Tweetalig bestuur in Fryslân |
|
Rosanne Hertzberger (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sander van Waveren (NSC) |
|
Rijkaart , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Tweetalig bestuur in Fryslân» van het Wetenschappelijk Bureau Nieuw Sociaal Contract?1 Deelt u de analyse uit dit rapport dat het huidige wettelijke kader voor Friese taalrechten in de bestuurlijke praktijk van provincie en gemeenten onvoldoende wordt uitgevoerd?
Ik ben bekend met het genoemde rapport van het Wetenschappelijk Bureau Nieuw Sociaal Contract. Echter, ik deel de analyse uit het rapport niet. Op basis van de mij beschikbare informatie heb ik geen aanleiding om te concluderen dat het wettelijke kader structureel onvoldoende wordt uitgevoerd.
In de aanbevelingen benadrukt het rapport dat er behoefte is aan structurele monitoring en rapportage van het gebruik van het Fries door provincie en gemeenten; kunt u uiteenzetten hoe u toezicht houdt op naleving van de Wet gebruik Friese taal door gemeenten en provincie? Overweegt u een structurele monitor of periodieke voortgangsrapportage?
Het uitgangspunt van de Wet gebruik Friese taal is dat burgers het recht hebben het Fries te gebruiken in het bestuurlijk verkeer, terwijl de wijze waarop overheidsorganisaties hieraan uitvoering geven voor een belangrijk deel decentraal is belegd. Gemeenten en de provincie hebben binnen de wettelijke kaders beleidsruimte om hun dienstverlening in te richten. Gemeenten hebben dus de ruimte om daar verschillende keuzes in te maken en eigen accenten te leggen.
Ik zie op dit moment geen aanleiding om te verkennen of een wettelijke verplichting tot het tweetalig aanbieden van kern-overheidsdiensten in Fryslân wenselijk en uitvoerbaar is. Ook zie ik geen aanleiding hier een structurele monitor of periodieke voortgangsrapportage voor in te stellen.
Wel blijf ik in het reguliere overleg met de provincie Fryslân en andere betrokken partijen aandacht houden voor de toepassing van de wet in de praktijk. In overleg met de provincie en betrokken partijen kunnen eventuele knelpunten worden besproken en kunnen werkbare oplossingen worden verkend. Tevens zullen we bij de tussentijdse evaluatie van de BFTK halverwege 2026 hier aandacht aan geven.
Hoe beoordeelt u de constatering dat het Fries in overheidscommunicatie een recht van de burger is in plaats van een plicht van de overheid? Bent u bereid te onderzoeken hoe de Wet gebruik Friese taal kan worden versterkt zodat actieve toepassing door de overheid als uitgangspunt geldt, zodat de term «recht van de burger» kan worden vervangen door «verplichting van de overheidsorganisatie»?
Zie antwoord vraag 2.
Het rapport geeft op pagina 10 aan: «Elke gemeente bepaalt zelf in hoeverre het Fries wordt ingezet in de dienstverlening, de communicatie en de digitale omgeving». Herkent u dat deze verschillen bestaan en tot onduidelijkheid kunnen leiden? Bent u bereid om met de Friese gemeenten en de provincie te onderzoeken hoe een gedeeld basisniveau bereikt kan worden voor de inzet van de Friese taal?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen acht u passend om een uniforme uitvoering van de wet binnen Fryslân te garanderen? Is de regering bereid te verkennen of een wettelijke verplichting tot tweetalig aanbieden van kern-overheidsdiensten in Fryslân wenselijk en uitvoerbaar is? Zo ja, welke stappen ziet u? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat digitale overheidsdiensten het risico vergroten dat minderheden taaltechnologisch worden vergeten? Bent u bereid om in rijksbrede ICT-standaarden expliciet op te nemen dat systemen in Fryslân tweetalig moeten functioneren? Zo nee, waarom niet?
De Wet gebruik Friese taal borgt het recht van burgers om het Fries te gebruiken in het bestuurlijk verkeer. Ik zie op dit moment geen aanleiding om in deze standaarden een verplichting op te nemen dat systemen in Fryslân tweetalig moeten functioneren. Eventuele aandachtspunten rond digitale toepassing van het Fries kunnen in overleg met de provincie Fryslân worden besproken.
Kunt u toelichten hoe u waarborgt dat AI-systemen die binnen de overheid worden gebruikt ook low-resource talen zoals het Fries kunnen en moeten ondersteunen?
Momenteel wordt er onder regie van het Ministerie van BZK samengewerkt met de provincie Fryslân aan een generatieve AI-pilot. Het betreft een zogeheten AI-transcribeertool voor het Fries (met de werktitel «Friese Robuuste Intelligente Spraakherkenning» (FRIS). Het doel is om de Friese spraakherkenning te bevorderen, bij overheidsdienstverlening. U kunt hierbij denken aan transcriberen in de zorg waar anderstaligen de diagnose beter begrijpen als deze in het Fries vertaald wordt. Met de pilot wordt tevens verkend of en hoe AI kan bijdragen aan het ondersteunen van het Fries in o.a. overheidscommunicatie. Als deze pilot succesvol is, wordt bekeken of deze aanpak ook toepasbaar is voor andere low-resource talen. Daarbij wordt steeds gekeken naar de praktische inzetbaarheid en betrouwbaarheid van de technologie. De pilot is gestart in april 2025 en wordt in februari 2026 afgerond. De pilot wordt geëvalueerd in het eerste kwartaal van het jaar voor mogelijke doorontwikkeling.
Is er een tijdpad om digitale formulieren, bestuurlijke publicaties, raadsinformatiesystemen en burgerportalen volledig tweetalig beschikbaar te maken? Zo nee, wanneer komt dat tijdpad?
Er is op dit moment geen landelijk vastgesteld tijdpad om digitale formulieren, bestuurlijke publicaties, raadsinformatiesystemen en burgerportalen volledig tweetalig beschikbaar te maken. De inrichting van deze voorzieningen valt onder de verantwoordelijkheid van gemeenten en de provincie, binnen de kaders van de Wet gebruik Friese taal. Of een dergelijk vast te stellen tijdpad werkbaar en wenselijk wordt geacht is onderdeel van overleg tussen Rijk en provincie Fryslân.
Het NOS-artikel 'Brandbrief media: techgiganten bedreigen democratie in Nederland' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse nieuwsmedia alarm slaan over de invloed van grote internationale techbedrijven?1
Ja.
Hoe duidt u de in de brandbrief geschetste risico’s voor de democratische rechtsorde, de kwaliteit van de publieke informatievoorziening en de positie van onafhankelijke journalistiek?
De zorgen worden door het kabinet geadresseerd in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media.2 De aanbevelingen worden momenteel nader uitgewerkt in samenwerking met andere departementen en sectorpartijen.
Zo is het voor het kabinet cruciaal om in te blijven zetten op het daadkrachtig uitvoeren en handhaven van (bestaande) Europese wet- en regelgeving (zie het antwoord op vraag 9). Ook maakt het kabinet zich hard voor het weerbaar maken van de gebruiker tegen de gevolgen van desinformatie, bijvoorbeeld door het blijvend investeren in mediawijsheid.
Daarnaast werkt het kabinet aan een sterkere journalistieke functie van de publieke omroepen, zowel door het versterken en professionaliseren van de lokale publieke omroepen, als door het hervormen van de landelijke publieke omroep. De Kamer is over de laatste stand van zaken geïnformeerd bij de Mediabegrotingsbrief.3
Hoe beoordeelt u de in de brandbrief genoemde problematiek van scraping en hergebruik van journalistieke content door aanbieders van kunstmatige intelligentie (AI)?
Artikel 15o van de Auteurswet bevat een op artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt gebaseerde uitzondering op het auteursrecht op grond waarvan het trainen van generatieve artificiële intelligentie met werken van letterkunde, wetenschap of kunst uit een legale bron voor niet-wetenschappelijke doeleinden is toegestaan. Voor het maken van de daarvoor benodigde kopieën van werken is dus geen voorafgaande toestemming van makers of hun rechtverkrijgenden vereist. Dit is anders als de rechthebbenden op uitdrukkelijke en passende wijze een voorbehoud hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gekopieerd om generatieve artificiële intelligentie te trainen. In de brandbrief wordt aandacht gevraagd voor het probleem van illegale «scraping». Daarvan is sprake als de werken niet uit een legale bron, maar uit een illegale bron van het internet worden gekopieerd. Daarvan is ook sprake als door rechthebbenden gemaakte voorbehouden dat hun werken en andere materialen niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, niet worden gerespecteerd.
Op grond van artikel 53 van de AI-verordening zullen de ontwikkelaars van generatieve artificiële intelligentie een voldoende gedetailleerde samenvatting moeten maken van de werken waarmee hun algoritme is getraind. Geheel in lijn met de AI-verordening heeft de Europese Commissie daarvoor inmiddels ook een sjabloon ontwikkeld. De transparantie die daarvan het gevolg zal zijn, moet rechthebbenden beter in staat stellen te controleren of de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van voornoemde uitzondering op het auteursrecht correct zijn nageleefd. In de brief wordt daarom terecht gepleit voor een snelle en strikte uitvoering van de AI-verordening zodat de mediasector kan optreden tegen illegale «scraping».
Welke stappen worden gezet om het auteursrecht en eerlijke vergoedingsmechanismen te waarborgen? Bent u bijvoorbeeld voornemens wetgeving te introduceren ten aanzien van auteursrecht en AI?
Als makers of hun rechtverkrijgenden voorbehouden hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, is voor het gebruik van die werken voorafgaande toestemming van de rechthebbenden vereist. Aan het verlenen van toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het betalen van een vergoeding. De Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt, waarop die regeling is gebaseerd, wordt in 2026 door de Europese Unie geëvalueerd.
Uit het antwoord op de vorige vraag kan worden afgeleid dat er al wetgeving bestaat op het gebied van het auteursrecht en artificiële intelligentie. Die wetgeving is gebaseerd op Europese regelgeving. Het beleidsvoortouw is daarmee ook verschoven naar de Europese Unie. Het demissionaire kabinet is niet voornemens om op zuiver nationale leest geschoeide wetgeving te introduceren op de doorsnede van het auteursrecht en artificiële intelligentie (los van de vraag of daarvoor nog ruimte bestaat).
In hoeverre deelt u de zorgen van mediabedrijven dat grote techplatforms, mede door de inzet van AI-functionaliteiten, de zichtbaarheid, vindbaarheid en inkomstenbasis van Nederlandse nieuwsmedia verder onder druk zetten?
Media-aanbod moet zo makkelijk mogelijk vindbaar en zichtbaar zijn. Daarmee bereikt deze inhoud de Nederlanders en kunnen mediabedrijven inkomsten genereren. Het kabinet, onder aanvoerderschap van de Minister van OCW, is bezig met het nader verkennen van prominentiebeleid, op grond van de AVMD-richtlijn. Een eventuele aankomende herziening van de richtlijn kan de reikwijdte van het prominentiebeleid mogelijk uitbreiden naar videoplatformdiensten, het kabinet zal daarin een positieve grondhouding aannemen.
Deelt u de zorgen over strategische afhankelijkheden van een beperkt aantal buitenlandse technologieaanbieders voor de Nederlandse informatievoorziening? Welke beleidsopties worden overwogen om deze afhankelijkheden te verkleinen?
In algemene zin herkent het kabinet de zorgen ten aanzien van de platformisering en de afhankelijkheden. Het kabinet heeft hier in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media ook aandacht voor.
Het kabinet zoekt samen met de sector naar manieren om de afhankelijkheden te verkleinen. Prominentiebeleid zou zo’n middel kunnen zijn. Hiervoor kijkt het kabinet ook naar best practices uit andere Europese landen. Daar waar mogelijk zal het kabinet het gesprek over het verkleinen van de afhankelijkheden faciliteren.
Bent u van mening dat de Nationale Digitaliseringsstrategie in voldoende mate bijdraagt aan de bescherming van de doelen genoemd in de brandbrief?
