Het nieuwe meetinstrument van de GGD dat de kwaliteit van de kinderopvang moet gaan meten |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de kritiek uit wetenschappelijke hoek over het nieuwe meetinstrument van de GGD dat de kwaliteit van de kinderopvang moet gaan meten?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de (concurrente) validiteit van het nieuwe meetinstrument van de GGD voor het meten van de pedagogische kwaliteit niet is vergeleken met een meetinstrument dat wel gevalideerd is? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bij de uitvoering van het onderzoek is Sardes geconfronteerd met problemen met de beschikbaarheid van een valide Nederlandstalig instrument. In overleg met mijn ministerie heeft Sardes conform hun offerte het observatie-instrument van de GGD vergeleken met een samengesteld alternatief instrument dat is gebaseerd op het instrumentarium van het NCKO.
Daarbij heeft Sardes aangegeven dat dit alternatief instrument zowel inhoudelijk als procedureel zoveel overlapt met het observatie-instrument van de GGD dat het mogelijk is om zowel op het niveau van doelen als indicatoren te correleren. Achtergrond hierbij is:
Kunt u tevens bevestigen dat de inspecteurs die met het alternatieve meetinstrument werkten onvoldoende getraind waren in het toepassen van het schaduwinstrument en ook niet onafhankelijk van elkaar hebben gewerkt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Sardes geeft aan dat de inspecteurs zijn getraind in het afnemen van het huidige observatie-instrument. Voor het werken met het alternatief instrument hebben de inspecteurs een instructiebijeenkomst bijgewoond waarin zij instructie kregen over de afname van het alternatief instrument. Tijdens die bijeenkomst zijn er afspraken gemaakt over hoe de inspecteurs tijdens de observaties moesten handelen. Eén van de afspraken betreft het onafhankelijk van elkaar afnemen van het huidige observatie-instrument en het schaduwinstrument. Een andere afspraak was: geen inhoudelijk overleg voeren tijdens de observatie of na de observatie bij het scoren.
Kunt u ook bevestigen dat de statistische bewerkingen die zijn gebruikt en de manier waarop de bevindingen zijn geïnterpreteerd te rooskleurig zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb er vertrouwen in dat de statistische analyses adequaat zijn uitgevoerd en dat de interpretatie van de bevindingen door de onderzoekers passend is. Ik heb van Sardes begrepen dat de analyses en de interpretatie van de uitkomsten van de analyses in lijn zijn met de uitkomsten van gelijksoortig onderzoek.
Indien uw antwoord op de vragen 2 tot en met 4 bevestigend luidt, tot welke conclusie brengt dit u? Wilt u uw antwoord motiveren?
Zoals eerder gemeld heb ik er vertrouwen in dat de onderzoekers het onderzoek adequaat hebben uitgevoerd. Ik constateer dat er vragen zijn ontstaan over de onderzoeksmethoden en de voor- en nadelen van de hierbij gemaakte keuzen. De conclusie die ik hieraan verbind is dat op dit punt de onderzoeksverantwoording duidelijker had kunnen zijn.
Wat was precies het doel van het onderzoek, wat was de exacte formulering daarvan in de offerteaanvraag waarmee het onderzoek is uitgezet en wilt u de offerteaanvraag aan de Tweede Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
In de offerteaanvraag is het doel van het beleidsonderzoek als volgt weergegeven:
Komen tot een uitspraak over de validiteit van het instrument observatie pedagogische praktijk. Indien het instrument niet valide blijkt te zijn, welke aanpassingen zijn daarvoor nog nodig?
Als bijlage bij deze brief ontvangt u de offerteaanvraag.2
Hoe verhoudt dit in de offerteaanvraag omschreven doel van het onderzoek zich tot de reactie van het ministerie dat «het herijken van het observatie-instrument aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten en aan de hand van vergelijkbare observatie instrumenten» het doel zou zijn geweest?
Het doel van het onderzoek ligt in het verlengde van het achterliggende beleidsdoel. Het achterliggende beleidsdoel betrof het herijken van het observatie-instrument aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten en aan de hand van vergelijkbare observatie-instrumenten. Dit linkt aan de passage in de offerteaanvraag waarin gevraagd wordt naar eventuele aanpassingen in het instrument als het instrument (op onderdelen) onvoldoende of niet valide blijkt te zijn.
Kunt u bevestigen dat in reactie op een vraag van de schrijfster van het artikel in «De Correspondent» kennelijk per abuis de door ambtenaren van uw ministerie gewisselde e-mails over dit onderwerp aan haar zijn toegestuurd?
Ja.
Kunt u in het licht daarvan tevens bevestigen dat een woordvoerder van uw ministerie als volgt heeft gereageerd: «Ik ben ervoor te waken om de diepte in te gaan en haar (de betreffende journaliste) te veel informatie te geven, maar ik heb nu toch het gevoel dat zij duidelijke vragen stelt en we aan het duiken zijn»?
Ja.
Kunt u eveneens bevestigen dat de directeur kinderopvang van uw ministerie heeft opgemerkt: «Ik vind zelf dat we bij eerdere antwoorden al veel te diep op de materie zijn ingegaan. Dat leidt ertoe dat onze antwoorden net iets anders zijn dan in het onderzoeksrapport zelf of net iets anders dan in de offerteaanvraag. Vervolgens worden dan weer vragen gesteld over die verschillen. En zo komen we steeds verder van huis»?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze dat, indien «duidelijke vragen worden gesteld», ervoor «gewaakt moet worden om de diepte in te gaan» en er geen heldere antwoorden worden gegeven, maar er zelfs bij de betrokken woordvoerder van uw ministerie «het gevoel» is dat er sprake is van «duiken»?
Als er verzocht wordt om informatie te geven geldt dat de juiste informatie gegeven moet worden. Dat geldt ook voor vragen die ten behoeve van het betreffende artikel zijn gesteld. Mocht er uit de genoemde mails een ander beeld gekomen zijn, dan betreur ik dat.
Welke opdracht hebben uw ambtenaren op het moment dat er (duidelijke) vragen door journalisten, burgers of Kamerleden worden gesteld? Kunt u uw antwoord motiveren?
Voor alle vragen geldt dat de juiste beschikbare informatie gegeven moet worden. Dat geldt zowel voor vragen van journalisten als voor vragen van burgers of Kamerleden.
Herinnert u zich dat u in september 2014 aan de Tweede Kamer heeft laten weten dat u «met het project Het Nieuwe Toezicht meer ruimte wil bieden voor kwaliteit» en dat u daarbij «nadrukkelijk de kennis en expertise van verschillende wetenschappers (...) meeneemt» en voorts dat «de inzet gericht is op kwaliteitsverbetering en niet op een slap aftreksel van het gemiddelde»?
Binnen het project Het Nieuwe Toezicht wordt de kennis van wetenschappers en andere experts structureel gebruikt. Met mijn brief van november 2014 heb ik u inzicht gegeven in de uitgangspunten die ik voor de herijking van de kwaliteitseisen gebruik. Deze uitgangspunten zijn mede gebaseerd op gesprekken met verschillende wetenschappers. Zoals ik u tijdens het algemeen overleg van 5 februari jl. heb laten weten heeft en houdt de wetenschap een prominente rol, zowel bij de herijking van de kwaliteitseisen als bij de implementatie ervan.
Vindt u dat uw (te ontwikkelen en in te voeren) beleid met betrekking tot de kwaliteit van de kinderopvang gebaseerd moet zijn op de uitkomsten van gevalideerd wetenschappelijk onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Bij de ontwikkeling van beleid betrek ik de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en vraag ik regelmatig wetenschappers om input en advies.
Indien u vraag 14 bevestigend beantwoordt, wat betekent dit dan concreet voor het in de voorgaande vragen bedoelde bekritiseerde onderzoek en wilt u daarop, met de kennis van nu, uw beleid met betrekking tot de kwaliteit van de kinderopvang baseren? Zo ja, wilt u uw antwoord motiveren?
Ik betreur dat over het doel en over de gemaakte keuzes in de opzet van het onderzoek verwarring is ontstaan. Het onderzoek is gegund aan Sardes op basis van de gebruikelijke aanbestedingsprocedure. De onderzoekers hebben één van de onderdelen van het huidige inspectie-instrumentarium van de GGD onderzocht.
In het kader van het project Het Nieuwe Toezicht wordt momenteel gewerkt aan nieuwe kwaliteitsregels. Bij het bepalen van de nieuwe kwaliteitseisen wordt het instrumentarium van de toezichthouder tevens onder de loep genomen.
Indien uw vraag betrekking heeft op de totstandkoming van beleid ten aanzien van de kwaliteit van de kinderopvang in de breedste zin geldt hiervoor dat ik bij de vorming van dit beleid de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek betrek en wetenschappers uitnodig om input en advies te geven.
Bent u bereid een nieuw onderzoek uit te zetten dat de toets der kritiek kan doorstaan en gekenmerkt wordt door wetenschappelijke validiteit?
Zoals eerder gemeld heb ik er vertrouwen in dat de onderzoekers het onderzoek adequaat hebben uitgevoerd.
Bent u bereid met uw antwoord op deze vragen wel «de diepte in te gaan» en dan niet het gevoel op te roepen dat u met uw ambtenaren «duikt»?
Ja.
Het uitbreiden van nachtnet |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de wensen van regionale overheden in Brabant en Groningen voor de uitbreiding van het aantal nachttreinen op het spoor?1
Ja. Het is mij bekend dat er in diverse regio’s wensen bestaan voor de uitbreiding van het nachtnet.
Bent u bereid om in het kader van artikel art 2, lid 42 en artikel 453 van de vervoerconcessie van NS te onderzoeken met NS of andere vervoerders in samenspraak met regionale aanbestedende overheden belangstelling hebben voor het rijden van treinen in de nacht in onder andere het noorden van Nederland en Noord-Brabant en tegen welke prijs?4 Zo nee, waarom niet?
De artikelen 2, vierde lid en 12, tweede lid hebben tot doel samenwerking tussen vervoerders aan concessiegrensoverschrijdende vervoerdiensten te bevorderen zodat de deur-tot-deur reis wordt verbeterd. Het is aan vervoerders om daar onderling afspraken over te maken. Als het gaat om een dienst die volledig binnen de hoofdrailnetconcessie ligt, zoals deze nachttreinen, is het NS toegestaan om voor de uitvoering van de concessie derden in te schakelen (artikel 67, derde lid).
De concessie schrijft verder voor dat NS zoekt naar kansrijke nachtelijke verbindingen en dat NS deze gaat rijden als dit veilig uitvoerbaar, operationeel inpasbaar en rendabel exploiteerbaar zijn (art. 45). Als dit laatste niet het geval is, kan een decentrale overheid een financiële bijdrage leveren om de treindienst toch mogelijk te maken. Zo betaalt de provincie Noord-Brabant al vele jaren mee aan het Nachtnet Brabant. De gemeente Amersfoort is overgegaan tot een financiële bijdrage waardoor er nu nachttreinen rijden tussen Utrecht en Amersfoort. Sinds december 2014 rijdt NS ook nachttreinen tussen Utrecht, Arnhem en Nijmegen, nadat daar goede afspraken zijn gemaakt met de decentrale overheden.
Vanuit het exclusieve recht dat NS met de vervoerconcessie heeft gekregen, is het aan NS om aan de verplichtingen te voldoen. Zij kan hier op eigen initiatief derden voor inschakelen danwel met overheden in gesprek gaan over mede-financiering. Enkele dagen geleden hebben NS en de provincies Groningen en Drenthe bekend gemaakt dat ze overeenstemming hebben bereikt over extra nachttreinen Zwolle-Groningen en Groningen-Amsterdam, met een financiële bijdrage van de provincies. NS heeft mij laten weten conform de concessie momenteel in goed gesprek te zijn met de provincie Noord-Brabant over de wensen en mogelijkheden aldaar, ook die met betrekking tot nachttreinen. Ik wacht de uitkomsten daarvan af en zal u zo spoedig mogelijk informeren.
Bent u bereid om in het kader van artikel 12, lid 25 van de vervoerconcessie van NS met NS te onderzoeken of uitbreiding van het nachtnet in onder andere het noorden van Nederland en Noord-Brabant kan worden opgepakt door een regionale vervoerder en tegen welke prijs?6 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat de uitbreiding van nachtnet in onder andere het noorden van Nederland en Noord-Brabant in samenspraak met regionale vervoerders goed kan uitpakken voor de reiziger als blijkt dat regionale vervoerders dit goedkoper kunnen dan NS? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om met betrokken partijen waaronder regionale overheden, NS en regionale vervoerders te overleggen hoe uitbreiding van het nachtnet mogelijk kan worden gemaakt?7
Zoals hiervoor aangegeven verwacht ik van NS dat zij aan de verplichtingen van de concessie voldoet. Het betreft een exclusief recht dat aan NS is toegekend. Binnen dat exclusieve recht is de keuze aan NS, en niet aan een andere partij, om te bepalen of zij hiervoor gebruik wil maken van de diensten van derden. De concessie biedt hiertoe ruimte.
NS is met diverse regionale partijen in gesprek. Met de provincies Groningen en Drenthe heeft NS inmiddels afspraken gemaakt (zie antwoord 3). Ik beschouw dit als goed nieuws voor de reizigers.
De gevolgen van in Nederland begane verkeersovertredingen met auto’s met een buitenlands kenteken |
|
Martijn van Helvert (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Opstelten (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de landen die de Cross Border Enforcement (CBE) richtlijn hebben ondertekend in 2013, gekoppeld aan de informatie of het betreffende land de richtlijn al geïmplementeerd heeft en of (en zo ja, sinds wanneer) dit land zijn nationale kentekenregister heeft opgesteld voor de Nederlandse diensten die betrokken zijn bij data-uitwisseling van kentekengegevens?
In beginsel dienen alle lidstaten een richtlijn te implementeren, tenzij er een zogenoemde opt-out mogelijkheid is om niet deel te nemen aan een richtlijn. In het geval van richtlijn 2011/82/EU van het Europees parlement en de Raad van 25 oktober 2011 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (PB L 288 van 5.11.2011, blz. 1; hierna de CBE-richtlijn) hadden het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken een opt-out. De overige lidstaten dienden de verplichtingen van de CBE-richtlijn per 7 november 2013 te implementeren. Implementatie van deze richtlijn hield in dat lidstaten verplicht zijn hun nationale kentekenregister aan te sluiten op een Europese voorziening. Daardoor wordt het register opengesteld voor andere lidstaten die de naam- en adresgegevens kunnen opvragen bij een buitenlands kenteken in verband met de afhandeling van acht verkeersovertredingen (te weten: rijden met een te hoge snelheid; niet dragen van een veiligheidsgordel, niet stoppen voor een rood licht, rijden onder invloed van drank; rijden onder invloed van drugs, niet dragen van een veiligheidshelm, gebruiken van een verboden rijstrook en illegaal gebruiken van een mobiele telefoon of een ander communicatieapparaat tijdens het rijden).
Op 6 mei 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de CBE-richtlijn nietig verklaard, omdat de richtlijn volgens het Hof niet op de juiste grondslag uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie was gebaseerd (arrest in de zaak Commissie tegen Europees parlement en Raad van de Europese Unie, C-43/12, EU:C:2014:298). Deze uitspraak had geen impact op de uitwisseling van kentekengegevens met andere lidstaten. In de uitspraak was namelijk bepaald dat de gevolgen van de richtlijn in stand bleven totdat een nieuwe richtlijn in werking zou treden. Implementatie kon feitelijk echter niet meer worden afgedwongen door landen die de nietig verklaarde richtlijn nog niet hadden geïmplementeerd.
De nieuwe richtlijn (EU)2015/413 is gepubliceerd op 13 maart 2015 (PB L 68 van 13.3.2015, blz. 9; hierna: de nieuwe CBE-richtlijn). De strekking en reikwijdte van nieuwe richtlijn zijn gelijk aan richtlijn 2011/82/EU. De oude en de nieuwe richtlijn verschillen op twee punten. De nieuwe grondslag (artikel 91 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) biedt geen opt-out mogelijkheid. Dit betekent dat het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken de nieuwe CBE-richtlijn moeten implementeren. Verder bepaalt artikel 12 van de nieuwe richtlijn dat de lidstaten op 6 mei 2015 de verplichtingen uit de richtlijn moeten hebben geïmplementeerd. Lidstaten die de oude richtlijn nog niet hadden geïmplementeerd, hebben dus meer tijd gekregen. Voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken geldt een aangepaste implementatie deadline van 6 mei 2017.
