Grootschalige en onrechtmatige verzameling van data van burgers door de krijgsmacht, de politie, de Belastingdienst, de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en andere overheidsorganisaties. |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw mening over het feit dat het afgelopen jaar de overheid op grote schaal niet voldoet aan de AVG of het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) – met als voorbeeld de dataverzameling op Nederlands grondgebied door LIMC bij Defensie, de algoritmes in proeftuinen die gebruikt worden door de politie, persoonsgegevens van meer dan vier miljoen personen die in te zien zijn door duizenden ambtenaren van het UWV, het Fraude Signaleringsysteem (FSV) van de belastingdienst, het feit dat vrijwel alle politiesystemem niet voldoen aan de AVG en informatieveiligheid, en onrechtmatige gegevensuitwisseling tussen COA en politie?
Het kabinet meent dat de overheid zelf voorop moet lopen bij de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens. De overheid heeft een voorbeeldfunctie bij de naleving van wettelijke en verdragsrechtelijke normen. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens goed zijn beschermd waar deze worden verwerkt door de overheid. Dat geldt uiteraard ook voor de in de vraag aangehaalde voorbeelden, waarover het kabinet met uw Kamer in veel gevallen al heeft gesproken. Daarbij is tevens gesproken over de lessen die daaruit getrokken kunnen worden. Ook bij deze gelegenheid wil het kabinet tot uitdrukking brengen dat wanneer de overheid het in haar gestelde vertrouwen beschaamt, het kabinet zich dat aan trekt. De Minister voor Rechtsbescherming heeft dit eveneens benadrukt in het debat met uw Kamer over het Privacylek in de systemen van de GGD van 3 februari jl1. Verder is tijdens het debat onderstreept dat elk onderdeel van de overheid zelf is gehouden om processen zo in te richten dat de verwerking van persoonsgegevens voldoet aan de regels uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en diens uitvoeringswet, en dat voldoende middelen worden gealloceerd voor het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen. Een functionaris voor gegevensbescherming dient vervolgens interne controle uit te oefenen op de naleving ervan en hierover te adviseren. Indien blijkt dat overheidsorganisaties hier niet of onvoldoende toe in staat zijn, dan gaat het kabinet hierover met het desbetreffende onderdeel in gesprek.
Geen van de 36 «mission critical»-systemen van de politie voldoet aan de privacywetgeving. Ook blijkt geen enkel politiekorps te voldoen aan alle gestelde eisen van de bescherming van gegevens van burgers. Sommige van de gebruikte systemen van de politie verwerken zeer gevoelige informatie, zoals over verdachten of kroongetuigen. Hoe is het mogelijk dat de politie applicaties gebruikt waarvan de ontwikkeling al jaren stilstaat?
Voor een toelichting op de nulmeting 2018/2019 die de politie zelf uitvoerde op de mate waarin de 36 door de politie geselecteerde systemen voldoen aan wet- en regelgeving verwijs ik u naar de verslaglegging van een schriftelijk overleg over de politie over het onderwerp datagebruik. Vernieuwing en verbetering van de systemen is een doorlopend proces.2
Hoe rijmt u de achterstand van de digitale infrastructuur van de politie met de regels rond privacy en informatiebeveiliging?
Het vernieuwen van de digitale infrastructuur is – gezien de aard, omvang en complexiteit van de politieorganisatie en voortdurende technologische en maatschappelijke ontwikkelingen – een doorlopend proces, waarbij de politie eveneens voortdurend werkt aan compliance op het gebied van gegevensbescherming en informatiebeveiliging.
Vindt u het niet zorgwekkend dat de politie niet kan voldoen aan alle eisen rond privacy en informatiebeveiliging, zoals bewaartermijnen of toegang, met de huidige verouderde systemen?
De politie heeft de nulmeting ten aanzien van de kritieke systemen in 2018/19 uitgevoerd om daarmee inzicht te krijgen in hoeverre deze systemen voldoen aan de verplichtingen in de Wet politiegegevens (Wpg) en aan het eigen beleid op dit terrein. Ten tijde van deze nulmeting voldeed het grootste deel van de 36 onderzochte applicaties niet aan alle wettelijke eisen. De mate waarin en de oorzaken hiervan zijn divers en zijn niet enkel gelegen in de betreffende ICT-systemen. Zo is uit evaluaties gebleken dat de Wpg niet goed aansluit op de technologische ontwikkelingen. Er wordt gewerkt aan een nieuw wettelijk kader.
Naar aanleiding van de nulmeting heeft de politie verbeteringen aangebracht. Zoals in het antwoord 2 en 3 is aangegeven betreft dit een doorlopend proces. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik u wederom naar het verslag van een schriftelijk overleg over de politie.3 Bij de ontwikkeling van nieuwe systemen worden de principes van Privacy and Security by Design gevolgd, zoals vereist in de Wpg sinds 2019.
Hoe kan het dat de politie jarenlang zelf de wet overtreedt, zonder dat er enig vooruitzicht is op het herstellen van de huidige problemen?
Zie de antwoorden 1 t/m 5 in het verslag van een schriftelijk overleg over de politie met betrekking tot datagebruik.4
Bent u op deze risico’s aangesproken door de Autoriteit Persoonsgegevens?
De AP heeft de Minister van Justitie en Veiligheid hier niet op aangesproken. Voldoen aan privacywetgeving is de verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke en dus van het desbetreffende bestuursorgaan zelf. Hierop houdt de AP toezicht en het contact op dit gebied verloopt tussen de AP en het betreffende bestuursorgaan. De politie is op deze risico’s overigens evenmin aangesproken door de AP. Organisaties horen natuurlijk niet te wachten tot ze aangesproken worden, zij zijn verplicht zelf actief aan de slag te gaan om te laten zien dat ze aan de wet voldoen. Dit vraagt om degelijke positionering en borging van het interne toezicht, hetgeen gestalte krijgt in de vorm van een Functionaris Gegevensbescherming (FG). De FG is de wettelijke, onafhankelijke, interne toezichthouder op het gebied van gegevensbescherming. De FG is niet verantwoordelijk voor het opstellen en naleven van het privacybeleid, maar houdt hier wel toezicht op en signaleert eventuele risico’s. De politie heeft zelf het initiatief genomen tot genoemde nulmeting.
Ook is er sprake van grootschalige dataverzameling door de krijgsmacht, het onderdeel LIMC. Op welke grond mag Defensie op zulke grote schaal data van Nederlandse burgers verzamelen en bewaren?
Op 27 november 2020 is uw Kamer per brief door de Minister van Defensie geïnformeerd over een eigenstandig onderzoek naar de naleving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bij de dataverzameling door het Land Informatie Manoeuvre Centre (LIMC) dat de FG Defensie verricht.5
De FG Defensie legt de resultaten van haar onderzoek en de aanbevelingen vast in een rapport. De Minister van Defensie zal dat rapport dan samen met haar appreciatie naar de Tweede Kamer sturen. Zoals ook gemeld in de brief van 15 december jl. wacht de Minister van Defensie voor de beantwoording van Kamervragen over het LIMC de resultaten van dit onderzoek af.6
Wie is verantwoordelijk voor het toezicht voor het verzamelen van de data door LIMC?
Welke waarborgen gelden bij het verzamelen van deze data?
Zijn er bewaartermijnen vastgelegd voor de verzamelde data?
Is de grootschalige verzameling van data door LIMC een manier om toezicht op het gebruik van gegevens (waaronder bulkdatasets), zoals vastgelegd in de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, te omzeilen?
Wat wordt verstaan onder «semi-openbare bronnen» waarvan LIMC informatie verzameld? Kunnen hier voorbeelden van worden gegeven?
Is er nog steeds sprake van het verzamelen van data op Nederlands grondgebied door LIMC of door andere onderdelen van Defensie? Is het programma nu definitief stopgezet? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Defensie heeft uw Kamer op 27 november 2020 per brief geïnformeerd dat zij in afwachting van de uitkomsten van het onafhankelijke onderzoek van de FG Defensie, heeft besloten het verzamelen en analyseren van informatie door het LIMC te staken. Het AVG-onderzoek bij LIMC is tevens aanleiding bij alle defensieonderdelen nadrukkelijk aandacht te besteden aan naleving van de AVG bij de verwerking van persoonsgegevens. Uit voorzorg is in afwachting van het onderzoek een aantal activiteiten aangepast of stilgelegd. Hierover wordt uw Kamer nader geïnformeerd door de Minister van Defensie in de brief met haar appreciatie bij het rapport van de FG over het LIMC.
In september 2020 kwam de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) met een kritisch rapport naar buiten over het verzamelen en bewaren van gegevens. Kunt u toelichten hoe de CTIVD oordeelt over de nieuwe tijdelijke maatregelen, genomen rondom de verzameling en opslag van bulkdata?
De CTIVD heeft in haar reactie op de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 gesteld dat dit beleid in het licht kan worden geplaatst van haar aanbeveling (in de rapporten 70 en 71) om overkoepelend beleid voor bulkdatasets te maken ongeacht de bevoegdheid waarmee deze zijn verkregen.7 Tevens merkt de CTIVD op dat, zoals ook de toelichting op het beleid duidt, het beleid onverlet laat dat de bepalingen van de Wiv 2017 onverkort van toepassing zijn. De CTIVD herhaalt in dit licht hetgeen zij in de rapporten 70 en 71 heeft gesteld omtrent de relevantiebeoordeling van gegevens in bulkdatasets. De CTIVD heeft op 13 januari jl. een technische briefing over dit onderwerp gegeven aan uw Kamer.
