Het bericht dat duizenden leerlingen onterecht thuis zitten |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Kamer u herhaaldelijk heeft verzocht om informatie over het aantal thuis zittende leerlingen dat niet op een school kan worden ingeschreven of dat op een school staat ingeschreven maar niet wordt toegelaten tot de lessen. Bent u bereid om naar het aantal thuiszittende leerlingen gericht onderzoek te laten doen? Zo ja, wanneer kan de Kamer een antwoord verwachten en zo nee, waarom niet?1
Uw verzoek bevestig ik. In 2010 heeft Ingrado (de vereniging van leerplichtambtenaren) een onderzoek naar het aantal thuis zittende leerlingen gedaan. Ik zie geen reden om op dit thema verder aanvullend onderzoek te doen. Sinds het najaar van 2010 worden de cijfers over thuiszitters meegenomen in de rapportages die gemeenten jaarlijks opstellen op het gebied van leerplicht. Deze cijfers komen in het eerste kwartaal van 2012.
Bent u bereid om ouders die in het kader van een dergelijk onderzoek melden dat hun kind thuis zit omdat hun kind door de scholen wordt geweigerd, in overleg met Ingrado (Vereniging voor leerplichtambtenaren) te vrijwaren van vervolging op grond van de Leerplichtwet?
Leerplichtambtenaren schrijven een proces-verbaal uit als ouders hun kind bewust thuis houden. Als een leerling naar oordeel van de leerplichtambtenaar echter noodgedwongen thuis zit, dan is het niet de taak van de leerplichtambtenaar om verbaliserend op te treden. Hij zal dan samen met de ouders, de leerling en de school of scholen een oplossing zoeken. Als een leerling langdurig thuis zit, zonder uitzicht op een schoolplaatsing, kunnen ouders ook ondersteuning krijgen van een onderwijsconsulent.
Op welke wijze garandeert u het recht op onderwijs van deze kinderen, zoals dat voortvloeit uit artikel 2 EP Evrm, artikel 28 en 29 van het Verdrag van de Rechten van het Kind, als een school in strijd daarmee handelt?2
Het recht op onderwijs wordt beschermd door de Leerplichtwet. Een kind hoort dat onderwijs te kunnen krijgen waarbij zijn of haar talenten het beste tot ontwikkeling komen. Als een leerplichtige leerling als gevolg van een handicap, chronische ziekte of stoornis zeer moeilijk plaatsbaar is, dan kunnen ouders de hulp van een onderwijsconsulent inschakelen. Zie ook het antwoord op vraag 7. Met de beleidvoornemens rond passend onderwijs worden structureel betere voorwaarden gecreëerd om de thuiszitterproblematiek effectiever aan te pakken. Als passend onderwijs wordt ingevoerd, dan krijgt het schoolbestuur namelijk de verantwoordelijkheid om voor elke leerling die zich aanmeldt een passend aanbod te vinden. Dit gebeurt zo nodig in goed overleg met ouders, gemeenten, jeugdzorg en andere partners.
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Haarlem, waar de rechter heeft nagelaten om de schorsing van een leerling te toetsen aan de daarvoor toepasselijke onderwijswet- en regelgeving angezien werd gesteld: «De door eisers betoogde schendingen lenen zich niet voor behandeling in kort geding en dienen in een bodemprocedure dan wel op de in genoemde wetten voorziene wijze aan de orde te worden gesteld»?3
Ja, ik ben bekend met deze uitspraak.
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze de complexe onderwijswet- en regelgeving voor juristen, waaronder rechters, beter toegankelijk wordt?
Het is naar mijn mening niet juist om een verband te leggen tussen de rechterlijke uitspraak genoemd onder vraag 4 en de mate van complexiteit van de onderwijswetgeving. In algemene zin heeft de kwaliteit en toegankelijkheid van de onderwijswetgeving vanzelfsprekend mijn aandacht. Bij het voorbereiden van nieuwe wetgeving betrek ik de mogelijkheden voor vereenvoudiging van de onderwijswetgeving.
Bent u bereid in dat onderzoek de mogelijkheid mee te nemen om de rechtspositie van de onderwijsvrager te regelen in een onderwijsovereenkomst in boek 7 BW, bijvoorbeeld naar het voorbeeld van de geneeskundige behandelingsovereenkomst?4
De belangen van de onderwijsvrager worden gewaarborgd in de Leerplichtwet en in de verschillende sectorwetten. Voor een onderzoek naar de mogelijkheid om de rechtspositie van de onderwijsvrager in het Burgerlijk Wetboek te regelen, zie ik geen concrete aanleiding.
Op welke wijze denkt u vorm te geven aan de rechtsbescherming van de leerling als sprake is van een schorsing of verwijdering die strijdig is met de onderwijswet- en regelgeving?
Als ouders het niet eens zijn met een besluit tot verwijdering, dan kunnen zij tegen dit besluit binnen zes weken bezwaar aantekenen bij de school. De school moet vervolgens binnen vier weken het bezwaar overwegen en haar besluit aan de ouders meedelen. Als ouders zich niet in dit besluit kunnen vinden, dan kunnen zij naar de rechter stappen.
In het openbaar onderwijs is ook een schorsing een besluit waartegen bezwaar kan worden ingediend en beroep kan worden ingesteld bij de (bestuurs)rechter. In het bijzonder onderwijs kan een schorsing, eventueel in kort geding, worden aangevochten bij de burgerlijke rechter.
Naast bovengenoemde procedures kunnen ouders zich wenden tot de klachtencommissie van de school.
Ten aanzien van verwijdering geldt nog het volgende. In de huidige situatie mag een basisschool een leerling pas verwijderen, nadat de school 8 weken aantoonbaar inspanningen heeft verricht om een andere school voor de leerlingen te vinden. Verwijdert de school de leerling zonder inachtneming van deze inspanningsverplichting en/of termijn, dan voldoet de school niet aan een bekostigingsvoorwaarde en kan aan de school een bekostigingssanctie worden opgelegd. In het voortgezet onderwijs geldt dat een leerling pas kan worden verwijderd als de school een andere school bereid heeft gevonden de leerling toe te laten. Als mijn beleidsvoornemens voor passend onderwijs worden ingevoerd, dan gaat deze regeling ook voor het basisonderwijs gelden.
Tot slot moet het hoofd van een school op grond van de Leerplichtwet de beslissing tot verwijdering van een leerling terstond melden aan de leerplichtambtenaar. Indien het hoofd van de school deze verplichting niet nakomt, dan kan hiervoor vanaf 1 januari 2012 een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Welke gegevens mag een school opnemen in het leerlingdossier? Bent u bereid om scholen te verplichten om ouders in de schoolgids te informeren over hun bevoegdheden ten aanzien van het leerlingdossier op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens en uw antwoorden op eerder gestelde Kamervragen?5 Zo ja, op welke wijze en welke termijn gaat u de scholen hiervan op de hoogte brengen? Zo nee, wat is de reden om dat niet te doen?
Onder «leerlingdossier» wordt verstaan de verzameling van administratieve en onderwijskundige gegevens die de school verwerkt en bijhoudt over een leerling. Het betreft algemene gegevens die nodig zijn voor de leerlingadministratie, zoals het verzuim, de in- en uitschrijving, gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de bekostiging die de school van OCW krijgt en om onderwijskundige gegevens als rapporten, toetsresultaten en gegevens uit het leerlingvolgsysteem. Er kan specifieke informatie over de leerling zijn opgenomen als dit noodzakelijk is voor het geven van het onderwijs en de begeleiding van de leerling.
Welke informatie van een leerling wordt bewaard, is de verantwoordelijkheid van de school. Er zijn geen regels voor vastgelegd, zodat de school maatwerk kan leveren. Een school dient zich hierbij te houden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dit betekent onder andere dat de school leerlinggegevens niet mag verspreiden tenzij opgrond van een wettelijke opdracht.
Scholen zijn verplicht om in de schoolgids de rechten en plichten van de ouder en de school te benoemen (artikel 13, eerste lid, onder f, van de WPO en artikel 24a, eerste lid, onder e, van de WVO). Ook is de school op grond van artikel 42 van de WPO en artikel 43 van de WEC verplicht om ouders en eventueel de leerling een afschrift van het onderwijskundig rapport te geven. Ik adviseer de sectorraden om hun leden te wijzen op de mogelijkheid om in de schoolgids aan te geven welke concrete procedures de school hanteert rond opslag en verwerking van leerlinggegevens. Ook zal ik bij de landelijke ouderorganisaties aandringen op goede voorlichting over de rechten van ouders. In de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) is vastgelegd dat ouders instemmingsrecht hebben op de schoolgids, en op eventuele specifieke regelingen voor het verwerken van persoonsgegevens van de ouders en de leerlingen en de uitwisseling van informatie tussen ouders en de school (artikel 13, onder g, i en k, en artikel 14, eerste lid, onder a, tweede lid, onder f en g en derde lid, onder d, van de WMS).
Deelt u de mening dat scholen expliciete toestemming moeten hebben van de betrokken ouders of wettelijke verzorgers en of leerlingen van 16 jaar of ouder om het leerlingdossier van een leerling uit te wisselen met andere organisaties?
De leerlinggegevens die de school verwerkt en bijhoudt over een leerling zijn slechts toegankelijk voor de ouders en/of de leerling, de schoolleiding en het onderwijspersoneel dat bij de leerling betrokken is. Ouders of wettelijk verzorgers (en leerling vanaf 16 jaar) moeten eerst toestemming geven, voordat derden de gegevens van de leerling mogen inzien. Soms is de school verplicht gegevens aan derden te geven. Dit is bijvoorbeeld het geval bij:
Het onderwijskundig rapport wordt door een basisschool opgesteld voor de nieuwe school wanneer een leerling naar een andere school gaat. Op deze wijze dragen de scholen er zorg voor dat elk kind in een cruciale fase van zijn ontwikkeling het onderwijs en de begeleiding ontvangt die het nodig heeft, en uiteindelijk in de passende leerweg binnen het voortgezet onderwijs terecht komt. Hier prevaleert dus het onderwijskundig belang van het doorgeven van ter zake doende informatie aan de nieuwe school, dat een wettelijk verplicht karakter heeft, ten behoeve van de doorlopende leerlijn van de leerling boven het toestemmingsrecht van de ouders. Ouders moeten door de school worden geïnformeerd over de inhoud van het onderwijskundig rapport; zij hebben recht op correctie van onjuiste informatie, en kunnen hun visie aan het rapport laten toevoegen als zij het niet eens zijn met het professionele oordeel van de school. Dit is mijns inziens een aanvaardbare oplossing als bijvoorbeeld meningsverschillen bestaan over de inhoud.
Er ligt een wetswijziging voor in de Eerste Kamer, waarmee ik mogelijk wil maken dat het persoonsgebondennummer gebruikt wordt bij de overdracht van leer- en begeleidingsgegevens tussen scholen. Uw Kamer heeft hier vorig jaar mee ingestemd. Tevens zal bij AMvB nader bepaald worden wélke gegevens scholen ten hoogste mogen uitwisselen, gelet op de directe noodzaak en relevantie voor het leren en de begeleiding van de leerling op de nieuwe school.
Handelde de directeur van de school van Gemma6 in overeenstemming met wet- en regelgeving omtrent het leerlingdossier door haar dossier te verspreiden zoals is gebeurd?
De betreffende casus is mij niet bekend. Volgens het artikel in Metro betreft het een basisschoolleerling. Op grond van artikel 42 WPO stelt de directeur voor iedere leerling die de school verlaat, een onderwijskundig rapport op ten behoeve van de ontvangende school. Ook de permanente commissie leerlingenzorg of de commissie voor de indicatiestelling kunnen om een onderwijskundig rapport verzoeken.
Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Op welke gronden hebben de scholen waar Gemma aanklopte na te zijn weggepest geweigerd haar toe te laten?
Zoals bij vraag 10 aangegeven, ken ik de casus en dus ook de gronden van weigering niet. Scholen kunnen een leerling weigeren bijvoorbeeld wegens plaatsgebrek of op grond van denominatie.
Beschikten deze scholen op het moment van de weigering over het leerlingdossier van Gemma? Zo ja, welke rol heeft dit dossier gespeeld bij het bepalen van de weigeringsgrond?
Zie het antwoord op vraag 10 en 11.
Op welke wijze controleert de Inspectie van het Onderwijs de kwaliteit van de leerlingdossiers? Maakt de inspectie hierbij gebruik van een a-selecte steekproef of selecteert de te inspecteren school welke dossiers voor inspectie in aanmerking komen?
