Een landelijke beperking van draaideurconstructies voor voormalige ambtenaren |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Prinses Laurentien hielp kennis aan baan»?1
Ja.
Wat is uw mening over de constructie waarbij een ex-ambtenaar door het ministerie op hetzelfde beleidsterrein wordt ingehuurd als consultant tegen een uurtarief dat drie keer hoger ligt dan een ambtenarensalaris? Deelt u de mening dat dergelijke constructies onwenselijk zijn? Welke regels zijn er op dit moment op landelijk niveau om dergelijke constructies te beperken? Is aanscherping van deze regelgeving volgens u op zijn plaats? Zo ja, welke aanscherpingen overweegt u? Zo nee, waarom niet?
De ex-ambtenaar is niet door het ministerie van OCW ingehuurd, maar door een gesubsidieerde organisatie. De regels van de rijksoverheid voor inhuur van ex-ambtenaren zijn in dit geval dan ook niet aan de orde. Overigens heeft het ministerie van OCW in deze concrete casus bij de organisatie wel aangedrongen op een goede overdracht van kennis en expertise om de continuïteit van het programma te borgen.
Bij een zogenoemde draaideurconstructie – waarvan in het hierboven genoemde geval geen sprake is – gaat het om de situatie dat een voormalig ambtenaar na zijn ontslag vervolgens door het ministerie (of een andere overheidsorganisatie), waaraan hij tot dan toe verbonden was, wordt ingehuurd – via bijvoorbeeld een adviesbureau, of als zelfstandige – om werkzaamheden te verrichten.
In zijn algemeenheid is de draaideurconstructie onwenselijk. Het is niet voor niets dit al in 1999 vanwege mogelijke belangenverstrengeling en inbreuken op de integriteit in een circulaire voor de departementen is vastgelegd. Het gaat dan om de circulaire «Verzoek tot het naleven van het beleid ten aanzien van de draaideurconstructie», kenmerk ad1999/u84410 d.d. 13 sept. 1999.
Letterlijk staan in deze circulaire over de draaideurconstructie de volgende passages: «(...) Zowel intern als extern moet echter elke schijn van belangenverstrengeling worden vermeden. Het kabinet acht de draaideurconstructie een gevaar voor een integer functioneren van de rijksoverheid en voor de beeldvorming van de overheid. (...)»
«(...) Het kabinet is van mening dat voorkomen moet worden, dat ministeries een voormalig ambtenaar na zijn ontslag gedurende een bepaald tijdsbestek op enigerlei wijze inhuren. (...) » «(...) Ten aanzien van de termijn gedurende welke een voormalig ambtenaar geen werkzaamheden voor het voormalig ministerie mag verrichten, acht ik een periode van twee jaar redelijk. (...)»
Er is een uitzondering mogelijk: «(...) Het betreft de situatie dat in het kader van een beëindiging van het dienstverband afspraken worden gemaakt met de (voormalige) ambtenaar om na zijn ontslag gedurende een bepaalde aan te geven tijd, werkzaamheden voor het ministerie te verrichten. In zo’n geval bestaat hiertegen geen bezwaar.»
Er is geen aanleiding om de regels vervat in de circulaire aan te scherpen, ze zijn heel duidelijk.
Bent u ervan op de hoogte dat bij menig bestuursorgaan, zoals gemeenten en het ministerie van Defensie, voor voormalige bestuurders en medewerkers een verbod geldt om tot twee jaar na het beoefenen van een functie werkzaamheden te verrichten voor hun voormalige werkgever?
Ja.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten kent een handreiking voor een gedragscode voor deze gevallen. Er is overigens geen sprake van een verbod voor twee jaar bij inhuur van ex-medewerkers.
Gemeenten zelf bepalen de inhoud van die gedragscode in overleg met hun gemeenteraden. De richtlijn voor inhuur van ex-personeel verschilt dan ook per gemeente; soms wordt er niets geregeld, soms bestaat er een beperking van één jaar of geldt er een beperking van meerdere jaren.
Bij de defensie wordt de draaideurconstructie voor twee jaar uitgesloten gezien de aanwijzing SG A/872. Hierin wordt het volgende gezegd.
«(...) Inhuren van voormalige werknemers (draaideurconstructie)
Acht u in navolging hiervan een landelijke beperking van draaideurconstructies wenselijk waarbij voormalige ambtenaren gedurende twee jaar geen werkzaamheden mogen verrichten voor hun voormalige werkgever? Zo ja, op welke wijze gaat u zich inzetten om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijke beperking bestaat reeds, zie de beantwoording bij vraag 2 en 3.
De inhuur van flexibele arbeidskrachten via de aanbestedingskalender |
|
Ger Koopmans (CDA), Eddy van Hijum (CDA), Ad Koppejan (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aanbesteding door de Rijksoverheid die staat vermeld op de aanbestedingskalender «Diensten voor de terbeschikkingstelling van personeel, met inbegrip van tijdelijk personeel» met het nummer 2012/S 49–080460?
Ja, het betreft de aanbesteding «Inhuur Flexibele arbeidskrachten ten behoeve van een aantal EL&I-, BZK- en V&J-diensten. Het gaat hier om de inhuur van tijdelijk personeel in de categorie uitzendkrachten, met name voor de ondersteuning van de bedrijfsvoering.
Is het waar dat deze aanbesteding is onderverdeeld in 3 percelen, te weten;
Ja.
Wat vindt u er van dat in tijde van bezuinigingen de Rijksoverheid nog steeds meer dan 45 miljoen euro uitgeeft aan de inhuur van tijdelijk personeel? Is de indruk juist dat de taakstelling die ministeries hebben om de organisatie in te krimpen gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt door de inhuur van flexkrachten via de achterdeur?
Sedert jaren wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de omvang van de externe inhuur van personeel bij het Rijk, waaronder uitzendkrachten. Sinds vorig jaar wordt deze informatie opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk die in mei naar de Tweede Kamer wordt gezonden. Deze informatie wordt gegeven tegen de achtergrond van de afspraak met de Tweede Kamer (naar aanleiding van de motie van het lid Roemer, Tweede Kamer, 2009–2010, 32 360, nr. 5) dat de uitgaven voor extern ingehuurd personeel niet meer mogen bedragen dan 10% van de totale personele uitgaven (eigen personeel plus externe inhuur). Ministeries die boven dit percentage uitkomen dienen dit te verantwoorden in hun jaarrekening.
De daling van de omvang van het eigen personeel wordt niet gecompenseerd door het toenemen van de inhuur van extern personeel. Voor de categorie waar de vraag betrekking op heeft (uitzendkrachten; ondersteuning bedrijfsvoering) was immers in 2010 sprake van een uitgavendaling ten opzichte van 2009 (€ 815 mln in 2009 versus € 668 mln in 2010). De voorlopige cijfers over 2011 wijzen uit dat deze daling zich in 2011 verder heeft doorgezet.
Klopt het bericht dat vanuit de ministeries wordt verwacht dat de percelen 1 en 2 in omvang zullen afnemen en dat perceel 3 juist zal toenemen in de loop der jaren? Welke omvang zullen detacheren/uitzenden en payrollen bij de betreffende ministeries uiteindelijk structureel bereiken?
De aanbestedende ministeries verwachten inderdaad dat de percelen 1 en 2 (uitzenden) zullen afnemen en dat perceel 3 (payrollen) zal toenemen. De uiteindelijke structurele omvang van detacheren/uitzenden en payrollen bij deze ministeries is niet goed te voorzien. Uitzendkrachten zullen worden ingezet om piekwerkzaamheden of onvoorziene capaciteitsproblemen die tijdelijk voorkomen in reguliere processen op te vangen. De inzet van payrollers zal vooral geschieden voor tijdelijke werkzaamheden die van wat langere duur zijn. De toekomstige inhuurbehoefte zal afhankelijk zijn van de aard van de tijdelijke taken die zich bij de betrokken ministeries zullen voordoen en het verloop van het werkaanbod in de tijd. In de aanbesteding is een geprognosticeerde omvang van de inhuur vermeld voor de komende 4 jaren, die is gebaseerd op gegevens van de afgelopen jaren en ontwikkelingen die op het moment van publicatie reeds te voorzien waren. Het betreft hier uitdrukkelijk een schatting.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan het op grote schaal vervangen van medewerkers door personeel dat werkt op flexibele basis? Vindt u dat de Rijksoverheid hiermee het goede voorbeeld geeft aan de private sector? In hoeverre is de Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) voor Rijksambtenaren van toepassing op de ingehuurde flexkrachten? Welke financiële en andere voordelen worden met deze aanbesteding behaald? En welke kansen en zekerheden wordt geboden aan de flexkrachten?
Voor de ministeries geldt de norm van maximaal 10% externe inhuur (zie antwoord op vraag 3). Systematische vervanging van vast personeel door tijdelijk ingehuurd personeel doet zich niet voor. Wel is in een aantal gevallen de keuze gemaakt om bepaalde taken door tijdelijk ingehuurd personeel te laten verrichten.
Op de ingehuurde medewerkers van vraag 2 is de CAO Rijk als zodanig niet van toepassing. Overigens zal de zogenaamde inlenersbeloning direct gaan gelden voor de ingehuurde krachten. Naast de salarisregeling van de sector Rijk zullen ook de toekenning van periodieken en diverse kostenvergoedingen worden toegepast op het ingehuurde tijdelijk personeel. Aangezien tijdelijk ingehuurde krachten in beginsel worden aangetrokken voor een beperkte periode hebben zij veelal geen uitzicht op een ambtelijk dienstverband.
De deelnemende ministeries verwachten via deze aanbesteding de markt voor het gevraagde flexibel personeel optimaal te kunnen bereiken en contracten te sluiten, waarbij tegen goede marktconforme tarieven voor de komende jaren in de vraag naar inhuur van tijdelijk personeel kan worden voorzien.
Wat wordt er bij deze aanbesteding gedaan om het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) en Zelfstandige Zonder Personeel (ZZP)’ers een kans te geven om (een deel van de) opdracht te verwerven?
Het kabinet hecht zeer aan de toegang van het Midden- en Kleinbedrijf en Zelfstandige zonder personeel bij aanbestedingen. Mede om deze reden is een Nota van Wijziging bij de nieuwe Aanbestedingswet opgesteld, waardoor de toegang van kleine ondernemers tot aanbestedingen verbeterd wordt. Dit wetsvoorstel ligt nu ter behandeling voor bij de Eerste Kamer. Bij het opstellen van de aanbestedingsstukken is er rekening mee gehouden dat Midden- en Kleinbedrijf ook een eerlijke kans moeten maken op een overheidsopdracht. Dit is gedaan door de opdracht in drie percelen te verdelen. Inschrijving door ZZP’ers op de aanbesteding is niet reëel gezien het karakter van de gevraagde dienstverlening, maar individuele inzet van ZZP’ers is zeer wel mogelijk.
Kunt u een overzicht geven van alle aanbestedingen die op dit gebied zijn en nog worden gedaan door alle ministeries en bijbehorende diensten afzonderlijk?
Onderstaand treft u het overzicht aan van de lopende raamcontracten bij de ministeries en hun duur zoals die verzameld zijn binnen de reikwijdte van categoriemanagement Uitzendkrachten voor de Rijksoverheid.
Onderdelen Rijksoverheid
Looptijd en opties tot verlenging
Uiterste expiratiedatum overeenkomst
IFAR 2010 / alle ministeries behalve Defensie, Belastingdienst (uitzendpersoneel anders dan voor de Belastingtelefoon, Toeslagen, Centrum voor facilitaire diensten/centrale invoer en de Centrale administratie), voormalig Landbouw en voormalig Justitie.
01-05-’12 tot 01-05-’13
Eerste verlengingsoptie van één jaar wordt benut. Nog een tweede verlengingsoptie van 1 jaar beschikbaar, tot 01-05-2014.
