Het bericht ‘Grote commotie over in Rijswijk verspreid Turks pamflet tegen de PKK’ |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote commotie over in Rijswijk verspreid Turks pamflet tegen de PKK»?1
Ja.
Is bij u bekend wie dit pamflet heeft opgesteld en verspreid onder huishoudens in onder andere Rijswijk, Delft en Rotterdam?
De opsteller van het pamflet lijkt een in Turkije relatief bekende publicist te zijn.
Heeft u ook vernomen dat hetzelfde pamflet in Antwerpen is rondgedeeld en dat de Belgische politie een onderzoek heeft ingesteld? Bent u voornemens hierover in gesprek te gaan met uw Belgische collega?
Er is via de Belgische media vernomen dat de pamfletten in Antwerpen zijn verspreid en dat de Belgische politie een onderzoek is gestart. Ik zie geen noodzaak om hierover in gesprek te gaan met mijn Belgische collega gezien er geen sprake is van strafrechtelijk gedrag. Dit zal verder worden uitgelicht bij vraag 6.
Is bekend met welke binnenlandse en/of buitenlandse middelen dit pamflet is gefinancierd? Zo ja, ziet u aanleiding om hier verdere stappen op te ondernemen? Zo nee, bent u voornemens dit te onderzoeken?
Ik begrijp het ongemak bij een groot deel van de ontvangers van deze pamfletten. Er zijn momenteel echter geen signalen dat hier sprake is van inmenging van een statelijke actor, het gaat hier om een soloactie van een Turkse publicist. Als kabinet zijn we daar uiteraard wel alert op. De Minister van J&V heeft de Tweede Kamer afgelopen vrijdag al geïnformeerd over de omgang met OBI.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat Turkse propaganda hier van deur tot deur wordt verspreid? Bent u daarnaast van mening dat Nederland niet de plek is voor politieke campagnes uit andere landen? Wordt bezien of er stappen genomen kunnen worden om dit tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u aanleiding om onderzoek te doen naar de inhoud van het pamflet? In hoeverre bevat dit pamflet strafbare uitingen? Als die er zijn, welke acties worden daar dan op ondernomen?
Ik begrijp het ongemak bij een groot deel van de ontvangers van deze pamfletten. Echter, in de Nederlandse rechtsstaat is de vrijheid van meningsuiting één van de belangrijkste vrijheden. Dit betekent dat ook meningen en politieke standpunten die op weinig steun kunnen rekenen of tot gevoelens van ongenoegen leiden, de ruimte dienen te krijgen. Deze vrijheid van meningsuiting is echter niet ongelimiteerd en mag nooit uitmonden in het plegen van strafbare feiten.
Bij een eerste lezing van het pamflet vallen volgens het Openbaar Ministerie niet direct passages op die een redelijk vermoeden aan het gepleegd zijn van een strafbaar feit doet ontstaan. Ik zie derhalve op dit moment geen aanleiding onderzoek te doen naar de inhoud van het pamflet. Indien mensen van oordeel zijn dat er sprake is van strafbare uitingen, dan kunnen zij onder concrete vermelding van de strafbaar geachte uitingen, aangifte doen.
Heeft u redenen om aan te nemen dat de verspreiding van dit pamflet tot een extra risico kan leiden voor het ontstaan van ongeregeldheden tussen Turken en Koerden in Nederland? Zo ja, hoe wordt hierop geanticipeerd? Ziet u ook breder mogelijkheden om te voorkomen dat Turkse spanningen naar Nederland worden geïmporteerd?
De publicist van dit pamflet lijkt op weinig steun te kunnen rekenen van de Turks-Nederlandse gemeenschap.
Ik richt mij dan ook vooral op het voorkomen van het doorwerken van spanningen die samenhangen met het optreden van Turkije in Noord-Syrië in de Nederlandse samenleving. Hierbij staat voorop dat iedereen die hier woont de regels van de Nederlandse rechtstaat hanteert. Dat betekent dat we met elkaar in gesprek gaan en onze zorgen kunnen uiten over internationale conflicten, zonder dat dit hier tot spanningen leidt.
Het bericht ‘Flixbus wil met camera’s drugssmokkel bestrijden’ |
|
Kees Verhoeven (D66), Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Flixbus wil met camera’s drugssmokkel bestrijden»?1
Ja.
Hoe duidt u het feit dat Flixbus overgaat tot het invoeren van cameratoezicht in de bagageruimte, niet zozeer door het risico op drugssmokkel zelf maar door de gevolgen van politiecontroles?
Naar aanleiding van het artikel is er contact geweest tussen de politie en de directie van FlixBus Benelux. De signalen uit het artikel over vertraging die de bussen zouden oplopen door politiecontroles blijken betrekking te hebben op de situatie in Duitsland en zijn niet van toepassing op de Nederlandse situatie. Ook is de samenwerking tussen de Nederlandse Politie, KMar en private bedrijven als Flixbus goed te noemen.
In Nederland zijn er vanaf 2014 in totaal 94 acties gehouden die alle in relatie staan tot internationaal busvervoer. Op dit moment wordt gewerkt met politiemedewerkers in burgerkleding die op de opstapplaatsen afwijkend gedrag signaleren en op basis hiervan een controle starten op de reizigers die afwijkend gedrag vertonen. Hiermee is de overlast beperkt en wordt een bus waar geen extra indicatie op is niet gecontroleerd.
Op welke wettelijke grond vinden dergelijke politiecontroles op passagiers en hun bagage in de bussen plaats? Is hier sprake van stelselmatige controle? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre acht u dergelijke politiecontroles in overeenstemming met het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie (EU) en het Schengenverdrag?
Politie en Koninklijke Marechaussee voeren geen grenscontroles uit bij het verkeer aan de binnengrenzen met gemeenschappelijke Schengenlanden.
Samen met de Belgische politie zijn onder het Benelux verdrag controles uitgevoerd op internationaal busvervoer. Daarnaast wordt kennis en ervaring gedeeld. De samenwerking met Duitsland krijgt inmiddels vorm. Binnenkort zal daartoe in aanwezigheid van onder meer de Europese directie van Flixbus samenwerkingsafspraken worden gemaakt tussen de Duitse en Nederlandse politie.
Nederland verkent de mogelijkheid om implementatie van de PNR-richtlijn naar andere vervoersmodaliteiten uit te breiden, zoals internationale hogesnelheidstreinen en internationaal busverkeer. Nederland verricht samen met Frankrijk, België en het Verenigd Koninkrijk binnen de HST-Taskforce een gezamenlijk impactanalyse voor het gebruik van passagiersgegevens van internationale hogesnelheidstreinen (Thalys en Eurostar). Het gaat om een verkennend onderzoek waarin de impact op de HST-sector (High Speed Train) wordt onderzocht, zodat met de invoering van de maatregelen de vervoerder en de reiziger zoveel mogelijk ontzien worden. Deze Taskforce is in eerste instantie gericht op hogesnelheidstreinen. In het verlengde hiervan wordt informeel ook gesproken over de mogelijkheid voor het gebruik van passagiersinformatie van internationaal busverkeer. Hiervoor zijn verkennende gesprekken gevoerd met Flixbus. Het gebruik van passagiersinformatie, waaronder PNR, belemmert het vrij verkeer niet. Er zullen geen grenscontroles mee worden uitgevoerd.
Is het waar dat gedurende politiecontroles op buslijnen van Flixbus slechts 0,17% van de passagiers verdacht wordt van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre acht u de politiecontroles effectief en doeltreffend? Zo nee, wat zijn de werkelijke resultaten van de controles?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat dergelijke controle op bagage in de praktijk een verkapte vorm van binnengrenscontroles is? Waarom wel of waarom niet? Welke afspraken zijn hier door Nederland met andere lidstaten, specifiek met onze buurlanden Duitsland en België, gemaakt?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten op welke schaal politie en/of Koninklijke Marechaussee wordt ingezet om dergelijke controles van buspassagiers en hun bagage uit te voeren?
Zie antwoord op de vragen 2 en 3.
Kunt u toelichten op welke juridische gronden Flixbus opereert met dergelijk cameratoezicht? Wat zijn de voorschriften voor wat betreft reikwijdte, bewaartermijn en opslag van de camerabeelden?
Het gaat hier niet om politietoezicht, maar om cameratoezicht door Flixbus ter bescherming van privéeigendommen van de vervoerder en de reizigers. De overheid heeft hier geen rol in. De directie van Flixbus dient zich bij de toepassing van dit cameratoezicht te houden aan het regime van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Hoe duidt u de verscherpte incheckprocedure voor reizigers van Flixbus? In hoeverre acht u deze procedure in overeenstemming met het vrij verkeer van personen binnen de EU en het Schengenverdrag?
De verscherpte incheckprocedure is onderdeel van een pilot in Duitsland, de Nederlandse Politie is daarbij niet betrokken.
Heeft u zicht op de aard en omvang van drugssmokkel van en naar Nederland via grensoverschrijdend bus vervoer? Zo ja, kunt u cijfers hieromtrent aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb hierover geen gegevens.
De politie-inval bij de Eurogroep-voorzitter |
|
Renske Leijten |
|
Halbe Zijlstra (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Kent u het bericht «Politie-inval bij Eurogroep-voorzitter Centeno»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe bij het kiezen van de voorzitter van de Eurogroep is gekeken naar integriteit?
De Eurogroep-voorzitter is gekozen uit de groep zittende ministers van financiën van EU-lidstaten. Om kans te maken op deze positie moet een kandidaat beschikken over de kwalificaties op basis waarvan de Eurogroep het vertrouwen heeft dat de kandidaat een goede voorzitter kan zijn van de Eurogroep. Hierbij wordt gekeken naar geschiktheid en merites van kandidaten. Vanzelfsprekend is integriteit een cruciaal onderdeel van de geschiktheid van een kandidaat.
Erkent u dat het schadelijk is voor het aanzien van de politiek als een politicus gunsten aanneemt?
Voor iedere Minister, zo ook voor de Eurogroep-voorzitter, is integriteit en vertrouwen van groot belang. Ook bij het aannemen van gunsten is het belangrijk dat politici integer handelen. In Nederland gelden hiertoe strikte gedragsregels.
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat een belangrijk EU-bestuurder verdacht wordt van koehandel? Zijn er meer kwesties in het verleden van Centeno die wijzen op integriteitsschendingen?
Het onderzoek van de Portugese autoriteiten naar de integriteit van de voorzitter van de Eurogroep is afgerond. In een verklaring van de Portugese openbaar aanklagers wordt gesteld dat uit het onderzoek is gebleken dat Centeno zich niet schuldig heeft gemaakt aan integriteitsschendingen. Daarnaast is Centeno nooit formeel in verdenking gesteld door het Portugese Openbaar Ministerie.
Kan de voorzitter van de Eurogroep in functie blijven zolang het onderzoek loopt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
De herregistratie in het BIG-register voor profielartsen |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat profielartsen zich apart moeten herregistreren in het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg), dit in tegenstelling tot andere specialisten (waarbij de herregistratie in het BIG-register automatisch gekoppeld is aan de herregistratie als specialist)? Bent u bekend met het feit dat profielartsen hiervoor ook nog een extra gewaarmerkt bewijs aan moeten vragen bij het Register Medisch Specialismen?
Ja. Het beroep van profielarts is geen wettelijk erkend specialisme (niet gereguleerd in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)). Een voorbeeld van een wettelijk erkend specialisme is cardiologie. Een voorbeeld van een profiel is forensische geneeskunde.
Profielartsen dienen zich net als alle andere zorgverleners1 vijfjaarlijks te herregistreren in het BIG-register door middel van het indienen van een aanvraag voor herregistratie. Herregistratie is mogelijk op basis van werkervaring, dan wel op basis van scholing. Voor elf van de twaalf profielen geldt dat zij hun aanvraag tot herregistratie op basis van werkervaring kunnen onderbouwen met een bewijs dat zij staan ingeschreven in het profielregister van de KNMG. Een inschrijving in het profielregister voor deze elf profielen veronderstelt namelijk dat ook aan de eisen voor werkervaring is voldaan zoals het BIG-register die stelt.
Op dit moment bestaat dit bewijs uit een gewaarmerkte verklaring die via de Registratiecommissie Geneeskundig Specialismen loopt. Ik ben met het CIBG, uitvoerder van het BIG-register, en de KNMG reeds in gesprek om te bezien of en hoe deze bewijzen digitaal kunnen worden aangeleverd.
Deelt u de mening dat dit zorgt voor veel overbodige rompslomp, zowel voor de profielartsen zelf als voor het Register Medisch Specialismen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Wanneer een beroepsbeoefenaar zich op basis van werkervaring wil herregisteren in het BIG-register dient deze persoon aan te tonen dat hij/zij voldoende uren heeft gewerkt binnen het betreffende deskundigheidsgebied. Voor elf van de twaalf profielen bestaat een lichtere procedure. Zij hoeven bij hun aanvraag tot herregistratie slechts het bewijs te overleggen dat zij staan ingeschreven in het Profielregister van de KNMG.