Bij de UWV bleken persoonsgegevens van miljoenen burgers in te zien door duizenden medewerkers. Hoe is het mogelijk dat zo veel ambtenaren toegang hebben tot gegevens van burgers die nu of in het verleden gebruik hebben gemaakt van het UWV?
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 5 oktober 2020, kent het systeem SONAR tekortkomingen op het gebied van informatiebeveiliging en privacy (IB&P).8 SONAR is een essentieel systeem voor de UWV dienstverlening aan werkzoekenden. In de kern zijn de informatiebeveiliging en privacy (IB&P) tekortkomingen van SONAR het gevolg van eerdere ontwerpkeuzes gericht op effectieve dienstverlening aan klanten. De wetgeving op het gebied van privacy – en vooral ook de maatschappelijke en politieke aandacht hiervoor – heeft de afgelopen jaren een grote ontwikkeling doorgemaakt. Waar de nadruk eerder juist lag op transparantie in het systeem, kwam er ook bij UWV steeds meer aandacht voor de risico’s voor privacy die hierbij kunnen ontstaan. Om de IB&P-risico’s van SONAR volledig in kaart te brengen heeft UWV het initiatief genomen voor een extern onderzoek. Uit dat onderzoek is onder meer gebleken dat de toegang tot gegevens in SONAR te breed is ingericht. In de Kamerbrief van 5 oktober jl.9 – en in meer detail in de brief Stand van de Uitvoering van december 202010 – is uiteengezet welke maatregelen UWV op korte en langere termijn neemt om de geconstateerde tekortkomingen op te lossen.
Waarom behouden ambtenaren bij het UWV toegang tot persoonsgegevens als zij deze gegevens niet nodig hebben voor hun werk?
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is van mening dat gegevens van burgers uitsluitend ingezien mogen worden door medewerkers die daartoe bevoegd zijn voor het uitvoeren van hun wettelijke taken. Het is belangrijk te benadrukken dat de gegevens in SONAR toegankelijk zijn voor geautoriseerde medewerkers en dat deze gegevens relevant zijn voor de belangrijke taak van UWV in de arbeidsbemiddeling. Geautoriseerde medewerkers hebben voor hun werkzaamheden toegang nodig tot een bepaalde set persoonsgegevens. Er is echter geconstateerd dat de toegang tot gegevens te breed is ingericht, waardoor geautoriseerde gebruikers toegang hebben tot gegevens die mogelijk niet direct noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun specifieke taken. Dat moet worden opgelost. UWV heeft een aanpak ontwikkeld om de IB&P-risico’s stap voor stap te mitigeren. SONAR wordt zoveel mogelijk verbeterd en in fases volledig vervangen.
Klopt het dat wettelijke bewaartermijnen van persoonsgegevens niet worden nageleefd? Hoe is dit mogelijk?
Het klopt dat UWV de bewaartermijn met betrekking tot persoonsgegevens in SONAR onvoldoende heeft nageleefd. Op grond van de Archiefwet hanteert UWV voor deze gegevens een bewaartermijn van 5 jaar. Derhalve dient UWV de gegevens van klanten die 5 jaar of langer inactief zijn, uit het systeem te verwijderen. De mogelijkheden om het systeem «te schonen» waren echter beperkt. Dit is één van de geconstateerde tekortkomingen die verholpen moeten worden. UWV heeft dit inmiddels met prioriteit opgepakt, en de gegevens van klanten die 5 jaar of langer inactief zijn, worden door UWV in het eerste kwartaal van 2021 verwijderd. In het vervolg wordt de bewaartermijn van persoonsgegevens in SONAR structureel nageleefd.
Binnen welke termijn stelt u dat het Sonar systeem bij het UWV wel conform de AVG werkt?
Niet alle IB&P kwetsbaarheden en tekortkomingen in relatie tot de AVG kunnen worden verholpen in het huidige systeem (SONAR). Daarom wordt SONAR zoveel mogelijk verbeterd en in fases volledig vervangen. De volledige vervanging van SONAR zal niet voor 2025 afgerond zijn. Met deze gefaseerde aanpak worden de IB&P risico’s stap voor stap verminderd, waardoor er ook in de aanloop naar de (volledige) vervanging van SONAR al in toenemende mate wordt voldaan aan de AVG. Hierbij prioriteert UWV de benodigde verbeteringen op basis van de aard en omvang van de geconstateerde IB&P risico’s. Uiteraard zou het wenselijk zijn dat alle tekortkomingen al eerder volledig opgelost worden. Tegelijkertijd is het essentieel dat de UWV dienstverlening aan klanten te allen tijde doorgang heeft. Dat maakt deze operatie bijzonder complex. UWV kiest daarom bewust voor een zorgvuldige, geleidelijke aanpak.
Gaat het UWV er in de toekomst voor zorgen dat persoonsgegevens van oud-klanten niet langer zo maar toegankelijk zijn?
De gegevens van klanten die 5 jaar of langer inactief zijn, worden door UWV verwijderd. Voor (oud-)klanten die minder dan 5 jaar inactief zijn is het – naast wettelijke verplichtingen die volgen uit de Archiefwet – ook onwenselijk om gegevens (eerder) te verwijderen, omdat een deel van deze klanten regelmatig in- en uitstroomt als gevolg van korte dienstverbanden of tijdelijk werk. Deze klanten zouden dan telkens opnieuw hun gegevens moeten doorgeven. UWV onderzoekt of het technisch mogelijk is om de gegevens van klanten in SONAR – gedurende inactiviteit – onzichtbaar te maken. De Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid blijft met UWV in gesprek over de ontwikkelingen in dit dossier en zal uw Kamer hierover steeds in de Stand van de Uitvoering informeren.
Kunt u toelichten hoe het mogelijk was dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) structureel bijzondere persoonsgegevens zeven jaar deelde met de politie, terwijl dit hoogstwaarschijnlijk niet was toegestaan?
Op 17 juli 2020 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd over de opschorting van de verstrekking van dagelijkse bezettingsgegevens van alle asielzoekers door het COA aan het Nationaal Vreemdelingen Informatieknooppunt (NVIK) van de politie.11 In de beantwoording op de vragen van lid Van Toorenburg (CDA) en de vragen van leden Verhoeven en Van Beukering-Huijbregts (beiden D66) benadrukken de Minister en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat er geen twijfel over de rechtmatigheid van de verstrekking mag zijn.12 Na onderzoek van het extern adviesbureau PMP blijkt dat deze verstrekking een onevenredige impact had op de persoonlijke levenssfeer van asielzoekers.13 In de afgelopen jaren is het belang van data-minimalisatie en databescherming duidelijk geworden. De ketenpartners hebben uit deze casus belangrijke lessen getrokken. Het NVIK is overgestapt naar het gebruik van de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) waarbij de privacy van asielzoekers is gewaarborgd en waardoor het delen van dagelijkse bezettingsgegevens van alle asielzoekers niet meer noodzakelijk is.
Kunt u onderbouwen waarom de politie structureel recht zou hebben op bijzondere persoonsgegevens als deze «incidenteel relevant» zouden kunnen zijn bij hun handhavingstaak?
Het NVIK is bevoegd om gegevens en inlichtingen op te vragen bij bestuursorganen ten behoeve van de uitvoering van de Vreemdelingenwet.14 Het rapport van het externe adviesbureau PMP stelt dat het NVIK de noodzaak van de verwerking van bijzondere persoonsgegevens heeft kunnen aantonen. Deze gegevens kunnen relevant zijn in de uitvoering van de toezicht- en handhavingstaken van de politie. Zo kunnen deze gegevens van belang zijn voor het voorkomen van geweldsincidenten en bij het opsporen van weggelopen asielzoekers. De juridische grondslag voor het gericht opvragen en verwerken van bijzondere persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van de Vreemdelingenwet staat daarmee ook niet ter discussie.
Acht u de bovenstaande grond voor het delen van gevoelige informatie, over de gezondheid of religieuze achtergrond, niet veel te breed en een onnodige inbreuk is op de persoonsgegevens van mensen die zich niet hebben misdragen?
Het NVIK vervaardigt informatieproducten voor de vreemdelingenketen. Met behulp van deze informatieproducten kan het NVIK trends met betrekking tot vreemdelingen waarnemen en daarop tijdig acteren. Hierbij zijn bijzondere persoonsgegevens relevante informatie om bijvoorbeeld ontwikkelingen van asielstromen in kaart te brengen. Geaggregeerde bijzondere persoonsgegevens zijn dus van belang bij een effectieve uitvoering van het vreemdelingenbeleid. Het NVIK werkt aan een werkwijze waarbij deze informatieproducten kunnen worden vervaardigd zonder dat de persoonlijke leefsfeer van asielzoekers onevenredig wordt geschaad.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onrechtmatig verzamelde data, zoals in de voorbeelden hierboven naar voren komen, die breed gedeeld wordt via samenwerkingsverbanden, zoals onder Wet Gegevensverwerking door Samenwerkingsverbanden (WGS), niet gebruikt gaat worden in geautomatiseerde analyses of beslissingen? Op welke wijze gaat u de risico’s hierop minimaliseren?
In aanvulling op het algemene regels uit de AVG, voorziet de WGS in diverse aanvullende waarborgen. Zo beoordelen de verplichte rechtmatigheidsadviescommissies de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens en doen zij aanbevelingen op dat vlak. Daarnaast zijn er onafhankelijke privacy audits; elk samenwerkingsverband wordt periodiek doorgelicht op compliance met de AVG en de WGS. De resultaten van de privacy audits moeten worden toegezonden aan de AP. Tevens komt er een coördinerende functionaris voor de gegevensbescherming, voor de coördinatie van het bestaande toezicht door de functionarissen voor de gegevensbescherming.
