Het bericht dat bedrijven nog te weinig doen aan digitale veiligheid |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bedrijven doen nog te weinig aan digitale veiligheid» van de Cyber Security Raad (CSR)?1
Ja.
Welke inspanningen onderneemt u nu om bedrijven op de hoogte te stellen van hun zorgplichten ten aanzien van digitale veiligheid?
Op 5 april jl. heeft de Cyber Security Raad de handreiking Ieder bedrijf heeft digitale zorgplichten gepubliceerd. Deze handreiking bevat een overzicht van generieke zorgplichten die bedrijven hebben op het gebied van cybersecurity. Deze handreiking geeft mij aanleiding om, in aanvulling op eerdere voorlichting over veilig internetten, bedrijven nog eens via diverse kanalen expliciet op de hoogte te stellen van deze zorgplichten. Hierover zal actief worden gecommuniceerd, onder andere via brancheorganisaties, het ondernemersplein en veiliginternetten.nl.
Welke middelen heeft u om deze zorgplichten te handhaven en in welke mate maakt u hiervan gebruik?
De Cyber Security Raad maakt in haar handreiking een onderscheid tussen zorgplichten op het gebied van de veilige verwerking van persoonsgegevens, zorgplichten betreffende het gebruik van ICT en zorgplichten in verband met producten of diensten met een ICT toepassing. Indien een bedrijf persoonsgegevens verwerkt, heeft het zorgplichten op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens. Op de naleving van deze plichten wordt krachtens dezelfde wet toezicht gehouden door de Autoriteit Persoonsgegevens.
De krachtens het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaande zorgplichten op het gebied van het gebruik van ICT en zorgplichten in verband met producten of diensten met een ICT toepassing kunnen door (private) partijen via de rechter worden afgedwongen. De Autoriteit Consument en Markt ziet toe op de naleving van de wetten en regels op het gebied van consumentenrecht.
Overigens bestaan er ook sectorspecifieke zorgplichten. Bijvoorbeeld wordt nu gewerkt aan de totstandbrenging van de implementatiewetgeving van de Netwerk- en informatiebeveiligingsrichtlijn. Daarin worden voor aanbieders van essentiële diensten en digitale dienstverleners zorgplichten betreffende de continuïteit van hun dienstverlening alsook handhaving van de naleving daarvan geregeld. Hierover wordt de Kamer op reguliere wijze door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie geïnformeerd.
Welke middelen heeft u om bedrijven op hun zorgplicht te wijzen en welke middelen gebruikt u om bedrijven hierbij te ondersteunen?
Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Hoe heeft u opvolging gegeven aan het in oktober 2016 verschenen advies Verhagen van de CSR?2 Is hierbij ruimte gecreëerd voor sturing vanuit de overheid?
Tijdens de behandeling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is toegezegd opvolging te gegeven aan het advies van Verhagen.3 Middels het organiseren van een aantal ronde tafels wordt het gesprek aangegaan met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en andere relevante maatschappelijke actoren, zoals aanbevolen door Verhagen. Deze gesprekken dienen om publiek-private samenwerking op het gebied van cybersecurity te bevorderen, waarbij sturing vanuit de overheid een aandachtspunt is. De uitkomsten van de gesprekken worden betrokken bij de doorontwikkeling van de cybersecurity strategie.
Hoeveel bedrijven negeren bewust hun verantwoordelijkheden voor wat betreft cybersecurity? Hoeveel van deze bedrijven wentelen de aansprakelijkheid via ontsnappingsclausules af? Hoe handhaaft u op dergelijke, volgens de CSR, illegale ontsnappingsclausules?
Er bestaat geen inzicht in het aantal bedrijven dat hun verantwoordelijkheid voor wat betreft cybersecurity bewust negeert of ontsnappingsclausules hanteert. In het antwoord op vraag 3 is ingegaan op de handhaving van zorgplichten.
Welke mogelijkheden hebben consumenten en ondernemers om verwijtbare schade te verhalen op leveranciers? In welke mate wordt hiervan gebruik gemaakt en tot welke schadevergoedingen leidt dit?
Een leverancier die een product levert dat niet voldoet aan de overeenkomst, is hiervoor jegens de koper aansprakelijk. Consumenten en ondernemers kunnen in dit geval op grond van het Burgerlijk Wetboek aanspraak maken op herstel, vervanging of schadevergoeding. Komen partijen hier onderling niet uit, dan kunnen ze zich zo nodig tot de rechter wenden. Er bestaat geen inzicht in welke mate hiervan gebruik wordt gemaakt en tot welke schadevergoedingen dit leidt.
Verwacht u dat zelfregulering afdoende is om ervoor te zorgen dat bedrijven hun zorgplichten serieus neemt? Zo nee of indien dit niet voldoende blijkt te zijn, bent u bereid aanvullende wettelijke maatregelen te nemen om de risico’s voor burgers en bedrijven in te perken?
Uit onderzoek komt naar voren dat het stimuleren van zorgplichten effectiever is dan strikte handhaving.4 Met het actief onder de aandacht brengen van de door de Cyber Security Raad gepubliceerde handreiking Ieder bedrijf heeft digitale zorgplichten wordt afnemers en leveranciers inzicht gegeven in de bestaande generieke zorgplichten en hoe zij hier in de dagelijkse praktijk invulling aan kunnen geven. Transparantie hierover is een belangrijke eerste stap om zelfregulering te stimuleren. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven, gaat het niet alleen om zelfregulering maar bestaan er ook wettelijke zorgplichten.
Hoe groot is de bekendheid van bedrijven met de meldplicht datalekken? Hoe vindt toezicht op en handhaving van naleving van deze meldplicht plaats? Is de Autoriteit Persoonsgegevens in staat om meldingen van datalekken snel en zorgvuldig te verwerken en te monitoren?
De meldplicht datalekken is per 1 januari 2016 in werking getreden. Deze meldplicht houdt in dat organisaties en bedrijven binnen 72 uur een melding moeten doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) zodra er sprake is van een inbreuk op de beveiliging met ernstige nadelige gevolgen (of de aanzienlijke kans daarop) voor de bescherming van persoonsgegevens. De AP heeft daar een meldloket voor ingericht. Ook moet de betrokkene van een inbreuk in kennis worden gesteld, indien deze inbreuk waarschijnlijk ongunstige gevolgen heeft voor diens persoonlijke levenssfeer.
Om de meldplicht datalekken breed onder bedrijven bekend te stellen, is over de meldplicht geregeld gecommuniceerd via diverse kanalen, waaronder veiliginternetten.nl en het ondernemersplein. Tevens heeft de AP beleidsregels uitgebracht. Deze beleidsregels zijn bedoeld om organisaties te helpen bij het bepalen of er sprake is van een datalek dat zij bij de AP, en eventueel aan betrokkenen, moeten melden.
Vanaf de inwerkingtreding monitort de AP de effecten van de invoering van de meldplicht datalekken. Daarbij wordt bezien in hoeverre de meldplicht extra capaciteitsinzet van de AP zal vergen. De uitkomsten van de monitoring tot nu toe laten zien dat de met de meldplicht datalekken gemoeide werklast binnen het huidige budget van de AP kan worden opgevangen. Overigens voorziet de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die in mei 2018 werking zal krijgen en in de plaats van de Wet bescherming persoonsgegevens zal treden, ook in een meldplicht bij datalekken. De AP heeft adviesbureau AEF de opdracht gegeven de gevolgen van de implementatie van de AVG, waaronder de daarin opgenomen meldplicht datalekken, in kaart te brengen.
Massasurveillance door de Oezbeekse overheid |
|
Kees Verhoeven (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «We will find you anywhere. The global shadow of Uzbekistani surveillance»?1
Het rapport van Amnesty International bevestigt de zorgwekkende mensenrechtensituatie in Oezbekistan. Voor de persvrijheid, vrijheid van meningsuiting, het recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering, en het werk van mensenrechtenverdedigers zijn de beschreven feiten in dit rapport bijzonder zorgelijk. Het Kabinet zet actief in op een adequate eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van vertrouwelijke communicatie. Ook in internationaal en Europees verband maakt Nederland zich hard voor het beschermen van deze mensenrechten. Zo heeft de EU tijdens de 13e editie van de «Samenwerkingsraad EU-Oezbekistan» op 17 juli 2017, mede op Nederlands aandringen, haar zorgen uitgesproken over de mensenrechtensituatie in Oezbekistan. Hoewel er signalen zijn dat de nieuwe president Mirzijojev meer aandacht heeft voor het verbeteren van de mensenrechten, blijft het van groot belang om de mensenrechtensituatie in Oezbekistan nauwlettend en kritisch te blijven volgen. Nederland zal de Oezbeekse regering in bilateraal, Europees en internationaal verband blijven aansporen om de mensenrechtensituatie in het land te verbeteren. Artikel 12 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt dat niemand onderworpen zal worden aan een willekeurige inmenging in zijn levenssfeer of communicatie. Gerechtelijke machtiging voor toegang is een mogelijke waarborg tegen deze willekeurige inmenging in de levenssfeer en of communicatie.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Oezbeekse autoriteiten zonder toestemming van de rechter toegang hebben tot alle telecommunicatiegegevens van hun burgers? Kunt u in uw antwoord betrekken dat de Oezbeekse autoriteiten regelmatig de mensenrechten schenden, bijvoorbeeld door willekeurige detentie en marteling? Kunt u in uw antwoord tevens betrekken dat deze massa surveillance levensgevaarlijke omstandigheden oplevert voor mensenrechtenverdedigers, journalisten en politieke activisten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u nagaan in hoeverre de massasurveillance door de Oezbeekse overheid in strijd is met internationale normen, die voorschrijven dat toegang tot persoonlijke data pas wordt verleend nadat een rechter heeft vastgesteld dat er sprake is van mogelijke verdachte praktijken? Kunt u uw antwoord toelichten?
In internationale, regionale en nationale wet- en regelgeving wordt toegang tot persoonlijke data, de persoonlijke levenssfeer en communicatie gereguleerd. Internationale regels vereisen niet noodzakelijkerwijs een machtiging door de rechter voor surveillance.
Wel is internationaal afgesproken dat bepaalde waarborgen zijn vereist teneinde schendingen van mensenrechten te voorkomen. Toegang tot persoonlijke data (bijvoorbeeld op basis van surveillance) -zonder waarborgen vooraf (bijvoorbeeld via een rechterlijke machtiging), kan in bepaalde gevallen een schending zijn van internationaal erkende burgerlijke rechten. In het rapport van Amnesty staat dat zulke waarborgen in Oezbekistan niet aanwezig zijn.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze massasurveillance wordt mogelijk gemaakt door een dochteronderneming van een bedrijf dat in Nederland is gevestigd?
Kunt u nagaan in hoeverre de activiteiten in Oezbekistan van (de dochteronderneming van) het Nederlandse bedrijf in strijd zijn met Nederlandse regelgeving en/of er sprake is van een strafbaar feit?
Kunt u nagaan in hoeverre de activiteiten in Oezbekistan van (de dochteronderneming van) het Nederlandse bedrijf in strijd zijn met de «UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s)», die onder andere voorschrijven dat bedrijven mensenrechten dienen te respecteren?
Bent u bereid om in overleg te treden met het betreffende bedrijf in Nederland en de dochteronderneming daarvan om te bezien of zij bereid zijn niet langer mee te werken aan deze massasurveillance door de Oezbeekse overheid die berucht is om de mensenrechtenschendingen? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dat overleg? Zo nee, waarom niet?
Is de afgelopen jaren vanuit Nederland surveillancetechnologie naar Oezbekistan geëxporteerd? Zo ja, wat precies? Bent u bereid geen vergunningen te verlenen voor de export van surveillancetechnologie vanuit Nederland naar Oezbekistan totdat de wetgeving in dat land in overeenstemming is met internationale mensenrechtennormen?
Specifiek omschreven surveillancetechnologie is geclassificeerd als dual-use goed. Voor de uitvoer naar bestemmingen buiten de EU is een vergunning vereist. Nederland heeft geen vergunningen verleend voor de uitvoer van surveillancetechnologie naar Oezbekistan. Onder de huidige omstandigheden is de kans klein dat een dergelijke vergunning wordt verleend.
Het aftreden van de directeur van het Nederlands Forensisch Instituut |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten wat de tussentijdse resultaten inhouden die mondeling zijn medegedeeld en gepresenteerd aan de medewerkers, de directieraad van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), de ondernemingsraad, de secretaris-generaal en de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van uw ministerie? Zo nee, waarom niet?1
In opdracht van de algemeen directeur en de ondernemingsraad van het NFI wordt een cultuuronderzoek uitgevoerd. De mondelinge mededeling betrof de hoofdlijn van de tussenresultaten van het onderzoek. Het onderzoek is derhalve nog niet afgerond. Zodra het eindrapport gereed is, zal ik u hierover nader informeren. Het eindrapport wordt naar verwachting medio mei afgerond.
In hoeverre gaan u en het NFI al aan de slag gegaan met deze tussentijdse resultaten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Conform de afspraak die hierover tussen bestuurder en de ondernemingsraad is gemaakt, worden de bevindingen uit de eerste fase van het onderzoek nu in de tweede fase nader geduid en vinden er gesprekken met medewerkers plaats.
Op welke gronden heeft de algemeen directeur van het NFI besloten op te stappen? Hoe is deze besluitvorming tot stand gekomen?
De algemeen directeur heeft op basis van persoonlijke afwegingen er zelf voor gekozen het NFI voluit de ruimte te geven voor de noodzakelijke vernieuwingsstappen die voortkomen uit het cultuuronderzoek.
Waarom heeft uw ministerie gevraagd of de algemeen directeur met vol mandaat aan kan blijven tot het moment dat er een opvolger is gevonden? Is deze situatie wel houdbaar gezien de omstandigheden en de vertrouwensbreuk tussen de directeur en het personeel?2
De algemeen directeur had en heeft het volledig mandaat. Ik heb geen reden om aan te nemen dat het niet houdbaar is dat de algemeen directeur voorlopig aan blijft in afwachting van zijn opvolger.
Kunt u aangeven wat bedoeld wordt als wordt gesteld dat veel inkoop onrechtmatig heeft plaatsgevonden?
In 2016 is een substantieel deel van de uitgaven onrechtmatig geweest bij het NFI. Zo is het niet volgen van de juiste aanbestedingsprocedure, het gebruik maken van een verlopen contract, het niet gebruik maken van een bestaande overeenkomst, onvolledige inkoopdossiers of het niet aanwezig zijn van ondertekende documenten aangemerkt als onrechtmatig.