De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), onder coördinatie van BZK, richt zich primair op de digitale overheid met als doel om de digitale basis van de overheid – en daarmee ons land – te versterken. De kracht van de NDS is om als rijksoverheid samen op te trekken met provincies, gemeenten, waterschappen en publieke dienstverleners. De NDS versterkt o.a. de transparantie, veiligheid en democratische controle van algoritmes die gebruikt worden door de overheid, Onderdeel van de NDS is het samenwerken aan de implementatie van digitale wetgeving en het wegnemen van juridische knelpunten. De NDS richt zich echter niet op specifieke sectoren, zoals de mediasector.
Hoe beoordeelt u het idee om te komen tot één coördinerend bewindspersoon voor zowel media- als technologiebeleid? Ziet u aanleiding om de huidige bestuurlijke inrichting op dit terrein te heroverwegen?
Het wijzigen van de departementale indeling is een politiek besluit dat aan de formatietafel wordt genomen. De secretarissen-generaal hebben zich er in hun brief aan de informateur wel over uitgelaten.4
Wat is de stand van zaken van de implementatie van relevante Europese regelgeving, zoals de Verordening digitale markten en de Verordening artificiële intelligentie, voor zover deze betrekking heeft op de machtspositie van grote technologiebedrijven en de positie van mediabedrijven?
Diverse uitvoeringswetten in het digitale acquis zijn reeds gepubliceerd in het Staatsblad en in werking getreden. Het gaat bijvoorbeeld om de uitvoeringswetten van de platform-to-business verordening, data governance verordening, digitale diensten verordening, digitale markten verordening en dataverordening. De uitvoeringswet voor de Verordening Artificiële Intelligentie is momenteel in voorbereiding. Deze zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie gaan. Parallel daaraan zullen de diverse (vereiste) toetsen worden uitgevoerd. Na verwerking van alle resultaten van consultaties en toetsen, zal deze uitvoeringswet naar de Raad van State gaan voor advies en na verwerking daarvan naar het parlement.
Bent u bereid periodiek aan de Kamer te rapporteren over de staat van de Nederlandse informatievoorziening in relatie tot de rol van grote technologiebedrijven en de effecten van AI op mediapluriformiteit?
Het Commissariaat voor de Media betrekt deze aspecten reeds in de jaarlijkse Mediamonitor en het Digital News Report.5 Deze informatie is beschikbaar via de website van het Commissariaat en is laagdrempelig toegankelijk. Deze rapporten worden veelvuldig aangehaald in Kamerbrieven en vormen daarmee een belangrijke informatiebron om beleid op te baseren.
De aanwijzingsprocedure voor regionale publieke omroepen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat het voorkeursadvies van de Friese politiek ten gunste van Omrop Fryslân1, gevolgd door de aanwijzing op 16 december 2025 door het Commissariaat voor de Media vooralsnog voor medewerkers, kijkers en luisteraars nog geen duidelijkheid betekent, doordat de concurrent stichting ORT FRL nog tot eind januari 2026 beroep kan aantekenen tegen de beslissing van het Commissariaat voor de Media aangezien de beroepsprocedure nog tot eind maart kan voortduren, terwijl de aanwijzing al op 1 januari 2026 is ingegaan?
Ja.
Deelt u de mening dat de huidige procedure voor concessieverlening en aanwijzing bij de dertien regionale publieke omroepen een ernstige bedreiging voor een gezonde bedrijfsvoering kan vormen als er daardoor iedere vijf jaar een einde kan komen aan hun bestaan, doordat deze omroepen dan onvoldoende kunnen vooruitplannen en hun continuïteit ter discussie komt te staan, met alle gevolgen van dien voor de contracten met leveranciers, voor onderhoud en met freelancers?
De aanwijzingsprocedure voor regionale publieke media-instellingen is geregeld in de Mediawet 2008. Kerngedachte hierachter is dat het gaat om een (vijfjaarlijkse) open procedure en dat wie voldoet aan de wettelijke eisen en als het meest geschikt naar voren komt, wordt aangewezen. Bij aanvang van de verlening is de duur en financiële omvang van de aanwijzing voor eenieder bekend.
Welke rol ziet u voor zichzelf bij de aanwijzingsprocedure voor regionale omroepen indien een nieuweling zich meldt?
Ik heb geen rol in de aanwijzingsprocedure voor regionale publieke media-instellingen. Die bevoegdheid ligt geheel bij het Commissariaat voor de Media die via de Beleidsregel aanwijzingsprocedure regionale publieke media-instellingen 2024 nadere invulling geeft aan de procedure. Provinciale staten geven daarbij een advies.
Mocht men in een regio overstappen naar een nieuwe omroep, wat is er dan geregeld voor de overgang van onderneming, dus voor de medewerkers en freelancers, voor het gebouw en voor de kostbare technische voorzieningen?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Op grond van de Mediawet 2008 is er een systeem van schaarse vergunningen. Deze vergunningen hebben een vaste looptijd van vijf jaar en vervallen vervolgens van rechtswege. Inherent aan dit systeem is de kans dat een andere partij wordt aangewezen als regionale publieke media-instelling.
De Mediawet 2008 voorziet in zo’n geval niet in een overgangsregeling. Wel heeft het Commissariaat voor de Media in zijn Beleidsregel aanwijzingsprocedure regionale publieke media-instellingen 2024 opgenomen dat er onder omstandigheden voorzien kan worden in een korte overgangsperiode tussen de voorgaande aanwijzingsperiode en de nog aan te vangen aanwijzingsperiode, zodat de overgang van de regionale publieke media-instelling op de nieuw aangewezen regionale publieke media-instelling in praktische zin goed kan verlopen. Van de provincie en de betrokken media-instellingen wordt verwacht dat zij hier onderling afspraken over maken.
De regels van overgang van een onderneming in privaatrechtelijke zin strekken tot bescherming van werknemers die bij de overgang van ondernemingsactiviteiten zijn betrokken. De twee betrokken instellingen zouden kunnen besluiten tot een (privaatrechtelijke) overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW. Dat staat echter los van de (publiekrechtelijke) aanwijzing als regionale publieke omroep op grond van de Mediawet 2008.
Hoe denkt u over de mogelijkheid dat regionale omroepen taakomroepen zouden worden, met beleidsplannen en prestatieafspraken, zoals dit ook bij de NPO/NOS/NTR gebeurt?
Veel bepalingen in de Mediawet 2008 gelden voor alle lagen van de publieke omroep; lokaal, regionaal en landelijk. Zo geldt voor alle lagen dat zij geacht worden de publieke mediaopdracht, zoals neergelegd in artikel 2.1 van de Mediawet 2008, uit te voeren. Zowel voor de RPO als de NPO geldt daarnaast dat zij een concessiebeleidsplan indienen en dat er een prestatieovereenkomst wordt gesloten.
Verschil tussen deze lagen is dat de landelijke publieke omroep op dit moment twee zogeheten «taakomroepen» kent met een vaste plek in het bestel, NTR en NOS, aan wie het verzorgen van specifiek aanbod, als nadere invulling van de publieke mediaopdracht is opgedragen. De NPO is geen taakomroep.
De regionale laag kent dergelijke taakomroepen op dit moment niet. Het feit dat regionale publieke omroepen beleidsplannen maken en dat er met hen prestatieafspraken gemaakt worden, staat daarbij los van het feit of zij wel of geen taakomroep zijn. Hier zijn geen wijzigingen in voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóórafgaand aan het wetgevingsoverleg over de mediabegroting van 26 januari 2026?
Hiermee beantwoord ik uw vragen voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
De BOSA-subsidie 2026 |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat 5 januari de eerste mogelijkheid in 2026 was om de subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) aan te vragen?1
Dat klopt.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de site slecht was en de server van de overheid er meerdere malen uit heeft gelegen?
Op 5 januari jongstleden om 09:00 uur opende het aanvraagloket van de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties. Vanwege de grote belangstelling raakte de server al snel overbelast waardoor het tijdelijk niet mogelijk was om een subsidieaanvraag in te dienen. Rond 10:15 uur was deze storing verholpen en was het weer mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen.
Klopt het dat op 5 januari voor 15:00 uur de BOSA al voor het gehele jaar overvraagd was?2
Zoals aangegeven in mijn brief over sluiten aanvraagloket BOSA 2026 sloot het loket om 15:00 uur, toen door 2.435 aanvragers voor € 109 miljoen aan BOSA-subsidie was aangevraagd.3 Het subsidieplafond van de BOSA voor 2026 is € 43,5 miljoen. Dat betekent dat de regeling al snel overvraagd was. DUS-I zal de binnengekomen aanvragen behandelen op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen. Zoals opgenomen in de BOSA-regeling volgt reactie op een aanvraag binnen 22 weken.
Wat is de huidige status met betrekking tot enerzijds de hoeveelheid aanvragen, en anderzijds het reeds aangevraagde bedrag?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Jongeren maken (onbewust) reclame voor illegale goksite op TikTok' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS waaruit blijkt dat jongeren via TikTok, soms onbewust, reclame maken voor illegale goksites?1
Deelt u de mening dat het inzetten van jongeren, mogelijk minderjarigen, voor de promotie van illegale goksites een ernstige schending vormt van de bescherming van minderjarigen en ingaat tegen de doelstellingen van de Wet kansspelen op afstand?
Kunt u aangeven in welke mate de Kansspelautoriteit signalen ontvangt over illegale gokreclame via sociale-mediaplatforms als TikTok, en hoe vaak hier in 2024 en 2025 daadwerkelijk handhavend tegen is opgetreden? Hoeveel illegale online gokwebsites zijn offline gehaald door de Kansspelautoriteit?
Welke concrete handhavingsmaatregelen zijn door de Kansspelautoriteit ingezet tegen illegale gokaanbieders die via TikTok opereren, en waarom blijken deze praktijken desondanks nog steeds plaats te vinden?
Kunt u aangeven in hoeverre bij de via TikTok verspreide gokreclame sprake is van minderjarigen, en hoe wordt vastgesteld of illegale gokcontent jongeren daadwerkelijk bereikt of door hen wordt verspreid?
In hoeverre acht u sociale-mediaplatforms als TikTok zelf verantwoordelijk voor het actief opsporen en verwijderen van content die illegale gokreclame bevat, in het bijzonder wanneer deze zichtbaar is voor jongeren?
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de overheid, de Kansspelautoriteit en sociale-mediaplatforms over het tegengaan van illegale gokreclame, en hoe wordt gecontroleerd of platforms deze afspraken daadwerkelijk naleven?
Kunt u aangeven welke maatregelen u in samenspraak met de Kansspelautoriteit gaat nemen tegen sociale-mediaplatforms die structureel onvoldoende optreden tegen illegale gokreclame, en of deze middelen in de praktijk ook daadwerkelijk worden toegepast?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat legale gokaanbieders aan strenge reclamebeperkingen zijn gebonden, terwijl illegale aanbieders via sociale media jongeren kunnen blijven bereiken, en hoe gaat u ervoor zorgen dat de websites van deze aanbieders direct offline worden gehaald?
Het bericht 'Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: ’Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: «Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen»»?1
Deelt u de mening dat het schokkend en zeer zorgelijk is dat 1 op de 6 jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden heeft gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld?
Wat is uw reactie op de constatering dat die beelden doorgaans ongewild via advertenties op pornowebsites verschijnen of via doorkliklinks op sociale media te zien zijn?
Is dit naar uw oordeel in strijd met de zorgplicht die op grond van nationale en Europese wetgeving op deze platforms rust?
Bent u van mening dat jongeren die ongewild te maken krijgen met dergelijke beelden weten waar zij terecht kunnen voor hulp en acht u de huidige informatievoorziening hierover voldoende?
Deelt u de zorg dat blootstelling aan dergelijk beeldmateriaal kan leiden tot psychologische impact of vervormde beeldvorming over seksualiteit en relaties bij jongeren?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren toegang krijgen tot strafbare of gewelddadige pornografie via online platforms?
