De forse toename van jongeren in de daklozenopvang |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Fors meer dakloze jongeren in opvang»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat vorig jaar voor het eerst meer dan 7000 jongeren tussen de 18 en 22 jaar zich gemeld hebben voor de daklozenopvang, een toename van 16 procent? Kunt u dit toelichten?
Afgelopen zomer heb ik u in mijn brief Beleidsvoornemens maatschappelijke opvang en zwerfjongeren (TK 2010–2011, 32 620, nr. 21) geïnformeerd over een telonderzoek naar zwerfjongeren dat ik eind 2010 zelf heb laten uitvoeren. De door de Federatie Opvang gepresenteerde cijfers verrassen mij dus niet. Ik heb in die brief ook aangegeven het aantal zwerfjongeren zorgwekkend te vinden en samen met gemeenten stap voor stap naar verbeteringen te willen toewerken.
Overigens merk ik op dat de Federatie Opvang in haar brancherapport niet de (toelichting op) de definitie van zwerfjongeren gebruikt zoals door het kabinet vastgesteld en gecommuniceerd (TK 2009–2010, 32 267, nr. 5). In genoemde brief is bijvoorbeeld toegelicht dat een inschrijving bij begeleid wonen niet onder de definitie valt, ook niet wanneer deze voorziening is ondergebracht bij een opvanginstelling. Reden hiervoor is dat wonen in een begeleide woonvorm aan jongeren een stabiele basis biedt.
Wat vindt u ervan dat daarnaast in 2010 bijna 1600 jongens en meisjes tussen de 12 en 17 jaar hun toevlucht tot de opvang hebben gezocht? Kunt u dit toelichten?
Ik vind dit zorgwekkend. Kinderen horen niet in de opvang. In de praktijk blijkt echter dat er soms situaties zijn dat jongeren toch een beroep op opvang doen. Dit kan het geval zijn als jongeren weglopen uit jeugdzorg en ook geen familie hebben waar ze op terug kunnen vallen. Het is van belang dat gemeenten afspraken maken met jeugdzorg (provincies) om elkaar in zulke gevallen op de hoogte te stellen. In zijn algemeenheid kunnen ook afspraken worden gemaakt over het screenen door jeugdzorg van jongeren onder de 18 jaar die zich melden bij de opvang, om te bezien of een (nieuwe) indicatie voor jeugdzorg mogelijk en wenselijk is.
Aspecten van overdracht tussen provincies en gemeenten komen onder meer aan de orde in de handreiking «Zwerfjongeren. Aanpak en achtergrond van beleid» die ik eind 2011 heb laten opstellen en aan alle gemeenten beschikbaar heb gesteld2.
Weet u wat de aard is van de problemen waar jongeren mee kampen die zich bij de opvang melden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Dé zwerfjongere bestaat niet. Er is meestal naast het ontbreken van een stabiele woonplek sprake van een combinatie van problemen. Veel jongeren hebben een verleden met gezinsproblemen, zoals ernstige opgroei- en opvoedproblemen3. In een casusonderzoek onder zwerfjongeren vond men bij tweederde van de onderzochte jongeren een (recente, substantiële) achtergrond in de jeugdzorg. In een kwart van de gevallen is sprake van een licht verstandelijke handicap. Een derde heeft ernstige of langdurige psychiatrische problemen (ADHD, borderline en psychose). Bij veel jongeren is daarnaast sprake van problematisch gebruik van alcohol en/of softdrugs. Bijna 40% heeft frequent contact met politie en justitie. Er is veelal sprake van (grote) schulden en een onverantwoord uitgavenpatroon.
Weinig jongeren hebben een opleiding afgerond. Uit het branchebeeld 2010 blijkt bijvoorbeeld dat niet meer dan 36% van de door de leden van de Federatie Opvang opgevangen jongeren van 18–22 jaar een startkwalificatie heeft.
Ik heb voor gemeenten een «Handreiking voor tel- en profielonderzoek zwerfjongeren» laten opstellen die in december 2011 is gepubliceerd4. Daarmee faciliteer ik gemeenten bij het doen van profielonderzoek. Deze profielen van zwerfjongeren kunnen worden gebruikt als basis voor lokaal beleid.
Wat is de oorzaak van de forse stijging van het aantal jongeren dat zich bij de daklozenopvang meldt? Kunt u dit toelichten?
Een sluitende verklaring voor de stijging van het aantal jongeren dat in contact komt met de instellingen die zijn aangesloten bij de Federatie Opvang heb ik (nog) niet. Verschillende oorzaken zijn denkbaar, zowel aan de vraagkant als aan de aanbodkant. Ik wil de Federatie Opvang vragen een uitsplitsing van de cijfers te maken naar centrumgemeenteniveau, om te zien of er lokale verschillen zichtbaar zijn. Die brengen mogelijk een verklaring dichterbij.
Jongeren die een strafbaar feit plegen vallen onder de aanpak voor stelselmatige daders, voor jongeren die geen misdrijf hebben gepleegd maar zwervend zijn is geen hulp; vindt u dat daar wel iets voor moet komen? Zo ja, wat? Zo nee, bent u van mening dat jongeren eerst een strafbaar feit moeten plegen voor ze geholpen worden bij het oplossen van hun problemen? Kunt u dit toelichten?
De suggestie dat er voor zwervende jongeren geen hulp is, onderschrijf ik niet. (Centrum-) gemeenten zijn verantwoordelijk voor de hulp aan deze jongeren. De aanpak dient te worden beschreven in de regionale beleidsplannen voor maatschappelijke opvang, de Stedelijke Kompassen. Daarmee zijn zwerfjongeren onderdeel van de aanpak die bij volwassen daklozen succesvol is gebleken. Ik constateer dat gemeenten steeds meer aandacht krijgen voor zwerfjongeren. Niettemin is er nog veel verbetering mogelijk en nodig. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Wat zijn de beperkingen waar deze jongeren tegen aan lopen die er voor zorgen dat ze onder de armoedegrens leven en nauwelijks zicht hebben op een woning, opleiding, werk en toekomst? Kunt u dit toelichten? Op welke manier worden deze jongeren op dit moment geholpen om deze beperkingen te overwinnen? Is die hulp op dit moment toereikend en waar blijkt dat uit?
Zie ook het antwoord op vraag 4. Zwerfjongeren hebben net als ieder ander recht op zorg, onderwijs en ondersteuning. Daarnaast subsidieer ik initiatieven die speciaal gericht zijn op zwerfjongeren. Een voorbeeld daarvan is Take Off, een concept van kleinschalige projecten van woonruimte in combinatie met begeleiding en een leerbaan. Hulp en ondersteuning aan zwerfjongeren vindt nu echter soms nog gefragmenteerd plaats. Door de gemeentelijke regierol te versterken (zie antwoord op vraag 10) wordt een meer samenhangende aanpak mogelijk.
Deelt u de mening dat deze jongeren niet alleen zelf problemen hebben waarvoor ze geholpen moeten worden, maar dat hun dakloosheid ook problemen voor de maatschappij oplevert? Kunt u dit toelichten?
Ja. In de eerste plaats hebben deze jongeren hulp nodig en verdienen zij een steun in de rug. Het is echter eveneens in het belang van de samenleving dat deze jongeren een goede start hebben. Daarmee kunnen veel problemen, bijvoorbeeld ten aanzien van overlast, criminaliteit of werkloosheid, worden voorkomen. Door er vroegtijdig bij te zijn met adequate hulp kan bovendien worden voorkomen dat deze jongeren een zwerfcarrière krijgen.
Welke mogelijkheden ziet u voor deze jongeren op het terrein van preventie wat betreft gezondheid, welzijn, veiligheid, overlast en criminaliteit? Kunt u dit toelichten?
Een goede start is essentieel. Daarom zet het kabinet erop in om het jeugdbeleid te versterken door het in één hand te leggen bij gemeenten. Centra voor Jeugd- en Gezin spelen daarbij een belangrijke rol. Gemeenten worden verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd en hebben er ook belang bij om opvoed- en opgroeiproblemen te voorkomen. Meer dan nu het geval is krijgen gemeenten ook een financieel belang om vroegtijdig te investeren in kinderen en jongeren, zodat niet op latere leeftijd allerlei vermijdbare kosten optreden. Een goede, preventieve aanpak kan tevens overlast en criminaliteit voorkomen.
Wie moet volgens u de regie nemen om te zorgen dat deze jongeren hun leven op de rit krijgen?
Gemeenten hebben de regie. Met de decentralisatie van de AWBZ-begeleiding en de jeugdzorg naar gemeenten en de nieuwe Wet werken naar vermogen wordt die regierol verder versterkt. De rol van het Rijk is hierbij faciliterend.
Ik geef daar invulling aan door bijvoorbeeld handreikingen beschikbaar te stellen en met een ondersteuningsprogramma voor alle centrumgemeenten («Tour zwerfjongeren»). Inzet van deze «tour» is om in elke centrumgemeente minimaal één stap vooruit te zetten in het zwerfjongerenbeleid. Gemeenten krijgen daarbij ondersteuning in de vorm van expertise en ervaring van buitenaf. De voortgang van deze tour is te volgen op www.1stapvooruit.nl .
Daarnaast ga ik met de VNG het gesprek aan om te bezien op welke wijze ik gemeenten verder kan ondersteunen.
Het mogelijk niet uitreiken van een prominente mensenrechtenprijs |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten waaruit blijkt dat u afziet van uitreiking van de Mensenrechtentulp 2011?1 Zo ja, waarom heeft u hiervoor gekozen?
Er was en is voor mij geen reden om af te zien van de uitreiking van de Mensenrechtentulp. Bekendmaking van de naam van de laureaat van de Mensenrechtentulp 2011 was tot voor kort op verzoek van naasten van de laureaat uitgesteld. Dezer dagen hebben zij verzocht tot bekendmaking over te gaan. Daartoe heb ik dan ook besloten.
Klopt het dat de jury voor de Mensenrechtentulp 2011 als winnaar een Chinese mensenrechtenactiviste die momenteel in de gevangenis zit, had verkozen?
Ja, dat klopt. De Chinese mensenrechtenactiviste Ni Yulan is door de onafhankelijke jury verkozen. Zij zit momenteel in de gevangenis in afwachting van haar proces.
Klopt het dat de familie van de winnaar bereid was deze prijs namens haar in ontvangst te nemen en verheugd was met de aandacht die de prijs zou genereren voor de winnaar?
Inderdaad was en is de familie van Ni Yulan bereid de prijs in ontvangst te nemen. De familie en haar advocaat hadden mij eerder verzocht bekendmaking van haar naam en uitreiking van de prijs uit te stellen, in haar belang. Dat stond voor mij voorop bij de afweging al dan niet tot uitstel over te gaan. Zoals gesteld is haar familie nu van mening dat haar naam bekend kan worden gemaakt.
Klopt de informatie op de site van de Mensenrechtentulp dat «een onafhankelijke jury» de winnaar kiest?
Ja, voor de keuze van de winnaar van de Mensenrechtentulp is een onafhankelijke jury in het leven geroepen. Zij koos uit de inzendingen degene die de Mensenrechtentulp 2011 toegekend krijgt en heeft mij de uitslag meegedeeld.
Zo ja, waarom heeft u c.q. uw ministerie dan contact opgenomen met de familie om te spreken over uitstel van uitreiking?
