Nieuwe tegenslagen met de JSF |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de gevolgen zijn van de nieuwe vertragingen in de ontwikkeling van de software van de JSF (F-35)?1
De planning van het F-35 programma voorziet er in dat het testen van de block 2B software dit voorjaar is voltooid en dat deze software eind juni voor operationeel gebruik wordt vrijgegeven. Volgens de planning zullen de Amerikaanse mariniers met deze software hun Initial Operational Capability (IOC) status deze zomer behalen. Bij het testen van de beoogde eindversie van de block 2B software zijn nog enkele tekortkomingen (bugs) geconstateerd. De Amerikaanse mariniers hebben echter vastgesteld dat de software bruikbaar is voor het behalen van de IOC-status. Het F-35 Joint Program Office (JPO) laat de benodigde verbeteringen in een volgende softwareversie verwerken. Nederland beoogt in 2021 een eerste operationele capaciteit beschikbaar te hebben. De toestellen zullen dan zijn uitgerust met de block 3F software.
Zijn er enige financiële consequenties voor de aanschaf van de Nederlandse JSF door deze softwarevertraging, dan wel consequenties voor de geplande aanschaf- en invoerdatum van de Nederlandse JSF?
Nee.
Klopt het dat het hele functioneren van de JSF feitelijk afhangt van de ontwikkeling van de software en dat deze software dus de meest kritische succesfactor is? Zo nee, waarom niet?
Het functioneren van ieder hedendaags jachtvliegtuig, dus ook de F-35, is een complex samenspel van goedwerkende hardware en software.
Wat is uw reactie op het bericht dat de JSF faalt in het bieden van luchtsteun?2
Zoals al in de voortgangsrapportages is gemeld, doorloopt de F-35 een stapsgewijs ontwikkelingstraject. Van het toestel en de software worden enkele tussenversies ontwikkeld (aangeduid met block nummers) waarmee de operationele capaciteiten van het toestel gefaseerd beschikbaar komen. Dit voorjaar wordt de ontwikkeling van de block 2B software en een beperkt wapenpakket voltooid. Met deze configuratie beschikt het toestel over initiële operationele capaciteiten, waaronder die om luchtsteun aan grondtroepen te bieden. Met het beschikbaar komen van de block 3F configuratie (naar verwachting in 2017) zal de F-35 alle operationele capaciteiten op het vereiste niveau hebben.
In de berichtgeving worden de capaciteiten van de block 2B software op het gebied van luchtsteunverlening vergeleken met de capaciteiten van de A-10. Dat toestel is speciaal ontworpen voor luchtsteun en alleen de Amerikaanse luchtmacht beschikt erover. De A-10 is echter zeer beperkt in staat zich te verdedigen tegen vijandige jachtvliegtuigen en is daarvoor afhankelijk van andere toestellen. In tegenstelling tot de A-10, die alleen voor luchtsteun effectief inzetbaar is, is de F-35 een multirole toestel. Dat wil zeggen dat de F-35 kan worden ingezet in zeer uiteenlopende dreigingsscenario’s en naast luchtsteun ook andere complexe taken kan uitvoeren. De Amerikaanse Director Operational Test & Evaluation maakte overigens ook duidelijk onderscheid tussen de tijdelijk gebruikte block 2B software en de mogelijkheden van de uiteindelijke block 3F software. De F-35 kan doeltreffend luchtsteun aan grondtroepen geven, maar de uitvoering van die taak zal anders zijn vormgegeven dan grondsteun door een A-10. Dat geldt overigens ook voor luchtsteun met de F-16.
Klopt het dat het bieden van luchtsteun één van de hoofdtaken is van de JSF?
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat er nu een nieuwe onzekerheid is over de prestaties van de JSF? Voldoet de JSF nog steeds aan de Nederlandse eisen die zijn gesteld ten aanzien van de prestaties?
Er is geen sprake van nieuwe onzekerheid over de prestaties van een F-35. Met de block 3F configuratie, die naar verwachting in 2017 beschikbaar zal zijn, zal de F-35 voldoen aan de operationele eisen die Nederland heeft gesteld.
Kunt u toelichten wat de consequenties zijn voor de Nederlandse aanschaf van de JSF, nu blijkt dat deze faalt in een van de hoofdtaken?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u toelichten wat de verwachte consequenties zijn van dit falen voor het bereiken van de uiteindelijke operationele capaciteiten van de JSF?
Zie antwoord vraag 6.
Hebt u ook kennisgenomen van het bericht «Minister Hennis, het JSF-dossier gaat niet de la in»?3
Ja.
Klopt het dat de eerste JSF pas volledig operationeel zal zijn in 2021? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit klopt niet. De eerste toestellen met de volledige operationele capaciteiten van de block 3F software worden in 2017 verwacht. In het artikel worden recente uitspraken van de Amerikaanse luchtmachtgeneraal Harrigian verkeerd aangehaald. In een interview met Reuters4 bevestigde Harrigian dat de Amerikaanse luchtmacht op koers ligt om in 2016 de IOC-status met de F-35 te behalen en dat een Full Operational Capability (FOC) status, met grote aantallen toestellen en bijbehorende wapens, in 2021 wordt verwacht.
Klopt het dat de verwachte omzet voor de Nederlandse industrie is gebaseerd op de aanname dat uiteindelijk 4500 JSF’s worden geproduceerd? Zo nee, waarom niet?
De omzetraming berust op een raming van een totale productie van 4.500 stuks. De opmerkingen in het artikel zijn bekend en zijn al eerder naar voren gebracht, onder meer tijdens een hoorzitting voor de vaste commissie voor Defensie op 6 april 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 165). In de brief van 17 april 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 166) is in reactie daarop al geschreven dat de raming van 4.500 stuks berust op de planningsaantallen van de F-35 partnerlanden plus de te verwachten verkoop aan «derde landen». Eenzelfde onderbouwing is ook vermeld in de brief van 3 maart 2014 (Kamerstuk 26 488, nr. 341) met daarin een reactie op een persinterview met mevrouw Hewson van Lockheed Martin, en in de brief van 16 februari 2015 (Kamerstuk 26 488, nr. 373) waarin de bouwstenen voor de Nederlandse omzetraming aan de orde kwamen.
Hoe beoordeelt u de kritische kanttekeningen die worden geplaatst in het artikel op het verwachte aantal van 4500 JSF’s?
Zie antwoord vraag 11.
Wat is uw reactie op het oordeel van het hoofd van Amerikaanse marine operaties die de stealthcapaciteiten van de JSF overgewaardeerd noemt?
De Amerikaanse Chief of Naval Operations heeft er in het afgelopen jaar op gewezen dat verbetering van de capaciteiten van radarsystemen een vermindering van de tactische voordelen van stealth toestellen tot gevolg kan hebben. Er is sprake van een voortdurende wedloop tussen radarsystemen en technologieën waarmee radardetectie kan worden vermeden of geminimaliseerd. Deze wedloop zal ook in de komende jaren voortgaan. Een toestel met stealth technologie zal ten opzichte van een niet-stealth toestel later gedetecteerd worden, wat hoe dan ook voordeel oplevert.
Klopt het dat het mogelijk is om creatief te boekhouden met het budget van de JSF door investeringskosten af te doen als exploitatiekosten? Zo nee, waarom niet?
De suggestie is onjuist dat Lockheed Martin door creatief boekhouden kosten kan verschuiven zodat deze geen deel uitmaken van de investeringskosten maar terugkomen als exploitatiekosten. Het Pentagon heeft inzage in de boekhouding van de leveranciers zodat kan worden vastgesteld dat kosten correct worden toegerekend en er geen overmatige winsten worden geboekt. Verder merk ik op dat het Nederlandse financiële kader voor de verwerving van de F-35 zowel het investeringsbudget als het jaarlijkse exploitatiebudget omvat.
De bouw van een nieuwe moskee in Gouda |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het verslag van het overleg over de Prins Willem-Alexanderkazerne van 8 mei 2014? Hoe verklaart u dat het verslag maar een korte tijd op de website van de gemeente Gouda heeft gestaan?1 2
Het verslag van 8 mei 2014 is mij bekend. Het verslag is door de gemeente Gouda openbaar gemaakt en is nog altijd terug te vinden op de website van de gemeente Gouda, in het Raadsinformatiesysteem bij de vergaderstukken van 17 december 2014 (cluster Stad, vergadering van 17 december 2014, agendapunt3.
Wat is uw mening over de passage in desbetreffend verslag waarin staat dat ontmoetingen met vrouwen in en rond het complex kunnen leiden tot conflictueuze situaties en dit noopt tot het treffen van blijvende fysieke aanpassingen en voorzieningen? Blijft u bij uw eerdere antwoorden dat de overheid niet meegewerkt zou hebben aan uitvoering van religieuze wensen om vrouwen ook in de openbare ruimte uit het zicht te houden van mannelijke bezoekers van de moskee?3 4
De gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen is een belangrijke kernwaarde van de Nederlandse samenleving. Segregatie op basis van geslacht is onwenselijk. Het verslag van 8 mei 2014, waarin de door u aangehaalde passage staat, heeft betrekking op een overleg in een eerdere fase van de gedachtevorming betreffende gezamenlijke huisvesting van de school voor speciaal onderwijs, het islamitisch centrum en het medisch kinderdagverblijf op het PWA-kazerneterrein. In het gesprek van 8 mei 2014 werd geconstateerd dat er geen basis was voor gezamenlijke huisvesting. Latere gesprekken, eind 2014, hebben wel geleid tot samenwerking tussen deze drie partijen.
Zoals eerder geantwoord is volgens de informatie van de gemeente Gouda in het schetsplan van 30 januari jl. van de drie initiatiefnemers een fysieke erfscheiding voorzien bij de hoofdentrees (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1902). Deze is niet gericht op de scheiding van mannen en vrouwen. De fysieke scheiding is in het schetsplan voorzien op verzoek van de school voor speciaal onderwijs en het medisch kinderdagverblijf, die vanwege hun leerlingen behoefte hebben aan een rustige en overzichtelijke eigen entree.
Deelt u de mening dat medewerking van een overheid aan segregatie van mannen en vrouwen in strijd is met de scheiding van religie en staat en de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen? Vindt u dat hier in Gouda sprake van is?
Zie antwoord vraag 2.
De kosten van asielzoekers |
|
Sietse Fritsma (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat waren in 2014 de totale kosten van asielzoekers? Kunt u hierbij, naast de reeds bekende kosten voor het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), in ieder geval ook het voor (afgewezen) asielzoekers bestemde deel van de Dienst Terugkeer en Vertrek, van rechtsbijstand en van subsidies meenemen, evenals de kosten die gemoeid zijn met gegeven onderwijs aan asielzoekerskinderen zonder verblijfsrecht?
Hieronder treft u een overzicht van de kosten die de rijksoverheid in 2014 gemaakt heeft ten behoeve van asiel en asielzoekers.
Kosten vanuit VenJ-begroting
De kosten die de IND in 2014 heeft gemaakt voor asiel bedragen circa 197,7 mln. euro.
De kosten die het COA in 2014 naar inschatting heeft gemaakt voor asiel bedragen circa 485 mln. euro. Alle kosten die COA maakt, zijn gerelateerd aan asiel.
De DT&V heeft in 2014 naar inschatting circa 72 mln. euro aan kosten gemaakt. Hierbij gaat het om de kosten van terugkeer en vertrek van alle categorieën vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Er vindt geen registratie plaats naar categorieën vreemdelingen.
De Raad voor de Rechtsbijstand meldt dat in 2014 de kosten van toevoegingen in asielzaken 26 mln. euro bedragen.
Verder hebben in 2014 de volgende aan vreemdelingenbeleid gelieerde instellingen een subsidie ontvangen: Vluchtelingenwerk Nederland 6,3 mln. euro, NIDOS circa 23,8 mln. euro en overige organisaties 2014 circa 0,7 mln. euro.
In dit bedrag zitten ook de niet asiel gerelateerde subsidies.
Kosten vanuit OCW-begroting
Alle kinderen in Nederland tussen de 5 en 18 jaar hebben recht op onderwijs en zijn leerplichtig.
Specifieke gegevens over kinderen zonder verblijfsrecht zijn niet beschikbaar en kunnen dan ook niet worden verstrekt. Er zijn wel gegevens beschikbaar over het onderwijs aan asielzoekers. Onderstaand worden deze cijfers gegeven.
