De bezettingsnorm voor zorg aan ernstig zieke baby's op de afdeling neonatologie |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van gespecialiseerde verpleegkundigen over de personeelsbezetting op de afdeling neonatologie?1
Ik heb kennis genomen van het door u meegestuurde bericht van een verpleegkundige. Ik kan uit dit bericht niet afleiden of dit breder leeft onder verpleegkundigen.
Welke bezettingsnormen gelden er overdag, 's avonds en 's nachts voor gespecialiseerde verpleegkundigen die op de afdeling neonatologie voor ernstig zieke baby's zorgen? Op welke wijze zijn deze bezettingsnormen tot stand gekomen, en van wanneer dateert deze norm?
De veldnormen zijn als volgt: De normen voor personele bezetting op een «level 3»2 intensive care neonatologie zijn vastgelegd in het Gezondheidsraad rapport «Intensive care rond de geboorte» (april 2000). Daarbij is uitgegaan van de norm van 2 verpleegkundigen op 3 patiënten (verpleegkundige/patiënt ratio 1:1.5). Voor de HC (high care) zorg wordt in het rapport van de Gezondheidsraad uitgegaan van een 1:3 ratio. Dit zijn gemiddelde ratio’s die sterk kunnen wisselen aan de hand van de zorgzwaarte van de patiënten en het tijdstip op de dag. Over het algemeen is meer personeel aanwezig overdag dan ’s nachts omdat gedurende de daguren meer zorgactiviteiten plaatsvinden (bijvoorbeeld extra onderzoeken). Daarnaast is er vaak sprake van piekdrukte binnen de neonatale zorg. Het is aan de sector om hier invulling aan te geven.
Wat is uw inhoudelijke oordeel over deze bezettingsnormen? Zijn er naar uw mening altijd voldoende gespecialiseerde verpleegkundigen aanwezig om voor een relatief groot aantal ernstig zieke baby's te zorgen, ook bij accumulatie van medische problemen?
Ik ga er vanuit dat de normen een goede richtsnoer vormen voor het inplannen van de capaciteit op een neonatologie afdeling. Er zal ongetwijfeld variatie bestaan in de personele bezetting tussen de verschillende ziekenhuizen en deze zal ook niet altijd constant zijn. Als er, om wat voor reden dan ook, op enig moment te weinig personeel beschikbaar is om de kwaliteit en veiligheid van zorg te garanderen betekent dit dat neonatale bedden (tijdelijk) gesloten zullen moeten worden.
Welke taken van de gespecialiseerde verpleegkundige op de afdeling neonatologie kunnen bij drukte overgenomen worden door andere zorgverleners? Welke zorgverleners zijn dat, en waaruit blijkt dat zij voldoende bekwaam zijn voor deze taakherschikking?
Binnen de «level 3» neonatale zorg gaat het om zeer specifieke en gespecialiseerde taken die niet goed overdraagbaar zijn naar andere zorgverleners. Binnen de «level 2» zorg kan ondersteuning door gekwalificeerde kinderverpleegkundigen geleverd worden. In sommige ziekenhuizen wordt gewerkt met zogenaamde zorgassistenten. Deze ondersteunen verpleegkundigen op zaal met onder andere het ondersteunen van de kinderen bij de verzorging als ouders niet aanwezig zijn. Zij dragen zorg voor de voedingen en ondersteunen en informeren moeders bij het kolven van moedermelk. Verder brengen ze bloedmonsters naar het lab en helpen met het schoonhouden van de couveuses en de omgeving daarom heen. Deze zorgassistenten krijgen een interne opleiding en dragen een ander uniform zodat het voor ouders duidelijk is dat het geen verpleegkundigen zijn.
In hoeverre vindt u het verdedigbaar dat gespecialiseerde verpleegkundigen op de afdeling neonatologie overdag voor minimaal 3 à 4 ernstig zieke baby's zorgen, en bijvoorbeeld crècheleid(st)ers per 2018 overdag voor 3 kerngezonde baby's zorgen? Wat vindt u van deze verhouding? Wat vindt u ervan dat gespecialiseerde verpleegkundigen op de afdeling neonatologie 's nachts voor minimaal 6 à 7 ernstig zieke baby's zorgen?
Ik ben dit bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) nagegaan. Voor alle niveaus van neonatale zorg lijkt een ratio van 1:6 of 1:7 ongewenst. Een oordeel over een ratio van 1 op 3 à 4 zieke pasgeboren kinderen kan alleen worden gegeven als ook de mate van ziek zijn en de complexiteit van zorg daarin kan worden meegenomen. Deze informatie ontbreekt. Uitgaande van zieke en instabiele pasgeborenen is een ratio van 1:3 of 1:4 te krap. Een vergelijking met een crèche is niet aan de orde aangezien het in een crèche om een heel andere vorm van verzorging gaat.
Hoe kan het dat er voor een gezonde baby op de crèche (gelukkig) uitstekende extra begeleiding geregeld is, maar deze zorg en begeleiding voor ernstig zieke baby's in het ziekenhuis in verhouding sterk achterblijven?
Ik kan de stelling dat de zorg en begeleiding voor ernstig zieke baby’s in het ziekenhuis sterk achterblijft, niet onderschrijven. Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg zijn geen andere signalen bekend over onvoldoende bezetting op een afdeling neonatologie met risico’s voor kwaliteit en veiligheid van zorg tot gevolg.
Wat gaat u doen om de intensiteit van zorg die gespecialiseerde verpleegkundigen met de huidige bezettingsnorm aan ernstig zieke baby's kunnen leveren verantwoord te houden, dan wel te intensiveren? Hoe garandeert u dat ernstig zieke baby's altijd voldoende en goede zorg krijgen? Hoe ziet u hierop toe?
Het is niet aan het Ministerie van VWS maar aan het betreffende ziekenhuis of afdeling zelf om binnen het kader van geldende wet- en regelgeving een zorgaanbod te organiseren met voldoende gekwalificeerd personeel dat in hoeveelheid en verhouding staat tot de beddencapaciteit. Het is ook een verantwoordelijkheid van het ziekenhuis om een goed opleidingsbeleid te voeren. VWS heeft het Fonds Ziekenhuis Opleidingen in het leven geroepen om ziekenhuizen daarbij behulpzaam te zijn. De inspectie ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van zorg, dus óók van de neonatologie. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zal ingrijpen als zij van mening is dat de kwaliteit van zorg onvoldoende is, of dat de veldnorm wordt overschreden. Mochten er signalen zijn dat dit aan de orde is, dan is het melden daarvan bij het Landelijk Meldpunt Zorg de weg om de IGZ daarvan op de hoogte te stellen.
Het hoge aantal treinen met gevaarlijke stoffen op het spoor Amersfoort – Deventer |
|
Yasemin Çegerek (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Apeldoorn: aantal treinwagons met gevaarlijke stoffen buiten proportie»?1
Ja
Kunt u reageren op het feit dat er in negen maanden 190 keer meer treinen met gevaarlijke stoffen over het spoor reden dan is toegestaan?
De door u genoemde aantallen gelden in het kader van Basisnet niet als norm. Zie voor een nadere toelichting op de vraag in hoeverre er in het kader van Basisnet stoffen vervoerd mogen worden, de toelichting onder «Uitvoering van de Wet basisnet» zoals opgenomen in de aanbiedingsbrief.
Waarom wordt het overtreden van de afspraken op zo een grote schaal toegestaan? Wat is het nut van normen stellen als deze met zo gigantisch vaak worden overschreden?
Basisnet stelt geen normen voor individuele vervoerders en deze begaan dan ook geen overtredingen. Zie voor een nadere toelichting op de werkwijze de toelichting onder «Uitvoering van de Wet basisnet» zoals opgenomen in de aanbiedingsbrief. Voordat Basisnet in werking trad golden er geen beperkingen voor het vervoer en waren er geen risicowaardes waaraan getoetst kon worden. Sinds 1 april 2015 zijn die er wel. Het is juist vanwege Basisnet dat ik nu met vervoerders in overleg ben over maatregelen om overschrijdingen in de toekomst te voorkomen. De systematiek van Basisnet voorziet in het achteraf toetsen van het vervoer dat over een bepaald traject heeft gereden aan de voor dat traject geldende risicoplafonds en het treffen van maatregelen om – waar nodig – het gebruik van Basisnet bij te sturen.
Kan gegarandeerd worden dat de veiligheid van de omwonenden nog acceptabel is? Zo nee, waarom wordt dit toch toegestaan?
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor is één van de veiligste manieren van transport.
De huidige situatie is verantwoord, omdat voor alle woningen langs de omleidingsroutes geldt dat deze op veilige afstand van het spoor liggen.
Aan weerszijden van het spoor zijn risicocontouren bepaald. In de contour die voor omwonenden relevant is mogen geen huizen staan. Met de huidige overschrijdingen ligt deze contour weliswaar verder van het spoor dan is afgesproken in Basisnet, maar bevinden zich daarbinnen geen woningen. Overal langs de omleidingsroutes staan huizen dus op een zodanige afstand van het spoor, dat het risico voor de bewoners binnen de hiervoor in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm blijft.
Daarnaast worden er eisen gesteld aan de infrastructuur en het materieel om de veiligheid te borgen. Elk vervoer vindt plaats binnen het strikte kader van het RID en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dat kader moet uiteraard wel worden nageleefd en daar zie ik dan ook streng op toe.
Waarom wordt het college van burgemeester en wethouders pas achteraf geïnformeerd? Is het mogelijk om het college van tevoren te informeren? Zo nee, waarom niet?
Uit de systematiek van Basisnet volgt dat het niet mogelijk is om vooraf informatie te verstrekken over dreigende overschrijdingen, omdat de constatering hiervan volgt uit een analyse achteraf van gerealiseerde transporten. De analyse van de gegevens is vervolgens arbeidsintensief en vergt enkele maanden.
Om gemeenten aan de omleidingsroutes tegemoet te komen presenteren we deze analyses niet jaarlijks, maar per kwartaal. De kwartaalrapportages worden met de betreffende gemeenten gedeeld. Daarnaast wordt relevante informatie gepubliceerd op de website www.infomil.nl.
Aanhoudende problemen met de Botlekbrug en de Spijkenisserbrug |
|
Duco Hoogland (PvdA), Barbara Visser (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Hartelbrug moet extra open door kapotte Botlekbrug», «Nieuwe Botlekbrug tikt storing 62 aan», «Wéér problemen met slagbomen van Nieuwe Botlekbrug» en «Ook slagbomen Spijkenisserbrug weigerden dienst»?1 Herinnert u zich eerdere vragen over problemen met de nieuwe Botlekbrug?2
Ja.
Deelt u de mening van de wethouder Verkeer en vervoer van de gemeente Nissewaard, mevrouw Mourik, dat het «duidelijks is dat ze het lek bij de Botlekbrug niet boven hebben»?
In ben net als mevrouw Mourik onaangenaam verrast door de recente nieuwe storingen aan de Botlekbrug. Ik betreur de hinder voor weg- en vaarwegverkeer die daarmee gepaard gaat zeer.
In 2015 is de brug eenenvijftig maal in storing geweest. Sinds 1 januari 2016 hebben zich zestien storingen voorgedaan die hebben geleid tot een stremming van weg- en/of vaarwegverkeer. In de periode van 22 mei tot en met 1 juni deden zich 5 storingen in een korte tijd voor.
Na de review die eind 2015 op verzoek van Rijkswaterstaat door een onafhankelijke commissie is uitgevoerd, zijn diverse verbetermaatregelen opgepakt waarbij de focus ligt op het oplossen van de problemen aan een aantal kwetsbare onderdelen, zoals de grendels. Het onderzoek naar mogelijke ontwerpaanpassingen loopt en zal dit najaar worden afgerond waarna besluitvorming plaats kan vinden.
Het is teleurstellend dat de genomen maatregelen nog niet het gewenste effect hebben en dat zich inmiddels ook een storing heeft voorgedaan die heeft geleid tot constructieve schade aan één van de omloopwielen. Dit onderdeel werd ook door de reviewcommissie niet als risicovol beoordeeld.
Welke acties richting het consortium A-Lanes (anders dan het aanspreken van A-Lanes op het niet functioneren van de brug, antwoord 3 van de eerdergenoemde vragen) heeft Rijkswaterstaat inmiddels ondernomen? Waarom kan Rijkswaterstaat A-Lanes niet aanspreken op het vergoeden van kosten ten gevolge van het omrijden?
A-Lanes is contractueel verantwoordelijk voor het goed functioneren van de Botlekbrug. A-Lanes is hier inderdaad meerdere malen op aangesproken.
Naast toezicht op het naleven van de contractuele bepalingen houdt Rijkswaterstaat nauwlettend de voortgang van de acties uit de review in de gaten en stuurt waar nodig bij. Omdat de storingen zich, ondanks de inspanningen van A-Lanes, bleven voordoen heeft Rijkswaterstaat extra (technische) ondersteuning geboden aan A-lanes B.V.
Er zijn twee contractuele sancties mogelijk ten gevolge van de storingen aan de Botlekbrug die leiden tot een korting op de beschikbaarheidsvergoeding. Het betreft boetepunten voor niet functioneren van de brug en een beschikbaarheidskorting voor rijstrookafzettingen buiten de toegestane werkbare uren. Aan het eind van elk kwartaal worden deze verrekend met A-Lanes.
Omrijschade kan op basis van het contract echter niet op de opdrachtnemer worden verhaald.
Dit geldt ook voor de maatregelen die Rijkswaterstaat vanuit zijn verantwoordelijkheid als netwerkmanager gemeend heeft te moeten treffen om de hinder voor de (vaar)weggebruikers als gevolg van de stremmingen zoveel mogelijk te beperken. Het treffen van extra maatregelen bij storingen is geen usance. Vooral in het eerste half jaar na ingebruikname van de brug was het aantal storingen echter hoog.
