De doorlooptijden van ruimtelijke ordeningszaken |
|
Johan Houwers (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wachttijd bij Raad van State steeds langer»?1
Ja, dat ken ik.
Heeft u zicht op de oorzaak van de stijging van het aantal (ruimtelijke ordenings)zaken, waardoor de gemiddelde doorlooptijd is gestegen van 45 naar 53 weken in de afgelopen vier jaar?
Ja, dat heb ik. Ten eerste heeft de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) bij veel gemeenten tot een inhaalslag geleid om verouderde bestemmingsplannen te actualiseren. De nieuwe wet eist immers dat alle bestemmingsplannen per
1 juli 2013 actueel zijn. Voorts is als gevolg van de nieuwe Wro de goedkeuringsrol van het college van gedeputeerde staten bij de vaststelling van bestemmingsplannen vervallen. Indien iemand opkomt tegen de vaststelling van een bestemmingsplan, staat thans direct beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De filterende werking van het eerst indienen van bedenkingen bij het college van gedeputeerde staten, alvorens men beroep kon instellen op de Afdeling bestuursrechtspraak, is weggevallen. Daarnaast leidt een nieuwe wet in het algemeen tot nieuwe rechtsvragen, waardoor het aantal beroepszaken zal zijn toegenomen. Ten slotte heeft de universiteit van Groningen in een onderzoek in samenwerking met de universiteit van Tilburg – uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie – geconstateerd dat het aannemelijk is dat van de verkorte afhandelingtermijn van beroepszaken waarop de Crisis- en herstelwet van toepassing is, een «verdringingseffect» uitgaat. De extra aandacht die deze versnelde afhandeling vereist, gaat ten koste van de snelheid waarmee andere zaken in het ruimtelijk bestuursrecht kunnen worden afgedaan.
Ter informatie wil ik hier nog opmerken dat het gemiddelde van de doorlooptijden van hoofdzaken met zitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak als gevolg van de toegenomen instroom en zaakslast in 2010 op ongeveer 39 weken en in 2011 op 47 weken lag (d.i. exclusief de vreemdelingenzaken, waar de doorlooptijden vanwege afwijkende termijnen aanmerkelijk korter zijn). Inzet van de Afdeling bestuursrechtspraak is om het oplopen van de termijnen in de komende jaren weer terug te dringen in de richting van gemiddeld 40 weken en bij zaken op het terrein van de ruimtelijke ordening tot maximaal 52 weken. Ter vergelijking: bij de andere hoger beroep colleges in het bestuursrecht lagen in 2010 de gemiddelde doorlooptijden voor bodemzaken bij de Centrale Raad van Beroep op 73 weken en bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 87 weken.
Welke mogelijkheden ziet u om de nieuwe omgevingswet tegen deze toename aan procedures in te zetten? Gaat u de nieuwe omgevingswet hiervoor inzetten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
In de beleidsbrief van 14 maart 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3) concludeert het kabinet dat het bestaande omgevingsrecht complex is en dat die complexiteit tot onzekerheid en onduidelijkheid bij de initiatiefnemers over voorgenomen projecten en activiteiten leidt. Die onzekerheid en onduidelijkheid vertalen zich onder meer in procedures bij de bestuursrechter.
De inzet bij de herziening van het omgevingsrecht is om de toegankelijkheid van het omgevingsrecht te vergroten. Onderdeel daarvan is het verbeteren van besluitvormingsprocedures, onder meer door toepassing van de zgn. Elverding-aanpak (o.a. brede inspraak in een vroeg stadium) in het ruimtelijk domein en door besluitvormingsprocedures te stroomlijnen en te bundelen. Hierdoor kan ook het aantal procedures bij de bestuursrechter afnemen. De te verwachten effecten daarvan zullen bij de voorbereiding van het wetsvoorstel in kaart worden gebracht, waarbij zoals gebruikelijk ook de Raad voor de Rechtspraak en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zullen worden betrokken.
Welke ontwikkeling verwacht u ten aanzien van het aantal zaken bij de Raad van State op het gebied van de ruimtelijke ordening?
Verwacht wordt dat de instroom van ruimtelijke ordeningszaken in de komende jaren nagenoeg gelijk zal zijn aan de instroom in eerdere jaren. Zie in dat kader het onderzoeksrapport Instroom van ruimtelijke ordeningszaken in eerste en enige aanleg bij de Afdeling Bestuursrechtspraak dat APE in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft uitgevoerd (Den Haag, 2 september 2011).
De zorgen van jonge huisartsen over de toekomst van het vak |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het interview met de oprichters van actiegroep Jonge Huisartsen? Trekt u het zich aan dat uw beleid wordt gezien als schadelijk voor de fundamenten van de huisartsgeneeskunde? Wat zijn volgens u de fundamenten van de huisartsenzorg?1
Ik heb van het interview in het ledenblad van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) kennisgenomen. Hoewel ik het niet eens ben met suggesties in het artikel, vind ik het een goede zaak dat ook jonge artsen betrokken zijn bij het beleid en zich actief mengen in de discussie over de houdbaarheid van ons zorgstelsel. Mede om die reden zal een vertegenwoordiging van de actiegroep Jonge Huisartsen ook worden ontvangen op het ministerie om in gesprek te gaan over hun ideeën.
Ik ben van mening dat de Nederlandse zorg is gebaat bij een sterke eerste lijn en dat binnen deze eerste lijn de huisarts een belangrijke positie inneemt. Zie ook mijn beleidsbrief «Zorg en ondersteuning in de buurt» (d.d. 14 oktober 2011).
Wat is uw reactie op de uitspraak dat veel jonge huisartsen overwegen te stoppen als zij in de toekomst vooral bezig zullen zijn om als slimme ondernemer de financiën rond te krijgen? Bent u bereid uw beleid te heroverwegen of mogen deze huisartsen wat u betreft vertrekken? Wilt u uw antwoord toelichten?
De suggestie dat de huisarts bezig zou moeten zijn als slimme ondernemer om de financiën rond te krijgen, is niet gestoeld op mijn beleid. De huisarts wordt grotendeels gefinancierd via het abonnementstarief en heeft patiënten die op naam staan ingeschreven in zijn praktijk.
Kunt u zich voorstellen dat uw uitvoeringsverzoek aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wordt gezien als een gebrek aan vertrouwen, op basis van zowel de toon als de suggestie om de inschrijving op naam af te schaffen? Bent u bereid dit verzoek in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet bereid om dit verzoek in te trekken. Ik heb de NZa om advies gevraagd omdat ik, naast goede zaken, knelpunten zie in de huidige bekostiging. Dit zijn knelpunten die ook worden herkend door het veld. Als voorbeeld noem ik de complexiteit van het systeem en de administratieve lasten die het systeem met zich meebrengt. Daarnaast werpt het huidige systeem barrières op voor substitutie van zorg en wordt er niet betaald voor gezondheidsuitkomsten en/of resultaten.
Wat betreft de inschrijving op naam kan ik kort zijn. Ik heb nooit gesuggereerd deze af te schaffen en ik ben dat ook niet van plan.
Wat is uw reactie op de kritiek dat het afschaffen van de inschrijving op naam zal leiden tot het in verschillende diagnoses opknippen van de patiënt om deze bij de goedkoopste zorgverlener onder te brengen? Bent u bereid te stoppen met het opknippen van de zorg in te vermarkten producten, zoals eerder is gebeurd met de thuiszorg, zorgzwaartepakketten en diagnose behandel combinaties (DBC's)? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Ik herken het door u geschetste beeld niet.
Deelt u de mening dat de vertrouwensrelatie en poortwachtersfunctie kernwaarden zijn voor goede huisartsenzorg en het beperken van overbodige zorgkosten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom voert u een beleid dat deze kernwaarden ondermijnt? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie tevens mijn eerdere antwoorden. Mijn beleid richt zich juist op het versterken van de eerste lijn om daarmee ook te zorgen dat generalistische basiszorg weer meer in de buurt wordt aangeboden. Een onderdeel daarvan is dat ziekenhuizen sinds dit jaar weer verplicht zijn om te registreren wie de verwijzer van de patiënt is. Wanneer er geen verwijzer bekend is (met uitzondering van acute zorg), zal de zorgverzekeraar de rekening voor de zorg niet ten laste mogen brengen van het zorgverzekeringsfonds. Dit beleid ondersteunt en verstevigt de poortwachtersfunctie van de huisarts. De vertrouwensrelatie is daarnaast geborgd door het behouden van de inschrijving op naam. Mijn beleid versterkt derhalve deze kernwaarden.
Wilt u ingaan op de parallel met het opknippen van de wijkverpleegkundige in de jaren tachtig, waardoor patiënten veel meer verschillende hulpverleners moesten zien? Maakt u in de huisartsenzorg nu niet dezelfde fout? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik zie geen parallel met het afschaffen van de wijkverpleegkundige in de jaren tachtig en mijn beleid ten opzichte van de huisartsenzorg. In mijn brief aan de NZa benoem ik expliciet ook de functie van de wijkverpleegkundige als belangrijk onderdeel van integrale zorgverlening en vraag ik naar advies over de bekostiging, opdat de wijkverpleegkundigen een structurele financiering krijgen. Mijn beleid is gericht op samenwerking en integraliteit en staat dus haaks op het opknippen van zorg.
Bent u bereid productieprikkels in de zorg af te schaffen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, hoe geloofwaardig bent u nog als u zegt de zorgkosten te willen indammen?
De huisartsenzorg wordt voor het grootste deel bekostigd door het abonnementstarief. Dit is geen productiefinanciering. Ik heb de NZa de vraag voorgelegd om te adviseren over een juiste mix tussen het belonen van extra inspanning en preventie, het gezond houden en/of maken van de patiënt en ook het niet behandelen als dat onnodig is.
Waarom mag de tweede lijn groeien, terwijl de eerste lijn wordt gekort? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoorden op de vragen van Kamerlid Kuiken (PVDA) over de korting op het huisartsenbudget na overschrijding bij de geïntegreerde eerstelijnszorg (2011Z16037, zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3591).
Deelt u de mening dat met het versterken van de eerste lijn bezuinigd kan worden op overbodige zorguitgaven, zoals snotterpoli’s en SOS-artsen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het zeer eens met de jonge huisartsen dat er goed gekeken moet worden naar de doelmatigheid van zorg. Zorgaanbieders zijn daarvoor als eerste aan zet. Zorgaanbieders hebben de verantwoordelijkheid om gepaste zorg, die zinnig en zuinig is, aan te bieden. Hierover zijn in het Bestuurlijk hoofdlijnenakkoord ook afspraken gemaakt. Ook zorgverzekeraars hebben een belangrijke taak: zinnige en zuinige zorg inkopen en daarover harde afspraken maken in de contracten die worden gesloten met de zorgaanbieders.
Ik denk echter dat nieuwe initiatieven de zorg ook doelmatiger, toegankelijker en service gerichter kunnen maken. Daarom wil ik zorgen dat de toetredingsdrempel voor nieuwe initiatieven zo laag mogelijk is. Dat wil overigens niet zeggen dat ik van mening ben dat deze initiatieven per definitie gecontracteerd moeten worden door de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars hebben daarin een zelfstandige bevoegdheid.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Jonge Huisartsen en de Kamer te informeren over de uitkomsten? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Het bericht dat opnieuw fraude is aangetoond bij SPV |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Justitie jaagt op psychiater» en het bericht «Zielenknijper of uitknijper»?1
Ik ben bekend met dit bericht dat Tubantia op vrijdag 13 april jongstleden heeft gepubliceerd.
Bent u op de hoogte gesteld van de «jacht» op de psychiater? Zo ja wanneer? Wilt u uw antwoord toelichten?