Op dit moment hebben de volgende lidstaten hun kentekenregister opengesteld:
Nederland (7 november 2013), Duitsland (7 november 2013), België (22 november 2013), Bulgarije (14 januari 2014), Frankrijk (19 februari 2014), Litouwen (16 april 2014), Oostenrijk (24 april 2014), Polen (30 april 2014), Zweden (14 mei 2014), Hongarije (21 mei 2014), Roemenië (11 augustus 2014), Slowakije (26 augustus 2014), Spanje (30 oktober 2014) en Letland (10 december 2014).
Op welke wijze vindt uitwisseling van data, alsmede inning van boetes plaats, met landen die deze richtlijn niet hebben ondertekend (Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken)?
Aan personen die woonachtig zijn in lidstaten die de richtlijn nog niet geïmplementeerd hebben, kan een beschikking voor een verkeersovertreding worden opgelegd als sprake is van staandehouding door de politie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De naam- en adresgegevens kunnen ter plekke van de bestuurder worden verkregen.
Ten aanzien van een constatering van een overtreding op grond van een kenteken geldt dat de automatische nummerplaatherkenningssoftware en de systemen die zorgen voor de verdere verwerking van de overtreding op dit moment uitsluitend zijn ingesteld voor kentekens uit Nederland, Duitsland, België, Zwitserland en Frankrijk. Bij een constatering op grond van een kenteken uit een ander land vindt nog geen verdere verwerking plaats.
Klopt het dat in 2012 door voertuigen met Belgische kentekens 224.998 verkeersovertredingen begaan zijn op grond van de Wet Mulder en 283.262 door voertuigen met Duitse kentekens? Kunt u aangeven van hoeveel van die 224.998 en 283.262 overtredingen de boetes bezorgd zijn bij de eigenaar van het voertuig en hoeveel van die boetes ook daadwerkelijk betaald zijn?1
De door u in vraag 3 aangegeven aantallen betreffen de op Belgische en Duitse kentekens geconstateerde Wahv verkeersovertredingen in 2012. Aan deze kentekenhouders is een beschikking gezonden naar het adres van de kentekenhouder dat in het kentekenregister van respectievelijk België en Duitsland was opgenomen. Van de 224.998 boetes op Belgische kentekenhouders zijn 191.035 boetes geïnd (peildatum 9 april 2015). Van de 283.262 boetes op Duitse kentekenhouders zijn 220.009 boetes definitief geïnd (peildatum 9 april 2015).
In 2013 zijn 284.773 Wahv verkeersovertredingen geconstateerd op Belgische kentekens. Hiervan zijn 235.816 boetes geïnd (peildatum 9 april 2015).
In 2013 zijn 350.236 Wahv verkeersovertredingen geconstateerd op Duitse kentekens. Hiervan zijn 273.407 boetes geïnd (peildatum 9 april 2015).
Daarnaast zijn in 2012 4.789 Wahv verkeersovertredingen geconstateerd op Zwitserse kentekens. Hiervan zijn 3.032 boetes geïnd. In 2013 ging het om 4.419 Wahv verkeersovertredingen, waarvan 2.866 boetes zijn geïnd.
De opgelegde boetes die niet geïnd zijn, betreffen onder andere lopende zaken die nog niet zijn betaald, zaken die in het opsporingsregister staan geregistreerd, zaken die naar aanleiding van een beroep vernietigd zijn, correcties en zaken die ter executie op grond van het Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties kunnen worden overgedragen aan het land van de kentekenhouder.
Het verwerken van op Franse kentekens geconstateerde verkeersovertredingen is gerealiseerd. De automatische nummerplaatherkenningssoftware en de verwerkingsketen zijn operationeel sinds 17 december 2014. Vanaf die datum worden overtredingen van de Wahv op Franse kentekens geconstateerd.
Het verwerken van op Poolse kentekens geconstateerde verkeersovertredingen bevindt zich nog in de voorbereidende fase. Ik zal uw Kamer informeren zodra de verwerking van op Poolse kentekens geconstateerde verkeersovertredingen gereed is. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 12.
Vanaf 17 december 2014 tot 9 april 2015 zijn 19.174 overtredingen van de Wahv op Franse kentekens geconstateerd. Aan deze kentekenhouders is een beschikking gezonden. Het gaat om 19.147 snelheidsovertredingen, 21 verkeerslichtovertredingen en 6 overige overtredingen. Van de 19.174 boetes zijn er 2.589 betaald. In al deze gevallen ging het om een boete voor een snelheidsovertreding. De betalingstermijn en/of de beroepstermijn is nog niet verstreken.
In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de opgelegde boetes, het betaalde aantal boetes, het huidige inningspercentage en het verwachte inningspercentage. Het betreft hier de inningspercentages na 1 jaar. De ervaring leert dat ook nadien nog betalingen binnenkomen. Voor de boetes die zijn opgelegd in 2015 is de verwachting dat de percentages verder oplopen tot tussen de 80–85%.
2012
283.262
220.009
77,7%
2013
350.236
273.407
78,1%
2014
335.035
262.025
78,2%
2015 (tot 9 april)
60.245
8.542
14,2%
80%
2012
224.998
191.035
84,9%
2013
284.773
235.816
82,8%
2014
266.610
214.473
80,4%
2015 (tot 9 april)
62.797
7.551
12,0%
85%
2012
4.789
3.032
63,3%
2013
4.419
2.866
64,9%
2014
5.541
3.766
79,1%
2015 (tot 9 april)
1.485
100
13,0%
80%
Vanaf 17 december 2014
206
71
34,5%
2015 (tot 9 april)
18.968
2.518
13,3%
80–85%
* Het verwachte inningspercentage voor Frankrijk is gebaseerd op ervaringen die zijn opgedaan met het innen van boetes van Belgen en Duitsers. De inningspercentages na vier maanden bij boetes aan Belgen en Duitsers komen overeen met de inningspercentages na vier maanden bij Fransen.
– Totaal aantal opgelegde boetes: Het totaal aantal boetes (dat door middel van digitale handhavingsmiddelen is geconstateerd) dat voor kentekenhouders uit het desbetreffende land in het desbetreffende jaar is opgelegd.
– Betaald: Het aantal boetes waarvoor in het desbetreffende jaar het volledige bedrag is ontvangen.
– Huidig inningspercentage: Het betaalde aantal boetes na 1 jaar t.o.v. het totaal aantal opgelegde boetes in een jaar.
Kunt u aangeven hoeveel verkeersovertredingen geconstateerd zijn op grond van de Wet Mulder in 2013 ten aanzien van Duitse, Belgische en in 2012 en 2013 ten aanzien van Zwitserse kentekenhouders? Kunt u tevens weergeven hoeveel van de betreffende boetes ook daadwerkelijk geïnd zijn door de Nederlandse Staat?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of uw voornemen, om in 2014 de aanpassingen te doen voor het verwerken van de overtredingen van Franse kentekenhouders in Nederland in de systemen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), Nationale Politie, Openbaar Ministerie (OM) en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), inmiddels gerealiseerd is?2
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van uw voornemen in 2015 de aanpassingen te doen voor het verwerken van de overtredingen van Poolse kentekenhouders in Nederland in de systemen van RDW, Nationale Politie, OM en CJIB, te realiseren? Wanneer informeert u de Kamer over het uiteindelijke resultaat van deze doelstelling?3
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoe vaak in 2013 en 2014 een verkeersovertreding, begaan door een kentekenhouder uit Polen en Frankrijk, is geconstateerd? Kunt u hierbij een onderverdeling maken per verkeersovertreding en tevens aangeven in hoeveel gevallen de betreffende boetes ook daadwerkelijk zijn geïncasseerd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoe vaak in 2013 en 2014 een verkeersovertredingen zijn geconstateerd, begaan door kentekenhouders uit andere landen dan de in de vorige vragen genoemde landen? Kunt u hierbij een onderscheid maken per verschillende typen verkeersovertreding en tevens aangeven in hoeveel gevallen daadwerkelijk de betreffende boetes zijn geïncasseerd?
De nummerplaatherkenningssoftware van de digitale handhavingsmiddelen herkent het herkomstland van een kenteken aan de hand van de combinatie van cijfers, letters, andere symbolen en lettertype op het kenteken. De landcode op het kenteken is namelijk niet leesbaar voor de camera’s. Op dit moment is zoals gezegd de automatische nummerplaatherkenningssoftware uitsluitend ingesteld voor kentekens uit Nederland, Duitsland, België, Zwitserland en Frankrijk. Ik beschik daardoor niet over cijfers van het aantal en type geflitste overtredingen met kentekens uitgesplitst naar andere dan deze vijf landen.
De foto’s van overtredingen door voertuigen met niet-herkende kentekens komen, ongeacht het land, in een zogeheten «bak» terecht. Deze foto’s worden vervolgens handmatig bekeken. De foto’s met kentekens uit Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland worden vervolgens handmatig beoordeeld en – indien herkend – ingevoerd in de systemen voor verdere verwerking. De reden dat foto’s van kentekens uit andere landen niet handmatig worden beoordeeld is gelegen in het feit dat de huidige processen en systemen nog niet zijn aangepast om deze kentekens te kunnen verwerken.
Kunt u aangeven hoeveel verkeersovertredingen in 2013 en in 2014 in totaal via een flitser geconstateerd zijn en hoeveel daarvan via nummerplaatherkenning geleid hebben tot het opleggen van een boete en hoeveel van die overtredingen niet hebben geleid tot het opleggen van een boete omdat de nummerplaten niet herkenbaar waren?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u, indien de cijfers uit de vorige vragen wederom nog niet beschikbaar zijn4, alle relevant beschikbare en geactualiseerde schattingen, ramingen en andere informatie verstrekken met betrekking tot genoemde overtredingen met voertuigen voorzien van buitenlandse kentekens?
Ik verwijs naar het antwoord op de schriftelijke vraag 2 van de leden De Rouwe en Oskam van uw Kamer (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013–2014, Aanhangsel Handelingen, nr. 2140).
Kunt u de vervolgprocedure beschrijven ten aanzien van een door een (Nederlandse) flitser geconstateerde overtreding waarbij de nummerplaat niet (volledig) herkenbaar is, daarbij een onderscheid makend tussen (vermoedelijk) Nederlandse kentekenhouders en buitenlandse kentekenhouders?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u in een tijdspad weergeven wat de geplande fasering is om overige buitenlandse kentekenhouders in de genoemde Nederlandse systemen te kunnen verwerken, teneinde ook daadwerkelijk boetes te kunnen innen?
De implementatie van de verwerking van overtredingen die zijn gepleegd met voertuigen met kentekens uit andere landen dan Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland wordt voorbereid door het Openbaar Ministerie, de politie, de RDW, het CJIB en mijn departement. Deze voorbereidingen bestaan uit het aanpassen van de nummerplaatherkenningssoftware van de digitale handhavingsmiddelen, het geautomatiseerd verwerken van naam- en adresgegevens uit andere landen (andere opmaak van adressen, andere diakritische tekens) en het geautomatiseerd opstellen van beschikkingen in de taal van de kentekenhouder. Het gaat daarbij tevens om aanpassingen van alle processen die volgen uit een geautomatiseerde verwerkingsketen zoals de helpdeskfuncties, de beroepen en verzetten en de mondelinge en schriftelijke communicatie in vervolgcorrespondentie.
Momenteel wordt de implementatie van de Poolse kentekens voorbereid. Op dit moment wordt in kaart gebracht door de partners in de handhaving- en executieketen welke implementatiedatum reëel is ten aanzien van de Poolse kentekens. Tevens wordt het huidige beleid over de schriftelijke en mondelinge communicatie met buitenlandse overtreders heroverwogen.
Ik zal uw Kamer informeren zodra de verwerking van op Poolse kentekens geconstateerde verkeersovertredingen gereed is.
Betekent het dat, zolang deze aanpassingen niet zijn gedaan, boetes begaan door de betreffende buitenlandse kentekenhouders in Nederland, niet geïnd worden door de Nederlandse overheid?
Boetes worden nog niet opgelegd indien sprake is van een geflitst voertuig met een kenteken dat afkomstig is uit andere landen dan Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland.
Aan personen die wonen in andere dan deze vijf landen kan nu al wel een beschikking voor een verkeersovertreding worden opgelegd als sprake is van staandehouding door de politie op grond van de Wahv.
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, hoe beoordeelt u deze situatie in relatie tot de geloofwaardigheid van snelheidsbeperkingen op Nederlandse wegen, alsmede overige verkeersnormen zoals die in Nederland gesteld zijn? Nog belangrijker: wat zijn mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid in Nederland?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 12 is er een veelvoud aan aanpassingswerkzaamheden verbonden aan het verwerken van op kentekens geconstateerde overtredingen uit andere landen dan Nederland. Deze aanpassingen dienen zorgvuldig te worden voorbereid. Het beleid is erop gericht op een zo kort mogelijke termijn en op een juridisch houdbare wijze de richtlijn te implementeren. Zoals aangegeven in antwoord op eerdere schriftelijke vragen, is gekozen om als eerste Franse en Poolse kentekens te implementeren, omdat met voertuigen met deze kentekens naar verwachting de meeste overtredingen worden begaan, na voertuigen met Belgische en Duitse kentekens (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013–2014, Aanhangsel Handelingen, nr. 2140 en vergaderjaar 2013–2014, Aanhangsel Handelingen, nr. 2702)
Hoe beoordeelt u de thans zichtbare ongelijkheid in de implementatie van de genoemde richtlijn, doordat Nederlanders wél beboet worden in EU-lidstaten maar een groot aantal buitenlandse kentekenhouders ongestraft verkeersovertredingen in Nederland kan begaan?
Het uiteindelijke doel van de richtlijn is dat lidstaten overgaan tot het beboeten van buitenlandse kentekenhouders die een aantal specifieke verkeersovertredingen begaan. Zoals toegelicht in mijn antwoord op vragen 12 en 14 werkt Nederland stapsgewijs aan het mogelijk maken van het beboeten van buitenlandse kentekenhouders en vergt dat een zorgvuldige aanpak en tijd.
Indien een buitenlandse kentekenhouder geflitst wordt en er worden geen data met het betreffende land uitgewisseld, wordt er dan wel (door het CJIB en/of Nationale Politie) gekeken in de Nederlandse administraties, waar de auto geregistreerd kan staan, zoals in die van de RDW (in verband met tijdelijke registratie van deze voertuigen in Nederland) of gemeentes (in verband met parkeervergunningen van deze voertuigen)?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt dat u op 23 september 2013 een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob-verzoek) van RTL ontvangen heeft over inzage van verkeersovertredingen begaan door buitenlandse kentekenhouders?
Ja.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de afhandeling van dit Wob-verzoek (geweest)? Klopt het dat RTL nog steeds niet de data heeft ontvangen waar zij om hebben gevraagd en waar ligt dat volgens u aan?5
De verzochte informatie over de periode van 1 januari 2009 tot aan de datum van de indiening van het Wob-verzoek is gedeeltelijk openbaar gemaakt. Het daarop betrekking hebbende besluit op bezwaar van 16 april 2014 is gepubliceerd (http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/wob-verzoeken/2014/04/16/besluit-op-bezwaar-wob-verzoek-verkeersovertredingen-voertuigen-met-buitenlandse-kentekens.html) en http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/wob-verzoeken/2014/04/16/bijlagen-bij-besluit-op-bezwaar-wob-verzoek-verkeersovertredingen-voertuigen-met-buitenlandse-kentekens.html)
RTL heeft geen data-overzichten ontvangen, omdat er zich geen overzichten of andere documenten binnen mijn ministerie bevonden waarin dergelijke data zijn opgenomen. Evenmin waren dergelijke data-overzichten digitaal beschikbaar te maken voor RTL, omdat Nederland niet beschikt over software die het land van herkomst kan herkennen en de gevraagde data kan genereren. Ik verwijs ook naar de beantwoording van de 8, 9, 11, en 16.
