Nederland als koploper bij het opvragen van telecomgegevens |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland Europees koploper opvraging telecomgegevens»?1
Ja.
Kloppen de in het bericht genoemde cijfers? Zo nee, op welk punt kloppen de cijfers niet?
Het is correct dat er in 2009 door de (bijzondere)opsporingsdiensten 2 930 941 vragen zijn gesteld aan de telecom- en internetbedrijven via het CIOT-informatiesysteem (CIS). Het aantal vragen dat is gesteld door de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten is niet opgenomen in dit aantal. Het aantal van 78 000 bevraagde verkeers- en locatiegegevens is afkomstig uit een businesscase van een consultant. De juistheid hiervan kan ik niet bevestigen. Vermoedelijk betreft het een schatting. Over de cijfers uit het bericht die betrekking hebben op andere landen kan ik niet oordelen.
Waarom ligt het aantal opgevraagde telecomgegevens per hoofd van de bevolking in Nederland aanzienlijk hoger dan in andere Europese landen het geval is?
Ik beschik niet over landenvergelijkend onderzoek naar deze vragen. In algemene zin valt echter op te merken dat het aantal opgevraagde persoons- en verkeersgegevens samenhangt met de manier waarop de (bijzondere) opsporingdiensten hun onderzoeken vormgeven. Dat is op zijn beurt een resultante van onder andere de wettelijke mogelijkheden, de maatschappelijke en politieke opvattingen over welke opsporingsmiddelen in een gegeven situatie aanvaardbaar zijn, en de beschikbare mankracht en technische hulpmiddelen. Het CIS is een hulpmiddel waarmee de (bijzondere) opsporingdiensten in Nederland efficiënt en veilig onderzoek kunnen verrichten. Een dergelijk hulpmiddel is niet in alle Europese landen voorhanden, hetgeen het relatief hoge aantal bevragingen in Nederland ten dele kan verklaren.
In welk opzicht verschilt de Nederlandse situatie van die van andere Europese landen, waarmee het grote verschil in opgevraagde gegevens verklaard kan worden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de privacy van Nederlandse burgers ernstig geschaad wordt door de wijze waarop de Nederlandse autoriteiten omgaan met bank- en telecomgegevens? Zo ja, op welke wijze wilt u de privacybescherming versterken? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Het opvragen is bij wet geregeld en vormt een gerechtvaardigde inperking van het recht op privacy, zoals dat is neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 EVRM. Bovendien is de wijze waarop (bijzondere) opsporingsdiensten omgaan met de verkregen bank- en telecomgegevens omkleed met zorgvuldigheidseisen op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens, alsook met aanvullende afspraken die de diensten hebben gemaakt met het CIOT. In concrete gevallen kan de rechter worden gevraagd te oordelen over de vraag of de inbreuk in een specifiek geval rechtmatig was. Ik ben dan ook van mening dat er zorgvuldig met de privacy van burgers wordt omgegaan.
Kunt u aangeven waarom Bits of Freedom slechts via de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) procedure aan de nu bekend geworden gegevens kon komen? Bent u bereid gemakkelijker inzichtelijk te maken welke gegevens op welke schaal worden opgevraagd door welke instanties? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Het aantal vragen via het CIS wordt reeds jaarlijks gerapporteerd in het jaarverslag van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Een uitsplitsing hiervan naar opvragende instantie zal beschikbaar worden gemaakt via de website van het CIOT. Het aantal opgevraagde historische verkeersgegevens zal met ingang van dit jaar in het departementale jaarverslag worden opgenomen. De uitsplitsing hiervan naar opvragende instantie zal niet openbaar worden gemaakt omdat hieruit informatie zou kunnen worden afgeleid over afzonderlijke onderzoeken.
Het aanhoudend en systematisch geweld tegen christenen in Bagdad |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het aanhoudend en systematisch geweld tegen christenen in Bagdad de afgelopen weken, waarbij zelfs de familieleden van slachtoffers van de gijzeling in de kathedraal het gerichte doelwit waren van aanslagen? Hoe beoordeelt de regering en haar 26 partners uit de Europese Unie (EU) de huidige situatie in Bagdad?1
Ik veroordeel ten zeerste de gewelddadige incidenten die de afgelopen weken in Irak hebben plaatsgevonden en die de Irakese bevolking, waaronder de Irakese christenen, hebben getroffen. De veiligheidssituatie in en rond Bagdad is instabiel, zoals ook beschreven in het ambtsbericht Irak van 29 oktober 2010. Er is sprake van gericht en ongericht geweld.
Deelt u de mening van de aartsbisschop van Bagdad, Athanase Matti Shaba Matoka, dat deze aanvallen een systematische poging zijn om alle christenen uit Irak te verdrijven?
Nee.
Bent u bereid om het initiatief te nemen voor een ontmoeting van de EU en de Arabische Liga over vrijheid van religie en rechten van (religieuze) minderheden?
Godsdienstvrijheid is reeds een belangrijk thema in gesprekken tussen de leden van de Arabische Liga en de EU. Een aparte bijeenkomst is op dit moment niet nodig.
Welke stappen zijn volgens u noodzakelijk zodat het geweld in Irak tussen etnische en religieuze groepen ophoudt en hoe gaat u eraan bijdragen dat die stappen ondernomen worden?
Het is aan de nieuwe Irakese regering om de orde en veiligheid in Irak te herstellen. Cruciaal onderdeel is minderheden beschermen en etnische en religieuze spanningen wegnemen. Daartoe zullen onder andere politieke vraagstukken zoals de kwestie van de betwiste gebieden in Noord-Irak en de integratie van de strijdkrachten moeten worden aangepakt.
Zoals reeds aangegeven in antwoord op eerdere vragen zullen Nederland en de Europese Unie bij de Iraakse regering aandacht blijven vragen voor de noodzaak om kwetsbare groepen als etnische en religieuze minderheden maximale mogelijke bescherming te bieden. Door deelname aan de NAVO Trainingsmissie in Irak en de EU-missie EUJUST LEX, die tot doel heeft de Iraakse veiligheids- en justitiële sector te versterken, draagt Nederland bij aan de versterking van de Iraakse rechtsstaat. Via EIDHR (European Instrument for Democracy and Human Rights) steunt de EU een project ter bevordering van de dialoog met en tussen geestelijk leiders in Irak.
Het wijzigen van gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Django, geboren op XX-XX-1992»?1
Ja
Hoe vaak komt het voor dat mensen geen geboortedatum hebben in hun paspoort?
Het aantal personen dat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven zonder een (volledige) geboortedatum is ongeveer 77 000. Deze personen zullen doorgaans ook geen (volledige) geboortedatum in hun paspoort hebben.
Bent u op de hoogte van de problemen die het niet hebben van een geboortedatum met zich meebrengt?
Het is mij bekend dat het niet hebben van een (volledige) geboortedatum problemen kan opleveren.
Onder welke voorwaarden is het mogelijk om op een later tijdstip, nadat bepaalde documenten uit het geboorteland beschikbaar zijn gekomen, alsnog de persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen? Waarom is in dit geval het uittreksel uit het familieregister kennelijk onvoldoende?
De gegevens in de GBA worden ontleend aan brondocumenten. Wanneer een persoon op een later moment een (nieuw) document overlegt, zal de ambtenaar burgerzaken nagaan of aan dat document een (nieuwe) geboortedatum kan worden ontleend. Gezien het belang van een correcte geboortedatum, zowel ter identificatie van de betrokken persoon als in verband met de rechten en plichten die in uiteenlopende wetten aan een leeftijdsgrens kunnen zijn verbonden, wordt niet lichtvaardig overgegaan tot het vermelden van een geboortedatum. Dit geldt in nog versterkte mate voor het wijzigen van een geboortedatum, zeker als betrokkene al geruime tijd met een andere geboortedatum in de administratie is opgenomen en andere overheidsdiensten hun besluiten daarop hebben gebaseerd. Een ambtenaar burgerzaken zal derhalve nauwkeurig nagaan of het aangeboden document betrouwbaar is en een zodanige bewijskracht heeft dat het als een brondocument in de zin van de Wet GBA kan worden geaccepteerd.
Waarom in dit specifieke geval het uittreksel uit het familieregister onvoldoende is geacht, is mij niet bekend. De verantwoordelijkheid voor de beoordeling van het document ligt bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken persoon als ingezetene in de GBA is ingeschreven. Tegen een besluit van het college om een gegeven niet op te nemen in de GBA kan door de betrokken burger bezwaar c.q. beroep worden aangetekend op grond van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoe kan het dat de gemeente zich op het standpunt stelt dat «de geboortedatum 00-00-1992 wel degelijk een geboortedatum is»? Waarom weigert de gemeente om een fictieve geboortedatum op te nemen, bijvoorbeeld 1 juli 2010, zoals bijvoorbeeld ook zorgverzekeraars en de belastingdienst doen, waarmee allerlei praktische problemen voor betrokkene zouden zijn opgelost?
Hier is kennelijk sprake van een misverstand. In het paspoort van betrokkene is in de rubriek geboortedatum XX-XX-1992 vermeld. Dat is gebeurd in overeenstemming met het voorschrift in artikel 23, zesde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001. Daarin wordt bepaald dat bij de geboortedatum van de houder van een reisdocument kan worden afgezien van de vermelding van de dag en de maand, voor zover deze niet bekend zijn. De reden dat er in de regelgeving voor is gekozen om in een reisdocument in ieder geval een geboortejaar te vermelden, is het bieden van een waarborg dat de houder geen problemen ondervindt bij grensoverschrijding, waarvoor het reisdocument in eerste instantie immers is bedoeld.
Ook in de GBA is het mogelijk om de dag en de maand weg te laten, indien deze niet bekend zijn. Bij de rubriek geboortedatum wordt dan alleen het geboortejaar vermeld en voor het overige worden nullen ingevuld. De ambtenaar die belast is met de uitvoering van de Wet GBA mag echter geen fictieve geboortedatum, inclusief dag en maand, bepalen indien de daarvoor noodzakelijke gegevens niet aan een brondocument kunnen worden ontleend.
Welke maatregelen gaat u nemen om er voor te zorgen dat mensen een echte datum, niet zijnde XX-XX of 00–00, in het paspoort krijgen? Bent u bereid zo nodig de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of de lagere regelgeving te wijzigen?
Zoals blijkt uit de antwoorden op eerdere kamervragen van het lid Heijnen2 zou een mogelijke oplossing van het probleem (dat zich feitelijk alleen bij vreemdelingen voordoet) kunnen worden gevonden door, zolang er geen andere brondocumenten voorhanden zijn, bij de registratie van de geboortedatum in de GBA uit te gaan van de (fictieve) geboortedatum die is gehanteerd in het kader van de beslissing om de betrokken vreemdeling tot Nederland toe te laten. De hieraan verbonden uitvoeringsconsequenties, zowel bij de gemeenten als bij de IND, worden nog nader onderzocht.
Een centrale database van bankgegevens |
|
Gerard Schouw (D66), Magda Berndsen (D66) |
|
|
|
|
Kunt u de strekking van het bericht, dat u persoonlijke gegevens van bankrekeninghouders wil kunnen inzien zonder dat de bank daarvoor toestemming hoeft te geven, bevestigen?1 Zo nee, wat is uw reactie op dit bericht? Wat is de grond van dit bericht? Zo ja, wanneer kan de Kamer een voorstel met deze strekking tegemoet zien?