Kunt u toelichten wat er gebeurt met gedeelde data die onrechtmatig blijkt te zijn verkregen?
De WGS bevat een transparantieplicht over de gehanteerde patronen en indicatoren of andere onderliggende logica (artikel 1.9, derde lid). Het resultaat van geautomatiseerde gegevensanalyse mag uitsluitend worden gedeeld na menselijke tussenkomst, waarbij wordt beoordeeld of het resultaat op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Daarbij moet uitleg worden gegeven over gehanteerde patronen, indicatoren en andere onderliggende logica. Zo wordt voorkomen dat een niet op juistheid en objectiviteit geverifieerd signaal wordt verstrekt, en dat ten onrechte een risico wordt gesignaleerd. Onrechtmatige data zullen worden hersteld en niet worden gebruikt als sturingsinformatie of interventie-advies. Tot slot verbiedt de WGS oncontroleerbare of onnavolgbare algoritmes (artikel 1.9, zesde lid, zoals ingevoegd bij amendement van de leden Van Nispen (SP) en Buitenweg (GroenLinks).
In de hier boven geschetste kwesties komt naar voren dat het afgelopen jaar overheidsinstanties, die zelf de wet moeten handhaven, de wet overtreden door onrechtmatig data van burgers te verzamelen en te gebruiken. Hoe kan het dat er niet gehandhaafd wordt op wetshandhavers die de wet overtreden?
Het is van belang om per casus te beoordelen welke wetgeving van toepassing is.
In het geval dat de AVG of WPG van toepassing is op de verwerking van gegevens ziet de AP toe op naleving, ook door de overheid. De AP heeft het thema «digitale overheid» voorts aangewezen als één van haar focusgebieden voor de periode 2020–2023.15 Verder heeft de AP geadviseerd over voorgenomen verwerkingen door de overheid en bijbehorende wettelijke grondslagen, zoals de adviezen over de trajecten om gegevens in te zetten ter bestrijding van de COVID-19 pandemie.
Het is vervolgens aan de toezichthouder in kwestie om per casus te bepalen of er een onrechtmatige gegevensverwerking plaats heeft gevonden. Indien dit het geval is wordt er ook ten aanzien van wetshandhavers door de toezichthouder in kwestie gehandhaafd.
Hoe is de Minister voor Rechtsbescherming van plan om in de toekomst soortgelijke overtredingen die hierboven zijn geschetst Rijksbreed te voorkomen?
Er is wet- en regelgeving over verwerken van gegevens, dit omvat ook de verzameling van gegevens. Dit betreft in hoofdzaak de normen uit het bestuurs- en gegevensbeschermingsrecht. Kern van die wetgeving is dat gegevensverwerkingen binnen de overheid, rechtmatig, behoorlijk en transparant zijn en berusten op een wettelijke grondslag. Dit is neergelegd in de AVG en uitgewerkt in de UAVG. Voor politie en justitie geldt de richtlijn politie en justitie, die is neergelegd in de Wpg en de WjSG. Op grond van de AVG is vereist dat overheidsorganisaties, indien zij gegevens verzamelen ten behoeve van een wettelijke taak, daarvoor een wettelijke grondslag hebben, met de nodige waarborgen. Dit kan uitgewerkt worden in sectorale wetgeving. Conform de systematiek van genoemde wetgeving is het aan de overheidsorganisatie in kwestie om er zorg voor te dragen dat de verwerking past binnen de wettelijke grondslag en geschiedt op een wijze zoals in de wet voorzien. Dit omvat logischerwijs mede dat het beginsel van doelbinding wordt gerespecteerd; en verzamelde gegevens dus niet voor een ander doel worden gebruikt. De overheidsorganisatie in kwestie moet aan de toezichthouder aan kunnen tonen dat haar gegevensverwerking rechtmatig, behoorlijk en transparant is en voldoet aan de in de AVG en nationale wetgeving gestelde eisen. Zoals in antwoord 25 aangegeven is het aan de toezichthouder, en in voorkomend geval de rechter, om te beoordelen of overheidsorganisaties conform deze wetgeving hebben gehandeld bij de verzameling van gegevens.
In aanvulling hierop wordt vanuit het Rijk gewerkt aan een verbetering van haar informatiehuishouding. Het stelt hiervoor meerjarenplannen op. Hier komt bij dat er door het kabinet beleid wordt gevoerd om het analyseren van rechtmatig verzamelde data aan verdere waarborgen te onderwerpen. Dit doet het door in te zetten op verdere waarborgen vóór (algoritmische) data-analyse en de ontwikkeling van een mensenrechten impact assessment, als door in te zetten op extra normen die in acht moeten worden genomen wanneer data-analyse wordt toegepast (de richtlijnen voor data-analyse door de overheid).16 Over de stand van zaken betreffende deze initiatieven wordt uw Kamer dit kwartaal nog nader geïnformeerd.
Toont deze lange lijst van misstanden niet aan dat de Autoriteit Persoonsgegevens beschikking moet krijgen over meer middelen, zodat er adequaat toezicht op naleving van privacywetgeving kan worden gehouden?
De resultaten van het vorig jaar uitgevoerde onderzoek van KPMG naar taken en middelen van de AP laten zien dat zowel het werkveld als de organisatie van de AP nog volop in ontwikkeling is. De AP heeft in de afgelopen jaren steeds extra budget toegekend gekregen om haar taken uit te kunnen voeren. Eind 2020 heeft de AP nog eens 4,7 miljoen euro extra ontvangen voor het oplossen van incidentele problematiek en voor het doen van een investering in haar bedrijfsvoering. Voor 2021 is haar budget éénmalig verhoogd naar in totaal 24,6 miljoen euro. Zoals de Minister voor Rechtsbescherming per brief van 19 november 2020 en tijdens het debat over het privacylek in de systemen van de GGD van 3 februari jl. heeft medegedeeld, is het aan een volgend kabinet om te besluiten over een eventuele structurele verhoging van de middelen van de AP. De Minister voor Rechtsbescherming gaat in zijn brief, in antwoord op de aangenomen motie, hier nader op in.17
Kunnen deze vragen ieder apart worden beantwoord?
De vragen zijn zoveel mogelijk separaat beantwoord.
Overlastgevende asielzoekers in de omgeving van AZC Budel |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Asielzoekers trekken broek omlaag en zorgen voor overlast op oprit in Maarheeze»?1
Ik heb kennisgenomen van het door u aangehaalde, zorgelijke bericht. Asielzoekers dienen zich, net als ieder ander, te gedragen en zich aan de regels te houden. Het overgrote deel van de asielzoekers gedraagt zich goed. Doordat een kleine groep zich misdraagt, ondervinden omwonenden, winkeliers, vervoerders, medewerkers in de migratieketen en medebewoners overlast. Bovendien wordt het draagvlak voor de opvang van diegenen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging aangetast. Dit is volstrekt onacceptabel.
Klopt het dat de politie niet kwam opdagen na een melding van 112 omdat de dienstdoende eenheid het te druk had?2
Nee. Een surveillance-eenheid had de opdracht ontvangen om ter plaatse te gaan voor de desbetreffende melding. De eenheid kreeg kort daarop een zogenaamde prio-1-melding, waarbij directe inzet van de politie noodzakelijk is. Daarmee kreeg de prio-1-melding voorrang op het genoemde incident. De politie heeft kort daarna contact opgenomen met de meldster om te vragen of het incident nog actueel was. De betreffende personen waren inmiddels vertrokken en vervolgens is dezelfde avond geen eenheid meer ter plaatse gestuurd.
Deelt u de mening dat het tekort aan politie-inzet onaanvaardbaar is? Bent u bereid de politiecapaciteit in dit gebied fors uit te breiden dan wel te verdubbelen?
Ik begrijp dat omwonenden overlast willen aanpakken, tegelijkertijd is de inzet van knokploegen onaanvaardbaar. Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldsmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de gewapende macht van de overheid (de krijgsmacht) en de politie. De regioburgemeester en de regionale politiechef gaan over de lokale politiecapaciteit. Daar ligt de bevoegdheid om de politiecapaciteit in Cranendonck eventueel uit te breiden.
Deelt u de mening dat de inzet van knokploegen onaanvaardbaar is, maar dat u dan wel moet zorgen voor voldoende politiecapaciteit?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat sprake is van een onhoudbare situatie in de dorpen Maarheeze en Budel? Wat onderneemt u tegen het feit dat mensen niet meer de straat op durven te gaan?
Ik hecht eraan te benadrukken dat ieder incident er een teveel is. Dit kan leiden tot een gevoel van onveiligheid en een vermindering van draagvlak voor de opvang van personen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging. Ik zet in op een stevige aanpak van overlast om dit te voorkomen. Het gevoel van onveiligheid in Cranendonck is zorgelijk. Desondanks ben ik ervan overtuigd dat de inspanningen die worden verricht om het gevoel van onveiligheid weg te nemen en de overlast in de gemeente Cranendonck aan te pakken ervoor zorgen dat de situatie niet onhoudbaar is. Een van de maatregelen die ik specifiek heb getroffen om de overlast in de gemeente Cranendonck te bestrijden is de inzet van ketenmariniers. De ketenmariniers sturen aan op de samenwerking tussen verschillende betrokken partijen in de aanpak van overlast. Een van de vier ketenmariniers houdt iedere vrijdag kantoor in het centrum van Maarheeze en Budel. Inwoners en ondernemers kunnen bij de ketenmarinier terecht met hun vragen en zorgen met betrekking tot overlast van bewoners van het azc. Daarnaast heb ik de gemeente gefaciliteerd om lokale maatregelen tegen overlastgevende asielzoekers te nemen, zoals het inzetten van extra toezicht. Met de gemeente is een goede samenwerking met betrekking tot de verschillende mogelijkheden om deze overlastgevers aan te pakken. Het COA organiseert periodiek een overleg voor omwonenden waar allerhande zaken aan de orde komen en is er regelmatig contact met de ondernemers.