Op welke wijze heeft u gevolg gegeven aan de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 16 oktober 2014 (r.o. 8: «De rechtbank zal verweerder daarom opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak)?6
In deze rechtbankprocedure verzocht RTL niet alleen om data-overzichten, maar ook om onderliggende brongegevens, namelijk de foto’s in de in mijn antwoord op vragen 8, 9, 11 en 16 genoemde bak. Volgens de rechtbank hadden de foto’s uit deze bak ook moeten worden betrokken bij de behandeling van het Wob-verzoek. Omdat de bak zich bevindt bij de nationale politie heeft mijn ambtsvoorganger ter uitvoering van de uitspraak het Wob-verzoek, voor zover dat verzoek zag op de foto’s in de «bak», ter behandeling doorgezonden naar de korpschef van de nationale politie.
Kunt u schetsen wat de verantwoordelijkheden van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Nationale Politie zijn volgens deze uitspraak ten aanzien van de informatievoorziening waar RTL om heeft gevraagd?
De rechtbank heeft zich niet uitgelaten over deze verantwoordelijkheden. De rechtbank heeft uitsluitend geoordeeld dat de foto’s uit de «bak» documenten zijn die onder het Wob-verzoek vallen en dat deze foto’s hadden moeten worden betrokken bij de behandeling van het Wob-verzoek. Elk bestuursorgaan is wettelijk verplicht tot doorzending van een Wob-verzoek wanneer dat verzoek betrekking heeft op documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan. Dat is dan ook gebeurd.
Welke conclusies werden getrokken in het «Rapport Bevindingen van Werkgroep Implementatie CBE-richtlijn en Verdrag met België» en welke daarvan zijn inmiddels geïmplementeerd, op welke wijze en onder verantwoordelijkheid van welke instantie?
Het document had als doel om de uitvoeringsdiensten in de handhavings- en executieketen (de politie, het OM, de RDW en het CJIB) te helpen bij de ontwikkeling van hun eerste uitvoeringstoetsen. Hiertoe is in het document het toen bestaande ketenproces in kaart gebracht en is geïnventariseerd welke mogelijke veranderingen nodig waren in de keten. Nieuwe inzichten en ontwikkelingen werden in dit document bijgehouden. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de oplevering van een gezamenlijke uitvoeringstoets in 2014.
Heeft dit rapport nog steeds de status van een intern ambtelijk werkdocument zonder formele status en is het daarmee volgens u nog steeds niet geschikt voor publicatie?7 Indien dat inmiddels anders is, kunt u dit rapport dan naar de Kamer sturen?
Ja, dit rapport heeft nog steeds de status van een intern ambtelijk werkdocument en is daarmee niet geschikt voor publicatie.
Kunt u aangeven wat de resultaten tot nu toe zijn geweest van de zogeheten ketenregiegroep die als doel heeft om de verwerking van feit gecodeerde zaken beter, eenvoudiger, sneller en transparanter te behandelen?8
Ik ga er vanuit dat wordt gedoeld op de relatie tot de implementatie van de CBE-richtlijn. Deze ketenregiegroep heeft geen rol gehad bij de implementatie van de CBE-richtlijn. De implementatie van de CBE-richtlijn wordt begeleid door een aparte werkgroep en stuurgroep.
Wat waren de conclusies en aanbevelingen van deze groep ten aanzien van de verwerking van registratie van verkeersovertredingen door buitenlandse kentekenhouders?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u aangeven welke rapporten en memo’s de ketenregiegroep – die als doel heeft om de verwerking van feit gecodeerde zaken beter, eenvoudiger, sneller en transparanter te behandelen – geschreven heeft en kunt u de resultaten van dat werk openbaar maken?
Zie antwoord vraag 23.
Bent u nog steeds de mening toegedaan dat het innen van boetes bij buitenlandse kentekenhouders niet veel moeilijker gaat dan van boetes bij Nederlandse kentekenhouders?9
Zoals gezegd in het antwoord op de schriftelijke vraag 5 van de leden De Rouwe en Oskam van uw Kamer (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013–2014, Aanhangsel Handelingen, nr. 2140), ben ik nog steeds van mening dat de mogelijkheden om boetes op buitenlandse kentekens te innen iets beperkter zijn dan voor boetes op Nederlandse kentekens, maar dat het niet zo is dat deze inning veel moeilijker gaat.
De bereikbaarheid van reisinformatiediensten |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Opstelten (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «9292 machteloos tegen cyberaanvallen»1 en herinnert u zich de motie-Dik-Faber over het beschikbaar stellen van de brondata van reisinformatie, vervoerprestaties en tarieven als open data?2
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) geen actie heeft ondernomen na een verzoek hiertoe van 9292 in verband met de zware distributed denial of service (DDoS)-aanvallen? Is er door REISinformatiegroep B.V. aangifte gedaan van deze aanvallen?
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) richt zich bij het uitvoeren van haar taken, conform de Kamerbrief d.d. 23 december 2011, op de doelgroep van rijksoverheid en de vitale sectoren en hanteert hierbij de door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in 2009 vastgestelde lijst van vitale sectoren. Aanbieders van reisinformatie zijn geen onderdeel van de vastgestelde lijst van vitale sectoren. Ongeacht of een private partij al dan niet tot de vitale sectoren behoort, betreft informatiebeveiliging een eigen verantwoordelijkheid. Ook in het geval waarbij het NCSC geen rechtstreekse ondersteuning verleent, zoals dat wel gebeurt ten behoeve van de vitale sectoren, wordt de kennis van het NCSC via de website www.ncsc.nl ontsloten. Op deze website kunnen ook aanbieders van niet vitale producten of diensten gericht handelingsperspectief vinden over de wijze waarop binnen de eigen verantwoordelijkheid de digitale weerbaarheid, waaronder tegen DDoS-aanvallen, kan worden vergroot. OV9292 heeft in haar schrijven aan de Minister van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aangegeven aangifte te hebben gedaan van deze aanvallen.
Heeft u ooit een exploitant van een reisinformatiesysteem aangewezen (conform artikel 14 van de Wet personenvervoer 2000)? Zo nee, waarom stelt 9292 dat zij hiertoe een wettelijke plicht heeft?
OV9292 heeft geen wettelijke plicht tot informatievoorziening aan de reiziger. De Staatssecretaris heeft (nog) geen gebruik gemaakt van een aanwijzing als bedoeld in artikel 14, tweede lid, Bp 2000. Omdat een landelijk dekkend systeem in werking is, ontbreekt de noodzaak daarvoor.
Deelt u de mening dat er situaties kunnen zijn waarin het wel wenselijk is dat door NCSC actieve hulp wordt verleend op het gebied van cyber security aan niet-overheidsinstanties, omdat er sprake is van vitale diensten zoals bijvoorbeeld banken, ziekenhuizen en reisinformatie? Kunt u onderbouwen waarom er in dit geval geen noodzaak is voor deze hulp?
Het NCSC verleent zowel ondersteuning aan publieke als private partijen. Daarbij dient een onderscheid gemaakt te worden naar vitale partijen, zoals bijvoorbeeld banken en andere als vitaal aangewezen sectoren, en niet vitale partijen. Voor deze partijen die niet als vitaal aan te merken vallen, is desalniettemin handelingsperspectief beschikbaar via de website www.ncsc.nl. Binnen de thans uitgevoerde herijking van de vitale sectoren wordt gekeken naar de maatschappelijke ontwrichting die ontstaat op het moment dat producten en diensten niet beschikbaar zijn. In het geval van het niet beschikbaar hebben van reisinformatie is weliswaar sprake van ongewenste overlast, het leidt echter niet tot uitval van het openbaar vervoer. Overigens laat dit onverlet dat aanbieders van reisinformatie een eigen verantwoordelijkheid kennen voor informatiebeveiliging.
Kunt u aangeven welke vervoerders momenteel hun informatie exclusief aanleveren via het Nationale Databank Openbaar Vervoer (NDOV)-loket van 9292 (uitgevoerd door REISinformatiegroep B.V.) en dus niet rechtstreeks aan het NDOV-loket van OpenGeo? Deelt u de mening dat hierdoor het NDOV-loket van OpenGeo voor de levering van data afhankelijk is gemaakt van het NDOV-loket van 9292 waardoor een enkele DDoS-aanval op REISinformatiegroep B.V. alle reisinformatiediensten – inclusief concurrenten van 9292 – kan platleggen?
Overheden en vervoerders hebben afspraken gemaakt om reisinformatie aan twee loketten (reisinformatiegroep BV en Stichting OpenGeo) te leveren. Connexxion, Arriva, GVB en EBS leveren de data rechtstreeks aan de beide loketten. De andere vervoerders laten de gegevens leveren door het servicecenter van OV9292. Een DdoS-aanval kan tot gevolg hebben dat reisinformatie in een beperktere mate aan marktpartijen geleverd wordt. Zoals ook eerder aangegeven in reactie op vragen van het lid Dik-Faber3 staat voorop dat de reizigers kunnen beschikken over goede reisinformatie. Daarom spreken de overheden hun vervoerder erop aan als data niet worden geleverd aan een loket. Het is vervolgens zaak dat vervoerders dit snel oplossen.
Bent u bereid in het Nationaal Openbaar Vervoerberaad (NOVB) afspraken te maken waardoor zo spoedig mogelijk alle vervoerders hun data rechtstreeks leveren aan beide NDOV-loketten zodat de reisinformatiediensten minder kwetsbaar zijn voor DDoS-aanvallen of andere storingen bij REISinformatiegroep B.V. omdat ze ook terecht kunnen bij het NDOV-loket van OpenGeo?
Dit onderwerp zal overeenkomstig het werkplan 2015 van het NDOV worden besproken met vervoerders, overheden en loketten.
Vanaf wanneer leveren alle vervoerders aan beide NDOV’s alle brondata van reisinformatie, vervoerprestaties en tarieven als open data zoals gevraagd in de motie-Dik-Faber?
Alle vervoerders leveren op dit moment de gevraagde reisinformatie op basis van de afspraken die in het kader van NDOV gemaakt zijn. Er is een ontwikkeling in gang gezet om de reisinformatie beschikbaar te stellen als «open data». Dit is in lijn met de wensen van de motie van het lid Dik-Faber. Om «open data» mogelijk te maken is een gezamenlijke aanpak nodig met alle vervoerders en alle overheden. Hierover vindt overleg plaats in het kader van het NDOV waar vervoerders / overheden / loketten met elkaar aan tafel zitten.
Het bericht ‘Fiasco dreigt voor Leidsche Rijn centrum’ |
|
Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de dreigende leegstand voor het aankomende winkelcentrum in Leidsche Rijn?1
Ja.
Kunt u toelichten in welke mate u de analyse van onderzoeksbureau Q&A deelt dat het winkelcentrum in Leidsche Rijn voor leegstand wordt gebouwd?
Het ruimtelijk beleid met betrekking tot detailhandel is gedecentraliseerd. Decentrale overheden zijn verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening van detailhandel. Het is aan de decentrale overheden om – in overleg met marktpartijen – detailhandelsbeleid te formuleren. Het is aan betrokken decentrale overheden en marktpartijen om te bepalen of het zinvol is om met elkaar in gesprek te gaan over de vraag of andere keuzes gemaakt moeten gaan worden over het winkelcentrum in Leidsche Rijn.
Bent u van mening dat dit winkelcentrum het zoveelste voorbeeld is van het bouwen voor leegstand en dat dit maatschappelijk zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Het is algemeen bekend dat er meerdere plaatsen zijn waarvoor retailplannen zijn gemaakt in de tijd van vóór de crisis en vóór de komst van internetwinkelen waarvoor het nodig is om opnieuw met de kennis van nu te kijken om bouwen voor toekomstige leegstand te voorkomen. Het gaat daarbij vaak om beslissingen met grote financiële consequenties. Het is aan de direct betrokkenen om deze afwegingen te maken.
Zijn er meer winkelcentra of winkellocaties die momenteel ontwikkeld worden, terwijl er onvoldoende interesse is vanuit de detailhandel voor een economisch rendabele bezettingsgraad? Kunt u dit toelichten en cijfermatig onderbouwen?
Uit het Compendium van de Leefomgeving (versie juni 2014) van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat de aanvangs- en frictieleegstand sterk is toegenomen. Die toename komt vrijwel volledig voor rekening van de aanvangsleegstand; ongeveer 20% van de nieuwe winkels in Nederland wordt onverhuurd opgeleverd.2
Op veel plaatsen in Nederland kijken marktpartijen en overheden kritisch naar hun detailhandelbeleid en projecten vanuit het besef dat mogelijk andere keuzes nodig zijn naar aanleiding van recente ontwikkelingen en vooruitzichten.
Deelt u de mening van economen van o.a. ABN AMRO dat er sprake is van een structurele overcapaciteit in de detailhandel van tegen de 30%? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Overcapaciteit laat zich lastig kwantificeren. In het algemeen worden daarom alleen de leegstandscijfers gebruikt. Uit het Compendium van de Leefomgeving blijkt dat er in Nederland een overaanbod is van winkels in de detailhandel. Gemiddeld staat bijna 9% van het winkelvloeroppervlak leeg in 2014. Dit percentage stijgt sinds 2008. Er zijn lange tijd veel vierkante meters toegevoegd en aanzienlijk minder onttrokken. De laatste jaren liggen de toevoegingen en onttrekkingen dichter bij elkaar. Zo is in 2014 1 miljoen vierkante meter winkels toegevoegd maar is tegelijkertijd ook 920.000 vierkante meter winkels onttrokken aan de voorraad. Bij de toevoegingen gaat het zowel om nieuwbouw, en dus nieuwe vestigingen, als om uitbreidingen van bestaande vestigingen. Als wordt gekeken naar het aantal panden (dus los van de omvang) dan is het zelfs zo dat er inmiddels meer winkels worden onttrokken dan toegevoegd.4
In hoeverre vindt u het nog wenselijk, met name met het oog op de groeiende winkelleegstand, dat er winkelcentra worden bijgebouwd terwijl al duidelijk is dat verdere uitbreiding van winkelvloeroppervlakte in bijna alle gevallen zal leiden tot meer leegstand? Kunt u aangeven in welke situaties u groei van winkelvloeroppervlakte nog wel acceptabel vindt en in welke gevallen niet?
Uit onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat de ruimtelijke verschillen in leegstand van winkels voor detailhandel in Nederland groot zijn. Met name buiten de Randstad zijn gebieden met veel leegstand. Oost-Groningen, Zuidwest-Overijssel, Flevoland-Midden en Zuid-Limburg hebben meer dan 11% winkelleegstand. Voor een deel komen deze gebieden overeen met de krimpregio's. Demografische veranderingen zijn in deze gebieden, naast bijvoorbeeld de opkomst van internet en conjuncturele ontwikkelingen, een belangrijke oorzaak van winkelleegstand. Als naar verschillende typen winkelgebieden wordt gekeken is er vooral veel leegstand in de centrale winkelgebieden van de kleinere en middelgrote steden.5
Vanuit een goed systeem van ruimtelijke ordening is afgesproken dat de ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd wordt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dus ook als er uitbreiding van winkeloppervlak overwogen wordt. De eerste trede van deze ladder behelst het bepalen van de toekomstige regionale ruimtevraag. Als de toekomstige regionale vraag is bepaald, moet worden gekeken in hoeverre elders in de regio al in deze vraag wordt voorzien. Hierbij wordt gekeken naar leegstaande ruimte en naar plannen waarin ruimte voor nieuwe stedelijke ontwikkeling is opgenomen. In het geval dat niet gemotiveerd kan worden dat naar de beoogde ontwikkeling in de regio vraag is, is slechts één uitkomst denkbaar: de ontwikkeling niet voortzetten, omdat deze tot een vergroting van de leegstand of overcapaciteit zal leiden.6
Het is aan decentrale partijen om te bezien of uitbreiding van winkeloppervlakte gewenst en nodig is. In algemene zin zal uitbreiding van winkelvloeroppervlak soms nodig zijn om te voorzien in een daadwerkelijke behoefte. Dat zal waarschijnlijk slechts op een beperkt aantal locaties nog het geval zijn. Daarbij zal -ook op gebiedsniveau- goed nagedacht moeten worden over de totale omvang en samenstelling van het aanbod om goed op de vraag in te kunnen blijven spelen. Dat geldt ook voor locaties waar uitbreiding van het winkelvloeroppervlak plaatsvindt om een kwaliteitsslag te maken om dynamiek in de sector te behouden en innovatie een kans te geven.
