De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Het stelsel rond legaal wapenbezit is in opzet stringent en legt aan (aanstaande) verlofhouders verplichtingen op. De Wet wapens en munitie (WWM) gaat er immers vanuit dat legaal wapenbezit en -gebruik risico’s voor anderen en de openbare orde en veiligheid met zich brengen en het veiligheidsgevoel van burgers kunnen aantasten. Om die reden zijn wapens dan ook bij uitgangspunt wettelijk verboden voor alle burgers. Zoals verankerd in de WWM, staat de overheid een vergunning voor een wapen alleen toe wanneer er sprake is van een redelijk belang en wanneer er geen vrees voor misbruik bestaat; dat laatste is één van de belangrijkste weigeringsgronden. Deze waarborgen worden in de praktijk vormgegeven via vergunningplichten, antecedenten- en betrouwbaarheidstoetsen, eisen aan veilige opslag en periodieke herbeoordelingen.
De stringente uitgangspunten van de wet zijn in de praktijk niet op alle onderdelen goed uitgewerkt. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid heeft in 2011 gesignaleerd dat de toepassing van de criteria «redelijk belang» en «vrees voor misbruik» uiteenloopt en dat onvoldoende helder is welke feiten en omstandigheden bij die beoordeling zwaarder moeten wegen. Daarnaast zijn er zwakke plekken in stelsel en uitvoering benoemd en blijkt dat het stelsel in de praktijk als ontoegankelijk wordt ervaren. In 2022 is de e-screener opgeschort en is het WM32-formulier tijdelijk ingevoerd om de psychische gesteldheid te toetsen. Deze werkwijze is gebaseerd op zelfverklaring en referenten en heeft wel waarde heeft maar is geen toereikend instrument is voor het toetsen van de fysieke en psychische gesteldheid.2 In 2024 ontving uw kamer het verslag van kennistafels die zich hadden gebogen over suggesties voor een definitieve oplossing.3 Deze bevindingen worden meegenomen in de nadere uitwerking van de toetsen voor fysieke en psychische gesteldheid.
Kortom: ik erken dat verlofhouders zijn onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften; die noodzakelijk zijn gelet op het uitgangspunt «wettelijk verboden voor alle burgers». Tegelijk constateer ik dat dit stelsel op onderdelen onvolledig, ineffectief, onduidelijk of juridisch ontoereikend is. Daarom werk ik aan verduidelijking en versterking van de toepassing van «redelijk belang» en «vrees voor misbruik», aan meer uniformiteit in de beoordeling, aan een robuustere toetsing van de fysieke en psychische geschiktheid die verder gaat dan zelfverklaring, en aan verbetering van de gebruikte instrumenten. Zo blijft de bescherming van de openbare orde en de veiligheid van burgers leidend en wordt deze in de praktijk beter geborgd.
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Dit is geen kwestie van óf-óf. De aanpak van illegaal wapenbezit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
Ik zet in op de aanpak van illegale wapens. Per 1 juli 2026 is de maximumgevangenisstraf voor onder meer het in strijd met de wet vervaardigen of voorhanden hebben van illegale wapens verdubbeld van 4 naar 8 jaar4. Politie en OM zetten hier hard op in: tijdens een recente landelijke actiedag zijn tientallen vuurwapens aangetroffen en 14 verdachten aangehouden. Daarnaast wordt gericht geïnvesteerd in preventie, onder meer via een educatief pakket op scholen over «life skills» zoals conflicthantering (Voel je veilig), om de weerbaarheid van jongeren te vergroten en wapenbezit te voorkomen.
Het stelsel voor legaal wapenbezit zoals uitgewerkt in de Wet wapens en munitie is een ander vraagstuk. In Nederland geldt een verbod op wapenbezit, via vergunningen kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt voor een beperkt aantal gerechtvaardigde toepassingen. Als overheid hebben we de verantwoordelijkheid om die uitzonderingen zó in te richten dat toepassingen daadwerkelijk gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en om te zorgen voor eisen en voorschriften die het risico op misbruik beperken. De verplichtingen voor verlofhouders zijn noodzakelijke waarborgen om de openbare orde en veiligheid te beschermen.
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om alleen vergunningen te verlenen aan personen indien toereikende eisen en voorschriften worden gesteld aan de aanvrager of houder van een vergunning en getoetst wordt of aan de eisen en voorschriften wordt voldaan. De overheid dient ook te voorzien in controle en toezicht op de personen en na te gaan of zij zich houden aan de eisen en voorschriften van de vergunning.
De aanpassingen voor nieuw beleid en wetgeving zijn erop gericht om heldere en eenduidige eisen en voorschriften te stellen aan aanvragers en houders van een wapenvergunning. Deze eisen en voorschriften zijn veelal een uitwerking van de uitgangspunten van de huidige wet- en regelgeving. Zo dient een aanvrager of houder van een wapenvergunning te worden getoetst op risicofactoren waaronder de psychische gesteldheid met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen, zoals voorgeschreven in de Circulaire wapens en munitie.
In aanloop naar nieuwe wetgeving wordt tussentijds gekeken naar, waar dat mogelijk is, het verlichten van de administratieve druk, digitalisering van het administratieve aanvraagproces wat ook voor de aanvragers en houders druk wegneemt, en het verbeteren van de gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsdiensten. Het is de taak van de overheid om te bepalen wat een zinvolle en gerechtvaardigde toepassing is voor wapens door burgers en in welke gevallen we dus een uitzondering op het wapenverbod voor burgers willen toestaan. De lastenverzwaring voor uitvoeringsdiensten zal zo veel mogelijk worden beperkt door het opstellen van helder beleid op gerechtvaardigde toepassingen van de betrokken ministeries.
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Het door de overheid verlenen van een wapenvergunning is een uitzondering op het algemene wapenverbod voor burgers. In de toekomst zal dit alleen gebeuren indien een psychologisch onderzoek bij aanvragers en houders is afgenomen. De overheid heeft immers een actieve plicht om ervoor te zorgen dat er enkel vergunningen worden verleend aan mensen die daar psychisch gezien op een verantwoorde manier mee om kunnen gaan. Steeds meer Europese landen stellen dergelijke psychologische onderzoeken verplicht aan aanvragers en houders van vergunningen.
Net als mijn voorganger, hanteer ik het uitgangspunt dat de overheid geen wapenvergunningen dient te verlenen aan personen met risicofactoren en dat hiertoe een psychologisch onderzoek moet worden doorlopen om vast te stellen of bij personen al dan niet indicaties van een risico aanwezig zijn.5 Het belang van de samenleving gaat altijd boven de aanvrager of houder van een wapenvergunning.
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Zoals toegelicht bij het antwoord bij vraag 3 is dit geen kwestie van óf-óf. De aanpak van criminaliteit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om zorgvuldig en uitlegbaar beleid te maken bij het toestaan van uitzonderingen op het algemene verbod op wapens voor burgers. Dit betekent dat de beoogde toepassingen van de wapens gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en dat er toereikende eisen en voorschriften worden gesteld die het risico op misbruik beperken.
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
In mijn brief van 17 juni jl. zijn de contouren van de nieuwe wet omschreven die de oorspronkelijke fundamenten van de wet beogen te herstellen en die de uitzonderingen op het verbod strikt, uitlegbaar en navolgbaar beogen te begrenzen. Zoals uit de Kamerbrief blijkt, gaat het over een stelselwijziging die invloed heeft op de uitgangspunten en de opbouw van de wet. De maatregelen in de stelselwijziging adresseren onder meer: het ontbreken van een toereikend instrument voor psychische beoordeling en het ontbreken van eisen aan fysieke geschiktheid; het (tegenwettelijk) neerleggen van de feitelijke beslissingsbevoegdheid bij verenigingen; ontbreken van verankerde bekwaamheidseisen (m.u.v. jacht); risico’s van thuisbewaring en transport; onvoldoende zicht en traceerbaarheid van munitie, en verhoging van gevaarzetting van wapens door technologische ontwikkelingen (zoals zware luchtdrukwapens); inconsistente regelgeving en gegevensuitwisseling; niet-kostendekkende uitvoering en wisselende kwaliteit bij uitvoeringsdiensten.
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 17 juni jl. beschrijf ik de noodzaak van nieuw beleid en wetgeving en een stelselherziening om de genoemde tekortkomingen te adresseren. Hierbij wordt zorgvuldig gewerkt: maatregelen worden uitgewerkt met uitvoeringstoetsen op proportionaliteit en haalbaarheid, en waar mogelijk worden knelpunten die geen wetswijziging vergen eerder aangepakt. Daarmee wordt zowel handhaving versterkt als regelgeving verbeterd.
Tevens staat in mijn brief van 17 juni jl. opgenomen dat het uitgangspunt voor wetgeving is dat degene die profijt heeft van de vergunning, de kosten die de overheid maakt voor de vergunningverlening, controle en toezicht dient te vergoeden. Eerder heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven dat een kostendekkend stelsel gewenst is, zodat de financiële lasten niet bij de overheid liggen.6 Momenteel inventariseert een extern onderzoeksbureau de totale kosten van het stelsel en wordt er een onderbouwd kostprijsmodel ontwikkeld ten behoeve van het innen van onkostenvergoedingen.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
De bevindingen zijn zeer zorgelijk. Antisemitisme, zowel offline als online, is onacceptabel. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen. Het kabinet zet zich daarom actief in voor de bestrijding van antisemitisme, waaronder online antisemitisme.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Dat het onderzoek laat zien dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media in enkele jaren is verdubbeld en het aantal directe bedreigingen zelfs is vervijfvoudigd, is een uiterst ernstige ontwikkeling. Hoewel het kabinet terughoudend is met het trekken van conclusies uit één onderzoek, sluiten de bevindingen aan bij bredere signalen van onder meer politie, het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en maatschappelijke organisaties dat online antisemitisme de afgelopen jaren is toegenomen.
Antisemitisme tast niet alleen de veiligheid van Joden aan, maar ook de open en democratische rechtsstaat. Het kabinet veroordeelt deze ontwikkeling daarom nadrukkelijk.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Het kabinet beoordeelt deze ontwikkeling als buitengewoon ernstig. Oproepen tot moord, uitroeiing of geweld tegen Joden zijn niet «slechts» kwetsende uitingen, maar kunnen afhankelijk van de inhoud en context strafbare feiten opleveren, zoals het aanzetten tot haat of geweld of bedreiging. Dergelijke uitingen dragen bovendien bij aan een online klimaat waarin intimidatie en discriminatie worden genormaliseerd en kunnen ook leiden tot reële veiligheidsrisico's voor Joden.