Het COA heeft een breed palet aan maatregelen beschikbaar om overlastgevende asielzoekers stevig aan te pakken. Hierbij valt te denken aan overplaatsing door het COA naar de Handhaving- en Toezichtlocatie (htl), waar een streng regime heerst en een gebiedsbeperking wordt opgelegd. Door middel van de zogenaamde landelijke Top-X lijst wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid maandelijks in kaart gebracht wie de meest hardnekkige overlastgevende en criminele asielzoekers zijn. Zij kunnen rekenen op een individuele aanpak en staan onder verscherpt toezicht van betrokken partijen, waardoor asielaanvragen bijvoorbeeld versneld worden afgedaan. Binnen de privacymogelijkheden verken ik hoe gegevens gedeeld mogen worden met het lokaal bestuur, het Openbaar Ministerie en vervoerders, zodat de integrale samenwerking tussen alle betrokken partijen in het kader van de aanpak van deze overlastgevers en criminelen kan worden geoptimaliseerd. Al deze maatregelen zijn gebundeld in een toolbox. Deze heb ik samen met mijn brief van 10 november 2020 met uw Kamer gedeeld3 . Wanneer aangifte wordt gedaan van crimineel gedrag, leggen de politie en het OM ook strafrechtelijke maatregelen op.
De opvanglocatie Budel-Cranendonck heeft, evenals de opvanglocatie Ter Apel, sinds september 2020 een speciale versoberde opvangmodaliteit voor personen met een kansarme asielaanvraag wiens asielaanvraag wordt afgedaan in spoor 2. Dit betreft onder meer personen uit een veilig land van herkomst, die relatief vaak met overlastgevend gedrag in verband worden gebracht. De versoberde opvang moet deze groep ontmoedigen om een kansarme asielaanvraag in te dienen in Nederland.
Welke sancties worden getroffen tegen de overlastgevers?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de uitbreidingsplannen van het asielzoekerscentrum opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden? Zo nee, hoe voorkomt u dat de weerstand steeds groter wordt?
De herontwikkeling van de COA-opvanglocatie is geen uitbreiding, maar een renovatie. Het aantal opvangplekken blijft gelijk. Voor de uitvoering van het regeerakkoord uit 2014 is besloten een aantal Gemeenschappelijke Vreemdelingenlocaties (GVL) te ontwikkelen om het asielproces effectief uit te voeren. In de samenwerkingsovereenkomst met de gemeente is aangegeven dat de migratieketen de intentie heeft om zich langdurig te vestigen op het opvangcentrum, ten einde invulling te geven aan het regeerakkoord en op deze GVL gezamenlijk het asielproces effectief en zorgvuldig uit te voeren. Vanwege deze langdurige vestiging is het COA, namens de migratieketen, voornemens de locatie duurzaam te herontwikkelen. De gemeenteraad van Cranendonck volgt het proces zeer kritisch en nauwgezet, waardoor aanvullende vragen zijn gesteld.
Deze opvanglocatie levert – naast investeringen in duurzame ontwikkeling van het terrein – veel directe en indirecte arbeidsplaatsen op, die ook lokaal ingevuld worden. Tevens is er -naast de reguliere vergoedingen aan gemeente en inkoop van het COA bij lokale ondernemers- sprake van bestedingen door asielzoekers bij de lokale middenstand. Ik vertrouw erop dat de gemeente en het COA met elkaar op een constructieve manier het gesprek vervolgen.
Bent u bereid met de inwoners van Cranendonk in gesprek te gaan over oplossingen? Zo nee, waarom laat u deze mensen in de steek?
Tussen het departement, het COA en de gemeente is regelmatig contact over de aanpak van de overlastproblematiek. Hierbij is de ketenmarinier het eerste aanspreekpunt voor omwonenden, maar kan men ook direct terecht bij het COA terecht voor een gesprek, bijvoorbeeld op een van de bijeenkomsten voor omwonenden.
De coronabesmettingen in het gevangeniswezen |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw verklaring voor het feit dat het aantal coronabesmettingen in detentie nu zo veel hoger is dan eerder in deze coronapandemie? Wat zijn de meest actuele besmettingscijfers?
Zoals in eerdere brieven en in antwoorden op schriftelijke vragen is gemeld, hanteert DJI de richtlijnen van het RIVM. Daarnaast treft DJI treft aanvullende maatregelen. Dit wil echter niet zeggen dat besmettingen volledig kunnen worden voorkomen. De meest aannemelijke verklaring is dat het virus, net als buiten in de maatschappij, meer besmettingen veroorzaakt. Dit was ook aanleiding om extra maatregelen te treffen zoals ik in mijn brief van 22 januari jl. heb gemeld.
Op peildatum 3 februari zijn 12 justitiabelen, verdeeld over zeven inrichtingen, besmet met het coronavirus. In de overige inrichtingen zijn op dit moment geen besmettingen.
Hoe verklaart u het hoge aantal besmettingen in de PI Ter Apel? Hoe is dat volgens u ontstaan? Wat is uw reactie op de beweringen dat corona hier niet serieus is genomen, dat wel 70 mensen in een ruimte zijn geweest, afstand houden nauwelijks gebeurde en ondersteunend kantoorpersoneel niet thuis mocht werken? Bent u bereid dit te laten onderzoeken?1
In de PI Ter Apel zijn er afdelingen met meer dan 70 gedetineerden. Het is ook voorgekomen dat gedetineerden van een afdeling tegelijk werden uitgesloten. Ook verbleven zij bij deelname aan activiteiten binnen het dagprogramma in één ruimte. Hoewel dit met inachtneming van de RIVM-richtlijnen gebeurde, heeft de PI Ter Apel zich niet aan de interne DJI richtlijn gehouden om voor deelname aan groepsactiviteiten een grootte van 30 personen aan te houden.2 De directeur is op dit punt om meer scherpte gevraagd. Uit het bron en contactonderzoek van de GGD is overigens geen directe verklaring gevonden voor het hoge aantal besmettingen in de PI Ter Apel.
Vanaf het begin is het de prioriteit van de PI Ter Apel geweest om het virus buiten de muren te houden. Onder andere door het naleven van de RIVM-richtlijnen van de 1,5 meter afstand en extra hygiëne. Het personeel van de PI Ter Apel dat niet direct betrokken is in het vitale uitvoeringsproces werkt zoveel mogelijk vanuit huis. De inrichting is er met deze inspanningen tot 15 december 2020 in geslaagd om het virus buiten de muren te houden. Door de recente verspreiding van het virus en het hoge aantal besmettingen heeft de directie van de PI Ter Apel besloten de groepsgrootte voor deelname aan activiteiten te verkleinen. In goed overleg met de ondernemingsraad is een nieuw dagprogramma vastgesteld. Hierdoor wordt vermenging tussen groepen gedetineerden zoveel mogelijk voorkomen en zal bij eventuele toekomstige besmettingen de verspreiding van het virus binnen de PI beperkt blijven.
Waarom is er zoveel ruimte voor lokaal beleid en zijn er niet eerder duidelijke landelijke regels vastgesteld, bijvoorbeeld over thuiswerkend personeel (voor zover mogelijk), niet noodzakelijke externen of onderhoudswerkzaamheden tijdelijk buiten houden en het verbieden van het bijeenkomen van grote groepen? Had dit niet eerder verboden kunnen worden?
In eerdere brieven en in antwoorden op schriftelijke vragen heb ik gemeld dat DJI de landelijke RIVM-richtlijnen volgt.3 Dat wil ook zeggen: personeel werkt zo veel als mogelijk thuis. Zo lang de maatregelen in acht worden genomen, kunnen bepaalde (onderhouds-)werkzaamheden doorgang vinden. Wel wordt altijd kritisch naar de noodzakelijkheid van deze werkzaamheden gekeken.
Zoals gezegd heeft DJI, onder andere vanwege de doelgroep en gesloten setting, landelijk aanvullende maatregelen genomen. Ik noem hierbij de plaatsing van gedetineerden op een eenpersoonscel bij binnenkomst, bezoek achter glas, beperken van verlof en opschorten van fysiek bezoek van ketenpartners.
Binnen deze landelijke maatregelen heeft de directeur van een inrichting ruimte voor lokale maatregelen. Hij is immers verantwoordelijk voor het beheer van de inrichting. Dit betekent dat hij maatregelen kan en moet nemen als het gaat om de orde en veiligheid en de gezondheid van medewerkers en gedetineerden. Als de directeur maatregelen treft, bijvoorbeeld bij een uitbraak, gebeurt dit altijd in nauw overleg met de directie van DJI.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om corona zoveel mogelijk buiten de gevangenismuren te houden?
In mijn brief van 22 januari jl. heb ik uw Kamer reeds geïnformeerd over de extra maatregelen die zijn getroffen bij DJI.4
Bent u bereid het verbod op het dragen van mondkapjes door gedetineerden te heroverwegen?
In mijn brief van 22 januari jl. heb ik uw Kamer reeds geïnformeerd over het gewijzigde beleid voor het dragen van mondkapjes binnen de inrichtingen van DJI.