Waarom is de herregistratie voor profielartsen in het BIG-register niet automatisch gekoppeld aan de herregistratie in het profielregister van het Register Medisch Specialismen?
De titels die aan de profielen zijn verbonden zijn met de toevoeging «KNMG» beschermd via een privaatrechtelijke regeling en zijn geen wettelijk erkend specialisme door de Minister. Een automatische koppeling tussen het BIG-register en het Specialistenregister geldt alleen voor wettelijk erkende specialismen.
Bent u bereid deze koppeling te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Arbeidsmarktdiscriminatie door uitzendbureaus |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over discriminatie door uitzendbureaus, die in 47% van de gevallen ingaan op een discriminerend verzoek om uitzendkrachten in te huren?1
Hoe kan het dat anno 2018 nog steeds deze verbijsterende discriminerende praktijken plaatsvinden in de uitzendbranche?
Bent u bereid om te onderzoeken of dit in andere sectoren van de arbeidsmarkt ook op een dergelijke grote schaal voorkomt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te onderzoeken of deze discriminatie ook op de ondernemersmarkt en bij overheidsaanbestedingen op een dergelijke grote schaal voorkomt?
Wat gaat u doen om deze discriminatie zo spoedig mogelijk te beëindigen?
Kunt u een overzicht geven van wat er de afgelopen jaren is gedaan tegen arbeidsmarktdiscriminatie? Kunt u een overzicht geven van wat dit heeft opgeleverd?
Kunt u daarbij overwegen om de Inspectie SZW intensiever te laten controleren op arbeidsmarktdiscriminatie? Kunt u daarbij de vijftig miljoen euro uit het Regeerakkoord inzetten? Op welke manier gaat u deze inzetten?
Kan de Inspectie SZW (Team Arbeidsmarktdiscriminatie) daarbij ook onconventionele middelen inzetten? Kunt u middelen inzetten zoals loksollicitaties, mystery guests, het R-register, de discriminatiepolitie (als aparte eenheid), een diversiteitsquotum van 10%, en een xenofoben-taks van 1.000 euro per discriminerende handeling? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat door de Inspectie SZW de simpele, maar doeltreffende, methode toegepast kan worden, namelijk het door lokbedrijven laten bellen naar uitzendbureaus, die het TV-programma RADAR heeft toegepast?
Wanneer kan uw nieuwe Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie naar de Kamer gestuurd worden? Kunt u de antwoorden op bovenstaande vragen hierin meenemen?
Het bericht dat de zorg heeft te kampen met verlies |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Zorg heeft te kampen met verlies»?1
Ja.
Herkent u de stijging van bedrijfskosten in de geestelijke gezondheidszorg (ggz), gehandicaptenzorg en verpleeg- verzorgingshuizen en thuiszorg?
Ik herken het beeld. In 2016 is wel sprake van een extra kostenpost, doordat een onregelmatigheidstoeslag met terugwerkende kracht is betaald. De NZa is momenteel bezig met een onderzoek naar de uitgaven in de langdurige zorg. Dit zal leiden tot nieuwe tarieven per 2019.
Zit de stijging van de bedrijfskosten alleen in een stijging van de personeelskosten? Welk aandeel hebben de vastgoedkosten in de stijging van bedrijfskosten?
Naast de personeelskosten zijn ook de overige bedrijfskosten licht gestegen.
De vastgoedkosten hebben echter geen aandeel in de stijging van de bedrijfskosten en zijn zelfs licht gedaald ten opzichte van 2015. Bij het maken van deze vergelijking heb ik de posten «afschrijvingen op vaste activa» en «huur/operationele leasing van kapitaalgoederen» bij elkaar opgeteld.
Is een deel van de rode cijfers te verklaren uit meer accountantskosten in relatie tot (toegenomen) registratie en administratie?
Ik heb geen aanwijzingen dat een toename van accountantskosten een deel van de rode cijfers verklaren.
Kunt u een uitsplitsing maken van verliesgevende zorginstellingen in de verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorg (VVT) naar sector? Dus naar verpleeghuizen, verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties?
Het onderscheid tussen verpleeg- en verzorgingshuizen vervaagt steeds meer. Ook in verzorgingshuizen verblijven steeds meer mensen met hogere zorgprofielen. Veelal heeft een instelling meer vestigingen van zowel verpleeg- als verzorgingshuizen, al dan niet gecombineerd met thuiszorg. In de jaarrekeningen worden de resultaten geconsolideerd waarmee deze niet apart zichtbaar zijn. Zoals bij vraag 2 aangegeven doet de NZa momenteel onderzoek naar de kostprijzen van de diverse zorgprofielen in de Wlz.
Ho verklaart u de sterkste stijging van de bedrijfskosten bij de verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorg?
Een belangrijk deel van de stijging heeft te maken met stijging van de CAO-lonen en daarnaast een uitkering van een onregelmatigheidstoeslag met terugwerkende kracht.
Deelt u de mening dat dit soort cijfers aantonen hoe belangrijk het is dat er goede afspraken komen over hoe te voorkomen dat het extra geld dat beschikbaar komt voor verpleeghuizen wordt gebruikt om gaten in de begroting mee te vullen?
Het is belangrijk dat verpleeghuizen de extra middelen gebruiken om – op basis van een strategische personeelsplanning – te investeren in voldoende zorgpersoneel. Er zijn ook middelen beschikbaar voor andere investeringen die eraan bijdragen dat de zorgverleners goede zorg conform het kwaliteitskader kunnen verlenen. Het kan daarbij gaan om ondersteunend personeel, maar ook om ondersteunende technologie, zoals domotica. Momenteel ben ik met alle partijen, waaronder de zorgkantoren, in gesprek over de wijze waarop het kwaliteitskader een rol zal spelen bij de zorginkoop 2019. Dit omvat logischerwijs ook afspraken over de inzet van de extra middelen om een stap te kunnen zetten richting de personeelsnormen uit het kwaliteitskader en de voorwaarden die daarbij gelden. De basis daarvoor ligt in de contractafspraken tussen zorgkantoor en zorgaanbieder. De contracten moeten met ingang van de zorginkoop 2019 mogelijk maken dat de middelen worden teruggevorderd, indien deze niet zijn ingezet voor de afgesproken investeringen in de implementatie van het kwaliteitskader.
De berichten 'Rechercheur Den Haag lekte anderhalf jaar naar criminelen' 1) en 'Foute agenten te vaak doodgezwegen' |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Rechercheur Den Haag lekte anderhalf jaar naar criminelen» en «Foute agenten te vaak doodgezwegen»?1 2
Ja.
Deelt u de zorg dat er een patroon van lekken bij de politie-eenheid Den Haag lijkt te zijn, aangezien dit al het vierde lek in een jaar tijd is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit patroon van lekken een halt toe te roepen?
In Den Haag zijn het afgelopen jaar een aantal medewerkers aangehouden voor het mogelijk lekken van informatie. In 2016 is één verdachte aangehouden voor het lekken van informatie, in 2017 waren dit drie verdachten. De incidenten in de eenheid Den Haag staan los van elkaar. Op basis van de beschikbare gegevens kan niet gezegd worden dat sprake is van een patroon.
Op basis van de onderzoeken over de periode 2017 – aangaande de gedragingen die te herleiden zijn naar het lekken van informatie naar criminelen en andere(n) – is er geen sprake dat de eenheid Den Haag afwijkt van eenheden met een soortgelijke grootte. Een overzicht van de afdoeningen van gedragingen uit deze onderzoeken is nog niet voorhanden.
Integriteit heeft hoge prioriteit binnen de politieorganisatie, zo ook in de eenheid Den Haag. Zodra er vermoedens zijn dat een politieambtenaar plichtsverzuim heeft gepleegd, wordt dit onderzocht. De kans op plichtsverzuim probeert de politie door middel van preventieve en repressieve maatregelen, zoals ik ook in mijn brief – naar aanleiding van het verzoek van het lid Van Dam – van 9 maart 2018 heb beschreven, te verkleinen. Incidenten kunnen echter nooit helemaal worden voorkomen.
Is het waar dat het aantal integriteitsschandalen in Den Haag niet afwijkt van het landelijk gemiddelde? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit landelijk gemiddelde terug te dringen naar een minder hoog niveau?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van de hoeveelheid lekken binnen de landelijke politie in de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar regio en jaar?
Op dit moment kan geen overzicht van afdoeningen van gedragingen uit onderzoeken worden gegeven van de afgelopen drie jaar waarbij is geconstateerd dat sprake is van het lekken van informatie (naar criminelen ofwel naar vrienden, familie, pers, etcetera). Het jaarverslag 2017 waarin wordt gerapporteerd over het aantal onderzoeken is thans nog niet beschikbaar. Deze wordt te zijner tijd aan uw Kamer toegezonden.
Deelt u de opinie van politiewetenschapper Jaap Timmer en voorzitter Jan Struijs van de Nederlandse Politiebond dat binnen het landelijke politiecorps een taboe bestaat op het bespreken van corrupte agenten en dat het van belang is dat in de opleiding en op de werkvloer hier veel meer aandacht voor komt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Binnen de politie is veel aandacht voor zowel het stimuleren van het goede gesprek over integriteit als het elkaar durven aanspreken en melden van misstanden. Hier moet ook continue aandacht voor zijn. Ik zou dan ook niet spreken van taboe. Ik heb uw Kamer in de Voortgangsbrief politie aangegeven dat de politie hard werkt aan een cultuurverbetering waarbij onder meer integriteit, leiderschap, een inclusieve werksfeer en elkaar aanspreken belangrijke pijlers zijn.3 De ontwikkelingen zien op het creëren van een veilig klimaat, het voeren van de dialoog en het geven van professionele ruimte. Het bewerkstelligen van een dergelijke cultuurverandering vergt tijd, maar met deze ontwikkelingen wordt het voeren van de dialoog over integriteit bevorderd.
Kunt u de antwoorden op deze vragen voor het algemeen overleg Politie (organisatie) op 15 maart 2018 toesturen?
Ja.
Het bericht ‘Ondernemers in Nederland met Amerikaans paspoort dupe van belastinghervorming Trump’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ondernemers in Nederland met Amerikaans paspoort dupe van belastinghervorming Trump»?1
Ja.
Klopt het bericht dat zeker 1.000 ondernemers getroffen zullen worden door de Amerikaanse heffing, terwijl zij al gewoon netjes belasting hebben betaald in Nederland? Klopt het dat ook de ruim 42.000 ingezetenen en 100.000 greencardhouders geraakt zullen worden?
De Verenigde Staten (VS) kennen een wereldwijde belastingplicht voor Amerikaanse onderdanen. Dit is geregeld in de Amerikaanse belastingwet. Voor buiten de VS wonende Amerikaanse onderdanen geldt daarom altijd een aangifteplicht, ook voor Amerikaanse onderdanen die in Nederland wonen. In veel gevallen is uiteindelijk geen Amerikaanse belasting verschuldigd, als gevolg van diverse additionele vrijstellingen voor buiten de VS wonende Amerikaanse onderdanen.
Een bilateraal belastingverdrag regelt in het algemeen de verdeling van heffingsrechten tussen beide betrokken landen om dubbele belastingheffing te voorkomen. Op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en de VS, mogen de VS hun onderdanen in de belastingheffing betrekken. Dit belastingverdrag tussen Nederland en de VS kent namelijk – net zoals in alle Amerikaanse belastingverdragen – een «saving clause». De bepaling houdt in dat de VS zich, ongeacht wat in een belastingverdrag wordt afgesproken, het recht voorbehouden het wereldinkomen van de Amerikaanse staatsburgers op basis van de eigen nationale wetgeving in de heffing te kunnen betrekken. Bilaterale belastingverdragen van de VS beperken de nationale heffingsrechten van de VS over deze groep belastingplichtigen in slechts zeer beperkte mate.
Recent is het Amerikaanse belastingstelsel fundamenteel veranderd. De precieze gevolgen van de Amerikaanse belastinghervorming zijn op dit moment nog lastig te bepalen. Op 29 december 2017 heeft de IRS de eerste toelichting gepubliceerd.2 Naar verluidt publiceert de Internal Revenue Service (IRS) binnenkort nadere toelichting over de uitwerking van de Amerikaanse belastinghervorming. Ook ontvang ik geluiden dat in de VS wordt gesproken over additionele wetgevende maatregelen om onbedoelde en onvoorziene neveneffecten van de recente belastinghervorming te repareren.
In het kader van de Amerikaanse belastingherziening is een fundamentele wijziging aangebracht in de belastingheffing van multinationale ondernemingen: van een wereldwijd naar een territoriaal stelsel. Tot deze wijziging werden alle (binnenlandse en buitenlandse) winsten in de heffing betrokken op het moment dat deze winsten naar de VS werden gerepatrieerd. In het kader van deze transitie is per 2018 een eenmalige heffing ingevoerd voor reeds bestaande buitenlandse winsten die zijn behaald vóór invoering van het territoriale stelsel om het systeem sluitend te maken («toll tax» of «transition tax»). In het kader van deze eenmalige heffing worden reeds bestaande winsten (ontstaan voor 2018) geacht te zijn overgemaakt naar de VS.
