Kamerstuk 33752-16

Schriftelijke beantwoording op een deel van de vragen gesteld tijdens het Wetgevingsoverleg van 28 oktober 2013 over het pakket Belastingplan 2014

Dossier: Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014)

Gepubliceerd: 31 oktober 2013
Indiener(s): Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD)
Onderwerpen: belasting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33752-16.html
ID: 33752-16

Nr. 16 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 oktober 2013

Hierna treft u de schriftelijke antwoorden aan op een deel van vragen die zijn gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van 28 oktober jl. over het pakket Belastingplan 2014. Bijgevoegd treft u tevens de derde nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2014 (Kamerstuk 33 752, nr. 17) en de derde nota van wijziging op het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2014 (Kamerstuk 33 753, nr. 9) aan.

Belastingplan 2014

Inkomensbeleid

De heer Klein heeft gevraagd naar de verlaging van het tarief in de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting. De heer Klein noemt de eenmalige lastenverlichting in 2014 een goede stap, maar vraagt naar het structurele perspectief van mij hierop. In de afspraken die het kabinet heeft gemaakt met de vijf fracties is ingezet op een maximale verlichting van lasten op arbeid, bij zowel burgers als bedrijven. De budgettaire ruimte voor tariefsverlaging in de eerste schijf is alleen in 2014 aanwezig, daarom is deze verlaging alleen in dat jaar mogelijk.

De heer Koolmees vraagt of er in de sfeer van de inhouding van loonheffing rekening wordt gehouden met de afbouw van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Voorts vragen de heren Koolmees en Omtzigt of werknemers aan het einde van het jaar nog belasting moeten bijbetalen. De inhouding van loonheffing op het periodieke loon (bijvoorbeeld maandelijks of vierwekelijks) vindt plaats op basis van de witte tabel bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en op basis van de groene tabel bij loon uit vroegere dienstbetrekking. De afbouw van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting wordt in die witte tabel meegenomen. In de groene tabel wordt rekening gehouden met de afbouw van de algemene heffingskorting.In de tabel voor bijzondere beloningen (die van toepassing is op tantièmes, gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend) wordt de heffingskorting – en dus ook de afbouw – niet meegenomen, omdat in beginsel de volledige heffingkorting bij de inhouding op het reguliere, periodieke loon is vergolden. Immers, bij de reguliere inhouding van loonheffing via de witte of groene tabel wordt rekening gehouden met 1/12e deel (bij maandelijkse inhouding, bij vierwekelijkse inhouding met 1/13e deel) van de algemene heffingskorting, inclusief afbouw. Dat in de tabel voor bijzondere beloningen geen rekening wordt gehouden met de heffingskortingen, en dus met de afbouw, kan inderdaad resulteren in het op de definitieve aanslag inkomstenbelasting bijbetalen – of minder terugontvangen – van belasting na afloop van het kalenderjaar. Bij een jaarinkomen gebaseerd op een brutomaandloon van circa € 1.700, met vakantiegeld en een eindejaarsuitkering ter grootte van een brutomaandloon bedraagt het bij te betalen bedrag circa € 75 op jaarbasis. Dit bedrag loopt op tot circa € 324 op jaarbasis bij een brutomaandloon van € 3.900, met vakantiegeld en een eindejaarsuitkering ter grootte van een brutomaandloon. Vanaf € 3.900 loopt de hoogte van het eventueel bij te betalen bedrag af. Of en in hoeverre er aan het einde van het jaar belasting moet worden bijbetaald is mede afhankelijk van eventuele aftrekposten zoals hypotheekrenteaftrek, aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten of giftenaftrek. Bij de berekening van de hiervoor genoemde bedragen is hiermee geen rekening gehouden.

De heer Omtzigt vraagt voorts hoeveel belastingplichtigen die thans geen aangifte inkomstenbelasting hoeven te doen, als gevolg van de afbouw van de kortingen wel aangifte moeten gaan doen. Verder vraagt hij naar de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en de rente die gemoeid is met het verschuiven van de inhouding van loonheffing naar de betaling op aanslag inkomstenbelasting. Doordat de bijzondere beloningen zoals vakantiegeld, eindejaarsuitkering en bonussen niet worden meegenomen in de berekening van de nu opgenomen afbouw van de algemene heffingskorting in de loonheffing, wijkt de loonheffing vanaf 1 januari 2014 meer dan in het verleden af van de heffing van inkomstenbelasting. Dit verschil wordt net als in het verleden gecorrigeerd bij de aangifte inkomstenbelasting. Dit betekent dat een aantal belastingplichtigen waarvoor voorheen de loonbelasting eindheffing was over het belastingjaar 2014 ook aangifte inkomstenbelasting moet gaan doen. Het exacte aantal belastingplichtigen waar het hier om gaat vergt nadere analyse, en de exacte groep individuele belastingplichtigen waar het om gaat wordt pas inzichtelijk na afloop van het kalenderjaar 2014. Vanzelfsprekend zal ik hierbij bezien hoe deze groep belastingplichtigen in een zo vroeg mogelijk stadium bericht kan worden dat de loonheffing voor hen vanaf 2014 minder goed dan in het verleden aansluit op de inkomstenbelasting, en zij daarom aangifte inkomstenbelasting moeten gaan doen.

De incidentele uitvoeringslasten voor de Belastingdienst als gevolg van de extra aangiften over 2014 zijn beperkt, omdat deze aangiftes met alleen looninkomsten aan de hand van de beschikbare loongegevens geautomatiseerd gecontroleerd en vastgesteld kunnen worden en daardoor vrijwel geen handmatige capaciteit zullen vergen. Veel belastingplichtigen hebben nu aftrekposten die leiden tot een belastingteruggave. Voor deze belastingplichtigen die vervolgens vanaf 1 januari 2014 geconfronteerd worden met de afbouw van de heffingskortingen, zal ten opzichte van de situatie in 2013 sprake zijn van een lagere teruggave of een hogere bijbetaling. Vanwege deze individuele verschillen per belastingplichtige is de omvang van de eventuele rente die gemoeid is met het verschuiven van de inhouding van loonheffing naar de aanslag inkomstenbelasting moeilijk te bepalen.

Voorts vraagt de heer Omtzigt waarom in plaats van het afbouwen van de arbeidskorting voor hoge inkomens het statutaire tarief niet is verhoogd naar 56%. Het verhogen van het tarief in de vierde belastingschijf is minder gunstig voor het vestigingsklimaat omdat bij beslissingen over vestiging in Nederland vaak ook naar het nominale toptarief wordt gekeken.

De heer Omtzigt vraagt of de afbouw van de algemene heffingskorting gevolgen heeft voor de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner. De hoogte van de algemene heffingskorting wordt per belastingplichtige vastgesteld. In het geval de minstverdienende partner geen of weinig inkomen heeft, waardoor zijn of haar algemene heffingskorting niet volledig wordt benut, wordt – onder de voorwaarde dat de meestverdienende partner voldoende belasting verschuldigd is – het niet verzilverde deel van de algemene heffingskorting van de minstverdienende partner uitbetaald. Bij die minstverdienende partner zal in de meeste gevallen – vanwege de hoogte van het inkomen – geen sprake zijn afbouw. Bij de minstverdienende partner is doorgaans dus geen sprake van samenloop. De afbouw van de algemene heffingskorting bij de meestverdienende partner heeft tot gevolg dat die belastingplichtige meer belasting verschuldigd is. Dit betekent dat er voor de minstverdienende partner meer mogelijkheden zijn de algemene heffingskorting uitbetaald te krijgen. De afbouw heeft verder geen gevolgen voor deze systematiek.

De heer Dijkgraaf vraagt of het afschaffen van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) in ruil voor het verlagen van de algemene belastingtarieven niet een effectievere maatregel in het kader van de arbeidsparticipatie is. De IACK is volgens een studie van het Centraal Planbureau (CPB)1 effectief in het beïnvloeden van arbeidsaanbod en werkgelegenheid, effectiever dan generieke lastenverlichting. Verder is het zo dat de IACK ook meeloopt in de herziening van de kindregelingen. In dat kader is de IACK – vanwege de effectiviteit voor het stimuleren van de arbeidsparticipatie – een van de heffingskortingen die nu juist in stand blijft. Ik ben evenwel altijd bereid om van gedachten te wisselen met de heer Dijkgraaf en andere Kamerleden over budgettair neutrale omzettingen in de inkomstenbelasting die leiden tot meer arbeidsparticipatie of economische groei.

De heer Koolmees vraagt hoe het onderzoek van het CPB naar het optimale belastingtarief2 zich verhoudt tot het onderhavige Belastingplan. In dit verband vraagt hij wat volgens het kabinet het opbrengstmaximaliserende toptarief is en wat voor het kabinet een acceptabel maximaal marginaal tarief is. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 2014 heb aangegeven, is in mijn brief aan de Eerste Kamer betreffende fiscale toezeggingen een toelichting van het kabinet opgenomen op het CPB-onderzoek.3 Het bepalen van het theoretische optimale toptarief is een ingewikkelde exercitie met veel methodologische haken en ogen. Naast het CPB-onderzoek is er geen recent onderzoek voorhanden op basis waarvan thans het opbrengstmaximaliserende toptarief vastgesteld zou kunnen worden. Bij de wijzigingen van de belastingtarieven, schijflengtes en heffingskortingen die in het voorliggende wetsvoorstel Belastingplan 2014 zijn opgenomen, zijn zowel de budgettaire opbrengst als het inkomensbeleid en de werking van de arbeidsmarkt van belang. Het kabinet is van mening dat het wetsvoorstel Belastingplan 2014 in dit opzicht een evenwicht pakket van maatregelen bevat.

Afdrachtvermindering onderwijs

De heer Bashir heeft vragen gesteld over de in het wetsvoorstel Belastingplan 2014 opgenomen afschaffing van de afdrachtvermindering onderwijs. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Belastingplan 2014 is uitgebreid toegelicht waarom er in het regeerakkoord4 voor is gekozen om de afdrachtvermindering onderwijs af te schaffen en te vervangen door een subsidieregeling op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Daarbij is de keuze gemaakt om voor het budget van de nieuwe subsidieregeling terug te keren naar het niveau van 2007. Dat was het budgettair beslag van de afdrachtvermindering onderwijs voordat dit in de jaren daarna zo explosief is gestegen, resulterend in een verdubbeling in 2011. Uit het vorig jaar uitgevoerde evaluatieonderzoek van de afdrachtvermindering onderwijs is gebleken dat de regeling niet effectief is voor het doel waar de regeling destijds voor in het leven is geroepen en dat er in toenemende mate sprake is van oneigenlijk gebruik van de regeling. In de discussie met uw Kamer hierover is bij herhaling aangegeven, dat het niet mogelijk is om de precieze omvang van het oneigenlijk gebruik aan te geven, maar wel dat het een van de oorzaken is geweest dat het budgettair beslag in de jaren na 2007 zo fors is toegenomen. Het kabinet is van oordeel dat het beschikbaar komen van leerwerkplaatsen effectiever en doelmatiger wordt gestimuleerd via een subsidieregeling op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan door de afdrachtvermindering onderwijs. Dat kan dan dus ook met de inzet van minder middelen dan thans gemoeid met de huidige afdrachtvermindering onderwijs. Inmiddels heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap al diverse overleggen gevoerd met de vaste commissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Tweede Kamer over de nieuwe subsidieregeling praktijkleren, inclusief over het daarvoor beschikbare budget, het laatst tijdens een voortgezet schriftelijk overleg (VSO) op 15 oktober 2013. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft tijdens deze overleggen ook toezeggingen gedaan over het monitoren van de effectiviteit van de regeling. Net als de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tijdens het VSO van 15 oktober 2013 zou ik er voor willen pleiten dat werkgevers en opleidingsbedrijven nu de duidelijkheid wordt geboden over de nieuwe subsidieregeling praktijkleren die met ingang van 1 januari 2014 in werking treedt. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft aangegeven voornemens te zijn de nieuwe subsidieregeling praktijkleren 1 november 2013 te willen publiceren. De heer Bashir heeft ook nog gevraagd of mij de signalen bekend zijn dat opleidingsbedrijven door de voorgestelde maatregelen op omvallen staan en hoe voorkomen wordt dat dit gebeurt. In reactie hierop kan ik de heer Bashir melden, dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap recent heeft besloten om voor de overgangsperiode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 voor de opleidingsbedrijven een overgangsmaatregel te hanteren die bedoeld is om te voorkomen dat deze bedrijven begin 2014 in liquiditeitsproblemen komen.

Begunstiging lokaal duurzaam opgewekte energie

Mevrouw Schouten vraagt of ik bereid ben ervoor te zorgen dat de bestaande coöperaties in aanmerking kunnen komen voor de fiscale faciliteit. Dit zal niet altijd het geval zijn, omdat bij de bestaande coöperaties vaak sprake zal zijn van een bredere en meer commerciële opzet. De randvoorwaarden van de regeling zijn overigens, geheel in de geest van het energieakkoord, zoveel mogelijk beperkt. Los van het verlaagde tarief vraagt het gezamenlijk opwekken van energie voor burgers natuurlijk de nodige inspanning. In hoeverre burgers daartoe bereid zijn, zal in de toekomst moeten blijken. Er zijn al de nodige initiatieven, en de marktpartijen en maatschappelijke organisaties hebben in het energieakkoord aangegeven dat ze met de maatregelen in het energieakkoord ernaar streven dat minimaal 1 miljoen huishoudens en/of MKB bedrijven in 2020 voor een substantieel deel via lokale energie in hun eigen elektriciteitsvraag voorzien en andere vormen van duurzame opwekking voor eigen gebruik toepassen.

De heer Omtzigt verzoekt om een lange termijn visie op lokaal duurzaam opgewekte energie. De Minister van Economische Zaken zal een visie op lokale energie vóór 11 november, dus voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Economische Zaken, naar de uw Kamer sturen.

De heer Omtzigt vraagt waarom de fiscale korting niet aansluit bij gemeentegrens. Voor de afbakening van lokale energie is gekozen voor de zogenoemde postcoderoos met als kleinste eenheid het gebied waarin alle postcodes dezelfde vier cijfers hebben. Hierbij staat de productie-installatie in het centrale postcodegebied. Samen met de direct aangrenzende postcodes waarin eveneens het verlaagde tarief kan worden toegepast, is sprake van een gebied dat overeenkomt met wijk- en dorpsniveau. Ter illustratie is hierna een voorbeeld opgenomen van de zogenoemde postcoderoos (postcode 7201 met aangrenzende postcodes) zodat een inzicht kan worden verkregen in de omvang, het bereik van de postcoderoos.

Het hanteren van gemeentegrenzen in plaats van de postcoderoos heeft een aantal nadelen. Het lokale niveau zal in veel gevallen verre worden overstegen, terwijl anderzijds inwoners aan de rand van een gemeente niet zouden kunnen meedoen aan projecten in buurgemeenten waar zij praktisch naast wonen. Onderstaande figuur van de gemeente Rotterdam illustreert dit. Als een windmolen in Hoek van Holland staat zouden de directe buren in ’s-Gravenzande niet kunnen meedoen, maar Rotterdammers die 35 km verderop in Kralingen wonen wel. Dit is moeilijk te verdedigen. Bij het hanteren van postcodes kunnen dit soort situaties zich niet voordoen omdat de installatie zich in de centrale postcode bevindt en alle aangrenzende postcodes kunnen meedoen.

Gemeentelijke herindelingen kunnen bovendien voor coöperaties tot problemen leiden. Voorts zal het hanteren van de gemeentegrens leiden tot een groter budgettair beslag. Hoe groter de afbakening, hoe groter de kans op ongewenste budgettaire effecten. Deze worden groter indien windprojecten op dit lokale niveau in beeld komen. Voor toepassing van het verlaagd tarief voor windprojecten zijn veel huishoudens nodig, vanwege de hoge kosten. In principe komen windprojecten in aanmerking voor de SDE+. Aangezien in de SDE+ een lager subsidiebedrag van pakweg 3 cent per kWh wordt toegekend dan via de fiscale stimulering van kleinschalige lokale opwekking via een coöperatie, zou daardoor een extra derving kunnen ontstaan.

Ter illustratie is hierna een aantal voorbeelden opgenomen van de verschillen in dekking qua inwoneraantal tussen het systeem van de postcodes en het systeem van de gemeentegrens.

Tabel 1 Voorbeeld 1 vergelijking systeem postcode en gemeentegrens

Amsterdam, havengebied

 

huishoudens

systeem postcode

   

stel coöperatie in postcode

1013

13.280

dan doen mee

1014

140

 

1033

5.880

 

1041

20

 

1015

9.870

 

1051

7.635

 

1052

7.270

 

1031

2.795

 

1012

5.795

 

1011

6.065

totaal systeem postcode

 

58.750

totaal gemeentegrens

 

432.612

   

14%

Tabel 2 Voorbeeld 2 vergelijking systeem postcode en gemeentegrens

Zuid West Friesland

 

huishoudens

systeem postcode

   

stel coöperatie in postcode

8711

1.910

dan doen mee

8761

85

 

8724

120

 

8723

1.155

 

8713

390

totaal systeem postcode

 

3.660

totaal gemeentegrens

 

35.397

   

10%

Tabel 3 Voorbeeld 3 vergelijking systeem postcode en gemeentegrens

Haren

 

huishoudens

systeem postcode

   

stel coöperatie in postcode

9751

2.510

dan doen mee

9752

2.535

 

9753

2.155

 

9755

265

 

9756

555

 

9722

4.365

totaal systeem postcode

 

12.385

totaal gemeentegrens

 

8.259

   

150%

Wat betreft de kleinere gemeenten kan geconcludeerd worden dat de keuze voor afbakening op postcode leidt tot een dekking van boven de 70%, dat wil zeggen het aantal huishoudens in de postcoderoos correspondeert met 70% van het aantal huishoudens uit de gemeente. Hoeveel huishoudens dat precies zijn is uiteraard afhankelijk van het totaal aantal huishoudens in de gemeente en het desbetreffende postcodegebied. Enkele uitersten in dit kader:

  • Een qua gebied zeer uitgestrekte gemeente als Zuid-West Friesland behaalt de postcoderoos een dekking voor het aantal huishoudens van 2–10%.

  • Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich een gemeente zoals Haren. Daar is de dekking van de postcoderoos 150% omdat een van de aangrenzende postcodes behoort tot de gemeente Groningen.

De verschillen wat betreft inwoneraantal en oppervlakte in een postcoderoos zijn echter minder groot dan in gemeenten.

De heer Klein vraagt of de regeling voor lokaal opgewekte duurzame energie verbreed kan worden naar sportverenigingen en zorginstellingen. Verenigingen in algemene zin zijn niet in de regeling opgenomen omdat onder dat begrip een groot aantal ongelijksoortige verenigingen valt die voor uiteenlopende doeleinden opgericht kunnen zijn. Verder heeft niet elke vereniging volledige rechtsbevoegdheid. Daarom bestaan ook veel verenigingen die nauwelijks een administratie nodig hebben. Voor alle verplichtingen die in samenhang met het verlaagde tarief op de coöperaties en verenigingen van eigenaars (V.v.E.'s) komen te rusten, is een gedegen administratie wel noodzakelijk. Het verschil of een vereniging wel of niet volledige rechtsbevoegdheid heeft, is aan de naamgeving niet herkenbaar. Een coöperatie is een bijzondere vorm van een vereniging en heeft altijd volledige rechtsbevoegdheid. Bij een coöperatie is aan de naam herkenbaar dat het om een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid gaat. Dit geeft naast de leden zelf ook de energiebedrijven en de Belastingdienst rechtszekerheid. Een zorginstelling kan niet in aanmerking komen voor het verlaagd tarief, omdat zij economische activiteiten ontplooit en daarom als bedrijf moet worden gezien. In het energieakkoord is afgesproken dat nog zal worden ongezocht in hoeverre het nodig en mogelijk is dat zakelijke kleinverbruikers en de huursector ook gebruik kunnen gaan maken van deze of een vergelijkbare regeling.

De heer Klein vraagt of zonnepanelen naast het gebouw ook bij deze regeling kunnen worden betrokken. Dat is inderdaad het geval. In de voorgestelde regeling is voor V.v.E.»s opgenomen, dat de productie-installatie moet zijn aangebracht op of aan het gebouw met toebehoren of de daarbij behorende grond met toebehoren, ter zake waarvan de V.v.E. is opgericht. Het kan dus ook gaan om zonnepanelen op de (eigen) grond of op een bijgebouw van de V.v.E. Ten aanzien van coöperaties speelt deze voorwaarde niet.

De heer Omtzigt vraagt waarom de fiscale regeling voor lokaal duurzame opgewekte energie niet beperkt wordt tot zonne-energie. De voorgestelde regeling leidt tot een groter draagvlak voor duurzame energie in de maatschappij, omdat burgers zelf producenten van duurzame energie worden. Daarnaast leidt het tot een vergroting van het energiebewustzijn en daardoor tot energiebesparing bij consumenten, en kan het in de toekomst leiden tot minder netgebruik. Deze voordelen zijn niet techniekgebonden en zeker niet beperkt tot alleen zonne-energie. Er is daarom bewust voor gekozen om geen enkele techniek uit te sluiten van het verlaagde tarief.

De heer Omtzigt of de regeling ingekaderd kan worden tot installaties die geen provinciale subsidie hebben ontvangen. Dit is technisch niet uitvoerbaar omdat de Belastingdienst geen zicht heeft op provinciale en gemeentelijke subsidies. Overigens zou de regeling daarmee ook raken aan het beleidsterrein van de provinciale overheid.

De heer Koolmees stelt voorts de vraag of een delegatiebepaling kan worden opgenomen waarbij het kabinet de bevoegdheid krijgt om via nadere regelgeving ook individuele particulieren en ondernemers aanspraak te laten maken op de regeling, en hierover een knoop door te hakken bij de evaluatie na vier jaar. Bij een dergelijke fundamentele verbreding zou sprake zijn van een nieuwe regeling, die in de wet zelf zou moeten worden opgenomen. Voor particuliere en zakelijke kleinverbruikers met een kleinverbruikersaansluiting wordt de opwekking van duurzame energie al gestimuleerd door de mogelijkheid van saldering achter de meter. Voor ondernemers is verder in het energieakkoord afgesproken dat nog zal worden onderzocht in hoeverre het nodig en mogelijk is dat zakelijke kleinverbruikers ook gebruik kunnen gaan maken van deze of een vergelijkbare regeling.

De verschillende punten die in de brief van e-Decentraal (Vereniging Federatie Decentrale Duurzame Energie Nederland) naar voren worden gebracht, dit naar aanleiding van een vraag van de heer Klein, komen aan de orde bij de beantwoording van de vragen van de leden.

Accijnzen en verbruiksbelastingen

De heer Omzigt heeft gevraagd naar de analyse van het kabinet over te verwachten gedragseffecten van de accijnsverhoging voor diesel en lpg. In mijn antwoord op eerdere vragen van de leden van de fractie van het CDA naar aanleiding van de proeve van de tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2014 heb ik toegezegd te reageren op nieuwe gegevens over de grenseffecten van brandstofaccijns. Dit betreft de door Ecorys uitgevoerde Quick-scananalyse van de effecten van de accijnsverhogingen op grenstanken en op de accijnsinkomsten.5 Deze analyse is opgesteld in opdracht van de Bovag, Nove en VNPI. Ecorys gebruikt een model waarin parameters zijn opgenomen zoals het prijsverschil met het buitenland, de afstand tot de grens en de tijd die het kost om om te rijden. Daaruit wordt op basis van rationeel gedrag van de verbruiker berekend hoeveel er over de grens zou worden getankt.