In het primair onderwijs worden scholen per schooljaar bekostigd. De onderstaande cijfers hebben betrekking op het schooljaar 2014–2015.
In april 2015 ontvangen ongeveer 2.5001 asielzoekerskinderen in Nederland primair onderwijs. De reguliere bekostiging die scholen voor deze kinderen ontvangen bedraagt per kind circa € 4.250,00. Daarnaast ontvangen scholen voor de meeste asielzoekerskinderen gemiddeld een extra bedrag uit de gewichtenregeling van € 3.300,00 per leerling. De reguliere en de extra bekostiging in het primair onderwijs voor deze kinderen bedraagt circa 18,8 mln. euro.
Daarnaast zijn er in het primair onderwijs drie regelingen voor aanvullende bekostiging van asielzoekerskinderen. In het schooljaar 2014–2015 is er een toename van ongeveer 1.000 asielzoekerskinderen. Dit schooljaar hebben scholen via deze drie aanvullende regelingen voor asielzoekerskinderen circa 4,5 mln. euro ontvangen. Dit brengt de totale kosten van asielzoekerskinderen in het schooljaar 2014–2015 in het primair onderwijs op circa 23,3 mln. euro.
In het voortgezet onderwijs worden scholen per kalenderjaar bekostigd. In 2014 waren er gemiddeld 2.063 asielzoekers in Nederland in de leeftijdscategorie 12 tot 18 jaar. Uitgaand van deze cijfers, ontvingen scholen in 2014 circa 15,5 mln. aan reguliere bekostiging voor deze leerlingen.
Er zijn voor het voortgezet onderwijs – naast de reguliere basisbekostiging – twee regelingen voor aanvullende bekostiging van nieuwkomers van toepassing. Dit zijn de regeling Eerste opvang vreemdelingen en de nieuwkomersregeling. In 2014 hebben scholen via deze regelingen circa 17,5 mln. euro ontvangen. Naast de twee regelingen voor aanvullende bekostiging, is er een opstartregeling voor scholen die voor het eerst les gaan geven aan deze groep kinderen. Hiervoor ontvangt een school eenmalig 16 duizend euro. Vier scholen hebben in 2014 gebruik gemaakt van deze opstartregeling.
Dit brengt de totale kosten van asielzoekers in het voorgezet onderwijs in 2014 op circa 33 mln. euro.
De megabonus voor de topman van Schiphol |
|
Farshad Bashir (SP), Arnold Merkies (SP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen dat de topman van Schiphol dat geheel in handen van de overheid is een astronomische bonus ontvangt?1
Het contract van Jos Nijhuis dateert uit 2008 en is afgesloten in lijn met het toen vigerende beloningsbeleid dat voor de directieleden van Schiphol een variabele beloning van 100% van het vaste salaris toestaat, onderverdeeld in een korte termijn variabele beloning van 47,5% en een lange termijn variabele beloning van 52,5%. Dit heb ik ook gemeld in de beantwoording van de Kamervragen over het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen.2
Vindt u het normaal dat een bonus bijna gelijk is aan het basissalaris van de Schiphol-topman? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind een variabele beloning van 100% van het vaste salaris te hoog. In de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid heb ik aangekondigd dat ik in het beloningsbeleid van alle staatsdeelnemingen wil laten vastleggen dat de variabele beloning van bestuurders maximaal 20% van hun vaste salaris bedraagt. Het nieuwe beloningsbeleid van Schiphol, dat in 2014 is vastgesteld, is in lijn met deze uitgangspunten van het deelnemingenbeleid. In het nieuwe beloningsbeleid van Schiphol geldt dus een maximale variabele beloning van 20%. De contracten van twee van de vier directieleden van Schiphol vallen reeds onder dit beleid.
Hoe staat het salaris van de topman van Schiphol incl. bonus en andere toeslagen in verhouding tot het salaris van de medewerkers die ook elke dag bijdragen aan het succes van de luchthaven?
De AvA heeft de bevoegdheid om het beloningsbeleid voor de directie van Schiphol vast te stellen. De directie van Schiphol, daarop toegezien door de raad van commissarissen, gaat over het loongebouw voor de overige medewerkers van Schiphol.
Binnen het loongebouw van Schiphol, dat wordt opgesteld onder verantwoordelijkheid van de directie en RvC van Schiphol, bedraagt de maximaal te behalen variabele beloning voor senior management 15–20%. Binnen het cao-domein kent Schiphol een collectieve winstdelingsregeling, met een maximale waarde van 12% van het vaste inkomen.
Is het voor een medewerker op Schiphol ook mogelijk om zijn of haar salaris bijna te verdubbelen door een bonus wanneer deze een jaar lang het werk goed uitvoert? Zo nee, waarom geldt dit dan wel voor de Schiphol-topman?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat er fors wordt bezuinigd op de beveiliging van Schiphol? Zo ja, hoe past dit dan bij de enorme bonus van de Schiphol-topman?2
Nee, Schiphol stapt volledig over van decentrale beveiliging (aan de gate) naar centrale beveiliging. Als gevolg hiervan verbetert de kwaliteit voor passagiers en wordt het beveiligingsproces efficiënter en effectiever.
In hoeverre deelt u de mening dat het goed zou zijn wanneer de topman afziet van zijn bonus en genoegen zou nemen met de nieuwe norm van maximaal 20% van het salaris?
Het is de bevoegdheid van de aandeelhouder om een beloningsbeleid vast te stellen voor de directie. De raad van commissarissen stelt daarbinnen de bezoldiging van de verschillende directieleden vast. Daarbij hoort ook het vaststellen van de jaarlijkse doelstellingen voor de variabele beloning, de beoordeling of deze doelstellingen zijn gehaald en het op basis daarvan vaststellen van de jaarlijkse variabele beloning. De staat stelt jaarlijks kritische vragen over de vaststelling van de doelstellingen door de RvC en de beoordeling daarvan.
Daarnaast heb ik aan Schiphol laten weten dat ik van mening ben dat de variabele beloning van de CEO van Schiphol in lijn moet worden gebracht met het vigerende beloningsbeleid.
Heeft u acties ondernomen om de Schiphol-topman te laten afzien van zijn forse bonus? Zo ja, wat heeft u hieraan gedaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de kwaliteit van het Olympisch water een schande is voor Brazilië |
|
Remco Dijkstra (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kwaliteit Olympisch water is schande voor Brazilië»?1
Ja, het nieuwsbericht is mij bekend.
Erkent u het probleem waar onze Olympische topsporters voor gesteld worden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Welke oplossing kan Nederland bieden bij het schoonmaken van de baai, opdat niet alleen de Nederlandse medaille kandidaten zo veel mogelijk kans hebben op eremetaal en Nederlandse bedrijven Braziliaanse orders binnen kunnen halen vanwege onze uitstekende kennis en expertise van «cleantech», maar ook de lokale bevolking kan profiteren doordat een schone baai zorgt voor meer kansen voor het toerisme en de werkgelegenheid?
Op initiatief van het Ministerie van IenM hebben Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen, NGO’s en overheidsinstanties op 10-12 maart deelgenomen aan een factfinding missie om met de autoriteiten in de Staat Rio de Janeiro de mogelijkheden te verkennen en te bezien hoe we met specifieke projecten de Brazilianen kunnen bijstaan: (1) in de «cleanup» van de baai en de lagune, (2) in het voorkomen van verdere vervuiling van de baai en de lagune door investeringen in de inzameling en zuivering van afvalwater en afvalmanagement en het hiermee stimuleren van de circulaire economie (het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen via rioolwaterzuivering en afvalmanagement). Dit met het perspectief dat de bewoners een gezonde leefomgeving krijgen, en meer banen en bedrijven gecreëerd worden in de afval(water)- en recycling sector.
Welke Nederlandse bedrijven zouden in aanmerking kunnen komen om dit soort opdrachten naar tevredenheid en met goed resultaat binnen te halen?
Het is aan de Braziliaanse overheid om zich als opdrachtgever daarover een oordeel te vormen. Ik voeg daar aan toe, dat door het eind 2013 door 55 partijen getekende Ketenakkoord Kunststofkringloop (www.kunststofkringloop.nl) veel bedrijven, kennisinstellingen, NGO’s en overheden de krachten gebundeld hebben om de plastic kringloop in Nederland en de rest van de wereld te sluiten. Uit dit netwerk is de bovengenoemde Nederlandse «factfinding» missie naar Rio de Janeiro voortgekomen.
Welke vorm van diplomatie kunt u aanwenden om tot een positief resultaat te komen voor zowel ons bedrijfsleven als voor onze Olympische topsporters?
Met de gezamenlijke inzet van de ministeries van IenM, EZ (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) en BZ en onze diplomatieke posten in Brasilia en Rio de Janeiro, is het mogelijk om een integrale aanpak te presenteren aan de autoriteiten in Rio de Janeiro. Deze aanpak past ook in de follow-up van mijn reis die ik vorig jaar aan Brazilië heb gebracht, waar ik onder meer heb gesproken over de economische diplomatie (vergroten van marktkansen van het Nederlandse bedrijfsleven in Brazilië) en de kabinetsambities rond Water Internationaal.
Ik ben uiteraard bereid om samen met Minister Schultz van Haegen en mijn collega’s van EZ, BZ en BHOS mij in te zetten om met Nederlandse bedrijven en met inzet van in Nederland ontwikkelde duurzame innovaties een succesvolle bijdrage te leveren aan de terugdringing van vervuiling van de Guanabara Bay en de opbouw van een circulaire economie in Rio de Janeiro. Uiteindelijk is het echter de Braziliaanse overheid die besluit over de investeringen en de samenwerking met het Nederlandse consortium.
Bent u bereid deze vorm van diplomatie in te zetten?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Klagende' Polen niet meer op bouwplaats' |
|
Johannes Sibinga Mulder |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Kent u het artikel waarin staat dat de Polen die begin vorige maand tegenover vraagsteller en de Stentor hun mond open deden over onder meer over hun te lage uurloon niet meer op de bouwplaats van het stadskantoor Deventer werken?1
Ja.
Bent u bereid om na te laten gaan of en zo ja, waarom, deze Polen niet meer op de betreffende bouwplaats werken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om na te laten gaan of de betreffende Polen werden onderbetaald?
Om een oordeel te kunnen geven over een eventuele overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) dient onderzoek plaats te vinden naar de feiten en omstandigheden. Dan kan ook worden vastgesteld of de groep Poolse werknemers al dan niet nog werkzaam is op de betreffende bouwplaats. De Inspectie SZW zal zich met het speciale team dat zich bezig houdt met de aanpak van schijnconstructies op de hoogte stellen van de situatie en beraadt zich op een eventueel onderzoek naar de feiten en omstandigheden in deze specifieke casus. Zoals gebruikelijk doe ik geen uitspraken over lopende onderzoeken van de Inspectie SZW.
Het bericht dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap in wil zetten op stedelijke ontwikkeling ten koste van landbouwfondsen |
|
Roelof Bisschop (SGP), Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Erkent u dat de zogenaamde «stadsparken» aan de basis staan van de netto, positieve bijdrage van ongeveer € 26 mrd. van de agrarische sector aan de Nederlandse handelsbalans?1
De groene gebieden («stadsparken») tussen onze steden worden door alle Nederlanders, inclusief de stedelingen als zeer waardevol ervaren. Uiteraard onderken ik het zeer grote belang van de agrarische sector voor de Nederlandse economie.
Waar baseert u uw veronderstelling op dat Nederland op wereldschaal bekeken één stad met een grote hoeveelheid stadsparken is? Hebben deze zogenaamde stadsparken het niet juist mogelijk gemaakt dat steden zich konden ontwikkelen, in plaats van andersom?
Nederland kent geen grote, dominante stad, maar een polycentrisch netwerk van kleine en middelgrote nabijgelegen steden. Dit netwerk spreidt zich uit over het grootste deel van Nederland. De OESO duidt in haar Territorial Review of The Netherlands de grote economische potentie van deze uitgangspositie, omdat het de kans biedt de gezamenlijke omvang van steden te benutten (agglomeratievoordelen) zonder de nadelen van een grote stad te ervaren, zoals congestie of extreem hoge woningprijzen. De groene gebieden (natuur, agrarisch, cultuurlandschap) «tussen» de steden zijn een wezenlijk onderdeel van de aantrekkelijkheid van het Nederlandse stedennetwerk en daarmee een positieve vestigingsfactor.