Over mogelijke en lopende strafrechtelijke onderzoeken kan ik geen mededelingen doen.
Hoe oordeelt u over de claim dat de genoemde psychiater diagnoses op betaling stelde/verstrekte?
Zie antwoord vraag 2.
Is bekend hoeveel diagnoses te ruim zijn gesteld of zijn aangedikt om via deze wijze geld te incasseren? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn deze psychiater en zijn collega-arts momenteel actief werkzaam? Zo ja, bent u bereid maatregelen te nemen om de psychiater en de arts te schorsen? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen geldt dat zolang er niet is bewezen dat een beroepsbeoefenaar strafbare feiten heeft gepleegd en zolang er geen aanwijzingen zijn dat de veiligheid van hun patiënten in het geding is, er geen aanleiding is om beroepsbeoefenaren te beletten hun werk uit te oefenen.
Kunnen deze artsen voorgelegd worden aan het Medisch Tuchtcollege? Zo ja, op welke termijn zal dit gebeuren?
Is bekend hoeveel geld via het frauduleus handelen van SPV en de psychiater is geïnd? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, hoeveel? Kan dit worden teruggevorderd?
De IGZ kan een zaak aanhangig maken bij een regionaal tuchtcollege als er sprake is van overtreding van de tuchtnormen uit de Wet BIG. Op grond van het tuchtrecht kan in het zwaarste geval een arts het recht om zijn beroep uit te oefenen worden ontzegd. Een spoedbehandeling kan gevraagd worden als er gevaar dreigt voor de individuele gezondheidszorg van andere patiënten.
Tuchtrecht inzetten uitsluitend op basis van de verdenking van het plegen van een strafbaar feit, en dus vooruitlopend op de beoordeling van die feiten door de strafrechter, met het verstrekkende doel om de volledige beperking van de beroepsuitoefening te bereiken, acht de IGZ niet kansrijk. Als de IGZ kan aantonen dat er sprake is van niet verantwoorde zorgverlening kunnen beroepsbeperkende maatregelen worden opgelegd.
Wat is uw mening over het feit dat 130 van de 430 zorgbehoevenden die voorheen zorg ontvingen van SPV nu hebben laten weten dat zij geen zorg meer nodig hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik u in mijn antwoord bij de vragen 2,3 en 4 heb gemeld, kunnen over mogelijke en lopende strafrechtelijke onderzoeken geen mededelingen worden gedaan.
Kunt u aangeven wat de rol van het Centrum indicatiestelling zorg ( CIZ) is geweest bij het toekennen van de indicaties van deze mensen? Is het mogelijk dat alle aangevraagde indicaties door deze psychiaters worden nagelopen op noodzakelijke zorgbehoefte?
Menzis heeft het contract met SPV opgezegd en ervoor gezorgd dat de cliënten van SPV bij andere zorgaanbieders terecht konden. In dat proces hebben ongeveer 130 cliënten te kennen gegeven niet langer prijs te stellen op zorg. Menzis heeft mij laten weten dat dit komt omdat deze cliënten van SPV zorg kregen die niet tot de AWBZ behoort en dat zij geen prijs stelden op AWBZ verzekerde zorg.
Klopt het dat zorgverzekeraar Menzis ongeveer tussen 1,3 en 2,6 miljoen euro bespaart door het afzien van de zorgindicaties? Zo ja, bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar grote PGB-zorgaanvragers (persoonsgebonden budget) en mogelijke overindicatie bij die aanvragen?
Zoals eerder gemeld, kan ik over mogelijke en lopende strafrechtelijke onderzoeken geen mededelingen doen.
Hoeveel zorgbureaus in Twente staan onder verdenking van fraude en welke zijn dit? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Menzis heeft mij laten weten dat zij over de jaren 2009 t/m 2011 op basis van onderzoek € 1,3 miljoen niet hebben geaccepteerd als rechtmatig gedeclareerd. Uw idee om een onderzoek te doen naar de indicatiebesluiten van zorgbureaus die veel budgethouders als cliënten hebben, neem ik in overweging.
Welke maatregelen heeft u getroffen of gaat u nog treffen naar de zorgbureaus die onder verdenking van fraude staan? Bent u bereid de Kamer te informeren over de lopende ontwikkelingen van deze zaken?
Zoals eerder gemeld kan ik over mogelijke en lopende strafrechtelijke onderzoeken geen mededelingen doen.
Hoe oordeelt u over de woede van gedupeerden en hun klacht dat onderzoeken te lang duren en verdachten gemakkelijk weer een nieuw zorgbureau opzetten? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om te zorgen dat malafide zorgbestuurders geen nieuw zorgbureau kunnen opstarten of elders in de zorg gaan werken? Zo nee, waarom niet?
Als zorgbureaus onder verdenking van fraude staan en er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan ik u hierover niet informeren. In zijn algemeenheid ben ik van mening dat iedere vorm van misbruik van overheidsgelden conform het Kabinetsbeleid hard moet worden aangepakt.
Weet u inmiddels het antwoord of andere zorgkantoren hun contacten met SPV of dochter/zuster bedrijven hebben opgezegd? Zo neen, waarom duurt dit zolang?2
Ik kan mij die woede goed voorstellen, mij bereiken deze geluiden ook. Nu geldt in ons rechtssysteem dat, zolang iemand niet is veroordeeld, er geen gronden zijn waarop hij of zij belet kan worden een zorgbureau op te zetten. Dat betekent overigens niet dat er niet extra op hem of haar gelet wordt. Het CIZ heeft een interne frauderichtlijn waardoor men extra alert is bij aanvragen voor indicatiebesluiten die afkomstig zijn van sommige aanvragers. De zorgkantoren zijn extra alert om geen contracten af te sluiten met malafide ondernemers. De pgb-maatregelen die ik heb genomen, hebben tot doel te voorkomen dat kwetsbare mensen de dupe worden van malafide zorgbureaus.
Is bekend of er meer psychiaters zijn die diagnoses verkopen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar toedoen en de Kamer hierover te informeren?
Het contract met SPV is door Achmea en Agis beëindigd op 29 februari 2012. Achmea is gestopt met betalen in periode 9 van 2011 (een periode = 4 weken), omdat ze constateerden dat SPV heeft gedeclareerd voor zorg die in regio’s van andere zorgkantoren is geleverd.
Eno heeft met ingang van 2012 geen nieuw contract met SPV afgesloten.
Antiterrorisme controles op Utrecht Centraal Station |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de antwoorden van de burgemeester van Utrecht van 21 maart 2012 op vragen gesteld door gemeenteraadsleden over een grootschalige controle door het Korps Landelijke politiediensten (KLPD) die op 15 maart 2012 op Utrecht Centraal Station (CS) heeft plaatsgevonden?
Ja.
Onder wiens gezag vond deze oefening plaats? Wie draagt de politieke verantwoordelijkheid?
Het betrof hier geen oefening, maar een actie middels de spottermethodiek uitgevoerd door de Dienst Spoorwegpolitie van het Korps landelijke politiediensten (KLPD). Er was hier sprake van een preventieve controle gericht op handhaving en opsporing. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie / de Officier van Justitie. De politieke verantwoordelijkheid van het KLPD ligt bij de minister van Veiligheid en Justitie als de beheerder van het korps.
Is het waar dat de spottersmethodiek gericht is op het aanleren van competenties door het scannen van groepen mensen om zo, uiteraard alleen in relatie tot de openbare orde en het handhaven van de rechtsorde, afwijkend gedrag te herkennen? Zo ja, wat wordt op een groot station als Utrecht CS als afwijkend en wat als normaal gedrag beschouwd? Zo nee, wat behelst die methodiek dan wel?
De spotteracties zijn gericht op het herkennen van gedragingen of uiterlijke kenmerken bij personen of groepen van personen die afwijken van het gedrag van de gemiddelde reiziger/passant waardoor mogelijk op voorhand een ordeverstoring of ander crimineel gedrag kan worden herkend danwel kan worden voorkomen. De spotteracties zijn tevens gericht op het scherp houden van de aangeleerde competenties.
Wat als normaal of afwijkend gedrag kan worden beschouwd is afhankelijk van een aantal factoren. Het gedrag dient te worden geplaatst binnen de juiste context, ofwel het algemene beeld wat men krijgt als er wordt geobserveerd op een bepaalde plaats, het tijdstip en de heersende cultuur. Globaal kan voor een station het volgende onderscheid worden gemaakt:
Als normaal gedrag wordt beschouwd:
Als afwijkend gedrag kan worden beschouwd:
Middels het stellen van vragen (klantvriendelijke bejegening) komt de politiemedewerker meer te weten over de persoon en zijn/haar intenties.
Was er een concrete aanleiding in de zin van een (verhoogde) terroristische dreiging om deze controle te houden? Zo nee, werd die controle dan louter vanwege het oefenen in het kader van de spottersopleiding gehouden?
Nee, er was geen aanleiding in de zin van een (verhoogde) terroristische dreiging. De controle werd gehouden in het kader van een landelijke actiedag van het KLPD aangaande toezicht en handhaving op de verkeersstromen. Hierbij werd onder andere gebruik gemaakt van de spottermethode.
Hoe vaak zijn deze controles in het verleden gehouden en op welke locaties? Hoe vaak gaan in de nabije toekomst dergelijke controles plaatsvinden?
In 2010 is op Amsterdam CS een grote actie gehouden, waarbij alle landelijke media aanwezig waren, op Rotterdam CS in november 2011 en op Utrecht CS in maart 2012. Periodiek zullen grote en kleine acties op de verkeersstromen blijven plaatsvinden. De aantallen, tijd en locatie zijn van tevoren niet bekend.
Zijn er particuliere organisaties bij dergelijke oefeningen betrokken? Zo ja, welke?
Er zijn geen particuliere bedrijven bij dergelijke acties betrokken.
In hoeverre draagt het houden van dergelijke controles zonder directe operationele aanleiding daadwerkelijk bij tot een verbetering van het veiligheidsgevoel op die locaties? Acht u het mogelijk dat het publiek door de aanwezigheid van controleurs eerder met onbegrip of zelfs met gevoelens van onveiligheid reageert?
Ik acht het mogelijk dat individuele personen de acties met onbegrip of met gevoelens van onveiligheid ervaren. Het is echter ook algemeen bekend dat de burgers meer «blauw» op straat wensen om de veiligheid te vergroten. In het kader hiervan kan worden gesteld dat de acties in uniform in openbare ruimtes een positieve uitstraling hebben in de richting van het publiek. Afwijkend gedrag wordt vaak door omstanders als onveilig ervaren. Het door de politie aandacht geven aan afwijkend gedrag kan bijdragen dat het veiligheidsgevoel kracht verliest.
Worden burgers geïnformeerd over het feit dat ze geconfronteerd worden of zijn geweest vanwege een oefening? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
De burgers worden op voorhand niet geïnformeerd dat zij worden geconfronteerd met een actie. Indien burgers tijdens de actie vragen hebben, worden zij doorverwezen naar de aanwezige begeleiders van de Politieacademie die meteen uitleg geven.
In hoeverre is er sprake van een klantvriendelijke bejegening tijdens deze controles? Bent u bekend met hoe het publiek deze controles ervaart? Zo ja, wat is u bekend hierover? Zo nee, bent u bereid om bij dergelijke controles de ervaringen van het publiek te peilen?