Op mijn ministerie is tijdens een ambtelijke beleidsverkenning de gedachte opgekomen om te onderzoeken of het wenselijk zou zijn een centraal raadplegingspunt te realiseren waar naam, adres en woonplaatsgegevens (naw-gegevens) van bankrekeninghouders kunnen worden opgevraagd door opsporingsdiensten. Aan deze verkenning is geen verdere uitvoering gegeven, omdat duidelijk werd dat de noodzaak voor een dergelijk centraal raadplegingspunt ontbreekt. Doordat het Nederlandse bankwezen tamelijk overzichtelijk is, zijn er in de praktijk geen grote moeilijkheden om ten behoeve van opsporingsonderzoeken rechtstreeks bij de banken gegevens op te vragen. De nadelen zoals kosten van een centraal raadplegingspunt wegen niet op tegen de naar verwachting beperkte voordelen. Ik ben dan ook niet voornemens om een initiatief van deze strekking te ontwikkelen.
Welke wet- en regelgeving zou moeten worden gewijzigd om een dergelijke regeling mogelijk te maken?
Indien men een centraal raadplegingspunt voor bankgegevens zou willen realiseren, dan zou dat ertoe leiden dat gegevens die nu nog door (bijzondere) opsporingsdiensten per fax bij banken worden ingewonnen via een vaste digitale structuur gaan lopen. Wijziging van wet- en regelgeving zou daarvoor niet nodig zijn, aangezien er geen nieuwe inzagemogelijkheden worden gecreëerd. Artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering biedt reeds de wettelijke basis voor de politie om naw-gegevens van bankrekeninghouders bij banken op te vragen. Wel zou vermoedelijk een AMvB naar model van het Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie (Stb. 2006, 426) nodig zijn om de praktische uitvoeringsaspecten te regelen.
Deelt u de mening dat dit voorstel een onwenselijke inperking van de privacy en persoonlijke vrijheid is?
Zoals gemeld in antwoord op vraag 1 ben ik niet voornemens om een initiatief van deze strekking te ontwikkelen.
In welke Europese landen is een dergelijke regeling gangbaar?
Ik beschik niet over een overzicht van de voorzieningen die andere Europese landen getroffen hebben inzake de toegang tot bankgegevens. Wel is dit onderwerp aan de orde geweest bij de recente evaluatie van de Nederlandse aanpak van financiele criminaliteit door de Europese Unie. Daaruit is gebleken dat er meer lidstaten zijn die geen centraal register voor rekeningnummers kennen. Het ontbreken van een centraal register is door het evaluatieteam niet gezien als struikelblok.
Indien de eerste vraag met ja beantwoord is, hoe verhoudt dit voornemen zich tot de intentie om de bescherming van persoonsgegevens te verbeteren die uit het regeerakkoord spreekt: «de informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens worden verbeterd. Voorgenomen maatregelen inzake opslag, koppeling en verwerking van persoonsgegevens worden zoveel mogelijk voorzien van een horizonbepaling en bij de voorbereiding nadrukkelijk getoetst aan effectiviteit.»?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat door fouten bij Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) persoongegevens van studenten onbeveiligd inzichtelijk waren |
|
Boris van der Ham (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat door een fout studiegegevens onbeveiligd inzichtelijk waren?1
Ik betreur dit incident in hoge mate. Bij de beveiliging van persoonsgegevens mag simpelweg niets misgaan en gebruikers van het internetportaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) moeten altijd kunnen rekenen op een betrouwbaar systeem. Temeer omdat de dienstverlening van DUO via dit portaal sterk toeneemt.
Kunt u aangeven wat de aard van de fout was waardoor studie- en persoonsgegevens op straat kwamen te liggen?
De fout is veroorzaakt door een technisch probleem in het programma dat klanten gebruiken om hun persoonlijke gegevens in te zien en te wijzigingen («Mijn DUO»). Het technische probleem deed zich voor toen een grote groep studenten in korte tijd tegelijk wilde inloggen. Deze overbelasting heeft ertoe geleid dat de gegevens van een andere klant werden getoond.
Is het probleem inmiddels opgelost?
Direct nadat het probleem bekend was, is de toegang tot «Mijn DUO» tijdelijk gesloten en is een onderzoek gestart naar de oorzaak van het probleem. Uit dit onderzoek bleek dat sinds het vergroten van de capaciteit van dit portaal half oktober de fout kan optreden bij een grote toeloop op het kanaal. Als korte termijn oplossing is o.m. de toegang tot «Mijn DUO» gereguleerd (dat wil zeggen dat het maximaal aantal klanten dat tegelijkertijd kon inloggen beperkt werd). Hiermee was een tijdelijke oplossing gerealiseerd.
Vervolgens is gewerkt aan de structurele oplossing van het probleem. In dat kader heeft een nadere analyse van het probleem plaatsgevonden, is een oplossing voor het probleem gevonden en deze is na grondig testen donderdag 11 november doorgevoerd. Tevens is de beperking in de toegang opgeheven.
In voorbereiding is nog het inbouwen van een extra check om te waarborgen dat de gegevens die getoond worden bij de klant horen die de gegevens heeft opgevraagd. De performance van het kanaal mijn DUO wordt nauwlettend gevolgd en het probleem heeft zich niet opnieuw voorgedaan.
De studenten die door de fout zijn geraakt hebben per omgaande een mail ontvangen met excuses en een uitleg.
Wat doet u eraan om dit soort problemen in de toekomst te voorkomen?
Er is inmiddels opdracht gegeven om een externe audit uit te voeren naar de technische oorzaken. De audit kan tot aanbevelingen leiden om dit soort problemen te voorkomen. Daarnaast zijn in oktober dit jaar de voorbereidingen getroffen om de verouderde systemen voor studiefinanciering van DUO te vernieuwen, om ook voor de toekomst het sterk toenemende aantal studenten die via de elektronische weg gebruik wil maken van de dienstverlening een betrouwbaar systeem te kunnen bieden.
Is het u bekend of dit probleem met DigiD zich ook bij andere organisaties voordoet?
Het probleem voor studenten is niet veroorzaakt door DigiD. Het probleem had te maken met een fout in de applicatie van «Mijn DUO».
De Zandmotor |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grondwater niet meer betrouwbaar»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het rapport van de militair historicus van Stichting D.E. de Hoog – Historisch Archief Hoek van Holland?2
Ja.
Deelt u de mening dat er afgezien moet worden van de Zandmotor en er zo snel mogelijk een onafhankelijk onderzoek moet worden gedaan naar mogelijke invloeden van Loswal Noord, in samenhang met de Zandmotor, op grondwaterstromen in het betreffende gebied en de daarmee samenhangende risico’s voor de drinkwatervoorziening van circa één miljoen mensen (waaronder de bijna vijfhonderdduizend inwoners van de gemeente Den Haag), zoals eigenlijk al in de MER-rapportage had moeten gebeuren? Zo nee, waarom niet?
In de jaren zeventig is verontreinigd slib gestort in de Noordzee in de zogenaamde Loswal Noord. Deze bevindt zich circa 5 km uit de Delflandse kust ter hoogte van Ter Heijde.
De mogelijkheid dat deze Loswal Noord via het grondwater invloed zou kunnen uitoefenen op de drinkwaterwinning langs de Delflandse kust kan worden uitgesloten, aangezien grondwaterstromen vanaf de landzijde zeewaarts zijn gericht. Dit wordt beaamd door het drinkwaterbedrijf Dunea.
De Loswal Noord heeft evenmin invloed op de grondwaterkwaliteit via het zand dat bij de aanleg van de Zandmotor wordt gebruikt. Het zandwingebied van de Pilot Zandmotor ligt buiten de stortlocatie van de Loswal Noord. Daarom deel ik uw mening niet dat moet worden afgezien van de Pilot Zandmotor en er onafhankelijk onderzoek moet worden verricht naar mogelijke invloeden van Loswal Noord, in samenhang met de Zandmotor, op grondwaterstromen in het betreffende gebied.
Bent u van mening dat de conclusies van het rapport van genoemde militair historicus de grond onder de voeten van de Zandmotor slaan en dat het voor de veiligheid gewoon beter zou zijn dit levensgevaarlijke project te staken? Zo nee, waarom niet.
Deze mening deel ik niet. In de conclusies van het rapport wordt gewaarschuwd voor het gevaar van gedumpte munitie en strijdgas in de Noordzee. Zandwinning voor de zandmotor vindt niet plaats in munitiestortgebieden. Voorafgaand aan de uitvoering van de zandwin werkzaamheden is door middel van sonar opnamen onderzoek naar obstakels, waaronder munitie gedaan. Hierbij zijn dergelijke voorkomens niet aangetoond. Als tijdens zandwinning munitie of explosieven worden aangetroffen dan voorziet de zandwinvergunning in een voorschrift hoe te handelen. Hierbij wordt de Explosieven opruimingsdienst ingeschakeld.
De milieuvergunning voor Sinterfabrief en Thermphos |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «OM heeft Thermphos in vizier»?1
Ja.
Is het waar dat de provincie Zeeland een nieuwe milieuvergunning wil verstrekken voor de Sinterfabriek van Thermphos, waarin het Thermphos wordt toegestaan om tot en met 2014 0,4 nanogram dioxine per kubieke meter lucht uit te stoten, terwijl de wettelijke norm in de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (NER) op 0,1 nanogram ligt?
De provincie Zeeland heeft op 2 november 2010 besloten om de vigerende vergunning van de sinterfabriek van Thermphos te wijzigen, nadat de in maart 2008 verleende vergunning in april 2009 door de Raad van State werd vernietigd. Eén van die wijzigingen betreft het toevoegen van een norm voor de uitworp van dioxinen. Zo’n norm ontbrak in de huidige vergunning. De norm die vanaf het in werking treden van de wijziging van de vergunning zal gelden is 0,4 nanogram TEQ/Nm3. Vanaf 1 januari 2015, of zo veel eerder als technisch mogelijk en haalbaar is, geldt een norm van 0,1 nanogram TEQ/Nm3.
De Nederlandse wetgeving kent voor bedrijven zoals Thermphos geen rechtstreeks wettelijke norm voor de uitworp voor dioxinen. Dit in tegenstelling tot de wetgeving voor afvalverbrandingsinstallatie waarin zo’n grenswaarde (van 0,1 nanogram TEQ/Nm3) wèl geldt. Voor procesemissies van dioxinen zijn in sommige Europese BREF documenten (referentiedocument met beschrijving van de best bestaande technieken) emissienormen opgenomen die in de vergunningen moeten worden geïmplementeerd. In de BREF die van toepassing is op Thermphos (de BREF LVIC) is geen dioxinenorm opgenomen, omdat Thermphos voor zover bekend het enige bedrijf in de EU is dat gebruik maakt van de thermische fosfaatroute. Vandaar dat in dit geval wordt gerefereerd aan de NeR.
De NeR is overigens als best bestaande techniek (bbt) document opgenomen in de Ministeriële regeling omgevingsrecht. Dat wil zeggen dat het bevoegd gezag alleen gemotiveerd mag afwijken van de algemene NeR-eis en dat deze motivering in voorkomende gevallen door de Raad van State wordt getoetst.