Zoals te doen gebruikelijk is na de keuze van de jury vervolgens met de directe omgeving van de laureaat contact opgenomen over de prijs en modaliteiten van de uitreiking. Uit die contacten is gebleken dat bekendmaking op dat moment niet in het belang van betrokkene zou zijn. Zoals gesteld in antwoord op vraag 3 heb ik daarom gewacht met de bekendmaking van haar naam. Dat is ook de reden waarom de uitreiking niet op de Dag van de Rechten van de Mens, 10 december jl., heeft plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat deze politieke inmenging bij een onafhankelijk juryoordeel de uitreiking onnodig heeft gepolitiseerd?
Er is geen politieke inmenging met het onafhankelijke juryoordeel, zoals ook blijkt uit mijn antwoord op vraag 5.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de juryvoorzitter dat het akkoord van de familie met uitstel «een nieuw geluid» zou zijn?
De jury is door mij nauwgezet op de hoogte gehouden van de contacten met de naasten van de laureaat. Dit sluit niet uit dat de jury voorafgaand aan het moment dat deze informatie werd verschaft, beschikte over andere gegevens of inzichten. Ik ben voor mijn afweging afgegaan op de informatie die we van de naaste omgeving van de laureaat kregen, en heb de jury daarover consequent geïnformeerd.
Heeft u het besluit genomen om de prijs niet nu uit te reiken? Wanneer? Deelt u de mening dat ook dit de uitreiking onnodig heeft gepolitiseerd?
Ik heb het besluit om de bekendstelling van de naam en uitreiking van de prijs uit te stellen louter genomen met het oog op het belang van de laureaat. Haar belangenbehartigers gaven eerst aan het niet in haar belang te achten als haar naam al bekend zou worden en de prijs zou worden uitgereikt. Zij verzochten om uitstel. Pas recent hebben zij besloten dat bekendstelling kan plaatsvinden.
Onderschrijft u de stelling dat zowel het in contact treden met de familie van de winnaar als het besluit om niet uit te reiken, niet past bij een prijs waar een onafhankelijke jury een oordeel velt?
Nee, dat onderschrijf ik niet. Zoals gesteld in antwoord op vraag 5, wordt altijd contact gezocht met (naasten van) de laureaat. Het besluit om op een later tijdstip over te gaan tot bekendmaking van haar naam en de uitreiking van de prijs, staat los van de keuze van de jury voor Ni Yulan. Die keuze heb ik geaccepteerd. Bovendien heb ik niet besloten dat er geen uitreiking zou plaatsvinden, maar ben ik op verzoek van de directe omgeving van de laureaat overgegaan tot uitstel.
Vreest u dat de geselecteerde winnaar strafverzwaring zou krijgen bij uitreiking? Zo ja, waarop is deze vrees gebaseerd?
De naasten van de laureaat hadden om uitstel van de uitreiking verzocht. Om de belangen van de laureaat niet onnodig te schaden geef ik er de voorkeur aan om over de argumenten die zij daarvoor hebben gehanteerd op dit moment geen verdere uitspraken te doen.
Heeft u, al dan niet via ambtelijke lijn, signalen van de Chinese autoriteiten dat dit mogelijk het geval zou zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt de stelling uit een persbericht van uw ministerie uit april van dit jaar dat «de prijs bestaat uit het bronzen beeldje van de Mensenrechtentulp en financiële ondersteuning van een project van de winnaar»? Zo ja, welk budget was er dit jaar gereserveerd voor de financiële ondersteuning? Bent u bereid dit budget gereserveerd te houden voor deze winnaar?2
Ja, de prijs bestaat uit het beeld van de Mensenrechtentulp en de mogelijkheid een mensenrechten-project voor te stellen dat tot een maximum van 100 000 euro wordt gefinancierd. Over de modaliteiten van de projectfinanciering wordt ieder jaar met de verkozen laureaat overlegd.
Klopt de stelling uit hetzelfde persbericht dat de winnaar «een Europese toernee» aangeboden zou krijgen «die hem of haar in contact brengt met relevante personen voor zijn of haar werk»? Bent u bereid deze optie open te houden in de toekomst voor deze winnaar?
Ook hier geldt dat over de modaliteiten van de toekenning van de prijs ieder jaar met de verkozen laureaat wordt overlegd.
Deelt u de mening dat de inmenging van het ministerie, zeker gecombineerd met het feit dat de prijs vorig jaar niet, zoals voorheen, in de Ridderzaal werd uitgereikt maar in een zaal op uw ministerie, met daaropvolgend een diner dat u niet bijwoonde, de status van de Mensenrechtentulp heeft gedevalueerd?
In het licht van het voorgaande deel ik die mening niet.
Bent u bereid deze vragen binnen een week te beantwoorden?
Voor het bepalen van het juiste tijdstip van beantwoording heb ik mij laten leiden door de ontwikkelingen en de wens u zo accuraat en volledig mogelijk te kunnen informeren.
Afghaanse president Karzai |
|
Mariko Peters (GL) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving in onder andere The Independent1 over de plannen van Karzai om ook na 2014 aan de macht te blijven in Afghanistan?
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving? Bent u bekend met het rapport van de Duitse inlichtingendienst BND waarop de berichtgeving zich baseert? Heeft u contact gehad met de Duitse autoriteiten hierover? Hebben de Nederlandse inlichtingendiensten hierover contact gehad met de BND?
President Karzai stelde zelf in zijn afsluitende toespraak tijdens de loya jirga op 19 november dat hij na 2014 niet meer aan de macht zal zijn (zie ook vraag/antwoord 3). Ik kan geen informatie verschaffen over rapporten van de Duitse inlichtingendienst BND. Ook over informatie die tussen inlichtingendiensten wordt gewisseld, kan geen mededelingen worden gedaan.
Deelt u de zorgen over de berichten dat Karzai niet bereid is zich terug te trekken uit de Afghaanse politiek na 2014, wanneer zijn grondwettelijke maximale termijn als president afloopt? Deelt u de zorgen dat dit het vertrouwen van de Afghanen in democratie en goed bestuur verder doet afnemen?
Volgens de Afghaanse grondwet is het mandaat van een president beperkt tot maximaal twee termijnen, waarna hij af moet treden. Tijdens de loya jirga gaf president Karzai aan na 2014 niet meer aan de macht te zullen zijn. Ik stel de opheldering die de president heeft verschaft omtrent deze kwestie op prijs.
Bent u bereid zelfstandig en in EU-, VN- en NAVO-verband druk op Karzai uit te oefenen om geen pogingen te doen in strijd met de letter en geest van de huidige grondwet als president aan te blijven na 2014? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u hierin optreden?
In gesprekken met de Afghaanse regering wordt met regelmaat gewezen op het belang van de rechtsstaat en de belangrijke plaats van de grondwet hierin als basis voor het Afghaanse politieke en juridische systeem. Indien hier aanleiding toe is zal Nederland de Afghaanse regering blijven aanspreken op specifieke punten van zorg.
Patenten |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «patenten dwarsbomen ontwikkelingsprojecten»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Klopt de informatie dat samenwerkingsprojecten, zoals tussen de ministeries van landbouw van Indonesië en Nederland, niets opleveren vanwege het moeten aanvragen van patenten?
Nederland werkt in veel land- en tuinbouwprojecten succesvol samen met derde landen. Deze projecten hebben betrekking op onder andere capaciteitsopbouw, duurzame productiemethoden, ketenmanagement en de implementatie van regelgeving op het gebied van kwekersrecht.
Dat het in Trouw beschreven project niet de door de onderzoekers gewenste resultaten heeft opgeleverd, heeft twee redenen die direct met elkaar verbonden zijn. Het betrof een genetisch gemodificeerd gewas, waar de verplichte veiligheidstoetsen en overige procedures die in Indonesië van toepassing zijn hoge kosten met zich meebrachten. Het risico van imagoschade en aansprakelijkheid voor een markt als Indonesië, waar maar een kleine winstmarge haalbaar is, speelde hierin ook een rol.
De tweede reden dat het project niet de gewenste resultaten opleverde, had niet te maken met de aanvraag van octrooien op de eigen uitvinding, maar met het nietkrijgen van toestemming voor het gebruik van octrooien van derden.
Het voornaamste probleem is geweest dat er te laat in het traject een analyse is gemaakt van het aantal octrooien waarvoor een licentie moest worden aangevraagd om de nieuwe vinding ook daadwerkelijk naar de markt te kunnen brengen. Doordat er niet duidelijk toestemming is gegeven door de octrooihouders, was het voor de betrokken Nederlandse groentebedrijven te riskant om de technologie over te nemen en verder te ontwikkelen.
Zo ja, kunt u hierbij aangeven in hoeverre deze problematiek wordt versterkt door administratieve lasten die het aanvragen van patenten doorgaans met zich meebrengt?
Bij octrooiaanvragen is in formele zin geen sprake van administratieve lasten omdat octrooi aanvragen geen plicht is maar een recht. Het probleem was niet zozeer het aanvragen van octrooien, maar het verkrijgen van licenties onder bestaande octrooien.
Bij algemene «transactiekosten» inzake octrooien, gaat het om alle kosten, tijd en expertise die nodig zijn voor 1) de zogenoemde Freedom To Operate (FTO) analyse waarin alle octrooien van derden die kunnen interfereren met het eigen onderzoek in kaart worden gebracht, 2) het zo nodig onderhandelen met rechthebbende octrooihouders om een licentie te verkrijgen tegen betaling van passende royalties daarvoor, en 3) in voorkomende gevallen voeren van juridische procedures om een octrooi aan te vechten of verweer te voeren tegen octrooi-inbreuk.
Klopt het dat de nodige kennis over het aanvragen van patenten en intellectueel eigendom ontbreekt op Nederlandse ministeries, bij onderzoekers en beleidsmakers en dat daardoor lang onzekerheid blijft bestaan over de toekomst van gestarte projecten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit gebrek aan kennis te compenseren?
De benodigde kennis over octrooien is in Nederland aanwezig bij ministeries en onderzoekers. Ook ligt het probleem niet zozeer bij de kennis over het aanvragen van octrooien. Op dat gebied is de afgelopen jaren al veel vooruitgang geboekt door activiteiten van Agentschap NL-Octrooicentrum, Technologiestichting STW en de individuele universiteiten. Bij de universiteiten zijn Technology Transfer Offices (TTO’s) opgericht en Intellectual Property Officers aangesteld. Het bewustzijn van studenten en onderzoekers op het gebied van intellectueel eigendomsrecht kan verhoogd worden.
Op welke manier kan in de toekomst worden voorkomen dat potentieel succesvolle samenwerkingsprojecten stuklopen op de aanvraag van patenten?
Voor de omgang met octrooien is van groot belang dat bij de start van een samenwerkingproject een inventarisatie van eventueel relevante octrooien van derden wordt gedaan. Daarna moet duidelijk zijn welke licenties er moeten worden aangevraagd en hoe eventuele bescherming van intellectueel eigendom van de eigen resultaten kan plaatsvinden.
Deze positie op het gebied van octrooien moet voor of zo spoedig mogelijk na de start van het onderzoek worden bepaald omdat dan duidelijk wordt of het onderzoek nog wel nodig is, gelet op de stand van de techniek en of, en zo ja, op welke wijze (bijvoorbeeld via licenties) rekening gehouden moet worden met beschermende rechten van derden.
Bent u bereid de Kamer te infomeren over uw standpunt ten aanzien van de belangrijkste conclusies van het aangehaalde internationale onderzoek en de relevantie van de conclusies voor het Nederlandse beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking?
