Het bericht ‘Uitgehuwelijkt: ‘Teruggaan betekent mijn dood’’ |
|
Sadet Karabulut , Keklik Yücel (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Uitgehuwelijkt: «Teruggaan betekent mijn dood»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat vrouwen door hun familie, zijnde op vakantie buiten Nederland, worden gedwongen tot het sluiten van een huwelijk? Zo ja, wat doet u hier tegen? Zo nee, waarom niet?
Huwelijksdwang en achterlating beschouwt het kabinet als vormen van geweld. Huwelijksdwang, al dan niet in combinatie met achterlating, is verboden en strafbaar, en verhoudt zich op geen enkele wijze met de Nederlandse rechtsorde. Het gaat om ernstige schendingen van het recht van mensen om keuzen te maken over eigen lijf, leden en toekomst, over persoonlijk welzijn en brengt slachtoffers in ingrijpende loyaliteitsconflicten. Slachtoffers bevinden zich vaak in een afhankelijkheidsrelatie met familie waar zij zich niet makkelijk uit los kunnen maken. Het is extra schrijnend als de dwang wordt uitgeoefend door degenen die juist borg moeten staan voor genegenheid en voor het bieden van ontplooiingsmogelijkheden.
Het is buitengewoon moeilijk om vanuit Nederland te voorkomen dat vrouwen die op vakantie zijn in een land waarin ze familie hebben wonen, zich gedwongen voelen om daar een huwelijk te sluiten. Het kabinet zet daarom vooral in op preventie en voorlichting, zie de antwoorden op de vragen 5 en 6 hieronder.
Welke rechtsmiddelen heeft u om deze vrouwen te beschermen? Hoe zet u die rechtsmiddelen in?
Huwelijksdwang is strafbaar (artikel 284 Wetboek van Strafrecht (Sr). Daders kunnen maximaal twee jaar gevangenisstraf krijgen. Ook de voorbereiding van huwelijksdwang is sinds 1 maart 2016 strafbaar (artikel 285b Sr). Hierop staat een gevangenisstraf van maximaal een jaar. De verjaringstermijn van zes jaar vangt pas aan als een slachtoffer achttien jaar is geworden. Een slachtoffer heeft hierdoor tijd om als volwassene na te denken over de gevolgen van het gedwongen huwelijk en om aangifte te doen. Als een Nederlander of een vreemdeling met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland iemand in het buitenland gedwongen heeft tot een huwelijk dan is vervolging in Nederland op zich mogelijk, zelfs als (de voorbereiding van) huwelijksdwang in dat andere land niet strafbaar is. Als een Nederlander of vreemdeling met een vaste verblijfplaats in Nederland in het buitenland slachtoffer is van huwelijksdwang kan de dader daarvoor in Nederland worden vervolgd.
Met de diverse wetswijzigingen van de afgelopen jaren beschikt het OM over voldoende wettelijke bevoegdheden om (voorbereiding van) huwelijksdwang op te sporen en te vervolgen. De opsporing en vervolging van huwelijksdwang is complex, omdat huwelijksdwang doorgaans een verborgen vorm van dwang is waarvan niet of nauwelijks aangifte wordt gedaan. Het is daarom belangrijk om ook in te zetten op preventieve maatregelen. De daartoe getroffen maatregelen betreffen voorlichting, bewustwording, mentaliteitsverandering, deskundigheidsbevordering en vroegsignalering (vgl. het antwoord op de vragen 5, 6 en 8).
Overigens geldt dat een in het buitenland gesloten huwelijk, als blijkt dat sprake is van huwelijksdwang, in Nederland niet zal worden erkend wegens strijd met de openbare orde. Verder kan betrokkene in Nederland om echtscheiding verzoeken. Afhankelijk van het toepasselijk recht op het huwelijk, kan ook om nietigverklaring worden verzocht. Het spreekt niet vanzelf dat een dergelijke echtscheiding of nietigverklaring in Nederland ook in het land waar het huwelijk gesloten is zal worden erkend. De volkenrechtelijke soevereiniteit van landen maakt dat zij, afhankelijk van eventuele verdragen waarbij zij zijn aangesloten, in vergaande mate vrij zijn in het bepalen welke rechtsfeiten zij wel of niet erkennen. Zo lang betrokkene in Nederland verblijft, geldt zij/hij na de echtscheiding in Nederland in ieder geval als ongehuwd en staat het vrij om desgewenst een ander huwelijk te sluiten.
Hoeveel vrouwen die in Nederland woonachtig zijn, worden door hun familie op vakantie buiten Nederland gedwongen tot het sluiten van een huwelijk?
Het is inherent aan de aard van de problematiek, dat hierover geen harde gegevens beschikbaar zijn. Met het onderzoek van het Verweij Jonker Instituut dat op 29 september 2014 naar de Tweede Kamer is gestuurd, is de (geschatte) omvang van huwelijksdwang, huwelijkse gevangenschap en achterlating voor het eerst in beeld gebracht2. Uit dit onderzoek blijkt dat het gaat om misstanden met een structureel karakter. De onderzoekers hebben een minimum omvang bepaald van 178 gevallen van achterlating voor de periode 2011–2012 op basis van registraties en dossieronderzoek. Een schatting door een groot aantal professionals voor dezelfde periode geeft een geschat aantal van minimaal 364 en maximaal 1631 gevallen van achterlating.
Deelt u de mening dat deze vrouwen geïnformeerd moeten worden over deze vorm van huwelijksdwang? Zo ja, hoe wordt dit gedaan en wordt daarbij ook aandacht besteed aan de bijkomende gevolgen van het sluiten van een religieus huwelijk? Zo, nee waarom niet?
Het kabinet deelt de mening dat voorlichting buitengewoon belangrijk is. Daartoe zijn ook de nodige maatregelen getroffen. Het Actieplan Zelfbeschikking 2015 – 2017 is inmiddels volop in uitvoering. De Minister van SZW heeft u op 31 maart jl. een rapportage gestuurd waarin de voortgang van dit actieplan wordt beschreven. Een aantal zaken hieruit noem ik hier: ieder jaar voor de zomervakantie wordt de campagne «Trouwen tegen je wil» herhaald met informatie over wat je moet doen als je bang bent te moeten trouwen tegen je wil of om te worden achtergelaten. De campagne is er op gericht jongeren te informeren over waar ze terecht kunnen voor advies en hulp. Op de site www.trouwentegenjewil.nl is ook informatie opgenomen over religieuze huwelijken en de regels daarover.
Ook is de brochure «Wat zegt de wet. Wat kun jij doen als professional» ontwikkeld, met als doel inzicht te geven in de mogelijkheden die ons recht biedt om slachtoffers van huwelijksdwang en achterlating te helpen. De brochure gaat onder meer in op de strikte regels rond het wettig huwelijk: eerst wettig en dan pas religieus trouwen. Professionals in het veld kunnen met deze brochure mensen van waardevolle informatie voorzien.
In het project bespreekbaar maken van taboe-onderwerpen hebben voorlichters/ambassadeurs voorts de onderwerpen huwelijksdwang en achterlating bespreekbaar gemaakt in hun eigen kring, zowel mannen als vrouwen, om een verandering op gang te brengen.
Ten slotte moeten alle personen persoonlijk aangifte van vertrek doen als niet alle personen van hetzelfde adres tegelijkertijd naar het buitenland vertrekken. De gemeenteambtenaren van de Basisregistratie Personen zijn geïnstrueerd over hoe ze kunnen handelen bij vermoedens van huwelijksdwang en achterlating.
Deelt u voorts de mening dat de familie, die vrouwen op vakantie buiten Nederland dwingt tot het sluiten van een huwelijk, gewaarschuwd moet worden over de gevolgen daarvan voor de vrouw in kwestie en de gevolgen voor henzelf? Zo ja, hoe doet u dit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat het sluiten van een gedwongen religieus huwelijk, met de mogelijkheid van een echtscheiding eenzijdig door de vrouw, tot nog meer huwelijksdwang leidt? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Dit is mij niet bekend.
Op welke wijze informeert u mensen, zowel vrouwen als mannen, over de mogelijke gevolgen van deze religieuze huwelijken en echtscheidingen, zoals bewustwordingscampagnes en of pilots?
Met het onderzoek van de universiteit Maastricht dat op 11 februari 2016 naar de Tweede Kamer is gestuurd, is voor eerst onderzoek gedaan naar de aard en omvang van religieuze en kindhuwelijken.3 Het kabinet trekt tot en met 2017 jaarlijks een miljoen euro uit voor de aanpak van gedwongen huwelijken. De problematiek van religieuze huwelijken wordt nu meegenomen in de aanpak van gedwongen huwelijken. In alle bestaande voorlichting, projecten en interventies gericht op preventie worden de onderwerpen kindhuwelijken, religieuze huwelijken en de regelgeving daarover meegenomen. Het COA, de aanbieders van inburgeringscursussen, professionals, geestelijk bedienaren, docenten en gemeenten, krijgen informatie over religieuze huwelijken aangeboden. De informatie wordt tevens uitgereikt aan maatschappelijke organisaties (waaronder vrouwen en jongeren) die zich bezighouden met deze onderwerpen en aan sleutelfiguren en voorlichters die actief zijn met het bespreekbaar maken van taboeonderwerpen in hun eigen gemeenschappen.
De waardevermeerderingsregeling |
|
André Bosman (VVD), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de waardevermeerderingsregeling, waarvan de middelen uitgeput zouden zijn?1
Ja.
Is het waar dat het budget van 125 miljoen euro al is overschreden? Zo ja, met hoeveel?
Voor de interim waardevermeerderingsregeling geldt een budget van € 124,6 mln. Op dit moment is voor € 85 miljoen uitgegeven aan goedgekeurde aanvragen.
Is het waar dat daardoor vele aanvragen niet meer gehonoreerd kunnen worden? Zo ja, hoeveel?
Daarover kan nog geen uitsluitsel worden geven. Als alle ingediende aanvragen en aanvragen die op basis van schademeldingen nog kunnen volgen worden goedgekeurd zal het subsidieplafond ruim worden overschreden.
Was in voldoende mate bekend dat het hier niet ging om een open einde regeling, maar een regeling met een plafond?
Van het begin af aan was duidelijk dat de interim waardevermeerderingsregeling, die door de provincie Groningen is vastgesteld, een budget kende van maximaal 124,6 miljoen euro.
Op welke manier gaat u de motie-Bosman c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 242) uitvoeren?
Genoemde motie verzoekt de regering om, bij de behandeling van de komende Voorjaarsnota te komen met een voorstel voor behoud van de waardevermeerderingsregeling in de oude vorm of een vergelijkbare regeling.
In het kader van de voorjaarsnota zal ik in het kabinet over deze motie spreken, vervolgens informeren wij de Kamer.
Deelt u de mening dat er een bepaalde mate van continuïteit tussen opeenvolgende regelingen moet zijn? Wanneer kan de vernieuwde regeling van start gaan?
Hierover zal ik u na besluitvorming in het kabinet over de voorjaarsnota berichten.
Het bericht dat er aanhoudingen zijn gedaan bij de ontruiming van het gemeentehuis van Winterswijk |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Waarom is de beslissing genomen het gemeentehuis in Winterswijk te ontruimen?1
De burgemeester heeft besloten het gemeentehuis te laten ontruimen nadat bleek dat de actievoerders niet de voorschriften en beperkingen in acht namen die door de burgemeester waren gesteld.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de mogelijkheid voor fracties om een openbare fractievergadering te houden?
Dit besluit tot ontruiming laat de mogelijkheid voor fracties om een openbare fractievergadering te houden onverlet.
Was deze ontruiming volgens u gerechtvaardigd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
De beoordeling van de gerechtvaardigdheid van deze ontruiming komt toe aan de betrokken burgemeester. Deze legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties treedt niet in de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van deze ontruiming.
Vindt u dat thuiszorgmedewerkers het recht hebben om actie te voeren tegen het uitkleden van hun arbeidsvoorwaarden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zou deze manier van actievoeren volgens u niet gerechtvaardigd zijn?
Ja, thuiszorgmedewerkers hebben het recht om desgewenst actie te voeren. Het is aan de burgemeester om ter handhaving van de openbare orde en veiligheid voorschriften en beperkingen te stellen waaraan de actievoerders zich dienen te houden. Indien actievoerders dergelijke voorschriften en beperkingen niet in acht nemen is het aan de burgemeester om daaraan consequenties te verbinden.
Het bericht ‘Fileprobleem neemt ook dit jaar verder toe’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fileprobleem neemt ook dit jaar verder toe»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit bericht? Deelt u de zorgen van de ANWB? Zo nee, waarom niet?
In de afgelopen jaren hebben we, voornamelijk door aanleg en verbreding van wegen en het programma Beter Benutten, een afname van de files in Nederland gezien van in totaal 15%. Vanzelfsprekend speelde de economische crisis daarbij ook een rol maar dit effect was drie keer kleiner dan het effect van onze eigen investeringen [Mobiliteitsbeeld KiM 2015]. In 2015 staan de seinen voor de Nederlandse economie weer op groen en dat is goed nieuws.
Het gevolg is wel dat de drukte op de weg groeit en de files de komende jaren weer gaan toenemen [Mobiliteitsbeeld KiM 2015]. Dat is niet onverwacht; het komt overeen met onze eigen inschattingen. De toenemende drukte op de wegen onderstreept de noodzaak om zowel in als buiten de Randstad voluit door te gaan met de aanleg en verbreding van wegen, en met slimme maatregelen zoals in het programma Beter Benutten.
Komt de stijging van de filedruk waaraan de ANWB refereert overeen met uw prognoses en klopt deze stijging? Zo nee, welke aannames lagen ten grondslag aan uw prognoses en waar wijken deze af van het huidige beeld?
In het Mobiliteitsbeeld 2015 heeft het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid een toename geraamd van het reistijdverlies op het hoofdwegennet van 45% tussen 2014 en 2020. Voor het jaar 2015 raamde het KiM een toename van het reistijdverlies van 19% en volgens RWS (februari 2016) was er in 2015 een toename van 22%. Deze percentages zijn in lijn met de gegevens van de ANWB. Ik verwacht dat de files dit jaar ook nog zullen toenemen, maar minder dan de ANWB verwacht.
Het KiM baseert zich op prognoses van het CPB over economische groei en de olieprijzen en op de verwachte realisatie van het aanlegprogramma in het MIRT. De huidige verkeersgroei is in lijn met de prognoses van het CPB en het KiM. Twee belangrijke projecten uit 2015, de A4 Delft-Schiedam en de A15 MAVA, zijn pas eind van het jaar opengesteld. De effecten ervan werken pas in 2016 volledig in de filecijfers van de Randstad door. Naast de andere openstellingen in 2016 (bv A12 Ede-Grijsoord en A2 passage Maastricht) zorgt dit in 2016 voor minder groei van de file dan in 2015.
Hoe beoordeelt u de oproep van de ANWB dat woon-werkverkeer, nog meer dan nu, gespreid moet worden? Ziet u dat ook als de belangrijkste oplossing? Zo ja, hoe zou u dat willen bereiken? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat we doorpakken met de projecten die richting en na 2020 de files zullen reduceren. Spreiden van het woon-werkverkeer zie ik daarbij als een kansrijke maar zeker niet als enige oplossing. Ik zet juist in op een breed pakket aan bereikbaarheidsoplossingen waarbij aanleg en verbreding van wegen, verkeersmanagement en gedragsmaatregelen een rol spelen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met werkgevers (organisaties zoals VNO-NCW) teneinde een convenant te sluiten waarin afspraken worden gemaakt om de filedruk te verminderen door middel van flexibele werktijden voor werknemers?