01-05-2014
Belastingdienst
(Belastingtelefoon, Toeslagen, Centrum voor facilitaire diensten/unit Centrale invoer en de Centrale administratie)
Aanbesteding in voorbereiding.
01-09-2013
Defensie
25-09-’13 1e verlengingsoptie
25-09-’14 2e verlengingsoptie
25-09-2015
EL&I (voormalig LNV gedeelte)
Aanbesteding gepubliceerd d.d. 7 maart 2012.
01-10-2012
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND -BZK), Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V, BZK),
Bestuursdepartement V&J (BD-V&J), Nederlands Forensisch Instituut (NFI – V&J)
Aanbesteding gepubliceerd d.d. 7 maart 2012.
01-01-2013
Openbaar Ministerie (OM- min V&J), Raad voor de Kinderbescherming (RvdK – min V&J), Raad voor de Rechtspraak (RvdR), Raden voor Rechtsbijstaand (RvR)
01-09-’09 tot 31-08-’12
Eerste optie tot verlenging van 1 jaar benut. Tweede optie tot verlenging van 1 jaar nog beschikbaar.
31-08-2013
Dienst Justitiële Instellingen (DJI- min. V&J)
01-09-’10 tot 01-09-’12
Optie tot verlenging met maximaal tweemaal 1 jaar.
01-09-2014
Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB – min. V&J).
01-03-2012 tot 01-03-2013. Optie tot verlenging met maximaal 3 x 12 maanden
01-03-2016
Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO – min OCW)
01-01-’09 tot 01-01-’13
Optie tot verlenging benut.
31-12-2013
Ophef, verontwaardiging en onzekerheid binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ambtenaren geïrriteerd door optreden Rosenthal», waaruit blijkt dat er «grote ophef, verontwaardiging en onzekerheid binnen (en buiten)» uw ministerie is onstaan vanwege uw optreden in de casus-Haspels, waarbij een ambassadeur is aangesproken op zijn persoonlijke Facebook-pagina?1
Medewerkers van Buitenlandse Zaken maken volop gebruik van social media. Het gebruik en belang daarvan zullen alleen maar verder toenemen. Daarbij komen vanzelfsprekend vragen aan de orde over de verhouding tussen het functioneel en het persoonlijk gebruik van social media.
Op 5 maart jl. werd een bijeenkomst voor alle medewerkers van Buitenlandse Zaken georganiseerd over het gebruik van social media.
Daarbij is benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting van de ambtenaar, zoals vastgelegd in artikel 125a van de Ambtenarenwet uitgangspunt is. De ambtenaar dient zich echter te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de ambtenaar om hiervoor te zorgen. Als richtlijn en afwegingskader gelden de vastgestelde uitgangspunten voor «online» communicatie rijksambtenaren, met daarin opgenomen als criteria:
Wat is uw reactie op de zorgen van de Ondernemingsraad dat u zich «wederom publiekelijk negatief» over uw ambtenaren heeft uitgelaten? Wat zijn, in procedurele zin, de stappen die u zult zetten om deze onenigheid uit de wereld te helpen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het expliciet spreken over «angstcultuur en bijbehorende zelfcensuur» door ambtenaren op uw ministerie getuigt van een onbehaaglijke werksfeer en dat hier zo snel mogelijk een oplossing voor gevonden dient te worden? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de zeer kritische brief die de Ondernemingsraad naar de secrertaris-generaal heeft gestuurd een van de uitingen is van een onwenselijke verwijdering tussen u en uw ambtenaren, ook in het licht van eerdere onenigheden, bijvoorbeeld omtrent uw uitspraken over de diplomatie als rustiek tijdverdrijf en de door u in Buitenhof aangekondigde verscherping richting ambtenaren ten aanzien van hun uitingsvrijheid?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de antwoorden van de secretaris-generaal op de brief van de Ondernemingsraad naar de Kamer te sturen – al dan niet gedeeltelijk vertrouwelijk –, zodat ook voor de Kamer inzichtelijk is tot op welk niveau het een ambtenaar van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich persoonlijk te uiten buiten werktijd en hoe het ministerie omgaat met de ophef die is ontstaan? Zo neen, bent u dan bereid de vragen zelf afzonderlijk te beantwoorden, en in een brief naar de Kamer te sturen?
De interne reactie is vormgegeven langs bovenstaande lijnen. Voor de richtlijnen geldt dat er in wezen geen onderscheid is voor wat betreft de vrijheid van meningsuiting van ambtenaren online en offline.
De geheimhouding van de agenda's van de ministerraad |
|
Mariko Peters (GL), Ineke van Gent (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het bericht1 waar dat u zich voorneemt om onderwerpen van de agenda van de ministerraad te schrappen indien zij voortijdig naar buiten komen om te voorkomen dat bewindslieden die dag «pronken» met hun nieuws?
In reactie op vragen vanuit de media over de juistheid van dit bericht heb ik op 10 februari jl., zonder in te gaan op aanpak of overwegingen, opgemerkt dat het mogelijk is dat onderwerpen van de agenda worden afgevoerd.
Deelt u de mening dat overheidsinformatie in beginsel openbaar hoort te zijn? Zo ja, waarom neemt u daar blijkens uw voornemen afstand van?
De toegang tot overheidsinformatie is geregeld in art. 110 van de Grondwet en verder uitgewerkt in de Wet openbaarheid van bestuur en bepalingen inzake openbaarheid en geheimhouding in andere wetten en regels.
Is het u bekend dat vrijwel alle bestuurscolleges, van lokaal niveau tot aan de Europese Raden, voorafgaand aan hun vergaderingen een agenda openbaar maken? Zo ja, waarom neemt u daar geen voorbeeld aan?
De Gemeentewet, de Provinciewet en de EU-verdragen bevatten geen voorschriften die bestuurscolleges verplichten tot openbaarmaking van agenda’s.
Herinnert u zich de uitspraak van de Raad van State inzake de openbaarmaking van de notulen en agenda’s van de ministerraad inzake de aanloop naar de oorlog in Irak?2 Zo ja, hoe verhoudt zich uw voornemen tot het oordeel van de Raad van State dat niet staande kan worden gehouden dat openbaarmaking van louter procedurele afspraken het besluitvormingsproces zou kunnen frustreren of forceren?
De uitspraak van de Raad van State had geen betrekking op de agenda’s van de ministerraad.
Deelt u de mening dat hieruit voortvloeit dat agenda’s van de (Rijks)ministerraad in beginsel vooraf openbaar gemaakt moeten worden, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om op korte termijn maatregelen te treffen om de agenda’s van de (Rijks)ministerraad voortaan voorafgaande aan de vergadering te publiceren?
Nee. De functie van de agenda van de ministerraad is het faciliteren van het intern beraad van de ministerraad. Openbaarmaking van de geagendeerde onderwerpen belemmert de open en ongedwongen beraadslaging tussen de leden van de raad die de besluitvorming ten goede komt.
Het verlies van vertrouwen van het onderwijsveld in de bewindspersoon |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het nieuws dat 78% van de leraren en directeuren in het basisonderwijs geen vertrouwen in u heeft en dit percentage in het voortgezet onderwijs zelfs is opgelopen tot maar liefst 94%?1
Ik heb kennisgenomen van de uitkomsten van het onderzoek. Het is helder dat sommige maatregelen die ik neem, mede in het licht van de huidige financiële omstandigheden, als moeilijk ervaren worden. Hierover ben en blijf ik continu in gesprek met het onderwijsveld, want wij streven een gezamenlijk doel na: goed onderwijs voor al onze leerlingen.
Hoe wilt u met de uitkomsten van dit onderzoek omgaan?
Zie antwoord vraag 1.
Wat betekent het voor de effectiviteit van uw beleid dat u al zo relatief kort na uw aantreden als minister, het onderwijsveld zoveel vertrouwen in u heeft verloren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van plan om vertrouwen in het onderwijsveld te herwinnen, door voorgenomen ingrepen die het onderwijsveld als achteruitgang ervaart, te heroverwegen? Zo ja, welke ingrepen betreft het? Zo neen, hoe wilt u het vertrouwen dan terugwinnen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat mevrouw Albayrak bij vertrek bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers tonnen kan claimen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Leers , Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat mevrouw Albayrak bij vertrek tonnen kan claimen? Klopt het dat hier reeds individuele afspraken over zijn gemaakt? Zo ja, wie heeft deze afspraken gemaakt?1
Hoe is deze afspraak tot stand gekomen? Vindt u het wenselijk dat een in opspraak geraakte bestuurder een gouden handdruk van deze omvang krijgt?
Zijn er mogelijkheden om onder deze afspraken uit te komen? Zo ja, bent u van plan om deze toe te passen?
Klopt het dat er nu al wordt gekeken naar mogelijkheden om haar elders een baan aan te bieden bij de overheid? In hoeverre bent u van mening dat zij in eenzelfde soort functie nog voldoende gezag heeft?
Is een dergelijke individuele afspraak zoals met mevrouw Albayrak is overeengekomen normaal in de (semi-) publieke sector? Zo ja, gaat u deze gang van zaken aanpakken? Kunt u een inventarisatie maken van dergelijke regelingen bij andere (semi-) publieke instellingen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn eerdere antwoord op deze vraag (Aanhangsel Handelingen II 2011/12, nr. 1501).
Falende overheid die feest viert |
|
André Elissen (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekkende overheid viert feest?»1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat veel gemeenten niet in staat zijn om een DigiD-koppeling op de eigen website aan te bieden? Vindt u dat de Rijksoverheid voldoende doet om deze gemeenten te ondersteunen en/of te begeleiden? Hoe ziet u dit in relatie tot het recent neergelegde eisenpakket voor het mogen aanbieden van een DigiD-koppeling? Kunt u uw antwoord motiveren? Heeft de Rijksoverheid in uw beleving een verantwoordelijkheid voor alle burgers in Nederland, in alle gemeenten?
U doelt hier waarschijnlijk op de onlangs van DigiD afgesloten gemeenten. Een deel van de afgesloten gemeenten had moeite met het leveren van de benodigde informatie om aan te tonen dat hun websites veilig zijn. Veel gemeenten hebben hun ICT uitbesteed, en zijn afhankelijk van hun ICT-leverancier voor de noodzakelijke informatie. Inmiddels is een deel van de gemeenten overigens weer aangesloten op DigiD.
De Rijksoverheid wil de gemeenten zo goed mogelijk ondersteunen. Logius en KING overleggen hoe de ondersteuning kan worden geoptimaliseerd, om zo snel mogelijke heraansluiting van gemeenten in de toekomst te kunnen bevorderen. Daarnaast hebben Logius en KING zelf contact gelegd met de ICT-leveranciers van de gemeenten om het proces te bespoedigen.
De grootste leverancier die 32 van de 39 afgesloten gemeenten vertegenwoordigt, heeft de benodigde informatie namens deze gemeenten al aan Logius opgeleverd. Hierdoor kunnen de gemeenten zelf volstaan met het afgeven van een verklaring en verwijzen naar de meer technische antwoorden van de leverancier. Dit maakt het proces aanzienlijk sneller en makkelijker voor de gemeenten.
Alle organisaties die DigiD gebuiken zullen over de aangekondigde ICT-Security-Assessment-eis uitgebreid worden geïnformeerd. Dit moet ervoor zorgen dat organisaties weten waar ze aan toe zijn.
De eindverantwoordelijkheid voor elektronische gemeentelijke dienstverlening, ligt bij gemeentes zelf. Dat geldt ook voor de beveiliging van die dienstverlening. Daar waar gebruik gemaakt wordt van de centrale voorziening DigiD, worden bepaalde minimum eisen gesteld. De Rijksoverheid ondersteunt gemeenten op bovengenoemde wijze.