Tijdens de Amerikaanse belastingherziening is ook gesproken over een fundamentele herziening van de wereldwijde belastingplicht van Amerikaanse staatsburgers.3 Hiertoe heeft het Amerikaanse congres uiteindelijk niet besloten. Het kabinet betreurt dit, omdat de problemen die worden ervaren door inwoners van Nederland met de Amerikaanse nationaliteit voortduren. De recente Amerikaanse belastinghervorming heeft zodoende ook effect op inwoners van Nederland met de Amerikaanse nationaliteit. Dit betreft ook de in het artikel benoemde «toll tax», die ook van toepassing kan zijn als een bedrijf een natuurlijk persoon (die in de VS belastingplichtig is) als aandeelhouder heeft.
Dit is een wrange en onrechtvaardige uitwerking omdat individuele belastingplichtigen – in tegenstelling tot bedrijven – niet overgaan naar een territoriaal systeem van belastingheffing. Gezien het recht dat de VS zich voorbehoudt om het wereldinkomen van Amerikaanse staatsburgers in de heffing te kunnen betrekken biedt het belastingverdrag weinig aanknopingspunten voor een beperking van het Amerikaanse heffingsrecht over de groep Amerikaanse onderdanen die met deze heffing worden geconfronteerd.
Het belastingverdrag tussen Nederland en de VS bevat specifieke bepalingen voor Amerikaanse onderdanen die in Nederland wonen om dubbele heffing tegen te gaan. Op basis daarvan dient de VS rekening te houden met de in Nederland betaalde belasting over inkomen dat de VS ook in de heffing betrekt. Voor de methodiek van de voorkoming wordt verwezen naar de Amerikaanse nationale wet. Afhankelijk van de keuzes die bij de Amerikaanse belastingaangifte worden gemaakt, kan dit leiden tot heffing van Amerikaanse «toll tax» in aanvulling op de reguliere Nederlandse inkomsten- en vennootschapsbelasting.Het bilaterale belastingverdrag biedt daarvoor geen soelaas. Hierbij merk ik op dat dit geldt voor alle belastingverdragen die de VS heeft gesloten met andere landen.
De inschatting dat er 1.000 ondernemers getroffen zouden kunnen worden door de Amerikaanse heffing kan juist zijn, maar kan ik niet bevestigen. In 2016 zijn gegevens van ruim 1.900 rechtspersonen verzonden aan de IRS in het kader van de FATCA.
De aantallen van 42.000 ingezetenen en 100.000 greencardhouders kan ik niet bevestigen. Met betrekking tot ongeveer 15.000 natuurlijke personen is in 2016 in het kader van de FATCA informatie verstrekt aan de IRS. Het is evenwel zo dat er geen direct verband hoeft te zijn tussen het aantal rekeninghouders in Nederland waarover informatie uitgewisseld wordt met de VS en het aantal inwoners van Nederland met de Amerikaanse nationaliteit. Niet iedere inwoner houdt hier een bankrekening aan. Ook kan het zo zijn dat niet in Nederland wonende Amerikaanse onderdanen een rekening aanhouden bij een Nederlandse bank.
Is deze heffing niet in strijd met het streven om dubbele belastingheffing tegen te gaan? Is het in strijd met het rechtszekerheidprincipe? Biedt het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag geen provisies om dergelijke dubbele belastingheffing te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is c.q. wordt gedaan om deze dubbele belastingheffing, vooral voor kleine ondernemers, te voorkomen?
De Nederlandse mogelijkheden om – binnen de eigen nationale kaders – te voorzien in eventuele voorkoming van additionele heffing zijn beperkt. Een fundamentele oplossing ligt dan ook niet in het aanpassen de Nederlandse wet- en regelgeving, maar kan enkel liggen in het aanpassen van de nationale fiscale wetgeving van Amerika. De voornaamste actie die het kabinet kan ondernemen is het aan Amerikaanse zijde nadrukkelijk naar voren brengen van de zorgen en de impact van (nieuwe) Amerikaanse regelgeving op inwoners van Nederland. Dit doet het kabinet dan ook. Het kabinet is zich ten zeerste bewust van de negatieve effecten van verreikende Amerikaanse regelgeving op inwoners van Nederland met de Amerikaanse nationaliteit.
Een eerste actie die het Ministerie van Financiën heeft gedaan is het inventariseren van de impact van de Amerikaanse belastingherziening. In dit kader is in januari bij de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), VNO-NCW en belangengroep Americans Overseas navraag gedaan. Daarbij kwamen onder meer de zorgen naar voren die genoemd worden in het genoemde media-artikel. Hierop is eind januari bij Amerikaanse collega’s navraag gedaan over de uitwerking van de belastinghervorming, specifiek voor deze groep belastingplichtigen. De in februari naar voren gekomen casuïstiek over de impact van de «toll tax» is daarbij ook aan de orde gesteld in een bespreking bij US Treasury. Daarbij is bevestigd dat – afhankelijk van specifieke keuzes die bij de Amerikaanse belastingaangifte worden gemaakt – sprake kan zijn van heffing van Amerikaanse «toll tax» in aanvulling op de reguliere Nederlandse inkomsten- en vennootschapsbelasting.
De tweede actie betreft het naar voor brengen van de geïnventariseerde zorgen bij relevante Amerikaanse instanties. In dit kader heeft de Nederlandse ambassade in Washington bijvoorbeeld eind 2017 input geleverd bij het Amerikaanse Government Accountability Office (vergelijkbaar met onze Algemene Rekenkamer) over een onderzoek naar de effecten van Amerikaanse regelgeving op Amerikaanse onderdanen die buiten de VS wonen. Nederland zal op korte termijn ook aanvullende informatie sturen naar Government Accountability Office over de mogelijke impact van de recente Amerikaanse belastingherziening op in Nederland wonende Amerikaanse onderdanen. Vergelijkbare informatie is gedeeld met de Amerikaanse belastingdienst (Internal Revenue Service). Tot slot brengt Nederland dergelijke problematiek waar mogelijk aan de orde bij bilaterale besprekingen.
Een derde peiler betreft agendering in Europese verband. Het is namelijk goed om te realiseren dat bovenstaande problematiek niet alleen speelt in Nederland, maar in alle landen met handelsbetrekkingen met de VS. In Europees verband wordt sinds de afgelopen maanden gesproken over de impact van de Amerikaanse belastinghervorming op Europa. In dat kader heeft de Europese Commissie een brief gestuurd aan de Amerikaanse Minister van Financiën om haar zorgen naar voren brengen. Vijf grote Europese landen hebben een vergelijkbare brief gestuurd. In deze brieven worden met name zorgen geuit over de relatie tussen de belastinghervorming en de invloed op de vrije handel. Het kabinet is voornemens om de positie van in Europa wonende Amerikaanse onderdanen ook te betrekken in de bredere Europese discussie over de Amerikaanse belastinghervorming. Verregaande impact van Amerikaanse regelgeving op inwoners van Nederland vindt het kabinet namelijk onwenselijk. Een eventueel gecoördineerde actie in Europees verband richting de VS kan daarbij een krachtig signaal afgeven.
Nederland kan op dit dossier geen ijzer met handen breken. Een gecoördineerde Europese actie heeft mijns inziens de grootste kans van slagen. Nederland zal hiervoor het initiatief nemen, maar is hiervoor ook afhankelijk van de wil van de andere lidstaten. Ik merk hierbij ook op dat in het Europees parlement op vergelijkbare manier aandacht is gevraagd voor deze problematiek.4
Ook roep ik in herinnering dat eerder een dergelijk Nederlands initiatief heeft geleid tot een gezamenlijk brief van alle Europese lidstaten over financiële dienstverlening aan in Europa wonende Amerikaanse onderdanen. Vlak daarna heeft US Treasury een beleidsbesluit5 uitgegeven op basis waarvan de Amerikaanse regelgeving op dit gebied is versoepeld.
Heeft het kabinet overlegd met de Amerikaanse regering om hen te wijzen op de schadelijke neveneffecten van hun plannen op Nederlandse ondernemers? Zo nee, is het kabinet van plan dit aan de kaak te stellen?
Zie antwoord vraag 4.
Kent het Amerikaanse belastingplan, behalve deze «toll tax», nog meer bepalingen die een negatief effect hebben op Nederlandse ondernemers of de Nederlandse economie? Zo ja, welke?
Gelet op de wereldwijde belastingplicht van Amerikaanse onderdanen heeft mogelijk een breed scala aan wetswijzigingen impact op de fiscale positie van in Nederland wonende Amerikaanse onderdanen. Naar de huidige inzichten lijkt de in het artikel genoemde «toll tax» de grootste negatieve impact te hebben op deze groep.
Zijn er meer landen die dergelijke toll taxes kennen waardoor hun ondernemers in Nederland feitelijk dubbel aangeslagen kunnen worden? Is de verwachting dat meer landen het voorbeeld van de Verenigde Staten zullen volgen en een dergelijke heffing zullen introduceren?
De VS en Eritrea zijn de enige twee landen ter wereld die eigen onderdanen die inwoner zijn van een ander land voor hun wereldinkomen in de heffing betrekken. Alle andere landen sluiten aan bij het inwonerschap. Ik verwacht daarom niet dat andere landen vergelijkbare maatregelen (kunnen) gaan invoeren.
Welke stappen kan, en gaat, de regering zetten teneinde Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats te houden voor Amerikaans-Nederlandse ondernemers, zowel op het fiscale vlak als daarbuiten?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat de aardbevingen in Groningen de gezondheid van Groningers aantasten |
|
Nine Kooiman , Sandra Beckerman |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Aardbevingen tasten gezondheid Groningers aan», waarin artsen hun zorgen uiten over de gevolgen van de aardbevingen op de gezondheid van de Groningers?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de uitspraak van bestuursvoorzitter van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), die stelt dat «fysiek en geestelijk lijden is vastgesteld en wordt waargenomen»?
Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen van de aardbevingen voor de inwoners van Groningen. Uit deze onderzoeken komt het beeld naar voren dat aardbevingen ingrijpende gebeurtenissen zijn die ook negatieve gevolgen kunnen hebben voor het welbevinden en de gezondheid van de inwoners in de regio. Dit moet zoveel als mogelijk voorkomen worden.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat 50 tot 60% van de inwoners zich onveilig voelt en dat bij een aanzienlijk deel van de bevolking in Groningen «een PTSS-achtig beeld» is te zien?
Ja.
Erkent u de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat voor dit fysiek en geestelijk lijden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het wegnemen van de oorzaken van de stress en onzekerheid heeft de hoogste prioriteit. In het belang van de veiligheid van de Groningers wil het kabinet dat de gaswinning uit het Groningen-veld nog deze regeringsperiode zo veel mogelijk verder omlaag wordt gebracht. Op dit moment worden alle mogelijkheden voor volumebeperkingen in kaart gebracht. Op basis van die inventarisatie zal het kabinet eind dit kwartaal aangeven hoe zij gevolg geeft aan het advies van het Staatstoezicht op de mijnen om de gasproductie uit het Groningen-veld zo snel als mogelijk terug te brengen tot maximaal 12 miljard Nm3 per jaar.
Daarnaast heeft de Minister van EZK overeenstemming bereikt met provinciale en gemeentelijke bestuurders in Groningen over een nieuwe manier van afhandelen van schade als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld. Met dit nieuwe schadeprotocol wordt de schadeafhandeling publiekrechtelijk georganiseerd. Dit betekent dat bewoners geen zaken meer hoeven te doen met NAM. In het schadeprotocol is opgenomen dat alle bewoners die dat wensen een eigen zaakwaarnemer krijgen om hen te ondersteunen bij de schadeafhandeling. Ook bij de uitvoering van de versterkingsoperatie door de NCG wordt voor problematiek die men «achter de voordeur» tegenkomt gerichte sociaal-maatschappelijke hulp gezocht. Daarnaast heeft de Minister van VWS het RIVM gevraagd om samen met de GGD een «plan van aanpak gezondheidsgevolgen» op te stellen waarin de gevolgen van de aardbevingen voor het welbevinden- en de gezondheid van mensen centraal staan. Dit plan wordt uiterlijk eind april opgeleverd.
Deelt u de mening dat waar als gevolg van handelen door de Nederlandse staat gezondheidsproblemen ontstaan, de oorzaak dan ook zo snel mogelijk door de staat weggenomen dient te worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen aan de door aardbevingen veroorzaakte stress? Wanneer komt u met een afbouwplan voor de gaswinning in Groningen?