Met de dynamiek in de huidige markt is het een grote uitdaging om te werken aan winkelgebieden van de toekomst en daarbij ook leegstand aan te pakken. Daarvoor is het nodig dat decentrale overheden en markt samen keuzes maken over de toekomstige opbouw van de detailhandelsstructuur, lokaal én regionaal. Dit vergt samenwerking.
Voor het merendeel van de winkellocaties geldt dat steeds meer gemeenten samen met marktpartijen gaan nadenken over het in omvang reduceren van (kern)winkelgebieden. Er wordt daarbij gezocht naar mogelijkheden voor transformatie, herstructurering en sloop. Het Rijk ondersteunt dit via kennis7, de inzet van expertteams8 en het waar mogelijk wegnemen van barrières in wet- en regelgeving.
Op initiatief van brancheorganisatie Inretail vindt dit voorjaar een scenarioproject plaats dat het gesprek moet stimuleren over de toekomst van perifere detailhandellocaties. Dit initiatief wordt financieel mede mogelijk gemaakt door het Rijk.
Naar aanleiding van eerdere vragen heeft u een overzicht verstrekt van het beleid van provincies om leegstand te bestrijden; bent u nog steeds van mening dat gemeenten en provincies adequaat handelen om de ongewenste overcapaciteit aan winkels te voorkomen? Zo ja, hoe verklaart u dan de blijvende stroom van berichten over mislukte nieuwbouwprojecten en/of door nieuwbouw veroorzaakte of versterkte toename van leegstand van bestaande winkels?
Ik blijf bij mijn mening zoals verwoord in mijn eerdere brief aan uw Kamer9. De ontwikkelingen in de detailhandel gaan snel. Soms zo snel dat plannen aan bijstelling toe zijn, nog voordat plannen gerealiseerd zijn. Mede hierdoor heb ik de Juridische Expertpool Planschade, een initiatief van BZK en I&M met ingang van dit jaar ook opengesteld voor vragen over het voorkomen van planschade bij het schrappen van plancapaciteit of het herbestemmen van detailhandel. Dat zijn keuzes met soms grote financiële consequenties. Daarbij moet niet alleen nagedacht worden hoe om te gaan met nieuwbouwplannen, maar ook hoe om te gaan met de bestaande voorraad. Overheid en markt zijn samen bezig met de aanpak van dit vraagstuk. In de praktijk is het weerbarstige, complexe materie, waarvoor maatwerk nodig is en die tijd nodig heeft om opgelost te kunnen worden. Of daarbij voor elke case de optimale oplossing wordt gevonden met het oog op leegstand, is niet aan mij om te beoordelen. Dat oordeel ligt bij de gemeenten en provincies zelf.
Bent u bereid om binnenkort met alle betrokken stakeholders die verantwoordelijkheid dragen voor de nog steeds oplopende leegstand om de tafel te gaan en nieuwe afspraken te maken? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Economische Zaken heeft de afgelopen maanden alle bij de retail betrokken partijen bij elkaar gebracht om afspraken te maken over het aanpakken van problemen en het verzilveren van kansen, om zo bij te dragen aan het toekomstbestendig maken van de retailsector. De resultaten van dit proces zullen opgenomen worden in de Retailagenda, die dit voorjaar zal worden aangeboden aan de Minister van Economische Zaken. De hier geschetste algemene problematiek is onderdeel van dit gesprek geweest en zal onderdeel uitmaken van de Retailagenda.
Een nieuwe bijeenkomst van islamitische geweldspredikers |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw benefietgala met radicale imams»?1
Ja.
Klopt het dat onder andere de extremistische sjeik Assim al-Hakeem een visum heeft gekregen en aanwezig zal zijn op het «benefietgala»?
Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland is geen visum aangevraagd op naam van de in de aankondigingen genoemde prediker (Sheikh) Assim Al-Hakeem.
In hoeverre is bij u bekend dat sjeik Assim al-Hakeem predikt dat afvalligen en critici van Mohammed moeten worden gedood?
Het is mij bekend dat de heer al-Hakeem in diverse preken en spreekbeurten uitspraken heeft gedaan die in de Nederlandse context ontoelaatbaar zouden zijn en – als ze in Nederland in het openbaar gedaan zouden worden – in sommige gevallen tot strafrechtelijke vervolging zouden kunnen leiden.
Bent u bereid, indien sjeik Assim al-Hakeem (en eventuele andere geweldspredikers) een visum heeft gekregen, ook in dat geval te zorgen dat het visum wordt ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland is geen visum aangevraagd op naam van de in de aankondigingen genoemde prediker (Sheikh) Assim Al-Hakeem.
Mocht de fout gemaakt zijn dat de betreffende geweldsprediker reeds een visum heeft gekregen en deze niet wordt ingetrokken, bent u dan bereid bij de burgemeester aan te dringen dat hij de bijeenkomst zal verbieden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat geen enkele buitenlandse geweldsprediker meer toegang krijgt tot ons land?
In de brief van 3 maart 2015 heb ik reeds gemeld dat uit het buitenland afkomstige visumplichtige sprekers die in Nederland onverdraagzame, anti-integratieve en/of antidemocratische boodschappen willen uitdragen en daarmee de openbare orde of nationale veiligheid bedreigen, niet welkom zijn. Afwijkende gedachten en ideeën zijn op zich geen reden om iemand de toegang te weigeren. De vrijheden van godsdienst, meningsuiting en vereniging zijn essentieel voor onze democratie. In onze rechtsstaat worden dergelijke vrijheden voor iedereen beschermd. Maar deze vrijheden zijn niet onbeperkt. Zij vinden hun grens als de vrijheden van anderen in het gedrang komen, als mensen aanzetten tot haat of geweld of als de veiligheid in het geding komt. Wie in Nederland aanzet tot haat of geweld, zal strafrechtelijk worden aangepakt.
Zoals in de brief gemeld wordt om nadere invulling te geven aan maatregel 20f van het Actieprogramma in het visumverleningsproces indringender gekeken naar de invulling van het openbare orde en nationale veiligheidsaspect. Hiertoe worden door de betrokken ketenpartners allereerst de behandel(risico) profielen aangevuld met extra criteria en een alerteringslijst van sprekers en/of referenten die extra aandacht vragen in de beoordeling. Het behandelprofiel wordt inhoudelijk opgebouwd met informatie van de voor openbare orde en veiligheid verantwoordelijke instanties en aangevuld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in samenwerking met de IND. De alerteringslijst wordt opgesteld en bijgehouden door de NCTV. Deze behandel(risico) profielen (inclusief alerteringslijst) worden bij het binnenkomen van een visumaanvraag gebruikt om de aanvragen waar eventueel een verhoogd risico speelt te signaleren bij bovengenoemde ketenpartners. Voor de beslismedewerkers die werkzaam zijn bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland zal in het verlengde hiervan een training ter beschikking worden gesteld.
Deelt u de visie dat ook organisaties die geweldspredikers (blijven) uitnodigen aangepakt dienen te worden? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Vrijheid van meningsuiting is de essentie van democratie. In onze rechtsstaat worden dergelijke vrijheden voor iedereen beschermd. Het organiseren van een evenement zoals in Utrecht, dat volgens de organisatie bedoeld was om geld in te zamelen voor liefdadigheidsactiviteiten, is niet verboden. Echter, de vrijheid van meningsuiting is zoals gesteld in antwoord op vraag 6 niet onbeperkt. Deze wordt begrensd als de vrijheden van anderen in het geding komen, als mensen haat of geweld prediken of als de veiligheid in het geding komt. Wat betreft eventuele maatregelen tegen organisaties geldt, dat als zou blijken dat tijdens een evenement sprake is geweest van het aanzetten tot haat zoals vastgelegd in artikel 137d Wetboek van Strafrecht, het Openbaar Ministerie kan beoordelen of alleen degene die aanzette tot haat moet worden vervolgd, of ook degene die hem eventueel bij de strafbare uitingen heeft geholpen.
De zorgen over de kwaliteitsontwikkeling van de forensische geneeskunde |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de brief van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen met als onderwerp «Kwaliteitsontwikkeling Forensische Geneeskunde»?1
Ik heb kennisgenomen van de brief en de daarin door het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) verwoorde zorg over de kwaliteit van het forensisch onderzoek en de opleiding voor forensische artsen. Het NRGD geeft hiermee invulling aan zijn missie om de kwaliteit van forensisch onderzoek in Nederland te bevorderen en te waarborgen. Concreet wordt aandacht gevraagd voor enkele bevindingen uit het rapport «De forensische geneeskunde ontleed», dat de Gezondheidsraad op 26 april 2013 heeft uitgebracht. Het kabinet heeft eerder uitvoerig gereageerd op dit rapport, naar welke reactie ik graag verwijs.2 Voor een nadere reactie op specifieke onderdelen verwijs ik naar mijn antwoorden op de hierna volgende vragen.
Deelt u de mening dat een forensisch arts een cruciale rol speelt in de opsporing en dat eenmaal gemaakte fouten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een niet natuurlijke dood, letselbeschrijving bij kinderen en zedenonderzoek, niet of nauwelijks kunnen worden hersteld? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Hoe wordt de kwaliteit gewaarborgd?
Het belang van forensisch onderzoek voor de opsporing staat buiten kijf, evenals het belang van een goede kwaliteit van forensische artsen en het zo veel mogelijk voorkomen van fouten. Het bepalen van de eisen waaraan een forensische arts gezien de stand van de wetenschap moet voldoen is bij uitstek een taak voor de beroepsgroep van forensische artsen. Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) en de landelijke artsenfederatie KNMG geven concreet invulling aan deze verantwoordelijkheid door onder andere een register van forensische artsen te onderhouden. Dit betreft artsen die minimaal de 1-jarige basisopleiding forensische geneeskunde hebben gevolgd en daardoor door de beroepsvereniging competent worden geacht om zelfstandig te werken als forensisch arts en correct een doodsoorzaak vast te stellen. Dit register is vanaf 1 januari 2013 een volwaardig register van artsen in de forensische geneeskunde, als genoemd in de Wet op de lijkbezorging. Met dit register is de kwaliteit van de forensisch arts geborgd volgens de normen van de beroepsvereniging.
Waarom is er voor gekozen in de lopende aanbesteding «Medische arrestantenzorg en medisch forensisch onderzoek» te stellen dat een opleiding van vier modules van bij elkaar twintig dagen voldoende is, terwijl de Gezondheidsraad duidelijk heeft uitgesproken dat de opleiding van forensisch artsen voor wat betreft hun rol in de opsporing (lijkschouw, slachtoffer- en verdachtenonderzoek) ontoereikend is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de aanbesteding is onder andere als eis gesteld dat de forensische artsen zijn geregistreerd als forensisch arts bij de KNMG en/of FMG. Hiermee is aangesloten bij de eisen die de beroepsgroep van forensische artsen zelf stelt. Dat is de normale manier van werken en er was dan ook geen aanleiding om het NRGD voorafgaand aan deze specifieke aanbesteding om advies te vragen. Om dezelfde reden zie ik geen aanleiding om deze aanbesteding te wijzigen of stop te zetten. Het door de NRGD gegeven advies waarnaar vraag 1 verwijst kan wel behulpzaam zijn bij het nadenken over de kwaliteit van forensische artsen op de langere termijn. Zie hierover verder het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat het waarborgen van de kwaliteit van forensische expertise bij uitstek een overheidstaak is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan het dan dat er sprake is van een openbare aanbesteding zonder adequate kwaliteitswaarborging door de overheid?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen niet om advies gevraagd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de opsporingsgerelateerde aspecten van het aanbestedingscontract (lijkschouwing, slachtofferonderzoek en verdachtenonderzoek zeden- en geweldsdelicten) alsnog uit de aanbesteding te halen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op het voorstel van het College gerechtelijk deskundigen een commissie in te stellen die als vervolg op het kritische rapport van de Gezondheidsraad de opdracht krijgt na te gaan op welke wijze de kwaliteit van het forensisch onderzoek door artsen in de toekomst gewaarborgd is?
Zoals ik in antwoord op vragen 2 en 4 uiteen heb gezet is de kwaliteit van forensische artsen in eerste plaats een verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf. Dat geldt dus ook voor de vraag of er aanleiding is om de bestaande eisen aan te scherpen en eventueel daartoe een commissie in te stellen. Het FMG is op diverse manieren bezig met de verdere ontwikkeling van het vakgebied en werkt in dat kader ook samen met het NRGD.
Het bericht “NS wil af van winkelvastgoed” |
|
Aukje de Vries (VVD), Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «NS wil af van winkelvastgoed»?1 Wat vindt u van de inhoud van het bericht?
Ja. Wij staan positief tegenover de geschetste ontwikkelingen in het artikel. Zie bij vraag 2 een nadere toelichting.
In hoeverre was de aandeelhouder op de hoogte van de in het artikel geschetste ontwikkelingen en plannen met betrekking tot vastgoed en activiteiten? Wat vindt de aandeelhouder van de geschetste ontwikkelingen en plannen? In hoeverre was de Staatssecretaris op de hoogte van de in het artikel geschetste ontwikkelingen en plannen met betrekking tot vastgoed en activiteiten? Wat vindt de Staatssecretaris van de geschetste ontwikkelingen en plannen?
De kop van het FD artikel waar naar wordt verwezen is inmiddels aangepast van «NS wil af van winkelvastgoed» naar «NS wil delen vastgoed afstoten». De eerste kop sloot niet aan bij de door NS geschetste ontwikkelingen in het artikel.
De aandeelhouder was ervan op de hoogte dat NS onderdelen van haar vastgoed afstoot en wil afstoten. De Staatssecretaris was in algemene zin op de hoogte dat NS nadenkt over de strategie voor stations(omgevingen) in de toekomst en dat NS er aan denkt om meer te focussen op de kernactiviteit, de reiziger. Het is met name aan de aandeelhouder om te beoordelen of de strategie van het gehele NS-concern in lijn is met de publieke belangen van het spoor.
Wij staan positief tegenover de geschetste ontwikkelingen in het artikel omdat de geschetste plannen van NS in lijn zijn met de opgaven en ambities uit de Lange Termijn Spooragenda (LTSA 2). Bijvoorbeeld de opgave dat stations functionele en uitnodigende verblijfplaatsen moeten zijn. Wel vindt de aandeelhouder het van belang dat het uitbesteden of afstoten geleidelijk en daardoor zonder waardeverlies gebeurt. Bij vraag 3, 5 en 8 zullen wij hier uitgebreider op in gaan.
Welke deel van het vastgoed en welk deel van de activiteiten wil de NS afstoten? In welk tempo gaat dit gebeuren?
We hebben NS Stations gevraagd om de geschetste ontwikkelingen in het artikel verder toe te lichten. De afgelopen jaren is NS Stations zich steeds meer op het station en de directe stationsomgeving gaan richten, omdat zij het als haar rol ziet om stations en stationsgebieden te optimaliseren ter ondersteuning van het openbaar vervoer in Nederland. NS heeft vastgoed buiten stations(omgevingen) waarvan NS zich afvraagt hoezeer dit bijdraagt aan de strategische focus en het reizigersbelang. De ontwikkeling om niet-strategische onderdelen te verkopen is een aantal jaren geleden in gang gezet en wordt de komende jaren voortgezet. Zo worden bijvoorbeeld gronden buiten de stationsomgeving stap voor stap verkocht. Het tempo waarin dit gebeurt is afhankelijk van de marktsituatie. Op deze manier worden maximale opbrengsten gecreëerd.
Voor wat betreft de retailactiviteiten geldt dat het retailbedrijf van NS Stations zelf retail is gaan ontwikkelen om in te kunnen spelen op de wensen van de reiziger. Dit omdat er 10 jaar geleden geen marktpartij voor was. Hierin is de afgelopen jaren verandering gekomen. NS Stations laat dit nu steeds meer aan andere partijen over. Marktpartijen voeren op dit moment al 60% van de retailactiviteiten uit. Deze ontwikkeling wordt de komende jaren stap voor stap voortgezet.