Hoe beoordeelt u het het feit dat Govcert een symposium organiseert dat ongeveer € 240 000,– kost? Wat voegt dit symposium toe ten opzichte van bestaande symposia en overige marktinitiatieven? Deelt u de mening dat dit symposium eigenlijk een leuk feestje is voor «vrienden van Govcert» en dat hiermee gemeenschapsgeld wordt verbrast waarmee Nederland veiliger gemaakt had kunnen worden?
240 000 euro is veel geld. Dit geld is uitgegeven om civiel-militair en publiek-privaat kennis te delen op het terrein van cyber security en het belangrijke internationale CERT- en cyber security netwerk te onderhouden. Het belang van samenwerking en kennisdeling op deze gebieden is benadrukt in de Nationale Cyber Security Strategie.Een vertrouwd (inter)nationaal publiek-privaat netwerk is noodzakelijk in de strijd tegen cybercrime, en andere digitale dreigingen die geen grenzen kennen. De gelegde contacten zijn tot op heden zeer waardevol gebleken, onder andere tijdens het Diginotar incident en bij de bestrijding van (internationale) digitale dreigingen en verstoringen. Tijdens het symposium wordt internationaal, civiel-militair en publiek-privaat kennis gedeeld, in een voor Nederland unieke samenstelling van sprekers en gasten, afkomstig uit ruim 35 landen en ongeveer 300 organisaties. Het symposiumis samen met het KLPD, OM, NFI, Logius, SIDN en KPN-CERT georganiseerd. Het symposium wordt één keer per jaar georganiseerd en is gespreid over twee dagen.
Hoe beoordeelt u de situatie dat op het eerder genoemde Govcert-feestje commerciële trainingen gegeven worden? Vindt u het de taak van de Rijksoverheid om bedrijven die trainingen geven te beconcurreren? Gaat u onderzoeken of hier sprake is van oneerlijke concurrentie? Hoe beoordeelt u deze vorm van ondernemertje spelen vanuit het perspectief van de Mededingswet?
Op of tijdens het Govcert.nl-symposium zijn geen commerciële trainingen gegeven. Trainingen zijn dan ook geen onderdeel van het door de overheid gefinancierde symposiumprogramma.
Op de dag voorafgaand aan het symposium verzorgden een aantal sprekers die ook op het symposium zélf aanwezig waren, drie trainingen. Tijdens de trainingen konden zij een dag lang specialistische kennis overdragen. Deze trainingen stonden dus los van het programma van het symposium van Govcert.
Hoe zou u de relatie tussen de Nederlandse overheid en Fox IT willen typeren? Is hier sprake van een afhankelijkheidsrelatie? Heeft Fox IT in uw beleving meer belang bij een zwakke en afhankelijke overheid of meer belang bij een sterke, onafhankelijke overheid die niet per se de hulp nodig heeft van externe adviesbureaus? Kunt u uw antwoord toelichten?
Veel publieke en private partijen beschikken over expertise op het terrein van cyber security. Zo beschikt ook Fox IT over belangrijke expertise, maar Fox IT is niet de enige. De relatie tussen de overheid en Fox IT is een zakelijke relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De Nederlandse overheid is als opdrachtgever niet afhankelijk van één extern adviesbureau.
Bij de bestrijding van high tech crime is soms behoefte aan zeer specifiek specialisme waarvan het niet rendabel is dat deze binnen de opsporingsteams wordt onderhouden. In gevallen waarin dergelijke expertise vereist is, is de inhuur van externe expertise een effectieve, maar ook efficiënte oplossing. Het aantal partijen dat beschikt over de vereiste expertise, zoals onder andere Fox IT, is beperkt. De ingehuurde specialisten worden binnen opsporingsonderzoeken steeds actief begeleid door opsporingsambtenaren met kennis van zaken. De tactische beslissingen binnen een opsporingsonderzoek worden uitsluitend door de politie en het OM genomen.
De aanschaf van 500 Google Apps-accounts door het ministerie van Buitenlandse Zaken |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat het ministerie van Buitenlandse Zaken, zonder pilot, 500 Google Apps-accounts aanschaft om mailcommunicatie in geval van calamiteiten te garanderen, zoals vermeld staat in het artikel «Buitenlandse Zaken kiest Gmail als terugvaloptie»?1
Ja.
Welke ministeries maken er ook gebruik van Google Apps-accounts? Wat zijn de ervaringen van deze ministeries?
Momenteel maakt geen ander ministerie gebruik van Google Apps-accounts.
Welke overwegingen heeft u doen besluiten om te kiezen voor dit specifieke systeem? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien calamiteiten zich voordoen dient in elk geval de normale, niet-gerubriceerde, e-mailcommunicatie van Buitenlandse Zaken met de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland door te kunnen gaan. Als back-up systeem is daarvoor indertijd Google Apps gekozen, omdat deze door Google geleverde dienst op Open Standaarden is gebaseerd, relatief goedkoop is, wereldwijd een hoge toegankelijkheid, beschikbaarheid en capaciteit garandeert en een minimale beheerlast vraagt van de ICT-organisatie.
Welke alternatieve systemen heeft u nog meer onderzocht? Op welke grond zijn deze systemen minder goed bevonden dan het Google Apps-accounts systeem? Kunt u uw antwoord toelichten?
In 2009 waren er geen prijstechnisch verantwoorde Europese e-mail clouddiensten met wereldwijde dekking en zakelijke beschikbaarheidsgaranties.
Bent u bekend met de risico’s voor de privacy en veiligheid bij het gebruik van clouddiensten zoals eerder zijn gemeld door de AIVD?2 Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om de privacy en veiligheid te waarborgen?
Ja. Conform vigerende regels voor het verwerken van privacygevoelige en andere vertrouwelijke informatie, mogen gebruikers geen privacygevoelige of andere vertrouwelijke informatie delen via Google Apps-accounts.
Kunt u garanderen dat ondanks het rapport van de AIVD, waarin zij beschrijft dat het gebruik van clouddiensten (zoals die van Google) eenvoudig toegankelijk zijn voor buitenlandse geheime diensten en opsporingsinstanties, het gebruik van Google Apps-accounts geen risico vormt voor de privacy en veiligheid van mensen?
Ja, zie het antwoord op vraag 5.
Voor de mate van garantie voor beveiliging van clouddiensten verwijs ik tevens naar de beantwoording van de Kamervragen 2011Z151833 gesteld door lid Gesthuizen (SP), 2011Z151244 gesteld door lid Schouw (D66) en 2011Z152415 gesteld door lid Elissen (PVV) door de minister van Veiligheid en Justitie.
Klopt het bericht dat er ook Nederlandse ambassades gebruik maken van Google Apps-accounts? Zo ja, welke ambassades betreft dit? Op welke manier is zowel de privacy als de veiligheid gewaarborgd?
Google Apps accounts kunnen worden ingezet als back-up voor communicatie met de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland. Voor borging van privacy en vertrouwelijke informatie verwijs ik naar het antwoord op de vragen 5 en 6.
Zijn uw ministeries of zijn andere ministeries zich eveneens (op aanvullende wijze) concreet aan het voorbereiden op een noodtoestand die het gevolg is van een overstroming? Zo ja, op welke wijze?
Alle ministeries werken aan een goede voorbereiding op verstoring van ICT en elektriciteit (ongeacht de oorzaak) door het opstellen van continuïteitsplannen. In deze plannen wordenweerbaarheid maatregelen opgenomen om de continuïteit van de kritieke processen van de ministeries te borgen.
Hierover zal in het voorjaar van 2012 aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd in de Voortgangsbrief Nationale Veiligheid.
Het talentbeleid bij de overheid |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de enquête van Binnenlands Bestuur in samenwerking met de Ien Dales-leerstoel waaruit naar voren komt dat de overheid amper aandacht besteedt aan het vasthouden van talent?1 Bent u daarnaast bekend met de enquête van Binnenlands Bestuur in samenwerking met JS Consultancy waaruit blijkt dat de aanwas van jonge ambtenaren op een laag peil staat?2 Wat is uw reactie op de uitkomsten van deze enquêtes?
Ja.
De instroommogelijkheden voor jong talent waren in algemene zin, mede als gevolg van de afgelopen taakstellingen, beperkt.
Ik erken daarnaast dat de overheid zich op dit moment in een bijzondere situatie bevindt. Enerzijds worden bezuinigingen doorgevoerd binnen het openbaar bestuur, welke leiden tot boventalligheid van personeel. Anderzijds ontstaan er op termijn ook personeelstekorten, mede als gevolg van de vergrijzing. Beide onderdelen vragen om een specifieke aanpak.
Het kabinet investeert daarom in meer flexibiliteit, mobiliteit en modernisering van het werkgeverschap in het openbaar bestuur, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteedt aan talentbehoud en nieuwe instroom van jongeren. Deze vernieuwing wordt, in samenwerking met andere overheden, doorgevoerd via het BZK programma «Beter Werken in het Openbaar Bestuur». Over dit programma heb ik u d.d. 8 juli 2011 ingelicht in de reactie namens het kabinet op het rapport «De grote uittocht» (Kamerstuk, 32 124, nr. 22).
Kunt u een overzicht geven van het aantal talentprogramma’s en traineeships binnen de Rijksoverheid of waar de Rijksoverheid aan deelneemt (zoals het Rijkstraineeship, BOFEB, Academie voor Wetgeving etc.)?
Rijksbreed
Specialistische programma’s:
Kunt u over de afgelopen vijf jaar, per jaar, een overzicht geven per talentprogramma of traineeship, waarin in ieder geval het volgende wordt uiteengezet:
Tranche 2007–2009
Tranche 2008–2010
Tranche 2009–2011
Tranche
2010–2012
Tranche
2011–2013
Aantal deelnemers
153
159
169
154
93
Aantal afstudeerders, waarvan:
N.v.t.
N.v.t.
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg
57
66
53
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg
63
53
38
doorgestroomd binnen de Rijksoverheid, maar aard dienstverband niet bekend
7
0
2
aantal dat uit dienst van de overheid ging
17
32
51
N.B. Van de traineetranche 2009–2011 hebben 13 trainees een tijdelijke verlenging gekregen ten behoeve van de doorstroom.
Tranche
2007–2009
Tranche
2008–2010
Tranche
2009–2011
Tranche
2010–2012
Tranche 2011–2013
Aantal deelnemers (instroom)
18
16
16
13
7
Aantal afstudeerders, waarvan:
17
16
16
N.v.t.
N.v.t.
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg
1
3
4
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg
16
13
11
aantal dat uit dienst van de overheid ging
0
0
1
Tranche
2009–2011
(startjaar programma)
Tranche
2010–2012
Tranche
2011–2013
Aantal deelnemers (instroom)
20
11
10
Aantal afstudeerders, waarvan:
19
N.v.t.
N.v.t.
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg
7
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg
11
aantal dat uit dienst van de overheid ging
1
Tranche
2009–2011
(startjaar programma)
Tranche
2010–2012
Tranche
2011–2013
Aantal deelnemers
10
10
8*
Aantal afstudeerders, waarvan:
N.v.t.
N.v.t.
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg
1
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg
6
aantal dat uit dienst van de overheid ging**
3
* De afname van het aantal startende trainees in 2011 heeft niet te maken met een afgenomen aanbod van audit-traineeplaatsen, maar met een onvoldoende (kwalitatief) aanbod van kandidaten.
** Het betreft hier vertrek vanwege het verkrijgen van een andere aanbieding elders of vanwege niet voldoende functioneren.
Tranche
2007–2009
Tranche
2008–2010
Tranche
2009–2011
Tranche
2010–2012
Tranche
2011–2013
Aantal deelnemers
12
16
21
14
15
Aantal afstudeerders,
Waarvan:
N.v.t.
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg
0
4
10
2
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg
10
11
7
•
aantal dat uit dienst van de overheid ging
2
1
4
•
2007
2008
2009
2010
2011
Aantal deelnemers*
20
22
22
20
19
Aantal afstudeerders, waarvan:
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg bij de (rijks)overheid
16**
18***
17**
3**
N.v.t.