Zie het antwoord op vraag 5. Mensen gaan op verschillende manieren om met onzekerheid en stress. Dit betekent ook dat ze verschillende vormen van informatie en hulp zoeken. Het is belangrijk dat mensen de informatie, hulp en zorg krijgen die bij hen past. Mensen die kampen met stress of andere gezondheidsklachten als gevolg van de aardbevingen kunnen via de huisarts passende zorg krijgen. Daarnaast heeft de NCG de GGD gevraagd een «plan van aanpak gezondheidsgevolgen» op te stellen waarin de gevolgen van de aardbevingen voor het welbevinden- en de gezondheid van mensen centraal staan. De Minister van VWS heeft het RIVM gevraagd de GGD en andere organisaties die zijn gericht op gezondheidsbevordering hierbij te ondersteunen. Dit plan wordt uiterlijk eind april opgeleverd. Het plan moet onder meer zorgen voor een meer samenhangend hulpaanbod door de verschillende betrokken organisaties in de regio.
In het regeerakkoord financiering van een regiofonds afgesproken om te investeren in de leefbaarheid en het toekomstperspectief van de regio. Aanvullende ondersteuning voor mensen die psychische klachten hebben door de aardbevingsproblematiek maakt hier deel uit van uit.
Komt u met een actieplan om de gezondheidsproblemen aan te pakken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Gemeenten negeren wettelijke taaleis bijstand’ |
|
Bente Becker (VVD), Chantal Nijkerken-de Haan (VVD) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten negeren wettelijke taaleis bijstand»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, zeker ook ten aanzien van nieuwkomers, het naleven van de taaleis van cruciaal belang is?
Ja, om een grotere kans te maken op de arbeidsmarkt en isolement te voorkomen is het essentieel om de Nederlandse taal te beheersen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten de taaleis in het algemeen gaan handhaven, maar specifiek ook als onderdeel van het inburgeringstraject?
De verkenning van CBS schept een divers beeld over de uitvoering en handhaving van de taaleis in de Participatiewet. Doordat gemeenten de uitvoering van de taaleis niet eenduidig registreren, zijn er geen landelijke conclusies te trekken. Helder is echter dat het aantal verlagingen van de uitkering vanwege niet voldoen aan de taaleis, zeer laag is. Ook zien veel gemeenten af van de voorgeschreven taaltoetsen en hebben ze nog beperkt taaltrajecten ingezet. De Staatssecretaris gaat in overleg met de VNG om de uitvoering in lijn te brengen met de wet en meer aandacht te besteden aan het activeren van mensen met een taalachterstand. Het is onacceptabel als zou blijken dat mensen die de taal niet spreken jarenlang een bijstandsuitkering ontvangen en met rust gelaten worden.
Overigens is de taaleis in de Participatiewet gericht op iedereen die bijstand ontvangt en de taal onvoldoende machtig is. Deze groep is groter dan alleen de groep inburgeringsplichtigen. Gemeenten hebben in het huidige stelsel geen rol bij de handhaving van de inburgeringsplicht.
Hoe verhoudt het feit dat gemeenten deze wettelijke taaleis negeren zich wat u betreft tot de plannen van het kabinet om gemeenten een grote rol te geven bij het inburgeringstraject, onder meer in de begeleiding naar werk?
Doordat de Participatiewet een gemeentelijke verantwoordelijkheid is en inburgering een verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige, hebben gemeenten nu geen zicht op de voortgang van het inburgeringstraject. Gemeenten kunnen daardoor onvoldoende sturen op een goede uitkomst en bovendien geen sancties opleggen bij onvoldoende voortgang. Het kabinet wil gemeenten daarom meer regie geven op inburgering, zodat gemeenten taal, werk en inburgering in samenhang kunnen aanpakken.
Als gemeenten al niet inzetten op taalvaardigheid, hoe effectief kunnen gemeentelijke experimenten om nieuwkomers aan het werk te helpen dan nog zijn?
De verkenning van CBS geeft een gemengd beeld. Het is niet gezegd dat alle gemeenten geen werk maken van taalvaardigheid. Ook blijkt uit meerdere voorbeelden uit het land dat er wel degelijk gemeenten zijn die werk maken van het aan het werk helpen van nieuwkomers. Wel is het zo dat er fors ingezet moet worden om aan de wettelijke eisen te voldoen.
Als gemeenten de wettelijke taaleis al weigeren na te leven, hoe gaat u er dan voor zorgen dat de afspraak uit het regeerakkoord dat nieuwkomers die verwijtbaar niet inburgeren worden gekort op hun bijstand, wel zal worden uitgevoerd?
In het huidige stelsel kunnen gemeenten inburgeraars met een bijstandsuitkering reeds een verlaging opleggen als zij onvoldoende meewerken aan hun integratie op de arbeidsmarkt. Als zij verwijtbaar niet inburgeren, is helder dat zij hun kansen op de arbeidsmarkt verkleinen. Omdat de verantwoordelijkheid echter bij de nieuwkomer ligt, hebben gemeenten nu onvoldoende zicht op de voortgang. Om die reden hebben gemeenten ook gevraagd om meer regie. Het kabinet heeft aangekondigd aan die plannen tegemoet te komen.
Welke maatregelen gaat u treffen tegen onwelwillige gemeenten en hoe gaat u zorgen dat uw plannen voor een «ontzorgend» systeem met voorzieningen in natura niet gehinderd zullen worden door eenzelfde onwil bij gemeenten?
Indien een gemeente bewust geen activiteiten onderneemt op de taaleis, is het in eerste instantie de taak van de gemeenteraad om het college daarop aan te spreken. Het CBS onderzoek doet geen uitspraken over individuele gemeenten. Als ik merk dat individuele gemeenten bewust de wet niet uitvoeren, zal ik ze daar uiteraard op aanspreken. De wet is niet vrijblijvend. Dit is ook onderdeel van de regeerakkoordafspraken die de Staatssecretaris, zoals aangegeven in het Algemeen Overleg over de Participatiewet, met nieuwe colleges zal oppakken. Het invoeren van een ontzorgend systeem is in het voordeel van gemeenten en zal hen financieel en maatschappelijk voordeel opleveren. Gemeenten kunnen zo integraal beleid voeren voor een groep zeer kwetsbare nieuwkomers, om daarmee langdurig verblijf in de bijstand te voorkomen.
Gaat u in het gesprek met de VNG ook benadrukken dat bij het niet voldoen aan de inspanningsverplichtingen er dan handhaving dient plaats te vinden conform de Wet taaleis Participatiewet?
Ja. Het onderzoek laat zien dat veel gemeenten actiever taalbeleid moeten voeren om de hardnekkige groep langdurig werklozen te activeren. Veel mensen die al langere tijd met rust gelaten zijn, zullen dit in dank aanvaarden. Voor diegenen die weigeren mee te werken, moet er een geloofwaardige en stevige stok achter de deur zijn.
Hoe gaat u bevorderen in het gesprek met de VNG dat gemeenten taaltoetsen gaan afnemen, juist ook om de kansen van mensen met een taalachterstand te doen toenemen?
De taaltoets is een middel om te bepalen wie zich moet inspannen om de taal te leren. Taaltoetsen staan echter niet op zichzelf. Het gemeentelijk beleid om bijstandsgerechtigden te activeren moet onderdeel zijn van integraal beleid van onderwijs, zorg en inburgering. De handhaving van de taaleis kan het instrument zijn dat gemeenten nodig hebben om mensen te activeren. Samen met VNG en Divosa willen wij gemeenten wijzen op de mogelijkheden en goede voorbeelden die er al in den lande zijn.
Welke dwingende maatregelen kunt u mogelijk nemen, wanneer gemeenten de taaleis in de bijstand blijvend niet volgens de Wet taaleis Participatiewet uitvoeren?
De Participatiewet is een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid. Het is daarom allereerst aan de gemeenteraad om het college van burgemeester en Wethouders te controleren. Gemeenten die zich willens en wetens niet aan de wet houden, zal de Staatssecretaris daarop aanspreken. Als ultimum remedium is het mogelijk om gemeenten een korting op te leggen.
Het bericht ‘Crisisbedden bestaan niet meer’ |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Crisisbedden bestaan niet meer»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de situatie zoals beschreven in dit artikel als meer dan schrijnend dient te worden gekwalificeerd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het artikel in Medisch Contact betreft een dementerende patiënt met nachtelijke paranoia die op nieuwjaarsnacht de huisartspost bezocht. Het is inderdaad schrijnend voor de mevrouw, de buurvrouw en haar dochter dat pas na drie dagen veel verderop een plek werd gevonden. Ook is het ongewenst dat de huisarts zoveel energie moest steken in het proberen te regelen van een crisisplek. Huisartsen hebben buiten kantooruren al hun handen vol aan het hulp bieden in spoedsituaties. Zij moeten snel naar een passende plek kunnen verwijzen en niet belast worden met het langdurig speuren daarnaar.
Deelt u de mening dat patiënten niet van het kastje naar de muur mogen worden gestuurd terwijl zij spoedig hulp nodig hebben? Zo ja, waar is het hier dan toch misgegaan?
Ja, ik deel deze mening. Wanneer een patiënt met spoed opgenomen moet worden, moet er een passende plek beschikbaar zijn en bij voorkeur dichtbij huis. In dit geval zou volgens de huisarts een crisisbed op een PG-afdeling van een verpleeghuis de best passende plek zijn. Helaas kon er die nacht in de regio geen plek worden gevonden. Dat kan verschillende oorzaken hebben.
Het aantal crisissituaties kan per week verschillen en daarmee ook de beschikbaarheid van plekken. Op grond van de informatie die bij zorgkantoor VGZ is ingewonnen, heb ik niet de indruk dat er structureel te weinig Wlz-crisisbedden in de regio beschikbaar zijn. Vanuit de zorgpartners in de regio wordt echter wel een continu tekort aan bedden en geschikte plaatsen ervaren. De regio constateert dat de problematiek toeneemt mede doordat de capaciteit in de GGZ afneemt. Ik vraag het zorgkantoor hierover in overleg te treden met de zorgpartners in de regio.
Slechts een deel van de verpleeghuizen levert Wlz-crisiszorg. Daarnaast moet voor Wlz-zorg vaststaan dat er een blijvende behoefte is aan permanent toezicht of 24 uur zorg in de directe nabijheid. De specialist ouderengeneeskunde (SOG) van het verpleeghuis beoordeelt daarom of er inderdaad sprake kan zijn van een Wlz-crisisopname. Indien een SOG daaraan twijfelt, moet men de huisarts aanraden de cliënt op te laten nemen op basis van eerstelijnsverblijf (ELV) of een andere verblijfsvorm als dat meer voor de hand ligt.
De casus roept de vraag of de huidige regelgeving rond spoedzorg niet eenvoudiger kan. In de brief over de Aanpak administratieve lasten in de Wlz (Kamerstuk 29 515, nr. 400) is dit reeds verkend. Dit voorjaar zal ik hierop terugkomen. Voorts is van belang dat de samenwerkende partners in de regio
bezien welke procesverbeteringen zijn door te voeren. Het programma Gedeelde Zorg is een reactie van de samenwerkende partijen in de regio op de problematiek.
Deelt u de mening dat als een huisarts inschat dat een crisisplek noodzakelijk is, dit voldoende moet zijn om een patiënt te plaatsen? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat dit in de toekomst ook het geval zal zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat als een huisarts inschat dat een patiënt opgenomen moet worden, dit ook snel moet kunnen. Het oordeel van de ontvangende arts is daarbij echter doorslaggevend. Als de huisarts van mening is dat vanuit medisch oogpunt direct een opname noodzakelijk is, betekent dit bij inschatting van een Wlz-crisisbed dat een oordeel van een specialist ouderengeneeskunde nodig is. In geval van eerstelijnsverblijf (ELV) kan dat een verantwoordelijke huisarts zijn danwel een specialist ouderengeneeskunde. Welke plaats passend is, is afhankelijk van de situatie. In sommige spoedsituaties is niet direct duidelijk bij welk domein de zorgvraag thuishoort. De opname mag daardoor uiteraard niet worden vertraagd en vergt een proactieve houding van zorgaanbieders in het meedenken met de zorgprofessional. De regionale coördinatiepunten, die inzicht hebben op welke locatie passende plekken zijn, moeten hierin ondersteuning bieden. Verzekeraars nemen het voortouw om ervoor te zorgen dat per april in alle regio’s dergelijke coördinatiepunten voor ELV ingericht zijn en soms, zoals in Deventer en Roosendaal, ook al voor andere vormen van zorg met (tijdelijk) verblijf (zoals Wlz en respijtzorg).
Kent u meer signalen dat er geen of niet op tijd crisisbedden voor acute gevallen beschikbaar zijn? Zo ja, waaruit bestaan die signalen? Zo nee, betekent dit dan dat het in het bericht genoemde geval geheel op zichzelf staat?
