De fiscale behandeling van transformatie van kantoorpanden |
|
Ed Groot (PvdA), Wouter Koolmees (D66), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Transformatie kantoren gaat niet vanzelf» in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en acht Nederlandse gemeenten en de in dat rapport gesignaleerde fiscale knelpunten bij de transformatie van kantoren naar (huur)woningen?
Ja.
Bent u het eens met de stelling in het onderzoek dat bij transformatie van kantoren in huurwoningen in feite twee keer btw wordt betaald, hetgeen de kosten voor de te realiseren huurwoningen kan doen oplopen met 100 euro per vierkante meter? Is het, gegeven dat afschaffing van de zogenoemde btw-integratieheffing geen begaanbare weg is, dan in ieder geval mogelijk om een getransformeerd kantoorpand fiscaal niet te bejegenen als een «nieuw vervaardigd» onroerend goed maar als een getransformeerd bestaand vastgoed, zodat dubbele btw-heffing zoveel mogelijk kan worden voorkomen? Ziet u mogelijkheden langs deze weg de vastgoed- en bouwsector tegemoet te komen en tevens een bijdrage te leveren aan vermindering van het overaanbod van kantoren enerzijds en de schaarste aan woningen in stedelijke gebieden anderzijds?
Nee, met deze stelling ben ik het in algemene zin niet eens. In het geval een kantoorpand eerder voor belaste prestaties is gebruikt drukt er geen btw meer op het pand. Er heeft dan immers aftrek van btw plaatsgevonden. In het geval een pand voor vrijgestelde prestaties is gebruikt, drukt er nog wel btw op het pand. Vaak wordt hiermee dan in de verhuurprijs echter al rekening gehouden en is de verhuurder aldus gecompenseerd voor de btw die hij niet kon aftrekken.
Bovendien wordt eventuele niet afgetrokken btw alsnog – tijdsevenredig- teruggegeven als zich binnen 10 jaar na eerdere aanschaf een integratieheffing voordoet.
Die integratieheffing doet zich voor als delen van een bestaand pand worden gebruikt voor de vervaardiging van een nieuw pand. De integratieheffing zorgt voor een vergelijkbare btw-druk, ongeacht of het om een getransformeerd pand gaat dan wel om een pand dat geheel nieuw voor de koop- of huurmarkt is gebouwd. Dit vanuit het oogpunt van btw-neutraliteit.
Overigens ben ik wat betreft de toepassing van de integratieheffing op dit moment nog in afwachting van het oordeel van het Europese Hof van Justitie of alle ter beschikking gestelde stoffen, zoals grond, wel in de maatstaf van heffing voor de integratieheffing dienen te worden opgenomen. Een negatieve beslissing zou de markt in die zin tegemoet komen.
Met betrekking tot de vraag of het mogelijk is om een bijdrage te leveren aan de onderhavige problematiek door een getransformeerd kantoorpand fiscaal niet te bejegenen als een «nieuw vervaardigd» onroerend goed maar als een getransformeerd bestaand vastgoed, zodat dubbele btw-heffing zoveel mogelijk kan worden voorkomen, merk ik het volgende op.
De vaststelling of door transformatie een nieuw goed ontstaat hangt af van de feiten van het specifieke geval. Deze feiten zijn wat ze zijn, bij transformatie van kantoorpanden net zo goed als bij andere transformaties, en kunnen niet anders worden geduid. Het kan overigens goed zijn dat een transformatie – zelfs een zeer begrotelijke – toch geen nieuw vervaardigd goed oplevert. Louter de functiewijziging zal doorgaans – gelet op de huidige stand van de jurisprudentie – onvoldoende zijn om van een nieuw vervaardigd goed te kunnen spreken. Er zal dan ook niet in alle gevallen sprake zijn van een nieuw vervaardigd goed en de integratieheffing zal veelal achterwege blijven. Of er sprake is van een vervaardigd goed is in laatste instantie ter beoordeling van de rechter en kan niet in een algemene regel worden vastgelegd, juist omdat het om de waardering van de feiten gaat.
Bent u bereid om de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij doorverkoop van commercieel vastgoed te verlengen van zes maanden naar twaalf maanden, zoals nu ook al geldt bij de doorverkoop van woningen, zodat projectplannen voor transformatie van vastgoed meer kans krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Binnen de overdrachtsbelasting geldt een regel dat bij een verkrijging binnen zes maanden na de vorige verkrijging alleen overdrachtsbelasting is verschuldigd over de meerwaarde. Dit is de waarde minus het bedrag waarover bij de eerdere verkrijging overdrachtsbelasting verschuldigd was, (of btw die niet in aftrek kon worden gebracht). De tijdelijke verlenging van de termijn van zes maanden naar twaalf maanden geldt alleen voor woningen waarbij de eerste verkrijging heeft plaatsgevonden in 2011. De suggestie ziet op verlenging van de termijn van zes maanden ook voor niet-woningen vanuit de gedachte dat projectontwikkelaars dan eerder zullen overgaan tot aankoop van leegstaande kantoren omdat een kleiner risico bestaat twee keer overdrachtsbelasting te moeten betalen.
Allereerst merk ik op dat als bij de transformatie van een kantoorpand sprake is van een vervaardigd nieuw goed in de zin van de omzetbelasting, er geen overdrachtsbelasting verschuldigd is maar omzetbelasting. Voor die gevallen heeft een verlenging van de termijn van zes maanden dus geen effect. Er zijn ook andere redenen waarom het effect van een dergelijke maatregel als twijfelachtig moet worden beoordeeld. Bij beslissingen over herontwikkeling van kantoorpanden spelen tal van factoren een rol die veel belangrijker zijn dan fiscale overwegingen. Denk hierbij aan de rol van de gemeente (op welke wijze gaat de gemeente om met het verkopen van grond om nieuwbouw mogelijk te maken), de interesse van projectontwikkelaar (is er een markt voor) of de vraag (vaak liggen de panden op incourante locaties). Daarnaast merk ik op dat de zesmaanden regeling een generieke regeling is waarbij niet van belang is wie de verkrijger is en in welk kader de verkrijging plaatsvindt. Een specifieke regeling, waarin een langere termijn geldt voor verkrijging van onroerende zaken die bestemd zijn om herontwikkeld te worden, leidt tot verschillende problemen waardoor zo’n specifieke regeling af te raden is. Vanwege het selectieve element binnen een generieke regeling bestaat het risico van ongeoorloofde staatssteun. Een afwijkende termijn voor een specifieke groep leidt bovendien tot afbakeningsproblemen en een verhoging van de uitvoeringskosten voor de belastingdienst (extra afstemming met notarissen, extra toezicht en aanpassing van systemen). Deze problemen kunnen voor een deel vermeden worden door de termijn van zes maanden te verlengen voor alle niet-woningen. Dit heeft echter grotere budgettaire consequenties. Gezien het twijfelachtige effect van de maatregel op het tegengaan van kantoorleegstand zal het voordeel van een dergelijke maatregel voor een groot deel dan niet toekomen aan de groep en het doel waarvoor de maatregel bedoeld is.
Volgens het kabinet1 vormt de WOZ-waarde geen belemmering om commercieel vastgoed onroerende zaken af te waarderen tot een lagere marktwaarde, omdat dan het afwaarderingsverlies fiscaal aftrekbaar blijft; hoe kunt u dan verklaren waarom in bovengenoemd rapport de veelal hogere WOZ-waarde wel degelijk als een knelpunt wordt ervaren in de markt?
In het rapport «Transformatie kantoren gaat niet vanzelf» gaat het over het jaarlijks afschrijven op vastgoed. In de door u aangehaalde brief van de minister van Financiën van 4 oktober 2011 gaat het over het afwaarderen op lagere marktwaarde. Het rapport zegt dat beleggers beperkt worden in de mate waarin ze afschrijvingen fiscaal ten laste van de winst kunnen brengen. Het klopt dat vastgoedbeleggers verhuurde onroerende zaken voor de belastingheffing kunnen afschrijven tot de WOZ-waarde. Daarnaast kan een incidentele afwaardering naar lagere marktwaarde aan de orde zijn als de marktwaarde lager is dan de WOZ-waarde, bijvoorbeeld in geval van (langdurige) leegstand. Dit afwaarderingsverlies, dat dus niet wordt beperkt door de WOZ-waarde, is fiscaal aftrekbaar. Als de leegstaande kantoorruimte vervolgens weer wordt verhuurd, moet het eerder in aanmerking genomen afwaarderingsverlies worden teruggenomen.
Ziet u nog andere mogelijkheden om de transformatie van commercieel vastgoed naar huur- of koopwoningen langs fiscale weg te stimuleren?
In een brief die de minister van Infrastructuur en Milieu mede namens mij op 28 april 2011 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd2, is uitvoerig ingegaan op tal van suggesties die zijn gedaan om met fiscale maatregelen kantorenleegstand aan te pakken. In deze brief is onder meer verwezen naar de uitgangspunten in de fiscale agenda die ik namens het kabinet in het voorjaar van 2011 naar de Tweede Kamer heb gestuurd. Op grond van die uitgangspunten, eenvoud, soliditeit en fraudebestendigheid, is aangegeven dat het kabinet terughoudend is waar het gaat om het introduceren van nieuwe fiscale instrumenten. Daarnaast is ook gewezen op beperkingen uit hoofde van Europese regelgeving en niet te vergeten budgettaire overwegingen, want – dat lijkt soms wel eens te worden vergeten – ook belastinguitgaven belasten het overheidstekort.
Daarnaast is in de brief van 28 april ook gewezen op wat fiscaal wel mogelijk is. Zo kan op verhuurde kantoorpanden zonder meer worden afgeschreven tot de WOZ-waarde, kunnen kosten (zoals hypotheekrente) gewoon in aftrek worden gebracht ongeacht of het pand leeg staat en, zoals ook in antwoord op vraag 4 is verwoord, kan in geval van langdurige leegstand afwaardering plaatsvinden tot onder de WOZ-waarde. Dit nog afgezien van mogelijkheden die gemeenten hebben, bijvoorbeeld in de sfeer van de OZB.
Op grond van de hiervoor kort geschetste overwegingen acht ik het niet mogelijk en ook niet wenselijk om langs fiscale weg de transformatie van commercieel vastgoed naar huur- of koopwoningen (extra) fiscaal te stimuleren.
Het ontbreken van een warme overdracht door het stoppen van de subsidie voor Het Scharlaken Koord in Deventer per 1 januari 2012 |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat de gemeenteraad van Deventer op 21 december 2011 het besluit heeft genomen om Het Scharlaken Koord met ingang van 1 januari 2012 geen subsidie te geven om het uitstapprogramma voor prostituees voort te zetten?1
Ja.
Hebt u tevens kennisgenomen van de positieve effecten van het uitstapprogramma, zoals die uit onafhankelijk onderzoek zijn gebleken?2
Ja.
Heeft de gemeente Deventer naar uw mening voldaan aan het beroep dat u hebt gedaan om het uitstapprogramma voor prostituees in het gemeentelijke reguliere beleid te borgen?
De gemeente Deventer heeft aangegeven te zullen doorgaan met het uitstapprogramma en is momenteel op zoek naar mogelijkheden om dat te borgen. Het feit dat ook de gemeente Deventer nu definitief heeft besloten om door te gaan is voor mij een extra aanwijzing dat de warme overdracht is geslaagd.
Zijn er in Deventer op dit moment alternatieve uitstapprogramma’s beschikbaar?
Het Scharlaken Koord krijgt de mogelijkheid om de reeds lopende trajecten af te maken. De gemeente Deventer heeft aangegeven in de tussentijd alternatieve mogelijkheden voor de borging van het uitstapprogramma te inventariseren.
Op welke wijze wordt als gevolg van dit raadsbesluit de continuïteit van het uitstapprogramma in Deventer in het belang van de prostituees in 2012 gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de gemeente Deventer om alsnog te komen tot een warme overdracht van het uitstapprogramma aan de gemeente Deventer, zodat de behaalde positieve resultaten en laagdrempelige toegang tot een uitstapprogramma in 2012 kunnen worden gecontinueerd?
Ik ben goed op de hoogte van de situatie in Deventer en zie geen aanleiding voor nader overleg. Zie verder mijn antwoord op de voorgaande vragen.
Het bericht dat 30.000 Franse vrouwen van siliconen in borsten afmoeten |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat 30 000 Franse vrouwen van siliconen in borsten afmoeten?1
Ja.
Is het waar dat voor de implantaten van het Franse merk Poly Implant Prothese (PIP) andere siliconengel is gebruikt dan de siliconengel waarvoor toelating is verleend voor gebruik op de Nederlandse markt waardoor deze PIP-implantaten vaak scheuren?
Ja.
Hoeveel vrouwen in Nederland hebben PIP-implantaten? Bent u bekend met gevallen van vrouwen met de betreffende implantaten die kanker hebben gekregen, en als gevolg daarvan zijn overleden?