Concreet heeft Rijkswaterstaat de volgende maatregelen getroffen:
Daarnaast is de helft van de kosten van de inzet van het reviewteam voor rekening van Rijkswaterstaat gekomen (€ 24.500). In totaal heeft Rijkswaterstaat circa € 2,7 mln. exclusief BTW aan kosten gemaakt.
Hoe verhoudt de volgende conclusie van het reviewteam, te weten: «Het verder terugdringen van de storingsgevoeligheid vraagt, naar verwachting van de commissie, in toenemende mate om steeds ingrijpendere maatregelen, omdat deze storingsbronnen veelal samenhangen met, en diep ingrijpen in geïmplementeerde ontwerpoplossingen of de vastgestelde veiligheidsfilosofie voor de Nieuwe Botlekbrug» zich tot uw antwoorden op de vraag of er geen sprake is van ontwerpfouten aan de Botlekbrug?
De Botlekbrug is ontworpen en gerealiseerd zoals contractueel uitgevraagd.
Tijdens het gebruik blijken sommige onderdelen zich anders te gedragen dan verwacht. In zo’n geval worden contractuele uitvraag en ontwerp opnieuw beschouwd wat kan leiden tot aanpassingen van de eerder gekozen ontwerpoplossing. Het doen van aanpassingen aan de grendels is hier een voorbeeld van. Er zijn mij geen ontwerpfouten bekend.
Zijn de integrale analyse van de storingen en het onderzoek naar mogelijke ontwerpaanpassingen inmiddels afgerond? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
In mijn brief van 4 maart 2016 heb ik aangegeven dat Rijkswaterstaat en A-Lanes B.V gezamenlijk de integrale analyse van de storingen maken en het onderzoek naar mogelijke ontwerpaanpassingen verrichten. Deze onderzoeken zullen binnen een half jaar zijn afgerond, waarna de integrale afweging en besluitvorming hierover kan plaatsvinden.
De storingen die zijn opgetreden na afronding van het review rapport hebben er toe geleid dat er extra onderzoek nodig is. Het gaat om de eerder genoemde mechanische schade aan die is opgetreden aan de omloopwielen. De resultaten van de extra en de lopende onderzoeken zullen dit najaar meegenomen worden bij de besluitvorming over mogelijke ontwerpaanpassingen. Het is nodig om deze afweging integraal te maken zodat duidelijk wordt hoe de diverse aanpassingen in elkaar grijpen. Daar waar mogelijk worden verbetermaatregelen vooruitlopend op de besluitvorming reeds doorgevoerd. Nadat deze besluitvorming heeft plaatsgevonden, zal ik de Tweede Kamer hierover informeren.
Welke stappen zijn inmiddels gezet inzake het verbetervoorstel om kwetsbare ontwerpoplossingen te vervangen?
De kwetsbare ontwerpoplossingen zijn de grendels, het beveiligingssysteem en de datacommunicatie.
Er is een voorstel voor het verbeteren van het functioneren van de grendels. Op basis van dit voorstel worden op dit moment twee verbetermaatregelen verder uitgewerkt. Beide zullen voor het eind van het jaar gereed zijn.
Voor het beveiligingssysteem worden de mogelijke verbeteringen momenteel onderzocht. Het beveiligingssysteem in de brug («trapped key» genaamd) is bedoeld om veilig werken in de brug tijdens operationeel gebruik mogelijk te maken. Door aanpassingen in de kelder van de brug kan er op meer plaatsen gewerkt worden, zonder dat dit systeem behoeft te worden gebruikt. Dit beperkt nog verder de kans op storingen door onjuist gebruik.
De datacommunicatie betreft de bediening van de brug vanuit de verkeerscentrale. Hiervoor is het voorstel om een eigen verbinding te maken die alleen bedoeld is voor de Botlekbrug. Deze oplossing is technisch uitgewerkt. Overigens hebben zich sinds november geen datacommunicatiestoringen meer voorgedaan.
De implementatie van de ontwerpaanpassingen aan het beveiligingssysteem en de datacommunicatie vindt plaats na de integrale afweging en besluitvorming.
In hoeverre is de Spijkenisserbrug, gezien de talrijke storingen aan deze brug, een betrouwbaar alternatief indien er storingen zijn aan de nog kwetsbaardere Botlekbrug? Welke maatregelen treft u om de betrouwbaarheid van de Spijkenisserbrug te verbeteren?
De Spijkenisserbrug is één van de alternatieven voor het wegverkeer over de Botlekbrug in storing. Het belangrijkste alternatief voor de Botlekbrug in storing is de Botlektunnel. De Spijkenisserbrug is voor het scheepvaartverkeer, dat uitsluitend door een geopende Botlekbrug kan varen, geen alternatief. Een deel van dit scheepvaartverkeer gebruikt de Rozenburgsesluis (verbinding tussen het Calandkanaal en het Hartelkanaal) als alternatief.
De Spijkenisserbrug is op leeftijd en de installaties zijn aan renovatie toe. Storingen zijn dan ook niet uit te sluiten. In het voorjaar van 2015 nam het aantal storingen aan de Spijkenisserbrug plots sterk toe. Na intensivering van het onderhoud en versterkte monitoring is het aantal storingen flink teruggebracht. Helaas hebben zich ook aan de Spijkernisserbrug in de afgelopen weken enkele storingen voorgedaan.
In de zomer van 2016 vervangt Rijkswaterstaat de storingsgevoelige kruis/pijl-installatie van de verkeerswisselstrook op de brug. Ik overweeg om de brug in het programma voor Vervangingen en Renovaties op te nemen. Hierbij moet rekening gehouden worden met een voorbereidingstijd van enkele jaren.
De boycot van een bedrijf door de gemeente Smallingerland |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de boycot van landbouwmechanisatiebedrijf De Boer door de gemeente Smallingerland?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat overheden bedrijven op deze wijze dubbel sanctioneren voor dezelfde overtreding, zolang regelgeving daartoe niet verplicht?
De uitsluitingsgronden hebben niet als doel om als punitieve sanctie te dienen. Het gaat er bij het stellen van uitsluitingsgronden om dat aanbestedende diensten (al dan niet verplicht) geen opdrachten verlenen met publieke middelen aan ondernemers die bepaalde wetten schenden.
Hoe waardeert u het feit dat nu en in eerdere procedures niet of nauwelijks overleg is geweest tussen de stagiair en het desbetreffende bedrijf alvorens overgegaan werd tot sanctionering of uitsluiting, hoewel het bedrijf daar wel open voor stond?
Bij een eventuele uitsluiting gaat het om de verhouding tussen de ondernemer en de aanbestedende dienst. Een eventueel overleg tussen stagiair en bedrijf is niet relevant voor de bevoegdheid van een gemeente om uit te sluiten.
Welke aanbestedings- en inkoopregels zijn van toepassing voor gemeentelijke inkopen, zoals in onderhavige casus, die de gemeente ook in dit geval zegt toe te willen passen?
Op gemeenten is, net als op de rijksoverheid, de Aanbestedingswet 2012 van toepassing. Het Aanbestedingsbesluit en daaronder hangende regelgeving – het Aanbestedingsreglement Werken (ARW) en de Gids proportionaliteit – zijn onderdeel van de geldende wet- en regelgeving. Daarnaast kan een gemeente eigen regels opstellen, die uiteraard niet in strijd mogen zijn met de wet.
Handelt de gemeente door een bedrijf op deze wijze uit te sluiten van inkoop- en aanbestedingsopdrachten conform hoofdstuk 1.3 en de overige bepalingen van de Aanbestedingswet?
Het is niet aan mij om dat te beoordelen. Het is ter beoordeling aan de rechter of een individuele aanbesteding die is gedaan op basis van het gemeentelijk beleid in strijd is met de Aanbestedingswet 2012.
Is het waar dat overheden alleen bedrijven uit kunnen sluiten indien sprake is van specifieke, vooraf vastgestelde uitsluitingsgronden? Is de veronderstelling juist dat hier in het onderhavige geval geen sprake van is?
Dat klopt voor zover het gaat om aanbestedingen boven de Europese drempel. Boven deze drempel zijn de uitsluitingsgronden limitatief en mogen slechts worden uitgebreid op nationaal niveau met gronden die conform de doelstellingen van het Europees recht zijn. In Nederland bestaan geen aanvullende uitsluitingsgronden boven de drempel. Onder de Europese drempel kan de aanbestedende dienst extra uitsluitingsgronden stellen, zolang deze gronden voldoen aan de beginselen van het aanbesteden en vooraf kenbaar worden gemaakt.
Acht u het wenselijk dat overheden bij hun aanbestedings- en inkoopbeleid transparant zijn en bedrijven gelijk behandelen, ook als het gaat om het hanteren van uitsluitingsgronden? Is hier in het onderhavige geval sprake van? Wordt elk bedrijf dat een overtreding heeft begaan per definitie uitgesloten?
Ook bij het toepassen van de uitsluitingsgronden moeten aanbestedende diensten ondernemers gelijk behandelen en transparant zijn. Dat betekent dat een gestelde uitsluitingsgrond voor alle ondernemers in de desbetreffende aanbestedingsprocedure moet gelden en voorafgaand aan de aanbestedingsprocedure bekend moet worden gemaakt. Ondernemers die een overtreding hebben begaan, worden niet per definitie uitgesloten, dat is onder meer afhankelijk van welke uitsluitingsgronden door de aanbestedende diensten zijn gesteld in een concrete procedure.
Deelt u de mening dat, mede gezien het feit dat de gemeente verwijst naar de regelgeving voor aanbestedingen, dat de algemene principes voor aanbesteding ook van toepassing zijn op het inkoopbeleid van de gemeente?
Ja. De wet regelt dat ook.
Deelt u de mening dat uitsluiting vanwege de genoemde overtreding niet in lijn zou zijn met voorschrift 3.5A van de Gids proportionaliteit waarin wordt bepaald dat de aanbestedende dienst slechts die facultatieve uitsluitingsgronden toepast die relevant zijn voor de betreffende opdracht? Deelt u de opvatting dat hiervan in dit geval geen sprake is?
Voorschrift 3.5A van de Gids proportionaliteit stelt dat terughoudend moet worden omgegaan met het stellen van de facultatieve uitsluitingsgronden en dat deze slechts zouden moeten worden toegepast als ze relevant zijn voor de desbetreffende opdracht. Het is niet aan mij om te beoordelen of dat in een concrete aanbesteding of in het aanbestedingsbeleid van een gemeente het geval is. Bij toepassing in een individueel geval is het oordeel aan de rechter.
Hoe waardeert u de handelwijze van de gemeente in het licht van het feit dat het genoemde bedrijf een boete van 1.600 euro is opgelegd, terwijl een gedragsverklaring aanbesteden pas geweigerd kan worden als sprake is van boetes boven de 35.000 euro?2 Is een dergelijke handelwijze van het gemeentebestuur niet disproportioneel?
Het is juist dat dit de ondergrens is voor het afgeven van een Gedragsverklaring aanbesteden. Dit houdt in dat een dergelijke verklaring zonder bezwaar kan worden afgegeven aan een ondernemer die een boete opgelegd heeft gekregen van minder dan 35.000 euro. Dit betekent niet dat daarmee vaststaat dat een ondernemer niet meer kan worden uitgesloten.
Bent u voornemens, indien sprake is van handelen tegen de (geest van de) Aanbestedingswet, om mogelijke ongewenste precedentwerking te voorkomen de gemeente Smallingerland aan te spreken op haar handelwijze?
Het is niet aan mij om een gemeente aan te spreken op haar handelwijze. Het betreft hier een vraag over juridische toelaatbaarheid van gemeentelijk beleid. Bij toepassing in een individueel geval is het oordeel aan de rechter.
Klopt het dat ten minste één school in de regio haar leerlingen verbiedt stage te lopen bij dit bedrijf? In hoeverre mag een school leerlingen tegen hun zin afhouden van een stageplek om andere redenen dan de inhoud en kwaliteit van de stageplek?
Het is niet duidelijk om welke school het gaat. Een onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs, dus ook voor de kwaliteit van de stageplek. Instellingen zullen daarom goede redenen moeten hebben om de door de student aangedragen stageplek niet te honoreren. Ik kan me voorstellen dat dat gebeurt in gevallen waarin de kwaliteit of inhoud van de stageplek niet voldoende is of niet overeenkomt met de leerdoelen van de student en opleiding. Het is van belang dat de instelling altijd transparant communiceert over de reden dat een stageplek niet voldoet en hierover (ook) het gesprek aangaat met de student.
Als een (mbo-)instelling slechte ervaringen heeft met een erkend leerbedrijf, dan dient de instelling dit te melden aan de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Het is de wettelijke taak van de SBB om te zorgen dat de kwaliteit van de erkende leerbedrijven goed is. Het beoordelen of een stageplaats sociaal veilig is, is onderdeel van het erkenningstraject. Indien sprake is van een sociaal onveilige plek en/of discriminatie is dat een reden om de erkenning in te trekken.
Tot slot maak ik graag van de gelegenheid gebruik om aan te geven dat het kabinet met het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie concreet werk maakt van het bestrijden en voorkomen van discriminatie op de arbeidsmarkt. Zo geeft de rijksoverheid onder meer het goede voorbeeld door geen zaken te doen met opdrachtgevers die onherroepelijk strafrechtelijk zijn veroordeeld voor arbeidsmarktdiscriminatie. Deze werkwijze wordt voor nieuwe contracten, daar waar dit proportioneel is, sinds oktober 2015 toegepast. Andere voorbeelden uit dit actieplan zijn de oprichting van een team arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW, de start van het zogeheten diversiteitscharter van de Stichting van de Arbeid en een voorlichtingscampagne over arbeidsmarktdiscriminatie die eind mei jl. is gestart.