Naar aanleiding van het OMT-advies is besloten het gebruik van niet-medische mondmaskers in alle inrichtingen van DJI voor medewerkers, bezoekers en justitiabelen te verplichten daar waar het houden van 1,5 meter afstand binnen de inrichting niet mogelijk is.5 Wanneer de 1,5 meter afstand wel aan te houden is staat het justitiabelen in beginsel vrij een mondkapje te dragen.
Bent u bereid het gebruik van meerpersoonscellen zo snel mogelijk terug te dringen of af te schaffen?
Ik acht het gebruik van meerpersoonscellen voor gezonde gedetineerden een volwaardige en passende vorm van detentie. Gedetineerden worden bij binnenkomst eerst acht dagen op een eenpersoonscel geplaatst. Mocht een vermoedelijke besmetting op een meerpersoonscel toch voorkomen, dan worden de gedetineerden direct op een eenpersoonscel geplaatst. Beide gedetineerden worden vervolgens gemonitord op coronagerelateerde klachten. De bezetting van meerpersoonscellen is sinds de uitbraak van het coronavirus fors gedaald. Vanaf de start van de coronamaatregelen medio maart 2020 is er binnen de bezetting van meerpersoonscellen ruimte gecreëerd voor het isoleren van gedetineerden met coronagerelateerde klachten.
Hoe vaak wordt er nu preventief getest voordat personeel en bezoekers de inrichting binnen gaan? Kan dat geïntensiveerd worden, om het idee van het werken en verblijven in de beschermde bubbel zoveel mogelijk te benaderen?
Het OMT heeft in haar advies het belang van het vroegtijdig signaleren, traceren en isoleren van het virus, in samenwerking met de GGD, benadrukt. Preventief testen kan hierbij een belangrijke rol spelen.
Personeel en bezoekers worden op dit moment niet preventief getest bij binnenkomst. Wel worden medewerkers en bezoekers gevraagd de inrichting niet te betreden bij klachten. Personeel kan zich bij klachten laten testen door de GGD of in de door DJI ingerichte teststraten.
Aanvullend hierop worden bij meerdere besmettingen binnen een inrichting alle justitiabelen en medewerkers, in overleg met de GGD, preventief getest. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van 22 januari jl.
Bent u bereid er voor te zorgen dat overal geregeld wordt dat mensen die niet direct in het primaire proces werken en noodzakelijk binnen moeten zijn voor de orde in de inrichtingen ook echt thuis kunnen werken?
Alle medewerkers van DJI met een niet-vitale functie werken zoveel mogelijk thuis. Voor hen geldt dat ze alleen naar het werk komen als dat met de leidinggevende is afgesproken en noodzakelijk is voor het primaire proces. Rijksbreed worden medewerkers gefaciliteerd in het thuiswerken, door het aanbieden van o.a. ICT- en arbomiddelen. Dit geldt ook voor DJI personeel.
Bent u bereid met spoed de mogelijkheden te bezien om de Skype-verbindingen te verbeteren, gelet op het feit dat daar veel klachten over zijn en dat kan compenseren dat bezoek en externen soms buiten gehouden zullen moeten worden?
Ja, zoals ik uw Kamer in antwoord op vragen van de leden Van Toorenburg (CDA) en Van Nispen (SP) heb laten weten zijn reeds aan het begin van de corona-uitbraak, als alternatief voor bezoek, voorzieningen getroffen waarmee gedetineerden middels iPads met Skype kunnen beeldbellen.6 Deze alternatieven zijn nog altijd in gebruik en worden in de komende periode geoptimaliseerd door de inzet van nieuwe apparaten en applicaties.
Hoe pakt de vaccinatiestrategie precies uit voor het gevangenispersoneel? Klopt het dat sommigen, zoals de mensen die werken op een PPC of in het JCvSZ wel eerder worden gevaccineerd en anderen niet, maar dat de mensen die geen voorrang hebben bij vaccineren dan soms wel in zullen moeten vallen op deze afdelingen? Hoe werkt dit en hoe verklaart u dat?
In de bestrijding van de coronacrisis richt de aanpak van het kabinet zich op twee doelen: het zo goed mogelijk beschermen van mensen met een kwetsbare gezondheid en zorgen dat de zorg niet overbelast raakt. Dit is ook leidend in de vaccinatiestrategie. Op advies van de Gezondheidsraad is besloten te beginnen bij de groepen mensen die het meest kwetsbaar zijn en bij de zorgmedewerkers die voor hen zorgen. Onderdeel hiervan zijn de zorgmedewerkers binnen de intramurale GGZ (inclusief forensische zorg) en zorgmedewerkers binnen verpleeghuizen. De medewerkers van de PPC’s en het JCvSZ vallen hier ook onder. Deze strategie is leidend en vaccinaties worden door het RIVM op dit moment alleen vrijgegeven voor personen die tot een van deze doelgroepen behoren.
Het klopt dus dat zorgmedewerkers binnen de PPC’s en het JcVSZ van DJI eerder worden gevaccineerd dan andere zorgmedewerkers en niet-zorgmedewerkers, waaronder invallers. DJI spant zich in om zoveel als mogelijk gevaccineerde medewerkers in te zetten in de PPC’s en het JCvSZ. Hierbij merk ik op dat vaccinatie op basis van vrijwilligheid is: DJI kan dit niet als voorwaarde stellen. DJI kan ook niet garanderen dat invallers altijd gevaccineerd zijn maar streeft hier uiteraard wel naar.
Bent u bereid het gevraagde OMT-advies over het gevangeniswezen direct aan de Kamer te sturen zodra het verschijnt en de Kamer te informeren tot welke nieuwe maatregelen dit gaat leiden?
Ja. In mijn brief van 22 januari jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het OMT en mijn reactie daarop.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De rol van het Inlichtingenbureau bij de opsporing van bijstandsfraude |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Bas van 't Wout (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Deze zoektocht naar boodschappenfraude is ondemocratisch»?1
Welke bevoegdheden heeft het Inlichtingenbureau bij de opsporing van uitkeringsfraude?
In welke gevallen wordt het Inlichtingenbureau ingeschakeld? Zijn gemeenten verplicht tot het inschakelen van het bureau?
Welke democratische controle is er op het Inlichtingenbureau? Hoe wordt bijvoorbeeld de Kamer op de hoogte gehouden?
Waarom zijn opsporingsbevoegdheden ondergebracht in een private stichting die formeel geen enkele verantwoording verschuldigd is aan vertegenwoordigende lichamen?
Deelt u de mening dat democratische controle over dit soort bevoegdheden cruciaal is? Zo ja, gaat u ervoor zorgen dat deze taken niet langer door een private stichting worden uitgevoerd?
Klopt het dat u de huidige juridische status «verwarrend en onduidelijk» vindt, zoals Trouw schrijft? Op welke manier gaat u deze constructie veranderen per 1 juli? Krijgt de Kamer hierover inspraak?2
Wat zijn de werkinstructies voor medewerkers van het Inlichtingenbureau betreffende verhoormethoden, privacy, huiszoekingen en afluisterpraktijken?
Worden mensen die verhoord worden door medewerkers van het Inlichtingenbureau altijd gewezen op hun rechten? Is een advocaat aanwezig tijdens de verhoren?
Gebruikt het Inlichtingenbureau Syri of soortgelijke systemen? Over welke gegevensbestanden kan het Inlichtingenbureau beschikken?
Waarom kan over deze stichting niet geklaagd worden bij de Ombudsman? Gaat u ervoor zorgen dat klachten hieromtrent wel bij de Ombudsman ingediend kunnen worden?
Deelt u de mening dat «burgers negen van de tien keer geen idee hebben welke gegevens waar worden gedeeld en hoe ze die kunnen opvragen»? Bent u het er mee eens dat dit wordt veroorzaakt «door de lappendeken aan stichtingen die persoonsgegevens verwerken»? Wat onderneemt u hiertegen?
De rol van het Inlichtingenbureau bij de opsporing van bijstandsfraude |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Deze zoektocht naar boodschappenfraude is ondemocratisch»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht en maak graag gebruik van de door u gestelde vragen om de taken en positie van het Inlichtingenbureau (IB) toe te lichten.
Welke bevoegdheden heeft het Inlichtingenbureau bij de opsporing van uitkeringsfraude?
Het IB verwerkt (persoons)gegevens en ondersteunt daarmee gemeenten bij het vaststellen van de rechtmatigheid in de uitvoering van hun taken. Dit doet het IB op vier beleidsterreinen: Werk en Inkomen, Onderwijs, Belastingen en Wmo en Jeugdzorg. Het IB fungeert hierin als informatieknooppunt. Door de juiste informatie van de benodigde bronnen terug te koppelen aan gemeenten, kunnen de gemeenten zich concentreren op de inhoudelijke vaststelling. Daarmee speelt het IB een waardevolle rol bij de vaststelling van het recht op uitkeringen door gemeenten. Bovendien wordt zo voorkomen dat alle gemeenten afzonderlijk de verscheidene benodigde gegevensbronnen hoeven te raadplegen. De informatieverschaffing aan gemeenten is hiermee veiliger en efficiënter ingericht.
Een praktisch voorbeeld is het zogenaamde Digitaal Klantdossier. In de Participatiewet is vastgelegd dat gemeenten de wettelijke taak hebben om bijstandsuitkeringen te verstrekken, en ook om zowel bij aanvang als tijdens de looptijd van de uitkering de rechtmatigheid te controleren. Door gegevenskoppeling door het IB kunnen gemeenten hiervoor de correcte gegevens van diverse overheidsinstanties inzien. Dit kan een gemeenteambtenaar vervolgens helpen om te bepalen of iemand recht heeft op een bijstandsuitkering, doordat hij of zij kan zien of iemand een dienstverband heeft met inkomsten of recht heeft op een andere uitkering.