Om te kunnen oordelen over de kwaliteit van het onderwijs, betrekt de inspectie de gegevens die de school over een leerling registreert in het leerlingdossier. Selectie van de dossiers gebeurt door de inspecteur. De school zelf speelt hierin geen rol. Als de inspectie bij controle vaststelt dat de school wettelijke voorschriften niet naleeft, dan spreekt de inspectie de school hierop aan. Daarnaast beoordelen instellingsaccountants de (papieren) procedures, ook vanuit privacyoogpunt (administratieve organisatie). Dit wordt samen met eventuele andere signalen en/of klachten betrokken bij de risicodetectie.
Is het u bekend dat het College Bescherming Persoonsgegevens ouders met klachten over leerlingdossiers doorverwijst naar de klachteninstellingen in het onderwijs die daarvoor niet zijn bedoeld, noch over voldoende deskundigheid beschikken over de Wet bescherming persoonsgegevens?7
Het is mij bekend dat het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) zich niet de eerst aangewezen instantie acht om klachten in behandeling te nemen en dat zij verwijst naar klachteninstellingen binnen het onderwijs. De klachteninstellingen in het onderwijs zijn bedoeld voor alle mogelijke klachten over gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel van de school (artikel 14 van de WPO en artikel 24b, eerste lid, van de WVO). Dus daaronder vallen ook mogelijke klachten van ouders of leerlingen over het niet naleven door de school van voorschriften uit de Wbp of onderwijswetten ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens, het uitwisselen van leer- en begeleidingsgegevens en de rechten van ouders en leerlingen. Ik wijs hierbij ook op het CBP-Richtsnoer «Informatieplicht basisscholen met betrekking tot het onderwijskundig rapport» en het «Modelprivacyreglement verwerking leerlingengegevens voor PO en VO» die voor klachteninstellingen als leidraad kunnen dienen.
Bent u van mening dat de onderwijsconsulenten de bevoegdheid hebben om scholen op hun verplichting terzake het leerlingdossier aan te spreken, ingeval een stigmatiserend dossier de kansen voor de leerling te zeer beperkt?
Onderwijsconsulenten hebben hiervoor geen formele bevoegdheid. Zij adviseren en ondersteunen ouders en scholen bij ernstige schoolplaatsingsproblematiek. In overleg met de ouders onderzoeken en analyseren zij in ieder geval de situatie van de betrokken leerling en de betrokken scholen. Stuiten zij in hun onderzoek op een onderwijskundig rapport of leerlingdossier dat overbodige, niet relevante informatie bevat, dan zullen zij de betreffende school daar zeker op wijzen.
Aan welke onafhankelijke instantie kunnen ouders bezwaren voorleggen, in geval van een geschil waarbij de klachtencommissies niet de aangewezen instanties zijn, zodat met spoed een zorgvuldig oordeel kan worden gegeven waardoor conflicten tussen ouders en scholen zoveel mogelijk kunnen worden vermeden?
Een goed functionerende onafhankelijke klachtencommissie zal bij spoedeisende zaken ook spoed betrachten, een zorgvuldig oordeel geven en trachten conflicten tussen school en ouders zoveel mogelijk te beperken. Verder kunnen ouders altijd een kort geding of bodemprocedure aanspannen bij de rechter.
Overigens kunnen ouders die vermoeden dat hun kind met een handicap of chronische ziekte ongelijk is behandeld, hun klacht voorleggen aan de Commissie Gelijke Behandeling.
Waar hadden de ouders van Gemma de aantekeningen van de directeur van de school in haar leerlingdossier kunnen aanvechten? Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de OCW begroting 2012?
Ouders hebben recht op correctie van onjuiste informatie.
Als ouders het niet eens zijn met het professionele oordeel van de school en/of menen dat er onjuiste, niet relevante of onterechte informatie in het dossier zit dan kunnen zij de school verzoeken de betreffende informatie te verwijderen. Ook kunnen zij hun visie aan het rapport laten toevoegen. Dit is mijns inziens een aanvaardbare oplossing als bijvoorbeeld meningsverschillen bestaan over de inhoud. Als de school aan bovenstaande niet meewerkt, kunnen ouders een klacht indienen bij de klachtencommissie van de school. In het uiterste geval kunnen ouders zich tot de rechter wenden.
Basisscholen moeten ouders actief informeren over de inhoud van het onderwijskundig rapport. De school moet dit schriftelijk vastleggen.
De vervolging van wapenhandelaars en extraterritoriale wetgeving |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Guilty Verdict for Russian in Arms Trial»?1
Ja.
Waaruit bestond de betrokkenheid van het Korps Politie Curaçao, waarvan tijdens de rechtszaak en in een persverklaring van het Amerikaanse ministerie van Justitie melding is gemaakt? Heeft Nederland toestemming gegeven voor deze betrokkenheid?
De wijze waarop de politie te Curaçao onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en de Minister van Justitie aldaar eventueel betrokken is geweest bij het Amerikaanse onderzoek tegen betrokkene, is mij niet bekend aangezien het land Curaçao een eigen jurisdictie heeft. Ook is om die reden toestemming van Nederland niet aan de orde.
Waren Nederlandse opsporingsambtenaren, politie, marechaussee, FIOD-ECD en/of inlichtingendiensten betrokken bij deze zaak? Zijn er opsporingsmethoden toegepast die voldoen aan de Nederlandse wetgeving? Kunt u dit toelichten?
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat voor zover kon worden nagegaan in Nederland geen opsporingshandelingen hebben plaatsgevonden ten behoeve van het Amerikaanse onderzoek. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst doen geen mededelingen over eventuele betrokkenheid bij deze zaak.
Kunt u aangeven hoe een operatie als die van de Amerikaanse autoriteiten in relatie tot Bout en consorten, die zich mede heeft afgespeeld op Curaçao, zich verhoudt tot Nederlandse wet- en regelgeving rond uitlokking van strafbare feiten door buitenlandse (undercover) agenten?
Aangezien ik niet bekend ben met de opsporingshandelingen die de Amerikaanse autoriteiten, en eventueel de autoriteiten op Curaçao, hebben toegepast in het kader van het Amerikaanse onderzoek, kan ik deze vraag niet beantwoorden.
Welke mogelijkheden heeft Nederland op dit moment om wapenmakelaren op te sporen en te berechten die zich niet op Nederlands grondgebied bevinden, maar die in tegenspraak met geldende Nederlandse en Europese regels op het gebied van wapenexport wapens verkopen aan regimes en niet-staat actoren die zich schuldig maken aan schendingen van de rechten van de mens?
Op grond van de Wet op de economische delicten zijn diverse gedragingen met betrekking tot strategische goederen als economisch delict strafbaar gesteld. Het gaat dan om de overtreding van voorschriften die nader zijn uitgewerkt in het Besluit strategische goederen en het Besluit financieel verkeer strategische goederen. Zo is het verboden om zonder vergunning militaire goederen te exporteren naar bestemmingen buiten Nederland en is het eveneens verboden om zonder vergunning financieel betrokken te zijn bij de (tussen)handel in militaire goederen. Indien deze feiten door Nederlanders buiten Nederland worden begaan, is de Nederlandse strafwet op hen van toepassing voor zover zij opzettelijk zijn begaan en daarop door de wet van het land waar zij begaan zijn, straf is gesteld (artikel 5, eerste lid, onder 2°, Sr).
Op grond van artikel 13 van de Sanctiewet 1977 is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de bij of krachtens die wet strafbaar gestelde feiten. Daarvoor is niet vereist dat die feiten ook strafbaar zijn in het land waar zij begaan zijn. Een Nederlander die betrokken is bij wapenhandel in landen waarop een wapenembargo van toepassing is, kan op grond van deze wetgeving in Nederland worden vervolgd, ook als de handel buiten Nederland heeft plaatsgevonden.
Op 1 januari 2012 treedt de Wet strategische diensten in werking, die onder andere het Besluit financieel verkeer strategische goederen vervangt. Daarmee wordt het verboden om zonder vergunning tussenhandeldiensten te verlenen met betrekking tot militaire goederen. Op grond van artikel 12 van deze wet kan de Nederlander of de Nederlandse ingezetene die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een bij die wet strafbaar gesteld feit, voor dat feit in Nederland worden vervolgd. Deze bepaling geldt ook voor de Nederlander die zich permanent in het buitenland heeft gevestigd.
De regering acht het van groot belang dat er zo spoedig mogelijk een robuust VN-wapenhandelverdrag komt, onder meer om illegale wapenhandel tegen te gaan. Dit verdrag dient staten onder andere te verplichten wapenexporten te toetsen aan criteria op het gebied van mensenrechten en internationaal humanitair recht.
Hoe vaak heeft Nederland de afgelopen tien jaar wapenmakelaars of tussenhandelaren vervolgd vanwege de handel in wapens en/of strategische diensten vanuit het buitenland?
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat dergelijke overzichten niet uit zijn registratiesysteem te herleiden zijn. Eén voorbeeld van een vervolging vanwege betrokkenheid bij wapenhandel en internationale misdrijven waarover uw Kamer is geïnformeerd, betreft de vervolging van de heer K. (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 500 VI, nr. 116). Hij werd in 2008 door het Gerechtshof te Den Haag vrijgesproken. In april 2010 heeft de Hoge Raad dit arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof te Den Bosch.
Wat is de huidige stand van zaken ten aanzien van de vervolging door Nederland van vergelijkbare zaken als die van Bout?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke gronden kan Nederland op dit moment vervolging overwegen van personen die zich buiten het Nederlands grondgebied schuldig maken aan illegale wapenhandel?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toelichten op welke vormen van wapenhandel extra-territoriale werking van toepassing is? Gaat het alleen om tussenhandel in goederen voor tweeërlei gebruik of ook om tussenhandel in militaire goederen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat valt volgens u in dit geval onder extra-territoriale feiten? Kunt u dit toelichten? Welke lessen worden getrokken ten aanzien van de onderhandelingen voor de totstandkoming van een wapenhandelsverdrag?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat het wapenhandelsverdrag moet voorzien in een zo breed mogelijk geformuleerde strafrechtsmacht om straffeloosheid te voorkomen?
De inzet van de regering is dat een VN-wapenhandelverdrag de verdragspartijen opdraagt om een vergunningsplicht voor wapenexporten in te stellen. De in het verdrag vast te leggen verplichtingen zullen op nationaal niveau geïmplementeerd worden. Het voornemen is om aan elke verdragspartij afzonderlijk over te laten hoe zij deze verplichtingen willen handhaven.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg wapenexport op 21 december 2011?
Ja.
Het gebruik van bont van wasbeerhondjes in nep-Uggs |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wasbeerhondjes de klos voor nep-Uggs»?1 gepubliceerd op Telegraaf.nl op 4 november 2011?
Ja.
Is het waar dat er duizenden namaak Uggs in Nederland op de markt zijn gemaakt van wasbeerhondjes?
Dat kan ik niet bevestigen. Wel kan ik u melden dat de douane in 2010 222 paar schoenen heeft tegengehouden die mogelijk inbreuk maken op merkrechten van Uggs. Of er daadwerkelijk inbreuk is gepleegd is aan de rechter. Daarnaast zijn er tijdens een strafrechtelijke actie bij het voormalige TNT tussen de 1 200 en 1 500 paar in beslag genomen. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat het hier algemene cijfers met betrekking tot namaak-Uggs betreft en dat voor deze Uggs niet per se gebruik is gemaakt van bont van wasbeerhondjes. Ook bij de producent van Uggs zijn er geen gegevens bekend over het aantal namaak-Uggs met gebruik van dit bont.
Is het waar dat de namaak Uggs moeilijk van echte Uggs te onderscheiden zijn en dat de producent van echte Uggs een label met hologram plaatst in de laars om de echte van de namaak Uggs te kunnen onderscheiden?
Van de producent van Uggs is vernomen dat namaak-Uggs soms moeilijk zijn te onderscheiden van originele Uggs. Uggs levert sinds herfst 2010 producten zoveel mogelijk met extra beveiliging, bijvoorbeeld een beveiligingssticker of een beveiligingslabel.
Deelt u de mening dat alleen het plaatsen van een label in de echte Uggs onvoldoende is om de strijd tegen namaak Uggs met bont te winnen?
De producent van Uggs heeft aangegeven meer maatregelen te nemen dan het plaatsen van een label om namaak te bestrijden. Zo geeft de producent van de laarzen voorlichting aan de consument om originele schoenen van namaak te kunnen onderscheiden.
