Het dwingen tot het dragen van een mondkapje |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Mogen verpleeghuizen, gelet op ontvangen signalen dat bijvoorbeeld de Clariane Group dit beleid in Nederland al heeft ingevoerd of wil gaan invoeren, verplegers dwingen een mondkapje te dragen tijdens hun werk?
Er is op dit moment geen wettelijke verplichting voor het dragen van mondkapjes. Voor het gebruik van mondneusmaskers in de zorg zijn professionele richtlijnen opgesteld. Werkgevers hebben volgens de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor het gezond en veilig werken van hun werknemers en dienen op basis van een actuele risico-inventarisatie en -evaluatie beleid te formuleren dat is afgestemd op de lokale omstandigheden.
Vanuit de STOP-strategie1 (zie art. 3 lid 1 onder b Arbowet) kan het ter beschikking stellen van een persoonlijk beschermingsmiddel aan werknemers, zoals een mondkapje, een laatste redmiddel zijn. De werkgever mag vanuit de zorgplicht en op basis van het instructierecht een mondkapjesplicht invoeren, om een veilige en gezonde werkomgeving te garanderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
Buitenproportionele eisen voor vrijwilligers in de traditionele scheepvaart |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van schippers over het Binnenvaartbesluit en de Europese wet en regelgeving betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart?1, 2
Ja, daar ben ik mee bekend.
In hoeverre heeft u in beeld wat voor gevolgen dit heeft voor de traditionele scheepvaart in Nederland, zoals in de Enterse Zomp en de Berkelzompen in Leeuwarden? Kunt u hierbij aangeven wat de kosten zouden zijn om een vrijwilliger te scholen om te voldoen aan de nieuwe eisen?
Voor alle schepen die bedrijfsmatig ingericht zijn voor het vervoer van meer dan 12 passagiers betekent de Richtlijn beroepskwalificaties voor de binnenvaart (hierna: de Richtlijn), dat de schippers hiervan in principe in het bezit moeten zijn van een Kwalificatiecertificaat schipper. Dit betreft een certificaat op MBO-3 niveau. Het ministerie heeft echter gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Richtlijn onder voorwaarden biedt om een speciaal op de sector afgestemd vaarbewijs te laten ontwikkelen, dat met name gericht is op praktijkervaring. Om dit vaarbewijs te behalen moeten kandidaten één theoretisch examen afleggen (kennis van verkeersregels) en drie praktijkexamens. Daarnaast is een vaartijd van in totaal 30 dagen vereist.
Voorheen hoefden schippers van open rondvaartboten alleen te beschikken over een klein vaarbewijs, dat met enkel een theorie-examen kan worden behaald. Het nieuwe vaarbewijs is speciaal afgestemd op de open rondvaartsector. Het vereist ook praktijktoetsing en draagt daarmee bij aan een hoger veiligheidsniveau.
Er is geprobeerd de kosten zo laag mogelijk te houden, ook omdat er veel vrijwilligers werken in deze sector. Zo kan de opleiding, na goedkeuring door het CBR, door bedrijven zelf worden verzorgd en hoeft alleen het laatste praktijkexamen onder toezicht van het CBR plaats te vinden. Ook is er een overgangsregeling voor schippers die aantoonbaar ervaring hebben en is er voor alle schippers een overgangstermijn van drie jaar.
De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) heeft er in het rapport «Aanvaring van en watertaxi met een haven rondvaartboot»3 op gewezen dat «bij personenvervoer de passagiers voor hun veiligheid in grote mate afhankelijk zijn van degene die de dienst aanbiedt. Dit is ook het geval bij personenvervoer over water. Bij het betalen voor vervoer mag van de aanbieder verwacht worden dat deze binnen de redelijkheid de veiligheid van de passagiers waarborgt. In Nederland moeten passagiers hierop kunnen vertrouwen».
Ook ik acht het van groot belang dat passagiers erop kunnen vertrouwen dat zij veilig vervoerd worden. Het nieuwe vaarbewijs acht ik dan ook noodzakelijk om een basisveiligheidsniveau te garanderen.
De totale kosten voor een kandidaat worden geschat op ongeveer € 450,–. Wanneer het bedrijf of de instelling een externe opleider wil inschakelen liggen deze kosten ongeveer € 300,– per kandidaat hoger. Voor de instelling of organisatie die de opleiding open rondvaartboot zelf wil organiseren worden de kosten geschat op jaarlijks gemiddeld € 175,–.
Heeft u contact gehad met schippers bij de Enterse Zomp en praamvaren in en rondom Leeuwarden? Hoe reflecteert u op de communicatie rondom de ontwikkelingen rondom de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart?
Vanuit het ministerie en het CBR is bij de voorbereiding op de nieuwe regelgeving op verschillende momenten contact geweest met de rondvaartsector. Er zijn ook werkbezoeken in het land afgelegd door het ministerie en het CBR. Daarbij is gesproken met een vertegenwoordiging van de Enterse zompen. Er is voorts telefonisch contact geweest met verschillende bedrijven, waaronder een praamvaarbedrijf in Leeuwarden. Deze contacten hebben geleid tot aanpassingen in de eisen aan het certificaat, mede vanwege het grote aantal vrijwilligers in de sector. Voorts heeft het CBR een aantal online voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd, waar ook een vertegenwoordiging van de Enterse zompen en van een praamvaarbedrijf aanwezig was.
Welke ruimte heeft u om in Nederland een andere afweging te maken in de implementatie van de gewijzigde Europese regelgeving? Welke mogelijkheden zijn er om een uitzondering maken voor de traditionele scheepvaart die grotendeels draait op vrijwilligers?
De Richtlijn is van toepassing op passagiersschepen in de binnenvaart, dat wil zeggen, schepen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers. De Richtlijn maakt geen onderscheid tussen traditionele of niet-traditionele schepen. Zoals hierboven beschreven heeft Nederland reeds gebruik gemaakt van de uitzonderingsgronden in de Richtlijn door een nieuw vaarbewijs te ontwikkelen voor de rondvaartsector. Dit betekent een aanzienlijke verlichting van de eisen van de Richtlijn, terwijl er toch een voldoende veiligheidsniveau wordt geboden.
Bij het vaststellen van deze eisen is daarmee al uitdrukkelijk rekening gehouden met het feit dat in deze sector veel vrijwilligers werkzaam zijn.
Voor passagiers mag het echter niet uitmaken of zij door vrijwilligers vervoerd worden of dat er sprake is van een traditioneel vaartuig of niet: zij moeten er te allen tijde op kunnen rekenen dat er een minimum veiligheidsniveau gegarandeerd wordt wanneer zij vervoerd worden.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te voorkomen dat de financiële gevolgen van de wet- en regelgeving zorgen voor een afname van vrijwilligers en schippers in de binnenlandse scheepvaart?
Bij de invoering van het nieuwe certificaat voor schippers voor open rondvaartboten is al zo veel als mogelijk rekening gehouden met het feit, dat in deze sector veel vrijwilligers werkzaam zijn. De kosten voor het behalen van het nieuwe certificaat zijn zo laag mogelijk gehouden en voor bestaande schippers met aantoonbare ervaring is een overgangsregeling vastgesteld.
Deelt u de opvatting dat stichtingen met vrijwillige schippers binnen veilige wateren een vrijstelling zouden moeten krijgen van deze regelgeving? Zo ja, welke mogelijkheden zijn er voor een ontheffing voor vrijwillige schippers op binnenstedelijke, kleinere en veilige wateren?
Naar mijn opvatting moeten passagiers te allen tijde, ook wanneer zij door vrijwilligers vervoerd worden, erop kunnen rekenen dat er basiseisen gelden voor hun veilig vervoer. Het klein vaarbewijs, waarvoor alleen een theorie-examen moet worden afgelegd, biedt daarvoor in het kader van de Richtlijn onvoldoende garanties. Er wordt echter wel gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt. Voor schippers van open rondvaartboten geldt dus al een vrijstelling van de eisen van de Richtlijn. Het nieuwe certificaat voor schippers van open rondvaartboten biedt een voldoende en goed op deze sector afgestemd veiligheidsniveau.
Kunt u in kaart brengen of binnen de Europese kaders verdere differentiatie mogelijk is voor deze categorie schepen?
De Richtlijn biedt onder voorwaarden een mogelijkheid om een aangepast kwalificatiecertificaat uit te geven. Dit certificaat dient een aan het Kwalificatiecertificaat schipper gelijkwaardig veiligheidsniveau te bieden. Met het nu ontwikkelde certificaat voor open rondvaartboten is ook al zo veel als mogelijk rekening gehouden met schippers van deze categorie schepen.
De houdbaarheid van de AOW (Algemene Oudersdomswet) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u onder elkaar zetten hoe groot de beroepsbevolking naar verwachting is ten opzichte van het aantal AOW’ers in 2033, 2040, 2050 en 2060, op basis van de huidige wetgeving en de meeste recente bevolkingsprognose? Hoeveel werkenden zijn er naar verwachting in die jaren per AOW’er?
Onderstaande figuur geeft de verwachte AOW-druk uit het afgelopen rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte weer.1 Die laat zien dat de AOW-druk per 2033 ongeveer 35% is. In 2040, 2050 en 2060 is dat respectievelijk ongeveer 37%, 35% en 34%. De AOW-druk wordt berekend op basis van de bevolkingsprognose. Dat is het aantal mensen in werkzame leeftijd (vanaf 20 tot AOW-leeftijd) ten opzichte van het aantal mensen boven de AOW-leeftijd in Nederland. De AOW-gerechtigden die in het buitenland wonen worden hierin dus niet meegerekend.
(x 1.000 personen, jaargemiddelde)
Aantal personen in Nederland boven AOW-leeftijd
3.870
4.135
4.064
4.032
Aantal personen in Nederland van 20 jaar tot AOW-leeftijd
11.147
11.222
11.576
12.013
Kunt u ook onder elkaar zetten wat de verwachtingen hierover waren in 2019, nadat het pensioenakkoord werd afgesloten, op basis van de afspraken in het pensioenakkoord en de bevolkingsprognoses uit die tijd?
Zie onderstaande figuren uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen»2 uit 2019. Daarin wordt ingegaan op de gevolgen van de vergrijzing voor onder meer de AOW. Er wordt ook stilgestaan bij de AOW-druk. Als u de figuur van vraag 1 met die hieronder vergelijkt kunt u zien dat de verwachting van de AOW-druk voor 2033 en 2060 is afgenomen.
Kunt u onder elkaar zetten hoeveel de verwachte uitgaven aan de AOW zijn als percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in 2033, 2040, 2050 en 2060? Wat was de verwachting hierover in 2019, na het afsluiten van het pensioenakkoord?
In onderstaande tabel wordt weergegeven wat de verwachtingen waren ten aanzien van de ontwikkeling van de AOW-uitgaven als percentage van het BBP. De cijfers zijn afkomstig uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen» (2019) en het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (2025). De percentages voor 2033 en 2050 zijn niet beschikbaar.
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2019)
5,1%
6,5%
5,9%
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2025)
4,7%
5,7%
5,4%
In hoeverre zijn de verwachtingen over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW volgens u verbeterd of verslechterd sinds 2019, toen het pensioenakkoord werd afgesloten?
