Heeft u kennisgenomen van het bericht van Omroep Gelderland «Minister Yeşilgöz informeerde de Kamer verkeerd over incident tracker op marineschip»?1
Ja.
Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland nog aan boord was van de Zr.Ms. Evertsen terwijl het schip toen al klaar was met een oefening waarbij het verzenden van een AIS-signaal verplicht was?
Ja. Zoals gemeld aan uw Kamer (referentie 2026Z08829) op 23 april jl., is het schip vertrokken voor een oefening nadat de tracker, via post aan boord was gekomen bij het havenbezoek. Het automatic identification system (AIS) heeft gedurende de gehele oefening aangestaan, waardoor het schip te volgen was via openbare trackingwebsites. Het AIS is aan het einde van de oefening uitgezet, waarna het schip koers zette naar het operatiegebied. Het schip is vervolgens een korte periode zichtbaar geweest door de tracker terwijl het AIS was uitgeschakeld. Voordat het schip in het operatiegebied was, is de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt. Er is derhalve geen operationeel risico geweest.
Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland op zaterdagochtend 28 maart, toen het schip in de buurt van Cyprus was, nog niet was uitgeschakeld?
Zie antwoord vraag 2.
Had de Zr.Ms. Evertsen op zaterdagochtend 28 maart haar missie al hervat?
Zie antwoord vraag 2. Op 27 maart is de tracker via de militaire post aan boord gekomen. Op 28 maart heeft de bemanning de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt, voordat het schip haar missie hervatte.
Kunt u ons heel precies informeren wat de feiten zijn met betrekking tot de aanwezigheid van de tracker op het schip en hoe zich dit verhoudt tot de feiten gemeld door Omroep Gelderland op 21 april? Als u de Kamer onvolledig heeft geïnformeerd, of verkeerde informatie heeft gegeven, waarom is dat gebeurd?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 4. Zoals ik uw Kamer meldde tijdens de plenaire afronding, was het operationele risico beperkt, mede doordat het AIS was ingeschakeld tijdens de oefening. Naar aanleiding van het artikel van Omroep Gelderland van 21 april jl., heb ik dit verduidelijkt in de brief die uw Kamer op 23 april jl. ontving.
Wanneer was u ervan op de hoogte dat verstrekte informatie niet klopte en waarom heeft u toen de Tweede Kamer niet geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 5. Ik heb de Kamer proactief op de hoogte gebracht tijdens de plenaire afronding van 16 april jl. Om onduidelijkheid te voorkomen heb ik naar aanleiding van het artikel van Omroep Gelderland van 21 april jl., en op verzoek van het lid Piri, op 23 april jl. uw Kamer opnieuw geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u uw uitspraken dat de aanwezigheid van de tracker aan boord van het schip geen risico vormde voor het schip? Hoe verhoudt zich deze uitspraak met de aanwezigheid van de tracker op het moment dat het schip mogelijk haar werkelijke missie al had hervat?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 4. Voordat het schip in het operatiegebied was, is de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt. Er is derhalve geen operationeel risico geweest.
Welke stappen hebt u ondernomen om te voorkomen dat kwaadwillenden de locatie van militaire schepen, landvoertuigen of militair materieel of personeel op missie kunnen achterhalen?
Zoals gemeld heeft Defensie haar richtlijnen aangepast om dergelijke post eerder te onderscheppen.
Bent u ervan op de hoogte dat Defensie meer informatie deelt over bijvoorbeeld het versturen van post aan defensiemedewerkers op marineschepen dan andere landen, bijvoorbeeld Duitsland, dat doen? Waarom kiest Nederland hiervoor en ziet u aanleiding om vanuit veiligheidsoverwegingen dit te wijzigen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8. Defensie hecht er aan dat het personeel op een veilige en verantwoorde wijze post kan ontvangen van het thuisfront. Het thuisfront is een essentiële steun voor onze militairen die vaak lang van huis zijn.
Waarom heeft u geen artikel 100-brief gestuurd met betrekking tot de missie van de Zr.Ms. De Ruyter?
Op 17 februari 2026 is uw Kamer door mij en de Minister van Buitenlandse Zaken middels een Kamerbrief geïnformeerd over de beoogde maritieme presentie van Zr.Ms. De Ruyter in de Indo-Pacific (Kenmerk 29 521, nr. 504).
Gedurende de reis levert Zr.Ms. De Ruyter associated support aan een aantal operaties wanneer het door de betreffende operatiegebieden vaart. Dit betekent dat het schip waarnemingen deelt met deze operaties, maar niet onder de bevelsstructuur valt.
Hoe verschilt de missie van de Zr.Ms. De Ruyter van de missie van de Zr.Ms. Karel Doorman begin 2024 waarbij associated support wel genoeg reden gaf voor een artikel 100-brief?
Onderweg naar de Indo-Pacific passeert Zr.Ms. De Ruyter de Rode Zee. Gedurende deze doorvaart zal het schip associated support leveren aan de EU-operatie Aspides.
In 2024 is Zr.Ms. Karel Doorman ingezet binnen Aspides. Het schip heeft destijds voor een periode van vier maanden gezorgd voor logistieke ondersteuning en medische capaciteit in direct support van de operatie. Daarnaast heeft het schip gefungeerd als vlaggenschip van de operatie. Gelijktijdig heeft het schip associated support geboden aan de VS-geleide Operatie Prosperity Guardian. Omdat Zr.Ms. Karel Doorman middels direct support voor een langere periode heeft bijgedragen aan Aspides is de Kamer destijds conform het artikel 100 Toetsingskader 2014 geïnformeerd.
Bent u bereid om heel zorgvuldig te kijken naar missies van Defensie en als er twijfel is of een missie in aanmerking komt voor een artikel 100-procedure, deze procedure wel te volgen in plaats van dit niet te doen?
Het kabinet hecht eraan de Kamer zorgvuldig en tijdig te informeren over de inzet van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde conform artikel 100 van de Grondwet. Het Toetsingskader 2014 wordt daarbij toegepast en is nadrukkelijk bedoeld voor de besluitvorming van de regering en het overleg daarover met het parlement als het gaat om uitzending van militaire eenheden die in de uitoefening van hun taak wellicht ook wapengeweld moeten toepassen of het risico lopen daaraan te worden blootgesteld. Indien dat het geval is wordt de Kamer conform het toetsingskader geïnformeerd.
De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de begrote jaarlijkse btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt?
De basis voor deze raming zijn de btw-bestanden van het CBS, waarin de bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeld in tariefgroepen. Hierin is gekeken naar de bestedingen aan sierteelt, waarvan een uitsplitsing beschikbaar is. De meest recente cijfers zijn van 2024 en er is aangenomen dat de btw op sierteeltproducten meegroeit met de algehele geraamde btw-opbrengsten. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming.1 De achterliggende gedachte hierbij is dat indien consumenten uitwijken naar substituten binnen consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Het ramingsmemo wordt momenteel voorgelegd aan het CPB, welke de ramingen valideert.
Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en de Europese Unie (2023-120)?
Ja. Over dit rapport is reeds op ambtelijk niveau gesproken met de WUR.
Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van 159 miljoen euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro volgens de Voorjaarsnota?
Er zijn met name twee redenen dat de raming van de maatregel in de Voorjaarsnota (€ 328 miljoen) afwijkt van de geraamde netto btw-opbrengst uit het WUR-rapport (€ 159 miljoen). Ten eerste worden conform de ramingsafspraken met het CPB bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming terwijl bij de inschatting van de WUR raming het gedragseffect van consumenten wel is meegenomen. Dat verklaart ongeveer twee derde van het verschil tussen de ramingen. De achterliggende gedachte om geen gedragseffect mee te nemen, is dat indien consumenten uitwijken naar substituten in de vorm van andere consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Ten tweede maken bredere economische effecten, zoals mogelijk verlies van banen, geen onderdeel uit van de raming van het directe effect van een beleidsmaatregel terwijl deze in het WUR-rapport wel worden meegenomen. Dit verklaart ongeveer een derde van het verschil en uit zich bijvoorbeeld in de effecten op sociale zekerheid en andere belastinginkomsten. De reden hiervoor is dat dit soort doorwerkingen zeer onzeker en lastig toe te rekenen zijn aan een specifieke maatregel. Bovendien kunnen uitgaven (en werkgelegenheid) verschuiven, waardoor elders de belastingopbrengsten worden gecompenseerd. Tot slot vinden tegelijkertijd allerlei andere (economische) ontwikkelingen plaats die de belastingontvangsten beïnvloeden, zoals de effecten van hogere inflatie op consumptie. Al deze bredere economische effecten worden meegenomen in de doorrekening door het CPB van de macro-economische ontwikkelingen, waarbij het CPB kijkt naar de effecten van beleid op de totale prijzen, consumptie en inkomens. Op deze CPB doorrekening worden de ramingen van de belastingontvangsten (waaronder die van de btw) zoals terug te vinden in de begrotingsstukken weer gebaseerd. Zo maken deze effecten uiteindelijk wel degelijk onderdeel uit van de inschattingen van het EMU-saldo.
In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van 2.440 voltijdbanen, waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en lagere belastinginkomsten uit arbeid, volgens het WUR-rapport meegenomen in de Voorjaarsnota?
Zie antwoord vraag 3.
Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten betaalbaar te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het besluit van het kabinet zich tot deze voormalige doelstelling?
Uit de evaluatie van de verlaagde btw-tarieven van Dialogic (2023) volgt dat het verlaagde btw-tarief op sierteeltproducten doeltreffend is op de hierboven genoemde beleidsdoelen, maar dat dit een ondoelmatig instrument is. Zo komt het fiscale voordeel niet specifiek terecht bij lagere inkomensgroepen en is het bestedingsaandeel aan sierteeltproducten per inkomensgroep vergelijkbaar. Hierdoor profiteren hogere inkomens in absolute zin het meest van dit verlaagde btw-tarief. Ten aanzien van het creëren van werkgelegenheid geldt dat de kosten volgens de onderzoekers € 70.000 tot € 100.000 per voltijdsbaan bedragen, méér dan het inkomen dat doorgaans aan deze baan gekoppeld is.
Daarnaast geven onderzoekers aan dat onduidelijk is waarom doelen ten aanzien van omzet en werkgelegenheid specifiek fiscaal voor deze sector moeten worden nagestreefd.
Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan uitpakken voor de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter blijkt dan geraamd?
Er is geen specifiek onderzoek gedaan naar benoemd effect bij een grotere vraaguitval. Bij btw-tariefswijzigingen worden zoals toegelicht hierboven in de raming geen gedragseffecten meegenomen voor het bepalen van de (directe) opbrengst van een maatregel. Deze maatregel is wel meegenomen in de analyse van het coalitieakkoord door het CPB.
Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen voor afschaffing van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?
Het kabinet heeft breder gekeken naar negatief geëvalueerde fiscale regelingen om een deel van de financieringsopgave te vullen en heeft er voor gekozen om het verlaagde btw-tarief op sierteelt af te schaffen. Deze maatregel is doelmatig omdat de belastingopbrengsten worden verhoogd en tegelijkertijd een ondoelmatige fiscale regeling wordt afgeschaft.
Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op sierteelt in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim 25 procent en aanzienlijke bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer is teruggedraaid?
Het kabinet erkent dat het afschaffen van een verlaagd btw-tarief waarschijnlijk zal leiden tot een omzetdaling, met name in de detailhandel. De verwachting is echter dat het effect in Nederland minder sterk zal zijn dan destijds in Spanje. Hiervoor zijn een aantal redenen. De maatregel is in Spanje in 2012 ingevoerd ten tijde van de financiële en economische crisis2. Voorafgaand aan deze btw-verhoging nam de binnenlandse vraag naar bloemen en planten al sterk af door de economische situatie, waarin meerdere bezuinigingen werden doorgevoerd en Spanje een relatief hoog werkloosheidspercentage had. De btw-verhoging heeft de afname in de vraag naar bloemen en planten in Spanje waarschijnlijk verder versterkt. Daarnaast wordt in Spanje een groter deel van de omzet door binnenlandse consumptie bepaald, terwijl in Nederland circa 80%-85% van de sierteeltsector gericht is op de export. Bij export is in Nederland geen btw verschuldigd en wordt (in lijn met de btw-richtlijn) het btw-nultarief toegepast. De afnemer is hierover dan in zijn lidstaat btw verschuldigd tegen het aldaar geldende btw-tarief.
Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek gebaseerde prijselasticiteiten expliciet worden meegenomen en deze voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan de Kamer te sturen?
De raming is recent geactualiseerd op basis van het CEP 2026. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten, en daarmee prijselasticiteiten, meegenomen in de raming. Bredere economische effecten van beleid worden doorgerekend door het CPB, het Ministerie van Financiën baseert de begrotingstukken daar vervolgens weer op.
Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte?