ProRail en NS Stations willen een regiefunctie behouden omdat de reizigerstevredenheid bepaald wordt door de balans tussen transfer en commerciële functies en om de synergievoordelen tussen stations en het reisproduct te behouden. Voor een reiziger zijn een gemakkelijke en snelle overstap en keuzes in het aanbod van retail van belang. Dat betekent bijvoorbeeld kaartverkoopautomaten op logische plaatsen, snelle loopstromen richting de treinen en bussen, duidelijk bewegwijzering in het gehele station en verschillende retailformules met een divers aanbod.
NS Stations wil een gedeelte van de retail zelf blijven doen omdat dit voordelen kan opleveren voor de reiziger. Dit geldt bijvoorbeeld voor de kiosk op kleinere stations, waar meer dan de helft van de werkzaamheden van het personeel bestaat uit het beantwoorden van reizigersvragen. Ook zijn combinaties denkbaar van publieke en private functies die niet zonder meer uit te besteden zijn. Op bepaalde stations kunnen als gevolg van het kleinere aantal in- en uitstappers niet altijd commerciële functies gerealiseerd worden terwijl dit bijvoorbeeld in het kader van sociale veiligheid bijdraagt aan de reizigerstevredenheid. Daarom onderzoekt NS Stations naar combinaties tussen onder andere beheer, retail en verblijven. Zo worden op dit moment proeven gedaan met betrekking tot gastheerschap op kleinere stations.
In het artikel wordt genoemd dat NS van stations in Nederland economische broedplaatsen wil maken. Dit is vanuit de gedachte dat stations steeds meer een bestemming in de stad worden waar wonen, werken en recreëren mogelijk is. Daar komt bij dat de steden groter worden en het economisch belang van deze steden toeneemt. Stations bevinden zich vaak in de stadskern en zijn onlosmakelijk met deze kern verbonden. Het stationsgebied als economische broedplaats dient gelezen te worden als een streven naar levendige en uitnodigende stationsgebieden die het leven van de reiziger gemakkelijker maken, die goede verbindingen met de stad vormen en de concurrentiekracht van de omgeving versterken. NS Stations wil daaraan bijdragen met kennis en ervaring met het exploiteren van stations en met kennis over bouwen en ontwikkelen in stationsgebieden.
Wat betekent dat NS van de stations in Nederland economische broedplaatsen wil maken?
Zie antwoord vraag 3.
Wat wordt bedoeld als de NS zegt «minder zelf te willen doen», «meer aan de markt overlaten» en «regisseur willen blijven»?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van stationsknooppunten voor wat betreft de commerciële invulling en exploitatie heel goed aan de markt kan worden overgelaten? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ecorys heeft in het onderzoek naar de posities van partijen op stations het model «Commercieel stationsbedrijf» onderzocht, waarbij de rol van NS Stations volledig door een private partij wordt overgenomen. In het onderzoek is ook een variant op dit model meegenomen waarbij het eigendom in handen blijft van NS maar alle commerciële rechten worden over gedragen aan een commerciële partij.
Voor beide modellen constateert Ecorys dat een commerciële exploitant sterker zal inzetten op de benutting van de commerciële mogelijkheden en hiermee de LTSA-doelen deels onder druk komen te staan. Met name op kleine, minder drukke stations kan het aanbod van onrendabele activiteiten (wachtruimtes, toiletten, de kiosk op kleinere stations) verschralen. Voor het bereiken van publieke belangen biedt het voordelen om de stations in eigendom van NS en ProRail te houden.
Wij herkennen de potentiële nadelen die Ecorys schetst en hebben daarom niet voor dit model gekozen. NS Stations en ProRail moeten er voor zorgen dat het belang van de reiziger gediend blijft. NS Stations hoeft hiervoor niet alles zelf te doen. Wij vinden het een goede ontwikkeling dat NS Stations meer een regierol gaat spelen op het station.
Klopt het dat NS als staatsbedrijf na McDonald’s en Van der Valk (qua omzet) het grootste horecabedrijf van Nederland is?
Wij hebben geen inzicht in de omzetcijfers van Van der Valk, Mc Donalds en andere Nederlandse horecabedrijven en kunnen niet beoordelen of dit klopt.
Deelt u de mening dat NS zich moet concentreren op het rijden van treinen in plaats van broodjes smeren en hamburgers bakken? Zo nee, waarom niet?
De ambitie om de deur-tot-deur reis te verbeteren heeft een belangrijke plaats in de LTSA gekregen omdat de aantrekkelijkheid van het vervoer niet alleen afhankelijk is van de treinreis. Stations bepalen voor 25% de tevredenheid van reizigers over de deur-tot-deur reis. Stations moeten daarom toegankelijke, comfortabele en veilige knooppunten zijn. Wij zijn dus van mening dat NS zich ook op de stations moet concentreren. Dit kan echter ook vanuit een regierol. NS hoeft niet bij alle activiteiten op stations zelf exploitant te zijn en kan marktpartijen meer de ruimte geven.
Hoe is het bericht in het Financieele Dagblad te rijmen met de inhoud van de brief van 21 januari 2015 van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer over de positie van partijen op stations?2
Onze inzet blijft om nu niet over te gaan tot een wijziging van de positie van partijen op stations. De nadere uitleg hiervan staat in de brief van 21 januari 2015.
Welke gevolgen hebben de plannen voor de NS vanuit de rol als aandeelhouder en vanuit de concessiehouder bekeken? Graag een toelichting, met name ook op de punten die genoemd worden in de brief van 21 januari 2015, zoals de financiële gevolgen, de financieringskosten, rendement, etc., maar ook de opbrengsten van het af te stoten vastgoed en onderdelen.
Vanuit de rol als aandeelhouder leidt uitbesteden of afstoten van niet-strategische activiteiten er toe dat NS uiteindelijk minder kapitaalintensief zal worden. Omdat dit stap voor stap gebeurt zal dit geleidelijk zichtbaar worden op de balans van NS.
Vanuit de rol als concessieverlener van NS heeft het uitbesteden of afstoten van niet-strategische activiteiten geen gevolgen. De vervoerconcessie regelt niet het eigendom en de rechten op stations maar stelt wel kwaliteitseisen aan stations, bijvoorbeeld voor de reinheid van stations en sociale veiligheid. NS blijft verantwoordelijk voor het behalen van deze kwaliteitseisen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg Staatsdeelnemingen dat is gepland op op 19 maart 2015?
Ja.
De vervanging van de Borgbrug in Groningen |
|
Betty de Boer (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Tractor moet op de ring»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom het zo lang heeft geduurd dan wel zo lang moet duren voordat mensen weer van de Borgbrug gebruik kunnen maken?
Bij de aanvaring op 5 november is de Borgbrug fors beschadigd. Het dek van de brug was naar boven geduwd en opzij geschoven. Er was sprake van een ernstige beschadiging van het dek en de draaipunten. De brug bleek niet meer te gebruiken door de vaarweggebruiker noch door de weggebruiker. Rijkswaterstaat heeft de situatie eerst veilig gesteld, waarna een onderzoek naar de schade en herstelmogelijkheden is gestart.
Er is onderzocht of de brug hersteld kon worden of toch volledig vervangen moest worden. De huidige brugklep kan worden hersteld. Hiervoor is inmiddels een aannemer gecontracteerd. De levertijden op sommige benodigde onderdelen en materialen, zoals het vereiste soort staal, zijn lang. Rijkswaterstaat verwacht de brug op medio juli weer in gebruik te kunnen nemen.
Heeft u ook geïnformeerd bij de vorige eigenaar van de brug, te weten de provincie Groningen, hoe de problemen met de Borgbrug het beste zouden kunnen worden opgelost? Heeft de provincie Groningen ook suggesties gedaan voor herstel? Zo nee, waarom niet?
Rijkswaterstaat heeft over het herstel van de Borgbrug contact onderhouden met de provincie Groningen, beheerder tot 2014, en gebruik gemaakt van hun expertise. De provincie heeft hun beeld van het herstel van de Borgbrug met Rijkswaterstaat gedeeld. Rijkswaterstaat maakt inmiddels gebruik van een aannemer waar de provincie ook mee samenwerkt.
Deelt u de mening dat herstel van de brug in juli van dit jaar rijkelijk laat is en voor veel overlast voor omwonenden en ondernemers zorgt? Zo nee, waarom niet?
We realiseren ons dat er sprake is van overlast voor de omwonenden en ondernemers en we streven ernaar hinder zoveel mogelijk te beperken.
Het zorgvuldige herstel en het in gebruik nemen van de brug kost echter tijd. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid om te bezien of herstel van de brug sneller mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
In het onderzoek is bekeken hoe snel de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Het resultaat is, gezien de eerder aangegeven omstandigheden, dat ingebruikname medio juli reëel is.
Bent u bereid om te kijken naar betere alternatieven voor gebruik van de Borgbrug, zoals het tijdelijk gebruik van de ringweg door tractoren gedurende de herstelwerkzaamheden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Rijkswaterstaat heeft direct na het incident de gemeente en provincie geïnformeerd om alternatieve routes in te stellen.
Voor de schoolgaande kinderen, die aan beide kanten van het kanaal naar de basisschool moeten, is door Rijkswaterstaat onmiddellijk na het incident en in overleg met de betrokken partijen vervoer met busjes geregeld.
Rijkswaterstaat zoekt met de politie, gemeente, provincie Groningen en Groningen Bereikbaar naar veilige en verantwoorde alternatieven. Hierbij is ook de agrarische branche (LTO Noord en Cumula) betrokken.
Is het u bekend dat er al fietsers op de Driebondsweg lastig zijn gevallen en bent u bereid om in overleg met betrokkenen te kijken naar verbeteringen ten aanzien van de veiligheid op deze route en in het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet?
Mij is bekend dat er klachten zijn geweest over onveiligheid. Na overleg heeft de politie de betreffende locaties bij de Driebondsweg en -brug aangemerkt als aandachtslocaties waar frequent wordt gesurveilleerd. Daarnaast hebben ze een zogenaamd flexteam/overlastteam ter beschikking, dat snel ter plekke kan zijn. De politie roept bewoners op om bij hen melding te doen van incidenten in plaats van via de wijkvereniging. Verder is de gemeente geïnformeerd over aandachtspunten als betere verlichting, verwijderen van begroeiing e.d.
De gaswinningsplannen op en rond Terschelling |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Jan Vos (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Tulip Oil naar aardgas wil gaan boren op en rond Terschelling?1
Ja.
Klopt het dat er grote hoeveelheden CO2 zullen vrijkomen in het begin van het project omdat ze nog niet teruggepompt kunnen worden? Zo ja, kunt u een indicatie van de hoeveelheid en de mogelijkheid om hier iets aan te doen?
Het gas in het voorkomen Terschelling-Noord bestaat voor circa 14% uit CO2.
Dit geldt niet alleen in het begin van het project, maar gedurende de gehele winningsperiode. De hoeveelheid CO2 hangt samen met de hoeveelheid gas die gewonnen kan worden; deze wordt op basis van de winningsvergunningaanvraag van Tulip Oil thans geverifieerd door mijn adviseurs TNO en Energiebeheer Nederland. Ik wacht eerst deze adviezen af, alvorens ik kan ingaan op concrete hoeveelheden gas (of CO2).
Of het meegeproduceerde CO2 kan worden teruggepompt in de ondergrond, is op dit moment ook nog onduidelijk. Na verlening van de winningsvergunning zullen in de milieueffectrapportage meerdere varianten worden onderzocht voor de ontwikkeling van het veld, inclusief de gasbehandeling en de eindbestemming van het afgescheiden CO2. Dan zal ook worden beoordeeld of het CO2 aanvullende risico’s met zich meebrengt en welke maatregelen genomen zullen worden om die eventuele risico’s te beperken.
Welke risico’s brengt het terugpompen van CO2 met zich mee, zowel op milieuvlak als op veiligheidsgebied?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of er risico’s zijn voor de zoetwatervoorraad die Terschelling herbergt? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Na verlening van de winningsvergunning zullen in het MER-traject meerdere varianten worden onderzocht. Daarbij zal er ook nadrukkelijk aandacht zijn voor een eventueel effect van de gaswinning op de zoetwatervoorraad van Terschelling. Er zal worden beoordeeld of de gaswinning risico’s met zich meebrengt voor deze zoetwatervoorraad, en zo ja, welke maatregelen genomen kunnen worden om die risico’s te beperken. Ook eventuele bij de winning gebruikte stoffen die schadelijk zijn voor het milieu, zullen in dit MER-traject – ook in relatie tot de eerdergenoemde zoetwatervoorraad – worden beoordeeld.
Wordt er bij de mogelijke winning gebruikt gemaakt van stoffen die schadelijk zijn voor het milieu? Zo ja welke en hebben deze ook risico’s voor de zoetwatervoorraad?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt bij projecten zoals deze het nationale belang van gaswinning afgewogen tegen bescherming van bijzondere natuur en zoetwatervoorraden?
In de milieueffectrapportage die onderdeel uitmaakt van de besluitvormingsprocedure voor deze gaswinningsprojecten, wordt beoordeeld of de effecten van het gaswinningsproject verenigbaar zijn met onder andere de te beschermen natuurwaarden en de zoetwatervoorraden. Diverse wetten en regels bieden hiervoor het beoordelingskader. Een gaswinningsproject vindt, eventueel onder het stellen van voorschriften en beperkingen, slechts doorgang als de hiervoor noodzakelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden. Mocht Tulip Oil de aangevraagde winningsvergunning verkrijgen, dan dient daarna nog besluitvorming plaats te vinden over alle voor het project noodzakelijke besluiten (inclusief een inpassingsplan en een vergunning op basis van de
Natuurbeschermingswet 1998). Dit zal dan gebeuren onder toepassing van de rijkscoördinatieregeling. Ik vervul daarbij – naast de rol van bevoegd gezag die ik tezamen met de Minister van Infrastructuur en Milieu vervul ten aanzien van het op te stellen inpassingsplan voor de locatie-alternatieven op het eiland – de rol van coördinerend bevoegd gezag en zie er daarbij op toe dat in de besluitvorming zorgvuldig wordt omgegaan met de diverse te beschermen belangen.
Het verbeteren van de mogelijkheden voor zzp'ers om zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat slechts 36 procent van de zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid1, dat de mogelijkheid tot een vrijwillige verzekering bij het UWV (Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen) slechts bij 12 procent van de zzp'ers bekend is2, en dat in totaal slechts ruim 18.000 mensen gebruik maken van de mogelijkheid tot vrijwillig verzekeren bij het UWV?3
Ja.
Op welke wijze brengt het UWV de mogelijkheid tot een vrijwillige Ziektewet- en WIA-verzekering onder de aandacht van zzp'ers? Welke maatregelen wilt u nemen om de bekendheid van de vrijwillige verzekering te vergroten?
Het UWV heeft langs verschillende lijnen de informatievoorziening over de vrijwillige verzekering verbeterd.
Allereerst brengt het UWV de vrijwillige verzekering prominenter onder de aandacht in de gesprekken die het WERKbedrijf voert met personen die als zelfstandige starten vanuit een uitkering die zij ontvangen van het UWV, bijvoorbeeld een WW-uitkering. Voorts is de vindplaats van de vrijwillige verzekering op de internetsites van het UWV verbeterd. De verbetering van de vindbaarheid is een continu lopend proces, dat het UWV continu monitort.
Tot slot zijn er bij het KCC (klant contact centrum) van het UWV verbeteringen doorgevoerd, waardoor de medewerker, bij binnenkomende vragen die direct of indirect gerelateerd (kunnen) zijn aan de vrijwillige verzekering, een signaal krijgt om de vrijwillige verzekering onder de aandacht te brengen.
Deze verbeteringen heeft het UWV recent doorgevoerd. Daarom ben ik niet van plan om nu aanvullende maatregelen te nemen om de bekendheid van de vrijwillige verzekering verder te vergroten.
Waarom is de vrijwillige verzekering bij het UWV alleen toegankelijk voor mensen die eerder in loondienst hebben gewerkt en verplicht verzekerd waren?