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg bij de (rijks)overheid
0
3
0
12
N.v.t.
aantal dat uit dienst van de overheid ging
4
2
5
5
N.v.t.
* Looptijd van het programma is een jaar. Er starten jaarlijks twee groepen (in voorjaar en najaar).
** Deze groep kreeg eerst een contract voor bepaalde tijd en heeft nu een contract voor bepaalde tijd bij het Rijk.
*** Inmiddels hebben 17 personen van deze groep een contract voor bepaalde tijd bij het Rijk.
2009
1e tranche
2010
2e tranche
2011
3e tranche*
Aantal deelnemers
25
39
15
Aantal afstudeerders, waarvan:
N.v.t.
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg
1
0
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg
19
38
aantal dat uit dienst van de overheid ging
5
1
* Bij de 3e tranche is afgesproken dat de deelnemers direct een vaste aanstelling krijgen na afloop van het traineeprogramma (bij goed functioneren).
2010–2012
1e tranche
2011
Aantal deelnemers
10
N.v.t.*
Aantal afstudeerders, waarvan:
N.v.t.**
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg
aantal dat uit dienst van de overheid ging
* Het programma start om het jaar.
** Instroomafspraak 1e tranche: deelnemers krijgen een tijdelijke aanstelling van een jaar na afloop van het traineeprogramma (bij goed functioneren).
Tranche 2007– 2009
Tranche
2008–2010
Tranche 2009–2011
Tranche
2010–2012
Tranche 2011–2013
Aantal deelnemers
19
16
10
10
0
Aantal afstudeerders, waarvan:
N.v.t.
aantal dat contract voor bepaalde tijd kreeg
2
0
3
aantal dat contract voor onbepaalde tijd kreeg
14
11
4
1
aantal dat uit dienst van de overheid ging
3
5
3
1
Kunt u aangeven hoeveel starters er buiten de traineeships om de overheid instromen?
Aangezien het aantal jaren werkervaring (en/of het zijn van een starter) niet bijgehouden wordt in de gegevens van BZK, heb ik de volgende definitie van starter gehanteerd: jongeren tot 30 jaar die in dienst treden bij de rijksoverheid en andere bestuurslagen. Onderstaande cijfers zijn inclusief de starters vanuit traineeships.
Leeftijd
Rijk
Provincies
Waterschappen
Gemeenten
Totaal openbaar bestuur
15–19
18
1
1
99
119
20–24
445
46
29
943
1 463
25–29
997
133
121
2 007
3 258
Totaal
1 460
180
151
3 049
4 840
Als men kijkt naar de voorgaande jaren is het effect van de taakstelling duidelijk te zien in het totaal aantal jongeren dat instroomde in het openbaar bestuur. Deze ontwikkeling vindt echter ook plaats binnen andere leeftijdscohorten.
2007
2008
2009
2010
15–29 jaar
8 932
8 328
7 717
4 840
Wat zijn de redenen dat (jong) talent de overheid verlaat? Hoe probeert u talent aan de publieke sector te binden? Tegen welke obstakels loopt u daarbij op?
Een belangrijke reden waarom jonge ambtenaren de overheid verlaten is het aflopen van tijdelijke contracten. Het grootste deel van de jongeren neemt echter zelf ontslag (Bron: BZK, POMO 2010).
De meest genoemde vertrekredenen voor jonge ambtenaren (tot 30 jaar) in het openbaar bestuur zijn:
(Vrijwillige) vertrekreden in 2010
Percentage
1. Het werk was niet (meer) uitdagend
38%
2. Ik was uitgekeken op mijn takenpakket
35%
3. Er waren onvoldoende loopbaanmogelijkheden
32%
4. Het werkniveau lager was dan mijn opleidingsniveau
19%
5. Het werk inhoudelijk saai was
18%
Bron: BZK, POMO 2010.
In de eerste plaats is het een verantwoordelijkheid van individuele werkgevers (zoals gemeenten, provincies, departementen etc.) zelf om zorg te dragen voor voldoende instroom en behoud van talent.
De sector Rijk streeft ernaar talent te binden door een interessante werkgever te zijn en blijven. Dit doet zij door o.a. een uitgebreid opleidingspakket aan te bieden, het nieuwe werken mogelijk te maken, de stijl van leidinggeven aan te passen aan de doelgroep en de uitvoering van de kwaliteitsagenda Rijk.
Vanuit het BZK programma «Beter Werken in het Openbaar Bestuur» wordt ingezet op het vergroten van het gevoel van urgentie bij werkgevers: het vertrek van jongeren nu en het verwachte tekort op lange termijn vormen een risico. Het programma heeft als doel deze boodschap te verspreiden en stakeholders nu in actie te krijgen. Dit doet het programma o.a. door samen met VNG, IPO en de Unie van Waterschappen een bestuurdersconferentie te organiseren op 18 januari 2012 (www.beterwerkeninhetopenbaarbestuur.nl). Tijdens de conferentie zal nadrukkelijk aan de orde komen tegen welke obstakels werkgevers aanlopen op het gebied van talentbehoud en gezamenlijk besproken worden welke maatregelen en activiteiten nodig zijn om deze obstakels aan te pakken. Graag informeer ik u na afloop over de uitkomsten van de bestuurdersconferentie en de te nemen vervolgstappen.
Wat zijn uw kwantitatieve doelstellingen wat betreft in- en uitstroom van jong talent voor de toekomst?
Het ministerie van BZK heeft geen kwantitatieve doelstellingen wat betreft in- en uitstroom van jong talent binnen de sector Rijk. Het ministerie van BZK stimuleert strategische personeelsplanning en onderstreept het belang van een evenwichtig personeelsbestand voor de sector Rijk, waarvan leeftijdsopbouw een onderdeel is. Echter, de departementen zijn verantwoordelijk voor het stellen van hun eigen kwantitatieve doelstellingen.
Graag maak ik u tevens attent op het feit dat medeoverheden ook zelf verantwoordelijk zijn en blijven voor hun personeelsbeleid en de manier waarop zij bezuinigen. Via het programma «Beter Werken in het Openbaar Bestuur» wordt geprobeerd voor het gehele openbaar bestuur in samenhang en in samenwerking tussen bestuurslagen (interbestuurlijk) te werken aan verbetering en modernisering van de arbeidsmarkt in het openbaar bestuur.
In het bijzonder stelt het programma als kwalitatief doel om (praktische) kennis, best practices en algemene informatie over het boeien en binden van talent te verspreiden over alle lagen van het openbaar bestuur.
Kunt u aangeven of, en zo ja wanneer, het strategisch plan zoals genoemd in de motie- Hachchi aan de Kamer wordt gepresenteerd?3
Graag verwijs ik u naar de reactie namens het kabinet op het rapport «De grote uittocht» (d.d. 8 juli 2011) waarin het programma «Beter Werken in het Openbaar Bestuur» is aangekondigd (Kamerstuk, 32 124, nr. 22).
Het ministerie van BZK heeft ondertussen de eerste stappen gezet ter uitvoering van het programma.
Graag wil ik benadrukken dat alle geledingen van het openbaar bestuur (provincies, waterschappen, gemeenten) continu betrokken zijn bij de inhoud van het programma (d.m.v. een programmaraad met vertegenwoordigers uit het gehele openbaar bestuur).
Kunt u aangeven welke maatregelen zijn genomen ten behoeve van de uitvoering van de motie Schouw c.s?4 Kunt u aangeven of, en zo ja in welke mate, deze maatregelen hebben geleid tot een evenwichtig behoud van jonge ambtenaren? Zo nee, hoe kunt u dit verklaren?
In mijn antwoordbrief op de motie-Schouw c.s. van 19 april 2011 heb ik u gemeld dat de motie wordt uitgevoerd in die zin dat het onderwerp behoud van jonge ambtenaren en met name het afstappen van het «last in first out» principe door de werkgever Rijk is ingebracht in het Cao-overleg met de bonden.
Ik heb nog geen afspraken met de bonden kunnen maken omdat het overleg al enige tijd stil ligt.
Kunt u aangeven welke maatregelen zijn genomen ten behoeve van de uitvoering van de motie Hachchi/Heijnen?5 Kunt u aangeven of, en zo ja in welke mate, deze maatregelen hebben geleid tot een verbeterde doorstroom van rijkstrainees? Zo dit niet het geval is, tegen welke hindernissen loopt u op?
De geldende afspraken met betrekking tot de status van rijkstrainees als interne kandidaat (rijksbreed) bij sollicitaties zijn onder de aandacht gebracht van de alle ministeries. Tevens is afgesproken dat de status van interne kandidaat (rijksbreed) bij sollicitaties ook van toepassing is op de trainees van de Academie voor Wetgeving, de Academie voor Overheidsjuristen, het Financial traineeprogramma, het Audit traineeprogramma en de Beroepsopleiding financieel-economisch medewerker. Afspraken hierover zijn gemaakt op basis van een geconstateerde behoefte.
Het belangrijkste voor de instroomkansen van trainees is het aantal beschikbare vacatures (met name op HBO en WO-niveau). Het vacatureaanbod Rijk was in het eerste half jaar van 2011 beperkt (in totaal voor alle opleidingsniveaus 243 vacatures en op HBO en WO-niveau in totaal 200 vacatures).
De verwachting is dat de doorstroomkansen voor trainees in 2012 iets zullen verbeteren omdat in 2012 geen sprake meer zal zijn van een dubbel slot (geld en formatie) bij de uitvoering van de taakstelling van het kabinet. Ook zal in 2012 meer duidelijkheid zijn over de invulling van de taakstelling bij de werkgevers Rijk waardoor deze beter in staat zijn om te bepalen of vrijkomende functies kunnen worden opengesteld voor (rijks)interne sollicitanten.
Heeft u zoals u stelt in de Trendnota Arbeidszaken Overheidspersoneel 2010 (32 124, nr. 22) bij de CAO-onderhandelingen een voorstel gedaan om af te stappen van het beginsel «last in, first out»? Kunt u aangeven wat nu de stand van zaken is rond dit punt?
Zie antwoord op vraag 8.
Heeft u inmiddels uitvoering gegeven aan uw voornemen om met lokale overheden in het openbaar het gesprek aan te gaan om te komen tot gezamenlijke activiteiten op het terrein van de arbeidsmarkt, waaronder de positie van jongere ambtenaren? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst? Zo nee, op welke termijn zal dit gesprek plaatsvinden?
Ja, ik ben in gesprek met lokale overheden. Graag verwijs ik u naar vraag 5 en 7.
Binnen het Programma Beter Werken in het Openbaar Bestuur wordt intensief samen gewerkt met alle stakeholders in het openbaar bestuur. Er is een programmaraad opgericht met vertegenwoordigers uit alle geledingen van het openbaar bestuur. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de samenwerking tussen BZK en het openbaar bestuur zo effectief, vraaggericht en doelgericht mogelijk is.
Kunt u aangeven welke concrete oplossingen u heeft voor ieder van de negen thema’s uit de conclusie van het rapport «De grote uittocht»?
Voor de reactie van het kabinet op het rapport «De grote uittocht» en de negen oplossingsrichtingen verwijs ik naar de brief die ik 8 juli jl. over dit onderwerp naar de Kamer heb verzonden (Kamerstuk, 32 124, nr. 22). De primaire verantwoordelijkheid voor concrete oplossingen voor een gezond personeelsbestand met voldoende gekwalificeerd personeel ligt bij individuele (overheids)werkgevers. Meer en betere samenwerking is daarbij wel van belang, vooral op regionaal niveau. Daarom heb ik voor het openbaar bestuur ik in het kader van «de compacte overheid» het programma «Beter Werken in het Openbaar Bestuur» opgezet.
