China een entiteitenlijst opstelt van buitenlandse organisaties en individuen die meewerken aan de implementatie van buitenlandse extraterritoriale wetgeving.
Kunt u bevestigen dat nationaal en internationaal onderzoekers al bijna tien jaar waarschuwen dat het RCP8.5-scenario onwaarschijnlijk is en niet meer gebruikt zou moeten worden voor beleidsdoeleinden?1, 2, 3
Ja en nee. Het is in de laatste 10 jaar steeds duidelijker geworden dat het emissiescenario RCP8.5/SSP5-8.5 steeds onwaarschijnlijker is geworden maar het kan nog wel gebruikt worden, zie het antwoord op vraag 2.
Waarom heeft het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en in het verlengde daarvan het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dit advies al die jaren in de wind geslagen
Emissiescenario's zijn geen klimaatscenario's. In de KNMI'23 klimaatscenario's is gebruik gemaakt van het hoge emissiescenario SSP5-8.5 om een hoog klimaatscenario af te leiden als worst-case scenario voor de effecten van klimaatverandering. Dit hoge klimaatscenario is ook mogelijk bij lagere emissies als het klimaat gevoeliger blijkt te reageren op een toename in broeikasgassen dan gedacht en/of als terugkoppelingen in de koolstofcyclus de CO2 concentratie sneller doet toenemen dan gedacht.
Kunt u bevestigen dat sinds de publicatie van dit RCP8.5-scenario in 2011 er wereldwijd naar schatting meer dan 100.000 wetenschappelijke artikelen zijn verschenen die gebruikmaken van dit scenario en een veelvoud aan media-uitingen?
Nee. De schatting van 100.000 betreft zowel artikelen waar het RCP8.5 wordt gebruikt als wordt gerefereerd en kan niet worden gecontroleerd. Het aantal artikelen waar het RCP8.5 scenario daadwerkelijk is gebruikt in de analyses ligt naar verwachting veel lager. Verder geldt dat in veel gevallen het RCP8.5 niet als enige scenario is gebruikt. Daar komt bij dat klimaatscenario’s op basis van het RCP8.5 emissiescenario veel zijn gebruikt om de mogelijke gevolgen van een klimaatverandering door te rekenen, specifiek om de worst-case situatie in kaart te brengen. Zie het antwoord bij vraag 2.
Hoe kijkt u daarop terug, nu blijkt dat dat scenario nooit plausibel is geweest?
Zie de antwoorden op vraag 2 en 3.
Kunt u bevestigen dat het midden-scenario voortaan als «business as usual» mag worden gezien/gebruikt?
Het te gebruiken scenario hangt af van de toepassing. Waarbij het te gebruiken scenario één van de aspecten is bij besluiten over te treffen maatregelen, en afhankelijk is van onder andere verwachte levensduur en mogelijkheden tot aanpassen in de toekomst van bijvoorbeeld waterkeringen.
Deelt u de mening dat op basis van het RCP8.5- (en diens opvolger het SSP5-8.5) scenario het IPCC, het KNMI en in het verlengde daarvan ook de Nederlandse overheid veel te alarmistisch zijn geweest over klimaatverandering?
Het hoge en lage KNMI'23 klimaatscenario geven de spreiding aan waarbinnen het Nederlandse klimaat zich waarschijnlijk gaat ontwikkelen. Het verloop van de emissies is daarbij afhankelijk van menselijke keuzes. Dat is de reden dat met verschillende scenario's wordt gewerkt, die de volledige bandbreedte aan mogelijkheden omvatten, zie ook de antwoorden op de voorgaande vragen.
Gaat u de overheidspagina over klimaatverandering met spoed herschrijven in het licht van de «nieuwe» inzichten omdat daar bijvoorbeeld nog staat dat de zeespiegel in 2100 wel 1,2 meter (of zelfs 2 meter) kan stijgen maar dat dit was gebaseerd op het RCP8.5-scenario?4
De daar beschreven verwachtingen zijn nog steeds mogelijk en schetsen een bandbreedte zoals uit de KNMI’23 klimaatscenario’s blijkt. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.
Heeft u de reactie van het KNMI gezien5 op de nieuwe scenario’s en vindt u het acceptabel dat het instituut zelfs nu nog doet alsof er niets veranderd is dat hoewel het KNMI erkent dat RCP8.5 niet langer realistisch is, toch weigert haar eigen scenario’s, die op RCP8.5 gebaseerd zijn, aan te passen?
Ja. Echter, het KNMI stelt niet dat er niets veranderd is in de inzichten over emissiescenario’s. Wel gaf het KNMI al bij het uitbrengen van de KNMI’23 scenario’s aan dat de emissies van het RCP8.5 scenario onwaarschijnlijk waren. Maar gezien de onzekerheden in het vertalen van emissies naar klimaateffecten voor Nederland is ervoor gekozen om RCP8.5 te blijven gebruiken als worst-case scenario en daar is dit scenario ook nog steeds bruikbaar voor.
Misleidt het KNMI hiermee alle sectoren en (lagere) overheden die gebruikmaken van de KNMI-scenario’s en gedraagt het KNMI zich in Nederland daarmee niet veel te veel als eenoog Koning (een kennismonopolist)?
Het KNMI maakt afgewogen keuzes die gebaseerd zijn op wetenschappelijke gronden, ook ten aanzien van klimaatscenario's. Het KNMI is open in de communicatie van deze keuzes. KNMI maakt die keuzes dan ook niet in isolatie, de keuzes worden gemaakt in overleg met maatschappelijke partijen en getoetst door een internationaal panel van klimaatonderzoekers.
Hoe kan het dat het IPCC in haar zesde rapport in 2021 al waarschuwde dat RCP8.5 (en SSP5-8.5) niet langer plausibel was en het KNMI bij de 2023 klimaatscenario’s dit scenario toch gewoon weer inzette?6
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Kunt u het KNMI vragen met spoed en in het Engels een reactie te schrijven op de kritiek van Pielke Jr, aangezien de internationaal zeer goed in dit dossier ingevoerde onderzoeker Roger Pielke Jr op social media onmiddellijk de publieke reactie van het KNMI op de nieuwe scenario’s bekritiseerde7 en volgens hem de reactie van het KNMI diverse «onjuiste beweringen» zou bevatten en ook Volkskrant-journalist Maarten Keulemans constateerde dat op social media platform X8 wat natuurlijk zeer ernstig zou zijn voor een overheid die zelf zegt het bestrijden van mis- en desinformatie zo belangrijk te vinden?
Er is geen sprake van misinformatie. De inhoudelijke kritiekpunten worden beantwoord in het Klimaatbericht op de website van het KNMI en het wetenschappelijke artikel over de nieuwe emissiescenario’s. Het KNMI geeft aan dat de vragen die aan hen worden gesteld over dit onderwerp zullen worden beantwoord.
Kunt u ervoor zorgen dat het PBL, het KNMI en bewindslieden als uzelf voortaan de echte reden geven voor het verlaten van RCP8.5 en kunt bevestigen dat een belangrijk kritiekpunt van Pielke Jr klopt dat diverse onderzoekers, waaronder Detlef van Vuuren van het PBL, de eerste auteur van de nieuwe scenariopaper9, en ook het KNMI, ten onrechte beweren dat het «rampenscenario» is verlaten vanwege het succes van het beleid, met name het goedkoper worden van zonne- en windenergie en ook de Minister suggereerde dit in haar interview bij het programma Ongehoord Nieuws maar dat de werkelijke reden dat het «rampenscenario» is verlaten is dat de aannames erachter altijd al onrealistisch geweest zijn, namelijk een explosieve stijging van steenkoolgebruik in de 21e eeuw?
Gezien de feitelijke situatie zie ik hier geen aanleiding toe.
Kunt u laten onderzoeken hoe het mogelijk is geweest dat juist dit niet plausibele RCP8.5-scenario gebruikt werd als het enige referentie- of ook wel business-as-usual-scenario?
Nee. Dat is niet nodig, het RCP8.5 emissiescenario is niet door het KNMI als referentiescenario of business-as-usual scenario gebruikt maar als het hoog emissiescenario, naast een midden en laag emissiescenario. Daarbij gebruikt het KNMI de term referentiescenario in de regel niet.
Deelt u de mening dat RCP8.5 nooit als referentiescenario gelabeld had moeten worden en dat beleidsmakers daarmee jarenlang op het verkeerde been zijn gezet?
Zie het antwoord op vraag 13. In de communicatie over de KNMI'23 klimaatscenario's geeft het KNMI aan dat het hoge en lage klimaatscenario hoekpunten zijn, waarbinnen toekomstige klimaatverandering zich naar verwachting zal begeven.
Kunt u navragen en toelichten waarom het PBL het niet eens opportuun achtte om een persbericht de deur uit te doen, terwijl een PBL-medewerker eerste auteur van de internationale paper is waarmee de nieuwe IPCC-scenario’s zijn gelanceerd?
Dat is aan het PBL zelf. Zie het antwoord op vraag 2, het gaat niet om nieuwe IPCC scenario’s maar om de ontwikkeling van emissiescenario’s ten behoeve van een internationale vergelijkende modelanalyse van klimaateffecten.
Zou dit ook niet gebeurd zijn als het nieuwe hoogste scenario hoger uitgevallen zou zijn dan RCP8.5, met andere woorden als de boodschap had kunnen zijn «it is worse than we thought» en deelt u de mening dat dergelijke institutionele bias ongewenst is?