Waar sprake is van strafbare uitingen en een aangifte daarvan, is het aan politie en OM om daartegen op te treden. Wanneer uitingen kwalificeren als terroristische online-inhoud kan er daarnaast melding worden gemaakt bij het online meldpunt van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). De ATKM is bevoegd om verwijderbevelen uit te vaardigen aan platformen en hostingbieders om terroristische content binnen één uur offline te halen of ontoegankelijk te maken.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Het klopt dat antisemitisme zich breed manifesteert en dat dit zeker niet alleen uit rechts-radicale en complotgerichte online kringen komt. Vanuit allerlei extremistische ideologische hoeken, van links tot rechts, alsook vanuit religieus extremisme, komt jodenhaat voor. Internationale spanningen werken daarbij door in het publieke debat en op sociale media, waar antisemitische uitingen in sommige kringen steeds vaker openlijk worden geuit of genormaliseerd. Antisemitisme is onacceptabel, waar het ook vandaan komt.
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Het kabinet onderkent dat buitenlandse extremistische netwerken en influencers steeds meer gebruik maken van sociale media om antisemitische propaganda, complottheorieën en haatdragende narratieven internationaal te verspreiden. Online platformen kennen geen landsgrenzen, waardoor dergelijke boodschappen ook Nederlandse gebruikers bereiken en polarisatie kunnen versterken.
De Digital Services Act (DSA) verplicht zeer grote online platformen om illegale content te modereren en systeemrisico's, waaronder de verspreiding van illegale content alsook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten met name o.a. het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op non-discriminatie, te analyseren en passende maatregelen te nemen. Daarnaast werkt Nederland nauw samen met de Europese Commissie en andere lidstaten om grensoverschrijdende online risico’s op beïnvloeding aan te pakken. Tegelijkertijd blijft het versterken van digitale weerbaarheid en mediawijsheid essentieel om gebruikers weerbaarder te maken tegen dergelijke beïnvloeding.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan. De aanpak van online antisemitisme maakt deel uit van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–20302. Deze strategie vormt het samenhangende beleidskader voor de bestrijding van antisemitisme en omvat maatregelen op het gebied van bescherming en handhaving, onderwijs, preventie en het versterken van Joods leven en herdenken.
Ten aanzien van de online omgeving zet het kabinet in op een combinatie van regulering, handhaving en samenwerking met nationale en internationale partners.
Online platformen zijn gebonden aan de DSA. Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Voor dat doel bevat de DSA verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen voor verschillende typen tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Zo moeten zij een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14). Zij moeten verder een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud, waaronder haatzaaiende of discriminerende inhoud, en dat leidt tot tijdige en zorgvuldige besluiten over die meldingen (artikel 16). Zeer ernstige strafbare feiten moeten worden gemeld bij de bevoegde rechtshandhavende autoriteiten (artikel 18). De verordening verplicht aanbieders van online platforms verder om gebruikers die frequent kennelijk illegale inhoud verspreiden, tijdelijk te schorsen (artikel 23 van de verordening).
De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie,3 moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten, waaronder het grondrecht op non-discriminatie. Risicobeperkende maatregelen van zeer grote online platforms kunnen onder meer de naleving van gedragscodes omvatten. In dat kader is relevant dat de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online+ in 2025 in de DSA is geïntegreerd. Deze gedragscode heeft tot doel de verspreiding van illegale haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms te voorkomen en aan te pakken door middel van toezeggingen op het gebied van algemene voorwaarden, herziening van de tijd van kennisgevingen, transparantie van inhoudsmoderatieacties, samenwerking tussen meerdere belanghebbenden en bewustmaking. De ondertekenaars,4 waaronder zeven zeer grote online platforms, verbinden zich ertoe de verbintenissen uit de code na te leven.
In Nederland is Meld Online Discriminatie (MOD) aangewezen als betrouwbare flagger onder de DSA. MOD beoordeelt meldingen van mogelijk illegale discriminatoire content en kan platforms verzoeken deze content te verwijderen.
Daarnaast blijft het kabinet online platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid om een veilige online omgeving te creëren. Nederland neemt deel aan internationale samenwerking, waaronder een meerjarige werkgroep van de Europese Commissie over de bestrijding van antisemitisme. Ook heeft het kabinet tijdens het ministeriële EU Internet Forum5 van 4 maart aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van platforms om online antisemitisme effectief tegen te gaan.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) speelt eveneens een belangrijke rol. De NCAB zit een internationale werkgroep voor van nationale coördinatoren en speciaal gezanten die online platforms aanspreekt op de aanpak van online antisemitisme en organiseert jaarlijks de International Prosecutors Summit on Antisemitism (IPSA), waarin Europese openbaar aanklagers samenwerken aan de versterking van de strafrechtelijke aanpak van onder meer online antisemitisme. Ook laat de NCAB jaarlijks onderzoek naar online antisemitisme in Nederland.
Voor wat betreft het tegengaan van online radicalisering, extremisme en terrorisme coördineert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de Versterkte Aanpak Online (VAO). De aanpak omvat diverse interventies onder andere op het gebied van preventie en bewustwording, normerende gesprekken met de internetsector, en de inzet van het bestaande wettelijke kader – waaronder de DSA en de verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI). Ook wordt door middel van ondersteunende bijeenkomsten, regionale adviezen via lokaal adviseurs en een verkenning naar een communicatie aanpak over online gevaren, gewerkt aan het versterken van de digitale weerbaarheid van de samenleving. Over deze beleidsinzet en recente ontwikkelingen is uw Kamer op 22 mei jl. geïnformeerd via de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content.6
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Nee. Voor het onderzoek heeft Textgain data van Twitter/X Facebook, Instagram, TikTok en YouTube geanalyseerd, maar ook kleinere sites als Dumpert, geenstijl.nl en Marokko.nl en internetfora als 4chan en Soyzellig. De onderzoekers concluderen dat antisemitisme op deze platforms zou zijn toegenomen, maar het onderzoek betreft geen juridisch onderzoek naar de naleving van de DSA door zeer grote online platforms. Het is aan de Europese Commissie als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms- en zoekmachine, om te beoordelen of zij hun verplichtingen onder de DSA naleven. De Commissie is daarin onafhankelijk.
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, biedt de DSA een belangrijk Europees kader voor een veiligere online omgeving. De DSA bevat enerzijds een kader voor aansprakelijkheid en anderzijds zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Deze verplichtingen zijn erop gericht illegale inhoud op online platforms terug te dringen en ervoor te zorgen dat met name zeer grote online platforms hun verantwoordelijkheid nemen om systeemrisico’s te beperken. De integratie van de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online in de DSA draagt bij aan de naleving en doeltreffende handhaving van de DSA op dit gebied.
Op dit moment heeft het kabinet geen reden om te twijfelen aan de toereikendheid van dit kader. Het toezicht op de DSA begint op stoom te komen, zoals onder meer blijkt uit de handhavingsacties van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders. Tegelijkertijd vormt de DSA één onderdeel van een bredere aanpak. Effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt eveneens om strafrechtelijke handhaving, internationale samenwerking, onderwijs en maatschappelijke weerbaarheid.
Het kabinet blijft de werking van de DSA volgen. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Deze evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA maar kan desalniettemin kansen bieden om de werking in de praktijk te verbeteren. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse betrokkenheid bij de evaluatie en gaat hiervoor in gesprek met betrokken ministeries en toezichthouders.
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
Het kabinet blijft de dialoog met de internetsector zoeken over zowel schadelijke als illegale content, waaronder trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. In alle gesprekken die we met online platforms voeren worden deze onderwerpen, waaronder ook de bestrijding van antisemitische content, aan de orde gesteld. Daarnaast ondersteun ik, samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken – Digitale Economie en Soevereiniteit, de Publiek private Samenwerking Online Content onder neutraal voorzitterschap van ECP.
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Voor zover mij bekend, betreffen 4chan en Soyzellig beide user-generated content platforms, waarop gebruikers tekst, afbeeldingen en reacties kunnen plaatsen. Of zij onder de reikwijdte van de DSA vallen, hangt af van de vraag of zij kwalificeren als «tussenhandeldienst», meer specifiek als «hosting dienst» en «online platform» als subcategorie van hostingdiensten. Hoewel het aan de bevoegde toezichthouders en/of rechter is om dit vast te stellen, lijkt dit voor beide platforms voorshands het geval, in welk geval zij zullen moeten voldoen aan de verplichtingen in de DSA die gelden voor online platforms. Het betreft onder meer de zorgvuldigheidsverplichtingen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, met de kanttekening dat 4chan en Soyzellig niet zijn aangewezen als «zeer groot online platform» en dus niet aan de verplichtingen inzake systeemrisico’s hoeven te voldoen. Die verplichtingen gelden enkel voor de platforms met een gemiddeld aantal maandelijks actieve afnemers van 45 miljoen of meer.
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Zowel de politie als het OM hebben expertisecentra gericht op de aanpak van discriminatiezaken. Bij de politie levert het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie-Politie (ECAD-P) op verschillende manieren expertise met betrekking tot de aanpak van discriminatie (waaronder antisemitisme) aan de politieorganisatie. De capaciteit van het ECAD-P is het afgelopen jaar uitgebreid en bestendigd met structurele middelen. Bij het ECAD-P leveren discriminatierechercheurs ondersteuning aan collega’s in regionale eenheden bij de behandeling van discriminatiezaken en helpen zij de basisteams proactief bij het herkennen en oppakken van meldingen en aangiftes met een discriminatoir karakter. Wanneer iemand melding of aangifte doet van discriminatie in een politie-eenheid dan pakt de medewerker uit die eenheid deze zaak op en rondt deze zelf af. Bij complexere zaken kan een beroep worden gedaan op de discriminatierechercheur die aan de eenheid is gekoppeld. Daarnaast zijn thematische discriminatierechercheurs bij het ECAD-P werkzaam, onder andere specifiek op de thema’s antisemitisme en online discriminatie.
Het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD) van het OM zorgt voor het adviseren en informeren van officieren en andere medewerkers binnen het OM op het gebied van de aanpak van discriminatiezaken. Elk arrondissementsparket heeft officieren van justitie die gespecialiseerd zijn in strafbare discriminatie. Zij behandelen complexe discriminatiezaken en zijn vraagbaak voor andere collega’s. De discriminatieofficieren en andere gespecialiseerde OM-medewerkers komen meerdere keren per jaar met het LECD samen om geïnformeerd te blijven en tijdig nieuwe ontwikkelingen rondom strafbare discriminatie, waaronder online antisemitisme, te signaleren. Het OM is op dit moment bezig om de aanpak van online discriminatie te intensiveren. Binnen het huidige beleid bestaat ruimte om in uitzonderlijke gevallen ook ambtshalve discriminatiezaken op te pakken. Die ruimte wordt binnen het OM de komende periode beter benut door vanuit de discriminatieaanpak nadrukkelijker samen te werken met de aanpak van (online) terrorismezaken.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de strijd tegen (online) antisemitisme en voor de veiligheid van Joden in Nederland. De bevindingen van dit onderzoek neemt het kabinet dan ook serieus en zal deze betrekken bij de verdere uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 en het Plan van aanpak online discriminatie waar antisemitisme deel van uitmaakt.
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Ja.