Het Nederlandse beleid is dat bij de handhaving van intellectueeleigendomsrechten de civielrechtelijke handhaving voorop staat. In beginsel dient een private partij dus zelf tegen inbreukmakers op te treden; strafrechtelijke handhaving geldt als uiterste middel. Bij mogelijke invoer van mogelijk inbreukmakende producten kan de houder van een intellectueeleigendomsrecht (waaronder een merkrecht) met een beroep op de «Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectueeleigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten» een verzoek indienen bij de douane om inbreukmakende producten aan de buitengrenzen tegen te houden. Daarbij dient de rechthebbende alle informatie te verschaffen die de douane nodig heeft om de vermoedelijk inbreukmakende goederen te kunnen identificeren.
Bent u van plan maatregelen te nemen om het gebruik van wasbeerhondjes voor namaak Uggs tegen te gaan en te voorkomen dat deze namaak Uggs in Nederland op de markt komen/blijven? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
In Nederland wordt met betrekking tot de bestrijding van namaak geen onderscheid gemaakt naar het gebruik van bont of andere materialen. Het criterium is of een product mogelijk inbreuk maakt op een intellectueeleigendomsrecht. De rechthebbende van zo’n recht kan daarvoor, zoals hierboven omschreven, gebruik maken van de diensten van de douane. Ik ben niet voornemens om andere maatregelen ter bestrijding van namaak te nemen.
De afname van vleermuizen onder invloed van wegen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van nieuw wetenschappelijk onderzoek1 waaruit blijkt dat wegen voor een significante afname zorgen van de aantallen, activiteit en diversiteit van vleermuizen?
Ja.
Onderschrijft u de conclusie in het rapport «Natura 2000 in Nederland» van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dat om de doelstellingen van de Habitatrichtlijn te verwezenlijken de bescherming van alleen de Natura 2000-gebieden onvoldoende is omdat populaties ook buiten de gebieden voorkomen? Zo ja, op welke wijze zijn de gevolgen van het rijkswegennet op de vleermuizen in het kader van Natura 2000 getoetst?
De natuurwetgeving betreft de duurzame instandhouding van soorten. Deze verplichting geldt zowel binnen als buiten de specifiek beschermde gebieden. In het rapport «Ecologische effectiviteit van Natuurwetgeving» (Veen, M.P. van, et al. 2011) wordt geconstateerd, dat voor de meeste vleermuissoorten geldt, dat het goed gaat met deze soorten en dat de aantallen toenemen. Dat is mede dankzij mitigerende maatregelen die genomen moeten worden bij de aanleg van infrastructuur.
Wordt de verspreiding van vleermuizen op dit moment gemonitord? Zo ja, hoe, en wat zijn de laatste resultaten ervan? Zo neen, hoe kan dan invulling gegeven worden aan artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn, namelijk het nemen van passende maatregelen als er verslechtering optreedt?
In het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) wordt de verspreiding van vleermuissoorten onderzocht. In samenwerking met de Nederlandse Zoogdiervereniging (VZZ), de Gegevens Autoriteit Natuur (GAN) en het CBS zijn in de afgelopen jaren verschillende provinciale atlassen gereedgekomen over de verspreiding van vleermuizen. Deze ecologische monitoring vloeit voort uit onze verplichtingen vanuit de EU-Habitat Richtlijn en het EUROBATS verdrag.
In de brochure «Met vleermuizen overweg» van de Dienst Weg- en Waterbouwkunde van het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat staan aanwijzingen voor wegenontwerpers, bouwers en beheerders over hoe rekening gehouden moet worden met vleermuizen. Bij de bouw van wegen en andere infrastructurele ontwikkelingen wordt voor het verlenen van de benodigde vergunningen of ontheffingen de omgeving gemonitord op kwetsbare en beschermde soorten. Er wordt rekening gehouden met vliegroutes, jachtgebieden en verblijfplaatsen van vleermuizen, waarbij voor verschillende soorten soortspecifieke maatregelen worden getroffen. Indien daartoe aanleiding is worden mitigerende maatregelen getroffen. Een voorbeeld hiervan is het gereedkomen van de A74, waar op verschillende plaatsen zogenaamde hop-overs zijn ingericht. Ook zijn onderdoorgangen gemaakt waarbij speciale vleermuisvriendelijke verlichting is aangebracht.
Deelt u de mening dat met dit voortschrijdende inzicht het optreden van significante effecten op de vleermuizen als gevolg van het wegverkeer op de rijkswegen dus niet uitgesloten kan worden? Zo ja, bent u bereid hier een aanvullende passende beoordeling van op te stellen? Zo neen, op basis van welke onafhankelijke gegevens heeft u de zekerheid dat er geen significante effecten optreden?
De monitoringsverplichting blijft bestaan en indien er aanwijzingen zijn voor significante effecten, dan zullen er effectieve maatregelen getroffen worden. Tot nu toe zie ik daartoe, mee gelet op de uitkomsten van de atlasprojecten en de gegevens van het NEM, geen aanleiding.
Bent u bereid aanvullend onderzoek in te stellen naar de effectiviteit van mitigerende maatregelen zoals de vleermuisbruggen, zodat die eventueel landelijk ingezet kunnen worden? Zo neen, waarom niet?
Nee, in het verleden is daar al onderzoek naar gedaan. Daaruit bleek dat voorgestelde maatregelen vaak wel, maar soms niet effectief zijn.
Daar wordt lering uitgetrokken. Ook worden soortgerichte maatregelen die nu genomen worden bij infrastructurele projecten geëvalueerd.
De opvang van een Afghaans asielzoekersgezin in de gezinslocatie in Katwijk |
|
Hans Spekman (PvdA), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Asielzoekertje naar Katwijk»?1
Ja.
Klopt het dat de ouders van dit gezin in de opvang in Katwijk gescheiden wonen van de kinderen? Waarom is hier voor gekozen? Waarom is ’s nachts geen contact mogelijk tussen ouders en hun kinderen? Geldt dit regime op deze wijze ook voor andere gezinnen?
Uitgangspunt van het COA is dat gezinnen op de gezinslocatie bij elkaar worden geplaatst, voor zover de inrichting en de bezetting dit toelaat. Dit uitgangspunt wijkt niet af van dat in asielzoekerscentra.
Het Afghaanse gezin waarover in het artikel wordt gesproken bestaat uit zes personen. Op de gezinslocatie Katwijk zijn woonunits voor vier en twee personen beschikbaar. Aangezien ten tijde van de plaatsing van het gezin geen vierpersoonsunit beschikbaar was, is het gezin drie naast elkaar gelegen tweepersoonskamers aangeboden. Hiermee heeft het COA het gezin zoveel mogelijk bij elkaar willen huisvesten. Het gezin heeft echter aangegeven een vierpersoonsunit te willen. Het COA heeft hen aangegeven dat deze weliswaar beschikbaar was, maar dat een naastgelegen tweepersoonskamer niet beschikbaar was. De familie heeft hiermee ingestemd en heeft daarmee zelf de keuze gemaakt gescheiden te wonen. Dit sluit overigens niet uit dat er tussen ouders en kinderen »s nachts contact mogelijk is.
Op welke wijze zijn de voorzieningen in de gezinslocatie Katwijk extra geschikt gemaakt voor kinderen? Is in Katwijk gewaarborgd dat zij voldoende leef- en speelruimte hebben, en dat zij de volledige mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen (basis- of voortgezet onderwijs)?
Al voordat het azc Katwijk werd ingericht als gezinslocatie was het een locatie waar veel kinderen verbleven. De locatie beschikte daarom over voldoende leef- en speelruimte voor kinderen. In het kader van het project «Kind in de Opvang» komen er op de locatie Katwijk bovendien extra en nieuwere speelvoorzieningen.
De kinderen op de locatie Katwijk hebben zonder meer de mogelijkheid om onderwijs te volgen.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de 14-jarige zoon in het gezin, die in Musselkanaal in 4 HAVO zat, daar gedwongen vanaf moest en inmiddels twee weken geen onderwijs heeft kunnen volgen, omdat de middelbare scholen in Katwijk en omgeving vol zijn? Bent u bereid een voorziening te treffen, zodat kinderen die in de gezinslocatie in Katwijk verblijven, ook voortgezet onderwijs kunnen volgen?
Het gezin heeft eerder verbleven op de vrijheidsbeperkende lokatie (VBL) in Vlagtwedde. Bij een overplaatsing gaan in de regel leerplichtige kinderen direct van een onderwijsvoorziening op de ene locatie naar een onderwijsvoorziening op een andere locatie. Ook in deze situatie heeft het COA er hard aan gewerkt om het onderwijs aansluitend aan de verplaatsing van Vlagtwedde naar Katwijk doorgang te laten vinden. Voor het juiste onderwijs kijkt het COA niet alleen naar onderwijsvoorzieningen in Katwijk, maar ook naar onderwijsvoorzieningen in de omliggende gemeenten. Op het moment van de overplaatsing gaven alle scholen aan vol te zitten, maar inmiddels is een onderwijsvoorziening voor de betreffende jongen gevonden in Katwijk. Het vinden van een onderwijsvoorziening werd bemoeilijkt doordat er sprake zou zijn van een verplaatsing van Katwijk naar Gilze en Rijen in verband met de aangekondigde nieuwe asielaanvraag.
Klopt het dat dit gezin met drie jonge kinderen op 17 november a.s. opnieuw wordt verhuisd naar de gezinslocatie in Gilze? Wat is hier de reden van? Waarom worden zij, gelet op hun lopende nieuwe asielaanvraag, niet in een regulier asielzoekerscentrum (AZC) geplaatst, bij voorkeur diegene in Musselkanaal, waar het gezin met de kinderen jarenlang gewoond hebben? Kunt u in elk geval garanderen dat zij na afloop van de procedure, indien de herhaalde asielaanvraag niet wordt ingewilligd, in AZC Musselkanaal worden geplaatst?
Het gezin had eerder te kennen gegeven opnieuw een asielaanvraag te willen indienen. De afspraak die daarvoor gepland stond bij de IND op 17 november 2011 is echter van de zijde van de vreemdeling afgezegd. De familie is derhalve in de gezinslocatie Katwijk gebleven. Aangezien er geen opvolgende asielprocedure die recht op opvang zou geven, is opgestart, blijft de familie verwijderbaar.
Van een geplande verhuizing naar de gezinslocatie in Gilze en Rijen is nooit sprake geweest. Wel zou het gezin in verband met de nieuwe asielaanvraag naar de POL (Proces opvang locatie) in Gilze en Rijen zijn verplaatst.
Een rapport van twee Israëlische mensenrechtenorganisaties |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van twee mensenrechtenorganisaties waaruit zou blijken dat Israëlische artsen medeplichtig zijn aan martelingen van Palestijnse gevangenen door de Israëlische geheime dienst Shin Bet?
Ja.
Klopt het dat artsen verwondingen die Palestijnen tijdens verhoren hebben opgelopen niet documenteren en dat zij geen aangifte doen bij de politie? Deelt u voorts de goed gedocumenteerde conclusie dat artsen Palestijnen terugsturen naar hun verhoor ook als zij eerder gewond zijn geraakt?
Ik kan niet beoordelen in hoeverre de bevindingen van het rapport correct zijn. Het is in eerste instantie aan de Israëlische autoriteiten om een reactie daarop te geven.
Zo ja, bent u bereid deze gedragingen in duidelijke termen te veroordelen, aangezien Israel hiermee niet alleen in strijd handelt met eigen wetten, maar ook met een reeks internationale verdragen die door de staat Israel zijn ondertekend en geratificeerd? Zo nee, waarom niet?
Israël is als ondertekenaar van het VN-verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing (1984) gehouden de verplichtingen uit dit verdrag na te komen en hierover regelmatig rapport uit te brengen aan het VN-Comité tegen Foltering. Nederland meent dat de discussie met Israël waartoe dit rapport aanleiding kan geven, in eerste instantie via dit Comité moet plaatsvinden.
Bent u bereid uw Israelische collega hierop rechtstreeks aan te spreken en hem erop te wijzen dat deze gedragingen een duidelijke schending zijn van fundamentele mensenrechten? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland voert bilateraal en via de EU een mensenrechtendialoog met Israël, onder meer over de naleving van de verplichtingen die het is aangegaan in het kader van internationale mensenrechtenverdragen. In die context kan de nakoming van internationale verplichtingen met betrekking tot detinering en verhoor van gevangenen aan de orde komen. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 2 en 3.
Trainen op de openbare weg met optische en geluidssignalen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat in de brancherichtlijn verkeer1 de mogelijkheid wordt geboden te oefenen met het rijden met optische en geluidssignalen?
Ja.
