Het bericht dat Amsterdam de bijstandswet ontduikt |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de gemeente Amsterdam de bijstandswet ontduikt?1
Ja, ik ben bekend met het bericht met de titel «Amsterdam ontduikt nieuwe bijstandswet».
Welke wettelijke basis heeft dit? Is dit volgens u in overeenstemming met de Participatiewet? Zo ja, wat zijn de hier gehanteerde criteria?
Sinds 1 januari 2015 is de kostendelersnorm geïntroduceerd in de Participatiewet (artikel 22a van de Participatiewet). De kostendelersnorm houdt rekening met de lagere kosten die ontstaan indien twee of meer personen hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het is aan het oordeel van de uitvoering om op basis van concrete feiten en omstandigheden van het geval de juiste uitkeringshoogte vast te stellen. Gemeenten kunnen in de individuele situatie de algemene bijstand afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de rechthebbende partner, uiteraard met inachtneming van voorliggende voorzieningen. Tevens kunnen gemeenten voor de rechthebbende partner of de rechthebbende gezinsleden bijzondere bijstand verstrekken, indien er in het individuele geval sprake is van hogere noodzakelijke kosten en uiteraard met inachtneming van voorliggende voorzieningen.
Over dit onderwerp is ambtelijk contact geweest tussen de gemeente Amsterdam en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Uit informatie van de gemeente Amsterdam blijkt dat het college in de individuele situatie de rechthebbende partner bijzondere bijstand verstrekt bovenop de geldende norm, nadat ze op individueel niveau onderzoek heeft gedaan naar de aanwezige middelen binnen het gezin en de noodzakelijke kosten van de rechthebbende.
Deelt u de mening dat de gemeente Amsterdam hier onterecht een uitzondering maakt op de kostendelersnorm?
De uitvoering van de Participatiewet is een bevoegd- en verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. De verlening van bijzondere bijstand is zowel beleidsmatig als financieel gedecentraliseerd aan het college. De Gemeenteraad controleert het college in deze.
Is het u bekend hoe de gemeente Amsterdam de genoemde € 190.300 financiert? Zo ja, hoe?
Uit informatie van de gemeente Amsterdam blijkt dat het wordt gefinancierd via de bijzondere bijstand.
Zijn er andere gemeenten bij u bekend die op dezelfde wijze als Amsterdam handelen? Zo ja, wat gaat u doen om dit tegen te gaan?
De uitvoering van de Participatiewet is gedecentraliseerd. Dit betekent dat er geen landelijke gegevens bekend zijn van gemeenten die overeenkomstig Amsterdam handelen. Wel heb ik vernomen dat er meer gemeenten zijn die in bepaalde gevallen gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid om de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende of bijzondere bijstand verstrekken. Gemeenten hebben hiervoor ook de wettelijke mogelijkheden en ik acht het van belang dat deze instrumenten binnen de kaders van de Participatiewet worden gebruikt indien de individuele situatie hier om vraagt.
Tot slot heb ik de VNG gevraagd om uitvoeringssignalen rond de kostendelersnorm te verzamelen.
Het rapport Stop met kiloknallen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Stop met kiloknallen» van Wakker Dier, waaruit blijkt dat kiloknallers zorgen voor dierenleed in de vleesindustrie?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de notitie van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in opdracht van Wakker Dier, waaruit blijkt dat de dalende opbrengst heeft geleid tot a) het houden van meer dieren per bedrijf, b) het houden van meer dieren per vierkante meter en c) het verhogen van de productie per dier?2
De notitie van het LEI beschrijft op een objectieve wijze de (bedrijfseconomische) ontwikkelingen in de Nederlandse vleesvarkens- en vleeskuikenhouderij in de periode 1980 – 2013.
Deelt u de conclusies van EFSA 2012 dat het verhogen van de productie per dier nadelige gevolgen heeft voor het dierenwelzijn, zoals bijvoorbeeld meer spenen per zeug fokken om zo meer biggen te werpen met hogere biggensterfte tot gevolg, het fokken van kippen die hun eigen gewicht niet meer kunnen dragen, het fokken van koeien op meer melk waardoor koeien welzijnsproblemen ondervinden zoals vruchtbaarheidsproblemen en uierontsteking? Zo nee, waarom niet?3
Naast verhoogde productie is een groot aantal factoren van invloed op het welzijn van dieren zoals bezettingsdichtheid, voeding, huisvesting, ingrepen en transport. Het EFSA-rapport waar u naar refereert gaat over varkens. Daarin staat dat er sprake is van verminderd welzijn wanneer er niet voldoende productieve spenen zijn voor deze extra biggen. De stuurgroep bigvitaliteit heeft ten doel de biggensterfte terug te dringen en zet erop in dat een zeug de biggen ook zelf moet kunnen grootbrengen en daarvoor voldoende spenen heeft. Of de ontwikkeling naar een grote toom per zeug maatschappelijk en ethisch geaccepteerd wordt, zal voor de sector een belangrijk aandachtspunt moeten zijn bij verdere verduurzaming. Ik ben hierover in gesprek met de stuurgroep bigvitaliteit. Voor mijn standpunt over verhogen van de productie per melkkoe verwijs ik u naar mijn brief van 14 juli 2015 over de gevolgen van de stijging van de Nederlandse melkproductie (Kamerstuk 33 979, nr. 99).
Bent u bereid tot regelgeving die grenzen stelt aan de verhoging van de productie per dier ten behoeve van het dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn?
Zoals ook aangegeven in mijn brief van 14 juli jl. zal ik geen norm stellen aan de melkgift per koe. Ook ben ik niet voornemens voor andere diersoorten normen op te stellen.
Een houder is verantwoordelijk voor het welzijn van zijn dieren. Hij heeft er belang bij dat zijn dieren, ouders en nakomelingen, gezond en vitaal zijn, ook bij verhoging van de productie. Hij kan daaraan bijdragen door het kiezen van bepaalde rassen, goede huisvesting, goed management. Ik zie de fokkerij als een kans en mogelijkheid om verdere stappen te zetten naar een duurzame veehouderij. Ook fokkerijorganisaties en de Initiatiefgroep Duurzame Fokkerij hebben een verantwoordelijkheid te nemen in deze.
Hoe beoordeelt u de conclusies van het Compendium voor de Leefomgeving dat het houden van meerdere dieren per vierkante meter leidt tot een verminderde weerstand en een hogere infectiedruk, waardoor boeren meer antibiotica gingen gebruiken met het gevolg dat er anno 2015 sprake is van antibioticaresistentie met grote risico’s voor de volksgezondheid? Bent u met ons van mening dat een effectieve maatregel binnen het antibioticabeleid het verminderen van de dierbezetting is? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om te treffen? Zo nee, waarom niet?4
De veehouderijsectoren hebben de afgelopen jaren een stevige daling in het antibioticumgebruik gerealiseerd. Hiervoor zijn diverse maatregelen door de sectoren ingevoerd. Deze zijn veelal bedrijfsspecifiek van aard. Een goede diergezondheid vraagt om een bedrijfsspecifieke aanpak waarbij meerdere factoren worden betrokken, in plaats van eendimensionale maatregelen sector breed. In de Kamerbrief van 27 mei 2015 (Kamerstuk 29 638, nr. 200) is per sector aangegeven welke maatregelen zij oppakken om een verdere daling in het gebruik te realiseren. In deze brief is tevens aangegeven dat de komende periode benut wordt om het beleid te reflecteren en te komen tot een vervolgbeleid voor de komende 5 jaar. Met dit vervolgbeleid zullen bestaande en nieuwe maatregelen ingevoerd worden gericht op de vermindering van resistentie, verdere daling in het gebruik en verdere verbetering van de diergezondheid.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Inspecteur Generaal-NVWA en conclusies van het Planbureau voor de Leefomgeving en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat het prijsbeleid van supermarkten voedselfraude in de hand werkt en dat voedselschandalen een onoverkomelijk gevolg zijn van de lage marges die de vleesketen hanteert?5 6 7
In mijn brief van 14 januari 2015 (Kamerstuk 31 532, nr. 144) heb ik reeds aangegeven dat ik het onwenselijk vind dat supermarkten aanbiedingen voor vlees hanteren, waarbij het product zeer voordelig in de winkelschappen wordt aangeboden. Dergelijke aanbiedingen kunnen leiden tot extra prijsdruk in de keten (onder meer boer en slachterijen). Ik deel de zorg hierover. Daarnaast kan het gebruik van aanbiedingen van vlees een signaal zijn dat vlees een stuntartikel is, terwijl ik vind dat voor kwalitatief goed vlees, een redelijke prijs moet worden betaald. Daar komt bij dat wanneer de marges te klein worden, er druk kan ontstaan om de grenzen van het wettelijk minimum op te zoeken, zowel in termen van dierenwelzijn als voedselveiligheid.
Mijn beleid is gericht op een markt gestuurde verduurzaming van de productie en consumptie van vlees die maatschappelijk gedragen wordt (brief van 6 juni 2014, Kamerstuk 21 501-32, nr. 789). Het initiatief ligt primair bij het bedrijfsleven en bij de consument. Vanuit de overheid wordt dit ondersteund, onder andere met de pilot in de agrofoodsector over een gedragscode eerlijke handelspraktijken.
Tevens gaf ik in mijn brief van 14 januari 2015 aan dat met het CBL en de overige organisaties die deel uitmaken van de Alliantie Verduurzaming Voedsel (FNLI, KHN, LTO en Veneca), in de Agenda Verduurzaming Voedsel 2013–2016 afgesproken is dat vanaf 2020 al het vlees dat in Nederland wordt aangeboden op duurzame wijze geproduceerd is. Prijsafspraken als zodanig maken hier geen onderdeel van uit, maar wel dat een eerlijke prijs voor de producent onderdeel is van duurzaamheid. Ook gaf ik aan in gesprek te zullen gaan met verschillende grote supermarkten met als doel te komen tot afspraken over het uitbannen van het stunten met vlees. Op 29 januari 2015 heb ik met enkele supermarkten en de branchevereniging Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) gesproken over het goedkoop aanbieden van vlees. In het gesprek heb ik benadrukt dat een dergelijke strategie niet past in tijden van vleesschandalen en ook niet bij de gezamenlijke wens tot verduurzaming van de vleesketen. In het gesprek werd bevestigd dat er sprake is van een gedeelde wens om te komen tot (verdere) verduurzaming van de vleesketen. Daar hoort prijsvorming en het effect daarvan in de keten bij. Tevens voer ik met enkele individuele supermarkten gesprekken hierover.
Mijn standpunt omtrent het verbieden van vlees onder de kostprijs heb ik reeds uiteengezet in mijn brief van 6 juni 2014 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 789). Zoals ik in die brief heb aangegeven verwacht ik geen positief effect van een wettelijk verbod op de verkoop onder de inkoopprijs.
Erkent u dat het produceren van goedkoop vlees onwenselijk is omdat dit een bedreiging vormt voor de volksgezondheid, de voedselveiligheid en het dierenwelzijn? Bent u bereid om de verkoop van vlees onder de kostprijs te verbieden?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken betreffende het door u aangekondigde convenant kiloknallers? Bent u bereid om de bulkproductie van goedkoop vlees, bestemd voor de export, uit te faseren? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De uitkomst van het Europese fraudeonderzoek naar een moskeeverzamelgebouw |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente brief waarin het Europese bureau voor fraudebestrijding (OLAF) aangeeft dat er geen sprake is van onregelmatigheden bij de subsidie voor een «moskeeverzamelgebouw»?1
Ja, ik heb kennis genomen van de brief
Kunt u bevestigen dat de EU geen subsidie verstrekt voor de bouw van moskeeën of kerken, vanwege een strikte scheiding tussen kerk en staat?
