Extreem hoog percentage afwijzingen islamitische middelbare scholen |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Islamitische scholen komen niet van de grond»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat van de 30 aanvragen voor islamitische middelbare scholen er slechts twee werden gehonoreerd?
Alle aanvragen die niet voldoen aan de objectieve criteria voor het starten van een bekostigde vo-school worden afgewezen. Dat was het geval bij 28 van deze dertig aanvragen.
De genoemde dertig aanvragen betreffen de aanvragen voor het starten van een islamitische school voor voortgezet onderwijs (vo) sinds 2008. Dit aantal betreft voor een belangrijk deel herhaalde aanvragen; daar waar onvoldoende leerlingenpotentieel is voor een islamitische vo-school en er toch meerdere keren aanvragen zijn ingediend. Dat is bijvoorbeeld het geval geweest bij aanvragen voor Utrecht, Den Haag en Rotterdam. Alleen al in 2013 zijn door verschillende organisaties, gelijktijdig zeven aanvragen ingediend voor de start van een islamitische vo-school in Rotterdam.
Waarom worden er zo weinig aanvragen gehonoreerd?
Een aanvraag voor de start van een nieuwe school kan uitsluitend gehonoreerd worden als voldaan is aan de wettelijke stichtingsnorm. Hoeveel aanvragen er ook worden ingediend, als die niet voldoen aan die wettelijke norm, dan kan geen goedkeuring volgen.
Op basis van welke criteria worden de aanvragen beoordeeld? Worden de aanvragen alleen beoordeeld op basis van objectieve criteria of is er ook ruimte voor subjectieve besluitvorming?
De startprocedure voor een school voor voortgezet onderwijs is vastgelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Het criterium waar de aanvraag voor een nieuwe school op getoetst wordt, is of de gewenste school zes en tien jaar later de wettelijke stichtingsnorm haalt. In de huidige systematiek ligt bij de berekening van het verwachte aantal leerlingen de omvang van het voedingsgebied vast, evenals het te hanteren belangstellingspercentage voor de richting en de belangstelling voor de schoolsoort. Ook wordt getoetst of de leerlingenprognose van de indiener is opgesteld volgens de wettelijk voorgeschreven methode met gebruikmaking van het voorgeschreven cijfermateriaal en of de aanvraag aantoont dat het verwachte aantal leerlingen zes en tien jaar na de beoogde startdatum de wettelijke stichtingsnorm haalt. Bij deze beoordeling heb ik geen enkele discretionaire bevoegdheid. De aanvraag wordt alleen afgewezen als de stichtingsnorm niet gehaald wordt. Als voldaan is aan de stichtingsnorm volgt goedkeuring.
Klopt het dat u in het onderhavige artikel via een woordvoerder heeft gezegd dat «de huidige systematiek niet optimaal recht doet aan de vrijheid van onderwijs»?
Ja. In de huidige systematiek wordt op basis van een veronderstelde belangstelling voor een school van een erkende richting bepaald of de gewenste school voldoet aan de geldende stichtingsnorm. De berekening van de belangstelling voor een vo-school wordt gebaseerd op bestaande basisscholen. Voor alle richtingen geldt dat er voldoende basisscholen moeten zijn, om potentieel voor een vo-school af te kunnen leiden. Kinderen die de geloofs- of levensovertuiging aanhangen van een erkende richting en die niet naar een basisschool van die richting gaan, zijn voor de berekening van een nieuwe vo-school van die richting dus niet in beeld. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Wat gaat u doen om de huidige systematiek te veranderen om wel recht te doen aan de vrijheid van onderwijs? Welk proces heeft u voor ogen?
Op 14 januari jl. heb ik het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen openbaar gemaakt, juist omdat ik constateer dat de huidige systematiek voor stichting niet optimaal recht doet aan de vrijheid van onderwijs. Het onderwijsstelsel in het funderend onderwijs zit nu op slot. Scholen waar wel belangstelling voor is, kunnen nu niet van start, onder meer vanwege de huidige systematiek van het berekenen van veronderstelde belangstelling en de beperkende werking van het systeem van erkende richtingen. Scholen van een niet erkende richting en/of bijvoorbeeld gebaseerd op een onderwijsconcept komen in de huidige systematiek helemaal lastig tot stand. Daarom stel ik voor in het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen dat richting geen rol meer speelt bij de beoordeling van een aanvraag voor een nieuwe school.
In het wetsvoorstel stel ik voor om als voorwaarde in de startprocedure uit te gaan van daadwerkelijke, aangetoonde belangstelling voor een nieuwe school. Initiatiefnemers van een nieuwe school zouden de belangstelling kunnen aantonen door middel van ouderverklaringen of een marktonderzoek. Het wetsvoorstel introduceert ook een kwaliteitstoets als voorwaarde voor de start van een nieuwe school.
Het wetsvoorstel heeft tot 29 februari jl. opengestaan voor internetconsultatie. De reacties worden nu meegenomen in een nieuwe versie van het wetsvoorstel die ik op korte termijn voor advisering aanbied aan onder andere de Onderwijsraad.
Kan de Kamer binnenkort concrete voorstellen om de huidige systematiek te veranderen van u verwachten?
Ja. Ik streef ernaar om het wetsvoorstel, na het doorlopen van alle formele stappen, waaronder advisering door de Onderwijsraad en Raad van State, begin 2017 aan de Tweede Kamer te kunnen aanbieden.
Wat vindt u van de situatie in Amsterdam waar een van de zeven aanvragen voor islamitische middelbare scholen werd goedgekeurd, maar waar het de enige school die groen licht kreeg niet lukt om huisvesting te krijgen? Wat zijn de regels rondom het toewijzen van huisvesting aan (nieuwe) scholen?
De besluitvorming ten aanzien van de huisvestingsaanvraag, die volgt op mijn goedkeuring van de stichtingsaanvraag, ligt bij de gemeente. In het algemeen geldt dat de desbetreffende gemeente de aanvraag van het bestuur voor huisvesting in behandeling neemt en uiterlijk in het zesde jaar volgend op mijn goedkeuring voorziet in de huisvesting. Die wettelijke termijn van zes jaar is nog niet verstreken. Op de besluitvorming van de gemeente over de huisvesting zijn de weigeringsgronden van artikel 76k van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) van toepassing.
Wat gaat u doen om onwillige gemeentes te bewegen om huisvesting te bieden aan scholen waarvan de vergunning reeds is verleend?
De verantwoordelijkheid voor de huisvesting van (speciaal) basisonderwijs en voortgezet onderwijs is sinds 1997 bij de gemeente belegd. In rechte ben ik geen partij in geschillen rond de huisvesting. Tegen een besluit van de gemeente op een huisvestingsaanvraag staan voor de aanvrager bezwaar en beroep open.
Wat vindt u ervan dat islamitische basisscholen in Alphen aan den Rijn en Schiedam helemaal bovenaan de lijstjes met CITO-scores staan? Is die bewezen hoge onderwijskwaliteit niet een extra reden om iets te doen aan het extreem hoge percentage afwijzingen van islamitische middelbare scholen?2
Iedere school die kwaliteit levert krijgt van mij een groot compliment. De prestaties van een specifieke bestaande school van een bepaalde richting hebben echter geen enkele samenhang met de objectieve startprocedure voor een nieuwe school van die richting. Daarnaast heb ik zoals in vraag 4 benoemd geen enkele discretionaire bevoegdheid in de startprocedure. Mijn belangrijkste reden voor aanpassing van de startprocedure is dat die procedure op dit moment voor scholen van alle richtingen, en zeker voor scholen die niet gebaseerd zijn op een geloofs- of levensovertuiging, te weinig daadwerkelijke ruimte biedt om van start te gaan. Het is mijn ambitie om met een nieuwe startprocedure beter aan te sluiten bij de daadwerkelijke belangstelling van ouders en leerlingen voor een nieuwe school dan nu het geval is.
Kunt u de vragen met grote urgentie beantwoorden aangezien het hier om fundamentele onrechtvaardigheid gaat?
Dat er sprake zou zijn van een fundamentele onrechtvaardigheid bestrijd ik. De huidige startprocedure biedt zoals benoemd te weinig daadwerkelijke ruimte voor nieuwe scholen van alle richtingen en vooral voor nieuwe scholen zonder erkende richting. Met het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen wil ik daar verandering in brengen. Ik heb uw vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
De nijpende situatie van Lesbische, Homo-, Biseksuelen en Transgenders (LHBT’s) in Indonesië |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «In Indonesië zijn homo’s erger dan een kernoorlog»?1
Ja.
In het artikel wordt gesteld dat «niemand weet waar de homohaat ineens vandaan is gekomen», in hoeverre is u een verklaring bekend voor de toename van de homohaat? In hoeverre heeft u zicht op vergelijkbare ontwikkelingen in andere Aziatische landen?
Sinds eind januari is de druk op de LHBT-gemeenschap in Indonesië toegenomen. Enkele uitspraken van leden van de regering deden de negatieve belangstelling rondom LHBT’s verder toenemen. Ook moslimorganisaties lieten zich negatief over LHBT’s uit.
In heel Azië zijn gelijke rechten voor LHBT’s helaas nog niet vanzelfsprekend. In Bangladesh, Bhutan, Myanmar, Brunei, India, Maleisië, Singapore en Sri Lanka staat homoseksualiteit nog altijd in het Wetboek van Strafrecht. In Indonesië, met uitzondering van Aceh, is homoseksualiteit niet expliciet strafbaar. In sommige landen lijkt het debat rondom LHBT’s verder te polariseren. Negatief beleid tegenover LHBT’s kan vaak rekenen op steun van grote delen van de bevolking.
Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen in Azië te zien. Zo besloot de Hoge Raad in India vorige maand om de huidige strafbaarstelling van homoseksualiteit in het land te herzien. In Vietnam gaat het ook voorzichtig de goede kant op. De strafbaarstelling van een huwelijk voor paren van gelijk geslacht is uit de wet, en de jaarlijkse Vietpride kon in 2015 opnieuw vrijelijk plaatsvinden in Hanoi.
Kunt u aangeven op welke manier u probeert de positie van LHBT-minderheden in Indonesië te versterken nu twee militante moslimgroepen, het Front Jihad Islam en het Forum Umat Islam expliciet de oorlog hebben verklaard aan alle LHBT-inwoners van Indonesië?
De ontwikkelingen rond de positie van LHBT’s worden op de voet gevolgd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade in Jakarta. Half maart heeft de ambassadeur in gesprekken met verscheidene ministers zijn zorgen uitgesproken over de positie van LHBT’s. Tevens heeft hij in dit kader aandacht gevraagd voor het belang van toegang tot publieke gezondheidsdienstverlening en daarbij gewezen op de resultaten van UNAIDS en het programma «Bridging the gaps; Health and rights for key populations» om verspreiding van HIV/aids tegen te gaan
Daarnaast werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken samen met (allianties van) NGO’s die zich inzetten om de situatie van LHBT’s te verbeteren. Inzet is daarbij de volledige en volwaardige participatie van LHBT’s in de maatschappij te bewerkstelligen. Ook heeft het ministerie een tripartite samenwerkingsverband met UNAIDS en de alliantie van NGO’s die het programma Bridging the Gaps uitvoert. Doel van deze samenwerking, ook met de Indonesische autoriteiten, is om toegang tot publieke gezondheidsdienstverlening zeker te stellen en vertegenwoordigers van key populationsactief te betrekken bij de ontwikkeling en uitvoering van (mede) op hen gericht beleid.
Deelt u de mening dat het bijzonder onwenselijk is dat minderheden, zoals homo’s, worden gecriminaliseerd, en verwensingen naar hun hoofd krijgen waarin wordt gesteld dat de «ziekte moet worden uitgeroeid»? Zo ja, kunt u aangeven hoe dit vorm krijgt in ons internationale emancipatiebeleid?
Het kabinet deelt de mening dat deze ontwikkelingen zeer onwenselijk zijn. Het non-discriminatiebeginsel, zoals ook vastgelegd in artikel 1 van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, is van toepassing op iedereen. Iedere overheid heeft dan ook de plicht om alle burgers gelijke bescherming te bieden, ongeacht seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Zoals geformuleerd in de beleidsbrief «Respect en recht voor ieder mens» (2013) zijn de bescherming en bevordering van gelijke rechten voor LHBT’s één van de speerpunten van het mensenrechtenbeleid. In de Mensenrechtenrapportage die jaarlijks met uw Kamer gedeeld wordt, vindt u een uitgebreide uiteenzetting van de Nederlandse inspanningen op dit gebied.
In hoeverre deelt u de mening dat het bijzonder onwenselijk is dat twee leden van de regering zich negatief en stigmatiserend hebben uitgelaten over LHBT’s? Kunt u aangeven hoe, en in welke mate, de internationale gemeenschap, waaronder Nederland, deze ontwikkeling adresseert bij de Indonesische regering?
Het kabinet deelt de mening dat de stigmatisering van en negatieve uitspraken over LHBT’s onwenselijk zijn.
Tijdens mijn bezoek aan Indonesië eind maart heb ik in mijn gesprekken met leden van de Indonesische regering de mensenrechtensituatie, inclusief de positie van LHBT’s besproken en mijn zorgen over de huidige situatie overgebracht. Ik heb hierbij benadrukt dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid om alle burgers gelijke bescherming te bieden. Ook heb ik aandacht gevraagd voor de positie van LHBT’s en het belang van programma’s op het gebied van HIV/aids tijdens mijn bezoek aan een door Nederland financieel ondersteund centrum voor hulp aan drugsgebruikers. Hierbij was tevens een vertegenwoordiger van het Ministerie van Gezondheid aanwezig. Daarnaast sprak ik tijdens mijn bezoek met verscheidene LHBT-activisten over de huidige situatie. De Nederlandse ambassadeur in Jakarta heeft eerder ook al de zorg over de situatie voor LHBT’s bij diverse Indonesische ministers opgebracht.
De mensenrechtensituatie in Indonesië zal daarnaast aan de orde komen in de jaarlijkse EU-Indonesië Mensenrechtendialoog.
Bent u bereid er bij de Indonesische regering op aan te dringen maatregelen te nemen tegen bedreigingen jegens LHBT’s in Indonesië?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat mensenrechtenactiviste Berta Caceres is vermoord in Honduras |
|
Michiel Servaes (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht op de website van Global Wintess «Murder of high-profile indegenous leader Berta Caceres must trigger urgent investigation in Honduras»?1
Ja.
Wat is uw reactie, naast het gerelateerde en gepaste bezoek van de Nederlandse ambassadeur in Costa Rica aan Honduras2, op de moord van mensenrechtenactiviste Berta Caceres in Honduras?
Het kabinet ondersteunt binnen «Samenspraak en Tegenspraak» de Council of Indigenous Peoples of Honduras (COPINH) via strategische partnerorganisaties BothEnds en Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) en was mede hierdoor bekend met bedreigingen en geweld tegen landrechten-activiste Berta Cáceres.
Het kabinet is bedroefd en geschokt door de moord op Berta Cáceres. De gedachten gaan uit naar de familie en vrienden die zij achterlaat. Het kabinet heeft condoleances overgebracht aan FCAM, Both Ends en Mama Cash. Berta Cáceres vocht voor een betere wereld. Het sturen van de ambassadeur is een eerste signaal dat het kabinet blijvende aandacht heeft voor haar nalatenschap en de belangrijke strijd die zij voerde voor rechten voor inheemse gemeenschappen.
Het kabinet heeft de Hondurese autoriteiten opgeroepen de daders op te sporen en te berechten. Samen met de EU-delegatie in Honduras is het belang benadrukt van een onafhankelijk onderzoek naar haar moord.
Hoe gaat u, al dan niet via de ambassadeur in Costa Rica, toezien op de door Nederland desgevraagde inspanningen van de overheid van Honduras ten aanzien van hun mensenrechtenbeleid?
Het kabinet heeft de Nederlandse ambassadeur in San José gevraagd naar Honduras af te reizen. Zij heeft tijdens haar bezoek aan Honduras op vrijdag 11 maart jl. de autoriteiten gewezen op het belang van een diepgaand en onafhankelijk strafrechtelijk onderzoek en opgeroepen de daders op te sporen en te berechten. Ook heeft de ambassadeur er bij hen op aangedrongen zich in te spannen voor een klimaat waarin mensenrechtenverdedigers, zoals Berta Cáceres, en journalisten veilig hun werk kunnen doen. Nederland zet zich al langer structureel in voor mensenrechten, veiligheid en justitie in Honduras, onder andere via het Midden-Amerika Programma, de EU en de VN. Zo heeft Nederland tijdens het laatste mensenrechtenexamen van Honduras in de Universal Periodic Review (UPR) in mei 2015 Honduras aangesproken op schending van rechten van journalisten en mensenrechtenverdedigers. Versterken en effectieve implementatie van de recente wet ter bescherming van journalisten, juridische ambtenaren en mensenrechtenverdedigers werden daarbij door veel lidstaten genoemd. De Nederlandse aanbevelingen over bescherming van mensenrechtenverdedigers en journalisten en over actie voor naleving van mensenrechten door bedrijven zijn door Honduras overgenomen.