Zoals bij vraag 2 aangegeven is de verwachting dat in 2033 en 2060 de AOW-druk minder hoog uitvalt dan in 2019 verwacht werd. De AOW-uitgaven als percentage van het BBP vallen volgens de prognoses uit 2025 lager uit dan in 2019 verwacht werd, zoals uit de tabel bij vraag 3 is af te lezen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hiervoor niet alleen de AOW-uitgaven zelf, maar ook de ontwikkeling van het BBP van belang is.
Op het gebied van de financiering van de AOW constateerde het CBS in 2024 dat voor het eerst meer dan 50% van de AOW-uitkeringen gefinancierd uit de algemene middelen oftewel belastinggeld. Dit betekent dat premie-inkomsten de AOW-uitkeringen steeds minder dekken. Sinds 2001 zijn de AOW-premies niet meer toereikend om de volledige uitkeringen te dekken, omdat de AOW-premie op 17,9% is gemaximeerd. Het aandeel van de AOW-uitkeringen dat het Rijk vanuit de algemene middelen aanvult, neemt een steeds groter deel van de overheidsuitgaven in beslag. De sneller stijgende AOW-uitgaven komen vooral door de vergrijzing. Daarnaast zijn de uitkeringen zelf verhoogd, omdat ze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (Wml). De premie-inkomsten stijgen veel minder dan de uitgaven. De verwachting is dat het aandeel gefinancierd vanuit algemene middelen in de toekomst verder zal toenemen.
Wat is volgens u de reden dat het kabinet van plan is de AOW versneld te verhogen? In hoeverre is dit vanwege de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW, en hoe verhoudt dit zich tot de prognoses in 2019 en de onderbouwing van de afspraken over dit onderwerp in het pensioenakkoord?
De uitkeringslasten van de AOW stijgen vanwege de toename van het aantal AOW’ers door de vergrijzing. Daarnaast stagneert de groei van de beroepsbevolking. Het gevolg is dat premies in de toekomst door minder werkenden moeten worden opgebracht en de AOW een groter beslag op de Rijksbegroting legt, zoals bij vraag 4 is uitgelegd. Daarom adviseerde de Studiegroep Begrotingsruimte om maatregelen te nemen die gericht zijn op het verlagen van de vergrijzingsgevoelige uitgaven.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat er in 2033 maar twee werkenden per AOW’er zijn? Waar baseerde hij dat cijfer op?
In het debat over de regeringsverklaring is voor deze verhouding de grijze druk gebruikt. Grijze druk laat de verhouding tussen het aantal mensen van 65 jaar of ouder en het aantal personen van 20 tot 65 jaar zien. Deze cijfers komen terug in publicaties van de SVB en het UWV.3 Het is echter zorgvuldiger om bij deze verhouding de «AOW-druk» te gebruiken. Dit laat de verhouding tussen AOW-gerechtigden en de beroepsbevolking. De AOW-leeftijd ligt immers niet meer op 65 jaar.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat de reden om de AOW versneld te verhogen was dat het kabinet zich zorgen maakt over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW? Waarom heeft het kabinet die zorgen, gegeven de ontwikkeling van de prognoses hierover in de afgelopen tien jaar?
Zoals in de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5 aangegeven ziet het kabinet een opgave om de AOW-uitgaven houdbaar te houden in de context van de grote opgaven waar we voor staan. Hierover gaat het kabinet graag de komende periode met uw Kamer en de sociale partners in gesprek.
Kunt u een tabel maken met de jaarlijkse kosten van de AOW tot en met 2060, zowel vóór als na de voorgenomen maatregel?
De uitgaven aan de AOW volgens de 2/3e koppeling en 1-op-1 koppeling is hieronder weergegeven. Dit bevat niet de weglek naar andere sociale zekerheid.
AOW uitgaven 2/3e koppeling
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
AOW uitgaven 1-op-1
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
Verschil
–
–
–
–
–
AOW uitgaven 2/3e koppeling
62.172
63.568
64.775
65.137
66.224
AOW uitgaven 1-op-1
62.172
63.568
63.705
64.080
65.170
Verschil
–
–
– 1.070
– 1.057
– 1.054
AOW uitgaven 2/3e koppeling
67.398
67.761
68.855
69.856
69.860
AOW uitgaven 1-op-1
65.268
66.648
66.661
67.724
67.776
Verschil
– 2.130
– 1.113
– 2.195
– 2.133
– 2.084
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.392
70.800
70.338
70.449
70.616
AOW uitgaven 1-op-1
68.397
68.017
68.537
68.713
68.014
Verschil
– 1.995
– 2.783
– 1.802
– 1.737
– 2.602
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.777
70.237
70.370
70.636
70.121
AOW uitgaven 1-op-1
68.185
67.620
67.731
67.053
67.394
Verschil
– 2.592
– 2.617
– 2.639
– 3.583
– 2.727
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.253
70.438
70.687
70.204
70.519
AOW uitgaven 1-op-1
66.652
66.879
67.099
66.540
66.779
Verschil
– 3.601
– 3.559
– 3.588
– 3.664
– 3.739
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.965
70.570
70.999
71.621
72.358
AOW uitgaven 1-op-1
66.191
66.696
66.134
66.699
67.291
Verschil
– 4.775
– 3.873
– 4.865
– 4.922
– 5.067
Welk deel van de mensen die langer door zouden moeten werken door het voorstel om de AOW-leeftijd versneld te verhogen houdt het volgens u vol om daadwerkelijk langer door te werken? Welk deel komt in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Werkloosheidswet (WW) of Participatiewet terecht?
Uit de meest recente «Monitor verhoging AOW-gerechtigde leeftijd» van SEO Economisch Onderzoek4 blijkt niet dat het actieve gebruik van de WW, WIA of bijstand toeneemt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. Er is geen actief substitutie-effect, waarbij ouderen eerder zouden stoppen met werken om in de periode tussen de oude en de verhoogde AOW-leeftijd een uitkering te gebruiken, zoals SEO dit omschrijft. Sinds 2013 is de AOW-leeftijd gestegen van 65 jaar naar 67 jaar in 2026. Door de verhoging blijven mensen die al een WW-, WIA- of bijstandsuitkering ontvangen langer in deze uitkering. Dit wordt het passieve substitutie-effect genoemd. Hoewel het risico op instroom in deze uitkeringen toeneemt zijn er geen aanwijzingen dat ouderen massaal rond hun 65ste of rond de nieuwe AOW-leeftijd bewust instromen in sociale zekerheid. Het Ministerie van SZW monitort de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd jaarlijks.
Bent u zich ervan bewust dat het CPB uitgaat van een ombuiging op de AOW van € 4,9 miljard en een netto ombuiging van € 2,7 miljard in 2060 als gevolg van de voorgenomen versnelde verhoging van de AOW-leeftijd? Klopt het dat daarmee zo’n 45%, dat wil zeggen bijna de helft, van de groep die langer door zou moeten werken in plaats daarvan een andere uitkering krijgt?
De raming van het CPB over de budgettaire gevolgen van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting sluit aan op de raming zoals opgenomen in het Coalitieakkoord. De 1-op-1 koppeling leidt tot een besparing op de AOW-uitgaven in 2060. Tegelijkertijd leidt dit er toe dat mensen een langere periode een andere uitkering ontvangen of voor de periode dat zij later een AOW ontvangen een andere uitkering instromen.
Deze weglekeffecten naar andere sociale zekerheid zijn gebaseerd op een analyse over realisatiecijfers uit 2019 t/m 2021. Hierin is geanalyseerd wat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid is van de groep mensen die in een gegeven jaar de AOW instromen. Uit deze analyse blijkt dat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid voor de mensen die op het punt staan de AOW-leeftijd te bereiken ca. 45% is van de uitgaven aan AOW zodra zij zijn ingestroomd. Met andere woorden, de uitgaven aan overige sociale zekerheidsuitkeringen, als gevolg van een hogere AOW-leeftijd, bedragen 45% van het bedrag dat anders aan de AOW uitgegeven zou zijn. Indien de AOW-leeftijd omhoog gaat zit deze groep dus langer in de betreffende socialezekerheidsuitkering. Deze analyse ziet echter alleen op de totale Rijksuitgaven. Er kunnen geen conclusies verbonden worden over het aantal mensen om wie dit gaat aangezien de gemiddelde hoogte van de AOW niet gelijk is aan de gemiddelde hoogte van de andere uitkeringen. Circa 34 procentpunt van de 45% aan weglek gaat immers om Arbeidsongeschiktheids-, WW en Ziektewetuitkeringen. De gemiddelde uitkeringshoogte hiervan ligt aanzienlijk hoger dan de gemiddelde hoogte van een AOW-uitkering.
De 45% aan weglek zegt dus uitsluitend iets over de Rijksuitgaven, maar niet over het aantal mensen dat een uitkering ontvangen in plaats van inkomen uit werk voordat zij de AOW instromen.
Kunt u deze cijfers nader uitsplitsen? Hoeveel meer mensen komen respectievelijk terecht in de WIA, WW en Participatiewet, en met hoeveel nemen de kosten van deze regelingen respectievelijk toe?
Zoals toegelicht is uit de analyse niet op te maken hoeveel mensen terechtkomen in de WIA, WW of Participatiewet als gevolg van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting. Wel kan uiteengezet worden wat op basis van de analyse op basis van cijfers uit 2019 t/m 2021 de geraamde toename aan uitgaven aan deze regelingen is. Hieronder is de uitsplitsing van het weglekeffect naar andere sociale zekerheid weergegeven t/m 2035 en structureel.
Uitsplitsing weglekeffect (x € mln.)
Participatiewet
45
44
44
211
AO1
284
280
279
1344
IOAW/IOAZ2
56
56
56
267
Werkloosheidswet
72
72
71
343
Ziektewet
15
14
14
69
Algemene nabestaandenwet
14
13
13
65
Hieronder vallen de WAZ, WAO en WIA.
Hieronder vallen de IOAW, IOAZ, Wajong, BBZ en IOW.
Welke overlap ziet u tussen de plannen voor de AOW, WIA en WW? Hoeveel mensen hebben door de voorgenomen plannen dubbel of driedubbel pech, bijvoorbeeld omdat zij later AOW krijgen én korter WW, en daardoor in de bijstand terechtkomen?
Het kabinet heeft de sociale partners goed gehoord. Met betrekking tot de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting maakt het kabinet een pas op de plaats. We gaan samen met uw Kamer en met de sociale partners in de komende periode kijken of, en zo ja, welke alternatieven er mogelijk zijn. In de verkenning en uitwerking zal rekening gehouden worden met de mogelijke samenloop van regelingen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en de antwoorden vóór aanvang van de plenaire behandeling van de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026 aan de Tweede Kamer doen toekomen?
Aan beide verzoeken is voldaan.
Het bericht ‘Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld»?1
Deelt u de mening dat het verdienmodel van cybercriminelen voor een groot deel draait op het afpersen van slachtoffers, onder dreiging van het publiceren van gestolen data of het voor eeuwig versleutelen van systemen?
Vindt u dat het toegeven aan dit soort afpersing het verdienmodel van cybercriminelen in stand houdt? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot de bescherming van slachtoffers, die hun persoonlijke data in handen van criminelen zien verdwijnen als een getroffen organisatie niet betaalt?