Dat kan ik niet beoordelen.
Kunt u bevesboektigen dat het nieuwe hoogste scenario CMIP7 High geen referentiescenario is en dus niet als zodanig gebruikt en gecommuniceerd moet worden?
Ja. Het nieuwe, hoogste emissiescenario is bruikbaar als hoog emissiescenario, waarin wordt verondersteld dat ingezet klimaatmitigatiebeleid wordt teruggedraaid. Het is dus geen referentiescenario, maar een mogelijk toekomstig scenario.
Kunt u bevestigen dat dit betekent dat toekomstig eventueel beleidssucces nooit gerelateerd kan worden aan dit scenario?
Ja. Waar het gaat om klimaatmitigatiebeleid.
Kunt u bevestigen dat het nieuwe hoge scenario (CMIP7 High) gebaseerd is op het SSP3-scenario en niet op het eerder gebruikte SSP5-scenario?
Ja.
Kunt u met spoed laten uitzoeken hoe het mogelijk is dat dit scenario uitgaat van een bevolkingstoename in 2100 van maar liefst 14,5 miljard mensen10, wat haaks staat op projecties van de VN (+/– 10 miljard in 2100) en het IMHE (+/– 9 miljard in 2100)?
De genoemde projecties van de VN en IHME zijn gemiddelde prognoses die het meest waarschijnlijk zijn, maar in de range van bevolkingsscenario’s komen ook hogere projecties voor: VN: 12–13 miljard; IHME: 14,5 miljard. Dit zijn worst case scenario’s waarbij de geboortecijfers in ontwikkelingsregio’s door blijvende armoede minder snel dalen.
Deelt u de mening dat het niet opnieuw moet gebeuren dat de klimaatgemeenschap tien jaar of langer gaat werken met scenario’s die uitgaan van achterhaalde aannames?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2. En bij het ontwikkelen van klimaatscenario’s wordt cyclisch gewerkt om nieuwe inzichten te verwerken.
Kunt u bevestigen onder de aanname van staand beleid («current policies») dat temperatuurprojecties in 2100 uitkomen op ongeveer 2,5 graden opwarming11 en als je dat zou combineren met realistischere aannames voor bevolkingsgroei en economische groei het tweegradendoel van Parijs zelfs haalbaar lijkt zonder aanvullend beleid?12
Nee. Volgens het meest recente UNEP Emissions Gap-rapport komen temperatuurprojecties met staand beleid uit op 2,8 (bandbreedte 2,1–3,9) °C in 2100 met een 66% kans. Aanvullend beleid is dus nodig om aan de klimaatdoelen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen.
Deelt u de mening dat er veel meer toezicht nodig is op de samenstelling en de werkwijze van de internationale commissie die de IPCC-scenario’s vaststelt, bijvoorbeeld omdat Roger Pielke Jr zijn zorgen heeft uitgesproken13 over de samenstelling en het gebrek aan toezicht op de internationale commissie en waar slechts twee instituten (IIASA en PIK) die commissie domineren en transparantie over wat er besproken wordt tijdens meetings volledig ontbreekt?
Het IPCC ontwikkelt geen scenario’s. Dat doen internationaal samenwerkende onderzoeksgroepen om hun modelanalyses vergelijkbaar te maken, zoals in het geval van de CMIP-scenario’s. IPCC beoordeelt in haar assessmentrapporten alleen de resultaten van scenario-analyses. Het wetenschappelijke artikel in kwestie is geschreven door 44 auteurs van 26 verschillende instituten, onder coördinatie van het World Climate Research Programme (WCRP). Er zijn geen redenen om aan te nemen dat dit proces onzorgvuldig zou zijn. De wetenschappers verantwoorden zich voor hun scenario’s en worden extern beoordeeld door collega wetenschappers bij publicatie in wetenschappelijke media, hiermee is wereldwijd de onafhankelijke wetenschappelijke peerreview geborgd. Het is niet gewenst dat beleidsmakers zich gaan bemoeien met welke scenario’s door de wetenschap dienen te worden gebruikt en welke niet.
Zo ja, wat gaat u internationaal doen om dat voor elkaar te krijgen?
Niet van toepassing, zie het antwoord op vraag 23.
Gaat u het KNMI nu de opdracht geven haar scenario’s op de nieuwste ontwikkelingen aan te passen en hiermee niet te wachten tot het KNMI volgens eigen planning pas in 2029 of 2030 met een update komt?
Op basis van de doorrekeningen van de nieuwe scenario’s zal het KNMI in 2030/2031 komen met een nieuwe set klimaatscenario’s voor Nederland, waarin dan ook de nieuwe IPCC-inzichten in de gevolgen van klimaatverandering wereldwijd worden meegenomen (bijvoorbeeld mate van zeespiegelstijging).
Kunt u de Kamer met spoed een eerste inventarisatie sturen van de projecten in Nederland die gebaseerd zijn op RCP8.5 en/of SSP5-8.5 zodat de Kamer kan zien hoe dit scenario heeft doorgewerkt in de samenleving?
Nee, ik zie daarvoor onvoldoende aanleiding. De Kamerbrief «KNMI ’23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid» van 8 mei 2024 geeft reeds een uitgebreid overzicht. Het belangrijkste voorbeeld zijn namelijk de KNMI ’23-klimaatscenario’s. Door het KNMI worden meer specifieke klimaatscenario’s voor Nederland gemaakt; de meest recente versie komt uit 2023. Die scenario’s vormen de basis voor verder onderzoek en het beleid gericht op aanpassing aan klimaatverandering in Nederland. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt in de Nationale Klimaatadaptatiestrategie, de Nationale Risicokaart, en de PBL-studie «Voorbij de risico’s: keuzes voor een klimaatbestendige leefomgeving».
Kunt u in het bijzonder aangeven wat de consequenties zijn van de nieuwe inzichten voor het Nationaal Deltaprogramma waarin de Deltascenario’s 202414 voor 50% zijn gebaseerd op het nu geschrapte SSP5-8.5-scenario?
Het Deltaprogramma werkt niet met één enkel scenario, maar met meerdere scenario’s om een bandbreedte van mogelijke toekomstige ontwikkelingen in beeld te brengen. Zie ook het antwoord op vraag 6. De inzichten die met de huidige Deltascenario’s zijn opgedaan blijven relevant.
Betekenen de nieuwe inzichten dat we fors kunnen bezuinigen op het jaarlijkse budget voor het Deltaprogramma dat ongeveer 1,9 miljard euro bedraagt?
Nee. Investeren in onder andere bescherming tegen overstromingen en beschikbaarheid van zoetwater is voor Nederland als laaggelegen delta cruciaal, ook zonder klimaatverandering. Door klimaatverandering wordt de opgave groter, zo moet er bijvoorbeeld worden geïnvesteerd in gemalen omdat spuien minder vaak mogelijk is door de stijgende zeespiegel, en zijn er door het optreden van droogte in afgelopen jaren grote gevolgen voor onder andere de landbouw en de natuur. De nieuwe inzichten betekenen dus niet dat de opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid en klimaatadaptatie verdwijnen. Er is daarom geen aanleiding om te concluderen dat op het Deltaprogramma kan worden bezuinigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De stapeling van overtredingen en niet voldoen aan wet- en regelgeving door Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u de brief die de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) op 23 april 2026 naar Tata Steel verstuurde, die ziet op de intrekking van de vergunningen voor de Kooksgasfabrieken (KGF) 1 en 2, ontvangen?
De Ministeries van EZK en IenW hebben de brief op 23 april 2026 ter informatie ontvangen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG).
Wanneer wist u dat de ODNZKG voornemens was de vergunningen van de KGF 1 en 2 in te trekken? Kunt u aangeven of dit voor of na het plenaire debat van 7 april jl. was?
De ministeries zijn op 20 april jl. mondeling vertrouwelijk geïnformeerd over de situatie. Dat is dus na het plenaire debat van 7 april 2026. Voor Kooksgasfabriek 2 geldt dat de OD NZKG al eerder heeft aangegeven intrekking van de vergunning te overwegen, daar liep immers al een aanzeggingsprocedure.5
Indien u de brief op hetzelfde moment of rond dezelfde tijd ontving: waarom heeft u die brief dan niet meteen met de Kamer gedeeld?
Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. Het is dan ook allereerst aan de provincie en de OD NZKG om publiekelijk te informeren over stappen op dit gebied. De Kamer is steeds zo snel mogelijk daarna geïnformeerd in het kader van het maatwerktraject, bijvoorbeeld met de brief van 19 mei jl.6
Bent u het ermee eens dat de Staat zeer zorgvuldig en terughoudend moet omgaan met het uitgeven van geld van burgers aan een commercieel, Indiaas bedrijf, al helemaal in tijden waarin het kabinet kiest voor harde bezuinigingen op o.a. de Nederlandse zorg? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het (algemene) principe dat er zeer zorgvuldig omgegaan moet worden met de besteding van middelen. Het kabinet heeft de intentie om deze subsidie te verstrekken aan Tata Steel Nederland omdat verduurzaming van het bedrijf hiermee mogelijk wordt gemaakt en dit tot positieve effecten voor het klimaat en het milieu leidt. Het kabinet toetst de haalbaarheid van de plannen en de businesscase van het bedrijf (doorlopend) zorgvuldig en maakt hierbij ook gebruik van externe deskundigen. In de uiteindelijke overeenkomst zullen allerlei (financiële) zekerheden door de staat gevraagd worden aan TSN. Voor de staat is het essentieel dat de ondersteuning gebruikt gaat worden voor het beoogde doel: gezondheidswinst en verduurzaming van de productiefaciliteit.