Hoe verhoudt zich dit tot de Regeling optische en geluidssignalen2, waarin is vastgelegd dat dit alleen mag bij (het voorkomen van) een levensbedreigende situatie, ernstige verstoring van de openbare orde of rechtsorde?
De Regeling optische- en geluidssignalen voorziet niet in een grondslag voor het trainen op de openbare weg met optische- en geluidssignalen.
Wie is nu aansprakelijk als tijdens een trainingssituatie een ongeluk gebeurt?
De bestuurder van een voorrangsvoertuig blijft steeds strafrechtelijk verantwoordelijk voor zijn eigen beslissingen en rijgedrag. Het gebruik van de optische en geluidssignalen rechtvaardigt niet dat het overige verkeer in gevaar wordt of kan worden gebracht of onnodig wordt gehinderd (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994). Conform de Wet Aansprakelijkheid Motorvoertuigen ligt de civielrechtelijke aansprakelijkheid bij de eigenaar van het motorvoertuig. Dit is het desbetreffende politiekorps of de Politieacademie.
Kent u alternatieve vormen van training, bijvoorbeeld het gebruik van simulators?
Ja.
Bent u bereid te onderzoeken of deze dusdanig kunnen worden ingezet dat trainen op de openbare weg overbodig wordt?
Hoewel het gebruik van simulators een zinvolle bijdrage kan leveren aan de rijopleidingen van de politie is het niet mogelijk om het trainen in het gebruik van optische- en geluidssignalen op de openbare weg hiermee in zijn geheel te vervangen. De complexiteit van het verkeer, het besturen en bedienen van het politie voertuig en de reacties van weggebruikers bij het rijden met optische- en geluidssignalen maken dat het trainen op de openbare weg nodig blijft. Om het risico op ongelukken hierbij zoveel mogelijk uit te sluiten dienen hierbij de voorschriften zoals opgenomen in de «Landelijke Brancherichtlijn Verkeer Politie» strikt te worden nageleefd. Ik zal bezien hoe de Regeling optische en geluidssignalen dient te worden aangepast zodat er een formele grondslag komt voor het trainen met optische- en geluidssignalen op de openbare weg voor politie en brandweer. Voor de diensten voor spoedeisende medische hulpverlening zal ik in contact treden met het ministerie van VWS. De voorschriften waaronder deze trainingen dan mogen plaatsvinden kunnen dan nader worden uitgewerkt in de desbetreffende brancherichtlijnen.
Het bericht dat driekwart van de uitzendbureaus schuldig is aan discriminatie |
|
Eddy van Hijum (CDA), Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Driekwart uitzendbureaus schuldig aan discriminatie»?1
Klopt het dat het ingaan op het verzoek om geen Turken, Marokkanen en Surinamers te leveren strijdig is met de Algemene wet gelijke behandeling? Hoe zorgelijk is het dat 76,8 procent van de uitzendbureaus zo’n verzoek honoreert?
Wat vindt u van de reactie van de brancheorganisaties Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) en de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) dat zij extra cursussen en voorlichting gaan aanbieden? Is het probleem niet dusdanig groot dat het wenselijk is dat zij hun leden actief controleren op naleving van de Algemene wet gelijke behandeling? Wilt u hierover in gesprek gaan met de uitzendbranche en de Kamer informeren over de uitkomst?
Hoe ziet u de rol van de overheid bij deze problematiek? Op welke wijze gaat u controleren op naleving van de Algemene wet gelijke behandeling binnen de uitzendbranche?
Ymere-advies |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de website van Ymere-advies?1
Ja.
Welke relatie heeft Ymere-advies met de woningcorporatie Ymere?
Woningcorporatie Ymere heeft mijn ministerie desgevraagd laten weten dat er geen relatie is tussen haar en Ymere-advies. Gegeven de associatie die de naam- en vormgeving van de website oproepen met de woningcorporatie en het feit dat de laatste zich distantieert van de adviezen en tips die hierop worden gegeven, heeft woningcorporatie Ymere inmiddels juridische stappen ondernomen tegen de initiatiefnemers van de website.
Klopt het dat Ymere-advies diensten aan huurders aanbiedt dan wel constructies aanbiedt om onder de toewijzingsgrens van 33 614 euro voor sociale huurwoningen te blijven?
Op de website van Ymere-advies (na de juridische stappen van woningcorporatie Ymere omgedoopt tot Eimere-advies) worden dergelijke diensten en constructies inderdaad aangeboden.
Inmiddels is bekend geworden dat de website een «hoax» (nep) is. De website opent thans ook met deze mededeling. Daarbij geven de initiatiefnemers, die zich «het Efemeer Verbond van Woonstrijders» noemen, aan hiermee aandacht te willen vragen voor het in hun ogen slechte woonbeleid van het kabinet. Zij roepen burgers op de site op hun ongenoegen hierover bij mij en uw Kamer kenbaar te maken.
Wat is uw mening over onder meer de adviezen en tips (zoals de inzet van parttime werkenden een negatieve bonus, het voorkomen van promotie, afsluiten van een sociale, huurhypotheek,outsourcing etc) van Ymere-advies, en deelt u de mening dat dit in strijd is met het beleid van het kabinet?
Dergelijke adviezen en tips zijn naar mijn mening ongewenst en staan haaks op het kabinetsbeleid dat iedereen naar vermogen wil laten deelnemen in de samenleving.
Wat kunt u doen om te bereiken dat een organisatie zoals Ymere-advies zich niet meer met deze taken bezighoudt? Bent u voornemens om deze maatregelen ook in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 ook al blijkt, betreft Ymere-advies geenszins een adviesorganisatie, maar gaat het om een protestuiting tegen het woonbeleid van het kabinet. Hoewel ik betreur dat deze actie heeft geleid tot serieuze adviesvragen door mensen, zijn dit soort acties door mij niet te voorkomen. Ik overweeg dan ook geen maatregelen. Ik heb geconstateerd dat woningcorporatie Ymere inmiddels stappen onderneemt.
Het bericht dat sterftecijfers van ziekenhuizen onvoldoende betrouwbaar zijn |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat sterftecijfers van ziekenhuizen een vertekend beeld geven? Deelt u deze conclusie in het proefschrift van de heer W. van den Bosch?1
Ik vind het goed dat er gedegen onderzoek is gedaan naar de variatie in de HSMR (Hospital Standardised Mortality Ratio) die door andere bronnen wordt veroorzaakt dan door kwaliteit van zorg. De technische conclusies in het proefschrift stel ik niet ter discussie. Mijns inziens staat dat echter de openbaarmaking van de HSMR niet in de weg. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Erkent u dat het gevaar bestaat dat ziekenhuizen ten onrechte aan de schandpaal worden genageld door zorgverzekeraars, zoals we eerder zagen bij Zorgverzekeraar (CZ) die onrust zaaide onder patiënten met een zwarte lijst voor borstkankeroperaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze maakt u hier een einde aan?
In mijn brief over selectieve zorginkoop door Menzis van 21 oktober 2011 heb ik het belang van goede communicatie over kwaliteitscriteria benadrukt. Ik heb in die brief aangegeven dat ik van verzekeraars verwacht dat zij bij het proces van selectieve inkoop verantwoord omgaan met de gevolgen die dit kan hebben voor beeldvorming omtrent ziekenhuizen. In zijn algemeenheid zijn verzekeraars zich zeer bewust van het belang van een goede onderbouwing van de door hen gehanteerde kwaliteitseisen en van een zorgvuldige communicatie hierover naar zowel hun verzekerden als naar de zorgaanbieders met wie zij zaken doen. De HSMR leent zich voor een signaalfunctie en kan de aanleiding vormen voor een gesprek, waarin beide partijen samen kunnen onderzoeken in hoeverre een bijzonder hoge of een bijzonder lage HSMR ontstaan is door verschillen in kwaliteit van zorg of door andere bronnen. Tegen die achtergrond ben ik ervan overtuigd dat zorgverzekeraars niet louter op basis van de gecorrigeerde sterftecijfers contracten met ziekenhuizen zullen beëindigen.
Deelt u de mening dat de bizarre situatie ontstaat dat zorgverzekeraars ziekenhuizen gaan contracteren op basis van administratieve in plaats van kwaliteitsverschillen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat deze casus wederom bewijst dat selectieve zorginkoop door zorgverzekeraars op grond van gammele statistische gegevens niet de basis moet zijn voor de ordening van de ziekenhuiszorg, aangezien zorg mensenwerk is en het ene ziekenhuis het andere niet is? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de overheid verantwoordelijk is voor goede en toegankelijke ziekenhuiszorg voor iedere burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, ligt het dan niet in de rede dat u uw verantwoordelijkheid neemt voor een goede planning van het ziekenhuisaanbod in plaats van deze ordening over te laten aan de zorgverzekeraars en de vrije markt? Wilt u uw antwoord toelichten?
Het ligt niet in de rede dat ik mijn verantwoordelijkheid neem op de door u beschreven wijze. We hebben een aantal jaren geleden de centrale aanbodssturing van de Nederlandse gezondheidszorg vaarwel gezegd. Dit is gedaan op basis van de analyse dat centrale aanbodssturing verstarring in de hand werkt en geen of onvoldoende prikkels genereert voor kwaliteitsverbeteringen, innovatief gedrag en efficiënte zorgverlening. Daarom is er gekozen voor vraagsturing via het concept van gereguleerde concurrentie tussen zorgverzekeraars. De rol van de overheid beperkt zich tot het toezicht op de naleving van de afgesproken spelregels en het voldoen aan cruciale randvoorwaarden die bepalend zijn voor toegankelijkheid en kwaliteit (zoals normen voor spoedeisende zorg en de eisen van de Kwaliteitswet).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de kwaliteitsgegevens van ziekenhuizen op een degelijke manier worden gemeten en vergeleken? Zou de methode zoals gehanteerd in Zweden geen goed idee zijn? Zo nee, waarom niet?
In het Algemeen Overleg (AO) over het Kwaliteitsinstituut heb ik reeds aangegeven dat ik de lessen die wij kunnen leren van het Zweedse model van veel waarde acht, maar dat het Zweedse systeem niet één op één over te nemen is binnen het Nederlandse zorglandschap en dat ik dat ook niet wenselijk acht, omdat in Zweden bijvoorbeeld het patiëntenperspectief niet optimaal wordt meegenomen.
Het rapport Zorg voor Waarde geeft aan dat Zweden een goede kwaliteitstransparantie heeft en dat het openbaar maken van kwaliteitsinformatie een prikkel geeft om de kwaliteit van zorg te verhogen. Ik ga ervan uit dat openbaarmaking van gegevens, zoals de HSMR, een prikkel vormt om de registratie van kwaliteit verder te verbeteren en daaruit voortvloeiend ook de kwaliteit van zorg.
Wat is uw opvatting over het rapport Zorg voor Waarde?2 Wilt u de Kamer een reactie sturen? Zo nee, waarom niet?
Het rapport «Zorg voor Waarde» legt het Zweedse systeem van kwaliteitsregistratie en -transparantie naast het Nederlandse systeem. Dat is nuttig en daar kunnen wij veel van leren. In het AO over het Kwaliteitsinstituut hebben wij hier reeds over gesproken en in het antwoord op vraag 6 ga ik hier ook reeds op in. Ik zie geen aanleiding om hierover nog een reactie naar Uw Kamer te sturen.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de president van De Nederlandse Bank (DNB) over de risico’s van de hoge hypotheekschuld van Nederlanders en de noodzaak tot aanpassingen in de hypotheekaftrek?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de president van DNB dat aanpassing van de hypotheekrenteaftrek noodzakelijk is, gezien de hoge Nederlandse hypotheekschuld? Zo ja, hoe gaat u hier mee om? Zo nee, waarom negeert u de adviezen van deze belangrijke bewaker en adviseur op het gebied van de financiële en economische stabiliteit in Nederland?
Zoals diverse malen aan de Kamer gecommuniceerd, recent nog met de Woonvisie, is het beleid van het kabinet ten aanzien van de koopmarkt erop gericht om de hypotheekrenteaftrek in stand te houden en daarbij de financiële risico’s van hoge hypotheekschulden te beperken. De huidige onzekere situatie op de woningmarkt vergroot het belang van dit beleid. Wat betreft de huurmarkt wordt erop gewezen dat dit kabinet momenteel belangrijke structurele hervormingen doorvoert, zoals het focussen van corporaties op hun kerntaken en het bevorderen van de doorstroming.
Het kabinet heeft steeds overlegd met alle partijen, zowel in de aanloop naar de Woonvisie als daarna. Mede gelet op de uitvoering van de in de Woonvisie opgenomen maatregelen voor de koop- en huursector is het kabinet van mening dat een woonakkoord niet nodig is. Naar het oordeel van het kabinet is een discussie over verandering van de hypotheekrenteaftrek in ieder geval niet geschikt voor verbetering van de woningmarkt.