Klopt het dat het voor een getroffen organisatie logisch kan lijken om losgeld te betalen (op basis van de belofte van daders dat gestolen data niet gepubliceerd worden of versleutelde systemen worden vrijgegeven), maar dat dit de samenleving als geheel juist meer kan kosten, omdat het verdienmodel van cybercriminelen in stand gehouden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier kan de samenleving volgens u dit dilemma oplossen?
Staat u nog steeds achter het advies van de overheid aan organisaties om geen losgeld aan hackers te betalen? Op welke expertkennis baseert u dat advies?
Zou een verbod op het betalen van losgeld aan hackers de samenleving als geheel ten goede kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een dergelijk verbod?
Kan een verbod op het betalen van losgeld ook dienen als extra prikkel voor organisaties om extra werk te maken van cyberweerbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Welke extra prikkels en instrumenten kunt u inzetten om ervoor te zorgen dat organisaties te dwingen hun cyberweerbaarheid serieus te nemen? Denkt u dat boetes hier een effectief middel voor kunnen zijn? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Odido-datalek erger dan gemeld, ook burgerservicenummers gelekt’. |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL waarin wordt gemeld dat bij telecomprovider Odido een grootschalig datalek heeft plaatsgevonden en dat hierbij, anders dan eerder door het bedrijf gecommuniceerd, ook burgerservicenummers (BSN) zijn gelekt?1
Hoe beoordeelt u de ernst van het incident, in het bijzonder het lekken van BSN, vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten van burgers en hoe ingrijpend beoordeelt u de impact op burgers?
In hoeverre acht u daarbij het recht op privacy en gegevensbescherming geschonden, nu (oud-)klanten van Odido buiten hun eigen schuld risico lopen op misbruik van hun persoonsgegevens?
Hoe beoordeelt u het advies aan Odido om geen losgeld te betalen, gelet op de huidige situatie waarin de hackersgroep Shinyhunters is overgegaan tot publicatie van gestolen persoonsgegevens, met mogelijke ernstige gevolgen voor de (oud-)klanten van Odido?2
Kunt u aangeven welke opsporingsprioriteit wordt gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek dat is gestart door het Openbaar Ministerie en ligt daarbij ook een rol voor de digitale recherche?
Welke rol ziet u bij het ondersteunen en informeren van burgers van wie persoonsgegevens door cybercriminelen zijn gepubliceerd en acht u het huidige instrumentarium hiervoor toereikend?
Ziet u aanleiding om het strafrechtelijk kader of de opsporingscapaciteit op het terrein van hacks en digitale afpersing te versterken, bijvoorbeeld door intensivering van de digitale recherche van de politie of door aanpassing van wet- en regelgeving?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voorafgaand aan de behandeling van de Cyberbeveiligingswet?
Het bericht 'US orders diplomats to fight data sovereignty initiatives' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Reuters waarin wordt gesteld dat de Amerikaanse regering diplomaten instrueert om buitenlandse initiatieven op het gebied van datasoevereiniteit actief tegen te gaan?1
Hoe beoordeelt u deze instructie van de Amerikaanse regering in het licht van het belang dat Europa zelf zeggenschap houdt over waar en hoe gevoelige data van burgers, bedrijven en overheden wordt opgeslagen en verwerkt?
Is bij u bekend of Amerikaanse diplomaten richting Nederland of bij de Europese Commissie pogingen hebben ondernomen om beleid op het gebied van datasoevereiniteit te beïnvloeden, en zo ja, op welke wijze en in welke context?
Welke gevolgen kan het afzwakken van beleid op het gebied van datasoevereiniteit hebben voor de bescherming van persoonsgegevens, de online veiligheid en de controle die burgers hebben over hun eigen data?
Ziet u hierin aanleiding om, samen met Europese partners, actiever in te zetten op het versterken van digitale soevereiniteit, onder meer door het bevorderen van Europese cloud- en data-infrastructuur?
Ziet u daarnaast aanleiding om in Europees verband gezamenlijke uitgangspunten over datasoevereiniteit actiever uit te dragen en te verdedigen?
Natuurvriendelijk isoleren |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Erkent u dat er in de sector veel onduidelijkheid heerst over de geldende regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Toezicht en handhaving rondom natuurwetgeving en soortenbescherming zijn grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat provincies ruimte hebben om zelf uitvoeringsbeleid te maken binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie. Vanuit het bedrijfsleven en gemeenten krijg ik signalen dat de diversiteit van provinciaal beleid lastig wordt gevonden. Daarom ben ik met provincies, gemeenten, soortenorganisaties en de sector in gesprek over oplossingen.
Klopt het dat de Ministeries van LVVN en VRO, het IPO, de provincies, de VNG en de soortenorganisaties aan een gedragscode werken, zodat er voor bepaalde activiteiten geen vergunningplicht meer geldt?
Het klopt dat momenteel aan een gedragscode wordt gewerkt. Dat doe ik samen met de Minister van LVVN, provincies, het IPO, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche. Op basis van een gedragscode is vrijstelling van de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten in verband met isolatiewerkzaamheden mogelijk, mits aan de eisen van de gedragscode wordt voldaan.
Wanneer is deze gedragscode afgerond en kan ermee worden gewerkt?
Het streven is om de gedragscode uiterlijk 1 januari 2027 in werking te laten treden.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat er zo snel mogelijk meer ruimte komt voor innovatieve onderzoeksmethoden, zoals eDNA?
Innovatie wordt door verschillende trajecten vanuit de overheid gestimuleerd, bijvoorbeeld via de Challenge Startup in Residence Intergov. Daarnaast komt de markt zelf ook met innovatieve oplossingen. Ten aanzien van de eDNA-methode heeft het Rijk verschillende onderzoeken laten doen om de betrouwbaarheid van de methode te borgen. Inmiddels is een nieuw onderzoek gepubliceerd naar de betrouwbaarheid van de eDNA methode: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/11/24/edna-als-methode-voor-detectie-van-vleermuisverblijven-in-woningen
Op welke manier wordt bewerkstelligd dat er meer uniformiteit komt in de regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Het beleid rondom soortenbescherming is zoals gezegd grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat de provincies het bevoegd gezag voor onder andere vergunningverlening, toezicht en handhaving in relatie tot soortenbescherming, voor zover deze taken niet expliciet aan het Rijk zijn voorbehouden. Als bevoegd gezag bepalen zij zelf hun beleid in deze binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie.
Om landelijke tot meer uniformiteit en duidelijkheid te komen wordt gewerkt aan een gedragscode. Dit doen we samen met de belangrijkste stakeholders op dit onderwerp. De gedragscode zal via een ministeriële regeling worden aangewezen. De gedragscode zal dan dus, net als de eDNA-regeling, landelijk gelden.
Erkent u dat de onduidelijkheden rond het natuurvriendelijk isoleren negatieve effecten hebben op de bereidheid van particuliere huiseigenaren om hun woningen te isoleren?
Dat erken ik en daarom werken we met grote urgentie aan oplossingen zoals de gedragscode. Ondertussen kunnen isolatiewerkzaamheden gewoon doorgaan, op basis van de huidige eDNA regeling en provinciaal beleid. Dat betekent dat als uit onderzoek (bijvoorbeeld een negatieve test afkomstig uit eDNA-onderzoek) blijkt er geen sprake is van het verstoren of doden van beschermde soorten en het vernielen van nesten of verblijfplaatsen, er direct geïsoleerd mag worden, omdat er geen verbodsbepalingen worden overtreden. Als er sprake is van een positieve test, dan moet op dit moment een initiatiefnemer contact opnemen met de provincie en checken of een vergunning nodig is.
In de gedragscode willen we het handelingsperspectief na een positieve test verbeteren.
Hoe kunnen particuliere woningeigenaren meer gestimuleerd worden om hun woningen natuurvriendelijk te isoleren?
Hiervoor is vooral eenduidige en heldere communicatie nodig. Zowel vanuit het Rijk, vanuit de medeoverheden, als vanuit de isolatiebedrijven. Ook dit neem ik mee in de lopende gesprekken.
Meerdere talen in de schoolklas |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Meerdere talen in de klas is goed voor de leerling. Maar gaat dat niet ten koste van het Nederlands»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Hoe verzoent u dit beleid met het fundamentele belang dat alle leerlingen het Nederlands volledig leren beheersen?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen goed leren lezen, schrijven en rekenen in het Nederlands. Dit is de basis die nodig is om mee te kunnen doen in de samenleving. Tegelijkertijd hebben alle leraren één of meer leerlingen in de klas die thuis een andere taal dan het Nederlands spreken. Dit stelt leraren voor een extra uitdaging. Om die reden heeft de voormalig Minister van OCW de Onderwijsraad gevraagd te adviseren over hoe leraren kunnen omgaan met talige diversiteit in de klas. De Onderwijsraad adviseert op basis van wetenschappelijk onderzoek om kennis en vaardigheden in een eerder geleerde taal te benutten om de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen te versterken.2 Dit sluit aan bij de nieuwe kerndoelen en eindtermen Nederlands, waarin is opgenomen dat er ruimte moet zijn voor thuistalen, waaronder ook streektalen en dialecten.3 Onderzoekers en experts op het gebied van meertaligheid onderschrijven dat dit een effectieve interventie kan zijn.4 Een voorwaarde is wel dat de school dit evidence-informed doet.5 De Onderwijsraad adviseert om scholen hierbij te ondersteunen met professionalisering, expertise en handreikingen. In de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad staat beschreven hoe het Masterplan basisvaardigheden en het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) hierin voorzien.6
«Ruimte bieden aan thuistalen» betekent voor leraren dat ze gewoon onderwijs in de Nederlandse taal geven. Het gaat erom dat leraren een thuistaal niet als een belemmering zien, maar als een mogelijk hulpmiddel voor het leren van en in het Nederlands. Onderzoek laat zien dat dit een positieve invloed heeft op de leerresultaten en het welbevinden van leerlingen.7 Uiteraard is het aan schoolleiders en leraren zelf om hiervoor een evidence-informed aanpak te kiezen. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat het benutten van een eerder geleerde taal in het onderwijs het risico op onderwijsachterstanden vergroot.8
Bent u bereid toe te geven dat het stimuleren van thuistalen het risico op onderwijsachterstanden kan vergroten? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat uw beleid het gedrag van ouders, die stelselmatig thuis Nederlands weigeren te spreken, beloont en dat kinderen op school niet voldoende Nederlands leren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waarborgt u dat dit beleid de werkdruk van leraren niet onacceptabel verhoogt en de kwaliteit van het onderwijs niet schaadt?
Op bijna alle scholen zitten kinderen die van huis uit (ook) een andere taal dan het Nederlands spreken. Leraren zijn op zoek naar manieren om deze leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden in hun ontwikkeling. Het is effectief gebleken om de thuistaal van leerlingen als hulpmiddel in te zetten om een leerling op weg te helpen. Uit nationaal en internationaal onderzoek blijkt dat hiervoor geen ingewikkelde interventies nodig zijn.9 Er zijn laagdrempelige manieren die al een positief effect hebben. Voorbeelden hiervan zijn om vertaalapps te gebruiken of om een meertalige bibliotheek in te richten, zodat leerlingen het boek dat op school wordt voorgelezen, in de thuistaal mee naar huis kunnen nemen. Leerlingen doen op die manier thuis voorkennis op van het verhaal. Op school kunnen ze zich dan focussen op de Nederlandse taal. Dit helpt de leerling bij het leren van en in het Nederlands.