Daarnaast neemt Nederland op afstand deel aan de Mensenrechtendialoog (Grupo Enlace) die de Europese Unie voert met de Hondurese overheid. Door middel van specifieke projecten, Facilitadores Judiciales, el Centro de Prevención de la Violencia (CEPREV) en het regionale mensenrechtenfonds, ondersteunt Nederland respectievelijk de toegang tot justitie, de preventie van geweld onder jongeren en de verbetering van de mensenrechten in het algemeen en de bescherming van mensenrechtenverdedigers in het bijzonder. Tot slot zal Nederland tijdens toekomstige diplomatieke contacten aandacht voor deze kwestie blijven vragen. Dat geldt zowel voor het bilaterale domein, als in de context van de EU politieke dialoog met Honduras, die van kracht wordt zodra het EU-Midden Amerika Associatie Akkoord in werking treedt.
Welke stappen heeft u ondernomen ten opzichte van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO toen zij twee jaar geleden ook al onder vuur lagen vanwege hun betrokkenheid bij het betreffende stuwdamproject van DESA in Honduras?3
Het kabinet spreekt regelmatig met FMO over haar investeringsbeleid. Investeringen van FMO vinden doorgaans plaats in landen waar vooral gemeenschappelijke en traditionele landrechten niet of onvoldoende beschermd worden en transparantie en participatie in landverwervingsprocessen ontbreken. FMO en andere financiële instellingen maken bij hun investeringsbeslissingen onder meer gebruik van de Performance Standards van de International Finance Cooperation (IFC), omdat hierin specifiek aandacht wordt gegeven aan landrechten.
FMO heeft als een van de eerste ontwikkelingsbanken een onafhankelijk klachtenmechanisme opengesteld die het mogelijk maakt voor onder meer de lokale bevolking om hun bezwaren te uiten. De onafhankelijkheid van het klachtenmechanisme en de transparantie ten aanzien van de bevindingen zijn daarbij zeer belangrijk.
In de afgelopen anderhalf jaar heeft FMO zich binnen de Land Governance Multi-Stakeholder Dialogue ingezet om haar landrechtenbeleid en dat van andere instellingen verder aan te scherpen. Ook werkt FMO samen met Hivos, Stichting Tropenbos Internationaal en het Koninklijke Instituut voor de Tropen (KIT) aan het versterken van landrechten voor kleinschalige producenten en gemeenschappen.
In november 2015 is het kabinet, als grootaandeelhouder van FMO, in gesprek gegaan met de Raad van Commissarissen (RvC) om te horen op welke wijze FMO verantwoordelijkheid neemt voor het beschermen van mens en milieu in landen waar Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) niet goed is geborgd. In vervolg op dit gesprek zijn afspraken gemaakt om het transparantiebeleid van FMO te verbeteren zodat bezwaren van belanghebbenden tijdig en op een transparante wijze gesignaleerd kunnen worden. FMO zal dit kalenderjaar een begin maken met het rapporteren en administreren van projecten binnen International Aid Transparency Initiative (IATI) standaarden. Daarnaast zal FMO, naar model van de International Finance Cooperation (IFC), meer projecten voor financiering openbaar maken.
Naast de dialoog met de RvC van FMO nemen de Minister van Financiën en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking namens de overheid deel aan de onderhandelingen over het IMVO-convenant van de bancaire sector, samen met de vakbonden, NGOs en de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). Het convenant richt zich op de rol van banken bij het verminderen en voorkomen van risico’s op mensenrechtenschendingen. Het kabinet zet er op in dat bij de afspraken over het due diligence beleid van de banken ook landrechten aan de orde komen.
Heeft u reeds contact gehad met FMO hierover en wat was hun reactie?
Zie antwoord vraag 4.
Welke vervolgstappen gaat u nemen, ook om dergelijke praktijken in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe bestempelt u het ogenschijnlijk nalaten door de overheid van Honduras om het devies van de Inter-American Commission for Human Rights (IACHR) met betrekking tot het beschermen van Caceres op te volgen?
In 2009 heeft de IACHR de Hondurese autoriteiten opgeroepen voorzorgsmaatregelen te nemen ter bescherming van Berta Cáceres. De «precautionary measures» zijn een belangrijk beschermingsmechanisme van de IACHR. Honduras moet de «precautionary measures» van de IACHR op een zorgvuldige manier implementeren. Het kabinet betreurt, gezien de moord op Berta Cáceres, dat de Hondurese autoriteiten daarin niet effectief zijn geweest.
Deelt u de zorgen in het rapport «How many more» van Global Witness4 over het gebrek aan (mogelijkheden voor) bescherming van mensenrechtenactivisten?5 Welke mogelijkheden ziet u om dit internationaal op te pakken en ziet u daarbij een rol weggelegd voor Nederland, ook als EU-voorzitter?
Het kabinet deelt deze zorgen. Helaas is het in veel landen nog steeds levensgevaarlijk om mensenrechten te verdedigen. Nederland zet zich wereldwijd in voor de bescherming van mensenrechtenverdedigers. Zo steunt Nederland vanuit het Mensenrechtenfonds een aantal NGO’s die werken aan de praktische bescherming van mensenrechtenverdedigers, waaronder Front Line Defenders, die ook actief zijn in Latijns-Amerika.
Mensenrechtenverdedigers zijn onderdeel van het maatschappelijk middenveld en opereren vanuit maatschappelijke organisaties. De Strategische Partnerschappen voor «Samenspraak en Tegenspraak» en het Accountability Fund hebben ten doel om bij te dragen aan het verbeteren van de voorwaarden voor maatschappelijke organisaties om te kunnen werken als pleitbezorger en waakhond. Dit impliceert erkenning door de overheid van het recht op vrije vergadering en vrije meningsuiting. In landen waar deze voorwaarden niet voldoende aanwezig zijn, is het verbeteren van deze voorwaarden onderdeel van de samenwerking binnen de Strategische Partnerschappen. Donoren en internationale (maatschappelijke) organisaties kunnen steun en rugdekking bieden onder moeilijke omstandigheden en op hun beurt pleiten en beïnvloeden om deze voorwaarden te verbeteren.
Ook vanuit het Midden-Amerika programma werd in het kader van het regionale mensenrechtenfonds tot eind 2015 ondersteuning geboden aan mensenrechtenverdedigers. De steun aan mensenrechtenverdedigers wordt voortgezet in het driejarig regionaal mensenrechtenprogramma dat in 2016 wordt opgezet. Nederland financiert projecten van regionale organisaties die gericht zijn op versterking van de uitvoering van nationale, regionale en internationale mechanismes om mensenrechtenverdedigers en journalisten te beschermen. Dit gebeurt onder meer door middel van communicatie- en bewustwordingscampagnes, capaciteitsopbouw, het vergroten van de digitale veiligheid en het versterken van regionale samenwerking tussen mensenrechtenorganisaties.
Tijdens de 31e VN-Mensenrechtenraad in maart heeft Nederland zich ingezet voor een resolutie over de bescherming van mensenrechtenverdedigers die werken aan economische, sociale en culturele rechten. Binnen de EU is Nederland één van de voortrekkers op het thema mensenrechtenverdedigers. In het EU-Actieplan voor Mensenrechten en Democratie zijn, met steun van Nederland, concrete acties opgenomen om de inzet op bescherming van mensenrechtenverdedigers door de EU en EU-lidstaten te bevorderen. Een voorbeeld is het instellen van logboeken om de inzet van de EU voor specifieke mensenrechtenverdedigers beter te registreren en te monitoren. Nederland houdt de uitvoering van dit actieplan goed in de gaten en bepleit een consistente implementatie van de EU-Richtsnoeren voor mensenrechtenverdedigers.
Het gebruik door GeenPeil van de subsidieregeling referendum |
|
Kees Verhoeven (D66), Marit Maij (PvdA), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «GeenPeil misbruikt subsidieregeling referendum»?1
Ja.
In hoeverre veronderstellen de verschillende subsidieplafonds voor rechtspersonen en natuurlijke personen dat de uitvoering van (toegekende) subsidieaanvragen moet plaatsvinden met strikte scheiding tussen deze categorieën?
De subsidieregeling bevat een drietal deelplafonds (Voor-Tegen-Neutraal). Een aanvraag kan slechts voor één categorie worden ingediend. Nadat een aanvraag is ingediend, kan de aanvrager de keuze voor een specifieke categorie niet meer wijzigen.
Welke mate van invloed van een rechtspersoon op de aanvraag voor subsidie ten behoeve van het referendum door een natuurlijk persoon acht u acceptabel en geoorloofd?
De Wet raadgevend referendum draagt de subsidieverlening op aan de Referendumcommissie. Dit is een onafhankelijke commissie, die in een Subsidieregeling2 regels heeft gesteld over de verstrekking van subsidies. Het is niet aan mij om mij uit te laten over de mate waarin subsidieaanvragen en/of met die aanvragen samenhangende omstandigheden acceptabel en geoorloofd zijn. Ik wijs er wel op dat de aanvrager van de subsidie verantwoordelijk is voor de aanvraag en dat deze achteraf de besteding van de subsidiegelden zal moeten kunnen verantwoorden. Blijkt bij de verantwoording dat het geld niet of verkeerd gebruikt is, of dat de aanvrager niet aan alle verplichtingen heeft voldaan, dan kan de Referendumcommissie de subsidie op een lager bedrag vaststellen, en kunnen reeds uitgekeerde bedragen geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.
Zijn er subsidieaanvragen van natuurlijke personen afgewezen omwille van een achterliggende rechtspersoon? Zo ja, hoeveel gevallen betrof dit en waarin verschillen c.q. komen deze gevallen overeen met de in het artikel besproken constructie van GeenPeil?
De Referendumcommissie heeft mij laten weten dat zij alleen de aanvragen beoordeelt zoals die worden ingediend, en uitsluitend aan de criteria die in voormelde Subsidieregeling zijn neergelegd. Als de aanvraag niet duidelijk is, vraagt de commissie nadere informatie op, die wordt betrokken bij de beoordeling. De commissie heeft alleen aanvragen afgewezen omdat deze niet voldeden aan de criteria uit de Subsidieregeling of omdat het budget voor het betreffende deelplafond was uitgeput.
Aan rechtspersonen en particulieren die subsidie krijgen worden verplichtingen opgelegd. Voor uw informatie vat ik die hieronder samen:
Voor subsidie komen alleen redelijke kosten in aanmerking die direct verbonden zijn aan de uitvoering van de activiteiten waarvoor men subsidie aanvraagt. Waar of bij wie de aanvragers inkopen, is voor de Referendumcommissie geen beoordelingscriterium. De Referendumcommissie weet dat ruim 40 aanvragers die subsidie krijgen, diensten inkopen bij GeenPeil. De betreffende aanvragers hebben daar ook melding van gemaakt in de informatie die zij hebben gestuurd aan de Referendumcommissie.
In welke mate staat het natuurlijke personen vrij om in de subsidieaanvraag kosten op te voeren waarvoor zij slechts tussenpersoon zijn, bijvoorbeeld doordat zij de kosten niet zelf maken maar dit fictief inkopen bij een derde?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is het oordeel van de Referendumcommissie over de in het artikel besproken aanvraagconstructie?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw oordeel over de in het artikel besproken aanvraagconstructie?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb geschreven, is het de Referendumcommissie die subsidieaanvragen beoordeelt. De Referendumcommissie verricht die taak in onafhankelijkheid. Het is dan ook niet aan mij om een oordeel te vellen over onderhavige aanvraag.
Bent u, omwille van de spoedig dichterbij komende referendumdatum, bereid deze vragen zeer spoedig te beantwoorden?
Ik heb ernaar gestreefd de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Mensenrechten in relatie tot grote sportevenementen |
|
Michiel van Nispen |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Op welke wijze wilt u de spelregels en criteria bij de toewijzing van grote sportevenementen vormgeven? Hoe gaat u zich er voor inzetten dat, wie zich hier niet aan houdt niet in aanmerking komt voor een groot sportevenement, en dat overheidsfinanciering afhankelijk kan worden of voldaan wordt aan deze criteria? Kunt u dit uiteenzetten?1
De toewijzing van sportevenementen is de verantwoordelijkheid van (internationale) sportorganisaties. Mijn inzet is om vanuit de Europese Unie druk uit te oefenen om toewijzing zo transparant mogelijk te maken en te laten verlopen volgens principes van goed bestuur, waarbij ook aandacht is voor criteria ten aanzien van (o.a.) mensenrechten. Ik vind het een goede ontwikkeling dat bij verschillende internationale sportkoepels steeds duidelijker wordt onderkend dat zij een verantwoordelijkheid hebben als het gaat om mensenrechten. Zo heeft de FIFA onlangs John Ruggie, opsteller van de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, in de arm genomen.2
Tijdens het Nederlands Voorzitterschap van de EU zet ik me in om raadsconclusies op te stellen over transparantie en goed bestuur van grote sportevenementen. Het betreft hier alle fasen van het proces, van haalbaarheidsstudie en bidprocedure tot voorbereiding, organisatie en legacy van grote sportevenementen. In deze raadsconclusies wordt ook aandacht gevraagd voor criteria voor mensenrechten. Daarnaast ben ik in overleg met internationale sportorganisaties om te bezien of we vanuit het kader van deze raadsconclusies afspraken kunnen maken om de integriteit rondom sportevenementen te verbeteren. Hiermee zet ik integriteit van de sport op de Europese agenda. Uiteindelijk zijn de lidstaten ieder voor zich verantwoordelijk voor de financiering van sportevenementen en de voorwaarden waaronder dit gebeurt.
Welke stappen gaat u zetten tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap als het gaat om de toewijzing van sportevenementen, en het voorkomen van mensenrechtenschendingen tijdens grote sportevenementen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hebben lidstaten en sportbonden in de huidige EU-richtsnoeren voldoende verplichtingen en verantwoordelijkheden om mensenrechtenschendingen te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De richtsnoeren waar u naar verwijst, zijn opgesteld door experts uit de 28 EU-lidstaten. Ik ben bekend met de richtsnoeren. Deze hebben geen verplichtende werking maar zijn de adviezen van experts aan lidstaten en sportorganisaties. Ik zet me in om transparantie en goed bestuur bij grote sportevenementen te verbeteren door het op de EU-agenda te zetten, raadsconclusies op te stellen met adviezen aan lidstaten en internationale sportfederaties en de dialoog aan te gaan met een aantal internationale sportorganisaties. Het is niet mogelijk om binnen de EU bindende afspraken te maken over dit thema, omdat de EU op het terrein van sport alleen een ondersteunende bevoegdheid heeft.
Verder is er vanuit de Europese Dienst voor Extern Optreden nadrukkelijk aandacht voor mensenrechten en wordt er zowel door de Europese Unie als door de lidstaten druk uitgeoefend op landen waar schendingen van mensenrechten plaatsvinden.
Bent u ervan op de hoogte dat in de EU-richtsnoeren vooral wordt gekeken naar het «hosting contract», dat regelt dat internationale sportbonden bij gaststeden en landen moeten afdwingen dat zij mensenrechten accepteren? In hoeverre heeft dit bij vorige grote sportevenementen adequaat plaatsgevonden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de EU-richtsnoeren naar uw mening afdoende om mensenrechtenschendingen te voorkomen, te zorgen voor sancties in het geval van niet-naleving, de instelling van een mechanisme om te zorgen voor toezicht, alsmede te zorgen voor compensatie van slachtoffers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de thans voorliggende EU-richtsnoeren beperkt zijn, en dat samen met andere sportministers gekeken zou moeten worden naar betere regels om de schending van mensenrechten te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten? Hoe gaat u zich hiervoor inzetten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wordt omgegaan met mensenrechtenschendingen die buiten grote sportevenementen plaatsvinden, maar die hier wel direct relatie mee hebben, zoals bijvoorbeeld de kritische activisten die in 2008 een meldplicht en reisverbod opgelegd kregen, waardoor zij voorafgaand aan de Olympische Spelen niet zonder toestemming de stad mochten verlaten of naar Beijing mochten reizen?2
Nederland zet zich wereldwijd in voor mensenrechten, ongeacht of er een relatie is met grote sportevenementen. Het mensenrechtenbeleid is vastgelegd in de nota «Respect en recht voor ieder mens». Hierin is ook de prioriteit weergegeven die Nederland geeft aan de ondersteuning en bescherming van mensenrechtenverdedigers. Hoe Nederland zich inspant voor mensenrechtenverdedigers is te lezen in de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Wanneer spreekt u met de andere 27 EU-lidstaten over transparantie en goed bestuur van grote sportevenementen?3 Kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
De richtsnoeren van de experts worden gepubliceerd op de website van de Europese Commissie. Deze richtsnoeren zullen, samen met andere documenten over dit thema zoals de Olympische Agenda 2020, als input dienen voor de discussie met de andere lidstaten. Hierbij worden ook integriteitkwesties betrokken, zoals de mensenrechten, uitsluiting van alle vormen van discriminatie en het voorkomen van doping en matchfixing.