Dit programma bestaat uit drie lijnen met zes doelstellingen. De eerste lijn richt zich op het oplossen van acute problematiek en het bevorderen van mobiliteit. Dit hangt samen met het bevorderen van mobiliteit zowel binnen als buiten de overheid (oplossingsrichting 9 uit «De grote uittocht»). Het ontwikkelen van intersectoraal loopbaanbeleid in de regio is daarvoor een belangrijke oplossing.
De tweede lijn richt zich op het voorkomen van toekomstige tekorten en het flexibiliseren van arbeidsinzet. Dit raakt bijna alle negen thema’s van «De grote uittocht», maar in ieder geval het beter benutten van professionals, verder verhogen van arbeidsdeelname, investeren in loopbaan en gezondheid, en beloningsbeleid op de lange termijn. Ik zie o.a. de volgende concrete oplossingen, waar individuele organisaties aan zet zijn: het formuleren van strategisch personeelsbeleid, samenwerking op het gebied van uitwisseling van personeel, en meer mogelijkheden tot maatwerkafspraken over de loopbaan.
De derde lijn richt zich op het verhogen van arbeidsproductiviteit en ruimte voor de professional. Dit hangt samen met de volgende thema’s uit «De grote uittocht»: inzet op sociale innovatie, vergroten van professionele ruimte. Als concrete oplossing zie ik o.a. het aanpakken van onnodige bureaucratie en regels voor professionals via «van regels naar ruimte».
Het gebruik van dienstauto’s door managers van de belastingdienst |
|
Roland van Vliet (PVV), Bruno Braakhuis (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van PowNews van 11 oktober 2011 over het gebruik van dienstauto’s door managers van de Belastingdienst?
Ja.
Klopt het dat er managers zijn bij de Belastingdienst met een standplaats in Den Haag en een woonplaats ruim buiten Den Haag, die gebruik kunnen maken van een dienstauto met chauffeur voor woon-werkverkeer?
Ja. Het betreft hier managers die letterlijk door het hele land hun werk verrichten. Uitgangspunt is dat managers van de Belastingdienst gebruik maken van het openbaar vervoer. In bepaalde situaties waarin managers veel reistijd kwijt zijn en daarbij veel locaties moeten bezoeken, is dit echter niet efficiënt. Om die reden wordt voor een beperkt aantal managers een uitzondering gemaakt. Het gebruik van dienstauto is functiegebonden. Het gaat momenteel om negen managers die een auto met chauffeur hebben. De situatie is overigens niet statisch. De toedeling van dienstauto’s wordt periodiek herzien door de directeur-generaal van de Belastingdienst.
Klopt het dat het managers betreft die niet op allerlei plaatsen in Nederland moeten zijn, maar gewoon een vaste standplaats hebben in Den Haag?
Nee, het gaat om landelijk werkende managers.
Bent u bekend met het feit dat deze managers wel 150 kilometer (km) of soms zelfs 235 km van Den Haag wonen en daarmee dus 300 tot bijna 500 km per dag afleggen per auto met chauffeur?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze auto met chauffeur ook ingezet wordt om post op te halen in Den Haag? Klopt het dat er ook nog een pool-wagen beschikbaar is, wanneer een managementlid twee chauffeurs nodig heeft?
Dit is geen praktijk. Incidenteel kwam het voor dat post op kantoor door de chauffeur werd opgehaald voordat voor de betrokken manager de werkdag in het land aanving. Overigens komt dit vandaag de dag zo goed als niet meer voor. Nagenoeg alle post kan via IPads en netbooks onderweg «opgehaald» worden.
Daarnaast komt het af en toe voor dat stukken worden opgehaald die met spoed moeten worden ondertekend. Er is geen sprake van een situatie waarbij een managementlid twee chauffeurs nodig heeft.
Kunt u een update geven van de kosten die deze diensten met zich meebrengen? Hoe apprecieert u de kosten die hiermee gemoeid zijn, in deze tijden van zware en pijnlijke bezuinigingen?
De verwachte kosten voor 2011 zijn € 797 000,–: € 701 000,– personeelskosten en € 96 000,– kosten voor aanschaf en onderhoud. De kosten van aanschaf en onderhoud zijn dit jaar lager dan andere jaren omdat er dit jaar geen nieuwe auto’s worden aangeschaft. In de voorafgaande drie jaren zijn jaarlijks gemiddeld twee auto’s vervangen voor een gemiddeld totaalbedrag van € 99 000 per jaar.
Voor een organisatie van 30 000 medewerkers die landelijk op talrijke locaties actief is, acht ik deze uitgaven verantwoord.
Bent u het eens met het standpunt van voormalig staatssecretaris De Jager, die in 2008 schreef, in antwoord op vragen1 2, dat bij de Belastingdienst «op een afgewogen en efficiënte wijze» gebruik wordt gemaakt van dienstauto’s? Zo nee, wat is er veranderd sinds 2008? Zo ja, waarom definieert u bijna 500 km dagelijks woon-werkverkeer per auto met chauffeur als «afgewogen en efficiënt»?
Ja. De antwoorden van destijds op de vragen van de fracties van GroenLinks en van de PVV gelden nog onverminderd. Er is geen sprake van 500 km dagelijks woon-werkverkeer, omdat zoals aangegeven in het antwoord onder 2, sprake is van landelijk werkende managers.
Bent u, wellicht naar aanleiding van de huidige bezuinigingen, bereid opnieuw te bezien of de hoeveelheid managers bij de Belastingdienst, die een dienstauto met chauffeur ter beschikking heeft, bijgesteld zou moeten worden?
Zoals aangegeven bij het antwoord onder 2, maakt de directeur-generaal van de Belastingdienst periodiek een afweging voor de toedeling van auto’s met chauffeur. In die afweging betrekt hij ook de budgettaire situatie van de Belastingdienst.
De misstanden en de angstcultuur onder het personeel bij het COA |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over de angstcultuur onder het personeel van het COA?1
Welke signalen en aspecten waren u bekend over de problemen en de angstcultuur binnen het COA en onder het personeel van het COA?
Welke signalen en aspecten waren u bekend over het functioneren van de bestuursvoorzitter van het COA, en de onvrede die daarover bij directieleden en onder het personeel bestond?
Waarom is de Kamer niet eerder ingelicht over al deze problemen?
Hoe beoordeelt u het functioneren van de Raad van Toezicht (RvT) van het COA, in het bijzonder bij het toezien op deze problemen? Waarom heeft de RvT geen gehoor gegeven aan signalen die in haar richting zijn afgegeven?
Van hoeveel directieleden van het COA is de afgelopen 7 jaar de functie beëindigd?
Kunt u vanaf 2004 een overzicht geven van de kosten die zijn gemaakt vanwege het vertrek van de verschillende directeuren? Kunt u een overzicht geven van de totale beloning, inclusief bonussen en onkostenvergoedingen van de bestuursvoorzitter en de directeuren vanaf 2004? Wat zijn de totale kosten van de ingehuurde consultants door het COA sinds 2004? Waarom waren deze consultants noodzakelijk?
Voor het antwoord op uw vraag verwijs ik u naar het rapport van Commissie van onderzoek COA. In paragraaf 3.5 wordt ingegaan op de kosten die gepaard zijn gegaan met het vertrek van verschillende directeuren. In paragraaf 5.6 wordt ingegaan op de beloning van de directeuren. In paragraaf 5.3 en 5.4 wordt een compleet overzicht gegeven van de beloningen van de algemeen directeur sinds 2004. In paragraaf 3.7 komt de inhuur van externen aan de orde. Ten aanzien van de inhuur van derden concludeert de Commissie dat een beperkt aantal externen voor zeer lange tijd aan het COA verbonden was.
Wat zijn de totale kosten gemaakt voor overhead bij het COA sinds 2004?
Hoeveel klachten zijn er sinds 2004 bij de klachtencommissies, de vertrouwenspersonen en de RvT van het COA binnengekomen, die zien op de genoemde problematiek?
Wat is de kostprijs per jaar van een opvangplaats voor een asielzoeker? Waaruit is deze kostprijs precies opgebouwd?
Waarom hebben er het laatste jaar meer dan 3 000 plekken in AZC’s, 17% van het totaal, leeggestaan? Klopt het dat dit de gemeenschap zo’n 17 miljoen euro kost?
Welke overtredingen heeft de Arbeidsinspectie geconstateerd, in de brief van april jl. aan het COA?
Klopt het dat gemeenten de opvang van asielzoekers vele malen goedkoper zouden kunnen organiseren dan het COA doet?
Het bericht TNT baas krijgt 2,6 miljoen |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TNT baas krijgt 2,6 miljoen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat 2,6 miljoen euro buitenproportioneel is? Zo ja, wilt u TNT, of nu PostNL, publiekelijk hierop aanspreken?
Ik realiseer me terdege dat een beloning voor een individuele bestuurder van € 2,6 miljoen als zeer fors kan worden opgevat door werknemers en maatschappij. Een eventuele discussie hierover dient echter daar gevoerd te worden waar ook de besluitvorming over de beloning plaatsvindt: binnen de onderneming zelf. Het is de verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen om de uitvoering van het beloningsbeleid af te stemmen op de geleverde prestaties van bestuurders, en daarbij aandacht te besteden aan het lange termijn belang van de onderneming en al haar stakeholders en de beloningsverhoudingen binnen de onderneming. De afwegingen voor het toekennen van een vertrekvergoeding moeten binnen de onderneming zelf worden gemaakt op basis van het door de aandeelhoudersvergadering vastgestelde beloningsbeleid, rekening houdend met de feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Deelt u de mening dat deze vertrekpremie niet conform de code-Tabaksblat is?
De Nederlandse corporate governance code (de code) werkt volgens het principe «pas toe of leg uit». Dit betekent dat de code wordt nageleefd wanneer een onderneming de code toepast, of uitlegt waarom wordt afgeweken van de code. De code geeft in best practice bepaling II.2.8 aan dat een ontslag- of vertrekvergoeding maximaal 1 jaarsalaris mag bedragen (het «vaste» deel van de bezoldiging), en tijdens vertrek in de eerste zittingstermijn (4 jaar) maximaal 2 jaar salarissen, indien het maximum van 1 jaarsalaris kennelijk onredelijk is. Hiervan mag slechts met een goede motivering worden afgeweken. Uiteindelijk bepalen de aandeelhouders of zij genoegen nemen met een bepaalde uitleg die wordt gegeven als er wordt afgeweken van de code.
De raad van commissarissen heeft na de laatste algemene vergadering van aandeelhouders een persbericht uitgebracht waarin wordt aangegeven dat de voormalig bestuursvoorzitter van TNT in verband met zijn vertrek 2 jaarsalarissen meekrijgt.2 Het persbericht vermeldt tevens dat de heer Bakker een langdurig dienstverband heeft gehad waarvan 14 jaar als bestuurslid.
De uitleg die TNT geeft bij de naleving van bepaling II.2.8, voor zover ook betrekking op de vertrekvergoeding van de heer Bakker, zal te vinden zijn in het jaarverslag van volgend jaar over boekjaar 2011.
De Monitoring Commissie doet dit jaar speciaal onderzoek naar de kwaliteit van de gegeven uitleg bij niet-toepassing, onder andere ten aanzien van bepaling II.2.8.
De uitkomsten van dit onderzoek kunnen voor de Monitoring Commissie aanleiding zijn om individuele ondernemingen aan te spreken op de (niet-) naleving van de code.
Bij een contract van vóór de inwerkingtreding is het aan de onderneming en de bestuurder zelf of zij willen bewerkstelligen dat een contract zo wordt aangepast dat bij vertrek maximaal 1 jaarsalaris meegegeven wordt.
Bij bestuurdersbenoemingen van ná inwerkingtreding van de code wordt onderzocht welke afspraken zijn gemaakt over ontslagvergoedingen.
Ik wil benadrukken dat het kabinet van beursondernemingen verwacht dat zij de code naleven, en dus ook een afwijking van een bepaalde codebepaling goed motiveren.