Dit kabinet vindt vergroening belangrijk. Het stimuleren van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte is echter niet voorbehouden aan het hanteren van een verlaagd btw-tarief. Uit de evaluatie van verlaagde tarieven in 20233 blijkt dat een generieke btw-verlaging in algemene zin geen doelmatig instrument is om specifieke beleidsdoelen (zoals vergroening) te realiseren. Een groot aantal gemeenten, provincies en waterschappen bieden reeds gerichte subsidies aan om vergroeningsmaatregelen te nemen. Specifiek voor de vergroening van de publieke ruimte geldt daarnaast dat voor gemeentes en provincies btw-uitgaven voor openbaar groen onder het btw-compensatiefonds compensabel zijn. Dit betekent dat het overbrengen van sierteelt naar het algemene btw-tarief voor gemeentes en provincies niet tot een hogere btw-last leidt.
De illegale kleding inzamelaars |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Inspectie opent jacht op illegale kledinginzamelaars: celstraf tot 4 jaar mogelijk»?1
Ja.
Hoe groot schat u de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland op dit moment en kunt u schetsen hoe dit er praktisch uit ziet?
Er zijn bij het ministerie geen cijfers of schattingen bekend over de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland. Op basis van de Massabalans textiel 2022 is bekend dat het overgrote deel van het textiel wordt ingezameld via de gemeentelijke containers en kringloopbedrijven. Een veel kleiner gedeelte textiel wordt ingeleverd via andere inzamelingskanalen. Er is sprake van illegale inzameling wanneer kledingbakken zonder vergunning of zonder contract met de gemeente in de openbare ruimte worden geplaatst. Textielstromen die via illegale textielinzameling worden ingeleverd, worden niet geregistreerd en vallen daarmee mogelijk deels of volledig buiten de huidige monitoringscijfers. Een schatting over de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland valt op dit moment niet te maken. Daarvoor zou meer informatie bekend moeten zijn van gemeenten.
Welke vormen van fraude, misleiding of andere strafbare feiten komen bij illegale kledinginzameling het meest voor?
Het Rijk heeft geen inzicht in de strafbare feiten die bij illegale kledinginzameling het meest voorkomen omdat het primair een taak is van gemeenten om op te treden tegen illegale textielcontainers.
Wel houdt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) toezicht op de EVOA. De Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) heeft tot doel om de illegale transporten van afval van, door en naar Nederland te voorkomen. Textiel dat wordt afgedankt door eindgebruikers is afval, en de overbrenging van afgedankt textiel moet voldoen aan de EVOA. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een vergunning verplicht is. Een dergelijke vergunning wordt door betrokken illegale partijen waarschijnlijk niet altijd aangevraagd. Als ongesorteerd ingezameld textiel zonder de vereiste vergunning de grens wordt overgebracht, is er sprake van een economisch delict. Over het aantal delicten hebben we op dit moment geen cijfers.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk opgetreden tegen illegale kledinginzamelaars, en hoeveel zaken hebben geleid tot boetes, dwangsommen, veroordelingen of gevangenisstraffen?
Het is niet bekend bij het ministerie of en hoe vaak er de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk is opgetreden. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om op te treden tegen illegale textielcontainers.
In hoeverre worden gemeenten momenteel voldoende ondersteund bij het herkennen en tegengaan van malafide kledinginzamelingspraktijken?
Gemeenten worden vanuit het Rijk in het algemeen ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid via het uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof – Huishoudelijk Afval (VANG-HHA). Binnen dit uitvoeringsprogramma werkt het Rijk samen met gemeenten en inzamelaars om gemeenten onder andere te voorzien van advies op maat, kennisproducten en netwerken. In het werkplan voor het jaar 2026 is ook aandacht voor het onderwerp illegale textielinzameling.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de gescheiden inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, waaronder textiel. Organisaties die textiel inzamelen in de publieke ruimte hebben hiervoor toestemming nodig van de gemeente. Het is aan de desbetreffende gemeente om op te treden tegen organisaties die inzamelen zonder toestemming. Om de problematiek van illegale textielcontainers aan te pakken, heeft de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor afval- en Reinigingsdiensten (de NVRD) een stappenplan voor de handhaving ontwikkeld. Het doel is om gemeenten te helpen om de illegale textielinzameling beter te reguleren en deze waardevolle textielstroom te beschermen.
Klopt het dat illegale inzamelaars niet alleen consumenten misleiden, maar ook bonafide goede doelen, kringlooporganisaties en gecertificeerde textielinzamelaars financieel benadelen? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Het is de verwachting dat kringlopen en gecertificeerde textielinzamelaars mogelijk financieel nadeel ondervinden wanneer illegale textielinzamelaars textiel inzamelen dat anders bij hen terecht zou zijn gekomen. Zeker wanneer het goede kwaliteit textiel betreft dat nog geschikt is voor hergebruik. Aan deze stroom kan namelijk nog geld verdiend worden.
Welke gevolgen heeft illegale kledinginzameling voor de circulaire economie, textielrecycling en het behalen van nationale duurzaamheidsdoelen?
De verwachting is dat illegale inzameling nadelige gevolgen kan hebben voor het behalen van de doelen ten aanzien van inzameling, hergebruik en recycling. Op basis van informatie van de NVRD blijkt dat er vermoedens zijn dat illegaal ingezamelde kleding niet goed wordt hergebruikt of gerecycled, of gedumpt wordt. Omdat dit zich in het illegale circuit afspeelt, is het lastig te achterhalen wat er exact met deze stromen gebeurt en wat de effecten hiervan zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om de vergunningverlening, registratieplicht of certificering van kledinginzamelaars landelijk te versterken, zodat malafide partijen minder ruimte krijgen?
Het is de vraag of het aanscherpen van vergunningverlening, registratieplicht of certificering zou helpen om de illegale inzamelaars aan te pakken. Illegale inzamelaars opereren op dit moment al buiten de wettelijke kaders en zullen dat blijven doen wanneer er aanscherpingen volgen. Het aanscherpen van de bestaande kaders zal dan vooral tot extra regeldruk leiden voor partijen die zich wel aan de bestaande regels houden. Het versterken van de bestaande wettelijke kaders lijkt daarom geen passende oplossing.
In eerste instantie ligt het initiatief bij gemeenten om illegale containers aan te pakken. Het Rijk blijft hierover in gesprek met gemeenten via het VANG-programma. Eventuele signalen van gemeenten over de noodzaak voor een nationale aanpak, komen via die weg bij het ministerie terecht. De eerste stap voor gemeenten is nu om de problematiek beter in beeld te krijgen.
Bent u bereid te onderzoeken of consumenten beter geïnformeerd kunnen worden over hoe zij betrouwbare kledinginzamelaars kunnen herkennen, bijvoorbeeld, heel simpel, via een kernmerk op containers?
Hier loopt al een onderzoek naar. Met een regionale pilot naar illegale textielinzameling, waar de ILT onderdeel van is, wordt onder andere verkend hoe consumenten geïnformeerd kunnen worden over hoe ze betrouwbare textielbakken kunnen herkennen. Daarnaast zijn producenten sinds de invoering van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor textiel verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van een passend inzamelingsysteem. Onder deze verantwoordelijkheid valt ook het informeren van burgers over waar en hoe textiel ingeleverd kan worden.
Welke aanvullende maatregelen overweegt het kabinet om illegale kledinginzameling structureel terug te dringen, en wanneer kunt u de kamer hierover informeren?
Het kabinet overweegt geen aanvullende maatregelen anders dan de eerder genoemde lopende activiteiten, waaronder de regionale pilot naar illegale textielinzameling, ondersteuning via het VANG-HHA programma en handhaving door de ILT van de EVOA.
Het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van de bewoners van de flat Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee, die door woningcorporatie Kennemerwonen worden geconfronteerd met een plotselinge omslag van renovatieplannen naar sloopplannen?
Ik ben bekend met de situatie van enkele complexen aan het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee waarbij woningcorporatie Kennemer Wonen overweegt deze te slopen of te renoveren.
Kunt u bevestigen dat Kennemerwonen tot en met januari 2025 heeft gesproken en geschreven over verbetering, duurzaamheidswerkzaamheden en renovatie, en dat in mei 2025 plotseling sloop als enige optie op tafel is gelegd, terwijl er geen aantoonbare nieuwe feiten zijn die deze radicale koerswijziging rechtvaardigen?
Dit kan ik niet bevestigen. Ik heb na contact met Aedes begrepen dat er nog geen beslissing is genomen over sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie. Kennemer Wonen heeft aangegeven de opties voor sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie nog te zullen onderzoeken. Ik ga ervanuit dat elke woningcorporatie, en in dit geval Kennemer Wonen, alvorens zij tot de beslissing komt tot slopen of renovatie onderbouwd een afweging maakt.
Erkent u dat het onacceptabel is dat woningcorporaties bewoners jarenlang een renovatieperspectief bieden, om vervolgens zonder gedegen participatieproces over te gaan op sloop?
Het moeten verlaten van je woning voor sloop en nieuwbouw is voor bewoners heel ingrijpend. Een tijdige en duidelijke communicatie over de voornemens is daarom essentieel om ook bewoners zo goed mogelijk mee te nemen in een afweging. Hiervoor is door Aedes en de Woonbond in 2024 het Nationaal sloop- en renovatiestatuut opgesteld. Hiermee wordt het belang van vroegtijdige betrokkenheid van bewoners erkend en gewaarborgd. In dit geval begrijp ik dat er nog geen besluit is genomen.
Deelt u de mening dat dit een sloopoverval is die bewoners in grote onzekerheid en stress achterlaat, zoals ook de Nationale ombudsman heeft gesignaleerd in zijn rapport uit 2024?1
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onbegrijpelijk is om toch voor sloop te kiezen, terwijl Kennemerwonen zelf heeft verklaard dat de bouwkundige staat van het gebouw redelijk is en bouwkundigen de geconstateerde gebreken beschouwen als herstelbaar binnen regulier groot onderhoud? Erkent u dat dit patroon structureel voorkomt bij Nederlandse woningcorporaties?
Het is in beginsel aan woningcorporaties om, met alle betrokken partners op lokaal niveau, te bepalen wat in een specifieke situatie de beste optie is. Er wordt hierbij van woningcorporaties verwacht dat zij, in overleg met die partners, bij het realiseren van de opgave alle belangen zorgvuldig tegen elkaar afwegen: van bewoners, maar ook van toekomstige huurders, de leefbaarheid in de wijk, het gemeentelijk beleid, de eigen portefeuillestrategie en de financiële consequenties. Ik heb geen signalen dat woningcorporaties structureel voor sloop kiezen als regulier onderhoud een meer wenselijke optie is.
Erkent u dat aan het complex Dorus Rijkersplein al substantiële investeringen zijn gedaan en dat sloop in dat licht niet alleen sociaal onrechtvaardig maar ook economisch onverantwoord en kapitaalvernietigend is?
Over het algemeen is renovatie duurzamer dan sloop met vervangende nieuwbouw, maar is dit niet altijd goedkoper en hangt van verschillende eigenschappen van het gebouw af. Een voordeel van renovatie is dat de levensduur van bestaande gebouwen wordt verlengd. Het is echter niet altijd mogelijk om te bestaande gebouwen te kunnen renoveren. Het bestaande gebouw moet zich hiervoor lenen en dat is niet altijd het geval. Het is aan de woningcorporatie om hierin de eigen afweging te maken, waarbij ook het totale financiële plaatje een rol speelt. Woningcorporaties hebben in totaal bijna 2,2 miljoen sociale huurwoningen, het is niet aan mij om een oordeel te hebben over of in een individueel geval renovatie of sloop/nieuwbouw logischer is. Dat is aan de corporatie, in samenspraak met de lokale partners.
Bent u bekend met het gegeven dat renovatie in de meeste gevallen aanzienlijk goedkoper is dan sloop-nieuwbouw, en zo ja, waarom wordt naar uw mening hier dan zo vaak toch niet voor gekozen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat sloop van huurwoningen niet alleen fysieke gebouwen maar ook hechte gemeenschappen vernietigt, en bent u bereid te bewerkstelligen dat corporaties de sociale cohesie van bewoners expliciet meewegen als factor in de afweging tussen sloop en renovatie?
Ik kan mij heel goed voorstellen dat voor bewoners de sociale cohesie en de hechte gemeenschappen die zijn opgebouwd belangrijk zijn. Bij de afweging tussen sloop en nieuwbouw of renovatie spelen deze factoren en bijvoorbeeld ook het behoud van de identiteit van de wijk een rol. Het is echter ook in dit geval aan de woningcorporatie om te bepalen welk gewicht zij geven aan het mogelijk verbreken van de sociale cohesie en hechte gemeenschappen die zijn ontstaan in de afweging die zij maken voor sloop met vervangende nieuwbouw of renovatie.
Bent u op de hoogte van het feit dat de bewonerscommissie van het Dorus Rijkersplein stelselmatig wordt belemmerd in haar werk, doordat Kennemerwonen gevraagde technische rapporten niet of slechts deels verstrekt, communicatie via derden laat lopen in plaats van rechtstreeks met de bewonerscommissie te communiceren, en notulen van overleggen worden betwist? Deelt u de mening dat dit in strijd is met de verplichtingen die de Woningwet en de Wet op het overleg huurders verhuurder aan corporaties opleggen?