Ik zal, samen met de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, de Tweede Kamer voor de zomer 2012 nader informeren. Dan zullen wij ingaan op de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van het rapport «Harnessing Intellectual Property Rights for Development Objectives», waar het artikel in Trouw betrekking op heeft, en de relevantie daarvan voor het Nederlandse beleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking.
De Nederlandse voordracht van Ad Melkert bij de internationale arbeidsorganisatie ILO |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Deelt u bij nader inzien de mening dat Ad Melkert, die op 24 april 2002 zei: «Als je flirt met Fortuyn, dan gebeurt er in Nederland straks hetzelfde als in Frankrijk. Daar zijn ze wakker geworden met Le Pen, straks worden wij wakker met Fortuyn», wel de laatste is over wie gezegd kan worden dat «hij de sociale dialoog een warm hart toedraagt en in staat is bruggen te slaan»?1
De heer Melkert is een goede kandidaat voor de positie van Directeur-Generaal van de ILO. De sociale partners zijn nauw betrokken geweest bij de afweging om de heer Melkert te kandideren. Zij steunen de kandidaatstelling. De ILO is een belangrijke VN-organisatie, die ook relevant is voor Nederland.
Deelt u de mening dat er al veel te veel oud-politici van de Partij van de Arbeid aan lucratieve baantjes zijn geholpen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de kandidatuur van Ad Melkert voor de functie van directeur-generaal van de ILO vandaag nog in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De toegankelijkheid van overheidsdata en buienradar |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Weergegevens Buienradar mogen niet meer gratis in apps»?1
Ja.
Klopt het dat de nieuwe eigenaar van Buienradar heeft besloten dat ontwikkelaars weerdata van buienradar niet mogen gebruiken voor applicaties?
Buienradar geeft aan dat ontwikkelaars weerdata wel mogen blijven gebruiken, zij het dat daarvoor nu toestemming van Buienradar nodig is. Buienradar meldt daartoe te hebben besloten om te voorkomen dat data verkeerd worden toegepast of onjuist worden weergegeven.
Klopt het dat buienradar, dat gebruik maakt van door de KNMI beschikbare gegevens, data altijd gratis en vrijelijk beschikbaar heeft gesteld voor ontwikkelaars?
Buienradar heeft dit bevestigd. Wel is het zo dat Buienradar een compensatie vraagt als een ontwikkelaar een commercieel verdienmodel heeft gekoppeld aan de gratis weerdata.
Hoe beoordeelt u bedrijven die gebruik maken van overheidsdata en die de toegankelijkheid van die data beperken?
Een beperking van de toegankelijkheid van overheidsdata is niet aan de orde want ze blijven beschikbaar bij de overheid. Zo hoeven ontwikkelaars van weer-apps voor overheidsdata niet bij Buienradar terecht, maar kunnen die bij het KNMI verkrijgen. Iets anders is als bedrijven met overheidsdata toepassingen ontwikkelen of overheidsdata zodanig bewerken deze voor specifieke doeleinden bruikbaar worden. Het vormt geen probleem als bedrijven de toegankelijkheid tot deze toepassingen beperken, zolang overheden de data waarop toepassingen van bedrijven zijn gebaseerd aan iedereen beschikbaar stellen.
Deelt u de mening dat in het kader van het opendatabeleid van de overheid, ontwikkelaars van applicaties data moeten kunnen afnemen tegen dezelfde daarvoor geldende verstrekkingskosten bij desbetreffende (semi-)overheidsinstanties?
Het hoofdstuk hergebruik van overheidsinformatie in de Wob is van toepassing op overheidsorganen als gedefinieerd in de Wob. Het is de bedoeling om openbare overheidsinformatie van de overheidsorganen zonder voorwaarden, tegen een geringe vergoeding, aan iedereen beschikbaar te stellen. De feitelijke hoogte van vergoeding hangt af van de verstrekking (bijvoorbeeld, 1 kopie of 100 kopieën).
Deelt u de mening dat overheidsdata simpel, snel en gratis of tegen geringe kosten beschikbaar zouden moeten zijn en dat het van groot belang is dat die data toegankelijk zijn?
Ja. De beleidsuitgangspunten zijn op 30 mei 2011 in een brief over hergebruik en open data aan de Tweede Kamer gecommuniceerd2. Afhankelijk van het service niveau kan wel sprake zijn van een te betalen vergoeding, maar het uitgangspunt moet zijn dat overheidsdata zonder drempels of tegen geringe of geen kosten via algemeen gangbare methoden van beschikbaarstelling beschikbaar voor hergebruik zijn.
Het in Saoedi-Arabische schoolboeken zaaien van haat en aanzetten tot geweld tegen Joden, christenen, 'ongelovigen' en geloofsafvalligen |
|
Geert Wilders (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het rapport van het Middle East Media Research Institute (MEMRI) getiteld «Saudi Textbook: The Enmity between the Muslims and the Jews Is Everlasting»1; het rapport van het Hudson Institute getiteld «Ten years on – Saudi Arabia’s Textbooks Still Promote Religious Violence»2; het hoofdstuk over Saoedi-Arabië in het laatste rapport (2011) van de United States Commission on International Religious Freedom3 en het nieuwsartikel «Saudis export anti-Christian and anti-Jewish textbooks across the world: report»?4
De publicaties bevestigen een zorgelijk beeld van godsdienstvrijheid in Saoedi-Arabië.
Op welke religieuze en/of ideologische uitgangspunten is het zaaien van haat en het aanzetten tot geweld tegen Joden, christenen, «ongelovigen» en geloofsafvalligen in Saoedi-Arabische schoolboeken gebaseerd en kunnen die uitgangspunten naar uw mening worden gedeactiveerd of weggenomen? Zo ja, hoe kan dat door u worden bevorderd?
In de boeken wordt verwezen naar enkele laat Middeleeuwse islamitische geleerden. Nederland wijst zowel bilateraal als middels de EU
Saoedi-Arabië bij herhaling op de door haar aangegane internationaalrechtelijke verplichtingen die haaks staan op deze uitgangspunten.
Is het Saoedische curriculum op enig punt strijdig met internationale verplichtingen van Saoedi-Arabië?
Mede naar aanleiding van internationale zorgen werkt de Saoedische overheid aan verbetering van het onderwijssysteem. Op aanwijzing van de koning wordt in Saoedi-Arabië de laatste jaren meer aandacht besteed aan tolerantie en interreligieuze dialoog binnen het onderwijs. In 2007 is de Saoedische regering gestart met een meerjarig project m.b.t. de revisie van leerboeken, curricula en onderwijsmethoden om tolerantie te bevorderen en beledigende inhoud t.a.v. andere religies te verwijderen. De implementatie hiervan is echter nog niet afgerond.
Welke maatregelen worden er genomen om te voorkomen dat haat en geweld predikende onderdelen van het Saoedische curriculum naar mohammedaanse gemeenschappen in Nederland worden geëxporteerd?
Nederlandse kinderen volgen onderwijs binnen het Nederlandse onderwijsstelsel.
Wat heeft Nederland tot nu toe in bilateraal opzicht en in internationale organisaties ondernomen en wat gaat u thans ondernemen om de Saoedische regering ertoe te bewegen het curriculum te laten zuiveren van het zaaien van haat en het aanzetten tot geweld tegen Joden, christenen, «ongelovigen» en geloofsafvalligen? En wat was het resultaat van eventuele eerdere demarches van uw kant?
Nederland roept de Saoedische overheid bilateraal, in EU- en in VN-verband op tot het respecteren van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Verder heeft Nederland in het verleden een constructieve bijdrage geleverd aan de VN «Universal Periodic Review» van Saoedi-Arabië, waarin onder andere de discriminatie van religieuze minderheden aan de orde is gesteld. Ook is een bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Saoedi-Arabië gepland voor februari 2012 met als doel het voortzetten van de dialoog op het gebied van mensenrechten. Tijdens zijn bezoek zal de mensenrechtenambassadeur aandacht vragen voor godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting.
Wilt u deze vragen voor de gewenste duidelijkheid ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat er zeer hoge risico's bij thuiszorgorganisatie Parnassus zijn geconstateerd |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zeer hoge risico's bij thuiszorgorganisatie»?1
Ja.
Betreft het hier één locatie van de organisatie of de gehele organisatie?
Parnassus werkt vanuit één locatie.
Zijn er patiënten die schade hebben ondervonden of nog ondervinden van het ongeoorloofd veranderen van medicatie door medewerkers zonder hiervoor een arts te raadplegen?
Het is mij niet bekend of er bij de betreffende thuiszorginstelling cliënten schade hebben ondervonden als gevolg van ongeoorloofd veranderen van medicatie door medewerkers, zonder hiervoor een arts te hebben geraadpleegd. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (verder: inspectie) heeft geen meldingen ontvangen over schade bij patiënten als gevolg van het veranderen van de medicatie zonder het raadplegen van een arts. De inspectie heeft wel een melding ontvangen over het onjuist gebruik van medicatie en het niet houden aan een richtlijn bij Parnassus. In deze gevallen is geen sprake geweest van schade voor de patiënt, wel van onverantwoorde zorg.
Kunt u verklaren waarom bijscholing dan wel voldoende scholing ontbreekt bij Parnassus en komt dit probleem ook bij andere thuiszorgorganisaties voor?
Het ontbrak bij Parnassus aan een scholingsplan en scholingsbeleid. Het aanbod van scholing aan medewerkers is een verantwoordelijkheid van de organisatie zelf. De inspectie heeft geconstateerd dat het huidige aanbod onvoldoende is. Dit probleem komt ook bij andere thuiszorgorganisaties voor, zo blijkt uit het rapport «Medicatieveiligheid voor kwetsbare groepen in de langdurige zorg en zorg thuis onvoldoende» van de inspectie, d.d. september 2010.
Deelt u de mening, dat dit geen probleem van de afgelopen periode is?
Ik ben het met u eens dat dit probleem al langer bestaat. Dit blijkt ook uit het rapport dat ik noemde in het antwoord op vraag 4. In het follow-up rapport van september 2011 constateerde de inspectie dat veel verbetering zichtbaar is in de sector «zorg thuis».
Deelt u de mening dat de onregelmatigheden bij Parnassus eerder door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) opgemerkt hadden moeten worden? zo neen, waarom niet?
Neen. De inspectie houdt binnen de beschikbare middelen toezicht op de risico’s omtrent medicatieveiligheid. De inspectie besteedt sinds 2009 meer aandacht aan dit specifieke risico door onder meer een thematisch toezicht. Dit heeft geleid tot het genoemde rapport uit 2010 en de follow-up daarvan in 2011. Daarnaast betrekt de inspectie dit risico expliciet bij het bepalen van inspectiebezoeken. Ten slotte maakt de inspectie gebruik van meldingen voor haar toezicht. In deze casus heeft de inspectie gehandeld naar aanleiding van de eerder genoemde melding over medicatieveiligheid. De inspectie heeft bij deze melding direct besloten om de medicatieveiligheid bij Parnassus te toetsen.
Deelt u de mening dat de werkwijze van Parnassus, gezien het IGZ-onderzoek, onverantwoord is en per direct aangepast dient te worden om zo de veiligheid van patiënten te waarborgen?
Ja. Naar aanleiding van het inspectierapport zijn de instelling direct maatregelen opgelegd.
Deelt u de mening, dat het huidige bestuur haar functie moet neerleggen gezien het feit dat het bestuur niets heeft ondernomen om de negatieve tendens te doorbreken en hiermee de veiligheid van patiënten langdurig in gevaar heeft gebracht? Zo neen, waarom niet?