Het exacte aantal PIP implantaten dat bij Nederlandse vrouwen is geïmplanteerd is onbekend. De informatie die de Franse toezichthouder Afssaps bij fabrikant PIP heeft gevonden, is daarvoor ontoereikend. Bovendien heeft een onbekend aantal Nederlandse vrouwen de implantatie in het buitenland laten uitvoeren.
PIP is ook door het Nederlandse bedrijven Rofil Medical International N.V. (RMI-NV) en Rofil Medical Nederland B.V. (RMN) onder de merknaam M-Implant in Nederland in de handel gebracht.
Op basis van de bekende gegevens zouden tussen de 1000 en 1400 vrouwen deze implantaten in de loop der jaren hebben ontvangen. In dezelfde periode hebben echter ook explantaties plaatsgevonden, waardoor er een schatting kan worden gemaakt dat er eind 2010 nog ongeveer 1000 vrouwen waren met genoemde implantaten.
Bij de IGZ zijn geen gevallen van kanker of overlijden als gevolg van problemen met deze implantaten gemeld. Er is tot op heden ook geen verhoogd risico aangetoond op kanker bij vrouwen met borstimplantaten van het merk PIP (of M-implants). Er zijn echter wel andere risico's verbonden aan deze implantaten, met name het scheuren hiervan. Door het lekken van siliconengel uit gescheurde implantaten kan irritatie ontstaan, die kan leiden tot overgevoeligheidsreacties. Ook is bij het scheuren van de implantaten het verwijderen van de gel moeilijker.
Hoeveel vragen zijn binnengekomen bij het gratis telefoonnummer van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)? Wordt er nog steeds gebeld met vragen over de PIP-implantaten?
Vanaf de opening van het speciale telefoonnummer vanaf eind september 2010 zijn bij de inspectie 40 vragen geregistreerd.
Sinds 21 december 2011 zijn nog eens 40 telefoongesprekken geregistreerd die via het Meldpunt IGZ zijn binnengekomen bij de IGZ.
Hoeveel vrouwen zijn opgeroepen sinds de waarschuwing van de IGZ in april 2010, en opnieuw in september 2010? Hebben alle ziekenhuizen en klinieken alle door hen behandelde vrouwen opgeroepen? Hoeveel vrouwen hebben aan de oproep gehoor gegeven? Welke gevolgen zijn bij deze vrouwen gezien?
Er is geen centrale registratie waarin de instellingen dit bijhouden. Instellingen zijn hiertoe ook niet verplicht.
Bent u er zeker van dat alle vrouwen die PIP-implantaten hebben zijn bereikt met de waarschuwing van de IGZ?
Nee, een aantal klinieken is failliet gegaan, waarbij gegevens verloren zijn geraakt. Daarnaast kunnen ziekenhuizen en klinieken niet alle vrouwen bereiken vanwege o.a. verhuizingen zonder adreswijziging. De IGZ heeft de waarschuwingen op haar website gepubliceerd en via persberichten openbaar gemaakt. Veel media en internet-fora hebben aandacht besteed aan deze zaak, waardoor vrouwen ook via deze route hierop geattendeerd zijn.
Wordt op dit moment geregistreerd hoeveel vrouwen klachten hebben ontwikkeld ten gevolge van PIP-implantaten? Zo nee waarom niet?
IGZ registreert die klachten die bij haar binnenkomen als melding of signaal. Zie ook mijn antwoord op vraag 4. De IGZ staat in voortdurend contact met de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) inzake PIP-implantaten. De fabrikant en de twee betrokken Nederlandse bedrijven die wettelijk verplicht zijn vigilantie-gegevens te verzamelen en bij de IGZ te melden, zijn failliet en niet meer op deze verplichting aan te spreken.
Bent u er zeker van dat vanaf april 2010 geen borstimplantaten van het Franse merk PIP meer zijn toegepast in Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe weet u dat zeker?
In februari 2009 is het bedrijf Rofil failliet geraakt. De kans wordt klein geacht dat op 31 maart 2010 nog voorraden van deze middelen in Nederland in klinieken aanwezig waren. Het valt niet uit te sluiten dat er op dat moment nog PIP implantaten op voorraad waren. Op 15 april 2010 heeft de IGZ een verbod uit laten gaan op de handel en toepassing van deze implantaten.
Denkt u dat het noodzakelijk is opnieuw een oproepactie te starten, zodat alle vrouwen met deze implantaten gecontroleerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
In 2010 zijn al twee waarschuwingen uitgegaan. In de periode 21 t/m 23 december 2011 heeft de IGZ drie berichten over de problematiek op haar website geplaatst waaronder een advies. Op 11 januari jl. is een nieuwsbericht uitgegaan met het gezamenlijk advies van IGZ en NVPC.
Wordt het verwijderen van de implantaten en het terugplaatsen van nieuwe protheses vergoed door de Nederlandse zorgverzekeraars? Zo nee, op welke wijze kunnen gedupeerden schadeloosgesteld worden voor de ingebrachte PIP-implantaten?
In het kader van de Zorgverzekeringswet wordt uit de basisverzekering vergoed:
Ad. 1
Dit betekent dat bij vrouwen bij wie na een gehele of gedeeltelijke borstamputatie een PIP-borstimplantaat is geplaatst, de verwijdering van het PIP-implantaat en vervanging door een ander borstimplantaat door de zorgverzekeraar wordt vergoed.
Ad. 2
Vrouwen bij wie een PIP-implantaat is geplaatst zonder dat er sprake is geweest van een gehele of gedeeltelijke borstamputatie, krijgen alleen de operatieve verwijdering van het PIP-implantaat vergoed uit de basisverzekering. Het advies van IGZ en NVPC om PIP-implantaten te laten verwijderen, vormt voor zorgverzekeraars naar verwachting voldoende grond om een medische noodzaak voor verwijdering van de PIP-implantaten aanwezig te achten en daarmee voor vergoeding uit de zorgverzekering. Een nieuw, vervangend borstimplantaat wordt in deze situatie niet vergoed.
Aan te raden is om over specifieke situaties contact op te nemen met de zorgverzekeraar.
Wat is de rol geweest van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen dan wel het European Medicines Agency bij de toelating van de PIP-implantaten op de markt in Nederland of de Europese Unie? Is er een (handels)vergunning afgegeven aan het bedrijf Poly Implant Prothese of de firma Rofil voor de handel in deze implantaten? Zo ja, welke mogelijke gevolgen heeft dit voor de aansprakelijkheid van de Nederlandse autoriteiten?
Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen heeft geen rol bij de beoordeling en toelating van medische hulpmiddelen. Borstimplantaten worden gerekend tot de medische hulpmiddelen en vallen daarmee onder het Besluit medische hulpmiddelen en niet onder de Geneesmiddelenwet. De medische hulpmiddelenregelgeving kent ook geen systeem van (handels)vergunningen.
Borstimplantaten vallen in de hoogste risicoklasse en doorlopen daarom het strengste toelatingsregime dat het Besluit medische hulpmiddelen kent. Voor de producten die onder de hogere risicoklassen vallen, bestaat een systeem van toezicht op toezicht. Een zogenaamde aangemelde instantie (notified body) voert de conformiteitsbeoordelingsprocedure uit.
Indien het resultaat hiervan voldoende is, geeft de aangemelde instantie een verklaring van overeenstemming af, waarna de fabrikant de CE-markering op het product mag aanbrengen en het hulpmiddel in de handel gebracht mag worden. In het geval van PIP en M-Implants was de betrokken aangemelde instantie het Duitse TÜV Rheinland. Deze aangemelde instantie valt onder toezicht van de Duitse overheid.
De bevordering van politieke vrouwenparticipatie in Libië |
|
Frans Timmermans (PvdA), Kathleen Ferrier (CDA), Wassila Hachchi (D66), Mariko Peters (GL), Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening van het Libya's Women’s Peace Platform1 dat een quota systeem kan bijdragen aan de bevordering van de kansen voor vrouwen om lid te worden in het toekomstig nationale parlement in Libië? Zo nee, waarom niet?
Nederland steunt de wens en de activiteiten van Libische vrouwenorganisaties om deel te kunnen nemen aan het politiek proces, inclusief het bevorderen van kansen voor grotere representatie in de nieuwe Grondwetgevende Vergadering.
Deelt u de mening dat vrouwenparticipatie met name cruciaal is in verband met de toekomstige grondwet die het nationale parlement zal moeten goedkeuren?
Ja, die mening deel ik. Gelijkheid tussen mannen en vrouwen is een van de fundamenten van de democratische rechtsstaat en is vastgelegd in internationale verdragen en afspraken. De verbetering van de situatie van vrouwen in Libië begint bij een betere vrouwenparticipatie. Dit laatste leidt tot een grotere invloed van vrouwen in het politieke proces en biedt de mogelijkheid om de gelijke rechten voor mannen en vrouwen in de grondwet vast te leggen.
Bent u bereid om bilateraal en in EU-verband de National Transition Council (NTC) in Libië te verzoeken de qoutaregeling in de tijdelijke grondwet op te nemen? Zo neen, waarom niet?
De Nederlandse regering steunt de Libische vrouwen bij het waarborgen van hun rechten en het verbeteren van hun politieke participatie. Ik volg de ontwikkelingen in Libië nauwgezet en waar nodig herinner ik de NTC en de interim-regering aan hun toezeggingen in the draft Constitutional Charter ten aanzien van de democratische transitie inclusief vrouwenrechten.
Kunt u aangeven hoe Nederland concreet invulling geeft aan het beleidsvoornemen om de positie van vrouwen in Libië te verbeteren?
De Nederlandse regering heeft zowel in 2011 als in 2012 € 2 miljoen beschikbaar gesteld voor het bevorderen van de participatie van vrouwen in de transitieprocessen en verkiezingsprocessen in de Arabische regio. Het beleidskader voor deze bijdrage valt onder VNVR resolutie 1325.
In dit kader wordt bijvoorbeeld via «UN Women» samenwerking gezocht met Libische vrouwenorganisaties en wordt bezien welke financiële en technische steun kan worden gegeven, op basis van Libische vraag en behoeftes. Daarnaast zijn er organisaties die met financiering van het «Funding Leadership and Opportunities for Women» (FLOW) programma van mijn ministerie, activiteiten uitvoeren in de MENA-regio (inclusief Libië).
Sinds begin 2012 is het programma voor ondersteuning van maatschappelijke transformatie (Matra-zuid) voor de Arabische landen operationeel. Libië is binnen Matra-zuid één van de vijf prioriteitslanden. Matra-zuid is een vraaggestuurd programma dat voor een groot aantal thema’s, waaronder vrouwenrechten en participatie, kan worden ingezet. Omdat dit programma vraaggestuurd is, kan nog niet worden aangegeven welke bedragen per thema zullen worden ingezet.
Kunt u uitsplitsen welke budgetten Nederland binnen de MENA regio (Midden Oosten en Noord-Afrika), en specifiek voor Libië, aanwendt voor genderaangelegenheden?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid binnen EU-verband een voortrekkersrol op u te nemen ten aanzien van de politieke participatie van vrouwen in de MENA-regio?2
Zoals Secretary of State Clinton en ik in het Joint Statement van april 2011 aangaven, heeft de internationale gemeenschap een belangrijke verantwoordelijkheid om de rol van vrouwen in de vredes-, verzoenings- en transitieprocessen in de MENA-landen te ondersteunen. Daarom neem ik in EU-verband het voortouw om de politieke participatie van vrouwen in deze regio te bevorderen.
Ik heb tijdens mijn bezoek aan Tripoli op 13 november jl. vertegenwoordigers van Libische vrouwenorganisaties gesproken en aangemoedigd om hun rol in het transitieproces in Libië op te eisen.
De individuele watermeters |
|
Johan Houwers (VVD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brieven van de huurdersvereniging Ommoord?1
Ja.
Bent u er mee bekend dat de Consumentenautoriteit zich niet bevoegd acht te oordelen of Evides op een correcte en rechtmatige wijze uitvoering geeft aan de wet door het plaatsen van individuele watermeters?2 Bent u bereid om de Consumentenautoriteit te vragen om te oordelen of Evides de consumentenrechten schendt bij het installeren van individuele watermeters? Zo niet, bij welke instantie kunnen burgers dan terecht? Kunt u aangeven wie oordeelt of het installeren van individuele watermeters proportioneel is als de eigenaar of bewoner dit in twijfel trekt?