Ecorys komt tot de conclusie dat er in 2013 een totale weglek is van € 606 miljoen brandstofaccijns en dat dit oploopt tot € 829 miljoen in 2014 (op een begrote accijnsopbrengst van € 8,1 miljard). De uiteindelijke opbrengst na grenstanken en gedragseffecten van de diesel- en LPG-accijnsverhoging zoals voorzien voor 2014 berekent Ecorys op € 126 miljoen euro in een scenario waarbij het vrachtverkeer sterk reageert. Ten opzichte van de door het kabinet geraamde opbrengst van € 280 miljoen van de beleidsmaatregel zou dit een minderopbrengst zijn van € 154 miljoen waarvan € 129 miljoen dieselaccijns en € 25 miljoen LPG. Ecorys berekent daarnaast een scenario waarin het vrachtverkeer minder sterk reageert; de minderopbrengst voor diesel blijft dan beperkt tot € 53 miljoen.

In het navolgende wordt de reactie van het kabinet weergegeven.

Volgens Ecorys is er bij benzine momenteel een weglek van € 534 miljoen en zal deze weglek volgend jaar toenemen door de indexatie.

Het kabinet merkt het volgende op. Benzine is in Nederland al jaren (aanzienlijk) duurder en de verschillen met de buurlanden nemen toe doordat Nederland in tegenstelling tot België en Duitsland de accijnshoogtes jaarlijks automatisch indexeert. De ontwikkeling in het aantal verkochte liters in Nederland geeft echter geen indicatie dat het grenstanken toeneemt met de groter wordende prijsverschillen met onze buurlanden. Voor benzine beweegt het aantal verkochte liters zich in de periode 2003–2012 binnen zeer smalle marges van 1% meer of minder dan 5.500 miljoen liter.

Daarnaast geldt de volgende observatie. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft voor de periode 1990–2010 uitgerekend hoeveel benzine er in Nederland verbruikt zou moeten worden als voor alle in Nederland gereden kilometers ook in Nederland zou worden getankt.6 Dit is naast de realisatiecijfers gelegd van het aantal verkochte liters brandstof in Nederland.

Voor benzine blijken de afzet (in Nederland verkochte benzine) en het verbruik (in Nederland gereden kilometers) al jarenlang nagenoeg met elkaar overeen te komen, hetgeen lijkt aan te geven dat ondanks een toenemend prijsverschil voor benzine met onze buurlanden geen (toenemende) weglek optreedt.

Het kabinet verwacht op grond van het bovenstaande dat de indexatie van de benzineprijs in 2014 niet tot een substantieel grenseffect zal leiden.

Volgens het model van Ecorys zullen veel vrachtwagens en personenauto’s vanwege de accijnsverhoging op diesel gaan omrijden naar het buitenland om te tanken. De budgettaire derving als gevolg van dit grenseffect wordt berekend op € 129 miljoen en, in een ander scenario, op € 53 miljoen.

Het kabinet merkt het volgende op. Bij diesel is de reactie van de vrachtsector cruciaal voor de omvang van een eventueel grenseffect omdat de vrachtsector het grootste deel van de diesel verbruikt en omdat maar klein deel van diesel wordt verbruikt door automobilisten die zelf de brandstofrekening betalen.

De accijnsverhoging betekent, exclusief BTW, een stijging van de belastingheffing per liter diesel van 4 eurocent. Vergeleken met Duitsland zal er 2 eurocent meer accijns worden geheven (thans 2 eurocent minder) en vergeleken met België zal er 6 eurocent meer accijns worden geheven (thans 2 eurocent meer). Daarbij kent België nog een teruggaveregeling voor zware vracht van momenteel 5 eurocent per liter. Hierbij zij opgemerkt dat accijnsverhogingen niet, vanwege concurrentieoverwegingen, zomaar volledig zullen worden doorberekend in de prijs aan de pomp.

Het kabinet acht het niet waarschijnlijk dat veel vrachtwagens gaan omrijden door de beperkte stijging van de dieselaccijns. Het omrijden kost geld (extra brandstof) en tijd. Bovendien zijn voor veel transporteurs de verschillen in pompprijzen in beperkte mate relevant, omdat zij vaak als grootverbruikers gunstiger arrangementen hebben of over een eigen thuispomp beschikken.

Ook is niet te verwachten dat veel personenauto’s gaan omreizen vanwege een beperkt prijsverschil, vanwege de kosten en de tijd die ermee gemoeid zijn. Het omrijden naar het buitenland kost geld en tijd en zal alleen voor een (beperkt) deel van de grensbewoners profijtelijk zijn. De grensbewoners zelf zijn weer een (kleine) minderheid van het totaal aantal automobilisten in Nederland.

Het kabinet merkt evenwel op dat als gevolg van de accijnsverhoging zich een omslag in de prijsverhouding met Duitsland kan voordoen. Tot nu toe is de dieselprijs in Nederland lager, maar de dieselprijs zou in 2014 hoger kunnen liggen dan in Duitsland, afhankelijk van de mate waarin de accijnsverhoging in de prijs wordt doorberekend en afhankelijk van andere concurrentieoverwegingen. Dit betekent dat er een risico is dat vrachtverkeer dat van Nederland naar Duitsland reist of omgekeerd in 2014 onderweg in Duitsland tankt in plaats van in Nederland. Een dergelijk omslagpunt met België doet zich niet voor, omdat de accijns in België thans reeds lager is.

Dit effect dient onderscheiden te worden van het omrijden; het betreft het tanken onderweg (op de route) en hoeft niet noodzakelijkerwijs direct aan de grens plaats te vinden. Het risico en derhalve de mogelijke budgettaire derving van dit onderweg tanken is moeilijk in te schatten, maar zou substantieel kunnen zijn.

Ecorys voorspelt dat de accijnsverhoging op LPG € 25 miljoen minder zal opbrengen dan geraamd vanwege het grenseffect. Het kabinet verwacht hier geen substantiële weglek, om dezelfde reden als de accijnsverhoging voor diesel: omrijden kost tijd en geld en zal slechts voor een klein deel van de automobilisten op de totale populatie in Nederland profijtelijk zijn.

Samenvattend: het kabinet verwacht geen substantiële budgettaire derving vanwege een grenseffect bij de indexatie van de benzineaccijns. Evenmin verwacht het kabinet een substantiële budgettaire derving bij de accijnsverhoging voor diesel en lpg vanwege het omrijden door personenverkeer of vrachtverkeer.

Het kabinet wijst wel op het risico dat zich een substantiële budgettaire derving zou kunnen voordoen doordat de dieselprijs in 2014 in Duitland goedkoper kan worden dan in Nederland, waardoor met name vrachtvervoer voortaan onderweg in Duitsland zal kunnen gaan tanken in plaats van in Nederland.

Overigens moet opgemerkt worden dat de € 280 miljoen opbrengst van de accijnsverhogingen op diesel en LPG een zogenoemde ex ante raming is. In het totaal van de geraamde belastingopbrengsten wordt – in lijn met de economische voorspellingen van het CPB – wel rekening gehouden met uitverdieneffecten van lastenverzwarende maatregelen als accijnsverhogingen.

De heer Omtzigt vraagt of niet wordt uitgezocht wat er gebeurt als zich een tegenvaller voordoet van € 800 miljoen. Hij vraagt tevens of ik het verhogen van de accijnzen een betrouwbare inkomstenpost vind gezien de huidige tegenvaller van € 800 miljoen. De heer Omtzigt doelt hier op de raming van de accijnsontvangsten voor 2013 conform de stand Miljoenennota 2014, dat is de meest actuele raming, en de raming van de accijnsontvangsten 2013 bij de Miljoenennota 2013. Ten opzichte van de Miljoenennota 2013 kennen de ontvangsten uit de accijns op lichte olie (benzine) een tegenvaller van € 0,2 miljard, de accijns op andere minerale oliën (diesel, lpg) een tegenvaller van € 0,2 miljard en de ontvangsten uit de tabaksaccijns een tegenvaller van € 0,4 miljard.

Zoals in het antwoord op de een vraag van de heer Omtzigt over de grenseffecten al is aangegeven kan op basis van de verkochte liters brandstof in het verleden worden vastgesteld dat accijnsverhogingen niet hebben geleid tot minder verkoop van brandstof in Nederland. De recente tegenvallers bij de brandstofaccijnzen hebben alles te maken met de economische ontwikkeling sinds halverwege 2012. Minder gereden particuliere kilometers, minder gereden zakelijke kilometers en minder goederenvervoer zorgen voor minder verbruik in liters en daardoor minder accijnsontvangsten. Zoals in dat antwoord over de grenseffecten eveneens is aangegeven verwacht het kabinet geen noemenswaardige grenseffecten van de verhoging van de accijns op diesel en lpg per 1 januari 2014.

Wat betreft de tegenvaller van € 0,4 miljard bij de tabaksaccijns, wil ik de heren Omtzigt en Bashir verwijzen naar de grenseffectenrapportage die op Prinsjesdag naar de Tweede kamer is gestuurd en waarin een uitgebreide analyse van de tegenvaller bij de tabaksaccijns gegeven wordt. In de hierna opgenomen tabel uit die grenseffectenraportage wordt aangegeven hoe de raming voor de opbrengst voor het hele jaar 2013 is bijgesteld. Daarbij wordt een schatting gegeven van de verschillende mogelijke oorzaken. Uit de tabel valt op te maken (wat in de grenseffectenrapportage nader is toegelicht) dat naar alle waarschijnlijkheid de toegenomen grenseffecten slechts een beperkt deel van de tegenvaller verklaren en dat de tegenvaller in 2013 met name te wijten is aan voorraadvorming in reactie op de verhoging van het tarief per 1 januari 2013, en aan het nog langer kunnen aankopen van tabaksprodukten tegen het oude tarief, waarmee geen rekening was gehouden in de oorspronkelijke raming. Dit zijn tijdelijke effecten. Daarnaast heeft ook substitutie naar goedkopere tabaksprodukten plaatsgevonden. Ook dat kan voor een deel een tijdelijk effect zijn. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat ik nooit de kwalificatie «gering» heb gebruikt of zal gebruiken bij bedragen in de orde van grootte van € 400 miljoen of € 800 miljoen.

Tabel 4 Bijstelling raming accijns op sigaren en rooktabak (€ mln.)
     

MN 2013

MN2014

Verschil

1 Jaarraming 2012

2.525

2.502

– 23

Mutatie:

231

– 150

– 381

 

waarvan

     
 

– 2 Effect verhoging accijns

331

331

0

 

– Ramingsbijstelling door

     
   

– 3 Consumptie

0

– 60

– 60

   

– 4 Reactie op accijnsverhoging

– 100

– 100

0

   

– 5 Substitutie

 

– 105

– 105

   

– 6 Aankoop tegen oud tarief

 

– 126

– 126

   

– 7 Overig, waaronder grenseffect

 

– 90

– 90

8 Jaarraming 2013

2.756

2.352

– 404

De geconstateerde lagere ontvangsten uit de tabaksaccijns in 2013 zijn in het kader van behoedzaamheid en gelet op de relatief grote accijnsverhoging per 2013 bij de tabak vooralsnog grotendeels doorgetrokken naar de raming van de opbrengst van de tabaksaccijns in de jaren 2015 tot en met 2017. Verder heeft het kabinet heeft besloten de eerder geplande verhoging van de tabaksaccijns per 1 januari 2014 met een jaar uit te stellen. De accijnzen op bier, wijn en alcohol over 2013 ten slotte kennen tot nog toe geen tegenvallers, ondanks de accijnsverhogingen per 1 januari 2013. Op basis van de realisaties over 2013 en die uit het verleden verwacht ik – zeker met het oog op de aanpassing in deze accijnsverhogingen in het aanvullend pakket – niet dat het verhogen van deze accijnzen tot noemenswaardige toename in aankopen over de grens zal leiden.

Ten slotte zij gemeld dat in de raming van de belastinginkomsten rekening wordt gehouden met alle relevante macro-economische ontwikkelingen, onder andere die in de werkgelegenheid, de lonen, de winsten en de binnenlandse bestedingen, óók als die veranderingen in de binnenlandse bestedingen het gevolg zijn van lastenverzwaringen waaronder accijnsverhogingen. Zo is in de raming van de inkomsten over 2014 uiteraard ook rekening gehouden met de lastenverzwaringen die in 2014 worden doorgevoerd. Het effect van lastenverzwaringen op onder andere de binnenlandse bestedingen en de werkgelegenheid zijn meegenomen door het CPB in de ramingen in het kader van de Macro Economische verkenningen. Als de economische groei in het laatste kwartaal van 2013 en/of over het jaar 2014 toch anders gaat uitpakken dan waar het kabinet zich op heeft gebaseerd, dan zullen inkomsten in 2014 uiteraard ook met meer of minder dan € 11 miljard toenemen. De ramingen van het kabinet betreffen echter de beste inschatting van het kabinet op basis van de meest actuele inzichten.

Mevrouw Neppérus, mevrouw Schouten en de heren Groot, Van Vliet, Omtzigt en Klein hebben verschillende vragen gesteld over propaangas (hierna: propaan). Zij vragen allen of het mogelijk zou zijn om de koppeling van het accijnstarief van propaan en LPG los te laten. Mevrouw Neppérus vraagt in dit verband of dit uitvoerbaar zou zijn, terwijl de heer Groot vraagt hoe groot de kans is op misbruik. De heer Omtzigt geeft aan dat er ook wat betreft de btw een verschil is tussen propaan een aardgas en vraagt voorts of landen als Spanje en Italië twee tarieven hebben voor propaan en of dat uitvoerbaar is. Zoals ik heb aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 2014 was misbruik van het verschil in tarief mede de aanleiding om voor vloeibaar gemaakte gassen met ingang van 1 januari 2010 (Fiscale vereenvoudigingswet 2010) het onderscheid in energiebelasting en accijns af te schaffen en over te gaan tot slechts één accijnstarief ongeacht het gebruik van het gas. Als bijlage bij deze brief is opgenomen hetgeen hierover destijds in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is opgenomen.7 Ook de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI) heeft in het verleden haar zorg hierover uitgesproken8, omdat haar leden door de onduidelijkheden geconfronteerd werden (of konden worden) met naheffingen. Fabrikanten van propaan leverden dit ook aan handelaren, die nog niet wisten wat het gebruik zou zijn, voor het wegverkeer of voor ander gebruik. In dat geval moest door de fabrikant zowel accijns als energiebelasting worden afgedragen, waarna later door de handelaar een verzoek om teruggaaf voor hetzij de accijns hetzij de energiebelasting kon worden gedaan. Ook als de handelaar aangaf, via een gebruikersverklaring, waarvoor het propaan zou worden gebruikt, was de fabrikant niet zeker of dit ook daadwerkelijk zou gebeuren. Indien later bij een controle bleek dat een handelaar het propaan voor een ander doel had gebruikt, liep de fabrikant het risico van een naheffing. Ook dit heeft destijds meegewogen om het systeem met twee verschillende middelen en tarieven af te schaffen. Hoewel er nu geen sprake meer is van twee verschillende middelen gelden de redenen die in 2009 in de memorie van toelichting zijn aangevoerd voor de invoering van een uniform tarief nog onverkort. Daarom zal ik een systeem met twee tarieven niet heroverwegen, zeker niet zonder hierover eerst overleg te hebben gevoerd met het bedrijfsleven. In Italië en Spanje zijn er overigens wel twee verschillende tarieven, maar mij is niet bekend of en in welke mate deze landen tegen uitvoeringsproblemen aan lopen. De andere optie om tegemoet te komen aan het verzoek van de diverse fracties zou een teruggaafregeling zijn waarbij, afhankelijk van het soort gebruik, een gedeeltelijk teruggaaf van accijns wordt verleend aan de gebruikers van propaan. Om dit uitvoeringstechnisch niet onnodig te compliceren zou het daarbij moeten gaan om ander gebruik van propaan dan voor het wegverkeer, dus niet uitsluitend bij gebruik voor verwarmingsdoeleinden. Zo kan propaan ook worden gebruikt als drijfgas in spuitbussen of als zogenoemd campinggas. Ook dergelijk gebruik zou dan onder de teruggaafregeling vallen. Gezien het grote aantal gebruikers (naar schatting minimaal 35.000) betekent dit echter een groot aantal verzoeken om teruggaaf; geschat wordt minimaal 140.000 per jaar. Daarnaast zullen administratieve controles moeten worden ingesteld om de juistheid van de verzoeken om teruggaaf te beoordelen. Nog los van het budgettaire beslag van een dergelijke teruggaafregeling (nader geschat op ruim € 16 miljoen per jaar) betekent dit een flink aantal extra fte’s, zowel voor de behandeling van de verzoeken om teruggaaf (geraamd op minimaal 6 fte’s) als voor de controle op de juiste toepassing van het propaan nadat teruggaaf is verkregen. Voor deze controles zullen nog eens circa 10 fte’s nodig zijn. Sedert 1 juli 2013 gebruikt de Douane een geautomatiseerd systeem: Digitale teruggaaf accijns (DTA). Dit systeem is echter alleen te gebruiken door ondernemers (particulieren hebben geen zogenoemd Persoonlijk Domein op de website van de Belastingdienst, de toegangspoort tot DTA). Dit betekent dat particulieren een verzoek om teruggaaf moeten downloaden en op papier moeten indienen. Die teruggaafverzoeken zullen door de Douane moeten worden verwerkt. Mede gezien deze uitvoeringsproblemen zie ik daarom ook voor een teruggaafregeling geen mogelijkheid. Tot slot merk ik nog op dat er in tegenstelling tot hetgeen de heer Omtzigt opmerkt, geen verschil is in btw-tarief voor propaan en aardgas gebruikt voor woningverwarming. Zowel propaan als aardgas voor woningverwarming vallen onder het algemene tarief.

De heer Klein vraagt waarom de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken is verhoogd en welk doel hiermee wordt gediend. Het kabinet geeft er bij nader inzien de voorkeur aan om de in het regeerakkoord voorziene verhoging voor alcoholhoudende dranken te beperken. De dekking daarvoor wordt gevonden in de verhoging van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken. Het doel van de verhoging is dan ook van budgettaire aard. Hier speelt mee de overweging dat deze belasting sinds 2003 niet is verhoogd.

De heer Bashir vraagt of de tarieven van de frisdrankbelasting in het buitenland vergelijkbaar zijn met die welke Nederland vanaf 2014 heft. Zoals is vermeld in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 2014 heffen in ieder geval België, Denemarken, Finland, Frankrijk, Hongarije en Kroatië een belasting op frisdranken. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de tarieven van deze belasting in de genoemde landen.

Tabel 5 Frisdrankbelasting in andere Europese landen

Land

Tarief per hectoliter

Nederland

€ 5,70 – € 7,59

België

€ 3,72

Denemarken

€ 4 – € 111

Finland

€ 11 of € 222

Frankrijk

€ 7,77

Hongarije

€ 2 – € 14

Kroatië

€ 5,50

X Noot
1

afhankelijk van hoeveelheid suiker

X Noot
2

m.i.v. 1 januari 2014: lage tarief voor suikervrije frisdranken, hoge tarief voor frisdranken met suiker

Zoals is opgenomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Belastingplan 2014 dient de verhoging van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken als dekking van de beperking van de in het regeerakkoord voorziene accijnsverhoging van alcoholhoudende dranken. Naast het budgettaire argument heeft in de overweging om deze belasting te verhogen het feit dat deze verbruiksbelasting al meer dan 10 jaar niet is verhoogd wel een rol gespeeld.

De heer Groot vraagt naar het gelijktrekken van de accijnsdruk op shag met die van sigaretten. Het heeft ook mijn voorkeur om de accijnstarieven van sigaretten en shag dichter naar elkaar toe te brengen. Per 1 januari 2013 is een stap gezet om de tarieven van sigaretten en shag dichter naar elkaar toe te brengen door een verhoging van € 0,60 per pakje rooktabak (40 gram) en € 0,35 per pakje sigaretten (19 stuks). In de hierna opgenomen tabel is te zien wat de accijnstarieven van shag zijn in de ons omringende landen. Gezien deze shagtarieven zie ik geen ruimte om de accijnstarieven van shag meer te verhogen.

Tabel 6 Accijnstarieven shag in ons omringende landen in euro’s per 1 juli 2013
 

Nederland

België

Duitsland

Luxemburg

Shag, accijns pakje 50 gram

4,09

2,71

3,30

1,53

Autogerelateerde belastingen

De heer Groot menen dat een meer vloeiende curve in de tariefopbouw van de op de CO2-uitstoot gebaseerde Belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM) minder concurrentieverstorend zou uitpakken waardoor er geen geforceerde pogingen van autofabrikanten meer hoeven te zijn om net onder een bepaalde CO2-grens uit te komen. Deze leden vragen om hierop te reageren. Ook zijn deze leden benieuwd naar de verdere uitwerking in de Autobrief II. De BPM vormt door de grondslag van CO2-uitstoot een substantiële stimulans voor de aanschaf van zuinige auto’s en maakt door zijn progressiviteit de aanschaf van onzuinige auto’s onaantrekkelijk. De voorgestelde tarieven per 1 januari 2015 zijn opgenomen in de volgende tabel.

Tabel 7 Voorgestelde BPM-tarieven per 1 januari 2015

Bij een CO2-uitstoot van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting voor een personenauto het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal gram/km CO2-uitstoot dat de in kolom I vermelde CO2-uitstoot te boven gaat

I

II

III

IV

0 gram/km

82

€ 175

€ 6

82 gram/km

110

€ 667

€ 69

110 gram/km

160

€ 2.599

€ 112

160 gram/km

180

€ 8.199

€ 217

180 gram/km

€ 12.539

€ 434

Het verschil in de te heffen BPM kan daardoor in de hogere schijven snel oplopen zoals onderstaande figuur, die ook was opgenomen in het schriftelijk overleg, aantoont. Nu de BPM sinds 1 januari 2013 volledig gebaseerd is op de CO2-uitstoot, is nu al sprake van een redelijk vloeiend verloop. Eén gram verschil in CO2-uitstoot leidt nu slechts tot het betalen voor één gram extra, terwijl voor 1 januari 2013 het net niet voldoen aan de vrijstellingsgrens betekende dat ook het toen nog verschuldigde catalogusdeel van de BPM betaald moest worden.

Figuur 1 Hoogte BPM bij CO2-uitstoot van nihil tot 200 gr/km

Figuur 1 Hoogte BPM bij CO2-uitstoot van nihil tot 200 gr/km

In de Autobrief II zal overigens nog uitgebreid worden teruggekomen op de huidige tariefstructuur in de BPM. Het robuuster maken van de BPM zal daarvan een belangrijk element uitmaken. Ik merk nog op dat bijvoorbeeld voor de zogenoemde auto van de zaak de CO2-uitstootgrenzen zoals deze in de bijtelling worden gehanteerd waarschijnlijk van meer invloed zijn op de keuze van de auto dan de tariefstructuur van de BPM. In de Autobrief II zal ook naar dit aspect van de huidige bijtelling worden gekeken. De Autobrief II zal naar verwacht in de loop van 2014 worden afgerond.