De bestuurder wordt conform het landelijk handhavingskader medicatieveiligheid in de gelegenheid gesteld om de risico’s op korte termijn te reduceren. De inspectie volgt dit nauwlettend. Indien dit tot onvoldoende resultaat leidt, worden andere handhavingsmaatregelen niet uitgesloten. Het is aan de Raad van Toezicht om te bepalen of bestuurders hun functie kunnen behouden of zouden moeten neerleggen.
Het bericht dat gemeenten opvang bieden aan illegalen |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reportage van het EO-programma «Dit is de dag» van 6 december 2011 waarin gemeld wordt dat 13 gemeenten in Nederland ruim drie miljoen uitgeven aan de opvang van illegalen?1
Ja.
Was u al op de hoogte van het feit dat een aantal gemeenten tegen de afspraken in illegalen blijft opvangen, kloppen bovenstaande bevindingen, en zijn er eventueel nog meer gemeenten bekend die de afspraken schenden?
Ik ben ermee bekend dat enkele gemeenten expliciet in hun collegeprogramma hebben opgenomen dat de noodopvang wordt gecontinueerd. Ik voer periodiek Bestuurlijk Overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, waarbij ook het onderwerp noodopvang regelmatig op de agenda staat. Ook onderhoudt de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) intensief contact met individuele gemeenten.
Ik blijf van mening dat het bieden van structurele noodopvang door gemeenten of maatschappelijke organisaties onwenselijk en onnodig is. Door het Rijk zijn in de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen om te voorkomen dat (afgewezen) asielzoekers op straat terecht komen, waaronder plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie van afgewezen asielzoekers die na de vertrektermijn van 28 dagen het land nog niet hebben verlaten, het onder voorwaarden verlenen van opvang aan mensen met een medische aanvraag en het realiseren van onderdak in gezinslocaties voor gezinnen met minderjarige kinderen.
Ik heb gemeenten en de VNG duidelijk gemaakt dat indien gemeenten desondanks geconfronteerd worden met vreemdelingen die op straat staan, en die een asielverleden hebben, dan wel van wie de achtergronden niet direct bekend zijn, zij deze zaken kunnen aanmelden bij de DT&V zodat kan worden gezocht naar een oplossing op maat. In de praktijk treden gemeenten ook daadwerkelijk in contact met de DT&V en waar nodig neemt de DT&V hiertoe initiatief.
Op welke wijze wordt het nakomen van de afspraak die de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Justitie op 25 mei 2007 hebben gemaakt, dat gemeenten de noodopvang voor illegalen per 1 januari 2010 moesten beëindigen, gemonitord en gehandhaafd?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de overheid/maatschappelijke organisaties geen opvang dienen te verlenen aan uitgeprocedeerde asielzoekers en andere illegalen die niet meewerken aan hun vertrek?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat door het toch onderdak bieden aan illegalen het terugkeerbeleid wordt gefrustreerd en betrokkenen valse hoop wordt geboden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen hebt u ondernomen en/of gaat u ondernemen tegen genoemde gemeenten uit de steekproef van de EO?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat toezichthouders in de zorg de bezoldigingsnorm overschrijden |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toezichthouders overschrijden bezoldigingsnorm»?1
Ik heb het bericht gelezen, evenals de kanttekeningen erbij van de heer Gerards, de oud-directeur van de NVTZ. Ook heb ik het bericht op Skipr van diezelfde dag gelezen «Meeste toezichthouders onder norm» van de heer Buiting, de huidige directeur van de NVTZ.
Klopt het dat een kwart van de interne toezichthouders bij grote zorginstellingen meer verdient dan de eigen bezoldigingsnorm toestaat? Wat is daarop uw reactie? Deelt u de mening dat dit niet te verantwoorden is, gezien de stijgende zorgkosten en de bezuinigingen die daardoor nodig zijn?
Ik vind, met de heren Gerards en Buiting, dat het bericht een vertekend beeld geeft. Wanneer er blijkbaar 151 toezichthouders een beloning krijgen die boven de NVTZ-norm ligt op de ruim 6000 die in totaliteit in de zorg bezig zijn, dan zit niet een kwart maar ongeveer 2,5% boven de NVTZ-norm.
Klopt het dat het bedrag voor bezoldiging van toezichthouders van de 100 grootste zorginstellingen in twee jaar tijd is verdubbeld? Wat is daarop uw reactie? Deelt u de mening dat dit niet te verantwoorden is, gezien de stijgende zorgkosten en de bezuinigingen die daardoor nodig zijn?
Ik kan niet verifiëren of de beloning van toezichthouders in een mij onbekende, maar selecte steekproef in twee jaar is verdubbeld. Uit mijn antwoord op vraag 2 blijkt in ieder geval dat in slechts ongeveer 2,5% een «overschrijding» van de NVTZ-norm is geconstateerd.
Wat zegt dit bericht over de bezoldigingsrichtlijn van de Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in de Zorg (NVTZ)? Deelt u de mening dat deze richtlijn onvoldoende wordt nageleefd?
Uitgaande van de constatering (in antwoord 2) dat 2,5% van de toezichthouders boven de NVTZ-norm zit en dat er geen enkele analyse is over het hoe en waarom, kan van dit bericht nog weinig worden afgeleid.
Hoe verhoudt de bezoldigingsrichtlijn van de NVTZ zich tot het amendement Heijnen2 dat op dinsdag 6 december 2011 werd aangenomen, en dat voorschrijft dat leden van de raden van toezicht maximaal 5, en voorzitters maximaal 7,5 procent van het salaris van de bestuurders mogen verdienen? Hoe verhouden de salarissen van de leden en voorzitters van de raden van toezicht in de zorg zich tot dit amendement? Zijn deze bezoldigingen straks tegen de wet?
De consequenties van het aannemen van diverse amendementen bij de uiteindelijke stemming in de Tweede Kamer over de WNT worden dit jaar met de diverse koepels geïnventariseerd en besproken.
Welke stappen bent u bereid te nemen om zorginstellingen en hun raden van toezicht aan te spreken op het overschrijden van de eigen normen? Deelt u de mening dat u, gezien het feit dat de Kamer zich heeft uitgesproken voor strengere bezoldigingsnormen voor toezichthouders, hier inderdaad een verantwoordelijkheid heeft?
Mijn beleid is er nu op gericht dat de beloning van de toezichthouders aan de WNT kan voldoen op het moment dat die wet in werking treedt.
Welke instrumenten heeft u tot uw beschikking wanneer het wetsvoorstel inzake de normering van topinkomens (WNT) in de publieke en semipublieke sector wordt aangenomen door de Eerste Kamer?
De WNT is er op gericht om de beloning van de topfunctionarissen binnen de normen te brengen en te houden. Daartoe is in artikel 5 WNT geregeld dat eventuele overschrijdingen door de accountant moeten worden gemeld, waarna ik actie kan ondernemen om de overschrijding te corrigeren. Daartoe kan ik, indien nodig gebruik, maken van het opleggen van een last onder dwangsom of een dwangbevel.
Bent u bereid – vooruitlopend op de inwerkingtreding van de WNT – met de NVTZ te overleggen teneinde de bezoldiging van toezichthouders in overeenstemming te brengen met deze wet? Zo nee, waarom niet?
Uit mijn bovenstaande antwoorden blijkt dat ik uit ga van het beeld van ongeveer 2,5% van de toezichthouders die, om nog onbekende redenen, boven de NVTZ-norm verdienen. Dit punt zal ik ook aan de orde stellen in het overleg dat ik in het antwoord op vraag 5 heb aangekondigd.
Het bericht dat het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) van de politie dreigt uiteen te vallen door ruzies en machtsmisbruik |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) van de politie dreigt uiteen te vallen door ruzies en machtsmisbruik?1
De Politieacademie laat een onafhankelijk onderzoek verrichten naar de situatie waarover het programma Nieuwsuur heeft bericht. Ik zal u informeren over de uitkomsten van dit onderzoek, dat naar verwachting uiterlijk 1 maart 2012 zal zijn afgerond, alsmede over naar aanleiding daarvan eventueel te treffen maatregelen. Het onderzoek staat onder leiding van dhr Marijnen, oud-burgemeester van Bergen op Zoom.
Klopt het dat het LECD zelf ook niet lukt om voldoende allochtone werknemers aan te nemen, gezien het feit dat er maar één allochtoon in dienst is bij het LECD? Heeft het LECD naar uw mening voldoende kennis en expertise in huis om te doen waarvoor het is opgericht? Zo nee, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat er momenteel mis bij het LECD dat tien medewerkers zich blijkbaar genoodzaakt voelden hun beklag te doen bij de vertrouwenspersoon over de huidige baas van het LECD? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre is er sprake van machtsmisbruik en manipulatie bij het LECD?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit nader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit onderzoek en de uitkomsten daarvan verwachten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u de geconstateerde problemen oplossen en orde op zaken stellen?
Zie antwoord vraag 1.
De wantoestanden bij het Landelijk Expertise Centrum Diversiteit (LECD) |
|
Attje Kuiken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Nieuwsuur van 7 december 2011 over het Landelijk Expertise Centrum Diversiteit (LECD) en het bericht «Crisis bij diversiteitsteam politie»1?
Ja.
Is het waar dat tien van de vijftien medewerkers naar de centrale vertrouwenspersoon zijn gestapt uit onvrede met de leiding van het LECD? Zo ja, wat zegt dit over de situatie bij het LECD? Zo nee, wat is er dan niet waar aan dat bericht?
De Politieacademie laat een onafhankelijk onderzoek verrichten naar de situatie waarover het programma Nieuwsuur heeft bericht. Ik zal u informeren over de uitkomsten van dit onderzoek, dat naar verwachting uiterlijk 1 maart 2012 zal zijn afgerond, alsmede over naar aanleiding daarvan eventueel te treffen maatregelen. Het onderzoek staat onder leiding van dhr Marijnen, oud-burgemeester van Bergen op Zoom.
Deelt u de mening dat de politie er nog steeds naar moet streven om meer allochtonen, vrouwen, homoseksuelen en gehandicapten in dienst te krijgen? Zo ja, welke rol speelt het LECD daarin? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik op 23 november 2012 aan uw Kamer heb geantwoord op vragen van het lid Berndsen (TK 2011Z20540) over het wantrouwen jegens allochtone agenten, ben ik van mening, dat diversiteit een belangrijk onderwerp is voor de politie. Diversiteit draagt namelijk bij aan de legitimiteit, de kwaliteit én de effectiviteit van de politie. Politieagenten moeten herkenbaar zijn én blijven, voor alle burgers. Ze moeten kunnen omgaan met de verschillen die de praktijk met zich meebrengt: verschillen in taal, in gewoonten, gebruiken en omgangsvormen. Agenten die dat alles beheersen kunnen steviger, met meer gezag en daardoor ook effectiever optreden.
Het centrale begrip in het diversiteitbeleid bij de politie is «kwaliteit»: de beste persoon op de juiste plaats, ongeacht afkomst, geslacht, kleur of leeftijd. Ik sta voor een integrale benadering van diversiteit waarbij de professionaliteit en het gedrag van medewerkers van de politie centraal staan. Ik wil het diversiteitbeleid daarom verankeren in het reguliere HRM-beleid van de politie. Dat moet erop gericht zijn het maximale te halen uit alle medewerkers, ongeacht hun godsdienst, levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, geslacht of seksuele voorkeur.