De vrijwillige verzekeringen tegen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsrisico, op grond van de Ziektewet (ZW) respectievelijk de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), zijn in het leven geroepen om werknemers, die verplicht verzekerd zijn geweest, de gelegenheid te bieden hun verzekering op vrijwillige basis voort te zetten, wanneer hun verplichte verzekering (tijdelijk) eindigt. Omdat er sprake is van het voortzetten van een eerder geëindigde verzekering, wordt deze gelegenheid alleen geboden aan ex-werknemers (zoals mensen die in loondienst hebben gewerkt of die een uitkering van het UWV hebben ontvangen), die voorheen verzekerd waren.
Vrijwillige verzekering is mogelijk als de ex-werknemer als zelfstandige een onderneming start, als hij zijn werk in loondienst voor korte tijd onderbreekt (bijvoorbeeld omdat hij onbetaald verlof opneemt) of als hij in het buitenland gaat werken.
Waarom moeten zzp'ers zich aanmelden voor een vrijwillige verzekering binnen 13 weken nadat de verplichte werknemersverzekering is gestopt?
Als de ex-werknemer zijn verplichte verzekering op vrijwillige basis wil voortzetten, dan moet hij zich hiervoor aanmelden bij het UWV binnen 13 weken nadat zijn verplichte verzekering is geëindigd. Reden voor deze termijn is dat er – zoals hiervoor toegelicht – geen sprake is van een nieuwe verzekering, maar dat sprake is van voortzetting van een al bestaande verzekering.
Voorheen bedroeg de aanmeldtermijn vier weken. Omdat deze termijn destijds als te krap werd ervaren, is deze termijn in 2008 verruimd naar 13 weken. Dat is geregeld in de Wet Zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen, die per 4 juni 2008 in werking is getreden. De gedachte is dat bij een termijn van 13 weken aan potentiële deelnemers aan de vrijwillige verzekering een redelijke termijn wordt geboden om na het starten van hun onderneming een afweging te maken of zij gebruik willen maken van de mogelijkheid om hun verzekering voort te zetten.
Bij verdere verlenging van de aanmeldtermijn en bij het openstellen van deze verzekering voor personen die niet in loondienst hebben gewerkt, bestaat het risico van negatieve selectie, doordat vooral ook zzp’ers die dreigen ziek of arbeidsongeschikt te worden, zich aanmelden voor de vrijwillige verzekering.
Bij de vrijwillige ZW-verzekering kan risicoselectie leiden tot een stijging van de premie. Dit zet de toegankelijkheid van de verzekering onder druk. Bij de vrijwillige WIA-verzekering kan risicoselectie ertoe leiden dat de bijdrage door werknemers aan deze verzekering voor zelfstandigen stijgt. Bij een uitbreiding van de doelgroep en het verlengen van de aanmeldtermijn wordt bovendien het karakter van de vrijwillige verzekering aangetast. Immers, hoe langer de onderbreking, des te minder valt deze verzekering als een «voortzetting» van de verplichte verzekering te beschouwen. De regels die gelden voor de vrijwillige verzekering, waaronder de aanmeldtermijn en de doelgroep, zijn geregeld in de ZW (in de artikelen 64 en volgende, in hoofdstuk IV, van de ZW) en in de Wet WIA (in de artikelen 18 en volgende, in hoofdstuk 2, van de Wet WIA).
In het IBO (interdepartementaal beleidsonderzoek) ZZP laat het kabinet onderzoek5 doen naar de oorzaken van de opkomst van zzp’ers, de gevolgen ervan en de mogelijke beleidsopties. Daarbij wordt ook de positie van zelfstandigen binnen de sociale zekerheid en hun verzekering tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico meegenomen. Het ligt voor de hand dat daarbij verschillende relevante beleidsopties met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidsrisico aan bod zullen komen. Het kabinet zal het IBO naar verwachting voor de zomer aanbieden aan de Tweede Kamer.
In welke regelgeving zijn deze beperkingen vastgelegd?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zzp'ers die zich willen verzekeren bij UWV hiervan afzien, omdat zij de aanmeldtermijn overschrijden of niet eerder in loondienst hebben gewerkt?4
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om de aanmeldtermijn voor de vrijwillige Ziektewet- en WIA-verzekering te verlengen en om deze verzekeringen ook open te stellen voor mensen die niet in loondienst hebben gewerkt?
Zie antwoord vraag 4.
De ANBI-status van Stichting Rohamaa |
|
Farshad Bashir (SP), Sadet Karabulut (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Stichting Rohamaa1 een ANBI-status heeft gekregen? Sinds wanneer is dit het geval? Kunt u uitleggen op basis van welke criteria Stichting Rohamaa een ANBI-status heeft gekregen?
Ja. Zoals te zien is op de openbare ANBI-lijst op de website van de Belastingdienst2 heeft Stichting Rohamaa sinds 1 januari 2011 de status van algemeen nut beogende instelling (ANBI).
In algemene zin kan ik aangeven dat instellingen die de ANBI-status willen krijgen hiervoor een aanvraag moeten indienen bij het ANBI-team van de Belastingdienst in ’s-Hertogenbosch. Bij die aanvraag moet de instelling onder meer aangeven welk algemeen nuttig doel3 zij nastreeft en op welke wijze zij dat doel wil dienen. Daarnaast moet de instelling een aantal vragen beantwoorden teneinde te kunnen bepalen of de instelling voldoet aan de regelgeving voor ANBI’s.
Op basis van die informatie wordt beoordeeld of de instelling een algemeen belang beoogt en met haar werkzaamheden ook uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (voor ten minste 90%) het algemeen belang dient of zal gaan dienen.
Het is mogelijk dat reeds op basis van de gegevens die een instelling bij de aanvraag heeft verstrekt een positieve ANBI-beschikking kan worden afgegeven. In andere gevallen wordt nadere informatie bij de instelling opgevraagd alvorens een beschikking wordt afgegeven. Over de specifieke aspecten van het verlenen van de ANBI-status aan Stichting Rohomaa kan ik geen mededelingen doen op grond van de wettelijke geheimhoudingsplicht.
Waarom kan op de website van de stichting niet achterhaald worden waar het geld naar toe gaat, wie de bestuursleden zijn en welke vergoeding zij ontvangen? Zijn dit niet de voorwaarden voor een ANBI-instelling?
Een van de voorwaarden voor de ANBI-status is met ingang van 1 januari 2014 inderdaad dat de instelling verplicht is om via internet informatie met betrekking tot haar functioneren openbaar te maken.4 Het betreft naast meer algemene informatie over de ANBI, informatie over de doelstelling, de bestuurssamenstelling met de namen van de bestuurders, het beloningsbeleid, de hoofdlijnen van het actuele beleidsplan, een actueel verslag van de uitgeoefende activiteiten, de balans en de staat van baten en lasten met toelichting.
ANBI’s die (blijven) weigeren deze informatie op internet openbaar te maken verliezen de ANBI-status.
Sinds wanneer bent u ervan op de hoogte dat Stichting Rohamaa nauwe contacten onderhoudt met zeer extremistische islamitische geestelijken?
Het is mij bekend dat de stichting Rohamaa op 8 maart 2015 een liefdadigheidsgala in Rijswijk zou organiseren. Van een aantal van de beoogde predikers op dit evenement is bekend dat zij behoren tot de stroming van de politieke salafisten. Het gaat hier niet om jihadisten, maar wel om (in beperkte kring) invloedrijke geestelijken. Van sommigen van hen is bekend dat zij in contact staan met radicaal-islamitische personen of organisaties. Van Stichting Rohamaa is al langere tijd bekend dat zij predikers van diverse achtergronden uitnodigt om fondsen te werven.
Handelt de stichting volgens u in strijd met het internationaal recht? Zo ja, hoe rijmt de ANBI-status van Stichting Rohamaa met uw toezegging2 naar aanleiding van het ingediende en vervolgens ingetrokken amendement Bashir en Van Bommel3 dat bij strijdig handelen met het internationale recht doorgaans geen sprake zal zijn van algemeen nuttig handelen, en dat bij instellingen die zich daar schuldig aan maken de ANBI-status reeds worden ingetrokken?
Indien de feitelijke activiteiten van een instelling strijdig zijn met internationaal recht waardoor de instelling niet meer geheel of nagenoeg geheel het algemeen belang dient, kan de ANBI-status van een dergelijke instelling worden ingetrokken. Ik kan verder niet ingaan op dit specifieke geval in verband met de reeds genoemde wettelijke geheimhoudingsplicht.
Vindt u dat bijeenkomsten waar vrouwen en mannen gescheiden zijn, passen bij algemeen nuttig handelen en daarom belastingvoordeel rechtvaardigen? Vindt u dat deze activiteiten bijdragen aan de integratie? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo niet, waarom kan zo’n stichting een ANBI-status krijgen?
In de ANBI-regelgeving is omschreven wat als algemeen nuttig doel wordt beschouwd.7 Het begrip «algemeen nut» is neutraal vormgegeven en wordt ook blijkens de jurisprudentie neutraal getoetst. In beginsel treedt de Belastingdienst niet in de interne aangelegenheden van binnen een instelling geldende regels. De Belastingdienst heeft echter een discretionaire bevoegdheid om bijvoorbeeld indien er een wettelijke norm is geschonden de ANBI-status in te trekken.
Bent u gezien het bovenstaande bereid om de ANBI-status van Stichting Rohamaa met terugwerkende kracht in te trekken? Welke gevolgen heeft dit?
In algemene zin kan worden gezegd dat als een ANBI wordt onderzocht, de Belastingdienst daarbij kijkt welk doel een instelling feitelijk nastreeft en of de feitelijke doelstelling en de feitelijke activiteiten aan een ANBI-status in de weg staan. Als uit het onderzoek blijkt dat een instelling een niet-algemeen nuttig doel nastreeft of de andere voorwaarden van de regelgeving niet naleeft, kan de ANBI-status worden ingetrokken. Onder omstandigheden kan dat met terugwerkende kracht.
Als een instelling de ANBI-status verliest, zijn de fiscale voordelen verbonden aan de ANBI-status niet meer van toepassing. Zo zijn giften aan zo’n instelling vanaf het moment van intrekking niet meer aftrekbaar, tenzij de schenker er op het moment van de schenking op mocht vertrouwen dat de ANBI terecht op de ANBI-lijst stond.
Bent u bereid om de lijst van ANBI-instellingen nogmaals grondig na te lopen en deze op te schonen door instellingen die niet aan de voorwaarden voldoen van de lijst te schrappen?
De Belastingdienst houdt risicogericht toezicht op ANBI’s. Dit toezicht ziet op ca 65.000 instellingen. Bij het risicogerichte toezicht kunnen, naast gegevens die de Belastingdienst zelf heeft, onder andere de website van een instelling en signalen of aanwijzingen die de Belastingdienst bereiken aanleiding vormen om een ANBI te onderzoeken. De voor het toezicht op ANBI’s geldende aanpak heeft er mede aan ten grondslag gelegen dat sinds september 2008 al van zo'n 8700 ANBI's hun ANBI-status is komen te vervallen.
Het bericht ‘Haatimams naar Utrecht'' |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Fred Teeven (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omstandigheid dat op 1 maart 2015 in Utrecht een islamitisch evenement wordt georganiseerd waar een omstreden prediker, Assim Al-Hakeem, zal spreken?1
Het evenement in Utrecht heeft op zondag 1 maart jongstleden plaatsgevonden. De heer Al-Hakeem is voor zover bekend niet op dit evenement aanwezig geweest.
Bent u bekend met de radicale standpunten van de spreker ten aanzien van homoseksualiteit, vrouwenslavernij en het jihadisme? Zo ja, wat vindt u daarvan? Deelt u de mening dat dit potentieel een risico voor de openbare orde vormt?
Het is mij bekend dat de heer al-Hakeem in diverse preken en spreekbeurten uitspraken heeft gedaan die in de Nederlandse context ontoelaatbaar zouden zijn en – als ze in Nederland in het openbaar gedaan zouden worden – in sommige gevallen tot strafrechtelijke vervolging zouden kunnen leiden. De heer Al-Hakeem is voor zover bekend niet aanwezig geweest. Er is geen sprake geweest van een risico voor de openbare orde.
Welke mogelijkheden hebben de lokale overheid en de rijksoverheid om omstreden predikers te weren?
De rijksoverheid kan in het geval van omstreden predikers die visumplichtig zijn en een bedreiging vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid visa niet uitvaardigen of intrekken. Op lokaal niveau heeft de burgemeester mogelijkheden om voorafgaand aan een evenement of ter plaatse maatregelen te nemen met het oog op het handhaven van de openbare orde.
In hoeverre heeft de overheid voldoende kennis om in te schatten of er sprake is van predikers die haat prediken of anderszins de openbare orde verstoren? In hoeverre vindt u het ook een verantwoordelijkheid van moskeeorganisaties in Nederland om samen met de overheid op te trekken om te voorkomen dat aan dergelijke predikers een podium wordt geboden?
Het bewaken van de openbare orde is een kerntaak van de overheid. In het geval dat een bijeenkomst waar één of meerdere predikers het woord zullen voeren, leidt tot maatschappelijke onrust, zoals het geval is in de casus Rijswijk, komt de openbare orde in het geding. Het is de rol van de overheid om in dat geval maatregelen te nemen om de openbare orde te handhaven. In breder perspectief toont het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) hierin ook al verantwoordelijkheid. Zij zijn voornemens hun organisaties en moskeeën te informeren en adviseren.
Ziet u mogelijkheden deze predikers te weren uit het Schengengebied? Is het bijvoorbeeld mogelijk geen visa te verstrekken aan deze predikers die omstreden worden geacht vanwege hun uitlatingen en gedragingen en daarmee een gevaar zijn voor de openbare orde? Zo nee, waarom niet?
Voor sprekers die visumplichtig zijn, wordt bij de visumaanvraag bij de ambassade of het consulaat een check gedaan op grond van het Schengen Acquis. Het Schengen Acquis biedt de mogelijkheid visa af te wijzen of toegang te weigeren indien sprake is van een bedreiging voor de openbare orde, nationale veiligheid en/of internationale betrekkingen. Hierbij is grote zorgvuldigheid geboden met het oog op de in een rechtsstaat vereiste proportionaliteit en subsidiariteit. Een spreker die in het verleden haat of geweld gepredikt heeft en als een bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid wordt aangemerkt, kan op grond van bovengenoemde criteria een visum worden ingetrokken of geweigerd.
Welke mogelijkheden heeft u wanneer predikers reeds een visum hebben van een ander land uit het Schengengebied? Ziet u mogelijkheden hierin met de andere lidstaten gezamenlijk op te treken?
Nederland kan het afgevende land verzoeken een visum in te trekken. Hierbij zullen die landen vragen aan welke van de voorwaarden voor afgifte van het visum niet, of niet meer, wordt voldaan. Dit kan bijvoorbeeld zijn als de betreffende persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid van Nederland danwel van een andere Schengenlidstaat. Het is onder meer aan de lokale driehoek en de AIVD om te bepalen of van een dergelijke situatie sprake is en dat goed te motiveren. Het is en blijft vervolgens aan de lidstaat die het visum heeft af gegeven om te beslissen al dan niet gehoor te geven aan een dergelijk verzoek.
Daarnaast kunnen de bevoegde Nederlandse autoriteiten ook zelf visa intrekken die zijn afgegeven door andere lidstaten. Deze bevoegdheid is bedoeld om lidstaten de mogelijkheid te geven visumhouders die zich aan haar grens melden dan wel reeds op haar grondgebied bevinden de toegang c.q. verder verblijf in de vrije termijn te ontzeggen indien blijkt dat niet meer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan. In die gevallen dient Nederland het land van visumafgifte van de intrekking in kennis te stellen.
Om te voorkomen dat ongewenste vreemdelingen naar Nederland danwel een andere Schengenlidstaat afreizen, kan de IND namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een vreemdeling laten signaleren. Omdat de signalering tot doel heeft bepaalde vreemdelingen uit Nederland te weren, wordt deze opgenomen in het Schengen Informatie Systeem (SIS) voor toegangswering. Dit betekent dat de vreemdeling gedurende de signalering geen toegang kan verkrijgen tot de landen binnen het Schengengebied en aan de grens zal worden geweigerd, ook als hij of zij (nog) een geldig visum heeft. Wanneer de betreffende vreemdeling reeds een visum heeft ontvangen van een andere lidstaat zal voor de signalering wel contact moeten worden gezocht met de betreffende lidstaat.