De woningcorporaties zijn verplicht om, op grond van artikel 55b van de Woningwet, een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De wet stelt – met uitzondering van een regeling voor de verhuiskostenvergoeding – echter geen specifieke eisen aan de inhoud van zo’n reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kan verschillen. Mocht de corporatie zich hier niet aan houden dan kunnen bewoners stappen naar de huurcommissie of de civiele rechter. Het is niet aan mij om in een individueel geval te oordelen of er sprake is van schending van de Wet op het overleg huurders en verhuurder.
Erkent u dat de enorme psychische druk die bewoners ervaren als gevolg van sloopplannen een ernstig maatschappelijk probleem is, dat al eerder door de Nationale ombudsman is gesignaleerd? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin als Minister?
Ik verwijs hierbij naar mijn antwoord op vraag 3. Verder wil ik hier nog aan toevoegen dat ik momenteel een onderzoek uitvoer naar de effecten van sloop en nieuwbouw op onder andere de bewoners, verduurzaming (waaronder het klimaat en de CO2 uitstoot) en de woningvoorraad. In het onderzoek wordt ook een afwegingskader geschetst, waarbij transparanter wordt hoe een afweging tot sloop- nieuwbouw tot stand kan komen. Hierdoor wordt meer inzichtelijk hoe een woningcorporatie tot haar keus kan komen. Ik verwacht de Kamer hier voor de zomer over te informeren.
Erkent u dat het risico onverantwoord groot is dat als gevolg van stikstofproblematiek en de nabijheid van Natura 2000-gebieden nieuwbouw helemaal niet mogelijk blijkt, zoals ook al gebleken is bij het nabijgelegen plan Delversduin? Erkent u dat bewoners worden opgezadeld met de consequenties van een onrealistisch bouwplan?
Het is niet aan mij om dit te beoordelen. De optie voor sloop en vervangende nieuwbouw wordt momenteel nog onderzocht. Hierbij zal ook worden onderzocht of bij dit project stikstof vrijkomt. Als blijkt dat er stikstof vrijkomt, zal moeten worden aangetoond dat het niet leidt tot verslechtering van de staat van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ten slotte is het aan de provincie Noord-Holland om als bevoegd gezag te beoordelen of een natuurvergunning kan worden verleend of niet. Het kabinet werkt verder aan een pakket aan maatregelen voor generieke stikstofreductie, zodat de stikstofdruk op Natura 2000-gebieden wordt verlaagd en Nederland van het stikstofslot af kan.
Erkent u dat sloop-nieuwbouw leidt tot een hogere uitstoot van broeikasgassen en stikstof dan renovatie, en dat dit haaks staat op de klimaatdoelstellingen en stikstofdoelstellingen van Nederland? Deelt u de mening dat de CO2- en stikstofuitstoot van sloop altijd integraal meegewogen moet worden in de afweging tussen sloop en renovatie?
Hergebruik, renovatie en transformatie van bestaande gebouwen is veelal duurzamer dan nieuwbouw, maar niet elk gebouw leent zich daarvoor, zeker daar waar de energetische schil lastig is te verbeteren. Maar ook een wens om te verdichten of een wijk meer divers te maken kan een reden zijn om over te gaan tot sloop. Ik ben van mening dat per gebouw moet worden gekeken wat de beste circulaire strategie is als het gaat om hergebruik, renovatie en/of transformatie dan wel nieuwbouw. Daarbij zouden inderdaad de CO2-uitstoot en andere milieuaspecten moeten worden meegewogen. Als wel tot sloop wordt besloten dan verdient het de voorkeur om circulair te slopen. Dit houdt in dat wordt gekeken welke bouwelementen, -producten en -materialen uit het pand kunnen worden gedemonteerd om vervolgens in een nieuw gebouw of bij renovatie te worden hergebruikt. Ik ondersteun deze werkwijze met de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik.2
Bent u bereid het democratische tekort te herstellen door bewoners een gelijkwaardig instemmingsrecht te geven bij sloopbeslissingen? Bij renovatie geldt namelijk een instemmingsrecht van 70% van de huurders, maar bij sloop niet.
Nee, ik acht het niet noodzakelijk om een instemmingsrecht van 70% te geven bij sloopbeslissingen. Op grond van huidige wet- en regelgeving is het voor de bewoner die niet instemt met sloop (en daarmee geen instemming geeft over het beëindigen van zijn of haar huurovereenkomst), mogelijk om zonder actie van zijn of haar kant te bewerkstelligen dat de rechter zich zal buigen over de vraag of de huurovereenkomst eenzijdig door de verhuurder kan worden beëindigd. De mogelijkheid dat de rechter zich hierover buigt acht ik voldoende.
Bent u bereid om de situatie van de bewoners van het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee actief onder de aandacht te brengen bij Kennemerwonen, en er bij de corporatie op aan te dringen het sloopplan te heroverwegen en alsnog een volwaardige renovatieoptie uit te werken in echte samenspraak met de bewoners?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, worden de opties op sloop en renovatie nog onderzocht en zal woningcorporatie Kennemer Wonen hierover met bewoners in gesprek gaan. Ik kan mij heel goed voorstellen dat, als wordt besloten tot sloop, dit een grote impact heeft op de wijk en de gemeenschap. Het blijft echter een afweging van de corporatie, in overleg met lokale partijen. Bij die afweging en het lokale gesprek kan ook de gemeente en de lokale politiek een rol spelen.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
René Claassen (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
De deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de motie van het lid Paternotte c.s. Kamerstuk 26 150, nr. 227), de motie van de leden Van der Burg en Paternotte (Kamerstuk 35 207, nr. 94) en de motie van het lid Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2871) die allen het kabinet oproepen om voor betekenisvolle deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties te pleiten?
Bent u bereid om, net als vorig jaar, voorafgaand en tijdens de eerstvolgende World Health Assembly publiekelijk stelling te nemen dat Taiwan aan de bijeenkomsten van de WHO zou moeten mogen deelnemen?
Het bericht 'COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst»?1
Klopt het dat er op dit moment nog een pendelbus rijdt van en naar de asielopvanglocatie MS Galaxy en dat deze vanaf mei wordt geschrapt?
Klopt het dat de pendelbus oorspronkelijk was bedoeld voor naar school gaande kinderen, maar dat deze doelgroep inmiddels niet meer woont op het asielschip?
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate momenteel gebruik wordt gemaakt van de pendelbus?
Hoe is de financiering van de pendelbus opgebouwd en hoeveel kost deze bus per maand? Betaalt het Rijk mee aan deze pendelbus?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de gemeente Amsterdam betekent voor de (toekomst van de) opvangplekken op de opvanglocatie, nu de gemeente tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gezegd dat de pendelbus behouden moet blijven?
Kunt u uiteenzetten welke juridische verplichtingen bestaan om de bereikbaarheid van een opvanglocatie te borgen en in hoeverre die verplichtingen noodzakelijkerwijs neerkomen op een aparte pendelbus in plaats van regulier Openbaar Vervoer (OV) of andere voorzieningen?
Bent u het eens met de stelling dat alleen in uitzonderlijke gevallen pendelbussen ingezet moeten worden en dat zoveel als mogelijk voor asielzoekers dezelfde voorzieningen moeten gelden als voor Nederlanders?
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?
Ja, het klopt dat Nederland de Joint Letter (hierna «gezamenlijke brief») heeft ondertekend. Deze brief is als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. In de Clean Industrial Deal van februari 2025 kondigde de Europese Commissie al een studie naar de doeltreffendheid van het Europese beleidskader2 aan. Sindsdien geven meerdere projectontwikkelaars aan te wachten met investeren tot er meer uitsluitsel is over mogelijke wijzigingen.
De voorgestelde aanpassingen zijn noodzakelijk omdat de ontwikkeling van elektrolysecapaciteit in Nederland, die nodig is voor de verduurzaming van de industrie- en transportsector, anders dreigt stil te vallen. Nederland ziet de gezamenlijke brief als een strategisch passende manier om gewenste aanpassingen kansrijker te maken en bedrijven sneller uit de onzekerheid over Europese beleidswijzigingen te halen.
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Vooropgesteld, het kabinet is voorstander van de zogenaamde RFNBO-criteria («Renewable Fuels of Non-Biological Origin») die moeten borgen dat waterstofproductie hernieuwbaar is, zoals de additionaliteitsregel en de regel dat hernieuwbare elektriciteit en de waterstof die daarmee geproduceerd wordt gelijktijdig opgewekt wordt (uur-tot-uur temporele correlatie).
Het geeft waterstofproducenten immers een prikkel om CO2-uitstoot te reduceren en de onregelmatige, weersafhankelijke opbrengst uit zon en wind te faciliteren.
Het kabinet kiest niet zozeer voor een versoepeling maar voor een latere inwerkingtreding van die criteria zodat de eisen beter aansluiten bij de verwachte marktontwikkeling voor hernieuwbare waterstof.
Voor Nederland zijn het verlengen van de overgangsperiode van additionaliteit en het langer toestaan van maandelijkse temporele correlatie de twee belangrijkste aandachtspunten. Momenteel is er ca. 400 MW aan elektrolysecapaciteit in aanbouw. Zonder bovengenoemde aanpassingen zal de beoogde 1,2 GW aan elektrolysecapaciteit in 2030 niet gerealiseerd kunnen worden.
Ten eerste is de regel dat elektrolyseprojecten die per 2028 en daarna gereed zijn geen gebruik meer mogen maken van gesubsidieerde hernieuwbare elektriciteit om waterstof te produceren (de zogenaamde additionaliteitsregel) een knelpunt. Veel elektrolyseprojecten zijn door – veelal onvoorziene – vertragingen in de ontwikkeling van infrastructuur en de vraag naar hernieuwbare waterstof pas na 2028 operationeel. Bovendien hebben (nieuwe) windparken, waarvan de elektriciteit nodig is voor de productie van hernieuwbare waterstof, weer subsidie nodig. Hierdoor is er nauwelijks geschikte elektriciteit over om hernieuwbare waterstof van te maken.
Ten tweede komt de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur voor waterstof langzamer dan verwacht op gang. Voornamelijk opslaginfrastructuur is van belang om (weersafhankelijke) productie en gebruik van hernieuwbare waterstof beter op elkaar aan te laten sluiten, zodat op die manier beter kan worden voldaan aan de productie eis die stelt dat hernieuwbare elektriciteit binnen hetzelfde uur geproduceerd moet worden als de waterstof die ermee gemaakt wordt. Opslaginfrastructuur zorgt er immers voor dat waterstof niet meteen gebruikt hoeft te worden op het moment dat deze door gunstige weersomstandigheden geproduceerd kan worden.
Ten derde wordt door projectontwikkelaars aangegeven dat er bij grootschalige inzet van elektrolysers nog ervaring opgedaan moet worden met een veilige en verantwoorde afstemming van de draaiuren van elektrolysers op het onregelmatige aanbod van hernieuwbare elektriciteit. Voor deze leercurve is ook meer tijd nodig.
De uurlijkse correlatie-eis kan pas functioneren als (opslag)infrastructuur gerealiseerd is en er voldoende ervaring is opgedaan met een flexibele inzet van elektrolysers.
De latere inwerkingtreding van beide criteria is noodzakelijk voor het creëren van de schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en de transportsector.
Zie specifiek de beantwoording van vraag 4 voor de verhouding van de specifieke inzet van Nederland zoals hierboven beschreven met betrekking tot de «sunset clause»3.
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?
Het kabinet onderschrijft het belang van investeringszekerheid voor bedrijven die vroeg hebben geïnvesteerd in hernieuwbare waterstof. Toen de huidige RFNBO-regels werden vastgesteld was het vooruitzicht nog dat wind-op-zee parken subsidievrij ontwikkeld konden worden, dat de benodigde infrastructuur tijdig gereed zou zijn en dat er voldoende ervaring met grootschalige inzet van elektrolysers zou zijn opgedaan. Bij de aangekondigde gerichte herziening van de productieregels voor hernieuwbare waterstof (de «RFNBO-regels») in de Accelerate EU Energy Union communicatie, heeft de Europese Commissie expliciet aangegeven dat bestaande investeringen in hernieuwbare waterstof beschermd zullen worden. Het kabinet verwelkomt dit standpunt en vindt daarnaast dat bestaande projecten ook gebruik moeten kunnen maken van de aangepaste regels als zij dat willen.
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moeten de voorgestelde aanpassingen per saldo een positieve bijdrage leveren aan de klimaatdoelen.
Ze moeten er namelijk toe leiden dat de benodigde schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en mobiliteit tot ontwikkeling komt. Hogere emissies in de elektriciteitssector vallen op korte termijn niet bij voorbaat uit te sluiten. Maar in Europese wet- en regelgeving zijn diverse eisen en (bindende) doelen vastgelegd die ervoor moeten zorgen dat aanpassingen in de sunset-clause en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies bij hernieuwbare waterstofproductie en tot een verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen.
Ten eerste blijven de Europese doelen voor hernieuwbare energie voor 2030 die in de Hernieuwbare Energierichtlijn (REDIII) zijn vastgelegd onveranderd.