De voorgenomen invoering van de nationale politie biedt een uitgelezen kans voor de structurele verankering van het diversiteitbeleid in het reguliere HRM-proces. Bij het ontwerp en de inrichting van de nationale politie staat ook dit onderwerp op de agenda.
Van het LECD verwacht ik daarbij, dat het zijn wettelijke taak vervult, zoals omschreven in artikel 1 van het Besluit Landelijk Expertisecentrum Diversiteit 2010–2014:
Deelt u de mening dat een divers samengesteld politiecorps, waarin agenten werkzaam zijn die de cultuur kennen en de taal spreken van de wijken waarin zij actief zijn, bijdraagt aan de effectiviteit van de politie? Zo ja, hoe gaat u bewerkstelligen dat deze diversiteit wordt bereikt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat er bij het LECD momenteel slechts één allochtoon werkt en dat er sinds 2005 tien medewerkers zijn vertrokken, waarvan de helft allochtoon? Zo ja, deelt u dan de mening dat een diversiteitsteam dat zelf niet in staat is een divers samengesteld personeelsbestand te houden ook niet in staat geacht mag worden voor diversiteit bij de politie te zorgen? Zo nee, wat is er dan niet waar aan dat bericht?
Voor het antwoord op de vragen 5 tot en met 8 verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Is het beeld dat in Nieuwsuur wordt geschetst van machtmisbruik, manipulatie, en represailles bij het LECD bij u bekend? Zo ja, wat is uw mening hierover? Wat gaat u doen om dit te doen verbeteren? Zo nee, waarom is u dit niet (eerder) bekend geworden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar het functioneren van het LECD? Zo ja, door wie laat u dit onderzoek verrichten en op welke termijn kunnen de resultaten daarvan tegemoet worden gezien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Is het LECD op dit moment in staat een substantiële bijdrage te leveren aan diversiteit bij de politie? Zo ja, waar blijkt dat dan concreet uit? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om orde op zaken te stellen bij het LECD?
Zie antwoord vraag 5.
Het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor door General Electric en Rolls-Royce |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Wassila Hachchi (D66), Jasper van Dijk (SP), Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het gezamenlijk persbericht van 4 december 2001 afkomstig van General Electric en Rolls-Royce over het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor voor het Joint Strike Fighter (JSF) programma?1
Ja.
Wat is uw reactie op het stopzetten van de ontwikkeling van de tweede motor voor het JSF programma?
De Nederlandse regering is altijd voorstander geweest van de ontwikkeling van een tweede motor voor de F-35, de F136-motor van het Fighter Engine Team (FET) dat bestaat uit General Electric en Rolls-Royce. Dit zowel met het oog op de inschakeling van Nederlandse bedrijven als uit concurrentieoverwegingen. Daarom betreur ik de stap van de fabrikanten. De ontwikkeling van de F136-motor werd echter volledig gefinancierd door de Verenigde Staten. Nederland is bij de besluitvorming over de ontwikkeling van die motor niet betrokken geweest.
Kunt u aangeven welke financiële verplichtingen en investeringen de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers zijn aangegaan cq hebben gedaan ten behoeve van de ontwikkeling van de F136 motor vanaf 2002? Zo nee, waarom niet?
Volgens informatie van de betrokken Nederlandse bedrijven heeft men in de ontwikkelingsfase van de F136 voor ruim € 7 miljoen in materiële en immateriële activa geïnvesteerd.
Het bedrag aan mogelijke omzet voor de Nederlandse industrie dat in 2002, een vroege fase van de ontwikkeling, werd genoemd, was een eerste schatting op basis van de beperkte informatie van General Electric waar dat bedrijf toen over beschikte. In de loop van het ontwikkelingsproces kwam nauwkeuriger informatie over de te verwachten aantallen F136-motoren en de capaciteiten van de Nederlandse industrie beschikbaar. Op grond daarvan is de raming bijgesteld tot uiteindelijk de ongeveer $ 750 miljoen, zoals genoemd op bladzijde 20 van de Jaarrapportage Vervanging F-16 over 2006 (Kamerstuk 26 488, nr. 58). De Nederlandse bedrijven hebben deze verwachtingen betrokken bij hun investeringsbesluiten. De intentie van het FET met betrekking tot de inschakeling van de Nederlandse industrie is vastgelegd in een Memorandum of Understanding tussen het FET en de Nederlandse overheid, dat is getekend op 9 november 2006 en aan uw Kamer ter vertrouwelijke kennisname is gezonden met de brief van 16 oktober 2007 (Kamerstuk 26 488, nr. 63). Op basis daarvan ontving het Ministerie van Economische Zaken: EZ (later het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie: EL&I) periodiek een bijgesteld Industrial Participation Plan (IP-plan), waarin de mogelijkheden voor de industrie nader werden uitgewerkt. De raming van $ 750 miljoen is ook genoemd in het antwoord op de vragen 1 tot en met 3 van 1 april 2011 (Handelingen TK 2010–2011, Aanhangsel nr. 2057).
Door het besluit tot beëindiging van de ontwikkeling zal dit geraamde bedrag niet kunnen worden gerealiseerd. In het antwoord op de vragen 13, 14 en 15 wordt ingegaan op de mogelijk grotere rol van de Nederlandse industrie bij de productie van de overgebleven motor, de F135 van Pratt & Whitney.
Tegen welke omzetverwachting hebben de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers geïnvesteerd dan wel deelgenomen in de ontwikkeling van de F136 motor?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe oordeelt u nu over het gesuggereerde bedrag van één miljard dollar aan orders voor het Nederlandse bedrijfsleven voor de F136 motor zoals gedaan tijdens het debat voorafgaand aan de ondertekening van de Memorandum of Understanding System Design and Development (MOU-SDD) in 2002?
Zie antwoord vraag 3.
Welke contracten en overeenkomsten zijn er door of namens de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers gesloten ten behoeve van investeringen en/of deelname in de ontwikkeling van de F136 motor?
Voor een overzicht van de tot ultimo 2010 gesloten ontwikkelingsopdrachten van de Nederlandse industrie met het FET verwijs ik u naar bijlage 5 van de Jaarrapportage Vervanging F-16 over 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 258).
De totale waarde van die opdrachten bedroeg bijna $ 18 miljoen.
Voor zover het om nog lopende contracten ging, zijn deze verbroken door middel van een stop work order van het FET in vervolg op het stopzetten begin 2011 van de ontwikkelingsfinanciering van de Amerikaanse overheid.
Welke van de door of namens de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers gesloten overeenkomsten en contracten ten behoeve van investeringen en/of deelname in de ontwikkeling van de F136 motor worden er verbroken met het besluit van General Electric en Rolls-Royce tot het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor? Welke overige contractuele verplichtingen worden met het besluit van General Electric en Rolls-Royce tot het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor doorbroken?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u een overzicht geven van alle gevolgen voor de directe en indirecte werkgelegenheid voor de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers van het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor door General Electric en Rolls-Royce?
De ramingen van de Nederlandse werkgelegenheid in verband met het F-35 programma zijn uitgevoerd door PwC – met een appreciatie daarvan door het Centraal Plan Bureau (CPB) – en vervolgens aan de Kamer gezonden (Kamerstukken 26 488, nr. 98 en nr. 145). De ramingen hebben betrekking op het totale programma gedurende de gehele looptijd en zijn een mesobenadering (PwC) respectievelijk een macrobenadering (CPB). Zij berusten niet op een sommering van cijfers van individuele bedrijven.
Verwacht werd dat bij de productiewerkzaamheden voor de F136-motor enige honderden arbeidsplaatsen betrokken hadden kunnen zijn. Dit was vanzelfsprekend onder de aanname dat de betrokken Nederlandse bedrijven op basis van best value metterdaad betrokken zouden worden bij de productie van de beoogde motorcomponenten.
Het stopzetten van de ontwikkeling van de F136-motor had volgens de betrokken bedrijven een gevolg voor ongeveer vijftien werknemers die direct en indirect betrokken waren bij de ontwikkeling van motorcomponenten.
Bent u vooraf geïnformeerd over het voornemen van General Electric en Rolls-Royce over het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
De Amerikaanse overheid heeft in 2010 besloten in de conceptbegroting voor 2011 voor het vijfde achtereenvolgende jaar geen geld te reserveren voor de verdere ontwikkeling van de F136-motor. Zoals bekend heeft het Amerikaanse Congres tot dat jaar steeds besloten toch geld voor deze ontwikkeling beschikbaar te stellen. Nadat de begroting voor 2011 formeel is vastgesteld en daarin geen geld beschikbaar werd gesteld, heeft het Amerikaanse ministerie van Defensie het contract voor de ontwikkeling van de F-136 motor formeel beëindigd. Het FET heeft daarna besloten de ontwikkeling in eigen beheer, voor eigen kosten en op beperkte schaal voort te zetten, in de hoop dat er in de Amerikaanse defensiebegroting voor 2012 alsnog geld beschikbaar zou komen. Nadat bleek dat in de begroting voor 2012 wederom geen fondsen voor de verdere ontwikkeling van de F136-motor waren opgenomen, heeft het FET eenzijdig besloten ook deze werkzaamheden te beëindigen. Omdat voor het F-35 Joint Program Office (JPO) de F136-motor geen program of record (een programma waarvan het budget is geaccordeerd in het Future Year Defense Program volgens de Amerikaanse begrotingssystematiek) is gelet op het standpunt van het Pentagon, is door het FET noch met het F-35 JPO, noch met de internationale partners rechtstreeks gecommuniceerd.
Is het u bekend of en zo ja, op welke wijze de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers vooraf zijn geïnformeerd over het besluit van General Electric en Rolls-Royce tot het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op de vragen 6 en 7 uiteengezet hebben de betrokken Nederlandse bedrijven begin 2011 een stop work order van het FET ontvangen.
Op die wijze is aan de Nederlandse bedrijven medegedeeld dat de ontwikkelingswerkzaamheden door hen dienden te worden beëindigd.
Indien u niet vooraf geïnformeerd bent over het voornemen van General Electric en Rolls-Royce de ontwikkeling van de F136 motor te beëindigen, op welke wijze en wanneer bent u wel geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 9.
Is het (voorgenomen) besluit van General Electric en Rolls-Royce tot het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor besproken binnen het Joint Strike Fighter program office (JPO) Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Is het u bekend of er inmiddels contact is geweest met de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers over de inschakeling ten behoeve van de F135 motor ter compensatie van de misgelopen orders door het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor? Zo ja, door wie is het contact geïnitieerd? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord van 1 april 2011 op de vragen 1 tot en met 3, waarnaar wordt verwezen in vraag 14, is uiteengezet dat het Ministerie van EL&I samen met de betrokken industrie de gevolgen voor de opdrachten en de omzetverwachting in kaart brengt.
Nu de F136-motor niet doorgaat, kan voor de overblijvende F135-motor van Pratt & Whitney rekening worden gehouden met ongeveer 5 000 motoren in plaats van ongeveer 2 500 motoren. De waarde van de Nederlandse opdrachten voor de F135-motor kan navenant toenemen mits de betrokken Nederlandse bedrijven voldoen aan het best value principe. Dit hoeft overigens niet alleen te leiden tot meer opdrachten voor de huidige toeleveranciers van de F135. Ook de Nederlandse bedrijven die opdrachten hadden ontvangen in het kader van de ontwikkeling van de F136-motor, kunnen in aanmerking komen voor productiewerk voor de F135-motor.