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Het kabinet is, vanwege de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, en de faciliterende rol die Belarus daarbij speelt, tegen deelname van Russische en Belarusische sporters onder nationale vlag of met nationale symbolen aan internationale sportwedstrijden. Het kabinet heeft uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.1
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Het kabinet deelt de zorgen dat deelname door Russische en Belarusische sporters aan internationale sportwedstrijden zorgt voor een vermindering van de internationale isolatie van Rusland en de solidariteit met Oekraïne kan verzwakken. Tegelijkertijd is het IOC een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet handelt daarom binnen de beschikbare mogelijkheden.
Vorige maand heeft het kabinet op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-Commissaris. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Aanleiding voor de brief was dat meerdere internationale sportfederaties atleten uit Rusland en Belarus weer volledig toelaten tot sportevenementen, dus onder eigen vlag en nationale symbolen. In de brief wordt benadrukt dat Rusland en Belarus internationale sport nog steeds gebruiken voor politieke doeleinden, dat Oekraïense sporters door de oorlog niet onder gelijke omstandigheden kunnen trainen en deelnemen, en dat sport niet los kan worden gezien van politiek wanneer het door Russische en Belarusische regimes wordt ingezet. De brief benadrukt verder dat de Russische agressieoorlog een ernstige schending is van het internationaal recht en van fundamentele waarden van de internationale sport.
De EU-commissaris wordt in de brief verzocht om aanvullende stappen te nemen door EU-financiering en toegang tot EU-platforms op te schorten voor sportorganisaties, zoals het IOC, die niet handelen in lijn met principes als respect voor mensenrechten, de rechtsstaat en vreedzame betrekkingen tussen landen.
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Het kabinet deelt de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie in sportieve en niet-sportieve fora. Het kabinet ziet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Zolang Rusland deze agressieoorlog, mede gefaciliteerd door Belarus, doorzet, zal het kabinet alles binnen de beschikbare mogelijkheden doen om normalisatie van Rusland en Belarus in internationale sportevenementen tegen te gaan.
Zoals hiervoor al is opgemerkt, heeft het kabinet uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.2 Deze precisering kwam voort uit de recente ontwikkelingen waarin meerdere internationale sportfederaties en sportorganisaties de schorsing opheffen van Rusland en/of Belarus. Door het opheffen van deze schorsing bieden zij atleten en sportteams uit beide landen weer de mogelijkheid volledig – onder eigen vlag en nationale symbolen – deel te nemen aan internationale sportevenementen, ook in Nederland.
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag en nationale symbolen onwenselijk en zal binnen de beschikbare mogelijkheden al het mogelijke doen om deelname te voorkomen; dat geldt voor nationale sporters, landenteams en clubteams uit beide landen.
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het besluit3 van het IOC van 7 juli jl. waardoor zowel individuele atleten als teams uit Rusland weer onder voorwaarden kunnen deelnemen aan de Olympische en Paralympische Spelen. Het IOC maakt op een later tijdstip bekend of dit besluit betekent dat atleten en sportteams uit Rusland onder eigen nationale symbolen – zoals een vlag en volkslied – mogen deelnemen. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat er op de Olympische Zomerspelen van 2024 in Parijs en de Olympische Winterspelen van 2026 in Milaan-Cortina al Russische individuele atleten deelnamen, zij het onder strikte voorwaarden. Met dit recente besluit van het IOC lijken de meeste restricties opgeheven. De weg is hiermee vrij voor deelname van (landen)-teams.
Het IOC geeft verder aan dat Rusland pas volledig kan terugkeren wanneer er voldaan wordt aan strikte anti-dopingvoorwaarden, in het bijzonder de voorschriften die zijn vastgelegd in de antidopingregels van het IOC en de internationale sportfederaties (IF's), evenals de door het World Anti-Doping Agency (WADA) vastgestelde richtlijnen.
Daarnaast moeten Russische atleten deel uitmaken van een nationaal antidopingprogramma van de Russische anti-dopingorganisatie RUSADA en het Russisch Olympisch Comité (ROC), waarvan de uitvoering is gedelegeerd aan de International Testing Agency (ITA). Verder moeten atleten die terugkeren naar de internationale sport vooraf meerdere keren zijn getest op basis van een risicoanalyse. De internationale sportfederaties (IF's) zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de periode waarbinnen deze controles moeten hebben plaatsgevonden en stellen, in samenwerking met de ITA, een passend testprogramma op, inclusief het vereiste aantal controles en de termijn waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd.
Indien het World Anti-Doping Agency (WADA) voorafgaand aan de Olympische Spelen van Los Angeles 2028 het functioneren van RUSADA nog steeds als niet-conform de daartoe gestelde regels en richtlijnen beschouwt, zal het IOC de ITA opdragen erop toe te zien dat alle gekwalificeerde Russische atleten onafhankelijk zijn getest volgens dezelfde werkwijze.
Het IOC is een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet heeft geen direct zicht op de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden.
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinetsstandpunt, zoals omschreven onder het antwoord op vraag 4, is gedeeld met de Nederlandse sportbonden tijdens een bijeenkomst op 1 juli jl. met bondsdirecteuren. Tijdens deze bijeenkomst is stilgestaan bij wat het kabinetsstandpunt inhoudt enerzijds, en anderzijds hoe nationale sportbonden verplicht zijn om de regels te volgen van internationale sportfederaties, ook als zij Rusland weer volledig toelaten onder eigen nationale symbolen, en wat dit voor hen betekent.
Het kabinet is zich bewust van de praktische implicaties dat het kabinetsstandpunt met zich meebrengt. Immers, wanneer een nationale sportbond een EK of WK wil organiseren in Nederland is het verplicht de regels te volgen van de internationale sportfederatie waar zij aangesloten zijn. Ook als dat betekent dat Russische en/of Belarusische sporters worden toegelaten. Tegelijkertijd staat het nationale sportbonden vrij om hierover in overleg te treden met de betreffende internationale sportfederatie en te zoeken naar een passende oplossing.
Het kabinet erkent dat internationale sportfederaties autonoom zijn in de keuze om Russische en Belarusische sporters uit te nodigen voor internationale sportevenementen, ook voor evenementen in Nederland. Tegelijkertijd vindt het kabinet het onwenselijk dat atleten en sportteams uit deze landen onder eigen vlag en nationale symbolen meedoen aan sportevenementen in Nederland vanwege de voortdurende Russische agressie-oorlog tegen Oekraïne en facilitering door Belarus. Het kabinet doet daarom alles binnen de beschikbare mogelijkheden om deelname te voorkomen en blijft hierover in gesprek met NOC*NSF en de sportbonden.
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag, het volkslied en andere nationale symbolen onwenselijk.
Het kabinet acht het van belang dit standpunt actief uit te dragen en is hier actief over in gesprek met gelijkgezinde Europese landen en heeft dit onderwerp al geagendeerd in passende EU-gremia. Zo heeft het kabinet vorige maand op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-commissaris, zie ook de beantwoording van vraag 3. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Het doel is te komen tot een gezamenlijke Europese lijn ten aanzien van het voorkomen van deelname van Russische en Belarusische atleten aan internationale sportcompetities onder eigen nationale symbolen. Het kabinet zal relevante ontwikkelingen delen met de Kamer middels de geannoteerde agenda en het verslag van Europese bijeenkomsten.
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
Zie antwoord vraag 8.
De (wettelijke) rol van de NPO en die van de taak- en ledenomroepen bij de Nederlandse deelname aan het Eurovisiesongfestival |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat 400 medewerkers van de publieke omroepen de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) een brandbrief hebben gestuurd waarin staat dat zij willen dat de NPO afziet van deelname aan het Songfestival komend jaar?1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een meerderheid van de ledenomroepen zich afvraagt of de NPO wel de wettelijke bevoegdheid heeft om dit besluit te nemen zonder inhoudelijke instemming van de omroepen?2
Hoe heeft de NPO als taakorganisatie zonder uitzendlicentie – vooropgesteld dat de verantwoordelijkheid om wel of niet deel te nemen aan dit festival aan de omroepen is – de omroepen betrokken bij het overleg en de daaropvolgende besluitvorming over de keuze om toch wel mee te doen aan het Songfestival, mede in het licht van het gebruik dat bij gezamenlijke evenementen, zoals Serious Request en de Top 2000, besluitvorming doorgaans plaatsvindt in samenspraak met de omroepen en binnen de geëigende zender-, net- en redactiestructuren?
Klopt het beeld dat de begeleiding van een Nederlandse inzending bij het Songfestival een inhoudelijke rol betekent die duidelijk verder gaat dan zomaar het programma uitzenden en dat dit alleen door een omroep kan worden gedragen?
Klopt het dat uit de autonomie van de leden- en taakomroepen zoals deze is geregeld in artikel 2.88 van de Mediawet 2008 voortvloeit dat de NPO geen uitzendlicentie heeft en dat de NPO daarmee geen inhoudelijke en redactionele rol heeft in het bestel?3
Klopt het dat de NPO conform de wet (taak-) en ledenomroepen niet mag dwingen als zij niet willen meewerken aan het Eurovisiesongfestival en dat alleen omroepen met een uitzendvergunning verantwoordelijkheid dragen voor de inhoud en redactionele afwegingen en de begeleiding van de Nederlandse inzending bij het Songfestival?
Mocht geen enkele omroep de inhoudelijke en redactionele verantwoordelijkheid voor een Nederlandse inzending op zich willen nemen – er zijn signalen dat er nauwelijks omroepen zijn die bereid zijn de rol van AVROTROS over te nemen, nadat AVROTROS met brede steun in de samenleving een zorgvuldige afweging heeft gemaakt4 – dan kan een projectteam van de NPO zonder zendmachtiging het Songfestival toch niet inhoudelijk begeleiden?
Is bij u bekend of de NPO, nadat AVROTROS besloten had ook komend jaar geen Nederlandse inzending en uitzending te begeleiden, een andere omroep bereid heeft gevonden de volledige rol (dus niet alleen het uitzenden) op zich te nemen? Zo ja, welke omroep is dat? Zo nee, deelt u dan de mening dat deze besluitvorming indruist tegen de wettelijke rolverdeling? Kunt u daarbij ook toelichten hoe deze besluitvorming is verlopen?