Tijdens de OJCS-raad in mei zullen raadsconclusies over dit thema worden besproken en vastgesteld. Daarna kan ik u deze raadsconclusies sturen.
Wilt u uw reactie op de nieuwe EU-richtsnoeren voor sportevenementen de Kamer doen toekomen? Zo ja, wanneer kan de Kamer uw reactie verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
De berichten rondom de veiligheid van de kerncentrale in Doel |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ernstig nucleair ongeval in België is mogelijk, concludeert adviesorgaan», waaruit blijkt dat de Hoge Gezondheidsraad van België heeft geconcludeerd dat er wel degelijk kans is dat een ernstig nucleair ongeval kan plaatsvinden bij de kerncentrale bij Doel net over de Nederlandse grens?1 Wat is uw reactie op deze recente berichtgeving en die inzake het risico op een ongeval of terroristische aanslag en de mogelijke gevolgen daarvan?2 3
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht. Op 24 maart jl. heeft u van mij een brief ontvangen waarin ik uitgebreid in ga op het advies van de Belgische Hoge Gezondheidsraad. De Belgische Hoge Gezondheidsraad heeft geen onderzoek gedaan naar de kans op een groot nucleair ongeval maar heeft vanuit de aanname dat dit kan plaatsvinden gekeken naar hoe goed België is voorbereid op een dergelijk ongeval.
Wat is uw oordeel ten aanzien van de conclusie van de Hoge Gezondheidsraad dat België de crisisplannen niet op orde heeft?4
De Belgische Hoge Gezondheidsraad doet verschillende aanbevelingen over de voorbereiding van België voor het geval dat er zich een nucleair ongeval zou voordoen. Deze aanbevelingen zijn in lijn met de inzichten zoals die ook internationaal worden besproken en zoals die bijvoorbeeld in de laatste Euratom richtlijnen zijn vastgelegd en nationaal worden geïmplementeerd.
Erkent u dat in geval van een ongeval buiten Zeeland ook andere delen van Nederland worden getroffen? Kunt u aangeven welke gebieden risico lopen?
Ja, de voorbereiding op een eventueel ongeval beperkt zich dan ook niet tot de provincie Zeeland. Op 2 juli 2014 bent u door de Minister van Economische Zaken geïnformeerd over de uitbreiding van preparatiezones rondom de reactoren in Delft, Petten, Borssele, Doel, Tihange en Emsland waarin maatregelen worden voorbereid voor het geval zich een nucleaire ongeval voordoet. De aangepaste zones reiken, afhankelijk van de maatregel en het risico van de specifieke reactor, tot 100 km rondom de grotere reactoren. Wat betreft de voorbereiding van maatregelen ter bescherming van de voedselketen strekt het gebied zich uit tot heel Nederland.
Hoe gaat u de veiligheid van burgers garanderen? Welk rampenscenario heeft Nederland klaarliggen?
Nucleaire installaties moeten aan strenge veiligheidseisen voldoen waarop onafhankelijk toezicht wordt gehouden. Internationaal zijn in ondermeer in de Europese richtlijn nucleaire veiligheid, IAEA documenten en in het VN verdrag Nucleaire Veiligheid veiligheidskaders vastgelegd waaraan de nationale regelgeving en het toezicht moeten voldoen.
Naast alle voorzieningen om kernongevallen te voorkomen, zijn er in Nederland ook plannen voor de bestrijding van de gevolgen mocht een kernongeval toch plaatsvinden.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het op 12 april 2016 voorziene Algemeen overleg over nucleaire veiligheid en stralingsbescherming?
Ja.
De Richtlijnen voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapend conflict |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lancering van de #WatchOurSchools campagne door Human Rights Watch op woensdag 9 maart jl. over de Richtlijnen voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapend conflict?
Ja.
Hoe en op welke termijn gaat u deze – door onder meer Nederland gesteunde – richtlijnen op basis van de Oslo Conferentie van 29 en 30 mei 2015 implementeren? Welke stappen heeft u sinds de Oslo Conferentie al ondernomen op het gebied van implementatie? Maakt deze bijvoorbeeld al deel uit van de «Rules of Engagement» voor missies waar Nederland aan deelneemt? Zo nee, waarom niet?
Tijdens internationale crisisbeheersingsoperaties is het humanitair oorlogsrecht voor Nederlandse militairen leidend. Het humanitair oorlogsrecht stelt onder andere dat alleen militaire doelen mogen worden aangevallen. Civiele gebouwen en andere burgerobjecten zijn beschermd. Dit betreft onder andere scholen, musea, historische monumenten en gebouwen die worden gebruikt voor godsdienstuitoefening. Het humanitair oorlogsrecht bevat ook de verplichting om, voor zover dat ook maar enigszins praktisch uitvoerbaar is, alle noodzakelijke voorzorgen te nemen om burgerobjecten te beschermen tegen de uit militaire operaties voortvloeiende gevaren. De richtlijnen op basis van de Oslo Conferentie van 29-30 mei 2015 hebben hetzelfde doel, maar ze richten zich, anders dan het humanitair oorlogsrecht, specifiek op de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens een gewapend conflict. De Nederlandse krijgsmacht werkt al volgens de strekking van deze richtlijnen.
De Nederlandse militairen worden bekend gemaakt met het humanitair oorlogsrecht tijdens de initiële opleidingen en tijdens de missie gerichte instructie. Het Handboek Militair gaat hier uitvoerig op in. De toekomstige leidinggevenden van de krijgsmacht, dat wil zeggen de cadetten en adelborsten aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA), maken een verdiepingsslag tijdens de Bachelor fase. De richtlijnen maken geen deel uit van de Rules of Engagement (ROE’s) voor operaties, aangezien ROE’s geen geschikt instrument zijn voor het opnemen van oorlogsrechtelijke bepalingen.
Gaat u of bent u met Human Rights Watch en andere betrokken NGO’s van de Nederlandse GCPEA-coalitie1 in gesprek over de implementatie van de richtlijnen, zoals ook benoemd in de Safe Schools Declaration die werd aangenomen tijdens de Oslo Conferentie? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De betrokken ministeries hebben de afgelopen jaren regelmatig gesprekken gevoerd over het Safe Schools initiatief met de Nederlandse NGO’s van de GCPEA-coalitie, waaronder Human Right Watch. In deze gesprekken stond de Nederlandse inzet ten aanzien van het Safe Schools verklaring en bijbehorende richtlijnen centraal.
Gaat u andere landen die de genoemde richtlijnen nog niet hebben ondersteund, aansporen om dit alsnog te doen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse inzet richt zich vooral op het genereren van bekendheid met en steun voor het Safe Schools initiatief onder andere staten. In multilaterale fora heeft Nederland het afgelopen jaar diverse malen expliciet aandacht gevraagd voor de noodzaak van betere bescherming van scholen, onder verwijzing naar de Safe Schools verklaring en de richtlijnen. Nederland heeft andere landen ook opgeroepen om dit initiatief te ondersteunen en zal dit blijven doen.
Kunt u aangeven hoeveel landen de genoemde richtlijnen inmiddels ondersteunen? Treedt u samen met deze landen op om anderen te bewegen de richtlijnen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Nederland behoorde tot de eerste groep van 37 landen die de richtlijnen ondersteunden. Sindsdien hebben nog 15 andere landen hun steun voor de richtlijnen uitgesproken.
Hoe benut u de mogelijkheden van het Nederland EU-voorzitterschap om de richtlijnen onder de aandacht te brengen en steun te verwerven? Hoe verloopt dit? Als u geen gebruik maakt van het Nederlands voorzitterschap om de richtlijnen onder de aandacht te brengen en/of steun te verwerven, hoe doet u dit dan wel?
Zie antwoord vraag 4.
Verontrustende bijwerkingen van de sterilisatiemethode Essure |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de tv-uitzending over verontrustende klachten over de sterilisatiemethode Essure?1
Ik heb kennisgenomen van de uitzending. De uitzending onderstreept het belang van lerend vermogen in de zorg en dat we open moeten staan voor signalen van patiënten.
Wat is de reden dat de gynaecologenvereniging NVOG nu bezorgd is over de Essure-sterilisatie, en artsen gaat trainen in het verwijderen van Essure als vrouwen daarom vragen, terwijl de methode al meer dan 10 jaar geleden is ingevoerd?2
De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) heeft aangegeven nog steeds achter de methode te staan. Na verloop van jaren blijkt een klein aantal patiënten klachten te hebben, soms ernstig. De NVOG geeft aan dat het niet zeker is of deze klachten direct verband houden met de Essure methode, maar dat dit ook niet uit te sluiten valt. De NVOG heeft overigens contact gehad met de Facebookgroep «Essureproblemen in Nederland». Hieruit bleek dat deze groep er niet op uit is om de methode uit de zorgpraktijk te halen. Wat zij wel graag wil is: serieus worden genomen en dat, als de veertjes worden verwijderd, dit op een adequate wijze gebeurt. De NVOG wijst er overigens op dat zij er niet geheel zeker van zijn dat de klachten zullen verdwijnen als de veertjes worden verwijderd.
Dit alles in aanmerking genomen heeft de NVOG besloten om op korte termijn een scholing te organiseren om de techniek van het verwijderen van de veertjes te bespreken. Op deze manier – zo is de gedachte – wordt extra geborgd dat de kennis over de verwijdertechniek snel goed verspreid is.
Wanneer en onder welke voorwaarden is de Essure-sterilisatie destijds toegelaten? Is dit gebeurd op basis van deugdelijk onderzoek? Is het waar dat de Essure-methode is ingevoerd zonder dat er sprake is van gerandomiseerd onderzoek? Zo ja, is het niet wenselijk dat dit alsnog gebeurt? Zo ja, kunt u bevorderen dat dit ook gaat gebeuren?3
Essure is een sterilisatiemethode die sinds 2001 op de Europese markt verkrijgbaar is en sinds 2003 in Nederland wordt toegepast. Het gaat om een hoog-risico medisch hulpmiddel (klasse III) dat onder de eisen die daarvoor gelden door een Ierse Notified Body is gecertificeerd en tot de markt is toegelaten.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft van de Ierse inspectie bevestiging ontvangen dat de fabrikant daartoe ondermeer klinisch onderzoek heeft verricht. De IGZ heeft zelf niet direct toegang tot de dossiers van de Ierse Notified Body.
De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA), heeft op 29 februari 2016 het bericht naar buiten gebracht dat zij de fabrikant van Essure (Bayer) de opdracht heeft gegeven om een post-market surveillance studie uit te voeren om meer informatie te krijgen over de actuele risico’s van Essure.
De FDA richt zich op de post-market surveillance, omdat deze methode de werking en bijwerkingen van een geneesmiddel registreert en evalueert. Een gerandomiseerd klinisch onderzoek betekent meestal een gestandaardiseerde onderzoeksgroep om de benodigde objectiviteit van het onderzoek te waarborgen. Zo’n onderzoek is van beperkte waarde als het gaat om het traceren van bijwerkingen.
Het is daarom zaak dat fabrikanten hun producten systematisch en continu blijven monitoren en daarover rapporteren. Bij de Europese onderhandelingen voor een nieuwe verordening voor medische hulpmiddelen heb ik mij dan ook hard gemaakt voor verbeteringen op dit punt. In het kader van het thans lopende Raadsvoorzitterschap van Nederland bij de Europese Unie (EU), richt ik mij op dit moment op het afronden van deze onderhandelingen.
In de aanloop naar de nieuwe regelgeving ontwikkelt de IGZ dit jaar risocogestuurd toezicht op Post Market Surveilance bij fabrikanten van hoogrisico producten.
Hoeveel en welke bijwerkingen zijn er sinds de introductie van Essure jaarlijks gemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en het Bijwerkingencentrum Lareb (het kenniscentrum op het gebied van veiligheid van geneesmiddelen?
De IGZ heeft sinds 2011 zowel van de fabrikant zelf als van vrouwen die de Essure sterilisatie hebben ondergaan meldingen ontvangen. Lareb is het centrum voor bijwerkingen van geneesmiddelen en niet voor medische hulpmiddelen, zoals Essure. Wanneer Lareb incidenteel meldingen ontvangt die voor de IGZ bedoeld zijn, dan zet Lareb deze meldingen aan de IGZ door.
De door de inspectie ontvangen meldingen gaan onder andere over klachten die vrouwen hebben ondervonden tijdens en/of na de plaatsing van Essure. In de meldingen worden met name lichamelijke klachten benoemd zoals rugpijn, buikpijn, spier- en gewrichtspijn, bloedingen en vermoeidheid. Er zijn ook meldingen over gebroken veertjes of klachten over de behandeling zelf. Daarnaast ontvangt de inspectie meldingen van vrouwen die aangeven dat zij nikkelallergie hebben. Nikkelallergie wordt benoemd in de richtlijn «Sterilisatie van de vrouw» van de NVOG. Op dit moment is nikkelallergie geen contra-indicatie voor de Essure sterilisatie. De NVOG heeft aandacht voor dit onderwerp en benoemt dit ook in de voorlichtingsfolder.
Hoe verhoudt zich dit tot de in uitzending van Radar genoemde aantal bijwerkingen die hebben geleid tot het verwijderen van hun veertjes bij tenminste 180 vrouwen op een totaal van 30.000 plaatsingen? Is er sprake van onderregistratie door de IGZ en/of het Lareb?
Het klachtenbeeld dat in de uitzending wordt geschetst komt overeen met het beeld dat de inspectie heeft. De inspectie registreert alle meldingen die zij ontvangt van zowel vrouwen als de fabrikant. Naar aanleiding van de uitzending heeft de IGZ via haar website vrouwen die klachten hebben opgeroepen om dit bij het Landelijk Meldpunt Zorg te melden. Sinds die oproep op 8 maart jl. hebben ca. 408 vrouwen (stand per 1 april jl.), zich aldaar gemeld. Het RIVM heeft van de Inspectie opdracht gekregen deze klachten te inventariseren op bijwerkingen, waarna deze klinisch zullen worden geduid. De inspectie vindt het belangrijk dat de balans tussen de voordelen en de risico’s van de Essure sterilisatie goed wordt bewaakt en daar goed over wordt gecommuniceerd.
Hoe staat het met de plannen om een bijsluiter bij medische hulpmiddelen die in het lichaam worden ingebracht te verplichten naar aanleiding van het Burgerinitiatief Schriftelijke Informatievoorziening?4
Naar aanleiding van dit burgerinitiatief zijn het afgelopen jaar door mijn medewerkers gesprekken gevoerd met de wetenschappelijke verenigingen en met NFU/NVZ en de Federatie Medisch Specialisten (FMS). Hieruit komt naar voren dat alle partijen het belang onderschrijven van correcte productinformatie over het ingebrachte implantaat, maar ook dat die informatievoorziening nog niet overal goed is geborgd.
Op dit moment ligt een wetsvoorstel voor de instelling van een implantatenregister bij de Raad van State voor advies. In dat wetsvoorstel is ook de verplichting voor zorgverleners opgenomen om patiënten van schriftelijke informatie over hun implantaat te voorzien en in de reeds genoemde Europese verordening wordt naar verwachting een verplichting voor de fabrikant opgenomen om informatie voor de patiënt mee te leveren met zijn implantaat.
In de eerder genoemde gesprekken naar aanleiding van het burgerinitiatief heb ik laten benadrukken dat, vooruitlopend op het wetsvoorstel implantatenregister en op de Europese verordening, die informatie ook nu al zou moeten worden verstrekt.
Hoe kan de veiligheid voor patiënten worden gegarandeerd bij het aanbieden van de Essure-sterilisatiemethode?
Aan elke medische ingreep zijn risico’s verbonden. Ik vind het dan ook belangrijk dat vrouwen een goede afweging kunnen maken voor zij overgaan tot deze behandeling. De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), schrijft voor dat het de verantwoordelijkheid van de behandelend arts is om de patiënt goed voor te lichten over een behandeling, inclusief mogelijk nadelige gevolgen, zodat de patiënt een weloverwogen keus kan maken.
Welke rol kan de IGZ spelen om ervoor te zorgen dat vrouwen die zich willen laten steriliseren adequaat worden voorgelicht, een adequate registratie van de bijwerkingen van de Essure-sterilisatie plaatsvindt, en patiënten die ernstige schade hebben ondervonden op een adequate wijze worden gecompenseerd door Bayer? Gaat u dit bevorderen?
De voorlichting van de patiënt is de verantwoordelijkheid van de behandelend arts (zie ook mijn antwoord op vraag 7). De inspectie heeft hierover ook contact gehad met de NVOG en geadviseerd om haar voorlichtingsfolder aan te passen. Dit advies heeft de NVOG inmiddels opgevolgd.
Een fabrikant is civielrechtelijk aansprakelijk voor schade als gevolg van gebreken van een product. Wanneer bij patiënten die ernstige schade hebben ondervonden van Essure kan worden vastgesteld dat dit een gevolg is van een gebrek aan het product, dan kan op basis van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de fabrikant compensatie aan de orde zijn. Het bevorderen van compensatie zie ik niet als mijn taak of die van de IGZ. Zie voorts mijn antwoord op vraag 9.