Richt uw inzet met betrekking tot vermindering van regels voor eigen initiatieven van bewoners en ondernemers zich, gelet op uw constatering dat Nederland op wereldschaal één stad is, niet alleen op de stedelijke gebieden, maar ook op het landelijk gebied?
Ja, ik doel hiermee op initiatieven zoals de Experimentenwet, begin januari 2015 aangekondigd in de Agenda Lokale Democratie. De Experimentenwet is in ontwikkeling. Aan alle gemeenten, groot en klein, stedelijk en niet-stedelijk heb ik, samen met de VNG, in de afgelopen periode gevraagd om met voorstellen te komen om tijdelijk af te wijken van knellende wet- en regelgeving. Ik wil op basis hiervan een aantal gemeenten experimenteerruimte bieden met als doel om de publieke dienstverlening te verbeteren en maatschappelijke opgaven effectiever aan te pakken, ook buiten het stedelijk gebied.
Daarnaast wordt er met de Nederlandse inzet op het gebied van EU Better Regulation aandacht gevraagd voor de effecten van Europese wetgeving voor lokale en regionale overheden. Lokale en regionale overheden zijn immers belangrijke uitvoerders van Europese wetgeving en ervaren dat (sectoraal) Europees beleid en regelgeving niet altijd goed aansluit bij een gebiedsgerichte benadering op lokaal en regionaal niveau.
Is het waar dat u tijdens het Nederlandse voorzitterschap in wilt zetten op verschuiving van een deel van het budget voor het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) naar stedelijke ontwikkeling?
De kaders voor de aanwending van de GLB-middelen zijn meerjarig vastgelegd voor de periode 2014–2020. De inzet is niet om tijdens het Nederlands voorzitterschap besluiten te nemen over het verschuiven van budget van het GLB of andere Europese fondsen naar stedelijke ontwikkeling. Binnen het EU Meerjarig Financieel Kader zijn er onder de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (zoals EFRO en ESF) al middelen beschikbaar voor stedelijk beleid. Zo moet ten minste 5% van de op nationaal toegewezen EFRO-middelen worden bestemd voor geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling. Voor de periode 2014–2020 is er voor gekozen deze EFRO-middelen in te zetten in de G4 met een zgn. Geïntegreerde Territoriale Investering (GTI). Synergie van de fondsen wordt bereikt door de gelijktijdige inzet van 5% van de nationale ESF-middelen.
Ik wil middels de lancering van een Europese Urban Agenda tijdens het EU-voorzitterschap meer aandacht vragen voor hoe de EU met zijn instrumentarium kan bijdragen aan de ontwikkeling van steden, zodat (onnodige) belemmeringen weggenomen worden en kansen benut kunnen worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om concrete (sectorale) EU-wetgeving die gebiedsgerichte stedelijke oplossingen bemoeilijkt. Ook wil ik verkennen of er belemmeringen voor steden bestaan, bij het gebruik van EU-fondsen en zo ja, hoe deze kunnen worden weggenomen.
Op de website van het CDA stond een column (datum 2 juni 2015) van CDA Europarlementariër Lambert van Nistelrooij, waarin ook hij pleit voor meer inspraak voor steden in de Europese Unie.
Acht u financiering van stedelijke ontwikkeling, in het kader van subsidiariteit, een taak voor de Europese Unie?
Stedelijk beleid is geen taak voor de Europese Unie en dat zal wat het kabinet betreft ook zo blijven. Aangezien steden belangrijke uitvoerders zijn van EU-beleid, is het echter wel van belang dat de EU in zijn beleid beter rekening houdt met het effect van haar beleid op steden.
Organisaties zoals Eurocities en het Comité van de Regio’s zijn daarom ook zeer actief op Europees niveau.
Het is overigens op dit moment al het geval dat de EU via EU-Fondsen zoals EFRO en ESF subsidies aan steden geeft (zie vraag 4).
Welk deel van het budget voor het GLB zou u willen verschuiven naar stedelijke ontwikkeling?
Zie mijn antwoord bij vraag 4.
Waarom wilt u specifiek geld weghalen bij het GLB?
Zie mijn antwoord bij vraag 4.
Heeft u er rekening mee gehouden dat het GLB in tegenstelling tot andere beleidsterreinen volledig communautair is, dat al sprake is van bezuiniging op het GLB (per lidstaat) en dat het GLB belangrijk is voor een vitale agrarische sector, ook één van de motoren van de Nederlandse economie?
Ik realiseer mij wat het belang van het GLB voor de Nederlandse agrarische sector en het belang van de Nederlandse agrarische sector voor de Nederlandse economie is. Ook zie ik de rol die steden spelen als belangrijke motoren van economie, banen en innovatie.
Bent u bereid uw suggestie om tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie in te zetten op bezuiniging op het GLB ten faveure van stedelijke ontwikkeling, te heroverwegen?
Zie mijn antwoord bij vraag 4.
Het bericht ‘Bluscapaciteit ontoereikend bij grote brand’ |
|
Magda Berndsen (D66), Stientje van Veldhoven (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ‘Bluscapaciteit ontoereikend bij grote brand’?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een grote brand onder meer bedrijven, scholen en ziekenhuizen aanzienlijke risico’s lopen, aangezien de bluscapaciteit van het waterleidingnet schijnbaar niet toereikend is?2
Nee, dit was mij niet bekend. Het Veiligheidsberaad heeft mij bij navraag bericht dat daarvan ook geen sprake is. Brandkranen die gevoed worden door het waterleidingnet vormen slechts één van de bronnen voor bluswater. Zo is het ook mogelijk bluswater te onttrekken aan bijvoorbeeld open water (vijvers, sloten, rivieren, e.d.), geboorde putten en tankauto’s.
Zo ja, hoe lang bent u er al van op de hoogte dat er een direct gevaar dreigt, ten gevolge van de ontoereikende bluscapaciteit, voor ondernemers en werknemers, leraren en leerlingen, doctoren en patiënten, in het geval van een grote brand bij bedrijven, scholen en/of ziekenhuizen? Zo nee, waarom bent u hier niet van op de hoogte, terwijl het hier gaat om een kerntaak van de overheid, namelijk het beschermen van haar burgers?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er hier sprake is van een landelijk probleem? Zo nee, kunt u dit onderbouwen? Is er – al dan niet naar aanleiding van verontrustende signalen – getracht deze problematiek in kaart te brengen? Met andere woorden: heeft u proactief gehandeld op het moment dat deze signalen u bekend werden? Zo nee, waarom niet, en bent u vervolgens bereid om per ommegaande alsnog te (laten) onderzoeken wat de omvang is van dit probleem?
Nee, naar mijn mening is hier geen sprake is van een landelijk probleem. Dat bericht ook het Veiligheidsberaad mij bij navraag.
Het Veiligheidsberaad geeft daarbij aan dat de beschikbaarheid van bluswater een zaak is van gemeenten en veiligheidsregio’s; de brandweer maakt deel uit van de veiligheidsregio.
Deelt u de mening dat wanneer er sprake is van een landelijk probleem de landelijke overheid mogelijk een rol heeft in het oplossen van het probleem, door te kijken of er op landelijk niveau maatregelen genomen kunnen worden die gemeenten, brandweer en drinkwaterbedrijven (beter) in staat stellen dit probleem gezamenlijk aan te pakken? Hoe verhoudt zich dit bijvoorbeeld tot de veiligheidsregio’s?
Zie antwoord vraag 4.
Wat moet er volgens u gebeuren om de bluscapaciteit op een acceptabel niveau te brengen, in acht nemende de aanpassingen die het waterleidingnet doormaakt/heeft doorgemaakt?3 Wat moet er volgens u gebeuren – gelet op het feit dat een grote brand op deze locaties zich ieder moment van de dag voor kan doen – om de bluscapaciteit op korte termijn te vergroten? Zijn u alternatieven bekend om te komen tot een toereikende bluscapaciteit? Zo ja, zijn deze alternatieven op dit moment haalbaar? Bent u bereid dit te (laten) onderzoeken?
Er is geen extra actie nodig gericht op de bluswatercapaciteit. Het Veiligheidsberaad geeft bij navraag aan dat sprake is van een adequaat niveau. De bewering dat het gecontroleerd laten uitbranden van objecten het enige alternatief is dat voorhanden is, is dan ook onjuist.
Neemt u genoegen met het enige alternatief dat op dit moment voorhanden lijkt te zijn, namelijk het gecontroleerd laten uitbranden van objecten? Deelt u de mening dat het hier, naast de veiligheid van mensen, gaat om een onwenselijk verlies van bezit, zowel van de particulier, de ondernemer als van de overheid, en dat dit voorkomen moet worden?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) voornemens is om extra te bezuinigen op het onderwijs |
|
Jasper van Dijk (SP), Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «De UvA heeft nog vele kopzorgen1 en «Bestuur UvA verder onder druk na aankondiging bezuinigingen»?2
Ja.
Klopt het dat de verliezen dit jaar 28 miljoen euro zullen bedragen en de komende jaren op zullen lopen tot ruim 83 miljoen euro? Zo ja, in hoeverre is dit tekort te wijten aan investeringen in nieuwe huisvesting en de kosten van afgesloten derivaten?
In de begroting 2015 geeft de UvA aan dat voor 2015 een negatief resultaat begroot is van € 27,8 miljoen en dat dit zonder nadere beleidswijzigingen inderdaad zal leiden tot een cumulatief negatief resultaat van ruim € 83 miljoen over de periode van 2015 t/m 2018.
Het negatieve resultaat in 2015 is voor € 15,1 miljoen het gevolg van de langjarig geplande inzet van de Huisvestingsplanreserve in het kader van het Huisvestingsplan 2005–2020. Omdat de rente van het derivaat hoger is dan de huidige rentestand, is een deel van het verlies in 2015 ook te wijten aan het derivaat. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Het definitieve resultaat wordt uiteraard pas zichtbaar in de respectievelijke jaarverslagen en is mede afhankelijk van de maatregelen die de UvA neemt in het kader van het nog op te stellen toekomstplan.
Is het waar dat de slechte financiële vooruitzichten tot bezuinigingen op het primaire proces, het onderwijs, leiden?
De UvA meldt in haar begroting dat het verschil tussen de gewenste financiële uitkomst en de in de begroting 2015 opgenomen stand aanleiding geeft tot het nemen van passende maatregelen. De UvA is daarom bezig met het opstellen van een toekomstplan. Vooruitlopend op de interne discussie binnen de UvA rond dit toekomstplan doe ik geen uitspraken over de wijze waarop deze plannen zullen uitwerken. Ik vind het van het grootste belang dat de UvA deze discussie open en zorgvuldig voert met de interne betrokkenen en daar de tijd voor neemt.
Herinnert u zich de uitspraak van voormalig UvA-bestuurder Paul Doop uit 2012, die stelde dat de universiteit «financieel zeer gezond» was en verantwoord omgaat met derivaten?
Ja, dat was naar aanleiding van een eind 2012 verschenen rapport van de Inspectie van het Onderwijs over het gebruik van derivaten door onderwijsinstellingen. Hierbij was de Universiteit van Amsterdam verwisseld met de Vrije Universiteit Amsterdam, die wel een probleem had met derivaten. De UvA had, zo bleek uit het rapport indertijd, geen derivaten die financieel gevaar met zich meebrachten.
Is het waar dat afgelopen jaar de derivaten portefeuille voor 46 miljoen euro onder water stond? Zo ja, zijn deze risico's destijds niet aan het licht gekomen in het onderzoek van de onderwijsinspectie?
De UvA heeft er destijds voor gekozen om bij iedere investeringsbeslissing zekerheid te hebben over vaste rentekosten over de looptijd, in plaats van een onzekere variabele kostenstroom. In het rapport van de Inspectie van het Onderwijs uit 2012 stond dat de derivaten portefeuille van de UvA per 31 december 2011 een negatieve marktwaarde had van € 44 miljoen. Per 31 december 2013 was de waarde € 46 miljoen negatief (gewaardeerd tegen de forward rentecurve op die datum).
Zolang de UvA het contract niet tijdens de looptijd openbreekt, zal de waarde van het derivaat aan het eind van de looptijd weer nul zijn. Het financiële risico is daarmee beperkt.
Kunt u inzichtelijk maken of er bij de UvA sprake is van ongedekte derivatencontracten en open posities?
De UvA heeft geen ongedekte derivatencontracten of open posities.
Is het huidige financiële toezicht van de onderwijsinspectie naar uw mening toereikend om problemen rondom derivaten tijdig te signaleren en te voorkomen?