Ik ben bekend met de beoordeling van de Consumentenautoriteit inzake haar bevoegdheid. De Consumentenautoriteit houdt toezicht op de naleving van de consumentenbescherming, zoals bepaald in de Wet handhaving consumentenbescherming. Het toezicht heeft met name betrekking op markten waar sprake is van een vrije keuze van de consument voor een product of dienst. Tevens treedt de Consumentenautoriteit alleen op in geval van collectieve inbreuken op de wet- en regelgeving, en niet in individuele gevallen. Desgevraagd vindt de Consumentenautoriteit de vraag of Evides op correcte en rechtmatige wijze uitvoering geeft aan wet- en regelgeving breder en meer omvattend dan hetgeen in de Wet handhaving consumentenbescherming is opgenomen. In de kwestie van plaatsing van individuele meters gaat het vooral om de vraag in hoeverre Evides op redelijke en billijke wijze uitvoering geeft aan de doelstelling in het kader van het drinkwaterbeleid om zoveel mogelijk te streven naar (individuele) bemetering. Daarvoor kunnen de consumenten een beroep doen op de Geschillencommissie Energie en Water. De Geschillencommissie kan geschillen behandelen tussen consument en drinkwaterbedrijf die betrekking hebben op de totstandkoming of uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot de aansluiting of levering van drinkwater. Uitspraken van de Geschillencommissie zijn bindend. Ook kunnen consumenten zich wenden tot de burgerlijke rechter om een oordeel te vragen.
Nu u tijdens het algemeen overleg waterkwaliteit op 26 mei 2011 heeft aangegeven de Kamer de reactie van Evides te zullen doen toekomen op het appel inzake de drinkwatermeters, maar de Kamer deze echter nog niet ontvangen, bent u bereid deze brief voor het algemeen overleg water op 15 februari 2012 naar de Kamer te sturen?
De gevraagde reactie van Evides is als bijlage bijgevoegd.3
Bent u bereid om in de brief over de reactie van Evides op het appel inzake de drinkwatermeters ook een reactie van Evides op te nemen op de vraag of dit vastrecht één van de redenen is waardoor Evides bij klanten aandringt op de installatie van watermeters?
In de bijgevoegde brief van Evides is een reactie opgenomen op deze vraag.3
Bommen op baggerschepen |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de afgelopen weken twee op scherp staande Engelse duizendponders uit de Tweede Wereldoorlog zijn aangetroffen op baggerschepen afkomstig uit Weesp?
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester van de gemeente Buren die zei «Nederland is aan een ramp ontsnapt»?1 Zo ja, hoe groot was het risico op een ramp? Zo nee, waarom niet?
Handelingen met en transport van ongesprongen explosieven dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden. Het Nederlandse beleid is daarom gebaseerd op opsporing en het onschadelijk maken van gevonden bommen op of nabij de vindplaats. Helaas kan daarbij niet voor 100% uitgesloten worden dat er bommen ongemerkt opgebaggerd worden.
Het is niet exact kwantitatief in te schatten hoe groot de risico’s waren, ook niet door deskundige instanties zoals de Explosieven Opruimingsdienst van het ministerie van Defensie (EODD).
De kans dat een bom tijdens transport in baggerschepen spontaan explodeert wordt door deskundigen als klein ingeschat. Wat de gevolgen betreft zou een explosie grote schade toebrengen aan het schip en mogelijk zeer ernstig letsel bij de bemanning veroorzaken. De uitwerking naar de omgeving zou waarschijnlijk beperkt blijven door de afdekking met baggerslib, de drukontlasting in verticale richting en de afstand tot de bebouwing. Schade aan infrastructuur door drukeffecten en bomfragmenten kan echter niet uitgesloten worden en ruitbreuk in de omgeving zal waarschijnlijk plaatsvinden.
Indien er een explosie plaatsvindt tijdens het baggeren zijn de gevolgen, afhankelijk van de plaats van explosie (op de bodem of op maaiveldhoogte) ernstiger – dodelijk tot enkele tientallen meters, (ernstige) schade aan gebouwen en infrastructuur tot circa honderd meter en ruitbreuk tot op honderden meters.
Kunt u bevestigen dat vanuit Weesp nog zo’n 4500 baggertransporten zullen vertrekken? Zo nee, hoeveel transporten zijn dan wel voorzien?
Het baggerwerk in Weesp maakt deel uit van het baggerproject Schoonmaken van de Vecht. In totaal gaat het om 2 500 000 m3 baggerslib. Hiervan wordt 400 000 m3 in circa 800 scheepsladingen afgevoerd naar de Ingensche Waarden. Van deze 800 scheepsladingen zijn er 400 al getransporteerd. Vanuit Weesp worden mogelijk nog circa 10 scheepsladingen getransporteerd naar de Ingensche Waarden en vanuit het overige gebied nog ongeveer 340.
De overige transporten (ruim 4000) gaan naar Rijksstortplaatsen zoals IJsseloog.
Vindt controle plaats op de mogelijke aanwezigheid van bommen in gebaggerd slib voordat het de schepen ingaat? Zo ja, waaruit bestaat deze controle? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Voor het gehele gebied waar gebaggerd wordt is door een gecertificeerd bedrijf een vooronderzoek uitgevoerd, conform de Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat «Opsporen Conventionele Explosieven» van 8 februari 2007. Zowel historische bronnen als gesprekken met ooggetuigen maken deel uit van dat onderzoek. In het vooronderzoek worden gebieden aangewezen die verdacht worden van de aanwezigheid van vliegtuigbommen. In de verdachte gebieden wordt voor het baggeren nader onderzoek gedaan met detectoren (magnetometrisch onderzoek) en worden gecertificeerde duikers ingezet om uit te maken of het bommen of andere metalen voorwerpen betreft. Vervolgens worden de bommen of andere voorwerpen opgeruimd. In gebieden die verdacht zijn op kleinere munitie wordt beveiligd gebaggerd (met gepantserde cabine, containers ter afscherming van de omgeving e.d.).
Het baggerslib dat de vliegtuigbommen bevatte was afkomstig uit niet-verdacht gebied.
Deelt u de mening dat de kans dat Tweede Wereldoorlogbommen worden opgegraven in Nederland nog steeds aanzienlijk is? Zo ja, kunt u toelichtenin hoeverre uhet veiligheidsrisico als beheersbaar beschouwt en hoe de veiligheid van baggeraars, vervoerders en bevolking wordt gewaarborgd? Zo nee, waarom niet?
In Nederland bestaat nog altijd een risico dat bij werkzaamheden blindgangers uit de Tweede wereldoorlog worden aangetroffen. Er is echter geen antwoord te geven op de exacte omvang van dit risico c.q. hoeveel bommen nog in de Nederlandse bodem zitten.
Zodra er met betrekking tot een voorgenomen project een vermoeden is van het aantreffen van munitierestanten uit de Tweede Wereldoorlog dient een, op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.10 lid 2, gecertificeerd bedrijf een vooronderzoek uit te voeren en indien nodig een opsporingsonderzoek.
Gemeenten zijn, vanuit hun verantwoordelijkheden voor de openbare orde en veiligheid, tevens verantwoordelijk met betrekking tot ongesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Zij geven invulling aan deze verantwoordelijkheden door projecten en veiligheidsplannen op dit gebied te beoordelen en indien nodig voorwaarden te verbinden aan de uitvoering.
Ik acht het veiligheidsrisico in Nederland beheersbaar gezien de duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling zoals hierboven vermeld, de certificeringsverplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit waardoor kennis en ervaring bij de opsporingsbedrijven wordt geborgd en de bij de Explosieven Opruimingsdienst van het ministerie van Defensie (EODD) aanwezige expertise.
Deelt u de mening dat het onopgemerkte vervoer van mogelijk op scherp staande bommen op baggerschepenen door zeer dichtbevolkte gebieden onverantwoord is? Zo ja, welkeveiligheidsmaatregelen verbindt u aan deze mening? Zo nee, waarom niet?
Vervoer van mogelijk op scherp staande bommen door dichtbevolkte gebieden dient vermeden te worden. Daarom is de aanpak in Nederland gericht op vooronderzoek en opsporingsonderzoek en op het door de EODD onschadelijk maken van bommen op de vindplaats. Daarna kan op veilige wijze transport naar een springplaats plaatsvinden.
In dit geval was de aanpak van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de gemeente Weesp eveneens gericht op het voorkomen van transport of andere ongewenste handelingen met vliegtuigbommen. De bommen zijn daarbij echter niet ontdekt.
Na de ontdekking van de bommen is het verdacht gebied uitgebreid, van 150 m tot 300 m vanaf de spoorbrug aan de oostzijde van Weesp. Binnen dit uitgebreider verdacht gebied zal pas verder gebaggerd worden – op beveiligde wijze – na opsporingsonderzoek. De gemeente Weesp acht deze door het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht genomen veiligheidsmaatregelen toereikend.
Bent u bereid om controle op de mogelijke aanwezigheid van bommen te laten plaatsvinden voordat het gebaggerde slib de schepen ingaat voor transport dan wel bent u bereid deze controle vooraf aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze zal hierin worden voorzien? Zo nee, op grond van welke overwegingen vindt u het treffen van dit soort (nadere) maatregelen niet nodig?
De veiligheid op de plaats van de baggerwerkzaamheden is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en uitvoerder van de werkzaamheden (arbeidsveiligheid) en de gemeente (openbare veiligheid).
Zij hebben extra veiligheidsmaatregelen genomen door het gebied waar pas gebaggerd wordt na opsporingsonderzoek te vergroten. Door aanvullend historisch onderzoek zijn nieuwe gegevens naar boven gekomen waardoor met meer zekerheid de begrenzing van het verdachte gebied is vastgesteld. Deze gegevens komen van luchtfoto’s uit begin 1945, analyserapporten van de RAF inzake bombardementen van de geallieerden en er zijn 5 nieuwe «getuigen» gehoord die zich naar aanleiding van de eerdere publiciteit bij het Waterschap hadden gemeld.
Het uitgebreide opsporingsgebied wordt zorgvuldig onderzocht op metalen voorwerpen door het af te varen en in kaart te brengen met een magnetometer. Vervolgens zullen gecertificeerde duikers alle «hits» benaderen om te bepalen of het vliegtuigbommen betreft.
Gezien deze lokaal getroffen maatregelen acht ik het niet nodig het gemeentebestuur te verzoeken aanvullende maatregelen te treffen.
De Stichting Voortgezet Onderwijs Kerkrade voor stichting van het College Nova Rolduc te Kerkrade |
|
Jack Biskop (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanvraag die de Stichting Voortgezet Onderwijs Kerkrade bij u heeft ingediend om toestemming te krijgen om in Kerkrade College Nova Rolduc te stichten?1
Ja, de aanvraag is afgewezen. Het besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 16 januari 2012, nr. 878.
Hoe kijkt u aan tegen het verschil in feitelijke belangstelling (in dit geval meer dan 250 leerlingen, zonder dat er veel aandacht voor het oprichten van de school is geweest) en de aantallen op basis van de formele meetmethode (amper enkele tientallen leerlingen)?
Getoonde «belangstelling» is geen wetenschappelijk beproefde methode om het leerlingenpotentieel voor een nieuwe school vast te stellen. Aanmeldingen of steunbetuigingen zijn niet wettelijk bindend, geven geen garantie voor de toekomst en houden geen rekening met de doelmatigheid.
De in wet- en regelgeving vastgelegde methode om leerlingenpotentieel te berekenen houdt rekening met bestaande scholen in de nabije omgeving (doelmatigheid), gaat uit van de werkelijke aantallen kinderen (basisgeneraties) en vereist een toekomstprognose op de middellange en lange termijn (respectievelijk 6 en 10 jaar). Deze methode is maximaal objectief en zuiver.
Mocht het stichten van een nieuwe school op basis van de voorliggende meetmethode niet mogelijk zijn, bestaat dan een mogelijkheid om een school van kleur te doen verschieten en van de Stichting Voortgezet Onderwijs Parkland Limburg over te laten gaan naar Stichting Voortgezet Onderwijs Kerkrade?
De mogelijkheid bestaat wettelijk, maar het initiatief hiervoor kan alleen worden genomen door het schoolbestuur van de vestiging in Kerkrade: SVO|PL. De tweede wettelijke voorwaarde is dat de school (het brinnummer) waartoe de nevenvestiging behoort een aantal leerlingen heeft dat minstens tweemaal de stichtingsnorm bedraagt en dit ook in de toekomst (6 en 10 jr) zal behouden. De nevenvestiging moet immers eerst worden verzelfstandigd waardoor er een nieuwe school (brinnummer) ontstaat (splitsing). Vervolgens zou de zelfstandige school kunnen worden overgedragen aan een nieuw bestuur (bestuursoverdracht).
Het bericht dat De Jutters logeerhuizen moet sluiten |
|
Nine Kooiman , Renske Leijten |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat De Jutters, centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie in de regio Haaglanden, gedwongen is om zijn logeerhuizen te sluiten?1
Ik ben op de hoogte van het sluiten van de logeerhuizen van De Jutters in Waddinxveen en in Den Haag. Het zorgkantoor heeft bij haar zorginkoop de ruimte om afwegingen te maken op basis van aantal indicaties, aanbod, kwaliteit en door aanbieders gehanteerde prijzen. Dit heeft tot een dialoog tussen zorgkantoor en De Jutters geleid over de hoogte van de in 2012 te hanteren prijzen. In onderhavige zaak speelt in het bijzonder dat het aantal indicaties voor kortdurend verblijf afneemt. De Jutters heeft vervolgens op basis van een uitgebreide financiële analyse zelf geconcludeerd dat het niet meer haalbaar is om de logeerhuizen te laten voortbestaan.