Ten aanzien van de financiële risico’s van de hoge schulden, kan ten eerste worden gewezen op het veelvoud aan maatregelen die in nationaal en internationaal verband genomen worden om de financiële stabiliteit te verankeren. De Kamer is in het afgelopen jaar op diverse momenten geïnformeerd over de stappen om de regelgeving voor en het toezicht op de financiële sector te versterken. Ten tweede wordt gewezen op de stappen van het kabinet, de AFM, en de sector om de risico’s van hoge hypotheekschulden te beperken. Per 1 augustus is de nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) van kracht geworden. De excessen in hypotheekverstrekking zijn hiermee aangepakt en de kans op restschulden bij de consument is verkleind. De nieuwe GHF stelt dat het aflossingsvrije gedeelte van een hypotheek niet meer mag bedragen dan 50% van de marktwaarde van de woning op het moment van verstrekking van de hypothecaire financiering. Daarnaast is er in de nieuwe GHF een maximale Loan-to-Value ratio geïntroduceerd. De tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting levert eveneens een bijdrage aan het verminderen van financiële risico’s door lagere Loan-to-Value ratio’s op hypotheken.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de president van DNB dat het afsluiten van aflossingsvrije hypotheken moet worden ontmoedigd door de hypotheekrenteaftrek gedurende de looptijd van de lening af te bouwen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de uitspraken van de president van DNB aangeven dat het noodzakelijk is dat de regering op dit onderwerp tot voorstellen en een visie voor aanpassingen in de hypotheekrenteaftrek komt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om met alle betrokken partijen een nationaal Woonakkoord over integrale maatregelen ten aanzien van de huur-en koopmarkt te sluiten, waar het voorstel van de president van DNB onderdeel van uit maakt en waarin dit nader wordt uitgewerkt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om op dit terrein nog in deze kabinetsperiode de benodigde wetswijzigingen aan de Kamer voor te leggen?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat hedgefunds profiteren van de eurocrisis |
|
Ronald Plasterk (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de BBC-uitzending waaruit blijkt dat hedgefunds profiteren van de crisis in Griekenland?1
Ja.
Is het waar dat hedgefunds niet deelnemen aan de geplande haircuts voor Griekse staatsobligaties?
Nee, ook de hedgefunds zijn private beleggers en worden geacht deel te nemen aan de herstructurering.
Is het waar dat dit ertoe leidt dat met geld dat uiteindelijk van de belastingbetalers komt de meeste private crediteuren (banken) worden verleid om een verlies te nemen van 50%, als gevolg waarvan de resterende private crediteuren (hedgefunds) de volledige nominale waarde kunnen incasseren? Betekent dit dat het nu kennelijk interessant wordt voor deze hedgefunds om goedkoop Grieks staatspapier te kopen, en hier groot voordeel te incasseren?
Nee, omdat het uitgangspunt wordt gehanteerd dat hedgefunds ook worden meegenomen in de obligatieomruil zullen zij geen bijzondere winsten maken als gevolg van deze hele operatie. Mocht blijken dat hedgefunds of andere private obligatiehouders op grote schaal weigeren om mee te doen met de obligatieomruil dan komt de beoogde doelstelling van de omruiloperatie, zijnde het herstellen van de schuldhoudbaarheid van Griekenland, in gevaar. Het doorgaan van de PSI is gebaseerd op een zeer hoge deelname van private partijen, zoals ook blijkt uit de conclusies van de Eurotop. Het bereiken van een schuldniveau van 120% BBP in 2020 is immers alleen mogelijk als er een grote bijdrage van de private sector komt. Ook het IMF heeft schuldhoudbaarheid als voorwaarde gesteld. Als veel obligatiehouders er voor zouden kiezen om niet deel te nemen, lopen alle obligatiehouders het risico dat de PSI niet doorgaat en er geen aanvullend programma voor Griekenland komt. In dat geval bestaat de reële kans dat de vrijwillige omruil wordt omgezet in een verplichte omruiloperatie waardoor zij alsnog een haircut moeten accepteren of dat er veel grotere verliezen worden geleden.
Is het waar dat verschillende hedgefunds dit inmiddels doorhebben en hiervan flink profiteren en hiermee indirect profiteren van het belastinggeld dat eurolanden in het steunpakket stoppen?
Zoals in antwoord op vraag 3 reeds is aangegeven, is de route die beschreven wordt in het BBC-programma niet bewandelbaar.
Wat is uw reactie op het bovenstaande? Deelt u de mening dat niet wenselijk is? Bent u van plan bij de uitwerking van het steunpakket dit zo snel mogelijk aan de kaak te stellen in Europees verband?
Het is uiteraard niet wenselijk dat sommige private partijen zouden kunnen meeliften op de positieve effecten van de obligatie-omruil zonder daaraan een bijdrage te leveren. In de wijze waarop de Eurotop mandaat heeft gegeven aan de onderhandelingen over PSI is hiermee al rekening gehouden. De randvoorwaarden die op 26 oktober gesteld zijn, zijn alleen realiseerbaar met een zeer grote deelname in de PSI.
De uitzending van Zembla waaruit blijkt dat jeugdzorginstellingen klachten van seksueel misbruik negeren en daarmee kwetsbare kinderen ernstig in gevaar brengen. |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Zembla waaruit blijkt dat jeugdzorginstellingen klachten van seksueel misbruik negeren en daarmee kwetsbare kinderen ernstig in gevaar brengen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat seksueel misbruik van pleegkinderen jarenlang kon doorgaan zonder dat jeugdzorginstellingen ingrepen?
Het verhaal dat uit de Zembla-uitzending naar voren komt vind ik een ernstige zaak. Binnen de jeugdzorg moet de veiligheid van het kind altijd voorop staan. In de Wet op de jeugdzorg is opgenomen dat zorgaanbieders verantwoordelijk zijn voor het bieden van verantwoorde zorg. In de praktijk bleek echter niet altijd duidelijk te zijn wie verantwoordelijk is voor het zicht op veiligheid van een kind in een pleeggezin of instelling. Daarom heb ik inmiddels samen met het veld een aantal afspraken gemaakt om situaties zoals deze zich hebben voorgedaan bij Stichting Kind te voorkomen.
Bij particulier jeugdzorgaanbod, waar in het geval van de Stichting Kind sprake van was, was lang onduidelijk wie verantwoordelijk was voor de kwaliteit van de geleverde zorg en het zicht op de veiligheid van de kinderen. Naar aanleiding van signalen van de Inspectie Jeugdzorg, mede op basis van deze zaak, is daarover inmiddels een nieuwe lijn vastgesteld. Per brief van 1 maart 2011 (Kamerstukken 2010/11, 31 839, nr. 87) heb ik u geïnformeerd over de afspraken rondom particulier zorgaanbod. Particuliere jeugdzorgaanbieders mogen alleen nog worden ingeschakeld in een onderaannemerconstructie met een door de provincie gesubsidieerde zorgaanbieder. De hoofdaannemer is dan verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde zorg bij de onderaannemer. Het zicht op de veiligheid van kinderen bij particuliere jeugdzorgaanbieders binnen het provinciale domein is daarmee geborgd. De Inspectie Jeugdzorg ziet toe op de naleving van deze afspraken.
Daarnaast zijn in het kwaliteitskader voorbereiding en screening aspirant pleegouders, waarover ik u per brief van 24 mei 2011 (Kamerstukken 2010/11, 31 839, nr. 18) heb geïnformeerd, afspraken vastgelegd over de wijze waarop pleegzorgaanbieders aspirant pleegouders screenen. Bovendien onderzoek ik, conform een toezegging daarover aan uw Kamer, op welke wijze gegevensuitwisseling over geschikte of juist ongeschikt geachte pleegouders kan bijdragen aan een verbetering van de veiligheid van kinderen in pleeggezinnen. Zoals ook vermeld in de beantwoording van vraag 9 en 10 van het lid Kooiman (2011Z22492) zult u begin 2012 worden geïnformeerd over de stand van zaken.
Tenslotte wordt in het najaar van 2012 het eindrapport van de commissie Samson verwacht. De commissie doet onderzoek naar jongeren die onder verantwoordelijkheid van de overheid in jeugdzorginstellingen of pleeggezinnen zijn geplaatst. De conclusies en aanbevelingen van deze commissie zullen in de verdere vormgeving van het beleid worden meegenomen.
Is het waar dat de pleegouders M., in april 2011 veroordeeld voor mishandeling en seksueel misbruik van hun pleegkinderen, van diverse jeugdzorginstellingen door het hele land in tien jaar tijd de verantwoordelijkheid kregen over in totaal zevenenzeventig kinderen?
Als staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ben ik verantwoordelijk voor het landelijke beleid voor jeugdzorg. Ik treed niet in de beoordeling van individuele zaken. In meer algemene zin kan ik uw vraag als volgt beantwoorden. De situatie die zich heeft voorgedaan bij Stichting Kind laat zien dat communicatie tussen betrokken instellingen van groot belang is voor de kwaliteit van zorg en de veiligheid van het kind. Bij de beantwoording van vraag 2, 8 en 9 heb ik u geïnformeerd over het beleid dat inmiddels is ingezet ter voorkoming van situaties zoals bij Stichting Kind.
Was jeugdzorg bekend met de twijfels die bestonden over het pedagogische klimaat waarin de pleegkinderen opgroeiden en de kwaliteit van zorg die ver onder de maat was? Zo ja, hoe is het dan toch mogelijk geweest dat die kinderen daar mochten opgroeien? Zo ja, deelt u dan de mening dat er te weinig is gedaan me die twijfels?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat schoolartsen, vrijwilligers en zelfs slachtoffers vanaf 2002 keer op keer misstanden en signalen van kindermishandeling en seksueel misbruik meldden bij onder andere het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)? Zo ja, kunt u een chronologisch overzicht geven van alle meldingen die in dat verband gedaan zijn bij de verschillende instanties? Zo ja, deelt u dan de mening dat er sprake is geweest van falend beleid bij de betrokken autoriteiten en dat kinderen onnodig in gevaar zijn gebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de meldingen van kindermishandeling en seksueel misbruik bij het pleeggezin in 2004 voor Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant aanleiding vormden voor het weghalen van hun kinderen bij het pleeggezin en dat het toch in 2008 willens en wetens een zesjarig jongetje bij dit gezin heeft geplaatst? Zo ja, wat is dan nu uw oordeel over de plaatsing van het zesjarig jongetje bij dit gezin? Zo nee, wat is hieraan niet waar?
Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant heeft mij geïnformeerd dat nadat er twijfels waren over het pedagogische aanbod bij Stichting Kind, zij alle kinderen hier in 2004 hebben weggehaald. Tot 2008 heette deze aanbieder «Stichting Kind van de rekening». De naam werd veranderd in «Stichting Kind» en vervolgens heeft Bureau Jeugdzorg er opnieuw een kind geplaatst. Deze fout is snel erkend en hersteld door het kind bij Stichting Kind weg te halen. Dit onderstreept eens te meer de noodzaak van de afspraak die inmiddels is gemaakt dat bureaus jeugdzorg geen kinderen direct meer mogen plaatsen bij instellingen. Plaatsing mag uitsluitend bij provinciaal gefinancierde zorgaanbieders, die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van zorg, alsook voor de zorg die zij inkopen bij particuliere zorgaanbieders.
Is het waar dat Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant vervolgens heeft nagelaten om andere jeugdzorginstellingen, die ook kinderen bij de pleegouders hadden geplaatst, te waarschuwen? Zo ja, deelt u de mening dat daardoor andere kinderen onnodig in gevaar zijn gebracht? Zo ja, op welke wijze zal Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant ter verantwoording worden geroepen voor het falend optreden?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat de centrale regie bij de aanpak van kindermisbruik ontbreekt, waardoor kinderen ernstig in gevaar worden gebracht? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om de falende communicatie tussen jeugdzorginstellingen aan te pakken? Zo nee, hoe verklaart u dat na 2004 jeugdinstellingen uit het hele land ontwetend nog tientallen kinderen hebben geplaatst bij de pleegouders?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat nog steeds het risico dat kinderen die onder toezicht van de overheid in een pleeggezin of instelling zijn of worden geplaatst niet veilig zijn? Zo ja, hoe groot acht u dit risico en wat gaat u ertegen doen? Zo nee, hoe kunt u dit risico uitsluiten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel meldingen/aangiftes van seksueel misbruik van kinderen zijn er sinds 2002 gedaan door een hulpverlener dan wel het bestuur van een jeugdzorginstelling naar aanleiding van het amendement van de leden Arib en Van der Vliet?2 Welke sancties worden er verbonden aan het niet naleven van de meldplicht voor situaties waarbij hulpverleners zich schuldig maken aan seksueel misbruik van kinderen?