Voor het afsluiten van derivaten zijn onderwijsinstellingen gehouden aan de regeling Beleggen en Belenen. De waarde van derivaten moet in het jaarverslag worden opgenomen. Met het controleprotocol regelt de Inspectie van het Onderwijs dat de instellingsaccountant de derivatenportefeuille betrekt in de jaarlijkse accountantscontrole. De inspectie houdt het toezicht op de kwaliteit van de accountantscontroles. Bij haar reviews op de accountantscontroles let de inspectie ook op de controle van de derivatenportefeuille. De Inspectie van het Onderwijs houdt aan de hand van de jaarverslagen het bezit en de waarde van de derivaten in de gaten. Ik ben van mening dat het huidige financieel toezicht door de inspectie met betrekking tot derivaten toereikend is. Het voorkomen van problemen rondom derivaten is aan de instelling zelf. De instelling is zelf verantwoordelijk voor een goede risicoanalyse bij het afsluiten van een derivaat en het zich houden aan hetgeen vermeld is in de Regeling Beleggen en Belenen.
Geeft de financiële positie van de UvA reden om de universiteit onder aangepast financieel toezicht te plaatsen?
Jaarlijks analyseert de Inspectie van het Onderwijs de financiële positie van de onderwijsinstellingen. Daarbij wordt met name gekeken naar de financiële continuïteit van de instellingen. De inspectie ziet op grond van de (verwachte ontwikkeling van de) financiële positie vooralsnog geen acute risico’s voor de continuïteit van de UvA. Wel blijft de inspectie de ontwikkelingen monitoren.
Bent u voornemens om het gesprek aan het gaan met het College van Bestuur over de ontstane financiële situatie? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op de vorige vraag heb aangegeven ziet de inspectie op grond van de (verwachte ontwikkeling van de) financiële positie vooralsnog geen acute risico’s voor de continuïteit van de UvA. De afgelopen periode heb ik met diverse betrokkenen gesproken, waaronder uiteraard ook met het College van Bestuur. Ik heb er alle vertrouwen in dat het bestuur van de UvA en de faculteiten, samen met de medezeggenschapsorganen tot een gedegen uitwerking komen van het toekomstplan. De komende periode blijf ik de ontwikkelingen bij de UvA nauwgezet volgen.
Het artikel “Experts kritisch op wapenexportplan” |
|
Ronald Vuijk (VVD), Fred Teeven (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Experts kritisch op wapenexportplan»?1
Ja.
Hebt u regelmatig overleg met de ambtenaren van de Centrale Dienst In- en Uitvoer (CDIU) over de problematiek rondom het afgeven van exportvergunningen voor wapenleveranties en wapen gerelateerde leveringen? Zo ja, welke problemen zijn de afgelopen jaren uit dit regulier overleg naar voren gekomen? Zo nee, bent u bereid regelmatig overleg te gaan voeren met de CDIU over lopende zaken?
Ja. De afgelopen jaren was tijdens het periodieke overleg met de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU) vooral aandacht voor de oplopende behandeltermijnen van vergunningaanvragen, de ontwikkeling en implementatie van het nieuwe automatiseringssysteem en de ontwikkelingen ten aanzien van de sancties op Rusland en Iran. Vooral de sancties op Rusland vergen veel capaciteit van de Douane. Niet alleen van de CDIU, maar ook van de Douane aan de grens.
Op dit moment zie ik dat de behandeltermijnen van aanvragen weer beginnen terug te lopen. Ik ben verheugd om te zien dat het proces «in control» is, alhoewel de termijnen naar mijn mening nog te lang zijn. Ik verwacht dan ook dat de behandeltermijnen binnen afzienbare tijd zover zijn teruggebracht dat deze geen belemmering vormen voor het exporterende bedrijfsleven.
Klopt het dat exportvergunningen in het kader van wapenleveranties en wapen gerelateerde leveringen eerst worden verstrekt bij de afronding van de leveringen? Is het waar dat sondaties over te verkrijgen exportvergunningen onvoldoende zekerheid geven aan het bedrijfsleven over de uiteindelijke afgifte van exportvergunningen?
Een vergunning wordt verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke levering van de goederen. Omdat de politieke en veiligheidssituatie in de wereld snel kan veranderen, is het wenselijk om het moment van besluitvorming over een vergunningaanvraag en het moment van levering niet te ver uiteen te laten lopen.
Omdat sommige bedrijven lange productieprocessen hebben, of veel moeten investeren om een contract te kunnen afsluiten, bestaat de mogelijkheid om voorafgaand aan de vergunningaanvraag een sondage te doen. Tijdens deze sondageprocedure wordt een inschatting gemaakt of een eventuele vergunningaanvraag zal worden toegekend of afgewezen. Indien er sprake is van gelijkblijvende feiten en omstandigheden, kan een exporteur erop vertrouwen dat de uitkomst van een vergunningaanvraag gelijk is aan die van de eerdere sondage.
Ziet u mogelijkheden om een systeem rondom de exportvergunningen in te voeren, waarbij een vergunning voor wapenleveranties en wapen gerelateerde leveringen wordt verstrekt aan vergunning verzoeker op het moment dat een aanbieding wordt gedaan? Zo nee, waarom kan een dergelijk systeem niet worden ingevoerd?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is de duur van geldigheid van een exportvergunning beperkt tot 1 jaar? Is er wel eens overleg met vergunning verzoekers geweest over de mogelijkheid van een langere geldigheidsduur van een exportvergunning?
De geldigheidsduur van een exportvergunning kan variëren van enkele maanden tot enkele jaren. Bij het afgeven van vergunningen wordt zoveel mogelijk maatwerk geleverd. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de politieke en veiligheidssituatie in de wereld verandert en dat de exporteur behoefte heeft aan rechtszekerheid. In de praktijk komt het erop neer dat vergunningen meestal voor de duur van één jaar worden afgegeven.
Ziet u mogelijkheden om in Europees verband concurrentieverstoring te voorkomen, waar het betreft (verkapte) staatssteun aan wapen exporterende bedrijven c.q. bedrijven die wapen gerelateerde leveringen doen (in dit verband wordt gewezen op bijvoorbeeld scheepswerven in Spanje en Italië)?
De Spaanse scheepswerf Navantia is voor 100% in handen van de Spaanse Staat en de Italiaanse scheepswerf Fincantieri is voor meer dan 99% in handen van de Italiaanse Staat, maar het is niet gezegd dat dit tot al dan niet verkapte staatssteun leidt. Wat wel gezegd kan worden, is dat in Europees verband al jaren gewerkt wordt aan het terugdringen van concurrentieverstoringen op de markt voor defensiematerieel.
In juli 2004 werd het Europees Defensie Agentschap (EDA) opgericht en een van de eerste opdrachten van de ministers van Defensie van de lidstaten aan EDA was de ontwikkeling van een gedragscode voor de verwerving van defensiematerieel. Die gedragscode schreef voor dat als de deelnemende landen militair materieel met een waarde van meer dan € 1 miljoen willen aanschaffen, ze die opdracht publiceren op de website van het EDA. De criteria voor gunning van de opdracht moesten vooraf bekend zijn en landen mochten niet tussen aanbieders discrimineren.
Met Richtlijn 2009/81/EG is een volgende stap gezet in het terugdringen van de concurrentieverstoring op de markt voor defensiematerieel en werden de aanbestedingsprocedures aangescherpt en werd bijvoorbeeld de drempelwaarde omlaag gebracht tot € 412.000,–. Nog altijd blijven er uitzonderingen op openbare aanbesteding mogelijk, maar dan moet de lidstaat die daar een beroep op doet wel onderbouwen dat er essentiële veiligheidsbelangen in het geding zijn.
Met de Mededeling «Naar een meer competitieve en efficiëntere defensie- en veiligheidssector» van juli 2013 liet de Europese Commissie vervolgens weten nog niet klaar te zijn met het slechten van concurrentieverstorende obstakels op de Europese markt voor defensiematerieel. Gezien de duidelijke link tussen politieke, economische en veiligheidsbelangen is er nog wel een weg te gaan, maar er worden wel degelijk stappen gezet. In 2016 zal de Europese Commissie Richtlijn 2009/81/EG evalueren en bezien in hoeverre de komst van de Richtlijn al verandering heeft gebracht.
Mogelijke over-subsidiëring van biomassa bijstook |
|
Carla Dik-Faber (CU), Stientje van Veldhoven (D66), Eric Smaling (SP), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is de hoogte van de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) voor de 15% bijstook van andere stromen dan houtpellets een expliciet onderdeel van de overeenkomst tussen non governemental organisations (NGO’s) en energiebedrijven?
Nee.
Is er op enige wijze een garantie dat niet een groot deel van de 25 peta-joule (PJ) reeds dit jaar via de SDE+ wordt aangevraagd en dus gebruik kan maken van de geboden kans om een vergoeding op basis van houtpelletprijzen te krijgen voor de 15% goedkopere reststromen?
Om de volledige 25 PJ (maximale productie van hernieuwbare energie per jaar door bij- en meestook) dit jaar te beschikken tegen de door ECN en DNV GL berekende basisbedragen is een verplichtingenruimte nodig van circa € 4,3 miljard. Naar de huidige inzichten zou daarvan dan circa € 3 miljard daadwerkelijk worden uitbetaald in een periode van 8 jaar (zie ook het antwoord op vraag 11).
Het plafond voor het afgeven van beschikkingen in 2015 bedraagt € 3,5 miljard voor de gehele SDE+. Op dit moment is er in totaal al voor ruim € 1,5 miljard aan aanvragen ingediend, zodat er nog een kleine € 2 miljard aan ruimte resteert.
Dit betekent dat zelfs bij het aanvragen in de vrije categorie van de huidige fase (€ 0,08 / kWh) maximaal slechts een deel (circa 80%) van de 25 PJ kan worden gehonoreerd. Dit zou ook betekenen dat subsidiekosten significant afnemen.
Aanvragen voor de door ECN en DNV GL berekende basisbedragen is pas mogelijk vanaf 22 juni (bestaande capaciteit) of vanaf 31 augustus (nieuwe capaciteit). De kans is groot dat het restbudget dan nog aanzienlijk lager is dan op dit moment, zodat er slechts een klein deel van de 25 PJ in 2015 zal kunnen worden gehonoreerd.
Kunt u bevestigen in lijn met het ECN-rapport1, dat de biomassakosten allesbepalend zijn voor de uiteindelijke werkelijke kosten?
De conclusie dat biomassaprijzen allesbepalend zijn is niet correct. Dit wordt ook niet vermeld in de verkennende notitie van ECN. In mijn brief van 23 januari jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 293) heb ik vermeld uit welke componenten de basisbedragen zijn opgebouwd en is de opbouw inzichtelijk gemaakt per kostencomponent.
Wat is de bron van de door u genoemde bedragen die genoemd staan in antwoord 18 op de vragen gesteld door de vaste commissie voor Economische Zaken: « Voor diermeel is een prijs aangenomen van ca. 50–80 €/ton»?2 Heeft u in de markt gecontroleerd of deze prijzen nu ook nog gelden?
ECN en DNV GL stellen in hun notitie dat de prijzen voor alternatieve brandstoffen in de notitie van indicatieve waarde zijn, omdat er over deze prijzen slechts anekdotische informatie beschikbaar is. Zoals ik in mijn eerdere antwoorden heb aangegeven, moest de notitie in zeer korte tijd opgesteld worden en om die reden heeft er over de bevindingen van ECN en DNV GL geen consultatie van marktpartijen plaatsgevonden. Voor het bepalen van de basisbedragen voor de SDE+ 2015 is gebruikgemaakt van de expertise en kennis van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN). ECN werd bij die berekeningen ondersteund door DNV GL.
Bent u op de hoogte van het feit dat tijdens de Milieukwaliteit en Elekticiteitsproductie (MEP) geadviseerd is door ECN om geen subsidie te geven voor de bijstook van diermeel omdat de prijzen van deze biomassavorm zo laag waren?3 Bent u op de hoogte van het feit dat sindsdien de prijzen voor diermeel zelfs zijn gedaald?