Welke verantwoordelijkheid kent de organisator van dit evenement? Welke maatregelen zouden kunnen worden getroffen jegens organisatoren van evenementen die een podium bieden aan predikers die haat prediken ofwel standpunten innemen die indruisen tegen de waarden van de Nederlandse samenleving?
Vrijheid van meningsuiting is de essentie van democratie. In onze rechtsstaat worden dergelijke vrijheden voor iedereen beschermd. Het organiseren van een evenement zoals in Utrecht, dat volgens de organisatie bedoeld was om geld in te zamelen voor liefdadigheidsactiviteiten is niet verboden. Echter, de vrijheid van meningsuiting is niet onbeperkt. Deze wordt begrensd als de vrijheden van anderen in het geding komen, als mensen haat of geweld prediken of als de veiligheid in het geding komt. Voor visumplichtige predikers uit het buitenland die onverdraagzame, anti-integratieve en/of antidemocratische boodschappen uitdragen en daarmee de openbare orde bedreigen is in Nederland daarom geen plek.
Voor de verantwoordelijkheid van de overheid en van moskeeorganisaties geldt dat het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) hierin al verantwoordelijkheid toont. Zij zijn voornemens hun organisaties en moskeeën te informeren en adviseren. Wat betreft eventuele maatregelen tegen de verschaffers van een locatie geldt, dat als zou blijken dat tijdens een evenement sprake is geweest van het aanzetten tot haat zoals vastgelegd in artikel 137d Wetboek van Strafrecht, het Openbaar Ministerie kan beoordelen of alleen degene die aanzette tot haat moet worden vervolgd, of ook degene die hem eventueel bij de strafbare uitingen heeft geholpen.
Ziet u eveneens een verantwoordelijkheid voor eigenaren van locaties waar dergelijke evenementen plaats vinden? Welke maatregelen zouden kunnen worden getroffen ten aanzien van hen die hier locaties voor beschikbaar stellen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid deze vragen dinsdag 24 februari a.s. voor 12:00 te beantwoorden?
U ontvangt de gevraagde informatie zo spoedig mogelijk.
Het bericht ‘Zorginstelling betaalt 3 ton voor interimmer’ |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zorginstelling betaalt 3 ton voor interimmer»?1
Ja.
Herinnert u zich de eerdere vragen over topinkomens waarbij bureau BoerCroon een rol speelde?2 Heeft u bovendien kennisgenomen van de acties die de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderneemt tegen hogeschool ArtEZ om het salaris van een interim-bestuurder terug te vorderen?3 Hoe komt het dat BoerCroon vaker (interim-)bestuurders tegen bezoldigingen hoger dan de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semi-publieke sector (WNT) weet te plaatsen?
Ja, ik herinner mij de desbetreffende vragen. De zaak ArtEZ is mij bekend. De WNT-normering geldt voor alle topfunctionarissen die – gedurende een periode van 18 maanden meer dan 6 maanden – anders dan op basis van een dienstbetrekking de functie van topfunctionaris vervullen, de zogenoemde «interim-bestuurders». Voor afspraken gemaakt voor de inwerkingtreding van de wet geldt overgangsrecht. Alle interim-bestuurders moeten aan dit normenkader voldoen; ook de interim-bestuurders die worden aangetrokken vanuit het bureau Boer&Croon. Het is aan de instelling en de accountant om op de juiste en volledige naleving van de wet toe te zien. Als sluitstuk voorziet de WNT in een toezichts- en handhavingsinstrumentarium. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft het toezicht op de naleving van WNT voor het beleidsveld van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ondergebracht bij het CIBG. Naar aanleiding van het bericht, zoals aangehaald in vraag 1, heeft het CIBG informatie ingewonnen over de betreffende casus.
Is het waar dat voor de betreffende interim-bestuurder in 2013 een bezoldiging van 287.823 euro is betaald? Zo nee, welke onderdelen van het artikel zijn onjuist?
Naar ik heb begrepen, is er in 2013 sprake van een totale bezoldiging van € 302.044. Het gaat daarbij om een brutoinkomen van € 287.823 en € 14.221 aan belastbare vaste- en variabele onkostenvergoedingen.
Hoe komt het dat de overeenkomst met de interim-bestuurder reeds in december 2012 is afgesloten, terwijl het «plotselinge vertrek» van bestuurder Honkoop pas daarna – in februari 2013 – aan de orde was?
Uit informatie ingewonnen door het CIBG blijkt dat het contract voor de inhuur van de betreffende interim-bestuurder, met daarin de bezoldigingsafspraken, inderdaad in december 2012 is afgesloten. Enkele weken daarna, per 1 februari 2013 is het bestuur integraal overgenomen door de interim-bestuurder. Dat is op zich geen ongebruikelijke handelwijze.
Is het contract met de interim-bestuurder inderdaad reeds in december 2012 overeengekomen? Zo ja, waar blijkt dat uit en hoe hebt u dit kunnen controleren?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het wellicht geen toeval is dat het betreffende contract «nog net aan het einde van 2012» – en dus ook voordat de WNT in werking trad – is afgesloten, om een hogere vergoeding dan op grond van de WNT was toegestaan, mogelijk te maken? Zo ja, wat is uw mening daarover? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Uit navraag door het CIBG blijkt dat Eleos in het derde kwartaal van 2012 contact heeft gezocht met Boer & Croon. Dit omdat diverse verbeterplannen niet tot het gewenste resultaat hadden geleid en Eleos zich reeds in een kwetsbare financiële situatie bevond. Voordat het desbetreffende contract werd afgesloten is het vraagstuk nader geanalyseerd en is tijd aangewend om een kandidaat te kunnen selecteren die voldeed aan het gewenste profiel. Uiteindelijk is het contract in december 2012 afgesloten. In de praktijk komt het vaker voor dat een contract enige tijd voor de formele startdatum van de functievervulling wordt afgesloten.
Deelt u de mening dat de Raad van Toezicht van deze instelling er voor had moeten zorgen dat het contract met de interimmer niet nog net aan het einde van 2012 werd afgesloten, maar in plaats daarvan aan het begin van 2013? Wat was de reden dat er zoveel haast was bij het afsluiten van het contract?
Zie antwoord vraag 6.
Is in deze casus formeel binnen de kaders van de WNT gehandeld? Zo ja, deelt u de mening dat hier volledig in strijd met de geest van de WNT is gehandeld en dat dit gedrag zich niet verhoudt tot de doelstellingen van de WNT? Zo nee, op welke wijze gaat u of de instelling geld terugvorderen van de betreffende bestuurder dan wel van BoerCroon?
Er is sprake van een overschrijding van de maximum bezoldigingsnorm van de WNT, maar omdat de bezoldiging voor de inwerkingtreding van de wet is overeengekomen, valt deze onder het overgangsrecht. Er kan dus geen sprake zijn van terugvordering. Aan overgangsrecht kan niet worden getornd. Waar op vrijwillige basis eerder aan de normstelling wordt voldaan, juich ik dat uiteraard toe.
In welke schaal van de WNT-staffel voor de zorgsector bevindt de betreffende zorginstelling zich? Is het salaris voor de betreffende bestuurder inmiddels inderdaad verlaagd tot het verlaagde maximum uit de staffel, of tot de maximale bezoldigingsnorm uit de WNT? Indien dat laatste het geval is, betreft dit het maximum van WNT1 of van WNT2?
In 2014 zijn, met de WNT-norm als maximum, gestaffelde normen van kracht geworden in de zorg. Daarbij geldt overgangsrecht voor bestaande gevallen, zoals bij de desbetreffende bestuurder. Of de bezoldiging van de bestuurder desondanks verlaagd is, zal blijken uit de jaarverantwoording van 2014. Alle zorgorganisaties dienen de gegevens voor de jaarverantwoording van 2014 uiterlijk 1 juni 2015 aan te leveren, voorzien van een accountantsverklaring.
Deelt u de afkeuring over de rechtvaardiging die door de instelling wordt gegeven dat goed bestuur dergelijke bedragen waard is? Hoe verhoudt een dergelijke redenering zich naar uw mening tot de verdubbeling van het verlies van deze instelling gedurende de periode dat de interimmer daar actief was?
De beloning van een werknemer is binnen de gegeven arbeidsmarktomstandigheden over het algemeen gebaseerd op functiezwaarte en de daaraan verbonden functiewaardering. Uitgangspunt is dat alle werknemers een toegevoegde waarde hebben die groter is dan hun loonkosten. Daarbij is het overigens meestal onduidelijk/ondoenlijk om de toegevoegde waarde binnen een organisatie precies toe te rekenen aan de verschillende werknemers. In dit specifieke geval geldt bovendien het normenkader van de WNT. In dat licht bezien is in zijn algemeenheid de aangehaalde rechtvaardiging een verkeerde.
Het winnen van de openbaarvervoerconcessie in Limburg door Abellio |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het het artikel «Marktwerking wordt vies woord»?1
Ja, naar aanleiding van uw vragen heb ik het artikel gelezen.
Wat is het normrendement van NS en wat is het normrendement van Abellio? Hoe verhoudt dit zich tot de stelling in het artikel dat Abellio bij de inschrijving op de openbaarvervoerconcessie in Limburg genoegen moet hebben genomen met een rendement van tussen 0% en 4% en het feit dat er voorheen voor staatsdeelnemingen een algemene rendementseis gold van 8%? Wat was de rendementseis bij de aanbesteding in Limburg? Wat is het gemiddelde normrendement in de sector ofwel wat is het normale rendement op het geïnvesteerd vermogen?
Om de financiële waarde die NS vertegenwoordigt ook voor de toekomst te behouden, moet NS in staat zijn om structureel voldoende rendement te realiseren. Voor waardebehoud en om toekomstige investeringen mogelijk te maken, dient NS minimaal de vermogenskosten van vreemd vermogen en eigen vermogen terug te verdienen. NS vermeldt in haar jaarverslag van 2014 dat het normrendement op eigen vermogen 7% is.
De investeringscriteria voor Abellio worden door de directie van NS vastgesteld. Hierbij geldt het criterium dat het minimale vereiste rendement voor investeringsvoorstellen voldoende is om de vermogenskosten van NS terug te verdienen. Bij de bepaling van de vermogenskosten van NS wordt rekening gehouden met het vereiste normrendement op eigen vermogen van 7%.
Ik kan vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid geen uitspraken doen over de business case die ten grondslag ligt aan de bieding. De rendementseis van 8% voor staatsdeelnemingen gold voor de gehele portefeuille van deelnemingen. Conform de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid (2013) wordt nu een normrendement vastgesteld dat rekening houdt met het specifieke risicoprofiel van iedere deelneming. Verder, wil ik u wijzen op het onderzoek dat Deloitte heeft gedaan naar vermeende kruissubsidiëring waarover ik uw Kamer op 9 juli 2014 heb geïnformeerd.2
Ik kan vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid geen uitspraken doen over de business case die ten grondslag ligt aan de bieding.
Mij is niet bekend welke rendementseisen andere spoorbedrijven dan NS voor hun in Nederland actieve dochters hanteren.
Is het waar dat voor staatsdeelnemingen geldt dat er een zodanig rendement moet worden behaald dat de onderneming zijn waarde behoudt, kan blijven investeren en zich zelfstandig kan financieren tegen een acceptabele rente en acceptabele voorwaarden? In hoeverre is dat bij NS het geval in de afgelopen jaren en komende jaren? In hoeverre is dat bij Abellio het geval?
Ja, dit is conform de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid (2013). Hierin staat vermeld: «Om het maatschappelijke vermogen verantwoord te beheren zal de aandeelhouder voor iedere deelneming afzonderlijk een specifiek normrendement vaststellen. Hiermee kan de staat tevens het bestuur stimuleren efficiënt te opereren. Het normrendement wordt vastgesteld op basis van bedrijfseconomische theorie (waaronder capital asset pricing modellen).»
Hieronder treft u de rendementen aan van NS Groep over de afgelopen 5 jaar uit de jaarverslagen van NS. Over rendementen in de toekomst kan ik geen uitspraken doen.
(Bedragen in mln euro)
Nettoresultaat
180
– 43
263
211
160
Gemiddeld eigen vermogen
3.130
3.106
3.073
2.904
2.851
Rendement op eigen vermogen
5,8%
– 1,4%
8,6%
7,3%
5,6%
NS Groep rapporteert in haar externe jaarverslag op concernniveau en niet over de winst- en verliesrekeningen van afzonderlijke bedrijfsonderdelen.
Het Nedersaksisch |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat UNESCO 21 februari heeft uitgeroepen tot Internationale Moedertaaldag, en hiermee de aandacht wil vestigen op taal als cultureel erfgoed?
Ja.
Kunt u zich de toezeggingen herinneren in het verslag van een schriftelijk overleg van 24 april 2014 (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 54) over uw inspanningen rond het erkennen van het Nedersaksisch onder deel III van het Europees Handvest inzake regionale talen?
Op dit moment werk ik aan de vijfde periodieke rapportage inzake de door Nederland getroffen maatregelen met betrekking tot de implementatie van het Handvest. Ik ben voornemens om deze rapportage, die betrekking heeft op de periode 2012–2014, dit voorjaar af te ronden. Daarna zal duidelijk worden wanneer de Raad van Europa Nederland zal bezoeken. In het verslag van het schriftelijk overleg van 24 april 2014 heb ik opgemerkt dat dit bezoek een moment kan zijn om de balans op te maken over de implementatie van het Europees Handvest en dat ik mij voor kan stellen dat dit aanknopingspunten kan bieden om de positie van het Nedersaksisch onder het Europees handvest tegen het licht te houden. Ik acht het niet opportuun om hier vooruitlopend op het bezoek van de Raad van Europa al uitspraken over te doen.
Kunt u aangeven wat de (ambtelijke) gesprekken tussen uw ministerie en vertegenwoordigers van de Samenwerkende Organisaties in het Nedersaksisch Taalgebied (SONT) sindsdien hebben opgeleverd?
In het verslag van het schriftelijk overleg over het Nedersaksisch van 24 april 2014 heb ik opgemerkt dat ik het Nedersaksisch als een wezenlijk onderdeel van het Nederlandse culturele erfgoed zie. Dat geldt ook voor de andere regionale talen en ik ken dan ook grote waarde toe aan de verdere bevordering van deze talen. Naar mijn overtuiging zijn inspanningen vanuit de samenleving en de decentrale overheden hier de belangrijkste waarborg voor. De bijdrage vanuit het Rijk dient hier een aanvulling op te zijn. In de constructieve overleggen die in de afgelopen periode op ambtelijk niveau met SONT zijn gevoerd is er in verkennende zin al over de bijdrage die ik aan de bevordering van de taal kan leveren gesproken. In de komende periode zal in overleg met SONT worden bekeken hoe deze bijdrage concreet vorm kan worden gegeven.
Wat is op basis van deze gesprekken het «actuele beeld» van het beleid, de inspanningen en resultaten van decentrale overheden inzake de bevordering en bescherming van het Nedersaksisch? Bent u nog steeds van mening dat de huidige inspanningen ontoereikend zijn om het Nedersaksisch te kwalificeren onder deel III?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer in 2015 staat het bezoek van de Raad van Europa gepland aan Nederland om onderzoek te verrichten naar de naleving van het Europees Handvest? Op welke wijze is uw ministerie betrokken bij deze evaluatie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, nu in het verslag van 24 april 2014 het kabinet aangaf zich te kunnen voorstellen dat het bezoek van de Raad van Europa «ook aanknopingspunten biedt om de positie van het Nedersaksisch onder het Europees Handvest tegen het licht te houden», om het komend jaar uw eigen stellingname over erkenning onder deel III te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven welke waarde en betekenis u hecht aan het voortbestaan van streektalen en welke extra maatregelen u bereid bent te nemen om het gebruik van streektalen te beschermen?
Zie antwoord vraag 3.
Het eigen vermogen van Air France – KLM |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u zich het debat op 28 januari 2015 herinneren over de situatie bij KLM, waarin u aangaf niet meteen op cijfers over de ontwikkeling van het eigen vermogen van KLM te kunnen reageren maar dat u hier in overleg met de Minister van Financiën op terug zou komen?