Het doet me deugd dat de heer Koolmees zich wat betreft de wijzigingen in de BPM kan vinden in het bescheiden belasten van de auto’s die anders onder een vrijstelling van de BPM zouden vallen. De heer Koolmees geeft aan één punt niet te begrijpen, namelijk waarom auto’s in de tweede schijf van de BPM en hoger worden gevrijwaard van de verhoging van de BPM per 2015. Derhalve vraagt hij of ik ook deze categorie auto’s wil laten meebetalen en of ik daarvoor een aantal alternatieven kan schetsen. De BPM maakt door zijn progressiviteit de aanschaf van onzuinige auto’s al erg onaantrekkelijk. We zien dit ook terug in de verkopen. Het aandeel auto’s dat in de eerste helft van 2013 in de tweede schijf of hoger valt, is ongeveer 16% van de totaalverkopen. Van belang daarbij is de progressie van de thans voorgestelde belasting, waardoor voor auto’s in de hoogste schijf de BPM een factor 31 hoger kan zijn ten opzichte van een auto met een CO2-uitstoot van 82 gr/km (einde nieuwe extra schijf). Bovenstaande figuur 5 geeft de progressiviteit bij een CO2-uitstoot van nihil tot 200 gr/km CO2-uitstoot grafisch weer. Een meer lineair systeem, waar de heer Koolmees om vroeg, zal ik betrekken bij de Autobrief II.

De heer Van Ojik vraagt hoe ik ertegenover sta om het bijtellingspercentage voor elektrische auto’s op nul te zetten. De heer Van Ojik vraagt dit in relatie tot de motie Vendrik/Kroon9 die mede aanleiding is geweest voor een plan van aanpak voor elektrische auto’s waarin het streven is neergelegd om in 2020 200.000 elektrische auto’s te hebben. Hierbij past de kanttekening dat in dat plan van aanpak onder elektrische auto mede de zogenoemde plug-in hybride wordt verstaan. Het gaat dus niet alleen om de volledig elektrische auto. Op basis van de thans geldende wetgeving zou het bijtellingspercentage voor zogenoemde nulemissieauto’s (volledige elektrische auto’s) en plug-in hybrides met ingang van 1 januari 2014 van thans nihil op zeven worden gebracht. Als gevolg van de (eerste) nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2014 wordt dat percentage voor volledige elektrische auto’s teruggebracht van zeven naar vier. Naar mijn mening wordt daarmee recht gedaan aan de wens om zowel de volledig elektrische auto als de plug-in hybride auto (fors) te stimuleren teneinde in 2020 de doelstelling van 200.000 elektrische en plug-in hybride auto’s te realiseren. Door voor de volledig elektrische auto een lager bijtellingspercentage vast te stellen dan voor de plug-in hybride auto wordt ook recht gedaan aan de wens om de volledig elektrische auto fiscaal gunstiger te behandelen dan de plug-in hybride. Tegelijkertijd wordt ook bij de volledig elektrische auto rekening gehouden met de visie dat bij de terbeschikkingstelling van een auto die ook voor privédoeleinden wordt gebruikt sprake is van loon in natura waarover in ieder geval enige belasting dient te worden betaald.

De heer Van Vliet en de heer Omtzigt vragen om een heroverweging van de oldtimerregeling, omdat deze naar hun mening per 1 januari 2012 reeds voldoende is aangescherpt ingevolge het amendement Van Vliet. De in het wetsvoorstel Belastingplan 2014 voorgestelde oldtimerregeling is een adequaat en noodzakelijk compromis overeengekomen met de oldtimerbranche. Een verdere aanscherping was noodzakelijk omdat tussen 2008 en 2013 het aantal oldtimers met 40% was toegenomen tot 305.000 voertuigen. Zowel vanuit budgettaire beheersbaarheid als vanuit milieuoogpunt is deze toename ongewenst. De toename wordt met name veroorzaakt door jonge oldtimers die bovendien relatief veel kilometers maken, wat erop duidt dat deze niet alleen voor recreatief verkeer, maar vooral voor dagelijks verkeer worden gebruikt. Zonder verdere aanscherping zou de budgettaire derving door lagere motorrijtuigenbelasting (MRB)-ontvangsten als gevolg daarvan zijn toegenomen van € 102 miljoen in 2008 tot € 207 miljoen in 2013. Zowel de leden van de fractie van de PVV als de leden van de fractie van het CDA hebben al eerder de cijfers over import en export in twijfel getrokken. Volgens mij ten onrechte. Om die reden heb ik TNO gevraagd om nog eens te kijken naar de ontwikkelingen over 2012 en 2013. Deze cijfers, gevoegd bij de nota naar aanleiding van het verslag, ondersteunen de ingeslagen weg. TNO concludeert bijvoorbeeld dat zonder de aangekondigde maatregelen er in 2013 naar schatting 9.000 extra (bijna-) oldtimers zouden zijn geïmporteerd, waarvan 5.000 diesels. TNO concludeert dat door aankondiging in het regeerakkoord er nu, 1 jaar na afkondiging van de maatregel, 18.000 (bijna-)oldtimers minder in het wagenpark zijn dan zonder deze aankondiging het geval zou zijn geweest. Dit komt door vermindering van de import en toename van de export en sloop van (bijna-) oldtimers. Doordat veel rijden in jonge oldtimers met name lucratief is voor diesel- en LPG-auto’s is de afgelopen jaren het aandeel diesel- en LPG-oldtimers toegenomen en is hun aandeel groter dan het aandeel diesel en LPG-auto’s in de rest van het wagenpark. De nieuwe oldtimerregeling beoogt derhalve zowel de totale omvang van het oldtimerwagenpark als het aandeel diesel- en LPG-oldtimers terug te dringen. Deze regeling is de uitkomst van een uitvoerig overleg met de vertegenwoordigers van de oldtimerbranche. Dat overleg is gevoerd op basis van een verzoek van uw Kamer tijdens het Algemeen Overleg van 17 april 2013 om, uitgaande van de in het regeerakkoord voorziene afschaffing van de vrijstelling, te komen tot een breed gedragen regeling waarin het rijdend cultureel erfgoed werd ontzien. Uw Kamer heeft mij daarvoor een (budgettair) mandaat gegeven en daarbinnen ben ik gekomen tot het in uw Kamer breed gedragen compromis zoals dat thans voorligt, een compromis waar ik nog steeds achter sta. Een wijziging van dat compromis heeft budgettaire gevolgen waarvoor ik op dit moment geen ruimte zie.

Ook aan het door de heer Omtzigt gedane verzoek voor een overgangsregeling voor dieselauto’s en LPG-auto’s, bijvoorbeeld door auto’s ouder dan 30 jaar onder het kwarttarief te laten vallen, kan ik derhalve niet tegemoetkomen. Overigens is het budgettaire beslag van een dergelijke overgangsregeling fors. Als deze wordt vormgegeven door een kwarttarief voor diesel- en LPG-oldtimers tussen de 30 en de 40 jaar zijn de totale kosten van de overgangsregeling € 27 miljoen. Indien ook voor deze categorie een maximum van € 120 wordt gehanteerd stijgen de kosten tot € 39 miljoen.

Zowel de heer Bashir als de heer Omtzigt vragen waarom oldtimers die onder de overgangsregeling vallen niet gewoon op de weg geparkeerd mogen worden in de wintermaanden. De bedoeling van de overgangsregeling is om oldtimers die niet dagelijks gebruik maken van de weg te ontzien. Om dit «niet dagelijks gebruik van de weg maken» handen en voeten te geven, is in het compromis met de oldtimerbranche gekozen voor de voorwaarde dat in de maanden januari, februari en december geen gebruik van de weg wordt gemaakt. Ook parkeren is gebruik maken van de weg. In de wintermaanden staan veel oldtimers – om deze zoveel mogelijk in goede staat te houden – in een garage of schuur. Oldtimerbezitters die nu nog geen onderdak voor hun oldtimer in deze wintermaanden hebben, krijgen hiervoor de tijd tot 1 december 2014. In de maanden januari en februari 2014 is het parkeren en rijden op de weg nog wel toegestaan onder de overgangsregeling.

Bij het niet gebruik maken van de weg is aangesloten bij de bestaande schorsingsregeling. Bij de schorsingsregeling mag, zowel rijdend als stilstaand, geen gebruik van de weg worden gemaakt. De handhaving van de schorsingregeling vindt dan ook plaats door zowel geparkeerde als rijdende auto’s met automatische nummerplaatherkenning te controleren.

Als zou worden toegestaan dat oldtimers die onder de overgangsregeling vallen op de weg geparkeerd mogen worden in de maanden januari, februari en december van het kalenderjaar, wordt de handhaving van de overgangsregeling buitengewoon lastig. Handhaving kan dan namelijk uitsluitend plaatsvinden door te constateren dat een auto rijdend is aangetroffen op de weg. Indien bijvoorbeeld geconstateerd zou worden dat een auto op 1 januari op een andere plek geparkeerd staat dan op 2 januari, is dit nog geen bewijs dat er met de auto is gereden. De handhaving wordt dan ook ernstig bemoeilijkt als parkeren op de weg onder de overgangsregeling wordt toegestaan. Daarnaast kan zo’n afwijking uitstralingseffecten hebben naar de bestaande schorsingsregeling ook in de Wegenverkeerswet die ook relevant is voor de MRB.

De heer Klein vraagt of het terugdraaien van de MRB-maatregel uit de Autobrief I de positie van de overheid als betrouwbare partner niet ondermijnt. Deze leden vragen derhalve of de maatregel niet alsnog in lijn kan worden gebracht met de Autobrief I. In het Belastingplan 2011 is door mijn ambtsvoorganger toegezegd dat tot 2013 niet aan de vrijstelling MRB voor dieselauto’s met een CO2-uitstoot van ten hoogste 95 gr/km en overige auto’s met een CO2-uitstoot van ten hoogste 110 gr/km zou worden getornd. Aan deze toezegging heb ik mij, mede vanuit het oogpunt van het vertrouwensbeginsel, gehouden. De betreffende vrijstelling van de MRB wordt – op basis van de Wet uitwerking Autobrief – met ingang van 1 januari 2014 (deels) beëindigd. In de budgettaire tabel in de memorie van toelichting bij de Wet uitwerking autobrief is destijds aangegeven dat de lastenverzwaring gecompenseerd zou worden door een generieke verlaging van de MRB in 2014. Deze tariefverlaging is toen niet wettelijk geregeld omdat de indexatiepercentages voor 2013 en 2014, waarmee de tarieven jaarlijks op grond van de bijstellingsregeling worden verhoogd, nog niet bekend waren. Hoewel ik zoveel mogelijk vasthoud aan de lijnen die de Autobrief zijn neergelegd, ontkomen we er niet aan om ook hier concessies doen als het gaat om het op orde brngen van de overheidsfinanciën. Door de beoogde verlaging van de MRB per 2014 niet conform de aankondiging in de Wet uitwerking Autobrief te regelen, wordt de beoogde opbrengst van € 250 miljoen uit de Begrotingsafspraken 201410 bereikt.

Voorts vraagt de heer Klein hoe ik aankijk tegen een gefundeerde discussie over de autofiscaliteit mede gelet op de maatschappelijke kosten en baten van automobiliteit. De primaire doelstelling van de heffing van belasting op verkeer is wat de Rijksbelastingen betreft het financieren van overheidsuitgaven. De opbrengsten van deze belastingen vloeien dan ook rechtstreeks naar de algemene middelen. Het belasten van de externe effecten van transport is dus geen primaire doelstelling van deze belastingen. Dit neemt niet weg dat de autobelastingen met name de laatste jaren ook stevig zijn ingezet voor andere doeleinden, zoals vergroening en het ontmoedigen van ongewenst gedrag. In de aan uw Kamer toegezegde Autobrief II zal ik ingaan op de autogerelateerde belastingen vanuit de invalshoek van robuuste, stabiele belastingopbrengsten en zal ik tevens ingaan op andere doeleinden zoals vergroening.

Stamrechten

De heer Bashir vraagt of gesteld kan worden dat door de afschaffing van de stamrechtvrijstelling het opstarten van een onderneming onaantrekkelijker wordt. Door middel van het afschaffen van de stamrechtvrijstelling voor nieuwe gevallen zal er direct belasting betaald moeten worden over de ontvangen ontslagvergoeding. De nettovergoeding zal voor elk gewenst doel kunnen worden aangewend waaronder het opstarten van een onderneming. Deze nettovergoeding is inderdaad lager dan de brutovergoeding die tot 1 januari 2014 in stamrecht-bv’s ondergebracht kan worden. Op die bruto stamrechtaanspraak bij een stamrecht bv rust overigens nog wel een fiscale claim waarmee men bij aanwending van het stamrechtvermogen in het kader van de onderneming rekening moet houden. Net als bij andere lastenverzwarende maatregelen, wordt de bedrijvigheid door afschaffing van de stamrechtvrijstelling negatief beïnvloed. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een onderzoek in te stellen naar de afzonderlijke invloed van de afschaffing van de stamrechtvrijstelling op bedrijvigheid. Voorts vragen de heren Klein en Bashir of er gekeken is naar de nadelen van het afschaffen van de stamrechtvrijstelling en dan in het bijzonder voor de overbrugging van de periode tussen werk en pensioen. De afschaffing van de stamrechtvrijstelling kan, afhankelijk van de persoonlijke situatie, ertoe leiden dat over een ontslaguitkering meer belasting geheven wordt dan bij het gebruik van de stamrechtvrijstelling, waardoor een lager nettobedrag beschikbaar blijft voor het overbruggen van de periode tussen werk en pensioen. Daar staat tegenover dat de belastingplichtige, net als bij de toepassing van het overgangsrecht voor de stamrechtvrijstelling voor bestaande gevallen, zelf kan bepalen wanneer hij welk bedrag van zijn ontslagvergoeding aanwendt.

De heer Omtzigt vraagt vervolgens of met de afschaffing van de stamrechtvrijstelling is beoogd dat inwoners van België en Duitsland premie volksverzekeringen gaan betalen in Nederland. Blijkens de vraag van de heer Omtzigt gaat het hier om inwoners van België of Duitsland met een «Nederlands» stamrecht, die nu geen premie volksverzekeringen in Nederland betalen. Ik ga ervan uit dat zij geen premie volksverzekeringen betalen, omdat zij niet in Nederland verplicht verzekerd zijn voor de volksverzekeringen. Daarvan uitgaande zal het vervallen van de stamrechtvrijstelling geen gevolgen hebben voor de premieheffing. Het vervallen van de stamrechtvrijstelling leidt niet tot verzekeringsplicht, en derhalve ook niet tot premieheffing. Zouden inwoners van België of Duitsland met een stamrechtvrijstelling nu wel premie volksverzekeringen betalen omdat zij in Nederland verplicht verzekerd zijn, dan kunnen zij wel premie volksverzekeringen verschuldigd zijn. Volledigheidshalve wordt in dit verband opgemerkt dat de Nederlandse volksverzekeringenpremie gemaximeerd is. Het maximuminkomen waarover de premie volksverzekeringen wordt geheven, bedraagt voor het jaar 2013 € 33.363. Premie volksverzekeringen zal dus alleen worden geheven over een ontslaguitkering indien het overige loon het maximumpremieloon niet reeds opvult.

De heer Klein vraagt daarnaast in het kader van de afschaffing van de stamrechtvrijstelling of een ontslaguitkering kan leiden tot pseudo-eindheffing voor hoog loon. De grondslag voor de pseudo-eindheffing voor hoog loon in 2014 is – kort gezegd – het loon van de werknemer waarover in het jaar 2013 loonbelasting is geheven. In 2013 kan op ontslaguitkeringen de stamrechtvrijstelling nog van toepassing zijn. Bovendien is een ontslaguitkering in het algemeen aan te merken als loon uit vroegere dienstbetrekking en zou ook om die reden een eventuele pseudo-eindheffing voor hoog loon niet van toepassing zijn omdat de grondslag voor die pseudo-eindheffing alleen het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bevat.

Werkgeversheffing

De heer Bashir vraagt waarom de pseudo-eindheffing voor hoog loon geen structureel karakter kan krijgen, en meent dat deze vraag – die hij eerder stelde – tot op heden onbeantwoord is gebleven. Voorts vraagt hij waarom er geen toptarief wordt ingevoerd voor alle inkomens vanaf € 150.000. Dat de eerste vraag tot nu toe onbeantwoord is gebleven berust op een misverstand. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 2014 is namelijk in antwoord op deze vraag van de leden van de fractie van de SP aangegeven dat de pseudo-eindheffing voor hoog loon een noodmaatregel is die wordt getroffen onder bijzondere economische omstandigheden en dat het kabinet gezien het karakter van deze maatregel niet voornemens is om van deze incidenteel bedoelde maatregel een structurele maatregel te maken.11 Voorts ben ik niet voornemens om een extra schijf vanaf € 150.000 met een hoger toptarief dan 52% in te voeren. Het invoeren van een dergelijke extra belastingschijf voor hoge inkomens is schadelijk voor de werkgelegenheid, het vestigingsklimaat en daarmee ook voor de Nederlandse economie.

De heer Omtzigt vraagt naar de mogelijkheden van middeling in het geval een ontslaguitkering in een keer wordt uitbetaald en er – na 1 januari 2014 – geen gebruik meer kan worden gemaakt van de stamrechtvrijstelling. Middeling biedt belastingplichtigen de mogelijkheid om de verschuldigde belasting over het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning over een periode van drie aaneengesloten jaren te laten herberekenen. Daarbij wordt voor elk van die drie jaar over het gemiddeld belastbaar inkomen opnieuw de verschuldigde belasting berekend waardoor per jaar een lager tarief van toepassing kan zijn. Het progressienadeel – als gevolg van een hoog belastbaar inkomen uit werk en woning in een van die jaren – wordt dan op verzoek van de belastingplichtige teruggegeven. De middelingsregeling kan dus alleen worden toegepast als het belastbare inkomen uit werk en woning over die drie jaren bij aanslag is vastgesteld. Het staat de belastingplichtige evenwel vrij om zelf te bepalen welke jaren hij in het middelingstijdvak betrekt. Dat betekent dat indien een belastingplichtige in het jaar t een ontslaguitkering krijgt, hij die uitkering kan middelen over de jaren t, t-1 en t-2. Dat betekent dat hij na de definitieve aanslag over het jaar t in het jaar t+1 op verzoek de te veel betaalde belasting als gevolg van het progressienadeel terugkrijgt. Punt is hierbij wel dat die belastingplichtige in de jaren t-1 en t-2 doorgaans wel een inkomen heeft gehad, waardoor het resultaat van de middeling lager zou kunnen zijn dan wanneer gemiddeld zou worden met de jaren na ontslag, omdat er bij middelen met jaren waarin wel inkomen werd genoten minder progressienadeel is. Er kan ook gemiddeld worden over de jaren t, t+1 en t+2. Dat betekent dat na de aanslag over het jaar t+2 in het jaar t+3 de te veel betaalde belasting op verzoek van de belastingplichtige kan worden terugbetaald. In het geval deze belastingplichtige als gevolg van het ontslag in de jaren t+1 en t+2 geen inkomen had, kan de middeling gunstiger uitvallen dan in de hiervoor als eerste beschreven situatie. Hij moet dan evenwel wel drie jaar op die terugbetaling wachten.

De heer Van Ojik vraagt wat ik ga doen met de € 128 miljoen die de pseudo-eindheffing voor hoog loon extra zou opbrengen. Indien belastingontvangsten hoger of lager zijn dan geraamd komt dit ten gunste of juist ten laste van het EMU-saldo. Dit geldt eveneens voor de opbrengsten uit die de pseudo-eindheffing voor hoog loon.

Verruimen vrijstelling schenkbelasting

De heer Klein vraagt waarom de tijdelijk verruimde vrijstelling in de schenkingsvrijstelling slechts voor één jaar geldt. Vooropgesteld dat de verruimde vrijstelling langer dan een jaar geldt, namelijk van 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015, is de achtergrond van de beperking in de duur van de verruiming dat de doelstelling van de maatregel is om de woningmarkt een tijdelijke stimulans te bieden. Doordat de verruimde schenkingsvrijstelling tot € 100.000 slechts geldt tot 1 januari 2015, wordt gestimuleerd om de betreffende schenkingen voor dat tijdstip te doen en hiermee niet te wachten tot latere jaren. Bovendien bestaat slechts budgettaire ruimte voor een verruiming tot 1 januari 2015.

Mevrouw Schouten vraagt of het mogelijk is om het bedrag waarvoor de verruimde schenkingsvrijstelling geldt over meerdere jaren uit te smeren. De eenmalig verruimde vrijstelling geldt slechts eenmalig. Wel is het mogelijk om bijvoorbeeld in 2013 een bedrag tot € 51.407 te schenken voor de eigen woning onder de reguliere verhoogde vrijstelling, mits hier in een eerder jaar geen gebruik van is gemaakt, en dit bedrag in 2014 aan te vullen tot € 100.000 met een tweede schenking voor de eigen woning, waarbij een beroep wordt gedaan op de tijdelijk verruimde vrijstelling. Verder vraagt mevrouw Schouten of het verkrijgen van de € 100.000 van verschillende schenkers mogelijk is. Dit is inderdaad het geval. Het is zelfs zo dat deze vrijstelling per schenker geldt. Indien een begiftigde dus van verschillende schenkers € 100.000 krijgt voor de eigen woning, geldt de vrijstelling van € 100.000 voor ieder van die schenkingen.

De heer Dijkgraaf vraagt hoe men om moet gaan met het plannen van de financiering van een huis voor de kinderen als het niet mogelijk is om in 2014 een huis te kopen maar wel in 2015 en vraagt of de verruimde eenmalig verhoogde vrijstelling in de schenkbelasting breder kan worden toegepast dan deze nu is. Als pas in 2015 een eigen woning wordt geschonken of gekocht met een schenking, kan geen gebruik worden gemaakt van de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling tot € 100.000. Uiteraard kan wel gebruik worden gemaakt van de reguliere eenmalig verhoogde vrijstelling tot € 51.407 voor schenkingen voor de eigen woning indien de kinderen tussen 18 en 40 jaar oud zijn. Voor een ruimere toepassing van deze verruimde vrijstelling is geen budgettaire ruimte beschikbaar.

Voorts vraagt mevrouw Schouten of het klopt dat de tijdelijk verhoogde vrijstelling voor schenkingen voor de aflossing van een restschuld eigen woning niet geldt voor woningen die voor 29 oktober 2012 verkocht zijn. Ook de heer Omtzigt vraagt welke restschulden wel en welke restschulden niet onder de tijdelijk verhoogde vrijstelling vallen. De verhoogde vrijstelling voor de eigen woning geldt onder andere voor schenkingen ter zake van de aflossing van een restschuld eigen woning. Hieronder worden restschulden verstaan van een vervreemde eigen woning als bedoeld in artikel 3.120a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), waarvan de renten en kosten worden aangemerkt als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 van die wet. Als restschuld van een vervreemde eigen woning wordt in artikel 3.120a van die wet verstaan de schuld die de belastingplichtige had op het moment direct voorafgaand aan een vervreemding in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 van een eigen woning, voor zover deze schuld heeft geleid tot een negatief vervreemdingssaldo eigen woning. De tijdelijk verhoogde vrijstelling voor schenkingen sluit daarbij aan en geldt dus niet voor schenkingen ter zake van de aflossing van restschulden van eigen woningen die voor 29 oktober 2012 verkocht zijn. Overigens is het zo dat schenkingen ter zake van de aflossing van een restschuld eigen woning niet enkel onder het bereik van de tijdelijk verruimde eenmalige verhoogde vrijstelling met betrekking tot de eigen woning zijn gebracht, maar dat deze ook na 31 december 2014 onder het bereik vallen van de reguliere eenmalig verhoogde vrijstelling met betrekking tot de eigen woning (van thans € 51.407).