De klantvriendelijke bejegening houdt in dat een persoon of groep personen die zich afwijkend gedraagt voor zijn omgeving, niet wordt benaderd als een mogelijke verdachte conform artikel 27 Wetboek van Strafrecht. Na het geconstateerde afwijkende gedrag zal de persoon of groep worden bevraagd op zijn of hun gedrag en reden van aanwezigheid in het station. Het komt regelmatig voor dat men zich niet bewust is van het getoonde gedrag en dit meteen staakt danwel dat er een plausibele reden is waarom dit gedrag wordt getoond. De Politieacademie doet onderzoek naar de ervaringen van burgers met dergelijke controles. Daarom volgen zij na gehouden acties de reacties op de sociale media. De reacties zijn over het algemeen positief. De aanwezigheid van politiemensen in het station wordt ervaren als een gevoel van veiligheid.
Waaruit bestaat de opsporingsmethode «Search, Detect, React»? Is het nut en de noodzaak van die methode bewezen? Is de proportionaliteit tussen middel en doel gewaarborgd? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet? Wilt u nut en noodzaak alsnog in kaart laten brengen?
«Search, Detect, React» is de methodiek waarop de spotteracties zijn gebaseerd. De bestanddelen zijn bij de beantwoording van de voorgaande vragen reeds benoemd. Het nut en de noodzaak van de spotteracties zijn tijdens eerdere acties bewezen. De proportionaliteit tussen middel en doel is gewaarborgd. Het betreft proactief handelen, waarbij de inzet is om vragen te stellen en de zintuigen in te zetten. Dit alles binnen de wettelijke context. Geweldsmiddelen worden niet ingezet. Het enige middel dat de politiemedewerker inzet is zijn/haar mond en gezond verstand. Er worden vragen gesteld en de aanwezigheid en doelstelling worden kenbaar gemaakt aan de burger. Tot aanhouding van de burger wordt pas overgegaan als het gesprek concrete aanwijzingen oplevert dat sprake is van (verdenking van) een strafbaar feit.
Homo-acceptatie in het voetbal |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het artikel van Huub ter Haar: «Voetbal is van iedereen, ook van homo’s»?1
Ja
Bent u met Huub ter Haar van de Alliantie Gelijkspelen van mening dat er nog veel verbeterd kan worden op het gebied van homo-acceptatie in het voetbal? Deelt u de mening dat het uitspreken dat iedereen welkom is onvoldoende is en dat je acceptatie actief moet organiseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar blijkt dat uit? Kunt u een volledig overzicht geven van de activiteiten die u ontplooit?
Het kabinet streeft er naar om een veilig sportklimaat te creëren zodat iedereen veilig en met plezier kan sporten. Dit geldt voor alle sporters dus ook voor homoseksuele sporters. Om de sport veiliger te maken heb ik samen met de minister van V&J, NOC*NSF, de KNVB, de KNHB, de VNG en de MO-groep het Actieplan «Naar een veiliger sportklimaat» en de uitwerking hiervan opgesteld en aan u toegezonden (30 234, nr. 55). Hierin wordt ingezet op het bevorderen van gewenst gedrag bij of in de sport, het voorkomen van ongewenst gedrag en op een «zero tolerance» beleid van zaken die niet door de beugel kunnen. Ongewenst gedrag tegen lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender sporters valt daar ook onder.
Naast het genoemde actieplan steun ik samen met de minister van OCW de (Gay Straight) Alliantie Gelijkspelen. In deze alliantie werken verschillende maatschappelijke organisaties (NOC*NSF, Stichting GUTS, Movisie, de NSA, de John Blankenstein Foundation en het COC) samen aan het vergroten van de sociale acceptatie van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender sporters. De alliantie maakt afspraken met een aantal sportbonden (waaronder de KNVB), verenigingen en gemeenten om het klimaat voor deze sporters te verbeteren en richten zich op het vergroten van de zichtbaarheid en bespreekbaarheid en het verbeteren van de omgangsvormen zowel in de amateur- als in topsport. Dit gebeurt onder andere door inpassing in opleidingen.
Hoe beoordeelt u de oproep van de Alliantie Gelijkspelen aan «Meer dan Voetbal», de Vereniging van Contractspelers (VVCS) en de KNVB om een voortrekkersrol te gaan vervullen op het gebied van homo-acceptatie? Bent u in overleg met deze partijen over dit onderwerp?
Met zowel de partners uit het actieplan als de partners van de alliantie zit ik regelmatig om tafel, waaronder NOC*NSF en de KNVB. Deze partijen denken actief mee over acties die gevoerd kunnen worden om homoacceptatie in de sport te vergroten en de positie van homoseksuelen in ondermeer het voetbal te versterken.
Is het waar dat Engeland en Duitsland op dit vlak veel actiever zijn? Kunt u een overzicht geven van de activiteiten die in Engeland en Duitsland ontplooid worden? Zijn er activiteiten die u wilt overnemen en die u ook in Nederland wilt ontwikkelen en/of stimuleren?
Met belangstelling volg ik de ontwikkelingen op dit gebied in Engeland en Duitsland. Internationale uitwisseling van ervaringen en goede voorbeelden met betrekking tot homo-emancipatie is onderdeel van het beleid en werk van de Alliantie Gelijkspelen. Zo worden onder andere de verrichtingen van de FA (Football Association), die onlangs bijvoorbeeld een convenant met de Engelse voetbalclubs heeft gesloten, op de voet gevolgd door de Alliantie en hebben zij hier over contact. Dit najaar is Nederland in het kader van de European Partial Agreement on Sports (EPAS, Raad van Europa) gastland van een conferentie gericht op uitwisseling van good practices om homofobie in de sport tegen te gaan.
Deelt u de mening dat het tijd wordt voor een actieplan homo-acceptatie in het Voetbal? Bent u bereid het voortouw te nemen en met « Meer dan Voetbal», de VVCS, de KNVB en de Alliantie Gelijkspelen op korte termijn, uiterlijk voor het begin van het nieuwe voetbalseizoen 2012–2013, te komen met een plan van aanpak om homo-acceptatie in het amateur- en profvoetbal te stimuleren en waarin het «organiseren van homo-acceptatie» centraal staat?
Nee, de hierboven beschreven inzet is veelomvattend en neemt al het voortouw om sport voor iedereen ongeacht geaardheid leuk te houden en agressie tegen te gaan.
Heeft u kennisgenomen van het initiatief dat de gemeente Den Haag in 2008 heeft genomen voor een Haagse homo-emancipatieprijs: «de John Blankensteinprijs»? Deelt u de mening dat een dergelijk project landelijk navolging verdient? Wordt u de eerste minister van Sport die de landelijke John Blankensteinprijs uitreikt aan de persoon of organisatie die zich in 2012 het meest heeft ingezet voor homo-acceptatie in de sport?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Ik vind het belangrijk dat iedereen, ook homo’s veilig en met plezier kunnen sporten en voetballen. Mijn Actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat» biedt ruimte voor initiatieven en maatregelen ter bevordering van een veiliger sportklimaat en daarmee ook voor initiatieven die het gevoel van veiligheid voor homoseksuelen in de sport vergroten. Het instellen van een prijs is hiervan een goed voorbeeld. Het is aan de partijen zelf om dit soort initiatieven te ontplooien.
Het artikel 'Gemeente Haren verscheurde parkeerboetes van gezagsdragers' |
|
Coşkun Çörüz (CDA), Hero Brinkman (Brinkman) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u precies uiteenzetten in hoeveel gevallen gezagsdragers van de gemeente Haren niet (voldoende) hebben betaald bij een parkeermeter zonder parkeerontheffing?1
Vanaf 2001 is het 0 tot 4 keer per jaar voorgekomen dat bonnen van medewerkers of bestuurders van de gemeente Haren zijn doorgehaald in het boekje met naheffingsaanslagen parkeerbelasting.
De enige documenten omtrent de gemeentelijke parkeerovertredingen die bij de gemeente Haren berusten, zijn de (afschriften van de) bonnenboekjes. In die bonnenboekjes zijn uitsluitend de kentekens van de auto’s en het tijdstip en de plaats van de overtreding genoteerd. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen gezagsdragers en niet-gezagsdragers. In hoeveel gevallen het om een gezagsdrager gaat, kan daarom niet precies worden aangegeven.
Deelt u de mening dat de daders die niet beschikten over een geldige parkeerontheffing, alsnog de betreffende boetes moeten betalen? Heeft u bevoegdheden hier persoonlijk op toe te zien? Zo ja, bent u hiertoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Het betreft hier niet een verantwoordelijkheid van het rijk. De boetes zijn gebaseerd op de gemeentelijke belastingverordening. Hieruit voortvloeiende verantwoordelijkheden berusten bij het gemeentebestuur.
Bent u, als gevolg van datgene wat uit de gemeentelijke stukken van de gemeente Haren2 naar voren komt, bereid een onderzoek naar de integriteit van de gemeente Haren bij het Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten te initiëren? Zo nee, waarom niet?
In reactie op eerder gestelde vragen over deze kwestie, heb ik bij brief van 15 maart 2012 (2012Z03113, zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1882), hieromtrent opgemerkt dat het een lokale aangelegenheid betreft. Het is de gemeente die hierover beslist. Het college van burgemeesters en wethouders heeft in een tweetal brieven van 7 februari 2012 uitleg gegeven aan de fracties in de gemeenteraad over de handelwijze met betrekking tot het doorhalen van boetes in het bonnenboekje.
Mede naar aanleiding van de parkeerbonnenproblematiek is het onderwerp integriteit openbaar bestuur besproken in de vergadering van de raadscommissie van 13 maart 2012. Niet zozeer deze kwestie als wel een kwestie rondom een verleende bouwvergunning heeft geleid tot de motie een onderzoek in te stellen door de rekenkamercommissie. Dit onderzoekt loopt momenteel.
De meldingsplicht voor asbestsanering |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat asbestsaneringsbedrijven vóór de start van de saneringswerkzaamheden op dit moment vier meldingen moeten doen, te weten:
Er is geen melding op grond van de Wet milieubeheer, maar voorafgaand aan een asbestsanering in gebouwen, moet op twee momenten een melding/mededeling worden gedaan. Dit is noodzakelijk voor het toezicht op het veilig saneren van asbest. Het eerste moment is vier weken voor aanvang, het tweede moment is twee dagen voor aanvang van de saneringswerkzaamheden. Het tweede moment betreft drie meldingen/mededelingen, waarbij in de praktijk vanwege de automatische doormelding vanuit het Arboportaal van de Inspectie SZW veelal volstaan kan worden met één melding aan de Inspectie SZW.
Melding in plaats van vergunning (art. 1.26, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012)
Bij bouwwerken moet het voornemen tot het uitvoeren van (asbest)sloopwerkzaamheden ten minste vier weken voor aanvang gemeld worden bij de gemeente op grond van art. 1.26, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Deze melding is in plaats gekomen van de asbestsloopvergunning die tot 1 april jl. werd geëist.
Deze melding biedt de gemeente informatie over het voornemen tot asbestsanering de asbestsituatie (aan de hand van een inventarisatierapport) en de methode waarop de sloopwerkzaamheden plaats zullen vinden. Het bevoegd gezag kan daarmee bezien of de voorgenomen werkzaamheden voldoen aan de wettelijke vereisten voor asbestsanering.
Aanvangsmelding naar Inspectie SZW, gemeente en certificerende instellingen
De melding/mededeling twee dagen voor de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden biedt het bevoegd gezag de kans om op de saneringslocatie toezicht uit te oefenen op het uitvoeren van de werkzaamheden. De tweedagentermijn is de minimale termijn die gehanteerd wordt om de toezichthouders hun werkzaamheden te laten inplannen.
De aanvangsmelding/mededeling dient om verschillende instanties op de hoogte te brengen en is in verschillende regelgeving vastgelegd:
Is het waar dat de melding aan de arbeidsinspectie gebruiksvriendelijk kan worden afgehandeld via de Arbeidsinspectie portal, waarbij tevens automatische doormelding plaatsvindt naar de certificerende instellingen en een aantal gemeenten?