In het advies van ECN-KEMA over de MEP-subsidies van september 2003 is een onrendabele top berekend voor inzet van diermeel in kolencentrales van
2,1 ct/kWh. Aangezien deze onrendabele top lager was dan de toen geldende REB-vrijstelling was het bijbehorende advies voor de MEP-subsidie nul. De hierbij aangenomen prijs van diermeel was -30 euro/ton. Indicaties van de huidige prijs van diermeel zijn schaars (zie ook de LEI-nota uit 2012 die in vraag 6 wordt aangehaald) maar liggen wel hoger dan de prijsaanname van 2003, een periode waarin het gebruik van diermeel voor hoogwaardiger toepassingen problematisch was vanwege de BSE-crisis.
Kent u nota 12–087 van het Landbouw Economische Instituut (LEI) die prijzen voor verwerking van producten voor diermeel op een negatieve 22 Euro/ton stelt?4
Deze nota is mij bekend. De nota bevat geen prijsindicatie voor categorie-1 diermeel, de kwaliteit die ingezet wordt voor verbranding in kolencentrales.
Kunt u de in het verzamel Algemeen overleg Energie van 9 april jl. genoemde 1,3 tot 3,8% bij gebruik reststromen in plaats van houtpellets onderbouwen?
De genoemde percentages komen uit de verkennende notitie waarin ECN en DNV GL hebben gekeken naar het kosteneffect dat het gedeeltelijk gebruik van alternatieve brandstoffen zou hebben op het basisbedrag voor de twee categorieën bij- en meestook. De percentages verwijzen naar de indicatieve percentages voor het kosteneffect van de inzet van 15% alternatieve brandstoffen. Zoals gezegd geeft de notitie effecten op de basisbedragen in de ordegrootte van enkele procenten. Voor nieuwe installaties zou het basisbedrag 3,3% lager uitvallen bij een laag prijs scenario en 1,1% lager bij een hoog prijs scenario. Voor bestaande installaties is dit 3,8% lager bij een laag prijs scenario en 1,5% lager bij een hoog prijs scenario. In het AO van 9 april jl. heb ik gezegd dat dit kosteneffect tussen de 1,1 en 3,8% ligt en dat deze effecten binnen de onzekerheidsmarges vallen die bestaan bij het berekenen van het basisbedrag.
Kunt u, na het zenden van het ECN rapport naar aanleiding van eerder gestelde vragen5 ook het rapport zenden van ECN6 dat werkelijk tijdens de onderhandelingen is gebruikt, en waar de over subsidiering door de subsidie op reststromen niet op 3,8% maar op 4,8% werd verondersteld?
De betreffende notitie was een conceptversie van ECN en DNV GL, waaraan op dat moment de laatste hand werd gelegd en die nog niet volledig afgerond was, aangezien de notitie binnen een kort tijdsbestek moest worden opgesteld. Deze verkennende notitie hebben ECN en DNV GL op mijn verzoek opgesteld ten behoeve van de vertrouwelijke gesprekken met de energiebedrijven en natuur- en milieuorganisaties over de duurzaamheidscriteria voor vaste biomassa voor energietoepassingen. Gezien het voorlopige karakter van de notitie van ECN en DNV GL en de afspraken over de vertrouwelijkheid tussen partijen, zal ik deze voorlopige versie van onderzoekers van ECN en DNV niet openbaar maken. Ik wil uw Kamer graag correct informeren, en zie geen meerwaarde in het delen van voorlopige versies van notities. Nadat ECN en DNV GL in staat waren om de notitie af te ronden en reguliere interne kwaliteitsborging toe te passen, heb ik de definitieve versie van de notitie openbaar gemaakt.
Waar is dit opeens ontstane verschil door te verklaren en klopt het dat de door u gezonden ECN notitie niet dezelfde ECN notitie is die u noemt in antwoord 2: «Deze verkennende notitie hebben ECN en DNV GL op mijn verzoek opgesteld ten behoeve van de vertrouwelijke gesprekken met de energiebedrijven en natuur- en milieuorganisaties.»?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangeef is dit inderdaad niet dezelfde notitie. Het genoemde verschil is inhoudelijk te verklaren doordat ECN en DNV GL in de conceptversie wel de kwalitatieve overweging dat het niet altijd mogelijk is om gedurende 7000 vollasturen ook alternatieve brandstof in te zetten hadden opgenomen, maar deze overweging nog niet hadden gekwantificeerd. Deze overweging is in de eindversie kwantitatief gemaakt, door voor drie van de vier combinaties van categorieën en alternatieve brandstoffen een lager aantal draaiuren aan te nemen. Dit heeft gevolgen voor de indicatieve berekeningen, waardoor sommige percentuele veranderingen in de basisbedragen anders uitkomen. Deze veranderde uitkomsten zijn verwerkt in de eindversie van de notitie. De getalsmatige aannames omtrent investeringskosten, O&M-kosten en brandstofkosten in de conceptversie zijn niet gewijzigd in de eindversie. Tenslotte is in de kwaliteitsborging nagegaan in hoeverre de uitspraken verdedigbaar waren gegeven het indicatieve karakter van de berekeningen en op basis daarvan zijn nog enkele tekstuele aanpassingen gedaan.
Kunt u vraag 3 van de eerder gestelde7 vragen dat u geen aparte basisbedragen kunt noemen voor de categorieën diermeel, agro-residuen, etc. nogmaals bezien, daar ECN heeft aangegeven wat de percentuele veranderingen van de totale basisbedragen (bij 85% houtpellets plus 15% diermeel) zijn in geval van het bijstoken van 15% diermeel en dat er wel aannames zijn gedaan over de aparte basisbedragen ofwel onrendabele top van diermeel? Kunt u dit aparte basisbedrag voor diermeel geven? Zo niet, kunt u dan aangeven wat de achterliggende berekening is van de 3,8% wijziging van het totale basisbedrag in geval van diermeel of andere reststromen?
Het antwoord wat ik op vraag 3 van de eerder gestelde Kamervragen heb gegeven is reëel. Ik heb geen reden dit antwoord te herzien.
Kunt u vraag 6 van diezelfde eerder gestelde vragen8 beantwoorden met een concreet bedrag; uitgaande van het (theoretische) geval dat de 25 PJ dit jaar beschikt wordt inclusief 15% aan diermeel? Kunt u de achterliggende berekening geven van het geschatte subsidiebedrag van € 3 miljard voor 25 PJ bijstook in uw antwoord op deze vraag 6? Welke basisbedragen, Vollasturen, etc. zijn verondersteld?
In het antwoord op vraag 6 van de eerder gestelde vragen heb ik een bedrag genoemd van circa € 3 miljard. Dat bedrag is als volgt tot stand gekomen.
Zoals aangegeven betreffen dit de kosten bij gebruik van uitsluitend nieuwe capaciteit. Als ook bestaande capaciteit wordt ingezet, dan vallen de kosten iets lager uit. Bestaande capaciteit is echter beperkt (raming: 4,3 PJ per jaar). Het basisbedrag van bestaande capaciteit is € 0,007 / kWh (€ 1,94 mln. / PJ) lager dan dat van nieuwe capaciteit. Bij volledige inzet van de bestaande capaciteit zouden de kosten dus 8 jaar * 4,3 PJ / jaar * € 1,94 mln. / PJ = € 67 mln. lager uitvallen. De geraamde subsidiekosten liggen dus in de range van € 3,002 – 3,069 miljard voor een periode van 8 jaar.
Als gecorrigeerd zou worden voor lagere brandstofkosten komen – bij een hoog prijsscenario voor diermeel en volledige benutting van de mogelijkheid om 15% diermeel bij te stoken – de geraamde subsidiekosten te liggen in de range van € 2,929 – 2,999 miljard voor een periode van 8 jaar. Bij een laag prijsscenario voor diermeel komen de geraamde subsidiekosten dan te liggen in de range van € 2,789 – 2,859 miljard voor een periode van 8 jaar.
Kunt u aangeven wat het geschatte cumulatieve SDE+ basisbedrag is in miljarden euro’s voor het bijstoken van 25 PJ (dus niet het cumulatieve subsidiebedrag, maar het cumulatieve basisbedrag)?
Een basisbedrag is de integrale kostprijs per eenheid energie voor een aangewezen categorie hernieuwbare energie in de SDE+. Voor een afgegeven beschikking blijft het basisbedrag de gehele subsidieperiode gelijk. Jaarlijks wordt door ECN en DNV GL geadviseerd over de hoogte van de basisbedragen voor een jaargang SDE+. In dit licht is het niet zinvol om een basisbedrag te cumuleren.
Gezien uw antwoord 8 op de vragen «Omdat de effecten van alternatieve brandstoffen op de basisbedragen binnen de onzekerheidsmarges vallen die bestaan bij het berekenen van de basisbedragen, gaf dit geen aanleiding om de melding aan te passen.», kunt u aangeven in hoeverre er sprake is van slechts een onzekerheidsmarge indien voor de betreffende 15% er potentieel miljoenen meer worden uitgekeerd uitgaande van houtpellets dan de werkelijke biomassa zal kosten?9
ECN en DNV GL hanteren onzekerheidsmarges omdat zij in hun berekeningen een groot aantal aannames moeten doen. Zo doen zij aannames op basis van hun expertise en op basis van de best beschikbare informatie, maar de werkelijkheid levert afwijkingen op de aannames. Om die reden wordt bij de berekening van alle basisbedragen altijd een onzekerheidsmarge gehanteerd. Dit is niet anders voor alle andere categorieën van de SDE+.
In algemene zin laten de berekeningen van ECN en DNV GL zien dat het effect van de alternatieve biomassaprijzen op het basisbedrag relatief gering is en maximaal in de orde van enkele procenten ligt. Dit effect valt binnen de onzekerheidsmarges die bestaan bij het berekenen van de basisbedragen. Op basis van de notitie concludeer ik dan ook dat de mogelijkheid voor het gebruik van maximaal 15% alternatieve brandstoffen niet leidt tot over subsidiëring.
Bent u bereid om de 15% als aparte SDE+ categorie te bezien en deze apart te melden aan de Europese Commissie in het kader van de staatssteun regeling? Zo nee, waarom niet?
Begin 2015 is het besluit opnieuw gewijzigd, onder andere vanwege de introductie van de mogelijkheid om biomassa bij- en mee te stoken. Dit gewijzigde besluit is als geheel opnieuw bij de Europese Commissie aangemeld, waarbij het bij- en meestoken van biomassa afzonderlijk is vermeld. Omdat de effecten van alternatieve brandstoffen op de basisbedragen binnen de onzekerheidsmarges vallen die bestaan bij het berekenen van de basisbedragen, gaf dit geen aanleiding om de melding aan te passen. De Europese Commissie heeft recent aangegeven dat het besluit een geschikt instrument is om een doelstelling van gemeenschappelijk belang na te streven en dat de steun daarom verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.
Zoals ik bij de beantwoording van de vragen van de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken over bij- en meestook van biomassa in kolencentrales heb aangegeven10, zullen ten behoeve van de openstelling van SDE+ in 2016 en verder volgens goed gebruik de basisbedragen opnieuw worden berekend, waarbij alle kenmerken van de categorieën opnieuw worden meegenomen, dus inclusief de mogelijkheid om 15% alternatieve biomassastromen bij en mee te stoken.
Moeten de 15% alternatieve biomassastromen – waarvoor boscertificatie niet van toepassing is – wel aan duurzaamheidseisen voldoen en gecertificeerd worden volgens de NTA8080 norm zoals in het SER-akkoord is overeengekomen? Zo nee waarom niet?
Ook de alternatieve brandstoffen moeten voldoen aan de duurzaamheidscriteria. In de uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie staat aangegeven aan welke specifieke criteria de verschillende biomassastromen moeten voldoen.
De alternatieve brandstoffen moeten voldoen aan het criterium broeikasgasbalans, het criterium naleving wetgeving en het criterium «chain of custody», wat inhoudt dat er een koppeling is tussen het uiteindelijk gebruikte materiaal in het product en de eerste juridische eigenaar van het materiaal bij de productie.
De oorzaak en consequenties van het neerstorten van een ScanEagle |
|
Gerard Schouw (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Als de ScanEagle straks maar niet op Almere Muziekwijk crasht»?1
Het artikel bevat onjuiste beweringen en veronderstellingen over de inzet van onbemande vliegtuigen. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat er in de nabije toekomst onveilige situaties boven bewoonde gebieden zullen ontstaan. Bij de inzet van onbemande vliegtuigen staat, net als bij alle vliegtuigen, de veiligheid voorop. Er wordt voldaan aan de eisen die de Militaire Luchtvaart Autoriteit stelt. Dat maakt de kans op neerstorten klein.