De heer Van Vliet informeert of de ramingen rond de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning als solide kunnen worden aangemerkt. Dit is inderdaad het geval. Daarbij moet wel worden bedacht dat deze ramingen, gegeven onder meer de onzekerheid over de te hanteren veronderstellingen over de schenkingsbereidheid van belastingplichtigen, met meer dan gemiddelde onzekerheid zijn omgeven.

De heer Bashir vraagt waarom de verruiming van de vrijstelling in de schenkbelasting tot € 100.000 niet binnen de schenk- en erfbelasting zelf gefinancierd wordt door een hogere belasting voor zeer grote schenkingen en erfenissen. De verruiming van de vrijstelling in de schenkbelasting is gefinancierd uit de binnen het aanvullend pakket beschikbare ruimte voor lastenverlichting. Een specifieke financieringsmaatregel in de sfeer van de schenk- en erfbelasting is om die reden niet overwogen.

De heer Omtzigt vraagt of het niet in rekening brengen van boeterente nu voor alle banken geldt. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 2014 heb aangegeven, hebben de grootbanken (ABN AMRO, ING, Rabobank en SNS) gehoor gegeven aan de oproep van het kabinet om boetevrij te kunnen aflossen (buiten het bedrag dat sowieso boetevrij mag worden afgelost, wat ten minste 10% van de hypotheeksom is) indien gebruik wordt gemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling van schenkbelasting. ABN AMRO en ING hebben het daarbij mogelijk gemaakt voor alle klanten die een hypotheekschuld hebben die groter is dan de waarde van de woning, om ongelimiteerd boetevrij (vervroegd) af te lossen.

Aftrek specifieke zorgkosten

De heer Groot heeft gevraagd of ik bij de aangekondigde meer fundamentele herziening van de fiscale regeling specifieke zorgkosten in 2015 ook uitdrukkelijk wil kijken naar vereenvoudiging. Deze vraag kan ik zonder meer bevestigend beantwoorden. Zoals bekend is vereenvoudiging één van de pijlers van de Fiscale agenda.12 Eenvoud in de vormgeving draagt eraan bij dat direct duidelijk is of iemand onder de doelgroep van de fiscale regeling specifieke zorgkosten valt en in aanmerking komt voor aftrek en dat niet-gebruik wordt teruggedrongen. Overigens moet ik daar wel direct bij aantekenen dat meer eenvoud natuurlijk ook een keerzijde heeft. Het kan ook betekenen dat er robuuste afbakeningsgrenzen gesteld moeten worden. Daarnaast bestaat het risico dat het streven om ervoor te zorgen dat de beschikbare middelen zo goed en exclusief mogelijk op de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten wordt gericht, vaak ook weer om het specifieker richten van de regeling vraagt en dus minder eenvoud met zich meebrengt. Het is een uitdaging om daar een goede balans in te vinden.

De heer Dijkgraaf vraagt of ik iets concreter zou kunnen ingaan op de door mij gedane toezegging om bij de voor 2015 aangekondigde meer fundamentele herziening van de fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten de positie van gemoedsbezwaarden mede te betrekken. Het primaire doel van de meer fundamentele herziening van de fiscale regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten die ik voor 2015 heb aangekondigd is om deze fiscale regeling voor chronisch zieken en gehandicapten zo optimaal mogelijk te laten aansluiten op het gemeentelijk maatwerk van de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en andere zorgregelingen, zoals bijvoorbeeld de spaarregeling die voor gemoedsbezwaarden is getroffen («CVZ-spaarpot»). Op voorhand zij gezegd, dat dit geen eenvoudige exercitie is, zowel technisch als beleidsmatig. Dat is ook mede de reden dat ik deze exercitie heb moeten uitstellen tot volgend jaar. Mijn toezegging dat ik de positie van gemoedsbezwaarden bij de meer fundamentele herziening van de fiscale regeling mede zal betrekken betekent concreet, dat voor aanpassingen van de fiscale regeling die worden overwogen ook de consequentie daarvan voor een gemoedsbezwaarde wordt afgewogen. Zo geldt bijvoorbeeld voor de maatregel ter versobering van de fiscale regeling die voor 2014 wordt voorgesteld, dat de gevolgen daarvan voor gemoedsbezwaarden niet afwijken van die voor andere gebruikers van de fiscale regeling omdat ook gemoedsbezwaarden voor deze voorzieningen een beroep kunnen doen op de Wmo. Maar als bijvoorbeeld in het kader van het beter richten van de fiscale regeling overwogen wordt een bepaalde uitgavenpost van fiscale aftrek uit te zonderen met als argument dat mensen zich daarvoor aanvullend kunnen verzekeren, zouden de gevolgen van zo’n maatregel uiteraard wel anders kunnen zijn voor gemoedsbezwaarden dan voor andere gebruikers van de fiscale regeling. Overigens zal ik elke aanpassing van de regeling die ik overweeg ook moeten beoordelen vanuit het oogpunt van gelijke behandeling. Voor het beter richten van de fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten zullen keuzes moeten worden gemaakt, keuzes die ik in de hoofdlijnenbrief die ik in het voorjaar van 2014 aan de Tweede Kamer heb toegezegd zal onderbouwen en waarover ik vervolgens met uw Kamer graag in debat wil. En natuurlijk ben ik mij er terdege van bewust dat de positie van gemoedsbezwaarden voor de SGP een zeer aangelegen punt is. De heer Dijkgraaf kan er dan ook verzekerd van zijn dat ik niet lichtvaardig met voorstellen zal komen die juist voor de positie van deze groep nadelig zijn.

De heer Klein constateert dat onder meer aanpassingen aan auto's voor mensen met een lichamelijke beperking minder bereikbaar zullen worden door de beperking van de fiscale aftrekbaarheid van specifieke zorgkosten. In dat kader wordt gevraagd waarom dergelijke aanpassingen onder het algemene btw-tarief vallen, terwijl voor een vervoersalternatief als collectief vervoer het verlaagde btw-tarief geldt. De mogelijkheid om uitgaven van auto-aanpassingen voor mensen met een lichamelijke beperking in aftrek te brengen als uitgaven voor specifieke zorgkosten blijft in 2014 ongewijzigd. Het verschil in btw-tarief tussen het aanbrengen van dergelijke auto-aanpassingen en collectief vervoer heeft te maken met het feit dat het twee geheel verschillende prestaties betreft. Voor personenvervoer (openbaar vervoer, besloten busvervoer, taxivervoer) geldt in algemene zin het verlaagde btw-tarief. Het aanpassen van een auto aan de lichamelijke beperking van de bestuurder is een dienst die net als iedere andere herstel- of reparatiedienst aan een auto belast is met het algemene tarief. In beide gevallen is de tarieftoepassing gekoppeld aan de aard van de prestatie en heeft – zoals logisch is binnen een objectieve belasting als de btw – geen relatie met wie de afnemer van de prestatie is.

De heer Dijkgraaf vraagt voorts of ik bereid ben om onbetaalde zorg voor elkaar fiscaal minder af te straffen. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 juli 2013 met de titel «Versterken, verlichten en verbinden»13 is de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport namens het kabinet ingegaan op een aantal fiscale aspecten bij het combineren van betaald werk en mantelzorg. Dit mede in reactie op een aangehouden motie van de heer Van der Staaij met de oproep om drempels in de inkomstenbelasting voor informele zorg te slechten.14 In de hiervoor aangehaalde brief is er onder meer op gewezen dat als iemand ervoor kiest om minder betaald werk te gaan verrichten om mantelzorg te kunnen verlenen, dit uiteraard leidt tot een daling van arbeidsinkomsten maar dat gelet op de progressiviteit van ons belastingstelsel het netto-inkomensverlies bij minder werken kleiner is dan het bruto-inkomensverlies. Daarnaast zijn er inkomensafhankelijke regelingen waarvan de hoogte bepaald wordt op basis van huishoudinkomen. Ook dat biedt enige compensatie bij een daling van het huishoudinkomen indien minder betaald werk wordt verricht om mantelzorg te verlenen. In het rapport van de Commissie inkomstenbelasting en toeslagen (Commissie Van Dijkhuizen) is aangegeven dat het in de optiek van de commissie niet passend is om financiële steun voor mantelzorgers en vrijwilligers via de inkomstenbelasting te laten lopen. Aan de Tweede Kamer heb ik toegezegd om vóór 1 april 2014 met een kabinetsreactie te komen op dat rapport. Ik stel voor om op basis daarvan de discussie hierover met de Tweede Kamer verder te voeren en van mijn kant nu nog geen voorschot te nemen op deze discussie.

De heer Omtzigt vraagt wat het tijdpad is voor de maatregelen op het terrein van de chronisch zieken en gehandicapten. De maatregelen waaraan de heer Omtzigt refereert zijn opgenomen in het voorstel van wet tot afschaffing van de algemene tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten, de compensatie voor het verplicht eigen risico, de fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten en wijziging van de grondslag van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten15 dat momenteel aanhangig is bij de Tweede Kamer. De vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer heeft hier inmiddels een verslag over uitgebracht. De beoogde datum van inwerkingtreding van de maatregelen in dit wetsvoorstel is 1 januari 2014. In de Begrotingsafspraken 2014 is afgesproken om de fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten – aangepast – te handhaven. Het voorstel daartoe is via de tweede nota van wijziging opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2014 met ook 1 januari 2014 als beoogde datum van inwerkingtreding. Daarnaast heeft de heer Omtzigt gevraagd naar de koopkrachtplaatjes. Voor die vraag verwijs ik de heer Omtzigt naar de behandeling van het hiervoor aangehaalde wetsvoorstel (33 726) van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het NIBUD heeft voor een aantal voorbeeldhuishoudens de inkomenseffecten becijferd van het afschaffen van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, de Compensatie Eigen Risico, de fiscale regeling specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ-regeling), inclusief de doorwerking naar de Toeslagen. Overigens zonder daarbij rekening te houden met compensatie via het gemeentelijk maatwerk. Die inkomenseffecten zijn mede de aanleiding geweest voor de afspraak in het begrotingsakkoord om de aftrekregeling van uitgaven voor specifieke zorgkosten en TSZ in 2014 en daarna te continueren.

Afschaffing van de werkbonus

De heer Klein vraagt of ik de afschaffing van de werkbonus wil heroverwegen in het licht van de arbeidsmarktpositie van ouderen. In het schriftelijke overleg heb ik aangegeven dat het fiscaal stimuleren om langer door te werken, in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen, niet langer noodzakelijk is. Met de forse verhoging van de arbeidskorting op het inkomenstraject waarop ook de werkbonus ziet, blijft werken voor deze groep belastingplichtigen lonend. Ik ben dan ook niet voornemens de afschaffing van de werkbonus te heroverwegen.

Tijdelijke verlaging tarief box 2

De heer Van Vliet vraagt waarop de gedachte is gebaseerd dat het extra dividend dat wordt uitgekeerd als gevolg van de tijdelijke verlaging van het box 2-tarief, leidt tot investeringen en dus bijdraagt aan de economie. De heer Bashir vraagt of de 80%-maatregel met betrekking tot stamrechten en de tijdelijke verlaging van het box 2-tarief niet neerkomen op gegoochel met belastinggeld. Zoals ik reeds heb aangegeven in mijn antwoorden op de vragen gesteld in het kader van het schriftelijk overleg over de proeve van de tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2014 kan door het verlagen van het box 2-tarief en de 80%-maatregel met betrekking tot stamrechten (relatief) vastzittend vermogen in de Nederlandse economie tot besteding komen en worden belastinginkomsten naar voren gehaald. Deze maatregelen leveren een bijdrage aan het EMU-saldo in 2014. Tevens zorgen deze maatregelen ervoor dat vermogen vrijvalt om naar keuze aan te wenden voor consumptie, schuldafbouw of bufferopbouw. Ook dat geeft positieve impulsen aan de economie en is daarmee eveneens goed voor het EMU-saldo. Uiteraard kan het vrijvallende vermogen naar keuze ook worden aangewend voor investeringen, hetgeen alleen maar positief kan bijdragen aan de economie.

De heer Klein vraagt waarop de raming van de budgettaire opbrengst van de tijdelijke verlaging van het tarief van box 2 is gebaseerd. Zoals ik in het schriftelijk overleg reeds heb aangegeven, zijn bij de raming van de extra dividenduitkeringen in 2014 de gevolgen van eenzelfde maatregel in 2007 als basis genomen. In 2007 is het tarief voor het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang tot € 250.000 namelijk ook al eens verlaagd van 25% naar 22%. Hierdoor bestaan ervaringscijfers over de mate van gebruik van de maatregel. In 2007 werd € 10 miljard extra dividend uitgekeerd. Het voor 2014 verwachte extra uitgekeerde dividend is – mede vanwege de veranderde economische situatie in vergelijking met 2007 en het feit dat er in 2007 al een extra bedrag van € 10 miljard uit bv’s onttrokken is – met 20% naar beneden bijgesteld tot € 8 miljard.

De heer Groot vraagt enerzijds hoeveel belasting wordt opgehaald in box 2 en wat de grondslag is in box 2 en anderzijds hoeveel belasting de 950.000 IB-ondernemers bij elkaar betalen. Zoals uit het eindrapport van de Commissie inkomstenbelasting en toeslagen blijkt, bedroeg het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (de grondslag van box 2) in 2008 en 2009 een kleine € 6 miljard en in 2010 € 7 miljard. Daardoor kwam de opbrengst van box 2 uit op ruwweg anderhalf miljard euro. Voor de belastingafdracht door IB-ondernemers is gekeken naar het belastingjaar 2010. Hoewel nog niet alle aanslagen over dat jaar opgelegd zijn, kan op basis van de inmiddels opgelegde aanslagen de totale afdracht aan inkomstenbelasting (inclusief premie volksverzekeringen) worden geschat op € 6,8 miljard. Daarbij moet worden aangetekend dit niet alleen winst uit onderneming betreft, omdat ondernemers naast winstinkomen ook andere positieve inkomensbestanddelen in box 1 kunnen hebben zoals loon, pensioen en resultaat uit overige werkzaamheden, en negatieve inkomensbestanddelen zoals hypotheekrenteaftrek. Daarnaast betaalt een aantal IB-ondernemers box 3-heffing en betalen enkele duizenden IB-ondernemers ook belasting in box 2. Deze opbrengsten zijn onderdeel van het totaalbedrag van € 6,8 miljard.

De heer Van Vliet vraagt hoe het tijdelijke verlaagde tarief in box 2 zich verhoudt tot een daling van de marge op het gebruikelijk loon, zoals voorgenomen in de Begrotingsafspraken 2014. Naast het feit dat beide maatregelen betrekking hebben op aanmerkelijkbelanghouders, is er bij de totstandkoming van de Begrotingsafspraken 2014 geen inhoudelijke koppeling gelegd tussen beide maatregelen, noch is deze beoogd. De verlaging van het box 2-tarief is tijdelijk en alle aanmerkelijkbelanghouders kunnen er, naar eigen inzicht, gebruik van maken. Het is een generieke maatregel. De gebruikelijkloonmaatregel wordt in de loop van volgend jaar uitgewerkt en betreft een specifieke maatregel.

De groepen aanmerkelijkbelanghouders die binnen het bereik van de regelingen vallen, zijn derhalve niet gelijk.

Leidingwaterbelasting

De heer Omtzigt vraagt welke andere landen een belasting op leidingwater heffen. Een overzicht van hoe onze buurlanden en andere landen leidingwater in een belasting of heffing betrekken, ontbreekt helaas op Europees niveau. Een eerste vergelijking op basis van voorhanden zijnde rapporten wijst echter wel uit dat de kostprijs van drinkwater voor een huishouden in Nederland in vergelijking tot de ons omringende België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, het laagst is.

Afvalstoffenbelasting

Mevrouw Neppérus vraagt of er ook producten zijn die alleen terecht kunnen bij een afvalstortplaats. De afgelopen jaren is er gemiddeld rond de 2 miljoen ton afval per jaar gestort. De inschatting is dat circa 1,7 miljoen ton alleen door storten kan worden verwerkt. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om niet-reinigbare verontreinigde grond, reinigingsresidu dat vrijkomt bij het reinigen van verontreinigde grond, asbest en diverse slibben.

Mevrouw Neppérus en de heer Van Vliet vragen in het licht van de herinvoering van de afvalstoffenbelasting naar het risico van illegaal storten of misbruik. Het risico op een illegale activiteit is altijd aanwezig als er voor de legale variant van die activiteit moet worden betaald. Als het bedrag dat moet worden betaald voor de legale activiteit hoger wordt, wordt in theorie het risico op de illegale activiteit ook hoger. De kans op illegaal storten is echter gering. Er wordt immers nog maar een beperkte hoeveelheid afvalstoffen gestort en het gaat daarbij voor het grootste deel om hele specifieke afvalstoffen die redelijk tot goed traceerbaar zijn tot de oorspronkelijke producent of ontdoener. Bovendien gaat het om professionele bedrijven, die het zich niet kunnen permitteren illegaal te storten. En ondanks dat er nog weinig afval wordt gestort, gaat het nog steeds om hoeveelheden (vrachten) die niet zomaar illegaal ergens kunnen worden achtergelaten. Het is qua hoeveelheid niet te vergelijken met bijvoorbeeld het illegaal dumpen in het bos dat soms door particulieren gebeurt (grof tuinafval, verbouwingsafval, koelkast, enz.). Overigens waren er in de eerdere periode dat er een stortbelasting was (dus vóór 2012) geen signalen dat er door bedrijven illegaal werd gestort.

Mevrouw Schouten, de heer Dijkgraaf en de heer Koolmees vragen waarom er geen tariefonderscheid wordt gemaakt in de afvalstoffenbelastingen: een tarief voor afval dat alleen gestort kan worden en een tarief voor afval dat gestort wordt maar dat ook gerecycled kan worden. De heer Dijkgraaf vraagt hoe wordt omgegaan met stromen die naar het buitenland gaan en hoe wordt aangekeken tegen het introduceren van een gelijkwaardige heffing die verschuldigd is bij het exporteren van de genoemde afvalstromen naar het buitenland. Deze vragen en de signalen die ik van de sector heb ontvangen, bijvoorbeeld van de Vereniging Afvalbedrijven, zijn voor mij aanleiding om nog eens kritisch naar de uitwerking van deze maatregel te kijken. Ik wil met name bezien of deze belasting zodanig vorm kan krijgen dat de herinvoering leidt tot vergroening, zonder dat niet-beoogde neveneffecten optreden, en dat deze breed gedragen wordt door alle partijen. Daarvoor is overleg nodig met bijvoorbeeld mijn collega van Infrastructuur en Milieu, met de betreffende sector en de Vereniging Nederlandse Gemeenten. In dat overleg moeten alle aspecten van een dergelijke heffing aan de orde komen, met inbegrip van de daaraan verbonden administratieve lasten en uitvoeringskosten. Hiervoor is enige tijd nodig.

Het kabinet is uiteraard wel gehouden aan de Begrotingsafspraken 2014 waarin is vastgelegd dat in 2014 een belasting op het storten van afval wordt geïntroduceerd en dat deze in 2014 leidt tot een opbrengst van € 25 miljoen. Ik zou deze afspraak als volgt willen invullen. Met ingang van 1 april 2014 wordt een afvalstoffenbelasting van kracht met een tarief van € 17 per 1.000 kg gestort afval. Dat is een derde van het in het wetsvoorstel Belastingplan 2014 voorgestelde tarief van € 51. Met dit verlaagde tarief en de vervroegde inwerkingtreding realiseer ik de voor 2014 voorziene opbrengst van € 25 miljoen, en is voor de meeste afvalstoffen de belastingdruk vergelijkbaar met de situatie vóór afschaffing van deze belasting. Vervolgens zal ik zo snel mogelijk het eerder genoemde overleg starten. Ik hoop dan komend jaar nog voor het zomerreces uw Kamer te kunnen informeren over het resultaat van dat overleg. Mijn streven is om op basis daarvan met uw Kamer te overleggen om te komen tot een breed gedragen vormgeving die in het Belastingplan 2015 kan worden uitgewerkt. In de bij deze brief gevoegde nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2014 heb ik een voorstel opgenomen om te komen tot de hiervoor genoemde inwerkingtreding en het daarbij behorende tarief.

Budgettaire aspecten

De heer Koolmees vraagt waarom de gedragseffecten van de afbouw van de heffingskortingen niet in beeld zijn gebracht terwijl de afbouw qua budgettair beslag toch wel substantieel is, en hoe groot deze gedragseffecten zijn. Het kabinet heeft in het schriftelijk overleg aangegeven dat onder meer bij substantiële maatregelen de gedragseffecten tot de opbrengst van de maatregel worden gerekend. Zonder een exacte scheiding aan te willen geven wat wel of niet onder «substantieel» valt te verstaan, doelt het kabinet met «substantieel» niet op de budgettaire omvang van de maatregel maar op de relatieve omvang van het te verwachten gedragseffect. Bij de afbouw van de kortingen worden geen substantiële gedragseffecten verwacht, anders dan de gebruikelijke uitverdieneffecten die bijvoorbeeld bij in economisch zin vergelijkbare tariefsverhogingen mogen worden verwacht (zie studie van het CPB16). Het kabinet presenteert daarom het budgettaire effect van de afbouw van de kortingen zoals gebruikelijk «ex ante», dus exclusief uitverdieneffecten. Gedragseffecten vallen onder de normale (economische) in- en uitverdieneffecten van maatregelen die worden meegenomen in de economische doorrekening van maatregelen door het CPB. Bij de raming van de totale belastinginkomsten wordt wel rekening gehouden met alle relevante macro-economische ontwikkelingen, óók als die ontwikkelingen het gevolg zijn van wijzigingen in tarieven of belastingkortingen. Er is geen separate informatie beschikbaar over de gedragseffecten van de afbouw van de korting. Ze vormen een integraal onderdeel van de doorrekening van de kabinetsplannen. De heer Koolmees vraagt voorts of ik in het vervolg bij grote verschuivingen een ex post berekening van de gedragseffecten in het Belastingplan kan toevoegen. Als de heer Koolmees met «ex post» bedoelt een raming inclusief gedragseffecten dan verwijs ik naar het voorgaande antwoord, dat in bijzondere situaties gedragseffecten worden meegenomen en dat de kabinetsplannen met grote verschuivingen een integraal onderdeel vormen van de doorrekening van die plannen door het CPB. Als de heer Koolmees met «ex post» bedoelt of na verloop van tijd geëvalueerd kan worden of de maatregelen hebben bereikt wat werd beoogd, dan verwijs ik naar de diverse evaluatieprogramma´s. Overigens wil ik in dat verband ook nog verwijzen naar een ex postevaluatie van de herziening van de inkomstenbelasting per 2001. Dat betrof een operatie met grote verschuivingen. Het CPB merkte daarover op dat de effecten moeilijk zijn te onderscheiden van gelijktijdige wijzigingen in het economische beeld door andere oorzaken.