De IGZ ziet toe op de naleving van de Europese Richtlijn voor medische hulpmiddelen, waaronder de verplichting tot post marketing surveillance door fabrikanten. De IGZ is daarnaast mede betrokken bij de opstart van een expertcentrum voor de analyse en duiding van productgerelateerde klachten over implantaten. Het Landelijk Meldpunt Zorg fungeert daarbij als meldpunt». Over dit expertcentrum heb ik de Kamer ingelicht bij brief van 8 oktober 2015 (Kamerstukken 32 805, nr. 43). Naar verwachting kan de IGZ door de bevindingen van dit expertcentrum eerder gebreken in implantaten signaleren.
Vindt u dat de bewijslast dat een medisch hulpmiddel verantwoordelijk is voor schade aan een patiënt niet bij een patiënt hoort te liggen, maar dat de fabrikant de veiligheid dient aan te tonen? Zo ja, wat gaat u hierop ondernemen? Zo neen, waarom niet?5 Ziet u mogelijkheden in Europees verband ervoor te zorgen dat medische hulpmiddelen die permanent in het lichaam verblijven (klasse III hulpmiddelen en implantaten), zoals de veertjes bij de Essure-sterilisatie, slechts op de markt mogen komen als hoogwaardig klinisch onderzoek met randomisatie heeft plaatsgevonden, vergelijkbaar met de introductie van geneesmiddelen? Zo ja, wilt u dit bevorderen? Zo neen, waarom niet?
De fabrikant van een medisch hulpmiddel heeft de verantwoordelijkheid om de veiligheid van zijn product aan te kunnen tonen en is ook civielrechtelijk aansprakelijk voor schade als gevolg van gebreken aan een product. Aan het gebruik van een medisch hulpmiddel zit altijd een zeker risico. Sommige risico’s worden pas na verloop van tijd, soms na jaren, zichtbaar. Daarom is het van belang dat de risico’s blijvend in kaart worden gebracht, de patiënt over de risico’s steeds vooraf aan de behandeling goed is geïnformeerd over de laatste stand van zaken om samen met de behandelend arts een goede afweging te kunnen maken.
Het is overigens niet altijd makkelijk te concluderen of klachten rechtstreeks toe te schrijven zijn aan een medisch hulpmiddel. Vaak ligt het ook aan de toepassing, de nazorg of aan een combinatie daarvan. Daarom is het van belang dat signalen worden gehoord en geanalyseerd. De fabrikant heeft daarin een rol te vervullen (zie ook mijn antwoord op vraag 3), maar ook de beroepsgroep heeft daarin een taak, zoals de NVOG ook duidelijk erkent en oppakt.
Het bericht “Hoe vereiste hervormingen de Oekraïense mijnsteden tot wanhoop drijven” |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe vereiste hervormingen de Oekraïense mijnsteden tot wanhoop drijven»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat de Oekraïense bevolking aangeeft last te hebben van «de stijgende levenskosten en stagnerende of zelfs verdwenen inkomsten door het verlies van werk, gekoppeld aan de enorme inflatie»? Erkent u dat deze ontwikkeling samenhangt met de hervormingen die het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de EU van Oekraïne eisen in ruil voor financiële steun?
De stijgende kosten voor levensonderhoud en verlies aan banen in Oekraïne zijn vooral het gevolg van jarenlang economisch mismanagement onder de vorige regering dat leidde tot groeiende begrotingstekorten en een industrie die niet meer kon concurreren. Samen met het conflict in het oosten van het land leidde dit tot een zware economische crisis in 2014 en 2015.
Het IMF-programma heeft onder andere als doel de overheidsfinanciën onder controle te krijgen door goed begrotingsbeleid en verbeteringen in de belastingdienst. Daarnaast wordt de inflatie door een strak monetair beleid omlaaggebracht. De enorme inflatie is al afgenomen. Hervormingen op het gebied van het wisselkoersregime en de subsidiestructuren in de energiesector zijn absoluut noodzakelijk voor economisch herstel en dragen er op termijn juist aan bij dat de inflatie en werkloosheid worden teruggedrongen. Het IMF, in samenwerking met andere internationale financiële instellingen, heeft er in het programma juist op aangedrongen dat de prijsverhogingen in de energiesector gecompenseerd worden door gerichte inkomenssteun voor de armste groepen van de bevolking.
In het associatieakkoord tussen de EU en Oekraïne worden ook afspraken gemaakt over door te voeren hervormingen voor de modernisering van de Oekraïense economie, die net als bij het IMF juist moeten leiden tot economisch herstel. Hier staat geen extra financiële steun van de EU aan Oekraïne tegenover.
In hoeverre hangen deze hervormingen samen met de implementatie van het associatieakkoord met Oekraïne?
De hervormingen die het IMF als voorwaarde koppelt aan financiële steun staan los van het associatieakkoord tussen de EU en Oekraïne. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe oordeelt u over de volgende bevinding: «In feite komen de werkloosheid, inflatie en stijgende levenskosten deels voort uit hervormingen, sinds 2014 doorgevoerd door de Oekraïense regering en op last van het IMF»?
Zie ook het antwoord op vraag 2.
De hervormingen afgesproken met het IMF hebben als doel om de onevenwichtigheden in de economie terug te dringen zodat de economie van Oekraïne weer gezond wordt.
Deelt u de mening dat faillissement voor Oekraïne dreigt indien het land zich volgens het IMF niet aan de voorwaarden van het steunpakket aan Oekraïne houdt?
Nee. Het steunprogramma voorkomt dat juist. Het niveau van de reserves is sinds de aanvraag van het programma toegenomen en het begrotingstekort is sterk teruggedrongen. De tweede voortgangsrapportage van het IMF-programma is nog niet afgerond, maar het is al duidelijk dat de Oekraïense autoriteiten reeds een aanzienlijk aantal hervormingen hebben doorgevoerd om de economie te stabiliseren. De uitdagingen in Oekraïne blijven echter groot. Verdere hervormingen zijn essentieel om de economie op een groeipad te krijgen. Dit is ook nodig om de financiële stabiliteit van het land op lange termijn te waarborgen. Op de korte termijn zijn de IMF-middelen vooral belangrijk om de benodigde internationale reserves verder op te bouwen en zodoende vertrouwen te herstellen.
Klopt het dat Oekraïne een einde moest maken aan subsidies in de energiesector als voorwaarde voor een tranche van een IMF-lening? Welke gevolgen heeft dit gehad voor de energieprijzen in Oekraïne?
Ja, dit klopt. De subsidies in de energiesector leidden tot inefficiëntie en trokken een grote wissel op de overheidsfinanciën. Bovendien hadden vooral de rijkere delen van de bevolking voordeel van de subsidies aangezien zij meer energie gebruiken. De energieprijzen in Oekraïne waren vele malen lager dan in de buurlanden en de tarieven dekten niet de kosten van het (geïmporteerde) gas en die van het energienetwerk. Als onderdeel van het IMF-programma moet het energiebeleid worden aangepast en subsidiëring van het staatsbedrijf Naftogas worden beëindigd. Om dit bedrijf kostendekkend te maken, worden gedurende twee jaar tariefverhogingen doorgevoerd voor de afnemers. Dit teneinde op meer reële marktgebaseerde prijzen te komen.
Om rekening te houden met de druk die dit legt op de bevolking, is in het IMF-programma evenwel als voorwaarde gesteld dat de armsten gecompenseerd dienen te worden voor het prijsverschil. De verhoging van de energieprijzen is gunstig voor de begroting en energiebesparing. Door de reductie van de huidige subsidies komt begrotingsruimte vrij voor het inzetten van deze middelen, o.a. voor sociaal beleid.
Klopt het dat de meeste kolenmijnen alleen konden voortbestaan dankzij de steun van de Oekraïense staat, en dat veel kolenmijnen nu gedwongen worden om te sluiten? Kunt u percentages geven bij de beantwoording van deze vraag, zowel van het aantal gesloten mijnen als de toegenomen werkloosheid?
Ja, dat klopt. Het grootste deel van de kolenindustrie bevindt zich in het oosten van het land, in gebieden die nu door de zogenaamde separatisten worden gecontroleerd. Tot 2014 was 60% van de 150 kolenmijnen in Oekraïne in handen van de staat en werden deze door de Oekraïense overheid gesubsidieerd. Door het conflict liggen nu nog 65 mijnen in het gebied dat door Oekraïne wordt gecontroleerd, waarvan 35 operationele staatsmijnen met in totaal 52.000 werknemers.
De Minister van Energie heeft een plan aangekondigd waarin hij aangeeft dat in 2018 de helft van het totale aantal mijnen zal worden gesloten. Van de 35 staatsmijnen zullen er 23 worden afgestoten en 12 gesloten. Naar verwachting zullen hierdoor 27.000 arbeidsplaatsen verdwijnen. Dit betekent een vermindering van 51%.
Investeringen in de te moderniseren mijnen zijn noodzakelijk, waardoor ze rendabeler zullen worden en banen zullen worden behouden.
Over de 30 mijnen in private handen in door Oekraïne gecontroleerd gebied, evenals de nog functionerende mijnen in gebieden niet op dit moment niet onder controle van het Oekraïense centrale gezag staan, is onvoldoende betrouwbare informatie beschikbaar.
Bent u ervan op de hoogte dat Oekraïne op dit moment een groot tekort aan kolen kent? Wat is het gevolg hiervan voor de Oekraïense economie?
Ook hier is de vraag gebaseerd op onjuiste informatie. Er is op dit moment geen sprake van een tekort. In tegenstelling tot de winter van 2014–2015 was er afgelopen winter in Oekraïne geen sprake van een brandstoftekort, noch van kolen noch van gas. Op 1 januari 2016 hadden kolengestookte electriciteitscentrales in Oekraïne 2,7 miljoen ton kolen in opslag. In januari en februari 2016 importeerde Oekraïne meer dan 2,5 miljoen ton kolen. Dit is conform het overheidsbeleid om verliesmakende kolenwinning te vervangen door import. Door het geleidelijk afschaffen van subsidies wordt de overheidsbegroting opgeschoond en worden overheidsschulden houdbaarder.
Kunt u verifiëren dat Anatoli Mukhamedzhanov (leider van de onafhankelijke vakbond voor mijnwerkwerkers NPGU) in elkaar geslagen is door een adviseur van de Minister van Energie en Kolenindustrie, Demchyshyn, vanwege zijn streven om een aantal kolenmijnen open te houden? Wat zegt dit incident volgens u over de staat van de rechtstaat in Oekraïne?
Nee. De Oekraïense autoriteiten hebben een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen de belagers van Anatoli Mukhamedzhanov. Nederland acht het van belang dat ook in deze zaak er een onafhankelijk en objectief onderzoek wordt gedaan en recht geschiedt.
De versterking van de rechtsstaat in Oekraïne is een belangrijk onderdeel van het Nederlandse en Europese beleid. Het associatieakkoord biedt hiervoor een helder kader. Daarom zijn de hervormingen in het politieapparaat en van de rechterlijke macht die aangejaagd worden door het associatieakkoord zo belangrijk.
Kunt u een overzicht geven van de bezittingen van de oligarch Rinat Akhmetov, voorzover bekend?
Het is niet aan het Kabinet om mededelingen te doen over de bezittingen van buitenlandse personen.
Het omruilen van christelijke voor islamitische feestdagen |
|
Karin Straus (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel waarin staat beschreven dat u het mogelijk maakt voor scholen om een vrije christelijke feestdag in te ruilen voor een islamitische?1
Ja. Helaas is mijn antwoord op een eerdere vraag over dit onderwerp (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, Aanhangsel nr. 1655) niet correct weergegeven in het artikel. Het inruilen van een algemeen erkende feestdag voor een islamitische feestdag is niet aan de orde. Algemeen erkende feestdagen, zoals Tweede Paasdag of Tweede Pinksterdag, zijn officiële vrije dagen voor leraren. Deze traditionele Nederlandse feestdagen kunnen niet worden ingeruild voor een andere vrije dag.
Bent u het er mee eens dat het van groot belang is dat scholen in Nederland de Nederlandse tradities, cultuur en waarden actief uitdragen en op hun leerlingen overbrengen? Deelt u de mening dat de betekenis en achtergrond van nationale feestdagen daarbij horen?
Ja, het overbrengen van Nederlandse waarden en tradities behoort tot de maatschappelijke opdracht van de school. Zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs is burgerschap een verplicht onderdeel van het curriculum. De kerndoelen schrijven voor dat leerlingen leren over de hoofdzaken van de Nederlandse staatsinrichting, dat ze zich leren te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en dat ze kennismaken met de geestelijke stromingen die in Nederland een belangrijke rol spelen. Leerlingen leren over verschillen in opvattingen tussen mensen en hoe ze daar met respect mee om kunnen gaan. Logischerwijs komen dan ook de achtergrond en betekenis van nationale feestdagen ter sprake.
In hoeverre ziet u in het advies Onderwijs2032 het vak Burgerschap ook als centrale plaats waar de Nederlandse cultuur en de Nederlandse waarden in het onderwijs moeten worden besproken? Deelt u de mening dat, naast het uiteenzetten van onze tradities, cultuur en waarden, ook het zelf actief praktiseren/beleven ervan hoort plaats te vinden op de Nederlandse scholen? Deelt u de mening dat het vieren van nationale feestdagen daar dus ook onderdeel van is?
Burgerschapsvorming behoort tot de vaste opdracht van het onderwijs. De democratische rechtsstaat en de hieraan ten grondslag liggende kernwaarden vormen hiervan de basis. Het advies van het Platform Onderwijs2032 om burgerschap een prominentere positie in het curriculum toe te kennen, onderstreept dit. In vervolg op de motie die uw Kamer hierover heeft aangenomen (Kamerstuk 31 293, nr. 290) zal er bij de verdere uitwerking van het advies aandacht zijn voor het verankeren van fundamentele Nederlandse waarden in het kerncurriculum.
In hoeverre deelt u de mening dat scholen gebruik mogen maken van de vrijheid om eigen vrije dagen in te stellen, maar dat het inruilen van nationale feestdagen en christelijke feestdagen die een lange traditie in de Nederlandse samenleving kennen, voor bijvoorbeeld islamitische, onwenselijk is?
Het inruilen van nationale of christelijke feestdagen voor andere feestdagen is niet alleen onwenselijk, het is ook niet toegestaan om algemeen erkende feestdagen in te ruilen voor andere feestdagen. Basisscholen mogen maximaal zeven keer per schooljaar een 4-daagse schoolweek (en hiermee dus een extra vrije dag) inroosteren voor de groepen 3 tot en met 8. Alle basisscholen moeten daarbij voldoen aan het wettelijke minimum van 7.520 uur onderwijstijd over acht schooljaren. De inspectie ziet erop toe dat scholen de regelgeving met betrekking tot de indeling van de onderwijstijd naleven.
In hoeverre deelt u de mening dat er een trend gaande is, waarbij onze Nederlandse waarden soms te gemakkelijk aan de kant worden gezet, of niet actief worden verdedigd, zoals ook het rapport «Twee Werelden, Twee Werkelijkheden» liet zien?2 Maakt u zich zorgen over dit cultuurrelativisme dat dus in de dagelijkse praktijk in scholen zichtbaar wordt? Zijn docenten wel voldoende toegerust om op school thema's te bespreken zoals de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, of het bestaan van de holocaust? In hoeverre voelen onze leerkrachten zich voldoende gesteund, zowel maatschappelijk als door hun schoolbesturen en hun schoolleiders, om deze discussies in de klas aan te gaan?
Het rapport «Twee werelden, twee werkelijkheden» geeft een waardevol inzicht in thema’s die moeilijk bespreekbaar kunnen zijn in de klas en de manier waarop leraren hiermee omgaan. Hoewel deze rapportage zich niet meteen leent voor het vaststellen van een trend, neem ik deze en andere geluiden zeer serieus. Mochten de signalen toenemen, dan wil ik bezien of en hoe we scholen beter in positie kunnen brengen om deze ontwikkeling tegen te gaan.
Uit het onderzoek «Maatschappelijke thema’s in de klas − Hoe moeilijk is dat?» (Kamerstuk 27 923, nr. 208) blijkt dat de meeste leraren zich voldoende toegerust voelen om deze gesprekken te voeren. Een op de vijf leraren vindt het soms moeilijk, en een op de honderd leraren zegt bepaalde onderwerpen te mijden, vanwege de onrust die dit kan oproepen in de klas. Het rapport «Twee werelden, twee werkelijkheden» geeft hiervan schrijnende voorbeelden. Ik vind het van groot belang dat scholen zich inspannen om de waarden die de grondslag vormen van onze democratische rechtsstaat over te dragen. Scholen mogen het gesprek over deze fundamentele waarden niet uit de weg gaan.