Vindt u dat dit soort vertrekpremies goed aan banden kan worden gelegd door deze 100% te belasten om zo dit soort bedragen in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is, zoals ik hierboven aangeef, een beslissing geweest van de raad van commissarissen en de aandeelhouders om de voormalig bestuursvoorzitter van TNT deze vertrekvergoeding toe te kennen. Ik wijs erop dat de Wet op de loonbelasting 1964 sinds 1 januari 2009 een specifieke regeling kent die tot gevolg heeft dat onder voorwaarden over excessieve vertrekvergoedingen, toegekend door de werkgever in het jaar van vertrek, een heffing van 30% verschuldigd is. Deze heffing vindt plaats bij de werkgever. De werkgeversheffing vindt plaats naast, en dus niet in de plaats van, de normale inhouding van loonbelasting. Omdat het fiscale stelsel reeds een prikkel bevat die excessieve vertrekvergoedingen ontmoedigt, zie ik geen aanleiding om dit type vergoedingen extra te belasten.
De beveiliging van Digi-D en overheidswebsites |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Browsers dumpen Diginotar na Iraanse Gmail-tap» en specifiek het in de ban doen van het Diginotar certificaat door Firefox, IE en Chrome?1
Ja.
Is het zo dat de Nederlandse staat via onder meer Digi-D ook gebruik maakt van de diensten en specifiek van certificaten van Diginotar? Kunt u een opsomming geven van de verschillende websites en diensten die hier gebruik van nemen?
Ja. De DigiNotar certificaten voor DigiD zijn inmiddels vervangen.
Het betreft enkele tienduizenden certificaten van DigiNotar waarvan de betrouwbaarheid thans ter discussie is gesteld. Daaronder valt een substantieel aantal certificaten dat in gebruik is bij de Nederlandse staat en dat wordt ingezet voor diverse overheidswebsites en -diensten. Alle door het bedrijf DigiNotar uitgegeven certificaten voor publieke en semi-publieke organisaties worden of zijn inmiddels vervangen door certificaten van andere (PKI-) certificatenleveranciers. De CIO’s (Chief Information Officers) van Rijk en decentrale overheden zijn aangewezen om de omzetting van de certificaten van DigiNotar aan te sturen. In de komende periode gaan alle websites en diensten gefaseerd en gecontroleerd over op nieuwe certificaten.
Betekent de genoemde inbreuk dat de handtekening van Diginotar nu de facto waardeloos is geworden, dat browsers ook de beveiliging van Digi-D niet meer op waarde kunnen schatten en dat browsers beveiligingswaarschuwingen zullen geven bij veilige overheidswebsites? Biedt dit ruimte voor derde partijen om onveilige kopieën te maken van overheidswebsites die dan dezelfde melding zullen krijgen, maar in tegenstelling tot de originelen niet meer veilig zijn en die burgers kunnen misleiden?
Nee. Uit de omstandigheid dat thans DigiNotar-certificaten gecompromitteerd blijken te kunnen zijn, kan en mag niet worden geconcludeerd dat alle historische transacties van DigiNotar mogelijk gecompromitteerd zijn;
Inmiddels zijn DigiD.nl en mijn.belastingdienst.nl overgegaan naar een andere certificaatleverancier, waarvan de certificaten betrouwbaar zijn en worden vertrouwd door de softwareleveranciers;
Ja, het is mogelijk dat browsers in de omschakelperiode naar andere certificaten beveiligingswaarschuwingen geven bij veilige overheidswebsites en;
Ja, in de omschakelperiode naar andere certificaten is het mogelijk dat derde partijen onveilige kopieën kunnen maken van overheidswebsites (de zgn. omgeleide sites), die gebruik maken van de door de hacker oneigenlijk aangemaakte certificaat van DigiNotar. Om deze reden is het operationele beheer van het systeem voor het verstrekken van certificering gecontroleerd overgenomen zodat de certificaten gefaseerd kunnen worden ingetrokken en het gebruik van de door hacker aangemaakt en gebruikte certificaten kan worden gemonitord en kan worden bestreden waar dit wordt waargenomen.
Kunt u via onafhankelijk onderzoek aantonen dat de beveiliging van overheidsdiensten zoals Digi-D en beveiligde websites nog altijd afdoende is?
De overheid neemt diverse maatregelen om de beveiliging van overheidsdiensten en -websites te beheersen. Zo heeft het Kabinet, na overleg met het moederbedrijf van DigiNotar, nog in de nacht van vrijdag op zaterdag het operationele beheer van systemen voor certificaten van het bedrijf overgenomen teneinde de schade van de gebleken inbreuk op de integriteit van het internetverkeer en de beheersmaatregelen ter beperking van de gevolgen van de gebeurtenis. Daardoor wordt een beheersbare migratie naar andere certificaten mogelijk zonder dat dit additionele risico’s schept voor zover bekend.
Voor een overzicht verwijs ik u naar de Kamerbrief «Digitale inbraak DigiNotar» van 5 september 2011.
Het artikel “Bestuur en administratie bij Defensie niet op orde” |
|
André Bosman (VVD), Han ten Broeke (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op het hoogte van het artikel «Bestuur en administratie bij Defensie niet op orde»1 waarin gesteld wordt dat het ministerie van Defensie slecht is voorbereid op de komende bezuinigingen?
Ja.
Hoe beoordeelt u de opmerkingen van hoge militairen over «een gebrek aan kwaliteit van bestuur» en «een gebrek aan zakelijkheid bij Defensie»?
Ter voorbereiding op de beleidsbrief van 8 april jl. (Kamerstuk 32 733, nr. 1) heb ik negentien werkgroepen ingesteld om verschillende gebieden bij Defensie door te lichten en aanbevelingen voor verbeteringen te doen. Enkele rapporten bevatten kritische uitspraken over elementen van het bestuur en andere organisatieaspecten bij Defensie. De rapporten van de werkgroepen hebben een belangrijke rol gespeeld bij de uiteindelijke besluiten die zijn opgenomen in de beleidsbrief. De aanbevelingen van de werkgroepen zijn tevens betrokken bij de vormgeving van de reorganisatie bij Defensie. De bestuursstaf en de staven bij de andere defensieonderdelen worden in die reorganisatie met 30 procent ingekrompen en de bestuurlijke relaties en processen worden vereenvoudigd. Zoals beschreven in de beleidsbrief moeten de maatregelen resulteren in heldere verhoudingen tussen het bestuur, dat de regie op hoofdlijnen voert, en de operationele commandanten die meer ruimte voor de uitvoering krijgen. Het motto in het regeerakkoord «je gaat erover of niet» is daarbij het richtsnoer. Doublures worden opgeheven en verantwoordelijkheden geclusterd en herschikt. Rolvastheid is de norm. De hoofden van de defensieonderdelen werken inmiddels aan de reorganisatie bij hun onderdelen, waarbij zij oog houden voor deze uitgangspunten.
De kwaliteit van bestuur en de vereiste zakelijkheid beginnen bij de ambtelijke top, waarvan ook de genoemde hoge militairen deel uitmaken. Naast de reguliere processen van bedrijfsvoering en management control, hanteert Defensie ook meer specifieke momenten van bijsturing door de ambtelijke top, zoals de bekende Tussenbalans-vergaderingen rondom de bedrijfsvoering en het programma SPEER. Deze vormen van bestuur verlopen goed. Waar het bestuur van Defensie kan verbeteren, en ik sluit niet uit dat de defensiemedewerkers in het artikel daar op doelden, is het nakomen van afspraken die in goed overleg tot stand zijn gekomen. Met bestuurlijke inrichtingsprincipes als «je gaat erover of niet», streef ik naar een bestuurlijke cultuur waarin elkaar aanspreken op afspraken de norm wordt.
Hoe beoordeelt u de kritiek van de interne auditdienst van uw ministerie over de stand van zaken met betrekking tot het op orde brengen van de personeelsdossiers, waar per 1 maart 2011 slechts 4 000 van de 66 000 dossiers op orde waren?
De Audit Dienst Defensie (ADD) heeft geen kritiek geuit op de gekozen aanpak maar heeft aandacht gevraagd voor de doorlooptijd van het op orde brengen van de personeelsdossiers.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot het op orde brengen van de personeelsdossiers? Is hierbij nog steeds sprake van een achterstand? Zo ja, wat gaat u er aan doen om dit op korte termijn alsnog op te lossen?
Volgens de planning zouden in het eerste kwartaal van 2012 alle dossiers gecontroleerd moeten zijn. Het aantal tot nu toe gecontroleerde personeelsdossiers loopt echter achter op de planning. Inmiddels is het proces verbeterd en is de capaciteit uitgebreid. Midden augustus waren bijna 14 000 digitale personeelsdossiers gecontroleerd en opengesteld voor de individuele werknemer. De verwachting is nu dat midden 2012 alle digitale personeelsdossiers gecontroleerd zijn.
Klopt de stelling van secretaris generaal Annink in het artikel dat het op orde krijgen van de personeelsdossiers weinig moeite zal kosten? Zo ja, waarom is dit dan niet eerder gebeurd? Werd er in het verleden geen belang gehecht aan een degelijke personeelsadministratie bij Defensie? Zal hier in de toekomst wel voortdurende aandacht aan besteed worden? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
De Secretaris-generaal heeft te kennen gegeven dat het vaak gaat om de toevoeging van ontbrekende papieren aan het (digitale) personeelsdossier. De desbetreffende documenten zijn vaak wel beschikbaar, maar gezien de omvang vergt het op orde krijgen van alle dossiers toch nog een grotere inspanning dan verwacht. Datakwaliteit is en blijft een aandachtspunt. Dit geldt ook voor de kwaliteit van de personeelsdossiers. Een van de maatregelen om de kwaliteit van de dossiers te waarborgen is dat elke werknemer van Defensie via selfservice toegang krijgt tot het eigen digitale personeelsdossier.
Deelt u de mening van de secretaris generaal over de zorgen van de Algemene Rekenkamer? Bent u eveneens van mening dat de Algemene Rekenkamer doorschiet in haar kritiek op de bedrijfsvoering van het ministerie van Defensie? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De Algemene Rekenkamer maakt in haar rapporten duidelijk dat de bedrijfsvoering kwetsbaarheden vertoont. Ik onderschrijf dat. Het verbeterprogramma moet die kwetsbaarheden wegnemen. Daarbij is echter relevant dat in het coalitieakkoord en vervolgens in de beleidsbrief van Defensie een forse beperking van de beschikbare mankracht, ook op het gebied van control en audit, is vastgelegd. De Secretaris-generaal heeft daarop gedoeld, door te wijzen op de spanning tussen «verbeteren» en «krimpen». De Algemene Rekenkamer wijst alleen op «verbeteren» en noemt de risico’s van krimp.
Defensie zet de komende periode bij het financieel beheer sterk in op de vereenvoudiging, concentratie van werkzaamheden en de standaardisatie van procedures. Zoals vermeld in de beleidsbrief wordt binnen Defensie één (financieel) administratie- en beheerkantoor opgericht. Deze concentratie van werkzaamheden leidt tot meer kwaliteit en zorgvuldigheid in de bedrijfsvoering, minder fouten en bevordert de eenvormigheid van financiële processen. Daarnaast is hierdoor ook een aanzienlijke personeelsreductie mogelijk. Dit alles rechtvaardigt dat, binnen de grenzen van de redelijkheid, de auditcapaciteit wordt gereduceerd. Dit zal echter geen belemmering vormen voor de uitvoering van de wettelijk voorgeschreven controletaken.
Klopt het dat de interne auditdienst diverse controleactiviteiten niet meer uitvoert wegens personeelsgebrek? Om welke activiteiten gaat het? Wat heeft dit voor een invloed op het oplossen van de problemen in de bedrijfsvoering die sinds een aantal jaren door de Algemene Rekenkamer worden geconstateerd en op de prioriteiten die Defensie zich op dit gebied gesteld heeft? Wat gaat u eraan doen om deze situatie te verbeteren?