Ten tweede zou de eventuele toename van emissies in de Nederlandse elektriciteitssector op Europees niveau gecompenseerd moeten worden omdat onder het ETS de totale hoeveelheid CO2-uitstootrechten in de Europese Unie vaststaan. Voor de extra draaiuren die gascentrales eventueel gaan maken om extra elektriciteit te produceren moeten zij immers extra rechten kopen die andere CO22-uitstoters in de EU dan niet meer kunnen gebruiken. Daarom is Nederland ook voorstander van een sterk en ambitieus ETS omdat dit tot een EU-brede verduurzamingsprikkel leidt en langdurige beleidszekerheid geeft aan de betreffende sectoren.
Ten derde blijft, wat betreft de lidstaten die de gezamenlijke brief hebben ondertekend, de eis bestaan dat hernieuwbare waterstof 70% CO2 moet reduceren ten opzichte van het fossiele alternatief (bijvoorbeeld grijze waterstof). Aangezien waterstofprojecten door een onafhankelijke partij gecertificeerd moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidies, wordt zo geborgd dat alleen waterstof die met voldoende hernieuwbare elektriciteit geproduceerd wordt gesteund wordt. Ook voor «clean countries/regions» gelden bovenstaande vereisten en doelen, die de duurzaamheid van de waterstof moeten borgen.
Ten slotte kan tijdige ontwikkeling van voldoende elektrolysecapaciteit langs de kust juist helpen om een gestaag uitroltempo van hernieuwbare elektriciteit te borgen zolang transportschaarste op het elektriciteitsnet een direct gebruik van hernieuwbare elektriciteit bemoeilijkt.
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?
Ten aanzien van de specifieke waterstofproductie kan maandelijkse temporele correlatie leiden tot hogere broeikasgasemissies in het Nederlandse elektriciteitssysteem dan bij uurlijkse temporele correlatie.
Maar zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4, 5 en 6 moeten eventuele hogere emissies op systeemniveau en in Europees verband gecompenseerd worden onder het ETS waar een CO2-emissieplafond geldt. Overigens geldt voor hernieuwbare en koolstofarme waterstof dezelfde CO2-reductie-eis van minimaal 70% ten opzichte van het fossiele alternatief voor die hernieuwbare waterstof (bijvoorbeeld grijze waterstof). Kortom, beide vormen van waterstof moeten in gelijke mate bijdragen aan CO2-reductie.
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Er is geen consensus over het specifieke kostenverschil, alhoewel het rapport van de Europese Rekenkamer over het industriebeleid van de EU inzake hernieuwbare waterstof4 aangeeft dat toepassing van uurlijkse temporele correlatie de productiekosten verhoogt, waardoor het slechter concurreert met uit fossiele brandstoffen geproduceerde waterstof.
In algemene zin kunnen de volgende elementen tot hogere kosten leiden bij toepassing van uurlijkse temporele correlatie:
Voor waterstofprojecten waarbij de elektrolyser direct gekoppeld is aan een hernieuwbare elektriciteitsbron zal het gemakkelijker zijn om aan de uurlijkse correlatie te voldoen. Dit is over het algemeen het geval op plaatsen, veelal buiten de EU, waar zon, wind en ruimte voldoende beschikbaar zijn.
Het uitgangspunt bij het Europees waterstofbeleid is dat de productie zo veel mogelijk moet plaatsvinden op plaatsen waar deze het goedkoopst is en deze via de aanleg van transportinfrastructuur beschikbaar wordt gesteld op plaatsen elders waar de vraag naar hernieuwbare waterstof zich voordoet en de productieomstandigheden minder gunstig zijn.
Daarom is naast opschaling van nationale productie van hernieuwbare waterstof de inzet op import(infrastructuur) een belangrijk onderdeel van het Nederlandse waterstofbeleid.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, is Nederland voorstander van criteria die de duurzaamheid van de geproduceerde waterstof borgen. Maar het is prioriteit om de toepassing van die criteria aan te passen aan de huidige realiteit waarin hernieuwbare elektriciteit opnieuw gesubsidieerd moet worden, de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur vertraagd is en er meer ervaring opgedaan moet worden met de inzet van elektrolysers.
Naast deze aanpassing zet het kabinet zich op andere manieren actief in voor het verbeteren van de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten. Zo zet Nederland zich in voor het creëren van vraagzekerheid, enerzijds via langjarige normering van waterstofgebruik op product- of sectoraal niveau en anderzijds via subsidies. Beide beleidsopties worden bij voorkeur op Europees niveau uitgewerkt.
De kernboodschap van het rapport van de Europese Rekenkamer is dat de streefcijfers die de Europese Commissie voor de Europese productie en import van hernieuwbare waterstof heeft gesteld onrealistisch zijn en dat een reality check noodzakelijk is. Het kabinet onderschrijft die boodschap. In de Klimaat en Energienota 2025 is besloten om de verwachtingen en het richtdoel voor elektrolysecapaciteit in 2030 en 2035 bij te stellen.
In de update van het Nationaal Plan Energiesysteem, die met Prinsjesdag gepubliceerd wordt, gaat het kabinet dieper in op de verwachte ontwikkeling van de waterstofmarkt.
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?
Zie antwoord vraag 9.
De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
De Nederlandse inzet tijdens de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wie namens de Nederlandse regering aanwezig zullen zijn bij de aanstaande toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York en met welke inzet zij deelnemen?1
Nederland werd op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie werdt geleid door de ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening (high level) segment in de eerste week was Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de hoedanigheid van Vice-Minister. De delegatie bestond verder uit vertegenwoordigers van het inisterie van Buitenlandse Zaken, vanuit het departement (Den Haag), de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève en Wenen alsook de ambassade in Washington.
De Nederlandse inzet is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u het ermee eens dat, in tijden van hoogopgelopen spanningen, het opzeggen van wapenbeheersingsverdragen, uitbreiding van nucleaire arsenalen en agressieoorlogen door kernmachten, nucleaire ontwapening nóg belangrijker is geworden?
Zoals in voornoemde Kamerbrief (Kamerstuk 33 783, nr. 53) is beschreven, blijft een kernwapenvrije wereld het uiteindelijke doel van de NAVO en ook van Nederland. In deze veranderende wereld maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de veiligheidssituatie van het moment. Eenzijdige ontwapening door NAVO-bondgenoten maakt de wereld voor Nederland niet veiliger. Ontwapening is een complex proces van lange adem. Het bereiken van dit doel is van veel partijen afhankelijk en gekoppeld aan de mondiale veiligheidssituatie, waardoor het een proces met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms – al dan niet tijdelijke – achteruitgang is.
Deelt u onze zorgen dat het NPV onder toenemende druk staat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De bredere architectuur op het terrein van wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening staat inderdaad onder druk. Cruciale afspraken en verdragen lopen af of worden beëindigd en de bereidheid om de dialoog aan te gaan en multilaterale compromissen te zoeken is aan erosie onderhevig. Het Non-proliferatieverdrag (NPV) geniet echter nog steeds brede steun van de internationale gemeenschap. Alleen kernwapenbezitters India, Israël, Pakistan en Noord-Korea (in 2003 uitgetreden) en Zuid-Soedan zijn geen partij bij het NPV. Bovendien waren 190 van de 191 verdragspartijen bij de tiende Toetsingsconferentie in augustus 2022 bereid de slottekst te ondersteunen, ondanks aanzienlijke compromissen die alle landen hebben moeten accepteren. Enkel Rusland was destijds tegen.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor uitvoering van artikel 6 van het verdrag, dat staten verplicht nucleair te ontwapenen? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete stappen op dit punt worden voorgesteld?
Nederland blijft zich inzetten voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI van het NPV en heeft tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie benoemd dat kernwapens geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Het huidige tijdsgewricht vraagt echter om realisme ten aanzien van de ontwapeningsdoelen van het NPV. Het vertrouwen tussen kernwapenstaten is momenteel laag en dit beperkt op korte termijn het uitzicht op significante ontwapeningsstappen. Nederland hecht daarom waarde aan versterking van de non-proliferatiearchitectuur en maatregelen die de kans op gebruik van kernwapens verlagen. Hierbij valt onder meer te denken aan meer transparantie over nucleaire doctrines en uitbreidingen van arsenalen, vertrouwenwekkende maatregelen tussen kernwapenbezitters en het verder ontwikkelen van technieken om toekomstige reducties en ontwapening te monitoren en verifiëren.
Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Bent u van mening dat zogenoemde moderniseringsprogramma’s voor kernwapens, die de levensduur van deze massavernietigingswapens decennia rekken, en ook het uitbreiden van kernwapenarsenalen haaks staan op artikel 6 van het NPV? Zo nee, waarom niet?
Al geruime tijd zijn de meeste kernwapenbezitters bezig met het moderniseren van hun kernwapenarsenalen. Deze moderniseringsprogramma’s staan op zichzelf niet haaks op artikel VI van het NPV en kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het blijvend garanderen van de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van deze wapens. Dit geldt in ieder geval voor de moderniseringsprogramma’s van de arsenalen van NAVO-bondgenoten Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Tegelijkertijd breidt China op ondoorzichtige wijze zijn kernwapenarsenaal uit en ontwikkelt Rusland nieuwe overbrengingsmiddelen die de strategische balans tussen kernwapenstaten ondermijnen.
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 is aangegeven heeft Nederland tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie onderstreept dat kernwapens, overeenkomstig artikel VI, geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Daarbij zijn kernwapenstaten opgeroepen om met prioriteit stappen te zetten op thema’s als risicoreductie en transparantie, zodat nucleair conflict voorkomen wordt en het onderlinge vertrouwen onder kernwapenbezitters zich kan herstellen, en daarmee inspanningen op het gebied van ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing weer plaats kunnen vinden. Tevens heeft Nederland China opgeroepen de rappe uitbreiding van het kernwapenarsenaal te herzien en zich voor wapenbeheersing in te spannen. Tot slot heeft Nederland de drie landen met de grootste kernwapenarsenalen – de Verenigde Staten, Rusland en China – opgeroepen een nieuwe strategische wapenbeheersingsovereenkomst overeen te komen, maar daar is wel een basis van onderling vertrouwen voor nodig.
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 en vraag 4 is aangegeven, is enig realisme waar het gaat om ontwapening in het huidig tijdsgewricht van belang.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen modernisering van kernwapens en uitbreiding van arsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen uitbreiding van kernwapenarsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe de meerderheid van lidstaten bij het NPV aankijkt tegen zogeheten nuclear sharing, waar Nederland in NAVO-verband aan deelneemt? Klopt het dat dit wordt gezien als niet in lijn met van het verdrag?
Sinds enkele jaren worden de zogeheten nuclear sharing arrangementsvan NAVO door bepaalde NPV verdragspartijen, in het bijzonder Rusland en China, bekritiseerd. Deze kritiek neemt toe, waarbij sommige landen stellen dat de NAVO-afspraken niet in lijn zouden zijn met het NPV. Deze NAVO-afspraken bestaan echter reeds decennia en zijn volledig in lijn met het NPV. Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna.
Bent u bereid om tijdens de toetsingsconferentie erop aan te dringen dat in het slotdocument stevige taal wordt opgenomen over de catastrofale gevolgen van inzet van kernwapens en daaraan te koppelen dat een kernoorlog nooit gevochten mag worden?
Nederland onderkent in algemene zin de verwoestende humanitaire en klimatologische gevolgen van kernwapens. Het valt echter niet met zekerheid vast te stellen dat het gebruik van kernwapens onder alle omstandigheden in strijd met het humanitair oorlogsrecht zou zijn, zoals werd opgemerkt in het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 1996 (Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons).
Deelt u de opvatting dat kernwapens, vanwege hun ongekende vernietigende kracht waarmee geen onderscheid gemaakt kan worden tussen burgers en militairen, niet in lijn met het oorlogsrecht ingezet kunnen worden? Zult u dit uitdragen tijdens de conferentie?
Zie antwoord vraag 9.
Is de Nederlandse delegatie voorstander van positieve woorden in het slotdocument over het verdrag inzake het verbod op kernwapens (Treaty on the Prohibition on Nuclear Weapons, TPNW), specifiek dat dit verdrag wordt verwelkomd en landen worden opgeroepen zich erbij aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet aangesloten bij het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW) omdat het haaks staat op onze NAVO-verplichtingen. Daarnaast is Nederland van mening dat effectieve ontwapening alleen kansrijk is met betrokkenheid van kernwapenstaten en met robuuste verificatie. Nederland zet daarom in op versterking van het NPV-kader en praktische maatregelen die bijdragen aan risicoreductie, toekomstige reducties en ontwapening.
Bent u voorstander van een Midden-Oosten vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet Nederland om dit te bespoedigen?
Nederland is voorstander van zones vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens. Voor het Midden-Oosten is dit in lijn met de resolutie die hierover werd aangenomen door de NPV Toetsingsconferentie in 1995. De instelling van dergelijke zones kan, zoals beschreven in het actieplan van de NPV Toetsingsconferentie in 2010, alleen plaatsvinden door middel van vrijwillige overeenkomsten tussen alle staten in de regio.