Bent u ervan op de hoogte dat De Jutters al eerder de logeerhuizen in Waddinxveen heeft moeten sluiten omdat de AWBZ-financiering onder druk staat? Wat is uw reactie hierop?
Zie antwoord vraag 1.
Waar kunnen de kinderen terecht voor opvang, zodat het gezin even rust heeft, nu er in de regio geen reguliere logeerhuizen voor deze kwetsbare groep meer zijn? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er geen gaten vallen in de zorgketen en deze vorm van respijtzorg gecontinueerd wordt?
Ik ben het met u eens dat logeren in een logeerhuis een vorm van respijtzorg is. Er zijn ook andere vormen van respijtzorg waardoor gezinnen even rust hebben zoals vrijwillige thuiszorg, buitenschoolse opvang, (weekend)dagopvang, thuisondersteuning, buddyzorg, kortdurende opnames en vakantiekampen. Bovendien zijn er alternatieven voor het bieden van een weekend logeren in eigen instelling van een zorgaanbieder. Er wordt bijvoorbeeld ook logeerzorg aangeboden door zorgaanbieders in huisjes in bungalowparken of op zorgboerderijen.
Ik vind het van belang dat het zorgkantoor er voor zorgt dat er een passend ondersteuningaanbod is voor families met kinderen met een AWBZ-indicatie, waaronder begeleiding en kortdurend verblijf.
Het betrokken zorgkantoor (CZ) heeft aangegeven dat er andere aanbieders van logeerzorg zijn en dat zij kijken naar andere vormen van respijtzorg, zoals dagopvang of ondersteuning in de thuissituatie.
Vindt u het wenselijk dat gezinnen met kinderen die ernstige problemen hebben op deze manier gedwongen worden om gebruik te maken van een particulier aanbod waar geen toezicht op is door de Inspectie, die eerder al waarschuwde voor onveilige situaties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is geen sprake van gedwongen gebruik van particulier aanbod. De afgelopen jaren is meer transparantie in logeerzorg en de kosten daarvan ontstaan. Ik vind het van belang dat het zorgkantoor er voor zorgt dat er een passend ondersteuningsaanbod is voor families met kinderen met een AWBZ-indicatie.
Hoe kan het zijn dat u enerzijds stelt dat er meer geld gaat naar de AWBZ, maar dat er anderzijds gekort wordt op een kwetsbare groep minderjarigen? Hoe gaat u voorkomen dat deze groep kinderen en hun ouders de dupe worden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat u voorkomen dat De Jutters de helft van zijn budget verliest voor de logeerhuizen omdat de zorgkantoren hebben besloten om de tarieven te verlagen?
Het zorgkantoor heeft bij de zorginkoop afwegingen gemaakt op basis van aantal indicaties, aanbod, kwaliteit en door aanbieders gehanteerde prijzen. Hetzelfde geldt voor de zorgaanbieder De Jutters. De zorgaanbieder heeft op basis van een financiële analyse zelf geconcludeerd dat het niet meer haalbaar is om de logeerhuizen in Waddinxveen en Den Haag te laten voortbestaan. Ik heb geen rol bij de onderhandelingen tussen het zorgkantoor en individuele instellingen.
De evaluatie van uitstapprogramma’s voor prostituees |
|
André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief over de overdracht van uitstapprogramma’s aan gemeenten»1 en de evaluatie van de Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees (RUPS)?2
Ja.
Vindt u dat deze brief recht doet aan de inhoud van de evaluatie van de RUPS? Zo ja, op welke wijze?
Mijn brief zet uiteen welke acties ik heb ondernomen om een «warme» overdracht van de uitstapprogramma’s aan de betreffende gemeenten te realiseren. Deze acties zijn een logisch gevolg op het aflopen en de evaluatie van de RUPS. In die zin doet mijn brief recht aan de evaluatie, alsmede aan de toezeggingen die ik in de gedachtewisselingen met uw Kamer hierover heb gedaan. In aanvulling op mijn brief kan ik uw Kamer melden dat ook de gemeenten Amsterdam en Deventer inmiddels hebben besloten door te gaan met het uitstapprogramma.
Deelt u de mening dat de RUPS veelomvattender was dan de programma’s die nu door gemeenten worden uitgevoerd? Ziet u een overdracht in afgeslankte vorm als een warme overdracht? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Doel van de RUPS was om op basis van subsidieverlening gemeenten (en instellingen) te stimuleren een uitstapprogramma op te zetten voor de begeleiding van prostituees. Bij mijn beoordeling of in de betrokken gemeenten vanaf 2012 de uitstapprogramma’s worden voortgezet en in het reguliere beleid zijn ingebed stond niet de omvang van de voortgezette programma’s centraal, maar de vraag in hoeverre er sprake is van een effectieve voortzetting van deze programma’s.
Deelt u de mening dat er geen duidelijke afspraken vooraf zijn gemaakt over de invulling van de RUPS-subsidie, de registratie van de deelnemers en de voorwaarden tot deelname? Zo nee, waarom niet? Vindt u dit een goede manier van werken?
Nee. Zoals gemeld in mijn eerdergenoemde brief is uit de evaluatie van de RUPS gebleken dat de aanvragers tevreden waren over de regeling en de communicatie daarover.
Vindt u dat mondelinge afspraken met de samenwerkende hulpverlenende instanties volstaan? Zo ja, kunt u dit toelichten?
In het kader van een subsidierelatie dienen de belangrijkste en formele afspraken schriftelijk te worden vastgesteld, zoals in het kader van de uitstapprogramma’s is gebeurd. Mondelinge afspraken volstaan dus niet.
Op basis van de subsidieregeling van het ministerie van Veiligheid en Justitie dient de subsidie-ontvanger verder een zodanig ingerichte administratie te voeren, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
Deelt u de mening dat een schatting van instroom, doorstroom en uitstroom geen deugdelijke administratie genoemd kan worden? Zo nee, waarom niet? Waarom stelt u in uw brief dat u het beeld van een ondeugdelijke administratie niet herkent, terwijl het in de evaluatie niet mogelijk bleek exacte aantallen deelnemers en uitstappers weer te geven en het uiteindelijk op wat natte-vinger-werk is uitgedraaid?
Deelname aan het programma is een continu proces van verschillende fases. Hierdoor is het niet mogelijk gebleken om in het evaluatierapport exacte gegevens te presenteren, waardoor gekozen is voor een schatting. Desalniettemin zijn de resultaten ten aanzien van de instroom, doorstroom en uitstroom overzichtelijk gepresenteerd in het evaluatierapport van de RUPS en geven zij een betrouwbaar beeld van de aantallen deelnemers en uitstappers.
Deelt u de mening dat subsidies alleen verstrekt dienen te worden wanneer er duidelijke, schriftelijke afspraken liggen waarop een organisatie kan worden afgerekend, zodat dit in de toekomst tot goede resultaten zal leiden? Zo ja, hoe gaat u deze werkwijze realiseren?
Zie antwoord vraag 5.
De disproportionele kosten die non-profit organisaties moeten betalen aan de Buma en SENA |
|
Mariko Peters (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere Kamervragen waarin u geeft u aan dat gebleken is dat er in het genoemde geval sprake is van een administratieve fout?1 Waaruit is dit gebleken? Bent u in overleg getreden met zowel de Carnavals Vereniging Deurdouwers als de Buma en SENA? Bent u slechts afgegaan op de uitspraken van Buma en SENA of heeft u bewijsstukken ingezien?
Naar aanleiding van de brief van de carnavalsvereniging die bij de Kamervragen waren gevoegd, heb ik de betrokken collectieve beheersorganisaties, Buma en Sena alsmede Voice, de brancheorganisatie van collectieve beheersorganisaties in haar hoedanigheid als bemiddelaar bij klachten over collectieve beheersorganisaties, verzocht om een reactie. Uit deze reacties bleek dat voor het muziekgebruik een te hoog bedrag was gefactureerd. Dit bedrag is later naar beneden bijgesteld. Deze informatie heb ik in de eerdere beantwoording gemeld.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft geen rol bij de afhandeling van individuele klachten over collectieve beheersorganisaties. Indien een individuele klacht binnenkomt bij het ministerie, wordt de klager gewezen op bestaande klachtenregelingen. Zowel Buma als Sena hanteren in het kader van het CBO-keurmerk sinds 2011 een klachtenregeling die jaarlijks wordt gecontroleerd door een onafhankelijke auditor van het Keurmerkinstituut. Klachten kunnen ook worden ingediend via het klachtenloket van Voice. Wanneer van de klachtenregeling gebruik gemaakt wordt, volgt binnen twee maanden een uitspraak op de klacht. Mocht de klacht niet naar tevredenheid zijn opgelost dan kan de klager de klacht inzake de toepassing van het tarief voorleggen aan een onafhankelijke geschillencommissie. Het College van Toezicht Auteursrechten heeft inzage in het klachtenregister. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel toezicht2 kan een gebruiker ook de hoogte van het tarief op redelijkheid laten toetsen door een geschillencommissie. In casu dateert de klacht uit september 2011 en is de kwestie via Kamervragen aan mij voorgelegd voordat de reguliere klachtafhandeling was afgerond.
Weet u dat er driejaar lang (2008–2011) communicatie heeft plaatsgevonden over de kosten die de genoemde carnavalsvereniging zou moeten betalen? Deelt u de mening dat wanneer dit een administratieve fout betrof, zoals u suggereert in uw antwoord, er tijd en aanleiding genoeg is geweest om deze fout binnen drie jaar op te helderen? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de fout eerst na politieke en publicitaire aandacht erkend en rechtgezet werd?2
Ik heb van Voice, mede namens Buma en Sena, het volgende vernomen. In casu gaat het om twee soorten muziekgebruik: muziekgebruik in het verenigingsgebouw (waarbij een vergoeding verschuldigd is aan Buma en Sena) en het live ten gehore brengen van muziek tijdens de carnavalsoptocht (waarbij alleen een vergoeding verschuldigd is aan Buma). De betrokken carnavalsvereniging heeft voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw voorafgaand aan 2011 geen toestemming gevraagd aan en geen factuur ontvangen van Buma. De carnavalsvereniging heeft voor dit gebruik wel Sena-facturen ontvangen en voldaan.
In 2008 en 2009 is er naar aanleiding van een factuur contact geweest tussen Sena en de carnavalsvereniging. De carnavalsvereniging had in 2006 opgegeven te beschikken over een horecaruimte van 60 m2. In 2008 is door de carnavalsvereniging aangegeven dat dit niet correct is: de ruimte waarin muziek ten gehore werd gebracht is geen horeca-instelling maar een clubhuis. In juli 2009 is hierop door Sena de vergoedingscategorie met terugwerkende kracht gewijzigd tot de datum van het doorgeven van de correctie door de carnavalsvereniging. De communicatie hierover is in 2009 afgerond.
In het kader van de één-loket-benadering zijn in 2011 gecombineerde Buma/Sena-facturen verzonden. Hiervoor maken zij gebruik van het Service Centrum Auteurs- en Naburige rechten (SCAN). De afspraak is dat SCAN alleen een gecombineerde factuur verzendt indien de gebruiker vóór 2011 van zowel van Buma als Sena voor het desbetreffende muziekgebruik een factuur ontving. Indien de gebruiker niet bekend is bij beide cbo’s wordt eerst nader onderzoek ingesteld alvorens een factuur wordt verzonden. In casu had dus geen gecombineerde factuur mogen worden verzonden omdat de carnavalsvereniging voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw alleen bij Sena bekend was. Nadat de carnavalsvereniging in september 2011 over de gecombineerde factuur bij SCAN heeft geklaagd, is de factuur gecrediteerd en heeft er een bezoek van de Buma/Sena buitendienst plaatsgevonden. Daarbij is gebleken dat – anders dan door de carnavalsvereniging schriftelijk aan Sena was opgegeven – er niet gedurende twaalf maanden maar slechts gedurende vier maanden muziek openbaar wordt gemaakt in het verenigingsgebouw. Aan de hand van deze informatie is voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw een nieuwe factuur opgesteld. Buma heeft aangegeven uit coulance geen betaling te zullen vorderen voor het muziekgebruik in de jaren voorafgaand aan 2012. Sena heeft aangegeven uit coulance het – vanwege het beperkte aantal maanden muziekgebruik per jaar – gereduceerde tarief met terugwerkende kracht tot en met 2008 te zullen toepassen. Buma en Sena merken voorts op dat de hoogte van de tarieven tot stand zijn gekomen in onderhandelingen met voor de sector representatieve brancheorganisaties, in dit geval de Federatie van Dorpshuizen en organisaties in het welzijnswerk, en door de collectieve beheersorganisaties op de respectievelijke websites worden gepubliceerd. Daarnaast kunnen gebruikers via de website www.mijnlicentie.nl hun gegevens inzien en zonodig wijzigen.