Er is geen Europese subsidie verstrekt voor de bouw van een moskee of kerk.
Hoe verhoudt de uitkomst van het onderzoek, dat stelt dat er geen sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de subsidie, zich tot het gegeven dat het gesubsidieerde gebouw echter tevens dienst doet als islamitische gebedsruimte, nota bene een Turkse en Marokkaanse moskee huisvest?
De uitkomst van het onderzoek bevestigt eerder beantwoorde vragen van uw Kamer. Er is geen relatie tussen het met Europese fondsen gesubsidieerde gebouw en de gebedsruimte. Zie tevens de eerdere antwoorden op Kamervragen 2014Z4154 van 6 maart 2014.
Hoe duidt u het gegeven dat de gemeente Amsterdam expliciet stelde dat er niet gecommuniceerd mocht worden over het feit dat het «Multifunctionele Centrum» zowel een Turkse als Marokkaanse gebedsruimte kent?2
Mij is niet bekend of de gemeente Amsterdam heeft gesteld dat er niet gecommuniceerd mocht worden over het gebedshuis. In verslagen zijn de twee onderdelen van het gebouw genoemd, met de daarbij behorende verdeelsleutel ten aanzien van het gesubsidieerde deel en het niet gesubsidieerde deel van het gebouw.
In het verslag van Hecon uit 2008 stond de zin:
«Alleen de functie MFC, geen Turks of Marokkaans gebedshuis noemen.»
Amsterdam Groot-Oost heeft de aanvraag voor EU-subsidie voor het project ingediend. Hierin is in de project aanvraag een duidelijk onderscheid gemaakt in het deel van het gebouw met bestemming Multicultureel centrum en het deel dat niet subsidiabel was met bestemming gebedsruimte. Beiden worden genoemd.
Hoe ziet u, in het licht van de voorgaande vraag, het feit dat de architect de gebedsruimtes expliciet noemt als een van de hoofdfuncties van het gebouw en het betreffende gebouw ook aanduidt als een «moskeeverzamelgebouw»?3
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre deelt u de mening dat de gemeente Amsterdam een Europese subsidie van € 1,4 mln. heeft aangevraagd – en gekregen – voor een gebouw met een religieuze functie, door enkel te stellen dat het ging om een multicultureel en multifunctioneel centrum?
De Europese subsidie was niet bestemd voor het deel van het gebouw met religieuze functie. De subsidie is verstrekt voor een multifunctioneel centrum. Zie tevens de eerdere antwoorden op Kamervragen 2014Z4154 van 6 maart 2014.
Welke maatregelen heeft Nederland, in de hoedanigheid van de primair verantwoordelijke lidstaat, genomen om onregelmatigheden of fraude in deze zaak te voorkomen?
Er is in dit geval geen sprake van fraude of onregelmatigheid. Alle geldende Europese regels zijn opgevolgd. De administratieve organisatie belast met de afwikkeling van het programma is zo opgezet dat adequate controles zijn ingebouwd. Dit ter voorkoming van het ontstaan van eventuele onregelmatigheden.
Het onderzoek van OLAF richt zich op de juiste besteding van de subsidie (conform de regels van de Structuurfondsen). De uitkomst van dit onderzoek is nu duidelijk en geeft aan dat er geen fraude geconstateerd is.
Is het waar dat de gemeente Amsterdam, via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, heeft gevraagd aan OLAF om deze zaak te laten rusten?4 Indien dit het geval is, kunt u dit dan toelichten?
De gemeente Amsterdam heeft nooit aan OLAF (zelf of via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) gevraagd om deze zaak te laten rusten. Zo is mij vanuit de bestuursdienst van de gemeente Amsterdam kenbaar gemaakt. OLAF is een onafhankelijke organisatie.
Betekent de uitkomst van het onderzoek dat gebouwen met een religieuze functie, (in Europese termen: doelstelling5, zolang zij echter in de subsidieaanvraag maar worden omschreven als multifunctioneel dan wel multiculturele centrum, en in ieder geval het woord «moskee» weglaten, in aanmerking komen voor Europese subsidie? Zo neen, hoe dienen we de uitkomst dan te duiden?
Gebouwen met een religieuze functie komen niet in aanmerking voor Europese subsidie. In het multiculturele centrum aan de Joubestraat in Amsterdam is er geen subsidie verleend voor een religieuze ruimte.
Wat betekent de uitkomst van het onderzoek voor de scheiding tussen kerk (in dit geval moskee) en staat op Europees niveau?
Gebouwen met een religieuze functie komen niet in aanmerking voor Europese subsidie. In dit fraudeonderzoek is geen verband gelegd met de scheiding tussen kerk en staat.
De vermelding van de geboorteplaats op de geboorteakte |
|
Fatma Koşer Kaya (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ik wil geen Hageneesje op de wereld zetten, hoor»?1
Ja.
Herkent u de band die mensen voelen met hun omgeving, en de wens die zij kunnen hebben dat deel van hun identiteit te willen overdragen aan hun kind? Zo nee, waarom niet?
Ik heb er begrip voor dat mensen een directe band kunnen hebben met hun omgeving, die zodanig is dat zij deze wensen door te geven aan hun kinderen. Aan deze band met de plaats waar de ouders woonachtig zijn en wellicht geboren zijn, kan op verschillende manieren uitdrukking worden gegeven en hoeft niet per sé afgeleid te worden uit de in de geboorteakte opgenomen plaats van geboorte.
Wat waren in de Code Napoleon, waarmee de aangifteplicht startte, de redenen voor de verplichting om de aangifte van een geboorte te doen bij de gemeente waar het kind geboren is? In hoeverre hebben die redenen nog waarde en geldigheid?
Bij de invoering van de Code Napoleon werd de registratie van de belangrijkste feiten in een mensenleven, met name geboorte, huwelijk en overlijden, die tot dan toe door kerkelijke autoriteiten werd uitgevoerd, overgedragen aan burgerlijke autoriteiten. Deze taak werd opgedragen aan gemeenten in de vorm van de verantwoordelijkheid voor het houden van registers van de burgerlijke stand. Daarbij gold als uitgangspunt de feitelijke juistheid van de daarin opgenomen gegevens, waarop een ieder moest kunnen vertrouwen. De akten hadden toen en nu het karakter van authentieke akten, met de daaraan verbonden bijzondere bewijskracht.
In welke mate is het nog relevant of de gemeente van geboorte, of de gemeente van woonplaats van een van de ouders tijdens de geboorte, de akte beheert, aangezien de gemeentelijke basisadministratie is opgegaan in de landelijke basisregistratie personen?
Het is nog steeds van belang dat de geboorteakte van een kind wordt opgemaakt in de gemeente waar de geboorte heeft plaatsgevonden en wel om redenen die de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft aangegeven in zijn brief van 31 mei 2011 (Kamerstuk 27 859, nr. 44). Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 6.
De gegevens van de geboorteakte worden vervolgens overgenomen in de basisregistratie van de gemeente waar de betrokkene woonachtig is. Daarbij is niet van invloed of het beheer van de basisregistratie op lokaal of landelijk niveau geschiedt.
Indien de geboorteplaats een identificerend gegeven is om personen met gelijke naam en geboortedatum te onderscheiden, zoals in 2011 gesteld door de adviescommissie, is het dan niet logischer om woonplaats te registeren in plaats van geboorteplaats nu steeds meer bevallingen in ziekenhuizen in een beperkt aantal gemeenten plaatsvinden? Dan neemt het identificerend karakter toch eerder toe dan af?
Ik kan de visie dat vermelding van de woonplaats een sterkere identificerende waarde zou hebben dan de vermelding van de geboorteplaats niet delen. De geboorteplaats is immers een uniek en vaststaand gegeven, terwijl de woonplaats in de loop van een mensenleven, soms veelvuldig, aan wijziging onderhevig is.
Bent u bereid met een welwillende blik te onderzoeken of de in uw brief van 31 mei 2011 genoemde bezwaren overkomelijk zijn, en aan de Kamer voorstellen te doen waarin zowel het feitelijk karakter van een geboorteakte als de in het AD-artikel genoemde wens van ouders tot uitdrukking komen?2
Bij de opstelling van de brief van 31 mei 2011 is zorgvuldig nagegaan welke consequenties zouden kunnen volgen uit het vermelden van een andere geboorteplaats in de geboorteakte van een kind, dan de plaats waar de geboorte van het kind daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hiertoe is toen ook het advies ingewonnen van de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit en is bezien hoe de regelingen in internationaal verband luiden. Gebleken is dat het toestaan om een andere plaats dan de feitelijke geboorteplaats in de akte op te nemen tot aanzienlijke bezwaren leidt. Daarbij is in het bijzonder de rechtszekerheid in het geding.
Er hebben zich sindsdien geen zodanige ontwikkelingen voorgedaan, waardoor de situatie nu anders zou zijn. Onder deze omstandigheden bestaat er voor mij geen aanleiding om de huidige wettelijke regeling te wijzigen.
Gelet op het belang van de authenticiteit en van de juistheid van de burgerlijke stand, wil ik nog wijzen op de plicht van de ambtenaren van de burgerlijke stand om de door de burgers verstrekte gegevens te verifiëren, alsmede op hun bevoegdheid om daartoe om nadere stukken te vragen (art. 18, lid 2 en 3 Boek 1 BW) en in dit verband op hun specifieke bevoegdheid om ten behoeve van het opmaken van een geboorteakte te vragen om een verklaring van een arts of verloskundige (art. 19e, lid 8 Boek 1 BW).
Het Saoedische voornemen een tiener te kruisigen en te onthoofden |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Saoedi-Arabië gaat tiener kruisigen en onthoofden»?1
Ja.
Deelt u de walging dat Saoedi-Arabië voornemens is een tiener te kruisigen en te onthoofden?
Het kabinet zet zich al jarenlang in voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf, en is zeer geschokt over het nieuws van deze vermeende opgelegde straf. Bovendien is het opleggen van de doodstraf aan iemand die ten tijde van het begane misdrijf minderjarig was een schending van het VN-Kinderrechtenverdrag waar ook Saudi-Arabië partij bij is.
Bent u bereid maximale druk uit te oefenen op dit land, mede in internationaal verband, om te voorkomen dat dit barbaarse voornemen wordt omgezet in daden?
Nederland heeft zich met andere (EU-)partners beraad over deze straf en over de meest effectieve inzet door de internationale gemeenschap. Vanuit die zienswijze zullen de EU en lidstaten in hun contacten met de Saoedische autoriteiten hun grote zorgen omtrent deze zaak opbrengen.
Ziet u in dat de VN Mensenrechtenraad totaal ongeloofwaardig is geworden nu deze zich laat adviseren door een panel dat uitgerekend een Saoedische diplomaat als voorzitter heeft gekregen? Bent u bereid dit in VN-verband uit te spreken?
Voor de Nederlandse regering is de Mensenrechtenraad één van de belangrijkste fora waar landen, lid of geen lid, aangesproken kunnen worden op mensenrechtenschendingen. De Permanent Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in Genève van Saoedi-Arabië, Faisal Trad, is door zijn regionale groep, de Aziatische groep, aangewezen als lid van de zogeheten Consultative Group. De adviezen van de Consultative Group komen tot stand op basis van strikte voorschriften en zijn openbaar.
Deelt u de mening dat de Saoedische ambassadeur ons land dient te verlaten als men vasthoudt aan het voornemen de jongen te doden vanwege een demonstratie voor meer democratie? Zo neen, waarom niet?
Nee. Het kabinet is van mening dat het openhouden van diplomatieke kanalen Nederland voorziet van de mogelijkheid om verscheidene zaken, waaronder mensenrechtenkwesties, te bespreken.