Ik ben mij ervan bewust dat deze taak voor leraren niet altijd gemakkelijk is uit te voeren. Het is daarom ook belangrijk dat leraren zich gesteund weten door de samenleving en door hun school. U bent eerder geïnformeerd over de wijze waarop ik leraren ondersteuning bied bij deze belangrijke taak (Kamerstuk 27 923, nr. 208). Leraren kunnen dagelijks terecht bij de helpdesk van Stichting School en Veiligheid met vragen, als zich een moeilijke situatie voordoet. Op 19 april 2016 organiseert School en Veiligheid een landelijke conferentie «Met alle respect. In gesprek, ook als het lastig is», waar leraren en schoolleiders aan kunnen deelnemen. Ook zijn er trainingen beschikbaar voor leraren, waarbij zij in een veilige omgeving kunnen oefenen om deze gesprekken op een goede manier te voeren.
Bent u bereid om in overleg te treden met de PO-raad en VO-raad om de trend van het opgeven van onze waarden en tradities onder de aandacht te brengen, de onwenselijkheid daarvan over te brengen en met hen te bespreken hoe deze trend snel gekeerd kan worden?
Ik heb regelmatig overleg met de sectororganisaties over ontwikkelingen en trends in het onderwijs en natuurlijk ook over stappen met betrekking tot de uitwerking van het advies Onderwijs2032. De PO-Raad en de VO-raad zijn eveneens betrokken bij de organisatie van de hierboven genoemde conferentie «Met Alle Respect» van Stichting School en Veiligheid.
De politie die het onderspit delft tegen zware criminaliteit |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten: «Politie delft onderspit»1, «Water staat ons aan de lippen»2, «Een beetje hennepteler is tegenwoordig bewapend»3 en «West-Brabant land van hennep en intimidatie»4?
Ja.
Ziet u, nu de voorzitter van de Taskforce georganiseerde criminaliteit Brabant (tevens burgemeester van Tilburg), de politiebond ACP, de recherchechef van de regionale eenheid Zeeland-West-Brabant en de hoofdofficier van justitie in diezelfde regio aangeven dat er door drugsmoorden en aanslagen tussen criminelen er een overclaim ligt op de politie, eindelijk in dat de bezuinigingen te ver gaan en het water de politie letterlijk aan de lippen staat? Zo nee, wat is daar dan voor nodig?
Het afbreken van de criminele industrie is geen makkelijke opgave. Het vereist onze volle aandacht. In Zuid Nederland zijn daarom de afgelopen jaren veel extra maatregelen getroffen, zoals een sterke intensivering van de aanpak door een brede coalitie van overheidspartijen via de Taskforce Brabant Zeeland, een Integraal Afpakteam Brabant Zeeland en het vrijspelen van gelabelde capaciteit bij het Openbaar Ministerie (OM) en politie (Intensivering Zuid Nederland). Om nog een extra impuls te geven aan de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit heb ik hier in de Begroting 2016 structureel € 3 miljoen voor vrijgemaakt in het bijzonder voor Zuid Nederland en het strafrechtelijk afpakken van crimineel vermogen. Daarnaast wordt momenteel druk gewerkt aan de voorstellen uit de Contourennota Versterking Opsporing5. Onderdeel van deze versterking is ook het vullen van nog bestaande vacatures bij de recherche.
Over de actuele stand van zaken en over de benodigde aanpak in de komende jaren in Zuid Nederland ben ik momenteel druk in gesprek met alle betrokkenen.
Gaat u gehoor geven aan de dringende oproep te zorgen voor meer capaciteit, zowel bij de politie (recherche) als bij het OM (officieren van justitie), zeker nu blijkt dat de extra 125 agenten die eind 2014 werden ingevlogen om het zuiden te helpen onvoldoende zijn en deze misdaadgolf ook de rest van het land dreigt te overspoelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Indien u niet bereid bent om fors meer capaciteit te regelen, wat gaat u dan wel doen om de zware criminaliteit een halt toe te roepen en uw prioriteit eer aan te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de ACP dat de CBS-cijfers, die een daling van de criminaliteit laten zien, geen reëel beeld vormen omdat veel criminaliteit niet geregistreerd wordt? Zo nee, waarom niet?
De dalende trend die de geregistreerde criminaliteit vertoont, is onmiskenbaar. Maar de totale omvang van criminaliteit behelst inderdaad meer dan wat de politie registreert of wat blijkt uit slachtofferenquêtes. Criminaliteit die wordt aangepakt door de Bijzondere Opsporingsdiensten, inspecties of bestuurlijke autoriteiten komt bijvoorbeeld deels niet in deze cijfers terug, zoals thema’s als fraude en milieucriminaliteit. De CBS-cijfers verschaffen slechts in beperkte mate informatie over zogenaamde «slachtofferloze» delicten, zoals handel in verdovende middelen en illegaal wapenbezit: delicten waarvan meestal geen aangifte wordt gedaan. Bovendien wordt in toenemende mate ingezet op een integrale aanpak waarbij veel overheidsdiensten samen optreden. Activiteiten van politie en OM leiden in dit verband niet per definitie tot strafrechtelijke opsporing en vervolging, maar ook en juist tot het in positie brengen van bestuursrechtelijke autoriteiten of inspecties. Deze activiteiten komen dan niet tot uitdrukking in de cijfers van geregistreerde criminaliteit.
Deelt u de mening dat het, gezien die landelijke «daling», extra opvallend is dat blijkbaar op alle fronten van zware criminaliteit in het zuiden juist een stijging te zien is? Zo nee, waarom niet?
Geografisch is de criminaliteit in Nederland niet evenredig verdeeld. Er zijn gebieden en locaties waar criminaliteit zich bovengemiddeld voordoet. Ondermijnende criminaliteit concentreert zich bij specifieke dadergroepen of op specifieke plaatsen, die in het zuiden van Nederland meer dan gemiddeld voorkomen. Dat is ook de reden waarom hier extra op wordt ingezet door alle organisaties.
Wat is de reden van deze stijging?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat criminelen veel gewelddadiger worden? Zo nee, waarom niet?
Dat kan in algemene zin niet zo worden gesteld. Het gebruik van geweld in Nederland laat een genuanceerd en deels tegenstrijdig beeld zien. De Veiligheidsmonitor van het CBS en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) toont een daling van alle vormen en typen van geweld. Ook het door de politie geregistreerde niveau van geweldscriminaliteit laat een daling zien. Zo is bijvoorbeeld het aantal moorden in 2015 ten opzichte van 2010 met meer dan een kwart afgenomen. Tegelijkertijd neemt het gebruik van zware automatische wapens toe bij liquidaties, daar is dus wel sprake van meer extreem geweld. Dat is zeer ernstig en onaanvaardbaar. Dergelijk gebruik van grof geweld krijgt bij de aanpak vanzelfsprekend de hoogste prioriteit.
Klopt het dat er bij veel vormen van nieuwe criminaliteit (cybercrime etc.) nog geen beeld is van de omvang daarvan en dat het dus heel goed mogelijk is dat de daling van de geregistreerde criminaliteit mede veroorzaakt wordt door de verplaatsing van klassieke misdrijven naar nieuwe misdrijven?
De geregistreerde klassieke «offline» vermogenscriminaliteit is afgenomen. Door de nog maar recente opkomst van nieuwe vormen van «online» criminaliteit, is er nog weinig betrouwbare statistische informatie beschikbaar over aard en omvang van dit fenomeen.
Het WODC is daarom gevraagd een onderzoek te starten om meer helderheid te verkrijgen over (de duiding van) deze ontwikkeling. Op dit moment bestaat er nog geen eenduidig beeld over de mogelijke verschuiving van criminaliteit naar de digitale wereld.
Bent u bereid om een realistisch beeld geven van de criminaliteit, dus niet alleen kale cijfers met daaraan een mooi-weer-conclusie, maar (om in termen van het kabinet te blijven) het eerlijke verhaal? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zo laat ik jaarlijks door het WODC, het CBS en de Raad voor de Rechtspraak de publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving vervaardigen. Daarnaast verschijnt jaarlijks de hierboven genoemde Veiligheidsmonitor, die cijfers bevat over slachtofferschap van criminaliteit. Op deze wijze wordt een realistisch beeld gepresenteerd over de trends, omvang en ernst van criminaliteit. In aanvulling hierop noem ik het in antwoord 9 genoemde WODC onderzoek naar een mogelijke verschuiving van criminaliteit naar de digitale wereld. Met de uitkomsten van dit onderzoek hoop ik een nog completer beeld van de criminaliteitsontwikkelingen te kunnen geven.
Het bericht ‘Toename aantal alcoholintoxicaties in 2015’ |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er in 2015 931 jongeren onder de 18 jaar zijn opgenomen in een ziekenhuis als gevolg van alcoholgebruik, waarvan 691 jongeren zelfs een alcoholvergiftiging opliepen?1
Ik vind dit heel zorgelijk. De cijfers geven aan dat de drinkcultuur in Nederland nog niet is waar die moet zijn. Het drankgebruik onder jongeren is voor mij een constant aandachtspunt. Het is van belang dat we met zijn allen – ouders, verstrekkers, gemeenten, scholen, overheid – blijven werken aan de sociale norm NIX18.
Wat opvalt in het factsheet van het Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde (NSCK) is dat, in tegenstelling tot eerdere jaren, de jonge jongeren in de leeftijd tot en met 14 jaar steeds minder vaak op de poli’s worden gezien. Het zijn nu vooral de 15-, 16- en 17-jarigen die in het ziekenhuis belanden. Dit bevestigt het beeld dat we al langer hebben, namelijk dat de startleeftijd waarop jongeren gaan drinken omhoog gaat, maar dat als ze drinken, ze veel te veel drinken (bingedrinken).2
Uit de medio maart gepubliceerde ESPAD3 cijfers blijkt dat minder jongeren in de leeftijd van 15/16 jaar drinken en dat er ook minder jongeren in die leeftijdscategorie zijn die bingedrinken. Onder degenen die wel drinken is het bingedrinken echter onveranderlijk hoog. Over de algehele linie zien we dus dat de startleeftijd waarop jongeren gaan drinken omhoog gaat, dat minder jongeren drinken, maar dat er nog een groep – met name oudere – jongeren is die wel drinkt en dan ook veel drinkt.
Wat is uw reactie op de bevinding dat er tussen 2014 en 2015 een stijging van 27% is te zien in het aantal alcoholvergiftigingen bij minderjarigen? Deelt u de mening dat dit een schokkende en zeer ongewenste ontwikkeling is?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de bevinding dat 12% van de jongeren aangeeft dat ze de drank zelf hebben gekocht?
Uit de data van de NSCK blijkt dat van 772 van de 851 jongeren die hierover zijn gevraagd, bekend is hoe ze aan de alcohol kwamen: het vaakst komt de alcohol via vrienden (59%), gevolgd door de supermarkt (12%), thuis (12%), horeca (10%), slijterij (5%) en «anders» (2%). Dit komt overeen met de conclusies van het onderzoek naar het aankoopgedrag van jongeren (Intraval, 2015) dat ik u op 22 oktober 2015 heb toegestuurd4, waaruit bleek dat minder jongeren alcohol proberen aan te schaffen maar dat de sociale beschikbaarheid nog groot is.
Wat is uw reactie op de opmerking van kinderarts dhr. Van der Lely «het is niet onlogisch te veronderstellen dat veel van deze jongeren zich weinig hebben aangetrokken van de nieuwe leeftijdsgrens. Daarom reken ik op een daling van het aantal alcoholintoxicaties vanaf 2016. Voorwaarde is wel dat ook de naleving van de leeftijdsgrens door verstrekkers en de controle daarop door gemeenten aanmerkelijk verbetert»? Rekent u ook op een daling van het aantal alcoholintoxicaties vanaf 2016? Zo ja, waar baseert u uw veronderstelling op? Zo nee, waarom rekent u niet op een daling van het aantal alcoholintoxicaties vanaf 2016?
Ik hoop op een daling van het aantal alcoholintoxicaties vanaf 2016. Gelet op de recente ontwikkelingen, lijkt dat wel voor de hand te liggen. Jongeren starten op steeds latere leeftijd met drinken (HBSC 2013, ESPAD 2016). Jongeren kopen zelf steeds minder alcohol (Intraval 2015) en uit evaluatie van de NIX18 campagne en de cijfers van het NSCK blijkt dat steeds meer ouders regels stellen ten aanzien van het drankgebruik van hun kinderen. Steeds meer mensen ondersteunen ook de NIX18 norm. Gelet hierop verwacht ik dat de groep minderjarige drinkers afneemt.
Ziet u in tegenstelling tot kinderarts dhr. Van der Lely wel een (duidelijke) verklaring voor de toename in het aantal jongeren dat na overmatig alcoholgebruik in het ziekenhuis terecht kwam of zelfs een alcoholvergiftiging opliep? Hoe verklaart u de continu stijgende lijn als het gaat om het aantal ziekenhuisopnames en alcoholvergiftigingen onder jongeren over de afgelopen jaren?2
Wat de oorzaak van de stijging is, blijft gissen. Zoals in het antwoord op vragen 4 en 6 aangegeven zien we over het algemeen een positieve trend wat betreft alcoholgebruik door jongeren: minder jongeren drinken, de leeftijd waarop ze starten met drinken gaat omhoog en meer ouders stellen grenzen. We zien echter nog een groep jongeren die wel drinkt en dan ook veel drinkt (bingedrinken). Het betreft een hardnekkig probleem van met name oudere jongeren die veel drinken. Het Trimbos-instituut geeft aan dat een mogelijkeoorzaak is dat doordat jongeren later starten met drinken maar zich dan wel begeven in een jongerencultuur waarin (veel) drinken nog de norm is, zij sneller in de problemen raken door de alcohol (hun lichaam is nog niet gewend aan alcohol en vervolgens drinken ze opeens grote hoeveelheden in korte tijd). Het Trimbos-instituut gaat er van uit dat de resultaten van het Peilstationonderzoek – dat deze zomer uitkomt – meer inzicht geeft in de problematiek. Mogelijk dat ook meer jongeren die door alcohol in de problemen raken naar een ziekenhuis worden gebracht dan voorheen.
Ziet u de resultaten van het onderzoek ook als een tegenvaller na de nieuwe Drank- en Horecawet? Zo nee, waarom nieter? Kunt u uw antwoord toelichten?
We zijn nog niet waar we moeten zijn maar ik zie de cijfers niet als een tegenvaller van de Drank- en Horecawet (DHW). Uit veel onderzoeken blijkt namelijk dat het beleid van de afgelopen jaren en de leeftijdsgrensverhoging wel werken. Jongeren starten op steeds latere leeftijd met drinken (HBSC 2013, ESPAD 2016). Ten opzichte van 4 jaar geleden is de groep 15- en 16-jarigen die drinkt in 2015 met 11 procent afgenomen (ooit gebruik). Het aantal jongeren in deze leeftijdsgroep dat bingedrinkt nam in deze periode ook af (met 12%). Jongeren kopen zelf steeds minder alcohol (Intraval 2015). Steeds meer ouders stellen regels ten aanzien van het drankgebruik van hun kinderen (effectevaluaties NIX18, NSCK). Echter, er is nog een groep jongeren die veel drinken. En als jongeren aan drank willen komen, is dat nog steeds relatief gemakkelijk voor ze. We zijn er dus nog niet. Maar er is zeker een positieve ontwikkeling waar te nemen.
Overigens evalueer ik op dit moment de Drank- en Horecawet (DHW). De verhoging van de leeftijdgrens maakt daar onderdeel van uit. Daar worden de cijfers van NSCK van de afgelopen jaren in meegenomen.
Wat is uw reactie op de conclusie van dhr. Van Dalen «ik kom langzamerhand tot de conclusie dat de decentralisatie op dit terrein een miskleun is. Het lukt gemeenten niet om hun eigen horeca te controleren. Ze vinden het moeilijk om een boete van 1.300 euro op te leggen. Daar worstelen ze echt mee»? Bent u het met dhr. Van Dalen eens? Zo nee, waar baseert u uw mening op? Zo ja, wat gaat u dan ondernemen?
Zoals hierboven beschreven evalueer ik op dit moment de DHW. Onderdeel daarvan vormt onderzoek naar de stand van zaken van het toezicht op de DHW door gemeenten (evenals naar de stand van zaken van de gemeentelijke preventie- en handhavingsplannen). De resultaten van dat onderzoek verwacht ik in het najaar. De kabinetsbrede beleidsreactie op de evaluatie van de DHW zal ik u in het eerste kwartaal van 2017 sturen.