Ik begrijp uit het voorgaande dat in twee instanties een niet correct tarief is gehanteerd op basis van informatie die door de vereniging in kwestie is verstrekt. Ik heb Voice erop gewezen dat het voor gebruikers bij de aanvraag van de licentie voldoende duidelijk moet zijn onder welke omstandigheden zij in aanmerking kunnen komen voor een gereduceerd tarief. Op de papieren aanvraag is gevraagd naar de openingsperiode van het gebouw. Bij de in 2011 in gebruik genomen digitale licentieaanvraag via de website www.mijnlicentie.nl ontbreekt nog de mogelijkheid om aan te geven dat slechts gedurende een deel van het jaar muziek wordt gebruikt. Dit punt is door de Buma en Sena onderkend: zij geven aan dat bij een digitale licentie-aanvraag altijd telefonisch contact wordt opgenomen om op dit punt nadere informatie op te vragen. Bij de nieuwe versie van de website die in maart 2012 in gebruik wordt genomen, zal het mogelijk zijn om beperkt seizoensgebruik digitaal door te geven. Ik zie in het voorgaande onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek naar onjuiste facturering van not-for-profit organisaties en/of andere maatregelen
Weet u dat de betrokken carnavalsvereniging de afgelopen jaren wel geld heeft moeten betalen aan Buma en Sena voor een bedrag dat hoger lag dan de nu genoemde 48 euro? Deelt u de mening dat hierdoor sprake lijkt van willekeur in de hoogte van het jaarlijks te betalen bedrag? Adviseert u deze vereniging het kennelijk teveel betaalde geld terug te vragen? Bent u bereid dit mee te nemen in het door u aan de Kamer tijdens het plenaire debat naar aanleiding van het algemeen overleg over auteursrechten toegezegde overleg met de Buma en SENA?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid Buma en SENA aan te spreken op de onnavolgbaarheid van de vaststelling van aan not-for-profit gefactureerde bedragen? Bent u bereid te onderzoeken of er meerdere non-profit-organisaties zijn die onjuiste facturen ontvangen van de Buma en/of SENA?
Zie antwoord vraag 2.
Energieleveranciers die schuldhulpverleningsinstanties niet inseinen wanneer klanten met een betalingsachterstand ’s winters worden afgesloten van gas en elektra |
|
Diederik Samsom (PvdA), Hans Spekman (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat niet alle energieleveranciers voldoen aan de meldingsafspraken en schuldhulpverleningsinstanties niet op de hoogte brengen wanneer in de wintermaanden een huishouden op het punt staat te worden afgesloten van gas en elektra?1
Ja.
Is het waar dat niet alle energieleveranciers de meldingsafspraken nakomen zoals die zijn afgesproken op grond van artikel 9 van de ministeriële regeling over afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas? Zo ja, is het u bekend om welke energieleveranciers het gaat?
In de ministeriële regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers elektriciteit en gas is vastgelegd dat een energiebedrijf de kleinverbruiker met betalingsachterstanden bij de herinnering wijst op de mogelijkheden van schuldhulpverlening en aanbiedt, met schriftelijke toestemming van de kleinverbruiker, de contactgegevens en informatie over de hoogte van diens schuld te verstrekken aan een schuldhulpverleningsinstantie. Indien de kleinverbruiker aangeeft geen gebruik te willen maken van schuldhulpverlening, mogen deze gegevens niet doorgegeven worden. Er zijn echter omstandigheden die het wenselijk maken dat indien de kleinverbruiker niet heeft gereageerd op het aanbod om schuldhulpverlening in te schakelen, het energiebedrijf toch persoonsgegevens van de kleinverbruiker door geeft aan een schuldhulpverleningsinstantie ten behoeve van het starten van een schuldhulpverleningstraject. Dat is aan de orde in de winterperiode, van 1 oktober tot 1 april, omdat elektriciteit en gas zeker in de winterperiode eerste levensbehoeften zijn. Daarom is in artikel 9 van de regeling vastgelegd dat energiebedrijven in de winterperiode gegevens van kleinverbruikers met betalingsachterstanden moeten doorgeven aan schuldhulpverlenende instanties.
Uit de evaluatie van de regeling in 2010 en uit onderzoek van de Energiekamer NMa in 2009/2010 is gebleken dat het proces van de aanvraag van schuldhulpverlening en de samenwerking tussen energiebedrijven en gemeenten in dit proces niet optimaal verliep. Processen rondom het doorgeven en ontvangen van persoonsgegevens waren nog onvoldoende ingeregeld en afgestemd op elkaar en doorlooptijden van schuldaanvragen duurden te lang. Energiebedrijven en schuldhulpverleners (verenigd in Energie-Nederland en de NVVK) hebben gezamenlijk deze handschoen opgepakt en zijn de afgelopen tijd bezig geweest om een landelijk convenant op te stellen dat de samenwerking tussen beide partijen moet verbeteren. Dit moet leiden tot een set uniforme (werk)afspraken omtrent doorlooptijden en communicatie met betrekking tot schuldhulpverleningstrajecten. Een doel van het convenant is om zo snel mogelijk stabilisering van de schulden te realiseren zodat de voorschotten weer betaald gaan worden. Tevens wordt met de aanpak in het convenant beoogd de doorlooptijden zo kort mogelijk te houden, opdat klanten zo min mogelijk worden geconfronteerd met oplopende schulden. Het is de verwachting dat het landelijk convenant in het eerste kwartaal van 2012 gereed is en in werking zal treden.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat er, in geval van betalingsachterstanden voor gas en elektra, in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijkheden van betalingsregelingen en schuldhulpverlening met de klant worden besproken?
Ja, die mening deel ik. Dat is ook de reden dat de regeling afsluitbeleid elektriciteit en gas een sterke relatie heeft met schuldhulpverlening en de klant al in een vroeg stadium, namelijk bij de schriftelijke herinnering, door het energiebedrijf wordt gewezen op de mogelijkheden van schuldhulpverlening. Tevens is de samenwerking tussen leveranciers en schuldhulpverleners, die wordt vastgelegd in het convenant, erop gericht om bij problematische schulden van afnemers in een zo vroeg mogelijk stadium samen te werken teneinde het aantal afnemers met betalingsproblemen terug te dringen en het verder oplopen van schulden te voorkomen.
Deelt u vervolgens de mening dat het goed is dat wanneer een cliënt niet reageert op het aanbod van betalingsregelingen en schuldhulpverlening, de schuldhulpverleningsinstantie wordt ingelicht om zelf contact te leggen met de cliënt om zo alsnog zo snel mogelijk tot een oplossing te komen zodat mensen ’s winters niet in de kou komen te zitten?
Ja, dat is de reden voor hetgeen in artikel 9 van de ministeriële regeling afsluitbeleid elektriciteit en gas is vastgelegd. Dit doet overigens niets af aan het feit dat het de verantwoordelijkheid van de cliënt zelf is om tijdig aan de aangegane financiële verplichtingen te voldoen om zo te voorkomen dat afsluiting van elektriciteit en gas plaatsvindt.
Op welke manier worden energieleveranciers gehouden aan het naleven van de ministeriële regeling? Zijn er sancties aan verbonden? Welke stappen bent u bereid zelf te zetten om ervoor te zorgen dat alle energieleveranciers zich houden aan de ministeriële regeling?
De Energiekamer NMa houdt toezicht op de naleving van de Elektriciteits- en Gaswet en daarmee ook op de naleving van de ministeriële regeling afsluitbeleid. In de periode 2009–2010 heeft de Energiekamer NMa een onderzoek verricht naar de opzet en werking van het afsluitbeleid van energieleveranciers en netbeheerders, waarbij getoetst is aan de voormalige ««Regeling Afsluitbeleid voor kleinverbruikers elektriciteit en gas»«. Onderdeel van het onderzoek betrof de verplichting om afnemers te wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening en het voorkomen van afsluiting. Bij dit onderzoek is de correspondentie over afsluiten van alle energiebedrijven opgevraagd en gecontroleerd op alle onderdelen van de ministeriële regeling. Vervolgens heeft de NMa per energiebedrijf een verbeteradvies opgesteld en laten bevestigen dat de gewenste verbeteringen correct, dus conform (toenmalige) ministeriële regeling, zijn doorgevoerd.
Daarnaast vindt signaalgedreven toezicht plaats. Signaalgedreven toezicht houdt in dat de Energiekamer NMa – mede op basis van signalen via ConsuWijzer – monitort of er op de energiemarkt zich een structureel probleem voordoet. Op dit moment zijn er bij ConsuWijzer en bij de Energiekamer NMa geen signalen over afsluitbeleid die aanleiding vormen voor extra toezicht. De Energiekamer NMa beschikt over diverse sanctiemogelijkheden indien dat nodig is.
Mede naar aanleiding van de eerder genoemde evaluatie van de regeling in 2010 en de resultaten van het onderzoek van de Energiekamer NMa naar het afsluitbeleid, is de ministeriële regeling afsluitbeleid aangepast. Deze nieuwe verbeterde regeling is per 1 oktober 2011 in werking getreden. Samen met het op korte termijn te verschijnen convenant over de samenwerking tussen energieleveranciers en schuldhulpverleners, ben ik van mening dat we een robuust bouwwerk hebben dat leveranciers, en schuldhulpverleningsinstanties in staat stelt om op zorgvuldige wijze invulling te geven aan het afsluitbeleid.
Zijn deze afsluitingen te rijmen met de door de sector zélf op vrijwillige basis gemaakte afspraken waarin is afgesproken dat bij (strenge) vorst niet wordt afgesloten? Zo ja, wanneer is het dan wel koud genoeg om te stoppen met afsluiten? Zo nee, Deelt u de mening dat deze afspraken moeten worden vastgelegd in de ministeriële regeling?
Sinds 1 oktober 2009 gelden de vrijwillige afspraken van de sector over afsluiting ten tijde van vorst. De vorstregeling is van toepassing op kleinverbruikers, die op grond van de MR zouden mogen worden afgesloten in de periode 1 oktober–1 april. In de vorstafspraken is geregeld dat een kleinverbruiker niet wordt afgesloten indien sprake is van strenge vorst. Er is sprake van strenge vorst wanneer het KNMI in De Bilt twee dagen achtereen een gemiddelde etmaaltemperatuur onder nul graden Celsius heeft gemeten. Indien dit op de dag van de voorgenomen afsluiting het geval is, wordt er niet afgesloten. Zodra de etmaaltemperatuur weer boven nul graden Celsius komt, en de financiële situatie niet is veranderd, zal alsnog worden afgesloten. Het gaat bij de vorstregeling om uitstel van een geplande afsluiting, niet om het tijdelijk heraansluiten van consumenten die al afgesloten waren. Er is bovendien geen sprake van een algemeen afsluitverbod tijdens de winter. In de ministeriële regeling zijn extra eisen vastgelegd waaraan energiebedrijven zich moeten houden in de winterperiode en is de consument extra beschermd. Er wordt echter ook een inspanning van de kant van de kleinverbruiker verwacht, die een oplossing moet zoeken voor zijn/ haar schulden.
De vorstregeling betreft zelfregulering. Met andere woorden, de bedrijven zien zelf toe op de naleving hiervan. In 2010 is met de evaluatie van het afsluitbeleid ook specifiek gekeken naar de werking van de vorstafspraken. De vorstafspraken blijken zelfstandig goed en eenvoudig te werken. Om die reden ben ik van mening dat ze niet in de ministeriële regeling hoeven te worden opgenomen.
Het ontbieden van de nuntius van de Heilige Stoel om een reactie te verkrijgen op het rapport-Deetman |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de onthullingen uit het rapport van de commissie-Deetman over seksueel misbruik in brede kring als schokkend zijn ervaren?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze bevindingen een passend (al dan niet beleidsmatig) vervolg dienen te krijgen? Zo nee, waarom niet?
De opdracht tot het onderzoek was afkomstig van de Rooms-Katholieke Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen. De Rooms-Katholieke Kerk heeft aangegeven de aanbevelingen uit het rapport te omarmen en hier opvolging aan te geven. De aanbevelingen uit het onderzoek richten zich bijna uitsluitend op de Rooms-Katholieke Kerk. De Commissie Deetman roept de Rooms-Katholieke Kerk op tot erkenning, hulp, genoegdoening en nazorg om zo bij te dragen aan herstel van het aangedane leed. Ook stelt de commissie dat financiële compensatie onlosmakelijk verbonden is met het herstel dat de slachtoffers moet worden geboden. Ik verwijs voor het overige naar de aan uw Kamer per brief van 16 januari toegezonden reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie op de bevindingen van de commissie.