Welke concrete stappen gaat u, naast het bestaande beleid, nemen richting grote sociale mediaplatforms die hun verantwoordelijkheid niet nemen, om ervoor te zorgen dat dergelijke beelden niet blijven circuleren?
In hoeverre kunnen pornoplatforms en sociale-mediabedrijven strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer zij onvoldoende optreden tegen strafbare content die op hun platform wordt verspreid en acht u dit instrumentarium voldoende toereikend?
Bent u bereid om te onderzoeken of aan platforms een actieve en afdwingbare zorgplicht opgelegd kan worden om strafbare pornografische content te detecteren en te verwijderen, in plaats van alleen te reageren op meldingen?
Heeft u inzicht in de gemiddelde doorlooptijd van verwijderverzoeken aan de sociale mediaplatforms van strafbare en gewelddadige beelden en zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
Op welke manier worden kwetsbare vrouwen beschermd tegen uitbuiting, illegale prostitutie en andere seksuele misdrijven binnen de porno-industrie en acht u deze bescherming in de praktijk voldoende?
Welke rol speelt de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal bij de aanpak van deze problematiek?
Bent u bekend met de schriftelijke vragen over misstanden in de porno-industrie en de motie-Krul over het starten van een WODC-onderzoek naar misstanden in de porno-industrie?2, 3
Wat is de stand van zaken van dit WODC-onderzoek en wanneer wordt het onderzoek afgerond?
Deelt u de mening dat er wel degelijk aanleiding is om te vermoeden dat misstanden plaatsvinden in de Nederlandse porno-industrie, terwijl u dit eerder niet aannemelijk achtte op basis van een korte en beperkte verkenning?
Zijn er inmiddels signalen bij u, hulpverleningsinstanties of de Arbeidsinspectie bekend van mogelijke misstanden in de porno-industrie, zoals mogelijke mensenhandel of seksuele uitbuiting? En zo ja, hoe worden deze opgevolgd?
Doucheverplichtingen voor minderjarigen bij sportverenigingen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ruzie tussen ouders en PSV Handbal escaleert: drie meisjes (11) uit club gezet», waarin drie minderjarige meisjes na een conflict over douchen bij de sportvereniging zijn geroyeerd?1
Bent u bekend met de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland (MRWN), die namens de ouders heeft aangegeven dat binnen de betreffende sportvereniging sprake was van een doucheplicht voor minderjarige meisjes?
Hoe beoordeelt u het feit dat in het huisreglement van de betreffende vereniging expliciet staat dat douchen na trainingen en wedstrijden verplicht is, terwijl de vereniging publiekelijk stelt dat van een doucheplicht geen sprake is?
Kunt u aangeven of en onder welke voorwaarden sportverenigingen minderjarigen mogen verplichten zich uit te kleden en gezamenlijk te douchen, en hoe dit zich verhoudt tot het beleid rondom sociale veiligheid in de sport en het recht op lichamelijke integriteit van kinderen?
Deelt u de opvatting dat het royeren van minderjarige sporters een zeer ingrijpende maatregel is?
Bent u bereid te bezien of bestaande landelijke richtlijnen rondom Veilig Sporten voldoende duidelijk zijn over vrijwilligheid, maatwerk en ouderbetrokkenheid bij gevoelige kwesties zoals douchen door minderjarigen?
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bruijn , Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Een verbod op de AI-chatbot van X |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «X komt met nieuwe beperkingen voor gebruik Grok, maar mensen uitkleden blijft simpel»1, «Politie en instanties slaan alarm om AI-app Grok: BN’ers digitaal uitgekleed, verbod in Nederland op tafel»2 en «Topoverleg tussen OM en Minister over uitkleed-app Grok, topman Musk komt beloftes niet na met nieuwe update»3?
Is het bij u bekend dat de AI-chatbot Grok van xAI wordt gebruikt om seksuele deepfakes te maken op X? Wat is daarop uw reactie?
Welke conclusies trekt u op basis van de berichtgeving? Vindt u dat X en xAI verantwoord handelen? Zo niet, welke maatregelen kunt u zowel nationaal als Europees nemen om misbruik van xAI tegen te gaan?
Wat heeft u met het Openbaar Ministerie besproken in het overleg van 15 januari 2026, waarover het AD bericht heeft? Kunt u de uitkomsten met de Kamer delen?
Zijn uitkleedapps en -tools verboden in Nederland? Hoe wordt hierop gehandhaafd, en welke gevolgen heeft het voor X dat het platform het genereren van seksuele deepfakes standaard aanbiedt via Grok?
Welke mogelijkheden bent u aan het verkennen om op te treden tegen uitkleedapps en -tools? Hoe bent u dit aan het onderzoeken en op welke termijn gaat u de uitkomsten met de Kamer delen?4 Hoe snel zou u aanvullende maatregelen kunnen nemen?
Vindt u de maatregelen die X heeft aangekondigd voldoende, namelijk een geoblokkade voor de AI-functie om seksuele deepfakes te genereren in landen die daar wetten tegen hebben? Wat betekent dit voor Nederlandse slachtoffers?
Deelt u de zorgen van de indiener dat deze geoblokkade gemakkelijk te omzeilen is en geen recht doet aan het leed van slachtoffers die ongewenst seksueel zijn afgebeeld?
Onder welke voorwaarden vindt u het acceptabel dat Grok beschikbaar blijft op X? Bent u, ook na de technische aanpassingen van de chatbot, van mening dat deze niet langer beschikbaar moet zijn?
Bent u bereid om, net als in België en het Verenigd Koninkrijk, over te gaan tot het blokkeren van de AI-chatbot Grok? Welke andere ingrijpen heeft u tot uw beschikking?
Steunt u de oproep van de Europese Commissie dat alle interne documenten en data gerelateerd aan de chatbot Grok moet worden vrijgegeven in het lopende onderzoek naar de contentmoderatie van X?5
Kunt u de relevante toezichthouders, in dit geval de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens, vragen om hun reactie? Hebben zij voldoende mogelijkheden om toezicht te houden en te handhaven?
Hoeveel klachten en meldingen zijn er gedaan door slachtoffers van seksuele deepfakes door Grok? Hoe wordt hier opvolging aan gegeven? Gebeurt dit altijd tijdig?
Hoe is uw contact met X? Heeft u de zorgen over deepfakes al met X besproken? Zo ja, wanneer is dat gebeurd en wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? Zo niet, kunt u dit zo spoedig mogelijk alsnog doen?
Voldoen X en xAI naar uw weten aan de ethische- en transparantieverplichtingen van Nederlandse en Europese wet- en regelgeving? Welke gevolgen heeft het als dit niet het geval is?
Behoren het verbieden van X of het vertrekken van overheidsorganisaties van de dienst tot de mogelijkheden als X stelselmatig de nationale en Europese wet- en regelgeving blijft overtreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden en berichtgeving over het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke wettelijke bevoegdheden het voor lokale autoriteiten mogelijk is om lopende kerkdiensten te beëindigen en de voorganger te arresteren? Kunt u toelichten of deze wettelijke bevoegdheden afgelopen vrijdag, 9 januari 2026, juist zijn toegepast?
Het is aan de bevoegde autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester, en niet aan mij als Minister om te beoordelen wanneer zij hun bevoegdheden correct kunnen toepassen. De burgemeester legt voor zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg geeft in zijn raadsbrief2 van 13 januari 2026 aan dat op grond van de evenementenregeling in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Tilburg is gehandeld. Op grond van de APV is aan de organisator medegedeeld dat er volgens het oordeel van de burgemeester sprake is van een onvergund evenement, en dat deze daarom op grond van de APV niet is toegestaan.
Hierna richt ik mij in de antwoorden op de gestelde vragen op de uitleg van de relevante wet- en regelgeving als zodanig en zal ik niet ingaan op de casuïstiek in de gemeente Tilburg.
Op grond van artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden mag de politie tijdens godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten slechts bij een ontdekking op heterdaad of na toestemming een ruimte bestemd voor dergelijke bijeenkomsten binnentreden. Voor de toepasselijkheid van deze norm is het dus van belang dat de eredienst bezig is en dat de ruimte bestemd is godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten.
Binnen een gebouw of besloten ruimte kan het belijden van een godsdienst op grond van artikel 6, eerste lid, Grondwet alleen in specifieke gevallen worden beperkt, die in een wet in formele zin worden bepaald. Denk daarbij aan bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, die op grond van de hiervoor genoemde Algemene wet op het binnentreden in uiterste gevallen ook tijdens een godsdienstoefening kunnen worden gehandhaafd. Ook moeten kerken zich houden aan bepaalde algemene regels niet specifiek gericht zijn op het beperken van de vrijheid van godsdienst, zoals brandveiligheidsnormen of regels uit het omgevingsplan, ook als die in lagere regelgeving zijn vastgelegd.
De Wet openbare manifestaties (Wom) geeft het lokale bestuur in lijn met artikel 6, tweede lid, Grondwet, bevoegdheden om religieuze manifestaties en betogingen buiten gebouwen of besloten plaatsen te reguleren, op een wijze die in overeenstemming is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vereniging en vergadering. Van belang is dat de inhoudelijke (religieuze) boodschap van een manifestatie nooit reden kan zijn om over te gaan tot regulering (enkel ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden). In het uiterste geval kan een eredienst buiten een gebouw of besloten ruimte worden beëindigd, indien een van bovengenoemde gronden daar aanleiding toe geeft.
Deelt u de opvatting dat er sprake was van een kerkdienst, in plaats van van een evenement, die niet als vergunningsplichtig kan worden aangemerkt onder het evenementenbeleid van gemeenten? Zo nee, op welke wettelijke basis baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat via het evenementenbeleid de grondwettelijke vrijheid van godsdienst wordt uitgehold?
Het is aan een gemeente en niet aan mij als Minister om in een concreet geval te bepalen, in overeenstemming met toepasselijke regelgeving, of een bijeenkomst binnen een gebouw als te vergunnen evenement moet worden beschouwd of het karakter heeft van een eredienst. Daarbij geldt in algemene zin het uitgangspunt dat de overheid zich terughoudend opstelt ten aanzien van het oordeel dat een bepaalde situatie geen bescherming geniet onder de vrijheid van godsdienst. Verder geldt dat een reguliere kerkdienst in een gebouw of besloten ruimte niet geldt als evenement in de zin van een vergunningenstelsel uit een gemeenteverordening. Dergelijke beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging kunnen op grond van de Grondwet immers slechts bij wet in formele zin worden gesteld.
Hoe beoordeelt u de besluitvorming van de gemeente en de politie in het licht van de scheiding van kerk en staat en de grondwettelijke vrijheden van godsdienst, meningsuiting en vergadering? Hoe beoordeelt u de uitspraak van de gemeente dat de grondwettelijke vrijheid van godsdienst niet meegenomen is in de afweging?2
Het is aan de bevoegde organen van een gemeente om te beoordelen of een specifieke bijeenkomst in een gemeente bescherming geniet onder een van de genoemde grondwettelijk vrijheidsrechten. Burgemeester en wethouders leggen over de omgang met deze belangrijke grondrechten verantwoording af aan de gemeenteraad.
Als daar aanleiding toe is, zijn de bevoegde organen van een gemeente bij de beoordeling van de aard van een bijeenkomst gehouden rekening te houden met mogelijke gelding van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vergadering en betoging. Het principe van de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting brengen met zich mee dat de (religieuze) boodschap die bij een bijeenkomst wordt uitgedragen op zich geen reden mag zijn om een bijeenkomst te normeren.
Bent u het eens met diverse rechtsgeleerden die zeer kritisch zijn op de gang van zaken en deze «miskleun» een «unicum in de Nederlandse geschiedenis» noemen?3 Zo nee, waarom niet?