De opgenomen emissiegrenswaarde voor dioxinen die is opgenomen in de NeR bedraagt 0,1 nanogram TEQ/Nm3.
De provincie Zeeland heeft in haar besluit tot wijzigen van de vergunning gemotiveerd waarom een norm van 0,1 nanogram TEQ/Nm3 niet onmiddellijk realiseerbaar is. Een dergelijke norm is alleen haalbaar door middel van het bouwen van een reinigingsinstallatie, die specifiek voor Thermphos ontworpen moet worden. Dit kost onvermijdelijk een aantal jaren ontwerp- en bouwtijd. Op 1 juli 2012 moet Thermphos een plan van aanpak presenteren waarin het aangeeft hoe ze zo’n reinigingsinstallatie wil realiseren.
In de periode tot 1 januari 2015 zal Thermphos de emissie onder de 0,4 nanogram TEQ/Nm3 moeten houden door middel van het treffen van maatregelen op het vlak van onder meer gebruik van grondstoffen en bedrijfsvoering.
Deelt u de mening dat dit onacceptabel is met het oog op de gezondheids- en milieueffecten van dioxine?
Het RIVM heeft in een tweetal onderzoeken2 vastgesteld dat de historische emissie van Thermphos niet heeft geleid tot een meetbare depositie van dioxinen buiten het bedrijventerrein. Ook heeft het aangetoond dat een mogelijke emissie van 0,4 nanogram TEQ/Nm3 in een periode van heden tot 1 januari 2015 slechts tot een geringe milieubelasting leidt en geen ontoelaatbare gevolgen heeft voor de mens, het milieu en de voedselketen.
Daarom ben ik van mening dat het verlenen van de wijzigingsvergunning aan Thermphos onder de hierboven vermelde condities acceptabel is.
Deelt u de mening dat de vergunning die de provincie Zeeland wil verstrekken in strijd is met de NER, aangezien de vergunde dioxine-uitstoot hoger ligt dan de norm die in de NER wordt voorgeschreven?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Hoe kijkt u tegen deze kwestie aan in het licht van het feit dat mensen in Nederland en Vlaanderen met hun voedsel meer dioxine binnen krijgen dan elders in Europa?2 Deelt u de mening dat de dioxine-uitstoot van Thermphos tot een minimum beperkt moet worden, aangezien het bedrijf verantwoordelijk is voor ongeveer 35% van de Nederlandse dioxine-uitstoot?
Ik deel uw mening dat de dioxine-uitstoot van Thermphos tot het minimum beperkt moet worden. De activiteiten die daartoe worden ondernomen staan beschreven in mijn antwoord op vraag 3.
In Nederland vindt blootstelling aan dioxinen vooral via de voeding plaats. In de afgelopen decennia is deze blootstelling sterk gedaald. De blootstelling ligt op dit moment ruim onder de dagelijkse toelaatbare inname (TDI). Verwacht wordt dat de blootstelling de komende jaren nog verder af zal nemen. Extra blootstelling als gevolg van lokale emissie door Thermphos kan ertoe leiden dat deze trend (lokaal) een halt wordt toegeroepen en de blootstelling daar toeneemt. Het eerder genoemde RIVM-rapport laat echter zien dat bij een veronderstelde emissie van Thermphos ter grootte van 2 ng/m3 de dagelijks toelaatbare inname niet wordt overschreden. Datzelfde geldt voor de vergunde emissie die immers een factor 5 lager is.
Deelt u de mening dat er geen milieuvergunning aan Thermphos verstrekt zou moeten worden zolang het bedrijf niet aan de Nederlandse norm voor dioxine-uitstoot voldoet, te meer daar het volgens de in het artikel geciteerde biochemicus en hoogleraar milieukunde mogelijk is voor het bedrijf om met behulp van doekenfilters en rookgasinjecties de uitstoot te verlagen tot maximaal 0,04 nanogram per kubieke meter lucht?
Zie hiervoor mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Deelt u de mening dat de nieuwe, provinciale milieuvergunning voor Thermphos voorgedragen moet worden voor vernietiging door de Kroon, omdat de vergunning strijdig is met de NER en met het algemeen belang? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u dat doen?
De wijzigingsvergunning die er nu ligt maakt voor het bedrijf duidelijk waar het zich aan moet houden en deze aangepaste vergunning geeft een duidelijke basis om handhavend op te treden door de provincie Zeeland.
De normen in deze vergunning zijn voor een deel een opmaat naar een verdere aanscherping over enkele jaren; het bedrijf zal dan aan de normen voor dioxine uitstoot moeten voldoen. Er zijn daarnaast afspraken gemaakt met het bedrijf om ook resterende problemen zoals de geurhinder snel aan te pakken. Er is geen acuut gevaar voor de gezondheid.
Dit alles overwegende zie ik vooralsnog geen reden om in te grijpen. Overigens is voordracht voor vernietiging ook niet aan de orde als er nog bezwaar of beroep tegen het besluit openstaat.
De VROM-Inspectie zal de aanpak op de voet volgen en zo nodig ingrijpen als blijkt dat partijen hun verantwoordelijkheid niet nemen.
Het bericht 'Delta stapt uit Solland Solar en boekt fors af' |
|
Diederik Samsom (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Delta stapt uit Solland Solar en boekt fors af»?1
Ja.
Hoe verhoudt zich deze verkoop met het Borssele-convenant uit 2006 waarin is afgesproken dat zowel Essent en Delta als de rijksoverheid 250 miljoen euro zouden investeren in duurzame energie en energie-efficiency?
In het Borssele-convenant is afgesproken dat de kerncentrale in Borssele open kan blijven tot 2 033 en dat Delta en Essent extra inspanningen zullen plegen om een additionele CO2-besparing van 0,47 Mton CO2 per jaar te realiseren, door ieder minimaal 100 miljoen Euro te investeren in additionele innovatieve projecten ter ondersteuning van de overgang naar een meer duurzame energiehuishouding. Delta en Essent steken ieder 125 miljoen Euro in een fonds voor de financiering van innovatieve duurzame energie projecten.
In het convenant is vastgelegd dat een project kan worden aangemerkt als een additioneel innovatief project, als het een bijdrage levert aan het streven naar een duurzame energiehuishouding in het Koninkrijk der Nederlanden. Delta en Essent beslissen, binnen de gegeven randvoorwaarden, zelf welke projecten zij inzetten ter invulling van het convenant. In het Borssele-convenant is niets vastgelegd over specifieke projecten en dus ook niet over Solland Solar. Delta is daarom vrij om het convenant in te vullen met investeringen die geen betrekking hebben op Solland Solar.
Kunt u toelichten waar die 250 miljoen euro van zowel Essent en Delta als de rijksoverheid tot nu toe aan zijn besteed?
De projecten die door Delta en Essent/ERH worden ingediend om aan de investeringverplichting zoals bedoeld in artikel 8.1 van het convenant te voldoen, worden beoordeeld door de daartoe ingestelde commissie Additionele Innovatieve Projecten. Zoals in het convenant afgesproken, stelt de commissie vast of een project als additioneel innovatief wordt aangemerkt en kent aan dat project de hoeveelheid vermeden emissie van broeikasgassen ten opzichte van de «business as usual»-situatie toe. De commissie is nu aan het werk voor deze goedkeuring en toekenning.
Het is op dit moment nog niet mogelijk aan te geven waaraan de afgesproken investeringen van Delta en Essent/ERH worden besteed, omdat dit in deze fase nog om interne bedrijfsgegevens gaat.
De investeringen van de Rijksoverheid, in aanvulling op de investeringen door Delta en Essent/ERN uit het Borssele-convenant, zijn besteed aan innovatieve projecten. Het grootste deel hiervan is ingezet in het EOS (Energie Onderzoeks Subsidie) instrumentarium. In het kader van de Unieke Kansen Regelingen zijn verschillende tenders opengesteld. Van het geld zijn met name projecten met betrekking tot energiebesparing, CO2-afvang en biobrandstoffen gefinancierd. Deze investeringen zijn de afgelopen jaren verantwoord op begrotingen van de diverse betrokken ministeries.
Deelt u de zorgen over de uitverkoop van onze zonne-energie-expertise, nu na Helianthos ook Solland verkocht dreigt te worden? Op welke manier bent u van plan om op korte termijn deze voor Nederland juist zeer kansrijke sector te ondersteunen om daarmee economische groei en werkgelegenheid voor de lange termijn te realiseren?
De BKR-regeling |
|
Afke Schaart (VVD), Ard van der Steur (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Belschuld niet meer naar Tiel», waaruit blijkt dat verschillende telecombedrijven, waaronder Vodafone en T-mobile, niet langer klanten zullen registreren bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) wegens de disproportionele gevolgen voor haar klanten?1
Ja.
Wist u dat enkele telecombedrijven aan het BKR gevraagd hebben een minimum bedrag voor registratie in te stellen en dat zij met het BKR hierover niet tot een vergelijk zijn gekomen?
Ik heb vernomen dat er voorafgaand aan de in het artikel genoemde beslissing van enkele telecombedrijven om vanaf 2011 klanten met een betalingsachterstand niet langer te registreren bij het Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR) tussen de betrokken partijen gesprekken zijn geweest over een dergelijke aanpassing van het reglement van BKR, en andere aanpassingen. Deze gesprekken zijn na de genoemde beslissing gestaakt. Overigens heb ik eveneens vernomen dat deze gesprekken weer zijn gestart.
Zijn deze feiten voor u aanleiding om het beleid ten aanzien van de BKR-registratie ook in die zin te wijzigen dat aan de bezwaren van partijen, zoals Vodafone en T-Mobile, gehoor wordt gegeven en waardoor het BKR dient waarvoor het was bedoeld?
Erkent u dat als telecomaanbieders, zoals Vodafone en T-Mobile, zich terugtrekken uit het BKR het praktisch nut daarvan verdwijnt?
Mocht het antwoord op vraag 4 ontkennend zijn, bent u dan bereid ook de verplicht op het BKR aangewezen partijen de vrijheid te geven zich uit het systeem terug te trekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
De status van terroristen die zich voordoen als vluchteling |
|
Sietse Fritsma (PVV), André Elissen (PVV), Louis Bontes (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Vluchteling verliest status bij terreurdaden»?1
Ja. Het betreft een bericht over het arrest van 9 november 2010 van het Hof van Justitie van de EU in de zaken B. en D., waarin prejudiciële vragen van het Duitse Bundesverwaltungsgericht worden beantwoord.
Deelt de mening dat het onwenselijk is dat terroristen de vluchtelingenstatus krijgen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat het ongehoord is dat personen waarvan blijkt dat deze lid zijn van een terroristische organisatie hun asielstatus behouden?2
Deze vragen hangen met elkaar samen. Wel moet hier een onderscheid worden gemaakt naar:
Ad a)
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) doet onderzoek naar personen of organisaties waarover het ernstige vermoeden bestaat dat deze een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat. Op basis van dit onderzoek kan de AIVD ambtsberichten uitbrengen, ook aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In dergelijke ambtsberichten kan worden geconcludeerd dat de AIVD een persoon een «gevaar voor de nationale veiligheid» acht. Op grond van de Vreemdelingenwet en de Kwalificatierichtlijn vormt dit een grond voor het niet verlenen of intrekken van een asielvergunning. De vreemdeling kan dan ongewenst worden verklaard. Een ongewenste vreemdeling mag Nederland niet inreizen of in Nederland verblijven.
