De reactie op de steunmaatregelen aan pluimveehouders in België naar aanleiding van de fipronilcrisis |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is de veronderstelling juist dat Dega-16 in België niet voorkomt op de lijst met toegelaten biociden?1 2
Ja. In België heeft en had het product Dega-16 geen toelating als biocide. In mijn brief van 8 februari jongstleden (Kamerstuk 26 991, nr. 519) heb ik aangegeven dat de Belgische situatie in zoverre van de situatie in Nederland verschilt dat Dega-16 (zonder de toevoeging van fipronil) in België wel was toegelaten, maar in Nederland niet. Gebleken is dat de mij beschikbare informatie over de Belgische situatie niet juist was. Ik verwijs uw Kamer verder naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 3.
Hoe waardeert u het feit dat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen aangeeft dat Dega-16 een biologisch product is op basis van plantenextracten en daarom niet onderworpen hoeft te worden aan een voorafgaande registratie of toelating?3
De Biocidenverordening schrijft voor dat alle stoffen en middelen met als doel een schadelijk organisme te doden of verdrijven, af te schrikken of de effecten van die organismen te voorkomen, biociden zijn en derhalve een toelating behoeven.
De claim van het product (of de beoogde toepassing) is daarmee bepalend voor de vraag of en zo ja, welke toelating voor het product is vereist. Op het etiket van een Belgische leverancier wordt de claim gehanteerd dat Dega-16 «… de omgeving van [uw] dieren onaanlokkelijk [maakt] voor luizen en mijten». Dit is dus een biocidetoepassing, waarmee een toelating is vereist. Of het middel van natuurlijke of biologische oorsprong is of niet, is daarbij dus niet relevant. De claim op het etiket maakt dat het middel wel een toelating nodig heeft. Uit de informatie die ik van de Belgische autoriteiten hierover in de afgelopen weken heb ontvangen, concludeer ik dat België de Biocidenverordening op deze zelfde wijze interpreteert als Nederland. Dat een product geen toelating of vergunning nodig zou hebben, omdat het middel biologisch of natuurlijk is, kan ik tegen deze achtergrond daarom niet goed plaatsen. Ik verwijs uw Kamer verder naar de beantwoording van de vragen van uw Kamer in het verslag van het schriftelijk overleg van 18 augustus 2017 (Kamerstuk 26 991, nr. 488).
Hoe is uw stelling dat Dega-16 een biocide is te rijmen met de uitspraak van een Belgische Minister dat Dega-16 verkocht werd als een natuurlijk middel zonder biocide en dat dan geen vergunning nodig is?4
Zie antwoord vraag 2.
Is de veronderstelling juist dat Dega-16 zowel in Nederland als in België niet officieel toegelaten is als biocide en dat ten aanzien van de vraag of sprake is van ongeoorloofde staatssteun derhalve geen sprake is van een wezenlijk andere situatie in Nederland dan in België?
De veronderstelling dat Dega-16 zowel in Nederland als België niet is of was toegelaten als biocide is juist. De feiten en ontwikkelingen in België doen niet af aan het Nederlandse standpunt dat compensatie door de overheid niet aan de orde is als schade is veroorzaakt door het handelen van private partijen. Daarnaast is terughoudendheid geboden vanwege de lopende juridische procedure.
Hoe waardeert u het feit dat in het goedkeuringsbesluit de Europese Commissie Dega-16 op zichzelf niet aanmerkt als verboden middel en dat de Europese Commissie van oordeel is dat «de primaire pluimveebedrijven en de producten ervan met een illegaal gebruikt product [zijn] verontreinigd, zonder dat de landbouwers dit wisten en op een wijze die zij niet konden voorzien of voorkomen»?5
Ik constateer dat de Europese Commissie op basis van de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie over de voorgenomen staatssteun besloten heeft daartegen geen bezwaar te maken; zie daarvoor onder andere de punten 9 en 35 van het besluit SA.49328 (2017/N). Nederland heeft het standpunt dat ondernemers in de voedselproductiesector, conform de General Food Law6, zelf de veiligheid en kwaliteit van hun producten moeten garanderen en de primaire controlemechanismen daarvoor in werking dienen te stellen. Deze ondernemers zijn derhalve in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en de kwaliteit van hun producten. Dit houdt dus ook in het in werking stellen van controlemechanismen om ongewenste producten uit hun voedselproductiebedrijf te weren en een grote mate van waakzaamheid voor zogenaamde wondermiddelen. Verder verwijs ik uw Kamer naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 3 en naar de antwoorden van de voormalige Staatssecretaris van Economische Zaken op de vragen van D66 in het verslag van het Schriftelijk Overleg van 18 augustus 2017 (Kamerstuk 26 991, nr. 488, pagina 37) en op de vragen van D66 over het zogenaamde «wondermiddel» in het verslag van het Algemeen Overleg van 24 augustus 2017 (Kamerstuk 26 991, nr. 490, pagina 47 en 48).
Is de veronderstelling juist dat op het etiket van Dega-16 staat dat het de omgeving onaanlokkelijk maakt voor luizen en mijten en dat derhalve geen sprake is van een toxische werking?
Op het etiket van Dega-16 van een Belgische leverancier staat: «Dega-16 maakt de omgeving van uw dieren onaanlokkelijk voor luizen en mijten». Informatie omtrent het etiket van Dega-16 dat in Nederland is toegepast, is onderdeel van het bewijs, dat nog niet is vrijgegeven door het (Nederlandse) Openbaar Ministerie. Echter, de claim dat een middel de omgeving onaanlokkelijk maakt voor luizen en mijten, is een biocideclaim. Dat betekent dat een dergelijk product een toelating nodig heeft, voordat het op de markt wordt gebracht. Het feit of het product wel of niet toxisch is, staat daar geheel los van. Ik verwijs uw Kamer verder naar mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Bent u, gelet op het feit dat in Nederland geen sprake is van een wezenlijk andere situatie dan in België, alsnog bereid te bezien of meer steun gegeven kan worden aan getroffen pluimveebedrijven?
Ik verwijs uw Kamer hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 4 en 5.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Dierziekten en antibioticabeleid op 15 februari 2018?
Ik heb uw Kamer op 14 februari 2018 per brief geïnformeerd dat het niet mogelijk was om de vragen binnen enkele dagen te beantwoorden (Aanhangsel van de Handelingen II 2017/18, nr. 1165).
Het bericht dat agrarische adviseurs de noodklok luiden over aanpassingen van het stikstofrekenmodel AERIUS |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de aanpassingen van het rekenmodel AERIUS onverwachte gevolgen hebben voor vergunningaanvragen door veehouders?1
Ja.
Hoe waardeert u het signaal dat door de aanpassingen van het rekenmodel verschillende vergunningaanvragen waarbij sprake is van gelijkblijvende ammoniakemissie toch dreigen te stranden?
Het kan voorkomen dat een afname van de emissie tot een toename van de depositie leidt op sommige locaties. Een toename in depositie wordt dan veroorzaakt door (kleine) wijzigingen in de locatie van de emissiepunten. Het rekenresultaat is een logisch gevolg van de gebruikte rekenmethodiek. Het rekenmodel bepaalt voor een zogenaamde «bron-receptor-relatie» het dominante landgebruik in het tussengelegen traject. Een kleine verplaatsing van de emissiebron leidt tot een ander traject en dit kan dan leiden tot een ander dominant landgebruik en daarmee tot een andere depositie.
Het voorkomen van dit soort onverwachte rekenresultaten is bekend. Een rekenmodel is een benadering van de werkelijkheid. In de continue doorontwikkeling van het rekenmodel wordt bekeken in hoeverre de methodiek aangepast kan worden zodat de onverwachte resultaten zich niet meer voordoen. Specifiek voor bovengenoemd punt wordt op dit moment gewerkt aan een verdere verfijning van het rekenmodel in het benaderen van de werkelijkheid.
De implementatie van deze verfijning is voorzien bij de eerstvolgende actualisatie van het PAS.
Het is overigens niet zo dat het rekenmodel op dit punt is gewijzigd sinds de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof.
Klopt de veronderstelling dat een groot deel van de lopende vergunningaanvragen zonder extra emissiereductie niet gehonoreerd kan worden?
In de meeste gevallen kunnen vergunningaanvragen met een emissiereductie gehonoreerd worden. In de gevallen dat de vergunningaanvraag leidt tot een toename van de depositie moet beoordeeld worden of er voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is. Op dit moment is bekend dat slechts enkele vergunningaanvragen waarbij een verplaatsing van de emissiebronnen van enkele meters leidt tot een depositietoename op grotere afstand niet gehonoreerd kunnen worden.
Kunt u verklaren hoe het mogelijk is dat, zoals in de praktijk is gebeurd, een bedrijf ondanks een gelijk aantal dieren, een gelijke (vorm van) luchtuitstroom van alle stallen, afname van de ammoniakemissie met meer dan 5.000 kg NH3 per jaar en een beperkte verschuiving van emissiepunten door verlenging van enkele stallen, desondanks met de AERIUS Calculator geconfronteerd kan worden met een hogere depositie op enkele Natura 2000 gebieden?
Het rekenhart van AERIUS, OPS, bepaalt voor het traject tussen de emissiebron en een hectare in een Natura 2000-gebied het dominante landgebruik in het tussengelegen traject. Landgebruik is medebepalend voor de snelheid waarmee stoffen neerslaan. Een kleine verplaatsing van de emissiebron leidt tot een ander traject en dit kan leiden tot een ander dominant landgebruik. Een (kleine) verschuiving van de ligging/uitstroomopening van de emissiebron kan dus leiden tot een andere verspreiding en daarmee tot andere depositieresultaten.
Bent u bereid in overleg met betrokken adviseurs, sectoren en wetenschappers de knelpunten met betrekking tot de wijziging van het rekenmodel op 1 september 2017 te inventariseren en op basis daarvan het functioneren van het rekenmodel te evalueren?
Zoals hierboven aangegeven is bekend dat het rekenmodel in enkele gevallen onverwachte rekenresultaten kan opleveren. Dit wordt meegenomen in de continue ontwikkeling van de rekenmethodiek.
De positie van woongroepen voor ouderen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u in algemene zin de functie van seniorenwoongroepen, waarbij deze als woongroep meerdere wooneenheden kunnen omvatten, met een gemeenschappelijke, onderlinge sociale inzet voor bewoners?
Uit diverse onderzoeken1 blijkt dat de meeste ouderen aangeven zo lang mogelijk in hun huidige woning te willen blijven wonen. De verhuisgeneigdheid onder ouderen is over het algemeen dan ook laag. Dat neemt niet weg dat er een substantiële groep ouderen is die er voor kiest op latere leeftijd te verhuizen. Dat kan bijvoorbeeld zijn naar een kleinere woning, een woning die dichterbij voorzieningen ligt of naar een geclusterde woonvorm. In deze woonvorm is vaak een algemene ruimte aanwezig voor ontmoeting. Er bestaan veel variaties in woonvormen voor senioren, zoals een woonzorgcentrum, een aanleunwoning of een serviceflat. Een seniorenwoongroep is ook een dergelijke variant. Ontmoeting en samenzijn is voor ieder mens belangrijk, dat geldt zeker op oudere leeftijd als de mobiliteit vaak minder wordt. Een woongroep kan dus zeker een belangrijke sociale functie hebben.
Deelt u de mening dat dergelijke particuliere woongroepen, die soms hun wooneenheden huren en combineren tot woongroep via een woningcorporatie – zoals bij woningstichting De Key voor de seniorenwoongroep Ouderen Non Solus in Amsterdam – een belangrijke sociale functie hebben?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dergelijke woongroepen van dusdanig maatschappelijk en sociaal belang zijn voor de vaak oudere bewonersgroepen, dat daarom verkoop van dergelijke panden door een woningcorporatie niet ten koste mag gaan van het voortbestaan van een seniorenwoongroep? Zo ja, wat betekent dat concreet voor uw beleid op dat terrein richting woningcorporaties? Zo, nee waarom niet?
De corporatiesector heeft van het Rijk vier volkshuisvestelijke prioritaire thema’s meegekregen voor de periode 2016–2019. De corporaties dienen de volkshuisvestelijke prioriteiten te betrekken in het jaarlijkse overzicht van voorgenomen werkzaamheden dat zij aan huurdersorganisaties en gemeenten voorleggen te bespreking. De huisvesting van ouderen en wonen met zorg is een van de volkshuisvestelijke prioriteiten. Gemeente, huurdersorganisaties en woningcorporaties maken vervolgens op lokaal niveau gezamenlijk prestatieafspraken. Plannen om huurwoningen te verkopen zijn onderdeel van de lokale prestatieafspraken tussen woningcorporaties, gemeenten en huurdersorganisaties. In dit proces kunnen ook afspraken worden gemaakt hoe om te gaan met specifieke woonvormen zoals woongroepen voor ouderen.
Naast de prestatieafspraken hebben bewoners (bij blijvend gereguleerde woningen) en gemeente vanuit de Woningwet ook het recht om hun zienswijze te geven bij een voorgenomen verkoop van de corporatiewoning. De Autoriteit woningcorporaties betrekt de zienswijzen bij de verkopen waarvoor toestemming wettelijk verplicht is.
De geldende regels bieden naar mijn inzicht voldoende waarborgen om op lokaal niveau de afweging te maken over hoe woningcorporaties met seniorenwoongroepen omgaan en mogelijkheden om afspraken te maken over de verkoop van woningen waarin oudere bewonersgroepen wonen.
In welke mate kan een woningcorporatie of een nieuwe eigenaar het gebruikslabel, zoals het label seniorenwoning, voor een woning of een complex wijzigen voor of na een verkoop ervan?
Er zijn zeer veel definities voor een woning die bestemd is voor ouderen, voorbeelden zijn seniorenwoning, ouderenwoning, aangepaste woning en levensloopbestendige woningen. Er bestaan hiervoor geen wettelijk vastgestelde definities. De koper van een huurwoning is dus vrij het voor hem wenselijke gebruikslabel te gebruiken en te wijzigen. Hij dient vanzelfsprekend wel de rechten van de zittende huurders te respecteren.
Bent u bereid om woningcorporaties, die dergelijke seniorenwoongroepen als huurder en gebruiker hebben, erop te wijzen dat zij de stabiliteit en het voortbestaan van deze seniorenwoningen en -groepen dienen te waarborgen, ook bij verkoop van dit bezit?
In de prestatieafspraken maken gemeente, huurdersorganisaties en corporaties afspraken over de bijdrage van de corporaties aan hetgeen voor de lokale volkshuisvesting nodig is. Het onderwerp van seniorenwoongroepen is een onderwerp waarover in dit kader ook afspraken gemaakt kunnen worden. Tevens bestaat de mogelijkheid voor lokale partijen om afspraken te maken over eventuele verkoopvoorwaarden ten aanzien van de exploitatie van het bezit door de nieuwe eigenaar. Daarbij zie ik op dit moment geen rol voor de rijksoverheid om in dergelijke lokale aangelegenheden sturend op te treden, gelet op de waarborgen die er zijn voor lokale partijen om in gezamenlijkheid invulling te geven aan het volkshuisvestelijke beleid.
De veiligheid van vrouwen op het internet |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Frans rapport: vrouwen zijn nog steeds niet vrij en veilig op internet»1 en het rapport «En finir avec l’impunité des violences faites aux femmes en ligne: une urgence pour les victimes»?2
Ja.
Heeft u een indicatie van het aantal klachten dat vanwege seksisme en bedreigingen van vrouwen bij de desbetreffende sociale media in Nederland jaarlijks wordt ingediend? Zo ja, hoe vaak gebeurt dit? Zo nee, waarom niet en deelt u dan de mening dat het goed zou zijn dit te laten onderzoeken en hoe gaat u hier voor zorgen?