In Nederland is het recht om de godsdienst of levensovertuiging gezamenlijk te belijden een groot goed. Dit grondrecht om te kunnen leven volgens de diepste overtuigingen is een fundamentele pijler van de democratische rechtsstaat en wordt gewaarborgd door de Grondwet en mensenrechtenverdragen. Gelovigen kunnen erop vertrouwen dat dit recht wordt beschermd en dat zij hierbij kunnen rekenen op de overheid. Mocht in een concrete situatie sprake blijken van een handelwijze door de overheid die op gespannen voet staat met de vrijheid van godsdienst, dan zijn er verschillende manieren om dit te adresseren of te repareren. Denk hierbij aan het stelsel van checks and balances in de lokale democratie en aan de toegang tot een onafhankelijke rechter die het openbaar bestuur kan corrigeren.
Deelt u de opvatting dat de overheid bij religieuze bijeenkomsten een bijzondere terughoudendheid dient te betrachten en dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is? Was ingrijpen in deze situatie gerechtvaardigd conform vaste rechtsopvattingen dat binnentreding slechts bij hoge uitzondering is toegestaan? In hoeverre was er een risico voor de handhaving van de openbare orde waardoor eventuele stillegging van de bijeenkomst gerechtvaardigd zou kunnen zijn?
Ja, wanneer een bijeenkomst onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst valt, moet de overheid bijzonder terughoudend optreden. Onder andere betekent deze terughoudendheid dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk en evenredig is en er geen minder verstrekkende alternatieven zijn. Het voorkomen van wanordelijkheden kan in bepaalde gevallen een reden zijn voor een burgemeester om in te grijpen bij een godsdienstige bijeenkomst in de openbare ruimte. Bij bijeenkomsten binnen gebouwen geldt een nog hogere drempel voor binnentreden en eventuele interventie, zoals ik hierboven heb aangegeven. Of deze bevoegdheid in een specifieke lokale context juist is toegepast, en of bijvoorbeeld een juiste risico-inschatting is gemaakt, is niet aan mij om te beoordelen.
Welke richtlijnen en instructies gelden er momenteel voor politie en lokale overheden bij handhaving rond religieuze bijeenkomsten en acht u deze richtlijnen voldoende duidelijk om dit soort situaties te voorkomen?
Het is niet aan mij als Minister om me uit te spreken over hoe lokale overheden gemeentelijke normen handhaven. Het eventueel opstellen van richtlijnen en instructies daarbij is een kwestie van lokale autonomie. De gemeenteraad en in het uiterste geval de rechter controleren en beoordelen of deze bevoegdheden juist zijn toegepast.
Hoe beoordeelt u het standpunt van de gemeente Tilburg dat het gebruik van een pand voor religieuze bijeenkomsten mogelijk in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en deelt u de opvatting dat het juridisch vergezocht is om op die grond een kerkdienst te beëindigen?
Het opstellen en handhaven van een omgevingsplan is aan het gemeentebestuur. Wat precies mogelijk is onder een bestemming of functie in het omgevingsplan, is afhankelijk van de gebruiksregels die in een specifiek omgevingsplan aan de functie zijn gekoppeld. Functies in een omgevingsplan worden gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wat binnen een functie wel of niet mogelijk is moet gemotiveerd zijn door de evenwichtige functietoedeling aan locaties. Dat betekent dat wordt gekeken naar de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van een bepaald gebruik, zoals de toestroom van bezoekers en de geluidsproductie. Enkel het religieuze karakter van een activiteit kan geen reden zijn dat deze niet past binnen een bepaalde functie. Het kan wel zo zijn dat een bepaalde functie het houden van bijeenkomsten zoals een eredienst uitsluit, maar ook andere gebruiken met vergelijkbare gevolgen. In het algemeen geldt verder dat met een beroep op de godsdienstvrijheid niet zomaar aanspraak kan worden gemaakt op vrijstelling van een omgevingsplan.
Hoe beoordeelt u het voornemen van de gemeente Tilburg om te onderzoeken welke panden en locaties zonder vergunning worden gebruikt voor religieuze bijeenkomsten en de handhaving hierop te intensiveren? Ziet u hierin het risico dat een precedent wordt geschapen voor verdere inperking van religieuze vrijheden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat de interpretatie dat maatschappelijke of onderwijsbestemmingen religieuze bijeenkomsten uitsluiten onjuist is, zeker gezien het feit dat veel kerken in Nederland samenkomen in dergelijke gebouwen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe voorkomt u dat religieus analfabetisme bij lokale overheden leidt tot onbegrip, escalatie en onrechtmatige inperking van grondwettelijke vrijheden? Ziet u aanleiding om de handreiking die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is opgesteld opnieuw onder de aandacht te brengen bij gemeenten en bestuurders om religiestress te voorkomen en adequaat optreden van gemeenten te realiseren?4
Zonder een oordeel te vellen over deze kwestie, kan ik vaststellen dat zich in Nederland nauwelijks situaties voordoen waarbij een dienst wordt beperkt door het lokale bestuur of politieoptreden. Zoals ik hierboven heb aangegeven is het normenkader ten aanzien van de vrijheid van godsdienst van hoog niveau, en zijn er voldoende correctiemogelijkheden, mocht dit in uitzonderlijke gevallen niet juist worden toegepast. Ik zie dan ook op dit moment geen reden om, als verantwoordelijke Minister voor het stelsel van grondrechten in de Grondwet, stappen te ondernemen. De vrijheid van godsdienst is goed gewaarborgd.
Wel kan ik wijzen op de – ook door de Kamerleden aangehaalde – handreiking Tweeluik religie en publiek domein, dat in 2019 is gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG. In 2023 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer door middel van een brief uitgelegd hoe deze handreiking blijvend onder de aandacht wordt gebracht van de gemeentebesturen.6
Welke stappen bent u bereid te zetten om de ontstane onrust onder kerken en gelovigen weg te nemen en te waarborgen dat kerkdiensten en andere religieuze bijeenkomsten niet onnodig of lichtvaardig worden beperkt door het lokaal bestuur of politieoptreden?
Zie antwoord vraag 11.
De Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors |
|
Derk Boswijk (CDA), Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors, die stelt dat ruim 388 miljoen christenen wereldwijd te maken hebben met discriminatie en zware vervolging vanwege hun geloofsovertuiging?1
Herkent u de trends, namelijk dat het aantal Christen dat te maken heeft met discriminatie en zware vervolging voor hun geloof toeneemt, die Open Doors in haar onderzoek laat zien?
Heeft u zicht op de veiligheidssituatie in Syrië voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime, en kunt u daarbij specifiek ingaan op de situatie voor Christenen?
Hoe waardeert u de veranderingen in de veiligheidssituatie voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime? Kunt u in uw antwoord de bevindingen van Open Doors meenemen die een forse toename van het aantal vervolgde Christenen in Syrië laat zien?
Welke mogelijkheden ziet u om via de Syrië-gezant en andere bilaterale of multilaterale contacten met de Syrische regering te pleiten voor grondwetsherzieningen die volledig en gelijk burgerschap garanderen voor alle Syrische burgers, ongeacht religie, etniciteit of geslacht?
Wat zijn de mogelijkheden om op nationaal en EU-verband de Syrische regering te stimuleren op te treden bij geweldsincidenten, discriminerende en intimiderende uitingen naar religieuze gemeenschappen en de verantwoordelijken te laten arresteren en vervolgen?
Hoe is uw zicht op de door Open Doors geconstateerde verdere verslechtering van de situatie in veertien landen in Sub-Sahara Afrika, waarbij in Nigeria wederom de meeste moorden op christenen werden gepleegd?
Welke kansen ziet u om gebruik te maken van de aankomende Universal Periodic Reviews van de VN-mensenrechtenraad om aandacht te vragen voor mensenrechtenschendingen en misstanden op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging in bijvoorbeeld Niger, Mozambique, Syrië, Somalië en Soedan?
Bent u bereid om het geweld tegen Christenen in Nigeria onder de aandacht te brengen tijdens bilaterale en multilaterale contacten, met een nadruk op de religieuze component van deze grootschalige moorden, zoals wordt aangetoond door Open Doors?
Welke mogelijkheden ziet u om diplomatieke druk op de Nigeriaanse overheid uit te oefenen, en mogelijk Nederlandse of Europese assistentie te verlenen, om zorg te dragen voor bescherming van christelijke gemeenschappen, ondersteuning bij en veilige terugkeer en accurate vervolging van daders?
Welke gelegenheden ziet u om opvolging te geven aan de bilaterale contacten met Algerije om aan te dringen op opening van kerken en andere gebouwen waar christenen samen willen komen, gevallen van strafvervolging tegen predikanten in te trekken en registratieprocedures te vereenvoudigen?
Bent u bereid om zich in de EU hard te maken om de benoeming van een speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging, die al eerder door de voorzitter van de Europese Commissie aangekondigd is, in de EU te bespoedigen?
Heeft het kabinet een actieve benadering om digitale controle en vervolging zoals die bijvoorbeeld plaatsvindt in China en ook India bespreekbaar te maken in contacten met deze landen? Zo niet, bent u bereid hieraan te werken?
Heeft u er zicht op of mogelijk Europese of zelfs Nederlandse technologie gebruikt wordt voor digitale controle en vervolging in China en India? Bent u bereid om zich in te zetten dat Europese en Nederlandse technologie hier niet toe gebruikt kan worden in deze landen?
De aanwijzingsprocedure voor regionale publieke omroepen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat het voorkeursadvies van de Friese politiek ten gunste van Omrop Fryslân1, gevolgd door de aanwijzing op 16 december 2025 door het Commissariaat voor de Media vooralsnog voor medewerkers, kijkers en luisteraars nog geen duidelijkheid betekent, doordat de concurrent stichting ORT FRL nog tot eind januari 2026 beroep kan aantekenen tegen de beslissing van het Commissariaat voor de Media aangezien de beroepsprocedure nog tot eind maart kan voortduren, terwijl de aanwijzing al op 1 januari 2026 is ingegaan?
Ja.
Deelt u de mening dat de huidige procedure voor concessieverlening en aanwijzing bij de dertien regionale publieke omroepen een ernstige bedreiging voor een gezonde bedrijfsvoering kan vormen als er daardoor iedere vijf jaar een einde kan komen aan hun bestaan, doordat deze omroepen dan onvoldoende kunnen vooruitplannen en hun continuïteit ter discussie komt te staan, met alle gevolgen van dien voor de contracten met leveranciers, voor onderhoud en met freelancers?
De aanwijzingsprocedure voor regionale publieke media-instellingen is geregeld in de Mediawet 2008. Kerngedachte hierachter is dat het gaat om een (vijfjaarlijkse) open procedure en dat wie voldoet aan de wettelijke eisen en als het meest geschikt naar voren komt, wordt aangewezen. Bij aanvang van de verlening is de duur en financiële omvang van de aanwijzing voor eenieder bekend.
Welke rol ziet u voor zichzelf bij de aanwijzingsprocedure voor regionale omroepen indien een nieuweling zich meldt?
Ik heb geen rol in de aanwijzingsprocedure voor regionale publieke media-instellingen. Die bevoegdheid ligt geheel bij het Commissariaat voor de Media die via de Beleidsregel aanwijzingsprocedure regionale publieke media-instellingen 2024 nadere invulling geeft aan de procedure. Provinciale staten geven daarbij een advies.
Mocht men in een regio overstappen naar een nieuwe omroep, wat is er dan geregeld voor de overgang van onderneming, dus voor de medewerkers en freelancers, voor het gebouw en voor de kostbare technische voorzieningen?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Op grond van de Mediawet 2008 is er een systeem van schaarse vergunningen. Deze vergunningen hebben een vaste looptijd van vijf jaar en vervallen vervolgens van rechtswege. Inherent aan dit systeem is de kans dat een andere partij wordt aangewezen als regionale publieke media-instelling.