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren in debatten en in schriftelijke vragen van de afgelopen jaren de regering er meermaals op heeft gewezen dat Tata Steel zich al jaren niet houdt aan wet- en regelgeving en dat er een grote kans bestaat dat niet alleen KGF 2, maar ook KGF 1 gedwongen dicht moet, dat dat het plan waar de Staat over aan het onderhandelen is zou veranderen en dat geld geven aan Tata Steel een extra risico vormt voor de belastingbetaler? Zo ja, bent u het ermee eens dat deze signalen te licht zijn opgevat in het verleden, en hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort signalen in de toekomst evenwichtig worden meegenomen?
Het kabinet is zich bewust van de diverse handhavingszaken die bij het bedrijf lopen. Hierover is de Kamer in de afgelopen jaren ook regelmatig geïnformeerd.7
Het is mede om die reden dat het kabinet in de Joint Letter of Intent (JLoI) specifieke afspraken overeen is gekomen op het gebied van compliance en cultuur. Zo is in artikel 12.4 van de JLoI vastgelegd dat het bedrijf een cultuurverandering moet doormaken en de control en compliance van haar operaties moet verbeteren. TSN moet hiervoor een plan aanleveren bij de staat. Dit plan wordt extern getoetst. Dit is belangrijk om tot een maatwerkafspraak te komen en het kabinet is hier dan ook intensief over in gesprek met het bedrijf. Daarnaast zijn in de JLoI ook afspraken vastgelegd met als doel om de (financiële) risico's voor de staat te minimaliseren.
Zoals in de eerdere Kamerbrief aangegeven8 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Bent het ermee eens – tegen de achtergrond dat de omgevingsdienst overgaat tot intrekking van de vergunningen voor beide kooksfabrieken, omdat Tata Steel de normen stelselmatig jarenlang overschrijdt en er geen reden is om te veronderstellen dat dat nog gaat veranderen – dat er in lijn met de Joint Letter of Intent (JLoI) art.15.3 (d) sprake is van een (potentiële) opzeggingsgrond? Waarom wel/niet?
Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop primair bij het bevoegd gezag – in dit geval de provincie Noord-Holland – ligt, is compliance van TSN van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Zoals opgenomen in het antwoord op vraag 5 moet TSN een plan aanleveren bij de staat voor het verbeteren van de compliance en cultuur. Dit plan wordt extern getoetst. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Bent u voornemens deze opzeggingsgrond aan te wenden om de inspanningsverplichting te stoppen, aangezien in de kabinetsbrief van 7 april jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 350) wordt gesteld dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft»? Zo nee, kunt u dat heel nauwkeurig onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gebeurt er op het moment dat uit het lopende strafrechtelijk onderzoek1 blijkt dat Tata Steel opzettelijk en onrechtmatig de gezondheid van mensen in gevaar heeft gebracht? Welke invloed heeft het lopende onderzoek op de gesprekken over de maatwerkafspraken?
Hoewel de vraag begrijpelijk is, kan het kabinet niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomsten van een onafhankelijk strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging. Het kabinet hecht zeer aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven. Daarom gelden bepaalde uitkomsten van onderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen ook als mogelijke opzeggrond voor de JLoI. Bij de vormgeving van de definitieve maatwerkafspraak wordt hier rekening mee gehouden.
Kunt u bevestigen dat er geen enkele invloed op de ILT en de ILT-IOD, direct of indirect, wordt uitgeoefend vanuit het ministerie in hun werk rondom Tata Steel en dat de instanties onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraken tot hun oordeel kunnen komen?
De ILT en ILT-IOD doen hun onderzoek onafhankelijk en kunnen dus ook onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraak tot hun oordeel komen.
Bent u ermee bekend dat experts zeggen dat KGF 2 zo verouderd is dat het al in de jaren negentig gesloten had moeten worden, maar dat het nooit gebeurd is, omdat kortetermijnwinst belangrijker werd geacht dan de gezondheid voor omwonenden?
Het kabinet verwijst hiervoor naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen uit 2023.10 Zie verder het antwoord op vraag 5 t/m 7.
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het stilleggen van een bedrijfsonderdeel door Tata Steel op verzoek van de toezichthouder, omdat na metingen is gebleken dat het te veel van de kankerverwekkende stof chroom-6 uitstoot? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overschrijden van verschillende normen voor gevaarlijke stoffen bij de Sinterfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overtreden van regels bij de Oxystaalfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het feit dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat Tata Steel toezicht en controles belemmert en vertraagt? Welke consequenties zijn er vanuit het kabinet richting Tata Steel als belemmering en vertraging van de toezichthoudende taken nogmaals worden geconstateerd?
Wat vindt u ervan dat de omgevingsdienst al in 2025 heeft geconstateerd dat Tata Steel een aanzienlijk hogere uitstoot van schadelijke stoffen rapporteert in het elektronisch milieujaarverslag (e-MJV) van 2024 ten opzichte van voorgaande jaren, en dat de omgevingsdienst nog steeds geen goede verklaring voor deze veel hogere uitstoot heeft ontvangen van Tata Steel? Wat zegt dit over de bedrijfscultuur en betrouwbaarheid van Tata Steel?
De OD NZKG is vaker eigen metingen gaan uitvoeren en heeft daarmee meer inzicht gekregen in de emissies van het bedrijf. Zo heeft de OD NZKG in 2024 stoffen gemeten die niet eerder door Tata Steel zijn gemeten of gerapporteerd. Ook meet de OD NZKG op meerdere plaatsen op andere manieren dan het staalbedrijf dat zelf eerder heeft gedaan. Tata Steel heeft deze nieuwe metingen op aandringen van de OD NZKG meegenomen in het e-MJV over 2024. Er kunnen ook andere oorzaken zijn voor verschillen tussen uitstootgegevens, bijvoorbeeld wijzigingen in de productie- of procesomstandigheden van de fabriek.
Verder is het noodzakelijk dat Tata Steel zich open en transparant opstelt om te voorkomen dat dit soort zaken zich in de toekomst opnieuw voordoen. Dit is ook afgesproken in artikel 8.2 van de JLoI, waarin Tata Steel zich heeft gecommitteerd om te onderzoeken hoe onafhankelijke en transparante monitoring versterkt kan worden.
Klopt het dat Tata Steel tot nu toe meer dan 25 miljoen euro aan boetes heeft moeten betalen voor het overtreden van regels? Zo nee, wat is het bedrag precies?
Navraag bij de OD NZKG levert op dat Tata Steel in de periode 2025–2026 € 22.215.000 aan dwangsommen heeft voldaan. Op de website van de OD NZKG is een overzicht te zien van alle handhavingsacties, zo ook het verbeuren van dwangsommen.12
Wat vindt u van de cultuur van het buitenlandse bedrijf, dat zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt, handhaving en toezicht traineert en belemmert, onvolledige of misleidende cijfers en informatie deelt, door de toezichthouder «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, en onvoldoende en ontijdig heeft geïnvesteerd in gezonde bedrijfsvoering en onderhoud?
Een goede cultuur is van belang om compliant te kunnen zijn met regelgeving. De cultuurverandering die in de JLoI (artikel 12.4) genoemd wordt, moet eraan bijdragen dat het bedrijf zich proactief en transparant opstelt in het voldoen aan de wet- en regelgeving. Zie hiervoor ook antwoord 5 t/m 7.
Welke risico’s voor de maatwerkafspraken, de Staat en de belastingbetaler zijn er door de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving (waarvan een aantal in vorige vragen genoemd), de bovengeschetste cultuur van het bedrijf en door de lopende rechtszaken? Kunt u met de Kamer delen welke adviezen u daarover heeft ontvangen?
Het kabinet zal een analyse van de juridische consequenties en risico’s voor de staat van (bepaalde bepalingen uit) de maatwerkafspraken laten uitvoeren door een externe juridisch adviseur. Dat is conform de motie Van Oosterhout en Kostic,13 ingediend tijdens het debat over de JLoI met Tata Steel op 7 april jl. Deze analyse is op dit moment nog niet beschikbaar. Voor het belang van een transparant en compliant bedrijf, zie antwoorden op de vragen 5 t/m 7.
Kunt u uitgebreid uitleggen en onderbouwen hoe u de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving en lopende onderzoeken en rechtszaken beoordeelt vanuit art.15.3 van de JLoI?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met deze situatie.
Aangezien u eerder schreef dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft», en Tata Steel zich al jaren niet aan wet- en regelgeving houdt, tot wanneer precies geeft u Tata Steel de tijd om eindelijk aan de wet- en regelgeving te voldoen?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet hiermee omgaat.
Kunt u uitsluiten dat u een maatwerkafspraak maakt met Tata Steel, als het bedrijf zich nog steeds niet aan wet- en regelgeving kan houden? Zo nee, wat is dan uw uitspraak over het belang van naleving van wet- en regelgeving waard?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vragen 6 en 7 dienen bedrijven in Nederland zich aan de wet te houden, ook TSN. Compliance van TSN is van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Aangezien Tata Steel zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt en door toezichthouders «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, welk signaal denkt u dat het afgeeft dat de Staat alsnog bereid is om zo’n bedrijf belastinggeld te geven? Waarom zou u Tata Steel belonen voor het jarenlang overtreden van regels, het traineren van handhaving en toezicht, het onvoldoende investeren in onderhoud en tijdige vervanging van fabrieken en het uitstoten van te veel kankerverwekkende stoffen waar mensen aantoonbaar ziek van worden?