De toename van het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) in de schuldhulpverlening |
|
Keklik Yücel (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Zzp’er met schuld gemiddeld 135.000 euro rood»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Bent u op de hoogte dat 50% van de schuldhulpverleners van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK) een toename constateert van het aantal zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) in de schuldhulpverlening?2
Ja, daar heb ik eveneens kennis van genomen.
In het jaarverslag 2015 van de NVVK wordt deze toename van zzp’ers in de schuldhulpverlening verklaard doordat deze groep 10% lager inkomen heeft dan andere groepen en zzp’ers hun werk vaak combineren met een tweede baan; hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Het aantal zzp’ers neemt al jaren toe. Een toename van het aantal zzp’ers dat een verzoek indient om in aanmerking te komen voor schuldhulpverlening, hoe onwenselijk ook, ligt in lijn met deze ontwikkeling.
Wat is het percentage van het totaal aantal zzp’ers dat in de schuldhulpverlening zit? Kunt u nader toelichten wat de kenmerken van deze groep zijn, zoals leeftijd, beroep, opleiding en inkomen?
Op dit vlak bevat het jaarverslag van de NVVK als branchevereniging de meest uitgewerkte cijfers. Meer dan de in het persbericht genoemde toename is op dit moment niet bekend over zzp’ers binnen de schuldhulpverlening.
Hoe is de toegang van zzp’ers geregeld tot de schuldhulpverlening? Zijn er obstakels of belemmeringen voor zzp’ers bij de toegang tot schuldhulpverlening?
De schuldhulpverlening is bedoeld voor burgers (natuurlijke personen) met problematische schulden. De gemeentelijke schuldhulpverlening is niet bedoeld voor zelfstandigen met een nog functionerende onderneming, maar sluit ze niet uit.
Als een zelfstandige gevaar loopt vanwege te hoog oplopende schulden, kan de zelfstandige bij een bank aankloppen. In het geval er geen krediet wordt verstrekt, dan kan de zelfstandige zich wenden tot de gemeente en een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz2004).
Binnen het Bbz wordt getoetst of sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Is hier geen sprake van dan wordt de zelfstandige geadviseerd zijn activiteiten te staken. Als een zelfstandige besluit om te stoppen, kan hij voor eventuele hulp bij schuldenproblematiek bij de gemeente terecht.
Is sprake van een levensvatbaar bedrijf dan kan in het merendeel van de gevallen via de Bbz voldoende soelaas worden geboden. Schuldhulpverlening kan hierbij echter zeker van meerwaarde zijn. Steeds meer gemeenten bieden daarom ook specialistische schuldhulpverlening aan zzp’ers aan.
Deelt u de mening dat minimumtarieven, via bijvoorbeeld een minimumuurloon voor zzp’ers, ingesteld zouden moeten worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zzp’ers zijn ondernemers. Bij ondernemerschap hoort zelf over tarieven kunnen onderhandelen.
In het algemeen blijken zzp’ers die handelen uit hoofde van beroep of bedrijf daar ook tot eigen tevredenheid in te slagen. Anders ligt dit ten aanzien van degenen die anders dan uit hoofde van beroep of bedrijf arbeid verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht. De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt gewijzigd, waardoor deze werkenden zonder nadere voorwaarden recht krijgen op een beloning op wettelijk minimumloonniveau3.
Bent u van plan om actie te ondernemen om het aantal zzp’ers in de schuldhulpverlening te verminderen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik ben daarmee ook reeds doende. Zo wordt op Ondernemersplein.nl door de Kamer van Koophandel reeds voorlichting gegeven aan ondernemers, waaronder zzp’ers, over geldzaken. Zo worden onder meer tips gegeven om schulden te voorkomen en voorlichting over hulp bij schulden. Daarnaast is er Wijzer in geldzaken. Dit is een initiatief van het Ministerie van Financiën, waarin partners uit de financiële sector, de wetenschap, de overheid (waaronder de ministeries van Economische Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid), onderwijs-, voorlichtings- en consumentenorganisaties hun krachten bundelen om verantwoord financieel gedrag in Nederland te bevorderen.
Zingeving in de zorg |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het ZonMw-signalement «Zingeving in zorg: de mens centraal», waarmee ZonMw het debat over zingevingsvraagstukken een extra impuls wil geven, en kennisontwikkeling wil stimuleren?1
Ja.
Deelt u de mening dat zingeving een wezenlijk aspect van het menselijk functioneren is, en een integraal onderdeel van goede, op de persoon afgestemde gezondheidszorg behoort te zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met opstellers van het signalement eens dat, aangezien niet iedereen alle aspecten van zingeving (even) belangrijk vindt, het noodzakelijk is om individuele behoeften bespreekbaar te maken, waarmee een zorgaanbod ontstaat dat op maat is gesneden.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit het NPCF-rapport (Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie) dat een ruime meerderheid (83%) van de patiënten het belangrijk vindt dat zorgverleners naast medisch handelen aandacht hebben voor zingeving, waarbij bijvoorbeeld aandacht wordt besteed aan het leren omgaan met de ziekte, aan het verwerken van het hebben van een ziekte, en aandacht gegeven wordt aan gevoelens van onzekerheid en angst?2
In het onderzoek van de NPCF wordt met zingeving in de zorg bedoeld «een zorgverlener die aandacht heeft voor zingeving kijkt niet alleen naar het medische deel. Deze zorgverlener heeft ook aandacht voor de mens. Bijvoorbeeld voor de gevolgen van een ziekte/aandoening op het leven, hoe mensen omgaan met een ziekte/aandoening en of hoe het leven zinvol ingericht kan worden ondanks een ziekte/aandoening.»
83 procent van alle deelnemers aan het onderzoek van de NPCF geeft aan het belangrijk te vinden dat een zorgverlener naast medisch handelen hiervoor ook aandacht heeft. Bijna de helft van de deelnemers aan het onderzoek van de NPCF, die in 2014 of 2015 bij een zorgverlener is geweest, heeft ervaring met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving. Dit betekent dat de andere helft van de deelnemers aan het onderzoek van de NPCF, die in 2014 of 2015 bij een zorgverlener is geweest, geen ervaring heeft gehad met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving3. Dit is jammer. Goede zorg betekent voor mij dat dokter en patiënt, op basis van alle relevante kenmerken van de patiënt, het samen zo veel mogelijk eens zijn over welke behandeling of welk onderzoek het meest passend is. Dit is voor elke patiënt anders.
Verder vind ik het belangrijk dat elke patiënt kan meebeslissen over zijn behandeling, op voet van gelijkwaardigheid. Dit betekent dus ook dat er naast de aandacht voor de medische aspecten, aandacht zou moeten zijn voor de begeleiding bij de verwerking en het omgaan met ziekte en behandeling, aangezien dit een onlosmakelijk onderdeel is van de behandeling. Dit zou dan ook in elke spreekkamer, behandelkamer of woonkamer door de huisarts, medisch specialist, (wijk)verpleegkundige of zorgprofessional, moeten worden meegenomen in de behandeling. Hier zie ik nog ruimte voor verbetering in de praktijk.
Deelt u de mening dat er op dit gebied nog ruimte voor verbetering is, aangezien minder dan de helft van de patiënten aangeeft daadwerkelijk ervaring te hebben met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ZonMw-signalement aanleiding geeft om in nauwe samenwerking met stakeholders uit onderzoek, onderwijs, praktijk en beleid, diverse waardevolle en wetenschappelijk kansrijke kennisvragen op het gebied van (impact van) zingeving in de zorg te adresseren?
Met het signalement hoopt ZonMw het debat over zingeving in de zorg een extra impuls te geven. Ik verwacht dat dit signalement allereerst zorgt voor een extra impuls bij de zorgaanbieders zelf, die vandaag al kunnen beginnen met meer aandacht voor zingeving in de dagelijkse zorgverlening. De praktijkverhalen die ZonMw heeft verzameld laten zien dat dit mogelijk is en bieden dus concrete handvatten hoe dit te doen.
In het ZonMw Programma «Palliantie. Meer dan Zorg» dat in 2014 van start is gegaan, wordt veel aandacht besteed aan kennisontwikkeling over zingeving in de zorg. Het programma gebruikt een programmatische aanpak met een breed en open karakter. Breed omdat er wordt geïnvesteerd in projecten waarin zorgpraktijk, onderwijs en onderzoek hand in hand gaan, waarbij er aandacht is voor het ontwikkelen van producten voor praktijk en onderwijs. Open, omdat in het programma mensen in de laatste levensfase, hun naasten, vrijwilligers en zorgverleners een belangrijke rol krijgen in het bepalen van prioriteiten in het programma en in het beoordelen van de maatschappelijke relevantie van aanvragen. In de subsidieronde voor 2016 zijn indieners specifiek uitgenodigd om projectideeën in te dienen die aanvullend zijn op de gehonoreerde projecten in 2015 en onderbelichte onderwerpen of doelgroepen. Zodoende is er extra aandacht gevraagd voor onder andere het spirituele en sociale domein.
Vorig jaar heb ik de wetenschapsagenda van de Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG)4 in ontvangst genomen. Eén van de vragen die zij gaan onderzoeken is of «advanced life care planning» in de vorm van gezamenlijke besluitvorming in de diagnostische fase, leidt tot een betere kwaliteit van leven (gevoel van grip op eigen leven en/of stresservaringen) voor de patiënt, omdat hij/zij meer regisseur wordt van zijn/haar eigen leven in een fase dat dit nog redelijk mogelijk is. Ook dit vind ik onderdeel van zingeving, waarbij de zorgverlener aandacht heeft voor de mens achter de medische diagnose.
Op dit moment wordt er al op verschillende plaatsen extra aandacht besteed aan zingeving in de zorg en ik zal het belang hiervan waar dat nodig is blijven uitdragen.
Als uw antwoord op vraag 5 bevestigend is, bent u dan bereid in te zetten op kennisontwikkeling over zingeving in de zorg, waarbij wordt ingezet op: nader inzicht verkrijgen in het belang en de impact van zingeving voor gezondheid en zorg; nader inzicht krijgen in de hedendaagse denkbeelden en betekenissen van zingeving; explicitering, wetenschappelijke onderbouwing en toerusting van het professioneel handelen (met name van artsen en verpleegkundigen)?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te bevorderen dat er een kennisagenda «Zingeving in zorg» komt, bijvoorbeeld gepositioneerd als onderdeel van, dan wel aansluitend bij een groter ZonMw-programma zoals Palliantie, Langdurige zorg, BeterOud of Kwaliteit van leven en gezondheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat NS stopt met het doorgeven van actuele treinposities |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS stopt doorgifte actuele treinposities»?1
Ja. Aan het artikel van OV-Magazine is op de website later een reactie van NS toegevoegd.
Waarom is NS gestopt met het doorgeven van actuele treinposities?
Het beeld dat NS is gestopt met het doorgeven van actuele treinposities is niet correct. NS heeft deze functionaliteit ontwikkeld in een testomgeving. Men is inmiddels zover dat het systeem over kan naar een productieomgeving. Daardoor is het systeem enkele maanden niet beschikbaar. NS zoekt een alternatieve manier om in die periode toch de betreffende gegevens te kunnen leveren.
Deelt u de mening dat het afschermen van deze data voor andere partijen dan NS de samenwerking met andere partijen die bijvoorbeeld reizigers-apps ontwikkelen niet ten goede komt?
Zoals toegelicht in antwoord 2 is dit niet het geval. Wel ben ik van mening dat de overgangstermijn van test- naar productieomgeving niet te lang moet duren en verwacht ik dat NS de gegevens op een alternatieve manier beschikbaar gaat stellen.
Hoe verhoudt het niet meer doorgeven van actuele treinposities zich tot uw wens zoveel mogelijk transparantie te betrachten in de beschikbaarheid van data om de reis van deur tot deur zo veel mogelijk te faciliteren?
In 2013 zijn afspraken gemaakt binnen het Nationaal Data Openbaar Vervoer over welke (actuele) reisinformatiegegevens door alle vervoerders moeten worden aangeleverd. Alhoewel actuele treinposities geen onderdeel van deze gegevens uitmaken en NS niet verplicht is om actuele treinposities te leveren, is het mijn wens dat NS dit wel gaat doen, en zij gaan dit ook doen.
Deelt u de mening dat NS de reiziger niet voorop («op 1, 2 en 3») stelt door deze informatie niet meer te delen?
Zoals toegelicht in antwoord 2 is dit niet het geval.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de informatie over de actuele positie van treinen per ommegaande gewoon weer openbaar wordt? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in antwoord 2 is dit niet nodig.
Het bericht ‘Miljoenenroof Mozambique liep deels via Amsterdam’ |
|
Ed Groot (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Miljoenenroof Mozambique liep deels via Amsterdam»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht «Miljoenenroof Mozambique liep deels via Amsterdam». In dit bericht wordt melding gemaakt van een internationale obligatielening die in 2013 door Mozambique is uitgegeven, bedoeld voor de aanschaf van een vloot visserijschepen. De plaatsing van deze obligaties is, zo heb ik begrepen, verlopen via de internationale banken Credit Suisse UK en VTB, met mogelijke gebruikmaking van Mozambique Ematum Finance 2020 B.V. (hierna: Ematum B.V.). De opbrengst van de uitgegeven obligaties zou door Ematum B.V. zijn uitgeleend aan de Mozambikaanse overheid en slechts gedeeltelijk zijn aangewend voor de aanschaf van visserijschepen. In de media is bericht dat Ematum B.V. wordt beheerd door een Nederlands trustkantoor, TMF Management B.V. (hierna: TMF).