De Mediawet 2008 voorziet in zo’n geval niet in een overgangsregeling. Wel heeft het Commissariaat voor de Media in zijn Beleidsregel aanwijzingsprocedure regionale publieke media-instellingen 2024 opgenomen dat er onder omstandigheden voorzien kan worden in een korte overgangsperiode tussen de voorgaande aanwijzingsperiode en de nog aan te vangen aanwijzingsperiode, zodat de overgang van de regionale publieke media-instelling op de nieuw aangewezen regionale publieke media-instelling in praktische zin goed kan verlopen. Van de provincie en de betrokken media-instellingen wordt verwacht dat zij hier onderling afspraken over maken.
De regels van overgang van een onderneming in privaatrechtelijke zin strekken tot bescherming van werknemers die bij de overgang van ondernemingsactiviteiten zijn betrokken. De twee betrokken instellingen zouden kunnen besluiten tot een (privaatrechtelijke) overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW. Dat staat echter los van de (publiekrechtelijke) aanwijzing als regionale publieke omroep op grond van de Mediawet 2008.
Hoe denkt u over de mogelijkheid dat regionale omroepen taakomroepen zouden worden, met beleidsplannen en prestatieafspraken, zoals dit ook bij de NPO/NOS/NTR gebeurt?
Veel bepalingen in de Mediawet 2008 gelden voor alle lagen van de publieke omroep; lokaal, regionaal en landelijk. Zo geldt voor alle lagen dat zij geacht worden de publieke mediaopdracht, zoals neergelegd in artikel 2.1 van de Mediawet 2008, uit te voeren. Zowel voor de RPO als de NPO geldt daarnaast dat zij een concessiebeleidsplan indienen en dat er een prestatieovereenkomst wordt gesloten.
Verschil tussen deze lagen is dat de landelijke publieke omroep op dit moment twee zogeheten «taakomroepen» kent met een vaste plek in het bestel, NTR en NOS, aan wie het verzorgen van specifiek aanbod, als nadere invulling van de publieke mediaopdracht is opgedragen. De NPO is geen taakomroep.
De regionale laag kent dergelijke taakomroepen op dit moment niet. Het feit dat regionale publieke omroepen beleidsplannen maken en dat er met hen prestatieafspraken gemaakt worden, staat daarbij los van het feit of zij wel of geen taakomroep zijn. Hier zijn geen wijzigingen in voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóórafgaand aan het wetgevingsoverleg over de mediabegroting van 26 januari 2026?
Hiermee beantwoord ik uw vragen voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
De BOSA-subsidie 2026 |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat 5 januari de eerste mogelijkheid in 2026 was om de subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) aan te vragen?1
Dat klopt.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de site slecht was en de server van de overheid er meerdere malen uit heeft gelegen?
Op 5 januari jongstleden om 09:00 uur opende het aanvraagloket van de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties. Vanwege de grote belangstelling raakte de server al snel overbelast waardoor het tijdelijk niet mogelijk was om een subsidieaanvraag in te dienen. Rond 10:15 uur was deze storing verholpen en was het weer mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen.
Klopt het dat op 5 januari voor 15:00 uur de BOSA al voor het gehele jaar overvraagd was?2
Zoals aangegeven in mijn brief over sluiten aanvraagloket BOSA 2026 sloot het loket om 15:00 uur, toen door 2.435 aanvragers voor € 109 miljoen aan BOSA-subsidie was aangevraagd.3 Het subsidieplafond van de BOSA voor 2026 is € 43,5 miljoen. Dat betekent dat de regeling al snel overvraagd was. DUS-I zal de binnengekomen aanvragen behandelen op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen. Zoals opgenomen in de BOSA-regeling volgt reactie op een aanvraag binnen 22 weken.
Wat is de huidige status met betrekking tot enerzijds de hoeveelheid aanvragen, en anderzijds het reeds aangevraagde bedrag?
Zie antwoord vraag 3.
De brand in de Vondelkerk te Amsterdam en het aanstaande herstel daarvan |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brand in de Vondelkerk te Amsterdam, een rijksmonument ontworpen door Pierre Cuypers?
Ja.
Klopt het dat bij deze brand de hoofdmuren van de kerk behouden zijn gebleven en dat ook een aanzienlijk deel van het historische glaswerk intact is gebleven, waardoor het gebouw als geheel constructief behouden is gebleven?
Ja, het klopt dat delen van de gevels en het glas nog aanwezig zijn, mede door het zorgvuldige bluswerk van de brandweer. Er wordt nu door de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, samen met een constructeur, gekeken hoe de gevels te stutten. Daarna worden de verbrande elementen uit de kerk verwijderd. Pas dan kan er een definitieve analyse gemaakt worden van de constructieve staat.
Is het kabinet bekend met het feit dat de Vondelkerk in 1904 reeds deels door brand is getroffen en dat de destijds beschadigde onderdelen historisch getrouw zijn hersteld, zonder moderniserende of interpretatieve ingrepen?
Dit is niet geheel juist. De Vondelkerk is inderdaad in 1904 eerder getroffen door brand. Daarbij is onder meer de toren verwoest. Deze is toen herbouwd volgens een gewijzigd plan. Ook in latere tijd is de kerk verbouwd. In het bijzonder toen de kerk in de jaren ’80 door Stadsherstel Amsterdam werd gerestaureerd en herbestemd voor maatschappelijk gebruik. Zoals veel historische gebouwen toont de Vondelkerk in zijn huidige staat het resultaat van een reeks van bouwfases.
Deelt u de opvatting dat dit eerdere herstel na de brand van 1904 een relevant precedent vormt voor de wijze waarop ook nu met de herbouw van dit rijksmonument dient te worden omgegaan?
Gebouwen (en andere objecten) zijn beschermd als rijksmonument vanwege hun bijzondere erfgoedwaarden. Uitgangspunt in de omgang daarmee is het in stand houden van deze erfgoedwaarden. Tegelijkertijd zijn de meeste gebouwen voor de eigenaar een gebruiksobject. Het doel van de monumentenzorg is om behoud en gebruik op zorgvuldige wijze te verenigen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft dit vastgelegd in de Uitgangspunten voor de adviespraktijk (laatste versie 2024, Uitgangspunten en overwegingen advisering gebouwde en groene rijksmonumenten | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Deelt u de opvatting dat bij rijksmonumenten die door calamiteiten zijn beschadigd, historische reconstructie op basis van beschikbare documentatie het uitgangspunt dient te zijn?
Wat er na een calamiteit met een rijksmonument gebeurt, is in de eerste plaats aan de eigenaar. Bij de Vondelkerk heeft de eigenaar al verklaard dat alles er op gericht is de kerk te herstellen. Bij de huidige eigenaar is alle kennis over de vorige restauratie nog aanwezig. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Acht u het wenselijk dat bij de herbouw van de Vondelkerk wordt gekozen voor eigentijdse of interpretatieve ingrepen (zoals een moderne of glazen dakconstructie), indien een historisch getrouwe reconstructie technisch mogelijk is?
Het is nu te vroeg om daar een uitspraak over te doen. Eerst moet worden bekeken wat de schade precies is. Alle inspanningen zijn erop gericht de Vondelkerk te herstellen. Voor deze herstelwerkzaamheden zal door de eigenaar een vergunningaanvraag worden ingediend waarover de RCE advies zal uitbrengen aan de gemeente Amsterdam. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat van historische reconstructie uitsluitend mag worden afgeweken indien sprake is van aantoonbare technische of veiligheidsnoodzaak, en niet op basis van esthetische, beleidsmatige of functionele voorkeuren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke rol ziet u voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bij het vaststellen van de uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, en bent u bereid deze uitgangspunten expliciet vast te leggen voordat ontwerptrajecten of architectenselecties plaatsvinden?
De RCE adviseert de gemeente Amsterdam (vergunningverlener) en de eigenaar. Er is reeds intensief contact tussen de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, de gemeente en de RCE. Bij de vergunningverlening voor ingrijpende wijzigingen aan rijksmonumenten is een advies van de RCE noodzakelijk. Op die manier wordt bewaakt dat zoveel mogelijk erfgoedwaarden in stand blijven. Zie verder het antwoord op vraag 4.
In hoeverre acht u het van belang dat bij de herbouw recht wordt gedaan aan het oorspronkelijke ontwerp, de materiaalkeuze en het architectonisch silhouet van Pierre Cuypers, mede gezien de nationale betekenis van diens oeuvre?
De kerk is niet voor niets een rijksmonument. Voor nu is het uitgangspunt van alle betrokkenen om de kerk te herstellen, afhankelijk van de (technische) mogelijkheden en de financiering. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid rijksmiddelen voor herstel of herbouw van de Vondelkerk te verbinden aan de voorwaarde van historisch getrouwe reconstructie conform het oorspronkelijke ontwerp, en zo ja, onder welke voorwaarden?
De financiering van het herstel van de Vondelkerk is in eerste instantie een zaak tussen de eigenaar en de verzekeraar.
Hoe voorkomt u dat bij de herbouw van rijksmonumenten na calamiteiten een precedent ontstaat waarbij «reconstructie» in de praktijk leidt tot modernisering of herinterpretatie van monumentaal erfgoed?
Bij herstel van rijksmonumenten na calamiteiten staat het behoud van de monumentale waarden centraal. Advisering door de RCE aan de gemeente Amsterdam over herstel en eventuele reconstructie vindt plaats binnen de hierboven aangehaalde uitgangspunten, waarin zorgvuldigheid, terughoudendheid en het behoud van authenticiteit leidend zijn. Daarbij kan ook ruimte zijn voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen, indien die ondersteunend zijn aan het behoud en de toekomstige instandhouding van het monument en geen afbreuk doen aan de monumentale waarden. De te nemen maatregelen worden uiteindelijk door de vergunningverlener, de gemeente Amsterdam, afzonderlijk en integraal afgewogen.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de door het kabinet en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, voordat onomkeerbare ontwerpkeuzes worden gemaakt?
De uitgangspunten die bij de advisering door de RCE worden gehanteerd zijn reeds openbaar. Zie het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Coffeeshops maken volop reclame voor ‘space donuts’ ondanks streng verbod: ‘Online kan blijkbaar alles’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Coffeeshops maken volop reclame voor «space donuts» ondanks streng verbod:«Online kan blijkbaar alles»»?1
Klopt het dat het reclameverbod voor coffeeshops uit de AHOJGI-criteria niet alleen ziet op fysieke uitingen, maar ook op online reclame via sociale media, zoals Instagram? En hoe zit het met websites? Mogen coffeeshops hun producten presenteren via (publiek toegankelijke) websites?
Herkent u het beeld uit het artikel in De Telegraaf dat coffeeshops online structureel reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten, terwijl fysieke reclame streng wordt gehandhaafd?
Deelt u de opvatting dat online reclame voor softdrugs door coffeeshops, al dan niet via eigen websites, in strijd is met het geldende gedoogbeleid, ook als deze reclame niet expliciet gericht is op minderjarigen?
Hoe beoordeelt u het risico dat minderjarigen via sociale media worden geconfronteerd met online reclame voor softdrugs, zoals beschreven in het Telegraaf-artikel?
Bent u bekend met signalen dat gemeenten moeite hebben met de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops, ondanks dat dit verbod juridisch duidelijk is?
Deelt u de zorg dat het uitblijven van effectieve handhaving van online reclame de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid ondermijnt en daarmee de gezondheid van tieners (en volwassenen) in gevaar brengt?
Welke instrumenten hebben gemeenten momenteel tot hun beschikking om op te treden tegen online reclame door coffeeshops, en acht u deze instrumenten voldoende effectief?
Kunt u gemeenten landelijk ondersteunen of faciliteren bij de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops? Bijvoorbeeld door landelijke richtlijnen, expertise of samenwerking met andere instanties?
Ziet u een rol voor landelijke toezichthouders bij het tegengaan van online reclame voor softdrugs door coffeeshops? Bent u bereid met sociale-mediaplatforms het gesprek aan te gaan om te voorkomen dat coffeeshops reclame maken voor drugs via de sociale media?