Klopt het dat Nederland zich in oktober nog zonder kosten kan terugtrekken indien geen enkele omroep de rol van de AVROTROS wil overnemen? Kunt u bij de NPO navragen welke besluiten de NPO vóór die datum nog moet nemen en hen wijzen op de wettelijke rollen en bevoegdheid van de NPO enerzijds en de taak- en ledenomroepen in het publieke bestel anderzijds, conform artikel 2.88 Mediawet?5
Het lesmateriaal dat het COC aanbiedt aan basisscholen in het kader van Paarse Vrijdag. |
|
Ranjith Clemminck (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het lesmateriaal dat het COC verspreidt op scholen in het kader van Paarse Vrijdag, een evenement dat vrijdag 9 oktober 2026 plaatsvond?1
In de Handleiding voor leerkrachten «Voorbereiding op Paarse Vrijdag» staat dat geslacht of sekse «beter gezien kan worden als een spectrum waarop ieder mens zich ergens bevindt»; dit wordt aangeboden als achtergrondkennis, terwijl de biologische realiteit is dat er niet meer dan twee geslachten bestaan, bent u het eens met de vraagstellers dat de bewering «geslacht is een spectrum» een onwetenschappelijke stellingname is? Zo nee, waarom niet?2
De handleiding onderbouwt het idee dat geslacht een spectrum is met het feit dat sommige mensen ontwikkelingsproblemen hebben, waardoor zij bij geboorte niet direct herkenbaar zijn als meisje of jongen, hetgeen vroeger bekend stond als intersekse-condities, waarbij personen met intersekse-condities een onderdeel vormen van de veel grotere groep van personen met DSD’s (Differences in Sex Development): ontwikkelingsproblemen van geslachtsdelen en vruchtbaarheid die meestal pas in de puberteit of bij een kinderwens worden gediagnosticeerd bij vrouwen en mannen; wat vindt u ervan dat -gezien het feit dat iedereen biologisch gezien óf man óf vrouw is- het COC leerkrachten op basisscholen voorhoudt dat er «meer lichamen zijn dan mensen denken en dat de wereld niet op te delen valt in jongens en meisjes en mannen en vrouwen»?3, 4
Bent u het eens met de vraagstellers dat mensen behorend tot de categorie intersekse of DSD het als discriminatie kunnen ervaren als zij te horen krijgen dat sekse een spectrum is en dat zij dus eigenlijk geen echte man of echte vrouw zijn? Zo nee, waarom niet?
De handleiding omschrijft «genderidentiteit» als hoe iemand zich voelt: de innerlijke beleving bepaalt hoe iemand wordt benoemd, maar hoewel een gevoel echt en belangrijk kan zijn, zegt het niet wat iemand lichamelijk feitelijk is. Bestaat er volgens u een risico dat een voetballend meisje of een jongen die graag borduurt, door de lessen van het COC wordt aangemoedigd in de gedachte dat hij of zij in een «verkeerd lichaam» is geboren? Zo nee, waarom niet?
De les «Daarom heet ik zo!» uit de zogenoemde kennisbieb van het COC behandelt «het belang van namen en erbij horen» en laat kinderen elkaar vragen stellen als «wat betekent je naam?», «misschien past je naam niet bij je?» en «misschien past een andere naam beter bij je?» omdat je misschien van het andere geslacht bent en in transitie gaat; wat vindt u ervan dat kinderen van tien jaar oud op deze manier worden aangemoedigd om na te denken over de vraag of zij misschien van het andere geslacht zijn?6
Meent u dat kinderen die nog weinig feitelijke kennis hebben en die net uit de fase van magisch denken komen en deels nog in Sinterklaas geloven in staat zijn om de claims over «geen jongen en geen meisje zijn» of «zowel een jongen als een meisje zijn» rationeel te bezien?
Is het volgens u nodig om over «genderidentiteit» te spreken om de acceptatie te bevorderen van lhbti en gedrag dat afwijkt van stereotypen over mannelijkheid en vrouwelijkheid? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
De vraagstellers vinden het zorgelijk dat de boodschap van Paarse Vrijdag in de loop der jaren is verschoven van «je bent oké zoals je bent en je mag houden van wie je wil», naar «misschien is er een probleem met je lichaam» waarbij bijvoorbeeld vrouwelijk gedrag van een jongen wordt geproblematiseerd omdat dit een teken zou kunnen zijn dat hij in een «verkeerd lichaam» zit; het COC leert kinderen op deze manier niet zozeer homoseksualiteit te accepteren en jongens en meisjes vrij te laten in hun kleding, interesses en gedrag, maar bevestigt juist genderstereotypen, deelt u deze visie? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven hoeveel rijkssubsidie het COC heeft ontvangen voor alle activiteiten rond Paarse Vrijdag en de lespakketten die gratis aan scholen worden aangeboden en hoeveel dit precies in de afgelopen jaren was?
De lespakketten voor Paarse Vrijdag willen kinderen op de basisschool niet alleen informeren over seksuele diversiteit, een doel dat vraagstellers steunen, Paarse Vrijdag wil leerkrachten en leerlingen ook overtuigen van het idee dat er een innerlijke «genderidentiteit» bestaat die losstaat van het objectieve, biologische geslacht, kan dit idee volgens u wetenschappelijk worden onderbouwd?
De handleiding stelt dat de nieuwe kerndoelen voor het primair, voorgezet en speciaal onderwijs scholen een mooie kans bieden om de inhoud van het Paarse Vrijdag-pakket steviger te verankeren in hun onderwijs omdat seksuele diversiteit en «genderdiversiteit» samenhangen met democratische basiswaarden, maatschappelijke diversiteit, relationele en seksuele ontwikkeling en sociale en emotionele ontwikkeling; is dit wat u betreft een juiste voorstelling van zaken en moeten scholen, omdat zij volgens de kerndoelen aandacht moeten besteden aan seksuele diversiteit, ook het seksespectrummodel en het begrip genderidentiteit als vaststaand feit onderwijzen? Zo ja, waarom, zo nee waarom niet?7
Erkent u dat het idee dat genderidentiteit kan afwijken van het biologische geslacht een onderwerp is waar vanuit wetenschappelijk, filosofisch en maatschappelijk oogpunt zeer verschillend over wordt gedacht?
Mogen scholen wat u betreft ook bepalen dat zij niet willen meegaan in de gedachte dat de mens een genderidentiteit heeft die losstaat van de biologische realiteit, en dat zij conform die opvatting onderwijzen?
Deelt u de opvatting dat kinderen kunnen leren homoseksualiteit te respecteren en jongens en meisjes vrij te laten in hun kleding, interesses en gedrag, zonder hen te leren dat hun gevoel bepaalt of zij een jongen, meisje, beide of geen van beide zijn en welke pedagogische meerwaarde heeft die laatste boodschap voor basisschoolleerlingen en waarop is die meerwaarde gebaseerd?
Welke onafhankelijke effectevaluaties zijn beschikbaar van Paarse Vrijdag en de daarbij aangeboden lespakketten voor het basisonderwijs en kunt u per onderzoek aangeven welke materialen en leeftijdsgroepen zijn onderzocht, of een vergelijkingsgroep is gebruikt en welke effecten zijn gevonden op pestgedrag, acceptatie en sociale veiligheid? Zo nee, waarop berust dan het oordeel dat de aanpak van het COC geschikt is voor de basisschool?
De handhaving van het UBO-register bij verenigingen en stichtingen. |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Belastingdienst handhaaft op de inschrijving van Ultimate Beneficial Owners (UBO’s) in het UBO-register?
Klopt het dat er brieven vanuit de Belastingdienst worden verstuurd waarin aangegeven wordt dat er binnen een bepaalde termijn een inschrijving gedaan moet worden, omdat er anders boetes worden uitgedeeld?
Herkent u de signalen vanuit verenigingen en stichtingen over de grote gevolgen van handhavingsbrieven?
Hoe is bij deze brieven en in verdere communicatie rekening gehouden met de positie van verenigingen en stichtingen, waarbij vaak sprake is van heel veel vrijwilligers, waarvan een deel een hoge(re) leeftijd heeft bereikt, weinig kennis heeft van dit soort verplichtingen dan wel moeite heeft om aan dit soort verplichtingen te voldoen?
Kunt u toezeggen dat er voorlopig geen boetes worden uitgedeeld en dat de handhaving gepauzeerd wordt, ook niet als verenigingen en stichtingen hun UBO’s nog niet aangeleverd hebben?
Bent u bereid om, indien er in de toekomst overgegaan wordt tot het daadwerkelijk uitdelen van boetes, onderscheid te maken tussen goedwillenden en personen die doelbewust de wet overtreden? Is het kortom mogelijk om risicogericht te handhaven?
Erkent u dat dit soort verplichtingen, en het dreigen met hoge boetes, grote druk zet op het doen van vrijwilligerswerk en enorme gevolgen heeft voor verenigingen en stichtingen?
Hoe kunt u, in overleg met bijvoorbeeld overkoepelende organisaties, bijdragen aan het ondersteunen van verenigingen en stichtingen bij het aanleveren van hun UBO’s?
Het bericht 'Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. ‘Als van uitstel maar geen afstel komt’' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. «Als van uitstel maar geen afstel komt»» en wat is uw reactie daarop?1
Deelt u de mening dat zeven maanden wachttijd voor zwemles te lang is? Zo ja, wat is volgens u een acceptabele wachttijd? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u aan tegen de vrees van de Nationale Raad Zwemveiligheid dat de diploma-ongelijkheid verder toeneemt?
Hoe gaat u voorkomen dat de portemonnee van de ouders van de kinderen gaat bepalen hoe lang deze kinderen moeten wachten voordat ze op zwemles kunnen?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn gesloten?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn geopend?
Hoe kijkt u aan tegen de dalende trend in het aantal vierkante meters zwembad met het oog op deze lange wachttijden?
Bent u van mening dat de Aanpak wachtlijsten zwemles en landelijk dekkend aanbod2 heeft gewerkt, gezien het feit dat er nog steeds zulke lange wachttijden zijn?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voordat het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Sport op 2 november 2026 plaatsvindt?
Het bericht van de premier op X bij de derde herdenking van 7 oktober |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen bericht op X van 7 oktober 2026 ter gelegenheid van de derde herdenking van de terreuraanval van Hamas op Israël?1
Is de tekst van dit bericht vooraf besproken in of voorgelegd aan de ministerraad? Zo nee, waarom niet, gezien de diplomatieke en politieke gevoeligheid van het onderwerp?
Is de tekst afgestemd met de Minister van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet? Wie heeft het bericht opgesteld en welke rol had de Rijksvoorlichtingsdienst?
Moet dit bericht worden gezien als het standpunt van het kabinet? Zo nee, waarom niet, en hoe verhoudt een persoonlijke uiting zich tot uw functie als Minister-President? Bent u ermee bekend dat coalitiepartner VVD, bij monde van partijleider Yesilgöz, op dezelfde dag uitsluitend de slachtoffers van de terroristen van Hamas herdacht en het Israëlische optreden in Gaza niet noemde? Deelt u de opvatting van onze fractie dat het kabinet op deze dag niet met één mond sprak? Zo nee, waarom niet?2
Waarom schrijft u dat bijna 1.200 mensen «om het leven kwamen», terwijl zij doelbewust werden vermoord tijdens een geplande terreuraanval? Deelt u de opvatting van onze fractie dat deze formulering de aard van de aanslag verhult? Zo nee, waarom niet?