Ik beschik niet over dergelijke cijfers. In de politie informatiesystemen wordt niet specifiek geregistreerd op internetbedreiging van vrouwen, maar nieuwe vormen van seksuele intimidatie en seksueel grensoverschrijdend gedrag waaraan vrouwen worden blootgesteld, hebben wel degelijk mijn aandacht. In mijn brief van 8 maart jl.3 heb ik aangegeven welke aanpak mij voor ogen staat om onwenselijk (seksueel) gedrag aan te pakken. Waar normstelling en strafrechtelijk optreden een rol kunnen hebben, zal ik die benutten om (seksueel) grensoverschrijdend gedrag aan te pakken.
Zijn de percentages van het aantal door Facebook, Twitter en YouTube na klachten verwijderde berichten in Nederland vergelijkbaar met die in Frankrijk? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit schrikbarend lage percentages zijn en wat kunt u doen om de social media er van te doordringen dat dergelijke klachten serieus moeten worden genomen? Zo nee, hoe hoog zijn die percentages dan wel?
In Frankrijk is onderzoek gedaan naar het aantal verwijderde berichten na het indienen van een klacht. De onderzoeksresultaten zijn gepubliceerd door de Franse Adviesraad voor Gelijke Rechten voor Mannen en Vrouwen. Een vergelijkbaar onderzoek in Nederland is mij niet bekend. Een vergelijking met percentages in Frankrijk kan ik dan ook niet maken.
Wel heb ik mij tijdens een werkbezoek aan de stichting Pretty Woman in Utrecht waarbij andere hulporganisaties, gemeenten en de politie aanwezig waren, laten informeren over vergelijkbare fenomenen die de veiligheid en waardigheid van vrouwen bedreigen. Elk slachtoffer van (seksueel) geweld of intimidatie is er een te veel. Kennis en kunde van organisaties als Pretty Woman om slachtoffers voor te lichten en te ondersteunen over fenomenen als online exposing, zouden ook elders in het land benut kunnen worden. Hiervoor ga ik zoals aangegeven in mijn brief van 8 maart jl.4 in gesprek met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media.
Deelt u de mening dat sociale media zelf actief bedreigingen en uitingen van seksueel geweld op hun sites zouden moeten opsporen en verwijderen? Zo ja, in hoeverre doen zij dit ook daadwerkelijk? Zo nee, waarom niet en hoe kunt u ze daartoe aanzetten of dwingen?
Ik zie dat inderdaad als een verantwoordelijkheid van de aanbieders van sociale media. De impact van dit soort berichten op slachtoffers is groot. Zij kunnen zich niet of nauwelijks verweren. Daarom onderstreep ik het belang van het doen van aangifte bij de politie. Verder hebben overheid, bedrijfsleven (ICT-bedrijven) en belangenverenigingen in 2008 samen de gedragscode «Notice and Take Down» (NTD) opgesteld en gelanceerd. De gedragscode, op vrijwillige basis, beschrijft hoe particulieren en bedrijven in de online sector omgaan met meldingen en klachten over onrechtmatige inhoud op internet, zoals kinderporno, plagiaat, discriminatie en aanbod van illegale goederen. Met de gedragscode wordt bevorderd dat binnen de geldende wettelijke kaders deelnemende partijen als ICT bedrijven een melding te onderzoeken en op basis van dat onderzoek het materiaal te verwijderen als het illegaal is (of in strijd met algemene voorwaarden wordt gezien).
Met verschillende (internationale) ICT-bedrijven heb ik op 27 maart jl. gesproken over de aanpak van online seksueel kindermisbruik. De bovengenoemde NTD-procedure kwam daarbij ook aan de orde. Mochten zich in deze context vanuit de publiek-private aanpak van online seksueel kindermisbruik goede voorbeelden voordoen, dan zal ik met partijen gaan bespreken in hoeverre deze voorbeelden zich ook voor andere terreinen lenen.
Geldt het artikel 222–33 uit de Franse Code Pénal waarin – samengevat – seksuele intimidatie strafbaar is gesteld ook voor vormen van online seksuele intimidatie? Deelt u de mening dat een dergelijke bepaling ook in Nederland zou moeten gelden en wilt u dit dan meenemen in de discussie over de aangekondigde herziening van de zedentitel uit het Wetboek van Strafrecht?
Artikel 222–33 van de Franse Code Pénal stelt verschillende vormen van (seksuele) intimidatie strafbaar. Sinds 2014 is online intimidatie specifiek strafbaar gesteld in artikel 222-33-2-2. In het kader van het lopende deskundigenoverleg over de modernisering van de zedenwetgeving wordt onderzocht of er aanleiding is voor een zelfstandige strafbaarstelling van (online) seksuele intimidatie in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Na afronding van dit overleg zal uw Kamer over de uitkomsten hiervan worden geïnformeerd.
Vooruitlopend op de modernisering van de zedenwetgeving breng ik, zoals aangekondigd in voornoemde brief van 8 maart jl.5, in het voorjaar van 2018 een wetsvoorstel herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen in procedure, waarin een afzonderlijke strafbaarstelling van misbruik van seksueel beeldmateriaal wordt opgenomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het regeerakkoord waarin staat dat wraakporno een specifieke vorm van online intimidatie is. De strafbaarstelling wordt zo geformuleerd dat nieuwe en toekomstige vormen van aan wraakporno verwante vormen van misbruik van seksueel beeldmateriaal daar ook onder vallen.
Het feit dat een mantelzorger opdraait voor de kosten van een begrafenis |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een mantelzorger opdraait voor de begrafeniskosten van degene die hij verzorgde?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit nooit de bedoeling kan zijn van de Wet op de lijkbezorging? Zo nee, waarom niet?
Laat ik voorop stellen dat ik dergelijke situaties treurig vind. Mantelzorgers zijn van onschatbare waarde in onze samenleving. Er zijn regels zijn over de kosten van een begrafenis in het geval er geen nabestaanden of erfgenamen zijn. In de Wlb staat (artikel 20) dat indien niemand maatregelen neemt tot lijkbezorging, degene die het lijk onder zijn berusting heeft de burgemeester waarschuwt. De burgemeester draagt in die gevallen zorg voor de lijkbezorging (artikel 21, eerste lid). De kosten die hieraan verbonden zijn, komen ten laste van de gemeente. De burgemeester draagt geen zorg voor de kosten wanneer er erfgenamen dan wel nabestaanden (nagelaten betrekkingen) zijn. De kring van (nagelaten) betrekkingen kan, gelet op hetgeen de wetgever voor ogen had, verder reiken dan die van de nabestaanden en van de erfgenamen. Het begrip «nagelaten betrekkingen» is afhankelijk van de feitelijke betrekkingen. Dit betekent dat indien iemand maatregelen neemt voor lijkbezorging – en daarmee de opdracht heeft gegeven voor de uitvaart –, hij degene is die de kosten hiervoor draagt. De wet biedt overigens ruimte voor gemeenten om een eigen afweging te maken om alsnog de kosten voor haar rekening te nemen. Ik realiseer me wel dat de regels uit de Wlb niet bij iedere burger bekend zijn. Daarom zal ik in gesprek gaan met gemeenten om te bezien hoe de regels beter bekend kunnen worden gemaakt om dit soort situaties te kunnen voorkomen.
Was er volgens u ruimte voor de gemeente om hierin anders te handelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de wet eventueel te herzien, zodat situaties als deze niet meer voor kunnen komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De opkomst van privéklinieken in Twente en de bezuinigingen in de Twentse ziekenhuizen |
|
Nine Kooiman |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat vindt u ervan dat, naast het ziekenhuis in Hengelo, een privékliniek is gestart met het bieden van geneeskundige zorg voor maag-, darm- en leverziektes?1
Ik was er voor u deze vragen stelde nog niet van op de hoogte. Ik ga hier echter ook niet over; dit is een private aangelegenheid. Ik vind het belangrijk dat er voor de inwoners van de regio voldoende, tijdige en kwalitatief goede medisch noodzakelijke zorg beschikbaar is, en dat deze zorg voldoet aan alle regels die hieraan worden gesteld. Of deze zorg door een ziekenhuis of een zelfstandig behandelcentrum / privékliniek wordt geleverd, maakt daarbij niet uit.
Hoe lang bent u al op de hoogte dat een privékliniek zich heeft gevestigd naast het ziekenhuis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het acceptabel dat een privékliniek zich heeft gevestigd naast het ziekenhuis en geneeskundige privézorg aanbiedt, terwijl het ziekenhuis in Hengelo uitgekleed is door bezuinigingen die bestuurders van de Ziekenhuisgroep Twente (ZGT) hebben genomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke noodzaak is er om een privékliniek te starten naast het ziekenhuis, terwijl deze zorg prima in het ziekenhuis geboden kan worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de betrokkenheid van de bestuurders en toezichthouders van ZGT Hengelo bij de komst van deze privékliniek? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik ben hier niet van op de hoogte en laat het graag aan de partijen zelf om hierover met elkaar in gesprek te gaan.
Is de gemeenteraad betrokken geweest bij het besluit om een privékliniek naast het ziekenhuis te vestigen en op welke wijze is de gemeenteraad geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat de publieke zorg steeds meer verdwijnt uit Hengelo en dat deze zorg overgenomen wordt door privéklinieken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2, 3 en 4.
Bent u bereid in te grijpen in het beleid van ZGT Hengelo en te zorgen dat mensen te allen tijde toegang hebben tot alle medisch noodzakelijke zorg in het ziekenhuis en zich niet hoeven te wenden tot een dure privékliniek of een ziekenhuis verderop in de regio? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2, 3 en 4. Ik wil ontkrachten dat medisch noodzakelijke zorg (zoals opgenomen in het basispakket van de Zorgverzekeringswet) per definitie duurder is wanneer deze wordt geleverd in een privékliniek c.q. zelfstandig behandelcentrum. Bepalend voor de vraag hoeveel kosten iemand maakt voor medisch noodzakelijke zorg is afhankelijk van andere factoren dan het type instelling dat het betreft. Bijvoorbeeld de vraag of sprake is van gecontracteerde zorg en de hoogte van iemands eigen risico.
Wat vindt u ervan dat ZGT Hengelo in financieel zwaar weer verkeert, mede door lagere tarieven die zijn vergoed door zorgverzekeraar Menzis, maar dat dezelfde zorgverzekeraar wel investeert in allerlei privéklinieken omdat hij vindt dat medische zorg efficiënter buiten het ziekenhuis gegeven kan worden?2
Zie mijn antwoord op vraag 9 uit uw set schriftelijke vragen van 23 januari jongstleden.
Vindt u het acceptabel dat de Nederlandse Zorgautoriteit (Nza) en zorgverzekeraar Menzis de groei van privéklinieken in Twente toejuichen?3
Ik laat het graag aan Menzis over om te bepalen welk standpunt de verzekeraar inneemt. Wat de NZa betreft verwijst u waarschijnlijk naar het NZa-rapport «Wachttijdprojecten – hoe staan we ervoor?». In dit rapport heeft de NZa aangegeven dat het in beeld brengen van het zorgaanbod van zelfstandige klinieken een positief effect heeft op de wachttijden, die hierdoor mogelijk verder teruggedrongen worden. Wat privéklinieken en zelfstandige behandelcentra betreft is de NZa hetzelfde standpunt als ik toegedaan; zie mijn antwoord op de vragen 1, 2, 3 en 4.
Deelt u de mening dat ziekenhuizen uitgerust dienen te worden met voldoende budget, zodat de zorg niet versnipperd hoeft te worden over privéklinieken en ziekenhuizen daardoor niet uitgekleed hoeven te worden? Zo ja, wat is uw standpunt hierin? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2, 3 en 4.
Deelt u de mening dat indien ziekenhuizen uitgerust worden met voldoende budget, de wachtlijsten aanzienlijk zouden slinken, aangezien de argumenten dat wachtlijsten in privéklinieken korter zijn dan in ziekenhuizen en de kwaliteit beter, immers het gevolg zijn van onvoldoende budget voor de ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?4
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2, 3 en 4.
Bent u bereid de Nza en Menzis een halt toe te roepen en eerst te investeren in goede ziekenhuiszorg in Twente, voordat ziekenhuizen en poliklinieken uitgekleed of gesloten worden en medische zorg niet versnipperd wordt? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2, 3 en 4.
Hoe geeft u gevolg aan het bericht dat opnieuw 168 voltijdbanen worden wegbezuinigd bij het Medisch Spectrum Twente (MST)?5 6
Medisch Spectrum Twente heeft mij laten weten dat de 168 fte onderdeel is van de begin 2017 aangekondigde reductie in werkgelegenheid van 300 fte. Het betreft een voorgenomen besluit, waarover onder andere de Ondernemingsraad nog advies moet geven. De verwachting is dat een groot deel van de reductie in werkgelegenheid via natuurlijk verloop zal kunnen worden opgevangen, aldus MST.
Ik vind het nooit prettig om te horen dat een organisatie moet reorganiseren, zeker niet als dit mogelijk tot gedwongen ontslagen leidt. Het is echter de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur van het ziekenhuis om hierin de beslissingen te nemen en daarbij een zorgvuldig proces te doorlopen. Zie ook de antwoorden op Kamervragen van uzelf en lid Marijnissen (SP) over de ontslagen bij ziekenhuis Medisch Spectrum Twente (MST) Enschede d.d. 25 september 2017 (AH 2017–2018, nr.45).
Vindt u het wenselijk dat bestuurders een nieuw ziekenhuis bouwen en daarna honderden banen schrappen om maar weer financieel gezond te kunnen zijn? Vindt u het wenselijk dat bestuurders kennelijk meer bezig zijn met prestige dan het behoud van banen van hardwerkende zorgverleners?
Het is niet aan mij om te oordelen over de beslissingen die een ziekenhuis neemt. MST heeft mij laten weten dat de oudbouw van MST dermate inefficiënt, oud en kostbaar was dat de kwaliteit van zorg en de veiligheid van de huisvesting in de nabije toekomst in het geding zouden zijn gekomen, en dat het daarom noodzakelijk was om een nieuw ziekenhuis te bouwen.
Wat voor gevolgen heeft deze enorme bezuinigingsronde voor de patiëntveiligheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik u heb gemeld bij de beantwoording van Kamervragen van de leden Kooiman en Marijnissen (AH 2017–2018, nr. 45) vormt een reorganisatie een mogelijk risico voor de kwaliteit van zorg. Het is aan de raad van bestuur om maatregelen te treffen om te zorgen dat de kwaliteit van zorg niet in het geding komt. De IGJ i.o. heeft de raad van bestuur bevraagd op mogelijke risico’s voor kwaliteit en veiligheid van zorg en zal hier bij de uitvoering van haar risicogestuurde toezicht aandacht aan besteden.
Zijn vakbonden betrokken bij het sociaal plan? Kunt u uw antwoord toelichten?
MST heeft mij laten weten dat het sociaal plan van MST tot stand is gekomen in overleg met in- en externe overlegpartners, en dat de vakbonden onderdeel zijn geweest van dit proces.
Kunt u aangeven welk personeel voornamelijk ontslagen wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
MST heeft ongeveer 3.750 werknemers.
MST heeft mij laten weten dat in de ronde van vorig jaar 155 voltijdbanen verloren zijn gegaan. Het streven van MST is geweest om zoveel mogelijk mensen te behouden of een andere plek te vinden binnen of buiten de organisatie. Uiteindelijk heeft dit voor 10 mensen tot ontslag geleid. MST beoogt ook deze mensen met een van-werk-naar-werk traject te helpen aan een andere baan.
De tweede ronde betreft, zoals ik in mijn antwoord op vraag 14 heb aangegeven, 168 fte. In principe gaat het over alle functies in de betrokken afdelingen. Het betreft een voorgenomen besluit, waarover onder andere de Ondernemingsraad nog advies moet geven. De verwachting is dat een groot deel van de reductie in werkgelegenheid via natuurlijk verloop zal kunnen worden opgevangen, aldus MST. Hoeveel mensen uiteindelijk daadwerkelijk ontslagen zullen moeten worden is op dit moment niet duidelijk.