De maatwerkafspraak waarover het kabinet onderhandelt met Tata Steel dient ertoe afspraken met het bedrijf te maken om te komen tot CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving voor gezondheid van omwonenden. Dit is de snelste manier om, binnen een bredere belangenafweging, tot een verbetering van de leefomgeving rond het bedrijf en klimaatwinst te komen.
Zoals eerder in deze beantwoording al benoemd is onderdeel van de JLoI het verbeteren van de cultuur en compliance. In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met dit onderwerp.
Hoe beïnvloedt het vroegtijdig sluiten van KGF 2 en met name KGF 1 de levensvatbaarheid van de plannen zoals vastgelegd in de JLoI, aangezien het originele plan op basis waarvan de Staat de onderhandelingen in is gegaan, uitgaat van het nog jarenlang openhouden van KGF 1? Op welke onafhankelijke experts baseert u zich hierin?
Zoals eerder aangegeven14 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Zoals bekend toetst het kabinet of de plannen van het bedrijf haalbaar zijn en leiden tot een levensvatbaar bedrijf. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en businesscase juridisch, technisch en financieel te toetsten, zoals KPMG en Mott Macdonald. Ook de Europese Commissie (EC) hanteert als uitgangspunt voor steunverlening dat een bedrijf economisch levensvatbaar moet zijn.
Hoe ziet het plan van Tata er dan nu precies uit, welke wijzigingen zijn/worden gemaakt ten opzichte van het plan op basis waarvan de Staat een JLoI is aangegaan?
De provincie Noord-Holland en de OD NZKG volgen voor de intrekking van de vergunningen een zorgvuldige procedure. Voor beide KGF’en is een vooraankondiging gestuurd. Hierna volgen ontwerp-intrekkingsbesluiten, waarop zienswijzen ingediend kunnen worden. Na het wegen van de zienswijzen, volgen definitieve intrekkingsbesluiten van de vergunningen. Voor de termijn waarbinnen sluiting plaats moet vinden worden onder andere het gedrag van de overtreder, de milieueffecten van de sluiting zelf, de bescherming van het milieu in het algemeen, verschillende technische aspecten en de bedrijfsvoering van Tata Steel in overweging genomen. De provincie Noord-Holland heeft recent ook een brief gestuurd waarin uitgebreide toelichting staat over dit proces15. Wanneer er meer duidelijkheid is over de termijn waarop sluiting plaats moet vinden, kan ook inzichtelijk gemaakt worden of en in hoeverre de huidige plannen aangepast moeten worden. Zodra hierover meer bekend is zullen wij de Kamer informeren.
Aangezien Tata Steel Nederland in 2025 een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert, welk financieel risico neemt de Staat bij de toekenning van 2 miljard euro subsidie? Hoe is dit risico bepaald en afgewogen en kunt u de exacte onderbouwing daarvan delen met de Kamer?
In het proces wordt er doorlopend getoetst op de levensvatbaarheid van het bedrijf en de (langetermijn) vooruitzichten. Dit gebeurt zowel door externe adviseurs van de staat als door de EC aangezien er op basis van het staatssteunkader dat van toepassing is geen staatssteun mag worden verleend om een verlieslatend bedrijf overeind te houden.
Daarnaast is de staat voornemens om garanties en zekerheden in te bouwen in de maatwerkafspraak. Zo wordt de maximaal 2 miljard euro aan subsidie niet in één keer overgemaakt, maar in tranches na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen en na bewijs van gemaakte kosten en volledige financiering van het project. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. Door aan de voorkant zekerheden voor de verstrekte tranches te stellen kan in het uiterste geval het uitbetaalde voorschot worden teruggevorderd.
Tot slot kijken TSL en externe financiers ook kritisch naar de financiering van hun eigen investering en de levensvatbaarheid van het bedrijf voor er geld beschikbaar wordt gesteld.
Is dit risico volgens u nog verantwoord, nu de materiële en financiële situatie bij Tata Steel Nederland volledig anders is dan bij het ondertekenen van de JLoI en nu de auditor van Tata Steel spreekt van «material uncertainty to going concern»?2 Kunt u nauwkeurig onderbouwen waarom wel/niet?
De eerdere sluiting van de Kookgasfabrieken heeft naar verwachting impact op het verdienvermogen van het bedrijf. Het bedrijf moet haar processen versneld aanpassen en dit brengt kosten en risico's met zich mee. Om die reden heeft TSL ook melding gemaakt over deze materiële onzekerheden. Het doen van deze melding in het jaarverslag is immers een verplichting voor beursgenoteerde ondernemingen zoals TSL. Zoals hiervoor aangegeven wordt de mogelijke impact op de maatwerkafspraak nog verder onderzocht.
Hoe verhoudt de geambieerde staatssteun zich nog tot de financiële feiten, gezien het oordeel van de auditor van Tata Steel dat de aangekondigde intrekking van vergunningen «material uncertainty to going concern» oplevert, gezien het feit dat Tata Nederland een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert én gezien het feit dat volgens Europese regels geen staatssteun gegeven mag worden aan een financieel noodlijdend bedrijf? Hoe onderbouwt u dit en op welke onafhankelijke experts baseert u zich?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is TSL, in het kader van de accountantsverplichtingen die TSL als beursgenoteerd bedrijf heeft, verplicht elke zogenaamde materiele onzekerheid over de continuïteit van de onderneming te vermelden.
Daarbij betekent het feit dat het bedrijf een verlies heeft gemaakt van ruim 200 miljoen euro nog niet dat het bedrijf ook een financieel noodlijdend bedrijf is. Zoals eerder aangegeven wordt momenteel onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft. Hierbij wordt ook de levensvatbaarheid van het bedrijf en de financiële haalbaarheid betrokken.
Heeft u naar aanleiding van de ontstane situatie al contact gehad met de Europese Commissie, die de eventuele subsidie moet goedkeuren in lijn met de Europese regels? Zo ja, kunt u de inhoudelijke reactie van de Commissie met de Kamer delen?
Vooruitlopend op formele toetsing door de EC, wordt informeel met de EC gesproken over alle voor de staatssteunbeoordeling relevante aspecten. Gelet op het informele en vertrouwelijke karakter van het overleg van de EC worden geen inhoudelijke reacties van de EC gedeeld. Voor zover er (financiële) gevolgen zijn voor de plannen en de businesscase, wat naar verwachting zo zal zijn zoals in antwoord 25 aangegeven, is dit relevant voor de formele beoordeling van de EC. Op dit moment zijn de consequenties nog niet precies bekend en kan dus ook geen beoordeling op grond van de staatssteunregels worden gemaakt. Helder is dat het bedrijf zich aan de wet- en regelgeving dient te houden, dat geen staatssteun mag worden verleend voor activiteiten die niet aan Europese regelgeving voldoen en dat een eventuele maatwerksubsidie moet (blijven) voldoen aan de Europese voorwaarden voor staatssteun onder het geldende staatssteunkader, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 (CEEAG).
Aangezien tijdens de aandeelhoudersvergadering op 16 mei jongstleden CEO Thachat Narendran de volgende uitspraak over de winstgevendheid van Tata Steel Nederland bij het sluiten van de beide kooksfabrieken heeft gedaan: «So going forward, if the coke ovens close, we expect it to continue to be EBITDA positive, maybe making less EBITDA than we had hopefully would make, but it will always be EBITDA positive. And so far, the Netherlands operation has operated without any support from India. So I think we expect that to continue»3, onderschrijft de Minister dat de overgangstermijn voor het sluiten van de beide kooksgasfabrieken beperkt kan worden tot de technische haalbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 24 volgen de provincie Noord-Holland en de OD NZKG een zorgvuldige procedure, waarin verschillende belangen gewogen worden. De OD NZKG heeft (in mandaat van de provincie Noord-Holland) de expertise om te bepalen welke termijn Tata Steel krijgt voor een veilige, verantwoorde en gecontroleerde sluiting.
Is de datum van de sluiting van de kooksgasfabrieken onderwerp van de onderhandelingen, of is dit een zuiver technische afweging van de omgevingsdienst?
De datum van de sluiting is een afweging van het bevoegd gezag. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 24.
Wat vindt u ervan dat de omwonenden al heel lang aandringen op sluiting van de kooksgasfabrieken wegens jarenlange overtredingen van de regels, maar dat Tata Steel de provincie Noord-Holland en de Tweede Kamer steeds heeft voorgehouden dat het een vroegtijdige sluiting van alleen al KGF 2 financieel niet kan dragen?
Het klopt dat hier sprake is van een andere positie van het bedrijf dan voorheen. Hierover is navraag gedaan bij het bedrijf. Het bedrijf geeft aan dat het in de context van de handhavingstrajecten door de OD NZKG en in reactie op de aanvullende normen uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), waar KGF1 niet op korte termijn aan kan voldoen, op basis van nieuwe inzichten is gaan kijken naar mogelijkheden om de Kooksgasfabrieken eerder te sluiten en de financiële gevolgen hiervan. Zoals bekend zijn hier ook gesprekken met de staat over gevoerd.18
Deze ontwikkeling benadrukt het belang van zorgvuldige en onafhankelijke beoordeling van de plannen en de businesscase, wat de staat dus ook doet met financieel adviseur KPMG en ook de beoordeling van de EC voordat eventuele goedkeuring voor de staatssteun wordt verleend.