Het opschorten van de screening op TBC voor Syrische asielzoekers |
|
Reinette Klever (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom heeft bescherming van de Nederlandse bevolking tegen tuberculosebesmetting geen prioriteit meer?1
De bescherming van de Nederlandse bevolking tegen tuberculosebesmetting is onveranderd een prioriteit gebleven. Sinds enige weken is de toestroom van asielzoekers naar Nederland zo sterk toegenomen dat de aantallen tuberculosescreeningen de capaciteit dreigen te overstijgen. Ook bij vluchtelingen/asielzoekers is de prevalentie van tuberculose direct gerelateerd aan de incidentie in het land van herkomst. Onderzoek heeft uitgewezen dat het risico op tuberculose onder asielzoekers uit Syrië beperkt is (<50 per 100.000 gescreende personen). De een na grootste groep asielzoekers is momenteel afkomstig uit de landen Eritrea en Ethiopië, waarbij de screeningsopbrengst 272 per 100.000 gescreende personen is. De Commissie voor Praktische Tuberculosebestrijding (CPT), verantwoordelijk voor het beleid en richtlijnen voor de Nederlandse tuberculosebestrijding, stelt daarom dat in de situatie die zich nu voordoet de screening van asielzoekers uit hoog risicolanden de prioriteit moet krijgen. Dit besluit vloeit derhalve voort uit de prioriteit om het Nederlandse volk tegen tuberculosebesmetting te beschermen.
Bent u bekend met het feit dat 13% van de asielzoekers die zich uitgeven als Syriër niet uit Syrië afkomstig is en dat mogelijk een derde deel van de «Syrische asielzoekers» uit andere landen komt?2
Het is mij bekend dat een deel van de asielzoekers die zich uitgeeft als Syriër niet uit Syrië afkomstig is. Onderdeel van de registratie en identificatie vrijwel direct na binnenkomst in Nederland is het beoordelen uit welk land een asielzoeker komt.
Heeft u de zwendel in Syrische paspoorten laten meewegen in uw beslissing om de tuberculose (TBC) screening bij Syriërs op te schorten?3
Nee. Bij de overweging om de tuberculosescreening bij Syrische asielzoekers op te schorten, is met name gekeken naar de grootste groepen. Het gaat daarbij vooral over Syrische, Ethiopische en Eritrese vluchtelingen. De grootste stroom vluchtelingen is afkomstig uit Syrië, waarbij vastgesteld is dat het risico op tuberculose beperkt is. De een na grootste groep asielzoekers wordt gevormd door mensen afkomstig uit Ethiopië en Eritrea, hoogrisico landen voor tuberculose. De mensen die volgens Frontex op Syrische paspoorten Europa proberen binnen te komen zijn niet afkomstig uit Ethiopië of Eritrea. Dat onderscheid is op basis van taal en/of uiterlijke kenmerken goed te maken.
Deelt u de mening dat alle asielzoekers op TBC gescreend moeten worden en dat een voorkeursbeleid voor Syriërs juist extra risico’s met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik u in mijn antwoord op vraag 1 heb toegelicht, deel ik die mening niet. Het gaat overigens niet om een voorkeursbeleid voor vluchtelingen uit Syrië maar om een risicogebaseerde screening. Verder laat de prioritering van risicogebieden onverlet dat personen met klachten, of dit nu de luchtwegen betreft of anderszins, onverwijld door een arts beoordeeld moeten worden en zo nodig medische zorg kunnen genieten zoals in Nederland gebruikelijk is.
Kunt u een opsomming geven hoeveel asielzoekers inmiddels in Nederland verblijven zonder gezondheidsscreening en waar deze zich bevinden? Zo nee, waarom niet?
In de tweede week van oktober verbleven er circa 3000 personen die nog niet zijn geregistreerd in de gemeentelijke crisisopvang en de COA noodopvang. Ongeveer 70% van deze mensen is van Syrische afkomst. Dit betekent dat op dat moment ruim 900 personen van niet-Syrische afkomst nog niet gescreend waren op TBC. Alle nieuwe instroom van niet-Syriërs wordt nu naar Ter Apel of de andere Centrale Opvanglocaties gestuurd voor registratie en TBC-screening. Verder wordt eraan gewerkt om de achterstand binnen twee weken in te lopen.
Hoe lang gaat de opschorting duren en wanneer kunnen we er van uitgaan dat alle zich in Nederland bevindende asielzoekers een medische screening hebben gehad?
Het is momenteel onduidelijk hoe lang dit uitstel zal duren, omdat dit ondermeer afhangt van de ontwikkelingen in de asielzoekersstromen. Partijen betrokken bij de infectieziektebestrijding hebben aangegeven zich in te zullen spannen om deze achterstand zo spoedig mogelijk weg te werken. Naar verwachting zal het inlopen van de huidige achterstand bij de TBC-screening 2 weken duren.
Bent u bereid om er zorg voor te dragen dat geen enkele asielzoeker meer tot Nederland wordt toegelaten? Zo nee, waarom niet?
Zoals aan uw kamer uiteengezet in de brief aan uw Kamer over de Europese asielproblematiek d.d. 8 september jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2030) is het kabinet van mening dat bij het aanwezig zijn van voldoende veilige opvang in de regio en onder de voorwaarden zoals in de brief vermeld, asielzoekers uit die regio die alsnog op eigen gelegenheid Nederland bereiken, teruggebracht dienen te worden naar de veilige opvang in de regio. Tot dat moment geldt voor het kabinet als uitgangspunt dat binnen de geldende internationale regelgeving bescherming wordt geboden aan die asielzoekers die daar recht op hebben.
De berichtgeving rondom de fraude met emissiesoftware door Volkswagen |
|
Ed Groot (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving rondom de fraude met emissiesoftware door Volkswagen?1
Ja.
Op welke wijze heeft Volkswagen fraude gepleegd met het meten van de uitstoot van haar auto’s in de Verenigde Staten?
Voor het antwoord op deze vraag wil ik verwijzen naar het antwoord op vraag 1 die op 24 september 2015 is gesteld door de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu inzake de fraude met testen van uitstoot van auto’s.
Zijn er aanwijzingen dat andere automerken ook op een dergelijke oneigenlijke wijze de emissietesten beïnvloeden?
Voor het antwoord op deze vraag wil ik verwijzen naar het antwoord op vraag 18 die op 24 september 2015 is gesteld door de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu inzake de fraude met testen van uitstoot van auto’s.
Is er fraude gepleegd met software en/of hardware in Nederland en/of in de rest van de EU? Kan hierdoor de uitstoot van Volkswagens in Europa te positief zijn weergegeven?
Volkswagen heeft in het persbericht van 22 september 2015 aangegeven dat onrechtmatigheden met de NOx-emissies betrekking hebben op voertuigen met het motortype Type EA 189 en dat het wereldwijd om elf miljoen voertuigen gaat. De afgelopen dagen is bekend geworden dan het niet alleen om modellen van Volkswagen gaat, maar ook van andere merken van de Volkswagen Groep en dat het niet alleen dieselpersonenauto’s betreft, maar ook dieselbestelauto’s.
Navraag bij de RDW heeft opgeleverd dat aan de hand van deze motorcode niet precies kan worden achterhaald om welke voertuigentypen het gaat en hoeveel voertuigen er daarvan in Nederland zijn toegelaten. Zodra de noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn zal de RDW de aantallen achterhalen.
Als gevolg van de fraude is de NOx-uitstoot in de praktijk van de betreffende modellen dieselpersonenauto’s van Volkswagen flink hoger dan op grond van de Europese norm voor NOx-emissies mag worden verwacht.
Is er sprake geweest van oneerlijke concurrentie doordat Volkswagens een lager bijtellingspercentage, een lager tarief in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) of een lager tarief in de motorrijtuigenbelasting (MRB) genoten?
Voor het antwoord op deze vraag wil ik verwijzen naar het antwoord op vraag 14 die op 24 september 2015 is gesteld door de Commissie Infrastructuur en Milieu inzake de fraude met testen van uitstoot van auto’s.
Wat zijn de verschillen tussen de wijzen waarop de Verenigde Staten en de EU de uitstoot van personenauto’s meten?
De voornaamste verschillen tussen de wijzen waarop de Verenigde Staten en de EU de uitstoot van personenauto’s meten, zijn als volgt:
Ongeveer 10% van de nieuwe modellen wordt getest. In Europa houdt de typegoedkeuringsinstantie toezicht op de productie. Deze moet blijven overeenstemmen met de goedkeuringseisen. Onderdeel van het geëiste kwaliteitssysteem is dat de fabrikant de testen in een percentage van de gevallen herhaalt.
Wat vindt u dat er moet gebeuren om vast te stellen of deze fraudezaak ook gevolgen heeft in Nederland en/of in de rest van de EU?
Elke Europese typegoedkeuringsinstantie moet erop toe dat metingen voor de afgegeven goedkeuringen correct worden uitgevoerd. De typegoedkeuringsinstantie van het land dat voor de betreffende modellen van het Volkswagen concern de Europese typegoedkeuring heeft afgegeven, moet dus een onderzoek instellen.
Zoals vermeld op de nieuwssite van de NOS2 wordt dit nu in gang gezet: Duitse typegoedkeuringsinstantie KBA heeft Volkswagen tot en met 7 oktober 2015 de tijd gegeven om een oplossing te vinden voor de frauduleuze dieseltesten, bericht Bild am Sonntag. De juridische afdeling van de autofabrikant moet voor die tijd met maatregelen en een tijdschema komen.
KBA wil dat Volkswagen er zo snel mogelijk voor zorgt dat de voertuigen weer aan de typekeuringseisen voldoen. Als er geen bevredigend plan komt, kan de typegoedkeuringsinstantie besluiten dat Volkswagen de auto's waarmee mogelijk is gemanipuleerd niet meer mag verkopen en niet meer mag verplaatsen.
Mogelijk falen van GGZ crisisdienst in Gilze en Rijen |
|
Leendert de Lange (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht: «burgemeester Gilze en Rijen: GGZ faalde bij incident asielzoeker?»1
Ja
Bent u bereid om via het reeds door burgemeester Boelhouwer gevraagde onderzoek van de betrokken instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) helderheid te krijgen over het hetgeen dit weekend bij de crisisdienst in Gilze en Rijen is voorgevallen?
Ik heb mij laten informeren door de gemeente en de crisisdienst van GGZ Breburg over het betreffende incident. Het incident moet voor het slachtoffer een hele nare ervaring zijn geweest. Net als de gemeente en de betrokken instelling betreur ik dit.
Ik heb vernomen dat de Raad van Bestuurd (RvB) van GGZ Breburg zelf een onderzoek heeft laten doen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft met de instelling contact gehad over de resultaten van dit onderzoek. Uit het onderzoek zijn aandachtpunten naar voren gekomen die vooral liggen in de informatie-uitwisseling tussen de politie en de crisisdienst. Gemeente en crisisdienst hebben aangegeven dit op korte termijn met elkaar te bespreken, waarna zij afspraken maken om de onderlinge informatie uitwisseling en afstemming te verbeteren.
Wilt u op basis van deze rapportage de Kamer nader informeren over hetgeen is voorgevallen en aangeven welke lessen hieruit getrokken kunnen worden?
Het is aan lokale partijen zelf om oplossingen te vinden voor de aandachtspunten die zijn gesignaleerd.
Is het mogelijk om in deze rapportage aan te geven welke maatregelen door de diverse betrokkenen worden genomen om herhaling van een dergelijk incident te voorkomen?
Betrokken partijen zijn met elkaar in gesprek om afspraken te maken om herhaling van een dergelijk incident te voorkomen. Die afspraken gaan onder andere over een betere onderlinge informatie-uitwisseling.