Herinnert u zich uw eerste reactie op het onderzoek: «Alcoholmisbruik moeten we op alle fronten aanpakken. Te beginnen bij ouders en jongeren die hun verantwoordelijkheid moeten nemen»? Hoe verhoudt deze opmerking c.q. uw prioriteit zich tot de enige wat positievere conclusie dat ouders strenger zijn geworden, en de conclusie van dhr. Van der Lely «Het stevig drinken gaat gewoon door, maar nu wel stiekemer»? Kunt u uw antwoord toelichten? Stelt u hiermee de juiste prioriteit?3
Het is mooi te lezen dat uit de data van de NSCK blijkt dat ouders strenger zijn geworden ten aanzien van het alcoholgebruik van hun kinderen. Uit onderzoek blijkt dat dit helpt om drankgebruik van hun jongeren terug te dringen. Uit het hiervoor genoemde onderzoek van Intraval (2015) bleek nog dat jongeren hun alcohol vooral krijgen van ouders en vrienden. Ik zou ouders en jongeren zelf evenals hun vrienden dus willen blijven aanspreken op het belang van NIX18: dat jongeren tot hun 18e nog niet drinken. Ik spreek verstrekkers aan op het belang van een goede naleving, gemeenten op het belang van handhaving en ondersteun scholen om voorlichting te kunnen geven. Maar spreek ook ouders er op aan dat het belangrijk is dat ze de NIX afspraak maken, en jongeren dat ze alcoholgebruik beter nog even kunnen uitstellen. En meerderjarige vrienden dat ze geen alcohol moeten geven aan 18 minners.
Daarnaast is het belangrijk dat we niet alleen focussen op de rol van ouders op het gebied van het stellen van grenzen, maar dat we ook beter uitleggen aan jongeren wat alcohol met je doet (dat meisjes minder goed tegen alcohol kunnen dan jongens, dat het drinken van sterke drank andere gevolgen heeft dan zwakalcoholische drank etcetera) en wat de schadelijke gevolgen van alcohol zijn.
Gaat u ervoor zorgen dat de naleving van de leeftijdsgrens nu echt wordt verbeterd? Zo ja, hoe gaat u dit realiseren? Bent u het met de organisatie STAP eens dat alcoholpreventie en goede handhaving bij de gemeenten geen prioriteit heeft? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten hier nu wel voldoende prioriteit aan gaan geven?
Dit jaar vindt er weer een mysterykidsonderzoek naar de naleving van de leeftijdsgrens onder verstrekkers plaats. Wanneer daaruit blijkt dat de naleving onder verstrekkers niet is verbeterd zal ik, zoals ik u juni vorig jaar heb laten weten, met maatregelen komen.
Zie verder mijn antwoord op vraag 7.
Gaat u nu eindelijk een einde maken aan de vrije baan die de industrie krijgt voor reclame, en het in de beeldvorming «sexy» maken van alcoholgebruik? Zo ja, hoe gaat u dit realiseren? Zo nee, waarom ziet u hiertoe geen reden?
Op dit moment loopt via ZonMw in opdracht van mij een onderzoek naar de maatschappelijke impact van een aantal maatregelen dat bekend staat als effectief, zoals reclamebeperkende maatregelen, prijsmaatregelen en het beperken van beschikbaarheid (zgn. «best buys»). De uitkomsten daarvan verwacht ik voor de zomer. Ik zal deze betrekken bij mijn beleidsreactie op de evaluatie van de DHW.
Bent u van mening, gelet op uw antwoord op eerdere vragen dat «aan de verstrekkers is gevraagd concrete maatregelen te nemen om de naleving van de leeftijdsgrens substantieel te verbeteren, voorzien van een duidelijk tijdpad waarop de betrokken organisaties hebben aangegeven hun verantwoordelijkheid daarvoor te willen nemen en op korte termijn met voorstellen te zullen komen», dat de voorstellen van die verstrekkers een kentering in de cijfers op het gebied van alcoholintoxicaties en ziekenhuisopnamen laten zien? Zo ja, kunt u uw overtuiging onderbouwen? Zo nee, moeten de verstrekkers extra maatregelen gaan nemen?4
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht 'Brussel blokkeert supersnel internet' |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Brussel blokkeert supersnel internet»?1
Ja.
Kunt u de stand van zaken geven in de uitvoering van motie Agnes Mulder/Oosenbrug (Kamerstuk 34 300 XIII, nr. 27) over versnelde aanleg van snel internet? Wanneer kan de Kamer de resultaten verwachten?
De motie van de leden Mulder en Oosenbrug (Kamerstuk 34 300, nr. 27) roept op tot het realiseren van experimenteer- en regelruimte binnen de mededingingsregels. Over de uitvoering van deze motie heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd (Kamerstuk 26 643, nr. 384). Binnen de staatssteunregels is ruimte voor overheidssteun en is het van belang dat overheden deze mogelijkheden benutten. Daarbij geldt dat voor de inzet van overheidsmiddelen in de zogenoemde grijze gebieden – dat zijn gebieden waar één netwerk ligt waarmee internet met een snelheid van minimaal 30 Mbps mogelijk is – vooraf toestemming nodig is van de Europese Commissie. Voor zover mij bekend zijn er tot op heden geen concrete voorstellen van decentrale overheden voor publieke financiering in grijze gebieden die gereed zijn om genotificeerd te worden bij de Europese Commissie. Daarvoor is het nodig dat decentrale overheden initiatief nemen en de ruimte opzoeken.
Welke Brusselse aanbestedings- en staatssteunregels weerhouden overheden door te pakken in gebieden waar commerciële partijen investeringen overwegen?
Overheden die willen investeren in de realisatie van snel internet dienen te handelen conform de Europese staatssteunregels voor breedband. Die regels zien erop toe dat de positieve effecten van publieke financiering opwegen tegen de concurrentieverstorende effecten ervan. Staatssteun dient zoveel mogelijk het risico te beperken dat particuliere investeringen worden verdrongen en uiteindelijk de mededinging wordt vervalst. Voorkomen moet worden dat publieke financiering wordt verleend voor snel internet in gebieden waar de markt normaal gesproken toch al zou investeren of reeds heeft geïnvesteerd. Op die manier zouden bestaande prikkels voor de markt om in snel internet te investeren immers aanzienlijk afgezwakt worden. Daarbij moet wel reëel zijn dat de markt echt voornemens is in de nabije toekomst (de Europese Commissie hanteert hierbij een termijn van drie jaar) snel internet in een buitengebied te realiseren. Ik onderschrijf deze afweging. In dat kader vind ik het positief om te zien dat bijvoorbeeld in de provincie Overijssel de inzet van overheidsmiddelen overbodig wordt vanwege de interesse in de markt in de aanleg van snel internet in het buitengebied en in enkele delen daarvan al is overgegaan tot de aanleg van glasvezel. Ook in de provincie Gelderland wordt deze aanpak gevolgd.
Als een overheid er toch voor wil kiezen om financieel te ondersteunen in gebieden waar de markt plannen heeft – bijvoorbeeld omdat de markt investeert in een infrastructuur anders dan glasvezel – dan moet dit ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Europese Commissie. Die weegt de positieve effecten van de inzet van overheidsmiddelen af tegen de negatieve effecten en beoordeelt of overheidssteun verenigbaar is met de interne markt. Zoals gezegd is het aan overheden om de mogelijkheden binnen de Europese staatssteunregels voor breedband te benutten en initiatief te nemen voor het indienen van een concreet voorstel voor publieke financiering in deze gebieden. Ik zie geen aanleiding om dit onderwerp aan de orde te brengen in de Raad voor Concurrentievermogen, daargelaten het feit dat de Raad hier geen formele rol in heeft.
Wat vindt u van de regel dat regionale overheden niet zelf mogen investeren in het eigen achterland als daar in de komende jaren plannen zijn van telecombedrijven voor internet met een snelheid van minimaal 30 megabits (Mb) per seconde?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om op de eerstvolgende Raad voor Concurrentievermogen de mogelijkheden voor versoepeling van de aanbestedings- en staatssteunregels met betrekking tot snel internet te agenderen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om samen met de provincies en de telecomproviders in gesprek te gaan om te bespreken op welke wijze kan worden voorkomen dat zij onnodig elkaar voor de voeten lopen bij de aanleg van snel internet?
Ja, daartoe ben ik bereid en dit doe ik ook al. Ik zie het belang van overheden om goed geïnformeerd te zijn over het aanbod van telecomproviders en de plannen die zij hebben. Op deze manier kunnen overheden hun beleidsaanpak afstemmen op de lokale of regionale situatie. Ik merk wel op dat het hier gaat om concurrentiegevoelige informatie. Mijn ministerie voert op dit moment gesprekken met telecomproviders en provincies om te bevorderen dat de informatie die telecomproviders aanleveren zoveel mogelijk aansluit op de informatiebehoefte van overheden. Ik zet me ervoor in dat zij hierover – binnen de kaders van wet- en regelgeving – goede afspraken met elkaar maken die recht doen aan de belangen van beide partijen.
Op welke wijze kan met de provincies en de telecomproviders worden samengewerkt om zo min mogelijk tegen aanbestedings- en staatssteunregels aan te lopen bij de aanleg van snel internet?
Zie antwoord vraag 6.
De stand van de wilde eend |
|
Henk Leenders (PvdA) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Onderzoek naar drastische terugloop populatie eenden»?1
Ja.
Wordt er op dit moment naar uw weten, in het kader van populatiebeheer en/of schadebestrijding, gejaagd op de wilde eend?
Het jachtseizoen voor de wilde eend is gesloten tussen 1 februari en 15 augustus. Op grond hiervan is op dit moment de jacht op de wilde eend niet toegestaan. Provincies kunnen een ontheffing verlenen voor het doden van wilde eenden buiten het genoemde jachtseizoen. Dit is echter alleen mogelijk als er sprake is van (dreigende) schade, en als er voor het voorkomen van die schade geen alternatieve middelen beschikbaar zijn én het doden van wilde eenden de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar brengt. De wilde eend brengt doorgaans weinig schade aan. Provincies verlenen dan ook slechts bij hoge uitzondering buiten het jachtseizoen ontheffingen in het kader van de schadebestrijding. Ik ga ervan uit dat de provincies in voorkomende gevallen zorgvuldig omgaan met het eventueel verlenen van ontheffingen buiten het jachtseizoen en in die gevallen de wettelijke eisen die daaraan zijn verbonden, in acht nemen.
Deelt u de mening dat het beter zou zijn om de jacht op de wilde eend op te schorten tot de uitkomsten van het onderzoek door Sovon Vogelonderzoek Nederland (Sovon) bekend zijn, hetgeen al na de zomer van 2016 het geval zal zijn?
Op dit moment is het jachtseizoen tot 15 augustus gesloten. Ik verwacht de uitkomsten en conclusies van het onderzoek voor de zomer te ontvangen. Op basis daarvan zal ik bezien of deze aanleiding geven om na 15 augustus het jachtseizoen met betrekking tot de wilde eend al dan niet te openen.
Bent u bereid om provincies op te roepen de jacht op de wilde eend op te schorten tot de resultaten van het genoemde onderzoek van Sovon bekend zijn?
Zoals bij antwoord 2 is aangegeven, is er nauwelijks sprake van situaties waarin op grond van provinciale ontheffingen of vrijstellingen wilde eenden buiten het jachtseizoen worden afgeschoten. Daar waar dit in uitzonderlijke gevallen wel mogelijk is, is ook daadwerkelijk sprake van schade, waarbij er geen andere mogelijkheden zijn om deze te voorkomen of beperken. In dergelijke gevallen is de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar, zoals ook de wet vereist. Op grond hiervan zie ik geen aanleiding om provincies op te roepen om dergelijke ontheffingen niet te verlenen. Bovendien is de beoordeling of in bijzondere gevallen een dergelijke ontheffing in de rede ligt, een provinciale bevoegdheid. Ik heb er alle vertrouwen in dat provincies hiermee zeer zorgvuldig omgaan, mede op basis van de genoemde eisen die de Flora- en faunawet daarvoor stelt.
Oerwoudgeluiden bij Harkemase boys |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Harkemase boys hopen straf KNVB te ontlopen»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een supporter racistische geluiden maakt naar een donker gekleurde speler?
Ik vind dit afschuwelijk en niet acceptabel.
In hoeverre gebeuren dit soort praktijken vaker op amateurvelden? Heeft u daar voldoende zicht op? Zo ja, welke trend neemt u waar? Zo nee, bent u voornemens clubs te stimuleren dergelijke praktijken te melden en spelers te stimuleren altijd aangifte te doen?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal keer dat incidenten van deze aard plaatsvinden op het amateurveld. In voorkomende gevallen wordt, net als in dit geval, direct en hard opgetreden door de KNVB. Tegelijkertijd zijn er situaties waarin dit soort gedrag niet meteen wordt gesignaleerd, of niet als probleem wordt ervaren door omstanders en betrokkenen. In die situaties kunnen mensen melding maken via het nummer van het meldpunt Sport en Geweld of de hulplijn wanordelijkheden van de KNVB zodat er tegen opgetreden kan worden.
Deelt u de mening dat beide clubs goed gehandeld hebben? Bent u ook blij met de correcties van omstanders die de dader maanden te stoppen met zijn daden?
Ja, ik ben blij dat omstanders de dader corrigeerden. Ook de sterke en gezamenlijke rol van de besturen van de betrokken verenigingen laat zien dat ook zij vinden dat dit over de grens van het acceptabele is.
Wat doet u binnen het programma «Naar een veiliger sportklimaat» om clubs te helpen dergelijke situaties te voorkomen? Waaruit blijkt dat deze inspanningen voldoende zijn? Wat doet u binnen dit programma om clubs te leren omgaan met situaties waarin individuele supporters zich ondanks goede inspanningen van de club misdragen? Waaruit blijkt dat deze inspanningen voldoende zijn?
Het actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat» biedt bestuurders, coaches en arbiters concrete interventies hoe zij ongewenst gedrag kunnen voorkomen en wanneer het toch plaatsvindt daar in de praktijk mee om kunnen gaan. Daar waar incidenten zoals deze voorkomen wordt ingezet op het maken van gedragen afspraken. Binnen het actieplan doet de KNVB dit in samenwerking met HALT.
Samen met een groot deel van de leden van de vereniging volgen zij het proces van:
Uit de Monitor VSK2 die ik u eerder heb toegezonden bleek dat onder alle groepen mensen die betrokken zijn bij sport het gevoel van onveiligheid in 2015 ten opzichte van 2013 kleiner is geworden. Het gevoel van sociale veiligheid in de sport lijkt onder diverse groepen stabiel te blijven of zelfs te verbeteren. Zeker onder de sporters zelf is een positieve ontwikkeling te zien; het aandeel dat zich onveiliger voelt is afgenomen.
Het bericht dat de gemeentelijke BOA de rol van de agent overneemt |
|
Nine Kooiman |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Vindt u het wenselijk dat de Bijzondere opsporingsambtenaar (hierna: BOA) steeds meer taken van de agent overneemt, zoals blijkt het bericht: «Dag agent, de gemeentelijke boa neemt het roer over»?1
Gemeentelijke Buitengewoon Opsporingsambtenaren (hierna: boa’s) nemen geen taken over van de politie. Op basis van de eigen taken en bevoegdheden hebben beide partijen een belangrijke rol in het toezicht en handhaving in de openbare ruimte. De bevoegdheden van de boa’s staan omschreven in de Beleidsregels Buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: Beleidsregels).2 Daarover bestaat geen onduidelijkheid. Dit betekent dat de politie primair aan zet is bij de handhaving van de openbare orde en de veiligheid en dat boa’s kunnen ingrijpen wanneer de leefbaarheid wordt aangetast (zie verder Kamerbrief van 1 april 20143 voor de gezamenlijke rol van politie en boa’s in de openbare ruimte). Door duidelijke afspraken te maken op lokaal niveau over taken en werkzaamheden kunnen beide partners elkaar versterken.
Ziet u ook problemen, zoals geschetst in het aangehaalde rapport, dat politie en gemeentelijke handhavers niet altijd goed samenwerken? Zo ja, wat gaat u daarop ondernemen?
Het stelsel van toezicht en handhaving in de openbare ruimte krijgt steeds verder vorm. Zoals februari jl. gemeld per Kamerbrief4 bevestigt het rapport het beeld dat de verdere professionalisering van gemeentelijke boa’s in de drie onderzochte gemeenten heeft bijgedragen aan de verbetering van het stelsel van toezicht en handhaving in de openbare ruimte. Voor effectieve handhaving is het belangrijk dat het samenspel tussen gemeenten en politie bijdraagt aan een betere uitvoering en resultaat van de dagelijkse handhavingsactiviteiten. Voor de doorontwikkeling van het stelsel acht ik het van belang te blijven inzetten op de verbetering van de professionaliteit van de boa en te blijven voorzien in heldere randvoorwaarden met ruimte voor prioritering en invulling van de toezichts- en handhavingstaak op lokaal niveau. Ik blijf met de betrokken partners zoals de VNG, Politie en het Openbaar Ministerie (hierna: OM) in overleg om de samenwerking te verbeteren.
Wat gaat u doen om de onduidelijkheid weg te nemen over wat BOA’s wel en niet mogen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat handhaving in gemeenten die geen geld hebben voor BOA’s onder druk komt te staan, zoals in Hengelo?
Lokale veiligheids- en leefbaarheidsvraagstukken bepalen op welke wijze de lokale driehoek invulling geeft aan het handhavingsarrangement. Als gemeenten de leefbaarheid verder willen verbeteren door inzet van gemeentelijk boa’s in de openbare ruimte is dit een afweging van het lokale bestuur. Dit is lokaal maatwerk en ik ga niet over keuzes gemaakt in de lokale driehoek.