Klopt het dat er in eerste instantie personeel bij het Inkoopteam overtollig is verklaard en dus is ontslagen? Was dat achteraf gezien wel verstandig, aangezien nu weer is besloten om het Inkoopteam te versterken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor de zomer van 2014 bestond het beeld bij het NFI dat het Inkoopteam beperkt kon worden ingekrompen onder aanname dat het (toen nog op te richten) Inkoop Uitvoerings Centrum (IUC) bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie een aantal inkooptaken zou overnemen. Om deze reden zijn in de reorganisatie twee medewerkers overtollig verklaard. Deze medewerkers zijn overigens niet ontslagen, anders dan in de vraagstelling verondersteld wordt.
Bij de feitelijke implementatie van het IUC is gebleken dat er sprake is van een beperktere overdracht van taken. Inmiddels zijn maatregelen genomen, zoals het versterken van het inkoopteam, maar ook procesveranderingen binnen het NFI en communicatie hierover.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en toereikend te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht ‘Turkse Nederlanders kiezen: ’evet’ of ’hayir’' over het faciliteren van het Turkse referendum in Nederland |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Turkse Nederlanders kiezen: «evet» of «hayir»» over het faciliteren van het Turkse referendum in Nederland?1
Ja.
Deelt u de mening dat stemmen per post een prima mogelijkheid is voor Turken in Nederland om mee te doen aan het referendum dat tot doel heeft van Turkije een dictatuur te maken?
Stemmen per post wordt door verschillende landen ingezet als optie voor burgers die in het buitenland woonachtig zijn. Ook Nederland kent die mogelijkheid. Turkije kiest daar niet voor. Het is niet aan het kabinet om zich een oordeel aan te meten over hoe andere soevereine staten hun verkiezingsproces organiseren.
Wat zijn de totale kosten die Nederland heeft gemaakt in verband met het faciliteren van dit Turkse referendum vanwege inzet van bewegwijzering en aanwijzingen in het Nederlands en Turks, verkeersregelaars en de politie die reeds moest optreden bij diverse opstootjes?
Gezien het beperkte aantal stemlocaties kan de verkeersdrukte toenemen. Voor een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer heeft Rijkswaterstaat verwijsborden geplaatst en worden verkeersregelaars ingezet. Rijkswaterstaat geeft hiervoor een vergunning af. Dit doet Rijkswaterstaat bij bijeenkomsten of locaties waar extra drukte te verwachten is. De kosten hiervan vallen binnen de reguliere werkzaamheden van Rijkswaterstaat en worden niet apart begroot.
De organisatie heeft zelf voor beveiliging gezorgd en neemt hiervoor in eerste instantie ook zelf de verantwoordelijkheid. De politie handhaaft de openbare orde indien dit noodzakelijk is. De inzet van de politie valt onder de reguliere inzet onder het gezag van de burgemeester.
Klopt het dat vertegenwoordigers van de AK-partij op woensdag geposeerd hebben in het Turkse stembureau in Den Haag? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het pre-verkiezingsstandpunt van de premier dat «Nederland geen plek is om voor andere landen campagne te gaan voeren»?2
Nederland houdt geen toezicht in de stemlocaties en kan dus niet bevestigen of er door leden van de AK-partij is geposeerd in een van de stemlocaties.
Bent u bereid direct te stoppen met het faciliteren van dit referendum en de stemlokalen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Stembureaus in ambassades of consulaten zijn zonder meer toegestaan en vallen onder de reikwijdte van de Weense Verdragen waarin staat wat de functies zijn van een Ambassade en een Consulaat-Generaal. Voor de inrichting van externe stembureaus is toestemming nodig. Dergelijke verzoeken worden tot op heden altijd gehonoreerd. Ook voor het Turkse referendum is die toestemming gegeven.
Wilt u deze vragen met spoed beantwoorden, vóór de Regeling van Werkzaamheden van donderdag 6 april a.s?
Bij deze kom ik tegemoet aan uw verzoek.
De toegenomen gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 3,5 jaar wachten op sociale huurwoning»?1
Ja.
Hoe rechtvaardig vindt u het dat statushouders met voorrang een sociale huurwoning toegewezen krijgen, terwijl voor de Nederlanders de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning in de regio Haaglanden met een jaar is toegenomen?
Eind vorig jaar is het wetsvoorstel inzake het schrappen van de verplichte voorrang voor statushouders voor gemeenten, die een huisvestingsverordening hebben waarin voorrangsgroepen worden aangewezen, aangenomen. Dit wetsvoorstel wordt op 1 juli 2017 van kracht. Met deze wetswijziging is de verplichte voorrangspositie voor vergunninghouders opgeheven en kunnen gemeenten zelf bepalen of ze vergunninghouders als een urgentiecategorie wensen op te nemen in de huisvestingsverordening.
Wel blijft de taakstelling voor de huisvesting van statushouders door gemeenten gewoon van kracht. Het is van groot belang dat statushouders zo kort mogelijk in asielzoekerscentra blijven. Enerzijds omdat zo snel mogelijk met inburgering en participatie kan worden begonnen, waardoor het beroep van deze groep op sociale voorzieningen zo veel mogelijk wordt beperkt. Anderzijds om de relatief hoge kosten van het verblijf van deze groep in asielzoekerscentra eveneens zoveel mogelijk te beperken. Vanuit dit perspectief acht ik een snelle huisvesting van deze groep van groot belang. Wel heeft dit kabinet maatregelen getroffen om de mogelijkheden voor gemeenten op dit vlak te verruimen: zo is de Tijdelijke regeling stimulering huisvesting vergunninghouders ingesteld, waarmee eenvoudige huisvesting voor deze groep kan worden gerealiseerd, mede met het oog op de vermindering van de druk op de reguliere sociale huurwoningvoorraad.
Bent u van mening dat aan deze achterstelling van de Nederlanders een einde moet komen? Bent u ertoe bereid gemeenten te verbieden nog langer voorrang aan statushouders te verlenen? Zo nee, waarom vindt u de huisvesting van statushouders belangrijker dan de huisvesting van de Nederlanders?
Zoals bij vraag 2 aangegeven, blijft de taakstelling voor de huisvesting van statushouders door gemeenten gewoon van kracht en zijn er goede redenen om snelle huisvesting van statushouders na te streven.
Op een aantal plaatsen in Nederland laat de beschikbaarheid van sociale huurwoningen te wensen over, waar de verminderde woningbouw als gevolg van de crisis van de laatste jaren mede de oorzaak is.
Om die reden wil het kabinet in algemene zin de bouw van goedkope huurwoningen stimuleren. Met ingang van 1 april 2017 is de nieuwe heffingsvermindering van kracht voor de bouw van huurwoningen met een huur onder de eerste aftoppingsgrens (€ 592 voor 1 of 2 persoonshuishoudens, € 635 voor huishoudens van 3 of meer personen). In schaarstegebieden is de vermindering op de verhuurderheffing € 20.000 per gebouwde huurwoning, in de andere gebieden € 10.000.
Tenslotte geldt dat de financiële positie van woningcorporaties ruim voldoende is om een goede bijdrage aan de nieuwbouw van sociale huurwoningen te leveren. Ik dring er zowel bij gemeenten als bij woningcorporaties op aan optimaal van deze mogelijkheden gebruik te maken.
Bent u voornemens de wachttijd voor de Nederlanders terug te dringen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht “Laaggeletterdheid kost 1 miljard” |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Laaggeletterdheid kost 1 miljard»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de verwachte toegenomen kosten van laaggeletterdheid voor de maatschappij?
PWC heeft in opdracht van Stichting Lezen & Schrijven berekend wat de economische en sociale kosten zijn van laaggeletterdheid in Nederland. Het onderzoek betreft een update van een eerder onderzoek dat PWC in 2013 deed.2
Stichting Lezen & Schrijven heeft om een update gevraagd omdat de stichting, naar aanleiding van een rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2016, inmiddels ervan uitgaat dat de groep laaggeletterden bijna twee keer zo groot is als in 2013 werd verondersteld (2,5 miljoen mensen in plaats van 1,3 miljoen).
Dit verschil in aantal komt niet vanwege een groei van het aantal laaggeletterden, maar omdat de Algemene Rekenkamer de officiële OESO-cijfers uit het PIAAC-onderzoek van 2013 heeft geëxtrapoleerd om ook de groep 65-plussers mee te tellen. Deze groep viel niet onder de PIAAC-onderzoekspopulatie. Ook heeft de Algemene Rekenkamer mensen meegeteld die geen problemen hebben met taal, maar uitsluitend met rekenen.
De berekening van de maatschappelijke kosten van laaggeletterdheid valt nu hoger uit omdat de Stichting Lezen & Schrijven inmiddels veronderstelt dat de omvang van de groep laaggeletterden ongeveer twee keer zo groot is als in 2013. De stijging is dus het gevolg van een ruimere definitie van de doelgroep.
Dit laat onverlet dat laaggeletterdheid onverminderd een groot maatschappelijk probleem is. Niet alleen vanwege de hoge maatschappelijke kosten overigens, maar vooral ook vanwege de problemen die laaggeletterdheid met zich meebrengt voor de groep die het betreft. Daarom zet ik mij, samen met mijn collega’s van SZW en VWS, volop in om meer laaggeletterden een cursus te laten volgen, en taalachterstanden bij kinderen vroeg aan te pakken. Dat doen we met het programma «Tel mee met Taal», dat in januari 2016 van start is gegaan. In het AO van 22 november jl. heb ik u toegezegd om in de tweede helft van dit jaar de tussenrapportage van dit programma te sturen op basis van de behaalde resultaten in de eerste anderhalf jaar.
Wat vindt u ervan dat dit zelfs lijkt te verdubbelen tot 1 miljard euro? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord bij vraag 2.
Wat vindt u van het signaal van de stichting Lezen en Schrijven dat er steeds meer jongeren van 15 moeite hebben met lezen? Deelt u de mening dat daar maatregelen het hardste nodig zijn, om te voorkomen dat het probleem nóg groter wordt? Welke mogelijkheden ziet u om de aanpak om laaggeletterdheid bij jongeren te voorkomen, uit te bouwen?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoorden op vragen van het lid Kwint (SP) over het bericht dat kinderen en jongeren steeds slechter lezen.
Bent u bereid met spoed meer geoormerkte middelen en maatregelen te steken in de aanpak van laaggeletterdheid, zodat er meer ambitie getoond kan worden in de aanpak? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het budget voor de aanpak van laaggeletterdheid is sinds 2016, als gevolg van de samenwerking met SZW en VWS, al verhoogd van circa € 68 miljoen naar ruim € 75 miljoen per jaar. Het overgrote deel van dit budget, namelijk ruim € 57 miljoen, is bestemd voor taal- en rekencursussen voor de doelgroep. Deze worden door gemeenten ingekocht. De verhoging komt met name door de inzet op het actieprogramma «Tel mee met Taal», waarvoor van 2016 t/m 2018 jaarlijks € 18 miljoen beschikbaar is.
WEB-middelen volwassenen
educatie
Actieplan Laaggeletterdheid
Pilots Taal voor het Leven
Actieplan Kunst van Lezen
Actieprogramma Tel mee met Taal
Totaal
2013
€ 53.353.000
€ 2.850.000
€ 3.950.000
€ 2.870.000
€ 63.023.000
2014
€ 53.884.000
€ 3.715.000
€ 5.000.000
€ 2.870.000
€ 65.469.000
2015
€ 56.700.000
€ 3.930.000
€ 5.000.000
€ 2.870.000
€ 68.500.000
2016
€ 57.790.000
€ 18.000.000
€ 75.790.000
2017
€ 57.650.000
€ 18.000.000
€ 75.650.000
2018
€ 57.650.000
€ 18.000.000
€ 75.650.000
Op dit moment loopt een aantal onderzoeken naar het bereik van de cursussen die door gemeenten worden ingekocht, de effectiviteit van het cursusaanbod, en de tevredenheid over het actieprogramma «Tel mee met Taal». Deze onderzoeken verschijnen rond de zomer. In het najaar zal ik u informeren over de resultaten en in een brief ingaan op de vervolgaanpak van laaggeletterdheid. Daarin betrek ik ook de uitvoering van de motie Asante/Van Meenen (Kamerstuk 28 760, nr. 63) die vraagt om, samen met de VNG, in kaart te brengen wat ervoor nodig is om het bereik onder laaggeletterden de komende jaren fors te vergroten.
Wat kunt u zeggen over de voortgang van de aanpak van laaggeletterdheid, laaggecijferdheid en digitale laaggeletterdheid onder ouderen, gezien de toenemende verwachtingen die aan hun zelfredzaamheid gesteld worden in deze participatiemaatschappij?
In het AO met uw Kamer van 23 november jl.(Kamerstuk 28 760, nr. 60) heb ik u geïnformeerd over de eerste resultaten van het actieprogramma Tel mee met Taal. Dat programma is op 1 januari 2016 begonnen. Ik heb toegezegd om u in de tweede helft van dit jaar de tussenrapportage van dit programma te sturen op basis van de behaalde resultaten in de eerste anderhalf jaar. Ik zal daarbij ook aangeven in welke mate de verschillende groepen laaggeletterden zijn bereikt.
Kunt u aangeven hoe de intensivering van samenwerking tussen de departementen op dit gebied verloopt?
Ik geef samen met mijn collega’s van SZW en VWS uitvoering aan het actieprogramma Tel mee met Taal. Ook binnen deze departementen, en met verschillende koepelorganisaties, zet ik in op verbreding van de samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van schuldhulpverlening en sociale wijkteams. Zoals ik heb toegezegd in het Algemeen Overleg van 23 november 2016, zal ik u in de tweede helft van dit jaar, tegelijk met de verschillende onderzoeken die lopen naar het laaggeletterdheidbeleid, verder informeren over de interdepartementale samenwerking op dit gebied.
Wat vindt u van de stelling dat de resultaten van het beleid ten opzichte van het hoge aantal laaggeletterden veel te beperkt is?
Ik onderschrijf deze stelling niet. Laaggeletterdheid is een complex en weerbarstig probleem. Ik ben blij dat we met het actieprogramma Tel mee met Taal nu grote stappen zetten op weg naar een effectievere aanpak. Daarbij gaat het zowel om de interdepartementale samenwerking als om de samenwerking met gemeenten en maatschappelijke organisaties. Een mooie indicatie voor de effectiviteit van de integrale aanpak is het feit dat steeds meer laaggeletterden worden bereikt met een cursus. In 2016 bereikten we een recordaantal cursisten (25.000), en niet eerder werden er zoveel taalmaatjes getraind (7.000). Elke week openen nieuwe taalhuizen en taalpunten en beginnen nieuwe werkgevers met het scholen van hun laagtaalvaardige medewerkers. In de tussenrapportage over het bereik van «Tel mee met Taal» en het effect van de cursussen, die u na de zomer ontvangt, zal ik hier nader op ingaan. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 aangaf, zal ik daarbij ook de motie Asante/Van Meenen betrekken, en aangeven wat ervoor nodig is om het bereik de komende jaren fors te vergroten.