Hoe voorkomt u dat dit beleid bijdraagt aan een gefragmenteerde multiculturele samenleving?
Het kan juist positief bijdragen aan integratie als leerlingen hun thuistaal als hulpmiddel mogen gebruiken om nieuwe lesstof te leren in de Nederlandse taal. De Onderwijsraad geeft hier twee redenen voor. Ten eerste leren leerlingen de Nederlandse taal sneller als zij hun thuistaal als opstapje mogen gebruiken. Dit is belangrijk om segregatie tegen te gaan. Ten tweede voelen leerlingen zich meer verbonden met de school als hun thuistaal wordt gewaardeerd. Dit zorgt ervoor dat leerlingen zich eerder openstellen voor hun klasgenoten in plaats van dat zij zich terugtrekken in groepjes.10
Is het, volgens u, verantwoord dat leerlingen minder tijd besteden aan kernvakken zoals Nederlands en rekenen, omdat scholen verplicht worden aandacht te geven aan meerdere thuistalen? Zo nee, welke alternatieve richtlijnen gaat u geven aan scholen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat het Nederlands de hoofdtaal blijft en dat alle kinderen voldoende taalvaardigheid ontwikkelen, ongeacht hun thuistaal?
Het is wettelijk bepaald dat Nederlands de hoofdtaal van het onderwijs is. Scholen moeten de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen optimaal bevorderen. Het Masterplan basisvaardigheden heeft als doel zowel de Nederlandse taal, als rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid van alle leerlingen te verbeteren. Scholen ontvangen structurele bekostiging en krijgen inhoudelijke begeleiding van onderwijscoördinatoren. Het programma ondersteunt scholen daarnaast om evidence-informed te werken, zodat zij een onderbouwde aanpak kiezen waarmee zij resultaten kunnen boeken. In lijn hiermee geef ik prioriteit aan de implementatie van het nieuwe curriculum voor het funderend onderwijs, waarin de basisvaardigheden een centrale plek hebben. Leerlingen lezen, schrijven en rekenen niet meer alleen tijdens de les begrijpend lezen of wiskunde, maar bij alle vakken.
PTSS-erkenning voor de brandweer en de regeling voor een compromis |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u deze aanvullende schriftelijke vragen betrekken bij de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen over dit onderwerp1?
Hoe wordt voorkomen dat verschillen ontstaan in toepassing en vergoedingspraktijk tussen regio’s?
Klopt het dat vergoedingen op grond van de PTSS-regeling in mindering worden gebracht op eventuele latere schadevergoedingen bij aansprakelijkheid? Hoe verhoudt dit zich tot het ontbreken van een volledige schadevergoeding binnen de regeling zelf?
Hoe wordt in de praktijk omgegaan met vrijwilligers met meerdere inkomensbronnen? Kan de samenloopbeperking ertoe leiden dat feitelijke schade niet volledig wordt gecompenseerd?
Is onderzocht of het proces van het aannemelijk maken van incidenten en gebeurtenissen die PTSS veroorzaakten, kan leiden tot hertraumatisering of verergering van klachten? Zo nee, bent u bereid dit onafhankelijk te laten onderzoeken?
Acht u het passend om bij een chronische, behandelingsresistente aandoening als C-PTSS toekomstige zorgkosten af te kopen? Hoe wordt voorkomen dat betrokkenen op latere leeftijd financieel tekortkomen?
Waarom is geen spoedregeling of noodvoorziening opgenomen voor acute of ernstige situaties?
Hoe wordt de onafhankelijkheid van de landelijke Adviescommissie PTSS geborgd, gezien de betrokkenheid van veiligheidsregio’s bij de uitvoering? Worden commissieleden volledig extern benoemd?
Bent u bereid een tussentijdse evaluatie vóór het verstrijken van drie jaar te overwegen? Wordt bij de evaluatie expliciet gekeken naar de rol van organisatiecultuur en nazorg in het verleden? Wordt onderzocht of structurele tekortkomingen hebben bijgedragen aan het ontstaan of verergeren van PTSS?
De lage vulgraad van de gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gasvoorraad zakt naar een schamele 11,7 procent, maar «er komen warmere dagen aan»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op het feit dat de Nederlandse gasvoorraden volgens genoemd bericht nog maar voor 11,7% – en inmiddels zelfs 11,1% (!) – gevuld zijn?2 Klopt het dat de vulgraad nog niet eerder zo laag is geweest? Deelt u de conclusie dat Nederland met een te lage vulgraad de winter in is gegaan?
Gasunie Transport Services (GTS) heeft het kabinet aan de start van het stookseizoen laten weten dat Nederland over voldoende capaciteit beschikt om op een koude dag te voldoen aan de piekvraag. De vulgraad toentertijd was conform de vuldoelstellingen opgelegd door de Europese Commissie. Er was ook genoeg volume om de winter door te komen.
De inzet van de gasopslagen in de winter is normaal en conform de functie van gasopslagen om meer gas te leveren in de winter. Dit gebeurt ook in de rest van de Europese Unie. Het exacte moment waarop het gas in de winter door marktpartijen aan de opslagen wordt onttrokken, is van meerdere factoren afhankelijk. Bepalend hierin is o.a. de gasprijs, die wordt beïnvloed door onder meer de temperatuur die van invloed is op de vraag.
Een bijzondere omstandigheid dit jaar is de beëindiging van de operationele activiteiten van GasTerra. Hierdoor wordt voorzien dat de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk door GasTerra uiterlijk per 1 april 2026 leeg zullen worden opgeleverd. Hierover heeft het kabinet de Kamer in september 2025 geïnformeerd.3 Mede gelet op deze omstandigheid ligt de huidige vulgraad in de lijn der verwachting. Op basis van de huidige inzichten, ook met inachtneming van de huidige geopolitieke situatie, zijn er op dit moment geen zorgen ten aanzien van de leveringszekerheid. Wel zien we dat de prijzen op de groothandelsmarkt voor gas sterk oplopen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten, wat betekent dat ook in Nederland gas duurder wordt. Dit wil niet direct zeggen dat er ook minder gas wordt opgeslagen. Of het commercieel interessant is om gas op te slaan hangt namelijk af van het verschil tussen de prijs waartegen gas tijdens het vulseizoen kan worden ingekocht en de prijs waartegen het (tegelijkertijd) forward voor de winter kan worden verkocht (de zomer/winterspread). Wanneer deze voldoende positief is, is het commercieel aantrekkelijk om gas op te slaan. Op dit moment is de spread negatief en is opslag niet aantrekkelijk, maar ook in 2022, toen de gasprijzen historisch hoog waren ontwikkelde de spread zich gedurende het vulseizoen uiteindelijk zodanig dat de opslagen (hoofdzakelijk door marktpartijen) maximaal gevuld werden. Het kabinet is daarbij de situatie constant en nauwlettend aan het monitoren en houdt rekening met alle scenario’s.
Wat vindt u van de reactie van de Gasunie: «De voorraad is historisch laag, maar dat is voor ons geen reden tot zorg»? Is er voor u reden tot zorg? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment maakt het kabinet zich geen zorgen over de fysieke leveringszekerheid. Wel houdt het kabinet de gasmarkt nauwlettend in de gaten gezien het voortdurende conflict in het Midden-Oosten en het prijsopdrijvende effect daarvan.
De vulgraad is lager dan in recente jaren maar niet historisch laag. De gasopslagen waar in de media veel aandacht voor is zijn seizoensopslagen voor de winter. Die worden doorgaans tot 1 april gebruikt, daarna begint het vulseizoen weer. Dat de vulgraad in deze tijd van het jaar relatief laag is, is dan ook normaal.
Daarnaast hebben door relatief lagere temperaturen dan voorgaande jaren (die effect hebben gehad op de prijs) er afgelopen winter meer onttrekkingen uit de gasopslagen plaatsgevonden. Ook dit is conform de functie en het gebruik van de gasopslagen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Mede gezien de huidige weersomstandigheden verwacht het kabinet niet dat de gasopslagen volledig leeg zullen raken. Ook omdat de gasopslag Bergermeer op 24 maart met 6,89 TWh nog voor 13,83% was gevuld. Overigens zijn we in eerdere jaren wel eens met een lagere vulgraad de winter uit gekomen. Zo waren op 1 april 2018 de opslagen slechts voor 6,29% gevuld. Daarnaast ligt de gemiddelde vulgraad van de EU momenteel nog rond de 28% en is Nederland onderdeel van de interne Europese gasmarkt. Nederlandse afnemers kunnen daarom ook gas uit de gasopslagen van andere lidstaten benutten, zoals andersom ook.
Het is van belang te noemen dat deze opslagen niet de enige bron van gas zijn. In een deel van de nationale vraag wordt voorzien door eigen productie uit kleine gasvelden op land en gasvelden op zee. Gezien de huidige omstandigheden op de wereldwijde gasmarkt als gevolg van het Midden-Oosten conflict heeft Nederland in dat kader recent opnieuw afspraken gemaakt met Duitsland om de gaswinning op de Noordzee uit kleine velden versneld op te schroeven.
In het overige deel van de vraag wordt voorzien door import per pijpleiding (uit Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en België) en import van vloeibaar gas (LNG), waarvan het grootste deel uit de Verenigde Staten afkomstig is. In totaal is er in 2025 20,9 bcm aan LNG geïmporteerd, het overige gas werd via pijpleiding geïmporteerd. De totale import bedroeg 42,2 bcm. De geïmporteerde volumes zijn gebruikt voor export van gas naar andere landen in de EU en voor binnenlands gebruik, waaronder voor het vullen van de gasopslagen voor deze winter.
Wat betreft het Bescherm- en Herstelplan Gas is er geen reden om nu terug te vallen op de maatregelen die daarin zijn vastgelegd. Het BH-G bevat maatregelen die de maatschappelijke en economische gevolgen van een fysiek tekort zoveel mogelijk beperken. Sinds de energiecrisis van 2022 zitten we in het eerste crisisniveau: de vroegtijdige waarschuwingsfase. Momenteel is er geen aanleiding om een volgend crisisniveau af te kondigen. Ondanks de recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten is de aanvoer van gas naar Nederland nog steeds stabiel, zowel in de vorm van LNG als via pijpleidingen. Daarnaast is er zoals genoemd nog de gaswinning uit eigen bodem waarmee in de vraag wordt voorzien. Belangrijk om hierbij te noemen is dat het ontstaan van een daadwerkelijk fysiek tekort een zeer uitzonderlijke situatie zou zijn. Ter context, tijdens de gascrisis in 2022 was er geen fysiek tekort.