Ja, zie ook onder 1.
Ligt het niet voor de hand om in het kader van de aanpak van zinloze bureaucratie de meldingsplicht op grond van de Wet milieubeheer verplicht1 te synchroniseren met de al bestaande faciliteit van de Arbeidsinspectie portal? Zo ja, zou u deze verplichting snel willen invoeren?
Er is geen meldingsplicht op grond van de Wet milieubeheer.
Dit jaar wordt een begin gemaakt met de invoer van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS), waarbij de meldingen voor de aangesloten gecertificeerde bedrijven geautomatiseerd vanuit het LAVS worden gedaan richting Inspectie SZW, gemeente en certificerende instelling. Bovendien biedt het LAVS het bevoegd gezag de mogelijkheid inzage te krijgen in de asbestsituatie op de locatie omdat de informatie uit het asbestinventarisatierapport en de planning van de sanering ook in LAVS zijn geregistreerd.
Wat is de meerwaarde van twee meldingen voor dezelfde saneringswerkzaamheden aan een gemeente, op grond van Wm en BB2012? Wat is de ratio achter het feit dat de Wm-melding twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden gedaan moet worden en de BB2012-melding dertig dagen voor aanvang van de werkzaamheden?
De ratio achter het verschil in meldingstermijn van de meldingen/mededelingen (zoals genoemd in het antwoord op vraag 1) hangt samen met het vooraf beoordelen of de juiste voorzieningen worden getroffen voor het veilig werken met asbest (melding van het voornemen minimaal vier weken voor aanvang), danwel het inplannen van toezicht op de saneringslocatie door het bevoegd gezag (aanvangsmelding/mededeling twee dagen voor aanvang).
In praktijk wordt de melding van het voornemen tot asbestsanering vaak ruim voor de daadwerkelijke uitvoering gedaan. Op dat moment is de exacte datum van de asbestsanering vaak nog niet bekend.
Zie ook de uitleg onder 1.
Bent u bereid om de meldingsplicht op grond van BB2012, in verband met het ontbreken van meerwaarde ten opzichte van de Wm-melding, te schrappen?
Nee, want er is geen melding op grond van de Wet milieubeheer.
Zie ook het antwoord onder 1 en 4.
Mogelijke illegale asbestopslag |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Michiel Holtackers (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Onderzoek sloopbedrijf in Enschede» en «Ondernemer: «Asbest veilig opgeslagen»»?1 2
Deze berichten zijn mij bekend.
Klopt de bewering dat bij asbestsaneringsbedrijf Stokkentre aan de Binnenhaven in Enschede zonder vergunning asbest is opgeslagen? Zo ja, kunt u de omvang van de illegale opslag beschrijven? Is het asbest wel op een verantwoorde manier opgeslagen, volgens de daarvoor geldende regels?
De provincie Overijssel is bevoegd gezag voor de vergunningverlening en handhaving. De politie, de provincie Overijssel en de inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doen onderzoek naar illegale praktijken bij het Enschedese sloop- en asbestsaneringsbedrijf Stokkentre.
Indien is er sprake is van illegale opslag van asbest; heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) controlerend en handhavend opgetreden in deze zaak? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen? Maakt intrekking van het certificaat voor asbestverwijdering van het bedrijf deel uit van de maatregelen van de ILT in deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Bij de handhaving van de asbestregelgeving zijn diverse overheden betrokken, ieder vanuit een eigen wettelijke verantwoordelijkheid. De ILT heeft in deze zaak geen controlerende en handhavende rol. Het bevoegde gezag met betrekking tot de certificering is de certificerende instelling die het certificaat kan schorsen.
Zijn er andere bedrijven betrokken bij deze zaak? Zo ja, welke?
Zie antwoord op vraag 2.
Zou de afschaffing van de stortbelasting en de introductie van een stortverbod van asbest in het algemeen, en in het bijzonder in deze zaak, een reden kunnen zijn voor (illegale) opslag van asbest? Hebben u signalen bereikt uit de sector dat dit het geval is? Kunt u inzicht geven in de resultaten van de monitoring van de opslag en het storten van asbest en andere afvalstoffen als gevolg van het afschaffen van de stortbelasting, zoals eerder gevraagd is tijdens het wetgevingsoverleg op 7 november 2011 over het Belastingplan 2012?
Per 1 januari 2012 is de afvalstoffenbelasting (Wet belastingen op milieu-grondslag) afgeschaft. In mijn brief van 25 augustus 2011 «Meer waarde uit afval» heb ik een stortverbod voor hechtgebonden asbest aangekondigd, welke inwerking zal treden zodra een alternatieve verwerkingsmethode (het denatureren van de asbestvezel) operationeel is. Er hebben mij geen signalen bereikt dat afschaffing van de afvalstoffenbelasting en de introductie van een stortverbod voor hechtgebonden asbest in het algemeen, en in het bijzonder in deze zaak, redenen kunnen zijn voor (illegale) opslag van asbest.
Agentschap NL is onder meer verantwoordelijk voor de monitoring van en rapportage over de uitvoering van het afvalbeleid in Nederland.
Is deze zaak voor u reden om de wijze waarop asbestverwijdering is geregeld, opnieuw tegen het licht te houden? Is dit een op zichzelf staand incident of heeft u aanwijzingen dat illegale opslag en stort van asbest een structureel probleem is?
Nee. Het is aannemelijk dat een substantieel deel van het asbest uiteindelijk via allerlei kanalen terecht komt op een vergunde stortplaats. Mij zijn mij geen signalen bekend dat illegale opslag en stort van asbest een structureel probleem is.
Dreigementen van de gevolmachtigde minister van Curacao |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat bedoelt de gevolmachtigde minister van Curaçao met zijn dreigement «Je kunt verwachten dat we geen weg onbenut zullen laten om dit aan te pakken», naar aanleiding van kritiek van twee oud-ministers van Curaçao op het optreden van de huidige regering?1
Mij zijn de bedoelingen van de uitspraken van de gevolmachtigde minister van Curaçao niet bekend. Uitspraken van de gevolmachtigde minister vallen onder de verantwoordelijkheid van de regering van Curaçao.
Heeft de gevolmachtigde minister van Curaçao gesproken namens de Rijksministerraad?
Nee.
Hoe gaat u de twee bedreigde oud-ministers van Curaçao beschermen?
Zie antwoord vraag 4
Hoe gaat u een einde maken aan dit soort dreigementen door de gevolmachtigde minister van Curaçao?
De uitspraak van de gevolmachtigde minister in functie over twee oud ministers betreft een interne Curaçaose aangelegenheid. Het is primair aan de regering en de Staten van Curaçao om te bepalen of uitlatingen van een lid van deze regering eventueel vragen om maatregelen.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen over Koninkrijksrelaties van donderdag 19 april a.s.?
Ja.
Het tegenhouden van reizigers naar Israël |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Israel security forces gear up to deflect pro-Palestinian «fly-in» protest»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het verzoek van Israël aan Europese en Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen om de reizigers die in het kader van de «Welcome to Palestine» actie naar Bethlehem willen niet toe te laten tot het vliegtuig? Kunt u uw antwoord toelichten?
Elk land heeft het recht personen de toegang tot zijn grondgebied te ontzeggen.
Staan er op de lijst met individuen die Israël de toegang tot het land wil ontzeggen ook Nederlanders? Zo ja, hoeveel? Kunt u, desnoods vertrouwelijk, inzage geven in deze lijst?
Ik beschik niet over de lijst waar u naar verwijst.
Deelt u de opvatting van de Israëlische minister Aharonovitch dat de «flytilla» een provocatie is en de deelnemers hieraan provocateurs zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De opvatting van minister Aharonovitch is voor zijn rekening.
Deelt u de opvatting van minister Aharonovitch dat de activisten die in het kader van de «Welcome to Palestine» actie naar Bethlehem willen «vijandige elementen» zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe identificeert Israël in de landen van vertrek de reizigers die in het kader van de «Welcome to Palestine» actie naar Palestina willen? Werkt Nederland hier op enigerlei wijze aan mee? Indien ja, hoe? Is door Israël op enigerlei wijze contact opgenomen met Nederland om reizigers te identificeren? Indien ja, wat is hierover besproken en welke afspraken zijn gemaakt?
Het is mij onbekend welke werkwijze de Israëlische overheid hierbij hanteert.
De Nederlandse overheid speelt hier geen rol in.
Op basis van welke criteria wordt een reiziger die in het kader van de «Welcome to Palestine» actie naar Palestina wil door Israël de toegang tot het land ontzegd? Op basis van welke criteria heeft Israël de lijst van reizigers die het de toegang tot het land ontzegt, samengesteld?
Eventuele criteria zijn niet openbaar.
Is het waar dat Israël vertegenwoordigers en veiligheidspersoneel heeft gestationeerd op luchthavens waarvandaan reizigers naar Israël willen vertrekken? Indien ja, wat zijn precies hun taken? Zijn zij ook aanwezig op Nederlandse luchthavens? Is hiervoor toestemming verleend? Indien ja, door wie is hier toestemming voor verleend op basis van welke wetgeving?
Zoals alle luchtvaartmaatschappijen die van en naar Nederland vliegen, heeft ook El Al een aanspreekpunt op Schiphol voor de luchthaven en de Nederlandse autoriteiten. In verband met de verhoogde dreiging gericht tegen Israëlische vluchten, zijn er medewerkers van El Al aangewezen om aanvullende beveiligingstaken uit te voeren, bovenop het reguliere beveiligingsproces. Zij zijn daartoe bevoegd op grond van een vergunning die is verleend op basis van de «Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus» (WPBR).
Is het waar dat Israëlische autoriteiten beweren dat de activisten van plan zijn «illegaal» naar Israël te reizen? Indien ja, deelt u deze mening? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Dit is mij niet bekend.
Is het waar dat meerdere passagiers die met Air France zouden vliegen toegang tot het vliegtuig zijn geweigerd? Zijn er activisten door (deels) Nederlandse luchtvaartmaatschappijen toegang tot vluchten geweigerd?
Door de Nederlandse overheid wordt niet bijgehouden of en zo ja op welke gronden passagiers op basis van buitenlandse wet- en regelgeving de toegang tot vliegtuigen en, daarmee de respectieve landen, wordt geweigerd.
Werken de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen en luchthavens mee aan het Israëlische verzoek om activisten de toegang tot vliegtuigen te ontzeggen? Indien ja, hebben Nederlandse autoriteiten toestemming gegeven voor het weigeren van activisten aan boord van vliegtuigen?
Zie het antwoord op vraag 10.
De plezierjacht op beschermde dieren door hoogwaardigheidsbekleders |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jagende Juan Carlos in opspraak»?1
Ja.
Bent u bereid om aan het Spaanse koningshuis over te brengen dat in Nederland met afkeuring kennis genomen is van de deelname van Juan Carlos aan de jacht op olifanten? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
De Spaanse koning heeft een publieke verklaring afgelegd over zijn deelname aan de jacht op olifanten. Deze spreekt voor zich.
Deelt u de mening dat het verpachten van het afschot van beschermde dieren aan kapitaalkrachtige amateurjagers, die -zoals in het geval van Juan Carlos- bij verschillende jachtincidenten en jachtongevallen2 3 betrokken zijn geweest, met kracht zou moeten worden afgewezen? Zo ja, bent u bereid om maatregelen te treffen die dit kunnen voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De zogenaamde trophy huntingis voor landen met gezonde, grote populaties olifanten een legale manier om middelen te genereren voor natuurbescherming. Het CITES-verdrag, op grond waarvan regels gesteld zijn aan de internationale handel in beschermde diersoorten en producten daarvan, geldt niet voor nationale maatregelen.