Ad b)
Ook als de vreemdeling niet als gevaar voor de nationale veiligheid wordt gekwalificeerd, maar er wel ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan, wordt een vluchtelingenstatus geweigerd, dan wel ingetrokken. Het Hof van Justitie van de EU heeft geoordeeld dat het enkele lidmaatschap van een organisatie, die wordt vermeld in de bijlage bij het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931 van de Raad van de Europese Unie3, niet voldoende is om daar vanuit te gaan, gezien het doel van het gemeenschappelijk standpunt, namelijk het bestrijden van de financiering van het terrorisme.
Het Hof van Justitie van de EU overweegt dat een persoon die heeft behoord tot een organisatie die terroristische methoden toepast, slechts van de vluchtelingenstatus kan worden uitgesloten na een individueel onderzoek. Er dienen ernstige redenen te zijn om aan te nemen dat de betrokken individuele vreemdeling, in het kader van zijn activiteiten binnen een dergelijke organisatie, een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties, tot een dergelijk misdrijf of dergelijke handelingen heeft aangezet of anderszins aan dergelijke misdrijven of daden heeft deelgenomen. Van belang is welke rol hij heeft gespeeld, welke positie hij had binnen de organisatie, welke kennis hij had of had moeten hebben van de activiteiten van de organisatie en of pressie op hem is uitgeoefend, dan wel andere factoren zijn gedrag hebben kunnen beïnvloeden. Het uiteindelijke oordeel in de individuele zaak moet gebaseerd zijn op het persoonlijke en bewuste gedrag van betrokkene.
Dit strookt met de Nederlandse beleidsuitgangspunten. Nederland let – ook vergeleken met andere Europese landen – scherp op aanwijzingen dat een vreemdeling betrokken is geweest bij terrorisme opdat hem in voorkomende gevallen een verblijfsvergunning wordt onthouden.
Is er een apart regime voor asielzoekers die verdacht worden van lidmaatschap van een terroristische organisatie? Zo nee, deelt u de mening dat ter voorkoming van werving en radicalisering zo’n systeem noodzakelijk zou zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wilt u voorkomen dat de rechten van terroristen of leden van terroristische organisaties nog langer gelijkgesteld blijven aan die van andere burgers? Kunt u hierbij concrete acties benoemen?
Deze vraag gaat uit van een onjuiste veronderstelling. Graag verwijs ik naar de beantwoording van de vragen 3, 4 en 6.
Bent u bereid om asielzoekers en vluchtelingen te laten screenen op lidmaatschap van terroristische organisaties en bent u vervolgens bereid geen asielvergunning te verlenen en geen vluchtelingen-status toe te kennen als blijkt dat zij deel uitmaken van terroristische organisaties of netwerken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om te bevorderen dat de betreffende Europese richtlijn zodanig wordt aangepast dat terroristen of leden van terroristische organisaties niet langer de vluchtelingenstatus kunnen verkrijgen of behouden? Zo nee, waarom niet?
Zoals blijkt uit de beantwoording van de vragen 3, 4 en 6 biedt de huidige tekst van de Kwalificatierichtlijn voldoende mogelijkheden om aan degenen die zich daadwerkelijk (mede-)schuldig hebben gemaakt aan terroristische activiteiten, of die dat nog van plan zijn te doen, verblijf te ontzeggen.
Het omwisselen van de Naf |
|
Arie Slob (CU), Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wisselkantoor weigert de Antilliaanse gulden»?1
Ja.
Waarom kan in Nederland de Naf niet meer omgewisseld worden terwijl dit tot 1 februari 2011 een wettig betaalmiddel is in een Nederlands Openbaar lichaam en daarna nog in twee landen van het Koninkrijk der Nederlanden?
Dit is een gevolg van de recente beslissing van het GWK/Travelex om niet langer Nederlands-Antilliaanse guldens te kopen. Het GWK/Travelex zou nog wel Nederlands-Antilliaanse guldens verkopen. Dit geldt evenwel alleen voor het Europese deel van Nederland. In het Caribische deel van het Koninkrijk kunnen Nederlands-Antilliaanse guldens nog wel gewisseld worden. Overigens kan ik me niet goed voorstellen dat de invoering van de Amerikaanse dollar in de openbare lichamen Bonaire, Eustatius en Saba de doorslag zou hebben gegeven in de beslissing van het GWK/Travelex, vanwege de geringe omvang van de economie van die eilanden.
Waarom is de mogelijkheid tot het tegen een vast tarief omwisselen van de Naf – tegen de US dollar – tot de duale periode beperkt en alleen bedoeld voor bewoners van de BES-eilanden?
Het invoeringsscenario richt zich op een efficiënte en soepele invoering van de dollar, waarbij de duale periode bedoeld is om de aanwezige Nederlands-Antilliaanse guldens uit het chartale betalingsverkeer in de openbare lichamen Bonaire, Eustatius en Saba te doen verdwijnen. Gedurende de duale periode hebben zowel de Nederlands-Antilliaanse gulden als de dollar de hoedanigheid van wettig betaalmiddel. Hoewel aangenomen wordt dat na de duale periode de Nederlands-Antilliaanse gulden uit het betalingsverkeer verdwenen is, kunnen er uitzonderingsituaties zijn. Voor die gevallen zal – onder nader te bepalen voorwaarden, die misbruik zullen beogen uit te sluiten – gedurende enkele maanden de mogelijkheid worden geboden om tegen dezelfde vaste koers Nederlands-Antilliaanse guldens te verwisselen voor dollars.
Dat de tijdelijke extra omwisselmogelijkheid in beginsel alleen bedoeld is voor de inwoners van Caribisch Nederland, houdt verband met het feit dat alleen daar de Nederlands-Antilliaanse gulden zal worden vervangen door de dollar. In Curaçao en Sint Maarten blijft de Nederlands-Antilliaanse gulden vooralsnog gewoon het wettige betaalmiddel. De opgelegde beperkingen aan de mogelijkheid om kosteloos om te wisselen passen in dit kader. In concreto zijn deze maatregelen genomen om ontduiking van de license fee, een op Curaçao en Sint Maarten bestaande belasting van 1% op betalingen van ingezetenen aan niet ingezetenen, te voorkomen. In praktijk wordt deze belasting vooral geheven over de aankoop van buitenlandse betaalmiddelen, waarbij de dollar een prominente plaats inneemt. De opbrengst van de license fee belasting bedraagt zo’n 10% van de totale belastinginkomsten van de landen Curaçao en Sint Maarten. De Centrale Bank van Curacao en Sint Maarten, die de belasting namens Curaçao en Sint Maarten int, heeft daarom aangedrongen op een zo kort mogelijke omwisselperiode, gericht op de daadwerkelijke doelgroep.
Op welke wijze zijn de burgers in Nederland en de Openbaar lichamen geïnformeerd over de mogelijkheden en beperkingen van het omwisselen van de Naf?
Het ministerie van Financiën, in samenwerking met De Nederlandsche Bank (DNB), implementeert een uitgebreide publiekscampagne. Burgers in de openbare lichamen zijn geïnformeerd via uitzendingen van lokale televisiezenders, radiospotjes, krantenartikelen, town-hall meetings en informatiebijeenkomsten voor specifieke doelgroepen (ouderen, scholieren). Deze campagne zal in december 2010 en januari 2011 doorgaan, waarbij in Caribisch Nederland dagelijks meerdere radiospotjes te horen zijn die burgers wijzen op de conversie inclusief de beperkte duur van de periode waarin men kosteloos kan omwisselen. Overigens wordt er ook in Nederland veel naar de lokale radio geluisterd, via Internet, aldus het lokale radiostation op Bonaire. Verder hebben de Rijksdienst Caribisch Nederland en DNB op de eilanden een informatiebrochure en flyer verspreid over hetzelfde onderwerp. Tot slot is er uitgebreid informatie beschikbaar op de website van DNB (www.bes.dnb.nl).
Is deze communicatiecampagne in overeenstemming met de campagne rond de omwisseling van de Nederlandse gulden naar de euro?
Uitgangspunt bij het opzetten van de communicatiecampagne over de invoering van de dollar was de informatiecampagne rond de invoering van de euro in Nederland. Bij de uitwerking van de communicatiecampagne is zo veel mogelijk rekening gehouden met de lokale omstandigheden. Eén van die omstandigheden is bijvoorbeeld dat de dollar, in tegenstelling tot de euro in 2002 in Nederland, geen onbekende munteenheid is op de eilanden.
Bent u zich ervan bewust dat hiermee mensen getroffen worden die naar deze eilanden reizen en deze valuta nog bezitten wanneer ze terugkomen naar Nederland? Zo ja, waar kunnen gedupeerden terecht en welke voorziening wordt daarvoor getroffen?
Ik ben me ervan bewust dat het besluit van GWK Travelex ertoe zou kunnen leiden dat reizigers naar de Caribische delen van het Koninkrijk hun teveel gewisselde Nederlands-Antilliaanse guldens niet meer zouden kunnen (terug)verkopen aan GWK Travelex. Ik heb overigens geen indicatie dat dit voor grote groepen reizigers tot problemen zou leiden. Mij is niet bekend of GWK/Travelex hier een voorziening voor heeft getroffen.
Bent u bereid om met De Nederlandse Bank en de geldtransactiekantoren in overleg te gaan om te zorgen dat behalve op de BES-eilanden ook in Nederland de Naf kan worden omgewisseld?
De verhandelbaarheid van vreemde valuta is op zichzelf geen zorg van de overheid. Wel ben ik bereid DNB te vragen om te kijken of er mede in verband met de invoering van de Amerikaanse dollar in de openbare lichamen Bonaire, Eustatius en Saba in Nederland behoefte bestaat aan een tijdelijke voorziening waar reizigers naar de Caribische delen van het Koninkrijk terecht kunnen voor de verkoop van hun Nederlands-Antilliaanse guldens die ze wellicht bij terugkomst nog hebben. Een dergelijke faciliteit zal echter een tijdelijke karakter moeten hebben. Toekomstige reizigers kunnen inmiddels van het probleem op de hoogte zijn.
Antibioticagebruik |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Varkensboer onbetrouwbaar over antibiotica»?1
Ja.
Is het waar dat varkenshouders aan de slachterij moeten doorgeven of ze in de twee maanden voorafgaand aan de slacht antibiotica hebben toegediend aan de dieren?
Ja.
Klopt het gegeven dat negentig procent van de varkenshouders, wier vlees na controle toch resten van antibiotica blijkt te bevatten, zegt dat er geen middelen waren gebruikt?
In het artikel wordt aan een onderzoek van de Universiteit Wageningen gerefereerd. Uit dit onderzoek van meer dan 22 000 karkassen blijkt dat in 141 karkassen van varkens (0,62%) nog sporen van antibiotica aanwezig waren, waarvan het overgrote deel (85%) onder de wettelijke norm. Bij gehaltes onder deze norm is er geen gevaar voor de volksgezondheid. Uiteindelijk is bij 22 vleesvarkens (0,1%) van de 22 633 geteste vleesvarkens in 2007 en 2008 een overschrijding van de wettelijke norm gevonden.