Verwacht u dat – en zo ja: wanneer – de gasvoorraden volledig leeg zullen raken? Wat betekent dat voor de leveringszekerheid? Kunt u uitsluiten dat het Bescherm- en Herstelplan Gas in werking zal treden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel vloeibaar gemaakt aardgas (lng) wordt geïmporteerd? Is dat voldoende? Kunt u garanderen dat de Nederlanders níét in de kou komen te zitten?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u ervan dat elektriciteitscentrales méér gas zijn gaan verbruiken doordat zonnepanelen en windturbines onvoldoende elektriciteit opwekken? Hoeveel gas precies? Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig is dat Nederland – conform de klimaatgekte – enerzijds van het gas áf gaat, maar anderzijds door «duurzame» alternatieven juist méér gas verbruikt? Gaat u deze gekte stoppen?
Uit de cijfers van het CBS4 van 9 maart jl. blijkt dat in 2025 zonnepanelen en windmolens in Nederland samen meer elektriciteit geproduceerd hebben dan in 2024. Ook de elektriciteitsproductie uit aardgas in Nederland is toegenomen van 43,2 TWh in 2024 naar 48,0 TWh in 2025. Nederland is onderdeel van een geïntegreerde Europese elektriciteitsmarkt en exporteerde in 2025 14,0 TWh vergeleken met 4,2 TWh in 2024. De belangrijkste redenen hiervoor zijn een verminderde productie uit wind voor de Duitse kust, een verminderde productie in Zwitserland en Oostenrijk door een lager waterpeil en de verminderde elektriciteitsproductie in Belgische kerncentrales.
Hoeveel gas uit onze voorraden wordt momenteel geëxporteerd, onder meer naar Duitsland? Klopt de berichtgeving dat de Duitsers «azen op onze reserves»?3 Deelt u de mening dat óns gas van óns is? Gaat u de export stoppen?
Nederland is als netto-importeur in de eerste plaats zelf afhankelijk van de internationale gasstromen op de interne gasmarkt. Ter illustratie: in 2025 is er 42,2 bcm aan gas geïmporteerd in Nederland (waarbij ongeveer de helft via pijpleidingen en de helft in de vorm van LNG); daarvan is 28,1 bcm doorgevoerd naar buurlanden (Duitsland, Verenigd Koninkrijk en België).6 Daarbij geldt dat het gas in de gasopslagen niet in eigendom is van de Nederlandse Staat, maar van marktpartijen die dit gas vorige zomer hebben gekocht en opgeslagen om in het stookseizoen te voldoen aan hun verkoop- en leveringsverplichtingen. Met gas uit de gasopslag kunnen afnemers op de gehele Noordwest-Europese markt beleverd worden, waaronder Nederland, België, het Verenigd Koninkrijk of Duitsland. In verhouding tot de vraag heeft Nederland relatief veel gasopslagcapaciteit vergeleken met andere lidstaten.
Nederland
48,1%
Duitsland
27,78%
Frankrijk
34,16%
België
5,87%
Andersom kunnen marktpartijen gas dat is opgeslagen in Duitsland, België of het Verenigd Koninkrijk ook vervoeren naar Nederland ten einde afnemers in Nederland te voorzien van gas.
Op grond van Europese wetgeving mogen lidstaten geen maatregelen nemen die de gasstromen in de interne markt beperken of de gasleveringszekerheid in een andere lidstaat in gevaar brengen. Ook moet de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur (zoals gasopslagen) gehandhaafd blijven. Deze regels zorgen ervoor dat er voldoende gas naar Nederland en andere lidstaten kan stromen om te voorzien in de vraag van bedrijven en huishoudens. Daarnaast is in de verordening gasleveringszekerheid een solidariteitsmechanisme opgenomen voor het geval er een echt gasleveringstekort is7. Op grond van die bepalingen kan een lidstaat die in het gascrisisniveau van een noodsituatie zit8 en te weinig gas heeft om te voorzien in de behoefte van hun «door solidariteit beschermde afnemers» (eerst en vooral huishoudens, maar in Nederland bijvoorbeeld ook ziekenhuizen) aangrenzende lidstaten om solidariteit vragen. De verzoekende lidstaat moet voor het een verzoek mag doen alle maatregelen uit haar noodplan (tot het beperken van de vraag van door solidariteit beschermde afnemers) al getroffen hebben. Lidstaten die worden gevraagd om solidariteit te leveren zijn verplicht om aan zo’n verzoek te voldoen, maar het leveren van solidariteit mag niet ten koste gaan van de levering aan hun eigen door solidariteit beschermde afnemers. De lidstaat die wordt gevraagd om gas te leveren moet ervoor zorgen dat dit gas beschikbaar komt, bijvoorbeeld door het te kopen van marktpartijen die nog wel gas hebben of – indien beschikbaar – uit haar strategische opslag te halen, om door te verkopen aan de lidstaat die om solidariteit heeft gevraagd.
Wat doet u om te voorkomen dat Nederland in de toekomst opnieuw met te lage gasvoorraden te maken krijgt? Maakt u onder andere werk van een (strategische) noodvoorraad gas? Gaat u er tevens voor zorgen dat ónze gasvoorraad louter ónze leveringszekerheid zal dienen?
GTS heeft de wettelijke taak om jaarlijks een overzicht op te stellen van de leveringszekerheid van gas en het kabinet te adviseren over de volumes die moeten worden opgeslagen in de seizoensopslagen voor de volgende winter. Op basis van het overzicht dat GTS in september 2025 heeft uitgebracht heeft het kabinet een nationaal vuldoel van 115 TWh op 1 november 2026 vastgesteld.9 Dit zou in combinatie met overige infrastructuur, zoals LNG-importcapaciteit, volgens GTS voldoende moeten zijn om een koude winter zonder tekorten door te komen, ook bij een uitval van de grootste bron van volume gedurende de winter of de grootste bron van capaciteit. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Om het vuldoel voor 2026 te halen zijn er verschillende maatregelen getroffen. Ten eerste heeft EBN opnieuw instemming gekregen om gas op te slaan indien de markt dat niet voldoende doet. Eerder heeft het kabinet al aangegeven dat de activiteiten van EBN om, indien de markt dat niet voldoende doet, gas op te slaan in de gasoplagen Bergermeer, Norg en Grijpskerk in het opslagjaar 2026–2027 verruimd worden naar maximaal 80 TWh. Deze uitbreiding komt voort uit de beëindiging van de activiteiten van GasTerra waardoor gasopslagen Norg en Grijpskerk volgend jaar niet door GasTerra worden gebruikt. Daarnaast lopen er gesprekken met NAM en haar aandeelhouders over de inzet en toekomst van de gasopslagen Norg en Grijpskerk na beëindiging van GasTerra. Hierover informeer ik uw Kamer op separaat. Daarbij is het belangrijk te vermelden dat het opslaan van gas in gasopslagen komend vulseizoen door de volatiliteit van de prijzen op de gasmarkt als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten kostbaarder kan zijn dan in eerdere jaren (zie hieromtrent ook het antwoord op vraag 2).
Wat betreft een noodvoorraad heeft het vorige kabinet EBN voor het opslagjaar 2026/27 instemming verleend om te starten met het aanleggen van een tijdelijke noodvoorraad van 5 TWh in PGI Alkmaar. Deze noodvoorraad mag alleen ingezet worden in situaties met fysieke tekorten die niet meer door de markt kunnen worden opgevangen en wanneer er in lijn met de desbetreffende EU-verordening een noodsituatie is afgekondigd. Een dergelijke voorraad kan niet gebruikt worden om bijvoorbeeld de gasprijs te dempen. De omvang van de noodvoorraad geeft tijd voor het – indien noodzakelijk – zorgvuldig voorbereiden van het afschakelen van niet-beschermde afnemers.
Daarnaast werkt het kabinet – zoals gevraagd in de motie Grinwis c.s.10 -aan het strategisch gasbeleid, waaronder aan een afwegingskader om de wenselijkheid van verschillende overheidsinterventies in de gasmarkt te beoordelen. Het voornemen is om rond de zomer van 2026 de Tweede Kamer te informeren over de stand van zaken van dit traject. Voor wat betreft de aanwending van de voorraden verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 7.
Hoe is het trouwens mogelijk dat het Nationaal Energie Dashboard eerst meldde dat de vulgraad 1,1% zou zijn – nota bene bevestigd door de Gasunie – maar dit later 11,7% bleek te zijn? Hoe kunnen zulke fouten gebeuren en voortaan worden voorkomen?
Het Nationaal Energie Dashboard wordt niet direct beheerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Gasunie Transport Services heeft via social media gereageerd op dit voorval.11
Mogelijke “kill switch” opties in Chinese OV-bussen |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Herbert , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over mogelijke «kill switch»/remote control-functionaliteiten in elektrische bussen die in Nederlandse concessies worden ingezet?1
Deelt u de analyse dat openbaar vervoer in de praktijk vitale infrastructuur is en dat digitale afhankelijkheden in rollend materieel daarom een nationaal veiligheids- en continuïteitsvraagstuk kunnen vormen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat moderne (elektrische) bussen doorgaans beschikken over functionaliteiten voor remote diagnostics en (over-the-air) software-updates, en dat dergelijke functies ook risico’s voor continuïteit en sabotage of ongewenste beïnvloeding kunnen meebrengen?
Kunt u een landelijk overzicht geven van welke ov-concessies in Nederland momenteel bussen inzetten van Chinese of andere niet-EU leveranciers, welke aantallen het per concessie betreft, en welke partijen het softwarebeheer uitvoeren?
Is bij het Rijk bekend of in meer Nederlandse concessies bussen rijden of besteld zijn waarbij de fabrikant of een gelieerde partij technisch in staat is om op afstand rijfuncties te beperken, voertuigen stil te zetten, of kritieke subsystemen (zoals aandrijving of batterijmanagement) te beïnvloeden? Zo ja, om welke concessies gaat het? En welke risico’s spelen daar?
Klopt het dat decentrale concessieverleners niet altijd kunnen uitsluiten dat voertuigen op afstand kunnen worden beperkt of uitgeschakeld? Vindt u het acceptabel dat hierover geen eenduidige landelijke norm bestaat?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is wanneer concessieverleners en vervoerders geen harde garanties kunnen geven over het uitsluiten van «op afstand uitzetten door derden»? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk?
Bent u bereid om, samen met de relevante veiligheids- en cybersecuritypartners, een landelijke risicoanalyse uit te voeren naar remote access-mogelijkheden in ov-materieel en de afhankelijkheden in de digitale keten (zoals connectiviteit, cloud, onderhoud op afstand en updates)?
Welke wettelijke en normatieve kaders gelden op dit moment voor cybersecurity en software-updates van bussen en andere vormen van ov-materieel, en hoe is het toezicht en de handhaving daarop in Nederland georganiseerd?
Acht u deze kaders voldoende specifiek en afdwingbaar om risico’s van ongewenste remote disablement of beïnvloeding in ov-concessies te minimaliseren? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullingen acht u noodzakelijk?
Welke eisen worden in de praktijk gesteld aan eigenaarschap en controle over beheeraccounts, encryptiesleutels en toegang tot voertuigsystemen, en hoe wordt geborgd dat de concessiehouder/vervoerder niet afhankelijk blijft van de leverancier voor kritieke toegang?
Welke eisen worden gesteld aan logging, detectie van ongeautoriseerde toegang en incidentrespons rondom digitale verstoringen in het busmaterieel en de bijbehorende backend-systemen?
Welke eisen worden gesteld aan netwerksegmentatie, «least privilege» en andere basismaatregelen om te voorkomen dat (remote) onderhoudskanalen misbruikt kunnen worden?