In welke mate wordt het «aanjaagteam verwarde personen» hierbij betrokken?
Het aanjaagteam is niet betrokken bij individuele incidenten. Het is aan lokale partijen om oplossingen te vinden voor de geconstateerde problemen. Mocht blijken dat het probleem breder speelt dan zal ik het aanjaagteam vragen dit op te pakken en te betrekken bij haar plan van aanpak.
Bent u bereid om met het «aanjaagteam verwarde personen» en de GGZ te bespreken of het nodig is om in algemene zin nadere afspraken te maken over het afwegingskader binnen de crisisdiensten en de mate waarin burgemeesters hierbij worden betrokken?
Zie vraag 5.
Het bericht “Krimpbeleid Oost-Groningen zorgwekkend” |
|
Betty de Boer (VVD), Hayke Veldman (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Krimpbeleid Oost-Groningen zorgwekkend»?1
Ja.
Kunt u aangeven aan welke voorwaarden de decentralisatie-uitkering Bevolkingsdaling voor Oost-Groningen van 2.242.805 euro voor de periode 2016–20202 is gebonden?
De middelen zijn onderdeel van het gemeentefonds en daarmee niet aan voorwaarden gebonden.
Deelt u de mening dat de negatieve gevolgen van krimp primair regionaal aangepakt moeten worden en dat de uitkering uit het Gemeentefonds als secundair ter ondersteuning van de regionale plannen gezien moet worden?
Het kabinet is van oordeel dat het vraagstuk van bevolkingsdaling is gebaat bij een integrale en gemeenteoverstijgende aanpak. De toekenning van de uitkering aan één centrumgemeente per krimpregio beoogt een dergelijke aanpak te stimuleren.
Deelt u de mening dat Oost-Groningen een voorbeeld mag nemen aan bijvoorbeeld de Marne en Eemsdelta, en bent u bereid om met de regio en de provincie in gesprek te gaan om de plannen voor krimp hier te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Leren van andere regio’s/gemeenten is goed en er wordt van elkaar geleerd in Groningen. Ik moet wel wijzen op het feit dat de vergelijkbaarheid ook beperkt is. In het geval van Eemsdelta gaat het om een samenwerking van vier gemeenten, De Marne is een gemeente die nog niet structureel in regionaal verband samenwerkt (al is hier een groeiende oriëntatie in die richting waarneembaar), terwijl het in het geval van Oost-Groningen om zeven gemeenten gaat.
Zoals ik in de beantwoording van de vragen van de leden Albert de Vries en Van Dekken heb aangegeven, werk ik al jaren samen met de provincie en de regio op het krimpbeleid.
Zorg na coma |
|
Mona Keijzer (CDA), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen naar aanleiding van de IKON-uitzending De Wachtkamer «Vechten voor hoop»?1
Ja
Deelt u de mening dat er in het belang van zorg na coma en hersenletsel spoedig een beslissing genomen dient te worden door het Zorginstituut Nederland? Kunt u de stand van zaken schetsen van het onderzoek van het Zorginstituut Nederland naar vroege intensieve neurorevalidatie bij volwassenen (25+ categorie)?
De adviescommissie pakket (ACP) van het Zorginstituut heeft op 21 augustus gesproken over de duiding van vroege intensieve neurorevalidatie bij volwassenen. Het Zorginstituut betrekt de relevante literatuur in de beoordeling en consulteert de belanghebbende partijen. In het voorjaar van 2016 wordt de publicatie verwacht.
Kent u het onderzoek van promovenda Willemijn van Erp naar zorg voor mensen bij wie het bewustzijn niet is teruggekeerd? Wat vindt u ervan dat van deze groep meer dan de helft nooit is gezien door een gespecialiseerd team dat herstelkansen bevordert en volgt?
Diagnostiek en behandeling van comapatiënten heeft tot doel betere gezondheidsuitkomsten te realiseren. Het is aan de representatieve beroepgroepen om de kennisontwikkeling terzake te duiden en zo nodig te verdisconteren in de (nieuwe) richtlijnen voor verantwoorde zorg. Diagnostiek en behandeling waarvan voldoende bewezen is dat ze effectief zijn, kunnen deel uitmaken van het pakket. Dit is ter beoordeling van het Zorginstituut.
Wat vindt u ervan dat in 39% van de situaties sprake is van misdiagnose? Is de conclusie gerechtvaardigd dat in ons land de diagnostiek bij langdurige bewustzijnsstoornissen, en in het bijzonder niet-responsief waaksyndroom/vegetatieve toestand, verbeterd kan worden?
Zie antwoord vraag 3.
Is u bekend dat deskundigen van mening zijn dat ook voor mensen ouder dan 25 jaar meer neurologisch en functioneel herstel mogelijk is dan decennialang werd gedacht?2
Zie antwoord vraag 3.
Kent u het landelijk expertisenetwerk ernstig hersenletsel na coma? Deelt u de mening dat dit netwerk van belang is om expertise en kennis op te bouwen over de zorg na coma en hersenletsel? Wilt u in overleg met het netwerk bezien op welke wijze het haar taken kan vormgeven?
Het is aan de representatieve wetenschappelijke beroepsgroepen om hun kennis op het gebied van (coma)zorg op te bouwen, te onderhouden en te delen. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor het onderhoud daarvan.
E-ID pilots |
|
Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezeggingen, gedaan in het Algemeen overleg van 20 mei jl., om de (evaluatie)criteria voor de e-ID pilots nog aan te scherpen en voorafgaand aan de start van de pilots met de Kamer te bespreken?1
Ja, dat herinner ik mij.
Kunt u toezeggen de beloofde SMART-uitwerking (= Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden) van de (evaluatie)criteria zo spoedig mogelijk aan de Kamer te sturen, zodat zij voldoende tijd heeft om deze te analyseren voorafgaand aan het Algemeen overleg hierover? Zo neen, waarom niet? Zo ja, binnen welke termijn?
U ontvangt de criteria tijdig voor het Algemeen Overleg van 25 november aanstaande. Opgemerkt dient te worden dat de evaluatiecriteria in samenspraak met de evaluatiecommissie nog verder uitgewerkt zullen worden.2
Deze commissie bestaat uit wetenschappers en experts uit alle betrokken disciplines (privacy, beveiliging, communicatie, gebruikersperspectief, techniek) die zowel adviseert over de opzet van het evaluatieonderzoek als over de conclusies en aanbevelingen.3
De evaluatieonderzoeken worden uitgevoerd door onafhankelijke onderzoeksbureaus. Daarbij wordt zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek uitgevoerd waarbij ingegaan wordt op:
Feitelijk gebruik van het middel in de pilots;
Ervaringen van burgers, dienstaanbieders en leveranciers;
De technische werking van publiek eID middel en Stelsel Idensys;
Privacy en beveiliging van publiek eID middel en Stelsel Idensys.
De onderzoeken richten zich onder andere op de criteria betrouwbaarheid, veiligheid, privacy. Ook richten de onderzoeken zich op de criteria gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid vanuit het oogpunt van de leveranciers en dienstaanbieders.
Gaat u de evaluatiecriteria koppelen aan de toetredingsvoorwaarden voor de pilots, zoals gevraagd in het Algemeen overleg van 20 mei jl., aangezien een evaluatie juist een toets is op het al dan niet voldoen aan de eisen die vooraf zijn gesteld? Zo neen, waarom niet?
Zie voor beantwoording vraag 4.
Gaat u ook de toetredingsvoorwaarden, zoals in uw brief van 30 juni 2015 genoemd, nog verder uitwerken en SMART maken, zodat deze voorwaarden gekoppeld kunnen worden aan de evaluatiecriteria? Zo neen, waarom niet?2
De toetredingsvoorwaarden en de evaluatiecriteria zijn twee verschillende onderdelen.
Private partijen die middelen willen uitgeven onder het merk Idensys moeten voldoen aan alle technische, organisatorische en juridische eisen die zijn vastgelegd in het afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten voordat zij überhaupt kunnen toetreden. Om de naam Idensys te mogen voeren is het verplicht om te voldoen aan de afspraken zoals die zijn vastgelegd in het afsprakenstelsel. De Minister van EZ is verantwoordelijk voor het toezicht op het afsprakenstelsel.
De pilots die in het stelsel worden uitgevoerd worden na afloop geëvalueerd met behulp van onderzoeksvragen die betrekking hebben op alle technische organisatorische en juridische eisen uit het afsprakenstelsel. De pilots worden beoordeeld met behulp van evaluatiecriteria. De evaluatiecriteria vormen de meetlat waarlangs de pilots na afloop worden gelegd. Het zijn de normen waarmee het succes, het falen of het verloop van de pilots wordt beoordeeld.
Op basis daarvan kan de Kamer een gefundeerde afweging maken.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de pilots? In welke fase bevinden zich de voorbereidende handelingen voor de pilots? Wanneer denkt u daadwerkelijk de pilots te kunnen starten, nadat de criteria voor de pilots met de Kamer zijn besproken?
Aan de ene kant zijn de dienstverleners bezig om hun systemen gereed te maken voor deelname aan de pilots, onder andere door middel van het implementeren van de Idensys-knop op hun website/portal. Daarnaast stellen zij hun doelgroep samen.
Aan de andere kant zijn de eID leveranciers aan het toetreden tot het afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten met als doel om eind december / begin januari te kunnen starten met de pilots Idensys.
Het juridische kader dat nodig is om de pilots te kunnen laten draaien is vastgesteld. Dit bestaat uit wijziging van het Afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten (via de Publiek-Private Samenwerking), realisering van een wettelijke basis in de Wet Elektronisch Berichtenverkeer (Financiën – BZK) en op basis daarvan geformuleerde uitvoeringsregelgeving.
Momenteel doorlopen 14 eID leveranciers (makelaars5 en authenticatiediensten) het toetredingsproces. Deze fase is eind december afgerond. Daarna gaan de pilots van start.
Zoals gecommuniceerd in mijn brief van 30 juni jongstleden6 zal ik u in het najaar bij brief informeren over de criteria. De brief wordt binnenkort verzonden.
Hoeveel private partijen hebben zich inmiddels gemeld voor deelname aan de pilots?
Partijen die deelnemen aan de pilots zijn onder te verdelen in authenticatiediensten, makelaars, private dienstaanbieders en dienstaanbieders in het BSN-domein.
Momenteel doorlopen 14 eID leveranciers (authenticatiediensten en makelaars) het toetredingsproces tot het Idensys stelsel.
Daarnaast bereiden 10 private dienstaanbieders en 15 dienstaanbieders in het BSN-domein zich voor op de pilots.
Duizenden kalveren die langzaam stikken tijdens en na de slacht van de moederkoe |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u het Duitse ARD-programma gezien waaruit blijkt dat in Duitsland 18.000 drachtige koeien per jaar worden geslacht?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel drachtige koeien op jaarbasis in Nederlandse slachthuizen worden geslacht? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hier wordt geen registratie van bijgehouden. Drachtige dieren mogen op basis van de transportverordening (Vo (EG) 1/2005) niet vervoerd worden indien de dracht 90% of verder gevorderd is.
Onderschrijft u de kritiek van Duitse dierenartsen dat, bij het slachten van drachtige koeien, ongeboren kalveren een langzame verstikkingsdood van soms wel twintig minuten moeten ondergaan? Zo nee, waarom niet?
Ongeboren kalveren zijn voor hun zuurstofvoorziening afhankelijk van de zuurstofaanvoer via de placenta, en hebben geen zelfstandige ademhaling of ademhalingsreflex). Bij het slachten van het moederdier zullen de dieren als gevolg van het wegvallen van de zuurstofvoorziening komen te overlijden.