Overschrijdingen van de wettelijke norm worden doorgegeven aan de nVWA. Indien mogelijk wordt een proces verbaal opgemaakt.
Het onderzoek toonde aan dat in 90% van de gevallen, waarbij sporen van antibiotica aanwezig waren, dit door de veehouder niet of onjuist vermeld werd. Dit is 0,56% van het totale aantal leveringen.
Wat is de omvang van het probleem? Bij hoeveel procent van het varkensvlees blijkt toch antibiotica te zijn gebruikt? Om hoeveel kilo en hoeveel boeren gaat het dan?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt al het vlees getest op resten van antibiotica? Zo nee, wie is verantwoordelijk voor het bepalen van de omvang en de uitvoering van de steekproef ?
Op basis van EU-Richtlijn 96/23 worden producten van dierlijke oorsprong getest. Dat geldt ook voor vlees. Deze richtlijn bepaalt de omvang van de steekproef. De nVWA voert de monsternames uit.
Indien niet al het vlees wordt getest, bent u van mening dat het steekproefsysteem voldoende bescherming biedt?
Het systeem biedt voldoende bescherming. Naast de wettelijk verplichte monstername vindt al enkele jaren in het kader van de zogenaamde ketenkeuring door de sector extra controle plaats bij ongeveer 10 000 vleesvarkens. Deze controles worden risicogebaseerd uitgevoerd en hebben daardoor een grotere kans op het aantreffen van residuen. Deze werkwijze heeft ertoe geleid dat 99,9% van de geslachte vleesvarkens aan de wettelijke norm voldoet (bron: proefschrift C.P.A. van Wagenberg, Wageningen UR).
Is er nog een aannemelijke mogelijkheid dat iemand anders dan de varkenshouder verantwoordelijk zou kunnen zijn voor de positieve uitslag op de test?
Wanneer in het vlees van een slachtdier de toegestane limiet voor residuen van antibiotica wordt overschreden, is dit in de meeste gevallen terug te voeren op fouten van de veehouder.
Krijgt een varkenshouder indien er ongemeld antibiotica wordt aangetroffen een sanctie opgelegd? Zo ja welke sanctie? Hoe beoordeelt u de effectiviteit van het sanctieregime en is met name de hoogte van de sanctie afschrikwekkend genoeg? Zo nee, waarom niet?
Voor het niet of onjuist vermelden van het gebruik van antibiotica op het VKI-formulier kan worden opgetreden door het aanzeggen van een proces-verbaal inzake valsheid in geschriften.
Voor het (laten) slachten van dieren binnen de voorgeschreven wachttijd voor antibiotica kan eveneens een proces-verbaal worden opgemaakt.
Voor het niet of onjuist invullen van het logboek op het bedrijf kan ook een proces-verbaal worden aangezegd wegens het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen in het kader van de Diergeneesmiddelenwet. De officier van justitie bepaalt in deze gevallen de sanctie.
Ik onderzoek momenteel in het kader van het antibioticaresistentiebeleid de effectiviteit van het huidige sanctieregime en zal zo nodig verbeteringen aanbrengen. In het onderzoek van de Universiteit Wageningen wordt overigens geconcludeerd dat het niet rapporteren van het antibioticagebruik door varkenshouders grotendeels gerelateerd is aan omissies in de bedrijfsvoering en niet aan het bewust verzwijgen van het gebruik. Er zijn dan ook meerdere aangrijpingspunten om de correcte melding van antibioticumgebruik te verbeteren. De in ontwikkeling zijnde database voor de centrale registratie van het antibioticumgebruik biedt in deze perspectief.
Bent u voornemens om het regime aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 8.
Gezondheidsklachten militair personeel in Uruzgan |
|
Jasper van Dijk (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is u bekend dat militairen die in Uruzgan hebben gewerkt ernstige gezondheidsklachten hebben gekregen die mogelijk het gevolg zijn uitstoot van uitlaatgassen uit de verbrandingsoven op Kamp Holland?1 Is het waar dat militairen hun beklag hebben gedaan bij de commandant? Wat was het oordeel van de commandant over deze klachten?
Voor en tijdens de missie in Afghanistan heeft Defensie op Nederlandse locaties onderzoek verricht naar de aanwezigheid van schadelijke stoffen in de lucht. In mijn brief van 12 november jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 411) ben ik hierop nader ingegaan. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er slechts incidenteel sprake is geweest van verhoogde waarden van schadelijke stoffen en dat langdurige of blijvende gezondheidsschade hierdoor niet waarschijnlijk is. Ik heb tot op heden geen aanwijzingen voor een toename van gezondheidsklachten als gevolg van de mogelijke blootstelling aan de uitstoot van verbrandingsovens. Na de voltooiing van de metingen in Afghanistan zal ik de Kamer informeren over het Nederlandse onderzoek en de resultaten van Britse en Amerikaanse onderzoeken.
Heeft de militaire geneeskundige dienst in Uruzgan onderzoek gedaan naar mogelijk verband tussen deze klachten en de verbrandingsovens? Bent u bereid de resultaten van de onderzoeken van het Nederlandse Ministerie van Defensie en dat van Britse en Amerikaanse onderzoeken aan de Kamer voor te leggen? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Om hoeveel ovens gaat het, waar staan zij? Wat is de capaciteit van die ovens?
Op Kamp Holland (Tarin Kowt) werden zes ovens gebruikt om gewoon afval te verbranden en twee ovens voor medisch afval. De maximale capaciteit van deze verbrandingsovens was 200 m³ per dag.
Volgens welke gezondheid- en milieunormen zijn de ovens ingericht? Kunt u dat toelichten?
Defensie hanteert in het buitenland waar mogelijk de Nederlandse gezondheid- en milieunormen tenzij de lokale regels strenger zijn. In Uruzgan is dat met de verbrandingsovens niet mogelijk gebleken. In de ovens werden onder toezicht huishoudelijk afval, werkmaterialen en medisch afval verbrand. Het afval was afkomstig van Nederlandse eenheden en die van bondgenoten op Kamp Holland. Gevaarlijke stoffen werden door lokale bedrijven afgevoerd. Bij verbranding is sprake van een chemische reactie van stoffen met zuurstof. Deze chemische reacties zijn afhankelijk van de aard en samenstelling van het afval, de toevoer van zuurstof en de verbrandingstemperatuur. De temperatuur in de verbrandingsovens is hoger dan 800 graden Celsius. Onder optimale omstandigheden zal er sprake zijn van een volledige verbranding met zo min mogelijk schadelijke bijproducten.
Op andere locaties in Uruzgan waar Nederlandse troepen verbleven, werd gebruikgemaakt van zogenaamde burnpits. Deze locaties waren te kleinschalig om een verbrandingsoven te plaatsen. In een burnpitis meestal sprake van een smeulbrand en dus van een onvolledige verbranding. Hierbij kunnen meer schadelijke stoffen vrijkomen. De locaties van deze burnpits zijn zodanig gekozen dat de hinder door de verbrandingsprocessen zo gering mogelijk was.
Wat wordt in de verbrandingsovens verbrand? Op welke temperatuur wordt het afval verbrand? Gaat het daarbij om huishoudelijk afval of worden ook werkmaterialen verbrand? Gaat het daarbij ook om chemicaliën en/of munitie? Is u bekend wat de chemische reacties kunnen zijn van de verbranding?
Zie antwoord vraag 4.
Maken ook (NAVO-)partners gebruik van deze oven? Zo ja, van welke? En is bekend wat zij daar in storten? Indien neen, waarom niet? En deelt u in dat geval de mening dat onmiddellijke openbaarheid moet worden betracht?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat technologiebedrijven uitwijken naar het buitenland |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat steeds meer technologiebedrijven uitwijken naar het buitenland?1
Het bericht meldt dat door de globalisering van de technologiesector steeds vaker activiteiten van bedrijven in de technologische industrie naar het buitenland worden verplaatst. Het bericht baseert zich hierbij op een enquêteonderzoek van FME-CWM onder 352 CEO’s van bedrijven in de technologische industrie (leden van FME-CWM). Uit de enquête blijkt dat 33% van de bedrijven in de technologische industrie plannen heeft om in de nabije toekomst activiteiten te verplaatsen naar het buitenland. Het onderzoek geeft daarentegen niet aan in hoeverre dit percentage gestegen is ten opzichte van het verleden. De conclusie uit het artikel dat steeds meer technologiebedrijven uitwijken naar het buitenland, kan ik daarom op basis van deze resultaten niet vaststellen.
Het verplaatsen van activiteiten is voor bedrijven van belang om internationaal concurrerend te blijven. Door activiteiten uit te voeren in andere landen, kunnen bedrijven profiteren van kostenverschillen tussen landen en krijgen ze betere toegang tot klanten en leveranciers, hetgeen hun concurrentiepositie versterkt. Sterke bedrijven dragen bij aan de werkgelegenheid van Nederland. Bedrijven die activiteiten verplaatsen, zijn verder vaak groeibedrijven die tegelijkertijd banen creëren in eigen land. Bovendien is niet eenzijdig sprake van verplaatsing van activiteiten van Nederlandse bedrijven naar het buitenland. Omgekeerd zijn er ook buitenlandse bedrijven die activiteiten naar Nederland verplaatsen.
Kunt u een overzicht verstrekken van het verloop van het aantal arbeidsplaatsen in Research & Development voor verschillende technologiesectoren, zoals die in de sleutelgebieden zijn onderscheiden, over de afgelopen jaren?
Onderstaand treft u een overzicht aan van het aantal R&D-arbeidsjaren in de sleutelgebieden over de periode 2004–2008. Het zijn uitkomsten van de tweejaarlijkse Innovatie-enquête, verstrekt door het CBS. In de tabel is ook de ontwikkeling weergegeven van het aantal R&D-arbeidsjaren in het totale bedrijfsleven.
2004
2006
2008
Totaal R&D-personeel sleutelgebieden
34,3
36,7
32,1
w.v. Food & flowers
2,9
3,5
2,9
Hightechsystemen en materialen
18,1
18,0
15,4
Water
0,4
0,2
0,4
Creatieve industrie
3,9
6,0
4,6
Chemie
8,7
8,6
8,6
Pensioenen en sociale verzekeringen
0,3
0,3
0,2
Totaal R&D-personeel bedrijven
50,0
52,8
48,4
Bron: Innovatie-enquête bedrijven CBS.
De cijfers tonen dat de ontwikkeling van de R&D-werkgelegenheid in de sleutelgebieden sterk overeenkomt met die in de totale bedrijvensector. Tussen 2004 en 2008 is de R&D-werkgelegenheid in het sleutelgebied hightechsystemen en materialen met 2 700 arbeidsjaren gedaald. Dat sleutelgebied is in belangrijke mate verantwoordelijk voor de daling van de R&D-werkgelegenheid die tussen 2004 en 2008 heeft plaatsgevonden in het totale bedrijfsleven.
Bij de cijfers kan worden opgemerkt dat de sleutelgebieden moeilijk precies zijn af te bakenen. Het CBS heeft hiervoor een koppeling gemaakt met de classificatie van economische activiteiten volgens de Standaard Bedrijfsindeling. Die koppeling is te vinden in een eerder dit jaar verschenen rapport van het CBS, getiteld «Regionale innovatie in Nederland. Community Innovation Survey 2004 en 2006».