Hoe beoordeelt u het feit dat een drone (unmanned aerial vehicle) van 22 kilo bij bepaalde omstandigheden, zoals hoge luchtvochtigheid, zo maar neer kan storten?
Onbemande vliegtuigen worden, net als alle vliegtuigen, alleen ingezet in overeenstemming met de geldende gebruikscondities en limieten. Indien daar tijdens de vlucht niet meer aan wordt voldaan, zal de vlucht worden afgebroken. Zo wordt voorkomen dat een onbemand vliegtuig zo maar kan neerstorten. Zie ook mijn antwoorden van 16 oktober 2013 op schriftelijke vragen hierover (Kamerstuk met kenmerk 2013Z17222 van 12 september 2013).
Wat was de precieze oorzaak van het neerstorten van de ScanEagle in september 2013 in de Indische Oceaan? Klopt het dat het neerstorten van de ScanEagle (deels) te wijten is aan de opleiding van de bestuurder van deze drone? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat had er beter gekund in die opleiding?
Het incident van september 2013 was niet te wijten aan de opleiding van de operator. Een gebrekkige coating (met als gevolg corrosievorming) op de snelheidssensor heeft tot het neerstorten van de ScanEagle geleid. De coating op de snelheidssensor van alle ScanEagles is inmiddels aangepast.
Tijdens het onderzoek is onderkend dat in de training meer aandacht kan worden geschonken aan het onderkennen van en correct reageren op meervoudige storingen. De voortgezette opleiding is al aangepast. Defensie hecht veel waarde aan het toepassen van geleerde lessen in de opleidingen.
Zijn er verbeteracties ondernomen in de opleiding voor bestuurders van onbemande vliegtuigen naar aanleiding van de crash met de ScanEagle? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Militaire Luchtvaart Autoriteit (MLA) zijn kritische oordeel over het onderzoek naar het neerstorten van de ScanEagle in de Indische Oceaan inmiddels achterwege laat omdat er maatregelen zijn genomen om herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat voor maatregelen zijn dit precies?
De beoordeling van de MLA berustte in eerste instantie op het initiële onderzoeksrapport van de Commissie van Onderzoek (CvO). Later bleek dat dit rapport een aantal aspecten niet of onvolledig belichtte. Opmerkingen van de MLA en een overleg met de CvO hebben vervolgens geleid tot aanpassingen. De MLA onderschrijft de conclusies en aanbevelingen van het eindrapport.
Waarom is het onderzoek over het incident met de ScanEagle in de Indische Oceaan nooit naar de Kamer gestuurd? Bent u bereid dat onderzoek, inclusief de appreciatie daarvan door de MLA, alsnog naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Onderzoeksrapporten van dergelijke incidenten worden in de regel niet naar de Kamer gestuurd. Ze worden opgesteld om te leren van incidenten en die in de toekomst te voorkomen. De rapporten lenen zich niet voor openbaarmaking, omdat ze personeelsvertrouwelijke en commercieel vertrouwelijke informatie bevatten. Daarnaast bevatten ze doorgaans technische informatie over de werking van systemen, die de fabrikant noch Defensie gepubliceerd wil zien.
Klopt het dat meerdere motoren in een drone veiliger is voor het vliegen boven woonwijken dan een eenmotorige drone als de ScanEagle, zoals in het artikel in NRC Next wordt gesteld? Indien dit niet klopt, kunt u dit toelichten? Indien dit wel klopt, welke consequenties trekt u hieruit ten aanzien van de inzet van de ScanEagle in Nederland boven dicht bevolkte gebieden?
Het vliegen met de ScanEagle is verboden boven bebouwd gebied en mensenmassa's. Uitgezonderd van dit verbod is het vliegen boven daartoe aangewezen militaire oefenterreinen. Daarnaast kunnen incidenteel uitzonderingen worden gemaakt op voorwaarde dat telkens een risicoanalyse wordt opgesteld. Deze risicoanalyse houdt rekening met het statistisch faalgedrag en mogelijke mitigerende maatregelen. Het statistisch faalgedrag van de ScanEagle hangt mede samen met het feit dat dit toestel maar één motor heeft. Het restrisico van deze analyse wordt afgewogen tegen de noodzaak van de inzet. Deze afweging wordt voorgelegd aan de MLA, die een tijdelijke ontheffing kan verlenen om boven bewoond gebied te vliegen.
Aan welke precieze voorwaarden is inzet van de ScanEagle van Defensie door de politie en/of opsporingsdiensten verbonden?
De ScanEagle is tot op heden nog niet boven Nederland ingezet ter ondersteuning van civiele autoriteiten. In beginsel kunnen alle beschikbare defensiecapaciteiten in overeenstemming met de procedures worden ingezet bij verzoeken van civiele autoriteiten om militaire bijstand. Mocht in de toekomst de inzet van de ScanEagle voor militaire bijstand nodig zijn, dan zullen de precieze voorwaarden nog moeten worden vastgesteld. Hierbij is de veiligheid uiteraard van groot belang.
Kunt u in een tabel een overzicht geven van hoe vaak de ScanEagle van Defensie precies is ingezet door de politie en/of opsporingsdiensten in de jaren 2012–2015 en met welk doel?
Zie antwoord vraag 8.
Wordt er melding gemaakt van incidenten met de inzet van de ScanEagle door politie en/of opsporingsdiensten? Zo ja, is dat openbaar? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het alsnog straffen van een ambtenaar om een IS-tweet |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Ambtenaar alsnog gestraft om IS-tweet»?1
Ja.
Welke consequenties trekt u uit het feit dat de Adviescommissiegrondrechten en functie-uitoefening ambtenaren (AGFA) geoordeeld heeft dat het publieke optreden van de ministers van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in belangrijke mate mede de maatschappelijke beroering heeft veroorzaakt?
Over de consequenties die ik trek uit het oordeel van de AGFA, heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd in mijn brief van 2 april 2015 met als kenmerk 626556. In die brief heb ik mijn overwegingen bij het genomen besluit, het opleggen van voorwaardelijk strafontslag, vermeld.
Hoe verklaart u dat de NRC het AGFA-advies nog eerder in handen kreeg dan de betreffende ambtenaar of haar belangenbehartigende advocaat?
Ik concludeer dat de NRC over het advies beschikt. Op welke wijze de NRC de beschikking over het advies heeft gekregen, is mij niet bekend. Ook is mij niet gebleken dat mijn ambtenaren het advies ter beschikking hebben gesteld aan anderen dan de betreffende ambtenaar en haar belangenbehartigende advocaat.
In algemene zin is het in strijd met de integriteitsregels van het Rijk om zonder toestemming vertrouwelijke informatie te verstrekken aan de media. Indien een ambtenaar zich daaraan schuldig maakt kan een disciplinaire maatregel worden opgelegd.
Is het gebruikelijk dat ambtenaren in kwestie het nieuws moeten vernemen via de media? Zo ja, vindt u dat acceptabel? Zo nee, wat voor conclusies trekt u hieruit?
Het is niet correct dat ambtenaren zaken die hun individuele rechtspositie aangaan via de publieke media moeten vernemen. Het is betreurenswaardig dat betrokken ambtenaar het advies via de media heeft moeten vernemen.
Heeft u onderzocht of er sprake is geweest van bewust lekken naar de media? Zo ja, wat is de uitkomst van uw onderzoek? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 3.
Mocht er sprake zijn van bewust lekken naar de media, bent u dan voornemens om een disciplinaire maatregel op te leggen aan diegene die dit advies aan de pers gelekt heeft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u het AGFA-advies geheim willen houden tot de laatste beroepsmogelijk gepasseerd is?
Met de secretaris van de AGFA is overleg gevoerd over het tijdstip en de wijze van publicatie van het advies op de website van de commissie. Daarbij is afgesproken dat het advies op de website van de commissie zal worden gepubliceerd, nadat met de betrokken ambtenaar is gesproken over het door mij te nemen besluit. Dit vanuit zorgvuldig personeelsbeleid en in het belang van de betrokken ambtenaar.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar afgeweken van een advies van de AGFA? Waarom wijkt u in dit geval af van het door de AGFA gegeven advies?
Het is mij niet bekend of en zo ja, hoe vaak er in de afgelopen vijf jaar van de adviezen van de AGFA is afgeweken.
De AGFA heeft een advies opgesteld ten behoeve van het bevoegd gezag. Over mijn overwegingen bij het genomen besluit, het opleggen van voorwaardelijk strafontslag, heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd met mijn brief van 2 april 2015 met als kenmerk 626556. Mijn ambtenaren zijn in overleg met de betrokken ambtenaar om daaraan uitvoering te geven.
Waarom gaat u tegen het oordeel van de AGFA in en geeft u de ambtenaar geen schriftelijke berisping maar een voorwaardelijk strafontslag?
Zie antwoord vraag 8.
Vindt u dat wanneer niet één, maar zelfs twee ministers zich publiekelijk voorbarig negatief uitlaten over een uiting op social media van een ambtenaar de arbeidsverhouding onherstelbaar is verstoord? Zo ja, vindt u dan dat beide ministers excuses zouden moeten maken aan betreffende ambtenaar? Zo nee, bent u dan bereid om in lijn met het AGFA-advies de ambtenaar eervol ontslag te verlenen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe verklaart u in het kader van het gelijkheidsbeginsel dat andere ambtenaren o.a. van de politie die zich racistisch hebben geuit op social media geen disciplinaire maatregel opgelegd krijgen? Vindt u dat hier sprake is van het meten met een dubbele maat? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Wanneer sprake is van een vermoeden van een integriteitsschending door een ambtenaar dient het bevoegd gezag hiernaar onderzoek te doen. Dat geldt ook voor politieambtenaren. Bij de vraag of en welke (disciplinaire) maatregelen moeten worden getroffen dienen alle omstandigheden van het individuele geval te worden meegenomen, zoals de aard van de integriteitsschending, de sector waar de betrokken ambtenaar werkzaam is en de functie/werkplek van de betrokken ambtenaar. Nadat het onderzoek is afgerond maakt het bevoegd gezag het besluit kenbaar aan de ambtenaar. Uw Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over het aantal onderzoeken en opgelegde maatregelen.
Indien er het voornemen bestaat deze ambtenaren een disciplinaire maatregel op te leggen, kunt u de Kamer dan informeren over de stand van zaken?
Zie antwoord vraag 11.
De uitgifte van Turkse paspoorten aan jihadgangers |
|
Han ten Broeke (VVD), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «More than 100.000 fake Turkish passports given to ISIL»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bewering dat (aspirant-)strijders van ISIS meer dan 100.000 Turkse paspoorten hebben ontvangen, om vervolgens naar Syrië af te kunnen reizen?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie om de beweringen in dit artikel te verifiëren.
Kunt u bevestigen dat ongeveer 50.000 Oeigoeren zich bij ISIS hebben kunnen aansluiten door een maas in de Turkse wet, die volgens dit bericht tot de vrijlating van Oeigoerse aspirant-jihadstrijders heeft geleid?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gebeurt er met jihadgangers die door de Turkse autoriteiten worden aangehouden?
Nederlandse jihadgangers worden na afwikkeling van de strafrechtelijke of de vreemdelingrechtelijke procedure verwijderd uit Turkije, en de Nederlandse autoriteiten worden hiervan op de hoogte gesteld.
Welke maatregelen ondernemen de Turkse autoriteiten om te voorkomen dat aspirant-jihadstrijders uitreizen naar Syrië? Beoordeelt u deze inspanningen als voldoende? Worden de gegevens van aangehouden jihadgangers met Europese landen gedeeld? Is hierover reeds overleg geweest tussen enerzijds de Europese Unie en/of bondgenoten in de strijd tegen ISIS en anderzijds Turkije?
Turkije is op internationaal vlak actief om aspirant-jihadstrijders tegen te houden en om uitreis te voorkomen. Bestrijding van terrorisme is voor Turkije een prioriteit. Dit blijkt ook uit de actieve rol die het speelt als co-voorzitter van het Global Counter Terrorism Forum (GCTF), een multilateraal forum van 30 landen.
In het tegengaan van aspirant-jihadstrijders wordt informatie tussen Turkije en het herkomstland gedeeld. Het elkaar tijdig informeren en het delen van informatie met betrokken landen is eveneens een specifiek onderwerp binnen de Working Group on Foreign Terrorist Fighters binnen de anti-ISIS coalitie waar Nederland en Turkije voorzitter van zijn, waarvan de eerste bijeenkomst plaatsvond op 7 april jl.