Wat vindt u van de verschuiving van het geweldsmonopolie van politie naar BOA’s? Deelt u de mening dat alleen de politie en defensie enkel het geweldsmonopolie zouden mogen gebruiken?
Er is geen sprake van een verschuiving van het geweldsmonopolie van politie naar gemeentelijke boa’s. Binnen de huidige beleidsregels is het mogelijk boa’s, afhankelijk van hun takenpakket, met geweldsmiddelen uit te rusten. Daartoe vraagt de werkgever van de boa een geweldsmiddel aan dat volgens de werkgever het meeste past bij de uitoefening van de aan de boa toebedeelde handhavingstaken. Indien de noodzaak voor het dragen van geweldsmiddelen door zijn werkgever is aangetoond en tevens is aangetoond dat de boa voldoende bekwaam is in de omgang met het toe te kennen geweldsmiddel, kan het verzoek van de werkgever daartoe, na verkregen advies van de politie en het OM als (direct) toezichthouders, worden gehonoreerd.
Is er volgens u een verband tussen het hoge percentage gemeentes (40%) die aangeven te maken te hebben met mishandeling van BOA’s en hun steeds uitgebreidere takenpakket? Zo nee, hoe is dit hoge percentage volgens u wel te verklaren?
In de Veilige Publieke Taak monitor en de Monitor Openbaar Bestuur wordt niet specifiek op mishandeling van boa’s geregistreerd. Ik kan dus geen uitspraken doen over cijfers of eventuele verbanden beoordelen. Geweld en agressie tegen boa’s en andere gezagsdragers en hulpverleners wordt niet getolereerd en daarom moeten boa’s in de praktijk effectief kunnen optreden als zij worden geconfronteerd met agressie en geweld tijdens de uitoefening van hun publieke taak. De gemeentelijke boa’s kunnen een aantal strafrechtartikelen toepassen die gericht zijn tegen agressie en geweld waarvoor zij proces-verbaal van bevindingen kunnen opmaken. Daarnaast zijn boa’s bevoegd om deze personen aan te houden en ze daarna over te dragen aan de politie. De politie draagt zorg voor het verdere onderzoek en het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de verdere vervolging.
Het toekennen van (zwaardere) geweldsmiddelen kan alleen als de noodzaak is aangetoond en de bekwaamheid in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond. Ik verwijs hierbij naar mijn antwoord op vraag 5. Gelet op het feit dat de boa kan ingrijpen wanneer de leefbaarheid in het geding is en de politie er is voor handhaving en toezicht, kan ik de opmerking van de ANPV dat zwaarder bewapenen niet de oplossing is volgen.
Wat gaat u ondernemen om geweld tegen BOA’s tegen te gaan? Bent u het met de politievakbond ANPV eens dat zwaarder bewapenen niet de oplossing is?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u dat handhaving nog steeds voornamelijk een taak is van de politie en niet van BOA’s en de vele opkomende burgerwachten?2
Ik verwijs u naar mijn antwoord bij vragen 1 en 3 over de taakverdeling tussen de politie en boa’s.
De inventarisatie in het onderzoek «de burger op wacht» en de inventarisatie van 2012 kennen een verschillende onderzoeksmethode. De in het artikel genoemde toename van deze burgerinitiatieven en een direct verband tussen de politiecapaciteit acht ik daarom niet aannemelijk. Een flinke groei herken ik wel in de digitale variant; groepen van buurtbewoners op WhatsApp, waarbij bewoners soms ook de straat op gaan.
Het kabinet is voorstander van het vergroten van betrokkenheid van buurtbewoners bij het veiligheidsbeleid in wijken. De in het door u aangehaalde artikel genoemde burgerwachten is één van de diverse vormen van participatie in het veiligheidsdomein. Het is positief dat steeds meer mensen een bijdrage willen leveren aan het vergroten van de veiligheid in hun omgeving. Bewoners zijn in veel buurten bereid om te ondersteunen bij kerntaken van de politie, zowel in de sfeer van toezicht (buurtwachten, groepen op WhatsApp), opsporing (bijvoorbeeld Burgernet), als noodhulp (bijvoorbeeld bij burgeringrijpen). Burgergroepen kunnen een goede aanvulling op het lokale politiewerk vormen. Voor de politie heeft deze betrokkenheid in meerdere opzichten betekenis; voor haar informatievoorziening, maar ook voor de legitimiteit van haar optreden. Een duidelijke grens ligt waar het situaties betreft waarvan de politie inschat dat directe betrokkenheid van burgers bij overlast of criminaliteit de veiligheid van burgers in gevaar zal brengen.
Vind u het niet wenselijker om het geld dat gemeenten nu uitgeven aan het creëren van een nieuwe gemeentepolitie, te stoppen in de Nationale Politie en deze BOA’s ook onder te brengen bij de Nationale Politie? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat het huidige boa-stelsel in de basis goed functioneert. Alle betrokken partijen kunnen er goed mee uit de voeten. De herziening van het boa-stelsel heeft daaraan bijgedragen. Het is nu zaak om het huidige stelsel te versterken. De inzet van gemeentelijke boa’s is een afweging van het lokale bestuur.
Is er volgens u een verband tussen de afname van de capaciteit bij de politie en het feit dat er vijf keer meer burgerwachten zijn dan in 2012? Zo nee, hoe verklaart u de opkomst van de burgerwacht wel en de roep van vele burgemeesters om meer politiecapaciteit? Waar ligt volgens u de grens tussen burgerlijke oplettendheid en het werk van de politie?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat er bij het ontstaan van burgerwachten ook een taak voor gemeenten is weggelegd om dit te kunnen begeleiden, om onwenselijke gevolgen, als het volgen van onschuldige mensen of het ontstaan van knokploegen, te kunnen voorkomen, zoals geschetst in het artikel? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Activiteiten die dergelijke burgerinitiatieven soms uitvoeren – zoals mensen op straat aanspreken op hun gedrag – brengen ook risico’s met zich mee. Ondersteuning en begeleiding vanuit gemeenten en politie blijft noodzakelijk.
Voor gemeenten kan gedacht worden aan faciliteiten (hesjes, portofoons), het bieden van trainingen – in samenwerking met de politie- op het gebied van veiligheid, agressiehantering, bejegening en spelregels voor WhatsApp groepen. Voor de politie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan afspraken over informatiedeling, ondersteuning en bewaking van wettelijke kaders. Er dient voor gewaakt te worden dat bij burgerinitiatieven geen eigen richting ontstaat. Daarover moeten in de samenwerking goede afspraken worden gemaakt. Buurtpreventieteams nemen ter voorkoming hiervan veelal zelf ook al de nodige maatregelen bij de uitvoering van hun activiteiten.
Via het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid worden gemeenten en veiligheidspartners voorzien van informatie over de inzet van burgers en andere vormen van burgerparticipatie in het veiligheidsdomein.
Deelt u de mening dat burgerwachten ook veel extra capaciteit vraagt van de politie?3 Zo ja, deelt u de mening dat de politie al een capaciteitsgebrek heeft en dit weer een extra taak is op het bordje van de politie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vragen afzonderlijk beantwoorden, vóór het Algemeen overleg politie, voorzien op 13 april a.s?
Vanuit de integrale aanpak van veiligheid, waarbij iedere partij zijn bijdrage levert, juich ik initiatieven van burgers toe. Binnen de basisteams van de politie zijn – en worden afhankelijk van het arrangement – medewerkers aangewezen voor de politiële uitvoering van de afspraken in samenspraak met de gemeentelijke handhavers. De samenwerking is erop gericht dat activiteiten van burgers aanvullend zijn op de activiteiten van de politie, bijvoorbeeld in de vorm van extra informatie. De samenwerking maakt onderdeel uit van het gebiedsgebonden politiewerk – een grote verworvenheid van de Nederlandse politie – en vormt daarmee geen extra taak voor de politie.
Ja, ik ben bereid om de vragen voor het Algemeen Overleg politie van 13 april a.s. te beantwoorden. In enkele gevallen zijn vragen en antwoorden samengevoegd, om een overzichtelijke beantwoording te bewerkstelligen.
Het bericht ‘Onderzoek baarmoederhalskanker mogelijk veel duurder. Veel meer vrouwen met hpv besmet dan gedacht’ |
|
Henk van Gerven (SP), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Onderzoek baarmoederhalskanker mogelijk veel duurder; veel meer vrouwen met hpv besmet dan gedacht»?1
Ik heb er met belangstelling kennis van genomen.
Bent u geschrokken van de uitkomst van het onderzoek van het Jeroen Bosch Ziekenhuis dat de kosten van het nieuwe bevolkingsonderzoek waarschijnlijk een stuk hoger uitvallen dan tot nu toe was begroot? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet geschrokken van de uitkomst van het onderzoek van het Jeroen Bosch Ziekenhuis. De onderzoeksresultaten in het bericht over een hogere HPV-besmetting heeft het Jeroen Bosch Ziekenhuis weliswaar recent naar buiten gebracht, maar waren al eerder bekend.
De kosten van het vernieuwde bevolkingsonderzoek worden bepaald door verschillende factoren zoals het aantal keer dat vrouwen een test ondergaan, de kosten van de testmaterialen en de kosten van een eventuele doorverwijzing. In het vernieuwde bevolkingsonderzoek worden vrouwen minder vaak uitgenodigd. De aanbestedingen voor de HPV-test en de zelfafnameset hebben een lagere prijs opgeleverd dan vooraf werd ingeschat. Meer vrouwen met een HPV-besmetting kan leiden tot meer vervolgonderzoeken en mogelijk meer verwijzingen. Omdat hier tegengestelde effecten aan de orde zijn, kan geen conclusie worden getrokken over de uiteindelijke kosten. Het onderzoek van het Erasmus MC naar de kosteneffectiviteit van het vernieuwde bevolkingsonderzoek moet hier meer duidelijkheid over geven.
In het huidige bevolkingsonderzoek brengt het uitstrijkje bij de huisarts geen kosten voor vrouwen met zich mee. Eventuele vervolgonderzoeken op 6 en 12 maanden en verwijzing naar de gynaecoloog vallen onder de zorgverzekering. Het kan zijn dat de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk zelf betaald moeten worden. Dat hangt af van de hoogte van het eigen risico en hoeveel daarvan al is gebruikt.
In het vernieuwde bevolkingsonderzoek brengt het uitstrijkje én het vervolgonderzoek op 6 maanden geen kosten voor de vrouw met zich mee. Er is geen vervolgonderzoek op 12 maanden. Verwijzing naar de gynaecoloog valt net als in het huidige bevolkingsonderzoek onder de zorgverzekering. Hierdoor zijn er, ondanks de hogere HPV-besmetting, in totaal minder vrouwen die de kosten die voortvloeien uit het eigen risico zelf moeten betalen.
Kunt u helder inzicht geven in de oorzaken van de mogelijk hogere kosten, en hoeveel meer het zou gaan kosten? Wat betekenen deze mogelijk hogere kosten voor het eigen risico dat vrouwen moeten betalen? Vindt u die extra kosten wenselijk?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer zijn de resultaten van de nieuwe berekening van de kosteneffectiviteit dat het Rotterdams Erasmus MC op dit moment uitvoert in opdracht van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bekend? Kunnen deze resultaten nog dit jaar worden verwacht? Zo nee, gaat u de invoering van het nieuwe bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker in ieder geval uitstellen totdat deze resultaten bekend zijn?
De resultaten van het onderzoek van het Erasmus MC worden dit jaar verwacht.
Kunt u de onderzoeksopdracht die door het RIVM aan het Rotterdams Erasmus MC is gegeven aan de Kamer sturen? Zo ja, kunt u dit zo spoedig mogelijk doen? Zo nee, waarom niet?
Het Erasmus MC is al langer betrokken bij de monitoring en evaluatie van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. In dit kader is ook een opdracht verleend die een kosteneffectiviteitsanalyse omvat. Het offerteverzoek van het RIVM, met daarin de onderzoeksopdracht, is bijgevoegd.2
Is het waar dat de aanbesteding van het nieuwe bevolkingsonderzoek vooruitloopt op de evaluatie van de thuistest? Klopt het dat het RIVM om financiële redenen de controlegroep uit de studie heeft geschrapt? Is de IMPROVE-studie daardoor mogelijk onvoldoende betrouwbaar? Zo neen, waarom niet?
De aanbesteding van het nieuwe bevolkingsonderzoek gaat uit van de inzet van de zelfafnameset voor vrouwen die moeite hebben met het onderzoek bij de huisarts en aangegeven hebben de zelfafnameset te willen gebruiken. Op basis van deze inzet is een verwacht aantal zelfafnamesets in de aanbesteding opgenomen.
De IMPROVE studie onderzoekt of de resultaten van het onderzoek met de zelfafnameset tenminste net zo betrouwbaar zijn als onderzoek waarbij het materiaal door de huisarts wordt afgenomen. Dit moet duidelijk maken of onderzoek met de zelfafnameset geschikt is als primaire screening voor alle vrouwen. In de aanbesteding van de zelfafnameset is aangegeven dat, afhankelijk van de resultaten van deze studie en hierop volgende besluitvorming over de inzet van de zelfafnameset bij primaire screening, het benodigde aantal zelfafnamesets hoger kan worden. Hiermee is dit onderdeel van de overeenkomst voor de levering van de zelfafnameset.
De onderzoekers zijn verantwoordelijk voor de opzet van het onderzoek. RIVM heeft hen gevraagd om ervoor te zorgen dat de impact van het onderzoek op het lopende bevolkingsonderzoek zo beperkt mogelijk is. De Gezondheidsraad heeft de uiteindelijke onderzoeksopzet beoordeeld en positief geadviseerd over het ontwerp van de studie en of dit betrouwbare resultaten oplevert.
Bent u het met de Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP) eens dat de nieuwe gegevens die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen een ander licht kunnen werpen op de keuzes die zijn gemaakt in het kader van de wijziging van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker? Zo nee, waarom bent u het daar niet mee eens? Zo ja, welke invloed hebben deze gegevens op uw besluit om per 1 januari 2017 het nieuwe bevolkingsonderzoek in te voeren?
De invoering van het vernieuwde bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker is gebaseerd op het advies van de Gezondheidsraad dat aangeeft dat dit meer gezondheidswinst voor vrouwen oplevert. De nieuwe onderzoeksgegevens hebben daar geen invloed op. De kosteneffectiviteitsanalyse is bedoeld om, nu de meeste voorbereidingen nagenoeg afgerond zijn, de uitvoeringsconsequenties in kaart te brengen zodat ook de laatste details van het nieuwe bevolkingsonderzoek hier op afgestemd kunnen worden.
De uitbuiting van Roemeense scheepbouwers |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederlandse scheepswerven buiten Roemenen uit»?1
Ja.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat een Roemeense werknemer in de Nederlandse scheepsbouw ongeveer 1 euro bruto per uur ontvangt terwijl het wettelijk minimum uurloon in Nederland in ieder geval € 8,80 bedraagt?
Het wettelijk minimumloon voor een werknemer van 23 jaar en ouder bedraagt per 1 januari 2016 bij een 40-urige werkweek ten minste € 8,80 bruto per uur. Het wettelijk minimumloon kan bestaan uit een basisloon aangevuld met vergoedingen voor onkosten. Uit de berichtgeving maak ik op dat in deze casus de vergoedingen een groot deel van het totale loon vormen. Dat is toegestaan, mits de vergoedingen niet bedoeld zijn om noodzakelijke kosten te dekken die samenhangen met het vervullen van de dienstbetrekking. Met de Wet aanpak schijnconstructies is geregeld dat werkgevers inzichtelijk moeten maken op de loonstrook waar een onkostenvergoeding precies voor bedoeld is. Zodoende kan de Inspectie SZW beter controleren of de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt nageleefd.
Deelt u de mening dat hier sprake is van een schijnconstructie en een verdienmodel van de werkgevers in de scheepsbouw?
In de memorie van toelichting bij de Wet aanpak schijnconstructies heeft de regering schijnconstructies gedefinieerd als constructies, al dan niet grensoverschrijdend, waarmee werkgevers de randen van de wet opzoeken of er ook overheen gaan. De feitelijke situatie wijkt bij schijnconstructies af van de (papieren) situatie zoals die wordt voorgespiegeld met als doel het oneigenlijk concurreren op arbeidsvoorwaarden.2 Indien de berichtgeving juist is, is hier mijns inziens sprake van een schijnconstructie. Bij detachering dient sprake te zijn van een tijdelijke situatie. Indien werknemers vijf of zelfs tien jaar gedetacheerd zouden zijn, kan mijns inziens niet gesproken worden van tijdelijkheid. De detacheringsrichtlijn zou dan niet van toepassing moeten zijn. Naar mijn mening zou dan gewoon het vrij verkeer van werknemers – met de daarbij behorende arbeidsvoorwaarden en afdracht van belasting en sociale premies – moeten gelden.
Kunt u aangeven of het volgens de detacheringsrichtlijn is toegestaan dat voor hetzelfde werk het fiscaal loon in Nederland anders kan zijn dan in Roemenië?