Hoe verhouden deze ontslagen zich met de vele personeelstekorten in de zorg? Vindt u het wenselijk dat bestuurders personeel ontslaan, terwijl zij hard nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het lijkt inderdaad een tegenstelling dat zorgorganisaties zich gedwongen voelen om personeel te laten gaan, juist nu er tekorten zijn. Iedere organisatie, ook MST, bevindt zich in een andere situatie en heeft hiervoor een eigen motivatie om dit toch te doen. Wat in dergelijke situaties heel belangrijk is, is dat deze mensen behouden blijven voor de zorg. En dat is waar MST zich heel actief voor in lijkt te zetten. Uiteindelijk heeft de reorganisatie voor een relatief zeer klein aantal mensen tot ontslag geleid en ook deze mensen wil MST perspectief bieden.
Bent u bereid mee te denken hoe deze 168 voltijdbanen behouden kunnen blijven, zodat geen ontslagen hoeven plaats te vinden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op de vragen 14, 18 en 19.
Kunt u garanderen en/of ervoor zorgen dat niet nog meer banen verdwijnen in het MST, als in het laatste jaar van de reorganisatie in 2019 weer negen miljoen euro bezuinigd moet worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
MST zit in een meerjarige reorganisatie en maakt in deze zelf zijn keuzes wat betreft het personeel. Als Minister kan ik hierin geen garanties bieden. Wat ik belangrijk vind, is dat er voor zoveel mogelijk mensen perspectief blijft bestaan in de vorm van een nieuwe baan of functie. MST zet zich hier actief voor in en probeert hiermee het aantal gedwongen ontslagen te beperken tot het minimum.
MST heeft mij laten weten dat het halverwege een herstelplan is dat uiteindelijk een kostenreductie van € 30 miljoen euro moet opleveren om weer financieel gezond te worden en weer te kunnen investeren. De helft van dat bedrag wordt gevonden door het aanpassen van processen waardoor MST met minder personeelskosten af kan; de andere helft door besparingen op de materiële kosten. De twee reorganisatierondes leiden uiteindelijk tot ruim 300 fte reductie in werkgelegenheid. Als dat allemaal lukt is de verwachting dat een volgende reorganisatie niet nodig is, aldus MST.
Het bericht ‘3,7 ton voor krakers’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «3,7 ton voor krakers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat kraken illegaal en een schending van het eigendomsrecht is?
Ja.
Hoe is het mogelijk dat het ADM-terrein al meer dan 20 jaar illegaal bewoond wordt door krakers en dat er nog niet eerder is gehandhaafd?
Het ADM terrein is sinds 1997 gekraakt. Hoewel er in het verleden plannen zijn geweest voor het terrein, zijn die nooit concreet geworden. De kraak is zodoende langdurig ongemoeid gelaten door de eigenaar van het terrein. Sinds 2015 is dat veranderd en probeert de eigenaar zowel via het bestuursrecht als civielrecht het terrein te (laten) ontruimen. Inmiddels ligt er een civiel ontruimingsvonnis dat zegt dat zes maanden na het verlenen van de omgevingsvergunning het terrein ontruimd mag worden. De procedure voor een omgevingsvergunning loopt nog. Bestuursrechtelijk heeft de Raad van State onlangs het verzoek tot schorsing van het handhavingsbesluit toegekend. Dat betekent dat de ADM-bewoners voorlopig nog op het terrein mogen verblijven. Er zal tot ontruiming worden overgegaan als er een juridische titel is.
Hoe kan het dat er bijna een half miljoen euro wordt uitgegeven om de krakers van het terrein te verwijderen?
Op het gehele terrein wonen circa 150 mensen, waaronder gezinnen met kinderen, waarvan een groot deel meer dan 10 jaar. Het College van de gemeente Amsterdam heeft geoordeeld dat zij, net als de eigenaar, een inspanningsverplichting heeft om tot een minnelijke oplossing te komen voor de groep mensen die dakloos worden door een ontruiming. Zodoende heeft het College besloten om een tijdelijk terrein beschikbaar te stellen. Aan het bouwrijp maken van het terrein zijn kosten verbonden (circa € 370.000,–).
Wat gebeurt er na de twee jaar tijdelijke, alternatieve huisvesting op de locatie in Amsterdam-Noord? Wordt er dan weer zo’n fors bedrag uitgetrokken om de krakers van het terrein te verhuizen?
Als de bewoners kiezen voor de alternatieve locatie, gelden strikte voorwaarden. Het terrein is voor maximaal twee jaar beschikbaar en dient schoon opgeleverd te worden. De gemeente Amsterdam heeft geen enkele verantwoordelijkheid bij het vinden van een volgende (permanente) locatie. Er wordt volgens de gemeente Amsterdam dan ook geen geld beschikbaar gesteld voor het vervolg.
Zijn er meer gevallen bekend waarbij er zulke forse bedragen worden uitgegeven om krakers te verwijderen? Is hier sprake van structureel beleid? Zijn er meer gemeenten bekend waarbij dit gebeurt?
In Amsterdam zijn geen vergelijkbare gevallen bekend waarbij de ontruiming van een terrein of gebouw heeft geleid tot forse uitgaven, behoudens de inzet van politie. Er is dan ook geen sprake van structureel beleid in de gemeente Amsterdam. Een kraak als het ADM terrein is volgens de gemeente Amsterdam uniek in zijn duur en omvang. Zaken van gelijke strekking in andere gemeenten zijn mij en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten niet bekend. Ik kan derhalve eveneens niet bevestigen dat er sprake is van structureel beleid in deze richting in Nederland.
Hoe verhoudt de uitspraak van de Raad van State zich tot het verbod op kraken?
De uitspraak van de voorzieningenrechter is gedaan in het kader van een bestuursrechtelijke procedure over een verzoek tot handhaving van het bestemmingsplan en staat los van het juridisch kader rondom kraken. De voorzieningenrechter is na een afweging van de in het geding zijnde belangen van oordeel dat er aanleiding is het handhavingsbesluit van het college te schorsen totdat de Raad van State uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat de uitvoering van het handhavingsbesluit voor de gebruikers van het terrein tot onomkeerbare gevolgen leidt, terwijl anderzijds er nog geen omgevingsvergunning is verleend en het terrein dus niet op korte termijn in gebruik kan worden genomen door de eigenaar/huurder. De eigenaren kunnen bij gewijzigde omstandigheden een verzoek doen tot opheffing van de voorlopige voorziening.
Waarom is dit besluit in het geheim genomen en vervolgens geheim gehouden?
Het college van de gemeente Amsterdam heeft geheimhouding opgelegd tot het moment dat omwonenden van de slibvelden in Noord geïnformeerd waren over de eventuele komst van de huidige bewoners van het ADM terrein.
Het bericht dat de vergoeding aan gehandicapte studenten fors verschilt per gemeente |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vergoeding aan gehandicapte student verschilt fors per gemeente».1
Ja.
Deelt u de mening dat het onrechtvaardig is dat twee gehandicapte studenten in dezelfde klas uiteenlopende bedragen ontvangen, omdat ze in verschillende gemeenten wonen? Kunt u dit toelichten?
De individuele studietoeslag in de Participatiewet heeft als doel studenten en scholieren met een arbeidsbeperking een steuntje in de rug te geven. De gemeenteraden zijn gehouden in een gemeentelijke verordening nadere invulling aan de individuele studietoeslag te geven, waaronder de hoogte van de studietoeslag. Hiermee hebben de gemeenten de mogelijkheid om het beleid af te stemmen op de lokale omstandigheden en in te passen in het eigen re-integratie en armoedebeleid. Deze decentralisatie brengt – als gevolg van het lokale democratisch proces – met zich mee dat er verschillen kunnen zijn in de ondersteuning die een student uiteindelijk van een gemeente krijgt. Het centraal voorschrijven van de hoogte van de individuele studietoeslag past hier niet bij.
Wat vindt u van het minimumbedrag van 282 euro per maand dat CNV Jongeren en de LSVb aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vragen?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met CNV Jongeren en de LSVb eens dat de aanvraagprocedures te ingewikkeld zijn en de mogelijkheid om een studietoeslag aan te vragen te onbekend is? Kunt u dit toelichten?
Het besluit op een aanvraag individuele studietoeslag vergt een beoordeling aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden van het geval. Het is uitdrukkelijk de bevoegd- en verantwoordelijkheid van gemeenten om op lokaal niveau een invulling te geven aan de hierbij te volgen procedure.
Bij de behandeling van de begroting van 2018 van het Ministerie van SZW is de motie van de leden Raemakers en Peters (Kamerstuk 34 778 XV nr. 58) aangenomen. Deze motie roept de regering op om gemeenten te ondersteunen bij het vergroten van de bekendheid van de regeling van de individuele studietoeslag en om vóór 1 september 2018 de besteding van de vrijgemaakte budgetten te evalueren en daarbij ook de verschillen in gebruik door de diverse gemeenten mee te nemen.
De mogelijkheden voor het beter onder de aandacht brengen van de individuele studietoeslag onder scholieren en studenten met een arbeidsbeperking, wordt meegenomen bij de invulling van de genoemde motie.
Wat gaat u doen om de studietoelage die studenten en scholieren met een arbeidsbeperking ontvangen beter onder de aandacht van deze studenten en scholieren te brengen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt deze ongelijkheid tussen gemeenten zich tot het VN-verdrag voor de rechten van personen met een beperking?
In de Participatiewet is gemeenten bewust veel beleidsvrijheid gegeven bij het voeren van beleid ter zake van de ondersteuning mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt bij het vinden van werk. Gemeenten kunnen op die manier maatwerk leveren. Inherent aan de keuze voor decentrale uitvoering is dat een regeling, zoals de individuele studietoeslag, in de ene gemeente anders kan zijn ingevuld dan die in een andere gemeente.
Het VN-Gehandicaptenverdrag verplicht overheden om via passende maatregelen te bevorderen dat arbeidsbeperkten «op gelijke voet met anderen» kunnen deelnemen aan de maatschappij, dus ook aan werk en studie. Het doel van de Participatiewet is om mensen die nu (nog) moeilijk aan het werk komen meer kansen op regulier werk te bieden en daarbij zo nodig ondersteuning te bieden, bijvoorbeeld aan studenten met een arbeidsbeperking via een regeling als de individuele studietoeslag. Dit sluit dus aan bij het doel en de verplichtingen van het VN-Gehandicaptenverdrag. Het enkele feit dat de ene gemeente zijn taak op een andere wijze invult dan een andere is in dit kader niet in strijd met het VN-Gehandicaptenverdrag.
Het bericht dat Engels de voertaal wordt op de TU Eindhoven |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Engels wordt voertaal op TU Eindhoven»?1
Ja.
Welke inhoudelijke gronden zijn er voor het kiezen van Engels als voertaal op de TU Eindhoven?
De TU Eindhoven heeft aangegeven dat zij heeft besloten afspraken te maken over het Engels als voertaal over de hele breedte van de universiteit, vanwege de gewenste internationalisering van het onderwijs, het streven van de TU Eindhoven naar een inclusieve, internationale gemeenschap en de toename van niet-Nederlandse sprekenden in de universiteit. De TU Eindhoven stelt desgevraagd dat zij, juist omdat de instelling al zodanig internationaal is (ter illustratie: 60% van de AIO’s is Engelstalig), wil werken aan de Engelse taalvaardigheid van alle studenten en medewerkers, zodat men is toegerust op de internationale werk- en leeromgeving waarin men opereert. De TU Eindhoven geeft voorts aan dat de overweging om voor de voertaal Engels te kiezen niet is ingegeven vanuit het oogpunt om meer internationale studenten te trekken. De TU Eindhoven geeft desgevraagd aan dat de Universiteitsraad positief heeft geadviseerd over het voornemen de voertaal naar het Engels te wijzigen.
Ik heb al vaker aangegeven dat ik het eens ben met de aanbeveling van de KNAW dat keuzes over taalbeleid op het niveau van de opleiding genomen moeten worden. Op dat niveau kan het beste worden beoordeeld of een andere taal dan het Nederlands past bij de inhoud van het onderwijs en bij de arbeidsmarkt waar die specifieke opleiding voor opleidt. Bij die afweging dient altijd rekening gehouden te worden met kwaliteit en toegankelijkheid. Universiteiten hebben eind 2017 ook in VSNU-verband afspraken gemaakt die het belang van een keuze op het niveau van de opleiding onderstrepen. Desgevraagd geeft de TU Eindhoven aan dat haar beleid past binnen de aanbevelingen van de KNAW en de afspraken in VSNU-verband. De keuze voor het Engels als voertaal staat los van de keuze voor de onderwijstaal, die ook aan de TU Eindhoven per opleiding en met betrokkenheid van de Opleidingscommissie wordt genomen. Zo geeft de TU Eindhoven aan dat de Bacheloropleiding Biomedische Technologie (BMT) in het Nederlands zal blijven. Deze opleiding leidt namelijk op tot banen én vervolgopleidingen waar de beheersing van de Nederlandse taal nodig is.
Ik onderstreep het belang van nuance in de discussie over Engelstaligheid en neem ook de overwegingen die de TU Eindhoven mij heeft meegegeven, mee in mijn visie op internationalisering. Die visie zal ik uiterlijk 1 juni aan de Kamer verzenden.
Zijn er bij u signalen binnengekomen dat buitenlandse studenten zich buitengesloten voelen op de TU Eindhoven, doordat er geen Engels wordt gesproken?
Nee, daarover heb ik geen signalen ontvangen.
Deelt u de mening dat de schriftelijke communicatie ook in het Nederlands hoort te zijn voor het personeel dat de Engelse taal niet machtig is? Kunt u dit toelichten?
Ik vind het van belang dat ieder personeelslid aan een onderwijsinstellinggoed het werk kan doen. Taal mag daarin geen belemmering zijn en mag al helemaal niet tot onveilige situaties leiden. Ook de TU Eindhoven geeft desgevraagd aan deze opvatting te delen en licht toe dat er als dat nodig of wenselijk is, omdat het betrokken personeel het Engels onvoldoende machtig is, alsnog in het Nederlands wordt gecommuniceerd. Uitgangspunt is wel dat alle schriftelijke communicatie in ieder geval in het Engels beschikbaar moet zijn.
Wat gebeurt er met het niet-wetenschappelijk personeel dat straks getest wordt en indien nodig naar een cursus moet om het niveau Engels te behalen dat past bij hun functie, maar deze test niet haalt? Deelt u de mening dat deze mensen hun baan niet mogen verliezen? Kunt u dit toelichten?
De universiteit is voornemens maatwerk te leveren en waar nodig per medewerker te bezien wat nodig is om de functie uit te kunnen oefenen in de internationale omgeving van de TU Eindhoven. Ik deel de mening dat dit er niet toe mag leiden dat mensen hun baan verliezen. De TU Eindhoven heeft laten weten dat dit ook niet het geval zal zijn.
Heeft u inzicht in de kosten en werkdruk voor personeel die het invoeren van Engels als voertaal met zich meebrengt? Kunt u dit toelichten?
Nee, daar heb ik geen overzicht van.
Hoe is het gesteld met de kwaliteit van het Engels van het personeel en studenten op de TU Eindhoven? Welke eisen worden er gesteld aan personeel en studenten met betrekking tot de kwaliteit van het Engels? Kunt u dit toelichten?
De TU Eindhoven heeft al ruim 13 jaar als beleid dat wetenschappelijk personeel dat betrokken is bij Engelstalig onderwijs, taalniveau C1 moet hebben. Daarbij voorziet de TU Eindhoven in cursussen en persoonlijke ontwikkeltrajecten om de medewerkers te helpen. Ik hecht aan dergelijke ondersteuning. Daarnaast heb ik in mijn antwoord op vraag 5 aangegeven dat de TU Eindhoven voornemens is per functie, en waar wenselijk per individuele medewerker, te beoordelen welk niveau Engelse taalvaardigheid nodig wordt geacht. De TU Eindhoven geeft verder aan dat personeel de mogelijkheid krijgt om diverse cursussen Engelse taalvaardigheid te volgen.