Het achterblijven van het bestrijden van witwassen |
|
Michiel van Nispen (SP), Renske Leijten |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Nederland internationaal gezien achter blijft als het gaat om de bestrijding van witwasrisico’s?1 Wat zijn hier de oorzaken van?
Ik verwijs u in dit verband naar de antwoorden op vragen 1, 3 en 8 van het lid Nijboer over het bericht «Ons land «witwasrisico»» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1951).
Kunt u puntsgewijs reageren op de conclusies van de organisatie Transparency International en aangeven hoe Nederland hiermee aan de slag gaat of mee aan de slag is? Kunt u daarbij ook aangeven op welke manier daar invulling aan wordt of zal worden gegeven?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de uitspraak van één van opstellers van het rapport, de heer Streiff, namelijk dat financieel dienstverleners in Nederland klantonderzoek nog onvoldoende serieus nemen? Wat zijn daar de redenen van?
Voor een toelichting op de verplichting voor banken en andere financiële ondernemingen om cliëntenonderzoek te verrichten, wordt in de eerste plaats verwezen naar de beantwoording van vraag 2 van het lid Nijboer over het bericht «Ons land «witwasrisico»».
Financiële ondernemingen moeten hun bedrijfsvoering, procedures en processen zodanig inrichten dat deze zijn afgestemd op de risico’s verbonden aan hun dienstverlening, op een type cliënt en op de individuele cliënt, een product en op de locatie van de cliënt of dienstverlening. Dat vergt een individuele, periodieke risicoanalyse van de instellingen. Daardoor wordt de risicogebaseerde benadering door instellingen onder omstandigheden als gecompliceerd ervaren.
Tegelijkertijd wordt een risicogebaseerde aanpak in het voorkomen van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme wereldwijd als het meest effectief en efficiënt beschouwd. De risicogebaseerde aanpak volgt uit de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) en komt ook in de Europese anti-witwasrichtlijnen nadrukkelijk tot uitdrukking. Bovendien biedt de risicogebaseerde aanpak instellingen de ruimte om in geval van lager risico met minder verregaande maatregelen te volstaan.
De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) houden toezicht op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door banken en andere financiële ondernemingen en dienstverleners. In dit kader wordt doorlopend aandacht gevraagd voor de naleving van de verplichtingen uit de Wwft, onder meer door middel van voorlichting, leidraden, guidance en factsheets. Zo heeft DNB «good practices» gepubliceerd met betrekking tot de systematische analyse van integriteitsrisico’s, waaronder de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme, die door de onder DNB toezicht staande financiële ondernemingen moet worden uitgevoerd.2
In de uitoefening van het toezicht worden met enige regelmaat tekortkomingen in de naleving van de Wwft door banken en andere financiële ondernemingen geconstateerd. Hoewel de naleving van de Wwft nog aandacht en verbetering behoeft, wordt de algemene constatering dat financiële instellingen in Nederland het cliëntenonderzoek onvoldoende serieus nemen, niet gedeeld.
Zal er onderzoek worden gedaan naar de misstanden bij ING om te achterhalen hoe dit heeft kunnen gebeuren en wat nodig is om dergelijke situaties te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
DNB houdt toezicht op ING en heeft aangegeven alle relevante signalen in haar toezicht te betrekken en nader onderzoek te verrichten en maatregelen te treffen daar waar dat nodig is. In verband met de wettelijke geheimhoudingsplicht kan DNB geen verdere uitspraken doen over individuele instellingen onder haar toezicht.
Welke trends vallen waar te nemen wanneer het gaat om transacties met door corruptie verkregen gelden en/of witwassen? Is het aantal situaties de afgelopen jaren toe- of afgenomen?
Een duidelijke trend die valt waar te nemen als het gaat om transacties met door corruptie verkregen gelden of andere transacties die verband houden met witwassen, is de toenemende internationale context waarbinnen de diverse vormen van criminaliteit zich voordoen. Navraag bij de FIOD leert dat zowel corruptie, als witwassen steeds vaker grensoverschrijdend plaatsvinden. Op Europees niveau is hier dan ook rekening mee gehouden, waaronder bij het vaststellen van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn. Zo voorziet deze richtlijn in aanvullende bepalingen met betrekking tot samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de Financiële inlichtingen eenheden (FIU’s) van de verschillende lidstaten.
Een andere trend betreft de rol die technologische ontwikkelingen spelen bij transacties met door corruptie verkregen gelden en witwassen. In het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie dat strekt tot wijziging van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn3 wordt dit nadrukkelijk geadresseerd. Zo beoogt dit richtlijnvoorstel platforms voor het omwisselen van virtuele valuta en zogenaamde «wallet providers» binnen de reikwijdte van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn te brengen. Ook is voorgesteld de verplichtingen voor het verrichten van cliëntenonderzoek in het geval gebruik wordt gemaakt van bepaalde prepaid betaalmiddelen aan te scherpen.
Het snel kunnen inspelen op trends is cruciaal voor de bestrijding van witwassen en andere vormen van criminaliteit. In Nederland gebeurt dit onder meer binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC). Binnen dit samenwerkingsverband werken de Financiële inlichtingen eenheid (ook wel Financial Intelligence Unit, FIU-Nederland), de AFM en DNB samen met de FIOD, het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en de Nationale Politie om de integriteit van de financiële sector te versterken.
Deelt u de mening van hoogleraar Koelewijn dat het lastig is voor financiële instellingen om goed onderzoek te doen? Zo ja, hoe komt dat en wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke effecten zijn waar te nemen na maatregelen die genomen zijn naar aanleiding van de Panama Papers en intrekken van vergunningen van trustkantoren?
De Wwft-toezichthouders hebben de signalen die naar voren kwamen uit de berichtgeving rond de Panama Papers betrokken bij de uitvoering van hun toezicht. Op basis van de openbaar gemaakte gegevens is door hen (data)onderzoek verricht en is in een aantal gevallen handhavend opgetreden. Ook zijn aangiften gedaan bij het OM. Daarnaast heeft DNB enkele vergunningen van trustkantoren ingetrokken.
Navraag bij DNB leert dat zestig trustkantoren in de afgelopen drie jaar hun vergunning bij DNB hebben ingeleverd. DNB constateert dan ook dat de aanscherping van het toezicht op trustkantoren ertoe heeft geleid dat trustkantoren vaker hun dienstverlening beëindigen, dan wel hun zaken versneld op orde brengen.
DNB is voorts een themaonderzoek gestart naar agressieve belastingplanning en klantanonimiteit. Daarbij doet DNB onderzoek naar de betrokkenheid van financiële instellingen bij het faciliteren van financiële constructies die de zichtbaarheid van klanten voor overheidsinstanties kunnen belemmeren. DNB verwacht van financiële instellingen dat zij in hun beoordeling van de risico’s verbonden aan een individuele cliënt oog hebben voor de problematiek die in de Panama Papers naar voren is gekomen. De uitkomsten van dit themaonderzoek zullen later dit jaar gepubliceerd worden.
Wat is uw opvatting over de suggestie om het vrije verkeer van kapitaal al dan niet tijdelijk aan banden te leggen wanneer er sprake is van door corruptie verkregen geld en/of witwassen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Beperkingen van het vrij verkeer in kapitaal zijn slechts bij uitzondering mogelijk. Aan de mogelijkheid van grensoverschrijdende investeringen en beleggingen, alsmede grensoverschrijdend betalingsverkeer, wordt groot belang gehecht. Desalniettemin is het op basis van bestaande (Europese) wet- en regelgeving reeds mogelijk om te voorzien in maatregelen als confiscatie en beslaglegging, wanneer er sprake is van corruptie of witwassen.
Is het wettelijk verboden voor financiële instellingen om hun medewerking te verlenen aan transacties waarbij hoogstwaarschijnlijk sprake is van corruptie en/of witwassen? Zo nee, waarom niet?
Indien een instelling het Wwft cliëntenonderzoek niet naar behoren heeft kunnen verrichten, is het verboden om een zakelijke relatie aan te gaan met een cliënt of een incidentele transactie te verrichten ten behoeve van een cliënt. Een transactie mag in geen geval plaatsvinden als daarmee een strafbaar feit wordt begaan of gefaciliteerd. DNB en de AFM beoordelen in de uitoefening van hun toezicht of financiële ondernemingen deze wettelijke verplichtingen naleven en zij kunnen tegen overtreding bestuursrechtelijk optreden. Het Openbaar Ministerie kan daarnaast strafrechtelijk optreden.
Op welke manier zal volgens u het ultimate beneficial owners (UBO)-register bijdragen aan het wegnemen van witwasrisico’s?
Het verhullen van de werkelijke aard of herkomst van opbrengsten die uit enig misdrijf zijn verkregen is ernstig ontwrichtend voor de samenleving. Bekend is dat personen die betrokken zijn bij witwassen vaak gebruik maken van juridische structuren om buiten het zicht van onder meer de autoriteiten te blijven en ongestoord van het wederrechtelijk verkregen vermogen te kunnen genieten. Het is dan ook van groot maatschappelijk belang dat daders van witwassen hun identiteit niet verborgen kunnen houden achter verhullende juridische structuren. Het op grond van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn door Nederland verplicht te houden UBO-register is bedoeld om inzichtelijk te maken wie de uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) zijn van ondernemingen en rechtspersonen die in Nederland zijn opgericht. Het UBO-register zal naar verwachting een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van meer transparantie over UBO’s van ondernemingen en rechtspersonen. Zodoende wordt beoogd de integriteit van het financieel stelsel te beschermen tegen witwassen en alle daarmee verband houdende basisdelicten zoals corruptie, fiscale misdrijven en fraude, alsook tegen het financieren van terrorisme.
Welke rol ziet u weggelegd voor een centraal aandeelhoudersregister zoals beschreven in de initiatiefnota «Het centraal aandeelhoudersregister in de strijd tegen witwassen»?2
Een centraal aandeelhoudersregister is bedoeld om bij te dragen aan de transparantie van informatie over wie als aandeelhouders aan BV’s en niet-beursgenoteerde NV’s zijn verbonden. Die informatie biedt aanknopingspunten voor nader onderzoek bij een verdenking van malafide transacties. Het kabinet heeft reeds opgemerkt dat dit een voordeel is.5
Kunt u een laatste stand van zaken geven van de uitvoering van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer in het rapport «Bestrijden witwassen: stand van zaken 2013», waaruit toen al is gebleken dat er geen zicht was op de risico’s en de resultaten? Welke successen zijn daarna geboekt? Welke knelpunten worden nog ervaren en wat wordt daaraan gedaan?3
Sinds 2013 zijn verschillende initiatieven genomen om het inzicht in de risico’s op witwassen, alsmede de resultaten van het voorkomen daarvan, te vergroten. Zo is in oktober 2015 een eerste beleidsmonitor witwassen opgeleverd met betrekking tot de resultaten over de periode 2010–2013. Uw Kamer heeft deze monitor ontvangen, alsook de beleidsreactie daarop.7 Daarnaast zal dit jaar een eerste nationale risicoanalyse worden opgeleverd. Een tweede nationale risicoanalyse zal daarop volgen. Ook wordt momenteel een tweede beleidsmonitor uitgevoerd met betrekking tot de periode 2013–2016, die naar verwachting eind 2017 zal worden afgerond. Een derde beleidsmonitor zal over twee jaar volgen. Tevens zal dit jaar de nationale dreigingsbeeldanalyse worden uitgebracht waar ook het onderwerp witwassen aan de orde zal komen. Uw Kamer zal over al deze rapporten en de opvolging ervan worden geïnformeerd.
De subsidiëring van fossiele energie |
|
Sandra Beckerman |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het Europees parlement «Fossil Fuel Subsidies», waaruit blijkt dat Nederland in 2015 10 miljard USD in fossiele subsidies heeft gestoken?1
Ja, ik ben bekend met dit rapport.
Kunt u deze cijfers bevestigen en een uitsplitsing geven van deze subsidies, inclusief bedrag per subsidie per jaar, voor bijvoorbeeld een periode van tien jaar? Kunt u hetzelfde doen voor de subsidies voor hernieuwbare energie?
Uw Kamer stelt met enige regelmaat vragen over vermeende subsidies op fossiele brandstoffen in Nederland. Ik verwijs om die reden naar eerdere antwoorden op vragen uit uw Kamer met dagtekening 16 juni 2015 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 2573), 24 juni 2014 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013- 2014, nr. 2353) en 18 november 2011 (Kamerstuk 33 043, nr. 9).
Kortheidshalve merk ik op dat het rapport van het Europees parlement onder andere refereert aan eerdere studies van het IMF en het IEA waarin aandacht werd gevraagd voor – vermeende – subsidies voor fossiele brandstoffen. Het is een bekend feit dat met name in ontwikkelingslanden de prijzen voor motorbrandstoffen aan de pomp kunstmatig laag worden gehouden. In Nederland worden de motorbrandstoffen juist relatief zwaar belast en wordt het gebruik van fossiele brandstoffen niet gestimuleerd. Integendeel, Nederland is een van de koplopers binnen de OESO-landen wat milieubelastingen betreft. Uit een recent rapport van de OESO onder de titel «Effective Carbon Rates» (gepubliceerd op 26 september 2016) blijkt dat Nederland als enige OESO-lidstaat meer dan 50% van de totale broeikasgasemissies beprijst boven de in het rapport gehanteerde prijs van € 30 per ton CO2.
Fossiele brandstoffen worden in Nederland, in tegenstelling tot hernieuwbare energie, niet gesubsidieerd, ook niet via fiscale maatregelen. Sommige leveringen zijn echter vrijgesteld van accijns op grond van internationale verdragen. Het gaat specifiek om het Verdrag van Chicago (accijnsvrijstelling motorbrandstoffen voor de internationale luchtvaart, uitgezonderd plezierluchtvaart) en de Akte van Mannheim (accijnsvrijstelling motorbrandstoffen voor de internationale binnenvaart, uitgezonderd pleziervaart).