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat steeds meer hoogwaardige bedrijvigheid naar het buitenland verdwijnt?
Het kabinet streeft ernaar dat Nederland dé plek wordt om te ondernemen en te innoveren voor ondernemers uit binnen- en buitenland. Daartoe zet het kabinet de komende periode in op het versterken van het algemene vestigings- en ondernemingsklimaat en ontwikkelt het een stimulerend beleid voor de huidige en toekomstige economische topgebieden van Nederland. De contouren van dit beleid zullen in de komende maanden verder uitgewerkt worden. In 2011 zal het kabinet het nieuwe economische en innovatiebeleid vastleggen in een nota bedrijfslevenbeleid.
Het kabinet zet daarbij, zoals aangekondigd in het regeerakkoord, de ontwikkeling van economische topgebieden centraal. Het is de bedoeling dat binnen deze topgebieden de overheid, het bedrijfsleven en de kenniswereld tot een gemeenschappelijke agenda komen ter versterking van de concurrentiekracht. Hierin zal vanuit een brede benadering worden gekeken naar de wijze waarop innovatie en economische groei het beste gestimuleerd kunnen worden. Uitgangspunt is een samenhangende benadering van fundamenteel onderzoek (NWO, KNAW, universiteiten), toegepast onderzoek (TNO, GTI’s, DLO) en het bedrijfsgerichte instrumentarium. Het gaat daarbij niet alleen om financiële instrumenten voor innovatie. Minstens zo belangrijk is zorg te dragen voor een goed vestigingsklimaat; daarbij gaat het om zaken als regelgeving, opleiding en scholing, belastingklimaat, kenniswerkers, etc.
Kortom, het kabinet zal zich over de volle breedte inzetten voor het versterken van de kenniseconomie. We zullen daarbij drie sporen volgen: het scheppen van de juiste randvoorwaarden voor ondernemerschap en innovatie (o.a. afschaffen van onnodige regels); het aanbieden van een eenvoudig en transparant bedrijfgericht innovatie-instrumentarium (o.a. beperking van innovatiesubsidies, uitbreiding van fiscale voorzieningen en inrichten van een revolverend fonds); en de inzet op een effectieve kennisinfrastructuur waarin samenhang en valorisatie centraal staan.
Ontwikkelingshulp van de Europese Unie (EU) aan de schurkenstaten Zimbabwe, Somalië, Libië, Syrië, Iran en Myanmar |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met tabel 6.10 «Country Breakdown of EU Development Aid» in het jaarverslag van de Europese Commissie over het externe EU-beleid?1
Ja.
Bent ook u geschokt over het feit dat de EU ontwikkelingshulp geeft aan Zimbabwe, Somalië, Libië, Syrië, Iran en Myanmar, stuk voor stuk schurkenstaten die in nog geen honderd duizend jaar in aanmerking zouden komen voor bilaterale Nederlandse ontwikkelingshulp? Zo nee, waarom niet?
Nee. Uw aanname dat de EU met deze hulp foute regeringen steunt is niet juist. Het EU-beleid in deze landen is toegesneden op specifieke mogelijkheden om daar meer stabiliteit, vrijheid, democratie en een beter bestaan voor de burgers dichterbij te brengen. In bepaalde gevallen wordt ook illegale migratie tegengegaan en vaak gaat het om noodhulp. Nederland steunt het EU-beleid terzake, dat een welkome aanvulling vormt op het Nederlandse bilaterale beleid.
Zo heeft de EU in 2002 besloten om de hulp aan Zimbabwe (totaal EUR 57 miljoen in 2009) te beperken tot projecten die, buiten de regering om, rechtstreeks ten goede komen aan de sterk verarmde bevolking; het gaat onder meer om voedselhulp, gezondheidszorg en onderwijs. Sinds de toetreding van oppositieleider Tsvangirai tot de regering in 2008, is de EU ook in beperkte mate betrokken bij hervormingen binnen de overheid zelf, met als doel om de overgang naar een democratisch gekozen regering voor te bereiden. Overigens zijn de EU-sancties tegen president Mugabe en zijn naaste bondgenoten onverminderd van kracht.
Ongeveer tweederde deel van de EU-hulp aan Somalië (EUR 73 miljoen in 2009) bestaat uit directe noodhulp voor de miljoenen ontheemden in dit door burgeroorlog en banditisme verscheurde land. Om te helpen voorkomen dat de uiterst zwakke Somalische staat weer verder in elkaar zakt – waardoor een nog grotere vrijhaven voor piraterij en mogelijk terroristische groeperingen zou ontstaan – verleent de EU ook beperkte steun aan bepaalde delen van het overheidsapparaat in Mogadishu (bv training van politie en justitie via UNDP). Ook is de EU onder meer actief op het gebied van onderwijs via NGOs. Verder wordt vanuit het EOF (Europees Ontwikkelingsfonds) bijgedragen aan de VN-vredesmissie AMISOM.
In het geval van Libië (EUR 7 miljoen in 2009) gaat het om EU-activiteiten op het gebied van de bestrijding van illegale migratie (verbeterde grenscontrole, terugkeer van in Libië gestrande illegale migranten) en om steun aan kleine NGO-projecten tegen HIV/AIDS.
In Syrië (EUR 43 miljoen in 2009) geeft de EU in het kader van het nabuurschapsbeleid gericht steun aan hervormingen op het gebied van handelsliberalisatie, ondernemersklimaat, gezondheidszorg en onderwijs. Daarnaast worden daar EU-middelen ingezet ter bestrijding van mensenhandel en illegale immigratie.
De EU-hulp in Iran (EUR 1,4 miljoen in 2009) wordt alleen via NGOs of via VN-organisaties besteed en betreft voornamelijk hulp aan vluchtelingen.
Ook de EU-hulp in Birma wordt buiten het militaire regime om gegeven via NGOs, VN-organisaties of lokale civiele besturen. Het grootste deel van de EUR 55 miljoen in 2009 betrof noodhulp na de orkaan Nargis die in 2008 vele miljoenen mensen trof.
Hoeveel Nederlands belastinggeld is er de afgelopen jaren in de vorm van Europese ontwikkelingshulp naar deze landen gevloeid?
De uitgaven van de EU in deze zes landen beliepen in 2008 een bedrag van EUR 222 miljoen en EUR 238 miljoen in 2009. Het Nederlandse aandeel in de EU-begroting en in het EOF (Europees Ontwikkelingsfonds) is ongeveer 5 procent. Derhalve zou een bedrag van EUR 11 miljoen (2008) respectievelijk 12 miljoen (2009) als de Nederlandse bijdrage kunnen worden aangemerkt. Hierbij moet wel worden aangetekend dat uitgaven uit de EU-begroting niet één-op-één kunnen worden toegerekend aan lidstaten.
Deelt u de mening dat de Europese Unie zich niet met ontwikkelingshulp moet bezighouden? Zo nee, deelt u dan in elk geval de mening dat de lijst van landen waaraan de Europese Unie ontwikkelingshulp geeft op de schop moet en fors moet worden beperkt? Zo nee, waarom niet?
Nee. De EU heeft krachtens meerdere verdragen en in aanvulling op het beleid van de lidstaten een duidelijke rol te vervullen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Ik verwijs graag naar mijn uitgebreide antwoorden naar aanleiding van eerdere vragen van de leden van de PVV-fractie hierover in het schriftelijk overleg over de Informele OS-Raad van 21–22 oktober jongstleden (uw kamerstuk 21 501-04 nr.117) en naar aanleiding van EU-hulp aan Egypte (uw kamerstuk 20102011–313).
Met het oog op de voorbereiding van de nieuwe Financiële Perspectieven 2014–2020 ben ik overigens wel van plan om de lijst van landen waaraan de EU ontwikkelingshulp verleent samen met de Commissie en andere Europese partners tegen het licht te houden. Met name de huidige EU-hulpbestedingen in middeninkomenslanden zouden heroverwogen kunnen worden. Ik zal de Kamer hierover te zijner tijd informeren.
Nederland ziet al enkele jaren scherp toe op goede besteding van de hulpgelden die de Europese Commissie beheert. Mede dankzij de kritische Nederlandse inzet heeft de Commissie dit najaar een Groenboek over begrotingssteun gepubliceerd (de kabinetreactie daarover ging uw Kamer op 19 november toe). Ook op overige onderdelen van het EU-ontwikkelingsbeleid (bv sector- en landenkeuze) behoort Nederland tot de meer kritische lidstaten.
Bent u bereid bij het eerstvolgende overleg met uw Europese ontwikkelingshulpcollega’s te pleiten voor het stoppen van alle Europese ontwikkelingshulp aan in elk geval Zimbabwe, Somalië, Libië, Syrië, Iran en Myanmar? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u graag naar het antwoord op vraag 2.
De uitspraken van de Eurocommissaris over het afronden van belminuten door telecomaanbieders |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van eurocommissaris Kroes over het naar boven afronden van af te rekenen belminuten door mobiele aanbieders?1
Ja.
Heeft eurocommissaris Kroes aan u bekend gemaakt welke Europese bepalingen zorgen dat de nationale regelgevende instantie (wetgever en/of toezichthouder) mag ingrijpen of, gelet op de woorden van eurocommissaris Kroes, zelfs moet ingrijpen? Zo nee, bent u bereid navraag bij haar te doen welke bepalingen de ruimte zouden bieden of zelfs zouden dwingen in te grijpen en kunt u op basis daarvan vertellen om welke bepalingen het gaat?
Naar aanleiding van de uitspraken van mevrouw Kroes in het programma Kassa is een misverstand ontstaan over de Europese regels ten aanzien van afrekenen per minuut. Mevrouw Kroes heeft dit misverstand een dag later uit de wereld geholpen. Zie ook het antwoord op vraag 2 van de leden Verhoeven, Schaart en Braakhuis. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 586)
Herinnert u zich uw eerdere argumentatie dat ingrijpen niet mogelijk was omdat de Europese regels dat niet zouden toestaan?2
Het is op basis van het Europese regelgevend kader voor de elektronische communicatie niet mogelijk om voor bellen binnen Nederland een tariefplafond in te stellen of andere tariefregulering toe te passen. Uit nader onderzoek van mijn departement en nader overleg met de Europese Commissie bleek echter onlangs dat de Europese telecomregels wel ruimte laten aan de lidstaten om op basis van consumentenbescherming voorschriften op te leggen met betrekking tot de afrekenmethode die telefonieaanbieders hanteren, mits deze voorschriften proportioneel zijn.
Bent u opgelucht dat Europese regels ingrijpen kennelijk toch niet in de weg staan en deelt u de mening dat die mogelijkheid moet worden aangegrepen om deze benadeling van consumenten tegen te gaan?
Zie het antwoord op vraag 6 van de leden Verhoeven, Schaart en Braakhuis.
Dient de wet te worden gewijzigd om in te kunnen grijpen of kan de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA), gelet op de uitspraken van eurocommissaris Kroes, op basis van de huidige wetgeving al maatregelen nemen? Indien wetswijziging nodig is, kan de Kamer die op korte termijn verwachten?