De meldplicht houdt in dat een professional, werkzaam bij een zorgaanbieder, verplicht is de zorgaanbieder te informeren indien hij op de hoogte is van kindermishandeling door een collega beroepsbeoefenaar. De zorgaanbieder doet hiervan onverwijld melding aan het AMK. De instelling is zelf verantwoordelijk voor eventuele acties voor het niet naleven van de meldplicht. Zo moet de instelling bijvoorbeeld melding van een calamiteit doen bij de Inspectie Jeugdzorg, die vervolgens kan besluiten onderzoek te doen naar de calamiteit. Navraag bij de Inspectie Jeugdzorg heeft mij geleerd dat zij in de jaren 2008, 2009 en 2010 in totaal 175 meldingen van (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft ontvangen. Dit cijfer ziet zowel op (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag van hulpverleners en andere volwassenen jegens jeugdigen als op (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag van jeugdigen onderling.
De alarmerende situatie van mensenrechtenverdedigers in de Democratische Republiek Congo (DRC) |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten of er inmiddels overleg is geweest met EU-partners over het monitoren van de vijf mensenrechtenverdedigers, M. Dismas Kitenge Singa, Me Justin Bahirwe, Jonas Tsiombela, Jean Claude Katende en Kizito Mushizi Nfunkiko? Indien ja, welke afspraken zijn er gemaakt tussen de EU-partners? Welke toezeggingen heeft Nederland precies gedaan?
Met de EU-partners in Kinshasa is afgesproken dat Nederland het monitoren van de situatie van Jean Claude Katende op zich zal nemen. Nederland onderhoudt daartoe contact met hem en met relevante organisaties in de DRC en in Europa. Duitsland heeft Katende in 2010 een visum voor langere termijn gegeven. Rond de verkiezingen was hij in Europa en werd in Nederland door het ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen.
De situatie van de overige mensenrechtenwerkers wordt door de lokale EU werkgroep gevolgd, waarbij Justin Bahirwe en Dismas Kitenge Singa in de afgelopen periode van respectievelijk Italië en Frankrijk visa hebben gekregen om naar Europa te kunnen reizen.
Wat is uw opvatting over het Duitse aanbod dat aan mensenrechtenverdediger Jean Claude Katende is gedaan, waaruit blijkt dat hij direct een noodvisum heeft gekregen toen de situatie te alarmerend werd in Congo? Bent u bereid om dit voorbeeld te volgen en dit ook aan te bieden aan de in vraag 1 genoemde Congolese mensenrechtenverdedigers? Indien nee, waarom niet?
Zoals ik heb gemeld in mijn antwoord van 21 oktober jl. op uw eerdere vragen (uw referentie 2011Z18817) en in de brief die ik mede namens mijn ambtgenoot van Immigratie en Asiel op 2 mei jl. aan de Kamer stuurde, bestaat de mogelijkheid om visa te verstrekken aan mensenrechtenverdedigers die in acute nood verkeren en die niet in hun eigen land of in de regio kunnen worden opgevangen. Geen van de genoemde mensenrechtenverdedigers heeft tot op heden om een dergelijk noodvisum verzocht.
Deelt u de mening dat het wenselijk zou zijn om afstemming tussen EU-partners over noodvisa van mensenrechtenverdedigers te bewerkerstelligen, gezien het gegeven dat deze mensenrechtenverdedigers vaak in de meest zorgwekkende omstandigheden – waar voor hen mogelijke bedreigingen, martelingen en ontvoeringen aan de orde van de dag zijn – hun werk moeten verrichten en een noodvisum in een EU-land een preventieve veiligheidsmaatregel kan zijn? Indien nee, waarom niet?
Mensenrechtenverdedigers kunnen zelf een visumaanvraag indienen en wenden zich daartoe veelal tot een bepaalde EU-ambassade vanwege banden met organisaties in dat land of met het land zelf. Nederland geeft een dergelijk visum alleen af in geval van een acute noodsituatie en niet als preventieve maatregel.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de conferentie die belegd zou worden in het kader van het verspreiden van «best practices» op het gebied van het Shelter-City initiative? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het instellen van een aanspreekpunt (focal point) voor dit initiatief?
De Europese Commissie laat momenteel een onderzoek uitvoeren naar de reeds bestaande initiatieven op het gebied van Shelter Cities. Zodra dit afgerond is zal door de Commissie een bijeenkomst belegd worden ter bespreking van de best practices. Vragen over een aanspreekpunt worden daarin meegenomen.
Deelt u de mening dat het juist wel wenselijk zou zijn om EU-Hoge Vertegenwoordiger Ashton aan te sporen om de situatie van deze mensenrechtenverdedigers als prioriteit op de agenda te plaatsen voor overleg met uw EU-collega’s, gezien het gegeven dat het mandaat voor een Speciale Gazant Grote Meren nog steeds onduidelijk is en de nationale verkiezingen op 28 november a.s in Congo zullen plaatsvinden? Indien nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn brief van 21 oktober heb aangegeven is deze problematiek in de DRC op dit moment naar behoren aan de orde bij de EU. Ik zie dan ook geen aanleiding tot nader overleg met de Hoge Vertegenwoordiger van de EU.
Het vrijwillige mobiliteitsplan voor leerkrachten in krimpgebieden “in beweging” |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het project «In beweging» van het Personeelscluster Oost Nederland (PON)?
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe beoordeelt u dit initiatief, dat vanwege de terugloop in Oost-Nederland van werkgelegenheid voor leerkrachten in het primair onderwijs is opgezet om vrijwillige mobiliteit te stimuleren en om gedwongen ontslagen te voorkomen?
Dat beoordeel ik positief. Het is immers in het belang van werkgevers, werknemers en de sector dat alles wordt gedaan om werkloosheid te voorkomen.
Hoe beoordeelt u de positieve resultaten die in het afgelopen jaar zijn geboekt?
Het is positief dat er in het afgelopen jaar veel vrijwillige mobiliteit is ontstaan, dat er geen ontslagen nodig waren en dat boventalligheid – formatieve frictie – is weggenomen.
Kunt u bevestigen dat, na een verkennend gesprek met uw ministerie over het ondersteunen van het project, de initiatiefnemers door OCW zijn doorverwezen naar het Participatiefonds?
OCW heeft de initiatiefnemers doorverwezen om de volgende redenen. Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het personeelsbeleid en het mobiliteitsbeleid. Waar mogelijk ondersteunt het Participatiefonds de schoolbesturen hierbij. Als ontslag niet te vermijden is, financiert het fonds in principe de werkloosheidsuitkering. Het participatiefonds verevent de kosten van de werkloosheidsuitkeringen over alle schoolbesturen. De eventuele baten van een goed mobiliteitsbeleid komen zo via premieverlaging ten goede aan alle schoolbesturen. Ook verzorgt het Participatiefonds re-integratiebeleid. In verband met de geschetste rolverdeling is het PON doorverwezen.
Deelt u de mening, dat de samenwerking binnen het project «In beweging» de uitgaven van het Participatiefonds verlaagt doordat ontslaguitkeringen worden voorkomen?
zie vraag zeven.
Deelt u de mening dat een investering in een project zoals «In beweging» zich terugverdient door minder gedwongen ontslagen en meer arbeidsparticipatie van leerkrachten?
zie vraag zeven.
Bent u bereid financiële ondersteuning vanuit het Participatiefonds aan preventieve en kostenbesparende projecten, zoals het project «In beweging», te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het bestuur van het Participatiefonds om een beslissing te nemen over ondersteuning van projecten zoals het project «In beweging». Het Participatiefonds is een zelfstandig bestuursorgaan dat wordt bestuurd door vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers en werknemers. Het Participatiefonds heeft de deskundigheid om te beoordelen of met dit project ontslaguitkeringen worden voorkomen en of het project zich terugverdient.
Wanneer en voor welke omvang kan het project «In beweging» voor financiële ondersteuning in aanmerking komen?
Zoals bij vraag 7 aangegeven: het is aan het bestuur van het Participatiefonds om hierover een beslissing te nemen. Werkgevers en werknemers dragen samen de verantwoordelijkheid voor het personeelsbeleid en het mobiliteitsbeleid. Het is mijn verantwoordelijkheid om te zorgen voor een stelsel dat schoolbesturen de ruimte biedt om hun verantwoordelijkheid waar te maken. Daarom zorg ik er voor dat de besturen in krimpgebieden voldoende tijd krijgen om de transitie te maken naar een goed en toegankelijk onderwijsaanbod van voldoende diversiteit. Een aantal voorzieningen kent het stelsel al. De daling van de bekostiging loopt altijd een jaar achter op de daling van het aantal leerlingen (de t-1 bekostiging). Kleine scholen krijgen meer bekostiging per leerling dan grotere scholen (door de kleine scholen toeslag en de vaste voet per school). Scholen die fuseren, krijgen de vermindering van de bekostiging twee jaar gecompenseerd (eerste jaar 100%, tweede jaar 50%). De opheffingsnormen worden elke vijf jaar aangepast aan de demografische ontwikkelingen. Bij daling van het aantal leerlingen, dalen zo ook de opheffingsnormen, waardoor er ook in dunbevolkte gebieden voldoende scholen zijn. De bekostiging van scholen stopt pas nadat scholen drie jaren achtereen onder de opheffingsnorm zitten. Er zijn verschillende bepalingen in de wet opgenomen, waardoor scholen ook onder de opheffingsnorm kunnen blijven bestaan (laatste school van een richting, geen andere scholen in de buurt).
Daar zijn, of worden binnenkort, de volgende maatregelen aan toegevoegd. Er komt een wetsvoorstel om er voor te zorgen dat de bekostiging van scholen pas stopt nadat scholen vijf achtereenvolgende onder de opheffingsnorm zitten. Dat geeft besturen meer tijd. De regeling die het verlies van bekostiging bij fusie compenseert wordt verlengd van twee jaar naar vijf jaar (eerste jaar 100% compensatie, daarna elk jaar 20% minder). Ook dat geeft meer tijd.
Daarnaast is ter wille van de denominatieve diversiteit in het onderwijsaanbod de samenwerkingsschool (een school die zowel openbaar als bijzonder is) mogelijk gemaakt, als anders het openbaar onderwijs of het onderwijs van een richting met opheffing wordt bedreigd. Ook kan ik toestaan dat scholen met minder dan 23 leerlingen tijdelijk worden opengehouden, als er op termijn perspectief is op meer leerlingen. Dat kan van belang zijn als juist deze school bij de herschikking van het onderwijs aanbod open zou moeten blijven om leerlingen van andere scholen die moeten sluiten op te vangen.
Dit pakket van voorzieningen biedt schoolbesturen voldoende tijd en geld om de overgang naar een kleinere organisatie met minder scholen beheerst te maken en om de formatie geleidelijk aan te passen aan de verminderde aantallen leerlingen. Zo zorg ik voor de nodige aanpassingen in het stelsel en bied ik de werkgevers en werknemers tijd en ruimte om te zorgen voor een goed mobiliteitsbeleid.
Het bericht 'patiënten terug op straat' |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Patiënt terug op straat. Directeur Parnassia: De ellende begint weer»?1
Ik deel niet de stelling dat duizend psychiatrische patiënten volgend jaar in Rotterdam en omstreken op straat zullen belanden door de bezuinigingen. Het is niet aangetoond dat invoering van de eigen bijdrage deze effecten zal hebben op de patiënt. Daarbij is bij de uitvoering van de maatregel rekening gehouden met een aantal uitzonderingen. Dakloze mensen bijvoorbeeld worden vaak door middel van bemoeizorg benaderd. Mensen die een GGZ behandeling nodig hebben en die door middel van bemoeizorg benaderd worden, hoeven geen eigen bijdrage te betalen. Ook mensen die gedwongen worden opgenomen (BOPZ-zorg) en mensen die met een crisis worden opgenomen (crisis DBC) hoeven geen eigen bijdrage te betalen. Ik denk dat door deze uitzonderingen de effecten van de eigen bijdrage worden verzacht.
Het kabinet zal de effecten van het invoeren van een eigen bijdrage op zorgmijding gaan monitoren. De Kamer zal op de hoogte worden gehouden van de stand van zaken.
Hoeveel ex-daklozen met psychiatrische problemen zullen terugvallen in een leven op straat?
Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 1.
Moet iemand eerst dakloos worden, door het staken van behandeling, om weer zorg te krijgen? Kan een toelichting worden gegeven?
Indien een patiënt in 2012 een behandeling start zonder dat er sprake was van bemoeizorg of gedwongen opname of crisiszorg, zal de patiënt een eigen bijdrage moeten betalen van € 200 per jaar (€ 16,50 per maand). Het is dus niet nodig om eerst dakloos te worden om zorg te krijgen.
Bent u het met de directeur van Parnassia eens dat vooral mensen die in het verleden zorg meden, een terugval zullen krijgen en in een isolement terecht komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Mensen die in het verleden zorg meden, kunnen in de toekomst gewoon via bemoeizorg benaderd worden. Zij hoeven dan geen eigen bijdrage te betalen. Van een terugval of een isolement hoeft mijns inziens dus geen sprake te zijn.
Noemt u het menswaardige en effectieve zorg wanneer mensen in een isolement of op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Bent u het eens met de Rotterdamse geestelijke gezondheidszorginstelling Bouman GGZ dat meer overlast zal ontstaan voor inwoners, en dat de gezondheidstoestand van psychiatrische patiënten achteruit zal gaan? Zo nee, waarom niet?2
Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 1 tot met 4.
Deelt u de mening dat, wanneer de gezondheid van psychiatrisch patiënten achteruit gaat, dit meer geld zal kosten dan het voorkomen ervan en dat om die reden bezuinigen op de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) niet verstandig is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat als de gezondheid van psyschiatrische patiënten achteruit gaat, dit meer geld gaat kosten. Ik ben alleen niet van mening dat de maatregelen die worden genomen daar direct toe zouden leiden. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1 en 4.
Wat gaat u doen om overlast die daklozen met psychische problemen kunnen veroorzaken te voorkomen en waarom?
Ik heb daarvoor onlangs de maatregel genomen dat mensen die benaderd worden door middel van bemoeizorg geen eigen bijdrage hoeven te betalen. Dit geldt over het algemeen voor daklozen met psychische problemen.
Bent u van mening dat het invoeren van een eigen bijdrage er bij zorgverleners toe kan leiden dat zij eerder zullen kiezen voor een gedwongen opname voor mensen in psychische nood met geldproblemen, omdat die patiënten bij een rechterlijke machtiging geen eigen bijdrage hoeven te betalen?
Ik vertrouw erop dat aanbieders rechtmatig en professioneel zullen handelen en patiënten niet met een gedwongen opname confronteren als dat niet nodig. Een rechterlijke machtiging is immers heel ingrijpend. Bovendien moet bij een rechterlijke machtiging de rechter altijd afwegen of er sprake is van een causaal verband tussen de psychische aandoening en het gevaar dat iemand voor zichzelf of zijn omgeving veroorzaakt.
Bent u tevens van mening dat zorgmijders en dak- en thuislozen voorkomen moeten worden, en dat daarom geen eigen bijdragen en bezuinigingen in de geestelijke gezondheidszorg ingevoerd moeten worden?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1. Ik vertrouw erop dat de uitzonderingsmaatregelen die ik heb getroffen zullen volstaan.
Wanneer verwacht u het rapport «Aard en omvang GGZ- en verslavingspreventie 2010», dat al in oktober beschikbaar zou zijn? Kunt u het de Kamer zo spoedig mogelijk, met uw reactie, toesturen?
Ik verwacht op korte termijn het rapport te ontvangen. Zodra ik het in bezit heb, zal ik het u doen toekomen.
Op welke wijze wordt de dekking van € 1 miljoen gevonden in de zorginkoop naar aanleiding van de motie Mulder?3 Hoe gaat u voorkomen dat de scherpere zorginkoop andere GGZ-patiënten raakt?
De dekking wordt gevonden door de maatregel scherpere inkoop met € 1 miljoen te verhogen. Ik verwacht niet dat deze maatregel andere GGZ-patiënten raakt omdat ik van mening ben dat zorgaanbieders hun zorgprocessen efficiënter kunnen inrichten, waardoor de patiënt niet de dupe hoeft te zijn van de maatregel.
Ruimte in het Budgettair Kader Zorg (BKZ) |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat voor de premiegefinancierde zorguitgaven voor farmaceutische hulp voor 2011 en 2012 resp. € 5459,8 mln en € 5391,4 mln is begroot? Is hierbij rekening gehouden met volumegroei, en de beschikbaarheid van nieuwe (dure) geneesmiddelen)? Is de gevolgtrekking juist dat u een kostendaling van € 68,4 miljoen verwacht?
Ja, de geraamde uitgaven voor (extramurale) geneesmiddelen zijn voor 2011 € 5 459,8 mln. en voor 2012 € 5 391,4 mln. Daarmee zijn de geraamde uitgaven voor 2012 € 68,4 mln. lager dan in 2011. Daarbij is (onder meer) rekening gehouden met volumegroei en de beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de overheveling van TNF-alfaremmers naar het ziekenhuiskader (-/- € 450 mln.).
Klopt het dat in 2012 de extramurale kosten van de TNF-alfa-remmers worden overgeheveld naar de intramurale financiering (– € 425 mln; prognose GIP databank, april 2011), de maagzuurremmers voor niet chronische patiënten uit het pakket gaan (– € 75 mln) en daarnaast de herberekening van de Wet geneesmiddelenprijzen (WGP) en preferentiebeleid van zorgverzekeraars (– € 100 mln) zullen leiden tot verdere kostenreductie?
Het klopt dat per 1 januari 2012 de TNF-alfaremmers worden overgeheveld naar de ziekenhuisbekostiging en dat het extramurale kader is hiervoor vermindert (met € 450 mln.). Het is eveneens juist dat maagzuurremmers voor niet- chronische patiënten uit het pakket gaan en dat het extramurale farmaciekader op grond daarvan met € 75 mln. is verlaagd. De periodieke herberekening van de WGP-maximumprijzen en een uitbreiding van het preferentiebeleid in 2012 zullen negatieve invloed hebben op de stijging van de uitgaven voor de extramurale geneesmiddelenvoorziening. Welke bedragen daarmee gemoeid zijn is vooraf niet precies aan te geven en hangt af van het marktgedrag en de feitelijke ontwikkelingen in 2012.
Betekent bovenstaande dat het budget voor farmacie met € 600 mln zal dalen ten gevolge van deze maatregelen? Klopt het dat u netto rekent met een budgetdaling van € 68,4 mln? Betekent dit dat er een ruimte wordt verwacht van ongeveer € 530 mln. op dit dossier? Is deze berekening juist? Zo nee, op welke punten wijkt uw berekening af?
Als gevolg van de overheveling van de TNF-alfaremmers en de pakketuitname van de maagzuurremmers dalen de geraamde uitgaven voor extramurale geneesmiddelen met € 525 mln. Alles in aanmerking nemende, zijn de geraamde uitgaven voor extramurale farmaceutische zorg in 2012 € 68,4 mln. lager dan in 2011. Dit betekent echter niet dat er een ruimte wordt verwacht van ongeveer € 530 mln. op dit dossier. Het budget voor de TNF-alfaremmers wordt immers overgeheveld naar het ziekenhuiskader, onder gelijktijdige verlaging van het kader voor de extramurale geneesmiddelenvoorziening. De ruimte als gevolg van de getroffen maatregelen is binnen het totaal van de begroting 2012 reeds volledig ingezet.
Hoe plaatst u de opmerking van de directeur van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) dat er 7% ruimte is om apothekers meer geld te geven?1 Is deze prijsstijging ook in de berekening van het Budgettair Kader Zorg (BKZ) verwerkt? Vindt u deze prijsstijging wenselijk en/of noodzakelijk? Welke ruimte in het BKZ is bestemd voor prijsverhoging apotheekhoudenden?
In het kader voor de extramurale farmaceutische zorg wordt rekening gehouden met groei van de uitgaven voor farmaceutische zorg. Deze groeiruimte is niet gereserveerd voor het beter belonen van apotheekhoudenden. Deze groeiruimte is bestemd voor het kunnen betalen van volumestijgingen (waaronder extra werk van apotheekhoudenden) en voor het financieren van meer en nieuwe (vaak) duurdere geneesmiddelen. Ook is rekening gehouden met een generieke loon- en prijsbijstelling. In het aangehaalde artikel in het Pharmaceutisch Weekblad wordt overigens vermeld dat de 7% groeiruimte is bedoeld voor «prijs-volume en innovatieontwikkelingen» en niet «dat er 7% ruimte is om apothekers meer geld te geven».
De prijzen en tarieven voor farmaceutische zorg zullen in onderhandeling tussen apotheekhoudenden en zorgverzekeraars tot stand moeten komen. Uitgangspunt daarbij is dat goede apothekers beter beloond worden dan minder goede apothekers. In plaats van het belonen van volume (de hoeveelheid) zal de kwaliteit van de dienstverlening en het resultaat voor de patiënt voorop staan. Daarbij kan specialisatie een rol spelen. Overigens zal een zorgaanbieder/onder-nemer altijd moeten nagaan of hij de farmaceutische zorg nog doelmatiger en efficiënter kan aanbieden. Er is daarom geen afzonderlijke ruimte aangegeven in het BKZ die bestemd is voor prijsverhogingen voor apotheekhoudenden.
Welke kostenstijgingen verwacht u vanwege het feit dat u de prijzen van geneesmiddelen vrij geeft?
Ik verwacht geen kostenstijging vanwege het feit dat de prijzen die apothekers aan patiënten en zorgverzekeraars in rekening brengen per 1 januari 2012 vrij zullen zijn. Als er contracten tot stand komen hebben apotheekhoudenden en zorgverzekeraars overeenstemming over de hoogte van de prijzen. Zorgverzekeraars zullen in de contracten naar verwachting niet zomaar prijsstijgingen accepteren. Een aantal zorgverzekeraars zal in 2012 een eigen clawback hanteren in plaats van de afgeschafte wettelijke clawback. De prijzen zullen in 2012 ook beheerst worden door bijvoorbeeld het zogenaamde pakjesmodel, waarbij een vaste gemiddelde prijs voor ieder afgeleverd geneesmiddel geldt. Voor niet-gecontracteerde zorg (als er geen contracten tot stand komen) geldt een restitutievergoeding. Een zorgverzekeraar zal die vergoeding (voor de zorg en de geneesmiddelen) niet hoger vaststellen dan de zorgverzekeraar redelijk acht.
Klopt het dat u eerder heeft aangegeven dat bij de vrije prijzen de zorgverzekeraar de apotheker moet betalen voor zijn toegevoegde waarde, en niet zomaar meer geld moet geven? Is dat nog steeds uw standpunt, en hoe kwalificeert u in dit licht de uitlatingen van de KNMP?
Ja. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat, indien het waar is dat er minder kosten gemaakt zullen worden in de premiegefinancierde zorguitgaven voor farmaceutische hulp dan uit huidige berekeningen blijkt, deze ruimte aangewend dient te worden om maatregelen die verzekerden direct treffen terug te draaien? Zo nee, waar wilt u dit geld dan voor gebruiken?
In algemene zin kan ik hierover opmerken dat meevallers in principe niet aangewend worden om maatregelen terug te draaien. De budgettaire spelregels (de zgn. regels budgetdiscipline) brengen met zich dat meevallers mogen worden ingezet voor tegenvallers. Zie ook mijn antwoord op vraag 3 ten aanzien van het inzetten van de beschikbare ruimte.
Bent u bereid de antwoorden op deze vragen aan de Kamer te zenden vóór aanvang van de behandeling van de begroting 2012?
Ja.
Het discrimineren van Turken, Marokkanen en Surinamers door uitzendbureaus |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat ruim driekwart van de Nederlandse uitzendbureaus zich schuldig maakt aan discriminatie?1
Deelt u de mening dat het schandalig is dat ruim driekwart van de bureaus verzoeken van werkgevers inwilligt om geen Turken, Marokkanen of Surinamers te leveren voor vacatures? Wat gaat u aan deze discriminatie doen?
Wat vindt u er van dat uitzendbureaus voorstellen een namenlijst met de uitzendkrachten voor te leggen, zodat de werkgever zelf de Marokkaans, Turks of Surinaams klinkende namen kan schrappen? Indien dit gebeurt, zijn uitzendbureau en werkgever dan strafbaar?
Wat vindt u er van dat de uitzendbureaus aangeven te weten dat discriminatie wettelijk verboden is, in strijd met de Wet algemene behandeling, maar desondanks het verzoek toch inwilligen? Wat gaat u hier tegen doen?