In het programma Beter Benutten ben ik in gesprek met werkgevers over flexibele werktijden, thuiswerken en alternatieve modaliteiten om de files terug te dringen. Tot en met 2017 ligt de nadruk in het programma Beter Benutten op maatregelen die reizigers in staat stellen op een slimme manier snel op de plek van bestemming te komen. Een bijzonder onderdeel van het programma vormen de «slimme deals» met het bedrijfsleven. Dit zijn afspraken met bedrijven om werknemers minder in de spits te laten reizen, bijvoorbeeld met mogelijkheden om flexibel te werken of met e-bike-acties.
Medische thermografie |
|
Leendert de Lange (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de tv-uitzending van 29 februari j.l. over medische thermogafie?1
Ja.
Wat is uw oordeel over deze uitzending?
De uitzending geeft een beeld van commerciële bedrijven die thermografie aanbieden als pijnloos gezondheidsonderzoek. Deze aanbieders zeggen «officieel» dat hun methode niet geschikt is om borstkanker aan te tonen, maar wekken wel die suggestie via onder andere hun websites. In de uitzending blijkt uit opnames met een verborgen camera dat aanbieders ook in het contact met cliënten beweren dat tumoren opgespoord kunnen worden met behulp van thermografie.
Er is geen wetenschappelijk bewijs dat thermografie een goed alternatief is voor mammografie in het bevolkingsonderzoek. Dit schrijft de Gezondheidsraad in het advies van 22 januari 2014 over het bevolkingsonderzoek borstkanker. Radiologen geven aan dat thermografie temperatuurverschillen in de huid laat zien met behulp van infraroodopnamen. Infrarood kan niet diep door de huid heen dringen. Tumoren zitten vaak dieper in het weefsel. Hierdoor is deze methode niet geschikt om tumoren op te sporen, zeker niet in een vroeg stadium.
Hoe kijkt u aan tegen het beeld dat uit deze uitzending naar voren komt over de verstrekte informatie rond medische thermografie? Kunt u dit onderbouwen met een kwalificatie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u informatie verstrekken over de medische effecten en uitkomsten van medische thermografie in relatie tot borstkankeronderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat deze vorm van informatieverstrekking door betrokkenen bij medische thermografie de bevolkingsonderzoeken naar borstkanker verstoort, en daarmee ondermijnt? Zo ja, geeft dit aanleiding nadere maatregelen te nemen?
Over het commerciële aanbod aan thermografie heeft de Gezondheidsraad in genoemd advies aangegeven dat uit enquêteonderzoek blijkt dat respondenten de positieve reclameboodschap voor thermografie overtuigend vinden en er een aantrekkelijk alternatief voor mammografie in zien. Het is niet ondenkbaar dat vrouwen hierdoor aan het bevolkingsonderzoek worden onttrokken met de misleidende beweringen dat thermografie een goed en pijnloos alternatief is voor een mammografie.
In de uitzending hebben de aanbieders van thermografie zich ook negatief uitgelaten over het bevolkingsonderzoek: veel vrouwen zouden overlijden juist als gevolg van de straling die wordt gebruikt bij de mammografie. Het RIVM heeft signalen ontvangen van de screeningsorganisaties dat deze boodschap is blijven hangen bij mensen en dat ze zich daarom afmelden voor het bevolkingsonderzoek.
Op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO) is het verboden om zonder vergunning van de Minister van VWS bevolkingsonderzoek, geneeskundig onderzoek, aan te bieden waarbij gescreend wordt op kanker. Een vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien de Gezondheidsraad heeft vastgesteld dat het geneeskundig onderzoek naar wettelijke maatstaven deugdelijk is en in overeenstemming is met wettelijke regels voor medisch handelen. Bovendien moet het nut van het bevolkingsonderzoek opwegen tegen de risico’s daarvan voor de gezondheid van de te onderzoeken personen.
Geen enkele aanbieder van thermografie heeft een WBO-vergunning aangevraagd en gekregen.
De IGZ heeft eerder over thermografie een melding ontvangen en het onderzoek hiernaar loopt op dit moment. Ze zal in haar onderzoek relevante informatie uit het programma Tros Radar meenemen. Misleidende informatie geven aan cliënten waardoor zij afzien van reguliere screening is ook verboden. De IGZ neemt ook dit aspect mee in haar onderzoek. De Inspectie verwacht haar onderzoek na de zomer af te ronden.
Gaat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) dit onderzoeken, daar in de uitzending wordt gesproken over een mogelijke actie van de IGZ? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wildstroperij |
|
Henk Leenders (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de groene buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s), die belast zij met het opsporen van wildstroperij, vaak alleen (’s nachts) op pad zijn en daardoor een aanzienlijk risico lopen bij de bestrijding van de (georganiseerde) wildstroperij, zoals ook naar voren kwam in de uitzending van het programma GLD Vandaag op Omroep Gelderland van 23 februari 2016? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor de inzet van groene boa’s berust bij hun (particuliere) werkgevers. Die bepalen of, en zo ja, hoe vaak hun boa’s, al dan niet alleen, in de nachtelijke uren op pad gaan. Toezicht en handhaving in de buitengebieden is een onderwerp voor overleg in de lokale driehoeken (politie, OM en de burgemeesters). Dat betekent dat afspraken over inzet, handhaving, gezamenlijke inspanningen in de buitengebieden in deze driehoeken aan de orde komen. In voorkomende gevallen wordt er samengewerkt met de lokale politie (basisteams). De politie biedt operationele ondersteuning. Dit kan incidenteel zijn, maar ook geprogrammeerd of op projectbasis. De mate en wijze van samenwerking is afhankelijk van de problematiek en de lokale situatie.
Heeft u gegevens over de mate waarin er het afgelopen jaar verzocht is om bijstand van de politie door een BOA bij zijn/haar (nachtelijke) patrouilles in de strijd tegen wildstroperij? Heeft u anderszins inzicht in de mate waarin de politie groene BOA’s bij hebben gestaan het afgelopen jaar?
Door de politie wordt niet geregistreerd hoe vaak door boa’s om bijstand wordt gevraagd. Er zijn bij de politie ruim 7.000 incidenten en activiteiten in 2015–2016 geregistreerd met betrekking tot flora en fauna. In de meeste van die gevallen is samengewerkt met groene boa’s.
In hoeverre is er in de opleiding van de verschillende type BOA’s (politie, boswachter, etc.) aandacht voor de bestrijding van de (georganiseerde) wildstroperij? Bent u van mening dat de huidige opleidingen van de groene BOA’s nog steeds toereikend zijn in vorm en aanbod, gezien de steeds zwaardere en andere vormen van criminaliteit die plaats hebben in bossen en natuurgebieden?
De professionaliteit van boa’s in buitengebieden is van groot belang. Ze komen uiteenlopende situaties tegen waarin ze moeten handelen. Ze passen hun opsporingsbevoegdheden toe en kunnen geweldsbevoegdheden en -middelen inzetten. Door groene boa's en hun werkgevers is de afgelopen jaren aangegeven dat de opleiding niet aansluit bij de praktijk. Zoals in mijn brief van 17 april 2015 aan uw Kamer1 is toegezegd, is er inmiddels een examencommissie voor het domein milieu, welzijn en infrastructuur (domein II) opgericht. Er wordt nu meer aandacht besteed aan de context en aan beroepsrelevante vaardigheden. In de examencommissie zitten vertegenwoordigers van alle typen boa’s in domein II. Zij dragen er mede zorg voor dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de domeinspecifieke kennis en vaardigheden.
Vanwege het specifieke werkterrein van bepaalde groepen boa’s (waaronder ook boa’s in de functiegroep van flora- en faunabeheer, waarbij wildstroperij moet worden ingedeeld) zijn opleidingen (deels) op maat ontwikkeld, dan wel worden deze ontwikkeld in het licht van die competenties die noodzakelijk worden geacht voor het specifieke werkterrein. Actuele trends of ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn om een dergelijke opleiding op maat aan te bieden.
Klopt het dat de registraties die groene BOA’s gebruiken in de strijd tegen wildstroperij niet of nauwelijks verbonden zijn met de registraties die politie en justitie gebruiken en dat dit een van de oorzaken is dat er geen verdere gegevens bekend zijn over de activiteiten van groene BOA’s ter bestrijding van wildstroperij? Zo nee, waarom niet?
Het is juist dat groene boa’s enerzijds en politie en justitie anderzijds een afzonderlijk registratiesysteem hanteren. De primaire reden hiervan is dat politionele en justitiële informatie op grond van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens niet zonder meer met een boa gedeeld kunnen worden.
De reden dat er geen concrete gegevens bekend zijn over de activiteiten van groene boa’s ter bestrijding van wildstroperij is, zoals ik in de beantwoording van recente Kamervragen2 reeds aangaf, gelegen in het feit dat wildstroperij in zichzelf niet een in de wet opgenomen strafbaar feit betreft en wildstroperij dientengevolge geen registratiekenmerk is in de registratiesystemen van de politie en het OM.
Bent u voornemens om, teneinde de (georganiseerde) wildstroperij beter te kunnen bestrijden, te investeren in de registratie van de vergrijpen die samenhangen met stropen? Bent u daarbij bereid wildstroperij als apart vergrijp te gaan registreren teneinde beter inzicht te kunnen krijgen in dit type vergrijp? Zo nee, waarom niet?
De politie registreert wildstroperij onder strafbare feiten uit de Flora- en faunawet (verbod om dieren te doden) en de Wet wapens en munitie (illegaal wapengebruik). Wildstroperij is geen afzonderlijk in de wet opgenomen strafbaar feit, waardoor aparte registratie niet mogelijk is. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4.
In hoeverre is de uitrusting van BOA’s die belast zijn met de bestrijding van (georganiseerde) wildstroperij gestandaardiseerd? Heeft u signalen dat de uitrusting van de verschillende BOA’s niet (meer) voldoet aan de huidige situatie waarin stropers de beschikking blijken te hebben over zware wapens zoals, bijvoorbeeld, semiautomatische machinepistolen? Zo ja, bent u voornemens om aanpassingen door te voeren in de uitrusting van deze BOA’s teneinde hen hun taak veilig uit te kunnen laten voeren?
Volgens de door mij vastgestelde beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar3 kan de boa milieu, welzijn en infrastructuur optioneel beschikken over de politiebevoegdheden bedoeld in artikel 7, eerste en derde lid van de Politiewet 2012 en over handboeien, wapenstok, pepperspray, surveillancehond en/of vuurwapen. De werkgever van de groene boa kan een bepaald geweldsmiddel aanvragen voor zijn groene boa gelet op het takenpakket dat wordt uitgevoerd. De noodzaak van het uitrusten met dit geweldsmiddel dient door de werkgever te worden onderbouwd. Ook dient aangetoond te worden dat de boa bekwaam is in de omgang met dat geweldsmiddel. De aanvraag wordt door mij beoordeeld met inachtneming van het advies van de politie daarover. Om hun taak veilig te kunnen uitvoeren kunnen de boa’s, indien de noodzaak daartoe is aangetoond, dus over de benodigde geweldsmiddelen beschikken.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de terrein beherende organisaties over de aanpak van wildstroperij en de rol/inzet van groene BOA’s hierin? Zo ja, kunt u de uitkomsten van dit gesprek delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Met de terreinbeherende organisaties zijn er vanuit mijn ministerie goede contacten en vindt er periodiek overleg plaats over het beter kunnen functioneren van de groene boa’s en de samenwerking met de politie. In mijn brief van 19 februari 20164 heb ik aan uw Kamer gemeld dat thans uitwerking gegeven wordt aan het voornemen om in samenspraak met het Interprovinciaal Overleg (IPO) een beweging in gang te zetten om per provincie een tactisch platform c.q. coördinatiepunt in te richten. Dit gremium is dan de plaats waar een structureel overleg tussen de werkgevers van de groene boa's, bestuur en politie kan plaatsvinden.
Bent u van mening dat er voldoende capaciteit en aandacht is voor de aanpak van (georganiseerde) wildstroperij bij politie en justitie? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, bent u voornemens extra capaciteit in te zetten voor de aanpak van de georganiseerde wildstroperij?
Voor de aanpak van milieucriminaliteit, waaronder ernstige vormen van wildstroperij, zijn er binnen de politie 412 fte beschikbaar. Deze rechercheurs richten zich op de opsporing, op de intelligence en op de expertiseborging. De politie werkt daarbij, onder het gezag van het Functioneel Parket (FP), nauw samen met onder andere de opsporingsdienst van de Nederlandse voedsel en warenautoriteit (NVWA-IOD). De weging en sturing van potentiele opsporingsonderzoeken, waaronder stroperij, vindt plaats vanuit landelijke Milieukamer (MK), waarin onder voorzitterschap van de Hoofdofficier van Justitie van het FP, de politie en de NVWA zitting hebben. De MK neemt haar besluiten op basis van de door de Strategische Milieukamer (SMK) bepaalde landelijke kaders. Het Nationaal Dreigingsbeeld, waar milieu onderdeel van uitmaakt en de Veiligheidsagenda 2015–2018, waarin zware milieucriminaliteit als ondermijnend wordt beschouwd, zijn voor de SMK belangrijke leidraden.
Het bericht dat de Europese Commissie jarenlang te makkelijk nieuwe bestrijdingsmiddelen heeft toegelaten |
|
Henk van Gerven (SP), Eric Smaling |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ombudsman: EC laat landbouwgif veel te soepel toe», waaruit blijkt dat de Europese Commissie jarenlang te makkelijk nieuwe bestrijdingsmiddelen heeft toegelaten zonder voldoende gegevens over de veiligheid?1
Het artikel in Trouw refereert aan de uitspraak van de Europese Ombudsman op 18 februari 2016 2 inzake een klacht van PAN Europe tegen de Europese Commissie (EC). De Ombudsman geeft in deze uitspraak aan dat de EC zich te mild heeft opgesteld in haar taak om alleen stoffen goed te keuren die veilig zijn voor mens, dier en milieu. Ik vind deze uitspraak aanleiding om de huidige procedures aan te scherpen. De EC heeft reeds toegezegd de aanbevelingen van de Ombudsman over te nemen3. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de veiligheid van mens, dier en milieu in gevaar is of is geweest. Dit geeft de Ombudsman zelf ook expliciet aan in haar conclusies.
Daarnaast wordt bij de nationale beoordeling voor de toelating van middelen altijd gekeken of een middel veilig kan worden toegepast. Hierbij worden de aanvullend opgevraagde stofgegevens (zogenaamde «confirmatory data») altijd geadresseerd en beoordeeld door het Ctgb. Het betreft daarbij gegevens die reeds bekende onderzoeksresultaten verder moeten bevestigen.
Welke gevolgen heeft dit voor de veiligheid van mens, dier en milieu in Nederland?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe oordeelt u over de uitspraak van de Europese ombudsman, die stelt dat het «onwettige praktijken» betreft? Welke gevolgen heeft dit voor het betrokken EU-directoraat-generaal voor gezondheid en voedselveiligheid?