Bent u bereid te komen tot landelijke minimumeisen (modelbepalingen) voor ov-concessies op het terrein van digitale soevereiniteit en cybersecurity, waaronder in ieder geval: verplichte disclosure van alle remote access-functionaliteiten; mogelijkheid tot onafhankelijk technisch onderzoek/audit vóór instroom; aantoonbare lokale operationele controle («operator override»); en contractuele sancties bij niet-gemelde functionaliteiten?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om bij concessies te eisen dat onderhoud op afstand alleen kan plaatsvinden via streng gecontroleerde, tijdgebonden toegang, met beheer binnen de EU of door EU/NL-gebaseerde partijen?
Welke rol ziet de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit in het opstellen van een rijksbreed kader voor digitale soevereiniteit bij aanbestedingen van (semi-)vitale infrastructuur zoals het openbaar vervoer, inclusief rollend materieel en bijbehorende digitale systemen?
Hoe kijkt u naar de groei van het aandeel bussen van Chinese (of andere niet-EU) leveranciers die in Nederland plaatsvindt zonder uniform nationaal toetsingskader op remote access- en ketenrisico’s?
Bent u bereid om voor bestaande concessies met vervoerders en concessieverleners afspraken te maken over mitigerende maatregelen, zoals onafhankelijke technische inspectie van telematica en remote access-paden, herconfiguratie van netwerktoegang, en noodprocedures om grootschalige uitval op te vangen?
Bent u bereid richting concessieverleners te verduidelijken dat nationale veiligheid en continuïteit zwaarwegende criteria moeten zijn in de selectie- en contracteringsfase, zodat weerbaarheid niet structureel ondergeschikt raakt aan kosten- of andere beleidsdoelen?
Hoe gaat u borgen dat in toekomstige concessies de Nederlandse vervoerder/concessiehouder daadwerkelijk de volledige technische en digitale controle heeft over het ingezette busmaterieel, inclusief beheerrechten, documentatie, toegang tot diagnose- en updatefuncties en de mogelijkheid om zelfstandig te opereren bij incidenten?
Kunt u de Kamer informeren over het tijdpad waarbinnen u een landelijk overzicht van risicovolle afhankelijkheden en een set minimumeisen voor toekomstige concessies aan de Kamer zult sturen, en welke rolverdeling u daarbij voorziet tussen I&W en EZK?
Lelystad Airport |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Vakantievluchten Lelystad Airport staan op gespannen voet met uitspraak in nieuwe klimaatzaak»1, «Lelystad airport spint garen bij komst F35»2 en «Licht op groen voor Lelystad Airport, maar één cruciale factor blijft keer op keer onbereikbaar: «Overheid al jaren bottleneck»»?3
Ja.
Hoe verhoudt de winstverwachting van slechts € 100.000 (bij 10.000 vluchten) zich tot de enorme publieke investeringen die al in de luchthaven zijn gedaan? Bent u het ermee eens dat de luchthaven zonder militaire steun commercieel failliet is? Zo nee, waarom niet?
In november 2024 bent u geïnformeerd over de businesscase van de luchthaven bij 10.000 bewegingen. Die laat een positief operationeel resultaat zien bij 10.000 bewegingen. Het in gebruik nemen van de luchthaven voor zowel civiel als militair gebruik kan leiden tot een verbetering van dit resultaat. Bij het wijzigen van een luchthavenbesluit hoort het opstellen van een economische onderbouwing. Dit geldt voor elke luchthaven en dus stelt ook Lelystad Airport een economische onderbouwing op ten behoeve van de wijziging van luchthavenbesluit. Die wordt onafhankelijk getoetst. Bij het ter voorhang aanbieden van het gewijzigd luchthavenbesluit zal de onderbouwing en de toetsing met de Kamer worden gedeeld.
Kunt u specificeren welke «vergoeding» Defensie gaat betalen voor het gebruik van Lelystad Airport? In hoeverre is hier sprake van een verkapte staatssteunconstructie om een onrendabele commerciële luchthaven overeind te houden?
Het militair gebruik op Lelystad Airport vloeit voort uit een operationele noodzaak. In dat kader is beoordeeld welke locatie het meest geschikt is om in deze behoefte te voorzien. Lelystad Airport is daarbij als meest geschikte locatie naar voren gekomen. Defensie zal met de luchthaven in overleg treden over de precieze invulling van het medegebruik en de bijbehorende kosten. Militaire en civiele luchtvaart zullen beide medegebruiker zijn van de faciliteiten als de landingsbaan, de luchtverkeersleiding en brandweervoorzieningen. Defensie zal niet alle voorzieningen en diensten dus geheel zelf moeten organiseren. Voorop staat dat Defensie uitsluitend betaalt voor hun gebruik en de faciliteiten die daarvoor nodig zijn, conform geldende wet- en regelgeving.
Hoe rijmt u de geplande groei van 10.000 vakantievluchten met de uitspraak van de rechtbank Den Haag (28 januari 2026), waarin wordt gesteld dat de uitstoot van luchtvaart volledig moet worden meegeteld in de nationale klimaatdoelen?
De uitspraak in de Klimaatzaak Bonaire wordt nog bestudeerd. Hierover wordt de Kamer te zijner tijd geïnformeerd.
Erkent u, nu de rechter heeft geoordeeld dat het huidige klimaatbeleid onvoldoende is om de mensenrechten van inwoners van Bonaire te beschermen, dat elke extra ton CO2-uitstoot door nieuwe luchthavens juridisch onhoudbaar is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om, in lijn met het vonnis, eerst een bindend CO2-plafond voor de volledige Nederlandse luchtvaart vast te stellen, voordat er überhaupt sprake kan zijn van een opening van Lelystad Airport?
In het coalitieakkoord is de afspraak opgenomen dat de totale CO2 uitstoot van de burgerluchtvaart op Schiphol en Lelystad Airport in 2030 lager moet zijn dan in 2024 op Schiphol. De komende maanden wordt onderzocht wat de consequenties zijn van deze afspraak en op welke wijze aan deze afspraak invulling kan worden gegeven. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd.
Waarom blijft u, ondanks dat de woordvoerder van LVVN «glashard» stelt dat er geen zicht is op een natuurvergunning, dan toch vasthouden aan een openingsscenario, terwijl de wettelijke basis (de natuurvergunning) volgens experts nog jaren buiten bereik blijft?
Zorgvuldige besluitvorming staat voorop. De vergunningen voor Lelystad Airport zullen, net als alle andere natuurvergunningen, moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Het kabinet zal nader beslissen over aanvullende maatregelen om de natuur te herstellen om zo ruimte te maken voor economische ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de conclusie van hoogleraren dat de uitgekochte stikstofrechten van boeren eerst ten goede moeten komen aan natuurherstel, en dus niet gebruikt mogen worden voor de opening van een nieuw vliegveld?
In afstemming met het Ministerie van LVVN kan worden gemeld dat de uitlatingen van de hoogleraar het belang benadrukken van het verminderen van stikstofdepositie en het herstel van natuur in overbelaste Natura 2000-gebieden. Uit de geldende jurisprudentie volgt dat extern salderen niet op voorhand is uitgesloten. Zoals ook is aangegeven in de beantwoording van Kamervragen over het additionaliteitsvereiste bij de Habitatrichtlijn (kenmerk WJZ / 103085144), is de geldende jurisprudentie richtinggevend.
Kunt u garanderen dat er géén gebruik wordt gemaakt van «salamitactieken» (eerst 10.000 vluchten aanvragen, terwijl de infrastructuur is gebouwd voor 45.000) om de milieueffecten op papier kleiner te laten lijken dan ze in werkelijkheid zijn?
Zorgvuldige besluitvorming staat voorop, gericht op 10.000 vliegtuigbewegingen groothandelsverkeer. Elke eventuele toekomstige aanpassing zal opnieuw eenzelfde zorgvuldig besluitvormingsproces moeten doorlopen.
Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Het artikel ‘Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen’ |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen»?1
Ja.
Op basis van welke wettelijke grondslag werd dit predictive-policing-systeem toegepast en kunt u aangeven welke specifieke bevoegdheden hierdoor feitelijk werden uitgebreid?
Het Criminaliteits Anticipatie Systeem (hierna: CAS) vergaarde zelf geen gegevens. De gegevens waren afkomstig van eerder gedane aangiften van burgers en ondernemers. Daarnaast werd tot en met 2022 gebruik gemaakt van omgevingsvariabelen2 van het CBS. De omgevingsvariabelen van het CBS waren geaggregeerd op wijkniveau en bevatten geen persoonsgegevens.
De wettelijke basis voor het verkrijgen van aangiftegegevens door de politie is vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 161 Sv geeft iedere burger de bevoegdheid om aangifte te doen van een begaan strafbaar feit. Artikel 163 Sv verplicht de politie om de aangifte van een burger in ontvangst te nemen. De politie verkrijgt de gegevens dus op basis van deze wettelijke ontvangstplicht.
Artikel 8 van de Wet politiegegevens vormde de grondslag voor de verwerking van bovenstaande gegevens met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Er is daarom geen sprake geweest van uitbreiding van bevoegdheden.
In hoeveel gevallen zijn burgers gecontroleerd of benaderd zonder concrete verdenking maar uitsluitend vanwege een verhoogd risicogebied of risicoscore?
De uitkomsten van het CAS gaven een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
Bovendien vereisen individuele controles een eigen wettelijke grondslag en kunnen deze niet op alleen een risicoscore worden gebaseerd. Er was dus altijd een concrete aanleiding, op basis van aanvullende en actuele informatie en een menselijk oordeel nodig, voordat dit leidde tot concrete inzet van de politie.
Klopt het dat bij het criminaliteitsanticipatiesysteem (CAS) geen eenduidige doelen, meetbare succescriteria en formele kwaliteitsstandaarden waren vastgesteld? Zo ja, waarom is het systeem, en daarmee predictive policing als methode, desondanks langdurig gebruikt om de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit in bepaalde buurten te verbeteren?
In het algemeen geldt dat het moeilijk is om de resultaten van preventieve maatregelen te meten. CAS is destijds ingezet vanuit de verwachting dat de beschikbare politiecapaciteit gerichter kon worden ingezet als er meer informatie beschikbaar was over veelvoorkomende criminaliteit in een bepaalde woonwijk. CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan geleverd. Er was echter onduidelijkheid over de exacte operationele meerwaarde van CAS.
Anderhalf jaar geleden is de politie gestart met de verdere professionalisering van haar AI-Governance, waaronder de doorlopende toetsing van de kwaliteit (juridisch, technisch en ethisch) van haar algoritmes en AI-systemen. Na zorgvuldige afweging en volgens de genoemde professionaliseringsslagen binnen de politie is gebleken dat de voor CAS geformuleerde criteria niet meer voldeden aan de normen die tegenwoordig worden gehanteerd. Er is daarom geconcludeerd dat de benodigde inspanningen voor het oplossen van de tekortkomingen niet opwegen tegen de baten. In de laatste alinea van mijn antwoord op vraag 10 geef meer uitleg over deze professionaliseringsslag.
Zijn er vanuit betrokken partijen, zoals bijvoorbeeld mensenrechtenorganisaties of burgers, bij de inzet van het CAS signalen gekomen dat dit systeem discriminatie in de hand werkt? Zo ja, welke signalen waren dat?