De Telecommunicatiewet legt geen verplichtingen op aan aanbieders van mobiele telefonie over de afrekenmethode en laat geen ruimte voor OPTA om zelfstandig te besluiten tot dergelijke verplichtingen. Wel ziet OPTA toe op onder andere de transparantieverplichtingen in de Telecommunicatiewet. OPTA kan handhavend optreden als aanbieders zich niet aan deze regels houden.
Het treffen van verdergaande maatregelen tegen het afrekenen per minuut zou aanpassing van de lagere wetgeving onder de Telecommunicatiewet vereisen.
Heeft u nog op een andere manier dan via het programma Kassa van de Europese Commissie begrepen dat de Nederlandse wetgeving of aanpak niet conform de Europese regels zou zijn en dat de Commissie kan overgaan tot «actie»?
De Nederlandse telecommunicatiewetgeving is niet strijdig met Europese regels. Mevrouw Kroes heeft het misverstand dat was ontstaan inmiddels verholpen.
Als mobiele aanbieders nu al in strijd met de regels handelen, horen zij dan de tariefmaatregel om belminuten naar boven af te ronden, met terugwerkende kracht ongedaan te maken?
Nederlandse aanbieders van mobiele telefonie die gesprekken binnen Nederland of naar het buitenland afrekenen op hele minuten handelen niet in strijd met de regels, mits zij hun klanten hierover bij aanschaf goed informeren en mits zij bij tussentijdse wijziging van de voorwaarden klanten hierover helder geïnformeerd hebben en de mogelijkheid geboden hebben om het abonnement op te zeggen.
Aanhoudende storingen op regionale spoorlijnen |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Treinverkeer Heerlen–Maastricht nog steeds plat»1 en het bericht op NOS-Teletekst2 over een nieuwe sein- en overwegstoring?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het vervoer 6 dagen achtereen ernstig ontregeld wordt door een storing?
Uiteraard vind ik langdurige storingen op spoortrajecten onwenselijk. Via concessies sturen het Rijk en de decentrale overheden op maximale prestaties van ProRail en de vervoerders.
Het treinvervoer tussen Heerlen en Maastricht valt onder de vervoerconcessie van de provincie Limburg aan het vervoerbedrijf Veolia. Het beheer van het betreffende spoortraject valt onder de beheerconcessie van het ministerie van Infrastructuur en Milieu aan ProRail. Beide concessies bevatten prestatie-indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van het geleverde vervoer, de beschikbaarheid van de infrastructuur en storingen.
De provincie Limburg heeft mij laten weten het ongewenst te vinden dat de infrastructuur zes dagen achtereen niet beschikbaar was. Veolia heeft op 13 november 2010 de treindienst hervat, meteen nadat de Inspectie Verkeer en Waterstaat daarvoor toestemming had gegeven. Tot dat moment heeft Veolia vervangend busvervoer geregeld. De provincie Limburg ziet erop toe of de inzet van dit vervangend busvervoer goed is verlopen. Veolia, de provincie Limburg en ProRail voeren momenteel een evaluatie uit naar de gang van zaken rondom de storingen.
In het beheerplan 2010 van ProRail zijn prestatie-indicatoren voor «beschikbaarheid infrastructuur» en «storingstijd» opgenomen, waarvoor de grenswaarden op respectievelijk 99,53%3 en 0,21%4 zijn vastgesteld. Deze grenswaarden hebben betrekking op de gehele landelijke hoofdspoorweginfrastructuur. Er is dus geen sprake van specifieke afspraken per spoortraject. Over de gerealiseerde beschikbaarheid en storingstijd rapporteert ProRail elk kwartaal aan mij. Op basis van de kwartaalrapportage over het vierde kwartaal van 2010 zal ik beoordelen of ProRail de overeengekomen jaarprestaties heeft gerealiseerd.
Heeft u ProRail hierop inmiddels aangesproken? Welke maatregelen kunt u nemen richting ProRail vanwege deze slechte prestatie?
Ja, ik heb ProRail hierop inmiddels aangesproken.
In het antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven op welke wijze ik de prestaties van ProRail ten aanzien van beschikbaarheid en storingstijd beoordeel. Indien mocht blijken dat ProRail niet voldoet aan de voor 2010 gestelde grenswaarden ten aanzien van de prestatie-indicatoren beschikbaarheid en storingstijd dan kan ik overgaan tot handhaving op basis van het beschikbare instrumentarium in de beheerconcessie.
Herinnert u zich de herhaalde Kamervragen over de aanhoudende infrastructuurproblemen in de Achterhoek? Welke maatregelen neemt ProRail om te voorkomen dat in Limburg een soortgelijke situatie ontstaat?
Ja, ik neem aan dat u met name doelt op de beantwoording van vragen van de leden Ormel en Eski over veelvuldige treinstoringen op de lijn Winterswijk-Arnhem5.
ProRail heeft mij geïnformeerd dat zij op het spoortraject Heerlen-Maastricht een verzwaard onderhoudsregime hanteert en de volgende maatregelen heeft genomen ter verbetering van de beschikbaarheid:
Deelt u de mening dat dit soort storingen te wijten is aan de verouderde beveiligingsysteem en dat dit mede wordt veroorzaakt doordat het Mistral-project keer op keer uitgesteld wordt?
Neen, die mening deel ik niet. De storingen die hier aan de orde waren werden niet veroorzaakt door veroudering van de beveiligingssystemen, maar door gladheids- en detectieproblemen als gevolg van een vettige substantie door platgereden bladeren. Ook is er geen relatie met het Mistral-project. In het kader van het Mistral-project worden in de periode tot 2018 de beveiligingsinstallaties op 23 spoortrajecten vervangen. Het spoortraject Heerlen-Maastricht maakt geen onderdeel daarvan uit.
Kunt u per lijn voor zowel het hoofdrailnet als het gedecentraliseerde spoor een overzicht verschaffen van het aantal sein-, wissel- en overwegstoringen in de eerste drie kwartalen van 2010?
Bij de beantwoording van vragen van uw Kamer inzake de begroting Verkeer en Waterstaat Hoofdstuk XII 20117 heb ik in antwoord op de vragen 155 en 156 aangegeven op welke wijze ik met ProRail prestatie-afspraken maak over onder andere de prestatie-indicator «storingstijd». Ik hanteer daarbij geen specifieke afspraken met betrekking tot sein-, wissel- en overwegstoringen.
Op het hierbijgevoegde kaartje is per spoorlijn, zowel op het hoofdrailnet als op de gedecentraliseerde lijnen, aangegeven wat de storingstijden in 2010 tot en met het derde kwartaal waren.8 Deze specifieke storingstijden per spoorlijn leiden tot een storingstijd van 0,13% voor de gehele landelijke hoofdspoorweginfrastructuur. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven is de grenswaarde voor 2010 vastgesteld op 0,21%.
Hoe oud is de relaisbeveiliging en bekabeling op het Nederlandse spoorwegnet in het algemeen en op de decentraliseerde lijnen in het bijzonder? Is dit vanuit het oogpunt van bedrijfszekerheid wel een verantwoorde leeftijd?
Het Nederlandse spoorwegnet bevat relais-beveiligingsinstallaties en bekabelingen van verschillende leeftijden. De oudste dateren uit 1953, de jongste uit 2010. Ten behoeve van de bedrijfszekerheid worden deze periodiek gekeurd en, indien nodig, op onderdelen of integraal vervangen. Hierdoor wordt een verantwoorde bedrijfszekerheid gewaarborgd. Er is daarbij geen sprake van een andere aanpak van de gedecentraliseerde lijnen dan bij het hoofdrailnet van NS.
Herkent u het beeld dat de problemen bij decentrale lijnen groter lijken zijn dan op het hoofdspoor?
Neen.
Alleen op de lijn Winterswijk-Arnhemwaren de storingsproblemen inderdaad groter dan gemiddeld. In het antwoord op vraag 4 heb ik verwezen naar de brief aan uw Kamer over dat specifieke spoortraject en over de verbetermaatregelen die daar genomen zijn.
Omdat, in tegenstelling tot het hoofdrailnet, een aanzienlijk aantal decentrale lijnen enkelsporig is, kunnen storingen in de infrastructuur daar eerder leiden tot de noodzaak om het treinverkeer stil te leggen. Er is dan immers geen mogelijkheid meer om gebruik te maken van het andere, naastgelegen spoor.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van het project Mistral? Is het waar dat het project opnieuw uitgesteld is, zo ja, waarom? Kunt u garanderen dat veiligheid en beschikbaarheid op peil blijven?
In 2009 heeft ProRail in het kader van het project Mistral de aanbesteding van elektronische beveiligingssystemen voor de eerste drie spoortrajecten opgestart. In januari 2010 heeft mijn ambtsvoorganger in het kader van de subsidiebeschikking 2010 aan ProRail gevraagd daarbij de kosten en baten van dergelijke elektronische beveiligingssystemen te vergelijken met die van beveiligingssystemen op basis van conventionele technologie. Mede op basis daarvan heeft ProRail in juni 2010 besloten deze aanbestedingsprocedure stop te zetten. In september 2010 heeft ProRail mij geïnformeerd dat zij mij voor het eind van 2010 zal informeren over de vervolg-aanpak van Mistral. ProRail verwacht hiervoor in 2011 nieuwe contracten af te sluiten. Dit verandert niets aan de planning om, zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, in de periode tot 2018 de beveiligingsinstallaties op 23 spoortrajecten te vervangen.
Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven blijven de veiligheid en beschikbaarheid op peil door periodieke controles. Ook zonder integrale vervanging, zoals bijvoorbeeld in het kader van Mistral, worden onderdelen van de beveiligingsinstallaties vervangen als dat nodig is.
De aanhoudende aanslagen op christenen in Irak |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Frankrijk haalt gewonde christenen uit Irak»?1
Ja.
Heeft u daarnaast kennisgenomen van het bericht «Weer christenen gedood in Irak»2 over het feit dat afgelopen zondag twee christenen zijn doodgeschoten? Heeft u voorts kennis genomen van het bericht «Nieuwe aanslagen op christenen Irak»3, waarbij er tenminste vier mensen zijn overleden na gerichte aanslagen op christenen?
Ja.
Bent u bereid om in samenspraak met uw Franse en Irakese collega’s een gedeelte van deze onschuldige slachtoffers tijdelijk op te vangen, zodat zij adequate medische hulp kunnen ontvangen?
Een dergelijk verzoek zou betekenen dat moet worden afgeweken van het reguliere Nederlandse toelatingsbeleid. Het kabinet ziet in dit geval onvoldoende aanleiding om tot deze afwijking over te gaan. Dit betekent niet dat binnen het Nederlandse migratiebeleid in algemene zin geen oog is voor de situatie in Irak. Naast een zorgvuldig toelatingsbeleid waarbij de individuele beschermingsbehoefte wordt bekeken tegen de achtergrond van de situatie in het land van herkomst, wordt ook met het hervestigingsbeleid, in samenspraak met de UNHCR, bijgedragen aan de vermindering van de internationale vluchtelingenproblematiek. Binnen dit hervestigingsbeleid wordt in het kader van het quotum van 500 vreemdelingen per jaar ook aandacht besteed aan Irakese vluchtelingen.