Voor studenten met een buitenlands diploma geldt dat zij aan diverse taaleisen Engels moeten voldoen voordat zij aan hun opleiding kunnen beginnen. Dergelijke eisen gelden niet voor Nederlandse studenten. Wel zijn er gedurende de studie verschillende mogelijkheden om het Engels bij te werken.
Deelt u de mening dat mogelijke bijspijkercursussen voor zowel personeel als studenten extra drukken op de werkdruk en prestatiedruk die zij ervaren? Kunt u dit toelichten?
De TU Eindhoven moet, net als alle andere universiteiten en hogescholen die ingrijpende taalkeuzes maken, wat mij betreft zorgen dat personeel en studenten voldoende in staat worden gesteld om eventuele cursussen en opleidingen te volgen die bijdragen aan het taalniveau. Taalkeuzes mogen er niet toe leiden dat de gevoelde werkdruk toeneemt. De snelheid waarmee de taalkeuze gemaakt wordt, kan hier een factor zijn. Ik vind het dan ook goed en logisch dat de Universiteitsraad van de TU Eindhoven over dit aspect kritische vragen heeft gesteld.
Heeft u signalen ontvangen dat de TU Eindhoven dit doet om meer buitenlandse studenten aan te trekken? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Nee, die signalen heb ik niet ontvangen. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, zijn de voornaamste redenen die de TU Eindhoven aandraagt het hoge percentage niet-Nederlands personeel en de internationale arbeidsmarkt in de bètatechnieksector. De TU Eindhoven geeft desgevraagd aan dat een substantieel aandeel internationale studenten in hun ogen een voorwaarde is, om een inclusieve, internationale gemeenschap te creëren. Wanneer er een relatief kleine groep internationale studenten is, bestaat het risico dat dat een aparte groep blijft. Om een echte gemeenschap te kunnen vormen geeft de TU Eindhoven aan dat zij het van belang vindt dat de voertaal aan de instelling Engels is.
Is de invoering van Engels als voertaal een gevolg van het streven naar een groter percentage buitenlandse studenten, zoals de vicevoorzitter van het College van Bestuur in het artikel aangaf? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe verhoudt, volgens u, de keuze om geheel over te gaan in het Engels zich tot artikel 7.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die stelt dat onderwijs in het Nederlands wordt gegeven, tenzij de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het instellingsbestuur vastgestelde gedragscode? Voldoet de gehele TU Eindhoven naar de mening van de Minister als uitzonderingsgeval?
Zoals ik ook in antwoorden hierboven al aangaf betreft de keuze van de TU Eindhoven een keuze om de voertaal Engels te maken. Het betreft niet een keuze om alle opleidingen in het Engels te verzorgen. De meeste opleidingen waren al in het Engels. De TU Eindhoven stelt dat zij er, in lijn met het advies van de KNAW en de afspraken die universiteiten hier in VSNU-verband over maakten, voor zorgt dat de keuzes over taalbeleid weloverwogen en op het niveau van de opleiding worden genomen. Ik wil nadenken over manieren om, in algemene zin, beter inzichtelijk te maken op welke manier keuzes over taalbeleid tot stand komen en of die keuzes inderdaad weloverwogen zijn en passen in het wettelijk kader. Hier kom ik op terug in mijn eerder toegezegde visiebrief over internationalisering.
Kernwapenbeleid |
|
Bram van Ojik (GL), Lilianne Ploumen (PvdA), Sadet Karabulut |
|
Halbe Zijlstra (VVD), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de specifieke plannen met de nucleaire vrije val vliegtuigbommen van het type B61 in de Nuclear Posture Review (NPR)?1
Ja.
Heeft de Amerikaanse overheid met u overlegd over het moderniseren van de B61-11 en kunt u aangeven wanneer precies de verouderde B61-11 van de Europese locaties verwijderd zal worden? Kunt u, meer specifiek, aangeven wanneer deze B61-11 bommen van Nederlands grondgebied naar de Verenigde Staten (VS) zullen worden overgebracht voor moderniseringswerkzaamheden?2
Zoals de Kamer bekend kunnen op basis van bondgenootschappelijke afspraken geen mededelingen worden gedaan over aantallen en locaties van in Europa aanwezige Amerikaanse kernwapens. De Verenigde Staten hebben een levensduurverlengingsprogramma (zogenaamde «Life Extension Program») met als doel de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van kernwapens van onder meer het type B61 blijvend te garanderen.
Is het tevens juist dat dit type kernwapen geschikt is voor de F-35?3 Hebt u tevens in het fact sheet over de modernisering dat bij de NPR was gevoegd, geconstateerd dat de F-35 een nucleaire taak krijgt?4 Op welke wijze heeft de Amerikaanse regering u hierover ingelicht?
De F-35 als systeem zal in opdracht van de Amerikaanse overheid geschikt zijn om kernwapens te dragen. De Amerikaanse overheid heeft het kabinet hierover in een vroeg stadium ingelicht, en de Kamer is hierover reeds in 2002 geïnformeerd (Kamerstuk 26 488, nr. 9).
Hebt u de Amerikaanse regering ingelicht over het feit dat Nederland geen atoomtaak neemt voor de F-35, zoals vastgelegd in de motie-Van Dijk? Indien nee, waarom niet?5
Graag verwijst het kabinet naar de kabinetsreactie op de motie-Van Dijk (Kamerstuk 33 783, nr. 5). Hierin stelt het kabinet dat het de bedoeling is dat de F-35 deze taak van de F-16 zal overnemen.
Kunt u aangeven wat de voortgang in de productie van de B61-12 is? Kunt u aangeven in welke tijdsperiode de B61-12, die op Europese locaties gestationeerd zal worden, geproduceerd zal worden?6
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bovendien bereid de Kamer te informeren over de wijze waarop u burgers in de omgeving beschermt tegen eventuele ongevallen, gezien de lange lijst met (bijna) ongelukken die inmiddels in de openbaarheid zijn gekomen?
Het Nationaal Crisisplan Straling (NCS) beschrijft de hoofdstructuur van de organisatie voor de crisisbeheersing bij alle situaties waarin ongewenst straling en/of radioactief materiaal vrijkomt of vrij dreigt te komen met een verhoogd risico voor mens en milieu. Dit plan is een uitwerking van vigerende wet- en regelgeving, zowel nationaal (zoals de Kernenergiewet (in het bijzonder art. 40), de Wet Veiligheidsregio’s en Politiewet 2012) als internationaal (bijvoorbeeld de relevante richtlijnen van de Europese Unie en conventies van het Internationaal Atoomenergieagentschap).
Kunt u de Kamer, desnoods vertrouwelijk, informeren over de wijze waarop deze kernwapens over Nederlands grondgebied/door het Nederlandse luchtruim of door water worden vervoerd?
Zie antwoord vraag 2.
Is het u bekend dat het vertragingssysteem, waarbij de bom met een parachute vertraagd wordt zodat de piloot de «ground zero» tijdig kan verlaten, in het nieuwe model vervangen is door een tailkit? Kunt u toelichten wat deze nieuwe capaciteiten exact zijn, vooral waar het gaat om de toegevoegde «tailkit»?7
Uw kamer is hierover geïnformeerd in antwoord op vragen van de leden Knops en Omtzigt (beiden CDA) aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie over nucleaire ontwapening en non-proliferatie (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1426).
Is het u bekend dat de toevoeging van de «tailkit» als doel heeft om meer gericht een doelwit te raken met dit kernwapen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat kernwapens die gerichter ingezet kunnen worden de drempel voor gebruik verlagen? Indien neen, waarom niet?
De omstandigheden waarin de NAVO de inzet van kernwapens zou kunnen overwegen zijn extremely remote, zoals de NAVO stelt in de Deterrence and Defence Posture Review. Het doel van kernwapens is immers de afschrikking van agressie, niet militaire inzet. Het effectiever maken van kernwapens vergroot de geloofwaardigheid van deze afschrikking, zodat een inzet ervan blijvend kan worden vermeden.
Deelt u de mening dat het nu een geschikt moment is om van modernisering van de B-61 af te zien?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat Nederland een stap moet doen om kernwapens te weren uit ons land? Zo ja, welke stappen wilt u ondernemen? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in het licht van de regeringsverklaring dat een nieuwe veiligheidsstrategie aankondigt, van een Nederlandse kernwapentaak af te zien? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'OM neemt minder in beslag van crimineel' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «OM neemt minder in beslag van crimineel»?1
Ja.
Kloppen de in het artikel genoemde bedragen? Zo ja, is sprake van een jaarlijkse daling van het van criminelen afgepakte vermogen en wat is/zijn hiervan de oorzaak/oorzaken? Zo nee, wat zijn dan de juiste bedragen?
De in het artikel genoemde bedragen kloppen, maar zien enkel op de waarde van de in beslag genomen goederen door het arrondissementsparket Den Haag in de periode 2014 tot 2017. Er is geen sprake van een jaarlijkse daling van de landelijke opbrengsten van afgenomen crimineel vermogen. Integendeel, de strafrechtsketen is er in geslaagd vanaf 2013 jaarlijks boven de afgesproken norm te presteren.
In de periode 2014 tot en met 2017 zijn landelijk de volgende bedragen
Geïncasseerd in het kader van ontnemingen:
2014 – € 135.971.765
2015 – € 143.576.295
2016 – € 416.477.902
2017 – € 221.259.199 (voorlopig resultaat)
Het feit dat de opbrengst in 2016 hoger was dan in 2017 hangt samen met een uitzonderlijke hoge opbrengst in 2016.
Wat gaat doen om er voor te zorgen dat het in de begroting van 2018 genoemde bedrag van 115,6 mln. euro aan via de strafrechtelijke weg afgepakte vermogen wordt gehaald?
De afpakdoelstellingen die voor 2017 waren gesteld, zijn ruimschoots gehaald. Op basis van deze resultaten ziet het Openbaar Ministerie geen reden om van de ingezette koers af te wijken en heb ik geen reden om aan te nemen dat de afpakdoelstellingen die voor 2018 zijn gesteld, niet worden gehaald. Voor een tussentijdse rapportage zie ik dan ook geen aanleiding.
Bent u bereid de Kamer aan het begin van het derde kwartaal van 2018 te berichten als het er naar uitziet dat het bedrag van 115,6 mln. euro niet wordt gehaald, inclusief de maatregelen die dan genomen zullen worden, dan wel ten koste van welke begrotingspost in 2019 of 2020 dat zal komen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Jihadisten uit Syrië en Irak kunnen spil van nieuwe netwerken worden’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jihadisten uit Syrië en Irak kunnen spil van nieuwe netwerken worden»?1
Ja.
Onderschrijft u de bevinding dat extremistische jihadisten die meevochten in Syrië en Irak onverminderd gevaarlijk blijven, maar dat de aard van het gevaar verandert? Zo ja, hoe wordt hierop geanticipeerd?
Ik onderschrijf dat van terugkeerders een dreiging uitgaat, vooral als zij lang in jihadistisch strijdgebied hebben verbleven bij ISIS of al Qa’ida. Deze dreiging is in de afgelopen jaren diverse malen in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) onder de aandacht gebracht, zo ook in het laatste DTN (nr. 47). De in het DTN geschetste dreiging geldt nog steeds en ik zie dan ook geen verandering in de aard van de dreiging die van terugkeerders uitgaat.
Deelt u de inschatting dat de kans reëel is dat terugkeerders in Nederland, na een eventuele gevangenschap, gaan functioneren als spil van nieuwe terreurnetwerken? Is voldoende geborgd dat terugkeerders in detentie niet de kans krijgen om radicaal gedachtengoed te verspreiden? In hoeverre wordt dit ook na de detentie nog gemonitord?
Zoals in DTN nr. 47 geschetst, gaat vanuit de komst van terugkeerders naar Europa een lange termijndreiging uit en kunnen zij deel (gaan) uitmaken van nieuwe transnationale netwerken. Alle betrokken partners, landelijk en lokaal, wenden de beschikbare middelen aan om het risico dat van terugkeerders uit kan gaan te onderkennen en te verminderen.
Tegen alle bij politie en OM onderkende uitreizigers naar het jihadistisch strijdgebied in Syrië en Irak zijn onder gezag van het OM strafrechtelijke onderzoeken gestart wegens een verdenking van terroristische misdrijven. Binnen deze strafrechtelijke onderzoeken is een internationale signalering strekkende tot aanhouding en over- dan wel uitlevering naar Nederland uitgebracht ten behoeven van strafrechtelijke vervolging en berechting. Wanneer het Nederlandse OM in kennis wordt gesteld van een aanhouding in het buitenland van één van deze verdachten dan zal in voorkomende gevallen de internationale signalering gevolgd worden door een verzoek tot over- dan wel uitlevering.
Bij terugkomst worden onderkende terugkeerders aangehouden in verband met de verdenking van een terroristisch misdrijf. Ook kan een terugkeerder onderwerp zijn van onderzoek door de AIVD als er een ernstig vermoeden bestaat dat hij of zij een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.
Personen die verdacht worden van of veroordeeld zijn voor een terroristisch misdrijf worden in principe op één van de Terroristische Afdelingen (TA) geplaatst. Het doel hiervan is om de samenleving optimaal te beschermen, verspreiding van radicaal gedachtengoed en onderlinge beïnvloeding tegen te gaan en toezichtsmaatregelen en interventies te kunnen opleggen die toegesneden zijn op het gedrag en gedachtengoed van de individuele gedetineerde. Om beïnvloeding binnen de TA’s tegen te gaan is er sprake van een gedifferentieerd plaatsingsbeleid. Zo worden de «overtuigde extremisten» gescheiden van de «heroverwegers».
Gedurende en na de detentie op een TA wordt op een persoonsgerichte wijze gewerkt aan terugkeer naar de samenleving. Aansluitend detentie worden deze personen in het multidisciplinaire casusoverleg besproken. Hier wordt op basis van een risico-inschatting per geval bepaald welke maatregelen worden getroffen. Ook wordt door partijen uit het sociale domein, waar mogelijk, een bijdrage aan re-integratie geleverd.
Verder wordt gelet op de bijzondere dreiging die van terugkeerders uit kan gaan, wetgeving tot stand gebracht op basis waarvan terugkeerders gedurende langere tijd in voorlopige hechtenis gehouden kunnen worden, waarbij de rechter kritisch kan blijven toetsen of daartoe (nog) aanleiding bestaat. Uw Kamer heeft dit wetsvoorstel 21 februari jl. aangenomen en ligt nu voor in de Eerste Kamer.
Daarnaast geeft Nederland ter ondersteuning van (internationale) opsporing en vervolging van misdrijven gepleegd in Syrië, logistieke en financiële steun aan het door de VN opgerichte International, Impartial and Independent Mechanism on international crimes committed in the Syrian Arab Republic (IIIM). Dit onderzoeksmechanisme zal bewijs van schendingen van humanitair oorlogsrecht en mensenrechten verzamelen, analyseren en bewaren.
Bereiken u signalen dat de aandacht voor terreurbestrijding bij de ons omringende landen zou verslappen? Zo ja, worden landen hier direct op aangesproken?
Zowel bilateraal als in EU-kader is sprake van goed contact met de omringende landen over ontwikkelingen in de dreiging en de aanpak en dit soort signalen zijn er nu niet. De EU Kopgroep van meest getroffen lidstaten heeft afgesproken de aanpak van terugkeerders informeel te coördineren, dat wil zeggen met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten. Over de aanpak van vrouwen en kinderen in het bijzonder heb ik u 10 april jl. (kenmerk 2242633) een brief verzonden.
De Nederlandse aanpak van terreurbestrijding wordt gezien als best practice. Wordt onze kennis voldoende gedeeld met andere landen om te voorkomen dat teruggekeerde terroristen alsnog Nederland binnenkomen?