Het kabinet wil nogmaals benadrukken dat de staat alleen bovenwettelijke maatregelen kan steunen en niet meer steun zal verlenen dan zij in de JLoI maximaal heeft toegezegd.
Beweert Tata Steel nu wel die vroegtijdige sluiting van de kooksgasfabrieken te kunnen betalen en, zo ja, hoe en wat is er dan precies veranderd in die korte tijd?
Zie antwoord vraag 31.
Gezien artikel 15.4 van de JLoI waarin opzeggronden voor Tata zijn bepaald voor de inspanningsverplichting rondom de maatwerkafspraken, hoe interpreteert u deze zin uit het persbericht van Tata India: «Tata Steel Netherlands is also engaged with the regulators on evolving standards relating to classification and disposal of steel slag, where local requirements in Netherlands now not only exceed EU standards but are threatening to become infeasible.»?
De inhoud van deze presentatie laat ik voor rekening van het bedrijf. Het kabinet maakt een eigenstandige afweging over het al dan niet aangaan van de maatwerkafspraak en over beleid en wet- en regelgeving. Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven maakt de staat beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid. De opzeggronden in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in, noch geven ze enige financiële garanties of enig recht op subsidies aan TSN.19
Aangezien de beslisnota van 18 mei schrijft dat het kabinet een vinger aan de pols hierover houdt en dat wordt onderzocht of en, zo ja, welke implicaties dit voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, kunt u precies uitleggen wat u bedoelt met het onderzoek en welke implicaties mogelijk zijn?
Zoals aangegeven in de beslisnota van 18 mei jl. heeft TSL in het jaarverslag aangegeven dat TSN in gesprek is met de regelgevende instanties over de classificatie en verwijdering van staalslakken. De lokale eisen in Nederland overschrijden momenteel volgens TSL de EU-normen en dreigen onhaalbaar te worden. Naar aanleiding hiervan heeft de staat haar technische en financiële adviseurs gevraagd deze ontwikkeling en de implicaties voor de maatwerkafspraak te onderzoeken.
Houdt u daarbij de uitvoering van de opdracht van de moties-Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343) en -Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) nog scherp, en zorgt u ervoor dat onderhandelingen over de maatwerkafspraken op geen enkele manier invloed hebben op de noodzakelijke beleidsstappen die moeten worden gezet om mens, dier en milieu (uit voorzorg) te beschermen tegen staalslakken?
Het kabinet heeft deze moties scherp. Zoals eerder ook aangegeven laten de JLoI en beoogde maatwerkafspraak met TSN de mogelijkheden voor het kabinet om nationaal beleid op staalslakken aan te passen onverlet.20 Daarbij staan ook in de maatwerkafspraak de verbetering van gezondheid en leefomgeving centraal.
Hoe interpreteert u het feit dat in het laatste kwartaalverslag van Tata Steel India voor het eerst in twee jaar (en dus acht kwartaalverslagen) het «Groen» Staalplan en de maatwerkafspraken niet worden genoemd in de investeerderspresentatie?
De inhoud van deze investeerderspresentatie laat het kabinet voor rekening van het bedrijf.
Aangezien Tata India investeerders liet weten dat er onzekerheid is rondom de plannen in Nederland en de CFO tijdens de investors call zei; «there is an alternative path forward too», bent u op de hoogte van dat alternatieve pad? Zo ja, kunt u de Kamer daar zo snel mogelijk, maar in ieder geval bij de beantwoording van deze vragen, schriftelijk over informeren?
Het kabinet is niet bekend met een alternatief pad.
Bent u zelf ook bezig met een plan B, tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen voor de inwoners van de IJmond en meer specifiek de werknemers van Tata Steel? Waarom wel/niet? Zo ja, kunt u de Kamer dan zo snel mogelijk informeren over alternatieve plannen?
Zoals in de beantwoording van eerdere Kamervragen21 al aangegeven, zet het kabinet in op een maatwerkafspraak met TSN. Met een maatwerkafspraak met TSN wil het kabinet de verduurzaming en het schoner worden van de staalproductie met oog op de gezondheid van omwonenden in de IJmond helpen realiseren en de staalindustrie, en de economische en strategische waarde daarvan, behouden in Nederland. Er wordt nog onderzocht of en zo ja welke implicaties het intrekken van de vergunningen heeft voor de maatwerkafspraak met het bedrijf. Op basis van die uitkomsten worden vervolgstappen geformuleerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór half juni 2026 beantwoorden, gezien de urgentie?
Vanwege de hoeveelheid vragen en de benodigde interbestuurlijke afstemming is het niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Het besluit van het CBR om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond te centraliseren naar één locatie in Sittard-Geleen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond per 1 januari 2027 te centraliseren in Sittard-Geleen?
Ja.
Klopt het dat het CBR dit besluit tot centralisatie intern heeft genomen zonder overleg met de actiegroep van ruim 100 rijschoolhouders uit Zuid-Limburg? Zo ja, waarom heeft hierover geen overleg plaatsgevonden?
Het CBR stelt dat het besluit onderdeel is van een bredere herziening van de huisvesting en exameninfrastructuur. Het is aan het CBR zelf, als zelfstandig bestuursorgaan, om invulling te geven aan de wijze waarop stakeholders worden betrokken bij voorgenomen wijzigingen. In het gehele traject heeft het CBR gesprekken gevoerd met verschillende betrokken partijen in de regio.
Vertegenwoordigers van de Rijscholen zijn eerder geïnformeerd over de huisvestingsstrategie van het CBR. Daarbij is niet expliciet de situatie in Zuid-Limburg besproken. Na het indienen van de vergunningaanvraag voor de nieuwe locatie in Sittard/Geleen zijn informatiebijeenkomsten voor rijscholen georganiseerd. De afgelopen maanden is meermaals gesproken met een actiegroep van rijschoolhouders uit Limburg, die is opgericht na de bekendmaking van de huisvestingsplannen van het CBR in Zuid-Limburg.
Heeft het CBR onderzocht of alternatieve examenlocaties binnen de gemeenten Maastricht, Kerkrade en Urmond beschikbaar waren? Zo nee, waarom niet?
Het CBR heeft verschillende scenario’s onderzocht, waaronder de mogelijkheid van alternatieve locaties. Daarbij zijn onder meer goede bereikbaarheid, voldoende parkeergelegenheid en de mogelijkheid om voldoende valide examenroutes te rijden belangrijke criteria. Het CBR heeft uiteindelijk gekozen voor Sittard-Geleen vanwege de centrale ligging en omdat deze locatie voldeed aan de criteria voor huisvesting van het CBR. Centraal daarbij staat dat de reistijden binnen de landelijk norm blijven die voor alle huisvesting van het CBR geldt. Voor een praktijklocatie betekent dit dat 95% van de kandidaten en rijscholen – onder normale omstandigheden – binnen 30 minuten op een praktijklocatie moet kunnen zijn. Die norm wordt gehaald met de nieuwe locatie.
Erkent u dat het sluiten van deze examenlocaties kan leiden tot hogere kosten voor zowel rijschoolhouders als examenkandidaten, onder meer door extra brandstofkosten en hogere lesprijzen? Welke maatregelen bent u bereid te nemen om deze gevolgen te beperken?
Wijzigingen in examenlocaties kunnen (negatieve) gevolgen hebben voor de reistijd en kosten voor sommige rijschoolhouders en kandidaten. Aan de andere kant, zal dit voor andere rijschoolhouders en kandidaten weer positieve gevolgen hebben.
Het CBR is verantwoordelijk voor de organisatie van examens en dient daarbij een zorgvuldige afweging te maken tussen bereikbaarheid, kwaliteit en doelmatigheid. Dit besluit voldoet aan de landelijke normen die het CBR stelt om zijn dienstverlening te waarborgen en levert ook voordelen op voor de dienstverlening door het CBR in Limburg. Zo leidt één examenlocatie tot een efficiëntere inzet van examinatoren, een breder aanbod van alle type examens op één locatie en ruimere openingstijden. Ook zijn de afstanden in Zuid-Limburg vergelijkbaar met de bereikbaarheid van andere (centrale) CBR-locaties in het land. Het besluit draagt bij aan het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening van het CBR, wat de examenkandidaten ten goede komt. Ik zie daarom voor het CBR geen reden tot maatregelen om de gevolgen te beperken.
Deelt u de opvatting dat deze centralisatie in een regio als Zuid-Limburg extra nadelige gevolgen kan hebben, mede gezien de kwetsbare sociaaleconomische positie van een deel van de inwoners?
Het is van belang dat publieke dienstverlening voor inwoners toegankelijk blijft, ook in regio’s waar bereikbaarheid en sociaaleconomische omstandigheden extra aandacht vragen. Het CBR weegt de regionale effecten zorgvuldig mee in de afweging over de inrichting van de dienstverlening.
In dit geval heeft het CBR door (externe) analyses laten zien dat zij binnen de transparante en aanvaardbare normen blijven zoals deze gelden voor de CBR locaties in heel Nederland (zie ook het antwoord op vraag 3). In het geval van Zuid-Limburg blijft de dienstverlening van CBR op hetzelfde niveau en is er geen sprake van krimp voor wat betreft het aantal medewerkers of het aantal examens dat wordt afgenomen.
Hoe verhoudt deze keuze van het CBR zich tot het kabinetsbeleid om publieke voorzieningen en rijksdiensten regionaal toegankelijk en gespreid te houden, zoals verwoord in onder meer het rapport «Elke Regio Telt!»?