De detacheringsrichtlijn regelt welke arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn bij tijdelijke dienstverlening in een ander land. In welk land loonbelasting dient te worden betaald is bij detachering afhankelijk van belastingverdragen. In het Belastingverdrag met Roemenië is afgesproken dat iemand in een tijdvak van twaalf maanden maximaal 183 dagen mag werken terwijl er belasting in het zendende land wordt betaald.
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk en niet uit te leggen is dat in de scheepsbouw in Nederland een Roemeense werknemer duizenden euro’s per maand goedkoper is dan een Nederlandse werknemer?
Ja.
Kunt u een inschatting geven hoeveel werknemers in de scheepsbouw de laatste vijf jaar hun werk hebben verloren als gevolg van de inzet van werknemers met een A1-verklaring en hoeveel bedrijven in de scheepsbouw daardoor zijn weggeconcurreerd?
Op een A1-verklaring kan niet worden ingevuld welke sector een werknemer of zelfstandige actief is. De A1-verklaringen die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ontvangt van instanties uit andere lidstaten bevatten daarom geen informatie hierover. De SVB heeft vorig jaar 143.632 A1-verklaringen ontvangen uit Zwitserland, EU-landen en EER-landen. Zie bijlage 1 voor een overzicht van het aantal ontvangen A1-verklaringen per land. Daarbij moet worden opgemerkt dat het aantal A1-verklaringen geen goed beeld geeft van het aantal detacheringen naar Nederland. Een A1-verklaring is namelijk niet verplicht. Het kabinet heeft daarom in het Wetsvoorstel arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (waarmee de handhavingsrichtlijn wordt geïmplementeerd) een meldingsplicht voor buitenlandse dienstverrichters opgenomen. Daarmee kan een betrouwbaar beeld worden gekregen van detacheringen naar Nederland en kan misbruik en ontduiking van de detacheringsrichtlijn worden opgespoord.
In november 2014 heb ik Uw Kamer een onderzoek naar verdringing op de arbeidsmarkt door toegestuurd. Onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek concludeert daarin dat de detacheringsrichtlijn ertoe leidt dat werkgevers een kostenvoordeel kunnen behalen door gebruik te maken van detachering door buitenlandse bedrijven. Dit zou leiden tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden en daarmee tot onwenselijke gevolgen voor de arbeidsmarkt. SEO geeft aan dat voor bepaalde sectoren (bouw, tuinbouw, voedingsindustrie en wegtransport) gesproken kan worden van verdringing van Nederlandse werknemers door werknemers uit Midden- en Oost-Europa. In dit licht verwelkom ik de voorstellen van de Europese Commissie voor aanpassing van de detacheringsrichtlijn. Daarmee kunnen de loonkostenverschillen worden verkleind en wordt weer een stap gezet op weg naar gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plek.
Kunt u aangeven hoeveel buitenlandse werknemers er met een A1-verklaring momenteel in Nederland werkzaam zijn, uitgesplitst naar land van herkomst en sector of branche? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel belasting en premies als gevolg van de A1-verklaring dan niet afgedragen worden in Nederland en/of de desbetreffende landen van herkomst? Zo niet, bent u dan bereid om op korte termijn een onderzoek te gelasten naar het aantal werknemers dat via een A1-verklaring in Nederland werkt en de laatste jaren heeft gewerkt, en wat de gevolgen daarvan zijn (geweest) voor de belasting- en premieopbrengsten in Nederland en de landen van herkomst?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete stappen gaat u op korte termijn zetten om verder misbruik van de A1-verklaring in Nederland tegen te gaan? Welke concrete stappen gaat u op korte termijn in Europees verband zetten om verder misbruik van de A1-verklaring tegen te gaan?
In december 2014 is de zogenoemde «Ad Hoc Group on posting issues» in het leven geroepen door de Administratieve Commissie voor de Coördinatie van Socialezekerheidsstelsels (een adviserend comité van de Europese Commissie bestaande uit vertegenwoordigers van de ministeries van alle 28 EU-lidstaten, de EER en Zwitserland). De groep is belast met de taak om te kijken naar de administratieve procedures die verband houden met de afgifte en het intrekken van de A1-verklaring, die onder meer wordt afgegeven als een werknemer of zelfstandige naar een andere lidstaat wordt gedetacheerd. Het doel van de Ad-hoc groep is om met aanbevelingen te komen om de procedure en juridische concepten voor het bepalen van de «juiste» socialezekerheidswetgeving in geval van detachering of werken in twee of meer lidstaten te verbeteren. Die aanbevelingen worden allereerst gepresenteerd in de Administratieve Commissie, die vervolgens aanbevelingen aan de Europese Commissie kan doen. Een eerste concept-rapport zal in een speciale werkgroep van de Administratieve Commissie voor de Coördinatie van Socialezekerheidsstelsels in juni van dit jaar worden besproken. Doel van de maatregelen is dat ze bijdragen aan de versterking van het gelijke speelveld, aan duidelijkheid voor werkgevers en betere handhaving.
Daarnaast wijs ik u er op dat de Europese Commissie in afwachting van het referendum in het Verenigd Koninkrijk de voorstellen over aanpassing van Verordening 883/2004 ter coördinatie van de socialezekerheidsstelsels aanhoudt. Het kabinet wacht deze voorstellen met belangstelling af.
De stigmatiserende video van PowNed over de inwoners van de Bijlmer |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de video «Libelle organiseert eigen Bijlmer-safari» van de omroep PowNed?1
Ja.
Wat vindt u van de video en wat voor boodschap gaat er naar uw mening van de video uit over de inwoners van de Bijlmer?
Powned is een omroepvereniging die er om bekend staat dat zij groepen en individuen regelmatig provocerend tegemoet treedt in haar programma's.
Powned beschouwt het programmaonderdeel waar u naar verwijst als een vorm van satire. Zolang daarbij de grenzen van het ontoelaatbare niet worden overschreden, is het een kwestie van individuele smaak of je daar wel of niet van gecharmeerd bent. Je kunt het een aanstootgevende reportage vinden en wijzen op het gevaar dat een dergelijk programma bijdraagt aan negatieve etnische stereotypering waardoor mensen zich gekwetst voelen. Of je kunt het zien als satire. Het is echter niet aan de overheid om een oordeel uit te spreken over het media-aanbod van de publieke media-instellingen.
In de Mediawet 2008 is nadrukkelijk bepaald (artikel 2.88) dat de publieke media-instellingen zelf de vorm en inhoud van het door hen verzorgde media-aanbod bepalen en daar ook zelf verantwoordelijk voor zijn. Deze zogeheten «redactionele autonomie» is een wezenlijk onderdeel van ons omroepbestel en garandeert dat het media-aanbod tot stand komt zonder bemoeienis van de overheid of welke andere partij dan ook.
Als burgers vinden dat zij in de media op ontoelaatbare wijze zijn bejegend of afgebeeld dan kunnen zij verschillende wegen bewandelen om hier iets tegen te doen. Zo heeft onlangs een door Powned geïnterviewde Syrische vluchteling met succes de gang naar de rechter gemaakt om de video waarin hij ten onrechte als homohater is geportretteerd te laten verwijderen.
Indien mensen van mening zijn dat programma's door stigmatisering een discriminerend karakter hebben dan kan daar melding van gedaan worden. Het kabinet tracht de meldingsbereidheid door burgers ten aanzien van discriminatie te versterken en te vergroten, zoals opgenomen in het Nationaal actieprogramma discriminatie, dat op 22 januari 2016 aan uw Kamer is gepresenteerd.2 Meldingen kunnen onder meer gedaan worden bij de antidiscriminatie-voorzieningen of bij de politie. Op deze manier kunnen degenen die zich schuldig maken aan discriminatie ter verantwoording worden geroepen en als de discriminatie bewezen is, worden aangepakt.
Deelt u de mening dat de video de grens tussen stigmatisering en satire heeft overschreden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u begrip voor de geschokte en boze reacties van mensen op de video? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u met deze reacties doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat in de video bewoners van de Bijlmer worden «gevoerd», dat er wordt gesteld dat «de KFC de grootste hotspot is van de Bijlmer» en dat er wordt gezegd dat de inwoners bij «bling bling gaan graaien»? Is dit naar uw mening stigmatiserend?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de video bijdraagt aan het klimaat van territoriale stigmatisering van de Bijlmer? Zo ja, wat vindt u hiervan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de wijze van berichtgeving zoals in de video is gehanteerd niet in overeenstemming is met het door de NPO geformuleerde uitgangspunt «De Nederlandse Publieke Omroep is een bindende factor in onze pluriforme samenleving.»?2 Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deze uitgangspunten zijn opgenomen in het Concessiebeleidsplan (CBP) 2016–2020 van de NPO en hebben betrekking op het totaal van het media-aanbod van de publieke omroep, niet op individuele programmaonderdelen. In het CBP staat ook, dat de verantwoordelijkheid voor het maken van de programma’s bij de omroepen zelf ligt. Die «redactionele autonomie» is vastgelegd in de Mediawet.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2–6.
Deelt u de mening dat de wijze van berichtgeving zoals in de video is gehanteerd niet in overeenstemming is met de door de NPO geformuleerde opvatting «Want een echte publieke omroep is een brede omroep, een gemeenschap waarbij alle Nederlanders zich thuis voelen.»?3 Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inhoudelijk en beargumenteerd per citaat uiteenzetten of de video naar uw mening «evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is en zich tevens kenmerkt door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud», «op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt» en «voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen»?4
Het is niet aan de overheid om een oordeel uit te spreken over het media-aanbod van de publieke media-instellingen, laat staan om dat per afzonderlijk programmaonderdeel te doen.
In dit verband is het relevant om te wijzen op de motie-Elias van 16 november 2015 die de Staatssecretaris van OCW oproept om met de NPO overeen te komen dat er per 1 september 2016 een NPO-brede ombudsman komt.6 Die ombudsman kan alle omroepen en organisaties die via de NPO uitzenden gevraagd en ongevraagd van onafhankelijk advies dienen. Deze ombudsman zou in gevallen van uitzonderlijke overschrijding van journalistieke normen tevens rectificatie in het betrokken televisie- of radioprogramma moeten kunnen afdwingen. Ik ben hierover in overleg met de NPO en de verwachting is dat dit kan worden meegenomen in de prestatieovereenkomst met de NPO. Een dergelijke «omroepbrede ombudsman» past in het streven van de publieke omroep om verantwoording af te leggen over zijn programmering aan het Nederlandse publiek.
Vindt u de video een verantwoorde uitgave van gemeenschapsgeld? Zo ja, waarom wel? Zo nee, bent u bereid om PowNed te dwingen om een bedrag ter hoogte van de kosten voor het gemaakte filmpje terug te laten geven aan de staat?
Uit het antwoord op vraag 9 valt af te leiden dat de overheid geen uitspraken doet over onderdelen van het media-aanbod van een publieke media-instelling, dus ook niet of zo’n programmaonderdeel een verantwoorde besteding van publieke middelen zou zijn. Het toezicht op de rechtmatigheid van de bestedingen van de publieke media-instellingen is opgedragen aan het Commissariaat voor de Media; het bevorderen van de doelmatigheid van de uitgaven valt onder de verantwoordelijkheid van de NPO.
Is de video naar uw mening een reden om de publieke bekostiging van de omroep PowNed te heroverwegen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om van de redactie van PowNed te eisen hun excuses aan te bieden aan de inwoners van de Bijlmer?
De Mediawet bepaalt dat de NPO en de publieke media-instellingen op onafhankelijke wijze voorzien in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en dat zij daarvoor op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak hebben op bekostiging. Die bekostiging kan niet worden «heroverwogen» op basis van een bepaald programma van een media-instelling, want dat zou flagrant in strijd zijn met de hiervoor genoemde «redactionele autonomie» van de publieke media-instellingen.
Het is aan PowNed zelf om te reageren op de reacties die dit programmaonderdeel heeft losgemaakt. Gelet op de redactionele autonomie is het «eisen van excuses» door de overheid niet aan de orde.
Het retourneren van kleding bij Perry Sport |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het retourneren van kleding bij Perry Sport?1
Ja.
Klopt het dat consumenten geen geld meer terugkrijgen als gevolg van het faillissement?
In geval van faillissement gelden bijzondere regels ten aanzien van het afwikkelen van vorderingen. Wanneer een winkel een cadeaubon uitgeeft, is in feite sprake van een tegoed dat later door de consument naar keuze mag worden besteed. Er is daarmee sprake van een vordering. Consumenten die een cadeaubon hebben die voor de faillietverklaring is uitgegeven door de failliete onderneming, zullen net als andere schuldeisers deze vordering kunnen indienen bij de curator die verantwoordelijk is voor de afwikkeling van het faillissement. De cadeaubon kan dus niet meer op de gebruikelijke wijze verzilverd worden.
Klopt het dat giftcards en andere cadeaubonnen ook niet meer ingewisseld kunnen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat als online besteld wordt bij Perry Sport, er wel geretourneerd kan worden omdat er een wettelijk retourrecht bestaat dat 14 dagen geldt?
In beginsel hebben consumenten op grond van de wet (artikel 6:230o van het Burgerlijk Wetboek) voor onder andere online aankopen recht op een bedenktermijn van 14 dagen. De bedenktermijn geeft de consument de mogelijkheid om de koopovereenkomst binnen 14 dagen zonder opgave van redenen te ontbinden. Zolang er geen sprake is van surseance van betaling of faillissement van de verkoper, kan de consument zelf afdwingen dat de verkoper zijn uit de bedenktermijn voortvloeiende verplichtingen nakomt. Het gaat er dan vooral om dat de consument na de ontbinding van de overeenkomst zijn aankoopbedrag terugkrijgt.
Wanneer de consument gebruikmaakt van de bedenktermijn terwijl de verkoper in surseance van betaling verkeert of failliet is verklaard, verandert de situatie. De consument kan dan nog steeds de overeenkomst ontbinden, maar dient zijn vordering tot terugbetaling van het aankoopbedrag bij de bewindvoerder (in geval van surseance) of de curator (in geval van faillissement) in te dienen. Of de consument uiteindelijk een uitbetaling zal krijgen, is afhankelijk van de hoogte van de boedelopbrengst, die door de curator aan het einde van het faillissement onder de schuldeisers wordt verdeeld (de wettelijke boedelverdeling). Veelal is de boedelopbrengst ontoereikend om alle schuldeisers volledig te voldoen.
In sommige gevallen kan de curator beslissen om de ondernemingsactiviteiten (het «bedrijf») van de failliete onderneming na de faillissementsdatum nog enige tijd voort te zetten. Dit zal hij doen indien dit in het belang is van de schuldeisers, en dus als er zodoende meer geld in de boedel vloeit waarmee de vorderingen van de schuldeisers kunnen worden voldaan. Ook een webwinkel kan door de curator nog enige tijd worden voortgezet. De curator is in dat geval op gelijke voet met gewone ondernemers gebonden aan de wettelijke regeling over de bedenktermijn bij «koop op afstand». Bij het voortzetten van het bedrijf ziet de curator er dus op toe dat de rechten van de consumenten worden gerespecteerd. Dit geldt uiteraard ook voor aanspraken die verband houden met het gebruikmaken van de bedenktermijn. Vorderingen die ontstaan tijdens faillissement hebben de rang van boedelschuld en worden bij de verdeling van de boedelopbrengst met voorrang voldaan. Voor surseance van betaling geldt een vergelijkbare regeling.
Klopt het dat dit 14 dagen online retourrecht ook geldt bij surseance en faillissement? Zo nee, hoe is dit dan geregeld?
Zie antwoord vraag 4.
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, waarom geldt dit dan niet voor fysieke winkels? Waarom bestaat dan deze vreemde vorm van rechtsongelijkheid tussen online en offline aankopen?
Als consumenten in de winkel kopen, hebben ze de mogelijkheid om het product te bekijken en te beoordelen. In geval van kleding bieden de meeste winkels consumenten de mogelijkheid om het kledingstuk te passen voordat het gekocht wordt. Consumenten hebben bij aankopen in de winkel in tegenstelling tot bij aankopen op afstand geen wettelijke bedenktermijn.
In geval van koop of afstand heeft de consument de eerder genoemde bedenktermijn. De bedenktermijn strekt ter bescherming van de consument die – in tegenstelling tot een consument die in een winkel een product koopt – niet de mogelijkheid heeft gehad om het product voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst (goed) te beoordelen. Ook de op afstand kopende consument kan op deze manier de tijd nemen om het product goed te bekijken en te passen, en eventueel terug te sturen als het product (toch) niet bevalt.
Welke acties kunt u ondernemen om te waarborgen dat de consumentenbescherming intact blijft bij surseance van betaling en faillissement?
Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, gelden de regels van het consumentenrecht onverkort als de ondernemingsactiviteiten tijdens de surseance van betaling of het faillissement met instemming van de bewindvoerder of curator worden voortgezet. De bewindvoerder of curator ziet erop toe dat die regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. Wanneer de curator de ondernemingsactiviteiten niet voortzet, is alleen de wettelijke boedelverdeling aan de orde.