Ja, de diverse onderdelen van de Nederlandse integrale aanpak van terrorisme en radicalisering worden frequent gedeeld in zowel bilaterale contacten, in Brussel en multilateraal in o.a. het Global Counter Terrorism Forum (GCTF) en de anti-ISIS coalitie.
Daarnaast zet Nederland zich in op alle niveaus (nationaal, binnen de EU en bilateraal) voor het delen van kennis en informatie voor de detectie van terroristische reisbewegingen. EU-landen hebben tijdens het Nederlandse EU voorzitterschap begin 2016 een versterkte inzet afgesproken op het detecteren en tegengaan van terroristische reisbewegingen via de EU-routekaart voor de verbetering van de informatie-uitwisseling.
Op 21 december 2017 nam de VN Veiligheidsraad unaniem Resolutie 2396 aan met daarin maatregelen voor het tegengaan van buitenlandse strijders en aanpak van terugkeerders. De Resolutie ziet op de versterking van bestaande maatregelen en de verplichting om reisgegevens te verwerken voor de detectie van personen, netwerken en hun reisbewegingen. Ook bereiden Nederland en de overige EU lidstaten zich voor op de implementatie van de Passenger Name Records (PNR)-richtlijn. PNR is een belangrijk nieuw instrument voor de identificatie en detectie van terroristen, criminelen en hun netwerken en reisbewegingen. Het streven is om op 25 mei 2018 de richtlijn geïmplementeerd te hebben in nationale wetgeving en de zelfstandige eenheid Pi-NL, die de passagiersgegevens ontvangt en analyseert, operationeel te hebben.
Nederland draagt actief bij om andere landen te ondersteunen in de opbouw van eigen detectiecapaciteit door het delen van de centrale nationale technische voorziening Travel Information Portal (TRIP). Dit systeem ontvangt voor de bestrijding van terrorisme en ernstige criminaliteit de gegevens van luchtvaartmaatschappijen en biedt functionaliteiten voor de analyse. Hierdoor kan detectie in een eerder stadium plaatsvinden. TRIP is al met veel EU-lidstaten gedeeld en reeds helpt Nederland bilateraal ook landen buiten de EU met technische innovaties ten opzichte van detectie. Nog meer (EU-)landen en instituties hebben interesse. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid verkent daarom momenteel de mogelijkheden dit in gecoördineerd internationaal verband te doen.
De berichten 'Honderdduizenden ouderen houden dure ziekenhuisbedden bezet' en 'Veel 65-plussers liggen onnodig in ziekenhuis' |
|
Sophie Hermans (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Honderdduizenden ouderen houden dure ziekenhuisbedden bezet» in de Telegraaf en «Veel 65-plussers liggen onnodig in ziekenhuis» in de Leeuwarder Courant d.d. 6 februari 2018?1
Ja.
Deelt u de mening van de VVD-leden dat dure ziekenhuisbedden niet gebruikt moeten worden indien daarvoor geen medische noodzaak is? Zo nee, waarom niet?
Daar zijn wij het mee eens. In de praktijk blijkt het niet altijd even makkelijk te zijn om op het juiste moment op de juiste plek de zorg of ondersteuning voor mensen te krijgen die zij nodig hebben. Daardoor komt het inderdaad voor dat mensen die geen medisch-specialistische zorg nodig hebben (tijdelijk) in een ziekenhuisbed belanden. Hoewel er daardoor wel voor wordt gezorgd dat deze patiënten zorg ontvangen en tijdelijk worden opgevangen, vinden wij dit net als u een onwenselijke situatie. Ervoor zorgen dat mensen op het juiste moment de juiste zorg op de juiste plek krijgen is een belangrijk speerpunt van ons beleid en dit is benoemd als een uitgangspunt in het regeerakkoord. Dit onderwerp heeft momenteel ook de aandacht in onder meer de gesprekken over de hoofdlijnenakkoorden en het ouderenpact.
Welke mogelijkheden heeft een huisarts als hij van mening is dat alleen thuis blijven, bijvoorbeeld voor ouderen, even niet meer verantwoord is?
Er zijn meerdere mogelijkheden, afhankelijk van de situatie van de patiënt. De huisarts kan met de wijkverpleging overleggen of (meer) thuiszorg en/of ondersteuning geleverd kan worden. Bij medische noodzaak is er de mogelijkheid van eerstelijnsverblijf (gericht op herstel zodat iemand weer naar huis kan) of Wlz-logeeropvang (wanneer de oudere een Wlz-indicatie heeft). In het kader van de Wmo, waarin maatwerk voorop staat, bieden gemeenten verschillende vormen van respijtzorg voor de mantelzorger. Dit kan ook kortdurende opvang buiten de thuissituatie inhouden. Voor spoedeisende situaties kent de Wmo spoedzorg, die snelle opschaling van ondersteuning thuis of tijdelijk verblijf buitenshuis in kan houden. Wanneer het vermoeden bestaat dat de oudere blijvend 24 uur per dag toezicht nodig heeft, dan is er de mogelijkheid om een Wlz-indicatie aan te vragen, zodat de oudere ontvangen kan worden in een Wlz-instelling. Mocht het gaan om een crisissituatie, dan is er de mogelijkheid van Wlz-crisisopvang.
Hoeveel bedden zijn er momenteel in het Eerstelijns Verblijf (ELV), geriatrische revalidatiezorg (GRZ) en kortdurende opvang (KDO) in heel Nederland en hoeveel per regio voor tijdelijke opvang? En wat is de behoefte per regio?
Voor ELV en GRZ kopen zorgverzekeraars capaciteit in bij aanbieders. Voor 2018 is daarvoor 1.065 miljoen euro beschikbaar. In 2017 hebben over de eerste 11 maanden ruim dertigduizend personen gebruik gemaakt van ELV, in 2016 waren dit zo’n 27.000 personen. Zo’n 54.000 personen maakten in 2016 gebruik van de GRZ. De cijfers over 2017 zijn nog niet compleet.
Wij gaan ervan uit dat u met kortdurende opvang de Wlz-logeeropvang, Wlz-spoedzorg en de Wmo-voorzieningen voor opvang en verblijf bedoelt.
Wlz-spoedzorg wordt ingekocht door zorgkantoren. In de verpleging & verzorging (V&V) gaat het om ca. € 30 mln.
Ten aanzien van de Wmo heeft u op 22 december 2017 het SCP-onderzoek Voor Elkaar? Stand van de informele hulp in 20162 ontvangen. Uit deze evaluatie van de Herziening Langdurige Zorg blijkt dat één op de 5 mantelzorgers gebruik maakt van respijtzorg. Een derde van de mantelzorgers die geen respijtzorg krijgen, maar hier wel behoefte aan hebben, geven aan dat de hulpbehoevende dit niet wil. Bij één op de acht spelen de kosten een rol. De Minister van VWS neemt de bevindingen van dit rapport mee in de brief waarin hij u informeert over het programma Langer Thuis dat binnen het Pact voor de ouderenzorg ontwikkeld zal worden. Dit kunt u in het eerste kwartaal van 2018 verwachten. De Minister van VWS betrekt hierbij de inschatting over het gebruik van de Wmo-maatwerkvoorzieningen in 2016 en 2017, die het CBS heeft becijferd.
Het is niet bekend wat de behoefte is aan tijdelijk verblijf per regio. De regionale coördinatiepunten, die per april dit jaar volledig werkzaam zullen zijn, leveren inzicht in de beschikbaarheid van deze zorg per regio. Vooralsnog alleen voor eerstelijnsverblijf, wij hopen dat dit op afzienbare termijn ook zal gelden voor alle (vervolg)zorg waarvoor tijdelijk verblijf noodzakelijk is.
Kloppen de aantallen die worden genoemd in de artikelen en het onderliggende onderzoek dat ActiZ heeft laten uitvoeren?2 Klopt het dat bij 40 procent van de SEH-opnamen het niet gaat om noodzakelijke medisch-specialistische zorg? Hoe groot is het aantal mensen dat wordt opgenomen in een ziekenhuis zonder dat een medische noodzaak bestaat en opname dus feitelijk onnodig is?
In het onderzoek wordt gesproken over 800.000 ouderen die jaarlijks een afdeling voor spoedeisende hulp (SEH) bezoeken. In de marktscan acute zorg heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) aangegeven dat er ongeveer 2,4 miljoen keer per jaar iemand op een SEH komt.4 Daarvan was in 2016 14,1% tussen de 65 en 74, en 18,9% 75 jaar en ouder. Het aantal SEH-bezoeken door 65+ers lag daarmee in 2016 op 792.000, en komt ongeveer overeen met het aantal van 800.000 dat in het onderzoek wordt genoemd. Overigens gaat het niet om 792.000 ouderen, maar om 792.000 SEH-bezoeken door ouderen.
De andere cijfers uit het onderzoek dat ActiZ heeft laten uitvoeren kunnen wij niet verifiëren. In het onderzoek staat niet welke bronnen het onderzoeksbureau heeft gebruikt en ook niet hoe het tot deze cijfers is gekomen. Ook de NZa kan de genoemde cijfers over het percentage ouderen dat «ten onrechte» op de SEH komt en de «onnodige zorgkosten» niet thuisbrengen. Wij willen wel opmerken dat het achteraf altijd makkelijker is om te zeggen dat een probleem had kunnen worden voorkomen, dan dit vooraf te constateren. Zo is het maar de vraag of door preventie en vroegsignalering in 100% van de gevallen een SEH-bezoek kan worden voorkomen.
De NZa geeft in de marktscan acute zorg aan dat er bij (in ieder geval) 0,5% van de patiënten die op een SEH is geweest sprake is van een patiënt op het «verkeerde bed»; dat zijn ongeveer 4.000 patiënten per jaar. Het gaat daarbij om patiënten met een indicatie voor de Wet langdurige zorg die in het ziekenhuis zijn opgenomen en (nog) niet kunnen worden overgeplaatst naar een Wlz-instelling, terwijl een medisch-specialistische behandeling niet meer nodig is. De NZa tekent daarbij aan dat er mogelijk meer patiënten zijn die eerder ontslagen hadden kunnen worden, omdat uit gesprekken met ziekenhuizen is gebleken dat sommige instellingen niet consequent een «verkeerde bed» declareren, en omdat voor patiënten die moeten uitstromen naar een bed in het eerstelijnsverblijf geen «verkeerd bed» kan worden gedeclareerd.
Klopt het dat er 1,4 miljard euro onnodige zorgkosten worden gemaakt? Zo nee, wat is dan het bedrag? In hoeverre gaat hier op «penny wise, pound foolish»? Wat kost gemiddeld een dag ziekenhuisbed en wat kost een dag eerstelijnsverblijf?
De maximumtarieven voor een dag in het eerstelijnsverblijf zijn € 124 (laagcomplex) respectievelijk € 181 (hoogcomplex). Wij beschikken niet over een overzicht van de kosten van een dag in een ziekenhuisbed; deze kosten verschillen per ziekenhuis en per specialisme. De prijzen komen in de medisch specialistische zorg voor een groot deel tot stand via onderhandeling over vrije prijzen, waarvoor dus geen maximum prijs is vastgesteld. Ter vergelijking: voor de kosten van een zogenaamd «verkeerd bed» in een ziekenhuis is een maximumtarief van € 373,58 per dag vastgesteld.
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, kunnen wij de meeste cijfers uit het onderzoek dat ActiZ heeft laten uitvoeren niet verifiëren. Dat geldt daarom ook voor de conclusie dat er voor 1,4 miljard euro onnodige zorgkosten zouden worden gemaakt.
Dat neemt niet weg dat er, zoals in het antwoord op vraag 2 ook is aangegeven, zeker patiënten zijn die in een ziekenhuisbed liggen terwijl zij geen medisch-specialistische zorg (meer) nodig hebben, en dat wij van het onderwerp «de juiste zorg op de juiste plek» een speerpunt van ons beleid hebben gemaakt. Ook hechten wij veel belang aan onderwerpen als preventie en vroegsignalering, met name bij kwetsbare ouderen die nog thuis wonen, om te voorkomen dat hun gezondheidstoestand onnodig verslechtert. In dit kader verwijzen wij ook graag naar de brieven die in 2016 en 2017 de afgelopen jaren naar de Kamer hebben gestuurd over de aanpak van de drukte in de acute zorg, en de maatregelen die daarin zijn genoemd.5
Ervoor zorgen dat er bijvoorbeeld voldoende capaciteit beschikbaar is in het eerstelijnsverblijf is dan ook één van de maatregelen die onze ambtsvoorganger en de Minister voor MZS hoog op de prioriteitenlijst hebben staan om ervoor te zorgen dat patiënten de benodigde zorg en ondersteuning ontvangen, en daarvoor niet in het ziekenhuis hoeven te worden opgenomen. Daarom is het budget voor de ELV structureel verhoogd met € 55 mln per jaar en is Zorgverzekeraars Nederland gevraagd regionale coördinatiepunten op te zetten voor alle vervolgzorg, zodat de huisarts of transferverpleegkundige via 1 telefoonnummer de juiste en beschikbare opvang voor de oudere kan (laten) organiseren. Dit netwerk van regionale coördinatiepunten zal per 1 april dit jaar landelijk dekkend zijn voor in eerste instantie het eerstelijnsverblijf. Naast eerstelijnsverblijf zijn er ook andere vormen van tijdelijke opvang, zoals respijtzorg, Wmo-spoedzorg en de Wlz-logeervoorziening. Het blijkt dat de Wmo-vormen van kortdurende opvang nog weinig bekend zijn in de praktijk. Dit punt wordt ook meegenomen in het programma Langer Thuis dat binnen het Pact voor de ouderenzorg ontwikkeld wordt. Voor de wijkverpleging tot slot heeft het kabinet in 2018 ruim € 3,7 miljard beschikbaar gesteld; dat is € 250 miljoen meer dan in 2017 en ruim € 600 miljoen meer dan in de 2015 (overigens is het budget voor wijkverpleging in de afgelopen jaren nooit volledig benut).
Om ervoor te zorgen dat mensen in goede omstandigheden zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen gaan we de woon- en leefomgeving van ouderen optimaliseren, de mantelzorger helpen en de zorg en ondersteuning verbeteren. Dit is onderdeel van het programma «Langer Thuis» dat de Minister van VWS u in het 2e kwartaal 2018 zal toesturen.
Daarnaast worden er in het land verschillende mooie projecten opgezet waarbij bijvoorbeeld een wijkverpleegkundige op de SEH meeloopt om te bevorderen dat een (oudere) patiënt na een SEH-bezoek zo snel mogelijk en op een veilige manier weer naar huis kan, of waarbij een wijkverpleegkundige, huisartsenpost en ambulancedienst gezamenlijk de triage doen bij hulpvragen om te beoordelen door welke zorgaanbieder een patiënt het beste kan worden geholpen. Wij hechten veel belang aan het verspreiden van dergelijke goede voorbeelden. Daarom heeft de Minister voor MZS eind januari de conferentie Acuut Beter georganiseerd. Dit was een informatieve en succesvolle dag. Meer dan 350 professionals uit de zorg hebben die dag met elkaar gesproken over projecten (waaronder de twee die net zijn genoemd) waarmee kan worden bevorderd dat patiënten de juiste zorg op de juiste plek ontvangen.
Welke acties onderneemt u om een oplossing te zoeken voor dit probleem voor de ouderen, maar ook om onnodige zorgkosten te voorkomen, bijvoorbeeld door meer plekken voor tijdelijke opvang of acute wijkverpleging op de spoedeisende hulp? Zijn er knelpunten in de regelgeving of financiering die een goede oplossing in de weg staan?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Ouderenmishandeling/Ouderenzorg/Verpleeghuiszorg van 15 februari 2018?
Ja.