Het niveau van dienstverlening van het CBR blijft gelijk in Zuid-Limburg (zie ook het antwoord op vraag 5). Door verplaatsing krijgen kandidaten en opleiders meer keuzemogelijkheid voor de dag en het tijdstip waarop zij examen willen doen. Het CBR kan elke dag alle specialisaties aanbieden. Daarnaast blijft het CBR binnen de norm voor wat betreft reisafstanden de in heel Nederland geldt.
Zoals aangegeven in de beantwoording op eerdere vragen van lid Wijen-Nass1 door de Minister van BZK, is er geen sprake van verschraling van de dienstverlening. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u als Minister om hierop te sturen, en bent u bereid die in dit geval in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6. Het CBR is een zelfstandig bestuursorgaan met een eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van zijn wettelijke taken en de inrichting van de bedrijfsvoering. Zolang het CBR binnen de aanvaarbare normen blijft voor huisvestinglocaties, zie ik geen noodzaak om hier op bij te sturen. Dat is hier ook het geval.
Klopt het dat het CBR voornemens is om op termijn ook de examenlocaties in Venlo en Weert te concentreren in Roermond? Zo ja, op welke termijn en waarom?
Het CBR heeft aangegeven dat voortdurend wordt gekeken naar de toekomstbestendigheid van het locatiebestand. Ook voor de regio Venlo, Weert en Roermond geldt dat CBR kijkt naar lopende huurcontracten en toekomstbestendige huisvesting in de regio waarbij ook overleg met de regio plaatsvindt. Over eventuele toekomstige wijzigingen ten aanzien van Venlo, Weert en Roermond zijn op dit moment door het CBR nog geen definitieve besluiten genomen.
Bent u bereid zich in te spannen om ten minste één van de huidige examenlocaties in Maastricht of Kerkrade te behouden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 6. Dit is de verantwoordelijkheid van het CBR en zolang zij zich houden aan de criteria, zie ik geen rol voor IenW.
Hoeveel praktijk- en theorie-examenlocaties heeft het CBR momenteel in Nederland? Hoeveel locaties zijn de afgelopen tien jaar gesloten, en hoeveel locaties zullen volgens de huidige plannen nog sluiten?
Het CBR heeft op dit moment 53 praktijklocaties, waarvan 17 in combinatie met een theorie-examencentrum en 3 zelfstandige theorie-examenlocaties (Roermond, Breda en Arnhem). Tien jaar geleden betrof het aantal praktijklocaties 54 en het aantal theorie-examencentra 20. Het CBR kijkt voortdurend naar de toekomstbestendigheid van de huisvesting, over verdere ontwikkelingen zijn nog geen definitieve besluiten genomen (zie ook het antwoord op vraag 8)
Erkent u dat verdere concentratie van examenlocaties negatieve gevolgen kan hebben voor de kwaliteit en toegankelijkheid van rijopleidingen, bijvoorbeeld door minder vertrouwdheid met examenroutes en extra druk op kandidaten en rijscholen? Hoe weegt u daarbij mee dat Zuid-Limburg juist relatief hoge slagingspercentages kent ten opzichte van sterk gecentraliseerde stedelijke regio’s?
Ik ben blij met de hoge slagingspercentages in Zuid-Limburg. Dat geeft aan dat daar goede rijscholen zijn die hun vak verstaan en het geven van rijles zeer serieus nemen. Dat verandert niet door een concentratie van CBR-locaties. Ik begrijp de zorgen die leven onder rijschoolhouders en kandidaten over de mogelijke effecten van verdere concentratie van examenlocaties. Echter, daarbij dienen zowel de belangen van kandidaten alsook de uitvoerbaarheid voor het CBR zorgvuldig te worden gewogen. Het is uiteraard wel belangrijk een evenredige spreiding van examenlocaties door het land te houden.
Het Sportakkoord 2 en het rapport van de evaluatie Sportakkoord |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de evaluatie van het Sportakkoord?1
In mijn brief van 23 april 20262 heb ik aangegeven dat het doel van het evaluatieonderzoek was om te beoordelen in hoeverre de akkoorden als instrument hebben geleid tot veranderingen in de totstandkoming en uitvoering van sportbeleid op zowel landelijk als lokaal niveau. Daarbij hebben de onderzoekers expliciet gekeken naar de werking van zo’n breed akkoord en het structurele en duurzame karakter van deze verandering, met bijzondere aandacht voor de samenwerking tussen partijen. De uitkomsten van dit onderzoek betrek ik bij het maken van toekomstig sport- en beweegbeleid van 2027 en verder.
Kan worden toegelicht hoeveel meer mensen zijn gaan sporten of bewegen als gevolg van het Sportakkoord?
Nee, de evaluatie geeft geen kwantitatieve schatting van hoeveel mensen meer zijn gaan sporten of bewegen door het Sportakkoord. De evaluatie richt zich op de veranderingen in de organisatie, samenwerking en uitvoering die beogen de sport- en beweegdeelname te vergroten. Sinds de start van het Sportakkoord in 2018 hebben bijna alle gemeenten lokale akkoorden gesloten met activiteiten gericht op de lokale context. Hoewel ontwikkelingen in sport- en beweegdeelname landelijk worden gemonitord, is het niet mogelijk om vanuit die lokale activiteiten het effect op sport- en beweegdeelname van het Sportakkoord als instrument in zijn geheel te kwantificeren.
Kan nader worden toegelicht wat «landelijk is een strategisch kader voor topsport tot stand gebracht» concreet betekent voor de topsport?
Het strategisch kader topsport wordt gebruikt om het beleid en de activiteiten van NOC*NSF inclusief de sportbonden, de Vereniging Sport Gemeenten (VSG) inclusief de gemeenten en de rijksoverheid (het Ministerie van VWS) beter op elkaar af te stemmen. Daarmee werken we aan ons gezamenlijk doel om de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid. Door te vertrekken vanuit een gezamenlijke ambitie en strategie, worden investeringen en activiteiten versterkt, worden er geen activiteiten dubbel gedaan en is er zicht op de ontwikkelingen in de topsport. Voorbeelden hiervan zijn:
Met het strategisch kader topsport is er één gezamenlijke lange termijn koers uitgezet voor de topsport, die gemonitord wordt via de monitor Topsport in Nederland (TiN).
Zijn topsporters tevredener, behalen ze betere prestaties of is hun positieve maatschappelijke impact toegenomen als gevolg van het Sportakkoord?
Maatschappelijke verandering, ook in de topsport, kan alleen ontstaan en worden geborgd als die door relevante partijen wordt gezien, gevoeld en gedragen. Het Sportakkoord, met het strategisch kader, is een instrument om de beweging op gang te brengen om de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten. Daarnaast gaat het om een lange termijn strategie die niet vanzelfsprekend tot direct meetbare resultaten leidt. Het is dan ook moeilijk om een directe causale relatie te leggen tussen het akkoord en de concrete uitkomstmaten zoals tevredenheid van sporters, betere prestaties en meer positieve maatschappelijke impact.
Echter, de afgelopen jaren zijn er, vanuit het strategisch kader, diverse activiteiten gestart. Zo ontwikkelt NOC*NSF een nieuw voorzieningenmodel voor topsporters en geeft het topsportcultuuronderzoek concrete aandachtpunten om de tevredenheid van sporters te vergroten. Daarnaast worden niet alleen de Olympische en Paralympische gouden medailles ondersteund, maar worden andere topsportprestaties zoals wekelijkse competities ook ondersteund. Bijvoorbeeld via het programma ««Versterken top teamsportcompetities en topclubs 2032».
Kan nader worden toegelicht wat het concreet betekent dat «De ambitie om de governance van top- en breedtesport samen te brengen is deels waargemaakt; de fysieke samenvoeging van coördinatieteams is niet doorgezet, maar er vindt wel samenwerking op specifieke thema’s plaats»?
Als het gaat om de organisatie en uitvoering van het Sportakkoord als geheel, is het beperkt gelukt om breedte- en topsport bij elkaar te brengen. Er zijn nog steeds twee coördinatieteams en de looptijd van de afspraken verschilt.3 Dit had te maken met een aantal belangrijke verschillen tussen breedte- en topsport zoals de positie en rol van de betrokken partijen, de landelijke (topsport) of lokale (breedtesport) oriëntatie en de reikwijdte van de gemaakte afspraken.
Dat neemt echter niet weg dat bij een aantal concrete thema’s voortgang is geboekt om breedte- en topsport met elkaar te verbinden, zoals:
Wat zijn de consequenties van de «verbeterde samenwerking» tussen gemeentes en sportverenigingen? Hoe vertaalt deze verbetering zich concreet?
Het verbeteren van de samenwerking tussen gemeenten en verenigingen leidt tot veel initiatieven. In het evaluatierapport zijn verschillende concrete consequenties benoemd:
Daarnaast zie ik dat het versterken van de samenwerking tussen gemeenten en sportverenigingen een belangrijke conditie is om sportverenigingen te kunnen ondersteunen. Met betrokken partijen ben ik in gesprek over hoe de opgebouwde netwerken en samenwerking uit het Sportakkoord ook na afloop daarvan kunnen worden geborgd.
Wat zijn de concrete consequenties voor het sportaanbod als de breedtesport niet gebord wordt omdat de sportakkoordmiddelen wegvallen, zoals gesteld in de evaluatie?
Welke resultaten verdwijnen precies door het gebrek aan structurele financiering, zoals beschreven op pagina 5?