Bij Defensie is het gangbaar dat de interne auditdienst functioneert op basis van een jaarplan. Dit plan wordt besproken in het Audit Comité en vervolgens vastgesteld door de Secretaris-generaal. Een plan is nodig omdat de interne auditdienst naast de wettelijke controletaak ook vraaggestuurde audits uitvoert. De vraag naar audits overtreft bijna altijd de daarvoor beschikbare capaciteit, zodat prioriteiten moeten worden gesteld. Vanzelfsprekend krijgen de voor de wettelijke controletaak noodzakelijke auditactiviteiten de hoogste prioriteit. Daarnaast worden keuzes gemaakt uit vraaggestuurde audits, waarbijde capaciteit zo gericht mogelijk wordt ingezet met het oog op de reducering van risico’s van tekortkomingen in het beheer.
Hoe staat het met de toezegging uit het notaoverleg over de beleidsbrief Defensie d.d. 6-6-20112 waarin u op verzoek van de VVD toezegt in samenwerking met de Algemene Rekenkamer een halfjaarlijkse rapportage aan de Kamer te sturen over de voortgang op het gebied van verbeteringen in de bedrijfsvoering en het verloop van de bezuinigingen bij het ministerie van Defensie? Hoe staat het met deze toezegging?
In overeenstemming met de toezegging tijdens het notaoverleg van 6 juni jl. over de beleidsbrief zullen de begroting en het jaarverslag een bondige rapportage bevatten over de stand van zaken van de bezuinigingen. Hierbij wordt aangesloten op de nog in ontwikkeling zijnde bezuinigingsmonitor van de minister van Financiën.
Daarnaast zal ik u informeren over de voortgang van de verbeteringen in de bedrijfsvoering. De eerste rapportage daarover volgt in het jaarverslag 2011. De Algemene Rekenkamer heeft in het Rapport bij het Jaarverslag 2010 toegezegd u vóór de begrotingsbehandeling te informeren over de voortgang van het Plan van Aanpak Onvolkomenheden RVJ 2010 van Defensie. Voor deze werkwijze is gekozen in overleg met de Algemene Rekenkamer.
De Eindrapportage Spelregels Interbestuurlijke Informatie |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een limitatieve opsomming geven van de controles die naar aanleiding van de Eindrapportage Spelregels Interbestuurlijke Informatie1 niet of minder vaak uitgevoerd zullen worden?
De spelregels gelden sinds 1 mei 2011. Deze recente invoering maakt het op dit moment niet mogelijk het precieze effect van de spelregels te meten. Wel verwacht ik dat de spelregels zowel leiden tot verlichting van de lasten bij rijk en medeoverheden als tot het beschikbaar komen van de juiste informatie om aan de ministeriële verantwoordelijkheid te kunnen voldoen. De commissie die de spelregels heeft ontwikkeld, bestaande uit onder andere diverse ministeries, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Gemeentesecretarissen, gemeenten en een provincie, deelt dit beeld met mij. Deze verwachting baseer ik op een toets van de spelregels aan casuïstiek, die is uitgevoerd voordat de spelregels van kracht zijn gegaan.
Uit de toets bleek dat de spelregels zorgen voor een verlaging van de ervaren lasten, en tevens voor een kwantitatieve lastendaling. Onder andere op het gebied van ICT, wanneer bij nieuw of te wijzigen beleid de informatievoorziening aan de voorkant (tijdens de beleidsontwikkeling) wordt gestroomlijnd. Hierdoor zijn geen schaduwsystemen of provisorische aanpassingen meer nodig.
Een ander voorbeeld is de verantwoording van de specifieke uitkeringen op basis van het door medeoverheden gehanteerde baten en lasten stelsel in plaats van het kasstelsel. Op grond van de spelregels dient zoveel mogelijk aangesloten te worden bij horizontaal beschikbare gegevens.
Het overleg, tijdens de formulering van de informatievraag, over ieders verantwoordelijkheid en het stroomlijnen van beschikbare informatie, wordt door alle partijen als zeer nuttig en noodzakelijk ervaren. De spelregels zijn leidend bij dergelijke overleggen over gewijzigde of nieuwe taken voor medeoverheden.
De spelregels worden de komende tijd toegepast op alle nieuwe wet- en regelgeving van invloed op medeoverheden, waaronder de aankomende decentralisaties, en zullen daar hun waarde tonen.
De informatie over grote ICT projecten bij het Rijk |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rijk lijkt open over ICT projecten, maar schijn bedriegt»?1
Ja.
Deelt u de mening die in het artikel naar voren komt dat de website rijksictdashboard tekort schiet wat betreft het geven van informatie over de voortgang van grote ICT projecten bij de overheid omdat «de informatie op de site niet up to date is en daardoor ook niet transparant»?
Nee. De informatie gepresenteerd op het Rijks ICT-dashboard is één op één uit de jaarrapportage bedrijfsvoering over de grote en hoogrisico ICT-projecten (TK 32 501 nr. 14). De afspraak met uw Kamer is dat de rapportage jaarlijks aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Via het ICT-dashboard is het voor ministeries ook mogelijk om tussentijdse wijzigingen te communiceren. Jaarlijks wordt dan het totaaloverzicht via de jaarrapportage bedrijfsvoering aan de Tweede Kamer aangeboden. Als er tussentijds een brief aan de Tweede Kamer wordt gestuurd over een dergelijk project, dan worden de rapportagegegevens ook tussentijds geactualiseerd op het ICT-dashboard.
Hoe plaatst u de stelling dat het kabinet «het vertrouwen ontbreekt om echt transparant te zijn»? In hoeverre is het waar dat het webpaneel bij bezoekers ten onrechte de indruk kan wekken dat het Rijk meer greep heeft op de voortgang van alle grote ICT projecten dan daadwerkelijk het geval is? Zou meer transparantie een negatiever beeld kunnen geven over de mate waarin het Rijk de kosten die gepaard gaan met grote ICT projecten onder controle heeft?
In de huidige versie van het ICT-dashboard worden de meerjarige kosten en doorlooptijd van de projecten getoond en de wijzigingen daarop. De kosten en doorlooptijd worden volgens een vast stramien, gelijk voor alle projecten gescoord. Daarbij wordt de meest actuele schatting vergeleken met de laatste door de opdrachtgever vastgestelde herijking. Indien er (nog) geen herijkingen zijn, wordt vergeleken met de initiële schatting. Herijkingen zijn het gevolg van bijvoorbeeld nieuwe eisen, of mee- of tegenvallende resultaten. Iedere herijking dient te zijn gesanctioneerd door de opdrachtgever. Die formele besluitvorming is op het dashboard transparant gemaakt. Herijkingen vinden dus alleen plaats op basis van formele besluitvorming en worden dientengevolge dan pas geplaatst op het ICT-dashboard. Op basis van planning en resultaat wordt de kleur bepaald. Indien de procentuele afwijking binnen de 10 procent ligt, kleurt het project groen, is deze groter, dan kleurt het project geel. Indien deze de 40% overschrijdt kleurt het project rood. Dat kan onafhankelijk voor de kosten en doorlooptijd.
Deelt u de mening dat er, omdat de kleuren worden vastgesteld op basis van vergelijking met de laatst afgesproken wijziging van het project, een vertekend beeld kan ontstaan over de mate waarin de voortgang van grote ICT projecten onder controle is? Is dit regime niet wat al te soepel? Zou het niet transparanter zijn om de kleuren te baseren op wat de oorspronkelijke kosten en planning van een project waren?
Nee, alle herijkingen op een project sinds de start van het project zijn namelijk met toelichting terug te vinden in het ICT-dashboard. Ik beraad me wel op een aanpassing van het ICT-dashboard waarbij de kleur niet alleen wordt vastgesteld op basis van de afwijking ten opzichte van de laatste herijking, maar waarbij ook alle tussenliggende herijkingen in beschouwing worden genomen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat er in dezen een prima kans gemist is om informatie te delen met burgers en met anderen binnen de overheid en dat het risico is dat het webpaneel in de huidige vorm «slechts een pr-functie» vervult?
De publicatie van het ICT-dashboard is juist een vervolgstap in de rapportage aan de Tweede Kamer over de grote en hoogrisico ICT-projecten. Uiteraard is het nog mogelijk daarin verdere vervolgstappen te maken. Ik beraad me nog op zaken als het toevoegen van informatie over contractpartijen en het explicieter onder de aandacht brengen van de baten van een project.
Welke acties gaat u ondernemen om de transparantie over de voortgang van ICT projecten bij het Rijk te bevorderen? Wat gaat u doen om de belangrijkste knelpunten die zijn geconstateerd met betrekking tot de rijksictdashboard, namelijk dat het werken met kleuren als verwarrend wordt ervaren, dat er geen duidelijkheid is over wie de opdrachtgevers zijn en dat de site niet continue wordt bijgewerkt, op te lossen?
Zie de antwoorden op 4 en 5.
De kosten van het nieuwe rijkslogo |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de invoering van het nieuwe rijkslogo en de nieuwe rijkshuisstijl bijna 15 miljoen euro heeft gekost?1
De kosten voor Project 1 Logo, belast met het ontwerp en de invoering van de rijksbrede huisstijl, bedragen iets minder dan 15 miljoen euro.
De invoering van de rijksbrede huisstijl levert een jaarlijkse besparing op van 5 195 000 euro. Deze besparing is als onderdeel van een algemene taakstelling vanaf 2008 structureel in mindering gebracht op de begrotingen van de departementen.
Was dit bedrag vooraf geraamd? Zo nee, hoeveel overschrijding heeft plaatsgevonden en waarom?
In juli 2007 heeft de Ministerraad het plan van aanpak voor het ontwerp en invoering van 1Logo goedgekeurd. In het plan van aanpak was een kostenraming opgenomen van € 18 525 000. Het project is derhalve ruim binnen het budget gerealiseerd.
Waarom konden medewerkers een cursus «Ik en conflict» declareren? Welke conflicten verwachtte deze betrokkene bij de invoering van de nieuwe huisstijl? Zijn er meer van dergelijke cursussen gedeclareerd?
Eén medewerker heeft de cursus «Ik en conflict» gevolgd en een tweede medewerker de cursus «Persoonlijke communicatie». Dit betreffen cursussen persoonlijke effectiviteit. Deze cursussen werden gevolgd in het kader van loopbaanafspraken, niet vanwege het karakter van het project.
Waarom is voor de invoering zoveel geld uitgegeven aan manchetknopen en damessjaals?
De manchetknopen en sjaals dienden als voorbeeld van relatiegeschenken in de nieuwe huisstijl. Daarmee kon tevens de toepassing van de nieuwe huisstijl getest worden op speciale materialen (stof, metaal), met speciale technieken (graveren, weven) en in aparte vormen. Project 1 Logo en de departementen hebben de manchetknopen en sjaals gebruikt als relatiegeschenk.
Kloppen de salarissen die in het artikel worden genoemd? Wordt hierbij, omgerekend naar een jaarinkomen, de Balkenendenorm overschreden? Hoeveel externe inhuur heeft plaatsgevonden op de totale personeelskosten? Is hierbij de Roemernorm overschreden? Wie zijn «meneer PP», «mevrouw EE» en de dames «CC», «QQ» en «PPP»?
De salarisopgaven van PP, EE, CC, QQ en PPP zijn geanonimiseerd uit privacy-overwegingen. Betrokkenen maakten deel uit van de projectgroep 1Logo bij het ministerie van Algemene Zaken. Voor de bemensing van de projectgroep is in eerste instantie gekeken naar mogelijkheden van detachering binnen het Rijk; in gevallen waar dit niet is gelukt, is tot externe inhuur overgegaan. CC betreft detachering van een ander departement, waarvoor loonkosten zijn betaald. De Balkenendenorm wordt hierbij niet overschreden. De overigen betreft externe inhuur tegen een tarief van respectievelijk voor PP en EE van € 97,50 p/u, voor QQ van € 42,- en later € 44,50 p/u en tenslotte PPP tegen € 57,32 p/u (alle tarieven excl. BTW). De tarieven liggen ruimschoots binnen het recentelijk vastgestelde normtarief voor externe inhuur van € 225,- (excl. BTW).