Op basis van de geldende internationale wetenschappelijke opinie, conform de OIE, wordt aanbevolen, indien bij de slacht een ongeboren vrucht wordt aangetroffen, deze ongemoeid in de uterus te laten tot deze als gevolg van zuurstofgebrek overleden is. Recent worden er vraagtekens bij geplaatst of dit inderdaad in alle stadia van de dracht de meest diervriendelijke optie is.
Samen met mijn Duitse, Deense en Zweedse collega heb ik recent aan de EFSA advies gevraagd op welke wijze het aanbieden van drachtige dieren voor de slacht het beste teruggedrongen kan worden. En áls drachtige dieren desondanks toch geslacht worden, hoe dan het beste met de ongeboren vrucht omgegaan kan worden. De EFSA werkt momenteel aan deze vragen, en zal uiterlijk 30 november 2016 hierover rapporteren2. Op basis van de EFSA rapportage zal ik met mijn collega’s overleggen welke passende maatregelen gewenst zijn.
Ook heb ik recent Wageningen UR/Livestock Research opdracht gegeven hiernaar onderzoek te verrichten. Dit onderzoek kan tevens input leveren aan de EFSA-studie.
Bent u bereid, in navolging van uw Duitse collega, tot een verbod op het slachten van drachtige koeien? Zo ja, wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien? Zo nee, waarom niet? Welke belangen verzetten zich tegen een verbod?
Er is in Duitsland geen verbod op het slachten van drachtige dieren. Op basis van de transportverordening (Vo (EG) 1/2005) mogen dieren niet vervoerd worden indien de dracht 90% of verder gevorderd is. Er wordt tussen de verschillende betrokken partijen momenteel wel gesproken om overeen te komen om geen drachtige dieren aan te voeren op het slachthuis gedurende de laatste drie maanden van de dracht. Het Duitse ministerie beziet hiervoor de mogelijkheid voor uitbreiding van de regelgeving voor nationale transporten. Voor internationale transporten is het niet mogelijk de transportverordening nationaal uit te breiden.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 heb ik recent aan EFSA advies gevraagd en Wageningen UR opdracht gegeven voor onderzoek. Op basis hiervan zal ik bezien welke maatregelen gewenst zijn. Ik zal daarbij de uitkomsten van het overleg en de mogelijkheden die in Duitsland worden bezien voor aanpassing van de nationale wetgeving, betrekken.
Bent u bereid om samen met uw Duitse collega te pleiten voor een verbod op het slachten van drachtige koeien in de gehele Europese Unie? Zo ja, bij welke gelegenheid ziet u die kans? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om, in navolging van uw Duitse collega, het huidige vervoersverbod voor drachtige koeien uit te breiden naar drie maanden voor de uitgerekende kalverdatum? Zo ja, wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Een in Saudi-Arabië opgelegde doodstraf |
|
Harry van Bommel |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Bent u ermee bekend dat de jonge Saudische activist Ali Mohammed Baqir al-Nimr onlangs ter dood is veroordeeld voor feiten die hij gepleegd zou hebben toen hij 17 was en dat zijn executie op korte termijn kan worden uitgevoerd?1
Ja.
Deelt u de opvatting van Amnesty International dat de veroordeling van de Saudiër vernietigd dient te worden omdat er sprake was van een oneerlijk proces en het internationaalrechtelijk verboden is de doodstraf op te leggen aan een minderjarige? Indien neen, waarom niet? Indien ja, bent u bereid direct bij de Saudische autoriteiten te pleiten voor het niet uitvoeren van de straf?
Nederland is principieel tegen de doodstraf en draagt dit ondubbelzinnig uit. Het nieuws over het vonnis, en de manier waarop dat zou kunnen worden uitgevoerd, heeft het kabinet zeer geschokt. Bovendien is het opleggen van de doodstraf aan iemand die ten tijde van het begane misdrijf minderjarig was een schending van het VN-Kinderrechtenverdrag waar ook Saudi-Arabië partij bij is. Nederland heeft zich met andere (EU-)partners beraad over deze straf en over de meest effectieve inzet door de internationale gemeenschap. Vanuit die zienswijze zullen de EU en lidstaten in hun contacten met de Saoedische autoriteiten hun zorgen omtrent deze zaak opbrengen.
Wat is uw beeld van het gebruik van marteling, specifiek met betrekking tot deze zaak en meer in het algemeen, door de Saudische autoriteiten om bekentenissen af te dwingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn berichten dat in het geval van Ali Mohammed al-Nimr sprake is geweest van marteling om tot een bekentenis te komen. Als dit inderdaad het geval is, betreurt het kabinet dit ten zeerste en zal dit meenemen wanneer deze kwestie wordt opgebracht bij de Saoedische autoriteiten. Marteling is een schending van het VN-Anti-folteringsverdrag. Ook Saoedi-Arabië is partij bij dit verdrag en zou deze praktijken niet mogen bezigen.
Kunt u bevestigen dat deze doodstraf uitgevoerd gaat worden door middel van onthoofding en kruisiging? Indien neen, wat zijn dan de feiten? Indien ja, hoe beoordeelt u dit mogelijke handelen van een bondgenoot van het westen in de strijd tegen Islamitische Staat, die onder andere juist aangevallen wordt vanwege dergelijke mensenrechtenschendingen?
Ali Mohammed al-Nimr werd ter dood veroordeeld voor 14 aanklachten, waarvan een aantal kunnen resulteren in de toepassing van de bestraffing voor het oorlog voeren tegen God en/of het verspreiden van corruptie op aarde. Dit soort misdrijven worden binnen de wetgeving van Saoedi-Arabië gekwalificeerd als het zwaarste soort. De rechter heeft nog niet besloten hoe de straf ten uitvoer wordt gebracht. Dat laat onverlet dat Nederland principieel tegen de doodstraf is en er naar streeft de Saoedische autoriteiten ertoe te bewegen af te zien van de uitvoer van het vonnis.
Het bericht 'Geef premie van 4000 euro aan alle inwoners aardbevingsgebied' |
|
Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het pleidooi van de Groninger Bodem Beweging om iedere inwoner van het Groningse bevingsgebied een premie van 4.000 euro te verstrekken?1
Ja.
Is het waar dat in het eerder afgesloten bestuursakkoord de toezegging is gedaan dat alle inwoners van het Groningse bevingsgebied deze premie krijgen?
Nee. In het bestuursakkoord «Vertrouwen op Herstel en Herstel van Vertrouwen» is afgesproken dat aan woningeigenaren een waardeverhogend pakket beschikbaar wordt gesteld voor woningisolatie, energiebesparende voorzieningen en/of decentrale energieopwekking. Tevens is afgesproken dat het pakket gefaseerd beschikbaar komt voor alle binnen het gebied gesitueerde panden. Gestart is met een waardevermeerderingsregeling voor woningen waarbij sprake is van substantieel schadeherstel en/of preventieve bouwkundige maatregelen.
In het aanvullend bestuursakkoord van 9 februari jl. is afgesproken dat, naast de oorspronkelijke negen gemeenten die zijn aangesloten bij het bestuursakkoord, ook inwoners uit Hoogezand-Sappemeer en Menterwolde aanspraak maken op de interim-regeling. Onderzocht zou worden of de definitieve regeling mede op basis van de actuele PGA-contourenkaart kan worden vormgegeven.
Tevens is afgesproken dat woningeigenaren die niet woonachtig zijn binnen de grenzen van de negen gemeenten, Menterwolde en Hoogezand-Sappemeer, maar op grond van de nieuwe regeling vanaf september wel onder de regeling zouden vallen, op deze nieuwe regeling aanspraak zouden kunnen maken met terugwerkende kracht tot het moment van het afsluiten van het bestuursakkoord van januari 2014.
Deelt u de mening van de Groninger Bodem Beweging dat ook mensen zonder schade net zo goed te lijden hebben onder de aardbevingen?
De aardbevingen kunnen grote impact hebben op de bewoners van het gebied, ook als er niet direct sprake is van schade aan hun woning.
Is het waar dat het doel van de premie het nemen van maatregelen op het gebied van duurzaamheid is? Zo ja, wordt er op gecontroleerd dat de premie daadwerkelijk aan duurzaamheidsmaatregelen wordt uitgegeven?
De regeling betreft duurzaamheidsmaatregelen op het gebied van woningisolatie, energiebesparende voorzieningen en/of decentrale energieopwekking waarmee waardebehoud en -vermeerdering van woningen wordt beoogd.
De maatregelen worden pas vergoed als een factuur wordt overlegd van de aanschaf en/of installatie van de voorziening. Fysieke controle vindt in beperkte mate plaats.
Is het waar dat de Nationaal Coördinator Groningen bezig is met het bezien van alle regelingen voor inwoners van het aardbevingsgebied en dat er eind dit jaar duidelijkheid over komt? Zo ja, wat is de reden dat de afgesproken regelingen voor Groningen opnieuw worden bezien?
Ja. De Nationaal Coördinator Groningen heeft een concept-meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen opgesteld waarin de aanpak voor het gebied en de daartoe te nemen maatregelen zijn beschreven. De regelingen zijn daar onderdeel van en worden in dat kader opnieuw bezien. Met betrekking tot de waardevermeerderingsregeling gaat de NCG de komende maand met de betrokkenen het gesprek aan hoe de regeling na 31 december 2015 zodanig kan worden ingericht dat deze dienstbaar wordt aan het realiseren van een collectief georganiseerde duurzaamheidsplus bovenop de versterkingsopgave binnen het gebied van 0,2 PGA-contour.
Mede vanwege het perspectief voor een nieuwe collectieve georganiseerde duurzaamheidsplus na 31 december 2015 stelt de NCG voor om de huidige regeling tot en met 31 december 2015 met terugwerkende kracht open te stellen voor vastgestelde schadegevallen buiten de huidige 11 gemeenten.
Het bericht “Roemenië voelt TTIP nu al” |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat het Canadese bedrijf Gabriel Resources haar gederfde winst wil verhalen op de Roemeense overheid, nadat Roemenië het besluit om goud te winnen annuleerde?1
Het idee van een rechtsstaat is dat iedereen zich mag verweren tegen overheidsbesluiten. Buitenlandse investeerders kunnen dat vaak zowel via de reguliere rechtsgang als via arbitrage doen. Of de claim slaagt, ligt nu ter beslissing voor aan een arbitrage tribunaal. Dat is toegestaan.
Deelt u de mening dat een dergelijke claim, die mogelijk op kan lopen tot 4 miljard euro, een enorme impact heeft op de Roemeense Rijksbegroting?
Ja.
Begrijpt u dat de bevolking ernstige bezwaren heeft tegen het plan omdat «inwoners moeten wijken voor een meer vol gif» terwijl «de mijn over 15 jaar leeg is en de natuur verwoest»?
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke claims de kans op «regulatory chill» versterken (c.q. dat overheden terughoudend worden om nieuwe regels te maken vanwege het risico van een rechtszaak)?
Nee. In investeringsverdragen worden afspraken gemaakt over een minimum bescherming. Bijvoorbeeld dat onteigening is toegestaan, mits dit gebeurt in het publieke belang, met rechtswaarborgen omkleed, zonder discriminatie wordt toepast en een redelijke schadevergoeding wordt betaald. Dit is niet anders in het Nederlands recht. Het doel daarvan is investeerders te beschermen tegen ongerechtvaardigd en willekeurig overheidshandelen. Het gaat dus niet om wat het onderwerp van overheidsingrijpen is, maar om hoe deze wordt ingevoerd. De beste garantie tegen ongerechtvaardigde claims is juist het voeren van zorgvuldig overheidsbeleid.