Een groot deel van de uitspraak van de Ombudsman gaat over het gebruik van «confirmatory data»; gegevens die in eerste instantie ontbreken in het dossier voor volledige beoordeling, echter niet essentieel zijn voor de goedkeuring van de stof en later in het toelatingsproces van middelen worden ingevuld. De Ombudsman zegt hierover dat het concept van deze «confirmatory data» is gebaseerd op een te ruime interpretatie van Richtlijn 91/414/EEG, maar wel past binnen de huidig geldende gewasbeschermingsverordening.
Voor het EU Directoraat-Generaal Gezondheid (DG SANTE) betekent dit concreet dat op korte termijn verbeteracties moeten worden doorgevoerd. Het gebruik van «confirmatory data» moet beter worden ingebed in procedures en deze moeten scherper worden gehanteerd.
Kunt u verklaren en toelichten hoe deze giftige middelen door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) positief zijn beoordeeld? Welke stappen gaat u ondernemen richting het Ctgb?
In het rapport van de Ombudsman wordt specifiek ingegaan op 10 stoffen. Bij één van deze stoffen, pyridaben, treedt Nederland op als de rapporterende lidstaat. Bij de goedkeuring van deze stof heeft de EC aanvullende gegevens van de aanvrager geëist vanwege open onderdelen («data gaps») in de beoordeling. Geen van deze open onderdelen vormden reden voor bezorgdheid. Alle gevraagde «confirmatory data» zijn inmiddels aangeleverd en positief beoordeeld door het Ctgb. Het Ctgb heeft deze beoordeling inmiddels aangeboden aan de EC. De beoordeling is beschikbaar voor alle lidstaten en de EFSA voor commentaar.
Welke stappen gaat u ondernemen om deze middelen van de Nederlandse markt te weren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in antwoord op vragen 1 en 2 is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de veiligheid van mens, dier en milieu in gevaar is en dat middelen van de Nederlandse markt moeten worden geweerd.
De aanvullend opgevraagde data worden vastgesteld in het Europese proces voor goedkeuring van de stof. Voordat middelen op de Nederlandse markt komen, beoordeelt het Ctgb het aangevraagde gebruik. Voor de middeltoelating moet een aanvraagdossier aan diverse datavereisten voldoen en bijvoorbeeld voldoende onderzoeken bevatten die de veiligheid bij juiste toepassing van het middel ondersteunen. Het Ctgb bestudeert het complete dossier- dus ook de aanvullend opgevraagde stofgegevens – voordat het Collegebesluit over toelating wordt genomen. Alle relevante onderzoeken zijn dus aanwezig. Door het Ctgb toegelaten middelen zijn veilig voor mens, dier en milieu als ze overeenkomstig het wettelijke gebruiksvoorschrift worden gebruikt.
Verder wordt verwezen naar het bericht »Monsanto vervalst studies Roundup» (Reformatorisch Dagblad, 20 november 2015). Ik heb uw Kamer hierover op 18 december 2015 per brief geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 343).
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen om de toelatingsprocedure te evalueren?
De Ombudsman heeft inmiddels op alle onderdelen verbetervoorstellen gedaan met als doel de werkwijze van de EC te verbeteren om te garanderen dat mens, dier en milieu binnen de EU effectief worden beschermd. De EC heeft inmiddels aangegeven de aanbevelingen op te volgen. Zo zullen procedures worden aangescherpt en zal de FVO (Food and Veterinary Office) worden verzocht audits uit te voeren bij de toelatingsautoriteiten in de lidstaten.
De Ombudsman heeft de EC gevraagd om binnen 2 jaar verslag uit te brengen over de ingevoerde verbeteracties. Ik zal de invoering van de aangekondigde acties nauwlettend volgen en het Ctgb heeft mij laten weten mij hierin te steunen. Wanneer de verbeteracties goed worden doorgevoerd, is verdere aanscherping van het toelatingsbeleid op dit onderdeel op dit moment niet noodzakelijk.
Bent u bereid om aanscherping van het toelatingsbeleid te bepleiten in de Europese Raden en bij de Europese Commissie en hiervoor medestanders te zoeken?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid producenten van bestrijdingsmiddelen die niet de benodigde rapporten en bewijzen volledig en tijdig overhandigd hebben, en wiens producten schadelijk bleken zoals het geval is bij de neonicotinoïden, aansprakelijk te stellen voor de door hun producten veroorzaakte maatschappelijke- en milieuschade of om de mogelijkheden hiertoe te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid producenten van bestrijdingsmiddelen die rapporten over schadelijke effecten achterhielden of verdoezelden aansprakelijk te stellen voor de door hun producten veroorzaakte maatschappelijke- en milieuschade? Bent u bereid onderzoek te doen naar de rapporten die het bedrijf Monsanto heeft achtergehouden / aangelengd over de kankerverwekkende eigenschappen van het middel glyfosaat?
Zie antwoord vraag 5.
De foutmelding op de website van de Belastingdienst op de eerste aangiftedag |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht op de website van de Belastingdienst «U kunt nu niet inloggen op Mijn Belastingdienst» zoals dat voor vele belastingplichtigen op de eerste aangiftedag te zien was?
Ja
Kunt u aangeven of de capaciteit van de website van de Belastingdienst voldoende is voor alle belastingplichtigen om aangifte te doen?
Aangifte doen gebeurt via het portal (www.mijnbelastingdienst.nl), dat in 2014 is gelanceerd. Op het portal kunnen ruim 40.000 mensen tegelijk ingelogd zijn om aangifte te doen. Op sommige tijdstippen is het erg druk, zo is het vaak de eerste dag erg druk net zoals eind maart en eind april, waardoor niet iedereen op datzelfde moment aangifte kan doen. Als dit het geval is krijgen nieuwe bezoekers een melding te zien. In deze melding wordt aangegeven dat burgers het beter op een later moment nogmaals kunnen proberen. Naar aanleiding van analyses van vorig jaar is de capaciteit uitgebreid naar de toen ervaren piekbelasting, rekening houdend met de stijging van het aantal digitale indieners.
Er zijn tot zondag 14 maart 2016 2.5 mln. aangiften binnen gekomen. Dit zijn er ruim 350.000 meer dan vorig jaar.
Kunt u aangeven of de capaciteit van de website van de Belastingdienst buiten werktijden voldoende is, zodat ook mensen die fulltime werken op redelijke wijze aangifte kunnen doen?
De capaciteit van het portal is over de periode 1 maart tot 1 mei 2016 voor alle burgers die -ook buiten kantoortijden- aangifte willen doen ruim voldoende. Dit geldt echter niet wanneer teveel burgers tegelijkertijd aangifte willen doen. De capaciteit inrichten op die piekmomenten is technisch complex en erg duur. Daarom wordt vanuit de Belastingdienst opgeroepen om gespreid aangifte te doen.
Gebeurt het wel eens dat mensen tijdens het doen van aangifte «eruit gegooid worden», omdat de capaciteit van de website overschreden wordt?
Zoals bij vraag 2 aangegeven krijgen burgers een melding te zien als de capaciteit van het portal wordt overschreden. Het overschrijden van maximum heeft niet tot gevolg dat iemand uit het systeem wordt gegooid.
Om de beveiliging van de portal op het gewenste hoge niveau te houden, zullen tijdens de aangiftecampagne soms updates van het systeem gedraaid moeten worden. Daarnaast is niet uitgesloten dat in een massaal proces als dit zich altijd kleine verstoringen kunnen voordoen, waardoor een update nodig kan zijn. Op 1 en 5 maart 2016 waren er aanvankelijk enkele kleine verstoringen waardoor een beperkt aantal mensen helaas wel werd uitgelogd. Dit is natuurlijk onwenselijk en de Belastingdienst probeert dit zoveel mogelijk te voorkomen.
De ingevoerde gegevens worden tussentijds altijd opgeslagen en blijven dus ook in dergelijke situaties bewaard. Als burgers zelf besluiten op een later moment door te gaan is dit ook het geval.
Hoe gaat u voorkomen dat op de dagen voor de laatste aangiftedag en op die dag zelf, zaterdag 30 april, de capaciteit van de website opnieuw overschreden wordt, zodat belastingplichtigen niet op tijd aangifte kunnen doen?
De communicatiestrategie van de Belastingdienst is er op gericht om belastingplichtigen zoveel mogelijk gespreid in een tijdsbestek van twee maanden aangifte te laten doen. Er worden diverse communicatiekanalen ingezet met als doel dat belastingplichtigen tijdig hun aangifte kunnen doen en dat piekbelasting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het advies is om niet tot het laatste moment te wachten met het doen van aangifte.
Klopt het dat sinds 2016 het niet meer mogelijk is om offline, namelijk via het aangifteprogramma, aangifte te doen?
Er kan dit jaar aangifte gedaan worden met het online aangifteprogramma (OLAV) of de App. De App is zeer geschikt en makkelijk als er geen wijzigingen op de vooringevulde aangifte hoeven te worden aangebracht. Daarnaast is het nog steeds mogelijk om op papier aangifte te doen.
We verwachten dat 98% van de mensen zijn of haar aangifte digitaal zal doen. Vorig jaar hebben nog maar 10% van de burgers aangifte gedaan met easytax.
Waarom heeft u ertoe besloten om het aangifteprogramma, dat je kunt downloaden, af te schaffen?
De digitale online-aangifte is in 2014 voor het eerst als pilot ingezet. Tijdens de vorige aangiftecampagne in 2015 is deze digitale online-aangifte (OLAV) ingezet als hoofdspoor, en het te downloaden aangifteprogramma easytax als back-up mogelijkheid. Ook in 2015 werd het download programma nog maar door een kleine minderheid gebruikt. De online aangifte voorziening is voor de burger makkelijker en vanaf elke plek te gebruiken. Veel gegevens zijn vooringevuld.
De eerste easytax-applicatie verscheen in 1996, toen nog op de aangiftediskette. Om de easytax-producten mogelijk te maken is door de Belastingdienst vijftien jaar geleden een geavanceerde ontwikkelomgeving gerealiseerd. De ontwikkelomgeving voor easytax is onvoldoende in staat om mee te gaan met de steeds complexere aangiften en de eisen die de VIA stelt aan het programma.
Easytax moet elk jaar opnieuw worden gebouwd voor veel verschillende besturingssystemen en dito versies, Windows, Linux, OSX en dergelijke. Ook bij elke nieuwe update van een besturingssysteem was het noodzakelijk easytax daaraan steeds weer aan te passen. Het is voor de Belastingdienst niet mogelijk om het gebruiksgemak van zowel de Online Aangifte (OLAV) als easytax gelijktijdig door te ontwikkelen.
Op welke wijze heeft u belastingplichtigen geïnformeerd over het feit dat zij niet meer middels het aangifteprogramma aangifte kunnen doen?
Op de website is aangegeven dat er dit jaar alleen aangifte gedaan kan worden met de online aangiftevoorziening en de App. Daarnaast is tijdens de vorige aangiftecampagne easytax alleen nog maar gebruikt als back-up mogelijkheid en ook op deze manier gecommuniceerd.
Op welke wijze heeft u de Kamer geïnformeerd over het afschaffen van het downloadbare aangifteprogramma?
In 2014 is de Kamer in een brief geïnformeerd over het gefaseerd omzetten van het huidige aangifteprogramma easytax naar een nieuwe online aangiftevoorziening1. Daarnaast is het uitfaseren van easytax eerder opgenomen in de 15e halfjaarsrapportage van de Belastingdienst2. Deze gefaseerde transitie naar een nieuwe online aangiftevoorziening is bij deze aangiftecampagne gerealiseerd.
Deelt u de mening dat het verstandig is om alsnog een programma ter beschikking te stellen dat je kunt downloaden, om belastingplichtigen ter wille te zijn die de aangifte graag op hun eigen computer doen, nog willen nalopen of willen checken met een derde?
Deze mening deel ik niet. We gaan naar een steeds meer digitale wereld. Hierbij hoort ook de overgang van easytax naar het Online Aangifte middel en de App. Door nog maar 10% van de burgers is vorige jaar aangifte gedaan met easytax. Met de online aangifte is het mogelijk om in een beveiligde omgeving van de Belastingdienst de aangifte te doen. Deze kan nagelopen worden voordat iemand deze inzendt. Als een burger zijn aangifte heeft ingezonden kan hij deze ook altijd weer inzien of wijzigen en hierna weer opnieuw inzenden. Daarnaast kan deze aangifte worden uitgeprint. De aangifte staat op mijnbelastingdienst.nl en is dan ook vanuit elke plek en PC toegankelijk met de eigen DigiD code dus ook bij derden. De Belastingdienst geeft altijd het advies om de DigiD code niet aan derden te verstreken.
Is de uitgebreide capaciteit wel voldoende nu de back-up van het aangifteprogramma is afgeschaft?
Deze groep is, zoals aangegeven bij antwoord op vraag 2, meegenomen in de capaciteitsuitbreiding.
Als een belastingplichtige een jaar of vier jaar na het insturen van de aangifte een wijziging door wil geven, is de online aangifte, zoals de belastingplichtige deze in eerste instantie had ingevuld, dan nog beschikbaar?
Ja, de online aangifte blijft vijf jaar zichtbaar in mijnbelastingdienst.nl.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Ja
De inzet van PostNL in de onderhandelingen over de PostNL- en zaterdagbestellers-cao |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de in de aan vakorganisaties gerichte brief beschreven voorstellen van PostNL voor de cao-onderhandelingen?1
Ja.
Kunt u aangeven op welke maatregelen van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) die de concurrentiepositie van het bedrijf beperken in de brief wordt geduid?
In een persbericht van 1 oktober 2015 heeft PostNL gereageerd op een aantal besluiten van de ACM die de toegang van andere postvervoerders tot het netwerk van PostNL reguleren. In dit persbericht stelt PostNL te verwachten dat de financiële impact voor PostNL van deze besluiten over een periode van 3 tot 4 jaar kan oplopen tot 30 tot 50 miljoen euro op jaarbasis. Ik ga ervan uit dat PostNL in de brief aan de vakbonden doelt op deze besluiten.
Bent u het ermee eens dat in de brief een relatie wordt gelegd tussen de dalende bedrijfsresultaten en de kosten die gemaakt zijn en worden bij het in dienst nemen van voorheen zelfstandige pakketbezorgers?
De aangehaalde brief maakt onderdeel uit van lopende besprekingen tussen vakbonden en een private partij. Het is past mij als Minister niet om daarover een waardering uit te spreken. Wat ik wel kan opmerken is dat PostNL in haar jaarverslag 2015 aangeeft dat de financiële impact van het Duurzaam Bezorgmodel 15 tot 20 miljoen euro is. Het Duurzaam Bezorgmodel omvat het in dienst nemen van voormalige zelfstandige pakketbezorgers en het verhogen van de vergoeding aan de overblijvende zelfstandige pakketbezorgers. Daarmee wordt in het jaarverslag een relatie gelegd tussen bedrijfsresultaten en het in dienst nemen van zelfstandige pakketbezorgers.
Trekt u hieruit ook de conclusie dat om pakketbezorgers acceptabele arbeidsomstandigheden te bieden, PostNL ervoor kiest werknemers uit een andere divisie te benadelen bij cao-onderhandelingen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u schetsen hoe het gemiddelde prijsverloop van de in 2015 door PostNL bezorgde pakketten is geweest?
Op dit moment is de ACM bezig met een marktscan van de pakketmarkt. Een van de vragen die de ACM daarbij meeneemt, is of er sprake is van een gelijk speelveld of dat partijen concurrentieproblemen op de markt voor pakketdiensten en pakketvervoersdiensten ervaren. De ACM heeft aangegeven dat de uitkomsten van dit marktonderzoek gebruikt kunnen worden voor toekomstige onderzoeken en besluitvorming van de ACM. Ik heb van de ACM begrepen dat de resultaten van deze marktscan binnenkort zullen worden gepubliceerd.