Voor een jachtvergunning voor het doden van een olifant worden verschillende bedragen gevraagd door de overheden van de betreffende landen. De inkomsten die op deze wijze worden gegenereerd kunnen besteed worden aan de bescherming en het beheer van de populatie olifanten.
Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief aan u van 25 april 2012, Kamerstuk 31 379, nr. 14, is mijn inzet bij de jacht op olifanten, trophy hunting en handel in ivoor, gericht op het uitsluitend toestaan van jacht wanneer het gaat om beheer van populaties. De inkomsten uit dit type jacht moeten ingezet worden voor een betere bescherming en beheersmaatregelen voor de betreffende soorten. Daarnaast zal ik aandringen op internationaal onderzoek naar het een beter toezicht op het besteden van deze inkomsten en op hoe het gaat met de populaties. Het zou zo moeten zijn dat regimes die geen greep hebben op of onvoldoende inzet plegen tegen de illegale jacht, worden uitgesloten van hulp die gericht is op duurzaamheid en natuurlijke hulpbronnen.
Is het waar dat Juan Carlos ook met regelmaat jaagt met leden van de Nederlandse Koninklijke familie, onder meer op Kroondomein Het Loo?4 Zo ja, acht u het een correcte gang van zaken dat er kennelijk mogelijkheden tot plezierjacht geboden worden aan buitenlandse gasten in de Nederlandse Kroondomeinen? Zo nee, waarop baseert u dit antwoord?
Verstrekking van gegevens over deelname aan de jacht en aanwezigheid van jachttrofeën in paleizen en woningen is niet verenigbaar met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het Koninklijk Huis. Ten aanzien van beschermde diersoorten en het doden van dieren gelden voor iedereen dezelfde regels.
Kunt u uiteenzetten of leden van het Koninklijk Huis deelnemen aan de jacht in het buitenland op beschermde diersoorten? Zo nee, waarom kunt u geen antwoord op deze vraag geven en realiseert u zich dat het onbeantwoord laten van de vraag het imago van het Koninklijk Huis zou kunnen schaden? Zo ja, hoe beoordeelt u het door leden van het Koninklijk huis schieten van beschermde dieren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid leden van de Nederlandse Koninklijke familie te verzoeken op geen enkele wijze deel te nemen aan het afschieten van beschermde diersoorten in binnen- en buitenland? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn in de Nederlandse paleizen en woningen van leden van het Koninklijk Huis jachttrofeeën aanwezig van beschermde diersoorten? Zo ja, is hiervoor speciale toestemming verleend? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid en is daar ooit onderzoek naar verricht?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat van het jagen op beschermde diersoorten door hoogwaardigheidsbekleders en ambtsdragers een verkeerde voorbeeldwerking uitgaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat voor het mogen doden van een olifant tot € 30 000 betaald wordt? Deelt u de mening dat het onwaarschijnlijk is dat jachttoeristen dergelijke bedragen betalen «in het algemeen belang»?5 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat lokale toestemming om beschermde dieren te mogen schieten geen legitimatie zou mogen vormen voor het aanbieden van jachtreizen naar landen waar deze dieren nog in het wild leven, nu veel van de betreffende landen gevoelig zijn voor corruptie en omkoping? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid een algemeen verbod in te stellen voor Nederlandse ambtsdragers om gunsten te accepteren die verband houden met het door hen doden van dieren? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid zolang er geen algemeen verbod als bedoeld in voorgaande vraag geldt, een openbaar register in te stellen waarin dergelijke aanbiedingen aan ambtsdragers worden opgenomen, nu duidelijk is welke grote bedragen gemoeid zijn met dergelijke gunsten die zouden kunnen leiden tot afhankelijkheid van ambtsdragers? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat door Nederlandse jachtreisbureaus via Nederlandse advertenties het afschot wordt aangeboden van dieren zoals impala, blesbok, koedoe, grijze duiker, zebra, gnoe, knobbelzwijn, bosvarken, steenbok, eland, klipspringer, bosbok, gemsbok, hartebeest, waterbok, lynx, jakhals, oryx, buffel, leeuw, krokodil, olifant, nijlpaard, luipaard en neushoorn en het in drijfjacht bejagen van springbokken? Zo ja, deelt u de mening dat het in Nederland aanbieden van het tegen betaling afschieten van beschermde diersoorten in het buitenland verboden zou moeten worden? Zo nee, waarop baseert u dit antwoord?
Voorzover er in de betreffende landen sprake is van legale jacht op de genoemde soorten is niet te voorkomen dat er in Nederland of via internet reizen worden aangeboden aan mensen die hierin geïnteresseerd zijn en bereid zijn de gevraagde bedragen neer te tellen voor een vergunning.
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen 5 jaar door de Nederlandse douane jachttrofeeën in beslag zijn genomen van jachttoeristen? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw beantwoording? Zo nee, waarom niet?
Jaar
Soort trofee
2007
1 geprepareerde rode lynx (Lynx rufus)
2 geprepareerde huiden van de Kaapse bergzebra
2008
1 geprepareerde huid van een wolf (Lupus lupus)
2 huiden van een katachtige
1 schedel van een katachtige
2009
Ca. 90 kg ivoor van de Afrikaanse olifant (Loxodonta africana)
1 geprepareerde huid met kop van een zwarte beer
2010
1 schedel zwarte beer + 1 schedel bruine beer
2 hoorns van neushoorn
1 stuk huid van luipaard
1 huid van luipaard met schedel
2 huiden van luipaard + 1 stuk bewerkt ivoor
1 huid van een wolf + 1 huid van een zwarte beer
1 huid van luipaard met schedel
2011
1 geprepareerde huid van een leeuw
1 geprepareerde huid van een luipaard met kop
1 dode caracal (katachtige)
(gegevens van het team Inbeslaggenomen Goederen van Dienst Regelingen/EL&I)
N.B. Soms worden inbeslaggenomen goederen door de Douane direct vernietigd uit volksgezondheidsoverwegingen, met name als er nog vleesresten aan zitten.
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen 5 jaar vergunningen zijn afgegeven voor het transport van jachtwapens door Nederlandse jagers naar het buitenland? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord?Zo nee, waarom niet?
Sinds 2008 zijn er 23 vergunningen afgegeven voor het transport van jachtwapens naar landen buiten de Europese Unie.
Bent u bereid u in te zetten voor een Europees verbod van het aanbod van jachtreizen waarbij het afschieten van beschermde diersoorten wordt aangeboden? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Het aanbieden van dergelijke reizen is legaal. Ik zie geen noodzaak tot het verbieden van dergelijke activiteiten.
Bent u bereid de richtlijnen van de Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (ANVR), die stellen dat promotie en verkoop van verboden souvenirs van dieren, planten en natuur conform de CITES lijst (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora) en Red List van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) en het aanbieden van reizen en excursies waarbij op bedreigde dieren wordt gejaagd, niet is toegestaan, een wettelijke basis te geven in de vorm van een advertentieverbod voor dergelijke reizen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de EU-CITES-basisverordening is specifieke regelgeving van kracht voor het binnenbrengen van legale jachttrofeeën in de Europese Unie. Het is een goede zaak dat de ANVR binnen de eigen sector beperkingen stelt aan de promotie van jachtreizen en de verkoop van illegale souvenirs ontmoedigt. Als toeristen in Nederland terugkomen met illegale souvenirs kunnen zij bij controle door de Douane tegen de lamp lopen. De spullen kunnen dan in beslag genomen worden en er kan een boete opgelegd worden. Dit wordt ook actief gecommuniceerd door de Douane, met name in de vakantieperiodes.
Dat is wat mij betreft toereikend.
Het artikel 'Alfred werd gewoon in zijn gezicht gestampt' |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Alfred werd gewoon in zijn gezicht gestampt»?1
Ja. Naar aanleiding van dit zeer schokkende incident is er meteen contact opgenomen met de KNVB. Zowel de politie als de KNVB treden bij dit incident voortvarend op.
Deelt u de mening dat leden van een sportbond die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van vechtpartijen en fysiek geweld gebruiken bij geen enkele sportbond meer welkom zouden mogen zijn? Zo ja, wilt u in samenspraak met de sportbonden bewerkstelligen dat geweldplegers bij amateurverenigingen een gebiedsverbod krijgen opgelegd en, indien zij een lidmaatschap hebben, dit wordt ingetrokken en zij levenslang worden geschorst?
Op 18 november 2011 heb ik u de uitwerking van het actieplan «Naar een veiliger sportklimaat» toegestuurd. Daarin staat dat de sport zich inzet voor het ontwikkelen van een sportbreed registratiesysteem (zwarte lijst) voor langdurige en/of permanente uitsluiting van personen die ernstig ongewenst gedrag vertonen. Ook heb ik daarbij aangegeven dat aan een dergelijke lijst nog veel haken en ogen zitten die onderzocht en uitgewerkt worden.
Een gebiedsverbod kan reeds worden toegepast. Als onderdeel van de bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke veroordeling kan door de rechter een locatieverbod worden opgelegd. Dit verbod is gericht op gedragsbeïnvloeding en bescherming van het slachtoffer en de maatschappij voor de duur van een proeftijd van maximaal drie jaar en in uitzonderlijke gevallen zelfs tien jaar. Om de geschonden rechtsorde te herstellen kan de rechter een gebieds- of contactverbod opleggen. Op grond van de «voetbalwet» kan de burgemeester of de Officier van Justitie een gebiedsverbod opleggen om vandalisme en overlast bij grote evenementen te beteugelen. Dit middel heeft een preventief karakter en geldt ten hoogste drie maanden.
Hoe staat het met de realisatie van de door u gewenste komst van een zwarte lijst wangedrag sport?
Er is reeds een sportbreed registratiesysteem voor seksuele intimidatie. De sport werkt er aan om dit systeem uit te breiden met alle andere vormen van excessief gedrag, te weten buitensporig fysiek en verbaal geweld en ernstige bedreiging. Zoals ook vermeld in het antwoord op vraag twee zitten er veel (juridische) haken en ogen aan een dergelijke zwarte lijst. Een registratiesysteem zal moeten worden goedgekeurd door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) en zal moeten voldoen aan allerlei criteria rondom registratie, bewaar en inzage. Het betekent ook dat alle bonden moeten voldoen aan minimale kwaliteitseisen om aansluiting te hebben bij het registratiesysteem. Dit is voor de sport een complexe procedure waardoor op dit moment nog niet valt aan te geven wanneer de zwarte lijst volledig gerealiseerd is.
Bent u bereid alle Nederlandse sportbonden op te roepen een voor elke sportbond toegankelijke zwarte lijst te maken met daarop de rotte appels, zodat iemand die een levenslange schorsing en/of een gebiedsverbod heeft bij een amateurclub bij geen enkele andere sportclub meer aan het rellen kan slaan? Zo neen, waarom niet?
Hierover zijn reeds afspraken gemaakt met de sport, zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.
Vrouwenrechten in Egypte |
|
Henk Jan Ormel (CDA), Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU), Harry van Bommel (SP), Raymond de Roon (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reportages in het tv-programma Door de Wereld en het Radio 1-programma Dit is de Dag aangaande de ontvoeringen van Koptische meisjes, waarbij ook sprake is van gedwongen bekeringen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat alleen al de afgelopen 10 maanden meer dan 1 500 Koptische meisjes zijn ontvoerd? Zo nee, wat is dan wel de situatie?