Gemeenten zijn niet verplicht om van de diensten van het IB gebruik te maken, maar zij kunnen op eigen initiatief een beroep doen op het IB. Nog een voorbeeld is dat gemeenten eenvoudig inzicht kunnen krijgen in de mensen die recht hebben op (gedeeltelijke) kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen, waardoor die burgers daar zelf – na dat eenmaal te hebben gedaan en toestemming te hebben gegeven voor deze dienstverlening – niet jaarlijks een aanvraag voor hoeven te doen.
De rol van het IB als informatieknooppunt voor gemeenten is bij wet in het leven geroepen. Zelf heeft het IB geen opsporingsbevoegdheid en het IB is niet verder betrokken bij de handhaving op mogelijke uitkeringsfraude.
In welke gevallen wordt het Inlichtingenbureau ingeschakeld? Zijn gemeenten verplicht tot het inschakelen van het bureau?
Zie antwoord vraag 2.
Welke democratische controle is er op het Inlichtingenbureau? Hoe wordt bijvoorbeeld de Kamer op de hoogte gehouden?
Bij de oprichting van het IB is voor een duidelijke scheiding tussen beleid, uitvoering en toezicht gekozen door de structuur van een private stichting. De bestuurlijke relatie tussen het IB en de Minister van SZW volgt uit de publieke taak van het IB zoals opgenomen in de Wet Structuur uitvoering werk en inkomen (Wet SUWI), het Besluit SUWI (§ 5.7) en de statuten van de Stichting IB. Ik deel de mening dat democratische controle van bevoegdheden cruciaal is. Dit bestaat in de eerste plaats uit controle door de formele wetgever, via het formuleren van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het IB. De Minister van SZW ziet er als opdrachtgever op toe dat het IB in lijn met deze wettelijk omschreven taken en bevoegdheden handelt. Er zijn geen aanwijzingen dat in strijd daarmee is of wordt gehandeld.
Verder legt het IB verantwoording af in de vorm van een jaarverslag, accountantscontrole en externe onafhankelijke EDP-audit op de gegevensverwerking (vanuit informatieveiligheidsperspectief). De rechtsvorm van private stichting staat niet aan deze vormen van controle in de weg.
Het IB levert informatiediensten aan gemeenten op basis van een wettelijke taak, als omschreven in de artikelen 1 van de Wet SUWI en 5.24 van het Besluit SUWI. De werkzaamheden van het IB zijn in lijn met deze regelgeving intermediair en ondersteunend aan de uitvoering van gemeentelijke regelgeving. Daarbij is aan het IB geen opsporingsbevoegdheid toegekend. Het IB zorgt er slechts voor dat, zoals bijvoorbeeld beschreven bij vraag 2 en 3, een bevoegde -dat wil zeggen daartoe geautoriseerde – gemeenteambtenaar eenvoudig inzicht krijgt in relevante gegevens van mensen die recht hebben op bijvoorbeeld kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Als die gegevens aanleiding geven tot verder onderzoek, dan wordt dat bepaald door de gemeenteambtenaar.
Waarom zijn opsporingsbevoegdheden ondergebracht in een private stichting die formeel geen enkele verantwoording verschuldigd is aan vertegenwoordigende lichamen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat democratische controle over dit soort bevoegdheden cruciaal is? Zo ja, gaat u ervoor zorgen dat deze taken niet langer door een private stichting worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat u de huidige juridische status «verwarrend en onduidelijk» vindt, zoals Trouw schrijft? Op welke manier gaat u deze constructie veranderen per 1 juli? Krijgt de Kamer hierover inspraak?2
Deze classificering betrof specifiek de juridische status van het IB als verwerker in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de omstandigheid dat alleen individuele gemeenten als verwerkingsverantwoordelijke aangesproken kunnen worden op de naleving van de AVG-verplichtingen door het IB.
In het huidige stelsel fungeert het IB, vanuit zijn eigen dienstenaanbod, als intermediair tussen gemeenten en bronpartijen. Deze bronpartijen zijn wettelijk bepaald en ten aanzien daarvan biedt het IB standaard-informatieproducten aan die individuele gemeenten kunnen afnemen. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) constateerde dat de gegevensverwerkingen die gepaard gaan met deze intermediaire rol de reikwijdte overstijgen van de verantwoordelijkheden van individuele gemeenten. Daarom is in samenspraak met de AP een wijziging van het Besluit SUWI opgesteld om de situatie te verduidelijken en meer in lijn te brengen met de rol van het IB als stelselvoorziening. Hierbij is de aanwijzing van het IB als gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke, samen met de per geval betrokken gemeente, passender.
Dit wordt geregeld met een wijziging van het Besluit SUWI. De wijziging is, na advisering door AP en Raad van State, al vastgesteld door de ministerraad en reeds bekrachtigd door de Koning. De wijziging wordt binnenkort gepubliceerd en zal op de derde maand na publicatie ingaan. Daarmee wordt het IB samen met de betrokken colleges van burgemeester en wethouders gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijk als bedoeld in artikel 26 van de AVG.
Wat zijn de werkinstructies voor medewerkers van het Inlichtingenbureau betreffende verhoormethoden, privacy, huiszoekingen en afluisterpraktijken?
Medewerkers van het IB hebben geen opsporingsbevoegdheden en houden zich niet bezig met huiszoekingen, verhoormethoden of afluisterpraktijken. Hier zijn dan ook geen werkinstructies voor.
Worden mensen die verhoord worden door medewerkers van het Inlichtingenbureau altijd gewezen op hun rechten? Is een advocaat aanwezig tijdens de verhoren?
Zie antwoord vraag 8.
Gebruikt het Inlichtingenbureau Syri of soortgelijke systemen? Over welke gegevensbestanden kan het Inlichtingenbureau beschikken?
In het verleden – inmiddels is SyRI buiten werking – was het IB verwerker voor SyRI-projecten.
Het IB koppelt bestanden, maar kent hierbij zelf geen scores toe op basis waarvan wel of juist géén informatie verzameld, verrijkt en beschikbaar gesteld wordt. Het IB gebruikt ook geen andere programma’s of algoritmen die voorspellende, classificerende of associërende elementen hebben. Omdat het IB slechts zorgt voor de bestandskoppeling van bestanden uit verschillende gegevensbronnen, beschikt het IB zelf niet direct over de gegevensbestanden. (Persoons)gegevens van bijvoorbeeld de RDW of UWV zijn voor het IB beschikbaar om informatie op te halen, waarmee die gemeenten vervolgens de rechtmatigheid van een uitkering vast kunnen stellen of juist kwijtschelding van lokale lasten kunnen verlenen.
Waarom kan over deze stichting niet geklaagd worden bij de Ombudsman? Gaat u ervoor zorgen dat klachten hieromtrent wel bij de Ombudsman ingediend kunnen worden?
De taken en bevoegdheden van de Nationale ombudsman zijn vastgelegd in de Wet op de Nationale ombudsman en de Algemene Wet bestuursrecht. De Nationale ombudsman bepaalt zelf waar hij onderzoek naar doet of op welke klachten hij ingaat.
Op de verwerking van persoonsgegevens door het IB zijn de waarborgen van de AVG en de rechten die in dat kader aan burgers zijn toegekend, van toepassing. Een burger die meent dat sprake is van een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens, kan een klacht indienen bij de AP.
Deelt u de mening dat «burgers negen van de tien keer geen idee hebben welke gegevens waar worden gedeeld en hoe ze die kunnen opvragen»? Bent u het er mee eens dat dit wordt veroorzaakt «door de lappendeken aan stichtingen die persoonsgegevens verwerken»? Wat onderneemt u hiertegen?
Mijn uitgangspunt is ook dat een burger zoveel mogelijk inzicht moet kunnen krijgen wie welke gegevens over hem of haar verwerkt. De manier waarop binnen de sociale zekerheid gegevens worden uitgewisseld, is behoorlijk complex, waardoor het voor een individuele burger lastig kan zijn om te achterhalen welke gegevens door wie zijn verwerkt. Deze gegevensuitwisseling is echter randvoorwaardelijk voor zowel de dienstverlening aan burgers als de handhaving door gemeenten. Die uitwisselingen kennen een wettelijke basis en daarnaast hebben alle uitkeringsinstanties en ook het IB in hun verwerkingenregisters vastgelegd welke gegevens ze verwerken.
Met het programma Toekomst Gegevensuitwisseling Werk & Inkomen werk ik samen met UWV, SVB, VNG, BKWI en IB aan het versterken van de eigen regie van de burger over zijn gegevens. Daar hoort meer inzicht in wie welke gegevens verwerkt en ook het digitaal beschikken over en kunnen delen van je eigen gegevens bij.
Tot slot maak ik van de gelegenheid gebruik om op te merken dat momenteel ook de beleidsdoorlichting artikel 11 Uitvoering en de evaluatie van de Wet SUWI wordt uitgevoerd. De centrale vraagstelling van deze evaluatie beziet de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de structuur van de uitvoering werk en inkomen (het SUWI-stelsel). Hierin wordt gekeken naar de inrichting, de aansturing, de uitvoering, het toezicht en de participatie van cliënten binnen het SUWI-stelsel, waar ook het IB onderdeel van is. Deze evaluatie en de kabinetsreactie daarop doe ik u voor de zomer toekomen.
Het pleidooi voor effectieve preventie van seksueel geweld. |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het pleidooi voor effectieve preventie van seksueel geweld, opgesteld door kenniscentrum Rutgers?1
Ja, ik ben bekend met dit pleidooi.