Bij het praktijkteam «Zorg op de juiste plek» zijn enkele signalen bekend van zorgverleners die moeilijk vervolgzorg geregeld kregen in acute situaties. In een casus betrof het een zorgmijdend echtpaar waarbij de echtgenote van een dementerende meneer weigerde hulp toe te laten. Bij escalatie van de situatie ondervond de huisarts problemen om een verpleeghuisplek te regelen. De Wlz-crisisregeling is slechts van toepassing als een Wlz-indicatie voor de hand ligt en er sprake is van een plotselinge verandering van de situatie van de cliënt waardoor opname binnen 24 uur noodzakelijk is. Pas dan kan het CIZ de Wlz-aanvraag voorrang geven en de geldigheid van het indicatiebesluit laten terugwerken tot de dag van opname. Casuïstiek en gesprekken met het veld maken duidelijk dat de praktijk er last van heeft dat er voor Wlz, ELV en acute Wmo verschillende procedures gelden en deze onvoldoende op elkaar aansluiten, terwijl de spoedzorg op dezelfde afdelingen met hetzelfde personeel wordt geleverd. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 zal ik dit voorjaar aangeven of er verbeteringen mogelijk zijn. Voor zorgaanbieders en inkopers op regionaal niveau is het in ieder geval van belang dat zij samenwerken en zich proactief opstellen om er gezamenlijk voor te zorgen dat de cliënt zo snel mogelijk op een passende plek kan komen.
Kunt u de Kamer een overzicht doen toekomen van het aantal crisisbedden en de mate waarin deze bezet zijn?
Er is geen landelijk overzicht van het aantal Wlz-crisisbedden en de bezettingsgraad daarvan. De landelijke gegevens die bij de NZa beschikbaar zijn hebben betrekking op het afgesproken prijs en volume (voor spoedzorg in de verpleging en verzorging betreft het prestatie met code Z110). Uit het afgesproken volume is niet eenduidig het aantal aanwezige crisisbedden af te leiden. Dat komt omdat zorgkantoren verschillende inkoopafspraken maken. Sommige zorgkantoren kopen spoedzorg in door een afspraak over een aantal crisisbedden. Aanbieders reserveren de capaciteit dan voor Wlz-cliënten. Ook de dagen dat het bed niet bezet is door een Wlz-cliënt, wordt dan vanuit de Wlz betaald. In andere gevallen kopen zorgkantoren de zorg cliëntvolgend in en laten zij het aan de zorgaanbieders over hoe zij de spoedzorg die vanuit de verschillende domeinen wordt gevraagd praktisch organiseren.
De overname chipbedrijf NXP door Qualcomm |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Mededinging Brussel akkoord met overname chipbedrijf NXP door Qualcomm»?1
Ja.
Kunt u aangeven of bij het chipbedrijf NXP sprake is van een vitale infrastructuur en kunt u hierbij aangeven waarom hier wel of geen sprake van is?
In 2015 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de herijking van vitale infrastructuur (Kamerstuk 30 821, nr. 23). Indien verstoring, aantasting of uitval van vitale processen leidt tot ernstige economische, fysieke of sociaal-maatschappelijke gevolgen, is er sprake van vitale infrastructuur. Deze drie impactcriteria hebben mij tot op heden geen aanleiding gegeven het ontwerpen en maken van chips aan te merken als vitaal proces.
Mocht bij chipbedrijf NXP sprake zijn van vitale infrastructuur, kunt u dan ingrijpen? Zo ja, overweegt u dat?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke elementen is deze overname getoetst door de toezichthouders? Zijn dat alleen economische elementen geweest, of ook elementen zoals de bescherming van vitale infrastructuur?
De mededingingsrechtelijke toets van de Europese Commissie toetst bij een overname niet op andere gronden dan de mededinging, zoals bescherming van de vitale infrastructuur.
Waarom zijn er negen betrokken toezichthouders wereldwijd betrokken bij deze overname?
Veel jurisdicties, waaronder die van de Europese Unie, verklaren hun toezicht van toepassing op het moment dat een overname hun markt kan raken. Een fusie van twee wereldwijd opererende ondernemingen zoals Qualcomm en NXP wordt mededingingsrechtelijk dan ook niet getoetst op basis van waar ondernemingen zijn gevestigd maar waar ze actief zijn.
Wat is de reden dat (een toezichthouder in) China zich moet uitspreken over deze deal?
Zie antwoord vraag 5.
Waar is de termijn van acht jaar op gebaseerd waarbij Qualcomm tegen vergelijkbare voorwaarden als nu licenties moet afgeven?
In het kader van de goedkeuring door de mededingingsautoriteiten hebben partijen een zogenaamde remedie afgesproken, een afspraak of maatregel om eventuele mededingingsrechtelijke bezwaren weg te nemen. De termijn van 8 jaar betreft een afspraak tussen de mededingingsautoriteiten en Qualcomm/NXP.
Hoe lang de termijn is, is afhankelijk van de mededingingsbezwaren in een concrete situatie. In dit geval heeft de Europese toezichthouder geoordeeld dat de termijn van acht jaar passend is om de mededingingsbezwaren weg te nemen. De Nederlandse overheid is daarbij niet betrokken.
De recentelijke benoeming van een rechter die homo- en transgenderonvriendelijke uitspraken deed bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Maria Elósegui Ichaso vorige week is benoemd tot rechter bij het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM)?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraken die Elósegui zowel voor als na haar benoeming deed, waarin zij niet uitsluit dat homoseksualiteit een ziekte is en psychiatrische hulp bepleit voor transgenders? Wat is uw reactie hierop?2
Ik neem afstand van de uitspraken die María Elósegui heeft gedaan over homoseksualiteit en transgender personen. Nederland maakt zich in de Raad van Europa en daarbuiten sterk voor de gelijke rechten van LHBTI’s.
Wat is uw visie op de gevolgen van deze kersverse rechter bij het Europees Hof voor de borging van rechten en veiligheid voor de Europese LHBTI-gemeenschap?
De rechten en veiligheid van de Europese LHBTI-gemeenschap zijn geborgd in nationale wetgeving, internationale verdragen, zoals het EVRM, en door belangrijke instituten, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De uitspraken van een individuele rechter, gedaan buiten de rechtbank, doen hier niets aan af.
Hoe bestempelt u het gegeven dat er vanuit de non-profit sector nauwelijks aandacht is geweest voor kandidaatstelling van Elósegui? Deelt u de opvatting dat dit te maken heeft met het niet optimale publieke inzicht in de agenda voor kandidaatstellingen en benoemingen?
De kandidaatstelling van alle rechters voor het EHRM is een vertrouwelijk proces en niet publiek inzichtelijk. De voordracht van kandidaten ligt bij de nationale regering en de beslissing tot benoeming ligt bij de Parlementaire Assemblee (PACE) van de Raad van Europa (RvE). Alle leden van PACE, ook de Nederlandse, kunnen hun stem uitbrengen en hebben op dat moment inzage in de kandidaturen. De regeringen van andere RvE-lidstaten hebben hierin geen rol en meten zich geen oordeel aan.
Welke mogelijkheden ziet u om dit inzicht voor zowel de Tweede Kamer als het maatschappelijk middenveld te vergroten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid er bij uw Spaanse ambtsgenoot op aan te dringen dat LHBTI-rechten onlosmakelijk verbonden zijn met mensenrechten en derhalve ook geborgd moeten zijn bij het EHRM? Zo nee, waarom niet?
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is ingesteld voor de bescherming van mensenrechten, inclusief de rechten van LHBTI’s, en heeft met zijn uitspraken reeds een belangrijke bijdrage hieraan geleverd. Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de steun van de Spaanse regering voor het EHRM en gelijke rechten van LHBTI’s.
Misstanden in de Indiase kledingindustrie |
|
Mahir Alkaya |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
Kent u het rapport Labour Without Liberty – Female Migrant Workers in Bangalore's Garment Industry?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat twee jaar na het verschijnen van een eerder rapport over slechte arbeidsomstandigheden in Bangalore en het doen van onderzoek door diverse kledingmerken, plannen voor verbetering nog steeds in de maak zijn?
Zoals ook in het rapport «Labour without Liberty» naar voren komt, heeft een aantal merken maatregelen genomen sinds het eerdere rapport. Zo werken C&A en twee andere internationale merken samen om misstanden in de regio te onderzoeken en aan te pakken. Ze ontwikkelden een project voor migranten werknemers. De ideeën voor dit project zijn gedeeld met het Textiel Convenant en met lokale vakbonden. C&A zette ook een programma op dat toeleveranciers traint in een goede omgang met hun werknemers. Eén leverancier uit Bangalore droeg naar aanleiding hiervan het management van zijn hostel over aan een lokale gespecialiseerde welzijnsorganisatie.
Ontwikkeling van plannen voor verbetering in de productielanden, als onderdeel van het proces van gepaste zorgvuldigheid, kost echter tijd. Het vergt internationale samenwerking met verschillende bedrijven en maatschappelijke organisaties. Het is daarbij belangrijk dat de betrokken bedrijven met lokale belanghebbenden contact houden over de voortgang.
Om de genoemde misstanden in het rapport verder aan te pakken, zou het kledingmerken in het algemeen helpen als de namen van de onderzochte productielocaties bekend worden gemaakt. Op deze manier kunnen kledingmerken in dialoog met hun toeleveranciers naar oplossingen toewerken. In het geval van de Nederlandse bedrijven die onder het Convenant vallen, is het wel gelukt om via bemiddeling van het secretariaat van het textielconvenant de onderzochte producenten te spreken en de Convenantbedrijven in contact te brengen met de opdrachtgevers van het rapport. Het SER-secretariaat is namelijk bevoegd op vertrouwelijke basis signalen over problemen bij productielocaties door te geven aan de Convenantbedrijven die daar inkopen.
Kunt u aangeven of ondertekening van het Convenant Duurzame Kleding en Textiel door de merken die in het rapport worden genoemd (zoals C&A) reeds geresulteerd heeft in betere due diligence door deze merken? Zo ja, hoe kunnen dit soort misstanden in de keten dan nog steeds voorkomen?
De deelnemende bedrijven aan het Convenant hebben de afgelopen anderhalf jaar stappen in het proces van gepaste zorgvuldigheid (due diligence) gezet. In de zomer van 2017 hebben bijna alle 57 bedrijven hun plan van aanpak ingediend, waarin zij toelichten hoe zij het proces van gepaste zorgvuldigheid hebben ingericht. Bovendien is de publicatie van de productielocaties een belangrijk resultaat. Dit stelt werknemers in fabrieken en betrokken organisaties in staat via het SER-secretariaat klachten in te dienen bij inkopende merken.
Het kabinet verwacht van de deelnemende bedrijven dat zij, conform de OESO- richtlijnen, starten met aanpak van de meest urgente risico’s. In het textielconvenant zijn onder andere kinderarbeid en leefbaar loon geïdentificeerd als risico’s die bedrijven alleen gezamenlijk kunnen aanpakken. Hiervoor worden projecten ontwikkeld samen met de andere Convenantspartijen. Deze projecten gaan in een aantal landen van start, waaronder India.
Rapporten als «Labour without Liberty» houden bedrijven en andere Convenantspartijen scherp op welke risico’s (verder) in de keten spelen en aandacht verdienen.
Deelt u de mening dat het Convenant Duurzame Kleding en Textiel moet leiden tot het voorkomen van deze misstanden door de kledingmerken en -importeurs? Zo ja, wat gaat u er aan doen om dit te bewerkstelligen?
Het Convenant is op initiatief van het kabinet inderdaad opgezet met het doel om binnen drie tot vijf jaar op specifieke IMVO-risico’s binnen de productieketen van Nederlandse kleding- en textielbedrijven substantiële stappen van verbetering te bereiken voor groepen die negatieve gevolgen ervaren van kledingproductie. Binnen het Convenant wordt samengewerkt met NGO’s, vakbonden en overheid om misstanden in de textielsector tegen te gaan. Partijen van het Convenant ontwikkelden bijvoorbeeld de non-discriminatie gids voor Nederlandse bedrijven. Deze gids besteedt ook aandacht aan de problematiek van migranten in de Indiase textielsector.
Het bereik van het Convenant is echter beperkt. Nederlandse textielbedrijven zijn, met één procent van de wereldhandel, een kleine speler op de wereldmarkt. Problemen kunnen vaak alleen in samenwerking met andere bedrijven en partijen effectief worden aangepakt. Om deze reden bevordert het Convenant gezamenlijke activiteiten en projecten door middel van Europese en internationale samenwerking. Op 30 januari 2018 ondertekenden het Nederlandse Convenant en de Duitse Textilbündnis een samenwerkingsovereenkomst, teneinde het bereik en de impact van beide convenanten te vergroten.