Het bericht 'Verplicht op eigen kosten naar New York voor een paar studiepunten' |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verplicht op eigen kosten naar New York voor een paar studiepunten»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Bent u bekend met de diverse voorbeelden van extra kosten die studenten moeten maken die in dit artikel worden genoemd?
Niet alle concrete voorbeelden zijn mij bekend, maar het type klachten genoemd in het artikel zijn bekend. Het gaat om extra kosten voor excursies, studiereizen, digitale leermiddelen, kosten voor boeken en tentamens. Het type klachten lijkt op de klachten die eerder zijn geïnventariseerd door het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) in 2017. De inspectie heeft deze klachten onderzocht en een verslag hiervan geplaatst op haar website.2
Hoe verhouden zich deze praktijkvoorbeelden met de Wet op het hoger onderwijs die dit soort kosten niet toestaat tenzij er een kosteloos alternatief is en dat dit kosteloos alternatief vooraf en op transparante wijze moet worden gecommuniceerd en indien dit niet is gebeurd of het alternatief niet gelijkwaardig is, de onderwijsinstelling de wet overtreedt?
De concrete voorbeelden kunnen niet op basis van dit bericht worden gewogen. De voorbeelden gaan over extra kosten voor excursies, studiereizen, digitale leermiddelen en kosten voor boeken, materialen en tentamens. Op 28 april 2015 heeft mijn ambtsvoorganger een brief gestuurd aan de instellingen over de ruimte die instellingen hebben om naast collegegeld een bijdrage aan studenten te vragen. Deze brief is op 29 april 2015 aan uw Kamer verstuurd.3
In de brief uit 2015 is beschreven dat de hoofdregel is dat kosten die voortvloeien uit de wettelijke taak van de instellingen niet mogen worden doorberekend aan de student. Er mogen bijvoorbeeld geen kosten in rekening worden gebracht voor het verzorgen van onderwijs, het gebruik van de bibliotheek, de toegang tot gebouwen en het maken van tentamens. Voor de kosten van studiematerialen zoals boeken, syllabi en (digitale) leermiddelen, materialen en bepaalde kosten verbonden aan practica (bijvoorbeeld een veiligheidsbril en een laboratoriumjas) mag dit wel. De student wordt geacht zelf de kosten van deze onderwijsbenodigdheden te dragen. Als instellingen deze materialen verstrekken, mag de student hiervoor een eigen bijdrage worden gevraagd. De instelling mag echter niet voorschrijven dat studenten deze materialen moeten afnemen bij de instelling. Voor excursies geldt dat er een gratis alternatief beschikbaar moet zijn zoals een papieren opdracht of vervangende stage. Een uitzondering hierop geldt voor excursies die niet vervangbaar zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de instelling om in overleg met de medezeggenschap te bepalen wanneer een excursie onvervangbaar is. Het ligt in de rede dat in een dergelijk geval van studenten een eigen bijdrage wordt gevraagd voor de reis- en verblijfkosten. De overige kosten die verbonden zijn aan het onderwijs op de excursie zijn voor rekening van de instelling.
Mijn beeld op basis van het artikel is dat de informatieverschaffing over het gratis alternatief voor studenten beter kan. Dit komt ook naar voren uit het eerder genoemde verslag van de inspectie naar aanleiding van de inventarisatie van het ISO.
Deelt u de mening dat instellingen zich bij het doorberekenen van de extra studiekosten aan de wettelijke bepalingen hierover moeten houden om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te waarborgen?
Ja die mening deel ik.
Deelt u de mening dat het juist vanwege de invoering van het leenstelsel en de gevolgen die dit heeft gehad voor de toegankelijkheid van specifieke groepen studenten, des te schrijnender is dat er nog steeds instellingen zijn die zich niet houden aan de wettelijke voorschriften over het doorberekenen van studiekosten?
Ik deel de mening dat instellingen zich dienen te houden aan de wettelijk voorschriften voor het doorberekenen van extra kosten naast het collegegeld.
Hoe verhouden de voorbeelden genoemd in het artikel zich met de bijlage van de brief van voormalig Minister, mevrouw Bussemaker d.d. 28 april 20152, waarbij de instellingen uitdrukkelijk is gewezen op de bovengenoemde wettelijke bepalingen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat na de brandbrief van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) in 2015 uit de nieuwe klachtenlijst met ruim 300 klachten van zomer 2017 blijkt dat bij het berekenen van extra kosten instellingen nog steeds in voorkomende gevallen verzuimen hier transparant over te communiceren of te verzuimen een gelijkwaardig alternatief bieden?
De inspectie heeft de klachten uit de inventarisatie van het ISO van maart 2017 onderzocht. Hieruit blijkt dat instellingen in sommige gevallen meer moeten inzetten op communicatie over extra kosten en gratis alternatieven. Ik vind het belangrijk dat studenten voorafgaand aan een studiejaar een juist beeld hebben van de extra kosten die met hun opleiding zijn gemoeid en de alternatieven die hiervoor voorhanden zijn. Een en ander moet uiteraard ook binnen de wettelijke bepalingen zijn. Instellingen hebben de verantwoordelijkheid hierover helder te communiceren, en studenten hebben op hun beurt de verantwoordelijkheid om zich goed te informeren.
Kunt u bevestigen dat de Onderwijsinspectie naar aanleiding van voornoemde klachtenlijst van de ISO niet heeft geleid tot vervolgstappen? Kunt u aangeven wat de reden hiervoor is?
De ISO inventarisatie bevatte 343 klachten van studenten die gaan over 113 verschillende opleidingen. De inspectie heeft geconcludeerd dat acht klachten gegrond zijn en dat de richtlijnen niet goed zijn nageleefd. Als vervolgstap heeft de inspectie de betreffende instellingen hierop aangesproken. De betreffende instellingen hebben aangegeven de informatievoorziening te verbeteren. Zoals ook uit het artikel blijkt zijn enkele instellingen begonnen met een terugbetalingsregeling. De inspectie checkt na een redelijke termijn of de verbeteringen ook daadwerkelijk zijn doorgevoerd. Het is nog niet nodig gebleken om sancties op te leggen.
Uit het onderzoek van de inspectie blijkt ook dat studenten klachten niet melden bij de instelling. Als studenten twijfels hebben over kosten bij opleidingen dan kunnen zij een klacht indienen bij de opleiding. Indien de student het niet eens is met het besluit van de instelling dan kan de student in bezwaar gaan bij de instelling. Daarna kunnen zij zich eventueel wenden tot het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO). Als blijkt dat instellingen zich niet aan de wet houden, zal de inspectie hen hierop aanspreken en zo nodig handhavend optreden.
Klopt het dat de Onderwijsinspectie alleen een vervolgonderzoek gaat starten als er veel klachten van studenten binnen komen, maar dat studenten niet weten dat extra kosten die instellingen vragen niet altijd worden toegestaan door de wetgever en zij bovendien niet op de hoogte zijn welke weg bewandeld moet worden als er een klacht is over de extra kosten?
Met de brief van 28 april 2015 over de ruimte voor het vragen van een eigen bijdrage naast het collegegeld is aan instellingen en studenten duidelijkheid gegeven over in welke situaties een bijdrage gevraagd mag worden. De inspectie kan als zij daartoe aanleiding ziet een instelling om opheldering vragen. Voor de duidelijkheid merk ik hierbij op dat de inspectie geen individuele klachten afhandelt. Als de inspectie klachten of meldingen binnenkrijgt over mogelijk onterecht in rekening gebrachte kosten, wijst zij de klager erop dat hij zijn klacht binnen de daartoe aangewezen procedures van de instelling moet aankaarten. Ik kan me voorstellen dat studenten niet altijd weten dat een gratis alternatief voorhanden is of hoe zij een klacht kunnen indienen bij de instelling. Het is aan de instellingen daar duidelijke informatie over te geven aan de student.
Bent u bereid, gezien het feit dat haar voorganger de instellingen in 2015 al heeft gewezen op de voorwaarden voor het doorberekenen van extra kosten, maar er nog steeds instellingen zijn die zich niet houden aan de wettelijke bepalingen hieromtrent, de inspectie op te dragen nader onderzoek te doen naar de instellingen waar dit voorkomt en indien nodig handhavingsmaatregelen op te leggen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 heeft de inspectie onderzoek gedaan op basis van de inventarisatie van het ISO uit 2017. Ik zie daarom op dit moment geen aanleiding om de inspectie opdracht te geven nader onderzoek te doen. Ik vind het op dit moment vooral van belang dat de informatieverstrekking door de instellingen verbetert zodat studenten op de hoogte zijn van gratis alternatieven en de wijze waarop zij een klacht kunnen indienen bij de instelling. Ik zal dit onderwerp daarom in mijn bestuurlijk overleg met de VSNU en de VH ter sprake brengen.
Voorbehoud van financiering en bouwkundige keuring bij de aankoop van woningen |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een huis kopen onder voorbehoud van keuring de standaard wordt?1
Ja
Kunt u aangeven in welke delen van het land de problematiek zich voordoet dat verkopers wensen dat kopers afzien van enig voorbehoud?
In de brief die ik op 24 januari aan de Kamer gestuurd heb, heb ik aangegeven dat op dit moment een verdiepend onderzoek plaatsvindt naar het gebruik van een voorbehoud van financiering of bouwkundige keuring bij de woningaankoop.2 In dit onderzoek wordt onder meer gekeken wat de redenen zijn dat consumenten afzien van een voorbehoud van financiering of bouwkundige keuring in de koopovereenkomst en hoe zij het risico dat zij hiermee eventueel lopen inschatten. Hierin wordt ook gekeken of het gebruik van voorbehouden verschilt in het land. Ik zal u voor de zomer informeren over de uitkomsten van het onderzoek en daarbij ook ingaan op de vraag of er verschillen in het land zijn in het gebruik van voorbehouden.
Denkt u dat de problematiek die zich met name voordoet in gebieden waar veel vraag en weinig aanbod is, hiermee opgelost is? Zo ja, op welke feiten en gegevens baseert u die gedachte? Zo nee, in welke mate zal dit een oplossing bieden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de visie dat in de bestaande contractvrijheid, verkopers nog steeds hun huis kunnen aanbieden onder de voorwaarde dat geen voorbehoud gemaakt mag worden?
Het modelkoopcontract waar nu het voorbehoud op financiering en bouwkundige keuring standaard in opgenomen staan, wordt veel gebruikt in de sector. De uiteindelijke beslissing blijft bij de kopers en verkopers om deze voorbehouden wel of niet op te nemen in de koopovereenkomst, daarmee blijft de contractvrijheid intact. Indien het modelkoopcontract gebruikt wordt, is het verplicht om in de definitieve koopovereenkomst expliciet aan te gegeven waar afgeweken wordt van het modelkoopcontract. Het afzien van voorbehoud van financiering of bouwkundige keuring is dan zichtbaar, waarmee het bewustzijn bij kopers wordt versterkt.
Deelt u de visie dat potentiële kopers het recht zouden moeten hebben om te allen tijde een bouwkundige keuring te eisen? Zo ja, bent u bereid daartoe voorstellen aan de Kamer te doen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken in welke mate het nu voorgestane nieuwe modelkoopcontract ook daadwerkelijk wordt toegepast?
Om dit te onderzoeken, is een overzicht nodig van afgesloten koopovereenkomsten. Ik ben bereid om in gesprek te gaan met de brancheorganisaties van makelaars om hen te vragen of zij deze cijfers hebben of dit anders te willen onderzoeken.
De balansen in Target2 en de daarmee verbonden risico’s |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD), Pieter Omtzigt (CDA), Eppo Bruins (CU) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat financiële fragmentatie nog altijd een feit is? Dat een euro in land A niet gelijk is aan een euro in land B? Deelt u de mening dat dit veel zo niet alles te maken heeft met goed bestuur en dus ook vertrouwen in de EU-lidstaten en de in die EU-lidstaten gevestigde financiële instellingen of wellicht beter, het gebrek daaraan in een aantal landen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u nader ingaan op de redenen achter die fragmentatie, zoals verschillen in risico-perceptie?
Zoals benoemd in de Kamerbrief Risico’s Nederlandse Staat als gevolg van het ECB-beleid1, is er nog sprake van enige fragmentatie in de interbancaire markt en verschillende risicopercepties ten opzichte van bepaalde banken in een aantal eurolanden. Ik heb in dezelfde Kamerbrief aangegeven dat dit een factor is die invloed heeft op waar de liquiditeit aangehouden wordt die gegenereerd is onder het aankoopprogramma van de ECB. Dit leidt tot oplopende TARGET2-saldi wanneer daarbij sprake is van netto betaalstromen. Het oplopen van de TARGET2-saldi sinds de aanvang van het aankoopprogramma laat daarmee ook zien dat risicopercepties en fragmentatie nog niet volledig zijn verdwenen. Hierbij speelt mee dat institutionele beleggers de (relatief beperkte) additionele vergoeding voor het aanhouden van tegoeden bij banken met een relatief lagere kredietwaardigheid onvoldoende kunnen achten om de door het aankoopprogramma gecreëerde liquiditeit daar aan te houden. Daarnaast spelen factoren als risicolimieten op landen en individuele instellingen een rol. Hierdoor kunnen aankopen onder het aankoopprogramma door centrale banken uit meer kwetsbaar geachte eurolanden leiden tot netto betaalstromen naar sterker geachte eurolanden, met extra bankdeposito’s in sterker geachte eurolanden als gevolg.2 Van verschillen in risicopercepties is echter in steeds mindere mate sprake. Dit is terug te zien in het feit dat de verschillen tussen geldmarktrentes in eurolanden zijn afgenomen. Sinds medio 2017 wordt ook in kwetsbaarder geachte eurolanden immers een significant deel van de liquiditeit aangehouden.3 Hierdoor is de relatie tussen het aankoopprogramma en TARGET2-saldi via het bovenbeschreven kanaal minder sterk dan voorheen.
Daarnaast deel ik de mening dat goed bestuur en vertrouwen in de EU-lidstaten en de in die EU-lidstaten gevestigde financiële instellingen belangrijk zijn. Vandaar dat het kabinet zich inzet voor het nemen van maatregelen die het vertrouwen in eurolanden en hier gevestigde banken verbeteren. Zoals ik ook in de beantwoording van eerdere schriftelijke Kamervragen over TARGET24 heb aangegeven, zijn er in de afgelopen jaren al belangrijke stappen gezet om de eurozone te versterken en de onderliggende onevenwichtigheden te verminderen. Dit draagt bij aan het herstel van vertrouwen in de EU-lidstaten en de in die EU-lidstaten gevestigde instellingen. Tegelijkertijd worden daarmee ook onderliggende oorzaken aangepakt die in het verleden in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het oplopen van TARGET2-saldi.
Deelt u de mening dat de Kamer, met het oog op de huidige TARGET2-saldi, in feite getuige is van een vorm van kapitaalvlucht? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in de eerdergenoemde Kamerbrief risico’s Nederlandse Staat als gevolg van het ECB-beleid heb aangegeven, ontstond ten tijde van de crisis in de ogen van investeerders een redenominatierisico, met kapitaaluitstroom uit een aantal lidstaten als gevolg. Het door kapitaaluitstroom ontstane financieringstekort voor commerciële partijen werd destijds opgevangen door vraaggedrevenliquiditeit van het Eurosysteem. Dit samenspel uitte zich destijds in oplopende TARGET2-saldi van nationale centrale banken van eurolanden tegenover de ECB. Oplopende TARGET2-saldi waren de tegenhanger van deze kapitaalstromen en waren indicatief voor de funding stressvan banken in kwetsbare eurolanden.