Hoe oordeelt u over het feit dat het bedrijf Gabriel Resources gebruik maakt van een handelsverdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en Roemenië via een dochterbedrijf op Jersey om de Roemeense staat aan te klagen? Is dit een vorm van treaty shopping volgens u? Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke praktijk is? Welke waarborgen zijn er opgenomen in de vrijhandelsverdragen van de EU met Canada (CETA) en de VS (TTIP) om treaty shopping te voorkomen?
De bedrijfsstructuur van dit bedrijf is mij niet bekend. Het is de wens van het kabinet om bedrijven zonder substantiële bedrijfsactiviteiten uit te sluiten van investeringsbescherming. Dit is onder andere aangegeven in de Kamerbrief van 25 juni 2014 in reactie op de motie Van Ojik en in reactie op uw Kamervragen met het kenmerk 2015Z11781. In CETA is de definitie van investeerder in art. X.3 opgenomen en in TTIP zal dit ook worden gedaan.
Bent u ervan op de hoogte dat er diverse voorbeelden zijn van West-Europese bedrijven die Oost-Europese staten op een vergelijkbare manier aanklagen? Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke praktijk is? Zo ja, welke conclusies verbindt u daaraan, zowel op nationaal als Europees niveau?2
Het kabinet vindt dat het een cruciaal onderdeel van de rechtsstaat is dat iedereen zich mag en kan verweren tegen een overheidsbesluit, in Nederland en daarbuiten.
Kunt u een overzicht geven van lopende arbitragezaken binnen Europa, en daarbij onderscheid maken tussen Europese en buiten Europa gevestigde bedrijven die een zaak aanspannen? Kunt u daarbij aangeven of het moeder- of dochterbedrijven betreft, en van welke handelsverdragen daarbij gebruik wordt gemaakt?
Alle bekende informatie is verwerkt in de studies van het CPB en de UNCTAD, die zijn bijgevoegd bij de beantwoording van Kamervragen van het lid Thieme met het kenmerk 2015Z05826.
Welke parallellen ziet u tussen de Roemeense casus en de scenario’s die zich kunnen voordoen onder TTIP en CETA? Kan een zaak als deze met de ISDS-clausule in CETA op dezelfde wijze worden aangespannen? Indien nee, wat zijn de verschillen? Welke les trekt u uit deze casus?
Het doel van investeringsbescherming blijft hetzelfde: bescherming tegen ongerechtvaardigd overheidsgrijpen. Er moet de garantie zijn dat overheden legitiem beleid kunnen maken om publieke belangen te beschermen. Maar overheden moeten op een behoorlijke en betrouwbare manier besturen.
In de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie voor investeringsbescherming in TTIP wordt de beleidsvrijheid voor overheden expliciet vastgelegd in een verdragsartikel. Daarnaast kunnen alleen bedrijven met een substantiële bedrijfsactiviteit gebruik maken van de geboden investeringsbescherming. Ook wordt een investeringshof voorgesteld. Dat betekent o.a. dat de zaak zal worden toegewezen aan onafhankelijke rechters en de verliezende partij in beroep kan gaan.
Deze casus bevestigt de Nederlandse inzet om het traditionele regime van investeringsbescherming te verbeteren en te vernieuwen. We presenteren nu een nieuw model dat de belangen van staten en investeerders in evenwicht brengt.
Deelt u de opvatting «Met het huidige systeem houden we een too-big-to-fail systeem voor multinationals»? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de kabinetsreactie op het AIV-rapport (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1516) wordt een historisch overzicht van de investeringsverdragen gegeven. Investeringsverdragen zijn juist in het belang van het MKB. Voordat deze verdragen werden afgesloten, waren investeerders afhankelijk van diplomatieke bescherming of van nationale procedures, die helaas niet overal onpartijdig zijn.
Waarom verkiest u arbitrage via ISDS of een Investeringshof in plaats van te kiezen voor de reguliere rechtsgang? Acht u het in het kader van de slimme overheid niet veel zinniger als staten zelf de expertise in huis halen om de nationale rechtsgang te bevorderen indien een bedrijf een zaak wil aanspannen tegen een land?
Het kabinet verkiest investeringsarbitrage of een investeringshof niet boven de reguliere rechtsgang. Integendeel, in principe zouden investeringsverdragen overbodig moeten zijn omdat nationale rechtssystemen overal voldoende waarborgen bieden aan nationale en buitenlandse investeerders. Helaas is dit niet de realiteit.
Het als nieuw verkopen van geïmporteerde sloopauto’s |
|
Duco Hoogland (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Sloopauto als nieuw verkocht» en «Glimmende Amerikaan was maanden terug nog total loss»?1
Ja.
Heeft u inzicht in de hoeveelheid naar Nederland via andere EU-landen vanuit de VS geïmporteerde auto’s die een schadeverleden hebben? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen inzicht in de totale hoeveelheid voertuigen die met een schadeverleden vanuit de VS via andere EU-landen worden aangeboden in Nederland voor herinschrijving. Op grond van de Europese Richtlijn 1999/37/EG inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen is alleen het overlegde kentekenbewijs van het laatste EU-land voor de herinschrijving relevant. Daaraan valt niet de historie van een auto af te lezen, noch wat land betreft noch wat schadeverleden betreft. Het Algemeen Dagblad ontleent de cijfers van het bedrijf Carfax, dat gegevens verzamelt (en verkoopt) over de historie van tweedehandse Amerikaanse voertuigen. Ik beschik niet over deze gegevens; de onderhoudshistorie is namelijk niet bepalend voor de actuele staat van het voertuig.
Om een indicatie van de in het artikel geschetste problematiek met geïmporteerde voertuigen via Litouwen te geven heeft de RDW wel kunnen uitzoeken hoeveel voertuigen vanuit Litouwen zijn geïmporteerd naar Nederland. Daarbij is tevens onderzocht in hoeveel van deze auto’s vanwege schade een zogenoemde WOK-status (Wachten op Keuring) hebben gekregen. Een WOK-status houdt in dat het voertuig niet mag rijden op de openbare weg; deze status kan alleen worden opgeheven als het voertuig (na herstel) een technische keuring door de RDW positief heeft doorstaan. Het betreft:
2013: 185, waarvan 8 een WOK-status kregen
2014: 193, waarvan 10 een WOK-status kregen
2015 t/m september:185, waarvan 4 een WOK-status kregen.
Welke instrumenten heeft u om de onderhoudshistorie van geïmporteerde auto’s voor consumenten inzichtelijk te maken? Benut u deze instrumenten ten volle? Zo nee, waarom niet?
De onderhoudshistorie van voertuigen is niet bepalend voor de actuele staat van het voertuig. Alle voertuigen die van buiten de Europese Unie worden geïmporteerd moeten bij een van de Europese toelatingsautoriteiten een toelatingskeuring doorstaan om vast te stellen of ze aan de Europese eisen voldoen. Bij import van voertuigen uit een ander EU-land naar Nederland controleert de RDW of het voertuig voldoet aan bepaalde technische eisen en of deze moeten worden aangemerkt als een schadevoertuig. Hiervoor wordt getoetst aan zeven schadecriteria, zoals beschadiging frame, ernstige brand- of waterschade en ernstige vervorming van de dragende carrosseriedelen. Als dit het geval is krijgen deze voertuigen de WOK-status en wordt dit geregistreerd in het kentekenregister. Uiteraard moeten alle voertuigen een geldige APK hebben om te mogen rijden op de openbare weg. Via de website van de RDW is op te vragen of een voertuig een geldige APK heeft of de WOK-status en deze informatie kan daarmee van waarde zijn voor consumenten bij de aanschaf van een voertuig.
In hoeverre kunnen particulieren autohandelaren aansprakelijk stellen als zij een schadeverleden bij verkoop hebben verzwegen? In hoeverre is het hierbij relevant of de autohandelaar van dit schadeverleden op de hoogte was?
Kopers van een voertuig kunnen de civielrechtelijke middelen aanwenden als zij een voertuig kopen dat niet aan de verwachtingen voldoet die door de verkoper zijn gewekt of als de verkoper iets heeft verzwegen.
Wat zijn de laatste ontwikkelingen rondom het voorstel van de Europese Commissie voor een verordening tot vereenvoudiging van de overbrenging van in een andere lidstaat ingeschreven motorvoertuigen binnen de interne markt?2
De onderhandelingen over het voorstel zijn recent weer opgepakt, nadat de Europese Commissie op verzoek van de Raad een aanvullend rapport heeft opgeleverd naar de mogelijke fiscale consequenties van het voorstel. De verwachting is dat volgend jaar de onderhandelingen kunnen worden afgerond.
Deelt u de mening dat een in de hele EU geaccepteerde keuring deugdelijk moet zijn, en geen papieren werkelijkheid mag zijn?
Ja.
Wat gaat u doen om de papieren werkelijkheid te doorbreken en ervoor te zorgen dat een keuring in Litouwen ook daadwerkelijk iets zegt over de kwaliteit van de geïmporteerde auto?
Hoewel er geen specifiek onderzoek naar is gedaan heb ik op dit moment geen concrete aanwijzingen dat de keuring in Litouwen van onvoldoende kwaliteit is. De RDW heeft mij laten weten geen bijzonderheden te signaleren bij geïmporteerde voertuigen uit Litouwen.
Bent u bereid met uw Litouwse collega in gesprek te gaan om de inspectie van van buiten de EU geïmporteerde auto’s te verscherpen? Zo ja, wanneer en hoe? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hiervoor op dit moment geen aanleiding, maar als er concrete signalen komen waaruit blijkt dat er iets mis is met de Litouwse keuring zal ik dat niet nalaten.
Heeft u de mogelijkheid om de Litouwse keuring tijdelijk niet te erkennen? Zo ja, bent u voornemens van deze mogelijkheid gebruik te maken? Zo nee, bent u bereid in Europees verband een voorstel te doen dat het mogelijk maakt een keuring van in gebreke blijvende landen niet te erkennen?
Voertuigen die in een ander EU-land zijn toegelaten kan Nederland in beginsel niet weigeren voor registratie. Op dit moment heb ik geen aanleiding om in Europa te pleiten om dit te veranderen. Nederland mag, zoals eerder gesteld, wel controleren of het voertuig voldoet aan bepaalde technische eisen of moet worden aangemerkt als een schadevoertuig, zodat er voor wordt gewaakt dat er geen schadevoertuigen op de Nederlandse wegen terecht komen.
Welke andere landen (naast Litouwen) worden veel gebruikt om auto’s naar de EU te importeren? Bent u bereid eveneens met uw collega’s uit deze landen het gesprek aan te gaan?
Ik heb de Rai Vereniging en de RDW gevraagd of zij over de gevraagde informatie beschikken, maar het is helaas niet bekend welke landen veel worden gebruikt om auto’s naar de EU te importeren.
De herijking van de spoorbudgetten en de gevolgen hiervan voor de regio’s en voor het programma hoogfrequent spoorvervoer |
|
Arie Slob (CU) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gelderland woedend: Mansveld veegt verbetering Gelders spoor van tafel» en «Provincies moeten bloeden voor tekort ProRail»?1 2
Ja
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk een overzicht sturen van alle door de provincies en vervoerders ingediende wensen voor de herijking inclusief een inschatting van de kosten van deze wensen?
Bijgevoegd treft u twee overzichten aan van de ingediende maatregelen en projecten. In de twee overzichten is aangegeven welke mogelijke investeringen met het betreffende voorstel volgens de indieners gemoeid zijn. De aangegeven investeringskosten per ingediend project betreffen indicaties, omdat de ingediende voorstellen in uiteenlopende fases van planvorming, onderbouwing en uitwerking zijn.
Klopt het dat door de tegenvallers bij ProRail en door risicoreserveringen van de in totaal circa 900 miljoen euro investeringsruimte voor het spoor tot 2028 nog slechts 9 miljoen euro vrije ruimte resteert?