Er zijn in Egypte geen betrouwbare criminaliteitsstatistieken voorhanden. Criminaliteit is sinds begin 2011 toegenomen, evenals het aantal ontvoeringen om losgeld. Verschillende gerenommeerde Egyptische mensenrechtenverdedigers, waaronder ook Kopten, kunnen niet bevestigen dat het genoemde aantal ontvoerde Koptische meisjes juist is. Zij benadrukken dat bij een aanzienlijk deel van de gevallen waarin de ouders spreken van «ontvoeringen», het in werkelijkheid blijkt te gaan om meisjes die van huis zijn weggelopen vanwege strenge sociale controle of vanwege niet getolereerde interreligieuze relaties. Ook in moslimgezinnen komen dergelijke «vermissingen» voor.
Deelt u de mening dat er een causaal verband bestaat tussen de groeiende invloed van het Salafisme in Egypte en de explosieve toename van deze ontvoeringen, gedwongen bekeringen en de afname van vrouwenrechten in het algemeen, waaronder, maar niet beperkt tot, vrouwenbesnijdenis? Deelt u de zorgen over de vrouwenrechten in Egypte? Hoe verhoudt zich dit tot uw beleid «less for less» en «more for more»?
Aangezien betrouwbare criminaliteitsstatistieken ontbreken is het lastig uitspraken te doen over toename van ontvoeringen en gedwongen bekering. Vrouwenbesnijdenis komt in Egypte onder alle religieuze groeperingen voor. De verwachte, eerstvolgende Egyptian Demographic Health Survey is de enige betrouwbare indicator voor de prevalentie van vrouwenbesnijdenis.
Egypte kampt met druk op vrouwenrechten en spanningen tussen verschillende religieuze groeperingen.
Als reactie op de gebrekkige voortgang in het transitieproces en het achterblijven van verbeteringen in de mensenrechtensituatie in Egypte, heeft de Nederlandse regering de overheidssamenwerking met Egypte in het kader van Matra-Zuid opgeschort. De resterende steun die Egypte in het kader van MATRA-zuid ontvangt ter bevordering van het Egyptische transitieproces komt ten goede aan het maatschappelijk middenveld.
Deelt u de mening dat de daders van deze misdaden vrijelijk hun gang kunnen gaan gezien het feit dat de Egyptische politie deze zaken amper onderzoekt en er geen daders berecht worden? Bent u bereid uw Egyptische ambtsgenoot op zijn verantwoordelijkheid aan te spreken?
Nederland onderstreept zowel in bilaterale contacten met Egyptische autoriteiten, als in EU-verband, het belang van de toepassing en uitvoering van rechtsstatelijkheid en het belang om straffeloosheid tegen te gaan. Nederland zet zich van oudsher in voor de bescherming van vrouwenrechten in Egypte. Over dit thema vindt nauw overleg plaats met andere actoren, waaronder de EU. In officiële contacten met de Egyptische autoriteiten, zowel bilateraal als in EU-verband, wordt het belang van vrouwenrechten en bescherming van minderheden benadrukt en wordt Egypte gewezen op zijn internationale verplichtingen op het gebied van mensenrechten.
Wordt in de vrouwenrechtenprojecten die onder het Matra-Zuid programma vallen hier specifiek aandacht aan besteed? Zo ja, over welke projecten gaat het hier? Zo nee, bent u alsnog bereid hier via het Matra-Zuid programma specifiek aandacht aan te besteden?
Binnen de voor Egypte ter beschikking staande fondsen is het thema vrouwenrechten één van de prioritaire thema’s. Voor vrouwenrechtenprojecten in Egypte zijn ook in 2012 extra middelen beschikbaar. Nederland steunt verschillende projecten die streven naar onder meer een adequate politieke belangenbehartiging van vrouwen(rechten), het uitbannen van de Egyptische cultuur van vrouwenbesnijdenis en het bevorderen van de opvang en zelfontplooiing van meisjes.
In het kader van de pilot vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zet Nederland zich in voor de verbetering van de positie van religieuze minderheden in Egypte.
Daarnaast hebben Egyptische vrouwenorganisaties financiering aangevraagd bij het UN Women Fund for Gender Equality dat in 2011 en 2012 op de Arabische regio is gericht. Nederland heeft in 2011 € 950 000 aan dit fonds bijgedragen.
Bent u bereid uw zorgen over de explosieve toename van ontvoeringen, gedwongen bekeringen en vrouwenbesnijdenis over te brengen aan uw Egyptische ambtsgenoot? Bent u voorts bereid om hier ook binnen de EU draagvlak voor te zoeken en de Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid te verzoeken Egypte hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat mensen die lid worden van een coffeeshop twee familieleden mogen meenemen |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat mensen die lid worden van een coffeeshop twee familieleden mogen meenemen?1
Ja. De informatie in het artikel is echter onjuist. Tijdens de vergadering van de Raadscommissie Bestuur van de gemeente Breda is een verzoek aan de orde gekomen van de Bredase coffeeshophouders om per coffeeshop twee bezoekerspassen te mogen hebben voor familieleden van de coffeeshophouder om even de zaak in te mogen. Van een voorstel tot verstrekking van bezoekerspassen voor familie van de leden van de coffeeshop is geen sprake. De burgemeester van Breda heeft tijdens de vergadering van de raadscommissie overigens aangegeven het verzoek om bezoekerspassen voor familieleden van de coffeeshophouder in overweging te nemen en hierover eerst met de lokale driehoek te willen spreken.
Kunt u bevestigen dat dit in strijd is met het (aangescherpte) coffeeshopbeleid?
Het verstrekken van bezoekerspassen aan familieleden van clubleden is in strijd met het (aangescherpte) coffeeshopbeleid. Het besloten-clubcriterium schrijft immers voor dat uitsluitend toegang kan worden verleend en verkocht mag worden aan leden van de coffeeshop.
Wat gaat u er aan doen om dit tegen te gaan?
Gezien mijn antwoord op vragen 1 en 2 acht ik maatregelen op dit moment niet noodzakelijk.
Schizofrenie bij Marokkaanse jongeren en het taboe dat daarop rust |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heb u kennisgenomen van het bericht over het vaker voorkomen van schizofrenie onder Marokkaanse jongens en het taboe dat daarop rust?1
Ja.
Hoeveel hoger is het risico op schizofrenie bij Marokkaanse jongeren in vergelijking tot autochtone jongeren? Heeft u zicht op de omvang van deze groep? Zo neen, waarom niet?
Schizofrenie komt onder Marokkaanse mannen van de tweede generatie vijf tot zeven keer meer voor dan bij autochtonen2. Ik heb geen zicht op de precieze omvang van de doelgroep. Uit het u reeds toegezonden rapport «Psychische problemen en stoornissen bij Marokkaans Nederlandse kinderen en jongeren» blijkt verder dat:
De Gezondheidsraad doet in het kader van de adviesaanvraag «migrantenjeugd en jeugd-ggz» onderzoek naar hetgeen in de wetenschap bekend is over deze problematiek in het bijzonder ten aanzien van jongeren. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Is het waar dat deze groep jongeren vaak nauwelijks hulp krijgt? Zo ja, wat zijn de redenen hiervan?
Het is bekend dat de hulp niet altijd op tijd deze groep jongeren bereikt. Zie ook mijn antwoord op vraag 2. Het probleem ligt hierbij niet uitsluitend bij het zorgaanbod vanuit de ggz, maar ook in de wijze waarop in de Marokkaanse gemeenschap naar psychische problemen en de ggz wordt gekeken. Bij een deel van de Marokkaanse gezinnen en families schaamt men zich voor de psychiatrische problematiek van familieleden. Dit taboe op de psychiatrie werkt drempelverhogend. Ook onbekendheid met psychiatrische stoornissen, onbekendheid over het bestaan van ggz-instellingen, over de vraag of men er voor verzekerd is en welke eigen bijdrage men is verschuldigd en over wat de behandeling precies inhoudt, spelen een rol bij het niet op tijd inschakelen van professionele hulp. Bovendien worden sommige psychische stoornissen gekenmerkt door een gebrek aan ziekte-inzicht waardoor de patiënt, uit de aard van de stoornis, niet of minder geneigd is om zelf hulp te zoeken.
Deelt u de mening dat het hier om een kwetsbare groep gaat die adequaat geholpen en begeleid dient te worden? Deelt u de mening dat de geestelijke gezondheidszorg (ggz) hier een belangrijke taak in heeft? Zo ja, wat heeft de ggz tot nu toe ondernomen om deze groep te bereiken? Vindt u de inspanningen van de ggz richting deze groep voldoende? Zo neen, wat moet er volgens u gebeuren om de geestelijke hulpverlening aan deze jongeren te verbeteren?
Ja, ik deel de mening dat het hier om een kwetsbare groep gaat die adequaat geholpen en begeleid dient te worden. Verder ben ik ook van mening dat de ggz hier een belangrijke taak in heeft. Patiënten moeten tijdig de hulp krijgen die zij nodig hebben, ongeacht de etnische achtergrond.
Binnen de GGZ-sector lopen verschillende initiatieven om migranten beter te bereiken. Hiervoor verwijs ik u graag naar de brief over de stand van zaken van het programma Diversiteit in het Jeugdbeleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 001, nr. 96. Deze brief gaat ook in op de ondervertegenwoordiging van migrantenjongeren in de ggz.
Daarnaast is de Gezondheidsraad bij brief van 30 maart 2010 gevraagd advies uit te brengen over de wijze waarop de ggz voor de migrantenjeugd verbeterd kan worden alsook de geestelijke gezondheid van deze jeugdigen. De Gezondheidsraad is gevraagd om inzicht te verschaffen in het vóórkomen van psychische problematiek onder migrantenjeugdigen, in de signalering, doorverwijzing en in de zorg houden van migrantenjeugdigen en in de eventuele knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen daarbij. Het advies van de Gezondheidsraad zal waarschijnlijk na de zomer gereed zijn. Op dit advies zal een kabinetsreactie komen. Naar aanleiding van de aanbevelingen in dit advies zal ik mij beraden op eventuele, concrete maatregelen. In afwachting van dit advies wil ik hier nog niet op vooruit lopen.
Deelt u de mening dat er sprake is van een taboe op psychische aandoeningen binnen allochtone gemeenschappen en dat ook het gebrek aan kennis daarbij een rol speelt? Zo ja, op welke manier zou er voor gezorgd kunnen worden dat de kennis wordt vergroot en het taboe wordt opgeheven? Welke maatregelen hiertoe gaat u nemen?
Ja, er zijn signalen uit de gemeenschap en de hulpverleningssector om aan te nemen dat taboes een rol spelen bij het naar verhouding lagere ggz-gebruik van migranten. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de sociale positie van Marokkaanse jongeren stress oplevert en dat dit bij sommige jongeren psychoses kan uitlokken? Op welke wijze zou er meer alert gereageerd kunnen worden op het voorkomen van het ontstaan van psychosen bij Marokkaanse jongeren?
Ja, uit onderzoek komt naar voren dat er een verband is tussen de migratieachtergrond en het voorkomen van psychiatrische stoornissen2. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat dit niet de eerste keer is dat naar buiten wordt gebracht dat het met de psychische gezondheidstoestand van allochtone jongeren, en in het bijzonder Marokkaanse jongeren, niet goed gaat? Herinnert u zich de eerdere vragen over de toename van depressie en het aantal zelfmoorden onder allochtone jongeren en over het vaker voorkomen van schizofrenie bij Marokkaanse jongens?2 Vormen deze ernstige signalen voor u aanleiding met een plan van aanpak te komen om de geestelijke hulpverlening aan allochtone jongeren te verbeteren? Zo neen, waarom niet?