Waarom acht u het nodig om op de nationale herdenkingsdag van 7 oktober niet uitsluitend de slachtoffers van de terreur van Hamas en zijn bondgenoten te herdenken, maar in hetzelfde bericht ook de Palestijnse slachtoffers van Israëlisch militair optreden te noemen? Noemt u bij herdenkingen van andere terreuraanslagen, zoals 11 september, ook de slachtoffers van het militaire antwoord dat daarop volgde? Zo ja, kunt u voorbeelden geven? Zo nee, waarom bij deze herdenking wel?
Bent u ermee bekend dat van de 251 mensen die op 7 oktober 2023 naar Gaza werden ontvoerd, er 85 dood terugkwamen? Waarom ontbreken deze slachtoffers in uw bericht?3
Hoeveel van deze gijzelaars zijn levend ontvoerd en daarna in gevangenschap omgekomen? Hoeveel van hen zijn door hun ontvoerders van Hamas, Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ) of andere groepen vermoord? Kunt u dit per oorzaak uitsplitsen?4
U schrijft dat «tienduizenden onschuldige Palestijnen» door het Israëlische leger zijn gedood. Op welke cijfers baseert u dit? Bent u ermee bekend dat het door Hamas geleide Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in Gaza geen onderscheid maakt tussen burgers en strijders? Zo ja, waarom gebruikt u dan toch het woord «onschuldig»?5
Hoeveel strijders van Hamas, PIJ en andere terreurgroepen zijn volgens de informatie van het kabinet sinds 7 oktober 2023 gedood? Waarom laat u hen in uw bericht onvermeld of rekent u hen kennelijk tot de «onschuldige Palestijnen»?
Bent u ermee bekend dat volgens het Israëlische leger alleen al in de eerste dagen van de oorlog circa 450 raketten van Hamas en PIJ in Gaza zelf neerkwamen, met doden en vernielingen onder de eigen bevolking tot gevolg? Heeft het kabinet een schatting van het aantal Palestijnen dat sinds 7 oktober 2023 door mislukte raketlanceringen van Palestijnse terreurgroepen is omgekomen? Zo nee, waarom niet?6, 7
Bent u bekend met het onderzoek van Amnesty International naar buitengerechtelijke executies door Hamas en daaraan gelieerde strijders, onder wie acht ongewapende leden van de familie Dughmush die op 13 oktober 2025 in het openbaar werden geëxecuteerd op beschuldiging van samenwerking met Israël? Waarom laat u deze slachtoffers in uw bericht buiten beschouwing?8
Bent u bekend met het IDF-rapport dat op 7 oktober naast 3.800 Nukhba-strijders circa 2.200 burgers en andere strijders uit Gaza Israël binnendrongen? Hoe beoordeelt u de rol van deze deelnemers aan de aanslag, en waarom ontbreekt dit in uw bericht?9
Bent u bekend met de officiële Israëlische cijfers, waaruit blijkt dat sinds 7 oktober 2023 1.318 Israëlische militairen en veiligheidsmensen zijn gesneuveld en 1.029 Israëlische burgers door terreur zijn vermoord, samen 2.347 doden?10, 11
Waarom noemt u wel de Palestijnse slachtoffers van Israëlisch militair optreden, maar niet de Israëlische militairen, politieagenten en andere veiligheidsmensen die sindsdien zijn gesneuveld, noch de Israëlische burgers die zijn gedood door raketten en drones uit Iran, Libanon en Jemen?
Bent u ermee bekend dat volgens dezelfde officiële cijfers ruim 7.150 nabestaanden zijn toegevoegd aan de kring van Israëlische rouwende families, onder wie 2.143 ouders die een kind verloren, 355 weduwen en 880 wezen? Waarom ontbreken zij in uw bericht?
Erkent u dat Hamas en zijn bondgenoten deze oorlog op 7 oktober 2023 zijn begonnen, de gijzelaars hebben vastgehouden, raketten zijn blijven afvuren en de eigen bevolking als menselijk schild hebben gebruikt? Zo ja, waarom komt dit in uw bericht niet terug? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat een bericht van de Minister-President op een herdenkingsdag voor een terreuraanslag de feiten volledig en zonder eenzijdige weglatingen hoort weer te geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat uw bericht, door de oorzaak van de oorlog weg te laten en het leed eenzijdig aan Israël toe te schrijven, in feite het narratief van Hamas overneemt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat een dergelijk eenzijdig narratief van de Minister-President bijdraagt aan het legitimeren van Jodenhaat in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel antisemitische incidenten zijn in Nederland sinds 7 oktober 2023 geregistreerd, en hoe heeft dit aantal zich ontwikkeld ten opzichte van de jaren daarvoor?
Bent u zich ervan bewust dat uw bericht door veel Joodse Nederlanders als kwetsend is ervaren, juist op deze herdenkingsdag? Bent u bereid uw bericht te corrigeren of aan te vullen? Zo nee, waarom niet?
Wat zegt u tegen de vele Nederlanders die uw bericht beneden ieder peil vinden, het zien als heulen met terroristen, vinden dat het antisemitisme aanwakkert en ondersteunt en het een premier onwaardig achten? Bent u bereid om afstand te nemen van uw bericht en uw excuses aan te bieden aan de Joodse gemeenschap in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Het bericht 'Jetten informeerde Tweede Kamer onjuist over AI-gebruik' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Is de premier bekend met het artikel in de Volkskrant van 8 oktober 2026 getiteld «Jetten informeerde Tweede Kamer onjuist over AI-gebruik»?
Hoe reageert de premier op de bevinding van deskundigen in dit artikel, namelijk dat de premier wel degelijk op zijn officiële accounts van artificial intelligence (AI) gebruik heeft gemaakt en dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, volgens detectiemodel Pangram, in ieder geval vijf van zijn berichten uit het afgelopen half jaar door AI zijn gegenereerd en dat het volgens twee AI-deskundigen «ondenkbaar» is «dat Pangram ze allemaal ten onrechte als AI bestempelt»?
Hoe reageert de premier op de vraagtekens die deskundigen in dit artikel plaatsen bij het onderscheid dat de premier maakt tussen zijn «privé» en «officiële» accounts, aangezien de premier zijn posts schreef in zijn hoedanigheid van premier en de berichten daarmee «ambtsgerelateerd» zijn?
Waarom is deze nieuwe richtlijn minder streng dan de handreiking voor AI-gebruik door de overheid?1
Kan de premier deze vragen afzonderlijk en voor de behandeling van de begroting van Algemene Zaken op 28 oktober beantwoorden?
Het artikel ‘Leraren en scholieren massaal aan de schandpaal: honderden TikTok-accounts verspreiden vernederende AI-filmpjes’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leraren en scholieren massaal aan de schandpaal: honderden TikTok-accounts verspreiden vernederende AI-filmpjes»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Herkent u het beeld dat vrijwel iedere middelbare school inmiddels te maken heeft met zogeheten «shipping-accounts» en «raad de leerling»-accounts? Beschikt u over cijfers over de omvang van dit probleem?
Hoe kunnen scholen erachter komen wie op hun school zo’n kanaal «runt»? Welke maatregelen kunnen schoolbesturen vervolgens nemen?
Worden ouders betrokken als de kinderen die een kanaal «runnen» minderjarig zijn of als slachtoffers zich bij de docent melden? Zijn scholen voldoende toegerust om in dergelijke situaties zorgvuldig op te treden en slachtoffers te ondersteunen?
In hoeverre maakt «cyberpesten», waaronder het verspreiden van AI-gegenereerde beelden van medeleerlingen en docenten, onderdeel uit van de Week tegen Pesten die dit jaar van 21 tot en met 25 september is gehouden?
Zijn er voor het middelbaar onderwijs speciale lespakketten om cyberpesten en online pesten en de gevolgen hiervan bespreekbaar te maken in de klas? Zo ja, kunnen scholen makkelijk aan dit materiaal komen?
Bent u bekend met de nieuwe campagne «Er zijn grenzen» van stichting Offlimits, die aandacht vraagt voor online grensoverschrijdend gedrag? Hoe beoordeelt u dit initiatief en welke mogelijkheden ziet u om deze campagne en het bijbehorende voorlichtingsmateriaal onder de aandacht te brengen van scholen, leerlingen en ouders?
Welke mogelijkheden hebben slachtoffers, ouders en scholen, bijvoorbeeld op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), om vernederende of gemanipuleerde beelden snel van platforms als TikTok te laten verwijderen?
Welke maatregelen nemen platforms, zoals TikTok, om cyberpesten via «shipping-accounts» tegen te gaan? En is dit volgens u voldoende, mede gelet op het hoge aantal accounts dat volgens de berichtgeving actief is?
In hoeverre moeten zeer grote onlineplatforms (VLOP’s) op grond van de Digital Services Act (DSA) bij hun risicoanalyses en risicobeperkende maatregelen rekening houden met cyberpesten en de verspreiding van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen?
Welke mogelijkheden biedt de DSA om platforms te verplichten belastende AI-gegenereerde beelden te verwijderen en op te treden tegen accounts die structureel worden gebruikt om minderjarigen te vernederen? En wat is er mogelijk als platforms dit onvoldoende inrichten?
Welke mogelijkheden hebben toezichthouders om handhavend op te treden wanneer platforms onvoldoende maatregelen treffen?
Acht u de bestaande mogelijkheden voldoende effectief om dergelijke praktijken effectief tegen te gaan of is aanvullend Europees of nationaal beleid noodzakelijk?
Bent u bekend met het rapport « Who Gets Deepfaked? Measuring the exposure of European parliamentarians in deepfake pornography», het rapport «Targeted and Ignored. Sexualised Deepfakes of Women MEPs and the Failure of Platform Responses», het artikel «Unicum: vrouwelijke Kamerleden slaan handen ineen in strijd tegen gruwelijk online seksueel misbruik» en het statement «AI kent geen grenzen. Wij wel.» dat 15 vrouwelijke Tweede Kamerleden van acht verschillende politieke partijen hebben uitgestuurd?1, 2, 3
Wat zegt het volgens u dat vrouwelijke parlementariërs in Europa 33 keer vaker slachtoffer zijn van deepfake pornografie dan mannen en dat zeker een kwart van de vrouwelijke parlementariërs in Nederland hier slachtoffer van is?
Bent u het ermee eens dat dergelijke cijfers schrikbarend zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit een chilling effect heeft op vrouwen die politiek actief willen worden? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat deepfake pornografie een groot maatschappelijk probleem is dat heel veel vrouwen in Nederland treft, waaronder ook vrouwen die niet het platform hebben van vrouwelijke Tweede Kamerleden en vrouwelijke BN’ers? Wat doet het volgens u met de positie van de vrouw in onze maatschappij dat deepfake pornografie zo gemakkelijk te genereren is, dat het eenmaal gemaakt niet tot nauwelijks van het internet verdwijnt en dat zeer grote aantallen vrouwen slachtoffer zijn van dit soort video’s?