De eindgebruikersprijzen voor pakketten van verschillende pakketvervoerders zijn te vinden op de websites van de verschillende vervoerders. Het standaardtarief van PostNL voor een enkelstuks pakket tot 10 kg dat wordt verzonden naar een huisadres bedraagt 6,95 euro. Dezelfde service met hetzelfde serviceniveau wordt door andere pakketvervoerders aangeboden voor tarieven die daar tot 17% onder liggen, maar ook tegen het dubbele tarief (met als verschil dat het pakket dan ook thuis wordt opgehaald). Op de zakelijke markt zijn tarieven moeilijk te vergelijken omdat er verschillende kortingenstelsels worden gehanteerd voor verschillende klantenprofielen.
Kunt u aangeven hoe de prijzen van PostNL zich verhouden tot die van vergelijkbare pakketbezorgers in deze sector?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u, indien het prijsverloop te schetsen is, aangeven of dit prijsverloop strookt met de veronderstelde kostenstijging veroorzaakt door het in dienst nemen van voorheen zelfstandige pakketbezorgers?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u, indien dit niet het geval is, bereid de ACM te vragen onderzoek te doen naar aanmerkelijke marktmacht in de pakkettensector?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar mijn schriftelijke reactie op vragen van het lid De Liefde van 9 november 2015 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, aanhangsel handelingen nr. 763). Daarin heb ik aangegeven dat het aan de ACM als onafhankelijk toezichthouder op de postmarkt is om te bepalen van welke relevante markten sprake is en welke marktanalyses worden uitgevoerd. Door de ACM wordt momenteel op verzoek van marktpartij(en) reeds bekeken of er valide redenen zijn om op de 72-uurs markt een marktanalyse te starten.
Bent u bereid de ACM te vragen in dit of een ander onderzoek tevens te kijken naar de mededingingssituatie in de zakelijke markt voor 72-uurspost, zoals dit eerder is onderzocht in verband met het besluit over de kostentoerekening aan de Universele Postdienst (UPD)?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht dat een drugskoerier uit Curaçao, Curaçao niet meer in mag |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Drugskoerier mag Curaçao niet meer in?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat deze veroordeelde Curaçaoënaar niet meer op Curaçao mag terugkeren en hierdoor het probleem van Nederland wordt? Zo neen, waarom niet?
Het bericht ziet op een in Nederland wonende vrouw met een Nederlands paspoort die op de luchthaven Hato is aangehouden voor overtreding van de Opiumlandsverordening. Zij was voor haar aanhouding reeds eerder vier keer veroordeeld voor overtreding van de opiumwetgeving.
Het wetboek van strafrecht van Curaçao bepaalt dat bij veroordeling in bepaalde gevallen als bijkomende straf kan worden opgelegd de «ontzetting van het recht om enig land of openbaar lichaam van het Koninkrijk, waar de schuldige zijn woonplaats heeft, uit te reizen, dan wel het recht tot het inreizen in enig land of openbaar lichaam van het Koninkrijk». Bij Landsverordening van 9 december 2015 is de Opiumlandsverordening van Curaçao gewijzigd, zodanig dat bij veroordeling wegens een opiumdelict, de ontzegging van voormelde rechten door de strafrechter kan worden uitgesproken.
Niet in alle zaken wordt deze bijkomende straf gevorderd. In deze zaak is dat wel gebeurd, omdat er rekening is gehouden met het feit dat de verdachte reeds vier maal eerder is veroordeeld voor een zelfde delict. De ervaring leert dat personen die eenmaal zijn benaderd om als koerier te fungeren, benaderd blijven worden. In veel gevallen gaan ze uit angst, onmacht of wegens financiële problemen in op de vraag om verdovende middelen te vervoeren. Het vorderen van een reisverbod door het OM dient kennelijk dan ook als een bescherming van de (potentiële) koerier, die zich de volgende keer dat hij/zij wordt benaderd kan «beroepen» op het reisverbod. Zou mevrouw zijn ingeschreven op Curaçao, dan zou door het OM te Willemstad een reisverbod zijn gevorderd om Curaçao uit te reizen.
Het antwoord op vraag 2 en vraag 3 luidt gelet op het vorenstaande ontkennend.
Deelt u de mening dat Curaçao hierdoor Nederland het probleem in de schoot werpt? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de drugskoerier haar celstraf moet uitzitten? Zo neen, waarom niet?
De tenuitvoerlegging van de door de rechter op Curaçao opgelegde straf valt onder verantwoordelijkheid van de Minister van justitie aldaar. Ik onderschrijf dat het belangrijk is dat veroordeelde criminelen de door de rechter opgelegde straf ondergaan.
Door de loop der dingen in deze casus (plegen delict, schorsing van de bewaring, uitreis, veroordeling tot een gevangenisstraf met gelijktijdige oplegging van een inreisverbod) ontstaat er wellicht een probleem met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Ik kan niet treden in de schorsing van de bewaring door de rechter-commissaris en de uitspraak van de rechter in eerste aanleg.
Hoeveel personen hebben, sinds de inwerkingtreding van paragraaf 11 «ontzetting van rechten (art. 1:64)» in het Wetboek van Strafrecht Curaçao, een terugkeerverbod gekregen naar Curaçao en waarom?
Dit is het eerste inreisverbod dat op grond van de (nieuwe) regelgeving is opgelegd aan een in Nederland wonende onderdaan van het Koninkrijk.
Kunnen alle landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden op dezelfde wijze personen het grondgebied ontzeggen? Zo neen, waarom niet?
Nee, in de Nederlandse wet is geen soortgelijke bepaling opgenomen. De casus die thans aan de orde is gesteld kan desgewenst door de Kamer worden betrokken bij de bredere discussie die wordt gevoerd over de regulering van vestiging binnen het Koninkrijk.
Het bericht ‘Verkeersveiligheid 130km-wegen onbekend’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verkeersveiligheid 130km-wegen onbekend»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat niet vastgesteld kan worden waardoor ongelukken op 130 km-wegen veroorzaakt worden? Is het waar dat u niet over deze informatie beschikt?
Op snelwegen waar de snelheidslimiet 130 km/u is, beschikken we over dezelfde informatie over ongevallen als op de snelwegen met een andere snelheidslimiet. De door de politie opgestelde processen verbaal bevatten informatie over onder andere de locatie en toedracht van ongevallen. Dit geeft inzicht in de aard van ongevallen, maar daarmee kan niet precies worden aangegeven welke factor in welke mate heeft bijgedragen aan een ongeval. Ongevallen vinden immers plaats als gevolg van een samenloop van verschillende factoren.
De ontwikkeling van de verkeersveiligheid op rijkswegen wordt jaarlijks gemonitord in de openbare rapportage «Veilig over Rijkswegen» van Rijkswaterstaat, daarnaast informeer ik u jaarlijks over de landelijke ontwikkeling van het aantal verkeersdoden en -gewonden, zoals bij mijn brief van 21 april 20162.
Hoe is het mogelijk dat de toename van het aantal ongelukken vooraf wel in te schatten was – vijf jaar geleden bleek uit onderzoek namelijk dat de hogere maximumsnelheid zonder extra maatregelen zou kunnen leiden tot 3 tot 7 verkeersdoden extra en 17 tot 34 extra gewonden per jaar – maar dat dit achteraf niet kan worden nagegaan?2
De vooraf gemaakte prognose betreft een extrapolatie op basis van de gegevens over gereden snelheden op de experimenttrajecten met 130 km/u, en wetenschappelijke modellen over de relatie tussen snelheid en de ontwikkeling van verkeersongevallen.
Het daadwerkelijke analyseren van oorzaken achteraf hangt af van de data die over ongelukken beschikbaar zijn. Zoals aangegeven in antwoord 2 zijn gegevens over de precieze oorzaken van individuele ongevallen niet beschikbaar. Tegelijk met de snelheidsverhoging zijn daarnaast ook maatregelen op het hoofdwegennet gerealiseerd die een positief effect hebben op de verkeersveiligheid.
Hoe is de 85 miljoen euro besteed die u uittrok omdat u de dalende trend van verkeersslachtoffers wilde voortzetten en die bedoeld was voor verbetering van de verkeersveiligheid op 130 km-wegen? Kunt u aangeven wat het effect van deze investering is geweest? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief van 28 november 20114 bestaat dit bedrag uit het budget voor twee maatregelpakketten: maatregelen ter verbetering van het wegontwerp specifiek op wegen waar de maximumsnelheid wordt verhoogd naar 130 km/u via het programma Aanpak van Kritische Ontwerpelementen (AKOE) en het generieke maatregelpakket Meer Veilig 3, dat ook maatregelen bevat op Rijks-N-wegen en op snelwegen waar de snelheid niet wordt verhoogd.
Het budget voor het programma Meer Veilig 3 is geheel belegd met maatregelen die deels al zijn uitgevoerd en voor het overige deel in 2018 zullen zijn afgerond.
Dit betreft bijvoorbeeld het aanleggen van rotondes op kruispunten of het plaatsen van geleiderail. Het budget bedroeg bij aanvang € 40mln en bedraagt nu € 37 mln, na aanpassing aan prijspeil 2016 (+ € 2 mln) en het overboeken van € 5 mln voor maatregelen op de N35 Wijthmen-Nijverdal. Dit conform de aangenomen motie Elias -Kuiken van 8 april 20135.
De AKOE-maatregelen die noodzakelijk waren voor een veilige inrichting van wegvakken waar de maximumsnelheid is verhoogd, zijn gerealiseerd voorafgaand aan de snelheidsverhoging. De getroffen maatregelen zijn bijvoorbeeld het plaatsen van geleiderail en het aanpassen van markering. De AKOE-maatregelen maken deel uit van het Programma Programma 130 km op de begroting (totaalbudget na aanpassing aan het prijspeil € 56 mln).
Hierbinnen was € 45 mln gereserveerd voor de AKOE-maatregelen (€ 47 mln na aanpassing aan het prijspeil). De uitgaven aan de gerealiseerde maatregelen (€ 21 mln) bedroegen minder dan de gereserveerde middelen, omdat bij nadere uitwerking bepaalde maatregelen zijn afgevallen of op een andere wijze zijn uitgevoerd dan vooraf was voorzien.
Van de resterende € 26 mln aan AKOE-middelen wordt ca € 13 mln aangewend voor dekking van hogere kosten voor bebording, onderzoek en communicatie bij de snelheidsverhogingen. Daarmee resteert ca € 13 mln, die na afronding van het programma terug zullen vloeien naar de vrije middelen op het Infrastructuurfonds.
Gelet op de ambitie om de dalende trend van verkeersslachtoffers op het hoofdwegennet op de lange termijn vast te blijven houden, onderzoek ik momenteel de wenselijkheid en mogelijkheid om het programma Meer Veilig te verlengen en te intensiveren. Ik zal u hierover bij de begroting 2017 nader informeren.
Zoals aangeven bij de begroting van het Infrafonds 20146 zal Meer Veilig 2 in 2018 worden geëvalueerd. Een dergelijke evaluatie van Meer Veilig 3 en AKOE zal hierna plaatsvinden. Voor een uitgebreide evaluatie van de effecten op ongevalscijfers zijn ongevalsgegevens over meerdere jaren voor en na het afronden van de maatregel nodig.
Kunt u aangeven welke maatregelen genomen kunnen worden om de oorzaak van ongelukken op 130 km-wegen beter te registreren?
De verbetering van ongevalsdata heeft in brede zin mijn aandacht, zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van 18 november 20157. Dit geldt voor alle typen wegen, waaronder dus ook wegen waar 130 km/u geldt. Overigens ligt de grootste opgave voor het verbeteren van deze data op het onderliggende wegennet.
De berichten ‘Cipiers aangevallen’ en ‘Wapens en drugs in gevangenis Alphen’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Cipiers aangevallen» en «Wapens en drugs in gevangenis Alphen aan de Rijn»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat een gedetineerde een broodmes naar de cel weet mee te nemen zonder dat deze wordt gemist?
Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Van Oosten (VVD), was er sprake van een incident met een afgerond bot mes, een zogeheten smeermes. Een dergelijk mes maakt deel uit van de cel-inventaris waarover iedere gedetineerde beschikt. Tot deze inventaris behoort verder onder meer een vork, een lepel, een stoffer en blik, een koffiekop en een dweil.
Klopt het dat kenners al maanden wijzen op gevaarlijke situaties maar dat u de problemen categorisch blijft ontkennen? Zo ja, waarom?
Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Helder (PVV), Kooiman (SP) en Van Toorenburg (CDA), die bij brief van 3 maart 2016 aan uw Kamer zijn toegezonden, en in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Van Oosten (VVD), heeft binnen de penitentiaire inrichtingen (PI’s) het handhaven van de orde en veiligheid, zowel voor de medewerkers als de gedetineerden, de hoogste prioriteit. Het voorkomen van gevaarlijke situaties is een dagelijks proces dat continu de aandacht heeft van de medewerkers van DJI. Dit begint al bij het dagelijkse ochtendrapport waarin alle relevante kwesties op het gebied van onder andere zorg en veiligheid worden besproken. Signalen over risicovolle situaties worden door de inrichting serieus genomen en waar nodig opgepakt. Daarnaast beschikt iedere PI over een Commissie van Toezicht en worden incidenten binnen een PI gemeld bij de Inspectie Veiligheid Justitie en/of de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Er is geen sprake van dat signalen over risicovolle situaties zouden zijn genegeerd.
Het gehanteerde uurtarief in de kinderopvang |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat uit een gezamenlijk onderzoek van het tv-programma Kassa en de belangenvereniging voor ouders met kinderen in de opvang (BOink) blijkt, dat bij 72% van de onderzochte kinderdagverblijven een uurtarief boven het maximale vergoedingstarief van de overheid wordt gehanteerd?1
Ik ben op de hoogte van de uitkomsten van het gezamenlijk onderzoek van Kassa en BOink naar de uurtarieven van 130 kinderopvanglocaties.
De Belastingdienst heeft cijfers over het daadwerkelijke gebruik van de kindertoeslag, inclusief de door de ouders opgegeven uurprijs. Deze cijfers verschillen met de uitkomsten van het bovengenoemde onderzoek. Op 1 januari 2015 bedroeg het aandeel kinderen dat naar de dagopvang ging tegen een tarief boven de maximum uurprijs 41%. Voor de buitenschoolse opvang en de gastouderopvang lagen de tarieven voor respectievelijk 71% en 43% van de kinderen boven de maximum uurprijs. Dit aandeel is gedurende 2015 licht gestegen.
Op dit moment kan ik nog geen uitspraak doen over wat de precieze oorzaken zijn voor het aantal kinderdagverblijven dat een tarief hanteert boven de maximum uurprijs. Kinderdagverblijven zijn vrij in het bepalen van hun tarief. Een oorzaak voor een hoger tarief kan zijn dat kinderopvangorganisaties extra diensten aanbieden, zoals een warme maaltijd. Tegelijkertijd wil ik weten wat de gevolgen van de ontwikkeling van de uurprijzen zijn voor ouders: houden ouders nog wel toegang tot de kinderopvang en wat zijn de gevolgen voor ouders met een lager inkomen? Ik ben voornemens dit voorjaar een onderzoek te starten naar de ontwikkeling van de uurprijzen, inclusief de maximum uurprijzen. Dit onderzoek kijkt ook naar het gebruik van kinderopvang onder lage inkomens.