Mogelijk wordt hier bedoeld de budgettaire spanning op beheer, onderhoud en vervanging (€ 475 mln.). Dit is overigens geen tegenvaller en gaat ook niet ten koste van de beschikbare middelen voor de herijking. Hier worden kostenbesparende maatregelen tegenovergesteld. Hierover bent u op 15 september 2015 per brief geïnformeerd (Kamerstuk 29 984, nr. 621).
Gedurende het proces is met alle betrokken partijen aan de OV en Spoortafels alsook met de Tweede Kamer steeds besproken dat voor de herijking beperkte middelen beschikbaar zijn. Daarbij was al rekening gehouden met een risicoreservering voor de beheer en onderhoudsmiddelen van € 400 mln. De recente PwC-audit bevestigt dat het verstandig is om voor het spooronderhoud in de periode 2018 tot en met 2028 een risicoreservering aan te houden.
De vrije investeringsruimte Spoor van € 906 mln. is zoals aangegeven in de begroting 2016 (artikel 13.08) in hoofdzaak bestemd voor het dekken van prijsbijstellingen, risico’s voor beheer en onderhoud en reserveringen van kosten bij lopende projecten.
Op dit moment is er in totaal nog € 9 mln. aan vrije investeringsruimte spoor over die anders kan worden ingezet. Hierbij geldt de kanttekening dat dit huidige inzichten betreft. Nieuwe risico’s en omstandigheden kunnen zowel een positief als negatief effect hebben op de vrije investeringsruimte spoor.
Klopt het dat er voor miljarden aan wensen is neergelegd en u slechts 167 miljoen euro beschikbaar heeft en dat dit bedrag naast de vrije investeringsruimte spoor van 9 miljoen euro is opgebouwd uit het benutten van vrije investeringsruimte regionaal/lokaal, het programma kleine functiewijzigingen en het programma kleine stations?
Het klopt dat er door landsdelen, NS en ProRail een groot aantal wensen en ambities is neergelegd. De projecten die door de indieners zijn aangemerkt als prioritair voor de korte en middellange termijn hebben een gezamenlijke waarde van ten minste € 1,6 miljard tot € 2,4 miljard. Dit is een gevolg van de uiteenlopende kosteninschattingen per maatregel die door de indieners zijn aangeleverd. Deze ingediende wensen zijn nieuwe voorstellen boven op de verschillende projecten die reeds onderdeel zijn van het huidige investeringspakket spoor van € 11,1 miljard.
Voor het beschikbare bedrag, de herkomst en aanwending daarvan verwijs ik u naar het voorstel dat nog onderwerp is van gesprek aan de bestuurlijke overleggen MIRT (zie bijlage)3. De uitkomsten van de MIRT- overleggen worden via de gebruikelijke MIRT-cyclus aan uw Kamer voorgelegd.
Klopt het dat u de genoemde 167 miljoen euro grotendeels wilt besteden aan extra geld voor de Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS)-corridor A2 Amsterdam–Eindhoven, voor besturing en bijsturing van ProRail, voor het voldoen aan arbonormen op emplacementen en aan enkele Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT)-projecten en dat voor de regio’s slechts 2,6 miljoen euro studiegeld resteert en 12 miljoen euro voor «wayfinding» op de stations?
Zie antwoord op vraag 4.
Klopt het dat u geen geld meer beschikbaar stelt voor de kwartierdienst op de Valleilijn en voor een volgende fase investeringen op de veel geplaagde spoorlijn Arnhem-Winterswijk? Klopt het dat u in totaal slechts 200.000 euro beschikbaar heeft voor studies voor Oost-Nederland maar geen geld hebt voor realisatie van deze studies?
Zie antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat er geen sprake mag zijn van «A-reizigers» in de Randstad en «B-reizigers» in de regio’s daarbuiten? Waaruit blijkt dit in uw voorstellen voor de herijking voor investeringen en spooronderhoud tot 2028?
Er is maar één reiziger relevant en dat is de reiziger die gebruik maakt van het OV, ongeacht waar. Die reiziger heeft recht op een goed en betrouwbaar OV dat hem of haar op een snelle manier van deur tot deur brengt. Uitgangspunt bij de herijking is dat voor zoveel mogelijk reizigers een merkbare verbetering wordt bereikt.
Betekent het benutten van het Programma kleine stations voor de herijking dat er stationsprojecten tot 2028 worden geschrapt? Kunt u aangeven welke stations tot 2028 nog worden gerealiseerd en welke stationsprojecten niet doorgaan?
Zie antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven wat concreet de gevolgen zijn van uw herijking voor de projecten voor grensoverschrijdend spoor vanuit Groningen en Limburg waarvoor net EU-subsidies zijn toegekend voor onderzoeken? Betekent dit dat u tot 2028 geen geld heeft voor deze projecten en dat hierdoor deze projecten alleen kunnen worden gerealiseerd indien de regio’s het volledig zelf financieren? Zo ja, hoe kunt u dit verantwoorden aangezien u zelf deze subsidieverzoeken heeft gesteund?3
Zie antwoord op vraag 4.
Klopt het dat er ook nog tekorten zijn voor de andere drie PHS-corridors zodat ook deze voor 2028 niet volledig kunnen worden gerealiseerd? Hoe groot zijn de financiële tekorten op PHS-corridors die niet worden gedekt door de herijking? Kunt u een indicatie geven van de gevolgen hiervan voor de door u voorgestelde PHS-dienstregeling?
Wat betreft PHS is er – zoals aangegeven in de begroting 2016- sprake van extra spanning op het PHS budget als gevolg van het afschaffen van de leenfaciliteit. Tevens is er sprake van eerder ingeboekte bezuinigingen op PHS (door vorige kabinetten), die in de diverse voortgangsrapportages van PHS zijn gemeld. In de komende voortgangsrapportage van november (VGR-11) van PHS zal het totale beeld worden geschetst.
Over de gevolgen voor de PHS-dienstregeling is nu geen uitspraak te doen, omdat de dienstregeling door een groot aantal factoren wordt bepaald, waaronder de beschikbaarheid van PHS-infrastructuur.
Kunt u dit uitleggen aan de reiziger die eerder al geconfronteerd is met uitstel van de realisatie van PHS van 2020 tot 2028 en nu nog jaren moet wachten op hoogfrequent spoorvervoer in de Randstad, terwijl deze zelfde reiziger wel ziet dat voor miljarden euro’s de snelwegen rond de vier grote steden worden verdubbeld?
Met het PHS- pakket en de andere investeringen in het spoor die in het MIRT zijn opgenomen, worden de maatregelen genomen die nodig zijn om te verwachte vervoergroei in de Randstad op te kunnen vangen en de frequenties van het spoor stap voor te stap te verhogen.
De mogelijke betrokkenheid van Nederlandse banken bij valutafraude |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Megaclaims valutafraude bereiken Europa»?1
Ja.
Klopt het dat er internationaal al voor ongeveer 10 miljard euro is geschikt in valutafraudezaken?
Ik beschik niet over nadere informatie over schikkingen met buitenlandse autoriteiten inzake valutafraude, anders dan de informatie die hierover in de media is verschenen. Ik kan daarom geen uitspraak doen over het (totaal)bedrag van eventuele schikkingen.
Doen buitenlandse toezichthouders onderzoek naar valutafraude door Nederlandse banken?
Ik heb geen signalen ontvangen dat dit het geval is.
Klopt het dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en/of De Nederlandsche Bank (DNB) momenteel onderzoek naar valutafraude door Nederlandse banken? Zo ja, wanneer is dat onderzoek naar verwachting afgerond?
De AFM en DNB doen op dit moment onderzoek naar betrokkenheid van Nederlandse financiële instellingen bij valutahandel en -benchmarks; dit onderzoek zal naar verwachting dit jaar worden afgerond.2 Het primaire doel van dit onderzoek is om in kaart te brengen of, en zo ja in hoeverre, Nederlandse banken betrokken zijn bij valutahandel en hoe zij omgaan met eventuele risico’s die daaruit voortvloeien. Mocht het onderzoek hier aanleiding toe geven, dan zullen de AFM en DNB bezien of in een individueel geval handhavend opgetreden kan worden.
Zijn er bij Nederlandse banken mensen ontslagen vanwege (vermeende) valutafraude? Zo ja, waar en hoeveel medewerkers zijn ontslagen, en welke sancties zijn aan deze medewerkers opgelegd?
Ontslag van medewerkers of andere (disciplinaire) maatregelen die een onderneming oplegt aan haar medewerkers zijn arbeidsrechtelijke aangelegenheden van de onderneming zelf. Ik heb daarom, anders dan de berichtgeving in de media, hierover geen nadere informatie.
Deelt u de mening dat medewerkers die dit soort benchmarks manipuleren ook strafrechtelijk vervolgd dienen te worden? Zo ja, worden medewerkers die ontslagen zijn vanwege valutafraude ook strafrechtelijk vervolgd?
Ik ben met u eens dat personen die benchmarks manipuleren strafrechtelijk vervolgd moeten kunnen worden. Per 1 januari 2015 is daarom, vooruitlopend op Europese regelgeving, een verbod op het manipuleren van benchmarks in de Wft opgenomen. De AFM is belast met het toezicht op de naleving van dit verbod en kan bij overtreding hiervan bijvoorbeeld een bestuurlijke boete opleggen. Via de Wet op de economische delicten is voornoemd verbod ook strafrechtelijk vervolgbaar. Het Openbaar Ministerie zal in een concreet geval – na overleg met de AFM – de afweging maken of het opportuun is om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging.
Bij de Liborfraude zijn er boetes opgelegd van tezamen honderden miljoenen euro’s; zijn er risico’s voor de bufferposities en daarmee de financiële stabiliteit van Nederlandse banken?
Wat betreft de LIBOR-fraude, heeft de enige betrokken Nederlandse bank – in dit geval Rabobank – aangegeven dat de transactiebedragen, hoewel aanzienlijk in omvang, geen gevaar vormden voor de kapitaalspositie van de bank. Op dit moment zijn bij mijn weten geen schikkingen getroffen of boetes opgelegd aan Nederlandse financiële instellingen voor valutafraude. Ik zie op dit moment dan ook geen risico’s voor de kapitaalposities van Nederlandse banken.
Nederlandse banken hebben naar aanleiding van een AFM-rapport over de betrokkenheid van Nederlandse banken bij financiële benchmarks toegezegd de interne processen aan te scherpen om manipulatie te voorkomen; wat is de stand van zaken met betrekking tot het doorvoeren van deze verbeteringen?
De AFM en DNB hebben aangegeven dit najaar te rapporteren over de voortgang van instellingen met het realiseren van verbeteringen in de risicobeheersing, inclusief de opvolging van de door de toezichthouders opgestelde good practices zoals opgenomen in de rapportage van de toezichthouders van februari dit jaar.
Het wel of niet verdwijnen van expertises bij het NFI |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw eigen uitspraken tijdens het debat naar aanleiding van het verslag van een Algemeen overleg (VAO) over de bezuinigingen op het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 2 september 2015, namelijk dat handschrift-, verf- en haaronderzoek niet zullen verdwijnen bij het NFI, het NFI verantwoordelijk blijft voor de opdracht en dat de kwaliteit door het NFI kan worden gegarandeerd?
Ja.
Hoe staan deze uitspraken in verhouding tot de interne berichtgeving dat deze drie expertises uit het Service Level Agreement worden gehaald en dus wel weggaan bij het NFI, de verantwoordelijkheid van het NFI stopt en de medewerkers de kwaliteit niet meer kunnen toetsen omdat die deskundigheid er niet meer is?1
Gegeven de geringe vraag naar deze kleine gebieden is de continue beschikbaarheid ervan niet vanzelfsprekend en bedrijfseconomisch niet verantwoord. De drie betreffende onderzoeksgebieden worden weliswaar uit het SLA gehaald, maar het NFI blijft de onderzoeksgebieden wel aanbieden.