Deelt u de mening van de onderzoekers van de twee rapporten dat naast goede wetgeving om deepfakepornografie te verbieden er ook sprak moet zijn van strikte handhaving? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ook per voorstel apart ingaan op de beleidsvoorstellen die de onderzoekers in hun twee rapporten doen om deepfake pornografie te bestrijden? Kunt u tevens aangeven welk van deze voorstellen nationaal kunnen worden opgepakt en voor welke van deze voorstellen u zich in Europees verband wilt inzetten?
Kunt u ingaan op de drie eisen namelijk een meldpunt waarop slachtoffers op een laagdrempelige manier melding kunnen maken van digitaal seksueel misbruik en waar ze meteen makkelijk aangifte kunnen doen (1), handhaving van het uitkleedverbod (2) en een landelijke campagne om het bewustzijn rondom deepfakes te vergroten (3)? Bent u van plan deze uit te voeren?
Kunt u deze vragen los van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
De mishandeling van de Joodse schrijver Jigal Krant op station Utrecht Centraal |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Joodse kookboekenschrijver Jigal Krant tot bloedens toe belaagd, geschopt en geslagen door Hamas-mob in Utrecht»?1
Klopt het dat de heer Krant op 7 oktober 2026 op station Utrecht Centraal door deelnemers aan een pro-Palestijnse demonstratie is belaagd, geschopt en geslagen tot hij bloedde? Kunt u een feitelijke reconstructie geven van het incident en van het optreden van de politie?2, 3
Klopt het dat de politie niet optrad tegen de geweldplegers, maar wel het slachtoffer hardhandig afvoerde en zijn persoonsgegevens noteerde? Zo ja, op grond waarvan en op wiens aanwijzing? Hoe verhoudt dit zich tot de kerntaak van de politie om slachtoffers te beschermen en daders aan te houden?4
Wisten politie en gemeente vooraf dat er op deze beladen datum een demonstratie op Utrecht Centraal zou plaatsvinden? Welke risico-inschatting is gemaakt voor de veiligheid van Joodse reizigers en omstanders en waarom heeft die niet geleid tot adequate bescherming?
Hoeveel verdachten zijn inmiddels aangehouden? Zijn de camerabeelden van het station veiliggesteld? Als er nog niemand is aangehouden, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat dit geen losstaand incident is, maar onderdeel van een patroon waarin bij pro-Palestijnse demonstraties geweld wordt gepleegd zonder dat de politie direct ingrijpt? Hoe verklaart u dat de politie pas ruim vier maanden na de mishandeling van een PowNews-cameraman op 23 mei 2026, eveneens op Utrecht Centraal, beelden van de verdachte vrijgeeft?5
Hoe vaak is sinds 7 oktober 2023 bij pro-Palestijnse demonstraties geweld gepleegd tegen Joden, journalisten of omstanders? In hoeveel van die gevallen heeft dit geleid tot aanhouding, vervolging en veroordeling?
Weegt het Openbaar Ministerie (OM) het antisemitische karakter van deze aanval conform de Aanwijzing discriminatie mee als strafverzwarende omstandigheid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onverteerbaar is dat een Jood in Nederland op een Nederlands treinstation in elkaar wordt geslagen, en dan uitgerekend op 7 oktober, de dag waarop de slachtoffers van de barbaarse slachtpartijen van de terroristen van Hamas worden herdacht? Deelt u ook de opvatting dat Joden zich in Nederland vrij en veilig moeten kunnen bewegen en dat de overheid daar op dit moment aantoonbaar in tekortschiet?
Bent u bereid om de politie en het OM op te dragen de daders met voorrang op te sporen en te vervolgen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid het optreden van de politie in dit incident onafhankelijk te laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid met de burgemeesters van de grote steden in overleg te gaan om te voorkomen dat stationshallen nog langer het toneel zijn van intimidatie en geweld tegen Joden? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid de Kamer binnen twee weken over de uitkomst te informeren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen allen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De Israëlberichtgeving van NOS op 3 |
|
Annabel Nanninga (JA21), Martin Bosma (PVV), René Claassen (PVV), Mona Keijzer , Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «NOS weer onder vuur vanwege Israël-berichtgeving: «Complete nonsens en een antisemitische complottheorie»» en de analyse op de website Wat leren we onze kinderen? over de video «Het lijnenspel van Israël»?1, 2
De Code Journalistiek Handelen is de gezamenlijke ethische gedragscode waar de NOS en andere landelijke publieke omroepen zich aan moeten houden. Bent u het ermee eens dat overduidelijke overtredingen van deze Code dus niet door de Minister zijn af te doen als «redactionele keuzes/vrijheid»? Welke consequenties verbindt u eraan als door de Ombudsman vastgesteld wordt dat de NOS de Code niet naleeft?
Hoe beoordeelt u de kritiek van de gerenommeerde historicus Benny Morris die stelt dat de video een antisemitische complottheorie verspreidt door te stellen dat Israël streeft naar een rijk van de Nijl tot aan de Eufraat? Bent u bereid om bij de NOS te vragen op welke bronnen de bewering berust en deze onderbouwing met de Kamer te delen?
Bent u ook van mening dat het niet de taak van de NOS is om zich in te laten met speculaties en insinuaties, laat staan het voeden van complottheorieën? Vindt u dat een sfeer van speculatie past bij het karakter van een uitlegvideo?
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de NOS bepaalde fragmenten waarin Netanyahu spreekt over samenleven met Palestijnen heeft weggelaten, waardoor zijn uitspraken volgens de analyse nu een andere betekenis krijgen? En hoe verhoudt dit zich tot het verbod op misleidende montage zoals opgenomen in de Code Journalistiek Handelen?
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de NOS met name extreme Israëlische stemmen laat zien en horen en tegelijkertijd Israëlische veiligheidsargumenten onvoldoende aan bod laat komen? Deelt u dat deze selectiviteit het beeld kan doen ontstaan dat Israël bij voorbaat de schuldige is?
Hoe beoordeelt u de bevinding van de onderzoekers dat in berichtgevingen rondom het conflict de onwaarheden en selectieve weglatingen bijna altijd in het nadeel van Israël uitvallen? Wanneer is volgens u sprake van systematische vooringenomen berichtgeving?
Deelt u de conclusie dat sprake is van met twee maten meten wanneer Israëlische verklaringen kritisch worden bevraagd, maar beschuldigingen aan Israël zonder enige controle worden overgenomen? Hoe kan u voorkomen dat de NOS met twee maten blijft meten?
Wat vindt u ervan dat de terroristische aanslagen van 7 oktober 2023 een zo marginale plek krijgen in deze video van de NOS?
Kunt u nagaan of deze video via Schooltv of andere lesmethodes wordt aangeboden, en zo ja, of en hoe eventuele correcties ook deze scholen en leerlingen bereiken en voldoende aandacht krijgen?
Bent u bereid de NOS te vragen om publiekelijk en inhoudelijk op deze kritiek te reageren en daarmee de vastgestelde fouten te herstellen, zoals voorgeschreven in de Code Journalistiek Handelen, en hierover de Kamer te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat dergelijke fouten leiden tot minder draagvlak voor en vertrouwen in de NOS in de samenleving? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen vóór het mediadebat op 16 november aanstaande beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
De inzet van social media influencers bij overheidscampagnes |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inzet van social media influencers bij campagnes van de Rijksoverheid?
Acht u het wenselijk dat belastinggeld wordt ingezet voor betaalde beïnvloeding via individuele socialmediapersonen in plaats van via reguliere overheidscommunicatie? Waarom wel of niet?
Acht u het wenselijk dat de overheid dezelfde beïnvloedingstechnieken gebruikt als commerciële adverteerders richting jongeren?
Kunt u een volledig overzicht verstrekken van alle overheidscampagnes waarbij sinds 2024 gebruik is gemaakt van influencers, content creators of andere online ambassadeurs?
Kunt u per campagne aangeven: het verantwoordelijke ministerie; het campagnedoel; de looptijd; de doelgroep en de ingezette influencers?
Kunt u per influencer aangeven welke vergoeding is betaald?
Wat was de hoogste vergoeding die een individuele influencer de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen vanuit publieke middelen?
Wat zijn de totale kosten geweest van de inzet van influencers bij overheidscampagnes sinds 2024?
Kunt u deze kosten uitsplitsen per jaar, per ministerie en per campagne?
Moeten influencers zich contractueel houden aan bepaalde boodschappen of formuleringen van de overheid? Zo ja, wat zijn deze boodschappen en formuleringen per campagne uitgesplitst?
Heeft de overheid ooit opdracht gegeven om reacties onder berichten te modereren, verwijderen of te beperken?
Hoeveel Woo-verzoeken zijn ingediend over influencer-marketing door de overheid?
Op basis van welke criteria worden influencers geselecteerd voor overheidscampagnes?
Wordt bij de selectie beoordeeld of influencers zich in het verleden hebben uitgesproken over politieke of maatschappelijke onderwerpen?
Zo ja, welke criteria worden daarbij gehanteerd?
Hoeveel campagnes zouden volgens het kabinet zonder influencers niet succesvol zijn geweest?
Wanneer wordt besloten een influencer niet opnieuw in te zetten wegens tegenvallende resultaten?
Wat is de laagste gemeten effectiviteit van een influencercampagne die door de overheid is gefinancierd?
Hoe wordt gewaarborgd dat overheidsgeld niet terechtkomt bij personen die discriminerende, extremistische, gewelddadige of anderszins maatschappelijk ongewenste uitingen hebben gedaan?
Hoe wordt gemeten of de inzet van influencers daadwerkelijk effectiever is dan andere communicatievormen?
Zijn er influencers ingezet die ook commerciële opdrachten uitvoeren voor bedrijven waarvan belangen raken aan het onderwerp van de betreffende campagne?
Zijn er evaluaties uitgevoerd naar de effectiviteit van influencermarketing binnen overheidscampagnes? Zo ja, kunt u deze naar de Kamer sturen?
Bent u bereid om voortaan jaarlijks inzichtelijk te maken welke influencers door de overheid zijn ingezet en welke publieke middelen daarmee gemoeid zijn?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Integriteitsregels voor de Landelijke publieke omroep die niet gelijk opgaan voor de regionale omroepen |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Op welke punten gelden tegenwoordig andere regels voor de landelijke publieke omroep en voor lokale en regionale omroepen bij de governance, regelgeving, integriteit en benoeming van functionarissen, en welke verschillen blijven op deze punten bestaan als straks de wet Versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau in werking treedt?1
Klopt het dat de Limburgse omroep L1 in strijd met de Handreiking Belangenverstrengeling voor alle publieke omroepen een adviesklus heeft uitbesteed aan een zakenrelatie van de van de L1-hoofdredacteur zonder hiervoor ook andere partijen te benaderen?2
Klopt het dat de Handreiking Belangenverstrengeling niet meer is dan een richtlijn «die kan dienen tot ondersteunend middel bij de invulling van hun eigen beleid».
Ziet u gronden om integriteit verschillend op te vatten, of je nu bij de publiek omroep werkt in Hilversum of in Maastricht?