Kunt u tevens bevestigen dat bij de buitenschoolse opvang het uurtarief bij maar liefst 91% van de onderzochte locaties boven het maximale vergoedingstarief zit?
Zie antwoord vraag 1.
Herkent u zich in de resultaten van dit onderzoek en kunt u aangeven wat de mogelijke oorzaken zijn van dit hoge tarief?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u voorts aangeven in hoeverre de tarieven per regio verschillen en in hoeverre de tarieven fluctueren of een stijgende lijn vertonen?
De vraag in hoeverre de tarieven per regio verschillen wordt meegenomen in het onderzoek, zoals genoemd in het antwoord op vraag 1, 2 en 3.
Op de vraag in hoeverre de tarieven fluctueren of een stijgende lijn vertonen, kan ik het volgende melden: de gemiddelde uurprijs is in de periode tussen 2012 en het derde kwartaal 2015 voor alle opvangsoorten jaarlijks met circa 2% gestegen2.
Het aandeel kinderen dat naar de kinderopvang gaat tegen een tarief dat hoger is dan de maximum uurprijs fluctueert licht (zie ook figuur3. In 2013 was het percentage kinderen dat naar kinderopvang ging met een tarief boven de maximum uurprijs op zijn hoogst, waarna het aandeel met name voor de buitenschoolse opvang en dagopvang is gedaald.
Figuur 1
Bron: Belastingdienst, bewerking SZW (peildatum 1 januari van het betreffende jaar)
Welke gevolgen heeft dit hoge uurtarief voor kinderen uit armere gezinnen? Is het aandeel kinderen tussen twee en drie jaar dat geen gebruik maakt van de kinderopvang de afgelopen jaren procentueel gedaald of gestegen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de procentuele daling en/of stijging per regio en de gevolgen voor de verschillende inkomensgroepen?
Ik vind het heel belangrijk dat alle werkende ouders gebruik kunnen maken van kinderopvang. De intensivering van de kinderopvangtoeslag in 2016 met € 290 mln. helpt hierbij, omdat alle ouders dit jaar een hogere kinderopvangtoeslag ontvangen. Zoals ik bij vraag 1, 2 en 3 heb geantwoord wil ik weten wat de gevolgen van de ontwikkeling van de uurprijzen zijn voor ouders, met name voor ouders met lage inkomens. Dit wordt meegenomen in het genoemde onderzoek.
Uit figuur 2 blijkt dat het aandeel kinderen van 2 en 3 jaar dat gebruik maakt van kinderopvang en waarvoor recht is op kinderopvangtoeslag de afgelopen jaren rond de 50% schommelde. Deze cijfers zijn exclusief kinderen die naar de kinderopvang gaan waarvoor geen recht is op kinderopvangtoeslag en kinderen die naar de peuterspeelzaal gaan. Naar schatting ging in 2015 85% van alle peuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar naar een vorm van kinderopvang. Er zijn geen gegevens bekend over de verdeling van kinderen van 2 en 3 jaar die naar kinderopvang en peuterspeelzaal gaan per regio of inkomensgroep.
Percentage twee en drie jarigen dat gebruik maakt van kinderopvang
2012
51%
2013
50%
2014
48%
2015
51%
Bron: Belastingdienst, bewerking SZW
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de kinderopvang door de hoge uurtarieven slechts nog een elitaire voorziening wordt, waar voor kinderen van ouders met een smalle beurs geen plaats (meer) is?
Ik vind het belangrijk dat alle kinderen vanaf de start zich samen kunnen ontwikkelen en dat kinderopvang voor alle ouders toegankelijk is. Vanuit de overheid zijn diverse maatregelen genomen om werkende ouders met een laag inkomen te stimuleren meer gebruik te maken van kinderopvang. Zo is de kinderopvang voor lagere inkomens veel goedkoper dan voor ouders met een hogere inkomen, omdat de eerste groep een hogere vergoeding krijgt. Ouders met de laagste inkomens betalen in 2016 € 0,48 per uur voor dagopvang, terwijl ouders met een inkomen van drie keer modaal € 5 per uur betalen4. Ook is in 2016 de kinderopvangtoeslag met € 290 miljoen geïntensiveerd, waardoor alle ouders een hogere bijdrage ontvangen. Daarnaast is er vanaf 2017 nog eens € 200 miljoen structureel vrijgemaakt voor kinderopvang.
Zoals aangegeven bij mijn antwoorden op vraag 1, 2 en 3 ben ik voornemens dit voorjaar een onderzoek te gaan doen naar het gebruik van kinderopvang onder lage inkomens en de achtergronden van het mogelijk afnemend gebruik.
Het bericht ‘Ozb stijgt nog harder dan gedacht met 2,5 procent’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennis genomen van het bericht «Ozb stijgt nog harder dan gedacht met 2,5 procent»?1
Ja.
Schrikt u van het bericht dat huiseigenaren 2,5% meer aan de onroerendezaakbelasting (ozb) betalen dan vorig jaar? Zo nee, waarom niet?
De cijfers van Vereniging Eigen Huis over de OZB voor «huiseigenaren» zijn mij bekend. Het kabinet baseert haar oordeel ten aanzien van de OZB-ontwikkeling echter op de cijfers, die het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) publiceert.
Het COELO maakt onderscheidt tussen OZB-woningen en OZB-niet-woningen. Volgens de afgesproken systematiek zou oorspronkelijk voor 2016 de macronorm 2,7% bedragen. Echter, in 2015 is na bestuurlijk overleg besloten om de overschrijding van de macronorm 2015 in mindering te brengen op de macronorm voor 2016. De macronorm 2016 van 2,7% (€ 104,4 miljoen) is gecorrigeerd met € 43,5 miljoen. Hierdoor bedraagt de maximaal toegestane macro-opbrengststijging € 60,9 miljoen ofwel een macronorm van 1,57% voor 2016.
Volgens het COELO stijgt in 2016 de totale OZB-opbrengst, waaronder ook de OZB voor niet-woningen, met € 89,6 miljoen; dat is een stijging van 2,32% voor het totaal aan OZB.
Samen met de Staatssecretaris van Financiën bespreek ik deze stijging van de OZB, inclusief de ontwikkeling van het totaal aan lokale lasten, met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) tijdens het aankomende bestuurlijk overleg financiële verhoudingen eind april.
Bent u het er mee eens dat wanneer de afspraken over de maximale ozb-verhoging al vijf jaar achtereen door gemeenten worden overschreden, deze afspraken weinig waard zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik eerder heb verwoord vind ik de macronorm OZB geen ideaal systeem. Als het gemeentelijk belastinggebied wordt hervormd, lijkt mij dat het moment om de macronormsystematiek te heroverwegen. De laatste vier jaar is er vaak voor gekozen om de macronorm van het volgende jaar te verlagen met de overschrijding van het betreffende jaar. Tot aan de hervorming van het belastinggebied acht ik dit een gepaste maatregel. Door de macronorm voor volgende jaren te verlagen is er ingegrepen. Dit was telkens de uitkomst van bestuurlijk overleg.
Hoe gaat u voorkomen dat huiseigenaren ieder jaar meer gaan betalen dan maximaal afgesproken? Bent u bereid proactief huiseigenaren te beschermen tegen sterke stijgingen van de ozb in plaats van maatregelen achteraf te treffen? Zo nee, waarom niet?
De proactieve rol bij het vaststellen van de OZB tarieven, voor zowel woningen als niet-woningen, ligt bij de gemeenteraden. Dat is de autonomie van het gemeentebestuur. Ik wil daar niet in treden.
Bent u, nu er voor het vijfde jaar op rij een hogere stijging is dan afgesproken, bereid om nu actief in te grijpen middels bijvoorbeeld een aanpassing op het gemeentefonds van het lopende jaar? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan wel actief doen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat statushouders met voorrang een sociale huurwoning krijgen met lagere huur van een woningcorporatie in Amsterdam |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de woningtoewijzing aan vluchtelingen in Amsterdam?1
Ja.
Klopt het bericht dat deze drie statushouders een woning krijgen, met voorrang en ook nog met een lagere huurprijs? Zo ja, wat vindt u daar van?
De Amsterdamsche Coöperatieve Woningvereeniging «Samenwerking» B.A. is een particuliere vereniging. Omdat dit geen toegelaten instelling is valt het toewijzingssysteem van deze vereniging niet onder mijn beleidsverantwoordelijkheid. Het is aan de private verhuurder om de hoogte van de huurprijs te bepalen. Ook over de juistheid van deze berichtgeving kan ik derhalve geen uitspraken doen. Desalniettemin sta ik positief tegenover particuliere initiatieven die bijdragen aan de huisvesting van vergunninghouders.
Is er een wachtlijst voor reguliere woningzoekenden in het gebied waar deze woningcorporatie actief is? Zo ja, hoe lang is de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning in dit gebied?
Het begrip wachttijd verdient enige toelichting: de meeste mensen schrijven zich, nadat zij een woning hebben gekregen, opnieuw in. Immers de inschrijfduur bepaalt in de meeste systemen wie uiteindelijk voor de meest gewilde woningen in aanmerking komt. Het is echter twijfelachtig of de hele inschrijfduur als wachttijd kan worden aangemerkt. Immers de meeste mensen zoeken de eerste jaren nadat zij een woning hebben betrokken niet actief. Zij zijn alleen ingeschreven. Wie minder hoge eisen stelt en bereid is actief te zoeken heeft in de meeste woonruimteverdeelsystemen kans om na een aanzienlijk kortere inschrijvingsduur een woning te bemachtigen.
Als niet uitgegaan wordt van de inschrijfduur maar de zoektijd, dat is de periode tussen de datum van de eerste reactie op een aanbod en de datum van feitelijke verhuring, is de wachtduur, afhankelijk van het type regio, een factor 2 tot 4 korter.
De Rapportage Woonruimteverdeling 2014 van de Stadsregio Amsterdam geeft informatie over de zoektijd naar een woning. De gemiddelde zoektijd in Amsterdam (2012–2014) voor doorstromers bedraagt volgens dit onderzoek 3.2 jaren en voor starters 5.3 jaren. Het huidige onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van de motie van het lid de Vries (PvdA) zal waarschijnlijk meer inzichten bieden in de wacht- en zoektijden voor sociale huurwoningen.
Kunt u aangeven of het gebruikelijk is om voor statushouders een lagere huurprijs te vragen dan voor Nederlandse woningzoekenden? Zo ja, bent u bereid hier actie tegen te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Alle verhuurders dienen zich te houden aan de geldende huurprijsregelgeving, waaronder de maximale huurprijs op grond van het woningwaarderingsstelsel. Daarbinnen staat het hen echter vrij om de huurprijs vast te stellen.
Op welke manier gaat u garanderen dat deze en andere woningcorporaties nooit meer voorrang geven aan statushouders?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 valt het toewijzingsbeleid van vereniging «Samenwerking» niet onder mijn beleidsverantwoordelijkheid aangezien het geen toegelaten instelling is. Wanneer het sociale huurwoningen betreft, verhuurd door toegelaten instellingen, ligt dit anders. In de Huisvestingswet is geregeld dat gemeenten met een huisvestingsverordening hierin kunnen vastleggen dat een aantal groepen woningzoekenden voorrang krijgt bij toewijzing van een sociale huurwoning. Indien een gemeente een huisvestingsverordening heeft, is zij verplicht vergunninghouders aan te wijzen als woningzoekenden met voorrang.
De motie van het lid Van der Linde (VVD) verzoekt deze automatische urgentiebepaling voor vergunninghouders uit de Huisvestingswet te schrappen. Uitvoering gevende aan deze motie heb ik momenteel een wetswijziging in voorbereiding die deze urgentiebepaling schrapt. Dat betekent dat na de wetswijziging gemeenten met een huisvestingsverordening op basis van de lokale woningmarktbehoeften zelf kunnen bepalen of zij vergunninghouders als woningzoekenden met voorrang willen opnemen. Ik verwacht deze wetswijziging dit voorjaar aan de Tweede Kamer te sturen.
Het verkeerd informeren van de Kamer over de kosten van de Groene Draeck |
|
Ronald van Raak |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Waarom hebt u de Kamer de afgelopen jaren structureel onjuist geïnformeerd over de kosten van het onderhoud van de Groene Draeck?1
Met de brief van 24 september 2015 (Kamerstuk 34 300 X, nr. 6) heeft het kabinet de Kamer op de hoogte gesteld van de meerkosten voor het onderhoud van de Groene Draeck in de periode 2011–2015. In dezelfde brief en in de begroting van Defensie 2016 (die op 15 september 2015 is aangeboden aan de Kamer), alsook tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van september 2015 en de behandeling van de begroting van de Koning in oktober 2015 is de Kamer geïnformeerd over de structurele verhoging van het jaarlijkse onderhoudsbudget naar € 95.000.
Het meerjarig onderhoudsplan met de bijbehorende kosten is bepaald op basis van het rapport Kersten (bijlage bij Kamerstuk 34 300 I, nr. 4). Voor het kabinet was de onderbouwing van de onderhoudskosten zoals beschreven in het onderzoek rapport Kersten (bijlage bij Kamerstuk 34 300 I, nr. 4) cruciaal om tot de structurele ophoging van de onderhoudskosten over te gaan. Onder meer door onduidelijkheid over wie het meerdere moest betalen en over de hoogte van de kosten zijn de rekeningen aangehouden. Over de hoogte van de meerkosten is in de loop van 2015 duidelijkheid gekomen. De meerkosten zijn conform de begrotingsregels daarom in 2015 ten laste van de begroting van Defensie gebracht. In het jaarverslag 2015 wordt hierover verantwoording afgelegd.
Waarom zijn in 2011, 2012, 2013 en 2014 niet de werkelijke kosten van onderhoud van de Groene Draeck opgenomen in het Jaarverslag? Waarom is in die jaren in de begroting geen reëel bedrag begroot?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de werkelijke kosten van het jaarlijks onderhoud van de Groene Draeck vanaf 1957?
Het is mogelijk om vanaf het jaar 2004 de integrale kosten uit de huidige financiële systemen van Defensie op te halen. Dit leidt tot het volgende overzicht. Dit is exclusief de kosten voor groot onderhoud in 2010/2011, die indertijd door toenmalig Koningin Beatrix zelf zijn betaald. Op 4 juni 2008 heeft de Minister van Defensie een brief en rapport naar de Kamer gestuurd (vergaderjaar 2007–2008, 31 200 X, nr. 128), waarbij voor de jaren 2003/2004 een totaalbedrag van € 342.728 is gemeld. Voor de jaren 2011–2015 komen onderstaande bedragen overeen met de in deze jaren verantwoorde uitgaven plus het in 2015 opgevoerde meerwerk à € 223.000.
2004
€ 82.164,00
2005
€ 186.443,82
2006
€ 112.195,86
2007
€ 104.315,00
2008
€ 68.175,02
2009
€ 66.101,48
2010
€ 84.087,26
2011
€ 85.798,84
2012
€ 98.688,33
2013
€ 107.205,87
2014
€ 129.655,40
2015
€ 84.000,00
Waarom laat u de Groene Draeck nog steeds voor € 95.000,– per jaar onderhouden bij de Marine scheepswerf en niet voor € 29.000,– per jaar bij een werf die gespecialiseerd is in lemsteraken?2
De Groene Draeck is in 1957 door de Nederlandse bevolking aan toenmalig kroonprinses Beatrix geschonken. De Staat gaf bij deze gelegenheid mede het onderhoud van de Groene Draeck als geschenk. Dit wordt uitgevoerd door het Marinebedrijf, onderdeel van het Ministerie van Defensie.