Het kabinet participeert als partij in het Convenant en spoort deelnemende bedrijven aan om risico's in kaart te brengen en aan te pakken. Het kabinet spant zich ook in om de activiteiten van textielprogramma’s die Nederland als donor steunt, zoals het Better Work programma en het Partnerschap met Fair Wear Foundation, ten goede te laten komen aan de uitvoering van de afspraken van het Convenant. Het kabinet heeft ook een eigen rol om bij te dragen aan een oplossing voor de problemen. Door het gesprek aan te gaan met de lokale overheid in productielanden over verbetering en naleving van wetgeving probeert het kabinet de omstandigheden voor werknemers en het ondernemingsklimaat in betreffende landen te verbeteren. Bovendien zet het kabinet zich binnen de Europese Unie actief in voor samenwerking ten behoeve van verduurzaming van de textielsector.
Statushouders die sociale huurwoningen bezet houden |
|
Sietse Fritsma (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u naar aanleiding van eerdere Kamervragen navraag gedaan bij de woningcorporaties en/of gemeenten?1 Zo ja, waarom hebt u zich door hen klaarblijkelijk af laten schepen en hebt u niet aangedrongen op het verkrijgen van de gevraagde informatie? Zo nee, waarom niet? Waarom bent u niet bereid om makkelijk te achterhalen informatie aan de Kamer te verstrekken?
Ik heb geen inzicht in hoeveel sociale huurwoningen momenteel worden bewoond door statushouders, ook niet na afstemming met Aedes en COA. Deze informatie wordt niet centraal geregistreerd.
Het enige dat ik u als alternatieve beantwoording kan bieden is een theoretische beredenering, met alle nodige voorbehouden.
Mij is gebleken dat u met name geïnteresseerd bent in het aantal sociale huurwoningen dat door Syrische statushouders wordt bewoond. Zoals gezegd houden noch COA noch Aedes dit in hun administraties bij. Wel is bekend dat vanaf 2014 er ca 65.000 statushouders met de Syrische nationaliteit uit asielzoekerscentra zijn uitgestroomd naar gemeenten. Het merendeel daarvan zal naar een sociale huurwoning zijn verhuisd, vaak met meerdere mensen samen. Het COA gaat uit van gemiddeld 1,7 personen per woning. Dat zou betekenen dat in de afgelopen drie jaar ca 38.000 woningen beschikbaar zijn gesteld aan mensen die voor de oorlog uit Syrië gevlucht zijn. Dat is een half procent van de totale woningvoorraad van 7.641.0002 woningen. Als we alleen uitgaan van de voorraad sociale huurwoningen, 2.253.0003 woningen, gaat het om 1,7% van de sociale huurwoningen die zijn toegewezen aan Syrische statushouders.
Heeft het achterhouden van bedoelde informatie misschien te maken met uw vrees dat de gewone Nederlanders erachter zullen komen hoezeer zij worden achtergesteld bij het verkrijgen van een sociale huurwoning ten opzichte van statushouders? Zo nee, hoe is uw weigering om inzicht te bieden in de kwalijke gevolgen van de massa-immigratie anders te verklaren?
Ik vrees het delen van inzichten zeker niet, maar zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 beschik ik niet precies over de gevraagde informatie.
Beseft u dat uw weigering afbreuk doet aan het vragenrecht dat democratisch verkozen Kamerleden hebben?
Aan het vragenrecht van Kamerleden doe ik niets af als ik op uw vragen antwoord dat de gevraagde informatie mij niet precies bekend is.
Hoeveel sociale huurwoningen worden momenteel bezet door statushouders? Gaat u deze – vaker gestelde – vraag nu eindelijk inhoudelijk beantwoorden?
Zie het antwoord op vraag 1.
Het bericht dat energiebedrijven experimenteren met prepaid energie |
|
Jasper van Dijk , Sandra Beckerman |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Deelt u de mening dat toegang tot energie een eerste levensbehoefte is?1
Ja, dit heb ik ook aangegeven in de toelichting op de gewijzigde Regeling Afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas, alsmede de Warmteregeling (gepubliceerd op 1 februari 2018, Stcrt. 5311).
Zo ja, waarom staat u toe dat mensen geen vaste energieleveranties meer krijgen, maar zich slechts met een prepaid-systeem toegang tot energie kunnen verwerven?
Binnen de energiesector is een aantal netbeheerders (Stedin en Liander), energiemaatschappijen (Nuon en Greenchoice) en de Stichting Energiebank Nederland een tweetal kleinschalige pilots gestart (maximaal 50 huishoudens per pilot). In opdracht van deelnemende partijen wordt de technische uitvoering van de pilots mogelijk gemaakt door Prepaid Energy Service. De deelnemende energieleveranciers leveren elektriciteit en gas op basis van een prepaid contract. Deelname aan de pilots gebeurt op basis van vrijwilligheid. Overigens zijn de pilots geen experiment in de zin van artikel 7a van de Elektriciteitswet 1998.
Het uitgangspunt is dat er voor de geleverde energie betaald moet worden, en dat (tijdelijke) stopzetting van de elektriciteitslevering volgt in geval van saldotekort. Dit staat ook expliciet in de deelnemersverklaring. Er kan na de stopzetting geen schuld voor de elektriciteitslevering worden opgebouwd. Voordat de stopzetting plaatsvindt wordt de kleinverbruiker hier op diverse manieren voor gewaarschuwd. Deelnemers aan de pilot kunnen altijd kiezen om weer elektriciteit geleverd te krijgen op de reguliere wijze.
Bent u bereid experimenten met prepaid-energielevering te verbieden?
Ik vind het, net als de Staatssecretaris van SZW, van belang dat in deze pilotfase zeer zorgvuldig gekeken moet worden naar voor wie het prepaid betalen van energie geschikt is (zie ook het antwoord op vraag 6). Het is verder aan de toezichthouder Autoriteit Consument en Markt om te bekijken of de prepaid dienst (inclusief haar voorwaarden) binnen de wettelijke kaders past.
Ik merk op dat het in casu gaat om een kleinschalige vrijwillige pilot, die onder de huidige condities maximaal een jaar zal duren. De deelnemende partijen hebben als doelstelling om de kwetsbare doelgroep in de samenleving te helpen bij het hebben en behouden van toegang tot energie. Verder willen de betrokken partijen met de prepaid dienst kleinverbruikers meer bewust maken van hun energieverbruik en extra hulp bieden om afsluiting en schulden te voorkomen.
Daarnaast worden betreffende kleinverbruikers bij de aanvraag niet geconfronteerd met een eventuele waarborgsom en kan de prepaid gebruiker een persoon (zoals een bewindvoerder of een ouder) inschakelen om mee te kijken (zo kan er ook voor worden gekozen deze persoon een bericht te laten sturen als het saldotegoed onder een bepaalde drempelwaarde komt). De dienst levert dus ook voordelen op voor de consument. De prepaid dienst wordt door initiatiefnemers gezien als een mogelijke oplossing voor budgetproblemen.
Het Nibud ziet de pilot als een positieve ontwikkeling, omdat de prepaid dienst voor de consument een goede manier zou kunnen zijn op het grip houden van zijn of haar uitgaven. Wel benadrukt ze dat consumenten de vrijheid moeten hebben om voor het ene of het andere systeem te kiezen, waarbij duidelijk moet zijn wat zij kunnen verwachten. NVVK is benieuwd of de prepaid dienst als een preventiemiddel kan dienen voor het ontstaan van problematische schuldsituaties. Zowel NVVK als Divosa geven aan dat de prepaid dienst mogelijk kan bijdragen aan het terugdringen van schulden bij energieleveranciers en bewustwording bij mensen over de gebruikskosten van energie. Wel geven zij aan op dit moment de prepaid dienst nog niet als geschikt te zien voor personen die al problematische schulden hebben en in de schuldhulpverlening zitten. Zij wijzen hier onder meer op het feit dat deze personen minder goed kunnen budgetteren en dat daarnaast de schuldhulpverlening is ingericht op afdracht aan schuldeisers met vaste (en dus geen fluctuerende) lasten.
In antwoord op Kamervragen2 wordt aangegeven dat de Minister van Economische Zaken en Klimaat voornemens is om de plicht voor energiebedrijven om wanbetalers eerst aan te melden bij de gemeentelijke schuldhulpverlening ook in de zomermaanden te laten gelden, waarbij tijdens het schuldhulptraject niet tot afsluiting overgegaan mag worden; wanneer wordt dit voorstel aan de Kamer gestuurd?
Het gaat hier om de Regeling Afsluitbeleid voor kleinverbruikers voor elektriciteit en gas alsmede de Warmteregeling. In de gewijzigde regelingen is opgenomen dat leveranciers nu ook in de periode van april-oktober klantgegevens aan schuldhulpinstanties doorgeven indien geen contact gekregen kan worden met de betreffende kleinverbruiker. De gewijzigde regelingen zijn afgelopen najaar ter consultatie voorgelegd. De mogelijkheid tot reageren hierop is expliciet gecommuniceerd aan energieleveranciers, VNG, Divosa, NVVK, netbeheerders en consumentenorganisaties (conform artikel 44, tiende lid, Gaswet en artikel 95b, tiende lid, Elektriciteitswet 1998). De gewijzigde regelingen zijn op 1 februari 2018 in de Staatscourant gepubliceerd (nummer 5311).
Onderkent u dat indien mensen zich slechts met een prepaid-systeem toegang tot energie kunnen verwerven de voorwaarden voor afsluiting op hen niet van toepassing zijn, waarmee dit een sluiproute vormt om de voorwaarden voor afsluiting te ontlopen? Bent u bereid deze sluiproute af te sluiten?
Het afsluiten van consumenten valt onder de Regeling afsluitbeleid elektriciteit en gas (hierna ook: Regeling Afsluitbeleid)) alsmede de Warmteregeling. Deze regelingen zijn ook op de prepaid dienst van toepassing. Zo geldt dat kwetsbare consumenten, waarbij de afsluiting voor ernstige gezondheidsrisico’s kan zorgen, niet mogen worden afgesloten (uitzonderingen daargelaten zoals afsluiting op eigen verzoek, en fraude). Deze personen doen nu niet mee aan de pilots, dit wordt voorafgaand aan deelname aan de pilot daadwerkelijk gecheckt door de deelnemende partijen. Verder geldt, op basis van vrijwillige afspraken in de sector, dat in geval van strenge vorst sowieso niet mag worden afgesloten. Daarnaast zal de procedure wegens wanbetaling uit genoemde regelingen niet van toepassing zijn, aangezien er geen deelnemers zijn die problematische schulden hebben en/of bij een traject voor schuldhulpverlening betrokken zijn.
Verder merk ik op dat er sprake is dat er op de energiemarkt vrije keuze is qua leverancier. De kleinverbruiker kan zelf een energieleverancier kiezen en heeft een eigen keuze in het al dan niet deelnemen aan de prepaid energiedienst, waarbij het hem van tevoren bekend is dat elektriciteitslevering stopt als het tegoed op is, waarna er ook geen schuld voor de elektriciteitslevering kan worden opgebouwd. Daarnaast heeft Energie Nederland een convenant gesloten met NVVK met als doel om bij problematische schulden in een zo vroeg mogelijk stadium effectief samen te werken en een duurzame oplossing te bieden om het aantal kleinverbruikers met betalingsproblemen terug te dingen en het oplopen van schulden te voorkomen.
Erkent u dat mensen in armoede en schulden niet geholpen zijn met een prepaid-systeem voor energie, maar wel met doorgeleiding naar de schuldhulpverlening?
Dat veel mensen problematische schulden hebben is een groot maatschappelijk probleem. Idealiter worden mensen met problematische schulden ondersteund door een vorm van schuldhulpverlening, waarbij wordt veiliggesteld dat vaste lasten betaald worden. Het is echter bekend dat een behoorlijke groep mensen met (dreigende) problematische schulden geen professionele hulp krijgt, aangezien mensen vaak lang wachten met het zoeken naar hulp.
Het kabinet zet stevig in op het terugdringen van het aantal mensen met problematische schulden en een effectievere hulpverlening aan schuldenaren en wil haast maken met de aanpak. Het gaat hier om een complex probleem waar een grote gezamenlijke opgave en verantwoordelijkheid ligt van heel veel partijen. Voor de kerst heeft mijn collega van het Ministerie van SZW u een brede schuldenaanpak aangekondigd waarin wordt samengewerkt met de meest betrokken collega’s in het kabinet om tot een brede, overkoepelende schuldenaanpak te komen3.
Meerdere departementen, gemeenten, overheidsorganisaties en private partijen zijn – gezamenlijk – aan zet. Het is positief om te zien dat steeds meer private partijen zich actief inzetten om te voorkomen dat mensen in de schulden terecht komen. Nieuwe initiatieven en gedegen onderzoek naar initiatieven om schulden te voorkomen vind ik zeer positief. Ook dit initiatief van netbeheerders en energieleveranciers om een pilot uit te voeren waarbij het doel is om mensen te behoeden voor schulden en meer grip te geven op hun uitgaven kan hieraan bijdragen.