Naar aanleiding van dit bericht heb ik overleg gevoerd met De Nederlandsche Bank (DNB) als toezichthouder op trustkantoren. Uit het register van de Kamer van Koophandel blijkt dat TMF bestuurder is van Ematum B.V. en aan Ematum B.V. domicilie verleent.
Klopt het dat de Nederlandse brievenbusmaatschappij Ematum bv betrokken was bij de diefstal van EUR 750 miljoen, geld dat bedoeld was voor de bevolking van Mozambique?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Ematum bv onder beheer stond van de Nederlandse trustfirma TMF? Welke rol had TMF bij Ematum bv? Leverde TMF bestuurders voor deze vennootschap?
Zie antwoord vraag 1.
Welke verantwoordelijkheden heeft een trustmaatschappij ten aanzien van de controle op de activiteiten die bv’s uitvoeren onder beheer van de trustmaatschappij? Welke rol hebben trustmaatschappijen met betrekking tot het signaleren van witwassen, fraude en diefstal?
Trustkantoren hebben een poortwachterfunctie binnen het Nederlandse financieel stelsel. Deze poortwachterfunctie houdt in dat trustkantoren zich moeten inspannen om integriteitrisico’s te identificeren en te beheersen, waaronder in ieder geval wordt verstaan het voorkomen dat het Nederlandse financieel stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of het financieren van terrorisme. Van trustkantoren wordt verwacht dat zij in het kader van hun dienstverlening voortdurend onderzoeken of hun cliënten betrokken zijn bij niet-integer handelen waaronder witwassen of financieren van terrorisme.
De Wet toezicht trustkantoren verplicht trustkantoren in dit kader onderzoek te doen naar integriteitsrisico’s en deze risico’s vervolgens adequaat te ondervangen, of af te zien van dienstverlening. Meer specifiek dienen trustkantoren onderzoek te verrichten naar hun cliënten en de vennootschappen die zij beheren («doelvennootschappen»). Een trustkantoor dient onder meer in kaart te brengen wie de uiteindelijk belanghebbende is van een doelvennootschap. Daarbij dienen trustkantoren bijzondere aandacht te hebben voor mensen die actief zijn of waren in de politiek («politically exposed persons» of PEPs). Ook dienen trustkantoren de herkomst en bestemming te kennen van de middelen die betrokken zijn bij een transactie die door een doelvennootschap wordt verricht. Een trustkantoor is verplicht om deze transacties te monitoren en om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid (de FIU-Nederland).
Om grip te krijgen op integriteitsrisico’s, dienen trustkantoren een systematische analyse van de integriteitsrisico’s op te stellen. In deze analyse wordt door het trustkantoor uiteen gezet op welke wijze het trustkantoor kan worden geconfronteerd met risico’s op betrokkenheid bij bijvoorbeeld witwassen, (fiscale) fraude, sanctie omzeiling of handelingen die indruisen tegen hetgeen in het maatschappelijk verkeer als betamelijk wordt beschouwd. In deze systematische integriteitsrisicoanalyse dient een trustkantoor ook uiteen te zetten op welke wijze de geïdentificeerde risico’s worden beheerst.
Bent u van mening dat TMF in deze casus haar poortwachtersfunctie serieus heeft genomen?
Dat oordeel is niet aan mij, maar aan de toezichthouder, DNB. DNB heeft aangegeven alle relevante signalen in haar toezicht te betrekken en onderzoek te verrichten daar waar dat nodig is. Eventuele informatie over meldingen van ongebruikelijke transacties of incidentmeldingen, zou bekend kunnen zijn bij de FIU-Nederland, respectievelijk DNB, maar valt onder wettelijke geheimhoudingsbepalingen.
Wat vindt u van de reactie van TMF, dat stelt «Dat het in Maputo gevestigde overheidsbedrijf Ematum SA het geld vervolgens doorsluist zonder er verantwoording over af te leggen, daar kan TMF niets aan doen, zegt de woordvoerder, TMF baseert zich alleen op officiële informatie, niet op geruchten in de media.»? Deelt u de mening dat dit wel van een heel beperkt verantwoordelijkheidsbesef getuigt, en dat deze enge taakvervulling wel erg veel ruimte laat voor fraude waar dan opeens niemand voor verantwoordelijk zou zijn?
Zoals in het voorgaande uiteen is gezet, is een trustkantoor op grond van de Wet toezicht trustkantoren verplicht te onderzoeken met welke redenen er gebruik wordt gemaakt van een Nederlandse doelvennootschap, wie de uiteindelijk belanghebbenden van de doelvennootschap zijn en wat de herkomst en bestemming van de middelen zijn die betrokken zijn bij een transactie die door de doelvennootschap wordt verricht. Wanneer een trustkantoor op grond van dit onderzoek constateert dat er aan haar dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden die niet kunnen worden ondervangen met beheersmaatregelen, wordt het trustkantoor geacht deze dienstverlening te weigeren of te beëindigen. Indien een trustkantoor constateert dat er sprake is van een ongebruikelijke transactie die door een doelvennootschap wordt verricht, dan dient zij hiervan melding te maken bij de FIU-Nederland. Een transactie mag in geen geval plaatsvinden als daarmee een strafbaar feit wordt begaan of gefaciliteerd. DNB beoordeelt in de uitoefening van haar toezicht of trustkantoren deze wettelijke verplichtingen naleven.
Welke mogelijkheden hebben Nederlandse instanties, zoals De Nederlandsche Bank (DNB) en de Belastingdienst, om dit soort fraude op te sporen, of in ieder geval te signaleren dat er risico’s op onregelmatigheden bestaan?
DNB heeft als toezichthouder op trustkantoren verschillende onderzoeksbevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om informatie op te vragen en inzage te verkrijgen in cliëntdossiers. Ten behoeve van haar toezicht werkt DNB, binnen het samenwerkingsverband van het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC is een multidisciplinair samenwerkingsverband tussen DNB, de Autoriteit Financiële Markten, het Openbaar Ministerie, de Politie, de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst, de Belastingdienst en de Financial Intelligence Unit – Nederland, met als doelstelling het versterken van de integriteit van de financiële sector. Dit doet het FEC door het uitwisselen van informatie, het delen van inzicht, kennis en vaardigheden tussen de FEC-partners.
Indien in de uitoefening van haar toezicht blijkt dat een trustkantoor zich niet houdt aan geldende regelgeving, kan DNB interveniëren. Op grond van de Wet toezicht trustkantoren kan DNB onder meer een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Met de voorgestelde nieuwe Wet toezicht trustkantoren zal het handhavinginstrumentarium van DNB verder worden uitgebreid.
De Belastingdienst is de uitvoerder van de fiscale wet- en regelgeving en kijkt vanuit dit oogpunt naar de betrokken entiteiten. Wanneer de Belastingdienst mogelijke belastingfraude signaleert kan dit overgedragen worden aan de FIOD. Verder heeft de Belastingdienst, als hij over relevante informatie beschikt, de mogelijkheid om in het kader van de samenwerking in het FEC de betrokken FEC-partners te informeren.
Wat gaat u doen om het toezicht op en het gedrag van trustmaatschappijen te verbeteren?
Uit de toezichtpraktijk is gebleken dat trustkantoren onvoldoende invulling geven aan hun taak als poortwachter van het Nederlands financieel stelsel. Dit is één van de redenen geweest om het wettelijk kader voor trustkantoren te herzien. Recent is het voorstel voor een nieuwe wet, de Wet toezicht trustkantoren 2018, openbaar geconsulteerd.
Met dit wetsvoorstel wordt beoogd het regelgevend kader voor trustkantoren strenger te maken. Er zal bijvoorbeeld aansluiting worden gezocht bij de normen voor een integere en beheerste bedrijfsvoering die ook voor financiële instellingen gelden op grond van de Wet op het financieel toezicht. Ook wordt voorgesteld om een tweehoofdige dagelijkse leiding voor trustkantoren verplicht te stellen. Het concept wetsvoorstel voorziet tevens in de introductie van een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur dienstverlening aan of ten behoeve van specifieke structuren te kunnen verbieden.
Daarnaast wordt met het concept wetsvoorstel voorzien in een uitbreiding van het instrumentarium van de toezichthouder. Deze uitbreiding betreft onder meer een verruiming van de bevoegdheid van DNB om een vergunning van een trustkantoor in te trekken. Het wetsvoorstel zal ook voorzien in de mogelijkheid tot het opleggen van hogere bestuurlijke boetes en in een bevoegdheid voor de toezichthouder om bepaalde sanctiebesluiten openbaar te maken.
Deze nieuwe regelgeving is bedoeld om, in combinatie met een verdere inspanning van de trustsector zelf en consequent en doelmatig toezicht, de integriteitproblemen binnen de Nederlandse trustsector aan te pakken.
Het artikel ‘Nationale prijsbodem CO2 bij EU ETS is geen oplossing’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nationale prijsbodem CO2 bij EU ETS is geen oplossing»?1
Ja
Wat vindt u van de stelling dat een nationale bodemprijs het systeem duurder maakt, maar dat die niet leidt tot een snellere CO2-reductie? Deelt u de mening dat het probleem niet de prijs, maar het rechtenvolume is?
Een nationale bodemprijs die hoger is dan de actuele prijs in het EU ETS, kan tot snellere CO2-reductie en hogere kosten in het betreffende land leiden. Binnen het EU ETS zal een dergelijke maatregel, vanwege het waterbedeffect, echter niet resulteren in meer CO2-reductie. De belangrijkste reden voor de huidige lage CO2-prijs is het overschot aan emissierechten in het EU ETS. Een mogelijkheid om tot betere prijsvorming te komen, is het uit de markt halen van het bestaande overschot.
Wat vindt u van het voornemen van de Franse regering om een prijsvloer voor rechten te bepalen? Betekent dit dat het Électricité De France (EDF), de Franse exploitant van kerncentrales die voor het grootste gedeelte in de handen van de Franse overheid is, over een voordeel beschikt?
Het staat de Franse autoriteiten vanzelfsprekend vrij om additionele maatregelen te treffen om nationaal de CO2-emissies te reduceren. Mijn voorkeur heeft het echter om in Europees verband te zoeken naar mogelijkheden het ETS verder te versterken en ons daarbij primair te richten op het beperken van het volume aan emissierechten op de markt. Het klopt dat energiebedrijven die minder of geen CO2 uitstoten, zoals kerncentrales, minder kosten maken bij een hogere CO2-prijs dan bedrijven die wel veel CO2 uitstoten bij hun productie. Daarbij is het overigens goed om op te merken dat het overgrote deel van de energieproductie in Frankrijk afkomstig is van kerncentrales.
In het artikel zegt een analist het volgende: «Het is een fantastische manier voor de Franse staat om de eigen bedrijven te steunen»; deelt u de mening van deze analist? Zo nee, waarom niet?
Een nationale bodemprijs is primair gericht op het (verder) reduceren van nationale CO2-emissies. Daarnaast worden de opbrengsten meegenomen in de begroting. Ik wil niet speculeren over eventuele aanvullende redenen om een bodemprijs in te voeren.
In hoeverre ondermijnt de Franse positie een gemeenschappelijk beleid en benadering voor versterking van de Europese emissiehandel (EU-ETS)? Is het raadzaam dat ieder Europees land zelf ingrepen doet in het Europese systeem? Wat betekent dit voor een gelijk speelveld?
De Franse positie maakt duidelijk dat er in meer landen een sterke behoefte bestaat om CO2-emissies beter te beprijzen. Zoals ik hierboven heb aangegeven heeft het mijn voorkeur om in Europees verband te zoeken naar mogelijkheden om het EU ETS verder te versterken en ons daarbij primair te richten op aanpassing van het bestaande overschot aan emissierechten. Een geharmoniseerd Europees systeem is zeker op termijn het meest effectief en efficiënt en zorgt tegelijkertijd voor een gelijk speelveld in Europa.
In hoeverre is er in dit geval sprake van staatssteun bij het Franse EDF? Indien hier sprake van is, hoe gaat u dit in Brussel aankaarten?
Het is aan de Commissie om te bepalen of hier sprake is van ongeoorloofde staatssteun.
De veiligheidssituatie van onlangs door Nederland uitgezette kinderen in Burundi |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Owen (4), Jessica (6) en hun moeder spoorloos in Burundi, advocaat en school weten niet waar ze zijn»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Bent u bekend met het bericht «Burundi geteisterd door aanhoudend geweld»?2
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Heeft u contact opgenomen met de plaatselijke autoriteiten om de veiligheid van het uitgezette gezin Ndikumana in het kader van de verslechtering van de veiligheidssituatie in Burundi, en de daarop door u aangekondigde uitzettingsstop voor Burundi3, te verifiëren? Zo nee, waarom niet?
Ja. De ambassade in Bujumbura heeft in deze uitzonderlijke zaak contact gelegd met het gezin. Uit de gesprekken blijkt dat de veiligheid van de moeder en haar kinderen niet in het geding is.
Zijn er in 2016 naast het gezin Ndikumana meer personen uitgezet naar Burundi? Zo ja, hoeveel personen betreft het en wat is er bekend over hun veiligheid?
Het gezin is het enige dat dit jaar is uitgezet naar Burundi. Zoals uw Kamer bekend is, wordt niet gemonitord hoe het vreemdelingen vergaat als zij zijn uitgezet dan wel zelfstandig zijn vertrokken.
Deelt u de opvatting dat indien de veiligheidssituatie in een land van uitzetting wijzigt met als gevolg dat een uitzettingsmoratorium van kracht wordt, zoveel als mogelijk moet worden nagegaan of personen die recent door Nederland naar dit land zijn uitgezet, in veiligheid verkeren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 4.