Overige fiscale maatregelen 2014

Toestaan onderhandse akte bij periodieke giften

Mevrouw Schouten heeft gevraagd in hoeverre bekend is bij algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) dat de onderhandse schenkingsakte per 1 januari 2014 als alternatief naast de notariële akte komt bij periodieke schenkingen. In het reguliere overleg van de Belastingdienst met de sector filantropie is de onderhandse schenkingsakte regelmatig aan de orde gekomen. Ook wordt informatie verstrekt op de website van de Belastingdienst over de mogelijkheden om periodieke giften te doen met behulp van een onderhandse akte. Overigens heeft het onderwerp communicatie mijn bijzondere aandacht. Er zijn er meerdere onderwerpen in dit pakket Belastingplan opgenomen die een helder communicatieplan vergen, ik heb momenteel in beraad hoe dit het beste opgepakt kan worden. Ik zal uw Kamer zo snel mogelijk informeren over dit communicatieplan.

Internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen

De heer Bashir vraagt waarom de substance-eisen niet bij wet worden geregeld en of ik bereid ben een voorhangprocedure in de wet op te nemen met betrekking tot de algemene maatregel van bestuur waarin deze substance-eisen opgenomen zullen worden. Ik heb begrip voor de wens van uw Kamer om kennis te nemen van de substance-eisen. Om deze reden heb ik bij de nota naar aanleiding van het verslag een concept van de algemene maatregel van bestuur waarin deze eisen worden opgenomen, aan uw Kamer toegestuurd. Het opnemen van deze eisen in de wet past niet in de systematiek van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. In deze wet is de grondslag opgenomen voor de informatieverplichting die aan dienstverleningslichamen wordt opgelegd. De uitwerking van die informatieverplichting vindt bij algemene maatregel van bestuur plaats. Met het voorleggen van een concept van de algemene maatregel van bestuur is naar mijn mening het opnemen van een voorhangprocedure in de wet niet nodig.

Uitbreiden integriteitsbepaling ANBI’s

De heer Van Vliet heeft gevraagd naar de criteria die de Belastingdienst hanteert bij de beoordeling van integriteitskwesties bij ANBI’s. De Belastingdienst houdt ten algemene toezicht op de fiscale wet- en regelgeving. De integriteitseisen die worden gesteld aan bestuurders van ANBI’s maken deel uit van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Bij de beoordeling van integriteitskwesties hanteert de Belastingdienst geen eigen criteria, maar baseert de Belastingdienst zich uitsluitend op de wettelijke regels en voorwaarden en op de uitleg die daaraan is gegeven in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie. Een intrekking van de ANBI-status of een voornemen daartoe wordt vanzelfsprekend deugdelijk gemotiveerd.

De heer Groot vraagt waarom alleen algemene veiligheid van goederen en personen als criterium wordt genomen en niet ook belastingfraude of valsheid in geschrifte door gezichtsbepalende personen van een maatschappelijke instelling of een politieke partij. Ook vraagt hij of het waar is dat een organisatie die een weg of een toegangspoort tot een bedrijfsterrein blokkeert de ANBI-status kan kwijtraken, maar dat seksueel misbruik door gezichtsbepalende personen in een kerkgenootschap niet onder deze integriteitbepaling valt. De heer Groot merkt op dat hij van opvatting is dat de integriteitsbepaling riekt naar de neiging om eenzijdig milieuorganisaties en vakbonden aan banden te leggen. De heer Omtzigt heeft zich bij deze vragen aangesloten. De integriteitsbepaling heeft als belangrijkste eigenschap dat zij duidelijkheid schept voor de praktijk welke handelingen in elk geval niet zijn toegestaan en waarvoor een onherroepelijke veroordeling grond is om de ANBI-status te ontnemen. Het is echter geen uitputtende opsomming. Ook onherroepelijke veroordelingen wegens fraude door organisaties, hun bestuurders of gezichtsbepalende personen of wegens kindermisbruik kunnen leiden tot verlies van de ANBI-status, echter niet op grond van deze specifieke bepaling maar op grond van de algemene notie dat een instelling waarvan een bestuurder, feitelijk leidinggevende of een gezichtsbepalend persoon zich bezondigt aan fraude of aan kindermisbruik feitelijk niet een algemeen nuttig doel nastreeft. In dit verband merk ik op dat bij een vermoeden van misbruik door een ANBI – denk aan een situatie waarin het geld niet aan het goede doel wordt besteed of waarin de instelling iets geheel anders doet dan in de statuten staat – dit kan worden doorgegeven aan het ANBI-team van de Belastingdienst in Den Bosch, of aan het onlangs ingerichte meldpunt misbruik ANBI’s (MeldpuntMisbruikANBI@belastingdienst.nl of via de BelastingTelefoon ). Wat de huidige integriteitsbepaling betreft, die is zeker niet selectief bedoeld.

De heer Bashir vraagt naar mijn mening over de suggestie om het intrekken of ontnemen van de ANBI-status bij de strafrechter te leggen. De heer Groot en de heer Koolmees sluiten zich aan bij deze vraag. Het ontnemen en intrekken van de ANBI-status is thans een aangelegenheid van de inspecteur en gebeurt bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Dat betekent dat een rechter het laatste woord heeft bij verschil van mening tussen de inspecteur en de instelling. Dit is niet de strafrechter, maar de fiscale rechter. Ik ben van mening dat de bevoegdheid om over geschillen op fiscaal terrein met fiscale gevolgen te beslissen aan de fiscale rechter toekomt. De strafrechter buigt zich over de strafbare feiten, en beslist dan op basis van de geldende bepalingen van het Wetboek van Strafrecht. De fiscale gevolgen die verbonden zijn aan een strafrechtelijke veroordeling staan in de fiscale regelgeving. Daarover heeft de fiscale rechter het laatste woord.

De heer Bashir vraagt of ik bereid ben opnieuw te kijken naar het door hem en de heer Van Bommel bij de behandeling van de Geefwet ingediende en vervolgens ingetrokken amendement over handelen in strijd met het internationaal recht door ANBI’s.17 Het amendement strekte ertoe de ANBI-status te ontnemen aan ANBI’s die zelf, of waarvan een van de bestuurders of gezichtsbepalende personen, binnenlands of buitenlands beleid financieel steunen dat in strijd is met de regels van het internationale recht. Het is een Nederlandse traditie dat het internationale recht deel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde. Dat is zo neergelegd in de Grondwet. Omdat bij strijdig handelen met het internationale recht doorgaans geen sprake zal zijn van algemeen nuttig handelen, kan bij instellingen die zich daar schuldig aan maken de ANBI-status reeds worden ingetrokken. Een uitbreiding van de wet op dit punt is dus niet nodig.

Nadere partnercriteria

De heer Omtzigt en mevrouw Schouten vragen naar de gevolgen van het meetellen van het toetsingsinkomen van een hulpbehoevende ouder met een klein pensioen, die komt inwonen bij zijn of haar kind, die een alleenstaande ouder is, en wat de gevolgen hiervan zijn voor de kinderopvangtoeslag van de alleenstaande ouder. Voorts vragen zij of ik de mening deel dat het meetellen van het toetsingsinkomen van de hulpbehoevende (groot)ouder onwenselijk is. Ik licht een en ander graag nog een keer toe. Het is namelijk van belang twee zaken te onderscheiden. De alleenstaande ouder en hulpbehoevende (groot)ouder worden fiscale partners in bovengenoemde situatie. Het kwalificeren als partner heeft gevolgen voor de hoogte van de aanspraak op kinderopvangtoeslag. Het is nu zo dat een hulpbehoevende ouder aan de arbeidseis dient te voldoen om de alleenstaande ouder aanspraak op kinderopvangtoeslag te laten hebben. Dit gevolg vinden de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik niet redelijk, omdat in redelijkheid niet kan worden geëist dat de hulpbehoevende partner arbeid verricht. Naar aanleiding van een verzoek van uw Kamer18 hebben wij daarom voorgesteld voor deze situaties een oplossing te bieden. Voor de bepaling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag telt het toetsingsinkomen van beide partners echter wel mee. Dit achten wij wenselijk en vloeit rechtstreeks voort uit het in de inkomensafhankelijke regelingen geldende draagkrachtprincipe. Indien de hulpbehoevende (groot)ouder uitsluitend een klein pensioen heeft, zal de hoogte van de kinderopvangtoeslag voor de alleenstaande ouder hoger zijn dan wanneer eerstgenoemde een hoog inkomen heeft. Dit draagkrachtprincipe geldt voor alle partners en wij zien geen reden hiervan voor deze gevallen af te wijken. Nog steeds geldt immers dat partners die zelf (meer) kinderopvangtoeslag kunnen betalen, dit ook dienen te doen.

De heer Omtzigt heeft aangegeven dat in gevallen waarin de ene partner in een AWBZ-instelling verblijft en de andere partner werkt, geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag. Dit is geen nieuw onderwerp. Deze vragen hebben een andere achtergrond dan het onderhavige wetsvoorstel. Hierover zijn al eerder Kamervragen gesteld, die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft beantwoord.19 Kortheidshalve verwijs ik dan ook naar die beantwoording. Daarnaast is deze maand in opdracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een in 2012 toegezegd onderzoek gestart naar de toekomstige positionering (bijvoorbeeld onder een wettelijk regime) van de Sociaal Medische Indicatie. De uitkomsten van het onderzoek worden in het eerste kwartaal van 2014 verwacht.

Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit

De heren Van Vliet en Omtzigt vragen of de Belastingdienst zelf nog iets gaat doen aan fraudebestrijding. De heer Bashir vraagt naar de samenwerking met de nieuw opgerichte rijksbrede expertisegroep fraudebestrijding en het combinatieteam aanpak facilitators en in hoeverre deze maatregelen zijn doordacht en de betreffende structuren op elkaar aansluiten. In april 2011 heb ik uw Kamer in de Fiscale agenda geïnformeerd over een reeks van maatregelen om systeemfraude tegen te gaan. Deze waren vooral gericht op het detecteren van fraudepatronen en het verhogen van de drempels bij het aanvragen van toeslagen. Enkele voorbeelden zijn de inrichting van de anti-fraudebox, het verhogen van de verzuim- en vergrijpboetes, een extra procedure voor de wijziging van bankrekeningnummers, controle van de koppeling tussen burgerservicenummers (BSN’s) en het DigiD, de invoering van een risicoselectiemodel om toeslagaanvragen vooraf te toetsen en de snelle interventieservice van de FIOD.

In de brief van 10 mei 201320 heb ik een uitgebreide analyse gegeven van het toeslagenstelsel, de heer Omtzigt vraagt daarnaar, en tevens een aantal aanvullende maatregelen voorgesteld om fraude met toeslagen aan te pakken. De in die brief voorgestelde maatregelen zijn in het wetsvoorstel Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit opgenomen. Het gaat dan onder andere om het verlengen van de beslistermijn om controle vooraf mogelijk te maken en het niet langer verlenen van een voorschot als er sprake is van een bij de Belastingdienst onbekende aanvrager, als er sprake is van een verhoogd frauderisico of bij een signaal van de gemeente. Tevens wordt voorgesteld om het recht op een voorschot te laten vervallen als een actueel adresgegeven ontbreekt. Daarnaast heb ik uw Kamer geïnformeerd over de verschillende organisatorische wijzigingen die worden doorgevoerd om de aanpak van fraude verder te versterken. In de laatste halfjaarrapportage heb ik aangegeven wat ik heb gedaan.

Naast de bestaande anti-fraudebox is dit voorjaar ook een coördinator fraudebestrijding aangesteld die de integrale aanpak van georganiseerde (systeem)fraudefenomenen over de verschillende betrokken dienstonderdelen heen coördineert. Op bestuurlijk niveau is de coördinatie van de anti-fraude activiteiten belegd bij het managementteam Fraudebestrijding. Hierin zijn alle betrokken dienstonderdelen vertegenwoordigd. De anti-fraudebox zelf is een van de samenwerkingsverbanden binnen de Belastingdienst die fraudepatronen analyseren en vertalen naar anti-fraudemaatregelen. Tevens zorgt de anti-fraudebox voor informatiedeling over fraudepatronen en fraudeurs tussen toezichts- en opsporingsmedewerkers van alle dienstonderdelen van de Belastingdienst. Omdat systeemfraudeurs en dan met name zogenoemde facilitators, langs alle mogelijke kanalen proberen een uitbetaling te verkrijgen, is er sinds kort een Combinatieteam Aanpak Facilitators (CAF) ingericht dat als hoofddoel heeft het stoppen en voorkomen van onterechte uitbetalingen. Het CAF is een van de afnemers van de signalen van de anti-fraudebox.

Omdat een fraudeur zich niet beperkt tot één domein is er op initiatief van de Belastingdienst een rijksbrede expertisegroep fraudebestrijding opgericht, waaraan grote uitvoeringsorganisaties deelnemen. Vanuit de Belastingdienst wordt door onder andere de anti-fraudebox patronen van systeemfraude ingebracht.

De heer Van Vliet verwijst specifiek naar de wijziging van de termijnen voor navordering. Onder meer deze wijziging is opgenomen in het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst. Op 18 oktober heb ik het verslag van uw commissie over dit wetsvoorstel ontvangen. Ik hoop u de nota naar aanleiding van het verslag spoedig te doen toekomen en kijk uit naar de inhoudelijke discussie die over het wetsvoorstel gevoerd zal gaan worden. In die discussie zal ook de wijziging van de navorderingstermijn ongetwijfeld aan de orde komen. Ik kan de heer Van Vliet reeds nu geruststellen dat het wetsvoorstel de navorderingstermijn bij kwade trouw niet bekort, maar juist verlengt, namelijk van 5 jaar na afloop van het belastingtijdvak tot 12 jaar na de aangifte.

De heer Bashir vraagt hoe ik ga voorkomen dat goedwillende burgers (99%) lijden onder de kwaden (1%) en een vergrijpboete krijgen voor een onjuiste aanvraag voor een voorlopige teruggave. Het antwoord op de vraag van de heer Bashir is reeds in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit beantwoord. In die nota heb ik aangegeven dat voor het opleggen van de voorgestelde vergrijpboete opzet vereist is. De aanwezigheid van opzet onderscheidt kwaadwillenden van goedwillenden. Van opzet is geen sprake bij een vergissing of foutje. Voor de beeldvorming van de heer Bashir kan ik hieraan wellicht toevoegen dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft dat de inspecteur een rapport of proces-verbaal opmaakt indien hij voornemens is om een vergrijpboete op te leggen. Bovendien schrijft de Awb voor dat de inspecteur de belastingplichtige in de gelegenheid stelt om de gegevens in te zien waarop het voornemen berust om een vergrijpboete op te leggen en dat de inspecteur de belastingplichtige hoort. De vergrijpboete wordt opgelegd bij voor bezwaar vatbare beschikking. In een procedure tegen de vergrijpboete dient de inspecteur het bewijs van opzet te leveren. Mijns inziens waarborgen zowel het vereiste van opzet als de voorgeschreven procedure dat goedwillenden niet door een vergrijpboete worden getroffen.

De heer Bashir vraagt of ik het met hem eens ben dat een zorgtoeslagsysteem fraudegevoeliger is dan een inkomensafhankelijke zorgpremie en of het niet beter is de ingeslagen weg te verlaten. Het kabinet heeft ervoor gekozen de zorgpremie niet inkomensafhankelijk te maken en het systeem van uitbetaling van een inkomensafhankelijke zorgtoeslag te handhaven. Bij de overwegingen die aan deze keuze ten grondslag hebben gelegen heeft het vraagstuk van de fraudegevoeligheid geen rol gespeeld. Het heeft naar mijn mening weinig toegevoegde waarde om de discussie op dit punt te heropenen. Gegeven het feit dat de zorgtoeslag blijft zet het kabinet in op het fraudebestendig maken van het bestaande toeslagenstelsel en voor de langere termijn van de huishoudentoeslag waar de zorgtoeslag deel van uit zal maken.

Mevrouw Schouten en de heer Omtzigt stellen enkele vragen over de huishoudentoeslag. De totstandkoming van de betreffende wetgeving zal plaats vinden onder leiding van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft toegezegd nog dit jaar een hoofdlijnennotitie te sturen over de huishoudentoeslag. Daarin zal ook worden ingegaan op het proces en planning van de wetgeving. Het kabinet is voornemens de benodigde wetgeving voor de zomer van 2014 bij uw Kamer in te dienen.

De heren Bashir en Klein hebben gevraagd om een toelichting op de berichtgeving in de media dat ongeveer € 270 miljoen van de teruggevorderde toeslagen oninbaar zijn geleden en dat er nog eens voor een bedrag van ongeveer € 200 miljoen invorderingsmaatregelen zijn genomen. Het is inherent aan de huidige toeslagensystematiek dat er in de voorschotfase te hoge toeslagen worden uitbetaald die na afloop van het jaar moeten worden terugbetaald. Op basis van de gegevens over de afgelopen 8 jaar kan geconstateerd worden dat tot nu toe ongeveer € 78,9 miljard aan voorschotten is uitbetaald. Daarvan moest ongeveer € 12,9 miljard worden terugbetaald. Hiervan is ongeveer € 11,4 miljard door burgers terugbetaald. Momenteel wordt ongeveer € 0,6 miljard door burgers terugbetaald door middel van een betalingsregeling. Daarnaast zijn er recente vorderingen ingesteld waarvan de betalingstermijn nog niet is verstreken. Het gaat daarbij om ongeveer € 0,3 miljard. Nog eens € 0,2 miljard staat open, omdat een burger in bezwaar en/of beroep is gegaan. Voor een bedrag van ongeveer € 0,2 miljard lopen momenteel invorderingsmaatregelen. Ten slotte is een bedrag van bijna € 0,3 miljard oninbaar geleden. Bij oninbaarlijden gaat het feitelijk om het buiten invordering stellen. Een oninbaar geleden vordering blijft juridisch invorderbaar. In die gevallen waarbij er geen betalingsregeling met de Belastingdienst is overeengekomen, kan in principe nog vijf jaar lang na de betalingstermijn verrekend worden met eenmalige en lopende uitkeringen die een schuldenaar ontvangt van de Belastingdienst. Het gaat dan om lopende toeslagvoorschotten, voorlopige teruggaven inkomstenbelasting, definitieve tegemoetkomingen en definitieve aanslagen. Daarbij merk ik nog op dat de Belastingdienst bezig is met het stuiten van de verjaringstermijn bij toeslagvorderingen, zodat zo veel als mogelijk de invordering van onterecht ontvangen geleden mogelijk blijft. Het gaat bij oninbaar geleden bedragen bijvoorbeeld om burgers waarbij er geen beslagmogelijkheden (meer) zijn omdat ze failliet zijn gegaan of op andere wijze geen verhaal meer bieden.

De heer Bashir heeft het kabinet gevraagd meer capaciteit vrij te maken voor de invordering van toeslagschulden. Het kabinet is verheugd dat de SP de inzet van het kabinet op dit punt ondersteunt. Juist voor de invordering heeft het kabinet meer capaciteit vrijgemaakt. In de brief van het kabinet van 10 december 201221 is de inzet van de extra middelen uiteengezet. In die brief is aangekondigd dat er 100 extra medewerkers zouden worden ingezet ten behoeve van de invordering. In de halfjaarrapportage22 van de Belastingdienst is over een viertal pilots in de invordering gerapporteerd.

De heer Bashir heeft gevraagd om een maandelijkse rapportage over de terugvordering van toeslagschulden. Het kabinet geeft in iedere halfjaarrapportage van de Belastingdienst de productiecijfers van toeslagen weer. Daarin staat wat de stand van de productie is voor wat betreft het definitief toekennen van toeslagen per toeslagjaar en welk deel de burger achteraf moet terugbetalen. Daar waar mogelijk zal het kabinet de wijze van presenteren van deze informatie verbeteren. Een maandelijkse rapportage heeft in de ogen van het kabinet geen toegevoegde waarde.

De heer Omtzigt vraagt naar een uitgebreide analyse van de rechtsbescherming van de burger onder de huidige wet en onder de nieuwe wet. De maatregelen die worden voorgesteld in het kader van de fraudebestrijding bevatten voornamelijk wijzigingen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Deze wet valt nu en straks rechtstreeks onder de Awb. Dat betekent dat het systeem van rechtsbescherming van de Awb van toepassing is op beslissingen van de Belastingdienst/Toeslagen die als beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Awb kwalificeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om beslissingen van de Belastingdienst/Toeslagen die betrekking op het al dan niet verlenen van een voorschot, het herzien of stopzetten van een voorschot, het opleggen van een boete en het aansprakelijk stellen. De rechtsbescherming van de burger verandert dus niet als gevolg van de maatregelen in het wetsvoorstel Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit. Uit het feit dat de Awb rechtstreeks van toepassing is, vloeit tevens voort dat tegen een beslissing van de Belastingdienst/Toeslagen die niet een beschikking in de zin van de Awb is geen rechtsbescherming wordt geboden. Een voorbeeld daarvan is de kennisgeving van de Belastingdienst/Toeslagen om de beslistermijn te verlengen. Ook dat is geen verandering ten opzichte van de huidige situatie waarin de mogelijkheid van rechtsbescherming ook niet bestaat. Het wetsvoorstel Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit bevat naast wijzigingen van de Awir tevens een aantal wijzigingen van de AWR en de Invorderingswet 1990 die de inspecteur en de ontvanger een aantal aanvullende bevoegdheden geven. Het gaat dan om het opleggen van bestuurlijke boetes, het aansprakelijk stellen van een derde in bepaalde situaties en bevoegdheden rond de betaling en toekenning van rechten wanneer er twijfel is over het adresgegeven. Ook hier verandert niets in de rechtsbescherming ten opzichte van de huidige situatie. De rechtsbescherming is expliciet in deze wetten zelf geregeld of, in het geval van de invordering, is er een rechtsgang naar de civiele rechter. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit is op diverse aspecten ingegaan, zoals de bewijslast bij boetes en het karakter van het opzetvereiste.

Voor wat betreft de rechtvaardiging van de voorgestelde maatregelen verwijs ik de heer Omtzigt naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit en de nota naar aanleiding van het verslag daarbij. Goedwillende burgers zullen door de voorgestelde maatregelen niet of nauwelijks worden getroffen. Bovendien worden zij daar waar nodig in staat gesteld te voorkomen dat er voor hen vervelende consequenties zouden zijn, bijvoorbeeld door mee te werken aan een verzoek om gegevens te overleggen. In het incidentele geval dat zij wel door de maatregelen worden geraakt wordt adequate rechtsbescherming geboden. Ik zie dan ook geen noodzaak voor een uitbreiding van de rechten van de burger als gevolg van de maatregelen in het wetsvoorstel. Ook zie ik geen aanleiding voor mogelijke alternatieven voor de maatregelen.

Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente

Mevrouw Schouten en de heren van Vliet, Omtzigt en Dijkgraaf vragen of ik heb nagedacht over andere methoden van renteberekening door uit te gaan van marktrente of door uit te gaan van een gemiddeld rentepercentage over een jaar. Onderscheid dient te worden gemaakt tussen de systematiek van renteberekening in de belasting- en invorderingsrente en het daarbij te hanteren rentepercentage. Voor wat betreft de systematiek geldt dat geen wijzigingen worden aangebracht in de (bij het Belastingplan 2012) geïntroduceerde regelingen van de belasting- en invorderingsrente. Aanpassing van de systematiek heeft uitdrukkelijk niet mijn voorkeur. In antwoord op de heer Bashir, die mij vraagt te kijken naar de motivatie van onderhavig wetsvoorstel omdat de rente geen instrument mag zijn om gaten in de begroting te dichten, kan ik zeggen dat alternatieven zijn overwogen. Zo is onder andere overwogen het tijdvak waarover rente in rekening wordt gebracht te vervroegen van 1 juli naar 1 april, zodat de renteperiode al drie maanden na het einde van het tijdvak waarover belasting wordt geheven zou starten. Dit zou echter betekenen dat de gerealiseerde vereenvoudiging teniet wordt gedaan en 8 miljoen van de 10 miljoen belastingplichtigen in de inkomstenbelasting weer met rente zullen worden geconfronteerd. Voorts zou een dergelijke vervroeging van de renteperiode betekenen dat de gedachte achter de belastingrente, namelijk dat degene die aan zijn verplichtingen voldoet door tijdig een correcte aangifte in te dienen niet met belastingrente wordt geconfronteerd, wordt verlaten. In het onderhavige wetsvoorstel worden daarom wijzigingen voorgesteld in het toepasselijke rentepercentage. Een generieke aansluiting van het rentepercentage van alleen de invorderingsrente bij de wettelijke rente voor handelstransacties met een ondergrens van 8% is overwogen. De geraamde budgettaire opbrengst van dat alternatief van structureel € 65 miljoen is echter (veel) te laag om te voldoen aan de opdracht uit het regeerakkoord om vanaf 2017 € 237 miljoen opbrengst te halen. Alles overziend heb ik gekozen voor een verhoging van de te hanteren rentepercentages zoals voorgesteld teneinde de budgettaire opbrengst te realiseren. Met aansluiting bij het in het Burgerlijk Wetboek neergelegde rentepercentage voor de wettelijke rente wordt aangesloten bij een wettelijk geregeld rentepercentage, met een vaste en regelmatige vaststellingswijze. Dit wettelijke rentepercentage voor handelstransacties wordt halfjaarlijks vastgesteld (door middel van een opslag op de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank) en bedraagt thans 8,5%. Er is dus helemaal geen sprake van dat de belastingrente ongelimiteerd verhoogd kan worden, zoals de heer Omtzigt in zijn inbreng suggereert. Naar aanleiding van de opmerking van de heer Omtzigt dat de Belastingdienst eigenlijk als creditcardmaatschappij gaat functioneren merk ik het volgende op. De rente voor handelstransacties is gebaseerd op een wettelijke grondslag. De rente die een creditcardmaatschappij bij niet tijdige voldoening van een particuliere schuld in rekening brengt is doorgaans een stuk hoger dan de door de Belastingdienst te hanteren wettelijke rentepercentages en kan oplopen tot het wettelijk vastgestelde maximum van op dit moment 15%. Hierbij merk ik voor de duidelijkheid nog op dat iets als «de marktrente» niet bestaat. Gezien voorgaande zie ik geen reden aansluiting te zoeken bij enig marktrentepercentage, maar kies ik voor aansluiting bij de wettelijke rente.

Mevrouw Schouten en de heren Klein en Dijkgraaf stellen dat het principe «gelijke monniken, gelijke kappen» het uitgangspunt van een renteregeling dient te zijn. Verder geven zij aan dat de criteria voor het in rekening brengen niet zouden moeten verschillen van de criteria voor het vergoeden van belasting- en invorderingsrente. Op dat punt kan ik deze leden geruststellen. Bij het Belastingplan 2012 is de regeling van de belastingrente en de (nieuwe) invorderingsrente geïntroduceerd. Deze regeling sluit aan bij de regeling van de verzuimrente in de Awb en is erop gericht de burger die niet op tijd aan zijn verplichtingen voldoet rente in rekening te brengen. De Belastingdienst vergoedt daarentegen tegen hetzelfde rentepercentage rente als hij zelf niet op tijd aan zijn verplichtingen jegens de burger voldoet. Voorts is voor deze systematiek gekozen, zodat het sparen bij de fiscus wordt voorkomen. Wellicht ten overvloede: het huidige voorstel verhoogt uitsluitend de geldende rentepercentages voor de belasting- en invorderingsrente en wijzigt niet de systematiek van renteberekening.

Mevrouw Schouten heeft aangegeven dat het haar verbaast dat de rechtsvorm bepalend is voor het rentepercentage waartegen belastingrente wordt vergoed en in rekening gebracht en verzoekt om uitleg hieromtrent. In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel is uitvoerig gemotiveerd waarom ik het redelijk acht voor de vennootschapsbelasting een hoger rentepercentage te hanteren dan voor de overige belastingmiddelen. Ik acht het gerechtvaardigd in de vennootschapsbelasting aansluiting te zoeken bij de wettelijke rente voor handelstransacties, omdat het aanvangstijdstip van de renteperiode ten opzichte van de (oude) regeling van de heffingsrente is verschoven en vennootschapsbelastingplichtigen daardoor nu een rentevoordeel van zes maanden genieten. De eerste zes maanden na het belastingtijdvak wordt immers in de regeling van de belastingrente geen rente in rekening gebracht. Daarnaast sluit het hanteren van de wettelijke rente voor handelstransacties aan bij de gedachte achter de wettelijke rente dat in het handelsverkeer een hoger rentepercentage geldt dan in het niet-handelsverkeer. Voorts kan door belastingplichtigen worden voorkomen dat belastingrente in rekening wordt gebracht door te verzoeken om een voorlopige aanslag of deze te laten herzien en wordt in veel gevallen gebruikgemaakt van de diensten van fiscaal adviseurs.

Overige vragen

Algemeen

De heer Van Vliet stelt dat de opbrengsten van het Belastingplan 2014 onzeker zijn en vraagt wat de gevolgen daarvan zijn voor de begroting van 2015. De heer Van Ojik constateert veel lastenverzwaring en beperkte lastenverlichting, bijvoorbeeld de tijdelijke verlaging van het box-1-tarief en vraagt zich af of dat nu een maatregel is die het land gaat redden. De heer Van Vliet vraagt zich ook af hoe dit belastingplan past in de liberale visie waarin normaliter wordt gepleit voor lastenverlichting. Ook de heer Klein vraagt hoe het kabinet gaat zorgen voor lagere lasten, zodat mensen meer hun eigen financiële verantwoordelijkheid kunnen nemen.

In de raming van de belastinginkomsten wordt rekening gehouden met alle relevante macro-economische ontwikkelingen, onder andere die in de werkgelegenheid, de lonen, de winsten en de binnenlandse bestedingen, óók als die veranderingen in de binnenlandse bestedingen het gevolg zijn van lastenverzwaringen waaronder accijnsverhogingen. Zo is in de raming van de inkomsten over 2014 uiteraard ook rekening gehouden met de lastenverzwaringen die in 2014 worden doorgevoerd. Het effect van lastenverzwaringen op onder andere de binnenlandse bestedingen en de werkgelegenheid zijn meegenomen door het CPB in de MEV-raming. Als de economische groei in het laatste kwartaal van 2013 en/of over het jaar 2014 toch anders gaat uitpakken dan waar het kabinet zich op heeft gebaseerd, dan zullen inkomsten in 2014 uiteraard ook met meer of minder dan 11 miljard toenemen.

De door het kabinet genomen lastenmaatregelen zijn een belangrijk onderdeel van het totale besparings- en hervormingspakket van dit kabinet. Hiermee wordt de schatkist op orde gebracht en gewerkt aan duurzaam economisch herstel van de Nederlandse economie. Het kabinet probeert met stimuleringsmaatregelen de huidige conjuncturele schok te dempen. Voor duurzaam economisch herstel is het echter van belang dat de overheidsfinanciën op orde zijn. De doorrekening van het aanvullend beleidspakket, zoals gepresenteerd op Prinsjesdag, laat een beperkt negatief effect (¼%-punt) zien op de werkgelegenheid op korte en middellange termijn. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen de maatregelen die vallen onder het pakket Belastingplan 2014 en de overige maatregelen. In de Begrotingsafspraken 2014 is extra aandacht besteed aan de werkgelegenheid. Het financiële pakket bevat lastenverlichting op arbeid, waaronder de tijdelijke verlaging van het box 1-tarief, die de koopkracht op korte termijn verbetert en leidt tot een toename van de werkgelegenheid.

Een belangrijke pijler van het kabinetsbeleid is, zoals hiervoor opgemerkt, om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Het is onvermijdelijk om dit ook voor een deel via lastenverzwaringen te realiseren. Daarbij probeert het kabinet de economische schade te beperken door tevens een aantal maatregelen in de lastensfeer te nemen die geen – of slechts indirect – een effect hebben op de lasten op arbeid en/of bestedingen. Het kabinet voelt zich hierin gesteund door de Tweede Kamerfracties die de Begrotingsafspraken 2014 zijn overeengekomen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de fiscale behandeling van stamrecht-bv’s en de versterking van het toezicht van de Belastingdienst. De fiscale behandeling van de stamrecht-bv’s kan zelfs een positief bestedingseffect hebben. Met deze maatregelen wordt een goede balans gevonden tussen het op orde brengen van de overheidsfinanciën en het beperken van koopkrachteffecten van beleid. De doorrekening van de Begrotingsafspraken 2014 laat zien dat de koopkracht voor alle categorieën huishoudens als gevolg van de tijdelijke verlaging van het tarief in de eerste belastingschijf van de loon- en inkomstenbelasting in 2014 verbetert ten opzichte van eerdere doorrekeningen. Ten slotte wijs ik erop dat het kabinet, naast het streven gericht op het op orde brengen van de overheidsfinanciën, ook nu al maatregelen neemt om de lasten op arbeid te verlagen. In het kader van het wetsvoorstel Wet maatregelen woningmarkt 2014 doet het kabinet voorstellen tot verlaging van de inkomsten- en loonbelasting.

De heer Dijkgraaf geeft aan dat meer werken meer moet lonen en vraagt in dit kader of ik bereid ben om werk te maken van minder inkomensafhankelijke regelingen. Ik onderschrijf de stelling dat meer werken moet lonen van harte. In dit licht is onder meer besloten om de afbouw van de algemene heffingskorting in de vierde belastingschijf achterwege te laten. Ook neemt het kabinet meerdere maatregelen om het aantal inkomensafhankelijke regelingen te verminderen. Gewezen wordt op het terugbrengen van het aantal kindregelingen van 11 naar 4. Het gaat hierbij om een belangrijke vereenvoudiging, waarbij het voor alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering fors aantrekkelijker wordt om te gaan werken. Ook de invoering van de huishoudentoeslag zal leiden tot een vermindering van het aantal inkomensafhankelijke regelingen. Door het afbouwpercentage onafhankelijk te maken van het aantal toeslagen en het inkomen wordt de marginale druk beperkt. Het CPB geeft aan dat de invoering van de huishoudentoeslag bijdraagt aan een lagere marginale druk en gunstig bijdraagt aan de structurele werkgelegenheid. Het kabinet ziet deze hervormingen als belangrijke stappen vooruit om tot vermindering en vereenvoudiging van het aantal inkomensafhankelijke regelingen te komen, waarbij een goede balans is gevonden tussen het bieden van voldoende inkomensondersteuning en het lonender maken van werken. In het verlengde hiervan laat de heer Dijkgraaf weten blij te zijn met de toezegging van de Minister van Financiën om een notitie te sturen over de effecten van het hanteren van het bruto-inkomen voor toeslagen in plaats van het toetsingsinkomen. Voor de goede orde merk ik wel op dat de Minister van Financiën heeft aangegeven dat het kabinet niet van plan is het toetsingsinkomen te vervangen door het bruto-inkomen. Verder vraagt de heer Dijkgraaf of het kabinet daarbij ook andere inkomensafhankelijke regelingen wil betrekken, zoals de eigen bijdragen in de zorg en de studiefinanciering. Ik zeg dit gaarne toe en denk dat het goed mogelijk is om deze informatie ongeveer gelijktijdig te versturen met de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Van Dijkhuizen.

De heer Klein vraagt of economisch herstel het doel is van belastingen, of dat alleen het begrotingstekort wordt opgelost. De heffing van belastingen is primair ingegeven vanuit een budgetfunctie. Door middel van belastingheffing kunnen collectieve voorzieningen worden gefinancierd. Ik begrijp de vraag van de heer Klein echter zo dat hij vraagt of de belastingmaatregelen die dit kabinet neemt enkel zijn gericht op het op orde brengen van de overheidsfinanciën of dat er ook andere doelen worden nagestreefd. In dit verband wijs ik op de Begrotingsafspraken 2014 die zijn gemaakt met de fracties van D66, de ChristenUnie, de SGP en de coalitiepartijen. Deze begrotingsafspraken maken het mogelijk dat de kabinetsambities voor economische groei en werkgelegenheid, solide overheidsfinanciën en een evenwichtige inkomensverdeling kunnen worden gerealiseerd, ambities die de hiervoor genoemde partijen onderschrijven. Het gaat dus niet alleen om het oplossen van het begrotingstekort, maar om een evenwicht tussen bovengenoemde doelstellingen.

Commissie Van Dijkhuizen

Mevrouw Schouten en de heren Groot, Koolmees en Dijkgraaf stellen een aantal vragen die een relatie hebben met de voorstellen die zijn gedaan door de Commissie Van Dijkhuizen. Zo vraagt mevrouw Schouten serieus te kijken naar de leefvormneutraliteit van het belastingstelsel en de heer Groot wat te verwachten is van de vorm van de kabinetsreactie. De heer Koolmees wil weten welke grote hervormingen of andere voorstellen – zoals invoering van de huishoudentoeslag – hij nog meer tijdens deze kabinetsperiode kan verwachten, met name of de belastingtarieven worden verlaagd in samenhang met verbreding van de grondslag. De heer Dijkgraaf ontvangt de kabinetsreactie graag zo snel mogelijk, noemt een sociale vlaktaks als middel voor meer gelijke behandeling van alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners en vraagt of ik prioriteit wil geven aan het voorstel van de Commissie Van Dijkhuizen om het forfaitaire rendement vast te stellen op basis van de spaarrente van de afgelopen vijf jaar. De reactie op het advies van de commissie kan uw Kamer vóór 1 april 2014 verwachten. Dit tijdschema is op zichzelf al krap, dus hoewel ik uiteraard mijn best zal doen om de reactie zo snel mogelijk af te ronden, kan ik niet toezeggen dat die veel eerder dan die datum beschikbaar zal zijn. Ik wil op de inhoud daarvan nu niet vooruitlopen.

Successiewet en ANBI’s

De heer Koolmees vraagt of ik bereid ben om in de successiewetgeving te zoeken naar oplossingen voor het wegnemen van achterstanden van mensen zonder kinderen en voor alleenstaanden (social singles) zodat die ook iemand kunnen aanwijzen die gebruik kan maken van een laag tarief en van een hoge (partner)vrijstelling. Ik sta niet onwelwillend tegenover het onder de loep nemen van de successiewetgeving. Het zal echter niet meevallen om tot verruimingen te komen voor mensen zonder kinderen en voor alleenstaanden, zoals de heer Koolmees en ook de heer Klein beogen, zonder hierbij tot een forse derving te komen. Bij de herziening van de Successiewet 1956 (SW 1956) per 1 januari 2010 is een slag gemaakt in het vereenvoudigen van het stelsel van de vrijstellingen en in de tarieftabel. Binnen de voorwaarde van budgettaire neutraliteit van het wetsvoorstel als geheel is vanuit de verzorgingsgedachte gekozen voor een systematiek met hoge vrijstellingen voor partners en kinderen en ook lagere tarieven voor deze groep. Het maximumtarief voor niet-verwanten is bij die gelegenheid van 67% naar 40% teruggebracht, waarmee de tarieven voor deze groep verkrijgers bij deze herziening het meeste zijn gedaald. Het mogelijk maken voor zogenoemde social singles om iemand aan te wijzen die in aanmerking komt voor de huidige partnervrijstelling, wat in de praktijk al gauw zou betekenen dat iedereen zonder partner hiertoe in staat moet worden gesteld, zou vrijwel het einde betekenen van de erfbelasting, waardoor deze suggestie niet opportuun is. Bijna de helft van de opbrengst van de erfbelasting wordt thans immers afgedragen door belastingplichtigen in tariefgroep II en de partnervrijstelling bedraagt € 660.818 (in 2013). Een alternatieve invulling van de wens van de heer Koolmees is een budgettair neutrale aanpassing van de tarieven en vrijstellingen van de schenk- en erfbelasting, maar dat zal vanzelfsprekend gepaard gaan met een aanzienlijke drukverzwaring voor partners en kinderen.

Ook in dit kader heeft mevrouw Neppérus gevraagd waarom bij de herziening van het partnerbegrip in de SW 1956 per 1 januari 2010 geen overgangsrecht is gemaakt voor personen in meerrelaties die op dat moment al langer dan vijf jaar samenwoonden. Zij is van mening dat de huidige vrijstelling voor niet-verwanten in het geval waarin broers en zusters zijn blijven wonen in de ouderlijke woning, te beperkt is. Zij heeft mij verzocht na te denken over tijdelijk overgangsrecht dat slechts enkele miljoenen per jaar kost en mee te zoeken naar dekking voor die maatregel. Bij de totstandkoming van de huidige partnerdefinitie in de SW 1956 is vooruitgelopen op de uniformering van het partnerbegrip in de fiscale wetgeving die in 2011 tot stand is gekomen door een basisdefinitie op te nemen in de AWR. Bewust is daarbij de keuze gemaakt dat iemand slechts één partner kan hebben. In de SW 1956 is bij het bepalen van de vrijstellingen voorts de wettelijk afdwingbare verzorgingsplicht een van de doorslaggevende factoren geweest om een hoge vrijstelling te koppelen aan het partnerschap. Bij de parlementaire behandeling is ook de door mevrouw Neppérus gesignaleerde problematiek aan de orde geweest. Mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven dat ook binnen langjarige meerrelaties geregistreerd partnerschap mogelijk is tussen twee van de personen in de meerrelatie, waardoor zij gebruik kunnen maken van de partnervrijstelling. Destijds is geen aanleiding gevonden om tot overgangsrecht te komen voor deze groep. Ik ben echter – binnen de beperkte budgettaire ruimte die er is – bereid om mee te denken met mevrouw Neppérus over een tegemoetkoming voor de beperkte groep belastingplichtigen die geraakt wordt door deze aanpassing van het partnerbegrip in de SW 1956 per 1 januari 2010.

Zowel de vraag van mevrouw Neppérus als de vraag van de heer Koolmees roept echter een bredere vraag op en beide vragen tasten in zekere mate de hiervoor genoemde uitgangspunten aan van de huidige, per 1 januari 2010 nog herziene successiewetgeving. De SW 1956 is immers in grote mate gestoeld op de verzorgingsgedachte voor met name partners en kinderen. Indien uw Kamer over de successiewetgeving en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten een meer uitvoerige discussie wil voeren, ben ik daartoe bereid, waarbij evenwel moet worden overwogen dat in deze tijden de budgettaire ruimte ontbreekt om een herziening te laten verlopen zonder nadelige inkomenseffecten voor bepaalde belastingplichtigen.

Mevrouw Schouten heeft gewezen op een aantal specifieke ANBI’s die hun status verliezen en heeft gevraagd waarom de Belastingdienst hier nu opeens zo naar kijkt. De Belastingdienst oefent toezicht uit op de feitelijke werkzaamheden van de ANBI’s. Onderzocht wordt of deze werkzaamheden in overeenstemming zijn met de statuten van de ANBI en met de voorwaarden van de ANBI-regeling. Voorafgaande aan de wijziging van de ANBI-regeling in 2010, waarbij een aanscherping heeft plaatsgevonden op het punt van de mate waarin het algemeen nut statutair en feitelijk moet worden beoogd van 50% naar ten minste 90%, heeft een nieuwe ANBI-beschikkingenronde plaatsgevonden. De Belastingdienst baseerde zich bij de beschikkingverlening op een door de goede doelenorganisatie ingevuld aanvraagformulier. Daar werd gevraagd of de instelling voldoet aan de voorwaarden van de ANBI-regeling. In het reguliere toezichtstraject wordt vervolgens gekeken naar de feitelijke werkzaamheden van de ANBI. Dit toezicht is een regulier proces en beoogt het algemeen nuttige karakter van de ANBI in de praktijk te toetsen. Ik zie daarin geen strijdigheid met de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid. Over individuele ANBI’s kan ik geen uitspraken doen.

Eigen woning

De heer Omtzigt vraagt naar de gevolgen voor de fiscale behandeling van de eigen woning in het geval een schenking heeft plaatsgevonden met uitsluitingsclausule die is gebruikt voor de aflossing van de gezamenlijke eigenwoningschuld op de gemeenschappelijke eigen woning. Hij verwijst daarbij naar de vragen die zijn gesteld in het artikel van de heer H.J.T. Vos in het Fiscaal Tijdschrift Vermogen van 1 oktober 2013 over onder meer de gevolgen van echtscheiding en de wijze van toepassing van de eigenwoningreserve. De echtgenoot die de schenking heeft gekregen krijgt in de beschreven situatie een vergoedingsrecht op de andere echtgenoot. Door de werking van het voorgestelde artikel 3.119a, vijfde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 worden schulden aan de partner niet als eigenwoningschuld aangemerkt. De vergoedingsverplichting aan de echtgenoot die de schenking heeft verkregen is voor de andere echtgenoot dus geen eigenwoningschuld. Dit geldt ook indien de echtgenoten bij overeenkomst afwijken van de wettelijke regeling voor vergoedingsrechten. In voorbeeld 4 van de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel 5e van de AWR wordt de fiscale uitwerking gegeven voor wat betreft de eigenwoningregeling. Daarin wordt ook nader uitgewerkt wat de gevolgen zijn bij een echtscheiding en voor de eigenwoningreserve in geval van vervreemding van de woning. In het voorbeeld is uitgewerkt dat het vergoedingsrecht geen invloed heeft op de toepassing van de eigenwoningreserve. Het vervreemdingsaldo ontstaat bij degene die (direct) gerechtigd is tot de tegenprestatie bij de vervreemding van de eigen woning. Verder vraagt de heer Vos naar de fiscale behandeling van vergoedingsrechten en -verplichtingen bij de eigen woning na echtscheiding. In de regel zullen vergoedingsrechten en -verplichtingen echter worden afgewikkeld met de echtscheiding. De vraag van de heer Vos of een dergelijke verplichting na de echtscheiding gaat kwalificeren als eigenwoningschuld nu geen sprake meer is van een schuld aan de partner, zal daarmee in de meeste gevallen niet spelen.

De heer Omtzigt vraagt voorts naar de gevolgen van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning voor de vruchtgebruiker naar aanleiding van de bijdrage van C.G.C. Engelbertink en F.A.M. Schoenmaker in het Fiscaal Praktijkblad 2013-05/04. Bij vruchtgebruik behoort een schuld juridisch gezien toe aan de bloot eigenaar. De vruchtgebruiker is echter degene die de rente en de aflossing betaalt voor de eigenaar van de schuld. In de eigenwoningregeling geldt dat er sprake moet zijn van een eigenwoningschuld. Sinds 2013 is verduidelijkt dat het moet gaan om de eigenwoningschuld van de belastingplichtige. Dat is de bloot eigenaar. Daarom zou een vruchtgebruiker zonder nadere regeling geen eigenwoningschuld hebben en dus geen rente kunnen aftrekken. Voorheen werd voor een vruchtgebruik dat krachtens erfrecht werd verkregen echter een uitzondering gemaakt. Het is niet de bedoeling dat vruchtgebruikers per 2013 plotsklaps geen rente meer zouden kunnen aftrekken. Ik zeg daarom toe dat de renteaftrek voor vruchtgebruikers vooralsnog gehandhaafd blijft en dat ik zal bezien of, en zo ja, hoe vruchtgebruiksituaties in de nieuwe eigenwoningregeling kunnen worden ingepast. Een vruchtgebruiksituatie roept onder de herziene eigenwoningregeling namelijk nog tal van vragen op vanwege de splitsing van rechten. Zo komt bijvoorbeeld de vraag op wie de eigenwoningreserve zou moeten realiseren. Ook rijst de vraag bij wie de aan een schuld verbonden fiscale aspecten thuishoren, zoals de toerekening van de verstreken looptijd van de schuld, het recht op het overgangsrecht, of de aflossingsstand.