Ja.
Bent u inmiddels in staat om te reageren op het verloop van het eigen vermogen van de holding Air France–KLM vanaf 2011 tot heden? Zo ja, wat is uw reactie? Zo nee, waarom niet?
Ja, de onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het eigen vermogen van Air France KLM weer. De daling van het eigen vermogen wordt verklaard door drie factoren: aanhoudende verliezen van Air France KLM, verliezen op de pensioenverplichting als gevolg van dalende rente, en een eenmalige afwaardering als gevolg van verandering in de boekhoudregels (aanpassing aan de zgn. IAS 19 standaard).
Eigen vermogen Air France KLM in mln. euro’s
2011
2012
2012*
2013
2014
6.040
4.980
3.637
2.293
-632
* Door een verandering in de boekhoudregels moest Air France KLM € 1.335 mln. afschrijven op het eigen vermogen. Daarom is voor 2012 het eigen vermogen volgens zowel de oude als de nieuwe (2012*) methode weergegeven.
Het negatieve vermogen is voor een aanzienlijk deel ontstaan door boekhoudkundige correcties. Waar het om gaat is of het bedrijf op de (middel-) lange termijn aan zijn verplichtingen kan voldoen. Daarom kijken financiers naar de kasstromen van het bedrijf. Hier kijken financiers naar om te bepalen of een partij in staat is om leningen terug te betalen. De cash flows van Air France KLM verbeterden juist, van € 353 mln. in 2011 naar € 879 mln. in 2014. Air France KLM geeft dan ook aan geen problemen te hebben met het aantrekken van financiering. In het jaarverslag rapporteert Air France KLM dat het voldoet aan de met de banken afgesproken criteria. Dit laat onverlet dat Air France KLM voor de uitdaging staat om tot structurele verbetering van de resultaten te komen en daartoe voortvarend aan de slag dient te gaan met de implementatie van het strategisch plan Perform 2020, zoals ook in mijn brief aan de Kamer van 19 februari jl. (met kenmerk IENM/BSK/2015/38958) is aangegeven.
Wat is uw reactie op de meest recente jaarcijfers van KLM en van de holding Air France–KLM?
Voor mijn reactie op deze jaarcijfers verwijs ik naar mijn brief aan de Kamer van 19 februari.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Fransen willen KLM nu slopen»?1 Wat is uw reactie hierop?
Ik heb kennisgenomen van het genoemd artikel uit de Telegraaf, dat is gebaseerd op anonieme bronnen. De directie van Air France KLM heeft op 15 februari jl. afstand genomen van dit bericht.
Zoals in mijn eerdere brieven is vermeld, is het van belang dat Air France en KLM in goed samenwerking binnen de groep Air France KLM de verdere noodzakelijke stappen naar structureel herstel zetten. Daarbij is het zaak dat KLM binnen de groep een voldoende autonome positie houdt.
Wat betreft een mogelijke rol van de premier kan worden opgemerkt dat ik, als bewindspersoon verantwoordelijk voor het luchtvaartdossier, contact onderhoud met KLM, Air France KLM en de Franse overheid en daarbij spreek namens het kabinet. Waar relevant wordt nauw samengewerkt met andere bewindspersonen.
Zoals eerder gemeld worden de ontwikkelingen op de voet gevolgd en is er veelvuldig contact met de besturen van Air France KLM, KLM en de Franse overheid. Zo spreek ik binnenkort samen met de Franse Staatssecretaris van Transport, de heer Vidalies, met de heer De Juniac, de CEO van Air France KLM en de heer Elbers, de CEO van KLM. De Kamer ontvangt daarvan verslag, zoals in het ordedebat van 24 februari 2015 is gevraagd.
In hoeverre acht u de kans reëel dat de Fransen binnenkort een «coup» plegen op de zelfstandigheid van KLM? Wat vindt u hiervan?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden (al dan niet juridisch) zijn er om een dergelijke actie te voorkomen? Zie u hier ook een rol weggelegd voor de premier? Zo niet, waarom niet? Zo ja, wanneer kunnen we hier actie verwachten van de premier?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitleggen wat u nog allemaal (al dan niet juridisch) kunt doen? Wat gaat u concreet doen?
Zie antwoord vraag 4.
De langetermijneffecten van Q-koorts |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom bij elke dierziekte-uitbraak die schade op kan leveren voor ondernemers in de vee-industrie, waaronder bijvoorbeeld de recente uitbraak van de vogelgriep, ondernemers wel een claim kunnen indienen tot schadevergoeding of financiële compensatie, terwijl burgers die ziek worden als gevolg van een dierziekte-uitbraak dit niet kunnen?1 Deelt u de mening dat bij het uitbreken van dierziekten, als sprake is van huisvesting waarbij een groot aantal dieren in een stal leven, er sprake is van een ondernemersrisico? Zo nee, waarom niet?
In het Nederlandse systeem is het uitgangspunt dat een ieder zijn eigen schade draagt, tenzij iemand anders aansprakelijk is voor de schade of er sprake is van een – al dan niet verplichte – verzekering. Een ieder draagt zijn eigen verantwoordelijkheid om zich al dan niet tegen zulke schade (aanvullend) te verzekeren.
In Nederland zijn goede regelingen voor de vergoeding van medische kosten die op basis van solidariteit worden gefinancierd en waar iedereen een beroep op kan doen. Deze regelingen zorgen ervoor dat iedereen met medische kosten aanspraak kan maken op de zorg die hij nodig heeft. Daarnaast is voor mensen die dat nodig hebben een sociaal vangnet als zij als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid niet langer in staat zijn om hun werkzaamheden te verrichten en daardoor inkomensverlies lijden.
Bij dierziekte-uitbraken kan sprake zijn van tegemoetkoming aan ondernemers die dieren houden, bijvoorbeeld bij het ruimen van dieren. Dergelijke tegemoetkomingen worden betaald uit het Diergezondheidsfonds (DGF). De directe kosten voor de bestrijding, zoals ruiming, worden overigens, tot een vooraf overeengekomen plafond, vanuit het DGF 100% gefinancierd met middelen verkregen van de sector. Tot de bestrijdingskosten zoals hiervoor bedoeld, behoort overigens uitdrukkelijk niet de gevolgschade (zoals leegstand) van betrokken ondernemers. Dit behoort inderdaad tot het ondernemersrisico.
Erkent u dat Q-koortsslachtoffers de tol betalen met hun gezondheid voor de les die de overheid destijds met de bestrijding van de Q-koorts heeft moeten leren? Bent u bereid over te gaan tot een passende schadevergoeding voor Q-koortsslachtoffers, zodat zij zich niet gedwongen voelen lange en kostbare juridische procedures aan te spannen?
Zoals gemeld in mijn antwoorden op de vragen van de PvdA staat voorop dat wij ons terdege bewust zijn van de gevolgen van chronische Q-koorts en het Q-koorts vermoeidheidssyndroom (QVS) voor individuele patiënten. Volgens de Staat is evenwel geen sprake van onrechtmatig handelen als gevolg waarvan Q-koortspatiënten schade hebben geleden. Wij zien dan ook geen reden voor een schadevergoeding.
We hebben de Stichting Q-support opgericht en gefinancierd om mensen te helpen om op allerlei gebieden hun leven weer op de rails te krijgen.
Bange agenten die terreurverdachten met een meldplicht weren uit politiebureaus uit angst voor aanslagen. |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Bange agenten houden politiebureau op slot»?1
Ja.
Klopt het dat terreurverdachten met een meldplicht zich via de intercom moeten melden omdat de politie na de aanslagen in Parijs ook bang is doelwit te worden?
Voor zover kon worden nagegaan is een dergelijke afspraak, om zich via de intercom te melden, slechts op één politiebureau gemaakt ten aanzien van één persoon met een meldplicht. Er is geen sprake van een algemeen beleid bij de politie om tot een categorisering te komen van personen met een meldplicht met daaraan gekoppelde nadere regels. Personen die zich moeten melden doen dat gewoon in het bureau.
Klopt het dat de politie de verdachten heeft ingedeeld in categorieën? Klopt het voorts dat degene die als gevaarlijk wordt beschouwd het bureau niet meer in komt en dat verdachten in een tussencategorie eerst gefouilleerd worden?
Zie antwoord vraag 2.
Als de politie bepaalde personen dusdanig gevaarlijk acht, wat doen deze verdachten dan überhaupt buiten de gevangenis?
Bij de beoordeling of verdachten van (terroristische) misdrijven hun berechting in vrijheid, al dan niet met beperkende voorwaarden zoals een meldplicht, of in hechtenis moeten afwachten betrekt de rechter onder andere de dreiging die betrokkene vormt voor zijn omgeving. Zoals uiteengezet in antwoord op vragen 2 en 3 is het geen beleid dat de politie in het kader van de uitvoering van de meldplicht nog een eigen beoordeling maakt van de dreiging die verdachten vormen.
Deelt u de mening dat de bange politie deze terreurverdachten kan weren, maar de bange samenleving dat niet kan en dat de rechter dat niet doet namens hen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u, nu nota bene de politie bang is en deze verdachten als een gevaar beschouwt, eindelijk bereid administratieve detentie in te voeren en het belang van een veilige samenleving boven dat van terreurverdachten te stellen? Zo nee, waarom niet?
In de voorgaande antwoorden heb ik toegelicht dat het slechts om één geval gaat. Dit vormt voor mij dan ook geen aanleiding om het standpunt van mijn ambtsvoorganger over administratieve detentie en het beleid ten aanzien van jihadgangers te herzien.
Deelt u de mening dat Nederland deze gasten vooral moet laten gaan om er vervolgens voor te zorgen dat zij nooit meer een voet op Nederlandse bodem zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het ondersteunen van Jiddisj |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Financieel Jaarverslag 2012 van de Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider te Amsterdam?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het Cheider geen financiële ondersteuning krijgt van het rijk, de provincie of de gemeente Amsterdam voor het geven van Jiddisj in het onderwijs?
Ik kan bevestigen dat Cheider vanuit het Rijk geen specifieke financiële ondersteuning krijgt voor het geven van Jiddisch in het onderwijs. In de bekostigde «vrije ruimte» kan elke school zelf bepalen welk onderwijs wordt aangeboden. Cheider is overigens wel aangemerkt als zogenaamde uitzonderingsschool en ontvangt daarom structureel aanvullende bekostiging. In het antwoord op de vragen 5 en 6 licht ik dit nader toe.
Op de uitgaven van de provincie en de gemeente heb ik geen zicht, maar bij mijn weten ontvangt Cheider ook van hen geen financiële ondersteuning voor het geven van Jiddisch. Uit het financieel jaarverslag 2012 komt geen ander beeld naar voren.
Kunt u bevestigen dat een Commissie van Deskundigen inzake de toepassing van het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden zowel in juli 2008 als in september 2012 Nederland heeft aangespoord de mogelijkheden van uitbreiding van onderwijs in het Jiddisj te onderzoeken en het grote belang van Jiddisj heeft benadrukt?
Ja.
Kunt u tevens bevestigen dat zowel de gemeente als de provincie aangeven geen financiële steun te willen verlenen omdat zij het niet als hun taak zien om minderheidstalen te bevorderen?
Ik treed niet in de beweegredenen van de gemeente en de provincie. Wel merk ik op dat het Europees Handvest voor regionale talen of talen voor minderheden geen financiële verplichtingen oplegt aan de gemeente en de provincie, noch aan de rijksoverheid.
In hoeverre verhoudt het niet verlenen van steun aan het Jiddisj zich tot de aangegane verplichtingen en verantwoordelijkheden op basis van het Europees Handvest?
Het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden legt geen financiële verplichtingen op aan lidstaten. Lidstaten die het handvest hebben geratificeerd, committeren zich aan de doelstellingen van het handvest; het ondersteunen van minderheidstalen, zoals in Nederland het Jiddisch. De Nederlandse overheid biedt Cheider de mogelijkheid om het Jiddisch aan de leerlingen aan te bieden in de vrije ruimte van het onderwijsprogramma. De uren die worden gespendeerd aan Jiddisch tellen mee als onderwijstijd en Cheider heeft de ruimte om het Jiddisch ook af te sluiten met een schoolexamen. Het cijfer voor Jiddisch komt op de cijferlijst. Er bestaan dus geen belemmeringen om het Jiddisch aan te bieden en de taal te bevorderen.
Cheider is bovendien erkend als uitzonderingsschool in de zin van de Beleidsregel uitzonderingsscholen vo 2013 (Stcrt. 2012, 22626). Deze beleidsregel bestaat voor scholen die een leerlingaantal hebben dat structureel onder de opheffingsnorm zit, maar die in stand worden gehouden omdat met het onderwijs dat ze bieden een belang wordt gediend. Er zijn twee gronden waarop een school een uitzonderingsschool kan zijn:
Vier scholen zijn aangewezen als uitzonderingsscholen vanwege hun geografische ligging. Het gaat om de scholen voor voortgezet onderwijs op de eilanden Terschelling, Vlieland, Ameland en Schiermonnikoog. De twee joodse scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam – Cheider en Maimonides – zijn erkend als uitzonderingsschool, omdat zij met het verzorgen van onderwijs een Nederlands belang van cultuurhistorische aard dienen. Dat betekent dat zij ontheven zijn van toepassing van de opheffingsnorm en dat zij bijzondere aanvullende bekostiging ontvangen. Cheider, dat voortgezet onderwijs biedt aan 37 leerlingen, krijgt jaarlijks 4,2 fte voor onderwijspersoneel extra aan bekostiging. Als dit terug wordt gerekend naar de personele bekostiging per leerling, bedraagt deze voor een leerling van Cheider VO € 26.500. De gemiddelde personele bekostiging van een leerling in het voortgezet onderwijs is € 6.500. Cheider heeft ook een school voor primair onderwijs. Per po-leerling ontvangt Cheider 60 procent aan extra bekostiging.
Gezien de uitzonderlijke status en bekostiging van Cheider en de ruimte die er bestaat om het Jiddisch aan te bieden, mee te laten tellen als onderwijstijd en af te sluiten met het schoolexamen, ben ik van mening dat Nederland aan de verplichtingen van het Handvest voldoet en dat Cheider de ruimte en de financiële middelen heeft om onderwijs in het Jiddisch te verzorgen, indien de school dat wenst.
Zou het niet voor de hand liggen om het Cheider in Amsterdam, de enige school in Nederland die het Jiddisj actief bevordert en daarmee een minderheidstaal actief bevordert, daarvoor financieel te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 5.
In welke mate geven overheden in Nederland andere (streek)talen, die in het kader van het Europees Handvest door Nederland zijn erkend, financiële ondersteuning?
De enige streek- of minderheidstaal die financiële ondersteuning van het Rijk krijgt is het Fries. Voor de instandhouding van het vak Fries in het voortgezet onderwijs ontvangt de provincie € 65.000 per jaar voor de leerlingen in het eerste jaar, dit is een uitvloeisel van de Bestuursafspraak Friese Taal en Cultuur 2013–2018. Voor het primair onderwijs gaat het om een bedrag van € 370.000 per jaar. Deze middelen gaan naar de provincie en niet rechtstreeks naar de scholen. Omgerekend gaat het in het primair onderwijs om een bedrag van ruim € 6 per leerling en in het voortgezet onderwijs om een bedrag van ruim € 7 per brugklasser.
Naast de genoemde bedragen krijgt de provincie Fryslân circa € 1 miljoen – bovenop de reguliere provincieuitkering van het Rijk – voor «het in stand houden van de Friese taal». Dit geld is bestemd voor cultuur, media, juridische zaken, bestuurszaken en onderwijs. De provincie Fryslân zet financiële ondersteuning in het onderwijs onder meer in voor de ontwikkeling van goed lesmateriaal en de stimulering van het drietalig voortgezet onderwijs in Fryslân. Het Orgaan voor de Friese Taal wordt gefinancierd door het Ministerie van BZK en de provincie Fryslân, hiervoor wordt jaarlijks in totaal een bedrag van € 150.000 gereserveerd.
Naast het Rijk voeren diverse decentrale overheden een streektaalbeleid, ik beschik echter niet over een overzicht van de hoeveelheid financiële middelen die hiermee gemoeid zijn.