Wanneer verwacht u dat een nieuw ambtsbericht voor Burundi wordt uitgebracht? Bent u bereid dit ambtsbericht naar de Kamer te zenden zodra het gereed is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb uw Kamer vandaag geïnformeerd dat ik voor Burundi een besluit- en vertrekmoratorium afkondig voor de duur van zes maanden. Ik heb aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken een algemeen ambtsbericht over Burundi gevraagd dat voor het verstrijken van het besluit- en vertrekmoratorium zal verschijnen.
Zoals gebruikelijk worden zowel de vragen voor het ambtsbericht als het ambtsbericht altijd openbaar gemaakt op www.rijksoverheid.nl. Ik stuur de ambtsberichten daarnaast naar de Kamer als het toelatings- of terugkeerbeleid verandert naar aanleiding van een ambtsbericht.
Koeherkenning |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «LTO wil mogelijkheid tot koudmerken van koeien behouden», waarin de sector pleit voor het behoud van het koudmerken?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat ongeveer 10% van de melkveebedrijven koudmerken toepast om de dieren te herkennen in de melkstal maar ook in het weiland?
Ja.
Bent u ermee bekend dat voor bepaalde melkstalsystemen en het herkennen van koeien op grotere afstand (beweiden) geen volwaardig alternatief voorhanden is en dat het niet langer toestaan van het koudmerken de bedrijfsvoering (met name op gebied van diergezondheid en dierwelzijn) in gevaar kan brengen? Bent u het eens met het feit dat een halsband of oormerk in bijvoorbeeld een zij aan zij melkstal of op afstand in de wei niet leesbaar is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u voor het antwoord naar de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit wijziging Besluit houders van dieren en Besluit diergeneeskundigen, welke op 1 juni jl. aan uw Kamer is aangeboden.
Vindt u het acceptabel dat diergezondheid en dierwelzijn in het geding kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is het alternatief dat de boeren kunnen inzetten om de koeien te herkennen (met name bij die melkstalsystemen waarin een halsband geen uitkomst biedt)?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al meerdere keren aandacht heeft gevraagd bij uw ministerie voor de gevolgen van het verbod op koudmerken? Wat zijn de argumenten van de NVWA om koudmerken toe te staan? Kunt u aangeven waarom deze argumenten niet gedeeld zijn met de Kamer en de ontheffing op het koudmerken wordt opgeheven?
Het is mij noch de NVWA bekend dat de NVWA hiervoor aandacht heeft gevraagd. Het voornemen om koudmerken te verbieden met bijbehorende argumenten zijn gedeeld met uw Kamer in de beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstuk 20 286 nr. 651) en besproken in het notaoverleg over deze brief op 2 december 2013.
Bent u bereid om het verbod op koudmerken in ieder geval tot na de beantwoording van deze vragen op te schorten?
Het verbod op koudmerken is onderdeel van het ontwerpbesluit wijziging Besluit houders van dieren en Besluit diergeneeskundigen. Dit is op 1 juni jl. aan uw Kamer aangeboden. Tijdens de procedurevergadering van 7 juni jl. heeft uw Kamer besloten tot een schriftelijk overleg over dit ontwerpbesluit.
Het koudmerken als derde ingreep blijft toegestaan tot inwerkingtreding van het verbod op koudmerken als zodanig. Dit verbod is opgenomen in het voorgenoemde wijzigingsbesluit. De Nederlandse Melkveehoudersvakbond en LTO zijn hiervan op de hoogte gesteld.
Het bericht dat het nieuwe bevolkingsonderzoek 108 kankergevallen voorkomt |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het nieuwe bevolkingsonderzoek 108 kankergevallen per jaar voorkomt? Kunt u daarbij tevens specifiek ingaan op het aspect dat voorkomen iets anders is dan vroegtijdig ontdekken?1
Hoe verhouden de getallen van 108 voorkomen kankergevallen en 30 voorkomen sterfgevallen uit het artikel zich tot de door u in het debat genoemde 75 voorkomen gevallen van baarmoederhalskanker, en het voorkomen van 18 extra sterfgevallen? Hoe is deze ruis ontstaan?2
Kunt u de wetenschappelijke onderbouwing toesturen aan de Kamer van zowel de 108 voorkomen kankergevallen en 30 voorkomen sterfgevallen, genoemd door het RIVM, als de 75 extra voorkomen gevallen van baarmoederhalskanker en de 18 voorkomen extra sterfgevallen die u noemde, gebaseerd op voorspellingen van de heer Meijer? Zo nee, waarom niet?
Hiervoor verwijs ik u naar het advies van de Gezondheidsraad «Screening op baarmoederhalskanker»:
en naar het rapport van ErasmusMC «Kosteneffectiviteitsanalyse primaire hrHPV screening zonder versus met hrHPV-zelftest»:
Wat vindt u ervan dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat de kogel door de kerk is, en het nieuwe bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker er per 2017 definitief gaat komen? Is de kogel door de kerk? Er komt toch nog een kosteneffectiviteitsstudie?
In mijn brief van 17 oktober 2013 aan uw Kamer heb ik mijn besluit kenbaar gemaakt de hrHPV screening in te voeren. Dit heb ik gedaan op basis van het advies van de Gezondheidsraad (die een kosteneffectiviteitsstudie omvatte) en de Uitvoeringstoets naar de haalbaarheid van het nieuwe bevolkingsonderzoek. De kosteneffectiviteitsanalyse die nu wordt uitgevoerd is bedoeld om, nu de meeste voorbereidingen nagenoeg afgerond zijn, de uitvoeringsconsequenties in kaart te brengen zodat ook de laatste details van het nieuwe bevolkingsonderzoek hier op afgestemd kunnen worden.
Kunt u aangeven welke inputparameters voor de kosteneffectiviteitsstudie worden gebruikt? Vindt u niet dat die gegevens openbaar zouden moeten zijn, gezien de discussie in de beroepsgroep? Zo nee, waarom niet?
De inputparameters worden afgestemd met leden van de programmacommissie. De resultaten van de kosteneffectiviteitsstudie met daarbij de inputparameters worden openbaar gemaakt. Kostprijzen van de aanbestedingen worden niet in detail vrijgegeven omdat het gaat om concurrentie gevoelige gegevens.
Bent u het ermee eens dat de stelling dat een zelftest net zo betrouwbaar is als een uitstrijkje, afgenomen door een professional, nogal prematuur is? Deelt u vervolgens de mening dat ook de IMPROVE-studie op deze vraag geen helder antwoord zal geven vanwege de opzet van de studie? Zo nee, waarom bent u het hier niet mee eens?
Voor de inzet van de zelfafnameset bij non-responders zijn wetenschappelijke studies verricht. De zelfafnameset is bij non-responders met de juiste combinatie zelfafnameset en hrHPV-test voor wat betreft de klinische sensitiviteit en specificiteit net zo betrouwbaar als een uitstrijkje. In het nieuwe bevolkingsonderzoek wordt de juiste combinatie gebruikt. Voor de inzet van de zelfafnameset bij de uitnodiging voor responders moet eerst nog een studie plaatsvinden. Die wordt nu uitgevoerd. Het gaat om de zogenaamde Improve-studie. Ik ga ervan uit dat deze studie een helder antwoord kan geven op de betrouwbaarheid van zelf afgenomen materiaal in vergelijking tot een uitstrijkje. De Gezondheidsraad heeft de uiteindelijke onderzoeksopzet van de Improve-studie beoordeeld en positief geadviseerd over het ontwerp van de studie en of dit betrouwbare resultaten oplevert.
Vindt u niet dat het wenselijk zou zijn als het RIVM zich onafhankelijker zou opstellen, en eerst de resultaten van de studies naar de zelftest zou moeten afwachten, alvorens in de publiciteit te treden met de stelling dat deze net zo betrouwbaar is als een uitstrijkje door de huisarts?
De uitspraak van het RIVM is gebaseerd op de inzet van de zelfafnameset bij de herinnering voor non-responders. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Hoe verhoudt deze uitspraak van mevrouw Van der Veen zich met het advies van de Gezondheidsraad om de zelftest niet tegelijk met de invoering van het nieuwe bevolkingsonderzoek aan te bieden, aangezien de gelijkwaardigheid eerst goed moest worden uitgezocht?
De zelfafnameset wordt in het vernieuwde bevolkingsonderzoek ingezet bij de herinnering voor non-responders. Zij kunnen de zelfafnameset op verzoek ontvangen. De Gezondheidsraad heeft aangegeven dat voor de inzet van de zelfafnameset als primaire screening nader onderzoek nodig is. Zoals ik bij vraag 6 heb aangegeven wordt dit onderzoek nu uitgevoerd.
Erkent u dat het bericht van het RIVM dat de kosten voor het nieuwe bevolkingsonderzoek niet hoger liggen dan die van het oude bevolkingsonderzoek misleidend is, aangezien de kosten van de gezondheidszorg bij het nieuwe bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker wel op zullen lopen vanwege meer onnodige doorverwijzingen, en de belasting op het eigen risico van de vrouwen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het RIVM ziet blijkbaar geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de kosten voor het vernieuwde bevolkingsonderzoek hoger liggen dan die van het huidige bevolkingsonderzoek.
Zoals ik in de beantwoording van eerdere Kamervragen hierover (TK 20156–2016 2089 Aanhangsel van de Handelingen) heb aangegeven worden de kosten van het vernieuwde bevolkingsonderzoek bepaald door verschillende factoren zoals het aantal keer dat vrouwen een test ondergaan, de kosten van de testmaterialen en de kosten van een eventuele doorverwijzing. In het vernieuwde bevolkingsonderzoek worden vrouwen minder vaak uitgenodigd. De aanbestedingen voor de hrHPV test en de zelfafnameset hebben een lagere prijs opgeleverd dan vooraf werd ingeschat. Het aantal vervolgonderzoeken en verwijzingen is in het vernieuwde bevolkingsonderzoek de eerste vijf jaar hoger. Het onderzoek van de Erasmus MC naar de kosteneffectiviteit van het vernieuwde bevolkingsonderzoek zal over de totale kosten meer duidelijkheid geven.
In het huidige bevolkingsonderzoek brengt het uitstrijkje bij de huisarts geen kosten voor vrouwen met zich mee. Eventuele vervolgonderzoeken op 6 en 12 maanden en verwijzing naar de gynaecoloog vallen onder de zorgverzekering. Het kan zijn dat de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk zelf betaald moeten worden. Dat hangt af van de hoogte van het eigen risico en hoeveel daarvan al is gebruikt.
In het vernieuwde bevolkingsonderzoek brengt het uitstrijkje én het vervolgonderzoek op 6 maanden geen kosten voor de vrouw met zich mee. Er is geen vervolgonderzoek op 12 maanden. Verwijzing naar de gynaecoloog valt net als in het huidige bevolkingsonderzoek onder de zorgverzekering. Hierdoor zijn er, ondanks de hogere verwijzingen, in totaal minder vrouwen die geheel of gedeeltelijk de kosten die voortvloeien uit het eigen risico zelf moeten betalen.
Wat is uw reactie op de opmerking van de medewerkster van het RIVM «Maar ik vlak niet uit dat de ongerustheid onder vrouwen iets kan toenemen, doordat ze worden doorverwezen naar een gynaecoloog of worden opgeroepen voor een herhaling van de test»?
Bij de uitvoering van bevolkingsonderzoek moet altijd een afweging plaats vinden tussen de gezondheidswinst en eventuele nadelen zoals onnodig ongerustheid bij vrouwen die positief testen op hrHPV maar waarbij geen sprake is van celafwijkingen. Omdat het vernieuwde bevolkingsonderzoek meer gezondheidswinst oplevert vind ik een kleine toename van ongerustheid onder vrouwen daar tegen opwegen.
Wat is uw reactie op het artikel Verzwijgen is zilver?3
Ik heb het artikel met belangstelling gelezen.
Wat is uw standpunt over het adviesrapport van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van het VU-VUMC over de Conflicts of Interest?4
Ik vind het een taak van de raad van bestuur van VUmc om zich een oordeel te vormen over de belangenverstrengeling van de heer Meijer. Zij hebben de Commissie Wetenschappelijke Integriteit gevraagd om zich hierover te buigen en hierover te adviseren. De raad van bestuur heeft daar vervolgens zijn eigen conclusies uit getrokken. Ik laat dit bij de raad van bestuur van VUmc.
Begrijpt u de verbazing van integriteitsdeskundigen over het oordeel van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten waarom u deze verbazing deelt, en wat u hieraan gaat doen?
Ik vind het positief dat wetenschappers met elkaar het gesprek aangaan over wat wordt verstaan onder wetenschappelijke integriteit. Ik ga er van uit dat verbazing leidt tot verdere discussie. Discussie leidt ertoe dat normen op dit terrein zich verder ontwikkelen. Ik vind het de verantwoordelijkheid van de academische wereld om de inhoud van het begrip wetenschappelijke integriteit verder te ontwikkelen en de wetenschappelijke integriteit te bewaken.
Vindt u ook niet dat wetenschappers open en transparant moeten zijn over hun zakelijke belangen bij onderzoek? Zo ja, deelt u dan de mening dat die transparantie niet afhankelijk kan zijn van de resultaten van het onderzoek? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het uitgangspunt dat wetenschappers open en transparant moeten zijn over hun zakelijke belangen bij onderzoek wordt breed gedragen. Dit is een van de aspecten die aan de orde zijn als het gaat om wetenschappelijke integriteit. De beoordeling van wetenschappelijke integriteit op dit punt vind ik een zaak van de Wetenschappelijke Commissie Integriteit van, in dit geval, VU-VUmc.