Deelt u de conclusie van het commentaar van De Limburger, dat de Mediawet 2008 en gedragscodes moeten veranderen? Zo ja, wat gaat u dan op dit punt ondernemen? Zo nee, waarom niet?
De uitvoering van de motie-Ceder c.s. inzake de erkenning van de Molukse gemeenschap |
|
Don Ceder (CU) |
|
Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen heeft het kabinet sinds het aannemen van de motie-Ceder c.s. en de uitgesproken excuses van Minister-President Jetten gezet om uitvoering te geven aan de drie onderdelen van de motie: het onafhankelijke onderzoek, het consultatietraject met de Molukse gemeenschap en de verkenning naar een nationale agenda?1
Kunt u per onderdeel aangeven wie binnen de regering verantwoordelijk is, welke opdrachten zijn uitgezet en welke vervolgstappen gepland staan? Indien nog geen concrete stappen zijn gezet, kunt u toelichten waarom niet?
Acht u de gestelde deadlines uit de motie (eerste resultaten van het onafhankelijke onderzoek uiterlijk in het eerste kwartaal van 2027 en de verkenning naar een nationale agenda uiterlijk in het tweede kwartaal van 2027) nog steeds haalbaar? Zo nee, waarom niet?
Is de opdracht tot een onafhankelijk onderzoek reeds verstrekt? Zo ja, aan wie? Kan de onderzoeksopzet met de Kamer worden gedeeld?
Bent u bereid om voor de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een brief naar de Kamer te sturen met een toelichting over de voortgang en stand van zaken van het traject?
Het bericht 'Marianne Boer (80) wil een kanoclub, maar stuit op ruimtegebrek en regels' |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Inge van Dijk (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Marianne Boer (80) wil een kanoclub, maar stuit op ruimtegebrek en regels», waarin je kunt lezen hoe verschillende vrijwilligers jarenlang bezig zijn om een initiatief van de grond te krijgen maar op allerlei manieren vastlopen?1
Herkent u dit beeld dat vrijwilligers bij het nemen van initiatief voor hun vereniging van het ene naar het andere (gemeentelijke) loket worden gestuurd?
Welke regels, verplichtingen of procedures zijn geschrapt of vereenvoudigd, sinds de Kamer op 9 september 2025 met 149 stemmen de motie-Van Dijk c.s. (Kamerstuk 30 234, nr. 416) aannam en wat merkt een vrijwillige bestuurder daar inmiddels concreet van?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Van Nispen c.s. (Kamerstuk 30 234, nr. 421) en welke concrete verbeteringen heeft dit inmiddels opgeleverd voor verenigingen?
Wanneer ontvangt de Kamer het meerjarenplan regeldrukvermindering zoals bedoeld uit de motie-Van Dijk (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 66) en kunt u daarin expliciet inzichtelijk maken hoeveel regels, procedures en administratieve handelingen verdwijnen en hoeveel tijd dit vrijwilligers bespaart?
Hoe wordt de gewijzigde motie-Mohandis c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 89), over het versterken en borgen van de ombudsfunctie voor sportverenigingen, juist om vrijwilligers praktisch te ondersteunen bij onder andere problemen met gemeenten, verzekeraars en sportbonden, uitgevoerd?
Kunt u ons informeren over de status van de uitvoering van de motie-Mohandis/Van Dijk (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 63) over één toegankelijk loket voor sportverenigingen voor bouw, onderhoud en verduurzaming.?
Wat is de status van de motie Mohandis c.s. (Kamerstuk 36 410 XVI, nr. 115) die de regering verzoekt om, in samenspraak met sportverenigingen, te komen tot een meerjarige strategie voor sportverenigingen?
Hoe verklaart u dat de Kamer inmiddels meerdere breed gesteunde moties heeft aangenomen over regeldruk, clubondersteuning, accommodaties en één toegankelijk loket, terwijl vrijwilligers in de praktijk nog steeds melden jarenlang bezig te zijn, van loket naar loket te worden gestuurd en uiteindelijk zelfs overwegen hun initiatief te staken?
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de sportbegroting een overzicht te sturen van de uitvoering van bovengenoemde moties, waarbij u niet alleen beschrijft welke acties zijn ingezet, maar vooral welke concrete regeldruk voor verenigingen inmiddels is verdwenen en wat vrijwilligers daarvan in de praktijk merken?
De vervolging van de presentatoren van RoddelPraat en de onderbouwing van het vervolgingsbeleid bij beledigende uitlatingen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) Jan Roos en Dennis Schouten vervolgt wegens beledigende uitlatingen over twee vrouwen in hun programma RoddelPraat?
Kunt u bevestigen dat het OM deze vervolging publiekelijk heeft toegelicht met de stelling dat verbale agressie tegen vrouwen bijdraagt aan een cultuur waarin ernstigere vormen van geweld mogelijk worden? Kunt u de volledige toelichting aan de Kamer verstrekken?
Hanteert het OM de zogenoemde «piramide van geweld», of vergelijkbare modellen waarin beledigingen en seksistische grappen in verband worden gebracht met mishandeling, verkrachting en moord, bij zijn vervolgingsbeleid, interne opleidingen of publieke communicatie? Zo ja, welke modellen betreft dit en kunt u de bijbehorende documenten verstrekken?
Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het door het OM genoemde verband tussen verbale agressie tegen vrouwen en ernstigere vormen van geweld? In hoeverre tonen deze onderzoeken een oorzakelijk verband aan, en in hoeverre beschrijven zij correlaties, maatschappelijke opvattingen of theoretische veronderstellingen?
Welk onderscheid maakt het OM tussen een model dat wordt gebruikt voor maatschappelijke bewustwording en een wetenschappelijk gevalideerd model dat geschikt is om concrete beslissingen over strafrechtelijke vervolging te ondersteunen?
Hoe voorkomt het OM dat algemene uitspraken over een maatschappelijke cultuur worden vertaald naar verantwoordelijkheid van individuele verdachten voor geweld dat zij niet hebben gepleegd en waartoe zij niet hebben aangezet?
Welke criteria hanteert het OM om beledigende uitlatingen over een vrouw aan te merken als gendergerelateerde agressie? Is daarvoor bepalend dat de beledigde persoon een vrouw is, of moet ook een aantoonbaar verband bestaan tussen de uitlating en haar geslacht?
Deelt u de opvatting dat de ernst en urgentie van geweld tegen vrouwen op zichzelf geen bewijs vormen voor de stelling dat specifieke beledigende uitlatingen aan dat geweld bijdragen? Hoe wordt dit onderscheid bewaakt in het vervolgingsbeleid en de communicatie daarover?
Welke betekenis heeft de veronderstelde bijdrage van uitlatingen aan een gewelddadige cultuur voor de beslissing om wegens belediging te vervolgen? Betreft dit een zelfstandig vervolgingsargument, een factor bij de prioritering of uitsluitend een toelichting voor het publiek, en op welke beleidsregels berust deze toepassing?
Hoe waarborgt het OM bij dergelijke vervolgingsbeslissingen de vrijheid van meningsuiting, waaronder de ruimte voor satire, overdrijving en uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en hoe worden de rechten en reputatie van betrokkenen daartegen afgewogen?
Hanteert het OM dezelfde vervolgingscriteria bij vergelijkbare beledigingen over het uiterlijk van mannen en vrouwen? Zo nee, welke verschillen bestaan er en wat is daarvoor de objectieve rechtvaardiging?
Hoe voorkomt het OM dat het in zijn publieke communicatie verdachten van belediging tevens in verband brengt met ernstige geweldsdelicten waarvoor zij niet worden vervolgd? Hoe verhoudt dergelijke communicatie zich tot de onschuldpresumptie en de vereiste terughoudendheid tegenover verdachten?
Hoe wordt de inzet van opsporings- en vervolgingscapaciteit voor beledigingszaken afgewogen tegen de inzet voor concrete bedreiging, stalking, mishandeling en seksueel geweld? Welke rol spelen de ernst van het feit, het aantoonbare risico voor slachtoffers en de bekendheid van verdachten daarbij?
Klopt het dat deze zaak aan een meervoudige strafkamer wordt voorgelegd? Zo ja, welke overwegingen rechtvaardigen die keuze en in hoeverre is deze behandeling gebruikelijk bij vergelijkbare beledigingszaken?
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de wetenschappelijke en juridische onderbouwing van het gebruik van de «piramide van geweld» of vergelijkbare modellen binnen het OM, en te laten toetsen of daarbij voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke urgentie, empirisch bewijs en individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid?
Het bericht ‘Veel schrijvers zien geen inkomsten uit boeken op luisterplatforms’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veel schrijvers zien geen inkomsten uit boeken op luisterplatforms»?1
Wat vindt u ervan dat veel auteurs voor luisterboeken slechts een zeer marginale of zelfs helemaal geen vergoeding krijgen?
Deelt u de mening dat schrijvers voor zowel fysieke als digitale boeken een eerlijke en gelijkwaardige vergoeding zouden moeten ontvangen en hoe bevordert u dat ten minste transparantie bestaat over de hoogte van vergoedingen?
Hoe komt het dat zelfs bij de online bibliotheek de vergoedingen erg laag zijn, wilt u er in overleg met de Koninklijke Bibliotheek (KB) aan werken dat de vergoedingen meer gelijkwaardig worden en betrekt u hierbij ook de rol van de bibliotheek op school?
Hoe wilt u eraan bijdragen dat auteurs een stevigere positie krijgen ten opzichte van commerciële partijen die verdienen aan hun werk? Bent u bereid in overleg te treden met streamingplatforms, Lira en Pictoright om een eerlijke vergoeding voor auteurs te bevorderen?
Bent u bereid te verkennen in hoeverre aanpassing van wetgeving dienstbaar kan zijn aan een gelijkwaardige verhouding tussen auteurs en commerciële partijen?
Veiligheid en vuurwerk in het betaald voetbal |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de rapporten «Als de rook is opgetrokken» en «Publieke orde, private rekening?» van het Auditteam Voetbal en Veiligheid?1, 2
Erkent u dat de KNVB en betaaldvoetbalorganisaties de afgelopen jaren al fors hebben geïnvesteerd in onder andere toegangscontroles, cameratoezicht, stadionverboden, fouillering en andere maatregelen om stadions veiliger te maken?
Hoe beoordeelt u vanuit uw verantwoordelijkheid voor Sport de constatering van het Auditteam dat ervaren supportersgroepen steeds professioneler opereren en veiligheidsmaatregelen snel analyseren en omzeilen?
Welke mogelijkheden ziet u om de KNVB en betaaldvoetbalorganisaties vanuit het sportbeleid te ondersteunen bij verdere innovatie van stadionveiligheid, bijvoorbeeld met betere toegangscontroles, scanpoorten, handscanners en slimme camera’s?
Bent u bereid hierover met de KNVB in gesprek te gaan en te onderzoeken welke praktische of financiële belemmeringen clubs ondervinden bij het invoeren van dergelijke innovatieve veiligheidsmaatregelen?