Tevens wordt de degressieve tariefstructuur in de energiebelasting regelmatig beschouwd als subsidie voor fossiele energie. Ten onrechte, omdat deze tariefstructuur geldig is ongeacht of het gaat om fossiele of om hernieuwbare energie. Er is gekozen voor deze tariefstructuur om de concurrentiepositie van het bedrijfsleven ten opzichte van buitenlandse concurrenten te waarborgen. Ook in andere landen gelden voor het bedrijfsleven per saldo lagere tarieven dan voor kleinverbruikers. Overigens zal ook de energie-intensieve industrie een bijdrage moeten leveren aan de noodzakelijke energietransitie die met het Energieakkoord in gang is gezet en in de Energieagenda een belangrijk vervolg krijgt. Onlangs zijn met de sector aanvullende afspraken gemaakt om extra energie te besparen.
Wat betreft de subsidies voor hernieuwbare energie is er in de begroting van Economische Zaken ten aanzien van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) voorzien in oplopende kasuitgaven van € 678 miljoen in 2017 naar € 2,5 miljard in 2023. Daarnaast zijn in 2017 ook kasuitgaven van € 70 miljoen voorzien voor de investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) voor kleinschaliger vormen van hernieuwbare energieopties die niet voor de SDE+ in aanmerking komen. Tot slot wordt op deze plaats de subsidieregeling Demonstratie Energie Innovatie (DEI) genoemd als onderdeel van de regelingen binnen de Topsector Energie met een budget van jaarlijks € 100 miljoen.
Deelt u de mening van de samenstellers van het rapport dat prijsprikkels van groot belang zijn om de Europese klimaatdoelen te halen en met het oog daarop gericht zouden moeten zijn op het uitfaseren van fossiele energie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Prijsprikkels zijn een belangrijke factor om de Europese klimaatdoelen te halen. Daarbij speelt het Europees emissiehandelssysteem (ETS) een belangrijke rol. Het is de inzet van het kabinet om het ETS te versterken, zodat een sterkere prikkel ontstaat voor het nemen van CO2-reducerende maatregelen. Daarnaast wordt via subsidies, zoals de SDE+, de inzet van hernieuwbare energie bevorderd om deze concurrerend te laten zijn ten opzichte van fossiele energie. Tegelijk worden thans in het kader van de uitwerking van de Energieagenda zogenoemde transitiepaden verkend, gericht op een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie richting 2050.
Staat u nog steeds achter uw antwoord op eerdere vragen over het bevoordelen van fossiele energie waarbij u aangaf van mening te zijn dat juist de meest energie-intensieve bedrijven bescherming verdienen tegen buitenlandse concurrentie?2 Erkent u dat met dit beleid juist de meest vervuilende industrie het minst betaalt aan klimaatkosten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van het feit dat de industrie er opnieuw niet in is geslaagd de CO2-uitstoot naar beneden te brengen?3 Erkent u dat dit laat zien dat het huidig beleid niet de gewenste effecten sorteert om tot de nodige CO2-reductie en de overstap naar hernieuwbare energie te komen? Graag een toelichting.
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Onder het Europese emissiehandelssysteem is het mogelijk dat de CO2-uitstoot van een sector of land (tijdelijk) toeneemt. Het uitstootplafond is immers een Europees plafond, waaronder verschuivingen mogelijk zijn. De Nederlandse bedrijven die aan het EU-emissiehandelssysteem deelnemen, hebben in 2016 in totaal 94 Mton CO2-equivalenten uitgestoten. Dit betekent een stabilisatie van de uitstoot ten opzichte van 2015. Daarbinnen heeft de chemiesector in 2016 18,5 Mton CO2-uitgestoten. Dit is 7% meer dan in 2015, toen de uitstoot 17,3 Mton was. Deze toename wordt vooral veroorzaakt door de hervatting van de productie bij één bedrijf.
Overigens wijkt bovenstaand beeld niet substantieel af van de ramingen in de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016. In de NEV 2016 werd reeds een tijdelijke toename van de emissies in 2015/2016 gesignaleerd. In de NEV 2016 wordt echter ook geraamd dat, onder andere door de gestage groei van hernieuwbare energie, de broeikasgasemissies in de ETS-sectoren vanaf 2017 tot en met 2020 zullen afnemen.
Op welke wijze gaat u er zorg voor dragen dat de afspraken uit het Klimaatakkoord worden nageleefd en de reductiedoelen behaald?
In het Klimaatakkoord van Parijs is vastgelegd de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad Celsius te realiseren. Landen moeten volgens het Klimaatakkoord van Parijs iedere vijf jaar aangeven of zij de nationale klimaatbijdrage (Nationally Determined Contribution/NDC) verhogen. De eerste keer gebeurt dit in 2020. Daarnaast is het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) verzocht in 2018 te rapporteren over de effecten van een beperkte opwarming met anderhalve graad Celsius en de daaraan gerelateerde mondiale emissiepaden. De uitkomst van de IPCC-analyse is input voor de faciliterende dialoog in 2018 over de klimaatbijdragen. De faciliterende dialoog is ook het moment om naar de inzet van de EU te kijken in relatie tot de bijdrage van andere grote landen. Een tijdig besluit over de implicaties van het Klimaatakkoord van Parijs voor het Europese ambitieniveau is belangrijk om te voorkomen dat er onzekerheid ontstaat over het einddoel. Als er binnen de EU wordt besloten tot ophoging van de ambities, vindt het kabinet dat de niet-ETS- en ETS-doelen hierop moeten worden aangepast.
Daarnaast zijn in het Energierapport voor de periode tot 2050 de hoofdlijnen van het toekomstige energiebeleid geschetst. Deze hoofdlijnen zijn uitvoerig besproken in de Energiedialoog. De uitkomsten van de dialoog zijn bouwstenen geweest voor de Energieagenda, waarmee het kabinet een helder en ambitieus perspectief heeft geschetst richting 2030 en 2050. Momenteel worden transitiepaden verkend, gericht op een geleidelijke en tijdige transitie naar een CO2-arme economie. Het kabinet zorgt ervoor dat een zo goed mogelijk inzicht wordt geboden in de effecten en kosten voor burgers en bedrijven, zodat een volgend kabinet in staat is om nadere keuzes te maken.
Het bericht dat de CO2-uitstoot van de industrie niet daalt |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de Nederlandse Emissieautoriteit dat de uitstoot van CO2 door de industrie in 2016 niet gedaald is?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Nederlandse industrie evenveel CO2 is blijven uitstoten in 2016, en dat wanneer de maatregel van het uit bedrijf halen van enkele kolencentrales buiten beschouwing wordt gelaten, de uitstoot van de Nederlandse industrie in 2016 zelfs is toegenomen?
Zie het antwoord op vraag 2 van de leden Van der Lee en Kröger.
Hoe kan het dat de Nederlandse industrie geen voortgang boekte in 2016, terwijl de industrieën in andere lidstaten van de Europese Unie wel hebben gezorgd voor een daling van de CO2-uitstoot?
Zie het antwoord op vraag 3 van de leden Van der Lee en Kröger.
Wat betekent deze gelijkblijvende CO2-uitstoot in 2016 voor de prognose van de CO2-besparing die de Nederlandse industrie in 2020 zal halen? Hoever blijft de industrie nu achter op de afspraken uit het Energieakkoord?
Met de afgesproken intensiveringen, waaronder intensivering ten aanzien van de 9 PJ extra energiebesparing in 2020 bij de energie-intensieve industrie, zijn alle partijen van het Energieakkoord van mening dat we op koers liggen voor het behalen van alle doelen van het Energieakkoord.
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde energiebesparingsverplichting voor de industrie om de 9 PetaJoule energiebesparing, die was afgesproken in het Energieakkoord, alsnog te halen?
Zoals aangegeven in de brief van 6 april jl. over de uitvoeringsagenda Energieakkoord 2017 (Kamerstuk 30 196, nr. 542) is er een alternatief voorstel door de industrie gedaan voor de realisatie van 9 PJ extra energiebesparing. ECN geeft aan dat bij een voorspoedige implementatie en uitvoering van dit voorstel kan worden voldaan aan de afspraak van 9 PJ extra energiebesparing in de industrie uit het Energieakkoord. Hiermee voldoet het voorstel van de industrie aan mijn voorwaarde dat het minimaal gelijkwaardig moet zijn aan de algemene maatregel van bestuur (AMvB) met de energiebesparingsverplichting die in voorbereiding is.
De AMvB blijft, zoals de industrie in haar voorstel zelf ook aangeeft, als alternatief beschikbaar voor het geval de uitvoering en voortgang van het voorstel van de industrie achterblijft. De voorbereiding van de AMvB is inmiddels afgerond, zodat de AMvB indien nodig op korte termijn in procedure gebracht kan worden.
Voor meer informatie verwijzen wij naar de brief van de Minister van Economische Zaken van 24 april jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 544).
Het bericht dat de CO2-uitstoot van de Nederlandse industrie in 2016 niet is gedaald |
|
Suzanne Kröger (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de voorlopige uitstootcijfers voor 2016 (gepubliceerd op 3 april 2017) van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), waaruit blijkt dat de CO2-uitstoot van de industrie in 2016 nagenoeg gelijk is gebleven ten opzichte van 20151?
Ja.
Wat zijn volgens u de belangrijkste redenen voor het nagenoeg gelijk blijven van de CO2-uitstoot in de industrie?
De CO2-uitstoot van Nederlandse bedrijven die onder het Europese emissiehandelssysteem (ETS) vallen, is in 2016 zeer licht gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar. De uitstoot kwam in 2016 uit op 93,9 Mton CO2-equivalent, terwijl de uitstoot in 2015 lag op 94,1 Mton. Het nagenoeg gelijk blijven van de Nederlandse CO2-uitstoot in het ETS in 2016 is toe te schrijven aan de toegenomen productie als gevolg van de gunstige economische conjunctuur. De industriële productie nam in 2016 met 2,5% toe ten opzichte van 2015.
De Nederlandse economie is de afgelopen 25 jaar efficiënter geworden waar het gaat om de CO2-uitstoot. De economie van Nederland groeide tussen 1990 en 2015 met 60%, terwijl de CO2-uitstoot nagenoeg gelijk is gebleven. Het CBS heeft berekend dat de broeikasgasintensiteit van de industrie in de periode 1995–2014 is gedaald met 46%. Dit betekent dat de industrie per geproduceerde eenheid product nu 46% minder CO2-uitstoot dan in 1995, onder andere door energiebesparing en andere maatregelen.2
Uit de OESO «Environmental Performance Review 2015» van Nederland blijkt dat de broeikasgasintensiteit van de Nederlandse economie onder het OESO-gemiddelde ligt; de energie en specifieke CO2-intensiteit liggen op het OESO-gemiddelde.
De CO2-uitstoot van de chemiesector is toegenomen in 2016 ten opzichte van 2015. Het gaat om een toename van circa 7%, van 17,3 Mton in 2015 naar 18,5 Mton in 2016. Deze stijging komt vooral door hervatting van productie van één bedrijf. Ook de productie van de chemische industrie nam mede daardoor toe in 2016, met 6,1% ten opzichte van 2015.
In de energiesector is de CO2-uitstoot in 2016 juist gedaald door de gewijzigde inzet van steenkool en aardgas. Als gevolg van de sluiting van enkele oude kolencentrales, conform de afspraken uit het Energieakkoord, is er in 2016 in Nederland minder steenkool gebruikt. Hierdoor is de gezamenlijke CO2-uitstoot van kolencentrales vorig jaar met 10% gedaald, van 31,4 Mton in 2015 tot 28,4 Mton in 2016. Tegelijkertijd hebben aardgascentrales vorig jaar meer aardgas ingezet voor de productie van elektriciteit. Door deze hogere inzet van aardgas nam de uitstoot van gascentrales vorig jaar met meer dan 20% toe van 11,1 Mton in 2015 tot 13,4 Mton in 2016. De nettoreductie van de uitstoot van gas- en kolengestookte centrales samen kwam daarmee uit op 0,7 Mton.
Deze relatief beperkte daling volgt uit het feit dat productie van elektriciteit door elektriciteitscentrales in Nederland in 2016 steeg met ruim 4 miljard kWh en met 76,7 miljard kWh het hoogste niveau ooit bereikte. Deze toename hangt vooral samen met ontwikkelingen op de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt. De verbeterde marktpositie van Nederlandse gascentrales in 2016 ten opzichte van 2015 werd vooral gedreven door het feit dat kerncentrales in Frankrijk op grote schaal tijdelijk stilgelegd werden. Gevolg hiervan was onder meer een lagere import van elektriciteit.
Hoe verhoudt het gelijk blijven van de CO2-uitstoot in de Nederlandse industrie zich tot de afname in Europese CO2-uitstoot?
Onder het Europese emissiehandelssysteem is het mogelijk dat de CO2-uitstoot van een sector of land (tijdelijk) toeneemt. Het uitstootplafond is immers een Europees plafond, waaronder verschuivingen mogelijk zijn. Het Europese uitstootplafond daalt wel elk jaar.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 2, hangt het gelijk blijven van de Nederlandse uitstoot in 2016 ten opzichte van 2015 onder meer samen met een toegenomen industriële productie, het hervatten van activiteiten bij een productielocatie in de chemiesector en veranderende omstandigheden op de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt.
Deelt u de mening dat de CO2-uitstoot in de industrie af moet nemen om aan het Urgenda-vonnis en aan de afspraken in het Klimaatakkoord van Parijs te voldoen?
Ja, wij delen de mening dat de CO2-uitstoot in alle sectoren drastisch zal moeten worden verminderd om te voldoen aan de afspraken in het Klimaatakkoord. Het kabinet heeft in de Energieagenda aangegeven haar energie- en klimaatbeleid in de toekomst te willen richten op reductie van CO2-emissies. Het kabinet heeft aangegeven te willen streven naar een geleidelijke en tijdig ingezette transitie, om zo mogelijke schokeffecten voor de economie te voorkomen en tevens de economische kansen die de energietransitie biedt te benutten. Hiermee heeft het kabinet het door vele partijen gevraagde perspectief richting een CO2-arme economie in 2050 geschetst. Zoals aangegeven in de brief van de Minister van Economische Zaken over de Voortgangsrapportage van het Energieakkoord (Kamerstuk 30 196, nr. 503) ligt het kabinet met het volledig behalen van de doelen uit het Energieakkoord op koers om 25% broeikasgasreductie te realiseren in 2020 ten opzichte van 1990, zoals vereist volgens het Urgenda-vonnis.
Deelt u de mening dat het Europese emissiehandelssysteem (ETS) onvoldoende werkt om de CO2-uitstoot in de Nederlandse industrie terug te dringen en dat aanvullende nationale maatregelen nodig zijn?