Is het nog steeds de planning, zoals toegezegd aan het lid Wörsdörfer tijdens het VSO (tweeminutendebat met mogelijkheid tot het indienen van een motie) over de Beleidsreactie slachtoffermonitor seksueel geweld tegen kinderen 2017–2018 (31 015, nr. 202) van 5 november 2020, dat de Kamer in januari 2021 per brief zal worden geïnformeerd over welke extra stappen gezet gaan worden op het gebied van preventie van seksueel geweld?
Uw Kamer wordt in februari schriftelijk geïnformeerd over de interdepartementale aanpak van seksueel geweld, inclusief preventie van seksueel geweld.
Bent u bereid in de toegezegde brief tevens een reactie te geven op bovengenoemd pleidooi voor effectieve preventie van seksueel geweld? Zo nee, waarom niet?
U wordt naar aanleiding van de eerder genoemde toezegging op hoofdlijnen en op activiteitenniveau geïnformeerd over wat interdepartementaal wordt gedaan om seksueel geweld te voorkomen. Rutgers ontvangt separaat een schriftelijke reactie op hun pleidooi en een gesprek met Rutgers zal op ambtelijk niveau volgen.
Een veroordeelde terrorist die werkzaam is bij de Israëlische organisatie Shurat Hadin |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente jaarcongres van NGO Monitor, waarvoor de directeur van de Israëlische organisatie Shurat Hadin als spreker was geprogrammeerd?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de onthulling door journalisten, gepubliceerd aan de vooravond van dit congres, dat bij Shurat Hadin een veroordeelde terrorist, die betrokken was bij aanslagen op Palestijnse burgers, in een hoge functie werkzaam is?2
Het kabinet heeft kennis genomen van het artikel.
Wat is uw reactie op deze onthulling, ook in het licht van de bekende en beruchte tactiek van zowel NGO Monitor als Shurat Hadin om Palestijnse NGO's te beschadigen en te ontwrichten met insinuaties en beschuldigingen dat zij gelieerd zouden zijn aan terroristen?
De positie van het kabinet inzake de werkwijze van NGO Monitor is uw Kamer bekend (zie antwoorden op Kamervragen met kenmerk 2019Z26067). Shurat Hadin heeft meermaals Palestijnse organisaties beschuldigd van banden met terrorisme. Onderhavige berichten roepen de vraag op in welke mate Shurat Hadin dezelfde maatstaven hanteert voor zichzelf.
Deelt u de mening dat het ronduit bizar is dat NGO Monitor onder de titel «Terror Leaders as Human Rights Activists: Exposing the Facade» een jaarcongres houdt en deze bijeenkomst aangrijpt om een podium te bieden aan een organisatie die dienst doet als dekmantel en vehikel van een veroordeelde terrorist? Zo neen, waarom niet?
De vrijheid van meningsuiting geldt onverkort, voor iedereen en zonder aanzien des persoons binnen de grenzen van de wet. Het staat organisaties zoals NGO Monitor derhalve vrij om van die vrijheid gebruik te maken, uiteraard binnen de wettelijke kaders die daarvoor gelden.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, graag binnen de reguliere termijn?
Ja.
Het bericht 'Groot vuur, auto’s erin, dat is de Haagse traditie. Maar wij kunnen niet overal zijn' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview met de politiecommandant in Trouw van 29 december 2020?1
Ja.
Hebt u kennisgenomen van de volgende passage in het interview: «Wij zullen altijd gaan voor de veiligheid van mensen. Als er een vechtpartij is heeft dat prioriteit ten opzichte van tien jongeren die een feestje hebben. Bestuurders willen graag dat we alle illegale feesten ontmantelen, maar dat gaat niet. Het vuurwerkverbod handhaven en grote groepen op straat zijn niet onze grootste prioriteit»?
Ja
Betreft deze passage de persoonlijke opvatting van deze commandant, of is deze gebaseerd op door de driehoek van Den Haag, dan wel enige andere gemeente waar zij het commando voerde, vastgestelde beleidsuitgangspunten dan wel tolerantiegrenzen?
Deze passage is een gesubjectiveerde weergave van de beleidsuitgangspunten die de politie voor de jaarwisseling heeft opgesteld.
Kunt u uiteenzetten hoe voorafgaand aan de oudjaarsnacht de richtlijnen voor het politieoptreden vanuit de driehoek tot stand komen? Worden deze opgesteld door de politie en geaccordeerd door de burgemeester en de officier van justitie, of worden deze geformuleerd door de burgemeester en de officier van justitie en opgedragen aan de politie?
De politie heeft na overleg in de Nationale Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden (NSGBO) landelijk een advies geformuleerd ten aanzien van de beleidsuitgangspunten voor het optreden. De beleidsuitgangspunten en tolerantiegrenzen worden met inachtneming van het advies van de politie lokaal vastgesteld door de driehoek, op basis van de lokale omstandigheden en de actuele situatie.
Loopt dit proces overal in Nederland op identieke wijze? Zijn de richtlijnen/kaders binnen één politie-eenheid telkens dezelfde, of verschilt dat per gemeente of locatie? Is er sprake van landelijke afstemming? Welke betrokkenheid heeft u, al dan niet door tussenkomst van het Veiligheidsoverleg dan wel het Landelijk Overleg Politie en Veiligheid?
Zie het antwoord op vraag 4. Ik speel geen rol bij de formulering van de beleidsuitgangspunten.
Wat vindt u ervan dat enkele dagen voorafgaand aan de jaarwisseling in een kranteninterview van de zijde van de politie duidelijk wordt gemaakt dat «het vuurwerkverbod handhaven en grote groepen op straat» niet de grootste prioriteit van de politie zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit signaal opgepakt wordt door calculerende burgers die hier hun handelen op afstemmen?
Het is belangrijk dat de politie beleidsuitgangspunten heeft. En het is belangrijk dat de burger weet dat de politie de hoogste prioriteit geeft aan de veiligheid van mensen. Het handhaven van het vuurwerkverbod en grote groepen op straat zijn eveneens prioriteit. Het is echter begrijpelijk dat voorrang gegeven wordt aan de veiligheid van mensen wanneer een keuze gemaakt zou moeten worden. Uit de rapportage van de politie over de incidenten tijdens de jaarwisseling die ik Uw Kamer op 11 januari 2020 toestuurde, blijkt dat de politie veelvuldig is opgetreden tegen incidenten met vuurwerk, overlast in de wijk en verstoringen van de openbare orde.
Is dit de functie van beleidsuitgangspunten dan wel tolerantiegrenzen, om het publiek op voorhand in kennis te stellen van het algemene beleid van de politie? Zijn dit soort prioriteringen niet veel meer bedoeld voor concrete, individuele situaties dat de politie daadwerkelijk vanwege capaciteitsgebrek keuzes in optreden moet maken? Of is er in de oudjaarsnacht standaard, hoe dan ook, waar dan ook, sprake van een situatie van krapte waardoor een groot deel van de handhaving per definitie komt te vervallen? Mag die nacht meer dan in andere nachten?
De functie van de beleidsuitgangspunten is eenheid te brengen in het optreden van de politie, zonder af te doen aan de mogelijkheden van het gezag om eigen keuzes te maken. Omdat de oudejaarsnacht veel vraagt van de politie is het verstandig voorbereid te zijn op de mogelijkheid dat op enig moment prioriteit moet worden gegeven aan het ene of het andere incident. In deze bijzondere jaarwisselingsnacht mocht er door het tijdelijk vuurwerkverbod juist minder dan in andere jaarwisselingsnachten.
Bent u bekend met het verloop van de oudjaarsnacht in de Haagse wijk Duindorp, waar in ruime mate vuurwerk werd afgestoken, op straat brandjes werden gestookt en de Corona-regels in ruime mate overtreden werden? Was dit, gegeven de gestelde prioriteiten in het optreden van de politie, een gewenst verloop van de oudjaarsnacht in deze wijk, conform beleid? Hoeveel aanhoudingen zijn in deze wijk verricht, hoeveel bekeuringen zijn er uitgedeeld en voor beide vragen voor welke strafbare feiten?
Een oudjaarsnacht met brandjes, vernielingen, verstoringen van de openbare orde en overtreding van de corona-regels is nooit wenselijk. Het is aan de lokale driehoek om te bepalen welke inzet van de politie in de gegeven omstandigheden nodig en wenselijk is. De burgemeester van ‘s-Gravenhage heeft mij in kennis gesteld van zijn brief aan de gemeenteraad2, waarin enige cijfers te vinden over de jaarwisseling in Den Haag.
De berichtgeving m.b.t. coronabesmettingen binnen het gevangeniswezen: Corona in gevangenis: 84 gedetineerden in quarantaine' |
|
Michiel van Nispen , Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat 84 gedetineerden in de PI Roermond in quarantaine moeten in verband met COVID-19 besmettingen? Klopt dit bericht?1
Ja. De berichtgeving hierover klopt.
Klopt het (ook) dat diverse gedetineerden en personeelsleden in de PI Heerhugowaard eerder al besmet geraakt zijn met corona?2
Ja, dat klopt. In de penitentiaire inrichting (PI) in Heerhugowaard zijn vanaf de eerste golf tot peildatum 13 januari 41 gedetineerden positief getest op het coronavirus. Alle gedetineerden zijn inmiddels hersteld. In de PI Heerhugowaard zijn op dit moment in totaal 310 personen gedetineerd.
Informatie over besmettingen onder personeel kan ik niet met u delen aangezien dit niet vastgelegd mag worden.