In overleg met de Nederlandse industrie is door medewerkers van het Ministerie van EL&I al in een vroeg stadium in 2011 contact gezocht met vertegenwoordigers van Pratt & Whitney om de mogelijkheden voor de Nederlandse industrie te verkennen en aan te dringen op een verdergaande inschakeling. Ook tijdens de periodieke contacten met Pratt & Whitney van een vertegenwoordiger van het sinds 2004 functionerende JSF Industrial Support Team (JIST) dat de Nederlandse industriële inschakeling ondersteunt, is voortdurend aangedrongen op verdere inschakeling van de Nederlandse industrie en zijn ook concrete mogelijkheden onder de loep genomen.
Verder overleggen Nederlandse bedrijven zelf, ook die in het verleden betrokken waren bij het F136-programma, met Pratt & Whitney over mogelijke opdrachten bijvoorbeeld als second source leverancier. Daarbij zijn diverse concrete opdrachten in beeld.
Welke stappen gaat u zelf ondernemen om deelname van de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers aan de ontwikkeling van de F135 motor door Pratt & Whitney te bevorderen?2
Zie antwoord vraag 13.
Hoe reëel acht u zelf de mogelijkheid -met inachtneming van alle omstandigheden rondom de ontwikkeling van de JSF- dat de in Nederland gevestigde bedrijven en toeleveranciers betrokken zullen worden bij de ontwikkeling van de F135 motor door Pratt & Whitney?
Zie antwoord vraag 13.
Is het u bekend hoe er op het besluit van General Electric en Rolls-Royce tot het stopzetten van de ontwikkeling van de F136 motor is gereageerd door het Amerikaanse congres?
Het Amerikaanse Congres heeft, zoals uiteengezet in het antwoord op de vragen 9, 11 en 12, besloten verder geen geld voor de ontwikkeling van de F136-motor ter beschikking te stellen. Dit betekent dat het besluit tot stopzetting in overeenstemming is met de wens van het Congres.
Een lading Amerikaans traangas in de Suezhaven |
|
Mariko Peters (GL) |
|
|
|
|
Is het waar dat een lading van 7,5 ton traangas uit de VS in de Suezhaven vlakbij Cairo is aangekomen? Klopt het dat een lading van 14 ton nog verwacht wordt?
Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft verklaard dat twee leveringen, waarvoor in juli van dit jaar vergunningen zijn afgegeven, op 25 november 2011 Egypte zijn binnengekomen met het Egyptische ministerie van Binnenlandse Zaken als eindgebruiker. De VS geeft aan dat sinds dat moment geen aanvullende leveringen zijn aangevraagd of onderweg zijn.
Klopt het dat de vaten traangas uit de VS bestemd waren voor het Egyptische ministerie van Binnenlandse Zaken?
Zie antwoord vraag 1.
Is de lading uiteindelijk Egypte binnengekomen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verklaart u de traangaszending van de VS aan Egypte terwijl tegelijkertijd de VS het verzet tegen het militaire regime steunen? Hebben de Amerikaanse autoriteiten een verklaring afgelegd waarom deze zending aan Egypte is goedgekeurd? Zo ja hoe luidt deze? Zo nee, bent u bereid hierover contact te zoeken met de Amerikaanse autoriteiten?
Naar aanleiding van een bericht van Amnesty International over de traangaszending gaf het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken aan te zullen onderzoeken of er misbruik is geweest van traangas. Indien misbruik wordt vastgesteld zal de Amerikaanse regering dergelijke transacties tegenhouden. Vooralsnog is er volgens de VS geen directe aanleiding om de uitvoer van deze goederen naar Egypte tegen te houden.
Bent u bereid zowel rechtstreeks als met de EU gezamenlijk deze Amerikaanse traangaszending aan Egypte scherp te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de correcte manier waarop de VS uitvoering geeft aan zijn wapenexportbeleid.
Welke landen leveren op dit moment «anti riot en crowd control materieel (zoals non-military firearms, including riot guns, crowd control vehicles, shotgun ammunition and «tear gas») aan Egypte? Hoe beoordeelt u deze exporten, die buitenproportioneel en gewelddadig ingezet worden tegen de betogers? Bent u voornemens de landen die «anti riot en crowd control» materieel leveren aan Egypte hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Het is de regering niet bekend of, en zo ja welke, landen genoemde producten exporteren naar Egypte. Binnen de EU worden vergunningaanvragen getoetst aan onder meer criteria 2 en 3 van het EU Gemeenschappelijk Standpunt (mensenrechten en interne situatie). Met andere EU lidstaten wordt in de desbetreffende Brusselse Raadswerkgroep gesproken over het wapenexportbeleid naar de regio, met inbegrip van de wijze waarop te exporteren wapens aangewend worden.
Kunt u uitsluiten dat «anti riot» en crowd control» materieel via Nederland wordt doorgevoerd naar Egypte?
Indien militaire goederen zoals «anti riot en crowd control» materieel in Egypte mogelijk zouden worden ingezet voor mensenrechtenschendingen, zal Nederland geen vergunning geven voor de doorvoer van dergelijk materieel. Indien geen vergunningplicht voor doorvoer geldt, omdat de zending voorzien is van een uitvoervergunning van een bondgenoot, zal Nederland zonodig in contact treden met de betrokken bondgenoot om de doorvoer via Nederland te ontmoedigen.
De uitspraken van admiraal Venlet over de Joint Strike Fighter |
|
Jasper van Dijk (SP), Angelien Eijsink (PvdA), Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraken van de admiraal Venlet over de problemen met de JSF in het artikel «JSF’s build and test was «Miscalculation» Adm. Venlet says: production must slow»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat de mate van overlap tussen ontwikkelen, bouwen, testen en productie bij nader inzien een misrekening is geweest?
Bij de aanvang van het F-35 programma werd gedacht dat door de grootschalige toepassing van computersimulaties de ontwikkeling van de F-35 anders zou verlopen dan eerdere ontwikkelingstrajecten. Op grond daarvan is besloten relatief vroeg in het programma al grotere aantallen toestellen te produceren. Vice-admiraal Venlet zet in het interview uiteen dat deze benadering blijkt te leiden tot meer kosten dan oorspronkelijk verwacht. Om die reden heeft minister Panetta op 26 januari jl. aangekondigd dat de Verenigde Staten de komende jaren minder toestellen zullen afnemen teneinde de aanpassingskosten van de toestellen na aflevering te beperken.
Op grond van de beschikbare informatie heeft Defensie steeds het standpunt van het Pentagon gedeeld. Tijdens de hoorzitting van april 2009 zijn ervaringen besproken met eerdere ontwikkelingstrajecten van wapensystemen. Op dat moment was er nog geen reden aan te nemen dat de programmaopzet gewijzigd moest worden.
Is het u bekend dat de Amerikaanse rekenkamer U.S. Government Accountability Office (GAO) al enige jaren waarschuwt dat er in een JSF project een risico wordt genomen met het overlappen van ontwikkelen, bouwen, testen en productie? In welke mate zijn deze zorgen van GAO binnen het JSF Program office (JPO) besproken?
Het GAO heeft de afgelopen jaren gewezen op risico’s als gevolg van de overlap van ontwikkeling, bouw, testen en productie. Deze waarschuwing komt terug in de Monitor over het project vervanging F-16 van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2009 (Kamerstuk 31 200, nr. 14). In de bestuurlijke reactie op deze GAO-rapporten heeft het Amerikaanse Ministerie van Defensie (waar het JPO deel van uitmaakt), zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 en 6, steeds gesteld dat de ontwikkeling van de F-35 vooral door de grootschalige toepassing van computersimulaties anders zou verlopen dan eerdere ontwikkelingstrajecten. In de reactie op het GAO rapport van 12 mei 2011 (Kamerstuk 26 488, nr. 269) wordt daarnaar verwezen. Defensie heeft op grond van de beschikbare informatie steeds het standpunt van het Pentagon gedeeld. Naar de huidige inzichten, op grond van de uitvoering van ongeveer 20 procent van het testprogramma, blijkt dat de ontwikkeling van de F-35 minder afwijkt van eerdere progamma’s dan verwacht.
Welke conclusies zijn er door u binnen het JPO getrokken op basis van de waarschuwingen van de Amerikaanse rekenkamer?
Zie antwoord vraag 3.
Welke conclusies zijn er door u getrokken uit de eveneens door de Nederlandse Algemene Rekenkamer (ARK) gedane waarschuwingen over de risico’s die genomen worden met het overlappen van ontwikkelen, bouwen, testen en productie?
Zie antwoord vraag 3.
Welke rol hebben de waarschuwingen van de deskundigen over het risico van de overlap tussen ontwikkelen, testen en produceren, geuit tijdens de hoorzitting van april 2009, gespeeld in het verdere besluitvormingsproces met betrekking tot de Nederlandse deelname in de JSF ontwikkeling?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn de extra bijkomende kosten voorkomend uit de nu geconstateerde gebreken voor het in aanbouw zijnde eerste Nederlandse testtoestel dat volgens planning in augustus 2012 geleverd gaat worden?
Voor wiens rekening zullen extra bijkomende kosten voor het in aanbouw zijnde eerste Nederlandse testtoestel komen?
Wat zijn de extra bijkomende kosten voorkomend uit de nu geconstateerde gebreken voor het tweede Nederlandse testtoestel dat volgens planning in maart 2013 geleverd gaat worden?
Voor wiens rekening zullen extra bijkomende kosten voor het tweede Nederlandse testtoestel komen?
Wat zijn de gevolgen van de benodigde aanpassingen voor de totale aanschafprijs van het eerste Nederlandse testtoestel?
Wat zijn de gevolgen van de benodigde aanpassingen voor de totale aanschafprijs van het tweede Nederlandse testtoestel?
Is het u al bekend wat de gevolgen van de huidige problemen zullen zijn voor de wijze waarop het JSF programma zal worden aangepast? Zo nee, op welke termijn verwacht u duidelijkheid over de verdere planning in het JSF project?
Zoals toegezegd in de brief van 1 juli 2011 (Kamerstuk 26 488, nr. 275) zal ik u informeren over de Amerikaanse besluitvorming zodra die gereed is. Naar verwachting zal begin februari duidelijkheid ontstaan over de Amerikaanse productieaantallen in de komende jaren. Over de planning van de ontwikkelingsfase zal naar verwachting in de weken daarna een besluit vallen. De Verenigde Staten zullen de partners informeren over de voortgang daarvan. Minister Panetta heeft op 26 januari jl. reeds aangekondigd dat de Verenigde Staten de komende jaren minder toestellen zullen afnemen teneinde de aanpassingskosten van de toestellen na aflevering te beperken.
Een Nederlands besluit over de vervanging van de F-16 wordt overgelaten aan een volgend kabinet. Naar verwachting zullen de eerste productietoestellen niet voor 2019 bij het Commando luchtstrijdkrachten instromen. Risico’s veroorzaakt door de gelijktijdige ontwikkeling en productie van de F-35 zullen tegen die tijd (2019) aanzienlijk zijn afgenomen omdat de ontwikkeling dan nagenoeg zal zijn voltooid.
Is binnen het JPO al gesproken over een aanpassing van de planning in het JSF project?
Zie antwoord vraag 13.
Op welke wijze zult u de Kamer informeren over de gewijzigde planning in het JSF project?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u een geactualiseerd overzicht geven van de door de partnerlanden geplande aantallen toestellen? Kunt u een geactualiseerd overzicht geven van de door de partnerlanden geplande bestellingen?