Wat is uw reactie op de vaststelling van de integriteitscommissie dat de heer Meijer zijn zakelijke belangen meermaals niet had vermeld, maar dat hij dit veelal ook niet had hoeven te doen, bijvoorbeeld omdat het «niet duidelijk was» of de hoogleraar deze had moeten melden?
Ik laat het oordeel hierover aan de Wetenschappelijke Commissie Integriteit van VU-VUmc.
Wat is uw reactie op de uitkomsten van de rondgang langs deskundigen, waaruit blijkt dat de opvattingen van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van het VU-VUMC in de academische wereld niet breed worden gedeeld? Welke conclusies trekt u op basis hiervan met betrekking tot de betrouwbaarheid van het adviesrapport?
Ik vind het positief dat het rapport van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van VU-VUmc aandacht krijgt in de academische wereld. Zie ook mijn antwoord op vraag 13. Ik zie geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het rapport van de commissie.
Bent u van mening dat de integriteitscommissie ook het niet melden van zakelijke belangen bij wetenschappelijk advieswerk had moeten onderzoeken, met name ook tijdens de totstandkoming van het advies van de Gezondheidsraad Screening op baarmoederhalskanker (2011), aangezien de heer Meijer zijn belangen niet meldde bij de Gezondheidsraad, maar wel mee deed met de aanbesteding voor de HPV-testen?
Het bestuur van VU-VUMC is verantwoordelijk voor het geven van opdrachten aan de Wetenschappelijke Commissie Integriteit. Ik heb de Gezondheidsraad vorig jaar gevraagd opnieuw te kijken naar de inbreng van de heer Meijer en zijn invloed op het advies over de baarmoederhalskankerscreening. De Gezondheidsraad heeft mij daarover gerapporteerd en ik heb u op de hoogte gebracht van de uitkomst.
Bent u er van op de hoogte dat naast de heer Meijer een andere adviseur van de commissie van de Gezondheidsraad die het Raadsadvies opstelde, de heer W. Quint, ook zijn belangen niet meldde en zijn laboratorium 1 van de 5 laboratoria is die de gunning van het RIVM heeft gekregen? Hoe verhoudt zich dit tot het «grondige» onderzoek dat de Gezondheidsraad uitvoerde n.a.v. het artikel in de NRC van 13-6-2015?
Het is mij bekend dat de heer Quint eveneens adviseur was van de betreffende commissie van de Gezondheidsraad. De heer Quint heeft in de belangenverklaring zijn zakelijke en vrijwillige relaties vermeld. Het oordeel van de leiding van de Gezondheidsraad daarover luidde destijds als volgt: «Na beoordeling van de verstrekte informatie en overleg hierover met dr. Quint, is hij benoemd tot niet-stemhebbend adviseur, zonder medezeggenschap over de inhoud van het advies.»
Wat is het oordeel van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) betreffende het document dat u is overhandigd tijdens het debat5 over het nieuwe bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker inzake de mogelijke belangenverstrengeling van de heer Meijer bij het Pobascam onderzoek, waarbij het bedrijf Self-Screen, waarvan de heer Meijer aandeelhouder was, verdiende aan validatietesten die de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van het VU-VUMC niet heeft geconstateerd, en dat dit bovendien gebeurde met patiëntenmateriaal uit bevolkingsonderzoekcohorten, en dat dit patiëntenmateriaal selectief beschikbaar werd gesteld voor commerciële bedrijven? Welke vervolgstappen gaat de IGZ hierop ondernemen? Wat is uw oordeel over deze mogelijke belangenverstrengeling?
De IGZ heeft mij laten weten in de informatie geen aanleiding te zien om nader onderzoek te doen naar de vraag of er sprake is geweest van belangenverstrengeling. Over het signaal van het patiëntenmateriaal merk ik het volgende op: Vanuit het perspectief van medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen is het van belang dat de patiënten die hebben deelgenomen aan de (WMO-plichtige) Pobascam studie en in het kader daarvan lichaamsmateriaal hebben afgestaan uitdrukkelijk zijn geïnformeerd over het gebruik van dat materiaal voor andere doeleinden dan de studie zelf. Hiervoor dient expliciet toestemming door de patiënt te worden gegeven. Om vast te stellen of aan die eis is voldaan zal de IGZ nader onderzoek verrichten. Lopende het onderzoek van de IGZ kan ik geen uitspraken daarover doen.
De bezuinigingen op projectgezinnen |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de blog van Judith Stoker over de bezuinigingen in de Jeugdzorg en haar ervaring in een projectgezin?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat dit tegen de uitgangspunten van de Jeugdwet in gaat en dat kinderen zoveel mogelijk in een gezinssituatie opgevangen moeten kunnen worden en dat daarbij niet de bezuinigingen maar de noodzakelijke zorg voorop moeten staan?
Ik deel de mening dat voor ieder kind passende hulp voorop moet staan. Bij kinderen die niet meer thuis kunnen wonen, bepaalt de Jeugdwet dat een inhuisplaatsing (verblijf in een gezinssituatie) te prefereren is boven verblijf in een instelling, tenzij dit vanwege de noodzakelijk te leveren zorg niet mogelijk is.
Projectgezinnen zijn niet de enige vorm waarin kinderen in een gezinssetting kunnen verblijven. Alternatieve vormen van hulp in gezinnen of in gezinsvormen, zijn gezinshuizen en pleegzorg.
Wat gebeurt er met de kinderen die vanwege bezuinigingen uit projectgezinnen worden geplaatst?
Horizon heeft in haar voorgenomen besluit aan de projectouders aangegeven dat er met hen wordt gezocht naar passende hulp voor de kinderen. Bij voorkeur wordt er een oplossing gevonden waarbij de huidige hulpverleners en de kinderen die zij opvangen bij elkaar kunnen blijven. Horizon is bekend met de mogelijkheid dat de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) ondersteuning kan bieden bij het ombouwen van het jeugdhulpaanbod zodat het aanbod inhoudelijk aansluit bij de passende zorg voor de kinderen en de wensen van gemeenten. Verder heb ik Horizon op de mogelijkheid gewezen dat de TAJ kan bemiddelen tussen gemeenten en jeugdhulporganisaties indien er sprake is van een impasse bij de inkoop van de jeugdhulp.
Zijn er meer situaties bekend waarbij jeugdzorg via projectgezinnen wordt geschrapt, omdat het binnen het budget niet meer mogelijk is?
Hierover is mij niets bekend.
Deelt u de mening dat pleegouders ondersteuning verdienen en horen te krijgen? Hoe kijkt u aan tegen het wegbezuinigen van de ondersteuning zoals bij Judith Stoker gebeurd is?
Er is een misverstand over deze vorm van jeugdhulp: projectgezinnen zijn géén pleegouders. In de projectgezinnen van Horizon is een dienstverband aangegaan met één of twee van de projectouders, afhankelijk van het aantal plaatsingen. Het is dan ook een professionele vorm van jeugdhulp, waarbij de ouders niet alleen een vergoeding voor de verzorgingskosten die ze voor de kinderen maken krijgen, maar ook voor de begeleiding en zorg die zij de kinderen bieden.
Horizon beraamt zich op passende hulp voor de kinderen. Aangezien er nog sprake is van een voorgenomen besluit, is over de individuele projectgezinnen nog niets te zeggen. Zeer afhankelijk van de ontwikkeling van het kind, wordt er gezocht naar alternatieven als een gezinshuisconstructie of naar opvang in een pleeggezin. Horizon weegt in de vorm van passende hulp het belang van de kinderen om ze bij voorkeur in een gezinsvorm te plaatsen. Indien mogelijk en gewenst worden de oorspronkelijke hulpverleners en het kind of de kinderen bij elkaar gehouden, waarbij de organisatorische constructie er anders uit zal zien.
Het bericht dat de brandweer in Enkhuizen regelmatig buiten dienst is |
|
Nine Kooiman |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de brandweer in Enkhuizen vaak onderbezet is?1
Ja.
Deelt u de mening van de Veiligheidsregio dat, ondanks dat er vaak sprake is van onderbezetting, de veiligheid niet in het geding is? Zo ja, waarom wordt er dan gesproken over onderbezetting als dat blijkbaar een voldoende mate van bezetting is om de veiligheid te garanderen? Zo nee, wat gaat u daarop ondernemen?
De Veiligheidsregio Noord Holland-Noord heeft mij bericht maatregelen te nemen om lokale onderbezetting te voorkomen. Dat past binnen de verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio om zorg te dragen voor een adequaat niveau van brandweerzorg. Het vaststellen en realiseren van de benodigde voertuigbezetting maken daarvan deel uit.
De Inspectie Veiligheid en Justitie zal dit jaar in alle veiligheidsregio’s een onderzoek uitvoeren naar de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg. Hierbij worden onder andere (variabele) voertuigbezetting en opkomsttijden meegenomen. Voor een gesprek met de veiligheidsregio zie ik geen aanleiding. Specifieke informatie over de casus Hellevoetsluis treft u bijgevoegd2 aan in het door u gevraagde evaluatierapport van de veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
Vindt u de proef met de variabele voertuigbezetting in deze regio geoorloofd, ook al laat de casus in Hellevoetsluis zien dat het tweede voertuig later aanwezig was bij de woningbrand?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid met de Veiligheidsregio in gesprek te gaan om de veiligheid van de inwoners te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de inspectie te vragen naar dit specifieke incident onderzoek te doen en de Kamer hierover te informeren?
De Inspectie heeft het onderzoeksrapport over de brand in Hellevoetsluis bestudeerd. De Inspectie zal het incident betrekken bij het onderzoek naar de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg in Rotterdam-Rijnmond, zoals bedoeld bij de beantwoording van de vragen 2,3 en 4.
Bij de beantwoording van deze vragen houd ik me aan de afgesproken verantwoordelijkheidsverdeling binnen het onderhavige stelsel. Voor nadere informatie verwijs ik dan ook naar de veiligheidsregio’s in kwestie of de desbetreffende gemeenteraden.
Bent u bereid het onderzoek van de veiligheidsregio naar deze brand aan de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 2.
De moord en inbraak bij een Oegandese mensenrechtenorganisatie |
|
Roelof van Laar (PvdA), Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ontzetting over moord en inbraak bij Oegandese mensenrechtenorganisatie»?1 Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja. Ik ben uiteraard geschokt over deze zeer zorgelijke gebeurtenis.
Kunt u bevestigen dat de daders van de moord en de inbraak nog niet zijn opgepakt door de Oegandese autoriteiten?
Ja.
Deelt u de oproep in het persbericht van het Human Rights Awareness and Promotion Forum en andere Oegandese mensenrechtenorganisaties dat de Oegandese overheid zich meer moet inzetten om de daders te pakken en het patroon van inbraken bij mensenrechtenorganisaties te doorbreken?2 Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid om deze specifieke kwestie aan de orde te stellen bij de Oegandese autoriteiten en hierbij expliciet aan te dringen op vervolging van de daders en op te roepen tot het voorkomen en bestrijden van gewelddadige inbraken bij mensenrechtenorganisaties in de toekomst, in lijn met de oproep in het genoemde persbericht? Zo nee, waarom niet?
Ja, later deze maand vindt een politieke dialoog plaats tussen de Ugandese autoriteiten en de EU, in het kader van Artikel 8 van het verdrag van Cotonou. Tijdens deze dialoog zal de EU de gewelddadige inbraak aan de orde stellen en aandringen op maatregelen om mensenrechtenorganisaties beter te beschermen tegen dergelijke inbraken.
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen over de omstreden NGO Bill waarin u aangaf dat «afgewacht moet worden hoe het uiteindelijke voorstel eruit ziet en wanneer het wordt aangenomen. Pas dan kunnen de mogelijke effecten van de nieuwe wet worden beoordeeld»?3 Klopt het dat de genoemde wetgeving in maart jl. door president Museveni is ondertekend en in werking is getreden. Kunt u dat bevestigen? Zo ja, kunt u een beoordeling geven van de effecten van de wet?
De wet wordt de facto nog niet toegepast en er zijn daarom nog geen zichtbare effecten. President Museveni ondertekende weliswaar de ngo wet in maart en deze trad toen in werking. De Ugandese NGO Board is echter verantwoordelijk voor de implementatie van de wet, maar tot op heden ontving deze organisatie nog geen additioneel budget en is het reglement voor de uitvoering van de wet nog niet vastgelegd. De NGO Board is een Ugandese overheidsinstelling die ngo» s registreert, reguleert en coördineert en daarover de regering adviseert. De Board werkt op dit gebied samen met twee vertegenwoordigers van het platform van Oegandese ngo’s (NGO Forum).
Herinnert u zich uw antwoord op de hierboven genoemde vragen waarin u aangaf dat «de dialoog over het wetsvoorstel wordt gevoerd in EU-verband. De overige JLOS donoren (Justice, Law and Order Sector) zijn lidstaten van de EU en hebben dezelfde zorgen als Nederland»? Kunt u aangeven hoe deze dialoog in EU-verband sindsdien verlopen is? Bent u bereid te pleiten voor maatregelen, in reactie op bovengenoemde ontwikkelingen, bijvoorbeeld tegen de negatieve gevolgen van de NGO Bill voor de gemeenschap van Lesbische, Homo-, Biseksuelen en Transgenders (LHBT)?