Bent u tevens bereid na deze reeks van aanslagen te erkennen dat op dit moment christenen een specifiek doelwit vormen van aanslagen en geweld in Irak? Zo ja, bent u vervolgens bereid zich pro-actief in te zetten voor de bescherming en de opvang van de christelijke minderheid in Irak? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering maakt zich zorgen over de aanslagen en het geweld in Irak, waarvan op dit moment ook groepen christenen slachtoffer zijn. De waarborging van de veiligheid en mensenrechten van minderheden is echter primair een zaak voor de Iraakse autoriteiten. Het is daarom van groot belang dat de zojuist gevormde regering de orde en veiligheid in de Iraakse samenleving herstelt en tevens de kwestie van de etnisch diverse betwiste gebieden, die rijk zijn aan natuurlijke hulpbronnen, afhandelt. Nineveh is een van deze gebieden.
Nederland en de Europese Unie vragen regelmatig aandacht voor de mensenrechtensituatie bij zowel de Iraakse regering als bij de Koerdische regionale regering. Dat betreft de mensenrechtensituatie in het algemeen, maar juist ook de noodzaak om kwetsbare groepen als etnische en religieuze minderheden maximaal mogelijke bescherming te bieden.
Dit beleid zal in de toekomst onverminderd worden voortgezet.
Bent u bereid, samen met de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken te bezien of de vele christenen die inmiddels gevlucht zijn naar de Nineveh-vlakte ondersteuning van Nederland en de Europese Unie zouden kunnen krijgen, zodat zij zo snel mogelijk in hun eigen onderhoud kunnen voorzien? Bent u tevens bereid om er bij de Irakese regering op aan te dringen in ieder geval de Nineveh-vlakte beter te beschermen?
Nederland heeft in 2010 reeds EUR 2,3 miljoen bijgedragen aan het lenigen van humanitaire noden van Iraakse vluchtelingen en aan interne ontheemden in Irak, waaronder ook etnische en religieuze minderheden. Deze bijdrage is gegeven in reactie op het door de Verenigde Naties gecoördineerde humanitaire hulpverzoek en betreft onder andere het verstrekken van voedselhulp, watervoorziening en non-food items in het Noorden van Irak, inclusief de Nineveh-vlakte. Ook de Europese Unie heeft bijgedragen aan het humanitaire hulpverzoek van de Verenigde Naties. De waarborging van de veiligheid en mensenrechten van minderheden is een zaak van de Iraakse regering. Nu de nieuwe Iraakse regering wordt gevormd is het van groot belang dat deze regering de veiligheid in de Iraakse samenleving herstelt.
Bent u bereid, gezien de urgentie van vraag 4, deze vragen uiterlijk op 12 november 2010 te beantwoorden?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
De aanpak van huiselijk geweld |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het tv-programma Editie.nl waarin aandacht werd besteed aan de campagne van Postbus 51 «my secretscosmetics» tegen huiselijk geweld?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze campagne, waarbij eerst wordt uitgelegd welke cosmetische producten te koop zijn om blauwe plekken, kapotte lippen en bloedrestjes als gevolg van huiselijk geweld weg te werken en waarbij aan het eind slechts kort het nummer van het steunpunt huiselijk geweld wordt getoond, zijn doel, namelijk het tegengaan van huiselijk geweld, voorbij schiet? Zo ja, op welke termijn gaat u deze campagne stoppen? Zo nee, wordt het steunpunt door deze campagne aantoonbaar vaker gebeld en hoe vaak?
Nee. De campagne tegen huiselijk geweld bestaat uit verschillende onderdelen: 1) tv- en radio-spots, 2) de website «My secrets cosmetics», 3) banners op veelbezochte publiekssites en 4) de website www.shginfo.nl. De onderdelen 1 tot en met 3 waren tijdelijk en zijn inmiddels gestopt.
Het landelijke nummer van de SHG’s is in de maand na de start van de campagne op 16 oktober jongstleden 2645 keer gebeld. Dit zijn ongeveer 1000 extra telefonische contacten bovenop het gemiddelde van circa 1600 in de voorgaande maanden.
Deelt u de mening dat met deze campagne ook kan worden bereikt dat slachtoffers van huiselijk geweld leren hoe zij op een makkelijke manier blauwe plekken kunnen maskeren? Zo ja, wat draagt dat bij aan het voorkomen van huiselijk geweld? Zo nee, waarom niet?
Nee. «My secrets cosmetics» is een onorthodoxe manier om mensen te confronteren met hun eigen gedrag. Bezoekers worden even op het verkeerde been gezet, maar snel is duidelijk dat het maskeren van blauwe plekken geen oplossing is voor huiselijk geweld. Bij iedere doorklik op een te bestellen pseudo-artikel verschijnt steeds onmiddellijk de campagneboodschap: «Nu is het genoeg – er is een betere oplossing tegen huiselijk geweld, namelijk hulp zoeken», incl. telefoonnummer en website.
«My secrets cosmetics» is confronterend, maar slaat wel aan bij de beoogde doelgroep. Uit reacties van bezoekers van de site en van een slachtoffergroep blijkt dat de boodschap achter de site goed wordt begrepen en gewaardeerd.
Klopt het dat uit de evaluatie van de eerdere publiekscampagne huiselijk geweld 2009 blijkt dat slechts 8% van de doelgroep na de campagne bekend is met het telefoonnummer dat slachtoffers kunnen bellen voor hulp? Zo ja, wat hebt u met deze conclusie gedaan? Zo nee, wat was het resultaat van de campagne dan wel?
Ja. Uit de tussenmetingsresultaten van de huidige campagne 2010 blijkt dat de bekendheid met het telefoonnummer op een veel hoger niveau ligt. Van het algemeen publiek is 24% bekend met het telefoonnummer om huiselijk geweld te melden, onder de doelgroep «betrokkenen» is dit 36%.
Wat hebben de publiekscampagnes tegen huiselijk geweld tot nu toe gekost? Wat heeft de specifieke campagne «My secrets Cosmetics» gekost en welke advies- en reclamebureaus zijn hierbij betrokken?
2007 € 1 256 000
2008 € 914 900
2009 € 788 000
2010 € 505 000
Van deze bedragen zijn de produktiekosten (o.a. website, tv- en radiospots, print, banners, toolkit t.b.v. SHG’s), de mediakosten (postbus 51 radio en tv en online), de onderhoudskosten (voor website en het online forum en het telefoonnummer) en de personele kosten voor campagneontwikkeling en -begeleiding betaald.
De kosten voor conceptontwikkeling en productie (film, fotografie, banners, website) waren € 52 000. De kosten voor media-inkoop waren € 50 000.
Wat vindt u ervan dat het bellen met het nummer 0 900 126 266 – het steunpunt huiselijk geweld – 5 cent per minuut kost en dat dit nummer alleen overdag bereikbaar is? Deelt u de mening dat de kosten en de beperkte bereikbaarheid van dit nummer een obstakel zijn voor slachtoffers van huiselijk geweld? Zo ja, bent u bereid dit nummer gratis en 24 uur per dag open te stellen? Klopt het dat dit ook voor het meldpunt Kindermishandeling geldt?
Als het landelijk nummer van de SHG’s gebeld wordt, worden bellers doorgeschakeld naar een SHG in de regio. Buiten kantooruren komt het voor dat bellers worden doorgeschakeld naar een ander nummer, bijvoorbeeld een crisisdienst, een SHG in een nabij gelegen grote stad of naar Stichting Korrelatie. De staatssecretaris van VWS zal samen met de branches van de SHG’s onderzoeken op welke wijze een 24-uursbereikbaarheid in Nederland voor de SHG’s het beste kan worden ingericht. Daarbij zal zij tevens de mogelijkheden onderzoeken om van het landelijk nummer een gratis nummer te maken. Indertijd is gekozen voor een niet-gratis nummer om misbruik te voorkomen.
De Advies- en Meldpunten Kindermishandeling maken onderdeel uit van de bureaus jeugdzorg. De bureaus jeugdzorg zijn 24 uur per dag 7 dagen in de week beschikbaar voor crisissituaties. Bellen met het AMK kost overigens eveneens 5 cent per minuut.
Is het waar dat de Verenigde Naties (VN) Nederland heeft berispt om het hulpnummer vanwege de kosten en de beperkte bereikbaarheid? Zo ja, op welke wijze is dit door de VN aan Nederland kenbaar gemaakt? Wilt u deze informatie naar de Kamer zenden?
Een dergelijke berisping is mij niet bekend.
Herinnert u zich de motie-Arib over het registreren van het aantal dodelijke slachtoffers als gevolg van huiselijk geweld en eergerelateerd geweld?2 Zo ja, wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van deze motie?
Ja. De politiekorpsen inventariseren momenteel, op verzoek van de Raad van Korpschefs, de gegevens over het aantal dodelijke slachtoffers van huiselijk geweld over de periode 1 januari 2009 tot 1 oktober 2010. De resultaten van deze inventarisatie worden voor het eind van het jaar naar de Kamer gezonden.
Daarnaast worden de politiesystemen aangepast, zodat de gegevens over het aantal dodelijke slachtoffers van huiselijk geweld beschikbaar komen via een geautomatiseerd registratiesysteem.
Wanneer zult u het wetsvoorstel over verplicht meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling bij de Kamer indienen?
De staatssecretaris van VWS zal uw Kamer begin 2011 een brief sturen over de meldcode en meldplicht. In deze brief zal ook de planning met betrekking tot het wetsvoorstel aan bod komen.
Het terugsturen van Birmese vluchtelingen door Thailand |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Thailand stuurt vluchtelingen Myanmar terug»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat er na de uitslag van de verkiezingen, die volkomen vervalst blijkt te zijn, gewapende conflicten zijn uitgebroken in het Thais-Birmese grensgebied?
Ik ben op de hoogte van het feit dat op twee plaatsen langs de Birmees-Thaise grens recent gevechten zijn uitgebroken tussen gewapende groepen van de Karen etnische minderheid en het Birmese leger. Dat dit een vluchtelingenstroom op gang heeft gebracht vind ik zorgelijk.
Bent u van mening dat Thailand zijn verplichtingen aangaande het Verdrag van Geneve verzaakt door Birmese vluchtelingen terug te sturen?
Thailand is geen partij bij het Verdrag van Genève.
Bent u bereid er bij de Thaise autoriteiten op aan te dringen om onmiddellijk te stoppen met het uitzetten van vluchtelingen en ervoor zorg te dragen dat vluchtelingen humaan worden behandeld?
Van vluchtelingenorganisatie UNHCR, maar ook van IOM, ECHO en NGO’s ter plekke is vernomen dat geen sprake is van gedwongen uitzetting. De vluchtelingen keren op vrijwillige basis terug. Thailand verleent volgens genoemde informatiebronnen adequate humanitaire hulp aan de vluchtelingen die in Thailand blijven. UNHCR coördineert op verzoek van de Thaise autoriteiten de humanitaire hulpverlening. Ik zal humanitaire hulpverlening door Thailand aan de Birmese vluchtelingen nauwlettend blijven volgen.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Gezien de noodzaak informatie in te winnen bij de Nederlandse ambassade in Bangkok en het tijdsverschil met Thailand, was het niet mogelijk de vragen per ommegaande te beantwoorden.