Jaarlijks wordt in het Jaarverslag III een opgave gedaan van de totale externe inhuur. AZ blijft daarbij alle jaren binnen de recentelijk vastgestelde Roemernorm van 10%.
Het op voorraad bouwen van de Rijksgebouwendienst |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bouw kantoren Zwolle dupeert het Noorden»?1
Ja.
Klopt het dat door de Rijksgebouwendienst op voorraad gebouwd gaat worden in Zwolle?
Nee. Er is in Zwolle geen sprake van bouwen op voorraad. In het kader van het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst gaat het om meer efficiënte huisvesting van reeds in Zwolle aanwezige rijksdiensten. Dit betreft overigens niet de huisvesting van de Rgd zelf.
Deelt u de mening dat in de huidige slechte kantorenmarkt het onverstandig is om rijkskantoren op voorraad te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Is het bouwen op voorraad een voorschot om rijksdiensten te gaan verplaatsen naar Zwolle?
Nee. Er is noch sprake van een dergelijk voorschot, noch van bouwen op voorraad. In het kader van het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst (TK 31 490, nr. 54) is het Kabinet voornemens om de kantoren van het Rijk te concentreren in een select aantal locaties om de efficiëntie van huisvesting te verhogen. Per concentratielocatie zal een meerjarig pad van concentreren worden geschetst dat richtinggevend zal zijn voor de departementale huisvesting. In dat kader is ook een stad als Zwolle in beeld. Omdat deze concentratiestrategie gaat bepalen in welke mate de Rijksoverheid in Zwolle gehuisvest zal zijn is van een voorschot op bewegingen nu geen sprake. Momenteel worden wel varianten voor huisvesting van een aantal reeds in Zwolle aanwezige diensten onderzocht. De te kiezen variant moet passen in de concentratiestrategie. Over de concentratiestrategie wordt uiteraard nog overlegd met de provincies.
Hoe verhoudt dit voornemen zich tot de motie Heijnen/De Pater-van der Meer2 over het bijdragen van reorganisaties van de rijksoverheid aan de economische structuur van krimpgebieden?
In Zwolle of omliggend gebied is geen sprake van een zogenaamde topkrimpregio. Ook is Zwolle niet gelegen in een zogenaamd anticipeergebied. Omdat momenteel primair wordt gekeken naar het efficiënter huisvesten van Rijksdiensten die al in Zwolle aanwezig zijn, is geen sprake van effect op krimpgebieden. Bij het realiseren van een kleinere en beter georganiseerde Rijksoverheid – zoals in het regeerakkoord is afgesproken – past het overigens niet om organisatieonderdelen van het Rijk in krimpregio’s te vestigen of handhaven, louter om redenen van versterking van de economische structuur of werkgelegenheid in die regio’s. Departementen en grote uitvoerende diensten zijn op dit moment zelf verantwoordelijk voor hun locatiekeuze en verhuisbewegingen.
De verwevenheid van hulpclubs en het ministerie van Buitenlandse Zaken |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat Joke Brandt, directeur-generaal Internationale Samenwerking bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, is aangesloten bij Worldconnectors1, een linkse pro-immigratie en pro-hulp club met leden als Tariq Ramadan, Doekle Terpstra, Ad Melkert, Jan Pronk, Dirk Elsen en Pieter Broertjes?2
Ja. Overigens neem ik afstand van uw kwalificaties van Worldconnectors.
Bent u ermee bekend dat Joke Brandt in de periodes 1985–1989 en 1998–2000 werkzaam was voor hulpclub SNV?
Ja, uiteraard. In deze periode was SNV onderdeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Hoe waardeert u het feit dat Joke Brandt is aangesloten bij Worldconnectors en zich zo nadrukkelijk afficheert met de linkse zaak? Wat zegt dat over de geloofwaardigheid van het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Als onderdeel van haar werkzaamheden is mevrouw Brandt actief betrokken bij externe netwerken, zoals de Worldconnectors. Actieve betrokkenheid van ambtenaren bij maatschappelijke ontwikkelingen en hun deelname in netwerken versterken de geloofwaardigheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en verhogen de kwaliteit van het beleid. Overigens neem ik afstand van de gebruikte terminologie.
Is of was Joke Brandt als directeur-generaal Internationale Samenwerking betrokken bij de perikelen rondom SNV? Zo ja, deelt u de mening dat zij gezien haar SNV-achtergrond daar beter niet bij betrokken kan of had kunnen zijn?
Het behoort tot de taken van Joke Brandt, die sinds 2008 werkzaam is als Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, om het beleid op het terrein van ontwikkelingssamenwerking, met inbegrip van de relaties met niet-gouvernementele organisaties zoals de SNV, ambtelijk voor te bereiden en uit te voeren. Dat zij in het verleden bij SNV werkzaam was, vormt voor de uitvoering van deze taken op geen enkele wijze een belemmering.
Hoe waardeert u het feit dat Dirk Elsen, de man die een puinhoop maakte van SNV, nog altijd is aangesloten bij Worldconnnectors? Komt dit de geloofwaardigheid van Worldconnectors naar uw mening ten goede?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over deelname van personen aan externe netwerken of over de geloofwaardigheid van deze netwerken. De in de vraag gebruikte kwalificaties laat ik voor rekening van de vragensteller.
Acht u het wenselijk dat mensen die actief zijn geweest voor linkse hulpclubs sleutelposities innemen op het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het beter zou zijn als Joke Brandt ofwel opstapt bij Worldconnectors, ofwel opstapt als ambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
In welke mate is het ministerie van Buitenlandse Zaken verweven met linkse hulpclubs?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ministerie er alles aan zou moeten doen om elke mogelijke schijn van verwevenheid, partijdigheid en/of belangenverstrengeling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard dienen partijdigheid en belangenverstrengeling te worden voorkomen. Hiervoor bestaat adequate regelgeving die op het ministerie nauwgezet wordt toegepast. Van partijdigheid of belangenverstrengeling is dan ook geen sprake.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn een overzicht te sturen, desnoods geanonimiseerd, van ambtenaren die werkzaam zijn bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en een verleden hebben bij ontwikkelingsorganisaties? Zo nee, waarom niet?
Nee. Daar is geen structureel overzicht van beschikbaar.
Workshops sociale media georganiseerd door Syntens |
|
Afke Schaart (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Syntens workshops zuid nederland in mei» op de website www.ondernemerinbreda.nl?
Ja, daarmee ben ik bekend.
Deelt u de mening dat workshops over het gebruik van sociale media ook door veel commerciële partijen aangeboden worden? Zo ja, kunt u aangeven waarom het dan noodzakelijk is dat een organisatie als Syntens dit soort workshops gratis of tegen een kleine vergoeding aanbiedt door gebruik te maken van belastinggeld?
De workshops van Syntens zijn gericht op het voorlichten en bewust maken van ondernemers van de mogelijkheden die nieuwe ontwikkelingen in hun omgeving bieden voor innovatie. De financiering vanuit de overheid voor deze eerstelijnsvoorlichting voor het mkb is nodig om deze voorlichting laagdrempelig te houden, dus gratis of tegen een kleine vergoeding. De workshops van Syntens zijn een allereerste, globale kennismaking met nieuwe onderwerpen en ontwikkelingen, en passen goed in de bewustwordingstaak van Syntens. Workshops van commerciële partijen, voor zover beschikbaar, gaan veel dieper in op de materie en zijn een goede volgende stap voor ondernemers die actief aan de slag willen met de sociale media.
Vind u niet ook dat het leren omgaan met sociale media een verantwoordelijkheid van de ondernemer zelf is en hier geen taak voor de overheid weggelegd is? Zo nee, waarom ligt hier in uw ogen wel een taak voor de overheid?
Om het innovatievermogen van het mkb te vergroten heeft de overheid een belangrijke rol te vervullen als het gaat om voorlichting over en bewustmaking van nieuwe en snelle ontwikkelingen, zoals in dit geval de sociale media. Zo heeft Syntens eerder een rol gespeeld bij de opmars van het internet met een landelijk voorlichtingsprogramma voor het mkb. Net als bij de bewustwording rondom internet, zal er ook bij de bewustwording rondom de waarde van sociale media sprake zijn van een tijdelijke rol.
Zie ook mijn antwoord op vraag 5 en 6.
Hoe dient Syntens in uw ogen invulling te geven aan haar taakstelling ondernemend Nederland verder te helpen door innovatie te stimuleren en te versnellen?
De missie van Syntens is het versterken van het innovatievermogen van mkb-ondernemingen, hen aan te zetten tot succesvol innoveren en daarmee zichtbaar een bijdrage te leveren aan duurzame groei in Nederland.
Dit wordt in de praktijk ingevuld door verschillende activiteiten, zoals:
Syntens mag daarbij maximaal 16 uur per jaar per ondernemer besteden.
Syntens houdt middels effectmetingen en tevredenheidsonderzoek bij hoe de ondernemers de dienstverlening van Syntens waarderen en welk effect die sorteert. Daaruit blijkt dat het mkb baat heeft bij deze activiteiten. Uit de evaluatie die in 2007 gehouden is over Syntens (EIM, december 2007) is bovendien gebleken dat overheidsfinanciering van Syntensactiviteiten legitiem is. Als financier van Syntens houd ik de vinger aan de pols waar het gaat om het effect bij de mkb-ondernemers en op basis daarvan bespreek ik jaarlijks met Syntens de activiteiten.
Deelt u de mening dat het geven van workshops twitteren en Linkedin niet binnen deze taakstelling past? Zo nee, kunt u toelichten waarom u het daar niet mee eens bent?
Zoals uit mijn antwoorden op vragen 2 en 3 blijkt, ben ik van mening dat het stimuleren van het gebruik van sociale media op dit moment een zinvolle bijdrage kan leveren aan het innovatievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven. Zo heb ik op 17 mei de Digitale Agenda geïntroduceerd en daarbij het belang van e-skills benadrukt. De digitale agenda besteedt veel aandacht aan het digibewust en digivaardig maken van ondernemers.
Ik ben het evenzeer met u eens dat de overheid zich bij besteding van belastinggeld steeds moet afvragen of middelen vanuit de overheid – in aanvulling op de activiteiten vanuit de markt – noodzakelijk zijn om de vruchten van dit soort activiteiten te plukken. Hier toets ik dan ook geregeld op middels evaluaties.
Op dit moment werkt mijn departement aan het vormgeven van het concept Ondernemerspleinen. Op deze Ondernemerspleinen wordt de relevante dienstverlening van Syntens, Kamers van Koophandel en AgentschapNL geïntegreerd. Het perspectief hierbij is meer en vooral ook betere dienstverlening aan ondernemers voor substantieel minder geld. Taken en activiteiten zullen vanuit het perspectief van de ondernemer opnieuw worden ingericht. Hierbij zal ook worden bezien welke van de huidige taken en activiteiten niet meer zullen worden uitgevoerd. Nut en noodzaak van workshops sociale media zullen meelopen in deze exercitie. Het uitgangspunt is in ieder geval dat, net als nu, de activiteiten niet mogen leiden tot marktverstoring ten opzichte van commerciële dienstverleners.
Deze zomer zal ik een brief aan uw Kamer sturen, waarin het concept van de Ondernemerspleinen verder uitgewerkt is.
Deelt u de mening dat innovatie enorm belangrijk is voor Nederland en dat daarom het geld dat vanuit de overheid beschikbaar is efficiënt en zinvol besteed dient te worden? Zo ja, kan dit geld niet beter besteed worden aan andere zaken dan een workshop sociale media? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit in de toekomst wordt aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.