Het bericht “Ministeries zijn het nog niet eens over alle details in Programmatische Aanpak Stikstof” |
|
Barbara Visser (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministeries zijn het nog niet eens over alle details in Programmatische Aanpak Stikstof»? 1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat er mogelijk nieuwe doorrekeningen moeten plaatsvinden? Zo ja, waarom en op welke onderdelen? Waarom is dit niet eerder gemeld? Welke consequenties heeft dit voor het programma, de inwerkingtreding, de inspraakreacties en de maatregelen rondom de verschillende gebieden?
Het Rijk en de 12 provincies hebben overeenstemming bereikt over de afronding en inwerkingtreding van het programma aanpak stikstof. Ik heb uw Kamer op 14 april jl. per brief (TK 33 037, nr. 151) geïnformeerd over deze bestuurlijke afspraken. Een onderdeel van die afspraken betreft het tijdpad: inwerkingtreding van het programma op 1 juli 2015 en partiële wijziging en herziene inwerkingtreding op uiterlijk 15 december 2015 op basis van de actualisatie van AERIUS Monitor. Deze actualisatie is noodzakelijk, omdat nieuwe (wetenschappelijke) inzichten moeten worden verwerkt (zoals nieuwe of geactualiseerde projecten en emissiefactoren).
Zoals eerder met uw Kamer besproken, is in het programma aanpak stikstof opgenomen dat AERIUS Monitor in ieder geval jaarlijks de depositieontwikkeling en ontwikkelingsruimte berekent. De resultaten van de berekeningen worden vervolgens indien nodig verwerkt in het programma aanpak stikstof.
Op wijzigingen van het programma is inspraak mogelijk.
Welke afspraken zijn er in het bestuurlijk overleg gemaakt nu beide ministeries het nog niet eens zijn over alle details? Wanneer is een volgend bestuurlijk overleg gepland en wat is de inzet om te komen tot afspraken?
Zie antwoord vraag 2.
Het miljoenenverlies bij het Afval Energie Bedrijf in Amsterdam |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «89 miljoen in rook op»?1
Ja.
Hoe verklaart u de miljoenenverliezen bij het Afval Energie Bedrijf (AEB) Amsterdam?
Uit het artikel waaraan wordt gerefereerd, blijkt dat reeds voor de verzelfstandiging informatie beschikbaar was over de financiële situatie. Tevens is beschreven dat de reden voor verzelfstandiging was om te voorkomen dat commerciële concurrenten klaagden over ongeoorloofde staatssteun. Het is verder niet aan mij om een toelichting te geven op de redenen die bij het gemeentebestuur speelden, noch om een oordeel uit te spreken over de vraag of de verliezen voorkomen hadden kunnen worden.
Hadden deze verliezen voorkomen kunnen worden wanneer niet tot verzelfstandiging zou zijn overgegaan? Zo ja, was dit voor de verzelfstandiging ook al bekend? Waarom is er in dat geval dan toch gekozen voor verzelfstandiging?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het aanbod van restafval in Nederland zich tot de verwerkingscapaciteit, gemeten over de laatste tien, twintig jaar?
In onderstaande tabel zijn het aanbod van het restafval en de verwerkingscapaciteit opgenomen. De uitbreiding van capaciteit is aanvankelijk gepleegd om de gewenste verschuiving van storten naar verbranden te kunnen opvangen. Dit is succesvol geweest. De laatste jaren daalt door betere afvalscheiding de calorische waarde van het afval waardoor installaties meer afval kunnen verwerken. Dit verklaart de lichte toename van de capaciteit.
5.362
5.502
5.542
5.788
6.053
6.333
6.459
7.207
7.480
7.549
5.362
5.502
5.542
5.788
6.053
6.332
6.403
6.912
6.445
5.937
0
0
0
0
0
1
56
295
1.035
1.612
5.362
5.762
5.860
6.365
6.680
7.196
7.070
7.532
7.613
7.715
Leidt het succes van vermindering van het creëren van afval, afvalscheiding, hergebruik en het landelijke programma «Van Afval naar Grondstof» (VANG) tot structurele overcapaciteit bij afvalverwerkingsinstallaties? Zo nee, waarom niet?
Succes van het VANG-programma zal ertoe leiden dat minder capaciteit nodig is voor verbranding van Nederlands afval. Het is aan de exploitanten van de afvalverbrandingsinstallaties wat zij doen met de restcapaciteit. De afgelopen jaren heeft dit geleid tot import, zodat nauwelijks sprake was van overcapaciteit. Indien in de toekomst minder buitenlands afval beschikbaar is voor verbranding, zal naar verwachting een deel van de capaciteit worden gesloten of getransformeerd.
Hoeveel afval van buiten Nederland wordt er door het AEB en andere afvalverbranders in Nederland verwerkt? Hoe heeft dit zich over de laatste jaren ontwikkeld?
In de tabel in antwoord 4 zijn deze hoeveelheden opgenomen.
Vindt u het wenselijk dat Nederland vanwege de grote verwerkingscapaciteit grote hoeveelheden afval uit het buitenland blijft importeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Afval dat Nederland importeert, draagt bij aan het benutten van de beschikbare capaciteit (economische baten, geen kapitaalvernietiging) en aan de doelstelling voor duurzame energie (de biogene fractie). Er is ook sprake van klimaatwinst, omdat het afval anders in het buitenland zou zijn gestort of verbrand zonder energieterugwinning. Bovendien draagt een sterke positie van Nederland als verwerker van afval bij aan het verwezenlijken van de ambitie om een vooraanstaande rol te spelen bij de transitie naar een circulaire economie. Randvoorwaarde is dat voldaan moet worden aan de bestaande vergunningen. Uiteraard is de ambitie dat steeds meer afval, in Nederland en elders, wordt vermeden of gerecycled. Op de langere termijn hoeft dan minder afval te worden verbrand en zal de import voor verbranding dalen.
Wat is het verwachte aanbod van afval op de korte en langere termijn en hoe wordt de verwerkingscapaciteit hierop afgestemd?
De VANG-doelstellingen moeten ertoe leiden dat in 2022 nog maar 2–3 Mton Nederlands afval wordt verbrand. In Europa was in 2012 nog sprake van stort van 63 Mton afval. Voor een groot deel is dit verbrandbaar afval. Deze hoeveelheid is (veel) groter dan de huidige en in 2022 verwachte restcapaciteit van afvalverbrandingsinstallaties in Europa. De verwachting is dus dat de Nederlandse restcapaciteit voorlopig gevuld kan worden met import. Of dit gebeurt, hangt af van de kosten van transport en verwerking, én van de concurrentiepositie ten opzichte van buitenlandse installaties. Op de langere termijn zal veel afhangen van de snelheid waarmee, onder invloed van Europees en nationaal beleid, de transitie naar een circulaire economie zich voltrekt.
Hoeveel door verbranding van afval opgewekte energie in Nederland wordt nuttig gebruikt en in welke sectoren?
De AVI’s produceerden in 2013 27,4 PJ aan energie, waarvan 16,7 PJ hernieuwbare energie. Dit is 1,3% van de totale energieproductie in Nederland. Hiervan is 11,1 PJ elektriciteit die wordt ingevoed in het net en niet specifiek aan bepaalde sectoren wordt geleverd.
De opgewekte warmte, 16,3 PJ, wordt steeds meer nuttig gebruikt. Dit varieert per installatie en wordt niet centraal bijgehouden. Sommige installaties voeden warmtenetten die de gebouwde omgeving van warmte voorzien, andere installaties leveren (ook) aan bedrijven.
Wat kan de afvalverbrandingssector leren van de rioolwaterzuiveringssector, waar vraag en aanbod waarschijnlijk stabieler zijn?
De vraag suggereert dat stabiliteit in vraag en aanbod wenselijk zijn. Het kabinet richt zich er juist op het aanbod van Nederlands afval voor verbranding te laten dalen, door afvalpreventie en recycling te stimuleren. Door het importeren van afval zorgen de exploitanten dat er toch sprake is van stabiliteit van vraag en aanbod. Op deze manier zorgen de exploitanten voor een stabiel aanbod.
Hoe vergelijkt u de situatie bij AEB Amsterdam met die bij bijvoorbeeld Slibverwerking Noord-Brabant, dat 15 miljoen euro investeerde en nu praktisch energieneutraal opereert?2
Beide bedrijven zijn niet te vergelijken. AEB verbrandt afval, SNB rioolwaterzuiveringsslib.
Kunt u deze vragen zo mogelijk beantwoorden vóór het Algemeen overleg Grondstoffen en Afval op 22 april 2015?
Dit overleg is door uw Kamer uitgesteld.
Het lot van Pakistaanse vluchtelingen in Thailand |
|
Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het «urgent report» van Jubilee Campaign aangaande het lot van Pakistaanse asielzoekers, waaronder kinderen, in Bangkok?
Ja.
Is het waar dat de Thaise autoriteiten, onder het mom van het aanpakken van mensenhandel- en smokkel, Pakistaanse asielzoekers onderwerpen aan willekeurige en arbitraire arrestaties en mensenrechtenschendingen?
Thailand is geen partij bij het VN-Vluchtelingenverdrag uit 1951, en beschouwt het lot van vluchtelingen en asielzoekers binnen de landsgrenzen als een immigratiezaak. Acties vinden volgens de Thaise autoriteiten plaats in het kader van de aanpak van mensensmokkel. In de praktijk blijkt het te gaan om handhaving van de Thaise immigratiewetgeving. Voor zover bekend is er geen aanleiding te concluderen dat Pakistaanse vluchtelingen en asielzoekers om reden van hun afkomst worden blootgesteld aan willekeurige en arbitraire detentie. Thailand onderwerpt alle vluchtelingen en asielzoekers aan dezelfde behandeling. Detentie van urbane vluchtelingen en asielzoekers in Thailand (in totaal ongeveer 9.000 personen, onder wie circa 5.000 Pakistanen), komt veelvuldig voor, ongeacht de status in een vluchtelingen- of asielprocedure. Pakistaanse vluchtelingen en asielzoekers in Thailand hebben veelal zeer weinig middelen van bestaan, waardoor zij vaker met elkaar wonen in goedkope huisvesting. Pakistaanse vluchtelingen en asielzoekers vallen voorts door hun uiterlijk sneller op onder de Thaise bevolking dan mensen uit Zuidoost Azië. Deze vergrote zichtbaarheid zorgt ervoor dat Pakistaanse vluchtelingen en asielzoekers, gemakkelijker kunnen worden geïdentificeerd en gedetineerd. Van de circa 300 vluchtelingen en asielzoekers die op dit moment in detentie worden gehouden, komt bijna de helft uit Pakistan.
Deelt u de conclusie dat Thailand hiermee handelt in strijd met internationale verplichtingen waaronder in het bijzonder het Kinderrechtenverdrag, met name artikel 9 (voorkomen scheiding ouders en kinderen) en artikel 22 (bijzondere bescherming vluchtelingenkinderen)?
Thailand heeft het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het Kinderrechtenverdrag) ondertekend en geratificeerd. De manier waarop Thailand met vluchtelingen en hun kinderen omgaat, is volgens UNHCR in strijd met artikel 3 van dit verdrag, waarin is vastgelegd dat de belangen van het kind een eerste overweging dienen te vormen. De Thaise autoriteiten zeggen geen minderjarigen verplicht in detentie te plaatsen. Zij laten de beslissing of kinderen met hun ouders meegaan in detentie aan de ouders. In de praktijk kan dit ertoe leiden dat ouders en kinderen gescheiden raken. Dat zou betekenen dat Thailand in strijd handelt met artikel 9 van het Kinderrechtenverdrag. Er bevinden zich circa 60–70 minderjarigen in detentie. Pasgeborenen worden altijd met hun ouders gedetineerd.
Artikel 22 van het Kinderrechtenverdrag ziet toe op de verplichting om ervoor te zorgen dat minderjarige asielzoekers en minderjarigen die erkend zijn als vluchteling passende bescherming en humanitaire bijstand krijgen, ongeacht of zij door hun ouders worden begeleid. Thailand heeft echter een voorbehoud gemaakt ten aanzien van dit artikel en toetst enkel aan de nationale wetgeving.
Bent u bereid in uw contacten met de Thaise autoriteiten:
Mensenrechtenschendingen komen in Thailand sinds de militaire machtsovername in mei 2014 veelvuldiger voor. NL brengt, o.a. in EU-verband, de verslechterende mensenrechtensituatie met regelmaat op in contacten met Thaise autoriteiten.