Op welke wijze wordt binnen het kabinet samengewerkt tussen de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport op dit dossier, gezien de raakvlakken met zowel handhaving als jeugd- en preventiebeleid?
Bent u bereid te bezien of aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen nodig zijn om te voorkomen dat het reclameverbod voor coffeeshops online een dode letter blijft, zoals geschetst in het Telegraaf-artikel?
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Het bericht ‘Pakistaanse voorganger doodgeschoten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Pakistaanse voorganger doodgeschoten»?1 Kunt u het bericht op basis van uw informatie bevestigen?
Betrouwbare contacten van de ambassade in Islamabad bevestigen het bericht. Geweld tegen Christenen en mensen in het algemeen vanwege hun levensovertuiging en religie keurt het kabinet te allen tijde af. Vrijheid van religie en vrijheid van meningsuiting zijn fundamentele mensenrechten die voor iedereen gelden, ongeacht achtergrond of overtuiging.
Begrijpt u dat de Pakistaanse christelijke gemeenschap zeker ook weer de komende kerstdagen vreest voor mogelijk geweld en dat zij zelf onvoldoende veiligheidsmaatregelen kan treffen? Bent u van oordeel dat Pakistaanse christenen voldoende worden beschermd en zo nodig beveiligd? Zo nee, welke stappen onderneemt u, zowel bilateraal als in EU-verband, om te pleiten voor betere bescherming?
Het kabinet deelt de zorgen dat de veiligheid van Christenen en andere religieuze minderheden in Pakistan onder druk staat. Nederland spreekt daarom regelmatig met de Pakistaanse autoriteiten over de vrijheid van religie en levensovertuiging en het belang van de bescherming van Christenen en andere religieuze minderheden. Dit gebeurt zowel bilateraal, in Den Haag alsook via de Nederlandse ambassade in Islamabad, als via diverse multilaterale fora. Ook de EU ambassadeur in Islamabad brengt het onderwerp regelmatig op in gesprekken met de Pakistaanse autoriteiten. Ook ondersteunt de Nederlandse ambassade in Islamabad diverse maatschappelijke organisaties die zich sterk maken voor vrijheid van religie en levensovertuiging in Pakistan.
Herkent u de conclusies van mensenrechtenorganisaties en christelijke leiders dat aanvallen op religieuze minderheden in Pakistan vaak ongestraft blijven en autoriteiten vaak niet voor hen opkomen, bijvoorbeeld in het geval van de ontvoering en gedwongen bekering van christelijke meisjes? Zo ja, welke stappen onderneemt u, zowel bilateraal als in EU-verband om ervoor te zorgen dat de Pakistaanse rechtsstaat óók geldt voor religieuze minderheden?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat de blasfemiewetten in Pakistan worden misbruikt, door christenen valselijk aan te klagen vanwege godslastering? Wat is uw huidige inzet op dit punt? Bent u bereid om zich harder in te zetten tegen misbruik, danwel afschaffing van deze wetten?
Blasfemiewetten zijn diepgeworteld in de Pakistaanse samenleving en politiek. Het beschermen van moslims en de islam in Zuid-Azië is een kernreden voor de oprichting van het land. Pakistan is weinig ontvankelijk voor pogingen van andere landen of organisaties om deze wetten aan te passen. Nederland zet zich zowel bilateraal als via diverse multilaterale kanalen in om landen, waaronder Pakistan, aan te sporen tot het afschalen en afschaffen van blasfemiewetgeving. Tijdens de Universal Periodic Review (UPR) in de Mensenrechtenraad in 2023 – het peer reviewmechanisme over mensenrechten waar alle VN-landen aan kunnen deelnemen – heeft Nederland Pakistan aanbevolen juridische en praktische maatregelen te nemen om misbruik van blasfemiewetten te voorkomen en religieuze intolerantie aan te pakken. Daarnaast pleit Nederland ook in andere internationale fora, zoals de International Religious Freedom or Belief Alliance (IRFBA), voor het afschaffen van de doodstraf voor blasfemie en afvalligheid.
Hoe rijmt u de onveiligheid van christenen in Pakistan met de GSP+ (Generalized Scheme of Preferences)-status die Pakistan heeft, waardoor het land profiteert van preferentiële toegang tot de markt van de EU? Wanneer zou er reden zijn voor het intrekken van deze status, als mensenrechten van religieuze minderheden structureel worden geschonden?
Pakistan is sinds 2014 een begunstigd land onder het GSP+ schema van het Generalized Scheme of Preferences (GSP). Als voorwaarde voor het verkrijgen van GSP+ status, heeft Pakistan 27 internationale verdragen op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, milieu en goed bestuur geratificeerd.2 De effectieve implementatie van die verdragen door GSP+ begunstigde landen wordt door de Europese Commissie (EC) gemonitord. Er is in december 2025 een monitoringsmissie van de EC geweest, de rapportage wordt in februari 2026 verwacht. Tijdens de monitoringsmissie zijn ook de rechten van (religieuze) minderheden en (valse) beschuldigingen van blasfemie onder de loep genomen. Het monitoringsregime biedt de Europese Commissie en EU-lidstaten een instrument om onvoldoende naleving van die verdragen aan de orde te stellen in dialoog met begunstigde landen.
Indien sprake is van ernstige en systematische mensenrechtenschendingen, is de Europese Commissie bevoegd een voorstel te doen om tariefpreferenties tijdelijk op te schorten. Op dit moment acht de Commissie dat voor Pakistan niet aan de orde. Het kabinet zal in lijn met motie-Ceder (Kamerstuk 32 735, nr. 391) in Europees verband het belang benadrukken van het meewegen van de situatie aangaande vrijheid van religie en levensovertuiging en rechten van minderheden in de afwegingen hieromtrent.
Bent u bereid om de Kamer periodiek op de hoogte te houden van uw inzet op de vrijheid en veiligheid van religieuze minderheden, zoals christenen in Pakistan? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere Nederlandse inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, zeker in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Pakistan. De Kamer wordt periodiek over de Nederlandse mensenrechteninzet en resultaten inclusief voor de vrijheid van religie en levensovertuiging in de jaarlijkse mensenrechtenrapportage geïnformeerd.3
De positie van Palestijnse christenen |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat een aantal Israëlische kolonisten voorbereidingen treffen voor een nieuwe nederzetting in het overwegend christelijke Beit Sahour, in de omgeving van Bethlehem?1 Hoe luidt uw reactie op deze berichten?
Ja. Het standpunt van het kabinet ten aanzien van nederzettingen is bekend: die zijn onrechtmatig. Het bericht over de ontwikkelingen in Beit Sahour is daarom zorgelijk.
Klopt het dat het land al was bestemd voor publieke voorzieningen, zoals een kinderziekenhuis? Klopt het dat door dergelijke activiteiten van kolonisten er steeds minder plaats is voor de bevolking, die voornamelijk bestaat uit Palestijnse christenen? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat dit gebied initieel was bedoeld om een kinderziekenhuis te bouwen. Het kabinet veroordeelt het Israëlische nederzettingenbeleid alsook dergelijke acties van kolonisten.
Is deze onteigening op grond van de onderlinge Oslo-Akkoorden of Israëlisch recht te onderbouwen? Zo ja, op welke wijze?
Nee. Dergelijke onteigeningen kunnen niet gerechtvaardigd worden. Zoals het Internationaal Gerechtshof ook aangeeft in zijn advies van 19 juli 2024 moet privéeigendom worden gerespecteerd en mag het niet worden geconfisqueerd. Het Hof merkt op dat dit verbod op confiscatie van privéeigendom onvoorwaardelijk is: het staat geen uitzonderingen toe, niet in geval van militaire noodzaak, noch op enige andere grond. Nederland respecteert het oordeel van het IGH.
Bent u bereid om specifiek deze casus ter sprake te brengen in uw gesprekken met Israëlische autoriteiten en hun antwoord met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet, net als de EU, veroordeelt het nederzettingenbeleid in algemene zin, draagt deze boodschap publiekelijk uit en brengt deze ook stelselmatig over aan Israël. Dit heb ik tijdens mijn reis aan Israël in november jl. gedaan. Ook heeft Nederland, middels een verklaring met andere landen, de recente goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen door Israël veroordeeld als schending van het internationaal recht en ondermijnend voor een gedragen tweestatenoplossing.
Wat is uw reactie op berichtgeving dat Israëlische kolonisten systematische aanvallen uitvoeren gericht op Palestijnse christenen, bijvoorbeeld door inbreuk te maken op het klooster van St. Gerasimos in de buurt van Jericho?2
Berichten over aanvallen op Palestijnen, onder wie Palestijnse christenen, en het verder onder druk zetten van christelijke instituties in de Palestijnse Gebieden, zijn zorgelijk. Dat ondermijnt de vrijheid van religie en levensovertuiging aldaar. Cultureel erfgoed, waaronder religieuze gebouwen, dient te worden beschermd onder het bezettingsrecht. Het kabinet veroordeelt het geweldgebruik van kolonisten en blijft zich in EU-verband onverminderd inzetten voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om richting de Israëlische regering de boodschap over te brengen dat deze kolonisten ter verantwoording moeten worden geroepen en dat religieus erfgoed moet worden beschermd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat sinds 7 oktober 2023 Israëlische autoriteiten Palestijnse christenen slechts beperkt toegang geven tot de Oude Stad in Jeruzalem? Hoe beoordeelt u dat? Bent u bereid om de Israëlische autoriteiten te vragen om te borgen dat alle christenen, ongeacht hun achtergrond, toegang krijgen tot de Oude Stad om christelijke feesten te kunnen vieren?
De druk op christelijke instituties en christenen in de Palestijnse Gebieden, waaronder Oost-Jeruzalem, is zorgelijk, gezien het recht op vrijheid van godsdienst en de speciale status die Jeruzalem zowel binnen het jodendom, het christendom en de islam inneemt. Nederland zet zich wereldwijd actief in voor de bescherming van de vrijheid van religie en levensovertuiging als een fundamenteel mensenrecht. Dit doet Nederland onder andere via het Mensenrechtenfonds, het werk van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de Mensenrechtenambassadeur, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia en initiatieven. Daarbij komt Nederland op voor de rechten van alle religieuze groepen, waaronder christenen, met speciale aandacht voor kleine en kwetsbare geloofsgemeenschappen. Verder steunt Nederland verschillende projecten gericht op de bevordering van vrijheid van religie in Israël en de Palestijnse Gebieden. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november jl. is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem. In dat kader is onder meer gesproken met de Grieks-Orthodoxe Kerk.
Welke stappen zet u om ervoor te zorgen dat de komende kerstdagen door Palestijnse christenen ongehinderd, met eerbied en veilig gevierd kunnen worden, zeker in het licht van bovenstaande berichten?
Er zijn geen incidenten gerapporteerd rondom de afgelopen Kerst.
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke vragen en antwoorden ten aanzien van de Tent of Nations?3 Wat is nu het vooruitzicht ten aanzien van de juridische kwestie en de onrechtmatige stappen op grond van de familie Nassar?
De omstandigheden zijn onveranderd ten opzichte van de situatie zoals geschetst in de antwoorden van het kabinet op eerdere schriftelijke vragen. De familie Nassar wacht nu al meer dan een jaar op een uitspraak in de zaak over hun landregistratie. De familie Nassar heeft geen andere pressiemiddelen dan de lopende juridische processen en hun internationale contacten. Het kabinet volgt de ontwikkelingen en brengt de zaak van Tent of Nations waar mogelijk onder de aandacht bij de Israëlische autoriteiten.
Herinnert u zich de eerdere vragen en antwoorden ten aanzien van «arnona», het belasting heffen op kerkelijk bezit in Jerusalem?4 Kunt u een update geven over de stand van zaken?
Er zijn sinds de beantwoording van deze vragen geen nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van het beleid rondom belastingen op kerkelijke eigendommen in Jeruzalem.