In hoeverre draagt de discriminatie door uitzendbureaus bij aan de structureel hogere (jeugd)werkloosheid onder allochtonen? Als deze onderzoekresultaten op nationaal niveau worden doorgetrokken, hoeveel banen/vacatures lopen Marokkanen, Turken en Surinamers dan jaarlijks mis?
Wat vindt u van de conclusie van het Sociaal Cultureel Planbureau dat de onderzoeksresultaten niet zo veel verschillen van studies uit 1991,wat impliceert dat discriminatie in de afgelopen twintig jaar nauwelijks is afgenomen?
Welke maatregelen neemt u om de discriminatie op de arbeidsmarkt terug te dringen? Zijn er bijvoorbeeld boetes of intrekkingen van vergunning mogelijk om deze discriminatie van uitzendbureaus tegen te gaan?
Het Palestijns lidmaatschap van UNESCO |
|
Mariko Peters (GL), Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland teleurgesteld over besluit UNESCO»?1
Ja.
Wat is volgens u het mandaat en de doelstelling van UNESCO? Deelt u de mening dat de bevordering van samenwerking binnen organisaties als UNESCO op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur bijdraagt aan vrede en staatsopbouw?
Het mandaat en de doelstelling van UNESCO is het bevorderen van begrip tussen volkeren en vrije uitwisseling van gedachten door middel van samenwerking tussen landen op het gebied van cultuur, onderwijs, wetenschap en communicatie. De activiteiten van UNESCO kunnen een bijdrage leveren aan vrede en staatsopbouw.
Waarom moet het Palestijnse lidmaatschap UNESCO volgens u van uitkomst zijn van «onderhandelingen tussen de Palestijnen en Israël over uitstaande kwesties, conform het tijdpad van het Kwartet»? Deelt u niet de mening dat ook de Palestijnen op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur internationale samenwerking mogen zoeken?
De succesvolle afronding van onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen is wat Nederland betreft een noodzakelijke voorwaarde voor de totstandkoming van een onafhankelijke Palestijnse staat. Zolang er geen Palestijnse staat is, is een UNESCO-lidmaatschap volgens Nederland niet aan de orde. De Palestijnen hadden de samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschap die al bestond op basis van het Palestijnse UNESCO-waarnemerschap, probleemloos kunnen voortzetten en intensiveren.
Wat zijn de overwegingen van leden van het Kwartet, zoals Rusland, leden van de VN- Veiligheidsraad, zoals het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, en andere EU-lidstaten, zoals Italië, Ierland en Denemarken, om zich niet tegen het Palestijnse lidmaatschap van UNESCO te keren? Delen zij uw mening niet? Kunt u dit toelichten?
Zowel binnen het Kwartet als binnen de EU is verdeeld gestemd. Nederland stemde net als de VS (een van de leden van het Kwartet) en EU-lidstaten als Duitsland en Zweden tegen. De regering treedt niet in de overwegingen die het stemgedrag van de UNESCO-lidstaten hebben bepaald.
Hoe oordeelt u over de reactie van Israël op het lidmaatschap van de Palestijnen bij UNESCO?2 Deelt u de mening dat die reactie, zoals het staken van het doorsluizen van belastinginningen en het versneld bouwen van 2 000 woningen in bezet gebied, niet in verhouding staat tot de stap van de Palestijnen om toe te treden tot een organisatie die onderwijs, wetenschap en cultuur bevordert (UNESCO)? Deelt u de mening dat de maatregelen van Israel het vredesproces ernstig verstoren? Zo nee, waarom niet?
Nederland vindt dat beide partijen stappen hebben gezet die niet behulpzaam zijn in het dichterbij brengen van een oplossing via rechtstreekse onderhandelingen. Beide partijen moeten samenwerken met het Kwartet.
Hoe beïnvloedt een Palestijns lidmaatschap van UNESCO de situatie in Israël en de Palestijnse gebieden?
Op lokaal niveau is door het UNESCO-besluit niets veranderd. Het besluit is voor Israël aanleiding de samenwerking met UNESCO te heroverwegen. Wat het vredesproces betreft, heeft het besluit niet bijgedragen aan het nader tot elkaar brengen van partijen.
Overweegt u zelf stappen zoals de VS die heeft genomen? Zo ja, welke en waarom?
Nee. Ik verwijs naar het antwoord op de vragen gesteld door de leden Driessen en De Roon op 3 november 2011.
Wat zijn de consequenties van het stoppen van de contributie aan UNESCO door de VS voor de programma's van UNESCO? Deelt u de mening dat een dergelijke stap geen bijdrage levert aan internationale samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur?
Door het wegvallen van de bijdrage van de VS kampt UNESCO met een tekort. Op korte termijn alsook voor de komende jaren zal UNESCO er niet aan ontkomen de programmering aan te passen.
Bent u bekend met de vernieling en roof van cultureel erfgoed in de Palestijnse gebieden door Israël zoals bijvoorbeeld de vernieling van honderden historische gebouwen in Nablus (2002 en 2003) en de toe-eigening in 1948 van tienduizenden boeken die nu in de nationale bibliotheek van Israël staan? Welke maatregelen hebben Israël en de Palestijnse Autoriteit genomen om cultureel erfgoed in de Palestijnse gebieden te beschermen?
Het Israëlisch-Arabisch conflict is gekenmerkt door gewelddadige confrontaties, helaas gepaard gaand met schade aan of vernietiging van cultureel erfgoed in Israël en in de Palestijnse Gebieden, van joodse, islamitische en christelijke signatuur, uit alle tijdvakken van de geschiedenis, door alle partijen.
Conform de Oslo Akkoorden valt de bescherming van cultureel – met name archeologisch – erfgoed in de Palestijnse Gebieden in de Areas A & Bonder de verantwoordelijkheid van de Palestijnse Autoriteit; in de overige gebieden is Israël de eerstaangewezen partij.
Deelt u de mening dat Israël, lid van UNESCO, in het (recente) verleden op grote schaal cultureel erfgoed heeft vernietigd of beschadigd en archeologische vondsten en kunst heeft geroofd en nog steeds in tegenspraak met de Haagse Conventie uit 1954 cultureel erfgoed niet adequaat weet te beschermen en kunstobjecten die ontvreemd zijn uit een bezet gebied, nog steeds niet heeft teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren?
Er is geen evidentie m.b.t. de mogelijke strijdigheid met de Haagse Conventie uit 1954. Partijen dienen eventuele geschillen over teruggave van bezittingen of verstrekking van schadevergoeding te regelen in de context van een finalestatusakkoord. Partijen kunnen hun rechtstreekse onderhandelingen daarover hervatten, conform het tijdpad en de modaliteiten genoemd in de verklaring van het Kwartet van 23 september 2011.
Deelt u de mening dat een land zijn bewoners de toegang tot cultureel en religieus erfgoed niet moet willen ontzeggen, zoals Israël dat doet met historische en religieuze gebouwen in Jeruzalem voor Palestijnen?
Ontzegging van toegang tot cultureel en religieus erfgoed dient niet het uitgangspunt te zijn. Wel kunnen legitieme veiligheidszorgen aan de orde zijn.
Hebben Israel en de Palestijnen de vredesonderhandelingen inmiddels hervat? In hoeverre heeft uw opstelling sinds september bijgedragen om beide partijen om de tafel te krijgen?
Inmiddels hebben partijen afzonderlijke gesprekken met het Kwartet gehad op 26 oktober en 14 november 2011 en de bereidheid uitgesproken bestaande obstakels te overwinnen en rechtstreekse onderhandelingen te hervatten.
Kunt u deze vragen voor de begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken op 23 en 24 november a.s. beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht “oprichting RETBuzz gaat niet door |
|
Maarten Haverkamp (CDA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «oprichting RETBuzz gaat niet door?1
Ja.
Bent u bekend met de in het bericht aangehaalde uitspraak van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) dat de NMa heeft geoordeeld dat de samenwerking van RET en Qbuzz de markt zou kunnen verstoren?
Op 4 augustus 2011 hebben RET en Qbuzz bij de NMa een concentratiemelding ingediend voor de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming (RET Buzz). De NMa is daarop volgens de procedure van de Mededingingswet een eerste fase onderzoek gestart van vier weken. Daarin is gekeken naar de gevolgen van het samengaan van RET en Qbuzz voor de concurrentie om de concessie bus Rotterdam e.o. Die termijn is exclusief de tijd die partijen nodig hebben voor het beantwoorden van aanvullende vragen indien de concentratiemelding niet volledig is. Daarvan was in deze kwestie sprake.
Als de NMa na zo’n eerste fase onderzoek reden heeft om aan te nemen dat de concentratie de daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze zou kunnen belemmeren, dan stelt zij met een formeel besluit een vergunningseis. Als de meldende partijen daarna overgaan tot een vergunningsaanvraag, dan volgt een uitgebreider tweede fase onderzoek. De NMa toetst daarin of en in hoeverre de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze zou worden belemmerd. Is dat laatste het geval, dan wordt de vergunning niet verleend en wordt de concentratie verboden. Voor het tweede fase onderzoek staat een termijn van 13 weken.
In de zaak van RET en Qbuzz heeft de NMa het onderzoek in de eerste fase echter niet met een besluit kunnen afronden, omdat de concentratiemelding voor het verstrijken van de wettelijke termijn door RET en Qbuzz is ingetrokken. De grondslag voor een besluit is daarmee komen te vervallen.
Bent u bekend met het artikel «Qbuzz gaat niet samenwerken met Rotterdamse RET»2, waarin wordt aangeven dat de NMa de benodigde toestemming voor de fusie nog niet heeft verleend omdat er meer tijd nodig zou zijn?
Ja.
Kunt u aangeven of de NMa concreet uitspraak heeft gedaan en wat de inhoud van deze uitspraak is?
Zoals aangegeven bij het antwoord op de tweede vraag heeft de NMa in deze zaak geen definitief besluit genomen, omdat de concentratiemelding door RET en Qbuzz is ingetrokken.
Wilt u aangeven indien het antwoord op vraag 4 bevestigend is en in de uitspraak aangegeven is dat de samenwerking van RET en Qbuzz de markt zou kunnen verstoren, welke gevolgen heeft deze uitspraak volgens u en hierbij betrekken wat door u in eerdere debatten is gewisseld over de machtsconcentratie van Connexion en Veolia, waarbij door de NMa is geoordeeld dat er geen sprake is van een machtsconcentratie?
De NMa heeft geen uitspraak gedaan en geen besluit genomen in deze zaak.
Indien de NMa nog geen uitspraak heeft gedaan, klopt het dan dat door het uitblijven van een uitspraak het vóór de bedrijven Qbuzz en RET praktisch onmogelijk was om tijdig, voor de aanbesteding, te fuseren? Zo ja, hoe beoordeelt u dan het handelen van de NMa en hoe beoordeelt u het handelen van de betrokken bedrijven? Wat hadden zij kunnen en moeten doen om deze situatie te voorkomen?
Een late melding mag niet ten koste gaan van de zorgvuldigheid waarmee de NMa haar werk doet. Partijen hebben dan ook een eigen verantwoordelijkheid om zich tijdig voor te bereiden op de aanbesteding in welke (samenwerkings)vorm dan ook. RET en Qbuzz hebben hun voornemen om een gemeenschappelijke
onderneming op te richten bij de NMa ingediend op 4 augustus 2011. Kort voor het verstrijken van de eerste fase termijn heeft de NMa partijen medegedeeld voornemens te zijn nader onderzoek te willen doen in een tweede fase. Voordat de NMa haar voornemen in een besluit kon vastleggen, hebben partijen de concentratiemelding ingetrokken.
Indien de situatie zo is dat er nog geen uitspraak van de NMa is, en de betrokken bedrijven in een tijdsklem zitten, ziet u dan nog mogelijkheden om aan deze situatie een mouw te passen?
Om de vervoerbedrijven en de decentrale overheden meer tijd te geven om zich op een goede aanbesteding voor te bereiden heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu eerder reeds de verplichte aanbestedingsdatum uitgesteld met één jaar tot 1 januari 2013. De Stadsregio Rotterdam is verantwoordelijk voor de verdere inrichting van de aanbestedingsprocedure. Zij stelt ook de hierbij geldende termijnen vast, zoals de uiterste datum voor indiening van biedingen. Nu RET en Qbuzz de melding van de voorgenomen concentratie hebben ingetrokken, moeten de bedrijven ieder voor zich beslissen of zij een bieding zullen doen. Uit een persbericht van RET van 24 oktober blijkt dat RET beziet op welke wijze het bedrijf kan inschrijven op de busconcessie.