In de Energieagenda stelt het kabinet dat zelfs als de CO2-prijs stijgt door aanscherpingen van het ETS, dit niet zal leiden tot een geleidelijke transitie in Nederland. Dit betekent dat zonder aanvullend beleid de CO2-uitstoot in Nederland – met name in de ETS-sectoren – niet verder af zal nemen richting 2030. De opgave richting 2050 wordt daardoor groter, terwijl de tijd die resteert om de omslag te maken juist afneemt. Een tijdig ingezette en dus meer geleidelijke transitie zal positief uitpakken voor het beheersen van kosten en biedt ook economische kansen. In het kader van de uitwerking van de Energieagenda wordt in overleg met maatschappelijke partijen en bedrijven momenteel bezien hoe een dergelijke transitie kan worden vormgegeven.
Deelt u de mening dat een nationale minimumprijs voor CO2 wel tot het aanjagen van CO2-arme innovaties in de industrie kan leiden?
Er zijn verschillende instrumenten denkbaar om de industrie te stimuleren om CO2-reducerende maatregelen te nemen. Het kabinet onderzoekt in het kader van de uitwerking van de Energieagenda op welke wijze aanvullend beleid voor alle sectoren, inclusief de industriesector, kan worden vormgegeven.
Bent u reeds in overleg met de industrie over welke aanvullende maatregelen nodig zijn om een trendbreuk in haar CO2-uitstoot te realiseren? Zo nee, wilt u hier zo spoedig mogelijk het initiatief toe nemen?
Ja, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de voorgaande vragen is het kabinet in gesprek met diverse maatschappelijke partijen en bedrijven over de verdere uitwerking van de Energieagenda.
Een nieuwe lokatie voor illegalenopvang in Groningen |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuw bed-bad-brood-pand Groningen»?1
Ja.
Waarom staat u toe dat tientallen gemeenten in Nederland illegalen op blijven vangen, waardoor het terugkeerbeleid ernstig wordt ondermijnd?
Laat ik voorop stellen dat ik meen dat de onderliggende problematiek – vreemdelingen met een vertrekplicht die niet uit Nederland vertrekken en in gemeenten verblijven – het best gezamenlijk door rijk en gemeenten kan worden aangepakt. Daarom heb ik uw Kamer op 29 november jl2 ook laten weten dat ik betreur dat het tot op heden niet gelukt is om hiervoor een bestuursakkoord te sluiten.
De vreemdelingenwet, noch andere wet- en regelgeving kent op dit moment een verbod op opvang door gemeenten van vreemdelingen die niet langer rechtmatig in Nederland verblijven. Zoals ik ook in voornoemde brief heb aangekondigd, ben ik een verkenning gestart om te kijken welke mogelijke wettelijke middelen aan uw Kamer zouden kunnen worden voorgesteld waarmee de rijksoverheid gemeenten kan verhinderen structureel opvang te bieden aan deze doelgroep.
Bent u bereid de geplande komst van de nieuwe locatie voor illegalenopvang in Groningen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, gezien het antwoord op vraag 2, kan ik dat nu niet.
Bent u tevens bereid de andere tientallen gemeenten die aan illegalenopvang doen aan te pakken, bijvoorbeeld door te korten op het gemeentefonds, zodat alle bed-bad-brood locaties verdwijnen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet. Het korten op het gemeentefonds is op dit moment geen werkbaar wettelijk middel om het aanbieden van bed-bad-brood voorzieningen te verhinderen. De belangrijkste reden hiervoor is dat er geen wettelijke norm is die het bieden van dergelijke voorzieningen door gemeenten verbiedt. Zonder norm kan er ook geen handhaving plaatsvinden.
Kunt u aan de Nederlandse burger uitleggen waarom er belastinggeld gaat naar de opvang van vreemdelingen die hier niet eens mogen zijn en die hun vertrekplicht bewust aan hun laars lappen?
Het Rijk financiert sinds december 2016 geen gemeentelijke onderdaksvoorzieningen meer t.b.v. vreemdelingen met een wettelijke vertrekplicht. Gemeenten die dit uit eigen beweging en met eigen middelen blijven doen zijn verantwoording aan hun eigen gemeenteraad verschuldigd.
Kunt u er voor zorgen dat illegalen niet worden gepamperd maar uit Nederland vertrekken en voor zover dat (nog) niet gebeurt worden vastgezet? Zo nee, waarom niet?
Het uitgangspunt voor het Kabinet is dat wanneer een vreemdeling geen recht op verblijf (meer) heeft, op deze vreemdeling de verplichting rust om Nederland te verlaten. De vreemdeling is zelfstandig naar Nederland gekomen en kan in de meeste gevallen ook zo vertrekken. De vreemdeling kan hierbij worden ondersteund door de DT&V en IOM. Daar waar iemand niet zelfstandig vertrekt, kan gedwongen vertrek aan de orde zijn. Bewaring en gedwongen uitzetting zijn daarbij de laatste stappen. Bewaring is gebonden aan diverse bindende Europese regels en is uitsluitend mogelijk bij een risico op onttrekking en een daadwerkelijk zicht op uitzetting. Omdat voor dat laatste de medewerking met landen van herkomst van belang is, zet Nederland zowel bilateraal als in Europees verband in op het maken van afspraken met deze landen over terug- en overname van hun onderdanen. Veel vreemdelingen beschikken niet over de benodigde identiteitsdocumenten en voor hen dient een vervangend reisdocument aangevraagd te worden bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het vermoedelijke land van herkomst. Dat lukt echter niet altijd.
Bent u bereid de Nederlandse grenzen te sluiten voor asielzoekers, temeer daar u niet in staat bent afgewezen asielzoekers het land uit te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet, omdat dat voor dit doel niet alleen onwenselijk maar tevens ondoelmatig en onrechtmatig zou zijn.
De ‘hoge kosten voor het verwijderen van een gasaansluiting’ |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Waarom het stoppen bij een netbeheerder zo duur is»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de bandbreedte is van de tarieven die worden gevraagd om de gasaansluiting te verwijderen? Wat zijn de laagste en wat zijn de hoogste tarieven die door netwerkbeheerders worden gevraagd?
De netbeheerders brengen tarieven voor het afsluiten van gasaansluitingen niet allen op dezelfde manier in rekening. Sommige netbeheerders maken in de tarifering bijvoorbeeld onderscheid tussen het afsluiten van aansluitingen in laagbouw en hoogbouw. Ook hanteert één netbeheerder een apart bedrag per meter te verwijderen gasleiding, terwijl andere netbeheerders deze kosten verrekenen via een vast tarief per aansluiting. Sommige netbeheerders rekenen lagere tarieven wanneer een groter aantal gasaansluitingen tegelijkertijd wordt afgesloten. Ten slotte geven sommige netbeheerders geen vast tarief vooraf op en werken zij alleen met een offertebedrag. Dit alles maakt een directe vergelijking van alle gebruikte afsluittarieven niet mogelijk.
De netbeheerders die een vast tarief hanteren, uitgaande van afsluiting van één enkele gasaansluiting, in laagbouw, inclusief de verwijdering van de aansluitleiding, brengen een tarief in rekening tussen de ca. € 400 en ca. € 650 exclusief BTW.
Kunt u inzicht geven in de verschillen in de kosten voor het laten verwijderen van een gasaansluiting door de verschillende beheerders? Zo ja, waar komen deze verschillen vandaan? Zo nee, waarom niet?
Netbeheerders mogen de tarieven voor het verwijderen van gasaansluitingen baseren op gemiddelden van werkzaamheden voor het verwijderen van vergelijkbare aansluitingen. De gemiddelde kosten zijn niet bij alle netbeheerders gelijk. Dat komt omdat de netten van de netbeheerders op verschillende wijze zijn gedimensioneerd en er verschillen bestaan in de bedrijfsvoering en kosten van uitbesteding van netbeheerders. De gemiddelde kosten hangen bovendien sterk samen met de gemiddelde activiteiten die bij de verwijdering worden uitgevoerd. De kosten kunnen bijvoorbeeld minder hoog zijn wanneer er vaker inpandige afsluiting plaatsvindt.
Het volledig verwijderen van de aansluiting vanaf de meterkast tot aan het net van de netbeheerder – dus inclusief de gasleiding – is daarentegen een stuk duurder, omdat daarvoor graafwerk is vereist.
Kunt u bevestigen dat alleen de netwerkbeheerder en geen andere partij de gasaansluiting mag verwijderen? Waarom zijn er dan geen gereguleerde tarieven vastgesteld voor het laten verwijderen van een gasaansluiting?
Het verwijderen van de gasaansluiting valt binnen de exclusieve werkzaamheden van netbeheerders. De toezichthouder stelt niet op voorhand voor alle taken van netbeheerders een apart tarief vast. Dat geldt ook voor het verwijderen van gasaansluitingen, omdat de kosten voor het verwijderen van een gasaansluiting sterk uiteen kunnen lopen per aansluiting. Wel kan ze de tarieven achteraf toetsen op onder andere kostenreflectiviteit en non-discriminatie. Deze toetsing waarborgt dat afnemers niet teveel betalen voor diensten van netbeheerders en tegelijkertijd dat de tarieven voldoende zijn om de efficiënte kosten van netbeheerders te dekken.
Kunt u bevestigen dat netwerkbeheerders alleen de werkelijke kosten in rekening mogen brengen en inzichtelijk moeten maken hoe de kosten zijn opgebouwd? Heeft u er zicht op of netwerkbeheerders zich hieraan houden? Kunt u aangeven hoe vaak de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de kostenopbouw en de transparantie van de tarieven controleert?
Netbeheerders mogen alleen een tarief in rekening brengen dat is gerelateerd aan de kosten voor het verwijderen van gasaansluitingen. Daarbij mag de netbeheerder het tarief baseren op gemiddelden van werkzaamheden voor het verwijderen van vergelijkbare aansluitingen. Ik heb geen reden om aan te nemen dat netbeheerders zich hier niet aan houden.
De toezichthouder controleert de kostenopbouw van de in rekening gebrachte tarieven voor het verwijderen van een aansluiting wanneer daarover een geschil wordt ingediend of wanneer signalen vanuit de markt daar aanleiding toe geven.
Kunt u aangeven of de gasaansluiting ook altijd verzegeld in plaats van verwijderd mag worden wanneer wordt overgestapt naar een andere energievoorziening? Zo ja, bent u bekend met klachten van consumenten dat verzegeling wordt geweigerd en bent u bereid om aan de netwerkbeheerders te vragen om duidelijk te communiceren dat dit mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Verzegeling van een gasaansluiting is niet vastgelegd in wet- en regelgeving. Niettemin bieden alle netbeheerders deze optie aan. Verzegeling van de gasaansluiting is echter een tijdelijke oplossing, die gebruikt wordt wanneer een klant bijvoorbeeld vanwege een verbouwing tijdelijk geen gas wil verbruiken. Het is dan veiliger om de aansluiting (tijdelijk) te verzegelen. Verzegeling is echter geen structurele oplossing. Bij verzegeling blijft de aansluiting en het behorende net onder druk staan en dient de netbeheerder deze ook te blijven onderhouden. Een aansluiting die onnodig onder druk staat brengt onnodige risico’s op lekkage met zich mee en is daarom geen alternatief voor het afsluiten van de gasaansluiting.
Ik ben niet bekend met klachten van consumenten over het weigeren van verzegeling noch heb ik signalen ontvangen dat de communicatie door netbeheerders hierover onduidelijk is. Ik denk dat het verstandig is als de netbeheerders duidelijk maken aan bewoners dat verzegeling per definitie tijdelijk is en geen alternatief is voor afsluiting van de gasaansluiting.
Wat zijn de kosten voor verzegeling door verschillende netwerkbeheerders en wat zijn de regels voor de opbouw en de transparantie van die kosten? Kunt u bevestigen dat huiseigenaren bij ook verzegeling geen aansluitingskosten meer hoeven te betalen?
Het tarief dat netbeheerders in rekening moet gerelateerd zijn aan de daarmee gepaard gaande kosten. Ik heb geen reden om aan te nemen dat netbeheerders zich hier niet aan houden. De toezichthouder controleert bovendien de kostenopbouw van de in rekening gebrachte tarieven voor verzegeling wanneer daarover een geschil wordt ingediend of wanneer signalen vanuit de markt daar aanleiding toe geven.
Bij verzegeling maakt een netbeheerder minder kosten dan voor verwijdering van de aansluiting. Daartegenover staat dat de aansluiting in dat geval fysiek in stand blijft. De netbeheerder blijft dan ook verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de aansluiting. Dit benadrukt mijns inziens dat verzegeling altijd een tijdelijk karakter heeft.
Deelt u de mening dat – met het oog op de energietransitie – de hoge kosten voor het verwijderen van de gasaansluiting een onwenselijke drempel zijn om over te stappen op een andere energievoorziening? Zo ja, wat kunt u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse energievoorziening dient de komende jaren vergaand te worden verduurzaamd. Dat geldt ook voor het energieverbruik in de gebouwde omgeving. De kosten die hiermee gemoeid zijn, bijvoorbeeld omdat van de huidige energiebron en -infrastructuur wordt overgestapt naar een andere, zullen op een evenredige wijze verdeeld moeten worden. Europese regels vereisen bovendien dat de tarieven van netbeheerders op kostenreflectieve wijze en non-discriminatoir in rekening worden gebracht. Deze uitgangspunten zijn ook in de Nederlandse wetgeving vastgelegd. Hoe de transitie kan worden bereikt, inclusief keuzes over de benodigde infrastructuren en de verdeling van kosten, wordt momenteel uitgewerkt in transitiepaden zoals aangegeven in de Energieagenda.
Het bericht dat de Nationale Ombudsman de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) op de vingers heeft getikt over schulden van studenten |
|
Frank Futselaar |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
In hoeverre beoordeelt u de waarneming van de Nationale ombudsman dat «de standaard informatieverstrekking van DUO over schulden niet aansluit bij de leefwereld van oud-studenten» als een tik op de vingers?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben blij met de concrete aanbevelingen uit het onderzoek van de Nationale ombudsman, want ook ik hecht grote waarde aan goede en eigentijdse informatie over schulden en betalingsachterstanden. Ook heb ik zelf eerder al geconstateerd dat de communicatie van DUO op genoemde punten beter kan, en heb ik al een aantal zaken in gang gezet. Zo is op de website van DUO op meerdere plekken en nadrukkelijker de waarschuwing voor een ov-boete opgenomen. Verder is de titel van het e-mailbericht waarmee DUO studenten informeert over een ov-boete verduidelijkt. Eerder stond in de titel enkel de melding dat er een bericht voor de student klaarstaat in Mijn DUO; nu leest de student in de titel van het bericht al dat hij of zij een ov-boete moet betalen.