In deze pilotfase zal zeer zorgvuldig gekeken moeten worden naar voor wie het prepaid betalen van energie geschikt is. Een belangrijk aandachtspunt is dat klanten, – waar nodig –, doorverwezen kunnen worden naar schuldhulpverlening als het saldo op is en er niet wordt opgewaardeerd. De NVVK heeft aangegeven met de betreffende leveranciers in gesprek te gaan om hier afspraken over te maken. Voor de Staatssecretaris van SZW, maar ook voor mij, is het interessant om te zijner tijd te weten wat de resultaten van de pilot zijn. Zoals eerder toegezegd (toezegging VAO Energie d.d. 18 januari 2018), zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid het voorstel van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) te onderzoeken om een drinkwaterfonds op te richten waaruit waterbedrijven de kosten vergoed krijgen die ze maken voor mensen die niet kunnen betalen?
Ik ga niet over het drinkwaterbeleid en kan daarom geen toezeggingen doen over een dergelijk onderzoek. Dit onderwerp ligt op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Kunt u aangeven hoe de experimenten met prepaid-energie zijn vormgegeven, hoe lang deze experimenten duren en hoeveel mensen daarbij betrokken zijn?
Uitgangspunt bij de pilots is dat het op basis van vrijwilligheid is, betreffende kleinverbruiker kan altijd besluiten om niet mee te doen en gebruik te maken voor elektriciteitsafname via de reguliere weg. Er lopen momenteel twee pilots: een in Arnhem en een in Rotterdam. Voor de pilot in Arnhem, met Nuon, Alliander en de Energiebank hebben kleinverbruikers zich vrijwillig aangemeld om deel te nemen. De pilot loopt nu met 5 medewerkers van Nuon en het doel is om rond de 40 klanten mee te laten doen. Bij de pilot in Rotterdam met Greenchoice en Stedin worden klanten geselecteerd op basis van twee situaties. Ten eerste gaat het om een kleinverbruiker die elektriciteit afneemt bij een andere leverancier, is afgesloten en normaliter borg zou moeten betalen. Daarnaast gaat het om kleinverbruikers waarbij betalingsproblemen geconstateerd zijn. Voor beide pilots geldt dat het uitdrukkelijk niet gaat om deelnemers die deelnemen aan een traject voor schuldhulpverlening.
Hoe zijn de mensen geselecteerd die aan dit experiment meedoen? Was er sprake van dwang? Konden de betrokken mensen vrijelijk kiezen tussen een gewone aansluiting en een prepaid-aansluiting?
Zie antwoord vraag 8.
Is voor deze experimenten toestemming gevraagd en gekregen van uw ministerie? Welke procedures en regelingen zijn hierbij betrokken?
Nee, er is geen toestemming gevraagd of gekregen. Er is ook geen procedure of regeling die dat voorschrijft.
Onderschrijft u de stelling dat prepaid-energietoevoer niet past in een beschaafd land?
Als hierboven aangegeven, vindt deelname aan de pilots plaats op basis van vrijwilligheid, waarbij het de kleinverbruiker bekend is dat afsluiting kan volgen als het financiële tegoed op is. Het wettelijk kader zoals dat in Nederland geldt op basis van de Elektriciteitswet 1998 zorgt ervoor dat elke kleinverbruiker de mogelijkheid heeft tot het ontvangen van betrouwbare, betaalbare levering van elektriciteit. De doelstellingen van de deelnemende partijen dragen hieraan bij door inzicht te bieden in het energieverbruik, het voorkomen van schulden, waardoor financieel kwetsbare mensen in de samenleving toegang behouden tot energie.
Er zijn vijf lidstaten in de Europese Unie waarin prepaid meters worden aangeboden voor elektriciteit en zes lidstaten die dit doen voor gas.4 Het is wereldwijd in meer dan 40 landen mogelijk gebruik te maken van deze dienst.
De verantwoordelijkheid van Nederland voor de offshore en de gokindustrie op Aruba, Curaçao en Sint Maarten |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt de uitspraak van de toenmalige Staatssecretaris, de heer Vermeend, in Amigoe van 10 januari 1995 dat offshore op de Antillen een «Koninkrijksbelang» is?1
De vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het aanbod van offshore kansspelen vallen binnen de autonome bevoegdheid van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Vóór 10 oktober 2010 betrof dit een autonome aangelegenheid van het land de Nederlandse Antillen.
Klopt het dat de ontwikkeling van de eilanden als belastingparadijzen is bevorderd omdat Nederland zoveel belastingverdragen kon sluiten, zoals de heer Vermeend destijds zei?
Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn bevoegd om zelfstandig belastingverdragen te onderhandelen. De verdragen worden echter ten behoeve van die landen door het Koninkrijk, als subject van volkenrecht, gesloten. Na parlementaire goedkeuring worden verdragen vervolgens door het Koninkrijk geratificeerd, waarbij wordt aangegeven ten behoeve van welk deel van het Koninkrijk het verdrag geldt. Ook bij de Nederlandse belastingverdragen, die dus slechts voor Nederland gelden, gaat het op dezelfde manier. De andere landen binnen het Koninkrijk kunnen dan ook geen rechten ontlenen aan de Nederlandse belastingverdragen. Bovendien heeft Nederland beleid om oneigenlijk gebruik van belastingverdragen te voorkomen. Dit komt tot uiting door de opname van antimisbruikmaatregelen in de Nederlandse belastingverdragen en belastingregelingen die gelden binnen het Koninkrijk. De doelstelling om belastingontwijking te bestrijden wordt onder meer versterkt doordat Nederland zich heeft gecommitteerd aan de uitkomsten van het BEPS-project2 en het multilateraal instrument heeft ondertekend.
Is offshore op de eilanden nog steeds een Koninkrijksbelang? Zo nee, sinds wanneer is dat dan niet meer het geval? En waar staat dat dan?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de Landsverordening offshore hazardspelen uit 1993?2
Ja, met de Landsverordening buitengaatse hazardspelen ben ik bekend.
Klopt het dat deze regels voor offshore hazardspelen zijn opgezet met de hulp van Nederland, op initiatief van de toenmalige vereniging voor offshore belangen (VOB) onder voorzitterschap van Gregory Elias?
Het opstellen en aannemen van een landsverordening geschiedt door de regering en het parlement van Aruba, Curaçao of Sint Maarten. De Landsverordening offshore hazardspelen uit 1993 is oorspronkelijk een landsverordening van de Nederlandse Antillen. Mij is niet bekend of deze regels voor offshore hazardspelen zijn opgezet met de hulp van Nederland, op initiatief van de toenmalige vereniging voor offshore belangen (VOB).
Waarom heeft de Nederlandse regering het vanaf 1993 tot in ieder geval 2010 niet nodig gevonden dat toezicht werd ingesteld op offshore hazardspelen, ook wel E-gaming genoemd?
Klopt het dat de Gouverneur offshore gokvergunningen tekende voor trustkantoren, accountants en casinobazen, zonder toezicht in te stellen?
Klopt het dat de Gouverneur offshore gokvergunningen voor trustkantoren en casinobazen goedkeurde en verlengde zonder toezicht en met gedogen van sublicentiëring?
Hoeveel offshore gokvergunningen heeft de Gouverneur in de periode vanaf 1993 tot in ieder geval 10 oktober 2010 getekend? Hoeveel zijn dit er gelet op het aantal sublicentiëringen die waren verbonden aan de masterlicenties?
Klopt het dat vanaf 1993 tot in ieder geval 2010 sprake was van een gedoogbeleid voor sublicentiëring, zonder dat Nederland toezicht uitoefende?
Binnen welk Nederlands beleid of wettelijk kader paste de genoemde wetgeving voor offshore kansspelen uit 1993?
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse regering het vanaf 1993 niet nodig vond dat toezicht werd ingesteld op offshore kansspelen/ de E-gamingsector op Aruba, Curaçao en Sint Maarten?
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse regering vanaf 1993 tot in ieder geval 2010 van mening was dat zij niet verantwoordelijk was voor opsporing en handhaving in de offshore kansspelen/ E-gamingsector? Kunt u uitleggen waarom Nederland het niet nodig vond dat toezicht werd ingesteld op de E-zones van Curaçao en Sint Maarten?
Hoe heeft de Nederlandse regering vanaf 1993 tot in ieder geval 2010 in afwezigheid van toezicht, opsporing en handhaving op E-gaming en E-zones gewaarborgd dat op de eilanden geen witwassen zou plaatsvinden van crimineel geld en geen andere illegale activiteiten zouden plaatsvinden?
Kunt u aangeven wanneer eindelijk de vragen zullen worden beantwoord die de Minister van Koninkrijksrelaties in september 2016 naar Curaçao heeft gestuurd?3
De vragen omtrent dit onderwerp die door uw Kamer in september 2016 zijn gesteld zijn tot tweemaal toe aan de regering van Curaçao doorgeleid. Hiervan is de Kamer ook op de hoogte gesteld (Kamerstuk 2017Z12390). Ik heb hierop nog geen reactie mogen ontvangen en heb er geen zicht op wanneer ik deze tegemoet kan zien. Ik zal de regering van Curaçao nogmaals per brief verzoeken de vragen te beantwoorden, danwel een indicatie te geven de vragen niet te beantwoorden. Daarnaast zal ik in mijn reguliere contacten met de regering van Curaçao hier aandacht voor vragen. Wellicht is het te overwegen ook via de contacten in het kader van het Interparlementair Koninkrijksoverleg (IPKO) hier bij de Staten van Curaçao aandacht voor te vragen.
Jonge en potentiële leraren die massaal afhaken doordat zij carrièreperspectief, uitdaging en salaris missen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de bevindingen van Motivaction in het onderzoeksrapport «Bestrijden van het lerarentekort – een zoektocht naar nieuwe doelgroepen»?1
Het is goed om te horen dat er zoveel belangstelling is voor het leraarschap. Het is ook een prachtig beroep. Op 29 januari jl. waren Minister van Engelshoven en ik bij de presentatie van het onderzoek. Het onderzoek was onderdeel van een pilot in de regio Zuid Oost naar het stimuleren van circulaire carrières. Afgelopen jaren hebben scholen, opleidingen en het bedrijfsleven onderzocht hoe er meer circulaire carrières en hybride leraren kunnen worden ontwikkeld. De opdrachtgevers zien veel kansen en waren positief over de resultaten van het onderzoek. Deze bieden hen en de rest van Nederland handvatten om werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken. Interessant is dat is gekeken naar drijfveren van mensen om in het onderwijs te gaan werken. Op basis daarvan worden tips gegeven aan scholen, bedrijfsleven en opleidingen om het werken in het onderwijs gemakkelijker te maken. Zo wordt scholen geadviseerd om bijvoorbeeld meeloopdagen en stages te organiseren en creatief te kijken naar de organisatie van het onderwijs. Bedrijven krijgen de tips mee om hybride banen (laagdrempelig) mogelijk te maken en om werknemers gastlessen te laten geven in het onderwijs. Opleidingen worden opgeroepen om het individu als uitgangspunt te nemen bij het ontwikkelen van een leerroute en niet het curriculum en om nog meer in te zetten op coaching en begeleiding.
Hoe beoordeelt u in dit verband het pleidooi van het Platform Bètatechniek voor een circulaire carrière met de mogelijkheid om over te stappen op het lerarenvak of om het leraarschap te combineren met ander werk? Kan dit een oplossing vormen voor het probleem dat het onderwijs wordt gezien als een fuik? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan voor de lerarenopleidingen?2
Circulaire carrières en hybride leraren of instructeurs zie ik zeker als een kans en een aanvulling. Het kan de loopbaanpaden van zowel leraren als werknemers in andere sectoren interessanter maken, waardoor deze minder als fuik worden ervaren. Ook kan het bijdragen aan het oplossen van het lerarentekort. De opleidingen bieden verschillende mogelijkheden voor een opleiding tot leraar of instructeur. De weg van zij-instroom kan worden gebruikt voor personen die al in het bezit zijn van een relevant hoger onderwijsgetuigschrift. In een geschiktheidsonderzoek wordt vastgesteld welke aanvullende scholing en begeleiding eventueel nog nodig zijn om goed onderwijs te kunnen geven in een specifiek vak en binnen twee jaren te voldoen aan de bijbehorende bekwaamheidseisen. Bezitters van een relevant hoger onderwijs bachelorgetuigschrift kunnen er vaak ook voor kiezen de nominaal vierjarige lerarenopleiding in één jaar af te ronden (de zogenaamde kopopleiding). Het is de verantwoordelijkheid van de opleidingen om, daar waar mogelijk, en in samenspraak met scholen en de betrokken zij-instromers van maatwerk te voorzien.
Kan bestaand en reeds ingezet lerarenbeleid volstaan om het kwalitatieve en kwantitatieve lerarentekort tegen te gaan, nu een derde van de jonge docenten voor zijn 30ste stopt met lesgeven en veel potentiele leraren met een ander beroep afzien van de overstap naar het lerarenberoep, omdat de omscholing tot leraar te duur en te lastig blijkt? Zo ja, op grond van welke overwegingen meent u dat dit mogelijk is? Zo nee, op welke punten verbindt u dan conclusies aan het onderzoeksrapport voor additioneel beleid?