De regionale veiligheidssituatie noopt tot realisme over de haalbaarheid op korte termijn van een dergelijke zone in het Midden-Oosten. In de tussentijd moedigt Nederland alle belanghebbenden, en met name de staten in de regio, aan om deel te nemen aan overleggen om tot een inclusief en op consensus gebaseerd proces te komen voor de uitvoering van de resolutie uit 1995.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor meer transparantie over kernwapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke maatregelen wordt dan concreet aangedrongen en wat doet Nederland zelf voor extra transparantie?
Transparantie is belangrijk om onderling vertrouwen te verbeteren, nucleaire risico’s te verminderen en op den duur stappen te zetten op het gebied van ontwapening. Het verbeteren van transparantie is daarom een langdurige Nederlandse prioriteit binnen het NPV. Middels het cross-regionale Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI) dringt Nederland bijvoorbeeld aan op transparantie over nucleaire doctrines en arsenalen; versterkte nationale rapportage over NPV-implementatie; en interactieve dialogen over nationale implementatie, met name die van kernwapenstaten, tijdens verdragsbijeenkomsten.2 Tevens financiert Nederland samen met Canada een tweetal projecten van de onafhankelijke denktank British American Security Information Council (BASIC) – nl. de NPT Monitor en de Nuclear Transparency Inventory – die erop gericht zijn de implementatie van het NPV door verdragspartijen alsmede de transparantiepraktijken van kernwapenstaten te volgen. Tenslotte heeft Nederland zoals gebruikelijk een nationaal implementatierapport ingediend voorafgaand aan de Toetsingsconferentie.3
Kunt u nader toelichten wat de precieze plannen zijn in het kader van samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens? Waarom wordt hierover relatief weinig informatie gedeeld?
Op 2 maart jl. is uw Kamer op de hoogte gesteld van de beoogde samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire en conventionele afschrikking in Europa (Kamerstuk 33 279, nr. 40). Dit betreft een strategische dialoog ter versterking van de Europese dimensie van de Franse nucleaire doctrine. Het Kabinet beziet momenteel hoe deze samenwerking wordt ingevuld.
Gezien de aard van deze onderwerpen kan het Kabinet, conform de met de Kamer overeengekomen praktijk, weinig tot geen nadere details over de beoogde samenwerking met Frankrijk openbaar maken. Wanneer wenselijk en mogelijk, zal het kabinet uw Kamer op passende wijze op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
Is uitgesloten dat samenwerking met Frankrijk het NPV schendt? Zo ja, hoe wordt dit uitgesloten? Kunt u toelichten hoe het NPV naar uw opvatting de samenwerking met Frankrijk begrenst?
Ja. De beoogde samenwerking met Frankrijk is niet in strijd met de verplichtingen van het NPV. Dit is voor zowel Nederland als Frankrijk een leidend principe. Op dit moment kunnen er geen aanvullende uitspraken worden gedaan over de beoogde samenwerking.
Heeft Nederland samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens toegezegd? Wat is de status van de gesprekken hierover? Indien het kabinet voornemens is samenwerking met Frankrijk op dit gebied toe te zeggen, wordt de Kamer daar, voorafgaande aan besluitvorming, over geïnformeerd en betrokken?
Zie antwoord vraag 14.
Wat is de status van nucleaire wapens van de Verenigde Staten op vliegbasis Volkel? Hoe verhoudt zich de aanwezigheid van nucleaire wapens op vliegbasis Volkel met het NPV?
Vanwege veiligheidsredenen en bondgenootschappelijke afspraken doet het kabinet geen mededelingen over aantallen of locaties van nucleaire wapens in Europa. Ten aanzien van de verhouding van de praktijk van nucleair sharing tot het NPV verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 8.
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne geen zaken doet met Nederland, door 'te veel bureaucratie’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»?1
Ja.
Welke concrete regelgeving of procedures vormden volgens u de grootste knelpunten voor Fire Point om een productielijn in Nederland op te zetten en hoe werkt u eraan om deze knelpunten in de toekomst te voorkomen?
Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland. Er hebben dan ook geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Om deze reden is er niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken. Indien Oekraïense bedrijven zoals Fire Point de ambitie hebben om in Nederland te produceren staat het kabinet open om de mogelijkheden te verkennen, bijvoorbeeld door het betrekken van Nederlandse bedrijven en bestaande productiefaciliteiten.
Heeft Defensie na het besluit van Fire Point nog contact opgenomen met het bedrijf, en zo ja, welke concrete acties zijn ondernomen om alsnog (delen van) de productie naar Nederland te halen of een alternatieve samenwerking te realiseren?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van de berichtgeving. Dit gesprek heeft nog niet plaatsgevonden.
Hoe verhoudt de Nederlandse bureaucratische doorlooptijd zich tot die in Denemarken, waar Fire Point wél een fabriek voor raketbrandstof gaat bouwen, en welke lessen trekt het kabinet hieruit voor het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoeveel Oekraïense of andere buitenlandse defensiebedrijven hebben de afgelopen twee jaar interesse getoond in vestiging of productie in Nederland en bij hoeveel van deze bedrijven is dit niet doorgegaan vanwege bureaucratie?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Dit gebeurt niet alleen via coproductie. Het Ministerie van Defensie en EZK hebben, o.a. in samenwerking met de brancheorganisatie Nederlandse Industrie voor Defensie & Veiligheid (NIDV), verschillende handelsmissies naar Oekraïne georganiseerd met Nederlandse defensie bedrijven. Hieruit is een groot aantal samenwerkingsverbanden ontstaan tussen Nederlandse en Oekraïense bedrijven die verschillende vormen en intensiteiten kennen. Dit gaat van de levering, ontwikkeling en productie van systemen tot het gezamenlijk innoveren, moderniseren en onderhouden van systemen. Bedrijven willen zelf niet altijd over deze samenwerking in de openbaarheid treden en de contacten zijn soms alleen van bedrijf tot bedrijf in verband met commerciële vertrouwelijkheid. Het is dan ook onmogelijk te zeggen hoeveel bedrijven dit exact betreft, en of regelgeving een struikelblok heeft gevormd. Wel kunnen we bevestigen dat er met meerdere bedrijven en samenwerkingsverbanden gesprekken worden gevoerd over mogelijke productie in Nederland.
Wat zijn de ambities van het kabinet betreffende langeafstandswapens en hoe wilt u dit realiseren als een fabriek op Nederlands grondgebied niet lukt?
De krijgsmacht moet in staat zijn om te vechten en te winnen. Daarom wil Defensie beschikken over de capaciteit om moeilijk bereikbare militaire doelen van een tegenstander op grote afstand uit te schakelen. Voorbeelden hiervan zijn vijandelijke luchtverdedigings- en vuursteunsystemen, logistieke opslaglocaties en hoofdkwartieren. Deze wapens kunnen al in de eerste fase van een conflict essentiële capaciteiten van de tegenstander uitschakelen en leveren een belangrijke bijdrage aan de versterking van de gezamenlijke afschrikking en de verdediging. Daarom zet Defensie in op de versterking van deze capaciteit door de aanschaf van verschillende typen langeafstandsbewapening, de aanvulling van de inzetvoorraden munitie en het versterken van de Nederlandse en Europese productiecapaciteit.
Hiervoor maakt Defensie waar mogelijk gebruik van vraagbundeling met partnerlanden of verwerving via de NATO Supply and Procurement Agency (NSPA). Daarnaast worden via het Foreign Military Sales (FMS) proces verschillende kapitale munitie-artikelen verworven waarvoor op korte en middellange termijn geen Europese alternatieven beschikbaar zijn. De verkenning van coproductie van kapitale munitie loopt momenteel nog.
Indien antwoorden op één of meer vragen vertrouwelijk zijn, is het dan mogelijk om vertrouwelijk gebrieft te worden?
Dit is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Materieel van 3 juni 2026?
Ja.
Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1
Ja.
Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2
Ja.
Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?
Ja. Met de start van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (NGWI2018) is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2014 (NGW2014) ingetrokken omdat duidelijk moet zijn welke code van toepassing is bij een eventuele klachtenprocedure. Om die reden is de NGW2014 van toepassing gebleven op voltooide onderzoeken voor de inwerkingtreding van de NGWI2018 en voor gestarte onderzoeksactiviteiten die bij de inwerkingtreding van de NGWI2018 nog niet waren voltooid.
Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3
Ja. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 is opgebouwd langs vijf fundamentele principes: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid en spreekt niet over normatieve uitgangspunten of kernbegrippen. Deze principes komen voor een groot deel overeen met de principes uit de NGW2014. In beide codes worden de principes verder uitgelegd, waarbij in de NGW2014 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» gebruikt zijn. In de NGWI2018 is gekozen voor andere woorden om de principes uit te werken.
Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?
Mijn reactie ging in de snelheid van het debat, het ging inderdaad ten onrechte over de vorige versie.
Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?
Ik ben niet bereid om de motie Oordeel Kamer te geven. In de motie wordt gevraagd om invloed uit te oefenen op de inhoud van de NGWI, vanwege de onafhankelijkheid van deze code heb ik daar als Minister geen invloed op. De NGWI is een code die door instellingen uit het veld zelf wordt opgesteld. Zij zijn verantwoordelijk voor het creëren van een werkomgeving waarin wetenschappelijke integriteit is geborgd.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?
Ja.
De Panama Papers en de Nederlandse trustsector |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in het FD van 3 april1 en 8 april2 jl. over de trustsector?
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop in de media het functioneren en de maatschappelijke waarde van de Nederlandse trustsector wordt weergegeven?
Een sterke financiële sector is van groot belang voor onze open economie en voor het verdienvermogen van Nederland. Ik vind het belangrijk dat Nederland aantrekkelijk is voor internationale ondernemingen: vanwege onze sterke economische fundamenten, hoogwaardige en betrouwbare financiële infrastructuur, duidelijke en voorspelbare regels en goed toezicht. De trustsector kan daarbij een legitieme en ondersteunde functie vervullen voor internationale bedrijven die in Nederland actief willen zijn, zonder zich direct volwaardig te vestigen. Ik vind het belangrijk dat de sector goed in staat is om deze rol te vullen en haar rol als poortwachter effectief vervult.
Tegelijkertijd moeten we oog houden voor de risico’s die met trustdienstverlening gepaard gaan. In het verleden zijn er signalen geweest, waaronder de Panama Papers, voor misbruik van trustdienstverlening om geldstromen te verhullen, belasting te ontwijken, dan wel belastingfraude te plegen. Ook de Nationale Risicoanalyse (NRA) Witwassen uit 2019 en de meeste recente versie uit 2023 onderstrepen de witwasrisico’s die samenhangen met trustdienstverlening.3 Dat vraagt om een zorgvuldige balans tussen het beperken van risico’s en het behouden van een aantrekkelijk klimaat voor bonafide internationale ondernemingen.
De afgelopen jaren is er veel nationale en internationale wet- en regelgeving gekomen die relevant is voor de trustsector, zowel op fiscaal terrein als op integriteitsterrein. Daarnaast zijn meerdere onderzoeken gedaan naar de risico’s en toekomst van de trustsector, met verschillende maatregelen als gevolg.4 In 2018 is de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) ingevoerd en is de oude Wet toezicht trustkantoren ingetrokken. De invoering van de Wtt 2018 volgde mede uit signalen van DNB in de periode van 2012 en 2025 dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende naleefden en integriteitsrisico’s onvoldoende mitigeerden. Ook maatschappelijke en politieke aandacht naar aanleiding van de Panama Papers en het onderzoek van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, vormden aanleiding voor verdere regulering van trustdienstverlening.5 Verder is de Wtt 2018 aangescherpt om bepaalde onwenselijke dienstverlening te verbieden. In diezelfde periode zijn er fiscale maatregelen genomen om belastingontwijking tegen te gaan. Op dit laatste ga ik in de beantwoording van vraag 20 en 21 verder in. Uit gesprekken met de Nederlandse toezichthouder op trustkantoren, De Nederlandsche Bank (DNB), volgt dat dit tot verbeteringen heeft gezorgd in de professionalisering en de integriteit van de sector. Zo is de basis van de door trustkantoren genomen risicobeheersmaatregelen vaker op orde. Tegelijkertijd ziet DNB nog ruimte voor verbetering, bijvoorbeeld omdat er verschillen zijn in diepgang en kwaliteit van cliëntenonderzoek.6
Deelt u de opvatting dat het sterk afgenomen aantal trustkantoren (circa 80%) en doelvennootschappen (circa 50%) niet uitsluitend als een morele overwinning moet worden gepresenteerd, maar ook economische consequenties heeft?
Allereerst is het belangrijk om te benoemen dat ik de genoemde cijfers niet kan plaatsen. Het aantal trustkantoren is tussen 2010 en 2026 van 309 naar 106 afgenomen wat een reductie van circa 65% betekent.7 Het aantal doelvennootschappen is in de afgelopen 5 jaar met 31% afgenomen. Sinds 2013 is het aantal doelvennootschappen aan het afnemen.8
Het is lastig om in te schatten wat de economische consequenties zijn van deze afname van het aantal kantoren. Indien er enige economische consequenties zijn van een afname binnen de trustsector ten gevolge van fiscale en integriteitswetgeving dient dit ook afgezet te worden tegen de economische consequenties van belastingontwijking en witwassen. Zo heeft de Rijksoverheid inmiddels 33 miljoen teruggevorderd naar aanleiding van de Panama Papers.9 De in vraag 2 genoemde maatregelen die zijn getroffen hebben tot positieve resultaten geleid. Zo zijn de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties structureel lager.10 Daarnaast zijn, zoals eerder benoemd, de risicobeheersmaatregelen van trustkantoren ook verbeterd. Een schoon en betrouwbare financiële sector is belangrijk voor stabiele economische groei.