De huidige periode van oplopende TARGET2-saldi wordt daarentegen grotendeels gekenmerkt door aanbodgedreven liquiditeitscreatie via het monetaire aankoopprogramma. De oorzaak van de oploop van TARGET2-saldi sinds begin 2015 verschilt dus wezenlijk in oorsprong van de vraaggedrevenoploop van TARGET2-saldi ten tijde van de crisis. In tegenstelling tot de crisisperiode zijn de huidige TARGET2-saldi niet langer indicatief voor oplopende marktspanningen. Dat marktspanningen sinds de crisis zijn afgenomen en sinds de aanvang van de aankoopprogramma niet verder zijn opgelopen, valt onder andere op te maken uit een stabieler beroep op de herfinancieringsoperaties van het Eurosysteem. Er is dan ook geen sprake van (een vorm van) kapitaalvlucht.
Deelt u de mening dat actief beleid zoals bijvoorbeeld het ontmoedigen van deposito’s wel degelijk een optie is en dat Europese agendering juist nuttig is? Zo nee, waarom niet? In hoeverre kunt u aangeven c.q. krijgt u signalen dat andere landen of financiële instellingen in die landen sturen op het TARGET2-saldo?
Beleid dat zich hierop zou richten is onwenselijk, aangezien dit een inbreuk zou kunnen vormen op het vrije verkeer van kapitaal en aangezien dit grenzen zou stellen aan de houdbaarheid van de muntunie. Zowel landen als financiële instellingen sturen niet op TARGET2-saldi en ik ontvang hierover geen signalen.
Los daarvan hebben regeringen van eurolanden geen invloed op het monetair beleid. Het monetair beleid wordt bepaald door de ECB, die hierin onafhankelijk is. De ECB bepaalt zo ook de depositorente, die geldt voor het gehele eurogebied. Het ontmoedigen van deposito’s bij centrale banken door een onderscheid in de depositorente is onwenselijk. Het aanhouden van deposito’s is ook geen probleem. Bovendien houden juist banken uit sterker geachte landen verhoudingsgewijs meer liquide middelen aan bij het Eurosysteem omdat de vraag naar geldmarktinstrumenten uit deze landen doorgaans relatief groot is, waardoor de rentes in deze landen voor sommige geldmarktinstrumenten in bepaalde gevallen zelfs tot onder de depositorente van de ECB komt. Ontmoediging van deposito’s door een negatievere rente kan daarom, los van bovengenoemde bezwaren, ook nog eens negatieve gevolgen hebben voor (financiële instellingen in) relatief sterk geachte landen.
Deelt u de mening dat, indien het surplus van bepaalde landen verder stijgt, er vroeg of laat een enorme discussie zal ontstaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom volstaat u dan met de constatering dat er geen plannen zijn voor Europese agendering van deze problematiek?
In de recente beantwoording van andere schriftelijke Kamervragen omtrent TARGET25 en de daarmee verbonden risico’s, heb ik aangegeven dat de achterliggende oorzaken van de oploop van TARGET2-saldi doorlopend op de Europese agenda staan. In de afgelopen jaren zijn op Europees niveau belangrijke stappen gezet om de eurozone te versterken en de onderliggende onevenwichtigheden te verminderen. Zoals ik in de beantwoording van diezelfde schriftelijke Kamervragen ook aangaf, zijn er de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet met de versterking van de Europese begrotingsregels zoals vastgesteld in het SGP en de introductie van de MEOP. Daarnaast zijn er maatregelen doorgevoerd om de Europese bankensector te versterken. Zo zijn de kapitaaleisen voor banken de afgelopen jaren fors verhoogd en worden de komende jaren nog verdere stappen gezet om te komen tot een steviger raamwerk.6 Tot slot is ook het bankentoezicht in de eurozone via de bankenunie op Europees niveau gebracht, net als de besluitvorming over ordentelijke afwikkeling en herstructurering van systeemrelevante banken. Al deze maatregelen hebben tot doel de stabiliteit van de muntunie en het vertrouwen in het Europese bankenstelsel te vergroten. Het is daarnaast de inzet van dit kabinet om de duurzame groei en stabiliteit van de eurozone ook in de toekomst te versterken. Een stabiele eurozone met duurzame groei verhoogt de welvaart in de eurozone en kan daarmee tevens de potentiële risico’s die gepaard gaan met de programma’s van de ECB verlagen.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Toekomst van de EMU7 is het voor dit kabinet van belang om de risico’s in de reële economie en de financiële sector verder terug te brengen. Het kabinet is daarom voorstander van een strenge naleving van de begrotingsregels in het SGP, het beter benutten van de mogelijkheden van de macro-economische onevenwichtighedenprocedure en het vervolmaken van de bankenunie conform de routekaart voor de bankenunie zoals opgesteld onder het Nederlands voorzitterschap in 2016. Deze maatregelen bevorderen het versterken van private en publieke buffers in de eurozone en kunnen zodoende verder bijdragen aan het reduceren van risico’s en onevenwichtigheden, waaronder oorzaken die ten grondslag liggen aan de TARGET2-saldi.
Aangezien u logischerwijs wijst op het belang van opwaartse convergentie en zo ook, op de belangrijke stappen die zijn gezet om de eurozone te versterken evenals de nog te nemen stappen in dezen, deelt u de mening dat dit alles echter nog onvoldoende is terug te zien in de TARGET2-saldi? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik ook in de beantwoording van vraag 2 heb aangegeven, verschilt de huidige oploop van TARGET2-saldi wezenlijk in oorsprong van de oploop ten tijden van de crisis. Waar de TARGET2-saldi tijdens de crisis indicatief waren voor de funding stressvan banken in kwetsbare eurolanden, wordt de periode sinds begin 2015 gekenmerkt door aanbodgedreven liquiditeitscreatie via de monetaire aankoopprogramma’s.
De TARGET2-saldi namen sinds 2012 af nadat percepties van redenominatierisico verminderden en het vertrouwen in banken uit kwetsbare eurolanden langzaam begon terug te keren. Hierdoor daalde het beroep van banken op Eurosysteemfinanciering en daarmee ook de TARGET2-saldi. Sinds begin 2015 nemen TARGET2-saldi weer toe. In de eerder genoemde Kamerbrief Risico’s Nederlandse Staat als gevolg van het ECB-beleid heb ik uitgelegd op welke manieren het aankoopprogramma invloed heeft op de ontwikkeling van TARGET2-saldi en waarom en hoe de TARGET2-saldi zich in de afgelopen jaren als zodanig hebben ontwikkeld. De afgelopen jaren zijn er op Europees niveau belangrijke stappen zijn gezet om de eurozone te versterken en de onderliggende onevenwichtigheden te verminderen, zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 4. Dit draagt ook bij aan het mitigeren van de risico’s die gepaard gaan met het TARGET2-systeem, ongeacht de ontwikkeling van TARGET2-saldi in de afgelopen jaren.
Er zijn verschillende ontwikkelingen die naar verwachting kunnen bijdragen aan een afname van TARGET2-saldi in de toekomst: als het monetair beleid weer normaliseert, is de verwachting dat ook een belangrijke oorzaak van de huidige oploop van TARGET2-saldi zal verdwijnen. Daarnaast is het nodig dat de banken in het eurogebied gezonder worden zodat het marktvertrouwen in hen verder toeneemt. Dat kan onder andere door de afbouw van niet presterende leningen. Tot slot is het aan lidstaten zelf om hun begroting onder controle te brengen, buffers aan te brengen en duurzaam hun economie te versterken via structurele hervormingen, om zo het vertrouwen in een land en daarmee in lokale bankbalansen te versterken.
Gezien TARGET2-saldi belangrijke graadmeters zijn voor het vertrouwen in landen en zo ook voor de financiële stabiliteit van een land en het betreffende financiële stelsel, deelt u de mening dat het nuttig is de TARGET2-saldi wel als een indicator op te nemen, niet in maar bijvoorbeeld naast een indicator van staatsschuld?
TARGET2-saldi worden maandelijks gepubliceerd op de website van de ECB.8 Deze vormen een nuttige indicator, maar ze moeten wel behoedzaam geïnterpreteerd worden omdat het niet zozeer om de TARGET2-saldi als zodanig gaat, maar om de onderliggende drijvers en risico’s zoals in de beantwoording op vragen 1, 2 en 4 uiteengezet. Een andere reden waarom deze behoedzaam geïnterpreteerd moeten worden is dat de TARGET2-saldi dagelijks aan de hand van de grensoverschrijdende nettobetalingen binnen het TARGET2-systeem fluctueren. Gezien het grote volume aan dagelijkse overboekingen in het Eurosysteem is de volatiliteit van TARGET2-saldi van nationale centrale banken tegenover de ECB daarbij zeer groot op dagbasis.
Het bericht dat de carrière van postdocs van toeval aan elkaar hangt |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Carrière postdocs hangt van toeval aan elkaar»?1
Ja
Deelt u de analyse van de onderzoekers dat de toegenomen internationalisering, een terugtredende overheid, de komst van meer externe partijen waarmee de universiteiten samenwerken, de nadruk op prestaties en het gegeven dat er steeds meer op output gefinancierd word, indringende gevolgen heeft voor de arbeidsvoorwaarden voor mensen die aan de universiteit werken? Welke stappen gaat u ondernemen om de positie van postdocs te verstevigen?
Om een antwoord te geven op vraag 2 en vraag 3 wil ik teruggrijpen op de brief aan de Tweede Kamer van 11 januari 2017 (Kamerstuk 31 288, nr. 569), waarin uw Kamer is geïnformeerd over nieuwe maatregelen in het talentbeleid van OCW. Daarin is beschreven dat de academische cultuur vooral gericht is op een wetenschappelijke loopbaan op basis van geboekte onderzoeksresultaten in een internationaal competitieve omgeving. Dit levert druk op om zoveel mogelijk publicaties op naam te hebben. Het kan ertoe leiden dat veel universitaire medewerkers zich zo veel mogelijk op onderzoek richten. In het hoger onderwijssysteem hangt de carrière immers vaak af van het aantal publicaties en de competitie voor de schaarse onderzoeksmiddelen wordt steeds groter.
Hoe de omgevingsfactoren uitwerken op de arbeidsvoorwaarden is de verantwoordelijkheid van de werkgever. De aanpak in het talentbeleid is erop gericht de kwaliteit en continuïteit van onderwijs en onderzoek blijvend te garanderen en een divers loopbaanbeleid binnen de universiteiten te entameren. In deze context volg ik hoe universiteiten omgaan met het aantal flexibele dienstverbanden. Ik respecteer echter de verantwoordelijkheid van de universiteiten voor hun personeelsbeleid en arbeidsvoorwaarden. Postdocs worden over het algemeen aangetrokken voor een kortdurend specifiek onderzoek (van een tot vier jaar) met een bijhorende tijdelijke financiering, waarbij in veel gevallen extern tijdelijk geld is verworven. Door de tijdelijke financiering is er doorgaans alleen ruimte voor een tijdelijk dienstverband.
Daarbij vind ik het van belang dat de universiteit een aantrekkelijke werkgever is en ben ik blij dat universiteiten in de cao hebben afgesproken dat zij werk maken van het terugdringen van variabele en tijdelijke dienstverbanden van 30% naar 22%. Dat betekent ook dat er een grens moet zijn aan het aantal flexbanen, maar het is duidelijk dat het aantal vaste banen schaars is en de concurrentie groot. Er gaat de komende jaren meer geld rechtstreeks van het ministerie naar de universiteiten vanuit de middelen die vrijkomen uit het studievoorschot. Hierover maken we kwaliteitsafspraken. Instellingen moeten scherpe keuzes maken waaraan zij willen gaan werken. Ik ga er vanuit dat het aanstellen van extra docenten voor de instellingen een prioriteit is in de besteding van middelen, zoals ook eerder in de Strategische Agenda is opgenomen.
Op het punt van het arbeidsethos kom ik terug bij vraag 6.
Deelt u de mening dat door de tijdelijke contracten postdocs geen sterke positie binnen de universiteit hebben, waardoor ze zich nauwelijks verbonden voelen met de universiteit en dat dit geen gunstig effect heeft op het arbeidsethos van de postdocs? Vindt u dat flexcontracten op universiteiten moeten verdwijnen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u inzicht om hoeveel postdocs, die de wetenschap verlaten vanwege hun zwakke positie of omdat ze een flexcontract hebben, het gaat?
Nee
Bent u van mening dat de onzekerheid van postdocs bijdraagt aan de werkdruk van postdocs? Kunt u dit toelichten?
Werkdruk is vooral een kwestie die speelt tussen werkgever en werknemer en kan meerdere oorzaken hebben. Ik verwacht dat een goed werkgever de dialoog aangaat tussen medewerkers, leidinggevenden en het CvB, tussen vakgroepen, tussen faculteiten en ook tussen universiteiten, zodat er duidelijkheid ontstaat over ieders rol en verwachtingen. Ik zie het als de verantwoordelijkheid van de instellingen om voorstellen te ontwikkelen die de werkdruk bij hun medewerkers verminderen.
In de laatste cao Nederlandse Universiteiten is daarover de afspraak gemaakt dat alle universiteiten in 2017 een plan van aanpak maken voor werkdruk, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de omstandigheden op een zo laag mogelijk niveau in de organisatie. Dit kunnen bijvoorbeeld de specifieke problemen van een groep als de postdocs zijn.
Welk effect verwacht u dat de zwakke positie van postdocs heeft op de kwaliteit van wetenschap en onderwijs door postdocs?
Voor wetenschappelijke functies gelden benoemingseisen waaraan een kandidaat moet voldoen. Deze eisen zijn erop gericht de uitstekende kwaliteit van het wetenschap en onderwijs in Nederland te handhaven of te verhogen. Uit het recente advies van de KNAW «De aantrekkelijkheid van Nederland als onderzoeksland» blijkt dat Nederland een aantrekkelijk land is voor wetenschappelijke onderzoekers. Ook in dit advies wordt beschreven dat de kwaliteit van het onderzoek hoog is, de onderzoeksinfrastructuur uitstekend en dat Nederland goede arbeidsvoorwaarden biedt en een prettige leefomgeving. Deze positie willen we ook in de toekomst handhaven. Voor tijdelijke dienstverbanden die universiteiten bieden, geldt dat het vaak om een uitdagende, afwisselende baan gaat, met zowel wetenschappelijke als maatschappelijke impact. Deze functies bieden de mogelijkheid om te werken aan (interdisciplinaire) academische ontwikkeling en om een groot netwerk op te bouwen. Ik heb geen reden om te twijfelen aan het arbeidsethos van postdocs en de kwaliteit van hun prestaties. Omdat een postdoc-positie tijdelijk is, is aandacht voor opleiding en carrièreplanning van groot belang. In de cao Nederlandse universiteiten wordt expliciet aandacht besteed aan het arbeidsmarktperspectief voor onderzoekers met een tijdelijk dienstverband, waartoe de meeste postdocs behoren. Zo is er tijd en ruimte voor het schrijven van subsidieaanvragen en kan er ruimte worden geboden om kwalificaties voor onderwijs te verwerven.
Ik ga ervan uit dat een goede werkgever postdocs ook kennis laat maken met het loopbaanbeleid. Niet iedereen met een tijdelijk dienstverband bij een universiteit kan doorgroeien naar een vast dienstverband. Voor deze personen is het van belang dat de instelling hen begeleidt bij het zoeken naar een (wetenschaps-) carrière buiten de universiteit.
Noord-Koreaanse slaven die die meewerken aan de bouw van Nederlandse schepen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Noord-Koreaanse arbeiders werken en worden uitgebuit in de productieketens van Nederlandse schepen?1
Ja.
Wat is uw reactie op de betrokkenheid van Noord-Koreaanse arbeiders in productieketens van Nederlandse bedrijven?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven dat zij zich houden aan de principes van maatschappelijk verantwoord ondernemen zoals die onder meer zijn uitgewerkt in de OESO-richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles for Business and Human Rights. Het betrachten van due diligence (gepaste zorgvuldigheid) door bedrijven is een kernelement van deze OESO-richtlijnen. Het is daarbij primair de verantwoordelijkheid van bedrijven om risico’s op het gebied van arbeidsrechten, mensenrechten en mogelijke negatieve milieueffecten te identificeren, voorkomen of mitigeren, en rekenschap af te leggen over de wijze waarop zij met de geïdentificeerde risico’s omgaan.