Ondanks de aandacht die reeds aan deze problematiek geschonken wordt – zie mijn antwoord op vraag 4 – zal deze niet in korte tijd verdwenen zijn en kan daarom publiciteit blijven generen. De psychische gezondheidstoestand van allochtone jongeren, en in het bijzonder Marokkaanse jongeren, is dientengevolge vaker onderwerp van discussie en kamervragen geweest. Zoals reeds vermeld in mijn antwoord op vraag 4 is de Gezondheidsraad gevraagd advies uit te brengen over de wijze waarop de geestelijke gezondheidszorg voor de migrantenjeugd verbeterd kan worden alsook de geestelijke gezondheid van deze jeugdigen. Het advies van de Gezondheidsraad zal waarschijnlijk na de zomer gereed zijn. Op dit advies zal een kabinetsreactie komen. Vooralsnog vind ik het niet opportuun om hierop vooruit te lopen.
Het bericht 'Twee miljoen voor ondernemende scholieren' |
|
Jack Biskop (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twee miljoen voor ondernemende scholieren»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat voor soort projecten hiermee worden gesubsideerd?
Eén van de actielijnen van het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemerschap (2008–2011) van het ministerie van OCW en het ministerie van EL&I is de regeling Onderwijs Netwerk Ondernemen (ONO). In 2009 is de eerste ronde van deze regeling van start gegaan met als doel de samenwerking van onderwijsinstellingen en ondernemingen op het gebied van ondernemerschap in het onderwijs te versterken. In oktober 2011 is de subsidieregeling ONO 2012 Uitrol Best Practices, de derde en tevens laatste ronde van de ONO-regeling, opengesteld. Met deze ronde is nog nadrukkelijker ingezet op verankering van ondernemerschapsonderwijs. De belangrijkste voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie waren (1) bewezen succes van het project en (2) uitrol van het project naar andere onderwijsinstellingen zodat verankering zal plaatsvinden.
Het gaat hier dus om succesvolle projecten, zgn. best practices, op het gebied van ondernemerschapsonderwijs in het funderend onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs die worden uitgerold en doorontwikkeld naar andere scholen c.q. onderwijsinstellingen.
Voor alle gehonoreerde projecten geldt dat het succes bewezen is en dat ze bijdragen aan de bredere verankering van ondernemerschapsonderwijs. Overigens is cofinanciering een belangrijke vereiste. De hoogte van de cofinanciering is gelijk aan die van de te ontvangen subsidie.
Waarom hebt u ervoor gekozen om op deze wijze uitvoering te geven aan de desbetreffende passage in het regeerakkoord over meer ondernemerschap? Had het niet ingepast kunnen worden in de bestaande lesonderdelen en met name door rolmodellen in de klas te halen op het gebied van ondernemerschap? Veel ouders zijn immers zelf ondernemer en zijn meestal gaarne bereid om niet een verhaal in de klas te houden?
Om een aantal redenen heb ik gekozen voor deze wijze van uitvoering. Ten eerste, zoals ik in de beantwoording van vraag 2 al heb aangegeven, maakt deze subsidieregeling deel uit van het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen. Het betreft hier een vervolg op de tweede ONO-regeling van 2010. Ten tweede wil ik met deze regeling ondernemerschap en ondernemendheid in het onderwijs verankeren. De afgelopen jaren is onder andere met het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen geïnvesteerd in ondernemerschap in het onderwijs. Het is nu tijd om deze investeringen te verduurzamen. Daar zet het kabinet sterk op in door ondernemerschapsonderwijs in alle onderwijssectoren te verankeren. In het funderend onderwijs door deze regeling, in het middelbaar beroepsonderwijs door de Certificeerbare Eenheid (CE) Ondernemerschap op te nemen in de kwalificatiestructuur en in het hoger onderwijs onder meer door het ontwikkelen van de pilot bijzondere kenmerk «Ondernemendheid» en door het opnemen van onderwijs-ondernemerschap/ondernemendheid in de prestatieafspraken die de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met de hogeronderwijsinstellingen zal afsluiten.
Voor de gehonoreerde projecten geldt dat in de meeste gevallen een relatie wordt gelegd met andere lesonderdelen. Zo wordt in het primair onderwijs ondernemerschapsonderwijs gekoppeld aan techniekonderwijs en rekenen, in het voortgezet onderwijs met excellente scholen en in het middelbaar beroepsonderwijs onder meer met het personeelsbeleid van instellingen. Voor de verankering is juist van belang dat dit onderwerp niet afzonderlijk wordt behandeld, maar dat juist relaties worden gelegd met andere belangrijke thema’s c.q. onderwerpen.
Uiteraard is de betrokkenheid van ouders bij ondernemerschapsonderwijs van belang. De ouders worden dan ook hierbij betrokken. Dat is echter niet voldoende om daadwerkelijk resultaten te kunnen boeken op het gebied van ondernemerschapsonderwijs. Daarvoor zijn ook andere actoren noodzakelijk, zoals regionale ondernemers(netwerken), maatschappelijke instellingen en regionale overheden.
Deelt u de mening dat het effect van dergelijke subsidies moeilijk te meten is, mede vanwege het kortlopende karakter van subsidies?
Nee, ik deel deze mening niet. Zoals eerder aangegeven, gaat het hier om succesvolle projecten binnen de eigen school c.q. instelling die nu worden uitgerold naar andere scholen en instellingen. Het succes van de projecten is dus al bewezen. Voor deze projecten geldt dat uit onderzoek is gebleken dat studenten en docenten enthousiast zijn geworden over ondernemerschap en dat de samenwerking met het bedrijfsleven is verbeterd.
De projecten worden gemonitord. De voortgang en de resultaten van de projecten worden door AgentschapNL, de uitvoerder van het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen, bewaakt. AgentschapNL voert onder andere gesprekken met onderwijsinstellingen over de voortgang van de diverse projecten.
Deelt u de mening dat er al heel veel projecten op het onderwijs afkomen en het wiel voor de zoveelste keer opnieuw wordt uitgevonden, nu door docenten, terwijl er goede bestaande voorbeelden zijn als BizWorld? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met u eens dat er verschillende goede voorbeelden van ondernemerschapsonderwijs zijn, maar deel de mening niet dat het wiel constant opnieuw uitgevonden moet worden. Zoals ik al eerder heb aangegeven, gaat het in de ONO 2012 juist om bewezen succesvolle projecten die worden uitgerold en doorontwikkeld. Ook geldt voor het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen in den brede en voor deze regeling in het bijzonder, dat sterk wordt ingezet op samenwerking en onderlinge kennisuitwisseling tussen onderwijsinstellingen opdat men van elkaar kan leren.
Er vinden verschillende activiteiten plaats die als doel hebben kennis uit te wisselen en van elkaar te leren.
De erfpacht in Amsterdam |
|
Marieke van der Werf (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA), Sander de Rouwe (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Erfpachtellende brengt halve straat in Bos en Lommer aan bedelstaf – Canonkanjer valt op 1055 DD»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een meerderheid van de huizenbezitters in Amsterdam de grond onder hun huis niet in eigendom mag verwerven van de gemeente en dat de gemeente Amsterdam 85% van de bebouwde grond in de gemeente bezit? Bent u van mening dat burgers in principe, en zeker bij nieuwe gronduitgifte, de keuze zouden moeten hebben om de grond in eigendom te verwerven? Zo ja, welke acties onderneemt u om dit te bewerkstelligen?
Ik ben – net als mijn ambtsvoorganger (zie de brief over de voor- en nadelen van erfpacht van 23 mei 2011; Kamerstukken II 2010/2011, 32 500 VII, nr. 107 H) – van mening dat het vanuit de optiek van de keuzevrijheid voor de woonconsument wenselijk is dat men bij stedelijke erfpacht bij voorkeur de keuze krijgt tussen erfpacht dan wel het verwerven van de woning in vol eigendom. Dit laat onverlet dat het, zoals ook aangegeven in genoemde brief, primair de bevoegdheid is van de eigenaar van de grond om hierover te beslissen. Wanneer de eigenaar een gemeente is, betreft het al dan niet hanteren van erfpacht dus een verantwoordelijkheid van het lokaal bestuur.
Wat voor rol ziet u voor de NMa met betrekking tot gemeentelijke erfpacht, daar een aantal monopolies in Nederland op basis van de wet wordt gereguleerd door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA)?
De NMa heeft ten aanzien van dit onderwerp alleen een rol in geval van overtreding van de Mededingingswet. De NMa houdt toezicht op de naleving van die wet. De Mededingingswet verbiedt onder meer het maken van mededingingsbeperkende afspraken en het misbruiken van een economische machtspositie. Met de verwijzing naar monopolies lijken de vraagstellers te doelen op misbruik van een economische machtspositie. Of er aanleiding is te onderzoeken of daarvan sprake is, is aan de NMa zelf, als zelfstandig bestuursorgaan, om te beoordelen. Daarnaast kan een ieder die van mening is, dat de Mededingingswet overtreden wordt, dit melden bij de NMa.
Weet u dat het maken van bezwaar tegen een nieuwe canon, al dan niet via de rechter, in veel gevallen tot een aanzienlijk lagere canon leidt, maar dat dit slechts eens in de vijftig jaar mogelijk is? Vindt u dit in overeenstemming met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de gelijke behandeling van burgers door de overheid?
Oudere Amsterdamse erfpachtcontracten kennen tijdvakken van vijftig (en in enkele gevallen vijfenzeventig) jaar, waarvoor per periode een nieuwe canon wordt vastgesteld. De mogelijkheid slechts eens in de vijftig (of vijfenzeventig) jaar bezwaar te maken, is logisch gevolg van het gegeven dat de canon dan ook maar eens in de vijftig (soms vijfenzeventig) jaar opnieuw wordt vastgesteld.
Bij nieuwe contracten met periodieke bijstelling van de grondwaarde kan telkens wanneer de grondwaarde wordt bijgesteld bezwaar gemaakt worden.
Bij oudere contracten met een vijfenzeventig jaar lang niet-geïndexeerde canon, heeft de inflatie in de loop van de tijd geleid tot een in reële termen sterk gedaalde erfpachtcanon. Dit leidt tot een verhoudingsgewijs grote verhoging van de canon bij de canonherziening aan het einde van het tijdvak. Dit probleem met ongeïndexeerde contracten zal op termijn afnemen, want de gemeente Amsterdam besloot in contracten vanaf 1966 tot vijfjaarlijkse indexering en vanaf 2000 tot jaarlijkse indexering.
Binnen de Amsterdamse erfpachtsystematiek hebben alle erfpachters de mogelijkheid om bij het einde van hun tijdvak hun canon te laten vaststellen door drie onafhankelijke deskundigen. In dit opzicht is er naar mijn mening geen sprake van ongelijke behandeling door de gemeente Amsterdam. Als één van de partijen het niet met die vaststelling door de deskundigen eens is kan het geschil aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.
Uiteraard dient de gemeente zich bij de vaststelling van de canon te houden aan het gelijkheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Over de gemeentelijke erfpacht en de gehanteerde voorwaarden loopt op dit moment overigens een bodemprocedure waar ik niet in zal treden.
Bent u van mening dat erfpacht, hoewel formeel geen belasting, in casu de facto wel een extra belasting vormt voor huizenbezitters en ondernemingen, bovenop de onroerendezaakbelasting (OZB)? Meent u dat de rechtsbescherming van de burger tegen het overheidsoptreden in deze met voldoende waarborgen is omkleed, rekening houdend met het feit dat belastingheffing wezenlijk en wettelijk gebonden is aan de eisen dat de regels openbaar moeten zijn, men in bezwaar en beroep moet kunnen gaan, en op iedereen op dezelfde manier van toepassing moeten zijn? Bent u van mening dat de overheid ook bij privaatrechtelijke zaken een betrouwbare overheid moet zijn en dat dit conflicteert met het optreden van de gemeente Amsterdam in dit geval?