Deelt u de mening dat het voor de vormgeving van dit vervolg nuttig is om de reactie van het hoofd van de Katholieke Kerk – de paus – te vernemen? Zo nee, waarom niet?
De bevindingen en de aanbevelingen zijn door de opdrachtgevers onderschreven. Het is aan de Rooms-Katholieke Kerk om te bepalen hoe en door wie op de onderzoeksbevindingen van de Commissie Deetman wordt gereageerd.
Bent u bereid de nuntius van de Heilige Stoel in Nederland te ontbieden om deze reactie te vernemen? Zo nee, waarom niet? Zo nee, bent u bereid de Nederlandse ambassadeur bij de Heilige Stoel langs de daartoe geëigende diplomatieke kanalen te laten informeren naar de formele reactie van het hoofd van de Katholieke Kerk op deze onthullingen?
Het Kabinet acht de eerste reactie van het hoogste Rooms-Katholieke gezag in Nederland voor dit moment voldoende en wacht vervolgstappen af. Ik zie daarom geen reden de nuntius van de Heilige Stoel in Nederland te ontbieden om een reactie te vernemen. In regulier overleg tussen mijn ministerie met de kerkelijke vertegenwoordiging komen actuele onderwerpen op de agenda. Dit onderwerp past daarin.
Deelt u de mening dat op deze manier de niet altijd onomstreden meerwaarde van de nuntius van de Heilige Stoel in het diplomatieke landschap kan blijken? Zo nee, waarom niet?
De Heilige Stoel en Nederland onderhouden langlopende diplomatieke betrekkingen. Contact tussen de Nederlandse overheid en de nuntius behoort tot het normale diplomatieke verkeer.
Bent u bereid deze reactie dan wel reacties te delen met de Kamer, zodat deze kan worden betrokken bij de verdere besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de Rooms-Katholieke Kerk om aan de conclusies van het rapport van de Commissie Deetman een vervolg te geven en daarover naar buiten te treden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Het scharen van pre-masters onder de masterfase |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met gevallen waarin universiteiten (bijvoorbeeld de Vrije Universiteit te Amsterdam) pre-masterprogramma’s onder de masterfase onderbrachten, omdat op dat moment nog niet duidelijk was hoe de regels voor de langstudeerdersboete zouden uitpakken?
Ja.
Hoeveel studenten namen of nemen deel aan de betreffende pre-masters?
Dat is mij niet bekend.
Deelt u de mening dat het onredelijk is dat studenten in deze programma’s eerder te maken kunnen krijgen met de langstudeerdersboete dan het geval was geweest als de verder identieke pre-masters als bachelor waren aangemerkt? Zo nee, waarom niet?
In «Het Hoogste Goed, Strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onder-zoek- en wetenschapsbeleid» van 23 november 2007 (Tweede Kamer, vergader-jaar 2007–2008, 31 288, nr. 1) is vermeld dat met VSNU is afgesproken dat deficiëntieprogramma’s gericht op de doorstroom van de hbo-bachelor naar wo-masteropleidingen als hoofdregel binnen een bacheloropleiding worden vorm gegeven. Ik besef dat het voor de studenten vervelend is, dat zij vanwege het feit dat de instelling is afgeweken van de in 2007 gemaakte afspraken een verhoogde kans hebben om langstudeerder te worden. Ik verwacht echter dat deze groep een beperkte omvang zal hebben, omdat de meesten – als ze nominaal studeren – inmiddels afgestudeerd zullen zijn, dit jaar hun nominale fase van de masteropleiding afronden of dit studiejaar als uitloopjaar gebruiken om te kunnen afstuderen tegen het lage wettelijk collegegeld, omdat het verhoogd wettelijk collegegeld € 0 bedraagt. Pas vanaf volgend studiejaar moeten zij eventueel het verhoogde tarief betalen. Ik heb de betreffende universiteiten desgevraagd opgeroepen de omvang van de betrokken groep studenten in kaart te brengen en samen met hen te bekijken hoe zij op een verantwoorde wijze kunnen afstuderen.
Bent u bereid om voor de getroffen studenten een eenmalige uitzondering te maken op de langstudeerdersboete? Zo nee, waarom niet?
Neen. Zie verder het antwoord op vraag 3.
De 28 in beslag genomen pony’s in Elkenrade |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Hebt u de beelden gezien die «Vandaag de dag» heeft gemaakt van één van de in beslag genomen pony’s die Stichting Paard in Nood onder haar hoede heeft genomen, nadat het dier voor verkoop was vrijgegeven door Dienst Regelingen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een in beslag genomen pony, na vier weken te zijn verzorgd op een door aangewezen opvangadres, onder de aangekoekte mest bleek te zitten en zelfs een ontsteking had aan de achterhand? Vindt u dit een voorbeeld van goede verzorging van pony’s? Kunt u uw antwoord toelichten?
De dieren waren extreem vermoeid toen ze bij de opvang aankwamen. Op aanraden van de dierenarts is ervoor gekozen de paarden vooral rust te geven.
De huisvesting en voeding van de paarden en pony’s zijn goed geweest. De eerste periode is gezorgd voor noodzakelijke medische hulp, een goed strobed, rust en aangepaste voeding. De niet direct noodzakelijke verzorging zou in een later stadium plaatsvinden. Dit om de paarden zo goed mogelijk te laten herstellen en zo veel mogelijk te ontlasten.
In dit geval heeft een eerdere eigenaar van deze pony zich gemeld. Dienst Regelingen heeft voor de overdracht richting laatstgenoemde aangegeven dat de pony nog aan het herstellen was van de situatie waaruit deze gehaald was. Ook is aangegeven dat dit herstel tijd nodig heeft. Daarnaast is aangegeven dat het dier nog viezigheid in de vacht had. Door het jaargetijde is er niet voor gekozen het dier te scheren. Het was verstandiger geweest om te wachten met de overdracht tot het dier ook de niet direct noodzakelijke zorg gekregen had.
Het is voor mij op basis van dit videomateriaal lastig vast te stellen welke vooruitgang de pony bij de nieuwe eigenaar heeft gemaakt.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat één van de in beslag genomen pony’s dankzij de zorg van Stichting Paard in Nood binnen drie dagen enorm is opgeknapt en dit bij het tijdelijke opvangadres, onder uw verantwoordelijkheid niet gelukt is, terwijl de pony daar vier weken heeft gestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat verwaarloosde dieren, na inbeslagname, de benodigde zorg niet krijgen op het opvangadres, terwijl u eerder heeft aangegeven dat opvangplaatsen voor in beslag genomen dieren onderworpen zijn aan strenge controles?
De opvangadressen zijn gecontroleerd en goed bevonden. In de overeenkomst is vastgelegd aan welke eisen de opslaghouder moet voldoen. In dit specifieke geval is een aantal punten ten aanzien van de verzorging nog niet gedaan, omwille van de rust die de pony nodig had.
Is het waar dat één van de in beslag genomen pony’s op het opvang-adres is overleden? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat de oorzaak is van het overlijden van deze pony? Hoe was de situatie van dit dier op het moment dat het in beslag werd genomen? Is er een dierenarts geconsulteerd? Welke zorg heeft de pony op het tijdelijke opvangadres gekregen?
Ja, er is inderdaad één pony overleden. Gezien de leeftijd en de situatie waaruit hij is gehaald is dit niet verwonderlijk. De pony heeft alle nodige zorg ontvangen. De dierenarts heeft aangegeven dat de pony door een hartstilstand is overleden.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak, op welke manier en door welke personen met welke competenties tijdelijke opvangplaatsen worden gecontroleerd voordat er dieren worden ondergebracht en nadat er dieren zijn geplaatst? Hoe wordt omgegaan met opvangplaatsen die niet aan de wettelijke verplichtingen blijken te voldoen?
Nee, ik deel de mening niet dat de controles aangescherpt moeten worden.
Jaarlijks worden alle opvangplaatsen landbouwhuisdieren en paarden door de NVWA gecontroleerd. Ook medewerkers van DR gaan regelmatig bij de opvangplaatsen langs om te beoordelen of de dieren de benodigde verzorging krijgen.
Indien blijkt dat bepaalde opvangplaatsen niet aan de wettelijke verplichtingen voldoen dan zal een termijn worden gegeven om de tekortkomingen te herstellen. Door middel van een controlebezoek kan worden vastgesteld of de opvanglocatie weer aan de wettelijke eisen voldoet. Indien blijkt dat niet aan de wettelijke eisen wordt voldaan, wordt de overeenkomst ontbonden.
Deelt u de mening dat de controles op (tijdelijke) opvangadressen aangescherpt moeten worden, zodat verwaarloosde dieren na inbeslagname niet in exact dezelfde situatie terecht komen als waaruit ze zijn weggehaald? Zo ja, hoe wilt u dit gaan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De verkiezingsuitslag in de Democratische Republiek Congo (DRC) |
|
Frans Timmermans (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening van de Congolese oppositie en buitenlandse waarnemers dat «er grootschalige fraude» gepleegd is tijdens de laatste presidentsverkiezingen in de DRC? Zo nee, waarom niet?
Nederland deelt de conclusies van de EU-waarnemingsmissie en Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton dat de Congolese presidentsverkiezingen gepaard zijn gegaan met serieuze tekortkomingen en een gebrek aan transparantie. Als gevolg daarvan is een groot aantal stemmen niet meegeteld in het eindresultaat en is de geloofwaardigheid van het verkiezingsproces aangetast.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van oppositieleider Etienne Tshisekedi, die beweert de verkiezingen te hebben gewonnen en ambtenaren, leger en politie oproept om alleen nog maar bevelen van hem op te volgen?
Geen van de internationale waarnemersmissies concludeert dat oppositieleider Etienne Tshisekedi zonder de geconstateerde tekortkomingen de verkiezingen zou hebben gewonnen. De DRC is niet gebaat bij confrontatie en nieuw geweld. De regering en de oppositie zullen de dialoog aan moeten gaan om de problemen op vreedzame wijze op te lossen.
Deelt u de zorg dat de DRC momenteel in een uiterst explosieve situatie is beland en de kans groot is dat er grootschalig geweld uitbreekt? Zo nee, waarom niet?
De situatie in de DRC is fragiel en de verkiezingen hebben geleid tot nieuwe spanningen binnen de samenleving. De internationale gemeenschap en Nederland spreken zowel de regering als de oppositie aan op hun verantwoordelijkheid om af te zien van geweld en te werken aan een vreedzame oplossing van de huidige problemen.
Deelt u de mening van vele buitenlandse diplomaten die aangeven dat president Kabila de beste kans kan brengen voor stabiliteit in Congo? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Een legitieme regering die werkt voor het welzijn van de Congolese bevolking biedt de beste garantie voor stabiliteit in de DRC. Het is aan het Congolese volk om te bepalen wie een dergelijke regering moet leiden.
Deelt u de mening dat de buitenlandse steun aan Kabila in belangrijke mate gemotiveerd wordt door economische belangen zoals de toegang tot kritieke grondstoffen als coltan en kobalt? Zo ja, op welke wijze gaat de Nederlandse regering hiermee om?
Neen. De internationale gemeenschap als zodanig steunt in de DRC geen presidentskandidaat boven de anderen. Dat neemt niet weg dat landen in de regio in hun betrekkingen met de DRC hun economische belangen laten meewegen. De Nederlandse inzet is hoofdzakelijk gericht op het lenigen van humanitaire noden en het bevorderen van stabiliteit en is niet afhankelijk van wie het presidentschap bekleedt.
Wat doet de Nederlandse ambassade momenteel om Congolese mensenrechtenactivisten te beschermen en om de Congolese autoriteiten blijvend aan te spreken op hun internationaalrechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten en democratie?
Nederland blijft in EU-verband en bilateraal de Congolese autoriteiten aanspreken op hun verantwoordelijkheden op het gebied van de mensenrechten en als democratische rechtsstaat. Dit doet Nederland in de bilaterale contacten met de Congolese autoriteiten op verschillende niveaus. Ook dringt Nederland er op aan dat deze onderwerpen op de agenda staan van besprekingen met de DRC in het kader van de EU en de VN.
De Nederlandse ambassade volgt daarnaast de situatie van mensenrechten-verdedigers in het land op de voet en onderhoudt nauwe contacten met NGO’s, de VN en andere gesprekspartners.
Treft de ambassade extra maatregelen om de veiligheid van Nederlanders in de DRC te waarborgen in het geval van toenemend geweld? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft over de afgelopen periode alle reizen naar de DRC ontraden. De ambassade te Kinshasa heeft regelmatig contact onderhouden met de Nederlanders die zich hebben geregistreerd om hen te informeren over de ontwikkelingen en te adviseren. Met EU-partners zijn afspraken gemaakt over samenwerking in geval van een acute crisis.