Op ambtelijk niveau is contact geweest met verschillende in het rapport genoemde bedrijven. Daarbij is gewezen op de verantwoordelijkheid die zij hebben ten aanzien van de arbeidsomstandigheden van werknemers op de werven. Desbetreffende bedrijven hebben aangegeven aanvullende maatregelen te treffen om het risico op misstanden verder te verkleinen. Ook de brancheorganisatie voor scheepswerven, maritieme toeleveranciers en dienstverleners spoort haar leden aan om te zorgen voor veilig en eerlijk werk.
Nederland heeft het nieuwe rapport van het LeidenAsiaCentre onder de aandacht gebracht van de Poolse autoriteiten en navraag gedaan over de specifieke problematiek, daar zij verantwoordelijk zijn voor toezicht op de naleving van de geldende regels. De Europese Commissie heeft de Poolse autoriteiten in het verleden eveneens gewezen op signalen over vermeende overtreding van EU-wetgeving. Het is aan de Europese Commissie om op de afhandeling toe te zien en zo nodig actie te ondernemen. Nederland heeft het nieuwe rapport eveneens onder de aandacht gebracht van de Europese Commissie.
De betrokkenheid van Noord-Koreaanse arbeiders in productieketens is onder het huidige sanctieregime niet verboden. Ten gevolge van de meest recente VNVR-resolutie 2397 (2017) dienen Noord-Koreaanse arbeiders uiterlijk voor eind 2019 te worden gerepatrieerd. Mensenhandel en gedwongen arbeid zijn uiteraard wel in strijd met internationale regels. Personen en maatschappelijke organisaties die van mening zijn dat de OESO-richtlijnen zijn geschonden, kunnen hiervan melding doen bij het Nationaal Contactpunt. Het Nationaal Contactpunt kan, na mediatie tussen klager en beklaagde, een verklaring publiceren met zijn bevindingen.
Het kabinet zal het bedrijfsleven blijven stimuleren op een verantwoorde wijze zaken te doen, en de problematiek van Noord-Koreaanse arbeidsmigranten in internationaal verband aan de orde blijven stellen.
Gaat u in gesprek met de in het aangehaalde rapport genoemde Nederlandse bedrijven? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat deze bedrijven de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor multinationale ondernemingen beter naleven, om zodoende de uitbuiting van Noord-Koreanen in productieketens van Nederlandse bedrijven uit te sluiten? Bent u bereid hier een termijn voor te stellen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat moet er naar uw idee gebeuren met de Noord-Koreanen die mee hebben gewerkt aan Nederlandse schepen? Kunt u daarbij ingaan op zowel de rol van de bedrijven in de keten als die van de Nederlandse overheid en de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan overtuigd dat Nederlandse bedrijven in de betrokken sector uit zichzelf voldoende ondernemen om dergelijke praktijken te voorkomen? Zo ja, hoe verklaart u dat deze Noord-Koreanen meewerkten aan de Nederlandse schepen?
Zie antwoord vraag 2.
De veranderde situatie in Turkije en vluchtelingen in Turkije |
|
Jasper van Dijk |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Welke invloed heeft het bevriezen van de relatie met Turkije op het voortduren van de Turkijedeal? Op welke manier kan Nederland nog eisen stellen aan de uitvoering daarvan teneinde deze in Turkije in overeenstemming met de mensenrechten is?
De pauze in de bilaterale gesprekken met Turkije is specifiek gericht op het onderwerp normalisatie van de bilaterale betrekkingen en is niet van invloed op de uitvoering van de Verklaring van de EU-Lidstaten en Turkije over migratie. De Europese Commissie ziet toe op de uitvoering van de Verklaring en rapporteert daar ook met regelmaat over.1 Op basis van de uitvoering van de Verklaring in de afgelopen twee jaar is er geen reden om aan te nemen dat de verslechterde relatie tussen Turkije en een individuele EU-lidstaat consequenties zal hebben voor de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring.
Wat heeft de recente inval van Turkije in Afrin voor vluchtelingen betekend? Hoeveel vluchtelingen en intern ontheemden heeft deze aanval tot dusverre opgeleverd?
Naar schatting zijn tenminste 5.000 personen sinds het begin van Operatie Olijftak gevlucht naar regeringsgebied in Syrië. Daarnaast is een onbekend aantal mensen ontheemd geraakt, maar in het district Afrin gebleven. De inval heeft geen consequenties gehad voor de situatie van vluchtelingen in Turkije.
Wat is uw reactie op het bericht dat de Turkse grenswacht op Syrische vluchtelingen schiet?1
Zoals vaker met uw Kamer gewisseld, vindt het kabinet berichten over dit soort incidenten zorgelijk. Hoewel het kabinet vaststelt dat Turkije een zeer lange grens bewaakt die grenst aan een gebied in oorlogssituatie, is het neerschieten van een vluchteling evident onacceptabel. Uit eerdere vergelijkbare berichtgeving en de wijze waarop deze is uitgezocht, o.a. door de Europese Commissie, blijkt dat er geen sprake is van instructies dat Turkse grenswachten gericht moeten schieten op mensen die illegaal de grens proberen over te steken.
Deelt u de mening dat, aangezien er sinds het sluiten van de Turkijedeal stelselmatig berichten verschijnen over mensenrechtenschendingen door de Turken richting Syrische vluchtelingen, dit goed onderzocht en veroordeeld moet worden?
Dergelijke berichten dienen serieus te worden genomen en goed onderzocht. Het is primair aan de Europese Commissie, samen met UNHCR om hierop toe te zien. De regering heeft hierover het nodige met uw Kamer uitgewisseld.
Deelt u de mening dat het een verantwoordelijkheid is van de Europese Unie (EU) om zoveel mogelijk te garanderen dat er geen mensenrechtenschendingen richting vluchtelingen in Turkije plaatsvinden? Zo ja, deelt u de mening dat de EU zélf onderzoek moet doen naar de situatie daar en niet enkel mag vertrouwen op berichten vanuit de Turkse overheid? Zo nee, hoe strookt deze opvatting met de stelling uit het Regeerakkoord dat migratiedeals in overeenstemming met het internationaal recht moeten zijn?
In de eerste plaats is een land verantwoordelijk voor de wijze waarop het omgaat met mensen op zijn grondgebied. Dit geldt in het bijzonder voor kwetsbare personen zoals vluchtelingen. Op grond van het VN Vluchtelingenverdrag en de eigen nationale wetgeving, geldt dit ook voor Turkije. Het is dan ook niet aan de Europese Unie om hier garanties op te bieden. Wel ziet de Europese Commissie toe op de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring. Zij baseert zich daarbij niet alleen op verklaringen van de Turkse overheid. Net als de Nederlandse overheid, laat ook de Europese Commissie zich breed informeren: naast de autoriteiten door politieke partijen, IOM en UNCHR, lokale NGO’s, academici, denktanks en diverse (andere) waarnemers. Uiteraard dient de samenwerking met derde landen op het gebied van migratie in lijn te zijn met internationaal recht. Dat geldt ook voor de EU-Turkije Verklaring.
Welke mogelijkheden ziet u om deze praktijken te onderzoeken en veroordelen? Bent u bereid dit in Europees verband te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe ziet u de werkwijze van de EU in de toekomst voor zich indien nieuwe migratiedeals gesloten worden? Wie zou verantwoordelijk moeten zijn voor de uitvoering en monitoring op mensenrechtenschendingen om ons ervan te vergewissen dat landen waarmee de deals gesloten worden zich niet schuldig maken aan mensenrechtenschendingen?
Zoals uw Kamer bekend, werkt de EU al langer aan migratie partnerschappen met derde landen. Deze omvatten onder andere afspraken over de aanpak van grondoorzaken en mensensmokkel en het verbeteren van opvang in de regio en terugkeersamenwerking. In het geval dat afspraken, vergelijkbaar met de EU-Turkije Verklaring, in Europees verband zouden worden gemaakt, moeten deze in overeenstemming zijn met het internationaal recht. Het zou wat het kabinet betreft in de rede liggen dat de Europese Commissie toeziet op de wijze waarop de afspraken worden toegepast en dat UNHCR, zoals deel is van zijn mandaat, toeziet op de behandeling van vluchtelingen. Het staande kabinetsbeleid om mensenrechtenschendingen te voorkomen zou uiteraard van toepassing blijven.
Is het ambtsbericht uit 2013 nog altijd toereikend, gezien de veranderde omstandigheden in Turkije? Zo nee, wanneer komt u met een vernieuwd ambtsbericht?
Op dit moment wordt het vanwege de steeds veranderende situatie in Turkije niet behulpzaam geacht om een nieuw algemeen ambtsbericht op te stellen. Het kabinet volgt de ontwikkelingen op de voet. Om een beslissing te kunnen nemen op asielaanvragen, maakt de IND naast ambtsberichten ook gebruik van andere bronnen, bijvoorbeeld van openbare rapporten van andere landen en van internationale organisaties als de EU, de Raad van Europa en VN-organisaties. Ook maakt de IND gebruik van rapporten van mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch en Amnesty International, en informatie afkomstig van de Nederlandse ambassade in Turkije.
Kent u het bericht «Journaliste moet Papua verlaten om tweets»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze BBC-journaliste Henschke uit Papoea is weggestuurd, en bent u bekend met vergelijkbare gevallen van uitzetting van buitenlandse journalisten door de Indonesische overheid?
Bij navraag is gebleken dat de BBC-journaliste inderdaad de provincie moest verlaten.
In de periode 2017–2018 werden enkele andere buitenlandse journalisten verzocht Papua te verlaten omdat volgens de Indonesische autoriteiten de vergunningen van journalisten in kwestie niet in orde waren.
Klopt het dat de Indonesische overheid zowel binnenlandse als buitenlandse journalisten actief tegenwerkt als het gaat om verslaggeving van de situatie van Papoea’s in Indonesië?
President Joko Widodo heeft in 2015 aangekondigd dat Papua open is voor buitenlandse journalisten. Zij moeten echter wel een vergunning aanvragen om in Papua te werken. Indonesische journalisten hebben geen vergunning nodig om in Papua te werken.
De Alliance for Independent Journalists,een beroepsorganisatie voor journalisten in Indonesië, spreekt in algemene zin van een verbetering van toegankelijkheid van Papua voor journalisten. Niettemin blijft persvrijheid in Papua een punt van zorg.
Wat doet Nederland in het kader van de beleidsprioriteit «vrijheid van meningsuiting» om ook de vrijheid te bevorderen van journalisten die verslag willen doen van de onderdrukking van de Papoeabevolking in Indonesië?
Vrijheid van meningsuiting is een voorwaarde voor een goed functionerende democratie en een vrije samenleving, en is daarom één van de Nederlandse mensenrechtenprioriteiten wereldwijd, zo ook in Indonesië.
Dit was ook de reden dat Nederland via de mensenrechtenambassadeur in 2017 deelnam aan de World Press Freedom Day in Jakarta. In zijn contacten met de Indonesische autoriteiten heeft de mensenrechtenambassadeur het belang van vrije pers en vrijheid van meningsuiting diverse malen benadrukt.
Daarnaast steunt Nederland de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid via het strategisch partnerschap met Free Press Unlimited (FPU). FPU werkt in Indonesië samen met partnerorganisaties die zich onder andere inzetten voor de verbetering van persvrijheid, en capaciteitsopbouw van vrouwelijke journalisten in Papua.
Kunt u aangeven in hoeverre er sprake is van een verdere achteruitgang van de mensenrechtensituatie van Papoea’s in Indonesië?
De situatie in de Indonesische provincies Papua en West-Papua kent diverse zorgpunten, zoals geweldsincidenten tegen burgers, maar ook de vrijheid van meningsuiting en de positie van mensenrechtenverdedigers en (lokale) journalisten.
Onder president Widodo zijn enkele bemoedigende stappen gezet. Zo is de sociaaleconomische ontwikkeling van Papua («bridging the gap») een prioriteit voor de president. Zijn inzet en aandacht toont hij ook door veelvuldige bezoeken aan Papua. Meest recentelijk bracht president Widodo op 20 december 2017 een bezoek aan de regio.
Ook maakt president Widodo werk van een meer structurele dialoog over de situatie in Papua. Zo sprak de president op 15 augustus 2017 in Jakarta met onder meer religieuze leiders en mensenrechtenactivisten uit Papua. Deze bijeenkomst betekende het startpunt van een dialoog tussen betrokkenen in Papua en de centrale overheid in Jakarta. Deze dialoog vormt een belangrijke stap in het bespreekbaar maken van diverse zorgpunten van de bevolking van Papua.
In eerdere antwoorden op schriftelijke vragen is ingegaan op de bijdrage van Nederland aan politietrainingen op Papoea2; wat is de huidige status van de Nederlandse politietraining in Indonesië, en in hoeverre droeg of draagt deze inzet bij aan een verbetering van de mensenrechtensituatie in West-Papoea?
De Nederlandse bijdrage aan het Community Policing Programme loopt tot juli 2019. Het programma heeft als doel om de relatie tussen de politie en lokale gemeenschappen te verbeteren door middel van dialoog en mensenrechtentrainingen. Dit is onder meer gebeurd via de training en inzet van Community Policing Officers («wijkagenten»). In de laatste fase van dit programma zijn Community Policing Forums (CPFs) opgericht, waarin de bevolking samen met het lokaal bestuur en de politie de situatie in hun dorpen bespreekt ter bevordering van de lokale veiligheid.
Uit het rapport van de Mid-term evaluation van het Community Policing Programme kwam onder meer naar voren dat lokale gemeenschappen in Papua de politie nu zelf vaker betrekken bij problemen, en dat het programma heeft bijgedragen aan het opbouwen van vertrouwen en de vermindering van spanning tussen de politie en de gemeenschappen. De politie hanteert deze formule nu ook in andere gebieden.
Wat doet Nederland om uit te sluiten dat deze politietraining op enigerlei wijze bijdraagt aan het bevestigen van de onderdrukkende structuren jegens de Papoeaminderheid?
Het Community Policing Programmewerkt met wijkagenten in Papua die zich in de lokale gemeenschap inzetten om diensten te verlenen aan burgers. Deze agenten zijn in de regel niet betrokken bij handhaving en zij dragen ook geen wapens bij zich.
Het gaat om een lange termijn inzet waarbij een cultuuromslag noodzakelijk is. De leiding van de provinciale politie in Papua heeft bij diverse gelegenheden gesteld het belang te erkennen van het winnen van het vertrouwen van de lokale gemeenschappen om incidenten te verminderen en daarmee de veiligheidssituatie te verbeteren.
Is Nederland bereid om, ook in EU- en VN-verband, bij de Indonesische overheid actief te blijven pleiten voor persvrijheid, voor het bevorderen van gelijke rechten voor de Papoeabevolking, en voor het stoppen en bestraffen van geweld tegen Papoea’s door onder meer leger en politie?
Ja. De mensenrechtensituatie in Indonesië, met inbegrip van de situatie in Papua, is onderdeel van de reguliere dialoog tussen Nederland en Indonesië.
Zo heeft Nederland aandacht gevraagd voor de mensenrechtensituatie in Papua tijdens de politieke consultaties met Indonesië eind november 2017. Ook tijdens de EU-Indonesië mensenrechtendialoog op 1 februari 2018 is de situatie in Papua aan bod gekomen, evenals tijdens de bespreking van de mensenrechtensituatie in Indonesië (Universal Periodic Review) in mei 2017 in de VN-Mensenrechtencommissie.
De Nederlandse mensenrechtenambassadeur heeft tijdens zijn bezoek aan Indonesië in mei 2017 een bezoek aan Papua gebracht. Naast gesprekken met betrokkenen in Papua, is de situatie in Papua ook in gesprekken in Jakarta, onder meer met de Minister van Justitie en mensenrechten, aan de orde geweest.