Erfpacht is geen belasting, maar is een privaatrechtelijke figuur (artikelen 85 e.v. van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek) en geeft het zakelijk recht de grond van iemand anders te gebruiken. Voor dit gebruiksrecht wordt een jaarlijkse vergoeding betaald, de canon. Huizenbezitters en ondernemingen hebben een lagere aankoopprijs en minder hypothecaire financiering nodig. Daarmee is het geen «extra» woonlast omdat immers de grond niet verworven hoeft te worden. Omdat erfpacht een privaatrechtelijke figuur is, staan publiekrechtelijk bezwaar en beroep hier niet open, maar moet de weg naar de burgerlijke rechter worden gevolgd. Voor overheden geldt daarbij als aanvullende eis dat zij zich houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Bent u ervan op de hoogte dat door de methode van voortdurende erfpacht die Amsterdam hanteert, mensen van het ene jaar op het andere een nieuwe canon moeten betalen aan de gemeente, die regelmatig een veelvoud is van de oude en soms een verhoging betekent tot wel zevenduizend procent? Acht u dergelijke extreme verhogingen, waar het gaat om een basisbehoefte als wonen, aanvaardbaar? Bent u van mening dat dergelijke extreme verhogingen en de niet transparante totstandkoming daarvan zorgwekkend zijn, ook in het kader van de gedachte dat de overheid ook bij privaatrechtelijke zaken een betrouwbare overheid moet zijn?
De gemeente Amsterdam kondigt een canonverhoging bij een nieuwe erfpachtperiode drie of vier jaar tevoren aan, afhankelijk van de termijn die in het vigerende erfpachtcontract is opgenomen. Voor de nieuwe periode zullen de gemoderniseerde geïndexeerde en periodiek geherwaardeerde erfpachtcontracten gaan gelden. Vooral bij oude contracten kan de prijssprong groot zijn, omdat deze canons vijfenzeventig jaar lang niet zijn geïndexeerd. Doordat meer recente contracten wel geïndexeerd worden, zal dit probleem in de toekomst afnemen. Zeker bij de sterk verouderde contracten ligt er een taak voor makelaars, hypotheekadviseurs en notarissen om kopers op de komende erfpachtverhoging te wijzen. Een ongeïndexeerde canon op basis van de gulden uit 1937 is nu eenmaal wat anders dan een canon op basis van de euro uit 2012.
De erfpachter heeft altijd de mogelijkheid om de door u in vraag 4 bedoelde, door de gemeente aangezegde nieuwe canons niet te accepteren en de vaststelling van de canon door drie onafhankelijke deskundigen te laten plaatsvinden. De gemeente benoemt deze mogelijkheid expliciet in de aanzeggingsbrief.
Voor wat betreft het komen tot meer transparantie voor aspirant-kopers geldt dat er – conform toezegging van mijn ambtsvoorganger in het Algemeen Overleg van 11 december 2011 over erfpacht – overleg heeft plaatsgevonden met de opstellers van de modelovereenkomst voor bestaande woningen respectievelijk appartementsrechten (juli 2008).
De Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) en de Vereniging Eigen Huis (VEH) hebben daarbij aangegeven voornemens te zijn hun modelkoopovereenkomsten te herijken en als onderdeel hiervan bereid zijn tot een aanvulling op het vlak van erfpacht. Tevens zal hiervoor aandacht gevraagd worden bij (gelieerde) woningwebsites. Daarmee kunnen kenmerken van een erfpachtcontract beter onder de aandacht van aspirant-kopers worden gebracht.
Wat vindt u ervan, dat de gemeente Amsterdam burgers volgens de algemene erfpachtbepalingen een boete op kan leggen van 10 keer de erfpachtcanon, als zij te laat de canon overmaken, terwijl betalen tot gevolg heeft dat de mogelijkheid tot bezwaar te vervallen komt?
De Algemene bepalingen bevatten inderdaad een algemene boeteclausule (zie AB 2000 artikel 29). De erfpachtboete kan worden opgelegd bij niet of niet tijdige nakoming van enige verplichtingen. Bij te late betaling door erfpachters vordert de gemeente overigens nooit erfpachtboete maar hoogstens wettelijke rente. Het boetebeding is door de gemeente niet opgenomen met de intentie om veel boetes op te leggen, maar slechts met de intentie als afschrikmiddel om te voorkomen dat erfpachters zich niet aan het erfpachtcontract houden, bijvoorbeeld ten aanzien van de in het contract opgenomen bestemming.
Ook voor een dergelijk geval van strijdigheid met de in het contract opgenomen bestemming wordt in de praktijk echter vrijwel nooit een erfpachtboete opgelegd. De afgelopen jaren is, voor zover mij bekend, door de gemeente slechts eenmaal een erfpachtboete opgelegd. In dat geval ging het over een zaak waarin de erfpachter, na herhaalde waarschuwingen, bleef handelen in strijd met de erfpachtbestemming. Toen is een erfpachtboete ter hoogte van vier keer de jaarcanon opgelegd en deze boete is, na rechterlijke toetsing, in stand gebleven.
Zoals al aangegeven is erfpacht een privaatrechtelijke figuur en staan publiekrechtelijk bezwaar en beroep hier niet open. Gesteld dat de gemeente in een concreet geval overgaat tot het opleggen van een boete en dat de erfpachter het daar niet mee eens is, dan zal de erfpachter de boete niet betalen. In dat geval rest de gemeente slechts de mogelijkheid om via een gerechtelijke procedure tot inning van de boete over te gaan. In deze procedure zal de burgerlijke rechter een oordeel vellen over de rechtmatigheid van de opgelegde boete.
Deelt u de mening dat de gemeente Amsterdam niet voldoet aan twee van de vijf eisen die door de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) aan particuliere erfverpachters worden gesteld met betrekking tot erfpachtcontracten, namelijk de eis dat de erfpachtvoorwaarden niet eenzijdig gewijzigd kunnen worden en de eis dat de actuele canon bekend moet zijn en de (verwachte) lastenontwikkeling voor de erfpachter duidelijk en niet onaanvaardbaar moet zijn? Zo ja, wat vindt u hiervan, en wat kunt u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
De criteria die door de NVB zijn opgesteld ten behoeve van de hypothecaire financiering van bestaande contracten met particuliere erfverpachting, zijn op 5 oktober 2011 gepubliceerd. Sinds 16 april 2012 kunnen bestaande erfpachtrechten ook aan deze criteria worden getoetst bij elke notaris in Nederland. In de criteria is opgenomen dat ook andere erfverpachters, zoals overheden, zich zullen richten naar deze eisen voor bestaande erfpachtcontracten. Uiteraard noodzaakt het aanpassen van de vereisten in een democratisch gelegitimeerd orgaan als de gemeenteraad vaak tot meer overleg dan bij een particuliere erfverpachter. De gemeente Amsterdam is hier volop mee bezig en betrekt daarbij een ruime schare van deskundigen en belanghebbenden. Het is gewenst dat de gemeente Amsterdam, bij het vernieuwen van de erfpachtvoorwaarden, rekening zal houden met de door de NVB opgestelde criteria. Uiteindelijk blijft het aan de gemeenteraad van Amsterdam de nieuwe erfpachtvoorwaarden vast te stellen.
Het bericht dat een Serviër dreigt aanslagen te plegen op dijken in Nederland |
|
Hero Brinkman (Brinkman) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Serviër dreigt dijken Noord-Holland op te blazen»?1
Ja.
Is het waar dat de Serviër dreigt met het opblazen van Nederlandse dijken?
Zoals in bovengenoemd artikel staat circuleren op het internet twee filmpjes waarin de betrokken Serviër zich dreigend uitlaat over objecten in Nederland.
In hoeverre is er sprake van een reële dreiging? Is de veiligheid in het geding?
Ik doe in het openbaar geen uitspraak over dreiging en risico. Politie en justitie zijn op de hoogte van de internet filmpjes en er is een (opsporings)onderzoek gestart (zie vraag 5). Naar aanleiding van dergelijke geuite dreigingen worden zo nodig passende beveiligingsmaatregelen genomen voor personen of objecten. In het openbaar uitlatingen doen over al dan niet getroffen specifieke beveiligingsmaatregelen komt de algehele veiligheid niet ten goede.
Is de Serviër inmiddels opgepakt? Zo ja, waarom heeft het zo lang geduurd voordat deze persoon is opgepakt? Zo nee, waarom niet?
Er is actie ondernomen zodra politie en justitie hebben kennisgenomen van de door de Serviër geuite bedreigingen. Er is een opsporingsonderzoek gestart, waarover ik gedurende dit onderzoek geen verdere mededelingen kan doen. Naar aanleiding van de internet filmpjes zijn door de NCTV en inlichtingen- en veiligheidsdiensten een duiding en inschatting gemaakt.
Hebben politie en justitie gelijk actie ondernomen nadat zij kennis hadden genomen van de door de Serviër geuite bedreigingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat 49 voormalige NASA-wetenschappers afstand genomen hebben van het standpunt dat CO2-uitstoot een belangerijke oorzaak is van het broeikaseffect |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «NASA-geleerden nemen afstand van klimaatopwarming»1 en «49 Former NASA Scientists Send A Letter Disputing Climate Change»?2
Wat is uw mening over de door 49 voormalige NASA-wetenschappers opgestelde brief, waarin zij stellen dat er geen empirisch bewijs is voor de claim van NASA en GISS3 dat de uitstoot van CO2 door menselijk handelen een catastrofaal effect heeft op de klimaatverandering?
Deelt u de mening dat het, gelet op honderden bekende klimaatwetenschappers en tienduizenden andere wetenschappers, die publiekelijk verklaren niet te geloven in de catastrofale prognoses, duidelijk is dat de wetenschappelijke discussie omtrent het effect van CO2 op het klimaat nog niet is beslecht en dat het risico bestaat dat NASA, NASA’s voormalige en huidige wetenschappers en het allerbelangrijkste, zelfs de wetenschap zelf, worden beschadigd?
Ik deel de mening dat er nog allerlei aspecten van het functioneren van het klimaatsysteem onvolledig worden begrepen. Er is nog veel onderzoek aan het klimaatsysteem nodig. Zolang er open en eerlijk gecommuniceerd wordt over wat wel en niet wordt begrepen en de inhoudelijke discussie de ruimte krijgt, is er geen risico dat de betreffende organisaties en wetenschappers worden beschadigd.
Deelt u de mening dat er geen enkele eurocent meer aan CO2-reductie mag worden uitgegeven zolang de wetenschap omtrent het effect van CO2 op het klimaat nog niet «settled» is?
Nee, die mening deel ik uitdrukkelijk niet. We zullen verstandig om moeten gaan met de situatie waarin we het gedrag van het klimaatsysteem nog niet volledig in de vingers hebben. Uiteindelijk moet er voortdurend een afweging worden gemaakt tussen kosten nu en risico’s in de toekomst. Aan de ene kant is alle op voorhand risico’s uitsluiten – voor zover al mogelijk – te kostbaar. Aan de andere kant is het accepteren van risico’s met potentieel catastrofale gevolgen ook erg onverstandig.
De internethandel in (wilde) dieren |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de (werk)week ten einde is gekomen?
Ja.
Weet u nog dat u afgelopen dinsdag (10 april) in antwoord op vragen van journalisten over de handel in (wilde) dieren op internet heeft gezegd «aan het einde van de week» een lijst gereed te hebben met diersoorten waarin niet mag worden gehandeld, onder meer om toe te sturen aan Marktplaats?1
Ja.
Waar blijft die lijst?
De lijst staat op de informatiepagina van de website Marktplaats, http://statisch.marktplaats.nl/html/huisdier/exotische-dieren.html.