Hoe doelmatig en doeltreffend was het besteedde geld aan het Sportakkoord, uitgedrukt in toename in sporten en bewegen?
Ik verwijs hiervoor graag naar het antwoord op vraag 2. Het is niet mogelijk om de doelmatigheid en doeltreffendheid uit te drukken in toename in sporten en bewegen. De daadwerkelijke toename van sport- en beweegdeelname was geen expliciete doelstelling van het Sportakkoord.
In hoeverre bent u van mening dat het effectief en doelmatig is om middelen niet gewoon lokaal in te zetten, maar aan adviseurs lokale sport, wanneer adviseurs aangeven dat toegang tot lokale en regionale netwerken lastig is?
Binnen het Sportakkoord worden de middelen zowel lokaal als landelijk ingezet, juist om die verbinding te maken tussen lokaal en regionaal. Bij de start van Sportakkoord I waren de adviseurs lokale sport woordvoerders van de sport richting het lokale veld en de regionale netwerken. Vanuit die rol konden adviseurs lokale sport de sport lokaal versterken en aan tafel helpen bij besluitvormingsprocessen over te voeren sport- en beweegbeleid. In Sportakkoord II fungeren adviseurs lokale sport als verbindende schakel tussen landelijk en lokaal en het ondersteunen van de totstandkoming van lokale netwerken voor clubondersteuning. Dit leidt tot een landelijk dekkend netwerk van clubondersteuning aan het eind van dit jaar.
Sportakkoord II heeft, mede dankzij de financiering zoals de Brede SPUK, ervoor gezorgd dat verbinding met de lokale en regionale netwerken ook binnen andere domeinen zoals het onderwijs en het sociaal domein te maken zijn. De inzet van middelen op de verschillende niveaus maakt juist dat het instrument Sportakkoord heeft gewerkt in het leggen verbindingen en samenwerkingen. Dit is een belangrijke basis om de sport- en beweegsector verder te kunnen versterken.
Wat heeft de gemiddelde sportclub aan administratieve ontlasting gehad als gevolg van het Sportakkoord? Was dit doeltreffend en doelmatig?
De evaluatie van het Sportakkoord geeft geen inzicht in de mate waarin een gemiddelde sportclub administratieve ontlasting heeft gehad als gevolg van het Sportakkoord.
Zijn gemeentes tevreden met het Sportakkoord? Of zijn er ook gemeentes die alternatieven aandragen?
In het evaluatierapport wordt geen inzicht gegeven in de mate van tevredenheid van gemeenten. Wel wordt aangegeven dat het Sportakkoord invloed heeft gehad op het beleid bij gemeenten, gelet op de inzet van thema’s bij gemeenten zoals Sociaal veilige sport, Inclusie en diversiteit. Op uitvraag van de VSG geven gemeenten ook aan dat het werken onder een gezamenlijke vlag als het Sportakkoord helpend is om lokaal sport- en beweegbeleid verder te brengen.
Zijn sportverenigingen tevreden met het Sportakkoord – zij moeten immers de doelen waarmaken? Of zijn er ook sportverenigingen die de alternatieven aandragen?
Het evaluatierapport geeft geen inzichten in de mate van tevredenheid over het Sportakkoord bij sportverenigingen. Echter, sportverenigingen die de ambitie hebben om vitaal en toekomstbestendig te willen worden én in staat zijn om een brede maatschappelijke rol te vervullen, hebben via het Sportakkoord ondersteuning kunnen krijgen via services en de sport- en beweegloketten.
Onderzoek van het Mulier Instituut4 geeft aan dat de impuls voor het ondersteuningsaanbod ertoe heeft geleid dat gemeenten zich actiever hebben gericht op clubondersteuning. Daar waar beperkte of geen clubondersteuning aanwezig was, heeft het ondersteuningsbudget ervoor gezorgd dat clubondersteuning lokaal meer op de agenda is komen te staan.
Uit navraag van NOC*NSF onder sportverenigingen, blijkt dat sportverenigingen het ondersteuningsaanbod dat ze hebben afgenomen, gemiddeld beoordelen met een 8,1. Met name het maatwerk en het kunnen inspelen op de lokale behoefte van de club, wordt als positief ervaren.
Waarom is er geen enquête gehouden onder sportverenigingen over hoe de middelen zo goed mogelijk verdeeld kunnen worden?
Sportverenigingen zijn op een andere manier betrokken geweest bij de verdeling van middelen.Sportverenigingen kunnen op twee manieren in aanmerking komen voor financiële middelen:
Zijn sporters tevreden met het Sportakkoord?
Het evaluatierapport geeft geen inzicht in de tevredenheid van sporters met het Sportakkoord. Wel geeft het rapport aan dat op basis van kwalitatieve gegevens het bereik van het Sportakkoord is toegenomen. Het gaat hierbij om sporters, vrijwilligers én toeschouwers. Het ontbreekt aan kwantitatieve gegevens vanwege hetgeen eerder is toegelicht bij de beantwoording van vraag 2.
Kan worden toegelicht wat er wordt bedoeld met een betere samenwerking tussen breedtesport en topsport? Kunt u dit toelichten aan de hand van drie illustratieve voorbeelden?
Ik verwijs hiervoor graag naar mijn antwoord op vraag 5 waarin ook de drie voorbeelden worden gegeven.
Wat betekent het volgende citaat concreet «Op basis van landelijke interviews en de casestudies concluderen we dat de sportinfrastructuur in Nederland de afgelopen jaren op verschillende vlakken merkbaar versterking heeft gekregen, maar de mate van robuustheid verschilt sterk tussen gemeenten»?
In het rapport is geconcludeerd, dat de samenwerking op lokaal niveau merkbaar is versterkt. In algemene zin is de grootste vooruitgang geboekt in het behoud van de «zachte» infrastructuur. Dit gaat om de uitbreiding van netwerken, samenwerkingsstructuren en kennisdeling. Continuïteit hiervoor berust minder op inzet van financiële middelen. De meer «harde» infrastructuren, dus de verenigingen, accommodaties, inzet van fte is ook versterkt, maar de continuïteit hiervan is kwetsbaarder. Dit heeft te maken met inzet van tijdelijke middelen in plaats van structurele middelen. Met name kleinere gemeenten hebben meer last van deze tijdelijke inzet. Vandaar dat er verschillen kunnen ontstaan tussen gemeenten.
Zijn sportverenigingen tevreden over het ondersteuningsaanbod voor sportaanbieders, die duidelijk zijn toegenomen?
Sportverenigingen zijn tevreden over het ondersteuningsaanbod dat VWS beschikbaar stelt via Sportakkoord middelen aan sportaanbieders om hun club te versterken. Ik verwijs hiervoor verder graag naar mijn antwoord op vraag 13.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Commissiedebat Sportbeleid d.d. 30 juni 2026?
Ja.
Het voordeel van meer gebruik van steenkolen ten opzichte van geïmporteerd gas |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het vullen van de Nederlandse gasvoorraden op dit moment door de huidige gasprijzen in bepaalde scenario’s duurder kan uitpakken dan de verwachte gasprijs in de komende winter? Bent u bereid dit te kwantificeren aan de hand van actuele marktprijzen en winter-forwardprijzen?
De gasprijzen zijn momenteel hoger dan de prijs voor gas in de komende winter. Het verschil tussen de prijs voor gas die in de zomer moet worden betaald, en de prijs voor aankomende winter (de zogenoemde «spread») is een belangrijke prikkel voor het opslaan van gas. Op dit moment is er sprake van een negatieve spread (een hogere zomerprijs ten opzichte van de prijs in de aankomende winter). In eerdere jaren kon een positieve spread de kosten van het opslaan van gas (deels) dekken.
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door import van LNG, gas via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Ik kan niet aangeven of en zo ja hoeveel méér kosten leveranciers zullen maken als gevolg van het vullen van gasopslagen, omdat commerciële informatie voor mij onbekend is.
Kunt u per gasopslag aangeven wat de actuele vulgraad is, welke vuldoelen gelden, welke volumes nog moeten worden ingekocht en tegen welke verwachte kosten?
Nederland heeft een nationaal vuldoel gesteld van 115 TWh voor de Nederlandse seizoensopslagen op 1 november 2026. Dat doel komt overeen met een vulgraad van 80%. Dit doel houdt rekening met een koude winter die zich eens in de 30 jaar voordoet, waarbij tegelijkertijd de grootste bron van aanvoer uitvalt, waarbij wordt aangenomen dat de LNG-terminals in Europa geen extra gas leveren in de winter (wat zij doorgaans wel kunnen) én waarbij de vraag uit buurlanden als constant wordt aangenomen. Het nationale vuldoel is hoger vastgesteld dan waar Europa ons toe verplicht.
Voor Nederland zijn de belangrijkste gasopslagen Norg, Grijpskerk, Bergermeer en de PGI Alkmaar. Voor de meest actuele cijfers verwijs ik naar de Aggregated Gas Storage Inventory.1 Zoals bekend heeft EBN de opdracht om 80 TWh gas op te slaan, voor zover de markt dat niet doet. Daarnaast is 5 TWh opgeslagen in de PGI Alkmaar als tijdelijke noodvoorraad.
Welke financiële risico’s lopen inwoners, gebruikers van het gasnetwerk, marktpartijen, Energie Beheer Nederland (EBN) en de Nederlandse Staat wanneer gas nu tegen relatief hoge prijzen wordt ingekocht om de voorraden te vullen, terwijl de gasprijs in de winter lager blijkt te liggen?