Samen met de sociale partners, de lerarenopleidingen, schoolbesturen en gemeenten werken we aan het terugdringen van het lerarentekort. Over de zes actielijnen waarlangs wij dat doen, heb ik uw Kamer eind november geïnformeerd.3 Het behouden van leraren is één van de lijnen. Onderdeel hiervan is de samenwerking tussen opleidingen en besturen bij de begeleiding van startende leraren, gericht op het voorkomen van uitval. Uit de gegevens op de website trends in beeld van het ministerie blijkt enerzijds dat veel startende leraren binnen één tot vijf jaar uitvallen, maar ook dat de uitval, met name in het primair onderwijs afgelopen jaren licht is gedaald.4 Komende periode is daar naar mijn idee nog winst mogelijk, bijvoorbeeld door niet alleen samen te werken rondom de begeleiding van startende leraren maar ook bij de begeleiding van zittende leraren.
Voorts wordt aangegeven dat potentiële leraren afzien van omscholing omdat dit lastig en duur zou zijn. Zoals ik in het antwoord op de vorige vraag heb aangegeven, is het leraarschap een beroep dat om specifieke competenties vraagt. Aan omscholing zijn kosten verbonden. Om tegemoet te komen in de kosten, is er de regeling zij-instromers. Per zij-instromer ontvangt het bestuur 20.000 euro voor de kosten van de opleiding en de begeleiding. Van deze mogelijkheid wordt in toenemende mate gebruikt gemaakt. Daarnaast hebben deelnemers aan de eerder genoemde kopopleiding in veel gevallen recht op een extra jaar studiefinanciering, betalen studenten die voor het eerst een opleiding gericht op zorg of onderwijs in het hoger onderwijs volgen het wettelijk collegegeld in plaats van het instellingscollegegeld voor een tweede opleiding in het hoger onderwijs en is in het regeerakkoord opgenomen dat het collegegeld voor de eerste twee jaar wordt gehalveerd voor studenten die een lerarenopleiding volgen.
Verder kunnen andere thema’s waar ik samen met het veld aan werk, zoals het verlagen van de werkdruk, het zorgen voor meer professionele ruimte en het slim inzetten van ICT, een rol spelen bij het aantrekkelijker maken van het beroep van leraar en zo een bijdrage leveren aan het terugdringen van de tekorten.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg van 21 februari a.s. over leraren?
Ja.
Het bericht ‘Marine (19) wil officier van justitie worden, maar waar blijft haar paspoort?’ |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Marine (19) wil officier van justitie worden, maar waar blijft haar paspoort?»?1
Ja.
Bent u van mening dat kinderen en jongvolwassenen die onder het generaal pardon vallen voldoende kansen moeten krijgen om als Nederlander aan onze maatschappij bij te dragen?
Ja.
Klopt het dat van de 27.000 vreemdelingen die onder het pardon vielen, het nog niet bij de helft gelukt is het Nederlanderschap te verkrijgen?
Van de personen die zijn gestart met een verblijfsvergunning op grond van de regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet (Ranov) is op 31 december 2017 inmiddels 48% Nederlander. Ook op 31 december 2017 is nog 45% (afgerond 12.910 personen) in Nederland woonachtig met een verblijfsvergunning. De meerderheid daarvan heeft een verblijfsvergunning op grond van de regeling, terwijl een kleine minderheid een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft. Daarnaast is van de oorspronkelijke groep ranov-vergunninghouders volgens de basisregistratie personen 3% vertrokken naar een onbekende bestemming, 1% met opgave van adreswijziging naar het buitenland vertrokken en 1% overleden. Van 1% van de oorspronkelijke groep is in de loop van de tijd het verblijfsrecht ingetrokken.
Hoe gaat u de uitvoering van de aanbeveling van de Nationale ombudsman om communicatie tussen gemeenten en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te verbeteren monitoren, zoals aangekondigd in uw reactie op de aanbeveling van de Nationale ombudsman? Op welke termijn worden van deze verbetering de resultaten verwacht?
Zoals ik in mijn reactie van 27 november 2017 aan de Nationale ombudsman heb aangegeven, is het belangrijk dat het voor medewerkers van een gemeente, mede met het oog op deskundigheidsbevordering, mogelijk is om de IND te benaderen voor het stellen van inhoudelijke vragen aan gespecialiseerde naturalisatiemedewerkers, ook voor vragen over zaken waar bewijsnood aan de orde kan zijn. Ik heb daarom de – al bestaande – instructie voor medewerkers van de ketenservicelijn om bij inhoudelijke vragen door te verbinden met een gespecialiseerde medewerker nogmaals onder de aandacht gebracht.
Medewerkers van gemeenten kunnen ook per mail aan gespecialiseerde IND-medewerkers vragen te stellen. De gemeenten zijn daarover geïnformeerd via de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) die onder andere op het gebied van naturalisatie de belangen behartigt van de aangesloten Nederlandse gemeenten.
In het periodiek overleg met de NVVB wordt besproken hoe de onderlinge communicatie verder kan verbeteren en kan bijdragen aan de deskundigheidsbevordering bij gemeenten, om de potentiële naturalisatieverzoeker zo vroeg mogelijk de juiste informatie te kunnen geven.
De IND website bevat al een paar jaar informatie voor vreemdelingen die willen naturaliseren, maar mogelijk niet over de juiste bewijsstukken beschikken. Hier is voor een aantal landen concrete informatie te vinden over welke documenten uit een bepaald land worden verwacht in de naturalisatieprocedure en waar die documenten kunnen worden verkregen. Daarnaast staat er algemene informatie over niet-erkende staten en is er informatie te vinden over te overleggen documenten voor staatloze vreemdelingen en voor meenaturaliserende minderjarigen. De informatie op de website van de IND wordt up-to-date gehouden en waar mogelijk uitgebreid. De website is raadpleegbaar door medewerkers van gemeenten, die advies willen geven aan hun klanten, die Nederlander willen worden.
Op termijn kan een verbeterde digitalisering de gemeenten ook helpen om de juiste informatie (waaronder bewijsnood-documenten) aan te leveren aan de IND. Om dat te realiseren is de IND in samenwerking met een aantal gemeenten sinds kort een project gestart.
Is het waar dat binnen het kader van de Rijkswet op het Nederlanderschap het kennelijk belang van de minderjarige niet doorslaggevend kan zijn maar wel zwaarder zou kunnen worden gewogen?
Het wettelijk stelsel voor naturalisatie is dat een legaal in Nederland verblijvend minderjarig kind meenaturaliseert met de naturaliserende ouder(s). Dit betekent dat een meerderjarige vreemdeling een hemzelf betreffend naturalisatieverzoek indient en daarbij zijn legaal in Nederland woonachtige minderjarige kind(eren) opgeeft voor de zogenaamde medenaturalisatie. Een minderjarige kan niet een eigen naturalisatieverzoek indienen.
Aan een minderjarige kan volgens het wettelijk stelsel geen medenaturalisatie worden verleend als het hoofdverzoek om naturalisatie van de ouder moet worden afgewezen. Dit betekent dat als de ouder niet wordt genaturaliseerd, een verzoek tot medenaturalisatie ook wordt afgewezen.
Zonder het opzij zetten van op dit moment aan de ouder gestelde voorwaarden voor naturalisatie, is het niet mogelijk om vanwege een bepaald belang van de minderjarige deze minderjarige mee te naturaliseren.
Piratenzenders |
|
Henk Nijboer (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er heel veel mensen als zender en als luisteraar plezier beleven aan zogenaamde piratenzenders?
Ja.
Bent u ermee bekend dat er steeds meer onbemande piratenzenders komen?
Ja.
Wat vindt u ervan dat er steeds meer piraten wegens het strikte handhavingsbeleid vanuit bossen en andere afgelegen plaatsen uitzenden? Brengt dat risico’s, zoals bijvoorbeeld voor de brandveiligheid, met zich mee?
Agentschap Telecom is verantwoordelijk voor het beheer van het radiospectrum. Radiospectrum is namelijk schaars. Ordening van het spectrum is dus nodig om FM-radio, mobiele communicatie en andere toepassingen mogelijk te maken. Dit betekent ook dat tegen illegaal gebruik dient te worden opgetreden.
Bij illegale radiouitzendingen vanuit bossen of andere afgelegen plaatsen zijn er, naast verstoring van legale uitzendingen van publieke en commerciële radioomroepen die hierdoor economische schade lijden, ook andere gevolgen. Het gaat dan om milieudelicten (bijvoorbeeld het gebruik van dieselaggregaten in natuurgebieden of asbestbeplating om ontmanteling van opstelpunten tegen te gaan) en vernielingen aan onderdelen van vitale delen van diverse infrastructuren. Voorbeelden daarvan zijn het onklaar maken van de aansturing van stuwen die belangrijk zijn voor onze waterhuishouding, het onklaar maken van antenne-opstelpunten, waardoor het mobiel bereiken van 112 en de dekking in landelijke gebieden in gevaar kunnen komen en verstoringen in cruciale frequentiebanden, zoals C2000, de luchtvaartband en calamiteitenzenders. Tot slot ondervinden ook burgers door illegaal uitzenden overlast bij de ontvangst van hun favoriete publieke of commerciële radiostation.
Wat vindt u ervan dat er boetes van 10.000 euro en meer worden opgelegd voor mensen die hun hobby uitoefenen? Is dat niet buitensporig?
Ik heb er uiteraard geen bezwaar tegen dat mensen een hobby uitoefenen, maar als de uitoefening van die hobby gepaard gaat met illegale activiteiten dan treedt Agentschap Telecom daar – vanwege de in het geding zijnde maatschappelijke belangen – tegen op. Er zijn diverse legale alternatieven om deze hobby uit te oefenen (zie ook het antwoord op vraag 6). Daarnaast worden boetes altijd proportioneel opgelegd en regelmatig in procedures getoetst door de rechter. Voor de nadere beeldvorming: de gemiddeld opgelegde boete in 2017 is rond de 3.000 euro geweest.
Bent u gezien het afnemen van het belang van frequenties en het meer digitaal uitzenden van programma’s bereid te kijken of mensen hun hobby kunnen uitvoeren op een fatsoenlijke manier, vanzelfsprekend rekening houdend met vliegverkeer en militair gebruik van frequenties?
Hoewel digitalisering de toekomst van etherradio is (o.a. via DAB+), is het belang van de FM-omroepband op dit moment nog steeds groot. Agentschap Telecom kan dan ook niet toestaan dat mensen vanuit hun hobby op illegale wijze in deze band uitzenden. Op dit moment is er nog geen afschakeldatum voor FM bekend. Ook is er nog geen alternatieve bestemming voor de FM-band na afschakeling bekend. Om bij wijze van hobby te willen uitzenden, zijn diverse legale alternatieven voorhanden (zie ook het antwoord op vraag 6).
Bent u bereid piraten en hun luisteraars de mogelijkheid te geven van hun hobby te genieten als ze dat netjes doen en daarvoor mogelijkheden te zoeken?
Zie ook het antwoord op vraag 4. Er zijn voldoende alternatieven beschikbaar voor mensen die radio willen maken. In het verleden zijn de lokale publieke omroepen mede ontstaan uit deze behoefte. Daarnaast biedt het internet mogelijkheden die ook al door diverse ex-piraten worden benut. Ook bestaat de mogelijkheid om capaciteit te huren op een DAB+ netwerk of om een laagvermogen middengolfvergunning (AM) aan te vragen. Tot slot bestaat de mogelijkheid om voor een bepaald lokaal evenement een (tijdelijke) evenementenvergunning aan te vragen op de FM-band.
Is het zo dat door het huidige stevige boetebeleid er meer maatschappelijke schade ontstaat door onbemande zenders, dan enkele jaren geleden met een ander boetebeleid?
Het boetebeleid is erop gericht om illegale activiteiten te doen stoppen dan wel sterk te doen verminderen. Uit de dalende cijfers van Agentschap Telecom kan worden afgeleid dat het beleid succesvol is.1 De door de illegale activiteiten veroorzaakte schade ligt breder dan alleen de genoemde verstoringen en bedreigingen van (vitale) infrastructuren. Veelal is er ook sprake van milieuschade en/of openbare orde-problematiek. Om deze problematiek aan te pakken, zoekt Agentschap Telecom steeds vaker de samenwerking met het Openbaar Ministerie en de politie, maar ook met andere belanghebbenden zoals gemeenten, mobiele operators en natuurbeheerders.
Bent u bekend met brede steun voor de oproep om piratenmuziek als cultureel erfgoed aan te merken? Bent u bereid die oproep te ondersteunen?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het is niet gebruikelijk dat het kabinet dergelijke oproepen ondersteunt. Mochten er partijen zijn die dit overwegen, dan kunnen zij zich online aanmelden voor het Netwerk Immaterieel Erfgoed van het Kennisinstituut Immaterieel Erfgoed Nederland: https://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/page/448/procedure.