Kunt u uiteenzetten welke rol de trustsector speelt in:
De aard en omvang van de Nederlandse trustsector is eerder onderzocht in het rapport Toekomst van de trustsector van juli 2022.11 Hieruit bleek dat de trustsector naar schatting 1.750 banen opbrengst en 50 miljoen aan belastinginkomsten oplevert. In het rapport geeft SEO aan dat de sector bijdraagt aan een laagdrempelig vestigingsklimaat door een springplank te bieden voor bedrijven die in Nederland willen vestigen zonder direct een volwaardige zelfstandige onderneming te kunnen of willen oprichten. De sector faciliteert daarnaast internationale investeringsstromen door trustdienstverlening te verlenen aan internationale bedrijven met operationele structuren en daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in Nederland. De trustsector vervult tevens een rol als poortwachter bij de naleving van regelgeving gericht op het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering, evenals bij de naleving van sanctieregelgeving en (inter)nationale fiscale regels.
Ontwikkelingen in Europese en nationale fiscale en integriteitsregelgeving kunnen van invloed zijn op de mate waarin door internationale bedrijven gebruik maken van dienstverlening in Nederland. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven die zich in Europa willen vestigen en daarbij Nederland als mogelijk vestigingsland overwegen. Voor dat laatste geldt overigens dat fiscale en integriteitsregelgeving niet de enige relevante factoren zijn.
Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoeksrapport «De toekomst van de trustsector» dat de eisen ten aanzien van transparantie en integriteit juist bijdragen aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor internationale partijen die hier waarde aan hechten. In dat kader vraagt het kabinet ook aandacht voor de recente publicatie van DNB waaruit blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is. 12 Uit de publicatie van DNB blijkt verder dat het aantal trustkantoren, met name die gerelateerd waren aan laagbelaste jurisdicties, halveerde sinds 2017 van circa 200 naar iets meer dan 100 in 2025. In dat verband refereert DNB ook aan de fiscale maatregelen die tegen belastingontwijking zijn genomen. Op basis van de «Monitoringsbrief van de effecten van de aanpak van belastingontwijking» volgt dat deze maatregelen effectief zijn.
Zo geldt er sinds 1 januari 2021 in Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. In de genoemde monitoringsbrief is beschreven dat de bronbelasting zeer effectief blijft in de bestrijding van rente- en royaltystromen naar laagbelastende jurisdicties. De cijfers bevestigen namelijk een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.
In hoeverre acht u het risico aanwezig dat negatieve beeldvorming en beleidsaanscherpingen ertoe leiden dat internationaal opererende bedrijven Nederland vermijden of verlaten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het functioneren van De Nederlandsche Bank als toezichthouder op de trustsector?
De Nederlandsche Bank (DNB) houdt als zelfstandig bestuursorgaan risicogebaseerd toezicht op trustkantoren ingevolge de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan het toezicht door DNB op trustkantoren of een negatief beeld te hebben van het functioneren van DNB als toezichthouder. Ik word jaarlijks geïnformeerd door DNB met de zbo-verantwoording en neem ook kennis van het jaarlijkse rapport Integriteitstoezicht in beeld.13 Daarnaast spreekt mijn ministerie met DNB over het toezicht op trustkantoren.
Op dit moment wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de zbo-taken door DNB geëvalueerd. Ik verwijs hiervoor naar de uitkomsten van deze evaluatie en mijn reactie hierop, die naar verwachting rond de zomer worden gepubliceerd.
Herkent u signalen uit de sector dat er sprake zou zijn van een disproportioneel strikte of zelfs vijandige toezichtshouding?
Deze signalen herken ik niet.
In de rapportage Integriteitstoezicht in beeld 2026 geeft DNB aan de dialoog met de sector meer op te zoeken. Ik herken dit beeld, omdat de branchevereniging van trustkantoren Holland Questor, in de reguliere gesprekken die mijn ministerie met hen voert, heeft aangegeven dat de relatie met DNB wat hen betreft verbeterd is ten opzichte van een aantal jaren geleden. Daarnaast zijn in november 2025 de Good Practices Wtt 2018 gepubliceerd14, die in samenspraak met de sector en na openbare consultatie tot stand zijn gekomen en praktische handvatten bieden voor de naleving van de Wtt 2018.15 Ik ben daarom van mening dat het contact tussen DNB en de sector proportioneel en professioneel is.
Zoals eerder gesteld is DNB onafhankelijk in de uitvoering van haar toezichttaken. Het uitgangspunt is dat toezicht risicogebaseerd plaatsvindt, zodat effectief wordt opgetreden waar de risico’s het grootst zijn. DNB zet de beschikbare toezichtcapaciteit daar in waar de integriteitsrisico’s het grootst zijn. De intensiteit van het toezicht neemt toe naarmate het materialiseren van risico’s grotere consequenties heeft voor het vertrouwen in de sector.16
De Wtt 2018 stelt wel meer eisen aan het cliëntonderzoek door trustkantoren. Deze eisen zijn noodzakelijk om de inherente risico’s van trustdienstverlening–zoals complexiteit en ondoorzichtigheid en de daarmee samenhangende gevoeligheid voor witwassen, verhulling van eigendom en zeggenschap, en belastingontwijking of -ontduiking–adequaat te mitigeren. Die maatregelen zijn wat mij betreft nodig om ervoor te zorgen dat de trustsector integer is. De hogere risico’s aan trustdienstverlening blijken onder meer uit de NRA Witwassen 202317 en de antiwitwasverordening18 waarin bepaalde aspecten gerelateerd aan trustdiensten verbonden worden met verhoogd risico’s.
Indien deze maatregelen er niet zijn, is de kans op witwassen groter, omdat het trustkantoor onvoldoende inzicht heeft in de vaak complexere structuur. De bovengenoemde maatregelen moeten partijen die gebruik zouden willen maken van het Nederlandse stelsel om bijvoorbeeld belastingfraude te plegen ontmoedigen. Uiteraard dient er een balans te zijn tussen de lasten voor trustkantoren en de effectiviteit van de maatregelen. Ik vind het, zoals eerder aangegeven, logisch dat trustdienstverlening, met de juiste maatregelen, kan plaatsvinden in Nederland om bijvoorbeeld internationale bedrijven die hier actief willen zijn de kans hiervoor te geven.
Met de inwerkingtreding van het nieuwe antiwitwaspakket van de Europese Commissie (AML-pakket) zal het verplicht toepassen van verscherpt cliëntenonderzoeksmaatregelen verplicht blijven voor de trustkantoren. Wel komt er meer ruimte voor een risicogebaseerde toepassing. Dit leidt in de praktijk tot lastenvermindering omdat het trustkantoor meer ruimte heeft om de risicogebaseerde benadering zelf in te vullen.
Hoe waarborgt u dat toezicht effectief is zonder het legitieme functioneren van de sector onnodig te belemmeren?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is naar uw inschatting de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland?
Het is voor mij niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te geven van de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland. In integriteitstoezicht in beeld meldt DNB dat zij 44 signalen van trustdienstverlening zonder vergunning ontving in 2025, ten opzichte van 37 in 2024.19 Dit betreffen met name signalen die betrekking hebben op het «opknippen» van trustdienstverlening. Opknippen verwijst naar situaties waarbij een dienstverlener bepaalde diensten onderbrengt bij aparte aanbieders en zo onder de verplichtingen van de Wtt 2018 uit probeert te komen. Het opknippen van trustdienstverlening is niet toegestaan en DNB kan hierop handhaven.
Wanneer DNB een signaal ontvangt over mogelijke illegale trustdienstverlening beoordeelt zij eerst of het aannemelijk is dat sprake is van een overtreding. Indien dat het geval is, spreekt DNB de betreffende partij in beginsel eerst schriftelijk aan. In een groot deel van de gevallen leidt dit ertoe dat de overtreding wordt beëindigd zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig zijn. Indien DNB constateert dat de overtreding voortduurt of dermate ernstig is wordt een formeel handhavingstraject ingezet. Dit kan leiden tot bestuurlijke maatregelen, zoals het opleggen van een boete. In een uiterst geval kan door het Openbaar Ministerie vervolging worden ingesteld.
In 2024 ging DNB over tot 1 handhavingsmaatregel tegen illegale trustdienstverlening en in 2025 2 handhavingsmaatregelen.20 Het merendeel van de overige signalen is gesloten, onder andere doordat (1) er geen sprake bleek van illegale trustdienstverlening (bij circa 50% van de meldingen was dat het geval); (2) de overtreding, zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig waren, is beëindigd; en daarnaast (3) komt het regelmatig voor dat DNB meerdere signalen krijgt die op dezelfde dienstverlener betrekking hebben (dubbele meldingen).
DNB heeft binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC) verband21 in 2026 een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.22 De uitkomsten daarvan bieden naar verwachting meer inzicht zodat signalen in de praktijk beter kunnen worden herkend en opgevolgd. Dit kan leiden tot meer handhavingstrajecten.
Erkent en herkent u signalen dat illegale trustdienstverlening toeneemt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn naar uw mening de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling, mede in relatie tot aangescherpte regelgeving zoals de Wtt 2018?
De Wtt 2018 heeft onder andere als doel om trustdienstverlening mogelijk te maken, maar met maatregelen om eventuele risico’s te beperken. De partijen die hun vergunning inleveren zijn in sommige gevallen partijen die het waarschijnlijk eerder ook al het minder nauw namen met de wet en nu tegen de lamp aanlopen. DNB geeft daarnaast aan dat de trustkantoren die deze partijen overnemen, achterblijven in het cliëntenonderzoek. Trustkantoren dienen diepgravender cliëntenonderzoek te doen vanwege de inherente hogere risico’s, daarnaast is bepaalde dienstverlening verboden. Dit kan inderdaad extra lasten met zich meebrengen voor het trustkantoor, en de klant. Trustkantoren leveren dan hun vergunning in en gaan illegaal te werk en de klanten gaan hierin mee. Dit zijn precies de partijen die we niet in ons stelsel willen hebben.
Wordt illegale trustdienstverlening naar uw oordeel voldoende bestreden? Zo nee, waar ziet u ruimte voor verbetering?
De aanpak van illegale trustdienstverlening vraagt om een gecombineerde inzet op zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gebied. Deze inzet wordt onder andere besproken in het samenwerkingsverband FEC, waar verschillende autoriteiten binnen de financiële sector samenwerken aan onder andere projecten die specifiek zijn gericht op de aanpak van illegale trustdienstverlening.
DNB handhaaft illegale trustdienstverlening bestuursrechtelijk. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken. Ik vind illegale trustdienstverlening en daarmee het opknippen van trustdienstverlening onwenselijk. Om die reden wordt de boetecategorie voor het opknippen van trustdienstverlening verhoogd van een boetecategorie 2 naar een boetecategorie 3.23 Dit betekent dat de afschrikwekkende werking hiervan hoger is geworden, omdat het maximale boetebedrag dat DNB kan opleggen hoger is geworden.
Overigens is het ook zo dat er risico’s zijn die gepaard gaan met domicilieverlening: het verlenen van een postadres. In de volksmond worden bedrijven die gebruik maken van domicilieverleners ook wel brievenbusfirma’s genoemd. Partijen die een postadres aanbieden met beperkte secretariële werkzaamheden vallen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en niet onder de Wtt 2018. Zij worden ook in verband gebracht met illegale trustdienstverlening, omdat zij soms een rol hebben bij het opknippen van trustdienstverlening. De risico’s omtrent domicilieverlening zijn onder andere in de Amerfoortse villa zaak tot uiting gekomen, waar sprake was van fraude met postadressen.24 Om die reden heeft Nederland zich hard gemaakt om in het nieuwe Europese AML-pakket een registratieplicht voor domicilieverleners te introduceren, zodat er beter grip is op de partijen die een postadres aanbieden. Het AML-pakket is vanaf medio 2027 van kracht en dan geldt ook die verplichting. Bestuursrechtelijk kan dan beter opgetreden worden. Overigens dienen domicilieverleners nu ingevolge de Wwft al aan cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden.
De strafrechtelijke handhaving van illegale trustdienstverlening geschiedt door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie, in samenspraak met de toezichthouder.25 Het OM is onafhankelijk en bepaalt wanneer zij over gaat tot strafrechtelijke vervolging.
Hoeveel signalen over mogelijke illegale trustdienstverlening worden jaarlijks afgegeven en in hoeverre worden deze opgevolgd?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat overwogen is om intensiever op te treden tegen illegale dienstverlening, maar dat hiervan is afgezien vanwege kostenoverwegingen? Zo ja, wat is uw oordeel daarover?