De Nationale ombudsman schrijft dat hij met instemming heeft kennisgenomen van de inspanningen die DUO tijdens zijn onderzoek heeft verricht om de informatieverstrekking aan (oud-)studenten te verbeteren. Ik zal de aanbevelingen van de Nationale ombudsman gebruiken om de informatieverstrekking verder te verbeteren.
In hoeverre draagt volgens u de rijksoverheid bij aan het schuldenprobleem bij (oud-)studenten, gezien het feit dat «de helft van de (oud-)studenten met een betalingsachterstand in aanraking komt met een deurwaarder» en het feit dat DUO in 2015 meer dan 140.000 keer een deurwaarder inschakelde? Kunt u uw antwoord toelichten?
Met de Nationale ombudsman ben ik van mening dat er minder en minder grote achterstanden moeten ontstaan bij (oud-)studenten. En wanneer er betalingsachterstanden ontstaan, dan helpt meer oplossingsgericht werken en meer persoonlijk contact tussen DUO en de (oud-)student. Ik ga bezien hoe ik de dienstverlening en de communicatie kan verbeteren. In mijn reactie op het rapport van de Nationale ombudsman, die uw Kamer vóór de zomer kan verwachten, zal ik mijn plannen nader toelichten alsmede aangeven wat de verwachte kosten en baten ervan zijn.
Bent u het eens met de Nationale ombudsman als deze zegt: «Het huidige systeem, waarbij het studentenreisproduct door (oud-)studenten zélf moet worden stopgezet als het recht erop vervalt, is onlogisch en vormt op zich al een bron van schulden.»? Bent u bereid om op korte termijn met de betrokken partijen aan de slag te gaan om het stopzetten van het studentenreisproduct logischer en effectiever te maken vanuit het perspectief van (oud-)studenten? Kan deze bijvoorbeeld automatisch worden gestopt?
Ik ben me bewust van de nadelen en beperkingen die het huidige systeem kent. Daarom wordt, zoals ik in mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Van Meenen (D66)2 heb aangegeven, thans een onafhankelijk onderzoek verricht naar de (on)mogelijkheden van het automatisch stopzetten van het studentenreisproduct. Ik ga ervan uit uw Kamer in het najaar 2017 over de resultaten van dit onderzoek te kunnen informeren. In aanvulling daarop kijkt DUO, samen met de studentenorganisaties, hoe de communicatie over de huidige werkwijze kan worden verbeterd, zodat studenten weten welke stappen zij moeten zetten om het studentenreisproduct stop te zetten. Zie ook mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om in de tussenliggende periode alles in het werk stellen om (oud-)studenten actief en persoonlijk te benaderen om hen ervan te doordringen dat het studentenreisproduct door de studenten zelf moet worden stopgezet? Deelt u de mening dat bij DUO «ambtelijk taalgebruik» kan leiden tot extra misverstanden? Zo ja, wanneer kunnen studenten en de Kamer een eerste verandering tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het essentieel dat studenten weten dat ze het studentenreisproduct zelf moeten stopzetten als ze er geen recht meer op hebben. DUO heeft de afgelopen periode hard gewerkt om de communicatie hierover te verbeteren en zal dat blijven doen. Het verminderen van «ambtelijk taalgebruik» is een belangrijk onderdeel van die verbeteringen. De komende weken zal DUO onder meer aan studenten vragen om voorstellen te beoordelen van nieuwe teksten op de website en in e-mails van DUO. In mijn reactie op het rapport van de Nationale ombudsman, dat ik nog voor de zomer aan uw Kamer zal toesturen, ga ik uitgebreider in op de veranderingen die DUO en ik zullen doorvoeren.
Deelt u de mening dat – gezien de toch al grote schuldenproblematiek van (oud-)studenten – het niet verantwoord was om het schuldenprobleem voor studenten verder te vergroten door de invoering van het schuldenstelsel (ook wel leenstelsel genoemd)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, die mening deel ik niet. Met de invoering van het studievoorschot, is de basisbeurs vervangen door de mogelijkheid om te lenen. Lenen bij de overheid is een verantwoorde manier om tijdens de studie in de kosten van levensonderhoud te voorzien. En de terugbetaalvoorwaarden zijn socialer gemaakt; terugbetaling hoeft bijvoorbeeld pas vanaf een hoger inkomen en mag ook langer worden gespreid in de tijd. Doordat we bij terugbetaling kijken naar het inkomen van de oud-student, komt de student niet in betalingsproblemen door aflossing van de studieschuld. Dit staat los van betalingsachterstanden of deurwaarderstrajecten en de voorlichting daarover.
Het testen van medicijnen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel waarin wordt beschreven hoe de farmaceutische industrie geneesmiddelen test in arme landen? Wat is uw reactie?1
Ik ben op de hoogte van het artikel. Het onderstreept het belang van regelgeving over- en toezicht op klinische studies.
Welke andere rapporten van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) kent u? Wat is en wordt met de rapporten van deze Stichting gedaan?
Ik weet dat de betreffende stichting onderzoek doet naar de effecten van de activiteiten van multinationals op mens en milieu en met enige regelmaat kritische artikelen publiceert over geneesmiddelenonderzoek in low and middle income countries. In de brief over de visie op geneesmiddelen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 januari 2016 en het artikel in het tijdschrift «The Lancet» van 7 november 2016 van de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is ook een kritisch geluid te horen, richting de farmaceutische industrie en de manier waarop deze bedrijven opereren. In de brief over de visie op geneesmiddelen is aangegeven dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, net als de betreffende stichting, wenst te komen tot een duurzame verandering in de farmaceutische sector.
Wat weet en vindt u van de wijze waarop de ethische controle op geneesmiddelenonderzoek in deze landen plaatsvindt? Welke mogelijkheden zijn er om het volgen van internationale ethische richtlijnen af te dwingen? Welke sancties zijn er op het niet volgen van deze richtlijnen?
Ik weet niet hoe de ethische controle op geneesmiddelenonderzoek in specifieke landen plaatsvindt. Ethiek is bij uitstek een nationale bevoegdheid en niet cultureel overdraagbaar en in de Verdragen van de Europese Unie is dit ook als zodanig vastgelegd. Dit geldt ook voor landen buiten de Europese Unie.
Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de betreffende nationale overheid om regelgeving te formuleren voor de ethische evaluatie van onderzoek waarbij menselijke deelnemers zijn betrokken en op de uitvoering daarvan toe te zien. Daarbij bieden alom gerespecteerde medisch-ethische richtlijnen een goede basis voor een dergelijke lokale uitwerking. Om te komen tot de opbouw van lokale capaciteit, biedt met name de WHO, naast online trainingsfaciliteiten, voor low- and middle-income countries de mogelijkheden tot het organiseren van en deelnemen aan workshops ter zake.
Aan geneesmiddelen die in de Europese Unie verkocht worden, worden ook eisen gesteld op het gebied van klinisch onderzoek (GCP-richtsnoer2). Als daarbij sprake is van onderzoek met proefpersonen in landen buiten de EU, moet ook dit onderzoek aan deze eisen voldoen.
Bij de toelating tot de EU markt controleren EU inspecteurs retrospectief en steekproefsgewijs of het gedane onderzoek voldoet. Ze bezoeken daarbij ook de ziekenhuizen waar het onderzoek heeft plaatsgevonden. Worden afwijkingen geconstateerd, dan kan de consequentie zijn dat er geen handelsvergunning wordt verleend. Als na de vergunningverlening blijkt dat GCP niet is nageleefd, kan de vergunning worden geschorst.
Gezien deze mogelijke gevolgen, hebben Farmaceutische bedrijven er dus belang bij dat het GCP-richtsnoer wordt nageleefd.
Wat weet en vindt u van de wijze waarop toezicht op geneesmiddelenonderzoek in deze landen plaatsvindt?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden heeft u nationaal en internationaal om dit soort praktijken aan de kaak te stellen en aan te pakken?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat mensen onder druk worden gezet om kritische geluiden te beperken? Deelt u de mening dat dit schandalige praktijken zijn?
Ik heb geen inzicht in welke mate dat voorkomt. Ik deel uw mening dat het verwerpelijk is als mensen niet vrijelijk voor hun mening kunnen uitkomen.
De Duitse tolheffing |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD), Barbara Visser (VVD), Han ten Broeke (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Weg vrij voor Duitse tolheffing»?1
Ja.
Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de door de Duitse Bondsraad vastgestelde versie van het Duitse tolplan en de voorgaande versies? Kunt u, op basis van het nieuwe plan, toelichten wat de consequenties van de tolheffing zijn voor de Nederlandse automobilist, de Nederlandse transportsector en de economie in de grensregio’s?
Na de Bondsdag, heeft ook de Bondsraad op 31 maart 2017 ingestemd met de wijzigingen in de Duitse wetgeving inzake het vignet. De Europese Commissie heeft met de inbreukprocedure tegen Duitsland wijzigingen op twee punten afgedwongen. Ten eerste vond de Europese Commissie de prijs voor vignetten van korte duur (tien dagen, twee maanden) onevenredig duur. Deze vignetten zijn bedoeld voor voertuigen die in het buitenland zijn geregistreerd. Met de wijziging worden vijf in plaats van drie voertuigcategorieën ingesteld voor deze vignetten. Daarmee zakt de prijs van het goedkoopste vignet voor tien dagen van € 5 naar € 2,50. Afhankelijk van de voertuigkenmerken stijgt de prijs vervolgens (€ 4; € 8; € 14) tot € 20 voor de meest vervuilende voertuigen. De prijs was € 5, € 10 of € 15 euro. Het vignet voor twee maanden gaat zo € 7 tot € 40 kosten. Dit was € 16 tot € 30. De gemiddelde prijs voor een jaarvignet is ca. € 74, maximaal € 130. Deze prijs is ongewijzigd.
Het tweede punt was de één-op-één teruggave van de kosten voor het vignet via de verlaging van de wegenbelasting voor in Duitsland geregistreerde voertuigen. Duitsland verlaagt de wegenbelasting verder voor voertuigen die een lage uitstoot kennen, zodat hier een sterkere sturing richting milieuvriendelijke voertuigen van uitgaat. Voertuigen met euroklasse 6 worden in het bijzonder ontzien.
Het vignet is vereist voor voertuigen onder de 3,5 ton. De transportsector kent vanaf 7,5 ton reeds de Duitse kilometerheffing (Maut). Lichte transportvoertuigen tot 3,5 ton zullen ook onder de vignetplicht vallen. De kosten van het benodigde vignet worden bepaald door de voertuigkenmerken en de gewenste duur van het vignet. De keuze voor een bepaalde duur van een vignet, zal afhangen van persoonlijke voorkeuren en omstandigheden, zoals achterliggende reden voor en frequentie van het rijden in Duitsland. Ik heb van de grensregio´s brieven ontvangen, waarin men ingaat op de ongewenste effecten van een tolheffing in Duitsland. Ik heb uw Kamer toegezegd dat ik een grenseffectentoets zal uitvoeren wanneer de plannen definitief zijn.
Klopt de stellingname in de berichtgeving dat, nu de Duitse Bondsraad heeft ingestemd, in principe niets de Duitse tolheffing nog in de weg staat? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Diverse Duitse deelstaten hadden bezwaren tegen het Duitse vignet, juist vanwege het verwachte negatieve effect in de grensregio’s. Deze bezwaren bleken in de discussie in de Bondsraad op 31 maart 2017 onvoldoende om het Duitse tolplan nog te wijzigen. Ik deel de bezwaren van deze deelstaten. Ik weet echter ook dat Minister Dobrindt hier een opdracht uit het Duitse regeerakkoord moet uitvoeren, waar de regeringspartijen uiteindelijk toch achter staan. De inbreukprocedure tegen Duitsland loopt nog steeds.
Deelt u de mening dat de Duitse tolheffing een zeer negatief effect kan hebben op de Nederlandse grensregio’s? Zo ja, wat gaat u doen om de gevolgen hiervan tot het minimum te beperken?
Ik ben geen voorstander van een vignet voor personenvoertuigen, omdat ik vind dat die het vrije verkeer van mensen en diensten negatief kan beïnvloeden, met name in de grensregio´s, maar ook voor mensen op doorreis. Ik heb daarom vanaf het prille voornemen van Duitsland om een vignet voor personenvoertuigen in te voeren, geageerd tegen dit voornemen. Ik heb daarbij ook meermaals gewezen op de mogelijk negatieve effecten voor de grensregio’s. Minister Dobrindt heeft reeds in 2014, naar aanleiding van mijn bezwaren, zijn plannen aangepast. Eerder was een vignet voorzien voor alle wegen. In de voorliggende wetgeving zal een vignet in Duitsland vereist zijn op de snelwegen voor voertuigen geregistreerd in het buitenland en op zowel de snelwegen als de federale autowegen voor voertuigen geregistreerd in Duitsland. Daarmee is het voor bewoners van de grensregio’s mogelijk om via het onderliggend wegennet Duitsland te bezoeken zonder vignet.
Ook de Europese Commissie heeft nu bepaalde wijzigingen afgedwongen, zoals uiteengezet in antwoord 2. Zo komen er meer voertuigcategorieën beschikbaar in de vignetten voor korte duur (tien dagen, twee maanden). Hoe schoner het voertuig, hoe goedkoper het vignet.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie met deze nieuwe versie van het Duitse tolplan kan leven? Zo ja, wat betekent dit voor uw inzet in de volgende Transportraad? Betekent dit dan ook dat de inbreukprocedure tegen Duitsland wordt opgeheven?
Ik heb kennisgenomen van het persbericht van de Europese Commissie op 1 december 2016, waarin ze aangaf tot overeenstemming met Duitsland te zijn gekomen inzake de voor het EU recht benodigde wijzigingen van de Duitse wetgeving. Duitsland heeft die wijzigingen doorgevoerd. De Europese Commissie zal de wetgeving daarop toetsen en bezien of het nu in overeenstemming is met het EU recht, alvorens een beslissing te nemen over de tegen Duitsland lopende inbreukprocedure.
Het Duitse vignet voor personenvoertuigen staat niet op de agenda van de Transportraad. In het verleden heb ik echter veelvuldig gebruik gemaakt van de gelegenheid die de Raad biedt om en marge daarvan gesprekken met collega´s te voeren over relevante onderwerpen. Zo sprak ik 1 december 2016 nog met mijn Oostenrijkse, Belgische en Deense collega over de Duitse tol. Ook nu zal bekeken worden wat wenselijke gesprekken zijn.