De politie heeft geen signalen ontvangen dat er daadwerkelijk sprake was van discriminatie. Er zijn wel zorgen geuit. Zo waarschuwde Amnesty International er voor dat CAS bestaande vooroordelen in de maatschappij zou kunnen overnemen en versterken. Ook vond Amnesty dat het onduidelijk was hoe het systeem tot bepaalde voorspellingen kwam, dat het koppelen van grote hoeveelheden data uit verschillende bronnen een vorm van onrechtmatige massasurveillance is en dat het onduidelijk was wat deze vorm van «predictive policing» daadwerkelijk bijdroeg aan de veiligheid.
In hoeverre kunt u uitsluiten dat in bepaalde wijken waarbij een relatief hoog percentage bewoners met migratieachtergrond woont vaker onderwerp zijn geweest van toezicht door dit systeem?
CAS was geen toezichtsysteem maar ondersteunde de basisteams bij het in kaart brengen van criminaliteit in hun werkgebied. Het is wel mogelijk dat de uitkomst van de analyses van CAS aanleiding heeft gegeven voor intensiever toezicht in een bepaalde woonwijk. Het aantal aangiften van strafbare feiten en het soort strafbare feiten vormden de basis voor de waarschijnlijkheidsindicatie op een bepaald criminaliteitsthema in die wijk.
Bent u ervan op de hoogte dat mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, al geruime tijd ernstige zorgen uiten over de discriminatoire en mensenrechtelijke risico’s van predictive policing-systemen? Zo ja, waarom is er desondanks voor gekozen om dit systeem gedurende tien jaar in stand te houden?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Er is voor gekozen het CAS te gebruiken om gerichtere inzet tegen veelvoorkomende criminaliteit mogelijk te maken. Het CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan gegeven door de informatiepositie rondom de inzet van mensen en middelen te versterken. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 gaven de uitkomsten van het CAS een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
In die periode van 10 jaar is, mede naar aanleiding van die geuite zorgen, het algoritme meerdere malen aangepast. In mijn antwoord op vraag 4 omschrijf ik uitgebreider wat de overwegingen van de politie waren om te stoppen met CAS.
Deelt u de opvatting dat predictive-policing-systemen die racisme of discriminatie in de hand werken, uitgesloten moeten zijn binnen de Nederlandse politie?
Ja.
Kunt u garanderen dat dergelijke algoritmische systemen die leiden tot etnisch profileren of indirecte discriminatie niet worden ingezet?
Etnisch profileren is verboden. De inzet van systemen die (in)directe discriminatie veroorzaken is niet toegestaan. Toepassing van algoritmische systemen vereist aantoonbare rechtmatigheid en noodzakelijkheid, voorafgaande risicoanalyses, toetsing op vooringenomenheid en strikte waarborgen. Mocht in de praktijk blijken dat een bepaald algoritme toch tot vertekende, oneerlijke of zelfs discriminerende uitkomsten leidt, dan is de verwerking onrechtmatig.
Bent u bereid maatregelen te nemen om het gebruik van dergelijke systemen te beperken of te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De Europese AI-verordening (2024) biedt een specifiek en duidelijk wettelijk kader als het gaat om AI-systemen. Ik zie op dit moment geen noodzaak om aanvullend op dit wettelijk kader maatregelen te nemen. De AI-verordening kent een risicogebaseerde aanpak waarbij AI-systemen worden onderverdeeld in een aantal categorieën, onder andere de «hoog risico» categorie en de «onaanvaardbaar risico» categorie. Toepassingen die in de laatstgenoemde categorie vallen zijn op basis van de AI-verordening verboden.
De inzet van systemen voor risicobeoordelingen van natuurlijke personen met het oog op het plegen van strafbare feiten, uitsluitend op basis van profilering van de persoon of op basis van een beoordeling van persoonlijkheidseigenschappen en kenmerken, valt in de «onaanvaardbaar risico» categorie. De politie mag zo’n systeem dus niet gebruiken.
Systemen die bedoeld zijn om het plegen van een strafbaar feit of recidive te voorspellen, vallen in de hoog risico categorie. Aan systemen in deze categorie worden extra, zeer strenge eisen gesteld en de inzet van zo’n systeem moet omkleed worden met waarborgen. Hierbij valt te denken aan eisen met betrekking tot risicobeheer, kwaliteit en relevantie van datasets, technische documentatie en registratie, transparantie, menselijk toezicht, nauwkeurigheid en beveiliging.
De politie toetst de kwaliteit van haar algoritmes en AI-systemen via een intern kwaliteits- en risicoproces. Hiermee verkrijgt zij inzicht in eventuele risico’s en de maatregelen die hierop te treffen zijn. De politie voert dit proces uit op al haar algoritmes en AI-systemen die (hoog) risicovol zijn. Dit voert de politie ook getrapt uit voor oudere algoritmes en AI-systemen. De trajecten waarin dit al heeft plaatsgevonden en die openbaar kunnen worden, staan gepubliceerd in het Algoritmeregister.
De continuïteit van jeugdhulp in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schoolbesturen bezorgd over Lelystadse jeugdzorg» van 24 februari 20261, waarin schoolbesturen waarschuwen dat door het wegvallen van jeugd-GGZ-aanbieders per 1 juli kinderen tussen wal en schip dreigen te vallen?
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere aanbieders hebben aangekondigd te stoppen met het aanbieden van jeugd-GGZ in Lelystad, en welke gevolgen heeft dit volgens u voor de continuïteit van de zorg en de bestaande wachtlijsten?
Deelt u de zorg dat het wegvallen van specialistische jeugdhulp directe gevolgen heeft voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk en welke concrete acties onderneemt u om verdere escalatie te voorkomen?
Op welke wijze waarborgt u dat gemeenten hun regierol daadwerkelijk kunnen invullen wanneer contractonderhandelingen met jeugdhulpaanbieders vastlopen?
Bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Lelystad om te voorkomen dat kinderen die op een wachtlijst staan zonder tijdige passende hulp komen te zitten?
De stand van zaken van de Modernisering Wet op de lijkbezorging. |
|
Renilde Huizenga (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de laatste stand van zaken met betrekking tot de modernisering van de Wet op de lijkbezorging (Wblo)?
Waarom heeft de aanbieding van het wetsvoorstel Wblo aan de Kamer tot op heden niet plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de ingekomen reacties op de internetconsultatie?
Bent u nog steeds voornemens de Wblo in het eerste kwartaal van 2026 aan de Raad van State ter advisering voor te leggen?
Kunt u een beoogd tijdpad uiteenzetten voor de verdere behandeling van de Wblo?
Welke stappen gaat u ondernemen om dit tijdpad daadwerkelijk te realiseren? Hoe gaat u voorkomen dat de wetsbehandeling wederom vertraging oploopt?
In hoeverre ziet u mogelijkheden om vooruitlopend op de afronding van de wetsbehandeling een gedoogbeleid ten aanzien van de Wblo te hanteren?
Het bericht ‘Rechtspositie reservisten is juridisch mijnenveld voor werkgever en werknemer’ |
|
Fatimazhra Belhirch (D66), Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtspositie reservisten is juridisch mijnenveld voor werkgever en werknemer»?1
Herkent u het beeld dat de huidige aanpak onvoldoende rechtszekerheid biedt voor zowel reservisten als werkgevers? En herkent u het beeld dat de inzet van reservisten bij Defensie in de praktijk neerkomt op een dubbele rechtspositie, terwijl verantwoordelijkheden en risico’s niet eenduidig zijn geregeld? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de voorgenomen opschaling van het aantal reservisten?
Kunt u aangeven in welke sectoren de knelpunten rond loondoorbetaling, vervanging en rechtszekerheid het meest spelen? Ziet u verschillen tussen grote werkgevers en kleinere ondernemers?
Kunt u uiteenzetten hoe de verantwoordelijkheid momenteel is verdeeld wanneer een reservist tijdens een oefening gewond raakt, in het bijzonder wat betreft loondoorbetaling en re-integratie?
Deelt u de inschatting dat de huidige onzekerheid over aansprakelijkheid, loondoorbetaling en re-integratie bij letsel of arbeidsongeschiktheid tijdens reservistentaken een drempel kan vormen voor werkgevers om reservisten in dienst te nemen of te houden?
Kunt u toelichten hoe het maximale bedrag van € 55 per dag bij langdurige afwezigheid als tegemoetkoming tot stand is gekomen en in hoeverre dit bedrag in verhouding staat tot de werkelijke vervangings- en loonkosten van werkgevers?
Hoe wilt u voorkomen dat werkgevers op grote schaal hun risico beperken door aanvullingen op loondoorbetaling bij ziekte uit te sluiten bij letsel dat ontstaat door reservistentaken, zonder dat hier een andere regeling tegenover staat?
Hoe verhoudt de inzet als reservist zich tot de maximale arbeidstijd, wanneer reservistentaken plaatsvinden in weekenden of avonden, en welke verantwoordelijkheid heeft de werkgever om overtreding van arbeidstijden te voorkomen?
Acht u het wenselijk dat er geen ontslagbescherming bestaat voor reservisten die (tijdelijk) niet kunnen werken wegens reservistentaken en dat er geen garantie is op terugkeer in de oude functie?
Bent u het ermee eens dat vanwege de voorgenomen opschaling van het aantal reservisten het wenselijk is om werkgevers en reservisten meer zekerheid te bieden? Zo ja, welke concrete stappen gaat u op korte termijn zetten om dit te regelen?
Hoe kijkt u naar de optie om de bovengenoemde onduidelijkheden en onzekerheden door middel van een wetswijziging weg te nemen?
Het artikel ‘Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking’ |
|
Dion Huidekooper (D66), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat uit het onderzoek van RTV Oost – op basis van gegevens van DOVA – naar voren komt dat zes op de tien bushaltes niet of nauwelijks toegankelijk zijn voor mensen met een visuele beperking en minder dan de helft voor mensen die afhankelijk zijn van een rolstoel? Zo ja, wat is uw reactie daarop? Zo nee, wat zijn de cijfers die bij uw ministerie bekend zijn?
Ja, het Ministerie van IenW maakt net als RTV Oost gebruik van cijfers van het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten DOVA voor het monitoren van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer waaronder de toegankelijkheid van haltes. Het is belangrijk dat het openbaar vervoer in Nederland voor iedereen toegankelijk is, toegankelijke bushaltes zijn hier een onderdeel van. Samen met de decentrale ov-autoriteiten, vervoerders, wegbeheerders, en andere betrokken partijen werkt IenW hieraan.
Deelt u de mening dat het juist voor mensen met een beperking, die vaak in grotere mate afhankelijk zijn van het openbaar vervoer omdat ze geen of weinig alternatieven hebben, extra ingrijpend is wanneer bushaltes onvoldoende toegankelijk zijn?
Ja, juist voor mensen met een beperking kan het extra ingrijpend zijn wanneer bushaltes onvoldoende toegankelijk zijn.
Deelt u de mening dat het tegen die achtergrond onacceptabel is dat nog altijd zoveel bushaltes niet voldoen aan basale toegankelijkheidseisen?