Tijdens de consultaties met het maatschappelijk middenveld over de ngo wet kwam de EU met een schriftelijke verklaring over het wetsvoorstel. De EU kaartte het belang aan van een transparant registratieproces voor ngo» s, met aandacht voor een competente en eerlijke rechtsgang tijdens het registratieproces. Daarnaast kon de wet beter erkennen dat de grote meerderheid van de ngo» s in Uganda waardevol werk levert. De Ugandese parlementaire adviescommissie, belast met deze consultaties, verwerkte de zorgpunten van de EU in een advies. Het wetsvoorstel onderkent in lijn met dit advies expliciet dat het werk van ngo» s verder reikt dan alleen het leveren van diensten. Het maatschappelijk middenveld in Uganda ziet het proces dat heeft geleid tot deze wet als een goed voorbeeld van een effectieve en constructieve beleidsdialoog. Op dit moment is er geen aanleiding om te pleiten voor maatregelen.
Bent u bereid additionele steun te verlenen aan de Oegandese LHBT-gemeenschap, bijvoorbeeld voor beveiligingsmaatregelen?
Nederland ondersteunt actief de LHBT gemeenschap in Oeganda. In het door HIVOS en Rutgers uitgevoerde programma «Right here, right now» staat de LHBT-gemeenschap centraal. Verder nemen alle door Nederland gefinancierde projecten op het gebied van Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) aandacht voor de LHBT gemeenschap integraal op in de projectactiviteiten. Ook organiseerde de Nederlandse ambassade afgelopen maand als enige buitenlandse missie een evenement in samenwerking met de LHBT gemeenschap ter gelegenheid van de International Day Against Homophobia, Transphobia and Biphobia (IDAHOT). Indien additionele steun voor kwetsbare groepen, zoals de LHBT gemeenschap, noodzakelijk blijkt dan zal Nederland dit overwegen.
Het bericht 'hotelkamers in Nederland vaak vies' |
|
Pieter Heerma (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van de Consumentenbond waaruit blijkt dat hotelkamers in Nederland vaak vies zijn?1
Ja.
Ziet u een verband tussen de uitzending van Rambam2 waarin naar voren komt dat medewerkers uit de hotelbranche zwaar onderbetaald krijgen door middel van stukloon en de constatering van de Consumentenbond dat hotelkamers in Nederland vaak vies zijn?
De Consumentenbond heeft onderzoek gedaan naar 30 kamers in 22 steden. De Consumentenbond heeft geconstateerd dat van 30 onderzochte kamers 18 niet goed schoon waren en dat vier kamers vies te noemen waren. Of er een verband is tussen enerzijds misstanden in de uitbetaling van schoonmakers en anderzijds kamers die niet hygiënisch zijn, is mij niet bekend.
Zoals de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangaf in zijn antwoorden op eerdere Kamervragen (Aanhangsel Handelingen II 2015/2016, nr. 2354) heeft de schoonmaak sinds een aantal jaar extra aandacht van de Inspectie SZW. De schoonmaak van hotels is daarbij een prioriteit. De inspectie houdt toezicht op de arbeidswetgeving waaronder het wettelijk verplichte minimumloon. Ook in 2016 heeft de schoonmaak van hotels de aanhoudende aandacht van de Inspectie SZW.
Kunt u aangeven of er een overeenstemming zit tussen de 18 hotels die volgens de Consumentenbond niet schoon waren en de 16 hotels waarbij de Inspectie SZW in 2015 een overtreding heeft geconstateerd met betrekking tot de schoonmaak in de hotelbranche?
Ik doe geen uitspraken over individuele gevallen van onderzoeken. Sinds 1 januari 2016 maakt de Inspectie SZW inspectieresultaten op gebied van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV), de Wet minimumloon (WML) en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) openbaar. De inspectieresultaten worden openbaar gemaakt op de website https://www.inspectieresultatenszw.nl/.
Kunt u aangeven aan welke criteria hotels moeten voldoen qua hygiëne en wat de gevolgen zijn indien hotels zich hier niet aan houden?
Er bestaan geen wettelijke criteria ten aanzien van schoonmaak waar een hotel aan moet voldoen. Wel zijn er wettelijke voorschriften over de hygiëne van levensmiddelen, gebaseerd op Europese wetgeving. De Hazard Analysis Critical Control Points (HACCP) principes zijn van toepasing. De NVWA ziet toe op de naleving hiervan.
Kunt u aangeven wat de meest recente cijfers zijn betreft hygiëne van hotels met één of twee sterren? Kunt u aangeven of het aantal sterren van een hotel in de praktijk gelijk staat aan de mate van hygiëne? Bent u bereid hier onderzoek naar te doen indien deze cijfers niet bekend zijn?
Er zijn geen cijfers bekend over de hygiëne van hotels. De sterrenclassificatie is niet gereguleerd door de overheid. Het aantal sterren van een hotel heeft betrekking op faciliteiten en comfort, niet op hygiëne. Het ligt niet voor de hand dat de overheid hier onderzoek naar laat doen. Het is aan de markt om te voldoen aan de wensen van de klant. De overheid heeft een rol wanneer door een gebrek aan hygiëne de volksgezondheid of veiligheid in het geding is. Hierop wordt toegezien door de NVWA en de gemeenten.
Beoordelingssites kunnen een wezenlijke rol spelen in de transparantie over hygiëne; Gasten kunnen hierop hun oordeel over de hygiëne kenbaar maken. Consumenten kunnen op basis van deze informatie een afweging maken in de keuze voor een hotel.
Is er volgens u een trend waarneembaar dat hoteleigenaren bezuinigen op schoonmaakkosten van de hotels?
Ik heb er geen zicht op of een trend waarneembaar is dat hoteleigenaren bezuinigen op schoonmaakkosten van hotels.
Op welke wijze zou er volgens u verbetering moeten komen in de hygiëne van Nederlandse hotels? In hoeverre ziet u hier ook een rol weggelegd voor de beoordelingswebsites?
Zie antwoord vraag 5.
De indirecte Nederlandse steun aan de Boycot, Desinvesteringen en Sancties (BDS)-beweging |
|
Han ten Broeke (VVD), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat NGO’s (non-gouvernementele organisaties) die gesteund worden met Nederlands belastinggeld vervolgens andere NGO’s steunen met een uitgesproken BDS-agenda? Zo ja, hoe verhoudt deze steun zich tot de subsidiecriteria voor organisaties werkzaam in Israël en de Palestijnse gebieden?
Het kabinet financiert geen BDS-activiteiten tegen Israël en ondersteunt de internationaal georganiseerde oproep van de beweging niet. Het kabinet is tegenstander van een boycot van Israël en streeft naar versterking van de bilaterale economische betrekkingen met dit land binnen de grenzen van 1967. Het kabinet is voorstander van een onderhandelde twee-statenoplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict.
De beweging die oproept tot «Boycott, Divestment and Sanctions» (BDS-beweging) wordt door een groot aantal NGO’s ondersteund. Het feit dat zij dat doen is voor het kabinet geen afwijzingscriterium voor financiering, aangezien uitlatingen of bijeenkomsten van de beweging worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, zoals onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het kabinet is niet bekend met de genoemde uitspraak zonder bronvermelding die aan het Mensenrechtensecretariaat wordt toegeschreven. Het kabinet verwijst naar de antwoorden van 17 mei jl. op Kamervragen over Nederlandse subsidies aan de Israëlische NGO Breaking the Silence (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2573), waarin de voorwaarden en waarborgen worden uiteengezet bij financiering van organisaties door het secretariaat. Bij de beoordeling van financieringsaanvragen wordt gekeken of financiering van het donorconsortium niet gebruikt wordt voor activiteiten die in strijd zijn met internationaal recht. Ontvangers van financiering mogen zich niet schuldig maken aan discriminatie of aanzetten tot haat en/of geweld. Indien geconstateerd zou worden dat er sprake is van schending van de subsidievoorwaarden door een organisatie kunnen maatregelen worden getroffen, waaronder de mogelijkheid de bijdrage op te schorten of te beëindigen.
Acht u het wenselijk dat Nederlands belastinggeld indirect een bijdrage levert aan het bevorderen van de BDS-agenda? Deelt u de mening dat de BDS-agenda haaks staat op de Nederlandse beleid ten aanzien van Israël en de Palestijnse gebieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich nog uw antwoorden op eerder gestelde vragen waarin u stelt dat de organisatie Human Rights and Humanitarian Law International Secretariat, gesteund door onder meer Nederland, «een zorgvuldige selectieprocedure hanteert» en dat betrokken organisaties «zich dienen te houden aan de strenge voorwaarden die het secretariaat stelt»?1 Is het waar dat deze organisatie Israël omschrijft als een «racistisch regime» en juridische acties tegen Israël ondersteunt en aanmoedigt? Klopt het tevens dat deze organisatie andere organisaties, zoals Badil, financieel ondersteunt terwijl deze organisaties een uitgesproken BDS-agenda propageren? Kunt u aangeven hoe dergelijke uitlatingen zich verhouden met een zorgvuldige selectieprocedures en strenge voorwaarden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een overzicht verschaffen van de NGO’s die door Nederland gesteund worden en indirect of direct een bijdrage leveren aan de BDS-agenda?
Het kabinet stelt zeker dat het geen BDS-activiteiten tegen Israël financiert. Voor het overige houdt het kabinet geen overzicht bij van organisaties die al dan niet BDS onderschrijven, aangezien dit onder de vrijheid van meningsuiting valt, zoals aangegeven in het antwoord op vragen 1–3.
De vernietiging van Palestijnse waterbronnen door Israël |
|
Harry van Bommel (SP), Raymond Knops (CDA), Rik Grashoff (GL), Michiel Servaes (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Palestine PMO: Israel’s destruction of Palestinian water infrastructure is atrocious»?1
Het betreft stop-work orders voor cisternen bij Kusra, waarmee Palestijnse boeren regenwater opvangen voor irrigatie van hun landbouwgrond in het droge seizoen.
De omgeving van Kusra is een gevoelig gebied, vanwege de nabijheid van nederzettingen. In de afgelopen jaren is het regelmatig onrustig geweest door aanvaringen tussen kolonisten en Palestijnse bewoners en door interventies van het Israëlische leger. In deze situatie probeert Nederland voor kwetsbare groepen op de Westelijke Jordaanoever economische ontwikkeling op gang te brengen. Dit gaat soms gepaard met risico’s, waarvan de recente Israëlische stop-work-orders een voorbeeld zijn.
Israël heeft als bezettende mogendheid op basis van het bezettingsrecht specifieke verplichtingen jegens de Palestijnse bevolking. Israël is onder meer verplicht zo min mogelijk in te grijpen in het openbare leven.
Nederland en de EU dringen bij Israël aan op transformatieve stappen waaronder het ontwikkelen van Area C ten behoeve van de Palestijnse bevolking. Het verbieden van de aanleg van cisternen staat daar haaks op.
Klopt het dat Israël voornemens is om waterbronnen in het dorp Kusra te vernietigen? Zo ja, hoe beoordeelt u dat?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat deze waterbronnen zijn gebouwd met behulp van financiële steun vanuit Nederland? Zo ja, kunt u aangeven om hoeveel geld het gaat?
De cisternen zijn inderdaad gebouwd met Nederlandse financiering, via het «Land and Water Resource Management». De eigenaren hebben protest aangetekend tegen deze orders. Dit betekent dat er een juridische procedure wordt gestart die vaak lange tijd kan duren. In de praktijk kunnen de eigenaren over het algemeen blijven werken op hun land en gebruik blijven maken van de voorzieningen. De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah heeft de dialoog met de verantwoordelijke Israëlische militaire autoriteiten over het «Land and Water Resource Management» geïntensiveerd, teneinde dergelijke stop-work orders en slooporders te voorkomen. In dit kader heeft de Vertegenwoordiging protest aangetekend tegen de laatste stop-work-orders en zal het de juridische ontwikkelingen zeer actief blijven volgen. Er is nog geen sprake van vernietiging, dus schadevergoeding is in dit stadium niet aan de orde.
Bent u bereid na te gaan of u de schade kunt verhalen op de Israëlische autoriteiten en het Nederlandse geld kunt terug claimen indien de waterbronnen inderdaad worden vernietigd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het plenair debat naar aanleiding van het verslag van het Algemeen overleg (VAO) Midden-Oosten Vredespolitiek plaatsvindt?
Ja.
Sport en bewegen voor cliënten in de opvang |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre acht u sport- en beweegmogelijkheden voor cliënten in de opvang van belang? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind sport- en beweegmogelijkheden voor kwetsbare groepen belangrijk. Het programma Sport en bewegen in de buurt is voor iedereen in Nederland. Ook voor cliënten van de maatschappelijke opvang. Specifiek voor deze doelgroep is financiering beschikbaar gesteld voor twee langdurige projecten van de Federatie Opvang die expliciet beogen sporten en bewegen voor cliënten in de maatschappelijke opvang onderdeel te laten zijn van het opvangtraject. Het tweede project loopt nog tot december 2016. In het antwoord op vraag 3 beschrijf ik de geboekte resultaten.
Daarnaast heb ik voor verschillende kwetsbare doelgroepen middelen beschikbaar gesteld:
Ook voor vluchtelingen in COA locaties levert sport en bewegen een positieve bijdrage. Er zijn verschillende goede initiatieven door onder andere COA gestart om sporten en bewegen in COA locaties mogelijk te maken. Zo heeft COA op elke locatie een beweegcoach aangesteld. NOC*NSF is in samenwerking met gemeenten, COA en Vluchtelingenwerk aan het onderzoeken hoe vluchtelingen beter begeleid kunnen worden naar de sportvereniging. Dit kan zijn om daar zelf actief te sporten, maar ook om vrijwilligerswerk te doen binnen de sportvereniging.
Vanuit het beleid van VWS kan het programma Sport en bewegen in de buurt voor deze doelgroep worden ingezet. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de gemeente Amersfoort waar buurtsportcoaches activiteiten organiseren voor vluchtelingen. Gemeenten bepalen echter zelf of zij de buurtsportcoach hiervoor inzetten, dit op basis van de behoefte in de gemeente.