Op welke wijze spreekt de Nederlandse regering, zowel in bilaterale contacten als via de Europese Unie en de relevante VN-instrumenten, de Congolese autoriteiten blijvend aan op hun internationaalrechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten en democratie?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de crèches leeglopen |
|
Paul Ulenbelt (SP), Nine Kooiman |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de crèches leeglopen?1
Uitvoeringscijfers van de Belastingdienst over 2011 laten ten opzichte van 2010 nog altijd een groei zien in het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag. Het aanbod van kinderopvang stijgt echter sneller dan de vraag, waardoor individuele ondernemers in bepaalde regio’s te maken kunnen krijgen met een dalende omzet. De effecten van de maatregelen in de kinderopvang in 2012 worden nauwlettend in de gaten gehouden.
Bent u bereid te onderzoeken wat de reden is dat veel ouders de kinderdagopvang voor hun kind opzeggen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit onderzoek verwachten?
Er wordt op dit moment een onderzoek uitgevoerd in het kader van de evaluatie van de wet Kinderopvang. Het CPB is door mij gevraagd een micro-econometrische ex-post analyse uit te voeren naar de effecten van de wijzigingen in de subsidies voor kinderopvang. In deze analyse worden de effecten van de kinderopvangtoeslag op de participatie in kaart gebracht. Dit zal de kennis van de werking van de kinderopvangtoeslag vergroten en de empirische basis van analyses van toekomstige wijzigingen in de toeslag verder versterken. Deze analyse zal samen met de evaluatie van de Wet Kinderopvang naar de Kamer worden gezonden. Bovendien zullen op basis van uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst de ontwikkelingen in 2012 nauwlettend in de gaten worden gehouden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ouders de kinderopvang kunnen blijven betalen zonder dat het gehele salaris van één ouder opgaat aan de kinderopvang?
Ouders krijgen in 2012 ongeacht hun inkomen minimaal 33,3% van de kosten van kinderopvang tot de uurprijs die voor vergoeding in aanmerking komt (de maximumuurprijs) vergoed. Zoals eerder gemeld in de brief uurprijzen kinderopvang (Kamerstukken 2011–2012, 31 322, nr. 162) wijken de uurprijzen niet veel af van de maximumuurprijs die voor vergoeding in aanmerking komt. Ouders met een inkomen lager dan € 18 546 krijgen meer dan 90% voor zowel het eerste als volgend kind van de maximumuurprijs vergoed. Ouders met een verzamelinkomen van € 70 000 krijgen 52,3% van de kosten van kinderopvang tot de maximumuurprijs vergoed voor het eerste kind en 83,6% voor volgende kinderen. Over het algemeen zal dan ook niet het gehele salaris van één ouder opgaan aan kinderopvang.
Bent u het eens met de constatering dat, als het salaris van één werkende ouder helemaal op gaat aan de kinderopvang, dat het logisch is dat ouders ervoor kiezen om te stoppen met werken? Vindt u dit wel een gunstige ontwikkeling? Zo nee, wat gaat u er aan doen om ervoor te zorgen dat dit kapitaal voor de arbeidsmarkt behouden blijft?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zal over het algemeen niet het gehele salaris van één ouder opgaan aan de kosten van kinderopvang. Wanneer formele kinderopvang duurder wordt, kan er ook voor informele kinderopvang gekozen worden; hierdoor blijft het effect op de arbeidsparticipatie beperkt. Overigens wordt er bij het vormgeven van de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag rekening gehouden met de effecten op de arbeidsparticipatie.
Wat is uw reactie op de verwachting van de FNV dat waarschijnlijk 15% van de ouders zal stoppen met werken?
De conclusie dat waarschijnlijk 15% van de ouders zal stoppen met werken is gebaseerd op een enquête die via de website van FNV en Abvakabo FNV onder ruim 1 000 ouders is gehouden. De representativiteit van het onderzoek is twijfelachtig. Vooral respondenten met een uitgesproken mening doen mee. De MOA-ombudsman roept dan ook op om dit soort enquêteresultaten kritisch te beoordelen2. De MOA, Center for Information Based Decision Making & Marketing Research, is een vereniging van bedrijven en instellingen die zich bezighouden met Market Research en Marketing Intelligence. MOA zet zich in om de kwaliteit van onderzoek en statistiek te verbeteren en stelt daartoe samen met andere brancheorganisaties gedragscodes op.
Het in de FNV-enquête geuite voornemen van een aantal ouders om te stoppen met werken, hoeft niet te betekenen dat ze dat ook daadwerkelijk doen. Ouders hebben bijvoorbeeld de mogelijkheid om voor informele opvang te kiezen. In 2011 zijn ouders meer gaan betalen voor kinderopvang, maar dat heeft volgens uitvoeringscijfers van de Belastingdienst niet tot een daling van het gebruik van formele kinderopvang geleid.
Hoeveel ouders in de laagste inkomensgroepen zullen naar verwachten het kinderdagverblijf van hun kind moeten opzeggen wegens financiële redenen? Bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Uit de voorlopige maandelijkse uitvoeringscijfers van de Belastingdienst blijkt dat er ten opzichte van 2010 nog altijd een groei zit in het totaal aantal kinderen met kinderopvangtoeslag. Er is echter een lichte daling in het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag voor ouders met een inkomen lager dan modaal. De bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag worden zodanig vormgegeven dat ouders met lage inkomens en ouders met grote banen worden ontzien. In 2012 gaan ouders met een laag inkomen er relatief minder op achteruit dan door de bezuinigingen van 2011. Het effect van de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag in 2012 voor de verschillende inkomensgroepen wordt nauwlettend in de gaten gehouden; extra onderzoek hiervoor is mijns inziens niet nodig. Zoals toegezegd zal ik voor de behandeling van de bezuinigingsmaatregelen voor 2013 in de kinderopvang de Kamer voorzien van nadere uitvoeringsinformatie.
Het verdwijnen van spoedeisende hulp in het Dokkumer ziekenhuis voor Noordoost Friesland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA), Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving over ziekenhuis De Sionsberg in Dokkum waar drie afdelingen moeten sluiten en van de berichten dat tegen deze sluiting veel verzet is?1
Ja, ik heb van de berichtgeving kennisgenomen.
Hoe beoordeelt u de verontwaardiging en bezorgdheid van veel inwoners van deze regio over het wegtrekken van belangrijke medische voorzieningen?
De minister van VWS kan zich heel goed voorstellen dat de ontwikkelingen ten aanzien van het ziekenhuis leiden tot zorgen bij de mensen in de regio. Het ziekenhuis gaat immers bepaalde functies niet meer aanbieden. De minister van VWS vindt het belangrijk dat de patiënt keuzevrijheid heeft. De zorgverzekeraar heeft via het inkoopbeleid een belangrijk instrument in handen om deze keuzevrijheid te bevorderen. De minister van VWS is verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de zorg. Er zijn voldoende ziekenhuizen in de omgeving die de zorg in de regio kunnen aanbieden zonder dat de kwaliteit en continuïteit van de zorg in het geding is.
Voor de inrichting van de verloskundige zorg in de regio volgt uiterlijk op 1 mei aanstaande een aanvullend plan. Speciaal voor deze opdracht zal een werkgroep in het leven worden geroepen. In deze werkgroep zullen mogelijkheden van regionale samenwerking en nieuwe en innovatieve vormen van geboortezorg worden verkend.
Deelt u de mening dat het wegtrekken van onderdelen van een belangrijke regionale ziekenhuisfunctie een nadrukkelijke verslechtering is van de vitaliteit en leefbaarheid van een krimpregio als Noordoost Friesland? Zo ja, wat betekent dit concreet voor uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Er is zeker een relatie tussen voorzieningen als zorg en leefbaarheid en vitaliteit. Het is alleen heel goed mogelijk om een hoog niveau van leefbaarheid te borgen zonder dat voorzieningen zeer nabij zijn. Kwaliteit en bereikbaarheid van voorzieningen zijn namelijk belangrijker dan nabijheid. In een aantal gevallen is het noodzakelijk om afspraken te maken over concentratie van voorzieningen in een beperkter aantal vestigingen om de kwaliteit ervan te kunnen handhaven. In de interbestuurlijke aanpak van krimp wordt in samenwerking tussen maatschappelijke organisaties, gemeenten en in een aantal gevallen provincies daarom afspraken gemaakt over de spreiding van voorzieningen als zorg in regionale en provinciale actieplannen bevolkingsdaling. Een belangrijk punt in de actieplannen is de bereikbaarheid van publieke en private voorzieningen.
Kunt u aangeven hoe deze situatie van verschraling van lokale zorgvoorzieningen past binnen de intenties van de rijksoverheid om krimpregio’s te versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag drie, kunnen regionale afspraken over spreiding en bereikbaarheid van onder andere zorgvoorzieningen de leefbaarheid in krimpregio’s ook op langere termijn borgen.
Welke mogelijkheden zijn er naar uw mening om er toch voor te zorgen dat zorgdiensten zoals de spoedeisende hulp en de afdeling verloskunde voor deze regio behouden kunnen worden?
Voor de acute zorg (inclusief de verloskundige zorg) is inmiddels in de regio voorzien in extra ambulancecapaciteit zowel in auto’s als een extra ambulancestandplaats. Daarnaast zijn afspraken gemaakt met het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) over eventuele inzet van de helikopter voor de achterwachtfunctie. Met deze maatregelen is de bereikbaarheid van de acute zorg in de regio binnen 45 minuten geborgd. Het zorgbeleidsplan van De Sionsberg moet antwoord geven op datgene wat verantwoord in De Sionsberg kan worden uitgevoerd in de komende jaren. Voorts zijn er voldoende ziekenhuizen in de omgeving die de zorg in de regio kunnen aanbieden zonder dat de kwaliteit en continuïteit van de zorg in het geding zijn.
De provincie Friesland onderschrijft het belang van kwalitatief goede en bereikbare zorg, maar is als provincie alleen verantwoordelijk voor het vaststellen van het spreidingsplan van de ambulancezorg. De provincie spreekt de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV) aan op het realiseren van de norm: ambulances moeten binnen 45 minuten bij de spoedeisende hulp (SEH) van een ziekenhuis kunnen zijn.
Op welke vormen van beschikbaarheidsbijdragen kan ziekenhuis De Sionsberg per 2012 aanspraak maken? Deelt u de mening dat er een beschikbaarheidsbijdrage voor kleine streekziekenhuizen moet komen?
Voor 2011 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) De Sionsberg een beschikbaarheidstoeslag van circa € 3 672 026,– toegekend. De minister van VWS heeft De Sionsberg bij brief van 23 december 2011, kenmerk CZ/IPZ-3099092, laten weten dat de NZa voor de beschikbaarheidstoeslag 2012 zal aansluiten bij de toeslag voor 2011, onder de voorwaarde dat er een adequaat plan wordt opgesteld dat de acute zorg in de regio voldoende waarborgt. De minister van VWS heeft u deze brief op 23 december 2011 in afschrift doen toekomen.
In de brief van 27 april 2011 over de continuïteit van zorg heeft de minister van VWS uw Kamer gemeld dat zij een verantwoordelijkheid heeft voor de continuïteit van cruciale zorg, waaronder de bereikbaarheid van spoedeisende zorg binnen 45 minuten. Juist in de rurale gebieden vereist de naleving van de randvoorwaarden voor kwaliteit en bereikbaarheid van de spoedeisende zorg binnen 45 minuten extra aandacht. Die ziekenhuizen die nodig zijn voor de bereikbaarheid binnen 45 minuten en die als gevolg van onvoldoende zorgvraag de spoedeisende zorg niet kostendekkend in stand kunnen houden, kunnen in aanmerking komen voor een beschikbaarheidstoeslag. De exacte voorwaarden voor deze toeslag worden in de loop van 2012 nader uitgewerkt.
Deelt u de mening dat er onverkort voldaan moet worden aan de normen die gelden voor aanrijtijden naar regionale voorzieningen voor o.a. spoedeisende hulp en verloskunde? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de beschikbaarheid van deze diensten in het ziekenhuis van Dokkum?
De minister van VWS deelt de mening dat er onverkort voldaan moet worden aan de normen die gelden voor aanrijtijden naar regionale voorzieningen voor onder andere spoedeisende hulp en verloskunde. Om die reden zijn er per direct maatregelen getroffen om de bereikbaarheid van de acute zorg in de regio binnen de normtijd van 45 minuten te borgen. Zie hiervoor het antwoord onder vraag 5.
Op welke wijze bent u bereid of voornemens om een rol te spelen in het zoveel mogelijk overeind en bereikbaar houden van dergelijke zorgvoorzieningen voor Dokkum en omstreken?
Zie het antwoord op vraag 2 en 5.
Het schrappen van het gratis parkeren voor gehandicapten |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gehandicapte betaalt voor fraudeur»1, «Den Haag schrapt gratis parkeren gehandicapten op gewone parkeerplaatsen»2, en herinnert u zich de initiatiefwet van het voormalig lid Van Dijken (PvdA) met betrekking tot het gehandicaptenparkeerbeleid?
Van beide artikelen heb ik kennis genomen. De strekking van de initiatiefwet is mij bekend.