Jaarlijks geven de partnerlanden in het najaar hun aangepaste planningsreeksen door aan het JPO. Deze reeksen worden gebruikt voor de herijking van de financiële reeksen die ten grondslag liggen aan de onder meer door Nederland ontvangen financiële informatie ten behoeve van de jaarrapportage. Zoals uiteengezet bij de beantwoording van vraag 13, 14 en 15 zal pas begin februari duidelijkheid ontstaan over de Amerikaanse planning. In Italië worden op dit moment bezuinigingsmaatregelen uitgewerkt. Daarbij wordt ook het aantal aan te schaffen F-35 toestellen opnieuw vastgesteld. In de jaarrapportage wordt het actuele overzicht van de planningreeksen opgenomen.
Op dit moment zijn de volgende aantallen toestellen besteld:
Turkije heeft onlangs besloten twee toestellen aan te schaffen in de LRIP-7 productieserie. Noorwegen heeft besloten vier toestellen in de LRIP-8 productieserie te bestellen. Verder zijn er twee niet-partnerlanden die concrete stappen hebben gezet; Israel heeft een eerste bestelling van negentien toestellen gedaan en de Japanse regering heeft besloten een eerste serie van 42 toestellen te bestellen.
De behandeling van slachtoffers van zedenmisdrijven |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Justitie slordig bij zedenzaken»?1
Ja.
Erkent u de problemen die het Landelijke Advocaten Netwerk voor Zeden Slachtoffers naar voren brengt in hun zwartboek?
De positie van slachtoffers van strafbare feiten is de laatste jaren op belangrijke punten verbeterd. Op 1 januari 2011 is de Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (wet VPS) in werking getreden. In deze wet zijn diverse rechten opgenomen voor slachtoffers van strafbare feiten.
Ik beschouw de lijst met knelpunten van het Landelijk Advocaten Netwerk voor Zeden Slachtoffers (hierna: LANZS) als een belangrijk signaal over de wijze waarop de wet VPS en de rechten voor slachtoffers in die wet in de praktijk tot uitvoering komt. De lijst is opgesteld op mijn verzoek en dat van het Openbaar Ministerie (OM), de Raad voor de rechtspraak en de politie. Aanleiding hiervoor was een overleg in augustus 2011 waarin door het LANZS een aantal knelpunten aan de orde werd gesteld. Aan het LANZS is gevraagd de knelpunten te concretiseren door een aantal praktijkgevallen te benoemen die de ervaren knelpunten illustreren. Deze concretisering heeft uitgemond in de door LANZS opgetekende knelpunten.
Wat gaat u hieraan doen?
Sinds de melding van de knelpunten is door de verschillende betrokken partijen (OM, Rvdr, LANZS, NOvA en mijn ministerie) overleg gevoerd over de aanpak ervan. Zowel het OM als de Rvdr hebben, conform de afspraak zoals gemeld in mijn brief aan de Tweede Kamer van 23 december 2011, de knelpunten op de lijst geanalyseerd en aangegeven hoe de verschillende gesignaleerde problemen worden opgepakt. Komend najaar vindt op mijn ministerie vervolgoverleg plaats met de betrokken partijen om het resultaat van de gekozen oplossingen te evalueren. Ik zal aan de vanuit de advocatuur betrokken partijen vragen om opnieuw verslag te doen van de ervaringen met de wet VPS in de praktijk.
Heeft het justitiële apparaat, gezien de bezuinigingen en de toenemende werkdruk, voldoende capaciteit en middelen om in strafrechtelijke procedures aandacht te besteden aan het slachtoffer?
Ten behoeve van de implementatie van de wet VPS zijn middelen beschikbaar gesteld aan de ketenpartners om hun taken uit te voeren. Overigens hoeft aandacht voor het slachtoffer niet per definitie te leiden tot extra kosten, bijvoorbeeld als het gaat om een correcte bejegening en het wijzen op rechten.
Onnodige bureaucratie omtrent het in- en uitschrijven van gastouders in het Landelijk Register Kinderopvang |
|
Ybeltje Berckmoes-Duindam (VVD) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de verplichting van gastouders om zich uit te schrijven uit het Landelijk Register Kinderopvang indien zij tijdelijk geen kinderen opvangen en dat er door gemeenten boetes worden opgelegd indien gastouders zich hier niet aan houden?
Ja.
Deelt u de mening dat deze verplichting voor de gastouder onnodige en onevenredige administratieve lasten en kosten met zich mee brengt?
Een gastouder dient zich onmiddellijk uit te schrijven uit het LRK indien de kinderopvangactiviteiten definitief worden beëindigd. Hiermee blijft de actualiteit van het LRK en daarmee de rechtmatige toekenning van kinderopvangtoeslag gewaarborgd. Gaat het echter om een tijdelijke onderbreking van de opvangactiviteiten, dan zou het handhaven van de inschrijving een lastenverlichting en een kostenbesparing voor de gastouder kunnen betekenen. De gastouder hoeft dan immers geen nieuwe aanvraag in te dienen om de opvang te kunnen hervatten.
Deelt u de mening dat herhaaldelijk in en uitschrijven door gastouders op een eenvoudigere manier moet kunnen worden geregeld, bijvoorbeeld door de mogelijkheid te creëren om bij tijdelijke inactiviteit als «slaper» geregistreerd te worden?
Ja.
Bent u bereid dit zo snel mogelijk in het nieuwe jaar te regelen? Kunt u gelet op het korte tijdsbestek binnen één week op bovenstaande vragen reageren?
In het nieuwe Besluit registers Kinderopvang en Peuterspeelzalen, dat per 1 januari 2012 in werking treedt, wordt geregeld dat de inschrijving van de gastouder in het Landelijk Register Kinderopvang gehandhaafd kan blijven in geval van een tijdelijke onderbreking van de daadwerkelijke opvang, bijvoorbeeld in geval van zwangerschap of ziekte. De gastouder hoeft dan geen nieuwe aanvraag in te dienen als hij of zij de kinderopvangwerkzaamheden weer wil hervatten.
Ontwikkelingshulp aan de Islamitische Republiek Afghanistan |
|
Louis Bontes (PVV), Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het verslag over de begrotingscontrole op de financiële bijstand van de EU aan Afghanistanvan het Europees Parlement?1 Hoe beoordeelt u dit verslag? Hoe beoordeelt u de vaststelling dat volgens de organisatie Integrity Watch in Afghanistan in 2009 voor meer dan een miljard dollar aan smeergeld is betaald?
Ja, ik ben bekend met het verslag van het Europees Parlement. Corruptie is in Afghanistan een serieus probleem dat veel aandacht vergt. Voor de Nederlandse regering vormt het bevorderen van effectieve corruptiebestrijding een belangrijk onderdeel van de inzet in Afghanistan. Nederland dringt al langere tijd aan op een steviger anti-corruptiebeleid en ziet zich hierin gesteund door het verslag van het Europees Parlement.
Effectieve corruptiebestrijding maakt onderdeel uit van de maatregelen die de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap onder andere tijdens de internationale Afghanistanconferentie in Kabul op 20 juli 2010 en in Bonn op 5 december jl. zijn overeengekomen. Afghanistan neemt ook zelf maatregelen ter bestrijding van corruptie, onder meer door herziening van de bankwetgeving, handhaving en een anti-witwas raamwerk, alsook effectievere vervolging van betrokkenen van economische delicten. Eveneens wordt voortgang geboekt met public finance management, onder meer door het opstellen van een audit law. In november is door het bestuur van het IMF ingestemd met een nieuw driejarig krediet programma voor Afghanistan. Zie voorts de antwoorden van minister Hillen (Defensie) op de feitelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie naar aanleiding van het openbaar jaarverslag 2010 van de MIVD van 2 september 2011 (kamerstuk 29 924, nr. 68).
Bent u ermee bekend dat Afghanistan één der corruptste staten ter wereld is, beloond met plaats 180 op de corruptie index van Transparency International? Deelt u de mening dat Afghanistan getypeerd kan worden als door en door corrupt?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat zij die op 5 december jl. tijdens de Afghanistan-conferentie in Bonn overeenkwamen ook na 2014 hulpgelden in Afghanistan te blijven pompen gekwalificeerd kunnen worden als naïeve Hulpsinterklazen?
De Nederlandse regering heeft de overtuiging dat stabiliteit in Afghanistan nodig is om vreedzame ontwikkeling te stimuleren. Daarmee wordt ook het Nederlands belang gediend. Het Nederlandse Rechtsstaatprogramma in het kader van de Geïntegreerde Politietrainingsmissie in Kunduz zet in op stabiliteit en ontwikkeling. De focus ligt hierbij op:
De Nederlandse inzet richt zich dus niet uitsluitend op de overheid, maar probeert daarnaast ook de bevolking weerbaarder te maken en instrumenten te verschaffen die het mogelijk maken om overheden ter verantwoording te roepen.
Het bevorderen van stabiliteit in een door conflict getroffen land als Afghanistan vereist lange termijn betrokkenheid. Nederland heeft tijdens de Afghanistan-conferentie in Bonn op 5 december jl. aangekondigd ook na 2014 betrokken te willen blijven bij Afghanistan. Nederlandse steun is echter niet onvoorwaardelijk. De Nederlandse regering verwacht volledige toewijding van de Afghaanse overheid om ontwikkeling te stimuleren, hervormingen door te voeren en stabiliteit te realiseren. Conform de oproep van het Europees Parlement blijft Nederland bij het verlenen van hulp bijzondere aandacht schenken aan de bestrijding van corruptie.
Bent u bereid, behoudens bilaterale noodhulp, alle Nederlandse hulp – zowel de bilaterale als de multilaterale – bestemd voor de Islamitische Republiek Afghanistan per direct te beëindigen?
Zie antwoord vraag 3.
Een Israëlisch wetsvoorstel ten aanzien van inkomsten van organisaties die donaties ontvangen van buitenlandse statelijke entiteiten |
|
Alexander Pechtold (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Nederlandse regering opheldering heeft gevraagd aan en haar zorgen heeft geuit bij de Israëlische regering over twee wetsvoorstellen die de buitenlandse subsidiëring van Israëlische mensenrechten- en vredesorganisaties aan beperkingen zou onderwerpen?1 Zo ja, wat was de precieze aard en inzet van deze interventie? Hoe heeft de Israëlische regering erop gereageerd?
De regering heeft zorg geuit over bedoelde wetsvoorstellen. Daarbij is zowel gewezen op de potentiële beperking van democratische grondrechten als op mogelijke imagoschade voor Israël. Van Israëlische zijde werd hiervan goede nota genomen en de Israëlische procedure inzake initiatiefwetgeving uiteengezet.
Klopt het dat internationale pressie ertoe heeft geleid dat de Israëlische premier Netanyahu de betreffende wetsvoorstellen heeft bevroren, nadat het Ministeriële Comité voor Wetgeving de voorstellen eerder had geaccordeerd?2
Voorgenomen wetgevingsprocessen zijn inderdaad bevroren. Ik treed niet in de overwegingen van de Israëlische premier die daartoe geleid hebben.
Is het waar dat de EU-Ambassadeur in Israël, Standley, pressie heeft uitgeoefend om de Israëlische regering ertoe te bewegen de wetsvoorstellen te schrappen? Zo ja, verwelkomde en steunde u deze pressie?
De EU-ambassadeurs dragen het standpunt uit zoals besproken in EU-verband.