Het NFI zal dit type onderzoek niet meer zelf uitvoeren maar hiertoe de samenwerking met andere partijen zoeken. De noodzakelijke capaciteit blijft hiermee voor OM en politie beschikbaar.
De verantwoordelijkheid van het NFI stopt niet op het moment dat het onderzoek via samenwerking door andere partijen wordt gedaan, maar zal wel anders worden ingevuld. Het NFI gaat alleen met aanbieders in zee die aan grondige en objectieve kwaliteitsnormen voldoen. Waar dat toepasbaar is betekent dit accreditatie, registratie bij NRGD en/of vergelijkbare internationale instantie (zoals bv de Forensic Regulator in het Verenigd Koninkrijk).
Klopt het dat de deskundigen op het gebied van handschrift-, verf- en haaronderzoek in de toekomst niet meer (in die hoedanigheid) werkzaam zullen zijn bij het NFI? Wat zijn de verwachte kosten die gepaard gaan met hun ontslag?
Dat klopt, de betreffende deskundigen vallen onder de Van Werk Naar Werk -regeling (VWNW). Dat betekent dat nu samen met hen wordt gewerkt aan mobiliteit binnen of buiten de rijksoverheid. Zo kan het zijn dat deze deskundigen bij een particuliere aanbieder in dienst treden die een grotere markt kan bedienen dan het NFI. Ik sluit niet uit dat het NFI via deze route gebruik blijft maken van de expertise van deze deskundige.
De kosten die met de VWNW regeling gemoeid zijn, zijn voor een groot deel afhankelijk van individuele afspraken die gemaakt worden. Zo mogelijk leiden die afspraken tot eenmalige extra kosten in 2015 (indien een vertrekregeling wordt overeengekomen) en eventueel in 2016 of volgende jaren. Een en ander conform het rijksbrede VWNW-beleid.
Op welke manier zal de politie resp. het openbaar ministerie (OM) resp. het NFI kunnen controleren of de inhoudelijke kwaliteit van een rapportage voldoende is?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de zorgen van het OM geuit naar aanleiding van de reorganisatie?2
Zoals ik reeds aan uw Kamer heb gemeld tijdens het VAO aangaande de bezuinigingen bij het NFI op 2 september jl., ben ik met alle partijen in goed overleg over de uitvoering van de taakstellingen bij het NFI en de gevolgen voor politie en OM. Dat proces is nog niet afgerond.
Daarnaast heb ik met instemming van de politie, het OM en het NFI, het door u aangehaalde concept-document doorgestuurd naar professor Zouridis van de Tilburg Law School om de hier aan de orde gestelde punten mee te nemen in de reeds lopende driejaarlijkse signalering. Hierin wordt onder ander ingegaan op de strategische ontwikkelingen in het veld van de forensische opsporing en de wisselwerking tussen politie, OM, NFI en particuliere instituten. Ik heb u in het voornoemde VAO reeds toegezegd dat ik de uitkomsten van dit onderzoek begin volgend jaar met uw Kamer zal delen.
Wat is de beoogde besparing door het opheffen van de drie expertises? Wat zijn de verwachte kosten voor de uitbesteding? Klopt het dat deze neerkomen op ruim 326.000 euro?
De maatregelen leveren naar verwachting een besparing op van ongeveer een half miljoen Euro. De verwachte kosten voor uitbesteding zijn 326.250 euro gebaseerd op 60 handschrift onderzoeken, 30 verfonderzoeken en 30 haaronderzoeken. De verwachting is dat deze inschatting aan de hoge kant is aangezien de huidige instroom al lager lijkt uit te vallen en naar verwachting de komende jaren nog verder zal teruglopen door de steeds geringer wordende strafrechtelijke impact en voortschrijdende technische ontwikkelingen op andere onderzoeksgebieden die deze onderzoeken kunnen vervangen.
Zoals ik uw Kamer bij brief van 13 juli heb geïnformeerd, heb ik het NFI verzocht de taakstelling op dit punt op een andere wijze in te vullen zodat het NFI onderzoek op de gebieden van handschriftanalyse, verfonderzoek en morfologisch vergelijkend haaronderzoek kan blijven aanbieden tot de vraag is opgedroogd. Om de capaciteit te blijven garanderen, zal het NFI het onderzoek niet ten alle tijden zelf uitvoeren, maar zal er via outsourcing een samenwerking met andere partijen worden gecreëerd.3
Waarom is er bijvoorbeeld niet voor gekozen om handschriftonderzoek onder te brengen bij de afdeling Biometrie, haaronderzoek onder te brengen bij de afdeling Biologie/DNA-onderzoek en verfonderzoek onder te brengen bij de afdeling Microsporen en Materiaalonderzoek?
Het NFI heeft een ombuigingsopdracht en een vernieuwingsopdracht. De betreffende gebieden zijn in zaaksomvang klein (en kwetsbaar), met in de regel een geringe strafrechtelijke impact. Overigens zijn waar mogelijk kleine onderdelen van deze gebieden ondergebracht bij bestaande groepen waardoor zij bijvoorbeeld beschikbaar blijven als selectie instrument.
Hoe verklaart u de financiële tegenvaller van ongeveer 7 miljoen euro en hoe worden deze kosten opgevangen?3
Het doorvoeren van de reorganisatie brengt ook kosten met zich. Onder andere in het kader van het Van Werk Naar Werk traject. Het betreft dan ook geen tegenvaller in de uitvoering van de structurele taakstelling, maar incidentele kosten over een reeks van jaren van in totaal 7 miljoen Euro. Ik ben dan ook nog met het NFI in overleg over de daadwerkelijke hoogte van deze reorganisatievoorziening en de invulling ervan.
Verwacht u dat er in de toekomst andere expertises zullen verdwijnen bij het NFI? Kunt u uw antwoord toelichten?
Innovatie is een continu proces. Expertises zullen door ontwikkelen en op termijn soms zelfs vervangen worden door andere. Een periodieke portfolio herijking in afstemming met de ketenpartners is dan ook gegeven de diverse (o.a. technologische) ontwikkelingen een goede zaak en kan leiden tot het afstoten van bepaalde expertises (ten gunste van andere/nieuwe). Dit is dan ook niet uit te sluiten, maar ik wil dit niet echter niet duiden als een negatieve ontwikkeling.
Wat is uw reactie op het negatieve advies van de ondernemingsraad van het NFI over de reorganisatie, onder andere vanwege het ontbreken van onvoldoende financiële en forensisch wetenschappelijke onderbouwing? Hoe wordt gehoor gegeven aan dit advies?
Ik heb kennis genomen van het advies van de ondernemingsraad van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ten aanzien van het O&F rapport. Het advies van de ondernemingsraad is primair onderwerp van overleg tussen de directie van het NFI en de OR.
Over de voortgang, eventuele knelpunten en financiële tegenvallers in de uitvoering van het O&F rapport vindt regelmatig overleg plaats tussen het NFI en mijn departement. Ik heb er alle vertrouwen in dat de directie van het NFI op een juiste wijze invulling geeft aan de taakstelling en daarbij voldoende rekening houdt met de positie van haar werknemers.
Heeft de door u serieus te nemen motie-Roemer c.s. gevolgen voor de financiële middelen bij het NFI? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Over het ter beschikking te stellen budget voor 2016 voer ik binnenkort op basis van het jaarplan van het NFI overleg.
Het bericht dat gemeenten in Gelderland 1,1 miljoen willen investeren in een ondersteuningsbureau dat de inkoop voor Jeugdzorg en Wmo regelt |
|
Nine Kooiman , Henk van Gerven |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het artikel dat de gemeenten Beuningen, Druten, Groesbeek, Heumen, Mook en Middelaar, Wijchen en Nijmegen 1,1 miljoen euro gaan investeren in een zorginkoop ondersteuningsbureau?1
Ik heb kennis genomen van het artikel en vastgesteld dat de gemeenten in regionaal verband investeren in de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Vindt u het wenselijk dat 1,1 miljoen euro besteed wordt aan mensen die niet daadwerkelijk zorg verlenen, maar slechts ondersteunen bij het inkopen van zorg? Zo ja, waarom vindt u dit wenselijk? Zo nee, wat gaat u doen om de oprichting van dit ondersteuningsbureau tegen te gaan?
Ik vind het wenselijk dat gemeenten investeren in een goede uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Inkoop van adequate zorg en ondersteuning is een noodzakelijke voorwaarde voor een goede uitvoering van de genoemde wetten. De wijze waarop gemeenten de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet organiseren, is de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Dit geldt ook voor de besteding van de financiële middelen die zij daarvoor inzetten.
Hoeveel procent van het totale budget is de 1,1 miljoen euro investering in de zorg? Wat is het landelijk gemiddelde percentage dat gemeenten van hun zorgbudget besteden voor zorgbemiddeling?
Het totale budget voor de betreffende gemeenten is € 108 mln. De besteding aan het ondersteuningsbureau bedraagt dus 1% van het totale budget.
Welke overheadkosten maken deze gemeenten nog meer voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning en voor jeugdzorg? Hoe verhoudt het totaal percentage aan overheadkosten van deze gemeenten zich tot het landelijk gemiddelde?
Uit informatie van de betrokken gemeenten blijkt dat de uitvoering van de Wmo 2015 en van de Jeugdwet in deze gemeenten zeer is verweven met de uitvoering van andere gemeentelijke taken, waarbij bestaande capaciteit wordt ingezet voor nieuwe taken. Dit maakt dat het, aldus deze gemeenten, niet mogelijk precies aan te geven welke overheadkosten nog meer zijn verbonden aan de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Deze gemeenten geven aan ernaar te streven om de overheadkosten voor nieuwe taken te beperken tot 1% van het budget voor de lokale uitvoering en 1% van het budget voor de regionale uitvoering.
Is dit bedrag een eenmalige investering of wordt dit bedrag jaarlijks van het totaalbudget voor Wmo en jeugdzorg van deze gemeenten uitgegeven?
Uitgangspunt van deze gemeenten is dat jaarlijks 1% van het totale budget wordt besteed aan regionale uitvoering.
Hoe garandeert u als stelselverantwoordelijke dat iedereen in de genoemde gemeenten de zorg ontvangt die hij of zij nodig heeft?
Zowel in de Jeugdwet als in de Wmo 2015 zijn naar mijn oordeel voldoende waarborgen opgenomen dat cliënten de zorg en of ondersteuning ontvangen die noodzakelijk is. Hierbij is het uitgangspunt dat de gemeenteraad primair toeziet op de juiste uitvoering van beide wetten. Indien blijkt dat een gemeente meer dan incidenteel afwijkt van de wettelijke kaders en de gemeenteraad haar verantwoordelijkheid niet neemt, dan kan ik gebruik maken van de bevoegdheden zoals die zijn vastgelegd in de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Wet revitalisering generiek toezicht.
Wat zijn de gemiddelde transactiekosten van gemeenten bij de inkoop van jeugdzorg en voorzieningen Wmo vergeleken met de situatie toen deze zaken nog onder de AWBZ/zorgkantoor dan wel provincie vielen? Wat is uw oordeel over deze verschillen in transactiekosten?
Er is landelijk geen inzicht in de gemiddelde transactiekosten van gemeenten bij de inkoop van jeugdzorg en voorzieningen op basis van de Wmo 2015. Vanwege het ontbreken van dit inzicht is het niet mogelijk deze vraag te beantwoorden.