Daarbij worden schendingen van de rechten van vluchtelingen en asielzoekers eveneens aan de orde gesteld en wordt het belang benadrukt van spoedige ratificatie van het VN Vluchtelingenverdrag. Ook wordt in EU verband gezocht naar andere manieren om misstanden met betrekking tot vluchtelingen en asielzoekers in Thailand aan te pakken. Bijvoorbeeld door het steunen van NGO’s uit de regio die zich met de problematiek bezig houden.
Naar aanleiding van een hervestigingsmissie van de IND naar Thailand in begin 2015 heeft Nederland 38 Pakistaanse vluchtelingen geaccepteerd voor hervestiging.
Bent u tevens bereid in gesprek te treden met de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen van de VN (UNHCR) teneinde de wachttijd voor het eerste gehoor, nu tenminste 3,5 jaar, te verkleinen?
Er is recent contact opgenomen met UNHCR-vertegenwoordigers over de wachttijden voor het eerste interview. UNHCR gaf aan dat het aantal asielzoekers in Thailand verdriedubbeld is in de afgelopen jaren. UNHCR heeft weliswaar al meer staf ingezet maar desondanks is nog sprake van lange wachttijden in de procedure om de vluchtelingenstatus te bepalen. UNHCR is zich daarvan bewust en doet alles wat binnen haar mogelijkheden ligt om de wachttijden te beperken. Tot die tijd geeft de organisatie in ieder geval prioriteit aan de meest kwetsbaren, ongeacht nationaliteit of achtergrond.
Loslopende reeën ter hoogte van de Oostvaardersplassen |
|
Rudmer Heerema (VVD), Betty de Boer (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat vier à vijf loslopende reeën een grote impact hebben gehad op het openbaar vervoer ter hoogte van de Oostvaardersplassen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het niet zo kan zijn dat vier à vijf loslopende reeën de hele dienstregeling van een trein kunnen verstoren omdat er geen adequate oplossing mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Het uitgangpunt is dat er geen verstoring van de treindienst van buitenaf plaatsvindt. Langs het Nederlandse spoorwegnet zijn maatregelen genomen. Bij de Oostvaardersplassen zijn preventieve maatregelen getroffen, zoals het plaatsen van een compleet raster langs het spoor, gericht op het binnen de Oostvaardersplassen houden van edelherten, konikpaarden en Heckrunderen.
Overigens is niet het beeld dat de hele dienstregeling was verstoord: er reden op 8 april 2015 op één traject korte tijd geen Intercity’s. Al snel konden Intercity’s en sprinters met aangepaste snelheid weer doorrijden.
Deelt u de mening dat loslopende reeën bij de Oostvaardersplassen een gevaar kunnen vormen voor treinen? Zo nee, waarom niet?
Loslopende dieren kunnen afhankelijk van de omstandigheden en de diersoort op het spoor een gevaar vormen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u een indicatie geven van de kosten die gepaard gaan met het stilleggen van de dienstregeling (bijvoorbeeld door een incident zoals dit) voor zowel passagierstreinen als goederenvervoer?
Het is niet mogelijk een indicatie te geven van de kosten van een verstoring, omdat dit per situatie sterk verschilt. Gelet op de aard van deze verstoring zijn de kosten beperkt gebleven omdat het, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, ging om een verstoring van een beperkt aantal treinen.
Bent u bereid om Staatsbosbeheer als eigenaar van het gebied te vragen zorg te dragen dat de omheining deugt om dit soort situaties te voorkomen? Kunt u in overleg treden met de beheerder van de Oostvaardersplassen om ervoor te zorgen dat in voorkomende gevallen snel en adequaat gehandeld kan worden zodat de overlast voor treinreizigers en bedrijven zo min mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Staatsbosbeheer is verantwoordelijk voor het beheer in de Oostvaardersplassen en heeft een directe verantwoordelijkheid voor een deugdelijk raster ter voorkoming van uitbraak van konikpaarden, Heckrunderen en edelherten. In geval van uitbraak van één van deze soorten treedt direct het calamiteitenplan in werking en worden de dieren teruggejaagd en indien strikt noodzakelijk afgeschoten. In het raster is een aantal voorzieningen gemaakt, zodat een uitgebroken edelhert ook weer kan terugspringen. De afgelopen jaren hebben zich slechts enkele gevallen van uitbraak voorgedaan, waarbij de dieren konden worden teruggedreven. Voor de meeste andere soorten, waaronder reeën en vossen, is het van belang dat ze zich vrij kunnen bewegen in het gehele gebied, binnen en buiten de Oostvaardersplassen, hetgeen soms raakt aan de belangen van de spoor- of wegbeheerder.
Staatsbosbeheer doet er in het kader van goed nabuurschap alles aan om die verbindingen zo veilig mogelijk voor iedereen te maken en stemt maatregelen af met de betreffende infrastructuurbeheerders, zoals ProRail. ProRail en Staatsbosbeheer staan met elkaar in contact om te bezien of en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn, al dan niet voor een bepaalde periode van het jaar.
Reizen met de trein door blinden en slechtzienden |
|
Betty de Boer (VVD), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Informatie in trein niet duidelijk genoeg voor blinden»?1
Ja.
Klopt het dat kwetsbare groepen reizigers, met name blinden en slechtzienden, niet altijd duidelijk genoeg geïnformeerd worden tijdens hun reis over aan welke kant van de trein ze moeten uitstappen? Hoeveel reizigers ondervinden hier hinder van? Kunt u dit onderbouwen met cijfers?
Vorig jaar heb ik samen met de Ieder(in), de Oogvereniging, NS en ProRail een werkbezoek gebracht, waarin de toegankelijkheid van het treinvervoer centraal stond. Daarbij is onder meer de kwaliteit van de reisinformatie aan de orde geweest. Het ging toen onder meer over de verstaanbaarheid van de informatie. NS heeft daar sindsdien extra aandacht aan besteed. Bij vraag 5 wordt daarover meer opgemerkt. Over de aantallen reizigers, die hinder ondervinden van onduidelijke reisinformatie is weinig bekend. NS geeft aan dat een deel van de klanten met een visuele beperking geheel zelfstandig reist. Omdat deze klanten niet zijn aangemeld/geregistreerd bij NS heeft NS geen gegevens over de grootte van deze groep. Uit hun administratie van reizigers die assistentie aanvragen is wel af te leiden dat in 2014 ongeveer 5000 reizen door mensen met een visuele beperking zijn gemaakt. Uit gesprekken die NS in februari 2015 heeft gevoerd met de doelgroep over deze wens, waarbij ook de Oogvereniging vertegenwoordigd was, kwam naar voren dat alleen klanten met een visuele beperking die de rijrichting kunnen voelen gebaat zijn bij deze informatie. Exacte informatie over welk deel van alle reizigers met een visuele beperking gebaat is bij informatie over de uitstapzijde is momenteel niet bekend.
Wat vindt u van de argumentatie van NS dat het bedrijf conducteurs niet wil opleggen om te roepen aan welke zijde van de trein er uitgestapt moet worden, omdat het de werkbelasting van de conducteurs niet wil verhogen?
Bij de gesprekken die over dit punt al gevoerd zijn speelt de werkbelasting van de conducteur nauwelijks een rol. De andere factoren (invloed op de veiligheid, perceptie van forensen en grootte van de doelgroep, zie vraag 4) lijken een grotere rol te spelen dan de werkbelasting van de conducteur.
Bent u bereid om met de personenvervoerders in Nederland te overleggen over hoe dit probleem kan worden aangepakt? Bent u ook bereid de vervoerders te vragen of ze de reizigers willen informeren over aan welke zijde van de trein ze uit moeten stappen, op een vergelijkbare manier als dat in Duitsland gebeurt? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen weken vonden er gesprekken plaats tussen NS, het ministerie, belangenorganisatie Ieder(in) en de Oogvereniging om vast te stellen welke wensen NS in de komende tijd met voorrang oppakt om de reis van klanten met een beperking verder te vergemakkelijken. Daarbij is ook de wens van klanten met een visuele beperking om informatie te krijgen over de uitstapzijde aan de orde geweest. NS neemt deze wens dan ook zeer serieus. NS wil de impact op de veiligheid bij uitvoering van deze maatregel en de hoe andere reizigers informatie over de uitstapzijde ervaren eerst onderzoeken. Uit onderzoek is bijvoorbeeld bekend dat forensen zich snel ergeren aan, in hun ogen, overtollige informatie. Daarnaast bleek recent dat niet alle klanten met een visuele beperking gebaat zijn bij een omroepbericht over de uitstapzijde omdat een deel van deze doelgroep de rijrichting niet kan voelen. Bij de prioriteitstelling waarmee deze en andere maatregelen voor de doelgroepen worden opgepakt, wordt een balans gezocht in de maatregelen voor de verschillende groepen van mensen met een beperking (auditief, motorisch, verstandelijk, visueel).
Kunt u de stelling in het artikel dat de omroepinformatie van wisselende kwaliteit is beoordelen? Bent u, gezien de afhankelijkheid van blinde reizigers van deze informatie, bereid de vervoerders op het spoor aan te sporen deze te verbeteren?
De vertegenwoordiger van de Oogvereniging geeft aan dat hij de verstaanbaarheid van de omroep in de Intercity’s wisselend van kwaliteit vindt. Van de verbetering van de verstaanbaarheid heeft NS het afgelopen jaar werk gemaakt. NS heeft na onderzoek geconcludeerd dat de omroepinstallatie in de dubbeldeks Intercitytreinen (de zogenaamde VIRM’s) de meeste problemen geeft. NS herziet binnenkort de omroepinstallatie in al deze treinen. In 2015 is deze verbeterslag afgerond. Ook bij de andere treinen is expliciet aandacht voor de kwaliteit van de omroepinstallatie. Elke conducteur meldt een slecht werkende of defecte omroepinstallatie en ook onderhoudspersoneel controleert de omroepinstallatie regelmatig. Als er een defect wordt geconstateerd heeft het repareren hiervan prioriteit, zeker bij intercity’s. Bij het omroepen zelf kiest NS voor een meer persoonlijke benadering in de Intercitytreinen en voor automatische omroep in de Sprinters. Zo kan in een Intercity ingespeeld worden op de situatie ter plaatse. Ten aanzien van de inhoud van de informatie in Intercity’s is de Oogvereniging kritisch omdat niet altijd het volgende station of alle aansluitingen op het knooppunt worden omgeroepen. Volgens NS hebben alle conducteurs de instructie om in Intercitytreinen bij nadering van een knooppunt de naam van het knooppunt en de actuele overstapinformatie aan klanten door te geven, en gebeurt dit ook.
De wens van een woningcorporatie om illegalen te huisvesten |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat woningcorporatie Rochdale bereid is om uitgeprocedeerde asielzoekers te huisvesten?1
Ja
Bent u bereid om deze woningcorporatie duidelijk te maken dat illegalen geen recht hebben op deze huisvesting en dat men zich beter kan inzetten voor het (sneller) huisvesten van mensen die er wel recht op hebben? Zo neen, waarom niet?
De Vreemdelingenwet 2000 bepaalt dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, geen aanspraak kan maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. Dit is ook van toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen. In de Huisvestingswet 2014 is bepaald dat slechts Nederlanders en rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen voor een huisvestingsvergunning in aanmerking kunnen komen. Indien een gemeente een verordening heeft, zoals Amsterdam, kan de gemeente daarin bepalen dat als deze wordt overtreden een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Inmiddels heeft de bestuursvoorzitter van Rochdale in een interview met BNR nieuwsradio2 (laten weten dat Rochdale niet bereid is vreemdelingen te huisvesten, maar alleen mensen met een verblijfsvergunning huisvest.
Kunt u garanderen dat geen enkele woningcorporatie woningen ter beschikking stelt aan vreemdelingen die hier niet eens mogen zijn? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u daarnaast bereid om een einde te maken aan het met voorrang toewijzen van sociale huurwoningen aan toegelaten asielzoekers, daar dit oneerlijk is ten opzichte van andere woningzoekenden die vaak al jarenlang op een woning wachten? Zo neen, waarom niet?
Het huisvesten van vergunninghouders door gemeenten is geregeld in de Huisvestingswet. De taakstelling voor gemeenten die hierin geregeld is, is bedoeld om een evenwichtige spreiding van vergunninghouders in Nederland te bewerkstelligen. Er zijn geen voornemens de Huisvestingswet hierop aan te passen.