Hoe wilt u voorkomen dat steeds verdergaande veiligheidseisen vooral kleinere betaaldvoetbalorganisaties financieel en organisatorisch onevenredig zwaar treffen?
Deelt u de opvatting dat maatregelen tegen voetbalgeweld en vuurwerk niet ten koste mogen gaan van de grote meerderheid van supporters die zich wél gewoon gedraagt?
Hoe kan volgens u worden voorkomen dat de KNVB en clubs verantwoordelijk worden gehouden voor zaken waarop zij zelf onvoldoende invloed hebben?
Bent u bereid samen met de KNVB te bekijken welke maatregelen aantoonbaar effectief zijn, zodat clubs hun beschikbare middelen kunnen inzetten voor maatregelen die daadwerkelijk bijdragen aan veilige én gastvrije stadions?
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Russia-linked accounts spread far-right narrative online during Ceuta migration crisis, analysis finds»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat dergelijke desinformatiecampagnes rondom migratie in Europa steeds sneller en gecoördineerder verlopen (in zeven talen, honderdduizenden views in enkele uren), zoals ook onderzoekers van Alliance4Europe en 411 stellen? Herkent u dat dit specifiek is te herleiden tot aan Rusland gelieerde netwerken, waaronder het Telegram-kanaal Rybar en het daaraan gekoppelde Pravda-netwerk?
Het kabinet is bekend met de algemene trend dat FIMI-campagnes in toenemende mate worden ingezet door (statelijke) actoren om strategische doelstellingen te bevorderen. FIMI staat voor Foreign Information Manipulation and Interference, buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging. De opkomst van artificiële intelligentie (AI) geeft deze actoren meer geavanceerde mogelijkheden om dergelijke acties te ondernemen. Grootschalige incidenten bij buurlanden en bondgenoten onderstrepen dat deze dreiging reëel is.
In algemene zin geldt dat Rusland al jaren een veelheid aan hybride activiteiten inzet, waaronder FIMI campagnes.
Erkent u dat de initiële reacties uit de lidstaten – waaronder Nederland – juist bijdragen aan de Europese verdeeldheid die het Kremlin beoogt te creëren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het kabinet daarmee onbedoeld heeft bijgedragen aan het Kremlin-narratief? Welke lessen trekt u daaruit voor toekomstige crisiscommunicatie?»
Nee, de gebeurtenissen in Ceuta waren zeer zorgelijk, uitzonderlijk en ongekend. De grootschalige irreguliere grensovergang van duizenden mensen naar Ceuta is een schending van de territoriale integriteit van Spanje en daarmee van de Europese Unie. Het snelle optreden van Spanje in samenwerking met Marokko, en de plaatsgevonden EU coördinatie in de Integrated Political Crisis Respone (IPCR) en de extra informele JBZ-raad waren noodzakelijk. Nederland heeft in de brief op 1 augustus jl. aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad gezamenlijk met 21 lidstaten hier toe opgeroepen. In lijn met de oproep in de brief heeft Spanje de grenzen versterkt en de op grote schaal terugkeer bewerkstelligd, en vond er een extra JBZ-Raad plaats.
Deelt u de mening dat social mediabedrijven een rol hebben om dit soort desinformatie-netwerken te identificeren en hun schadelijke desinformatie te mitigeren voordat zij bij een volgend incident weer worden ingezet? Ziet u, gelet op de constatering van 411, dat «That machinery» bij het volgende grensincident aan de Middellandse Zee opnieuw klaarstaat, aanleiding om hier proactief op te anticiperen in plaats van achteraf te reageren? Zo ja, hoe pakt u dit op en met welke mate van spoed?
Het kabinet acht het belangrijk dat sociale mediaplatformen hun verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, niet-authentiek gedrag en FIMI. Onder de Digitaledienstenverordening (DSA) moeten zeer grote onlineplatforms, waaronder Facebook, Instagram, X en TikTok, en zeer grote onlinezoekmachines, waaronder Google, systeemrisico’s identificeren, analyseren en beoordelen. Zij zijn verplicht om tenminste jaarlijks een risicobeoordeling uit te voeren en, waar nodig, maatregelen te nemen om de geïdentificeerde systeemrisico’s te beperken. Factoren zoals opzettelijke manipulatie kunnen deze systeemrisico’s vergroten. Wanneer dat het geval is zijn de bedrijven verplicht maatregelen te nemen om dit tegen te gaan.
Het Kabinet maakt zich al langer zorgen over buitenlandse actoren die, bijvoorbeeld via FIMI-campagnes, proberen onze samenleving en democratie te ondermijnen. Daarom is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in nauwe samenwerking met JenV, BZ en Defensie, bezig met het opzetten van een organisatie die FIMI structureel kan detecteren. In december 2026 zal de Minister van Binnenlandse Zaken de Kamer verder informeren over de stand van zaken van deze organisatie.
Bent u bekend met de signalen die op sociale media circuleren dat op 15 augustus 2026 weer mogelijk een grensoversteek zal plaatsvinden? Zo ja, hoe zet u zich in voor een gezamenlijke solidaire Europese aanpak?
Ja. Zoals inmiddels bekend is een nieuwe grootschalige poging tot grensoversteken uitgebleven. In de Kamerbrief van 3 augustus jl. (nr. 32317–1020) is uiteengezet hoe het kabinet invulling wil geven aan een Europese aanpak in reactie op gebeurtenissen als deze.
Deelt u de zorg dat, na de minstens 72 doden bij de vorige oversteek, mensen opnieuw het risico lopen te worden ingezet als instrument in een desinformatiecampagne? Welke stappen onderneemt het kabinet, al dan niet in EU-verband richting Marokko, om te voorkomen dat kwetsbare mensen zo worden gebruikt?
Het kabinet betreurt het verlies van deze mensenlevens. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten tegen irreguliere migratie en daarmee gepaard gaande levensbedreigende routes, middels een sterk Europees asiel en migratie systeem en samenwerkingsverbanden met derde landen zoals Marokko. Met de inzet tegen irreguliere migratie beoogt het kabinet ook de mogelijkheid tot instrumentalisatie van kwetsbare migranten als ook mensensmokkel tegen te gaan. Van belang is hierbij de volledige implementatie van de Schengengrenscode. Bovendien vormt het beschermen van kwetsbare migranten een belangrijk onderdeel van de intensieve samenwerking met derde landen zoals Marokko, zowel in bilateraal als in Europees verband. Hiertoe hebben ook de 22 lidstaten opgeroepen in de brief van 1 augustus jl. Verder steunt Nederland de aanpak van de Europese Commissie om FIMI tegen te gaan.
Kunt u bovenstaande antwoorden één voor één voor 15 augustus 2026 beantwoorden?
De beantwoording is u zo snel mogelijk toegekomen.
‘Eerste islamitische basisschool in Groningen bereidt zich voor op opening: geen Sinterklaas, wel Suikerfeest’ |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Wanneer wordt u eindelijk wakker en erkent u dat de opening van een islamitische basisschool in Groningen, waar de Koran en de Soenna uitdrukkelijk als grondslag en leidraad gelden, opnieuw bijdraagt aan de islamisering van het Nederlands onderwijs, gefinancierd met Nederlands belastinggeld?1
Op de website laat Stichting NOOR, het schoolbestuur van de nieuwe islamitische basisschool in Groningen, weten dat de Koran en Soenna de pilaren vormen van het doen en laten. Dit mag, zolang het schoolbestuur zich tegelijkertijd houdt aan alle relevante wettelijke eisen, bijvoorbeeld ten aanzien van het burgerschapsonderwijs. Dat betekent onder andere dat een school onder leerlingen kennis en respect bevordert van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging.
Wat vindt u ervan dat deze islamitische basisschool in Groningen openlijk verklaart dat de Koran en de Soenna richtinggevend zijn voor het onderwijs en bent u het ermee eens dat dit een pure haatideologie is, vol met geweld, vrouwenhaat en jodenhaat en een regelrechte oorlogsverklaring aan onze Nederlandse vrijheid en identiteit?
Nee, dat ben ik niet met uw leden eens. Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Kunt u garanderen dat leerlingen daar niet worden geconfronteerd met opvattingen over vrouwen, Joden, homoseksuelen, geloofsafvalligen en ongelovigen die haaks staan op de Nederlandse vrijheden en de democratische rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
In Nederland hebben we de wettelijke burgerschapsopdracht, die onder andere van scholen vraagt dat hun onderwijs in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Scholen mogen geen opvattingen uitdragen die haaks staan op onze democratische rechtsstaat. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen en besturen de wet naleven.
Deelt u de mening dat het krankzinnig is dat we met Nederlands belastinggeld een school financieren, waarin de barbaarse Koran en de leer van Mohammed de basis vormen, terwijl diezelfde teksten oproepen tot onderwerping, jihad en de vernietiging van onze Westerse beschaving? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van islamitische basisscholen, zoals van alle scholen, dat ze leerlingen onderwijzen in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet erop toe dat scholen en besturen de wet naleven. Bij iedere nieuwe school voert de inspectie al in het eerste jaar na de start van de school een volledig kwaliteitsonderzoek uit.
Waarom staat u toe dat de Koran en de Soenna als leidraad dienen op een basisschool bekostigd door de overheid en hoe voorkomt u dat kinderen worden geïndoctrineerd met de barbaarse totalitaire, middeleeuwse ideologie die haaks staat op alles waar Nederland voor staat?
Zie mijn antwoorden op vraag 3 en 4.
Wat vindt u ervan dat deze school geen Sinterklaas en Kerstmis viert, maar wel het Suikerfeest en hoe duidelijk moet het nog voor u worden voordat u erkent dat hier geen sprake is van integratie, maar het creëren en versterken van een islamitische parallelle samenleving?
Welke feestdagen op school worden gevierd, mogen scholen zelf bepalen. Voor alle scholen geldt de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, onder meer in godsdienst en levensovertuiging. Leerlingen moeten in contact worden gebracht met gebruiken en perspectieven van buiten de eigen traditie om te voorkomen dat parallelle samenlevingen ontstaan. De inspectie ziet erop toe dat scholen en besturen de wettelijke burgerschapsopdracht naleven.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om te voorkomen dat deze school aan het nieuwe schooljaar begint? Zo nee, waarom niet?
Nee, hiertoe ben ik niet bereid. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt, onder meer, de vrijheid om scholen te stichten, ook met een eigen religieuze of levensbeschouwelijke grondslag. Deze vrijheid komt aan iedereen toe,
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria, waaronder ook een kwaliteitstoets door de inspectie op de deugdelijkheidseisen. Daaronder valt bijvoorbeeld de eis dat school moet kunnen voldoen aan de wettelijke burgerschapsopdracht. Bij iedere nieuwe school voert de inspectie al in het eerste jaar na de start van de school een volledig kwaliteitsonderzoek uit. Daarin controleert de inspectie of de school, behalve op papier, ook in de praktijk aan alle wettelijke eisen voldoet.