Zie antwoord vraag 12.
Wanneer wordt de evaluatie van de Wet toezicht trustkantoren 2018 afgerond?
Mijn voornemen is om de resultaten van de evaluatie evenals mijn reactie hierop voor de zomer naar de Kamer te zenden.
Indien blijkt dat strengere regelgeving leidt tot een verschuiving naar illegale dienstverlening, bent u bereid in overleg te treden met de sector om deze onbedoelde effecten te mitigeren?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe groot acht u de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering bij illegale trustdienstverlening?
Zowel legale als illegale trustdienstverlening levert risico’s op witwassen en terrorismefinanciering op. De Wtt 2018 heeft een breder doel dan alleen het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering en adresseert ook andere integriteitsrisico’s, zoals belastingontwijking en belastingfraude. Met de Wtt 2018 worden de genoemde risico’s gemitigeerd. Dat geldt niet of in mindere mate voor illegale trustdienstverlening, waarbij partijen zich onttrekken aan de verplichtingen uit de Wtt 2018. In de meest recente NRA Witwassen26 komt naar voren dat het opknippen van trustdienstverlening een van de 18 grootste witwasdreiging is.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar risicovolle adressen (motie Van Nispen3)?
De Staatssecretaris van Financiën zal u in de volgende stand- van-zakenbrief belastingdienst informeren over de uitkomsten.
Klopt het dat er een pilot loopt in Noord-Holland en wat zijn de eerste bevindingen?
Van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025 liep er een pilot om de meerwaarde van de samenwerking tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het RIEC Amsterdam-Amstelland te verkennen. De pilot zag op de bredere samenwerking, waar trustdienstverlening een onderdeel vanuit maakte. Er is op fenomeenniveau kennis uitgewisseld waardoor RIEC Amsterdam-Amstelland een beter inzicht heeft verkregen in trustdienstverlening, de werkwijze van trustdienstverleners en de interventiemogelijkheden ten aanzien van (illegale) trustdienstverleners. Hierdoor is een wederzijds leerproces tot stand gekomen, dat als zeer waardevol wordt gezien.
Hoe weegt u de rol van de trustsector in het licht van internationale ontwikkelingen zoals BEPS, ATAD en de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben.
De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.28 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruikmaken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten – en het vervolg op de BEPS-rapporten – is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen.
Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde informeel-kapitaalstructuren). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgt Nederland daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.29 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Deelt u de analyse dat door deze internationale maatregelen de mogelijkheden voor belastingontwijking via Nederland sterk zijn beperkt?
Zie antwoord vraag 20.
Hoe voorkomt u dat aanvullende nationale maatregelen het Nederlandse vestigingsklimaat verder onder druk zetten?
In mijn Visie op de financiële sector 2025 geef ik aan dat duidelijke en voorspelbare wet- en regelgeving de sleutel is voor een sterk vestigingsklimaat. Dat betekent dat wet- en regelgeving in Nederland zoveel mogelijk overeen moet komen met wet- en regelgeving in andere Europese landen. Door te zorgen voor duidelijke, voorspelbare en proportionele wet- en regelgeving, houden we Nederland aantrekkelijk voor bonafide internationaal opererende bedrijven. Waar Europese regelgeving ruimte laat voor nationale keuzes, worden deze zorgvuldig gewogen.
Nieuwe Europese wet- en regelgeving wordt zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Het recente anti-witwaspakket (AML-pakket) is daarvan een concreet voorbeeld en draagt bij aan de verdere harmonisatie van de anti-witwasregels binnen Europa. Daarbij heb ik ook aandacht voor de kosten van toezicht en moeten regels uitvoerbaar en betaalbaar blijven voor zowel (financiële) instellingen als burgers en bedrijven. In dat kader loopt momenteel een internationale vergelijking naar de kosten van het financieel toezicht voor kleine en mobiele ondernemingen, waarvan de resultaten naar verwachting in de tweede helft van dit jaar worden gepubliceerd.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om Nederland aantrekkelijk te houden voor internationaal opererende bedrijven, mede gezien de geopolitieke en economische ontwikkelingen?
Zie antwoord vraag 22.
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Voor kleine scholen die drie aaneengesloten jaren een leerlingenaantal hebben dat onder de gemeentelijke opheffingsnorm zit en die geen beroep kunnen doen op een van de uitzonderingsgronden, stopt de bekostiging. De meeste van deze scholen moeten dan fuseren of sluiten. Er zijn ook schoolbesturen die kleine scholen uit eigen beweging fuseren of sluiten. Bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van het onderwijs op deze scholen onder druk staat, of omdat de scholen kampen met personeelstekorten.
Het totaal aantal scholen dat per schooljaar 2026–2027 gaat sluiten, is pas na het einde van het schooljaar 2025–2026 bekend. Ieder jaar peilt DUO op 1 oktober hoeveel scholen er het afgelopen schooljaar gesloten zijn. In december wordt het overzicht openbaar gemaakt. In de overzichten is te zien dat in de afgelopen vijf jaar telkens tussen de 45 en 65 basisscholen per schooljaar gesloten zijn.2
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Ik deel de constatering dat de aanwezigheid van een school in de omgeving van belang is voor de leefbaarheid van de lokale gemeenschap. Het sturen op een bereikbaar scholenaanbod is dan ook een van de uitgangspunten van de voorgenomen stelselherziening in het primair onderwijs. Hierover is uw Kamer vorig jaar zomer voor het laatst per brief geïnformeerd en hierover zal ik uw Kamer deze zomer nader over informeren.
Dit kabinet wil het stelsel herzien omdat het grote aantal te kleine scholen extra druk legt op de tekorten in onderwijspersoneel en onderwijshuisvesting, zeker in de stedelijke context. Één doel van de stelselherziening is om het zogenoemde scholenlandschap toekomstbestendig te maken. Met het oog op het belang van leefbaarheid en bereikbaarheid, stelt dit kabinet een uitzonderingsgrond voor waarmee de laatste school in de omgeving kan worden behouden. Onderdeel van de voorgenomen stelselwijziging is het omvormen van de huidige kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag, waarmee kleine scholen in de regio extra ondersteund worden.
Bij het uitwerken van de genoemde voornemens betrekt mijn ministerie alle relevante partners, waaronder ook de VNG en de PO-raad.
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Ieder schoolbestuur heeft de plicht om de kwaliteit van het onderwijs aan haar leerlingen te waarborgen. Dit geeft een schoolbestuur bepaalde verantwoordelijkheden in geval van een schoolsluiting. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed moet worden begeleid. Dat vraagt van het bevoegd gezag dat ze het voornemen tot sluiting tijdig bekend maken. In de wet bestaat hiervoor geen vaste termijn. De acute noodzaak en reden kan immers ook van geval tot geval verschillen.
Behalve de zorgplicht die schoolbesturen hebben ten aanzien van hun leerlingen, staan in de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: WMS) de rechten van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) bij een voorgenomen sluiting. Zo heeft een MR adviesbevoegdheid bij een (voorgenomen) sluiting van een school (artikel 11 lid 1 WMS). Het bevoegd gezag moet de MR tijdig voorzien van informatie over de voorgenomen sluiting zodat de MR voldoende tijd heeft advies uit te brengen.
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
De berekening van de verwachte leerlingengroei is van veel verschillende factoren afhankelijk. Alleen bij het stichten van een school speelt de verwachte leerlingengroei een formele rol. Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur namelijk aantonen dat de nieuwe school in het 11e jaar na aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Hiervoor wordt door het schoolbestuur een belangstellingsmeting uitgevoerd waar ook de prognose van het aantal leerlingen in het voedingsgebied in het 11e jaar na aanvraag mee wordt genomen.
Op de website van DUO staat meer informatie over deze belangstellingsmeting. Voor de prognose wordt gekeken naar data die in de eerste plaats door de betrokken gemeente zelf zijn aangeleverd bij het CBS. Mij is niet bekend dat gemeenten bij het verzamelen van deze data tegen onduidelijkheden aanlopen, daarom zie ik onvoldoende reden om gemeenten nader te ondersteunen.
In de artikelen waarnaar de vraagstellers verwijzen, staat een voorgenomen schoolsluiting centraal. Schoolbesturen kunnen er in zo’n geval voor kiezen om de verwachte leerlingengroei in kaart te brengen om op basis daarvan te bepalen of zij hun school voldoende toekomstbestendig vinden.
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Voor een school stopt de bekostiging pas als het leerlingenaantal zich drie jaar op rij onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Dit belangrijke uitgangspunt wil ik graag behouden, ook in een toekomstig stelsel. Deze drie jaar zijn namelijk bedoeld om schommeling van leerlingenaantal op te vangen en te voorkomen dat scholen onnodig moeten sluiten. Het is niet ondenkbaar dat zo’n school na nog een aantal extra jaren toch weer boven de gemeentelijke opheffingsnorm zou kunnen komen, bijvoorbeeld door de bouw van nieuwe woningen. Dit is echter te onzeker. Zowel het sturen op een bereikbaar scholenaanbod als het sturen op kwalitatief goed onderwijs in relatie tot een doelmatige verdeling van mensen en middelen zijn belangrijke uitgangspunten bij het vormen van beleid.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
De rechtspersoon waaronder een school valt, mag de school overdragen naar een nieuwe rechtspersoon. Deze zal vanaf dat moment het bevoegd gezag zijn over de school. De meest voor de hand liggende route is een bestuursoverdracht. Er is een aantal wettelijke eisen waaraan rechtspersonen in het geval van een bestuursoverdracht moeten voldoen, die als doel hebben om de kwaliteit en wenselijkheid van de overdracht te waarborgen. Ik heb op dit moment onvoldoende reden om aan te nemen dat deze wettelijke eisen een kansrijke overdracht in de weg staan. Wel ben ik bereid om in de vorm van een handreiking lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Oostenbrink naar aanleiding van de heropening van de Driessenschool in Grootschermer4. Deze handreiking zal ik in de loop van dit kalenderjaar met uw Kamer delen. Ook onderzoek ik hoe de samenwerking tussen schoolbesturen in algemene zin kan worden ondersteund.
Het bericht 'Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. ‘Dit verdient niet de schoonheidsprijs’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kinderen maandenlang verbleven in een Fries gezinshuis waar vuurwapens, munitie en zelfs materiaal in verband met ricine zijn aangetroffen, en beseft u hoe ontluisterend dit is voor het vertrouwen in de jeugdzorg?1
Ja. Bij een uithuisplaatsing moeten kinderen en hun ouders erop kunnen vertrouwen dat het kind op een veilige plek terechtkomt. Het incident bij dit Fries gezinshuis waar vuurwapens en munitie zijn aangetroffen schaadt dit vertrouwen.
Hoe kan het in vredesnaam dat kinderen die door de overheid uit hun thuissituatie zijn gehaald zogenaamd voor hun veiligheid, vervolgens terechtkomen in een gezinshuis van een potentiële terrorist en waar zulke levensgevaarlijke spullen aanwezig blijken te zijn? Welke screening heeft bijvoorbeeld ooit plaatsgevonden op dit gezinshuis, op de gezinshuisouders en op hun directe leefomgeving, en hoe kan het dat die screening kennelijk totaal onvoldoende was?
Wettelijk is vastgelegd dat elke jeugdhulpmedewerker – en dus ook elke gezinshuisouder – beschikt over een geldig Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Beide gezinshuisouders beschikten over een geldig VOG. Gezinshuisouders zijn daarnaast gescreend (onder meer door de hoofdaannemer2) en zijn daarnaast ook regelmatig bezocht door de hoofdaannemer, door een gedragsdeskundige en andere betrokkenen bij de zorg aan de jeugdigen in dit gezinshuis. In deze casus hebben professionals en omstanders kennelijk geen eerdere signalen gehad van wapenbezit, bezit van andere gevaarlijke stoffen of van mogelijk terroristische motieven van de gezinshuisouder.
Waarom zijn deze kinderen niet onmiddellijk weggehaald na de inval van 11 juni 2025, maar hebben zij nog maanden in deze onaanvaardbare situatie moeten verblijven? Wie nam dat besluit, op basis waarvan, en acht u dat besluit achteraf nog steeds verdedigbaar? Welke instanties waren bijvoorbeeld op welk moment op de hoogte van de inval, de aangetroffen wapens en de verdere veiligheidsrisico’s, en wie heeft vervolgens nagelaten om direct in te grijpen?
De drie jeugdigen in dit gezinshuis zijn niet direct na de inval overgeplaatst. Dit is een afweging geweest van de betrokken organisaties. Ik heb begrepen dat over de mogelijke gevolgen voor de drie jeugdigen uitgebreid overleg is geweest met de betrokken organisaties, met de kinderen zelf en met de biologische ouders. Bovendien bleek uit de afstemming tussen het Openbaar Ministerie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat er geen direct gevaar zou zijn voor de veiligheid van de kinderen in dit gezinshuis, omdat de gezinshuisvader niet meer in het huis verbleef.