Erkent u dat dergelijke acties van meerdere Israëlische kolonisten stappen richting duurzame vrede tussen Israël en de Palestijnen verder weg brengen? Welke stappen onderneemt u richting het bereiken van duurzame vrede?
Zoals bekend zet het kabinet zich in voor een duurzame oplossing voor het conflict, waarbij het uitgangspunt de tweestatenoplossing blijft. Het nederzettingenbeleid en kolonistengeweld ondermijnen dit doel. Daarom blijft Nederland zich in EU-verband onverminderd inzetten voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. Nederland blijft zich naar vermogen en met partners inzetten voor verbetering van de situatie, bilateraal en via multilaterale fora zoals de EU en de VN.
De organisatie van chanoekaconcerten en andere concerten met een joods karakter in het Concertgebouw |
|
Annabel Nanninga (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanvankelijke beslissing van het Concertgebouw in Amsterdam om het jaarlijkse chanoekaconcert van de Stichting Chanukah Concert te cancelen vanwege de aanwezigheid van een zanger uit Israël, omdat hij ook cantor is voor en optreedt bij bijeenkomsten van het Israëlische leger?
Heeft u kennisgenomen van het zogenaamde compromis op grond waarvan, naast een eerder programma, het concert met de betreffende cantor alleen in beslotenheid werd gehouden? Hoe beoordeelt u dat het daarmee niet mogelijk is voor niet-genodigden om dit chanoekaconcert bij te wonen?
Kent u andere voorbeelden van culturele instellingen en zaalverhuurders waarbij de (subsidie-ontvangende) organisatie eist dat individuele artiesten of musici van een groep worden vervangen wegens andere optredens, functies of werkzaamheden in het land van herkomst? Zo ja, welke? Graag een toelichting.
Heeft u kennisgenomen van de manier waarop het chanoekaconcert op 14 december 2025 bij het Concertgebouw heeft plaatsgevonden en dat daarbij rookbommen zijn gegooid en «leve Hamas» werd geroepen?
Heeft u gezien dat bij de ingang van het Concertgebouw een bord omhoog werd gehouden met de tekst die de pogrom van 7 oktober 2023 verheerlijkte? Kunt u aangeven wanneer de politie kan optreden tegen het verheerlijken van recente moord- en martelpraktijken en wanneer dergelijke teksten als intimidatie en opruiing kunnen worden bestempeld? Graag een toelichting.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat met de andere organisator van een jaarlijks chanoekaconcert in het Concertgebouw (dat jaarlijks plaatsvond in de grote zaal en een van de grootste joodse culturele evenementen in Europa was), The Jewish Amsterdam Chamber Ensemble, het huurcontract al eerder niet was verlengd voor 2025 en dat dit concert daarom dit jaar ook al niet zoals de afgelopen jaren kan doorgaan in het concertgebouw?
Hoe beoordeelt u de beslissing van het Concertgebouw om deze concerten te weren, mede in het licht van de vele andere joodse evenementen die worden gecanceld en geweerd, en bijvoorbeeld het feit dat joodse organisaties moeite ondervinden om zalen te huren voor bijeenkomsten?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het personeel van het Concertgebouw vorig jaar bij het lustrumconcert heeft gedreigd om niet te werken om zo tot afblazen van dat concert te dwingen en dat de directie bovendien zou hebben geëist dat er geen Israëlische vlaggen zouden worden getoond en dat daarna de samenwerking is stopgezet? Hoe beoordeelt u dat?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het Concertgebouw een optreden van het Jerusalem String Quartet in mei vorig jaar aanvankelijk had geannuleerd, na hetze kritiek van de pro-Palestijnse pressiegroepen, omdat men aangaf te vrezen voor demonstraties en de veiligheid, maar zonder dat hierover eerst contact of overleg was gezocht met de Amsterdamse driehoek om die veiligheidssituatie te verbeteren?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zo een patroon is ontstaan waarbij joodse en/of Israëlische evenementen worden ontmoedigd, afgeblazen en/of geweerd in het Concertgebouw of alleen mogelijk zijn onder druk van allerlei concessies op de inhoud, en ook op veel andere locaties? Welke stappen wilt u zetten om daar een einde aan te maken om ervoor te zorgen dat joodse en/of Israëlische evenementen gewoon veilig en ongestoord kunnen doorgaan?
Deelt u de mening dat, wanneer concertzalen of andere podia vrezen voor intimidatie en onveiligheid wanneer daar Joden en/of Israëli’s optreden, het cruciaal is dat men daar niet voor buigt maar juist extra moet inzetten op het laten doorgaan ervan, en dat de overheid dan indien nodig aanvullende maatregelen treft? En zo ja, welke stappen heeft de regering gezet om dat te bewerkstelligen en te laten landen en wat doet de regering om ervoor te zorgen dat die veiligheid dan wordt geboden?
Hoe beoordeelt en hoe betitelt u het wanneer joodse of Israëlische organisaties of evenementen volgens andere standaarden lijken te worden beoordeeld dan andere groepen of nationaliteiten?
Welke wetten, verordeningen en regelingen, enerzijds in algemene zin, en anderszins in het kader van de subsidies die worden verstrekt vanuit het Rijk, zien op de vraag wanneer een (culturele) instelling mag weigeren om een zaal te verhuren aan bepaalde organisaties of personen vanwege hun achtergrond of positie, en op welke gronden?
In welke gevallen is het in strijd met voorwaarden voor subsidieverstrekking wanneer organisaties weigeren een zaal te verhuren of ruimte te bieden aan een optreden, vanwege de nationaliteit of afkomst van de betreffende personen of organisaties, dan wel vanwege criteria die voor personen met de desbetreffende nationaliteit zeer moeilijk te vermijden of voorkomen zijn? Graag een toelichting.
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving waaruit blijkt dat journalisten tijdens de pro-Palestijnse demonstraties rond het chanoekaconcert in Amsterdam zijn belaagd, bedreigd en in hun werkzaamheden zijn belemmerd?1
Wat vindt u ervan dat journalisten op de openbare weg door de politie zijn weggestuurd terwijl zij werden bedreigd en geïntimideerd door demonstranten?
Vindt u het acceptabel dat agenten ervoor kozen om niet op te treden tegen personen die journalisten met geweld en de dood bedreigden, maar wél ingrepen richting de pers?
Hoe beoordeelt u het innemen van een politieperskaart bij een journalist die doelwit was van intimidatie en deelt u de opvatting dat hiermee feitelijk de verkeerde partij werd gesanctioneerd?
Wat zegt het volgens u over de staat van persvrijheid wanneer journalisten moeten wijken «om escalatie te voorkomen» terwijl extremistische demonstranten hun gang kunnen gaan?
Vindt u dat de politie in deze gevallen haar beschermende taak jegens journalisten voldoende heeft ingevuld? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dat oordeel?
Hoe kijkt u aan tegen het argument van «de-escalatie» wanneer dit er in de praktijk toe leidt dat strafbare feiten tegen journalisten onbestraft blijven?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat journalisten, joodse organisaties en instellingen niet langer het zwijgen wordt opgelegd door intimidatie en geweld?
Bent u bereid het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten, waaronder strafrechtelijke vervolging, gebiedsverboden en bestuurlijke maatregelen, om deze vormen van intimidatie, vernieling en chantage effectief te bestrijden?
Het artikel 'Gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: ‘Genoeg is genoeg’' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: «Genoeg is genoeg»»?1
Ja, dat ben ik.
Deelt u de zorg dat lespakketten over «islamitisch erfgoed» en georganiseerde moskeebezoeken het seculiere karakter van het onderwijs onaanvaardbaar aantasten door deze kwaadaardige ideologie actief de klas binnen te halen en kinderen hieraan bloot te stellen?
Die zorg deel ik niet. Ten eerste is het in het licht van de grondwettelijke onderwijsvrijheid die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet een misverstand dat het onderwijs per definitie «een seculier karakter» heeft. Er zijn in Nederland immers scholen van allerlei religieuze signaturen. Alleen openbare scholen behoren neutraal te zijn (artikel 23, derde lid, van de Grondwet). Dit neutraliteitsvereiste betekent echter niet dat openbare scholen geen aandacht zouden mogen besteden aan religies of levensbeschouwingen. Integendeel: de wettelijke burgerschapsopdracht vereist dat scholen competenties aan hun leerlingen proberen bij te brengen die nodig zijn deel om te nemen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.2 Het bezoeken van gebedshuizen kan in dat kader onderdeel zijn van het onderwijsprogramma, maar het is aan de (openbare) school daar zelf keuzes in te maken. Het onderwijsprogramma van een openbare school mag echter nooit zo zijn ingericht, dat een bepaalde religie of levensbeschouwing wordt «voorgetrokken» ten opzichte van andere; dan zou het immers niet meer neutraal zijn.3 Ik heb geen signalen dat daarvan in dit geval sprake zou zijn.
Kunt u onderzoeken wie deze gevaarlijke lespakketten ontwikkelt en financiert, inclusief mogelijke buitenlandse partijen?
Het betreffende lespakket is aangekondigd in een actieplan van de gemeente Den Haag. Ik vertrouw erop dat de gemeente deze plannen zorgvuldig en op basis van de behoefte van scholen verder uitwerkt.
Wanneer er zorgen zijn over mogelijke ongewenste buitenlandse inmenging, kunnen burgers via verschillende wegen signalen bij de Rijksoverheid onder de aandacht brengen en meldingen doen. Voor een uitgebreidere update over de stand van zaken rond een centraal meldpunt ongewenste buitenlandse inmenging verwijs ik u naar de brief van Minister van Oosten van Justitie en Veiligheid van 12 december jl.4
Bent u bereid dit onzinnige actieplan te verbieden en de islamisering van het onderwijs te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Artikel 23 van de Grondwet beschermt het recht op onderwijsvrijheid en – meer specifiek – de vrije keuze der leermiddelen.5 Dit recht komt alle scholen die zijn gebaseerd op een denominatieve grondslag gelijkelijk toe.6
Bent u tevens bereid alle islamitische scholen te sluiten en kinderen te laten genieten van onderwijs gebaseerd is op vrijheid en gevrijwaard is van de islamitische ideologie van intolerantie, haat en geweld? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet. Zie antwoord 4.
De aangekondigde social mediacontrole van de Amerikaanse overheid |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «VS wil sociale media controleren van alle aankomende reizigers: «Ook de gegevens van familieleden worden gevraagd»»?1
Ja.
Hebben de Amerikaanse autoriteiten u van de aangekondigde controles op de hoogte gebracht? Zo nee, wat zegt dat volgens u over de betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten?
Het nieuwsbericht gaat over een publieke consultatie door de Amerikaanse autoriteiten over een voorstel van «U.S. Customs and Border Protection» (CBP) om de informatieverzameling rondom ESTA-aanvragen te herzien. De Amerikaanse autoriteiten hebben hierover nog geen besluit genomen en het is nog niet duidelijk of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd.
Nederland is niet over deze publieke consultatie op de hoogte gebracht; dit is ook niet gebruikelijk.
Wat zijn de redenen dat de Amerikaanse autoriteiten deze controles willen uitvoeren? Vindt u deze redenen legitiem? Zo ja, waarom?
Het kabinet heeft geen aanvullende informatie over de Amerikaanse beweegredenen achter het voorstel.
Verwacht u dat dit moeilijkheden oplevert voor mensen die van plan waren het WK voetbal in 2026 te bezoeken? Zo ja, wat bent u van plan om daartegen te doen?
Zie het antwoord op vraag 2. Het kabinet monitort ontwikkelingen met betrekking tot de Amerikaanse inreisregels en zal Nederlandse reizigers bij relevante wijzigingen hierover informeren via het reisadvies.
Denkt u dat persoonsgegevens zoals DNA en Irisscans van Nederlandse staatsburgers veilig zijn in de handen van de Amerikaanse autoriteiten? Zo ja, waarom?
Het kabinet kan op dit moment niet nader ingaan op de eventuele gevolgen van de verschillende onderdelen van het voorstel, aangezien het nog niet duidelijk is of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd.