Naar aanleiding van de motie Van der Burg (vergaderjaar 2015–2016, Kamerstuk 34 300 I, nr. 6) wordt momenteel een second opinion uitgevoerd naar de hoogte van de kosten en de intensiteit van het onderhoud van de Groene Draeck. Bij deze second opinion, die op verzoek van de Kamer wordt gedaan, wordt gekeken naar de kosten en de intensiteit van het onderhoud dat in de markt gangbaar wordt geacht, gegeven het bijzondere en representatieve karakter van de Groene Draeck. De second opinion wordt, voorzien van een appreciatie over eventuele onderhoudsconsequenties, aan de Kamer aangeboden zodra deze beschikbaar is.
Waarom heeft u tijdens het begrotingsdebat niet gemeld dat er al twee onderzoeksrapporten voorhanden waren, van Kersten Experts, waaruit bleek dat de kosten voor onderhoud van de Groene Draeck veel hoger waren dan noodzakelijk? Wat is volgens u de meerwaarde om een second opinion te laten uitvoeren, als er al een rapport voorhanden was?3
Met de brief van 24 september 2015 (Kamerstuk 34 300 X, nr. 6) heeft het kabinet de Kamer op de hoogte gesteld van het onderzoek dat in 2007 is uitgevoerd naar het onderhoud aan de Groene Draeck. Daarbij is gemeld dat dit rapport als basis is genomen voor het budget dat in 2010 in de begroting van de Koning is opgenomen voor het onderhoud aan de Groene Draeck (€ 47.000) en dat in de loop der jaren is geïndexeerd. Dit rapport is in 2007 door Kersten Experts opgesteld op aanvraag van het Ministerie van Defensie.
Op basis van adviezen uit dit eerste rapport Kersten is het onderhoudsbudget in 2010 op € 47.000 vastgesteld. Dat het rapport uit 2007 niet expliciet aan de orde kwam in het begrotingsdebat van oktober jongstleden, hangt samen met het feit dat het debat zich toespitste op de verhoging van het onderhoudsbudget met ingang van 2016 op de begroting van Defensie. Aan deze verhoging ligt het tweede rapport Kersten uit 2015 ten grondslag. In de brief van 24 september 2015 is gemeld dat – naar aanleiding van de in afgelopen jaren gebleken meerkosten – in 2015 een nieuw onderzoek is aangevraagd bij hetzelfde externe bureau. Dit tweede rapport Kersten uit 2015 geeft een beeld van de onderhoudsactiviteiten tegen actuele tarieven. In dit tweede rapport Kersten wordt aangegeven dat de Groene Draeck geen standaard lemsteraak is, en derhalve nauwkeurig onderhoud behoeft, wat in het verleden te weinig aandacht heeft genoten.
Naar aanleiding van de motie Van der Burg (Kamerstuk vergaderjaar 2015–2016, 34 300 I, nr. 6) wordt momenteel een second opinion uitgevoerd naar de hoogte van de kosten en de intensiteit van het onderhoud van de Groene Draeck. Bij deze second opinion, die op verzoek van de Kamer wordt gedaan, wordt gekeken naar de kosten en de intensiteit van het onderhoud dat in de markt gangbaar wordt geacht, gegeven het bijzondere en representatieve karakter van de Groene Draeck. De second opinion wordt, voorzien van een appreciatie over eventuele onderhoudsconsequenties, aan de Kamer aangeboden zodra deze beschikbaar is.
Waarom kiest u er telkens voor om, als het gaat om de kosten van het Koninklijk Huis, te goochelen met cijfers, de Kamer niet juist te informeren en over dit gevoelige onderwerp onnodig gedoe te laten ontstaan?
Aan de Kamer wordt ieder jaar verantwoording afgelegd over de kosten van het Koninklijk Huis overeenkomstig de voorschriften van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis. Dit gebeurt via begroting I de Koning en via het financiële jaarverslag de Koning. Zoals voor alle jaarverslagen geldt, gaat het jaarverslag de Koning vergezeld van een rapport van de Algemene Rekenkamer. In de afgelopen jaren heeft de Algemene Rekenkamer nooit fouten of onzekerheden van enig belang geconstateerd in de verantwoording.
De financiering van kennisinstituut Wetsus na 2016 |
|
Barbara Visser (VVD), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD), Michiel van Veen (VVD), Pieter Duisenberg (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland mag slag om watertechnologie niet verliezen»?1
Ja, dit artikel stond in het FD op 17 februari jongstleden.
Deelt u de mening dat Wetsus een belangrijke rol speelt in de kennisontwikkeling en -toepassing als het gaat om watertechnologie en dat het feit dat dit kennisinstituut daarbij nauw samenwerkt met het bedrijfsleven van grote waarde is voor het topsectorenbeleid en de wetenschapsagenda? Is Wetsus als instituut er volgens u in geslaagd om de samenwerking publiek-privaat te faciliteren en kan hierbij een vergelijking worden gemaakt met andere organisaties die eenzelfde rol vervullen? Welke organisatie of organisaties vindt u vergelijkbaar met Wetsus en op welke wijze wordt of worden deze gefinancierd?
Wetsus is een belangrijke partner in het onderzoekslandschap voor Watertechnologie in Nederland. Uit Wetsus is een groot aantal succesvolle innovatieve spin offs voortgekomen.
Wetsus is één van de belangrijkste partijen binnen het TKI Watertechnologie, dat één van de drie pilaren van de topsector water vormt. Voor de regio is Wetsus een belangrijke bron voor het aantrekken van innovatieve watertechnologie-gerelateerde werkgelegenheid.
Wetsus is er sinds haar oprichting in 2003 in geslaagd een steeds groeiend aantal bedrijven aan zich te binden, zowel vanuit het binnen- als het buitenland en trekt ook een groeiend aantal internationale onderzoekers.
Het onderzoek binnen Wetsus heeft een fundamenteel, toepassingsgeoriënteerd karakter. Hiermee is Wetsus vergelijkbaar met bijvoorbeeld het Holst Centre, dat aan publieke zijde uit rijks- en regionale en Europese subsidies wordt gefinancierd. De cash-bijdragen van bedrijven in Holst liggen met 50% echter wel substantieel hoger dan bij Wetsus, waar de cash-bijdragen van bedrijven op 25% liggen. Hierbij kan een rol spelen dat de watertechnologiesector veel mkb-bedrijven kent waarvoor een hoge cash-bijdrage lastiger te realiseren is.
Bent u ermee bekend dat de financiering vanuit het Rijk aan Wetsus, zoals geregeld naar aanleiding van de motie-Lucas/Jacobi van 5 december 2011 (Kamerstuk 33 000 XII, nr. 68), in 2016 stopt en dat er voor de periode na 2016 nog geen afspraken zijn gemaakt over de financiering van dit voor Nederland belangrijke kennisinstituut? Zo ja, welke verzoeken heeft u van Wetsus ontvangen voor de situatie na 2016 en hoe heeft u daarop gereageerd?
Het is onjuist dat de financiering vanuit het Rijk aan Wetsus volledig stopt. Voor de periode vanaf 2016 is de Wetsus-financiering als volgt voorzien:
Sinds 2014 ontvangt het TKI Watertechnologie zogenaamde transitiegelden van het Ministerie van EZ. Deze middelen worden via Wetsus ingezet om de verbinding met Europa voor het mkb en voor de onderzoeksfinanciering van Wetsus te versterken. De middelen bedragen € 0,5 mln. per jaar en lopen tot en met 2018. Mede op basis hiervan kon Wetsus onlangs een groot Europees cofund binnenhalen, waaruit in 2016 en 2017 gemiddeld € 1,4 mln. per jaar aan Wetsus-onderzoek toevloeit.
Verder kan Wetsus blijvend rekenen op Rijksmiddelen vanuit EZ via de TKI-toeslag die toenemen naarmate Wetsus meer private bijdragen ontvangt. Dit was de afgelopen jaren € 0,8 – 1 miljoen, afhankelijk van de private bijdragen.
Met het sluiten van het innovatiecontract 2016–2017 zijn afspraken gemaakt tussen Wetsus en NWO. Op 22 juni 2015 tekenden zij een intentieverklaring voor het starten van een publiekprivate samenwerking. Onderdeel van dit gezamenlijke programma zal een call-systeem zijn waarmee de beste projectvoorstellen voor watertechnologie worden geselecteerd. De omvang van de NWO-middelen voor deze onderzoekscalls bedraagt in de jaren 2016 t/m 2020 € 0,5 mln. per jaar. Bij een positieve evaluatie is de intentie om dit bedrag op te hogen naar € 2 mln per jaar vanaf 2021. Uitgangspunt is dat dit bedrag dan wordt verdubbeld door de private bijdrage vanuit de bij Wetsus aangesloten bedrijven. Vanuit de door het Rijk aan de regio verstrekte middelen (REP/Zzl-middelen) heeft de regio (provincie Friesland/SNN) voor de periode 2012–2020 een reservering gemaakt voor bijdragen aan Wetsus van jaarlijks € 4,75 mln. Over de periode 2012–2016 is reeds 50% van dit bedrag uitgekeerd. Voor beschikbaarstelling van de overige 50% heeft de regio een evaluatie gevraagd van de bijdrage die Wetsus heeft voor de regionale economie. Deze evaluatie wordt op dit moment afgerond. Er is geen reden om aan te nemen dat deze evaluatie negatief uitvalt. Bij een positieve uitkomst is de regionale bijdrage van € 4,75 mln. per jaar tot en met 2020 verzekerd.
Tenslotte kan Wetsus rekenen op doorlopende private bijdragen van bedrijven (ordegrootte 3 mln. jaarlijks) en «in kind» bijdragen van universiteiten voor een vergelijkbaar bedrag.
Wel stopt na 2016 de financiering van IenM uit de middelen voor duurzame ontwikkeling Afsluitdijk. Dit betreft echter een eenmalige financiering, hetgeen als zodanig vooraf duidelijk is gecommuniceerd met Wetsus.
Bij verschillende gelegenheden zijn er van Wetsus verzoeken ontvangen voor structurele financiering door IenM. De structurele financiering van kennisinstellingen valt buiten de verantwoordelijkheid van IenM als vakdepartement en IenM heeft hiervoor derhalve geen middelen gereserveerd. De Minister van IenM heeft aangegeven dat structurele financiering niet aan de orde is, maar dat zij bereid is om in de tweede helft van dit jaar in het kader van de Delta-aanpak waterkwaliteit en zoetwater te zoeken naar mogelijkheden om Wetsus te ondersteunen. Hierbij zal ook bezien worden in hoeverre het ondersteunen van relevante Wetsus thematafels opportuun is.
Bent u zich ervan bewust dat Wetsus juist door zijn vernieuwende aanpak en nauwe samenwerking met het bedrijfsleven buiten alle bestaande potjes voor wetenschap, innovatie en valorisatie dreigt te vallen en dat een situatie dreigt te ontstaan waarin Wetsus tussen de drie betrokken departementen heen en weer gestuurd wordt? Hoe kunt u voorkomen dat Wetsus tussen wal en schip valt, aangezien het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in principe alleen projectsubsidies geeft, terwijl bij Wetsus juist het bedrijfsleven aan zet is om de onderzoeksagenda te bepalen, aangezien NWO anders omgaat met het delen van intellectueel eigendom dan hetgeen is vastgelegd in de afspraken die Wetsus daarover heeft met zijn samenwerkingspartners en aangezien Wetsus geen officiële TO2-organisatie is, hoewel zijn werkwijze daar wel het meest op lijkt?
Het antwoord op vraag 3 maakt duidelijk dat Wetsus ook voor de periode 2016–2020 naar alle waarschijnlijkheid kan rekenen op een financiering die vergelijkbaar is met die in de periode daarvoor. De vrees dat Wetsus heen en weer geslingerd wordt tussen de departementen, deel ik daarom niet.
Is volgens u de toekomst van Wetsus in de huidige vorm ook na 2016 gewaarborgd en welke mogelijkheden ziet u om bij een ongewisse financiële toekomst Wetsus een meer structurele plaats te geven in het onderwijs- en innovatielandschap? Zijn er mogelijkheden voor Wetsus om een NWO- of KNAW-instituut, dan wel een TO2-organisatie te worden, of zou Wetsus bijvoorbeeld een bijdrage kunnen krijgen uit de middelen voor grootschalige onderzoeksinfrastructuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke optie heeft dan uw voorkeur?
Uit mijn antwoord op vraag 3 blijkt dat de toekomst van Wetsus ook na 2016 geborgd is. Het topsectorenbeleid is erop gericht samenwerking te stimuleren met de reguliere kennisinfrastructuur. De beweging die is ingezet via de samenwerking tussen Wetsus en NWO juich ik dan ook toe. Wij zien op dit moment geen aanleiding om Wetsus bij NWO of KNAW onder te brengen, of te positioneren als TO2-instituut. De portfolio van nationale instituten van NWO en KNAW in 2018 wordt in gezamenlijkheid geëvalueerd. De uitkomsten daarvan zullen eerst moeten worden afgewacht.
De investeringen die nodig zijn om het laboratorium van Wetsus actueel te houden, naar verwachting € 2 mln., liggen onder de ondergrens van € 10 mln. die geldt voor de grootschalige infrastructuurvoorziening van NWO. Wel had Wetsus kunnen meelopen in de call voor toegepaste onderzoeksinfrastructuur binnen het Toekomstfonds. Vanuit Wetsus is hiervoor geen verzoek ingediend. De regio onderzoekt op dit moment hoe in de financiering van het laboratorium kan worden voorzien.
Het weigeren van leerlingen bij een mytylschool vanwege het passend onderwijs |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat een mytylschool uit Haarlem leerlingen weigert vanwege de bureaucratie door het passend onderwijs? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen?1
Ik zou het niet alleen niet wenselijk vinden, maar ook in strijd met de wet achten wanneer een speciale school vanwege bureaucratie leerlingen weigert. De school heeft immers de verantwoordelijkheid (zorgplicht) om voor elke leerling die is aangemeld, een passend aanbod te doen. Als een school voor speciaal onderwijs een leerling een passend aanbod kan bieden, hoort daar ook bij dat de school voor deze leerling een toelaatbaarheidsverklaring aanvraagt bij het samenwerkingsverband waar deze leerling vandaan komt. Dit is een wettelijke verplichting. Omdat een school hiermee niet aan deze wettelijke verplichting zou voldoen, heb ik de Inspectie van het Onderwijs (hierna inspectie) gevraagd om contact op te nemen met de school die in het artikel wordt genoemd en te onderzoeken of de school de zorgplicht nakomt. De inspectie heeft kunnen vaststellen dat de school geen leerlingen weigert en de zorgplicht nakomt.
Kunt u toelichten hoe de leerlingen die niet meer naar de betreffende mytylschool kunnen, toch passend onderwijs op een mytylschool kunnen volgen?
De mytylschool moet zich houden aan de zorgplicht, zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 1. Ik ga ervan uit dat de school zich blijft houden aan de zorgplicht en dat leerlingen die zijn aangewezen op de mytylschool, daar ook naartoe kunnen. Wanneer de mytylschool niet zelf de gevraagde ondersteuning aan de leerlingen kan bieden, zal de mytylschool een andere school moeten zoeken die de leerlingen wel kan toelaten.