Deelt u de mening dat het tolplan nog steeds discriminerend is? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op Kamervragen (2017Z01174) heb ik u reeds medegedeeld dat ik, in afstemming met mijn Oostenrijkse collega Minister Leichtfried, op 30 december 2016 vragen aan Eurocommissaris Bulc had gesteld over de bereikte overeenstemming op 1 december 2016 tussen Eurocommissaris Bulc en de Duitse Minister Dobrindt en de gevolgen voor de inbreukprocedure die de Europese Commissie in juni 2015 tegen Duitsland is gestart. In het bijzonder heb ik gevraagd waarom de Duitse wetgeving na de genoemde aanpassingen, wel conform EU recht zou zijn.
Ik heb recentelijk antwoord ontvangen van de Eurocommissaris. In de brief geeft Eurocommissaris Bulc aan dat de inbreukprocedure tegen Duitsland nog steeds loopt en ook zal blijven lopen totdat Duitsland naar tevredenheid haar wetten heeft aangepast. Gelet op de vertrouwelijke aard van de inbreukprocedure, kon de Eurocommissaris niet verder ingaan op mijn vragen. Ik hecht waarde aan het oordeel van de Europese Commissie in deze, als hoedster van het EU recht en indien de inbreukprocedure tegen Duitsland wordt stopgezet, zal ik nogmaals de Eurocommissaris vragen naar haar overwegingen ter zake.
Heeft u contact gehad met uw Oostenrijkse collega, die afgelopen vrijdag direct aankondigde naar het Europese Hof van Justitie te zullen stappen? Zo ja, welke afspraken heeft u gemaakt over eventuele gezamenlijke vervolgstappen?
De lijnen met Oostenrijk zijn kort. Ik ben met de Minister van Oostenrijk aan het bestuderen welke opties er zijn, die we eventueel gezamenlijk kunnen uitvoeren.
Kunt u toelichten welke acties u van plan bent zelf te ondernemen? In reactie op de motie-Ronnes c.s heeft u aangegeven een grenseffectentoets uit te gaan voeren2; wanneer zullen de eerste stappen hiertoe worden gezet en wordt de Kamer over de uitkomsten geïnformeerd?
Ik zal het definitieve oordeel van de Europese Commissie inzake de inbreukprocedure eerst moeten afwachten. Als de Europese Commissie tot het oordeel komt, dat de inbreukprocedure tegen Duitsland kan worden stopgezet, zal ik nogmaals Eurocommissaris Bulc om nadere toelichting vragen op haar overwegingen, waarom de gewijzigde Duitse wetgeving niet in strijd is met het EU recht. Ik heb die informatie nodig om me te kunnen beraden op verdere stappen.
Een eventueel Duits tolvignet zal op zijn vroegst in 2019 van start gaan. Wanneer de Duitse wetgeving definitief is en de inbreukprocedure eventueel stopgezet, zal ik een grenseffectentoets laten uitvoeren. Ik informeer uw Kamer graag over de uitkomsten daarvan.
De waakvlam bij Loppersum |
|
Sandra Beckerman |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Bent u bekend met de berichtgeving rond de door de NAM gewonnen één miljard kubieke meter gas bij Loppersum?1
Ja.
Klopt het dat als gevolg van de uitspraken van de Raad van State in april en november 2015, de productie in de vijf clusters in Loppersum (Leermens, Overschild, De Paauwen, Ten Post en ’t Zandt) is teruggebracht naar een minimumniveau? Zo ja, waaruit bestaat dat minimumniveau? Waar is dat vastgelegd?
In de grafiek in bijlage 12 is de productie uit de vijf clusters in de regio Loppersum weergegeven voor de jaren 2010–2016. Hieruit is af te leiden hoe NAM als producent van het Groningenveld uitvoering heeft gegeven aan de vermindering van de productie uit Loppersum volgens het kabinetsbesluit van 17 januari 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 33 529, nr. 28) en de uitspraken van de Raad van State uit april en november 2015, waarin onder andere wordt voorgeschreven om, anders dan de hoeveelheid gas die nodig is om de clusters open te houden, uitsluitend te produceren indien dat vanuit een oogpunt van leveringszekerheid noodzakelijk is. NAM heeft deze productie nader toegelicht in haar rapportage over de recente aardbevingen in Wirdum en Garsthuizen.3
Maakt het instemmingsbesluit melding van de wijze waarop er in de clusters rond Loppersum «kleine hoeveelheden gas» gewonnen mogen worden? Is er in het instemmingsbesluit vastgelegd waarvoor en op welke wijze deze kleine hoeveelheden gas gewonnen mogen worden? Zo nee, waarom niet?
In het instemmingsbesluit van 30 september 2016 is in artikel 3 opgenomen dat productie uit de regio Loppersum, anders dan de hoeveelheid die nodig is om de clusters open te houden, uitsluitend is toegestaan als dit vanuit een oogpunt van leveringszekerheid noodzakelijk is. De noodzaak van de beschikbaarheid van de clusters volgt uit analyses van de capaciteitsmatige leveringszekerheid van de landelijke netbeheerder Gasunie Transport Services (GTS). NAM geeft hier als producent van het Groningenveld invulling aan. NAM heeft dit nader toegelicht in haar rapportage over de recente aardbevingen in Wirdum en Garsthuizen. Conform het advies van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) zal ik in samenwerking met NAM en GTS bezien hoe de productie in Loppersum, die plaatsvindt omwille van de capaciteitsmatige leveringszekerheid, nader kan worden beperkt. Voor de volledigheid merk ik hierbij op dat dit losstaat van het benodigde (jaar)volume voor de leveringszekerheid.
Is naar uw mening het onderhouden van een waakvlam hetzelfde als het «technisch beschikbaar blijven zodat de gaswinning zo nodig snel hervat kan worden»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit zowel de genoemde uitspraken van de Raad van State als mijn instemmingsbesluit van 30 september 2016 blijkt het belang om de clusters open te houden in het kader van de capaciteitsmatige leveringszekerheid. De vijf clusters in de regio Loppersum omvatten ongeveer een kwart van de totale capaciteit op het Groningenveld en spelen (samen met alle andere clusters op het Groningenveld) een belangrijke rol in de analyses van de capaciteitsmatige leveringszekerheid van GTS. Het openhouden van de putten op de clusters met een beperkte productie is noodzakelijk om deze te kunnen opregelen als er op momenten van zeer hoge vraag naar laagcalorisch gas via andere middelen onvoldoende gas beschikbaar is om aan deze vraag te voldoen. Een voorbeeld van zo’n moment met een zeer hoge gasvraag is een koude maandagochtend om 7 uur als de verwarmingen aangaan en er veel wordt gedoucht. Er moet ook dan voldoende gas op het gastransportnet kunnen worden gezet en de Loppersumclusters spelen op zo’n moment een belangrijke rol. Daarnaast kunnen met het openhouden van de clusters eventuele problemen die zich elders in het systeem voordoen worden opgevangen. Hierbij kan worden gedacht aan het uitvallen van andere productieclusters of de conversie-installaties. Ten slotte voorkomt het openhouden van de clusters dat de putten bevriezen en zo onbruikbaar worden.
Wat is uw mening over het feit dat de «waakvlam bij Loppersum» in de praktijk neerkomt op een productie van 1,6 miljard m3 gas per jaar?2 Wat is uw definitie van een waakvlam?
Productie van gas uit de regio Loppersum valt onder het maximale productieniveau, zoals dat in het instemmingsbesluit van 30 september 2016 is vastgelegd. Indien er minder gas uit Loppersum wordt geproduceerd zal er uit andere clusters meer gas geproduceerd moeten worden om in de fysieke vraag te kunnen voorzien. De productie uit Loppersum heeft dus geen enkel effect op de totaal benodigde hoeveelheid gas die nodig is om de leveringszekerheid te waarborgen. NAM geeft aan dat er in een qua weer gemiddeld jaar een winning uit de regio Loppersum van 1 miljard m3 nodig is om de clusters open te houden. Dit is reeds een vermindering van de 1,6 miljard m3 die NAM aanvankelijk nodig dacht te hebben en waar in de vraag aan wordt gerefereerd. NAM heeft de opbouw van de productie nader toegelicht in haar rapportage over de recente aardbevingen in Wirdum en Garsthuizen. Conform het advies van SodM zal ik in samenwerking met NAM en GTS bezien hoe de productie in Loppersum, die plaatsvindt omwille van de capaciteitsmatige leveringszekerheid, nader kan worden beperkt.
Bent u bereid om naast de analyse van het rapport door de NAM over de toename van het aantal bevingen bij Loppersum, het Staatstoezicht van de Mijnen (SodM) tevens te vragen de «waakvlam» en winning bij Loppersum te betrekken? Zo nee, waarom niet?
SodM heeft op 13 april 2017 een advies aan mij uitgebracht over de recente ontwikkeling van de seismiciteit in het Groningenveld. In dit advies is het feit dat er in de clusters rond Loppersum uit oogpunt van leveringszekerheid een beperkte hoeveelheid gas wordt gewonnen, meegenomen. Het advies van SodM heb ik per brief van 18 april 2017 aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 33 529, nr. 331).
Bent u bereid de toename van het aantal bevingen rond Loppersum, alsmede de analyse van de NAM hierover, te laten toetsen door de SAC (Groningen Scientific Advisory Committee), een onafhankelijke commissie van nationale en internationale experts?3 Zo nee, waarom niet?
De Groningen Scientific Advisory Committee (SAC) is niet meer in functie. Deze commissie speelde een toetsende rol bij de totstandkoming van het winningsplan Groningenveld 2016. Nadat NAM het winningsplan in april 2016 had ingediend, was de taak van de commissie voltooid. SodM heeft echter het rapport van NAM laten toetsen door drie onafhankelijke experts, waarvan er twee destijds zitting hebben gehad in de SAC.
Bent u bereid, vanwege het toegenomen aantal bevingen rond Loppersum, de gaswinning in Groningen te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van 18 april 2017 (Kamerstuk 33 529, nr. 331), waarin ik heb aangegeven dat ik de voorbereiding in gang heb gezet om het productieplafond voor de gaswinning in Groningen ingaande het eerstvolgende gasjaar – dat gaat lopen vanaf 1 oktober 2017 – met 10 procent te verlagen.
Het bericht dat al een miljoen Afrikanen onderweg zijn naar Europa |
|
Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Migrantenstroom vanuit Libië is haast niet meer te stoppen», waarin wordt vermeld dat de voormalig Britse ambassadeur in Libië aangeeft dat al een miljoen Afrikanen op weg zijn naar Italië?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat deze dreigende immigratiegolf in de toekomst alleen maar erger wordt omdat de Afrikaanse bevolking eind deze eeuw, volgens onder meer de Verenigde Naties, zal zijn verviervoudigd?
Het kabinet beschikt op dit moment niet over vergelijkbare cijfers als die waarop de voormalige Britse ambassadeur zich baseert. Wel deelt het kabinet uw analyse dat de demografische ontwikkeling van Afrika in de toekomst kan bijdragen aan een toename van het aantal potentiële Afrikaanse migranten dat op zoek gaat naar een beter sociaaleconomisch perspectief binnen en buiten hun eigen landsgrenzen en regio’s. Het merendeel van de Afrikaanse migranten maakt gebruik van intraregionale migratiestromen in plaats van op irreguliere wijze naar Europa te migreren. Dat neemt echter niet weg dat de inzet van het kabinet erop gericht is om de grondoorzaken van migratie te adresseren en ongecontroleerde migratie naar Europa, nu en in de toekomst, beheersbaar te houden.
Zoals u bekend, vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen voor bepaalde groepen mensen geen realistische, laat staan een structurele oplossing is voor het complexe migratievraagstuk. De Grondwet staat discriminatie niet toe. Een dergelijke maatregel miskent bovendien de negatieve impact op de Nederlandse economie. In plaats van achter onze grenzen te wachten, spant het kabinet zich in om in samenwerking met Europese partners, de Europese Commissie en belangrijke landen van herkomst en doorreis, afspraken te maken. Een alomvattende aanpak is nodig. Zo’n aanpak kan Nederland niet alleen uitvoeren, maar dient in Europees verband plaats te vinden. Deze inzet heeft onder Nederlands Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie geleid tot een einde aan de zogenoemde doorwuifpraktijken langs de Westelijke Balkanroute en de totstandkoming van de EU-Turkije Verklaring. Daarmee is het aantal migranten en vluchtelingen dat via Griekenland naar de EU kwam en doorreisde naar Nederland alsmede het aantal verdrinkingen in de Egeïsche Zee drastisch gedaald. Ook heeft het Nederlandse voorzitterschap serieus werk gemaakt van het versterken van de buitengrenzen van de Unie. In een zeer kort tijdsbestek is overeenstemming bereikt over een sterkere Europese grens- en kustwacht en worden nieuwe systemen ontwikkeld om controles aan de buitengrenzen te verbeteren.
Buiten de Europese Unie worden in het kader van deze alomvattende aanpak ook verdere maatregelen getroffen. Zoals de voormalige Britse ambassadeur in het door u aangehaalde artikel adviseert, wordt mede met inspanning van Italië de bewaking van de zuidelijke grenzen van Libië versterkt. Verder worden in samenwerking met IOM en UNHCR en andere (internationale) maatschappelijke organisaties de omstandigheden in de Libische opvangcentra verbeterd en wordt meer ondersteuning geboden aan migranten om vrijwillig naar huis te keren. In het kader van EUNAVOR MED Sophia wordt samengewerkt met de Libische kustwacht om mensensmokkel te bestrijden.
Daarnaast wordt vanuit Europese en Nederlandse fondsen op grootschalige wijze geïnvesteerd in de aanpak van grondoorzaken van migratie. Ook wordt de situatie van vluchtelingen die in de Afrikaanse regio worden opgevangen, verbeterd door hun sociaaleconomische situatie te versterken. Voorts worden migranten beter geïnformeerd over de risico’s van irreguliere migratie en mensensmokkel. Veel vaker dan voorheen kunnen migranten op weg naar Europa alsnog de keuze maken om vrijwillig terug te keren naar hun herkomstland. Uit cijfers van IOM is eind vorig jaar gebleken dat migranten in Niger meer dan voorheen hiervan gebruik hebben gemaakt.
Kortom, het kabinet herkent uw beeld niet dat de Europese Unie op dit terrein niets doet. Uiteraard zou het kabinet graag zien dat bepaalde discussies in de Raad van de EU sneller en met meer Europese gezindheid zouden verlopen en dat alle partijen hun volledige verantwoordelijkheid nemen en bijdragen aan het onder controle brengen van de huidige migratiestromen.
Bent u bereid de eigen Nederlandse grenzen te sluiten voor alle asielzoekers en migranten uit islamitische landen teneinde de grootschalige invasie vanuit Afrika het hoofd te bieden?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom maakt u Nederland afhankelijk van een falende Europese Unie die niets anders doet dan als een ferrydienst migranten naar Europa brengen?