Zoals gezegd is het belangrijk dat het openbaar vervoer in Nederland voor iedereen toegankelijk is. Voor het verder toegankelijk maken van de tienduizenden bus- en tramhaltes in Nederland staan wegbeheerders (veelal gemeenten) en decentrale ov-autoriteiten (provincies en vervoerregio’s) aan de lat. In het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032 is opnieuw het belang van toegankelijke haltes onderkend en zijn er afspraken over gemaakt.2 De decentrale ov-autoriteiten bekijken in overleg met wegbeheerders in welk tempo en met welke prioritering bestaande haltes toegankelijk gemaakt kunnen worden, gegeven de daarvoor beschikbare middelen.Onderzocht is dat het verder toegankelijk maken van bushaltes circa € 670 miljoen kost.3 Dit maakt het een lange termijnopgave. De inzet van het Bestuursakkoord is dat wegbeheerders, om kosten te besparen, haltes toegankelijk maken wanneer er groot onderhoud of reconstructie aan de weg plaatsvindt, dit is gemiddeld iedere 25 jaar. Dit betekent dat rond 2047 alle bus- en tramhaltes toegankelijk zouden zijn.
Hoe verhoudt het argument van gemeenten dat zij bushaltes niet toegankelijker maken omdat het aantal gebruikers beperkt zou zijn, zich tot de verplichtingen die voortvloeien uit het door Nederland geratificeerde VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarin is vastgelegd dat mensen met een beperking gelijkwaardige en vrije toegang tot vervoer moeten hebben, ongeacht het aantal gebruikers?
Het College voor de Rechten van de Mens heeft in de monitorrapportage «Reizen in het dagelijks leven» duidelijk weergegeven dat algemene voorzieningen voor eenieder toegankelijk moeten zijn.4 Het VN-verdrag verplicht overheden om maatregelen te nemen zodat mensen met een beperking op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de maatschappij. Hierbij geldt dat de maatregelen geen onevenredige of onredelijke belasting mogen vormen voor de aanbieder, maar de drempel is hoog. Dat het aantal gebruikers van een halte beperkt zou zijn, is op zichzelf geen argument om niet te werken aan het verder toegankelijk maken van haltes.
Gemeenten zijn veelal verantwoordelijk voor haltes, maar het Rijk is systeemverantwoordelijk voor toegankelijk openbaar vervoer. Hoe geeft u invulling aan die systeemverantwoordelijkheid wanneer blijkt dat de voortgang landelijk tekortschiet?
In lijn met de afspraken in het Bestuursakkoord hebben de decentrale ov-autoriteiten in 2024 uitvoeringsprogramma’s opgesteld waarin zij aangeven hoe zij uitvoering geven aan afspraken uit het akkoord. Het toegankelijk maken van haltes vormt hier een belangrijk onderdeel in. Het Rijk heeft € 28 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de programma’s. De decentrale ov-autoriteiten actualiseren de uitvoeringsprogramma’s iedere vier jaar. IenW bewaakt de voortgang van de afspraken in het Bestuursakkoord, waaronder het verder toegankelijk maken van bushaltes, en bespreekt het periodiek met de decentrale ov-autoriteiten.
In het Bestuursakkoord is verder afgesproken dat het Rijk als systeemverantwoordelijke wegbeheerders stimuleert en motiveert om meer haltes toegankelijk te maken door kennisdeling te bevorderen, goede voorbeelden te delen en de samenhang te bevorderen met andere verbeteringen van toegankelijkheid in het fysieke domein.
Er vindt regelmatig overleg plaats tussen de betrokken partijen om concessie-overstijgende thema’s rondom toegankelijkheid in het OV te bespreken. De overleggen vinden plaats op beleids-, directie-, en bestuursniveau, onder andere in het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB).
Hoe wordt voorkomen dat, om aan de opgave te voldoen, bushaltes simpelweg worden opgeheven door vervoerders?
De decentrale ov-autoriteiten streven naast toegankelijkheid ook bereikbaarheid na. Er zijn geen aanwijzingen dat er bushaltes worden opgeheven om toegankelijkheidsdoelstellingen te halen, ook het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten DOVA herkent dit niet.
Wat gaat u doen om de grote regionale verschillen aan te pakken, zodat de vrijheid om te reizen niet afhankelijk is van de regio of van de specifieke gemeente waar iemand woont?
Alle decentrale ov-autoriteiten hebben het Bestuursakkoord ondertekend en daarmee het belang van het verder toegankelijk maken van haltes onderkend. We werken dus allemaal aan hetzelfde doel. Tot dat doel bereikt is kunnen er echter regionale verschillen zijn doordat de uitgangssituatie per regio verschilt en de decentrale ov-autoriteiten in overleg met wegbeheerders per regio bekijken in welk tempo en met welke prioritering haltes verder toegankelijk gemaakt kunnen worden. Zie verder de beantwoording vraag 6 over wat het Rijk doet om het verder toegankelijk maken van haltes te stimuleren.
Hoe verklaart u dat in 2026 nog steeds haltes worden aangelegd of gerenoveerd zonder volledige toegankelijkheid als uitgangspunt?
In het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer is bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde haltes toegankelijk opgeleverd moeten worden. Er kunnen regionale omstandigheden zijn waardoor een bushalte niet direct volledig toegankelijk gemaakt kan worden zoals beperkte fysieke ruimte in dichtbebouwde gebieden of ligging van haltes op dijken of andere complexe locaties. De decentrale ov-autoriteiten overleggen hierover met wegbeheerders en informeren hen zo goed mogelijk over de geldende en afgesproken toegankelijkheidseisen. IenW bespreekt de voortgang van het verder toegankelijk maken van de bushaltes periodiek met de decentrale ov-autoriteiten als onderdeel van ons gesprek over de voortgang op de afspraken van het Bestuursakkoord.
Bent u bereid vast te leggen dat toegankelijkheid voortaan een harde voorwaarde is bij nieuwe aanleg en herinrichting?
In het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer is al vastgelegd dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde haltes toegankelijk opgeleverd moeten worden.
Bent u bereid samen met provincies en gemeenten een versnellingsplan op te stellen om uiterlijk vóór 2030 substantiële voortgang te realiseren, en de Kamer daarover jaarlijks te rapporteren?
Zoals gezegd zet IenW zich samen met alle betrokken partijen onverminderd in voor de uitvoering van de afspraken in het Bestuursakkoord, binnen de daarvoor beschikbare budgettaire middelen. Over de voortgang hiervan wordt uw Kamer periodiek geïnformeerd. Bij het verschijnen van de Staat van het openbaar vervoer later dit jaar zal uw Kamer ook geïnformeerd worden over specifiek de voortgang op het verder toegankelijk maken van bus- en tramhaltes.
Het bericht ‘Man mishandelt buschauffeur omdat hij geen taxiservice krijgt’ |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Man mishandelt buschauffeur omdat hij geen taxiservice krijgt»?1
Deelt u de mening dat agressie en geweld tegen OV-personeel en reizigers volstrekt onacceptabel is en dat zij veilig hun werk moeten kunnen doen dan wel veilig moeten kunnen reizen?
Ziet u aanknopingspunten om OV-personeel – dat ook werkzaam is ten behoeve van een publieke taak – net zo te beschermen als op p.11 in het Regeerakkoord met hulpverleners wordt beoogd? («Veiligheid begint dichtbij: in je eigen huis, straat of buurt. Veiligheid betekent zonder angst naar huis kunnen, weten dat hulp komt als je die nodig hebt en erop kunnen vertrouwen dat regels voor iedereen gelden. Maar we zien nu te vaak geweld op straat. Hulpverleners worden belaagd. Aangiften blijven te lang liggen. Wij willen een land waarin criminelen niet vrijuit gaan en waar gezag wordt gerespecteerd»).
Hoeveel meldingen van agressie en geweld tegen OV-personeel zijn in de afgelopen vijf jaar geregistreerd en kunt u deze cijfers uitsplitsen naar vervoersmodaliteit (bus, tram, metro, trein) en naar aard van het incident?
In hoeveel van deze gevallen heeft geweld tegen OV-personeel geleid tot strafrechtelijke vervolging en veroordeling? Acht u de huidige strafrechtelijke afdoening afdoende afschrikwekkend? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om de veiligheid van OV-personeel en reizigers structureel te verbeteren?
Ziet u bijvoorbeeld mogelijkheden om strafbare feiten tegen de lichamelijke integriteit van OV-personeel en reizigers in vervoersmiddelen en op bus-, tram- en treinstations als gekwalificeerde delicten aan te merken, zodat zwaardere strafrechtelijke sancties, eventueel met een minimumstraf, kunnen worden opgelegd en het openbaar ministerie aan dat gekwalificeerde karakter gebonden is?
Bent u daarnaast bereid te onderzoeken of, naast de vigerende CBb-jurisprudentie waarin vervoersverboden als civielrechtelijk worden aangemerkt, een publiekrechtelijk levenslang en tijdelijk maar langdurig landelijk toepasbaar OV-verbod toegevoegde waarde kan hebben voor personen die zich schuldig maken aan geweld of aantasting van de lichamelijke integriteit van OV-personeel en medereizigers, zowel in als buiten vervoersmiddelen? Onder welke omstandigheden wel of niet?
In welke mate kan de ernst van het gevolg van de aantasting van de persoonlijke integriteit van OV-personeel en reizigers door molest of anderszins daarbij medebepalend zijn?
Ziet u meerwaarde in een strafrechtelijke grondslag waardoor een rechter in voorkomende gevallen een levenslang of tijdelijk, maar langjarig OV-verbod als bijkomende straf zou kunnen opleggen? Bijvoorbeeld omdat de duur van een OV-verbod eventueel langer kan zijn?
Ziet u mogelijkheden om de overtredingen van een OV-verbod, opgelegd door een boa, een politieagent of een rechter, strafrechtelijk zwaarder te sanctioneren?
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op naleving van bestaande civiel- en/of publiekrechtelijke vervoersverboden door vervoerders, boa's en politie? Acht u dit systeem voldoende effectief en handhaafbaar? Zo nee, welke verbetermogelijkheden ziet u?
Het bericht ‘Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf»?1
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk 50.000 gevallen zijn waarin signalen waren over foutieve tenaamstellingen in onherroepelijke vonnissen en hoe verhoudt dit tot de 876 strafzaken die tot nu toe bekend waren?
In hoeveel gevallen is tot nu toe bekend dat een straf geheel of gedeeltelijk aan de onjuiste persoon ten uitvoer is gelegd? Om welke delicten ging dit?
In hoeveel gevallen zijn daders onterecht vrijuit gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen? Om welke delicten ging dit?
Hoelang zijn de daders die vrijuit zijn gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen al op vrije voeten en welke acties bent u voornemens te ondernemen om deze groep alsnog hun straf te laten ondergaan?
Bent u bereid om aanvullend onderzoek te doen naar de signalen dat de aantallen van onjuiste tenaamstellingen mogelijk veel groter zijn dan eerder was onderzocht?
Wat vindt u ervan dat medewerkers zich niet vrij hebben gevoeld te kunnen praten met de onderzoekers van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk en acht u aanvullend onderzoek naar zowel de aard, ernst en omvang van de fouten en de werkcultuur passend? Zo ja/nee, waarom?
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk van elkaar beantwoorden?