Heeft u vernomen dat de Israëlische procureur-generaal Weinstein de wetsvoorstellen «disproportioneel en onconstitutioneel» heeft genoemd en erop gericht de meningsuiting te onderdrukken?3 Wat is uw reactie daarop?
De regering volgt het Israëlische debat aandachtig, maar onthoudt zich van commentaar op individuele uitspraken die in dat kader in Israël worden gedaan.
Klopt het dat Nederland in EU-verband een leidende rol vervult bij de bescherming van mensenrechtenverdedigers en in dat kader proactief en coördinerend optreedt bij het monitoren en tegengaan van wetsvoorstellen en wetgeving in Israël die een bedreiging vormen voor de positie en vrijheden van mensenrechten- en vredesactivisten en hun organisaties? Kunt u dit toelichten?
De Nederlandse ambassade heeft in het kader van de taakverdeling tussen EU-delegatie en lidstaten de rol op zich genomen van «focal point human rights defenders». In het kader van de EU-strategie voor mensenrechtenverdedigers organiseert de post onder andere een jaarlijks evenement ten behoeve van mensenrechtenverdedigers.
Is het waar dat de indieners van de eerder genoemde wetsvoorstellen op verzoek van premier Netanyahu deze voorstellen in een nieuw wetsvoorstel hebben geïntegreerd?4
Er is een nieuw voorstel voor initiatiefwetgeving dat de kern van de twee eerder genoemde voorstellen combineert.
Zo ja, klopt het dat dit wetvoorstel voorziet in een totaalverbod op buitenlandse subsidiëringen van bepaalde maatschappelijke organisaties? Welke handelingen of uitlatingen van organisaties resulteren in dit verbod?
Nee, dit wetsvoorstel voorziet niet in een totaalverbod. Wel wordt een bepaalde mate van regulering beoogd van organisaties die als politieke NGO’s worden gedefinieerd.
Het wetgevingsproces in Israël wat betreft initiatiefwetten is zodanig complex en veranderlijk, dat het op dit moment niet zinvol is op de details van de verschillende initiatiefwetsvoorstellen in te gaan.
Klopt het dat dit wetvoorstel voorziet in een belasting van 45 procent op buitenlandse overheidssteun aan maatschappelijke organisaties die geen financiële steun van de Israëlische overheid ontvangen? Zo ja, is het waar dat een dergelijke belasting tot gevolg zou hebben dat belangrijke internationale donoren, waaronder de EU en haar lidstaten, hun subsidiëring van Israëlische mensenrechten- en vredesorganisaties zouden moeten staken, omdat zij op basis van regelgeving en richtlijnen geen subsidies mogen verstrekken die fiscaal belast worden?
Er zijn inderdaad een of meer voorstellen voor initiatiefwetgeving die voorzien in een dergelijke belastingheffing. Een dergelijke belastingheffing zou gevolgen kunnen hebben voor de buitenlandse financiering van Israëlische NGO’s.
Klopt het dat dit wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid dat de Israëlische minister van Financiën en de parlementaire commissie voor Financiën ontheffing kunnen verlenen voor deze belasting, waardoor zij feitelijk justitieel gezag zouden verwerven over maatschappelijke organisaties die juist tot taak hebben om de uitvoerende en wetgevende macht te controleren? Wat is uw reactie daarop?
Het is inderdaad initiatiefwetgeving die voorziet in een dergelijke discretionaire bevoegdheid. Gezien de onzekere uitkomsten van het wetgevingsproces acht ik commentaar op de diverse voorliggende wetsvoorstellen op dit moment niet zinvol.
Klopt het dat Israëlische nederzettingenorganisaties die private buitenlandse donaties en/of financiële steun van de Israëlische overheid ontvangen, buiten het bereik van dit wetsvoorstel vallen? Zo ja, wat is daarop uw reactie?
Het initiatiefwetsvoorstel voorziet in een dergelijk onderscheid. Ook hier geldt dat het oordeel van de regering afhankelijk is van de uitkomst van het wetgevingsproces.
Wat is uw reactie op berichten dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Clinton en de Amerikaanse ambassadeur in Israël Shapiro met ontzetting hebben gereageerd op deze ontwikkelingen?5
Daar neem ik kennis van.
Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, heeft de Nederlandse regering dan nog de mogelijkheid om alle Israëlische mensenrechten- en vredesorganisaties te blijven financieren die op dit moment Nederlandse subsidie ontvangen? Zo nee, welke mensenrechten- of vredesorganisaties zouden niet langer in aanmerking komen voor subsidiëring door Nederland?
Het kabinet wil niet vooruitlopen op de uiteindelijke wetgeving. Pas wanneer de inhoud daarvan bekend is, kan men vaststellen of deze gevolgen heeft voor de subsidierelaties die Nederland onderhoudt.
Kloppen berichten dat het Ministeriële Comité voor Wetgeving of de Israëlische regering zich op zeer korte termijn over het aangepaste wetsvoorstel zullen buigen? Zo ja, bent u bereid om nog voordat dit gebeurt via de bilaterale relatie en via de EU druk uit te oefenen op de Israëlische regering om de onafhankelijkheid van maatschappelijke organisaties te waarborgen?
Het is niet bekend wanneer de voorstellen voor initiatiefwetgeving voor definitieve stemming aan de Knesset voorliggen. Dat laat onverlet dat de EU-delegatie en de ambassades van diverse lidstaten in hun reguliere contacten met Israël het eerder genoemde standpunt zullen blijven uitdragen.
Zou u willen streven naar beantwoording van deze vragen voordat het Ministeriële Comité voor Wetgeving, c.q. de Israëlische regering, zich over het aangepaste wetsvoorstel buigen?
Ja.
De instroom van nieuwe aspiranten bij de Politieacademie |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
|
|
|
Klopt het dat de instroom van politieagenten op de Politieacademie op gang begint te komen, waardoor er vanaf begin volgend jaar veel nieuwe aspiranten zullen gaan starten op de locaties Apeldoorn, Drachten en Eindhoven?
Ja.
Hoe staat het op dit moment precies met deze instroom? Gaat het doel van 1 850 aspiranten gehaald worden? Hoeveel aspiranten zijn er tot nu toe in 2011 begonnen? In hoeveel gevallen gaat het daarbij om zogenaamde zij-instromers?
In 2011 zijn volgens opgave van de korpsen 1890 aspiranten aangesteld, waaronder 100 recherchekundige zij-instromers. In deze 1890 aspiranten zijn niet meegerekend 22 aspiranten die in 2011 wel waren aangesteld, maar in datzelfde jaar voortijdig de opleiding hebben verlaten. Ook niet meegerekend zijn 17 aspiranten die onder voorbehoud zijn aangesteld en op een later moment met de opleiding zullen starten. Hiermee is ruimschoots voldaan aan het benodigde aantal van 1 850 aspiranten, dat nodig was om de operationele sterkte op peil te houden. Zoals gezegd hebben 22 aspiranten voortijdig de opleiding verlaten. Uitval tijdens het onderwijs is een bekend, maar onvermijdelijk fenomeen. Door adequate maatregelen, zoals goede voorlichting, goed onderwijs en een goede begeleiding wordt getracht het uitvalspercentage te beperken, dan wel zoveel mogelijk in het begin van de opleiding te laten plaatsvinden.
Hoeveel mensen hebben zich in 2011 gemeld om te beginnen aan de opleiding? Hoeveel hiervan zijn ook daadwerkelijk begonnen aan de opleiding? Hoeveel zijn hiervan afgehaakt? Wat was daarvan de reden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat betekent de toegenomen instroom voor de werkdruk van de docenten op de genoemde locaties?
De instroom van eind 2011 en ook die van begin 2012 zal zo evenwichtig mogelijk over de zes opleidingslocaties van de Politieacademie worden verdeeld. De formatie van de Politieacademie is berekend op een gemiddelde jaarlijkse instroom van 2000 aspiranten. Dat neemt niet weg dat er in 2012 op momenten onvermijdelijk een piek zal zijn in het aantal aspiranten dat aan de Politieacademie verblijft. Dit is noodzakelijk en onvermijdelijk om de in de eerste helft van 2011 opgelopen achterstand in de instroom in te kunnen halen.
Op 30 januari 2012 start de Politieacademie met een nieuw curriculum in het initieel onderwijs. In dit nieuwe curriculum zijn de laatste ontwikkelingen in het politievak verwerkt. De belangrijkste organisatorische wijziging ten opzichte van het huidige curriculum is een andere ritmiek tussen het school- en het praktijkdeel van de opleiding. In het begin van de nieuwe opleiding verblijven de aspiranten langer aan de Politieacademie dan nu het geval is, te weten acht maanden in plaats van drie maanden in de huidige opleiding. Daarna worden de afwisselende praktijk- en schooldelen van de opleiding steeds vier maanden in plaats van de huidige drie maanden. Deze aanpassingen in de ritmiek zijn gedaan naar aanleiding van uitgevoerde evaluaties.
De invoering van het nieuwe curriculum leidt samen met de instroom van december 2011 tot een cumulatie van activiteiten in 2012 aan de Politieacademie. Het College van Bestuur van de Politieacademie heeft aangegeven daarvoor in maand januari 2012 extra ondersteuning te hebben georganiseerd. Een ander zwaartepunt in de werkbelasting voor docenten ligt in de maanden mei en juni 2012, vanwege het tweede instroommoment van dat jaar. In overleg tussen de korpsen en de Politieacademie is afgesproken dat tijdig in de benodigde docenten zal worden voorzien. Ik zal de uitvoering van deze afspraken nauwlettend volgen.
Op deze wijze kan de kwaliteit van het onderwijs worden gegarandeerd, kunnen docenten zich op het onderwijs voorbereiden en blijft de werkdruk acceptabel. De plaatsing van de aspiranten kan daarbij op een verantwoorde wijze plaatsvinden.
Het nieuwe curriculum vereist dat de begeleiding van de aspiranten tijdens de praktijkdelen aangepast wordt. Omdat deze aangepaste begeleidingsperiodes starten in het najaar van 2012 en dan de nationale politie is ingevoerd, worden in het kader van het inrichtingsplan van de nationale politie nadere voorstellen ontwikkeld door de kwartiermakersorganisatie. Hierbij worden de bevindingen van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid over een gewenste standaardisatie van de praktijkbegeleiding meegenomen1 en dient het «referentiekader werkend leren» als leidraad. Op deze wijze wordt de begeleiding van aspiranten in de praktijk tijdig aangepast en tevens gestandaardiseerd voor de gehele nationale politie.
Naast het verzorgen van onderwijs staat er door deze cumulatie van werkzaamheden en het invoeren van een nieuwe systematiek van examineren druk op het aantal benodigde examinatoren.
Klopt het dat door de start van veel nieuwe groepen, deze moeilijk te bemensen zijn met de capaciteit die nu aanwezig is? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten? Zo ja, wat gaat u doen om deze capaciteit te verhogen?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat vanaf begin volgend jaar ook gewerkt gaat worden met een nieuw curriculum? Zo ja, wat betekent dit voor de werkdruk van de docenten op deze locaties?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u garanderen dat de kwaliteit van het politieonderwijs niet lijdt onder bovenstaande ontwikkelingen? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, welke actie gaat u dan ondernemen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn de gevolgen van deze plotselinge toename voor het praktijkgedeelte van de opleiding ofwel de korpsen die deze aspiranten een plek en begeleiding moeten geven?
Zie antwoord vraag 4.
Kunnen alle aspiranten op een verantwoorde manier geplaatst worden? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, welke actie gaat u dan ondernemen?
Zie antwoord vraag 4.