Zie antwoord vraag 2.
Realiseert u zich dat er weinig van Nederland zal overblijven als u niets blijft doen teneinde de Afrikaanse stormloop en de daarmee gepaard gaande islamisering tegen te houden? Waarom staat u lafhartig toe dat onze bevolking wordt vervangen?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Hoe criminelen Kluivert in de val lokten’ |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het goksyndicaat waarover de Volkskrant1 heeft bericht, een thans illegaal opererende aanbieder op de kansspelmarkt, in Nederland of daarbuiten? Zo ja, wat is de naam van dit goksyndicaat?
Het syndicaat waar u in uw vraag naar verwijst is onderwerp van een strafrechtelijk onderzoek van het Openbaar Ministerie (onderzoek Feniks, zie ook antwoord 6). Gezien de status van deze zaak kan ik geen verdere mededelingen doen.
Om welke gokbedrijven in Europa en Azië gaat het, bij wie het syndicaat de weddenschappen onderbrengt? Doet de Kansspelautoriteit (KSA) hier momenteel onderzoek naar? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten? Zo nee, waarom niet, gelet op de concrete aanwijzingen dat deze aanbieders momenteel illegaal kansspelen aanbieden in Nederland?
Dit syndicaat is onderwerp van een strafrechtelijk onderzoek. De kansspelautoriteit heeft uitsluitend bestuurlijke bevoegdheden. Conform het handhavingsprotocol tussen de kansspelautoriteit en het Openbaar Ministerie, wordt het onderzoek naar dit goksyndicaat daarom niet uitgevoerd door de kansspelautoriteit. Mocht de kansspelautoriteit over relevante gegevens beschikken, dan worden deze aan het Openbaar Ministerie verstrekt. Het Openbaar Ministerie doet geen uitspraken over (mogelijke) uitkomsten van lopende strafrechtelijke onderzoeken.
Kunt u de stellingname van de Volkskrant bevestigen dat het om het gokbedrijf «Betin» gaat waar Patrick Kluivert vijf inzetten heeft gedaan? Heeft «Betin» zich tot op heden gemeld bij de KSA wegens interesse voor een toekomstige online kansspelvergunning? Heeft de KSA ooit contact gehad met Betin? Zo ja, waar ging dit over?
Ik beschik niet over informatie uit lopende strafrechtelijke onderzoeken. Ik kan de stellingname van de Volkskrant daarom niet bevestigen. De kansspelautoriteit heeft mij desgevraagd laten weten dat zij geen contact heeft gehad met «Betin».
Kunt u uitsluiten dat een van deze gokbedrijven, waaronder «Betin», ooit een vergunning krijgt op de Nederlandse kansspelmarkt, mocht het wetsvoorstel Kansspelen op Afstand worden aangenomen? Zo nee, waarom niet, gelet ook op de in 2011 aangenomen motie dat illegale aanbieders van kansspelen niet in aanmerking komen voor een vergunning?2 Zo nee, specifiek met betrekking tot «Betin», hoe valt dit niet uit te sluiten gelet op de concrete aanwijzingen dat zij illegaal kansspelen hebben aangeboden in Nederland?
Alleen betrouwbare en verantwoord opererende kansspelaanbieders komen in aanmerking voor een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand. Een oordeel hierover is aan de kansspelautoriteit. Zij doet daarvoor onder andere een betrouwbaarheidsbeoordeling waarin ook strafrechtelijke en bestuursrechtelijke antecedenten en politiegegevens worden meegewogen.
Is de Kansspelautoriteit (KSA) bekend met de locaties in Nederland en specifiek Amsterdam waar spelers via dit goksyndicaat meedoen aan illegale kansspelen? Zijn als gevolg hier reeds ingevallen gedaan op deze locaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn daarvan de resultaten geweest?
De kansspelautoriteit beschikt niet over informatie uit het strafrechtelijk onderzoek. Wel onderzoekt zij regelmatig meldingen over illegaal aanbod van kansspelen op diverse locaties in Nederland, waaronder Amsterdam.
Welke strafrechtelijke onderzoeken in Nederland lopen tegen de zeven mensen die dit syndicaat vormen, alsmede tegen tientallen ronselaars en geldlopers die bij de praktijk van dit syndicaat betrokken zijn? Zijn er al mensen, bij dit syndicaat betrokken, veroordeeld (in het bijzonder de in het artikel genoemde personen)?
Het strafrechtelijk onderzoek Feniks is afgerond. Eventuele aanvullende onderzoekswensen van de verdediging worden door de rechter-commissaris geïnventariseerd waarna de zittingsdatum zal worden bepaald.
Bent u nog steeds van mening dat het niet reëel is te veronderstellen dat Nederlandse vergunninghouders sportwedstrijden zouden manipuleren?3
Ja. Alleen betrouwbare en geschikte aanbieders komen in aanmerking voor een vergunning. De kansspelautoriteit houdt toezicht op naleving van wet- en regelgeving door vergunninghouders.
Hoe wordt in regelgeving omtrent de sponsoring van individuele sponsors door kansspelaanbieders, wat mogelijk is gemaakt in de Wet op de Kansspelen, voorkomen dat sporters worden benaderd en als rolmodel gaan dienen in reclame-uitingen van deze aanbieders, terwijl deze spelers verslavingsgevoelig hiervoor zijn en/of in het verleden strafbare feiten hebben gepleegd?
Het is vergunninghouders niet toegestaan reclame te richten op jongvolwassenen of minderjarigen. Rolmodellen uit de sport hebben vaak grote aantrekkingskracht op jongeren en jongvolwassenen. Het is vergunninghouders zodoende niet toegestaan sporters te gebruiken om deze doelgroep aan te spreken. Sponsoring door neutrale vermelding van naam of beeldmerk op sportkleding of -materiaal is wel toegestaan.
Kunt u deze vragen ieder apart beantwoorden en tevens de Eerste Kamer separaat de beantwoording van deze vragen toesturen, gelet op het in de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel Wet op de Kansspelen?
Ja.
Het bericht "Zorgeloos in Eritrea" |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Roelof Bisschop (SGP), Mona Keijzer (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Zorgeloos in Eritrea»?1
Ja.
Bent u van mening dat mensen die vluchten voor oorlog en repressie bescherming verdienen maar dat wanneer iemand vrijwillig terugkeert naar het land waaruit gevlucht is, er redenen zouden kunnen zijn om vast te stellen dat de asielgrond is komen te vervallen conform artikel 32, eerste lid, onderdeel c van de Vreemdelingenwet 2000 of enige andere rechtsgrond? Kunt u dit verder toelichten?
Ja, die redenen zouden er kunnen zijn. De asielvergunning is bedoeld om vluchtelingen te beschermen tegen gevaar in dat herkomstland. Als wordt geconstateerd dat vreemdelingen met een asielvergunning voor bepaalde tijd hun herkomstland hebben bezocht dan onderzoekt de IND of de asielvergunning kan worden ingetrokken. Het intrekken van een asielvergunning voor onbepaalde tijd kan alleen plaatsvinden als uit de terugkeer en de daarvoor gegeven verklaringen kan worden afgeleid dat zij onjuiste verklaringen hebben afgelegd in het kader van het asielproces.
Deelt u de conclusie van de Telegraaf dat Eritreërs met een vluchtelingenstatus op vakantie zijn gegaan naar Eritrea? Zo nee, waarom niet?
Deze uitspraak in de Telegraaf op 30 maart jl geeft niet aan dat het gaat om Eritreeërs met een asielvergunning voor bepaalde tijd. De Volkskrant citeert op 31 maart jl. de eigenaar van dit reisbureau, die spreekt over de verkoop van circa 300 tickets naar Eritrea per jaar. De eigenaar geeft aan niet te weten of hun reizigers een asielvergunning hebben en dat de meeste klanten Eritreeërs zijn die al veel langer in Nederland zijn, soms tientallen jaren. Eritreeërs met een vergunning voor onbepaalde tijd of een Nederlands paspoort mogen in beginsel reizen naar hun herkomstland.
Kunt u voor de afgelopen drie jaren aangeven wat het inwilligingspercentage is geweest voor asielzoekers uit Eritrea? Hoe zijn deze hoge percentages te rijmen met voornoemde berichtgeving?
De inwilligingspercentages van eerste Eritrese asielaanvragen van de afgelopen jaren zijn als volgt: 96% in 2015; 87% in 2016 en 68% in het eerste kwartaal van 2017. Het lage inwilligingspercentage in het eerste kwartaal van 2017 kan worden verklaard worden door het hoge afwijzingspercentage op grond van Dublin. Dit hangt zeer waarschijnlijk samen met de verbeterde registratie van vingerafdrukken in Italië.
De inwilliging van Eritrese asielaanvragen volgt uit het landgebonden asielbeleid voor Eritrea. In de Vreemdelingencirculaire (paragraaf C7/11) is opgenomen dat de IND een verblijfsvergunning verleent aan Eritreeërs, indien sprake is van: desertie; dienstweigering of dienstplichtontduiking, voor zover de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt in verband hiermee in de negatieve aandacht van de autoriteiten te staan; illegale uitreis. Als wordt geconstateerd dat een Eritreeër met een asielvergunning voor bepaalde tijd Eritrea heeft bezocht dan onderzoekt de IND of de asielvergunning kan worden ingetrokken.
Hoe controleert u of Eritreërs naar hun moederland terug gaan? Hoe lopen de afspraken met landen als België en Duitsland om te controleren of Eritreërs van vliegvelden aldaar vertrekken naar Eritrea?
De IND werkt samen met de KMar en anderen om te controleren of vreemdelingen met een asielvergunning zijn gereisd naar hun herkomstland.
Voor medio 2015 hield de IND de intrekkingsgrond en reden van intrekking niet specifiek bij. In de periode van medio 2015 tot begin dit jaar is van circa 100 vergunninghouders onderzocht of de asielvergunning kon worden ingetrokken op grond van reizen naar herkomstland. Dit heeft geleid tot enkele tientallen intrekkingen. Er bevonden zich geen Eritreeërs onder de circa 100 onderzochte vergunninghouders. Aanvullend op deze reguliere controle zijn vorig jaar ook tijdelijk extra controles uitgevoerd op vluchten waarvan het vermoeden bestond dat er Eritreeërs met een asielvergunning aan boord zaten. Bij deze controles zijn evenmin terugreizende Eritreeërs aangetroffen. De komende tijd zal opnieuw intensiever worden gecontroleerd of er sprake is van terugreizende Eritreeërs.
Het is niet uitgesloten dat sommige vreemdelingen proberen de regels te omzeilen door via buurlanden naar hun herkomstland te reizen. De Nederlandse, Belgische en Duitse diensten wisselen daarom al enige tijd informatie uit over de controle op vreemdelingen met een asielvergunning die terugreizen naar hun herkomstland. Sindsdien zijn er reeds diverse signalen over en weer uitgewisseld. Aangezien een volledige procedure tot intrekking tenminste meerdere maanden in beslag neemt, kan nog niet worden aangegeven in hoeveel zaken dit daadwerkelijk leidt tot een intrekking van de asielstatus. Gelet op de bruikbaarheid van de uitgewisselde informatie is de verwachting echter dat dit tot diverse intrekkingen kan leiden. Ik kan op voorhand niet aangeven voor welke nationaliteiten dit zal gelden.
Van hoeveel Eritreërs is de verblijfsvergunning de afgelopen drie jaar ingetrokken en in welk jaar is dat gebeurd?
Zie antwoord vraag 5.
Indien er geen verblijfsvergunningen van Eritreërs zijn ingetrokken, wat is daarvan de oorzaak?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te achterhalen welke Eritreërs de afgelopen jaren via Nederlandse dan wel buitenlandse vliegvelden vertrokken zijn naar Eritrea of naar vliegvelden in Eritrea omringende landenvoor vakantie? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om te achterhalen hoeveel Eritreeërs uit Nederland de afgelopen jaren naar Eritrea of omringende landen zijn gereisd. De in- en uitreis van derdelanders die de Nederlandse buitengrenzen overschrijden, wordt niet geregistreerd. Zoals geantwoord op vraag 5 zijn er mogelijk Eritreeërs die via buurlanden naar Eritrea te reizen. Verder is het aannemelijk dat het met name Eritreeërs betreft die al langer in Nederland verblijven en over de financiële middelen beschikken. Eritreeërs met een Nederlands paspoort worden niet gecontroleerd op het reizen naar Eritrea.
Het bericht ‘Drugsgebruik tbs-kliniek niet meer toegestaan’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Drugsgebruik tbs-kliniek niet meer toegestaan»?1
Ja.
In welke tbs-klinieken wordt drugsgebruik nog meer gedoogd?
Binnen de muren van de tbs-klinieken in Nederland worden drugs niet gedoogd. Als de forensische zorginstelling drugsgebruik door een patiënt constateert, wordt dit in het individuele behandelplan geproblematiseerd. Ongeoorloofd drugsgebruik heeft gevolgen voor eventueel verlof van de tbs-gestelde.
De Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg hebben de schriftelijke terugkoppeling van hun eerste bezoek aan FPK De Woenselse Poort gepubliceerd. Ik heb deze terugkoppeling op 3 april 2017 aan uw Kamer gestuurd. In deze terugkoppeling constateren de Inspecties op het thema Veiligheid dat de visie en het beleid met betrekking tot drugs is aangepast en opnieuw is vastgesteld. Daar waar voorheen onder strikte voorwaarden aan een beperkt aantal cliënten afspraken bestonden over gebruik van softdrugs tijdens verlof, is deze praktijk in het nieuwe beleid in zijn geheel niet meer toegestaan.
Wie is er per tbs-kliniek verantwoordelijk voor het gedogen van drugs binnen de kliniek? Op welke wijze gaat u deze persoon sanctioneren?
Zie antwoord vraag 2.
Per wanneer kunt u toezeggen dat alle tbs-klinieken drugsvrij zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer schaft u het krankzinnige systeem van tbs eens af, immers misdadigers horen in de cel?
Ik deel uw mening niet. De tbs-maatregel is een vrijheidsbenemende maatregel, gericht op bescherming van de samenleving tegen het gevaar van de veroordeelde en gericht op diens behandeling. De tbs-gestelde heeft vaak al gevangenisstraf gehad voor het gepleegde delict. De detentiestraf is gericht op vergelding voor dat deel van het delict dat hem kan worden aangerekend. De tbs-maatregel moet zorgen dat de psychiatrische ziekte of stoornis wordt behandeld, zodat de kans op herhaling zoveel mogelijk wordt teruggedrongen.