Verder vraagt de heer Omtzigt of bij een vruchtgebruiktestament de schulden van een nalatenschap mogen worden afgetrokken door de erfgenamen, terwijl de bezittingen gedefiscaliseerd zijn. Op grond van artikel 5.4, derde lid, van de Wet IB 2001 worden bezittingen bij de bloot eigenaar in geval van een vruchtgebruiktestament gedefiscaliseerd voor box 3 van de inkomstenbelasting. Dit geldt niet voor de box 3-schulden. Deze worden in aanmerking genomen voor de waarde van de blote eigendom bij de bloot eigenaar en voor de waarde van het genotsrecht bij de vruchtgebruiker die de rente van deze schuld moet voldoen, zie ook artikel 5.22, tweede lid, van de Wet IB 2001.

De heer Groot vraagt of ik bereid ben om kleinere koopsompolissen op een vergelijkbare manier als bij de levenslooptegoeden en de stamrecht bv’s te ontklemmen. De heer Groot suggereert dat met het aldus verkregen vermogen een deel van de eigenwoningschuld zou kunnen worden afgelost. Naar zijn mening is de revisierente die verschuldigd is op het moment van afkoop de belemmerende factor waardoor belastingplichtigen afzien van afkoop. Uit de vraagstelling blijkt dat de heer Groot doelt op koopsompolissen die deel uitmaken van de derde pijler (lijfrenteregime). Immers, ter zake van de belaste afkoop van een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), een beleggingsrecht eigen woning (BEW) of een spaarrekening eigen woning (SEW) is geen revisierente verschuldigd, omdat in de opbouwfase van de KEW, BEW of SEW de zogenoemde omkeerregel niet van toepassing is. Op de mogelijkheid van ontklemming van vermogen in de derde pijler ben ik in de bijlage van de op Prinsjesdag aan uw Kamer verzonden toezeggingenbrief nader ingegaan.23 De belangrijkste reden om een terughoudende positie in te nemen ten aanzien van de mogelijkheid het vermogen in lijfrenteaanspraken te ontklemmen, is er in gelegen dat ontklemming een aantasting van de inkomenspositie van (toekomstige) ouderen zou betekenen. Voor werknemerspensioen geldt het voorgaande in versterkte mate, omdat het – in tegenstelling tot lijfrenteaanspraken – daarnaast gaat om solidaire regelingen. Dat standpunt wordt op deze plek herhaald. Wel wijs ik erop dat de afkoop van kleine lijfrentepolissen op grond van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 nu al zonder heffing van revisierente mogelijk is (wel vindt heffing in box 1 plaats). Voorwaarde is wel dat de aanspraak vlak voor afkoop niet meer dan € 4.242 bedraagt. Dit geldt in beginsel per lijfrentecontract, niet per belastingplichtige. In die gevallen kan de berekening van revisierente dan ook geen belemmerende factor zijn. Verhoging van dit bedrag, anders dan door indexatie, tast mogelijk de inkomenspositie van (toekomstige) ouderen aan. Mede om die reden kent bijvoorbeeld ook de Pensioenwet een begrenzing van de (kleine) afkoopregeling voor werknemerspensioen. Het kabinet is daarom terughoudend in een aanpassing van de grens voor deze kleine afkoopregeling.

Uniformering btw-tarief

De heer Koolmees merkt op dat de uniformering van het btw-tarief zijn fractie aanspreekt. Naar de mening van de heer Koolmees leidt zo’n stap tot een simpelere heffing. De hiermee gepaard gaande opbrengst zou kunnen worden ingezet in de vorm van de verlaging van de loon- of inkomstenbelasting. De heer Koolmees vraagt hoe ik tegen deze mogelijkheid aan kijk. In de Fiscale agenda is inderdaad de mogelijkheid geopperd om de btw-tarieven te uniformeren. Ik wilde in overleg met uw Kamer verkennen of voor zo’n stap draagvlak zou bestaan, al heb ik meteen aandacht geschonken aan de gevolgen die zo’n uniformering zou hebben voor voedingsmiddelen. Hoewel de uniformering past in het streven naar een eenvoudig (slechts één btw-tarief) en robuust (verschuiving van belastingheffing op arbeid naar belastingheffing op consumptie) belastingstelsel en om die reden – conceptueel – nog steeds een aantrekkelijke gedachte is, bleek de uniformering van het btw-tarief politiek niet op draagvlak te kunnen rekenen. Ik zie geen reden om aan te nemen dat dat nu anders zou zijn. Het streven naar een simpeler en eenvoudiger btw-systeem heeft overigens nog steeds mijn steun. De weg daarheen voert echter via Brussel. Daar heeft het onderwerp, met steun van dit kabinet, nadrukkelijk de aandacht in het kader van de follow up die thans wordt gegeven aan het groenboek over «De toekomst van de btw» en de daarop volgende mededeling van de Europese Commissie.

Energiebelasting

De heer Groot heeft gevraagd om een speciaal energiebelastingtarief te introduceren voor walstroom, oftewel elektriciteit van het net die schepen gebruiken die aangemeerd liggen in een haven. Onder de huidige Energiebelastingrichtlijn24 is het niet mogelijk om het tarief voor walstroom voor commerciële scheepvaart te verlagen. Een lidstaat die dat wel wil doen moet een derogatieverzoek voor een verlaging van maximaal drie jaar indienen bij de Europese Commissie. Sinds 13 april 2011 ligt een EU-commissievoorstel tot wijziging van de Energiebelastingrichtlijn voor dat van een volledige vrijstelling van energiebelasting op walstroom uitgaat. Aangezien via een derogatieverzoek alleen een verlaging voor drie jaar mogelijk is, de voordelen voor de sector volgens eerder onderzoek zeer beperkt zijn en de uitvoeringslasten in relatie met het beperkte voordeel te hoog zijn, ligt het meer voor de hand de gewijzigde Energiebelastingrichtlijn af te wachten en ondertussen de noodzakelijke investeringen op andere wijze te bevorderen.

Pensioen in eigen beheer

Mevrouw Neppérus en de heren Groot, Klein en Dijkgraaf vragen wanneer zij de toegezegde brief inzake de waardering van pensioenrechten in eigen beheer kunnen verwachten. Voorts vraagt de heer Klein om een toelichting te geven op de toezegging in de Eerste Kamer om met betrekking tot het pensioen in eigen beheer te kijken naar de mogelijkheden voor meer flexibiliteit. Zoals ik op 17 oktober tijdens de Algemene financiële beschouwingen in uw Kamer heb toegezegd kom ik nog dit jaar terug op vragen en knelpunten bij pensioen in eigen beheer. Daarbij zal ik ook ingaan op de mogelijkheden om flexibeler om te gaan met de pensioenvoorziening van ondernemers.

Eigen en vreemd vermogen in de Vpb

De heer Koolmees vraagt om een nader onderzoek naar een gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting en om de uitkomsten van dit onderzoek mee te nemen in de reactie op het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen. Ik begrijp de wens van de heer Koolmees om het onderwerp op de agenda te houden. Zoals de heer Koolmees al zei, heeft de Studiecommissie belastingstelsel in 2010 al uitgebreid gekeken naar de mogelijkheden om te komen tot een gelijkere behandeling van eigen en vreemd vermogen. De studiecommissie heeft in het rapport Continuïteit en vernieuwing25 geadviseerd nader onderzoek te doen naar een vermogensaftrek en -bijtelling. Een alternatief om te komen tot een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen is de defiscalisering van rente. Dit alternatief wordt ook door de studiecommissie niet verstandig geacht. In de brief inzake moties en toezeggingen van 17 september 201326 ben ik uitgebreid ingegaan op de vermogensaftrek en -bijtelling. Hoewel een vermogensaftrek en -bijtelling een interessant concept is, is het kabinet geen voorstander van de invoering daarvan noch van een verder onderzoek daarnaar. Een vermogensaftrek en -bijtelling leidt tot een aanzienlijke budgettaire derving die waarschijnlijk niet binnen de winstbelasting gedekt kan worden zonder dat de tarieven in de vennootschapsbelasting omhoog moeten. Een vermogensaftrek en -bijtelling zou ten koste gaan van de positie van de Nederlandse multinationals. Een discussie over een dergelijke ingrijpende wijziging in de vennootschapsbelasting leidt tot onrust en kan buitenlandse investeerders afschrikken. Voorts zijn tegen de belangrijkste vormen van onevenwichtige schuldfinanciering al maatregelen genomen. Gezien deze bezwaren vindt het kabinet het niet zinvol om in deze kabinetsperiode capaciteit vrij te maken voor een nader onderzoek naar een vermogensaftrek en -bijtelling. Overigens zou het gezien de tijd die met een nader onderzoek gemoeid zou zijn, ook niet mogelijk zijn om de uitkomsten van een dergelijk onderzoek mee te nemen in de reactie op het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen.

Internationaal fiscaal beleid

De heer Van Ojik vraagt welke inzet het kabinet heeft in het kader van de internationale of binnen de EU gecoördineerde acties om belastingontwijking aan te pakken, en hij vraagt in het bijzonder waar het kabinet heen wil met substance-eisen en verrekenprijzen. Ik heb bij verschillende gelegenheden aangegeven dat ik mij zorgen maak om de mogelijkheden die het internationaal opererende bedrijfsleven heeft om zijn effectieve belastingtarief wereldwijd te beïnvloeden. Ik heb ook uitvoerig beschreven hoe deze mogelijkheden in grote lijn door drie verschijnselen zijn ontstaan. Ten eerste zijn nationale belastingregels onvoldoende op elkaar afgestemd. Ten tweede geven de internationale beginselen die worden gehanteerd om concernwinsten aan concernonderdelen in verschillende landen toe te delen (verrekenprijzen, vaste inrichtingen) niet altijd een bevredigende oplossing in veel moderne bedrijfsstructuren, waarin immateriële activa een grote waarde vertegenwoordigen en, net als eigen vermogen, minder dan vroeger gebonden zijn aan een concernonderdeel in een bepaalde staat. Ten derde kunnen internationale ondernemingen gebruik maken van belastingverdragen in gevallen waarin eraan getwijfeld kan worden of dat strookt met de algemene bedoelingen van belastingverdragen. Zoals ook is aangegeven in de brief van 30 augustus 2013 van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van mijzelf 27 is de inzet van het kabinet er vanzelfsprekend op gericht hiervoor een oplossing te vinden. Daarvoor zijn echter meerdere oplossingen te bedenken en een structurele mondiale oplossing kan alleen bereikt worden wanneer alle staten zich aan deze oplossing committeren. Tegelijkertijd moet daarbij onder ogen worden gezien dat een land, of een samenwerkingsverband van landen, dat eenzijdig maatregelen neemt de concurrentiepositie van zijn bedrijfsleven en daarmee ook zijn eigen vestigingsklimaat verslechtert. De OESO heeft bovendien opgemerkt dat eenzijdige maatregelen averechts zouden kunnen werken omdat zij tot verwarring of dubbele belasting kunnen leiden. Het is dan ook geen onwil of een gebrek aan visie waardoor het kabinet niet één concrete oplossing in het bijzonder voorstelt. Het gaat hier om een proces waarbij alle betrokken internationale organisaties en alle overheden werkende weg elkaar moeten vinden bij het ontwerpen van maatregelen die de gesignaleerde problemen oplossen, die uitvoerbaar zijn, op een efficiënte manier in werking treden en voor alle staten bindend zijn.

In verschillende brieven aan uw Kamer heb ik aangegeven dat ik mij er ook van bewust ben dat in veel internationale structuren Nederlandse vennootschappen als schakelvennootschap zijn opgenomen en dat de vraag kan opkomen of dat altijd gepast is. Ook hier heeft het kabinet er rekening mee te houden dat eenzijdige maatregelen geen structurele oplossing bieden en Nederland minder aantrekkelijk maken voor buitenlandse investeringen. Ik wil benadrukken dat Nederland desalniettemin eenzijdig reeds diverse maatregelen heeft genomen om uitwassen te voorkomen. Als één van de weinige landen in de wereld stelt Nederland substance-eisen aan dit soort schakelvennootschappen. Daarmee voorkomt Nederland dat vennootschappen die niet aan deze eisen voldoen in landen waarmee Nederland een verdrag heeft ten onrechte een beroep doen op de voordelen van dat verdrag. In de genoemde brief van 30 augustus 2013 heb ik maatregelen aangekondigd om in meer situaties informatie te verstrekken aan onze verdragspartners die daarmee beter in staat zullen zijn te beoordelen of belastingplichtigen terecht een beroep doen op de verdragen.

De heer Van Ojik vraagt naar aanleiding van een Duits krantenartikel of het standpunt van het Nederlandse kabinet bij de onderhandelingen in Europees verband over country-by-country reporting is gewijzigd ten opzichte van eerdere uitlatingen. Deze vraag is recent ook binnengekomen als Kamervragen28 gericht aan de Minister van Veiligheid en Justitie en aan mijzelf. Het standpunt van Nederland is niet gewijzigd, en het kabinet herkent zich dan ook niet in het Duitse krantenartikel zoals de heer Van Ojik dat schetst. Nederland geeft volop steun29 aan het groeiende aantal internationale initiatieven tot bevordering van transparantie door middel van country-by-country reporting. Daarbij heeft Nederland overigens wel aandacht voor de mogelijk negatieve economische consequenties van publieke beschikbaarheid van deze informatie en voor een goede afstemming met reeds bestaande transparantieverplichtingen. Naar verwachting zullen de antwoorden op de eerder genoemde Kamervragen op korte termijn aan de Tweede Kamer worden gezonden.

Ten slotte vraagt de heer Van Ojik om helderheid over het aantal schakelvennootschappen dat niet tijdig de jaarstukken inlevert. In antwoord op Kamervragen van de leden Van Ojik en Klaver heeft de Minister van Veiligheid en Justitie op 22 oktober 2013 mede namens de Minister van Financiën aangegeven dat hij niet kan beoordelen of een bericht dat stelt dat 19% van de ruim 18.000 postbusfirma’s niet tijdig een jaarplan heeft ingediend, juist is (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 304). Onduidelijk is welke van de bedoelde rechtspersonen ook daadwerkelijk de verplichting hebben hun jaarrekening te publiceren. Ook ik kan daarom die vraag niet beantwoorden.

Private vermogens

De heer Dijkgraaf noemt enkele onderwerpen die de inzet van privaat kapitaal raken. Hij vraagt of ik kan aangeven of er binnen afzienbare tijd mogelijkheden komen voor de zogenoemde Social Impacts Bonds (SIB’s), een onderwerp waar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar kijkt. Er bestaat behoefte aan het voor een gelimiteerde periode beschikbaar stellen van vermogen voor goede doelen en maatschappelijk gewenste investeringen, aldus de heer Dijkgraaf, en hij vraagt of er ruimte is voor een nieuwe vorm van een doelvermogen, het Impact Investment Fund. Inderdaad wordt op dit moment door het Platform Society Impact met subsidie van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzocht hoe SIB’s vorm kunnen krijgen in Nederland. SIB’s zijn met name voor deze departementen interessant omdat zij de mogelijkheid bieden om met privaat kapitaal preventieve activiteiten van sociaal ondernemers op het gebied van leefbaarheid en arbeidsparticipatie te realiseren. SIB’s verminderen daarmee de financiële risico’s voor overheden. Op dit moment werkt het Platform Society Impact ook aan zijn businessplan om met geld van verschillende maatschappelijke partijen (banken, filantropen, overheden) voor een periode van 3 jaar in staat te zijn SIB’s in Nederland te ontwikkelen naar voorbeeld van instituten als Social Finance en Big Society Capital in het Verenigd Koninkrijk. Hierover worden gesprekken gevoerd met ondermeer ING, ABN AMRO, de Rabobank, het Oranjefonds en de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF). Het Platform Society Impact werkt aan het vormgeven van SIB’s op het gebied van jeugdwerkloosheid en de aanpak rond multiprobleemgezinnen. Tot op heden zijn er geen belemmeringen ondervonden op het gebied van wet- en regelgeving. Dat laatste geldt ook voor nieuwe vormen als het Impact Investment Fund.

Wat de opties betreft om fiscaal alternatieve financieringsbronnen te faciliteren, de heer Dijkgraaf vraagt hiernaar en wij hebben hier ook tijdens de Algemene financiële beschouwingen al het nodige over gewisseld, merk ik op dat het na het recent afschaffen van de faciliteiten voor durfkapitaal – die ook wel de tante Agaath-regeling wordt genoemd – niet voor de hand ligt weer een vergelijkbare regeling in het leven te roepen. Wel wil ik mijn tijdens de Algemene financiële beschouwingen gedane toezegging herhalen. Als de heer Dijkgraaf de ideeën die hij heeft op dit punt – anders dan de hiervoor genoemde initiatieven die het kabinet reeds heeft opgepakt – en hij die concreter kan maken en die kan aan mij kan doen toekomen in dit najaar, dan zal ik in de eerste helft van volgend jaar een notitie wijden aan deze ideeën en zal ik de consequenties ervan in kaart brengen. Ook het kabinet is immers voorstander van het verbeteren van de financieringsmogelijkheden van het midden- en kleinbedrijf.

Dan het andere punt dat de heer Dijkgraaf in dit kader ook al aanroerde tijdens de Algemene financiële beschouwingen. De heer Dijkgraaf vraagt of de Belastingdienst vooraf meer duidelijkheid kan geven over de uitleg van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de SW 1956. Hij hoort veel klachten over de terughoudende wijze waarop de Belastingdienst hiermee omgaat, waardoor vermogenden de veilige kant kiezen, wat er volgens de heer Dijkgraaf toe leidt dat minder geld in Nederland geïnvesteerd wordt. Voorts merkt hij op dat de BOR helaas niet geldt voor beleggingsvermogen en vraagt hij of de grens van 5% die geldt voor de BOR niet lager gelegd kan worden.

De Belastingdienst treedt veelvuldig in vooroverleg met belastingadviseurs over de toepassing van de BOR. Vragen over de BOR worden serieus door de Belastingdienst beoordeeld en zorgvuldig beantwoord. Een van de eisen voor toepassing van de BOR is dat er ondernemingsvermogen overgaat. De ratio achter de BOR is immers dat reële ondernemingen niet in gevaar moeten komen door de heffing van erfbelasting. Beleggingsvermogen faciliteren, zoals de heer Dijkgraaf lijkt te suggereren, ligt dan ook niet in de rede, zeker niet gelet op recente jurisprudentie over de BOR. Door dit onderscheid komt de vraag of in bepaalde specifieke gevallen al dan niet sprake is van ondernemingsvermogen vanzelfsprekend regelmatig aan de orde. De invulling van het begrip ondernemingsvermogen voor de BOR staat niet op zichzelf. Er is in de wet bewust gekozen voor een link met het materiële ondernemingsbegrip in de inkomstenbelasting. In overeenstemming hiermee neemt de Belastingdienst bij de toepassing van de BOR en de beantwoording van vragen daarover als richtsnoer de jurisprudentie die geldt voor de IB-onderneming. Hierbij dient nog bedacht te worden dat bij de herziening van de SW 1956 per 1 januari 2010 er bewust voor is gekozen om de faciliteiten alleen te laten gelden voor «echte» ondernemingen, waarbij de mogelijkheden om beleggingsvermogen in de regeling te betrekken tot een minimum zijn beperkt. Daartegenover stond dat de voorwaardelijke vrijstelling voor de schenk- en erfbelasting destijds is verruimd. Aan dit onderscheid, en ook aan de ondergrens van 5% (die bij verwatering overigens verlaagd kan worden tot 0,5%) wil ik niet tornen; dit zijn reële uitgangspunten om de BOR goed op ondernemers te richten. Dit alles gezegd hebbende, ben ik uiteraard wel bereid om reële belemmeringen weg te nemen die binnen de BOR bestaan en die vrij eenvoudig weggenomen kunnen worden zonder dat dit budgettaire consequenties heeft. De heer Dijkgraaf heeft mij toegezegd de signalen die hij krijgt door te spelen. Ik wacht die met interesse af en zal die met interesse bekijken.

Reactie aanvullend commentaar Register Belastingadviseurs

Op deze plek wordt, op verzoek van de heer Omtzigt, ingegaan op het aanvullend commentaar van het Register Belastingadviseurs (RB) op het pakket Belastingplan 2014.

Het RB vraagt om bij de behandeling van het Belastingpakket 2014 aandacht te besteden aan het leerstuk van onzakelijke leningen en de werkkostenregeling. Het leerstuk van de onzakelijke leningen is een leerstuk dat zich in de jurisprudentie heeft ontwikkeld en waarvan nog niet alle aspecten duidelijk zijn. Een deel van de openstaande punten ligt nog voor bij de rechter. Wel is het zo dat in de binnenkort uit te brengen besluiten over verrekenprijzen en resultaat uit overige werkzaamheden aandacht zal worden besteed aan deze problematiek. Wat betreft de werkkostenregeling het volgende. Uw Kamer wordt nog dit jaar geïnformeerd over de uitkomsten van de brede consultatie die dit voorjaar gehouden is. Hierbij zal worden ingegaan op mogelijke vervolgstappen die kunnen worden gezet. Mogelijke wetswijzigingen zullen met het oog op de benodigde implementatietijd tijdig aan uw Kamer aangeboden worden.

Het RB stelt vast dat in 2014 slechts gebruik mag worden gemaakt van de 80%-regeling als de koopsom voor het stamrecht vóór 15 november 2013 is overgemaakt op een bankrekening van de verzekeraar, of als de verzekeraar zich vóór 15 november 2013 heeft verplicht om als verzekeraar van een stamrecht op te treden. Het RB vraagt of er ook aan deze voorwaarden is voldaan als de werkgever vóór 15 november 2013 met de werknemer een stamrecht overeenkomt, welk stamrecht door de werkgever in eigen beheer wordt gehouden. Voor de aanspraken in eigen beheer bij de werkgever wordt geregeld dat de 80%-regeling alleen van toepassing is indien de werkgever zich vóór 15 november 2013 heeft verplicht ter zake van de betreffende aanspraak als verzekeraar als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel tot en met 31 december 2013 luidt, op te treden. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan zal er aanspraak mogen worden gemaakt op de 80%-regeling. Voorts vraagt het RB om nadere toelichting op de aanscherping van de 80%-regeling. In de praktijk zijn er signalen dat er geanticipeerd wordt op de 80%-regeling. Deze anticipatie is niet gewenst. Om de anticipatie tegen te gaan is het wetsvoorstel door middel van een nota van wijziging aangepast. Voor de toepassing van de 80%-regeling wordt geregeld dat naast het ineens beschikken over de op 31 december 2013 bestaande aanspraak ook vereist wordt dat de werkgever het ter financiering van het betreffende recht op periodieke uitkeringen verschuldigde bedrag voor 15 november 2013 heeft overgemaakt. De introductie van de peildatum van 15 november 2013 houdt geen verband met eventuele wensen van banken en verzekeringsmaatschappijen om voldoende tijd te hebben om aanvragen voor stamrechtproducten te kunnen verwerken. Ten slotte vraagt het RB zich af hoe de 80%-regeling wordt toegepast in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde een stamrecht heeft ondergebracht bij een eigen stamrecht-bv waarvan het enige activum een vordering op de uitkeringsgerechtigde is van € 300.000 en waarbij de stamrechtverplichting nominaal € 400.000 bedraagt. Bij de toepassing van de 80%-regeling dient uit te worden gegaan van de nominale waarde van de stamrechtverplichting.