Deelt u de mening dat gratis parkeren voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart, ook op reguliere parkeerplaatsen, bijdraagt aan de mobiliteit van de houders van deze kaarten? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het feit dat niet alle gemeenten een dergelijk parkeerbeleid voeren of op dat beleid terugkomen? Zo nee, waarom niet?
Een ruimhartig gratis gebruik van parkeerplaatsen voor mensen met een beperking draagt bij aan hun mobiliteit. In Nederlandse gemeenten geldt een eigen gemeentelijk parkeerbeleid. Gemeenten kunnen in dat beleid overwegingen met betrekking tot mobiliteit afwegen ten opzichte van andere doeleinden van hun parkeerbeleid. In een brief die ik op 8 december 2011 aan alle gemeenten heb gezonden, benadruk ik dat het voor gehandicaptenparkeerkaarthouders duidelijk moet zijn wat voor hen de regels zijn betreffende het parkeren in die gemeente.
Deelt u de mening dat het terugdraaien van het gratis parkeren voor gehandicapten vanwege fraude met deze parkeerkaarten een middel is dat de grote meerderheid van niet-frauderende parkeerkaarthouders onevenredig zwaar treft? Zo ja, deelt u dan de mening dat de oplossing van fraude niet gevonden dient te worden in het invoeren van betaald parkeren voor gehandicapten? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten die ervoor kiezen het fraudeprobleem op deze manier op te lossen, handelen binnen de gemeentelijke beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het parkeerbeleid. Het is te betreuren dat daarbij ook de andere parkeerkaarthouders worden getroffen. Sinds 2011 is er een landelijke database waarin gemeenten het kaartnummer en de vervaldatum van gehandicaptenparkeerkaarten kunnen registreren. Deze database is in opdracht van mijn ministerie ontwikkeld door het Servicehuis parkeer- en verblijfsrechten en de Rijksdienst voor het Wegverkeer en wordt beheerd door het Servicehuis parkeer- en verblijfsrechten. Gemeenten kunnen hun uitgegeven kaarten registreren en de handhavers kunnen de gegevens uit deze database raadplegen. Fraude kan zo worden beperkt. Momenteel maken ongeveer twintig gemeenten gebruik van deze database. Mijn ministerie werkt aan meer bekendheid voor de database die bijdraagt aan het beperken van de fraudegevoeligheid van de gehandicaptenparkeerkaart.
Deelt u de mening dat gratis parkeren voor houders van gehandicaptenparkeerkaarten niet een doel op zich is, maar een noodzakelijk middel om er voor te zorgen dat degenen die niet van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in staat zijn zich te verplaatsen? Zo ja, hoe gaat u gratis parkeren voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart mogelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Indien iemand met een beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, dan is een auto een middel om je te kunnen verplaatsen. De gehandicaptenparkeerkaart is slechts een middel om gebruik te kunnen maken van de daartoe aangewezen parkeerplaatsen in iedere gemeente. Het bieden van parkeergelegenheid voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart dicht bij de deur is het uitgangspunt. De houders worden zodoende ondersteund om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Veel gemeenten voeren daarnaast nog een begunstigend beleid voor houders van de kaart. Zoals ik onder antwoord 2 heb aangegeven moet het beleid van de gemeente voor de overige parkeerplaatsen helder worden gecommuniceerd aan de parkeerder ter plaatse. Dit kan bijvoorbeeld door middel van bebording bij betaalde parkeerplaatsen waarop tevens de uitzonderingen zijn opgenomen. Het parkeerbeleid maakt, zoals al eerder gezegd, deel uit van de autonome beslissingsruimte van gemeenten.
Deelt u de mening dat houders van een gehandicaptenparkeerkaart vanwege te ver uiteenlopend parkeerbeleid tussen gemeenten, niet weten waar zij aan toe zijn? Zo ja, gaat u dan zorgen voor een uniform parkeerbeleid ten aanzien van alle gehandicapten met een gehandicaptenparkeerkaart in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Vanwege de onduidelijkheid die bestaat voor houders van de gehandicaptenparkeerkaart heb ik de uitdrukkelijke oproep gedaan aan gemeenten met mijn onder antwoord 2 aangehaalde brief, om helderheid te verschaffen aan de houder van de gehandicaptenparkeerkaart over het ter plaatse geldende parkeerbeleid. Daarnaast wordt in de onder antwoord 3 aangehaalde landelijke database voor de registratie van de gehandicaptenparkeerkaarten ook het parkeerbeleid van de deelnemende gemeenten opgenomen voor de overige parkeerplaatsen. De website van het Servicehuis parkeer- en verblijfsrechten is ook door de houder van de gehandicaptenparkeerkaart te raadplegen. Als alle gemeenten in Nederland de uitgegeven gehandicaptenparkeerkaarten en hun gemeentelijk parkeerbeleid in de landelijke database registreren, dan is niet alleen diefstal zinloos geworden, maar dan is ook een blik op de website voldoende om kennis te nemen van het in de te bezoeken gemeente geldende parkeerbeleid voor gehandicapten. Aan deze voorziening wordt al gewerkt.
Weet u in hoeveel gemeenten in Nederland houders van een gehandicaptenparkeerkaart gratis mogen parkeren op reguliere betaalde parkeerplaatsen? Zo ja, hoeveel zijn er dit? Neemt dit aantal de afgelopen twee jaar af, neemt het aantal toe of is het stabiel? Zo nee, waarom weet u dit niet, en hoe kunnen houders van een gehandicaptenparkeerkaart het dan wel weten?
Het aantal gemeenten waar gratis kan worden geparkeerd op de overige parkeerplaatsen, buiten de reguliere gehandicaptenparkeerplaatsen, is mij niet bekend. Hiervan bestaat geen centrale registratie. In hoeverre dit aantal toe- of afneemt is evenmin bekend. Houders van een gehandicaptenparkeerkaart kunnen dan wel via het eerdergenoemde registratiesysteem, dan wel via bebording en berichtgeving van individuele gemeenten, zich op de hoogte stellen van de parkeermogelijkheden in een bepaalde gemeente.
Het toezicht van persoonsgegevens in het Visa Waiver Programma |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de verklaring van de directeur van Homeland Security and Justice, dat slechts de helft van de landen die aan het Visa Waiver programma deelnemen op dit moment voldoen aan de eisen gesteld in de 9/11 Act1
Voldoet Nederland aan de eisen van het Visa Waiver Programma, waarin landen die visumvrij naar de Verenigde Staten (VS) willen reizen door de 9/11 Act verplicht worden om drie akkoorden met de VS te sluiten om de uitwisseling van informatie met betrekking tot de veiligheid en de rechtshandhaving te versterken?
Kunt u uitleggen op welke wijze er in Nederland uitvoering wordt gegeven aan de afspraken op grond van de drie bilaterale overeenkomsten met de VS, te weten de uitwisseling van gegevens over vermiste en gestolen paspoorten, de uitwisseling van gegevens met het Terrorist Screening Center en de uitwisseling van referentiegegevens met betrekking tot vingerafdrukken en DNA-profielen voor het bestrijden van ernstige misdaden?2
Kunt u uitleggen hoe de gegevens aan de VS ter beschikking worden gesteld? Hebben de Amerikaanse autoriteiten rechtstreeks toegang tot de gegevensbestanden? Is een dergelijke rechtstreekse toegang tot de gegevensbestanden gepland in de toekomst? Is rechtstreekse toegang tot de databestanden een eis van de VS? Kunt u uitleggen wat er met «data to flow on an automated basis» wordt bedoeld?3
Kunt u verzekeren dat iedere overdracht van gegevens getoetst wordt door een rechter?
Kunt u verhelderen of gegevens per geval op basis van een specifieke verdenking worden overgedragen aan de Amerikaanse autoriteiten of gebeurt dat ook op een grootschaligwijze (in bulk)? Wat voor categorieën gegevens worden er precies overgedragen?
Kunt u uitleggen op welke wijze en door wie toezicht wordt gehouden op de gegevensoverdracht en de conformiteit met relevante nationale en Europese regelgeving?
Het systematisch muilkorven, oppakken en detineren van journalisten in herislamiserend Turkije |
|
Geert Wilders (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de nieuwsberichten «Turkije pakt achttien journalisten op bij «anti-terreur-actie'»1, «Turkey Arrests Journalists It Ties to Outlawed Group»2 en «A dangerous place to be a journalist»?3
Sinds april 2009 is in Turkije een groot aantal mensenrechtenactivisten, lokale bestuurders en politici gearresteerd, die lid zouden zijn van de KCK, mogelijk de civiele tak van de PKK. Deze personen zijn gedetineerd in afwachting van de definitieve formulering van de aanklacht. Ervaring met soortgelijke zaken leert dat het maanden, zo niet jaren, kan duren voor de aanklacht bekend wordt. Het Turkse rechtssysteem laat het toe dat een aanklacht nog definitief geformuleerd moet worden, terwijl de verdachte reeds in hechtenis is genomen. De arrestaties uit de eerste twee nieuwsberichten passen in dit beeld.
Zoals ik u op 24 maart (op vraag 1960 uit vergaderjaar 2010–2011) en 11 april 2011 (op vraag 2 172 uit vergaderjaar 2010–2011) heb geantwoord, zijn Ahmet Sik en Nedim Sener aangehouden in het kader van een breder justitieel onderzoek naar de zogenaamde «Ergenekon»-zaak; een vermeende samenzwering van onder meer Turkse generaals, journalisten, schrijvers en academici gericht op destabilisering van democratische instituties, waaronder de regering-Erdoğan. Dit betreft de arrestaties uit het derde nieuwsbericht.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de Turkse democratie in het licht van het feit dat Turkije met meer dan 90 opgesloten journalisten tot de meest journalist-vijandige landen ter wereld behoort?
Het kabinet is bezorgd over de wijze waarop Turkije met (kritische) journalisten omgaat. Op het gebied van persvrijheid voldoet de Turkse democratie niet aan de Kopenhagencriteria.
Bent u bereid om de nieuwe aanslag van het islamistische regime Erdogan op de persvrijheid in Turkije, in de vorm van de arrestaties van afgelopen dinsdag, in scherpe bewoordingen te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt de Turkse regering, zowel bilateraal als via de EU, aan op implementatie van de Kopenhagen-criteria, waarvan vrijheid van meningsuiting en persvrijheid integraal onderdeel uitmaken. In de EU-Raadsconclusies van 5 december 2011 over het uitbreidingspakket is, mede op Nederlands aandringen, opgenomen dat «Turkije meer moet doen om de vrijheid van meningsuiting te respecteren.» De Raad stelde dat «de restricties tegen de media, het grote aantal rechtszaken tegen schrijvers en journalisten en het frequente verbod op websites ernstige bezorgdheid oproepen en daarom aan de orde moeten worden gesteld.»
Wat heeft u in de achterliggende periode gedaan om de vrijlating te bewerkstelligen van de Turkse journalist Nedim Sener, die met gevangenschap de prijs betaalt omdat hij het Turkse regime onder andere waagde te tarten met een boek over de moord op de Turks-Armeense journalist Hrant Dink?
Het kabinet gaat niet in op individuele tenlasteleggingen. Wel volgt Nederland, samen met de Europese Commissie en overige EU-lidstaten, de ontwikkelingen op de voet. Zo was een medewerker van het consulaat-generaal in Istanbul aanwezig bij de rechtszaal waar op 22 november 2011 het proces tegen onder meer Nedim Sener aanving. Het uitgangspunt bij het Nederlandse beleid is dat alle verdachten in Turkije op een eerlijke en onafhankelijke rechtsgang moeten kunnen rekenen. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het geen pas geeft op feestelijke wijze 400 jaar betrekkingen te vieren met een regime dat journalisten muilkorft, dat regime-onvriendelijke journalisten oppakt en detineert, en dat Allah-onvriendelijke cartoonisten bedreigt met lange gevangenisstraffen?
Turkije is op veel terreinen een belangrijke partner van Nederland. Turkije is een belangrijke handelspartner, een bondgenoot binnen de NAVO, een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie en er zijn intensieve maatschappelijke betrekkingen, mede vanwege de Nederlanders van Turkse afkomst. Daarnaast speelt Turkije een belangrijke rol in de transitie van een aantal Arabische landen. Dat neemt niet weg dat Turkije verdere stappen zou moeten zetten in zijn democratische hervormingsproces. Het is van belang dat de viering van 400 jaar diplomatieke betrekkingen de zeer diverse betrekkingen tussen Nederland en Turkije bestendigt en op deze manier de democratische hervormingen in Turkije versterkt.
Wat gaat de (voorbereiding van de) viering van de 400 jaar diplomatieke betrekkingen met het persbreidelende Turkije de Nederlandse belastingbetaler eigenlijk kosten?
In de begroting is een bedrag van 2 070 000 euro gereserveerd voor deze viering.
Wilt u deze vragen gezien de gewenste duidelijkheid ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.