Het financiële risico hangt af van het verschil tussen zomer- en winterprijzen, hoe die prijzen zich ontwikkelen en de volumes die tegen bepaalde prijsverschillen gekocht en al dan niet opgeslagen worden.
Kunt u aangeven welk deel van het in Nederland opgeslagen gas naar verwachting daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse huishoudens, bedrijven en elektriciteitsproductie, en welk deel mogelijk via de interne Europese gasmarkt naar het buitenland stroomt?
Het is niet mogelijk om aan te geven waar het gas uit de Nederlandse gasopslagen uiteindelijk voor bestemd is. Internationale gastromen zijn een integraal en onmisbaar onderdeel van de normale werking van een goed functionerende Europese interne markt.
Welke gevolgen heeft het voor EBN en uiteindelijk voor de Rijksbegroting wanneer EBN of andere door de Staat aangewezen partijen gas inkopen tegen hoge zomerprijzen en dit gas later tegen lagere marktprijzen moeten verkopen of beschikbaar stellen? Kunt u aangeven hoe eventuele verliezen worden gedragen en of deze uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht kunnen komen?
De netto-kosten die EBN maakt in het uitvoeren van opslagactiviteiten (d.w.z. de kosten na aftrek van de opbrengsten van de uitvoering van deze activiteiten), worden verhaald door een heffing bovenop de tarieven van het landelijk transmissiesysteem voor gas van GTS volgens het principe «de gebruiker betaalt».
Deelt u de opvatting dat het vanuit betaalbaarheid en leveringszekerheid onwenselijk is als Nederland tegen te hoge kosten gasvoorraden vult, terwijl dat gas vervolgens niet primair ten goede komt aan Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief2 van 28 mei 2026, zoek ik samen met EBN de balans tussen het borgen van de leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring, en het zo laag mogelijk houden van de kosten.
Ik acht het niet onredelijk dat de kosten voor het opslaan van gas worden verhaald op buitenlandse gebruikers voor zover zij gebruik maken van de Nederlandse opslagen. Temeer omdat Nederland ten opzichte van andere landen relatief veel opslagcapaciteit heeft. Het exclusief bestemmen of reserveren van bepaald gas voor Nederlandse afnemers met uitsluiting van afnemers in andere lidstaten is op grond van Europese regelgeving daarbij niet toegestaan.
Dit kabinet zet zich in de Raad van de Europese Unie in om een eerlijke kostendeling te bewerkstelligen.
Hoeveel aardgas wordt in Nederland gemiddeld ingezet voor elektriciteitsproductie, en welk deel daarvan is volgens u direct of indirect nodig om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen?
Uit cijfers van het CBS blijkt dat de laatste jaren gemiddeld ca. 45 TWh elektriciteit per jaar uit gas is opgewekt3 en hiervoor gemiddeld circa 12 bcm gas per jaar is ingezet. Er is geen specificatie mogelijk welk deel van het gasgebruik voor elektriciteitsproductie nodig is om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen.
Kunt u berekenen hoeveel aardgas Nederland kan besparen wanneer bestaande kolencentrales tijdelijk meer elektriciteit produceren en gascentrales daardoor minder draaiuren maken?
Nee, dit is niet mogelijk. Het valt niet te voorspellen welke gascentrale in Nederland en welke gas- of kolencentrale in het buitenland in dat geval zou uitgaan en welke besparing dat zou opleveren.
Welke technische, juridische, vergunningtechnische en Europese belemmeringen bestaan er op dit moment om Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra te laten draaien met als doel gas te besparen?
Er zijn op dit moment geen belemmeringen voor kolencentrales in Nederland tot en met 31 december 2029, volgens de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie. De markt bepaalt autonoom via de prijs wanneer welke centrales aan en uit gaan.
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of de inzet van bestaande kolencentrales tijdelijk kan worden verruimd zolang gasprijzen hoog zijn, gasvoorraden kostbaar moeten worden gevuld en de leveringszekerheid onder druk staat? Kunt u dit onderzoek vóór Prinsjesdag aan de Kamer sturen?
Nee, de kolencentrales in Nederland mogen nog steeds produceren en de markt bepaalt autonoom welke centrales aan en uit gaan op basis van de prijs.
Welke gevolgen zou een tijdelijke hogere inzet van kolencentrales hebben voor de elektriciteitsprijs, de gasvraag, de netstabiliteit en de energierekening van huishoudens en het mkb?
De kolencentrales zijn vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ook kunnen kolencentrales vrij ingezet worden voor netstabiliteit als dat nodig en concurrerend is met alternatieven. De elektriciteitsprijs komt tot stand op de Europese markt, waardoor het effect van drie kolencentrales uit Nederland beperkt is op de Europese prijsvorming.
Hoe weegt u het risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van duur geïmporteerd LNG, terwijl bestaande Nederlandse kolencentrales mogelijk tijdelijk kunnen bijdragen aan het beperken van gasverbruik en LNG-import?
De kolencentrales zijn, zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 8 t/m 11, vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ik zie geen risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van LNG.
Hoeveel LNG heeft Nederland in 2024, 2025 en tot dusver in 2026 geïmporteerd, uitgesplitst naar land van herkomst? Welk deel daarvan is afkomstig uit de Verenigde Staten en in hoeverre bestaat dit LNG uit, of hangt het samen met, Amerikaans schaliegas?
In de afgelopen jaren heeft Nederland de volgende LNG-volumes geïmporteerd:
Verenigde Staten
17,5
14,4
19,9
Noorwegen
1,4
1,4
0,9
Rusland2
1,1
2
2,4
Afrika
2,5
1
2,2
Azië
0,8
0
0
Amerika excl. de VS
1,2
2,3
1,2
Overig/onbekend
0,2
0
0
Bron: CBS (update 21 mei 2026).
(Nader) voorlopige cijfers
Vanaf 1 januari 2027 is import van Russische LNG onder REPowerEU en het 19e sanctiepakket volledig verboden (zie Kamerstukken II, 2025/2026 29 023, nr. 664). Eerdere volumeontwikkelingen zijn toegelicht in onder meer aanhangsel van de Handelingen 2023–2024, nr. 2515 en aanhangsel van de Handelingen 2024–2025, nr. 136.
Nederland produceert ongeveer 1/3e van ons gas zelf, importeert ongeveer 1/3e via pijpleidingen en importeert ongeveer 1/3e aan LNG. Uit bovenstaande tabel is af te leiden dat van die LNG-import sinds 2023 gemiddeld 71% van de LNG afkomstig is uit de Verenigde Staten. Het overgrote deel van de totale gasproductie in de Verenigde Staten wordt gewonnen uit schaliegasvelden (78% in 2023 (IEA))4. Het is niet mogelijk om precies te bepalen hoeveel van de geïmporteerde Amerikaanse LNG afkomstig is uit schaliegasvelden. De reden is dat in de VS het schaliegas gemengd wordt op het gasnet met conventioneel gas.
Bent u bereid de volledige levenscyclusuitstoot van elektriciteitsproductie met Nederlandse kolencentrales te vergelijken met elektriciteitsproductie met gascentrales op basis van geïmporteerd Amerikaans LNG of schaliegas?
Het IEA stelt dat de klimaatimpact van steenkool aanzienlijk hoger ligt dan van aardgas. Bij aardgas speelt het type gas een rol: geïmporteerd LNG heeft een grotere klimaatimpact dan in Nederland gewonnen aardgas of aardgas dat via pijpleidingen afkomstig is uit bijvoorbeeld Noorwegen. Over het algemeen is de klimaatimpact van LNG echter nog altijd aanzienlijk lager dan die van steenkool. Uit onderzoek van het IEA bleek dat in 2024 99% van het geconsumeerde LNG een lagere klimaatimpact had dan steenkool. Er mag dan ook redelijkerwijs worden verondersteld dat dit ook voor de Nederlandse centrales geldt. Ook stelt het IEA dat wereldwijd de gemiddelde levenscyclusuitstoot van broeikasgassen per eenheid elektriciteit uit LNG ongeveer 40% lager is dan die van elektriciteit uit steenkool. Dit komt doordat gascentrales over het algemeen efficiënter elektriciteit opwekken dan kolencentrales (de wereldwijde gemiddelde efficiëntie van gascentrales is 48%, tegen 37% voor kolencentrales) (Bron IEA5). Met dit antwoord wil ik ook mijn toezegging aan het lid Boomsma6 (JA21) tijdens het Commissiedebat van 15 april over Hernieuwbare Energie gestand doen.
Klopt het dat in bepaalde scenario’s, afhankelijk van de aannames over methaanlekkage en LNG-ketenemissies, elektriciteitsproductie met steenkool mogelijk een lagere totale ketenemissie kan hebben dan elektriciteitsproductie met uit Amerika geïmporteerd schaliegas/LNG?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een kosten-batenanalyse aan de Kamer te sturen van een scenario waarin Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra draaien om aardgas te besparen, gasopslagkosten te beperken en de afhankelijkheid van LNG-import te verminderen?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een concreet scenario uit te werken waarin Nederland (tijdelijk) meer inzet op bestaande kolencapaciteit en minder op gasgestookte elektriciteitsproductie, inclusief de effecten op leveringszekerheid, energiekosten, gasvoorraden, importafhankelijkheid en CO2-uitstoot?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Kunt u deze vragen één voor één uitwerken?
Enkel de vragen 14 & 15 heb ik gezamenlijk beantwoord.