Het RB merkt op dat de redactie van de wettekst van artikel 33a van de SW 1956 niet aansluit bij de samentellingsregeling van artikel 27 van die wet. Het RB doet de suggestie om de formulering «een schenking» in artikel 33a, eerste lid, onderdeel a, van de SW 1956 te wijzigen in «hetgeen wordt verkregen» ten behoeve van een betere aansluiting op de samentellingsregeling van artikel 27 van de SW 1956 en op de redactie van artikel 33, onderdeel 5°, van de SW 1956. Ik onderschrijf deze uitleg van de voorgestelde tekst niet. Door de werking van artikel 27 van de SW 1956 worden schenkingen door dezelfde schenker aan dezelfde begiftigde binnen één kalenderjaar aangemerkt als één schenking. De woorden «een schenking» in artikel 33a, eerste lid, onderdeel a, van de SW 1956 kunnen dus meerdere schenkingen in hetzelfde kalenderjaar betreffen. Daarnaast sluit de formulering van artikel 33a van de SW 1956 reeds aan bij de redactie van artikel 33, onderdeel 5°, van de SW 1956 doordat door de werking van artikel 33a van de SW 1956 de bedragen in artikel 33, onderdeel 5°, van de SW 1956 worden verhoogd. In dit artikel wordt namelijk reeds genoemd dat van schenkbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen door een kind van de ouders, etcetera. Ik acht deze door het RB voorgestelde wijziging daarom niet noodzakelijk.

Verder wijst het RB erop dat belastingplichtigen in bepaalde gevallen geen beroep zouden kunnen doen op de uitzonderingsbepaling voor de 180 dagenregeling. Daarbij kan volgens het RB gedacht worden aan een schenking in 2014 die wordt gevolgd door overlijden in 2015, binnen 180 dagen na de schenking. Volgens het voorgestelde artikel 33a, derde lid, van de SW 1956 is artikel 12, eerste lid, eerste volzin, van de SW 1956 niet van toepassing op schenkingen waarop de tijdelijk verruimde vrijstelling van artikel 33a van de SW 1956 van toepassing is. Het is de bedoeling dat dit ook geldt voor dergelijke schenkingen die eind 2014 zijn gedaan en waarvan de schenker begin 2015 overlijdt. Dit zal ik bij nota van wijziging verduidelijken met een overgangsrechtbepaling.

In het aanvullend commentaar van het RB op de nota’s naar aanleiding van het verslag wordt naar aanleiding van het arrest DTZ Zadelhoff30 van het Europese Hof van Justitie onder andere gevraagd hoe moet worden omgegaan met diensten op het gebied van begeleiding bij de verkoop van bedrijven via een aandelentransactie. Handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, inzake effecten zijn vrijgesteld van btw. Hoe moet worden omgegaan met diensten op het gebied van begeleiding bij de verkoop van bedrijven via een aandelentransactie, hangt af van een waardering van alle feiten en omstandigheden van het geval. Indien het meest kenmerkende element ofwel het overheersende element van de dienstverlening geen relatie heeft met de verkoop van de aandelen, is geen sprake van een vrijgestelde prestatie.

Het RB herhaalt dat er een langere tijd verstreken kan zijn tussen het vergrijp en het niet verlenen van een voorschot. Op de afwegingen van het kabinet is uitgebreid ingegaan in de nota naar aanleiding van het verslag, waarnaar ik het RB graag verwijs. Ik voeg daaraan toe dat het voorstel van het RB om aan het onherroepelijk worden van de sanctie in de afgelopen 5 jaar als voorwaarde toe te voegen dat ook het vergrijp in de afgelopen 5 jaar begaan is alleen maar het procederen tegen de sanctie bevordert. Indien de aanvrager de procedure tegen de sanctie 5 jaar weet te rekken, ontloopt hij namelijk de maatregel dat hem geen voorschot wordt verleend. Een dergelijke perverse prikkel op procederen is mijns inziens onwenselijk.

Het RB is van mening dat de beslistermijn voor het verlenen van een voorschot niet mag worden verlengd indien er geen sprake is van een frauderisico maar alleen omdat er sprake is van een piekbelasting. Het RB is voorts van mening dat in het geval verlenging van de beslistermijn plaatsvindt omdat de Belastingdienst/Toeslagen nog wacht op nadere informatie niet de maximale termijn van 26 weken zou moeten worden opgezocht als de informatie eenmaal beschikbaar is.

De veronderstelling dat de Belastingdienst/Toeslagen de beslistermijn gaat verlengen uitsluitend omdat er sprake is van een piekbelasting berust op een misverstand. De verlenging van de beslistermijn van 13 weken zal alleen aan de orde zijn bij aanvragen die extra toezicht krijgen, bijvoorbeeld als gevolg van een verhoogd frauderisico. Als het extra toezicht samenvalt met een periode van piekbelasting, kan het extra toezicht meer tijd vergen, waardoor de beslistermijn voor aanvragen met een verhoogd frauderisico moet worden verlengd. De verwachting is echter dat ook bij de risicovolle aanvragen afwikkeling in het algemeen binnen de reguliere beslistermijn van 13 weken mogelijk zal zijn. Overigens zal de Belastingdienst/Toeslagen als de gevraagde informatie of gegevens eenmaal beschikbaar zijn zo spoedig mogelijk een beslissing nemen op de aanvraag en niet de maximale beslistermijn opzoeken.

Het RB concludeert in het aanvullend commentaar dat het evenwicht tussen te ontvangen en te vergoeden rente vrijwel is verdwenen. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst het RB naar de in de nota naar aanleiding van het verslag opgenomen overzicht van in rekening gebrachte en vergoede rente en merkt op dat dit nog niet de cijfers betreft over de belastingrente, omdat deze in de jaren 2009 tot en met 2012 nog niet in werking was getreden. Dat laatste klopt. Uit de tabel valt op te maken dat van 2009 tot en met 2012 per saldo meer rente is vergoed dan in rekening gebracht. Zoals in de memorie van toelichting van het Belastingplan 2012 is uiteengezet is dit een van de redenen geweest om voor de regeling van de belastingrente aan te sluiten bij de regeling verzuimrente in de Awb. Introductie van deze regeling had namelijk mede ten doel het sparen bij de fiscus te stoppen. Ik verwacht om die reden ook dat in de komende jaren per saldo telkens een opbrengst zal worden behaald. Verder wijst het RB op de naar zijn mening ongelijke behandeling van vennoten binnen een samenwerkingsverband indien het een natuurlijk persoon en een rechtspersoon betreft en een correctie op de winst plaatsvindt. Ditzelfde geldt wat het RB betreft in de verhouding tussen een directeur-grootaandeelhouder en zijn bv. In het geval van vennoten binnen een transparant samenwerkingsverband wordt voor de belastingheffing naar de achterliggende partijen gekeken en zijn de voor die natuurlijke persoon of rechtspersoon geldende regels van toepassing. Het betreft hier dus geen gelijke gevallen en daarom is weliswaar sprake van ongelijke behandeling, maar dit is gerechtvaardigd omdat het ongelijke gevallen betreft. Ditzelfde geldt voor de dga en zijn bv indien een correctie plaatsvindt.

Caribisch Nederland

In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 2014 is opgemerkt dat het wetsvoorstel op dit moment nog geen maatregelen bevat die betrekking hebben op het fiscale stelsel van Caribisch Nederland, maar dat de mogelijkheid bestond dat mede naar aanleiding van het met de bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba te voeren overleg alsnog voorstellen in dit wetsvoorstel opgenomen zouden kunnen worden. Het hiervoor bedoelde overleg met de bestuurders heeft op 30 oktober jl. plaatsgevonden. Tijdens dat overleg is met de bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeenstemming bereikt over een pakket voor te stellen maatregelen.

Alvorens, vooruitlopend op de op korte termijn in te dienen nota van wijziging, in te gaan op de inhoud van dit pakket een korte achtergrondschets van het overleg met de bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Tijdens de vormgeving en uitwerking van het nieuwe fiscale stelsel van Caribisch Nederland, dat op 1 januari 2011 in werking is getreden, is regelmatig overlegd met de bestuurders van Caribisch Nederland. In dat kader is met hen afgesproken dat er na de invoering jaarlijks bestuurlijk overleg zal plaatsvinden over eventuele aanpassingen van dat fiscale stelsel. Daarbij is ook de afspraak gemaakt dat de opbrengst van het nieuwe fiscale stelsel in het jaar van invoering, 2011, gecorrigeerd voor inflatie, op macroniveau niet hoger zou moeten zijn aan de opbrengst die het oude Nederlands Antilliaanse belastingstelsel in 2010 op Bonaire, Sint Eustatius en Saba genereerde31. Ter uitvoering van deze afspraken heeft zowel in 2011 als in 2012 bestuurlijk overleg plaatsgevonden, waarbij aan de bestuurders op basis van de op dat moment beschikbare informatie is gemeld dat het nieuwe fiscale stelsel meer zou opbrengen dan geraamd. Naar aanleiding daarvan is via het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012 een bedrag van USD 5 miljoen meeropbrengst teruggesluisd naar Caribisch Nederland via lastenverlichtende maatregelen. Vorig najaar is op basis van aanvullende gegevens van de Belastingdienst/Caribisch Nederland (B/CN) over de aan het jaar 2011 toe te rekenen structurele opbrengst van het nieuwe belastingstelsel nogmaals een meeropbrengst vastgesteld, wederom van USD 5 miljoen. Ook dit bedrag is teruggesluisd, in het wetsvoorstel Belastingplan 2013.

Enkele weken geleden is van B/CN een definitieve raming ontvangen over de aan het jaar 2011 toe te rekenen opbrengst van het nieuwe belastingstelsel van Caribisch Nederland. Deze definitieve raming kon niet eerder worden gemaakt omdat er tot voor kort nog onzekerheid bestond over de definitieve opbrengst van de vastgoedbelasting. Inmiddels zijn voor de via de vastgoedbelasting te belasten onroerende zaken vrijwel alle aanslagen vastgoedbelasting over het jaar 2011 opgelegd. Daarmee is er ook zicht gekomen op de definitieve opbrengst van de vastgoedbelasting. Uit de definitieve raming blijkt dat er bovenop de hiervoor genoemde meeropbrengsten van tweemaal USD 5 miljoen – die inmiddels zijn teruggesluisd – nog sprake is van een aanvullende meeropbrengst van USD 2 miljoen over het jaar 2011 die volledig is gelokaliseerd in de vastgoedbelasting. Met deze laatste meeropbrengst en de hieronder aangegeven maatregelen is de vergelijking tussen het oude Nederlands Antilliaanse belastingstelsel en het nieuwe belastingstelsel van Caribisch Nederland afgesloten en is volledig voldaan aan de hiervoor genoemde toezegging.

Tijdens het overleg van 30 oktober jl. met de bestuurders van Caribisch Nederland is overeenstemming bereikt over een pakket voor te stellen maatregelen van USD 2 miljoen in de sfeer van de vastgoedbelasting. Het pakket bestaat enkele structurele maatregelen en een tijdelijke maatregel. Kort samengevat bevat het pakket de volgende elementen:

Structurele maatregelen

  • Voorgesteld wordt om met ingang van 1 januari 2014 in de vastgoedbelasting voor alle belaste woningen een vrijstelling aan de voet van USD 70.000 in te voeren. Bij een woning met een waarde van USD 100.000 hoeft dan slechts over USD 30.000 vastgoedbelasting te worden betaald. Voor eigen woningen geldt al sinds 1 januari 2011 een volledige vrijstelling in de vastgoedbelasting. Voor tweede woningen die in bezit zijn van natuurlijke personen die inwoner van Caribisch Nederland zijn geldt sinds 1 januari 2011 een vrijstelling aan de voet van USD 50.000. Met ingang van 1 januari 2013 is deze vrijstelling aan de voet uitgebreid tot alle tweede woningen van natuurlijke personen, ongeacht de woonplaats van de eigenaar. Mede op verzoek van de bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt de bestaande vrijstelling aan de voet van USD 50.000 voor alle tweede woningen van particulieren uitgebreid tot alle woningen die via de vastgoedbelasting worden belast, zodat de vrijstelling aan de voet ook gaat gelden voor woningen die in bezit zijn van niet-natuurlijke personen. Belangrijkste reden voor deze wens is dat daarmee de druk van de vastgoedbelasting op woningen die permanent worden verhuurd sterk kan worden beperkt en in veel gevallen kan worden teruggebracht tot nihil. Het gaat daarbij vooral om woningen die worden verhuurd aan belastingplichtigen met een relatief laag inkomen (sociale huurwoningen verhuurd door woningbouwcorporaties, de openbare lichamen of door particulieren). Ter voorkoming van discussies over welke woningen nu wel en welke woningen nu geen sociale huurwoning zijn heeft de voorgestelde maatregel betrekking op alle woningen. Dit vergemakkelijkt de uitvoering van de vastgoedbelasting door B/CN. Omdat de stichtingskosten van nieuwe sociale huurwoningen inmiddels hoger zijn dan USD 50.000 is binnen de budgettaire ruimte van in totaal USD 2 miljoen tevens met de bestuurders overeengekomen voor te stellen deze vrijstelling aan de voet integraal op te rekken tot USD 70.000 per (zelfstandige) woning.

  • Op 1 januari 2013 is in de vastgoedbelasting een investeringsfaciliteit opgenomen op grond waarvan waardestijgingen van onroerende zaken die voortvloeien uit investeringen (bouw, verbouw, verbetering, uitbreiding of renovatie) vijf jaar worden vrijgesteld van vastgoedbelasting. Met de bestuurders is afgesproken voor te stellen deze vrijstellingsperiode te verlengen naar tien jaar, vooral omdat deze maatregel investeringen stimuleert en deze investeringen kunnen bijdragen aan de groei van de economie van en de werkgelegenheid op Caribisch Nederland. Om de rechtszekerheid van belastingplichtigen te vergroten en de uitvoerbaarheid van deze maatregel voor B/CN te vergemakkelijken wordt tevens voorgesteld dat nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de wijze waarop belastingplichtigen aan B/CN kenbaar kunnen maken dat sprake is van een investering die voor de vrijstelling in aanmerking komt.

  • De derde en laatste structurele maatregel die met de bestuurders van Caribisch Nederland is overeengekomen betreft een verlaging van de effectieve druk van de vastgoedbelasting. Voor zogenoemde overige onroerende zaken wordt de effectieve druk structureel verlaagd van 0,8% naar 0,7%.

Incidentele maatregel voor 2013 en 2014

  • In het Belastingplan 2013 is voor de jaren 2011 en 2012 een tijdelijk verlaagd tarief van de vastgoedbelasting ingevoerd. Voor die jaren is de effectieve druk voor hotels verlaagd van 0,4% naar 0,2% en voor overige onroerende zaken van 0,8% naar 0,6%. Met de bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen voor te stellen dit tijdelijk verlaagde tarief ook voor de jaren 2013 en 2014 te laten gelden en dat vanaf het jaar 2015 het structurele tarief van de vastgoedbelasting toepassing zal vinden (effectieve druk voor hotels 0,4% en voor overige onroerende zaken 0,7%). Met de bestuurders is tevens afgesproken dat de aanslagen over 2013 en 2014 beide in 2014 zullen worden opgelegd. Daarmee wordt de vertraging die is ontstaan bij het opbouwen van de bestanden en het waarderen van de onroerende zaken die via de vastgoedbelasting moeten worden belast, ingelopen. Vervolgens kan dan vanaf het jaar 2015 elk jaar een volgende aanslag vastgoedbelasting worden opgelegd die dan betrekking zal hebben op het kalenderjaar waarin de aanslag wordt opgelegd.

    In de toelichting op de nota van wijziging zullen de hiervoor genoemde maatregelen verder worden toegelicht.

De Staatssecretaris van Financiën, F.H.H. Weekers

Bijlage: Passage uit de memorie van toelichting bij de Fiscale vereenvoudigingswet inzake verschillend gebruik van gas

«Zowel door de Belastingdienst als door de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI) is aandacht gevraagd voor de problemen die zich in de praktijk voordoen rond de heffing van belasting van bepaalde minerale oliën en meer in het bijzonder LPG. De problemen vloeien grotendeels voort uit de volgende twee omstandigheden. Op de eerste plaats is van belang dat van LPG (maar ook van gasolie en halfzware olie) twee belastingen worden geheven, namelijk de accijns en de energiebelasting (hierna: EB). Afhankelijk van de bestemming van LPG is hetzij accijns (wegverkeer), hetzij EB (niet-wegverkeer: verwarming, mobiele werktuigen) verschuldigd. Indien de bestemming op voorhand niet bekend is, is zowel accijns als EB verschuldigd, waarna voor één van deze middelen een verzoek om teruggaaf kan worden gedaan, indien de uiteindelijke bestemming bekend is. Indien na de uitslag van LPG uit een accijnsgoederenplaats de bestemming van LPG wordt gewijzigd, heeft dit gevolgen voor zowel de heffing van accijns als EB. De accijns wordt alsnog verschuldigd en de EB moet worden teruggegeven of vice versa.

Op de tweede plaats is van belang dat de tarieven van beide belastingen verschillen, terwijl het bij LPG, anders dan bij halfzware olie en gasolie, niet mogelijk is uit een oogpunt van controle fiscale merktekens aan te brengen (bij halfzware olie en gasolie gaat het dan om de zogenoemde rode diesel). De accijns van LPG bedraagt momenteel € 126,07 per 1.000 kg; de EB € 201,78 per 1.000 kg. Dit tariefverschil leidt tot ongewenste situaties. Een en ander wordt op grond van beleidsbesluiten gereguleerd via diverse vergunningen, alsmede verklaringen van afnemers aan hun leveranciers omtrent de bestemming. Niettemin is sprake van een fraudegevoelige regeling.

Een vereenvoudiging kan worden bereikt door de minerale oliën (LPG, gasolie en halfzware olie) voortaan alleen nog te belasten met accijns. De energiebelasting wordt dan ingebouwd in het accijnstarief. Voor LPG leidt alleen overheveling van EB naar accijns niet tot een echte oplossing voor de eerder geschetste problemen. Een daadwerkelijke oplossing wordt bereikt door voor LPG over te stappen op een uniform tarief in de accijns. Er wordt dan geen onderscheid meer gemaakt tussen de bestemmingen «wegverkeer» en «niet-wegverkeer».

Met de in dit wetsvoorstel opgenomen wijzigingen bewerkstelligt het kabinet dat de vorenbedoelde minerale oliën voortaan alleen nog worden belast met accijns (de energiebelasting wordt ingebouwd in het accijnstarief) en dat voor LPG voortaan een uniform tarief van toepassing is. Bij de vaststelling van de hoogte van dit uniforme tarief voor LPG is ervoor gekozen dit tarief budgettair neutraal vast te stellen op € 151,25.»

De hierboven geschetste wijze van heffing leidt tot regelingen die voor het bedrijfsleven in sommige gevallen moeilijk uitvoerbaar zijn en voor de Douane moeilijk te handhaven. Ook de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI) heeft al enkele keren haar zorg hierover uitgesproken (ook richting de Tweede Kamer, zie Kamerstuk 30 887, nr. 7, blz. 6), omdat haar leden door de onduidelijkheden geconfronteerd zijn (en kunnen worden) met naheffingen. Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat voor deze complexe problematiek een oplossing zou worden gezocht. Ook de Commissie Noordzij (Rapport weg belemmeringen) heeft dit als knelpunt aangemerkt. In de brief over dit rapport, die onlangs naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstuk 29 515, nr. 292), wordt aangegeven dat onder meer de mogelijkheid van een uniform LPG-tarief wordt onderzocht.

Hierna wordt ter toelichting ingegaan op een veel voorkomende situatie, waarin de vorenbedoelde problemen zich voordoen.

Afhankelijk van de bestemming van LPG is hetzij accijns (wegverkeer), hetzij EB (niet-wegverkeer) verschuldigd. Indien de bestemming op voorhand niet bekend is, is zowel accijns als EB verschuldigd, waarna voor één van deze middelen een verzoek om teruggaaf kan worden gedaan, indien de uiteindelijke bestemming bekend is. Dit wordt op grond van beleidsbesluiten gereguleerd via diverse vergunningen, alsmede verklaringen van afnemers aan hun leveranciers omtrent de bestemming.

Uit het voorgaande vloeien voor de Douane veel werkzaamheden voort:

  • het afgeven en beheer van vergunningen;

  • het behandelen van verzoeken om teruggaaf van accijns of EB met betaling van EB of accijns bij bestemmingswijziging van het LPG;

  • administratieve controles m.b.t. vergunningen en verzoeken om teruggaaf;

  • controles om bijvoorbeeld na te gaan of eigenaren van vorkheftrucks op LPG deze LPG wel hebben betrokken inclusief EB.

Voor het bedrijfsleven brengt de huidige regelgeving veel administratieve lasten met zich mee zonder dat men hierdoor ervan is verzekerd correct te handelen. Bedrijven moeten nu afgaan op verklaringen van hun afnemers omtrent het soort gebruik, maar kunnen achteraf worden geconfronteerd met naheffingen of claims van hun afnemers, indien de Douane constateert dat de LPG een andere dan de aangegeven bestemming heeft gekregen. Voorts moet naheffing van EB doorgaans plaatsvinden bij de gebruiker, terwijl accijns moet worden teruggegeven aan leveranciers. Dit betekent weer veel onderlinge verrekeningen.

Een vereenvoudiging kan worden bereikt door de minerale oliën (LPG, gasolie en halfzware olie) voortaan alleen nog te belasten met accijns. De energiebelasting wordt dan ingebouwd in het accijnstarief (artikel 27, derde en vierde lid, van de Wet op de accijns). (...)

Voor LPG leidt alleen overheveling van EB naar accijns niet tot een echte oplossing voor de eerder geschetste problemen. Indien als gevolg van de overheveling de EB op LPG komt te vervallen en in plaats hiervan voor niet-wegverkeer bestemmingen een afzonderlijk accijnstarief zou worden opgenomen in de Wet op de accijns, betekent dit in feite een voortzetting van een twee-tarievensysteem. De eerder geschetste problemen zouden daarmee grotendeels blijven bestaan.

Een daadwerkelijke oplossing wordt bereikt door voor LPG over te stappen op een uniform tarief (in de accijns). Er wordt dan geen onderscheid meer gemaakt tussen de bestemmingen «wegverkeer» en «nietwegverkeer». Bij de vaststelling van de hoogte van dit uniforme tarief voor LPG is ervoor gekozen dit tarief budgettair neutraal vast te stellen op € 151,25 per 1.000 kilogram.»

Kamerstuk 32 130, nr. 3, blz. 22–23 en 69–70.