Hoe kan het dat er nog steeds problemen zijn met de enorme bureaucratie in de samenwerkingsverbanden? Ziet u mogelijkheden om een landelijk formulier voor de toelaatbaarheidsverklaring te ontwikkelen voor alle scholen in het speciaal onderwijs? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Nee, ik acht de ontwikkeling van een landelijke formulier niet wenselijk. Met de invoering van passend onderwijs is juist gekozen om in de wetgeving meer ruimte te bieden voor maatwerk aan leerlingen met minder bureaucratie. Op veel plekken lukt het ook om de ondersteuning van leerlingen met minder bureaucratie te organiseren. De inspectie heeft vastgesteld dat het voorkomen van onnodige bureaucratie speerpunt is van beleid bij veel samenwerkingsverbanden, ook bij het samenwerkingsverband Passend Onderwijs IJmond. Het samenwerkingsverband Passend Onderwijs IJmond slaagt er dan ook steeds beter in de bureaucratie te beperken tot het hoognodige. Dat geldt nog niet voor alle samenwerkingsverbanden in voldoende mate. Daarom heb ik een aantal acties uitgezet om onnodige bureaucratie te verminderen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Wat is uw reactie op het feit dat De Regenboog op veertien verschillende manieren gegevens moet aanleveren bij de samenwerkingsverbanden? Kan dit niet eenvoudiger?
Ik ga ervan uit dat het inderdaad eenvoudiger kan. De wet biedt daar ook de ruimte voor. Het is zo dat een samenwerkingsverband moet beoordelen of een leerling toelaatbaar is tot het (voortgezet) speciaal onderwijs. De wijze waarop zij dat doen kan zonder veel onnodige bureaucratische rompslomp. Er zijn bijvoorbeeld samenwerkingsverbanden die vragen om een met de ouders geëvalueerd ontwikkelingsperspectief waarin het vervolgtraject is beschreven. Ook zijn er samenwerkingsverbanden waar in een gesprek met de ouders, regulier- en speciaal onderwijs wordt gekeken wat de best passende plek is. Zoals ik in het algemeen overleg passend onderwijs op 10 februari heb toegezegd, worden dergelijke goede voorbeelden beschreven en verspreid onder de samenwerkingsverbanden.
Hoe beoordeelt u het feit dat De Regenboog een interne begeleider al drie maanden «kwijt» is aan het invullen van formulieren voor de samenwerkingsverbanden, terwijl zij veel nuttiger werk in de klas zou kunnen verrichten? Acht u deze situatie ook onacceptabel?
Met een vereenvoudiging van de procedure voor de toelaatbaarheidsverklaring tot het (v)so hoeft de intern begeleider minder tijd te steken in het invullen van de benodigde formulieren.
Had u deze enorme bureaucratie bij het invoeren van het passend onderwijs voorzien? Welke maatregelen heeft u genomen om deze problemen het hoofd te bieden?
Het risico op onnodige bureaucratie bij de samenwerkingsverbanden was vooraf onderkend. Daarom zijn al voor de invoering van passend onderwijs maatregelen genomen zoals handreikingen die zijn ontwikkeld om onnodige bureaucratie te voorkomen bij de inrichting van het samenwerkingsverband. Wat ik nu zie is dat in samenwerkingsverbanden waar de samenwerking nieuw is en er weinig onderling vertrouwen is, de neiging ontstaat om zoveel mogelijk vast te leggen in regels. Hierdoor ontstaat onnodige bureaucratie. Nu passend onderwijs anderhalf jaar onderweg is, zie ik dat in verschillende samenwerkingsverbanden de procedures tegen het licht worden gehouden. Ik heb er vertrouwen in dat die samenwerkingsverbanden de ruimte meer zullen gaan benutten. Samen met scholen, samenwerkingsverbanden, de raden en de inspectie worden werkwijzen gemaakt hoe onnodige bureaucratie kan worden voorkomen.
Hoe beoordeelt u de rol van de onderwijsinspectie rond het samenwerkingsverband Zuid-Kennermerland? Acht u het wenselijk dat zij het samenwerkingsverband op de vingers tikt, omdat zij verlangt dat een tweede onafhankelijke deskundige naar de indicatie kijkt? Wordt er op deze manier niet juist weer méér bureaucratie in de hand gewerkt?
De inspectie van het onderwijs heeft het samenwerkingsverband Zuid-Kennemerland er terecht op gewezen dat een tweede deskundige die de toelaatbaarheid tot het (v)so beoordeelt, ontbreekt. Dit is in de wet zo geregeld. Hieruit hoeft niet voort te vloeien dat er meer bureaucratie ontstaat. Het samenwerkingsverband kan ook aan deze wettelijke verplichting voldoen zonder dat hierdoor extra tijd en formulieren worden toegevoegd aan de beoordeling van de toelaatbaarheid tot het (v)so.
Zijn er gegevens bekend over scholen en het aantal samenwerkingsverbanden waarmee zij te maken hebben? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom is dit niet bekend en bent u bereid alsnog achter deze gegevens te komen?
Ja, die zijn bekend. Van alle samenwerkingsverbanden worden de toelaatbaarheidsverklaringen die zij afgeven voor het (v)so geregistreerd. In de onderstaande tabel is van de (v)so-scholen aangegeven met hoeveel samenwerkingsverbanden zij te maken hebben bij de aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het (v)so. Hierbij wordt opgemerkt dat een sovso-school (een school die zowel so als vso aanbiedt) per definitie te maken heeft met twee samenwerkingsverbanden, namelijk een samenwerkingsverband voor po en voor vo. Van de 263 scholen voor (v)so, zijn er 162 sovso-scholen.
Aantal verschillende SWV
Aantal (v)so scholen
1 t/m 5
45
6 t/m 10
116
11 t/m 15
49
16 t/m 20
22
21 of meer
31
Deelt u de mening dat de overgangsfase toch echt ontstegen is en dat de problemen rond de hoge administratieve druk tot het verleden zouden moeten behoren? Zo nee, waarom niet?3
Nee. De invoering van passend onderwijs is nog in volle gang. Samenwerkingsverbanden moeten in dit jaar, voor 1 augustus 2016, de zittende leerlingen in het (v)so met een oude CVI-indicatie opnieuw beoordelen en indien nodig voor hen een toelaatbaarheidsverklaring afgeven voor het (v)so. Hiermee bevindt passend onderwijs zich in de overgangsfase van het oude naar het nieuwe systeem van plaatsing van leerlingen in het (v)so.
Bent u nogmaals bereid de motie Siderius/Voordewind nog een keer goed te bekijken en alsnog met maatregelen te komen om de bureaucratie in het passend onderwijs een halt toe te roepen? Zo nee, waarom niet?4
Nee. In de voortgangsrapportage passend onderwijs en in het algemeen overleg op 10 februari jongstleden heb ik een aantal acties aangekondigd om de bureaucratie rond passend onderwijs te verminderen. Prioriteit ligt daarbij bij het verminderen van de bureaucratie rondom de herindicatie van leerlingen die op 1 augustus 2014 ingeschreven stonden op een (v)so school en op basis daarvan tot 1 augustus 2016 op die school mochten blijven. In het algemeen overleg heb ik ook een werkwijze geschetst om deze herindicatie uit te voeren zonder onnodige bureaucratie. Uitgangspunt daarbij is de informatie die op de (v)so school aanwezig is, in combinatie met een ontwikkelingsperspectief dat met de ouders is geëvalueerd. De (v)so scholen heb ik geadviseerd om de samenwerkingsverbanden uit te nodigen voor een gesprek om de dossiers te bespreken. Aan het eind van het gesprek is dan duidelijk wat het perspectief per leerling is. De raden hebben dit voorbeeld uitgewerkt in een handreiking. Van de inspectie hoor ik terug dat deze werkwijze (of varianten daarop) op steeds meer plekken wordt gevolgd. Ook heeft de inspectie de mytylschool in Haarlem en het samenwerkingsverband IJmond gewezen op deze werkwijze.
Wat is er terecht gekomen van uw uitspraken in het programma «De Monitor», waarin u aangaf dat administratietaken door docenten achterwege gelaten konden worden?5
Na mijn oproep in de Monitor is er een loket geopend op www.delerarenagenda.nl.6 Bij dit loket kunnen alle leraren knelpunten over werk- en regeldruk aangeven. Samen met de Inspecteur-Generaal heb ik 7 maart daarover gesproken met 14 leraren. Een uitgebreid verslag van dit gesprek kunt u terug vinden op www.delerarenagenda.nl. In dit gesprek bleek vooral dat leraren veel administratieve handelingen verrichten zonder dat ze weten waarom en wat het effect ervan is op hun onderwijs. Ik vind dat een probleem en wil graag samen met de inspectie met deze leraren in gesprek blijven over oplossingen.
Het bericht 'Marketing kunstvoeding bedreigt borstvoeding' |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «marketing kunstvoeding bedreigt borstvoeding»?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht? Deelt u de conclusie uit het rapport dat borstvoeding veel gezondheidsvoordelen oplevert voor moeder en kind en daarmee een uiterst effectief preventiemiddel is? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik ken het bericht. Het RIVM en TNO hebben recent studies uitgevoerd. Het RIVM heeft in 2015 een wetenschappelijke studie naar gezondheidseffecten van borstvoeding gedaan. Dit betreft een update van een studie uit 2007. De conclusie is, net als in 2007, dat borstvoeding gunstiger is voor de gezondheid van kinderen en moeders. Daarnaast heeft TNO op regelmatige basis de peiling van melkvoeding van zuigelingen uitgevoerd, om de trend in prevalentie van borstvoeding te volgen. De meest recente peiling heeft TNO in 2015 gerapporteerd.
Deelt u de conclusie uit het rapport dat marketing ervoor heeft gezorgd dat industrieel geproduceerde babyvoeding normale babyvoeding is geworden, terwijl deze voeding vooral bedoeld is voor baby’s die door omstandigheden geen borstvoeding kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
TNO heeft geconstateerd dat het percentage baby’s dat 6 maanden lang uitsluitend borstvoeding krijgt is toegenomen van 18% in 2010 naar 39% in 2015. Het percentage baby’s dat direct na de geboorte uitsluitend borstvoeding krijgt is onveranderd 80%, na twee weken is hierin (net als in voorgaande peilingen) een significante daling te zien.
Industrieel geproduceerde babyvoeding is bedoeld voor baby’s die door omstandigheden geen borstvoeding kunnen krijgen. De omstandigheden zijn divers; de redenen om te stoppen met borstvoeding is in de eerste levensweken van de baby voor ongeveer de helft «te weinig melk», vanaf 2 à 4 maanden betreft deze reden 27% en wordt de reden «werk» vaker genoemd (27% wanneer de baby 5–6 maanden is).
Zodra borstvoeding niet (meer) mogelijk is, is kunstvoeding een goed alternatief. Kunstvoeding is bedoeld voor zuigelingen tot 6 maanden en mag niet rechtstreeks aan de consument worden aangeprezen. Er mag wel reclame worden gemaakt voor kunstvoeding bedoeld voor zuigelingen tot 6 maanden in gespecialiseerde publicaties op het gebied van babyverzorging en in wetenschappelijke publicaties. Informatie over deze voeding wordt gegeven door professionals als huisartsen, verloskundigen en op consultatiebureaus.
Zijn deze en andere conclusies uit het artikel «Why invest, and what twill take to improve breastfeeding practices?» voor u aanleiding om het belang van borstvoeding nadrukkelijker mee te nemen bij het nationale preventieprogramma «Alles is gezondheid»?2 Zo nee, waarom niet?
Onder het Nationaal Programma Preventie is een pledge ingediend door het Nationaal Platform Borstvoeding. Het doel van het Nationaal Platform Borstvoeding is om vrouwen die gekozen hebben om borstvoeding te geven te ondersteunen, zodat zij zo lang borstvoeding kunnen geven als zij van plan waren. Concreet wordt gestreefd naar 20% minder vrouwen die in 2020 binnen 1 maand stoppen met het geven van borstvoeding. In dit platform zijn allerlei organisaties vertegenwoordigd die betrokken zijn bij borstvoeding, zoals de borstvoedingorganisaties, beroepsverenigingen van zorgverleners, maar ook het Voedingscentrum, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid en ActiZ.
Vanuit het platform is de Landelijke Borstvoedingsraad (LBR) ontstaan. Deze raad wil bewerkstelligen dat alle instellingen die ouder- en kindzorg bieden kwalitatief goede, toetsbare zorg rond borstvoeding verlenen.
Er is een wetenschappelijk onderbouwde richtlijn die professionals helpt om ouders op een uniforme manier te ondersteunen en te adviseren over borstvoeding.
Op welke wijze wordt er in Nederland onderzoek gedaan naar de invloed van marketing voor industrieel geproduceerde voeding op het geven van borstvoeding?
In Nederland wordt door de overheid geen onderzoek gedaan naar de invloed van marketing van kunstvoeding op het geven van borstvoeding. De NVWA en het COKZ houden toezicht op de warenwet rondom regels over marketing van kunstvoeding. Daarnaast bereidt het bedrijfsleven van kunstvoeding momenteel zelf een systeem voor van zelfregulering ten aan zien van marketing.
Kunt u aangeven wat de Nederlandse regelgeving is voor advertenties van producenten van industrieel geproduceerde babyvoeding? Kunt u aangeven wat de Europese danwel Nederlandse richtlijnen zijn voor etikettering en «claims» op de verpakking van kunstvoeding?
Net als voor gewone levensmiddelen is het van belang dat de consument juist en eerlijk geïnformeerd wordt. Borstvoeding is de beste voeding voor een pasgeboren baby, en volledige zuigelingenvoeding mag op geen enkele wijze als alternatief voor borstvoeding gepromoot worden. Pasgeboren baby’s behoren tot de meest kwetsbare groep consumenten. Daarom gelden de meest strikte regels voor etikettering van en reclame voor volledige zuigelingenvoeding (0 tot 6 maanden). Voor volledige zuigelingenvoeding mag slechts reclame worden gemaakt in gespecialiseerde publicaties op het gebied van babyverzorging en in wetenschappelijke publicaties. Ook voor opvolgzuigelingenvoeding (6 tot 12 maanden) geldt een aantal verplichte vermeldingen en restricties met betrekking tot etikettering en reclame.
De Europese regels over zuigelingenvoeding (richtlijn 2006/141/EG)3 zijn in Nederland opgenomen in de Warenwetregeling zuigelingenvoeding 2007. Voor de specifieke regels over etikettering en reclame verwijs ik u naar artikelen 13 en 14 van de Europese richtlijn.
Op welke punt is de code van de World Health Organization (WHO-code) voor marketing van vervangingsmiddelen voor moedermelk niet overgenomen in de Nederlandse wetgeving? Bent u bereid de invloed van voedingsfabrikanten binnen zorginstellingen en -organisaties te beperken, zoals dat ook geldt voor de farmaceutische marketing?
De WHO is vertegenwoordigd in de Codex Alimentarius. Voor zuigelingenvoeding zijn door de Codex Alimentarius internationale normen opgesteld. Deze normen zijn meegenomen in de Europese regels en vervolgens ook in de nationale warenwetregeling.