Denkt u dat het proportioneel is om van Nederlandse staatsburgers te eisen DNA en Irisscans af te laten nemen voorafgaand aan een vakantie naar de Verenigde Staten? Zo ja, waarom?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat landen biometrische gegevens vragen van bezoekers. Landen zijn vrij hierin hun eigen afweging te maken. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Vindt u de aangekondigde controles wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid uw zorgen kenbaar te maken bij de Amerikaanse autoriteiten?
De Amerikaanse autoriteiten hebben nog geen besluit genomen over het voorstel en het is nog niet duidelijk of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd. In algemene zin is het aan de Amerikaanse autoriteiten om hun inreisbeleid vorm te geven.
Zijn er Nederlanders die na 20 januari 2025 de toegang tot de Verenigde Staten is geweigerd vanwege hun uitingen op sociale media? Zo ja, heeft u de Amerikaanse autoriteiten daarop aangesproken?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is niet bekend met gevallen van Nederlanders na 20 januari jl. die de toegang tot de Verenigde Staten zijn geweigerd vanwege uitingen op sociale media.
Bent u het met GroenLinks-PvdA eens dat de sociale mediacontroles een beknotting zijn van de vrijheid van meningsuiting? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke consequenties heeft deze stap voor het visumvrij reizen voor Amerikaanse staatsburgers naar de EU?
Het starten van deze publieke consultatie heeft geen gevolgen voor het visumvrij reizen voor Amerikaanse staatsburgers naar de EU.
Bent u bereid om de controles met spoed aan te kaarten in de EU en met Europese partners gezamenlijk op te trekken tegen het aangekondigde beleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om in EU-verband of met Europese partners gezamenlijk op te trekken tegen het voorstel. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u de gestelde vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Het niet naar behoren beantwoorden van vragen over het reguleren van versterkte gebedsoproepen |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom bedrijfsgevoelige informatie in de opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie zou verhinderen dat correspondentie tussen het ministerie en gemeenten, burgers en andere externe partijen (geanonimiseerd en waar nodig deels gelakt) aan de Kamer wordt verstrekt?
Welke concrete passages in de opgevraagde correspondentie kwalificeert u als bedrijfsgevoelig, en op basis van welke wettelijke bepalingen concludeert u dat deze informatie in deze fase niet kan worden gedeeld?
Waarom is het niet mogelijk om ten minste een inventarislijst van alle relevante documenten (correspondentie, memo’s, adviezen, e-mails en verslagen) te delen, zodat de Kamer kan beoordelen welke stukken onder bedrijfsgevoeligheid zouden kunnen vallen?
Kunt u bevestigen of verslagen, interne notities, analysememo’s of gespreksverslagen behoren tot de «overige relevante stukken» die volgens uw beantwoording pas na afronding van het traject openbaar worden gemaakt? Zo ja, waarom kunnen deze stukken niet eerder worden verstrekt?
Wanneer acht u het traject volledig afgerond, en kunt u een concrete datum of fasering geven waaruit blijkt op welk moment de Kamer de volledige correspondentie wél kan ontvangen?
U verwijst naar tussentijdse resultaten van de nulmeting die «uiterlijk voor het einde van dit jaar» worden toegezonden. Betreft dit uitsluitend uitkomsten, of bent u bereid ook onderliggende documenten zoals vragenlijsten, gespreksformats en analysekaders te verstrekken?
U stelt dat verdiepende gesprekken worden gevoerd die geen buurtonderzoek vormen. Kunt u precies omschrijven welke criteria volgens u bepalen of een activiteit wél of niet als buurtonderzoek wordt beschouwd?
Worden van deze verdiepende gesprekken verslagen, notulen of samenvattingen gemaakt? Zo ja, waarom worden deze stukken niet met de Kamer gedeeld, gelet op hun rol in het formuleren van mogelijke beleidsmaatregelen?
Met hoeveel gemeenten, omwonenden en geloofsgemeenschappen zijn deze gesprekken gevoerd, op welke wijze zijn deelnemers geselecteerd en welke methodiek wordt gebruikt om de opgehaalde informatie te wegen?
Kunt u garanderen dat alle stukken die niet expliciet bedrijfsgevoelig zijn, waaronder gespreksverslagen, interne analyses, e-mailwisselingen met gemeenten en beleidsmemo’s uiterlijk tegelijk met de eindrapportage openbaar worden gemaakt?
Bent u bereid de juridische toetsing die ten grondslag ligt aan uw besluit om correspondentie niet te verstrekken, inclusief afwegingen onder artikel 68 Grondwet, met de Kamer te delen?
Kunt u alle bovenstaande vragen separaat beantwoorden?
De berichtgeving over de verwijdering van portretten van oud-ministers uit het ministerie van OCW en het kunstbeleid voor rijkskantoren |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat de (oudste) portretten van voormalige bewindspersonen die de hal van het Ministerie van OCW opluisteren worden verwijderd en plaatsmaken voor nieuwe kunst?1
Over een aantal jaar verhuist het Ministerie van OCW naar een nieuw pand met minder ruimte voor een galerijwand in de ontvangsthal. Bovendien wordt de collectie schilderijen van oud-bewindspersonen steeds groter: alleen al acht bewindspersonen in de laatste twee jaar. Ik ben geïnformeerd dat dit de aanleiding was om na te denken over de toekomstbestendigheid van de galerij.
Om alvast te anticiperen op de nieuwe omgang met de portrettencollectie en de ontvangsthal in de nieuwbouw is op een van de huidige wanden nieuwe kunst geëxposeerd.
Dit leidde tot Kamervragen en een WOO-verzoek over of overwegingen van diversiteit en inclusie bij het besluit om een deel van de huidige wand leeg te maken een rol speelden. Bij het toekomstbestendig maken van de groeiende collectie portretten heeft dit geen rol gespeeld. Bij de inrichting van de hernieuwde wand is ambtelijk ruim voor mijn aantreden de opdracht verstrekt om in de nieuwe, hedendaagse kunst de verbinding met het terrein van OCW en de samenleving te laten zien onder de noemer van inclusie.
Klopt het dat daarmee de volledigheid van de chronologie van de opvolging van bewindspersonen wordt doorbroken?
Het klopt dat alle portretten na de verhuizing niet meer tegelijkertijd op de oude manier getoond kunnen worden. De collectie met de oorspronkelijke portretten zal op mijn verzoek na de verhuizing prominent te zien zijn in de huisvesting van OCW. De collectie wordt aanvullend ook digitaal in samenhang chronologisch gepresenteerd.
Klopt het bericht in de Telegraaf dat een aantal van de oudste portretten vervolgens alleen nog zichtbaar zijn op een foto maar de kunstwerken zelf in een depot verdwijnen?
De oorspronkelijke portretten zullen op mijn verzoek na de verhuizing prominent te zien zijn in de huisvesting van het Ministerie van OCW.
Klopt het dat ook het portret van bijvoorbeeld voormalig Minister Victor Henri Rutgers, die een belangrijke rol speelde in het Verzet en slachtoffer was van het naziregime, wordt verwijderd?
Het portret van voormalig Minister Rutgers hing aan de eerste wand die is aangepast anticiperend op de nieuwe omgang met de portrettengalerij en de ontvangsthal in de nieuwbouw, zie het antwoord op vraag 1.
Waarom wordt dit gedaan en wat vindt u ervan?
Ik vind het jammer dat de portretten niet meer allemaal op de oude manier tentoongesteld kunnen worden in het nieuwe pand, maar heb er begrip voor dat er een andere vorm moet worden gevonden voor de groeiende collectie. Ik ben van mening dat het niet goed is als de portretten niet meer allemaal tentoongesteld zouden kunnen worden. De collectie met de oorspronkelijke portretten zal daarom op mijn verzoek na de verhuizing in de huisvesting van OCW prominent te zien zijn. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het juist waardevol en wenselijk is om oud-bewindspersonen op deze manier te eren en de geschiedenis van het departement recht te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat deze herinrichting is uitgevoerd als onderdeel van een project tegen discriminatie en racisme en op welke manier volgt daaruit dat deze portretten weg zouden moeten? Vindt u de aanwezigheid van portretten van oud-bewindspersonen op de een of andere manier in strijd met doelstellingen van inclusie en diversiteit? Zo ja, hoe dan?
Nee het klopt niet dat de aanwezigheid van portretten van oud-bewindspersonen in strijd is met doelstellingen van diversiteit en inclusie. Voor de inrichting van de leeggemaakte wand in het huidige pand, heeft het ministerie een opdracht verstrekt aan FMH Kunstadvies. De opdracht is begeleid door het programma tegen discriminatie en racisme.
Klopt het dat deze wijzigingen zijn uitgevoerd na inbreng en advies van FMH Kunstadvies, de organisatie die het interdepartementale kunstbeleid uitvoert, het kunstadvies verzorgt en verantwoordelijk is voor de kunstinrichting van rijkskantoren in heel Nederland?
Dat klopt.
Welke ideologische aannames en overtuigingen liggen aan dit initiatief ten grondslag en op welke manier zijn die vastgesteld?
Het afwisselen van de tentoonstellingen van (delen van) een collectie is geen ideologisch statement.
Zijn er andere plannen om ook in andere Rijkskantoren de kunstinrichting te wijzigen op grond van vergelijkbare ideologische overwegingen, waarbij opnieuw de geschiedenis plaats zou moeten maken? Graag een toelichting.
Nee. OCW is betrokken bij het rijksbrede kunstbeleid, maar niet bij de kunstinrichting van andere Rijkskantoren.
Het voorkomen van antisemitische verstoringen van de Chanoekaviering in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde tegendemonstraties rondom de Chanoekaviering met voorzanger Shai Abramson op zondag 14 december 2025 bij het Koninklijk Concertgebouw in Amsterdam, waarbij antisemitische groepen oproepen tot acties die gericht zijn op het verstoren van deze Joodse viering?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de opvatting dat antisemitische groeperingen niet mogen verhinderen dat deze Joodse viering op waardige en veilige wijze kan plaatsvinden?
Het is niet aan het kabinet, maar aan het lokaal gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren, en waar nodig te beperken of in het uiterste geval te verbieden. Om een ongehinderde en veilige instroom van het Concertgebouw mogelijk te maken en ter voorkoming van wanordelijkheden had de burgemeester van Amsterdam besloten dat bij de ingangen van het Concertgebouw geen demonstraties mochten plaatsvinden. In dit geval heeft uiteindelijk de rechter bepaald dat een kleine groep demonstranten onder bepaalde voorwaarden toch mocht demonstreren bij het Concertgebouw. Andere demonstranten konden onder voorwaarden op het Museumplein demonstreren. Waar demonstranten zich niet aan deze voorwaarden hielden, heeft de politie direct opgetreden en aanhoudingen verricht. Het is aan het openbaar ministerie en aan de rechter om te bepalen of er sprake was van strafbare feiten.
Deelt u de zorgen van steeds meer Joodse Nederlanders die vrezen dat zij niet langer zonder risico een religieus-cultureel evenement kunnen bijwonen vanwege antisemitische demonstraties? Bent u bovendien bekend met de open brief van mevrouw Lia Flesschedrager, die een indringend voorbeeld schetst van deze angst doordat haar 88-jarige vader met vasculaire dementie en haar 87-jarige moeder mogelijk niet veilig de Joodse viering kunnen bereiken?4
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, in overleg met de burgemeester van Amsterdam, alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de veiligheid van bezoekers te garanderen en daarbij tevens te bespreken of het afkondigen van een noodverordening wenselijk is om antisemitische verstoringen te voorkomen, mede gezien eerdere antisemitische incidenten bij Joodse evenementen, zoals bij de opening van het Nationaal Holocaustmuseum?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden en wel uiterlijk vóór zondag 14 december 2025?
Helaas is dat niet gelukt. Op 9 januari jl. heb ik uw Kamer een uitstelbericht gezonden.