Wat zijn uw inspanningen en geboekte resultaten voor beweegmogelijkheden voor de meest kwetsbaren, specifiek voor cliënten in de opvang? In hoeverre vindt u voldoende beweegmogelijkheden voor kwetsbare groepen in bijvoorbeeld COA-locaties (COA= Centraal Orgaan opvang asielzoekers) van even groot belang als beweegmogelijkheden voor mensen in de opvang? Op welke wijze draagt u dat uit met uw beleid en financiering van initiatieven? Hoe zorgt u voor voldoende beweegmogelijkheden voor kwetsbare groepen in maatschappelijke opvanglocaties?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre bent u tevreden over de resultaten die het programma Meedoen tot dusver heeft bereikt voor sport- en beweegmogelijkheden in de opvang?1
Van 2010 tot en met 2013 heeft het programma Meedoen! Sport en Bewegen plaatsgevonden. Dit programma kende verschillende resultaten. Er heeft deskundigheidsbevordering van professionals in de opvang plaatsgevonden op het gebied van sport en begeleiding, er is op basis van vijf pilots een digitale toolkit ontwikkeld met materialen die als handvat kunnen dienen voor het inzetten van sport en bewegen voor cliënten in de opvang. Naast lokale activiteiten zijn ook drie grote landelijke evenementen georganiseerd in 2010, 2011 en 2012 met sporttoernooien en -clinics.
Het succes van dit eerste programma heeft geleid tot het nieuwe programma Meedoen in beweging 2013–2016. Dit programma loopt nog tot eind 2016. Een aantal belangrijke resultaten binnen dit programma zijn al behaald. Er is voor professionals een module meedoen ontwikkeld gericht op activering en participatie in combinatie met sport, met als doel dit element nog meer te borgen in de begeleiding van cliënten in de opvang. Tevens zijn twee best practices aangaande participatie, gezonde leefstijl en zingeving en participatie en zingeving beschreven. Ten slotte is ook in dit programma tot nu toe drie keer de succesvolle landelijke Meedoen-dag georganiseerd, waarin 1000 deelnemers uit het hele land actief met sport, bewegen en creatieve activiteiten aan de slag gaan. Dit zijn resultaten waar ik zeer tevreden over ben. Er is zichtbaar meer aandacht voor het activeren en laten deelnemen van cliënten uit de opvang aan het gewone dagelijks leven, door middel van sport.
Bent u bereid om het programma Meedoen ook de komende jaren te continueren? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat sport en bewegen in de opvang voldoende is ingebed in het begeleidingsaanbod om geboekte resultaten van Meedoen te behouden en uit te bouwen?
Zoals beschreven in het antwoord op de vragen twee en drie zijn twee langdurige trajecten gefinancierd die gericht waren op het inbedden van sporten en bewegen in de maatschappelijke opvang. De beoogde resultaten van deze projecten zijn of zullen volgens een recente verlengingsaanvraag van Federatie Opvang nog worden behaald. Er is kennis beschikbaar gesteld door middel van onder andere opleidingsmodules, trainingen en toolkits en relevante netwerken zijn opgebouwd. Hiermee is een impuls gegeven aan kennis en aandacht voor (onder andere) sporten binnen de sector maatschappelijke opvang. Het is nu aan gemeenten en instellingen om deze kennis en de opgebouwde netwerken te blijven benutten. Tevens kan het programma Sport en bewegen in de buurt mogelijkheden bieden voor cliënten in de maatschappelijk opvang. Zoals toegezegd in het AO sport van 30 juni jongstleden heb ik op uw verzoek gesproken met de Staatssecretaris om te bezien of sport en bewegen is ingebed. Hieruit volgt dat wij met de Federatie Opvang in overleg zullen gaan over slimme samenwerking en relevante initiatieven die behulpzaam kunnen zijn om deze resultaten vast te houden. Het reeds gevoerde gesprek in dit kader, zal op korte termijn worden voortgezet.
De stand van zaken in de jeugdhulp |
|
Nine Kooiman |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de conclusies van het rapport van de samenwerkende inspecties naar aanleiding van de calamiteit in Rotterdam begin 2015?1
De samenwerkende inspecties constateren in het rapport dat de betrokken organisaties in Rotterdam geen passende zorg en ondersteuning hebben geleverd en niet goed hebben samen gewerkt om de kinderen in het gezin een veilige ontwikkeling te bieden. Deze vreselijk tragische gebeurtenis in Rotterdam laat eens te meer zien dat er goed oog moet zijn voor de veiligheid van kinderen in kwetsbare gezinnen.
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat zij van de betreffende situatie wil leren en is samen met de professionals en de betrokken organisaties een traject gestart om verbetermaatregelen door te voeren. De samenwerkende inspecties zullen dit proces nauwlettend volgen.
Op mijn verzoek laat ik onderzoeken op welke wijze de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en de werkwijze van Veilig Thuis verbeterd kunnen worden om kindermishandeling en huiselijk geweld vroegtijdig te signaleren en te beëindigen. Oog voor veiligheid van kinderen is hierin een belangrijk onderdeel. Ik zal u hierover informeren in de Voortgangsrapportage Geweld in afhankelijkheidsrelaties die tijdig voor het geplande Algemeen Overleg op 15 september aan uw Kamer zal worden gezonden.
Acht u de inzet van niet gediplomeerde hulpverleners (studenten), zoals in Rotterdam gebeurd, een wenselijke invulling van de ruimte die er in de wettelijke kaders hiervoor is gelaten? Bent u bereid om in multi-probleem gezinnen enkel gediplomeerde hulpverleners in te zetten?2
Er zijn meerdere professionals en organisaties die dit gezin hebben ondersteund of begeleid in de afgelopen jaren. Vanaf maart 2014 tot januari 2015 heeft met name Bureau Frontlijn hulp geboden. Vanuit dit bureau is het gezin begeleid door een vaste medewerker in dienst van Bureau Frontlijn. Deze medewerker volgt daarnaast een studie. Dit feit speelt geen rol in het onderzoeksrapport van de gezamenlijk inspecties «Borgen van veiligheid in kwetsbare gezinnen, Casuïstiek Rotterdam uit 2016», bij de beoordeling van het handelen van deze medewerker.
De hulp van Bureau Frontlijn was gericht op het coachen en ondersteunen van gezinnen in achterstandssituaties. In dit gezin richtte de hulpverlening zich in eerste aanleg vooral op het aanpakken van de financiële problematiek en het voorkomen van een dreigende huisuitzetting en daarmee bood het geen jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet.
Het verlenen van hulp aan multi-probleemgezinnen vereist veel inzet en deskundigheid van de betrokken medewerkers. Het is daarom belangrijk dat er gewerkt wordt met (of onder verantwoordelijkheid) van gekwalificeerde professionals. De Jeugdwet verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om verantwoorde hulp te leveren; dat is in ieder geval hulp die van een goed niveau is (veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht) en is afgestemd op de reële behoefte van jeugdigen en ouders. Op grond van de Jeugdwet is ook de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing. Werken volgens die norm houdt in dat de juiste en gekwalificeerde professionals worden ingezet. Gemeenten hebben een taak om een kwalitatief toereikend aanbod van jeugdhulp in te kopen.
Wat is uw reactie op de dreigende opnamestop voor crisisopvang?3
Een eventuele opnamestop voor Rotterdamse cliënten van de jeugdhulpaanbieder Horizon is een zaak van deze aanbieder en de gemeente Rotterdam. Eerder hebben mij signalen bereikt van onder meer GGZ Nederland over toenemend beroep op de crisisopvang. In het kader van de benchmark beleidsinformatie jeugd hebben GGZNL en Jeugdzorg Nederland een nader onderzoek voorgesteld, dat onlangs van start is gegaan. Dit nader onderzoek bij vier vergelijkbare gemeenten naar achtergronden voor verschillend gebruik van de crisisopvang, zal nog vóór de publicatie van de halfjaarcijfers jeugdhulpgebruik 2016 op 30 oktober van dit jaar worden gepubliceerd. Gemeenten kunnen overigens zelf ook onderzoek doen met behulp van de benchmarkcijfers, om te bezien of zij meer of minder worden geconfronteerd met crisisplaatsingen en wat daarvoor de mogelijke achterliggende oorzaken kunnen zijn.
Onderschrijft u de analyse van de verschillende jeugdhulpinstellingen met betrekking tot de oorzaak van de toegenomen aanmeldingen voor acute crisiszorg, te weten het te lang in «eigen beheer» houden van jongeren en te laat doorverwijzen?
In het hierboven genoemde nader onderzoek naar achtergronden voor verschillende gebruik van de crisisopvang wordt ook hiernaar onderzoek gedaan.
Ziet u een relatie tussen de overhaast doorgevoerde transitie en de enorme bezuinigingen die u op de jeugdhulpsector heeft afgewenteld en het gebrekkig functioneren van de wijkteams in het algemeen, en de in het inspectierapport beschreven wijkteams in het bijzonder? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de werkwijze van de wijkteams verbeterd? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Gemiddeld wordt het macrobudget Jeugdhulp de periode 2015–2017 met 4% gekort, waarbij het aantal jeugdigen per jaar met 1% daalt. Het doel van de jeugdwet is het investeren in het voorveld om zo het beroep op zwaardere vormen van hulp te verminderen. Het functioneren van wijkteams komt terug in het herhaald nader onderzoek naar de toegang jeugdhulp dat na de publicatie jaarcijfers beleidsinformatie op 30 oktober 2016 van start gaat. Verder ondersteun ik de ontwikkeling van wijkteams met het Nji programma Samenwerken in de Wijk. Hier bevindt zich kennis en een toolbox voor gemeenten en professionals. Zie: http://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Samenwerken-in-de-wijk
Hoe gaat u garanderen dat het tekort aan crisisopvangplekken, waar jeugdhulporganisatie Yulius voor vreest, niet zal plaatsvinden?
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u per crisisopvangorganisatie inzichtelijk maken wat de wachtlijst op dit moment is, wat de (over)bezetting op dit moment is en wat de prognoses voor zowel de wachtlijst als de (over)bezetting voor de rest van dit jaar zijn? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken en de resultaten van dit onderzoek aan de Kamer te sturen? Zo nee, hoe gaat u er dan voor zorgen dat het kind en de veiligheid ervan centraal blijven staan, en dat wat het kind en het gezin nodig hebben om deze veiligheid blijvend te garanderen?
Het is aan gemeenten om voldoende aanbod in te kopen en de gemeenteraad om hierop toe te zien. In een gedecentraliseerd systeem, met verschillende vormen van toewijzing, organisatie van de toegang, registratie van het moment waarop de hulp start, en uiteenlopende definities van hulpvormen, is het landelijk uniform bijhouden van wachttijden niet mogelijk.
Daarnaast is de onderliggende praktijk divers en de oplossing voor het beperken van wachttijden verschilt dan ook sterk per regio of gemeente.
Wat wel kan is dat instellingen hun wachttijden voor diverse vormen van hulp op hun websites kenbaar maken. Cliënten weten dan waar ze aan toe zijn en gemeenten kunnen deze informatie gebruiken bij de inkoop van Jeugdhulp.
Wat hierbij helpt is het ontwikkelen van Treeknormen voor verantwoord wachten. Dit zijn streefnormen die in de curatieve zorg zijn ontwikkeld door aanbieders en financiers. Ik heb uw Kamer in het debat over wachttijden in de jeugdpsychiatrie van 15 juni jl. toegezegd aanbieders en financiers in de gelegenheid te stellen deze Treeknormen voor jeugdhulp op te stellen voor 1 januari 2017.
Bent u bereid om wachtlijstinformatie toe te voegen aan de landelijke monitor jeugdhulpgebruik? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Is het toevoegen van wachtlijstinformatie als onderdeel van de landelijke monitor jeugdhulpgebruik niet gewoon de simpelste manier om «tien vingers aan de pols te houden» als het gaat om inzicht in de oplopende wachttijden en voor het verkrijgen van signalen waar de jeugdhulp mogelijk spaak loopt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u het voorstel van de heer Du Prie, om budget dat bedoeld is voor instellingen die in financiële problemen komen beschikbaar te stellen aan gemeenten en instellingen die aantonen dat ze het probleem te lijf gaan, een goed idee? Zo ja, wanneer gaat u de Kamer over de voortgang hiervan informeren? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u dan het probleem met de oplopende wachtlijsten voor acute crisiszorg oplossen?
Op grond van de Beleidsregels subsidieverstrekking bijzondere transitiekosten Jeugdwet kan aan een jeugdhulporganisatie subsidie worden verstrekt ten behoeve van onvermijdbare kosten die een organisatie moet maken voor de afbouw van langdurige verplichtingen die de organisatie vóór 1 januari 2014 is aangegaan ten behoeve van een voorziening die door gemeenten op grond van de Jeugdwet niet of in mindere mate bekostigd wordt. De Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) brengt adviezen uit over de aanvragen die gedaan worden in het kader van deze subsidieregeling. Een van de punten waar de TAJ op toetst in haar advisering is of de instelling bedrijfseconomisch en zorginhoudelijk duurzaam levensvatbaar is. Hierbij wordt ook gekeken of de voorzieningen die door de betreffende jeugdhulporganisatie geleverd worden, kostendekkend zijn en of er in voldoende mate vraag is naar de betreffende hulpvormen.
Ten aanzien van crisishulp wijs ik er op dat de gemeenten op grond van de Jeugdwet, de plicht hebben om voor passende en tijdige hulp te zorgen. Voor wat betreft wachttijden en wachtlijsten verwijs ik naar het antwoord op de vragen 7, 8 en 9.