Hoeveel andere gezinshuizen, pleeggezinnen of vergelijkbare jeugdhulplocaties zijn de afgelopen vijf jaar in beeld geweest wegens wapens, geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere acute veiligheidsrisico’s? Kunt u daarvan een volledig overzicht naar de Kamer sturen? Indien registratie ontbreekt, bent u bereid ervoor te zorgen dat een registratiesysteem landelijk wordt ingesteld, zodat de Kamer helder inzicht krijgt?
Er worden geen cijfers bijgehouden van het aantal gezinshuizen, pleeggezinnen of andere jeugdhulplocaties waar geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere soortgelijke acute veiligheidsrisico’s zijn. Bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ kunnen professionals en burgers signalen delen of meldingen doen over mogelijk onveilige situaties in de jeugdhulp. Bij misdrijven of andere acute situaties in verband met criminele activiteiten van jeugdhulpmedewerkers, adviseert de IGJ ook te melden bij de politie. Een apart registratiesysteem voor dit type meldingen is op dit moment niet aan de orde.
Welke directe maatregelen gaat u nu nemen om te voorkomen dat kinderen elders in Nederland op dit moment nog in een vergelijkbaar onveilige jeugdhulpsetting verblijven en bent u bereid alle gezinshuizen in Nederland versneld door te lichten op veiligheid, antecedenten, wapenbezit, criminele contacten en signalen van radicalisering of extremisme, en de Kamer vóór het zomerreces over de uitkomsten te informeren?
Met de gezinshuissector span ik mij in voor veilige en kwalitatief goede zorg. Daartoe worden kwaliteitscriteria voor de gezinshuizen momenteel herzien, vanuit het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Een geldig VOG is niet voldoende, daarom zal in deze kwaliteitscriteria ook specifiek aandacht zijn voor de screening en selectie van gezinshuisouders. Daarnaast heeft de IGJ in 2025 verschillende aanbevelingen gedaan ter verbetering van de kwaliteit en veiligheid van gezinshuiszorg. Met de sector geef ik hier opvolging aan.
Kunt u zich indenken hoe de ouders van deze uithuisgeplaatste kinderen zich moeten voelen nu blijkt dat hun kinderen in een gezinshuis met vuurwapens, munitie en ricine-gerelateerd materiaal verbleven? Zo ja, begrijpt u dat dit ook bij andere ouders van uit huis geplaatste kinderen leidt tot diep wantrouwen, angst en onzekerheid over de veiligheid van hun kind? En wat gaat u concreet doen om dat wantrouwen en die onzekerheid weg te nemen?
Ja. Zoals ik aangaf in mijn antwoord onder 1, moeten kinderen en hun ouders bij een uithuisplaatsing erop kunnen vertrouwen dat het kind op een veilige plek terechtkomt. Het incident bij dit Fries gezinshuis waar vuurwapens en munitie zijn aangetroffen schaadt dit vertrouwen. Ik maak me sterk voor een veilige jeugdzorg. Dat doe ik samen met professionals, aanbieders en gemeenten. Specifiek voor gezinshuizen werken we aan een verbeterslag in kwaliteit, zie ook mijn antwoord onder 5.
De rechtelijke uitspraak dat X (Twitter) volledige inzage moet geven in persoonsgegevens |
|
Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 in de zaak tussen X (Twitter) en een individu om inzage te mogen krijgen in de gegevens die het bedrijf van hem bijhoudt?1
Wat is uw reactie op deze uitspraak en de gevolgen die het heeft voor de interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zowel nationaal als in Europees verband?
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om een onafhankelijke analyse uit te voeren naar de gevolgen van de uitspraak voor de interpretatie, handhaving en uitoefening van het inzagerecht voor individuele gebruikers?
Bent u op de hoogte van meer (soortgelijke) rechtszaken die tegen grote techbedrijven als X (Twitter) lopen? Welke gevolgen heeft de uitspraak op deze lopende zaken?
Hoe wordt er op toegezien dat X (Twitter) de uitspraak van de rechter naar behoren uitvoert en (nagenoeg) volledige inzage geeft in de persoonsgegevens van de gebruiker, gezien het feit dat deze partij eerder al weigerde dit te doen?
Bent u op de hoogte dat X (Twitter) in deze zaak meermaals heeft geprobeerd om de andere partij een spreekverbod op te leggen? Erkent u dat deze handelingen vanuit een groot internationaal techbedrijf intimiderend is tegenover één individu?
Biedt de richtlijn tegen Strategic Lawsuit Against Public Participation (anti-SLAPP-richtlijn) genoeg bescherming tegen individuen die een zaak aanspannen richting grote internationale techbedrijven zoals X (Twitter)? Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om individuen die procederen tegen dit soort bedrijven te beschermen?
Bent u bekend met de afwijzing van een handhavingsverzoek van de betrokken individu bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM), mede omdat er al een civiele zaak loopt?2 Kunt u er in samenwerking met de ACM op toezien dat handhavingsverzoeken en civiele zaken elkaar in het vervolg niet meer uitsluiten?
Welke gevolgen heeft het als X (Twitter) niet voldoet aan deze uitspraak? Kan het bedrijf worden gesanctioneerd of alsnog tot openheid gedwongen worden?
Zijn de huidige boetemogelijkheden voor het niet naleven van de AVG volgens u voldoende effectief? Bent u bereid te onderzoeken of er aanvullende handhavingsmogelijkheden, zoals het persoonlijk aansprakelijk maken van bestuurders zoals in andere EU-landen,3 wenselijk zijn voor bedrijven die stelselmatig de wet niet naleven?
Erkent u dat, na deze historische uitspraak, elke gebruiker het recht heeft om (nagenoeg) volledige inzage te verkrijgen in de gegevens die X (Twitter) over hem of haar bijhoudt? Voor welke andere (soorten) bedrijven zet deze uitspraak een precedent?
Bent u het met de indieners eens dat de toegang tot het inzagerecht voor alle gebruikers toegankelijk moet zijn en uitgeoefend kan worden, ongeacht juridische kennis en middelen?
Hoe kan de rechtspositie van individuele gebruikers versterkt worden om zich met gemak te beroepen op het inzagerecht richting grote techbedrijven? Welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een eensgezinde uitleg van het inzagerecht van de AVG conform de rechtelijke uitspraak, en de Nederlandse interpretatie te erkennen als norm binnen alle EU-lidstaten?
Bent u het met de indieners eens dat grote techbedrijven zoals X (Twitter) zouden moeten meebetalen aan de handhaving van de wetgeving die zij overtreedt, zoals het geval is onder de Digital Services Act, maar nog niet het geval is onder de AVG?
Hoeveel belastinggeld betaalt X (Twitter) momenteel in Nederland?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het bericht 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel?1
Ja.
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
In het plenaire debat van 11 februari 2026 is door de toenmalige Minister van Economische Zaken aangegeven dat het kabinet, zoals de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT, hoofdstuk 14a, Telecommunicatiewet) voorschrijft, de beoordeling van het BTI, en daarnaast het oordeel van de ACM, afwacht. Aanvullend is door mijn voorganger aangegeven dat er tot die tijd geen onomkeerbare stappen gezet kunnen worden en een overname pas doorgang kan vinden als er groen licht wordt gegeven.
Op 11 februari 2026 was de geschetste situatie de realiteit. De concentratietoets door de ACM op grond van de Mededingingswet is afgerond zonder bezwaar, op 26 februari 2026. Met het afronden van de concentratietoets, ontstond een situatie waarin de transactie wel doorgang kon vinden, maar er een verbod of verbod onder opschortende voorwaarden opgelegd zou kunnen worden conform de WOZT.
De WOZT kent, in tegenstelling tot andere wettelijke investeringstoetsen en de ACM-toets die toen nog niet was afgerond, geen expliciete standstill-verplichting die een overname tussen partijen verbiedt zolang de toetsing loopt. De WOZT biedt wel de mogelijkheid om bestaande of aanstaande overwegende zeggenschap te verbieden, of een verbod op te leggen onder opschortende voorwaarden, als de overwegende zeggenschap kan leiden tot een bedreiging van het publiek belang.
De uitspraak dat er geen onomkeerbare stappen gezet konden worden betekent dat de kopende partij middels de WOZT verplicht kan worden om de zeggenschap terug te brengen zodat niet langer sprake is van overwegende zeggenschap.
Op 25 mei 2026 heb ik, gezien het risico voor het publiek belang, de overname op advies van het BTI volledig verboden. Dit verbod is opgelegd, voordat de transactie daadwerkelijk geïmplementeerd werd.
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Spoor 2 had geen invloed op het zetten van een handtekening. Door koper en verkoper was reeds een koopcontract ondertekend waarin rekening was gehouden met een mogelijke ACM-toets en een mogelijke toetsing onder de WOZT.
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2 en vraag 3.
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Het kabinet is van oordeel dat de informatievoorziening inhoudelijk juist en volledig is geweest. De uitspraken in het debat van 11 februari 2026 waren gedaan in de feitelijke en juridische context op dat moment. Het antwoord op die vraag is en blijft ontkennend.
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was dan de mening van het kabinet ten tijde van het debat geweest?
Het kabinet deelt deze lezing niet. De uitspraken in het debat zagen op het voorkomen van onomkeerbare stappen door de koper en verkoper. Dat standpunt is onveranderd.
Het aangehaalde artikel in de Volkskrant betreft de publieke uitingen van een functionaris van Logius over door hem ervaren risico’s. Deze uitingen zijn en worden op persoonlijke titel gedaan, dus niet namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit of Logius.
De toetsing is inmiddels afgerond en heeft geleid tot een volledig verbod op de overname op 25 mei 2026. Dit doet geen afbreuk aan de juistheid van de ingenomen positie in het debat.
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Zoals in de eerdere antwoorden hierboven is aangegeven en in het debat van
11 februari 2026 is overgebracht, was een beoordeling door de ACM op grond van de Mededingingswet en een toetsing op grond van de WOZT voor de transactie vereist. Daarom geldt er op grond van beide wetten een meldingsplicht aan de hand waarvan vervolgens een beoordeling of toetsing plaatsvindt. Of er mitigerende maatregelen opgelegd zouden worden op grond van de resultaten van deze beoordeling door de ACM of op grond van de toetsing op grond van de WOZT, hing af van de specifieke weging van de feiten en de gevolgen voor respectievelijk de mededinging op de Nederlandse markt en de bedreiging van het publiek belang als bedoeld in de WOZT. Als op grond van één van beide wetten mitigerende voorschriften zouden worden opgelegd, dan volgt daaruit dat de transactie niet kan worden gerealiseerd of de transactie moet worden teruggedraaid als niet aan de voorwaarden wordt voldaan (zie artikel 41, vierde lid, Mededingingswet of artikel 14a.4, eerste lid, en 14a.7, eerste lid, Telecommunicatiewet). In het geval van deze casus is niet aan mitigerende voorschriften toegekomen, omdat de ACM geen vergunning noodzakelijk achtte en krachtens de WOZT een verbod is opgelegd.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndril voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Het kabinet merkt op dat er geen onomkeerbare stap, in de zin van de daadwerkelijke eigendomsoverdracht, is gezet. Op 25 mei 2026 heb ik de overname op advies van het BTI volledig verboden. Er heeft geen eigendomsoverdracht plaatsgevonden voor 25 mei 2026.
In algemene zin heeft de Kamer in de systematiek van de WOZT geen formele rol in het toetsingsbesluit. De beslissingsbevoegdheid berust bij de Staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat, op basis van onafhankelijk advies van het BTI. Dit is een bestuursrechtelijke procedure; het besluit is vatbaar voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. Parlementaire goedkeuring vooraf maakt geen deel uit van dit wettelijk kader. Wel heb ik conform de aangenomen motie (Kamerstukken II 2025/26, 26 643, nr. 1474) de Kamer een vertrouwelijke technische briefing aangeboden.
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?
Vanuit goed werkgeverschap en ter bescherming van de privacy van betrokkene(n) worden geen uitspraken gedaan over (de behandeling van) individuele casuïstiek. In zijn algemeenheid geldt dat zowel interne als externe meldingen van integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden vertrouwelijk worden behandeld conform de daarvoor geldende wettelijke en/of departementale kaders. Hierbij hoort ook dat melders geen benadeling mogen ondervinden vanwege het doen van een melding.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De Raad van State spreekt van een «Tirannie van het hedendaagse» en benadrukt noodzaak van langetermijnbeleid»?1
Deelt u de mening dat de belangen van toekomstige generaties vaak onvoldoende zijn gewaarborgd bij de totstandkoming van beleid?
Kunt u uiteenzetten hoe de belangen van toekomstige generaties momenteel worden meegewogen bij de totstandkoming van nationaal beleid?
Kunt u uiteenzetten welke onafhankelijke instanties de Rijksoverheid momenteel adviseren over de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties?
In hoeverre is de generatietoets zoals voorgesteld in de motie-Segers/Jetten (Kamerstuk 35 300, nr. 24) inmiddels structureel onderdeel van het beleidsproces van de Rijksoverheid?
Bent u bereid het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties te verkennen?
Hoe beoordeelt u de plannen van de Europese Commissie voor een Strategy of Intergenerational Fairness?2
Bent u bereid om naar aanleiding van het plan van de Commissie ook een Nederlandse intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie te ontwikkelen?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?