De producenten van kunstvoeding moeten zich houden aan de regels omtrent presentatie, advertentie en promotie conform de wetgeving die hiervoor geldt. De zorginstellingen en -organisaties zullen zich moeten houden aan hun gedragsregels hieromtrent. Door beroepsgroepen zijn gedragsregels opgenomen in de Multidisciplinaire richtlijn Borstvoeding, waarin wordt verwezen naar de Europese regels over zuigelingenvoeding (richtlijn 2006/141/EG) en de WHO-code.
Zorginstellingen kunnen zich laten certificeren op basis van door WHO/UNICEF vastgestelde criteria, waaronder het criterium inzake marketing en promotie. Veel instellingen beschikken over een dergelijk certificaat. Dit certificaat waarborgt het naleven van de WHO-gedragscode over de marketing van zuigelingenvoeding van 1981 en van de aanvullende resoluties.
Hoe komt het dat het percentage Nederlandse zuigelingen dat borstvoeding krijgt ten opzicht van andere EU-landen lager dan gemiddeld is?3 Kunt u de Kamer de meest recente vergelijkingscijfers toezenden?
Op de website van het Nationaal Kompas Volksgezondheid worden internationale vergelijkingscijfers uit 2013 gepresenteerd. De laatste peiling van TNO is hierin niet meegenomen. Ik heb geen recente vergelijkingscijfers voor handen. De WHO houdt dergelijke vergelijkingscijfers bij.
Bent u bereid te bevorderen dat er structureel en voldoende aandacht voor borstvoeding in de curricula van opleidingen komt?
Ja. Hier is aandacht voor via het Nationaal Platform Borstvoeding. In 2016 wordt vanuit een groot aantal beroepsverenigingen een gezamenlijke e-learning over borstvoeding ontwikkeld. Deze e-learning is enerzijds bedoeld om bij te dragen aan de implementatie van de Multidisciplinaire richtlijn Borstvoeding die in juni 2015 is gelanceerd en anderzijds om meer onderlinge verbinding te leggen tussen de verschillende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor borstvoeding. De e-learning is een nascholingsinstrument en wordt (voor zover van toepassing) gekoppeld aan de accreditatiesystemen van de verschillende betrokken beroepsverenigingen.
Zodra de e-learning is ontwikkeld zal bekeken worden of dit ook onderdeel wordt van de opleiding van zorgprofessionals, of dat deze opleidingen hier al in voorzien.
Is het u bekend dat veel vrouwen direct na de kraamweek stoppen met borstvoeding, terwijl ze in eerste instantie wel langer wilden voeden?4 Bent u bereid lactatiekundige zorg mee te nemen bij de integrale bekostiging van geboortezorg?
Ja. Het is mij bekend dat een deel van de vrouwen direct na de kraamweek stoppen met borstvoeding. Zie ook mijn antwoord bij vraag 2.
Bij het vormgeven van integrale bekostiging in de geboortezorg hanteer ik als uitgangspunt dat het gaat om zorg die via de Zorgverzekeringswet wordt bekostigd. Voor zover lactatiekundige zorg onderdeel uitmaakt van de Zorgverzekeringswet wordt deze dan ook meegenomen in de verdere uitwerking van de integrale bekostiging van de geboortezorg. De lactatiekundige zorg die onderdeel is van het basispakket jeugdgezondheidszorg maakt derhalve geen onderdeel uit van de integrale bekostiging geboortezorg.
Deelt u de mening, dat er meer gedaan kan worden om jonge moeders die borstvoeding willen geven daarbij te ondersteunen? Hoe wilt u dit doen?
De keuze om borstvoeding te (gaan) geven blijft een verantwoordelijkheid van de (aanstaande) moeder/ouders. Zodra de keuze is gemaakt om borstvoeding te (gaan) geven is het van belang dat de omgeving meewerkt om vrouwen hiertoe in staat te stellen. Ondersteuning door zorgprofessionals is daarbij van belang evenals een borstvoedingsvriendelijke omgeving, ook op het werk. Het Voedingscentrum geeft uitgebreid informatie over borstvoeding. Zo kunnen horecabedrijven en openbare instellingen met het beeldmerk «voeden kan hier» aangeven dat moeders ook welkom zijn als zij hun kind de borst willen geven.
De gevolgen van jarenlang gebruik van PFOA bij Dupont in Dordrecht |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aangifte tegen Chemours wegens illegale uitstoot PFOA»?1 Bent u bekend met de antwoorden van uw ambtsvoorganger op eerdere door deze leden gestelde Kamervragen over dit thema?2
Ja.
Waarom zijn de resultaten van het bloedonderzoek dat het bedrijf sinds 2006 heeft laten doen niet gedeeld met de Inspectie SZW (of enig ander overheidsorgaan)? Heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voor zijn onderzoek de beschikking over de resultaten van dit onderzoek? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt zich dit tot de verklaring van Chemours (zijnde de rechtsopvolger van DuPont) dat het zegt mee te werken aan elk onderzoek?3 Kunt u of het RIVM het ter beschikking stellen van het onderzoek aan het RIVM afdwingen?
In antwoord op de in vraag 1 aangehaalde Kamervragen van september 2015 heb ik u gemeld, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat het de verantwoordelijkheid van het bedrijf is om de resultaten van het bloedonderzoek te delen als daar aanleiding toe is. Uit privacyoverwegingen en vanwege het medisch beroepsgeheim van de betrokken bedrijfsarts mogen naar individuele werknemers herleidbare uitslagen niet zonder meer met de Inspectie SZW (of enig ander overheidsorgaan) worden gedeeld. Geanonimiseerde resultaten kunnen, indien daar aanleiding toe is, wel met de Inspectie SZW worden gedeeld. Het bedrijf heeft daar tot nu toe geen reden toe gezien.
Het RIVM-onderzoek heeft betrekking op de modelmatige berekening van de blootstelling van omwonenden. Daarvoor waren de gegevens over werknemers niet noodzakelijk. Het afdwingen van de levering was daarom niet aan de orde.
Acht u een boete van de milieuautoriteit zoals DuPont die in de Verenigde Staten heeft gekregen vanwege het niet rapporteren van informatie over de risico’s van het gebruik van Perfluoroctaanzuur (PFOA) ook in Nederland mogelijk? Hoe beoordeelt u de opmerking dat «het er alle schijn van heeft dat dit verzwijg-gedrag ook in Nederland heeft plaatsgehad»?4
Voor elk bedrijf dat met risicovolle stoffen werkt geldt de verplichting tot het leveren van gegevens die relevant zijn voor de risicobeoordeling van die stoffen. Als deze gegevens niet geleverd worden kan hier handhavend tegen opgetreden worden.
Is het waar dat in de periode van 1985 tot 2001 bij de Viton-fabriek jaarlijks een halve ton PFOA per jaar in de lucht is uitgestoten? Is het waar dat deze emissie niet vergund was?5 Waarom heeft de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) dit pas nadat dit thema nadrukkelijk brede aandacht heeft gekregen ontdekt? Zegt dit iets over het functioneren van deze dienst, dan wel over het functioneren van het gehele stelsel? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit soort overtredingen in de toekomst sneller op te kunnen sporen?
In antwoord op vragen van de gemeente Sliedrecht heeft het bevoegd gezag, de provincie Zuid-Holland, aangegeven6 dat er mogelijk sprake is van een niet-vergunde emissie van 500 kg per jaar uit de Viton-fabriek in de periode 1985–2001. Hiervan is aangifte gedaan. De reden dat deze bron nu ontdekt is, is een uitgebreide verificatie van de historische emissies door de Omgevingsdienst.
Aangezien de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid pas sinds 2011 bestaat zie ik geen verband tussen de emissie tot 2001 en het functioneren van deze dienst. Over het functioneren van het vernieuwde VTH-stelsel en de Omgevingsdiensten bent u in augustus 2015 door mijn voorganger geïnformeerd7. De aanstaande inwerkingtreding van de wet VTH leidt naar mijn overtuiging tot verdere verbeteringen in de samenwerking tussen diensten. Daarom zie ik op dit moment geen reden om aan het functioneren van het stelsel aanpassingen te doen.
Is het waar dat al sinds 2005 bekend is dat het terrein van Waterbedrijf Evides vervuild is met PFOA? Welke acties zijn sindsdien ondernomen? Kunt u de Kamer informeren over het gehalte PFOA dat zich in het drinkwater van Evides bevond en nu bevindt?
In 2003 heeft Evides, na een melding van DuPont, de aanwezigheid van PFOA in drinkwater en drinkwaterbronnen onderzocht. In drinkwater en grondwater was PFOA niet kwantitatief aantoonbaar met de toenmalige meetmethode. In de niet gebruikte spaar- en ontvangstbekkens op de locatie Baanhoek werd wel PFOA aangetoond. De meest voor de hand liggende bron was depositie vanuit de lucht. Omdat de bekkens alleen bij grote calamiteit worden gebruikt, zijn destijds geen verdere acties ondernomen. De bronnen die Evides gebruikt om drinkwater te produceren, staan niet onder invloed van de PFOA-verontreiniging in de bodem van het Chemours-terrein.
Er zijn de afgelopen jaren diverse PFOA-metingen gedaan door Evides. In drinkwater wordt PFOA of niet aangetoond, of gemeten in zeer lage concentraties (0,0025 µg/L). In de grondwaterbronnen wordt PFOA niet aangetoond. In de Maas en het Haringvliet (naast grondwater een bron voor drinkwater van Evides) worden lage gehaltes gevonden (ca. 0,005 µg/L).
Is het waar dat Nederland (dan wel Europa) geen normering kent voor de hoeveelheid PFOA in het drinkwater? Zo nee, welke normen zijn er wel? Wanneer verwacht u dat Europese regelgeving ten aanzien van fluorkoolstoffen gereed zal zijn? Bent u bereid zich met uw Scandinavische collega’s in te zetten voor spoedige implementatie van deze regels? Zo nee, waarom niet?
In de Europese Drinkwaterrichtlijn en het Nederlandse Drinkwaterbesluit zijn geen normen voor PFOA opgenomen. In het Nederlandse Drinkwaterbesluit is wel een kwaliteitsvereiste van 1 µg/L opgenomen voor de stofgroep gehalogeneerde alifatische koolwaterstoffen. PFOA valt in deze groep. Deze kwaliteitseis is bedoeld voor het signaleren van mogelijke verontreinigingen, waarna nader onderzoek naar risico’s moet plaatsvinden. Het RIVM zal het Ministerie van Infrastructuur en Milieu op korte termijn adviseren over een stofspecifieke richtwaarde voor PFOA in drinkwater, op basis van huidige inzichten.
Er is mij geen in ontwikkeling zijnde Europese regelgeving bekend ten aanzien van drinkwater en fluorkoolstoffen. Op EU-niveau zijn geen drinkwaternormen in voorbereiding. Momenteel wordt wel de Europese Drinkwaterrichtlijn geëvalueerd door de Europese Commissie. Hierbij worden eveneens de normen voor drinkwater geëvalueerd en is er aandacht voor zogenoemde opkomende stoffen.
Wat is uw antwoord op de volgende vraag die de aan het Expertisecentrum PFOS verbonden heer in het artikel opwerpt: «Hoe ga je als overheid om met aansprakelijkheden voor situaties waarvoor je zelf een vergunning hebt afgegeven en waar nu blijkt dat er mogelijk risico's door zijn ontstaan»?6
Degene die een schadeveroorzakende activiteit verricht, is zelf verantwoordelijk voor de milieuschade. De hoofdregel is dan ook dat de volledige kosten door het bevoegd gezag worden verhaald op de vervuiler. Dit is bepaald in titel 17.2 van de Wet milieubeheer. Het hebben en naleven van een vergunning voor een activiteit vrijwaart de exploitant niet van het betalen van de kosten voor herstelmaatregelen die dientengevolge worden genomen. Met deze hoofdregel wordt het beginsel dat de vervuiler betaalt recht gedaan. Een vergunning bewerkstelligt immers niet dat de verantwoordelijkheid voor het milieu overgaat van het bedrijf naar de overheid.
Deelt u de mening dat er een bevolkingsonderzoek moet plaatsvinden om inzicht te krijgen in de gezondheidsschade die ontstaan is door het gebruik van PFOA bij DuPont in Dordrecht? Zo ja, wanneer start dit onderzoek? Zo nee, waarom niet? Bent u wel bereid een bevolkingsonderzoek te doen waarbij in ieder geval risicogroepen, waarbij gedacht kan worden aan (oud)werknemers en kinderen van destijds zwangere vrouwen, worden onderzocht?
Naar aanleiding van eerdere Kamervragen over de emissie van PFOA heb ik het RIVM opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de emissie en de gevolgen ervan voor omwonenden. Dit rapport en mijn reactie daarop bied ik u tegelijkertijd met deze antwoorden aan. Het rapport doet enkele aanbevelingen terzake waarop ik in de brief inga, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs.
Inspectie SZW is een onderzoek gestart naar de beheersing van de huidige situatie, de destijds gehanteerde werkprocessen en de daarbij behorende maatregelen om de blootstelling voor werknemers te beperken. Indien noodzakelijk kan Inspectie SZW het bedrijf verplichten om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek aan te bieden.
Hoe beoordeelt u de opmerking van de SP-gedeputeerde van de provincie Zuid-Holland dat bevolkingsonderzoek tot extra onnodige onrust zou leiden?7 Deelt u de mening dat een dergelijk onderzoek juist nodig is om inzicht te krijgen in de effecten en dat deze duidelijkheid juist bijdraagt aan minder onrust?
Zie antwoord vraag 8.
Is de in het artikel door de SP-gedeputeerde genoemde opsomming van bevoegd gezag van DuPont/Chemours juist?8 Zo ja, is de verantwoordelijkheid hiervoor niet veel te versnipperd? Zou er niet één partij moeten zijn die regie voert over het geheel? Zo ja, is hiervoor wijziging van wet- en regelgeving nodig, en bent u hiertoe bereid? Zo nee, waarom niet?
De opsomming is correct. Ik ben echter niet van mening dat hier sprake is van versnippering, omdat de toezichthouders en vergunningverleners, juist als gevolg van recente wijzigingen in de regelgeving, goed samenwerken. Zowel bij de vergunningverlening als bij de inspectie.
In dit concrete geval gaat het om een bedrijf dat valt onder het Brzo-regime.
Op 1 januari 2014 is het samenwerkingsprogramma BRZO+ van start gegaan, met als doel dat de Brzo-toezichthouders samenwerken als waren zij één, met een landelijk uniforme en integrale aanpak. Aan het BRZO+ nemen ook het Openbaar Ministerie, de waterkwaliteitsbeheerders en de Inspecties SZW en Leefomgeving en Transport deel.
In hoeverre is het raamsaneringsplan dat door DuPont in 1999 is opgesteld sindsdien opgevolgd? Welke looptijd heeft dit plan?9
In het kader van het raamsaneringsplan heeft het bedrijf eind vorige eeuw in overleg met de provincie Zuid-Holland (destijds bevoegd gezag Wet bodembescherming) een grondwaterbeheerssysteem aangelegd. Dit systeem zorgt er voor dat de grondwaterverontreiniging zich niet verder kan verspreiden.
Het resultaat van het beheerssysteem wordt door middel van monitoring continu gecontroleerd. De rapportage hierover wordt jaarlijks besproken tussen het bevoegd gezag en Evides.
Het raamsaneringsplan kent een onbepaalde looptijd, maar onderdeel van de afspraken is dat indien het grondwaterbeheerssysteem niet het gewenste resultaat oplevert, alternatieve maatregelen moeten worden overwogen. Deze wijze van saneren en beheersen past in het toenmalig en huidig bodemsaneringsbeleid.