Heeft u tevens kennisgenomen van de uitspraak van de Commissie van Toezicht bij de PI Heerhugowaard, locatie Zuyder Bos waarin een klager in het gelijk is gesteld op het punt dat de directie van de inrichting onvoldoende maatregelen had genomen om de gezondheidsrisico’s van klager te beperken en vaststelt dat de directie hierdoor de zorgplicht heeft geschonden?3
Ja, hiervan heb ik kennisgenomen. Op 22 september 2020 heb ik in antwoord op een vraag van het lid Van Nispen (SP) gemeld dat er door de directie van de inrichting beroep is ingesteld bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).4 De zitting heeft inmiddels plaatsgevonden. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is in afwachting van de uitspraak.
Zijn er meer klachten in behandeling en/of uitspraken over tekortschietende bescherming van gedetineerden? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken waarin de zorg mogelijk tekortschoot?
DJI heeft geen totaaloverzicht van het aantal beklagzaken bij de commissies van toezicht van de inrichtingen. Deze worden door de inrichtingen zelf behandeld en afgedaan. Ook is er op dit moment een aantal beroepzaken in behandeling bij de RSJ. In zaken betreffende afwijzing van verzoeken om strafonderbreking in verband met de eigen gezondheid heeft de beroepscommissie tot nu toe uitgemaakt dat de door DJI genomen maatregelen voldoende zijn en zijn de beroepen ongegrond verklaard. Ik zie deze uitspraken als steun voor het huidige beleid maar merk op dat er nog een aantal beroepen onder de rechter is.
Zijn er meer inmiddels meer inrichtingen van DJI waar mensen zijn besmet met COVID-19?
Ja, op peildatum 13 januari 2021 waren er binnen vijf inrichtingen van DJI 21 justitiabelen besmet met COVID-19. Een van hen is opgenomen in een regulier ziekenhuis. In de overige inrichtingen zijn voor zover bekend geen besmettingen.
Klopt het dat gedetineerden zich niet middels mondkapjes mogen beschermen tegen een COVID-19-besmetting? Waarom mogen ze dat niet?
In beginsel dragen gedetineerden geen mondkapjes binnen onze inrichtingen. Dat is vanwege de orde en veiligheid binnen de inrichting: gedetineerden moeten herkenbaar zijn en het is belangrijk dat medewerkers hun gemoedstoestand kunnen aflezen. Ik hecht hier veel waarde aan: goede verbale en non-verbale communicatie is cruciaal voor de veiligheid van medewerkers en gedetineerden.
Er zijn bovendien al veel maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat gedetineerden vrij van corona de inrichting in komen en tijdens hun detentie niet besmet raken. Zo worden zij bij binnenkomst eerst acht dagen op een eenpersoonscel geplaatst en worden zij zowel tijdens deze periode als daarna continu gemonitord op klachten. Pas na acht dagen mogen ze deelnemen aan programma’s waarbij ze in contact komen met andere gedetineerden. Andere maatregelen zijn extra hygiëne, bezoek achter glas, 1,5 meter afstand, beperking van verlof enzovoorts. Het gebruik van een mondkapje door gedetineerden voegt hier weinig aan toe en gaat mijns inziens ten koste van de veiligheid.
Aan medewerkers en bezoekers wordt wel dringend geadviseerd of opgedragen om in specifieke situaties (zoals bij het lopen naar de bezoekerszaal) een mondkapje te dragen zoals gemeld in mijn brief van 6 oktober 2020 wordt. DJI adviseert dit aan medewerkers en bezoekers, omdat juist zij frequent in en uit de inrichtingen gaan en, ondanks de genomen maatregelen, het virus mee naar binnen kunnen nemen en zo gedetineerden kunnen besmetten.
Inrichtingen van DJI zijn besloten, niet-publieke ruimtes en geen zogeheten doorstroomlocaties. Dat wil zeggen dat de wettelijke verplichting tot het dragen van mondkapjes zoals die geldt in de vrije maatschappij hier niet van toepassing is.
Klopt het dat gedetineerden tijdens hun vervoer door DV&O ook geen mondkapjes (mogen) dragen? Zo ja, waarom is dat zo? Klopt het dat dat zelfs niet mag als ze met meerderen in een busje zitten? Kunt u aangeven hoe dan besmettingen worden tegengegaan?
Nee. Tijdens het vervoer van gedetineerden is het niet altijd mogelijk om 1,5 meter afstand te bewaren. Daarom dragen alle gedetineerden sinds 1 augustus 2020 verplicht een mondkapje tijdens het vervoer, gelijk aan de verplichting in het openbaar vervoer. De Dienst Vervoer en Ondersteuning van DJI stelt hiertoe bij aanvang van het transport een mondkapje ter beschikking.
Is het voor gedetineerden zonder mondkapje te allen tijde mogelijk om 1,5 meter afstand te houden van anderen zonder mondkapje?
Zoals gemeld in eerdere brieven gelden ook binnen de inrichtingen van DJI de richtlijnen van het RIVM. Bij coronagerelateerde klachten blijven medewerkers thuis. Verder is er extra aandacht voor hygiëne, gebruiken medewerkers persoonlijke beschermingsmiddelen indien nodig en wijzen medewerkers en justitiabelen elkaar op het houden van anderhalve meter afstand. Dat laatste is niet op alle locaties even eenvoudig te realiseren. Inrichtingen zijn, zoals zoveel gebouwen in dit land, niet ontworpen om anderhalve meter afstand te kunnen houden. Daarom wordt er per inrichting maatwerk geleverd. Dit doen we bijvoorbeeld door het verkleinen van de groepen of door het aanbrengen van vloermarkeringen naast alle eerdergenoemde maatregelen om de kans op besmetting zo klein mogelijk te maken.
Deelt u de mening dat het verbieden van beschermingsmiddelen in strijd is met het recht van ieder individu om zich te (kunnen) beschermen tegen een COVID-19 besmetting?
Die mening kan ik me voorstellen. Tegelijkertijd kan dit recht op gespannen voet staan met de plicht om de orde en veiligheid van medewerkers en gedetineerden te waarborgen. Dit vraagt een zorgvuldige benadering. Daarom is het de directeur van een inrichting die bepaalt of en wanneer gedetineerden een mondkapje mogen of moeten dragen. Bij een besmetting vindt er overleg plaats met de GGD over de te treffen maatregelen. Zo is het in de praktijk voorgekomen dat de directeur het dragen van een mondkapje door gedetineerden heeft geadviseerd, bijvoorbeeld op een afdeling met besmettingen. Ook wordt bijvoorbeeld gedetineerden die in afwachting zijn van de uitkomst van een test gevraagd om een mondkapje te dragen bij noodzakelijke verplaatsing, zoals een bezoek aan de medische dienst of aanwezigheid bij hun rechtszaak via een videoverbinding.
Zoals in mijn antwoord op vraag 6 aangegeven heeft DJI tal van andere maatregelen genomen om gedetineerden te beschermen tegen een COVID-19 besmetting.
Is het zo dat inmiddels aangifte is gedaan tegen een van de gevangenisdirecties in verband met opgelopen COVID-19 besmettingen?
Ja. Gedetineerden hebben aangifte gedaan, per brief aan het OM. De inhoud van de brief is mij niet bekend.
Is het onthouden van beschermingsmiddelen ook niet geheel in strijd met alle inzet van het kabinet, Kamer en samenleving om coronabesmettingen tegen te gaan?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Bent u bereid per direct het beleid te herzien en gedetineerden en personeel van de PI’s terstond te voorzien van de noodzakelijk en gewenste beschermingsmiddelen (in de PI’s maar ook tijdens het vervoer) en hen toestemming te geven deze te gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voornemens vast te houden aan de lijn zoals ik die heb beschreven in mijn brief van 6 oktober. Dat wil zeggen dat DJI het gebruik van niet medische mondkapjes dringend adviseert aan medewerkers en bezoekers van justitiële inrichtingen. Dat geldt niet voor justitiabelen, tenzij de directeur van de inrichting daartoe besluit. Echter, gelet op de recente ontwikkelingen rondom de Britse variant van het virus en het verzoek van uw Kamer is aan de leden van het Outbreak Management Team om advies gevraagd. Hen is gevraagd of de geldende RIVM-maatregelen aangevuld met de maatregelen die DJI zelf heeft genomen, gelet op de recente ontwikkelingen rondom de Britse variant van het virus, afdoende zijn om de risico’s op besmetting met COVID-19 zoveel mogelijk te beperken waarbij rekening moet worden gehouden met waarborgen van de veiligheid binnen de justitiële inrichtingen.
Klopt het dat, door de recente COVID-19-maatregelen, gedetineerden slechts via skype contact kunnen hebben met hun naasten, maar dat de skype-verbindingen het regelmatig laten afweten, waardoor zelfs contact op die manier niet mogelijk is? Wordt daar aan gewerkt om dat te verbeteren en wanneer zullen deze problemen verholpen zijn?
Daar waar dat tijdens de eerste golf in het voorjaar niet mogelijk was is bezoek aan gedetineerden inmiddels weer mogelijk achter glas. Reeds aan het begin van de corona-uitbraak zijn voorzieningen getroffen waarmee gedetineerden middels iPads met Skype kunnen beeldbellen. Deze voorzieningen die wij zien als aanvullend op het fysieke bezoek houden we beschikbaar en worden in de komende periode geoptimaliseerd door de inzet van nieuwe apparaten en applicaties.
Kunt u deze vragen uiterlijk dinsdag 12 januari 12:00 uur beantwoorden?
Nee, dit is niet gelukt. Voor de beantwoording van de vragen was meer tijd nodig.
Uitlevering van oorlogsmisdadiger en wapenhandelaar Kouwenhoven aan Nederland |
|
Sadet Karabulut (SP), Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de uitspraak van het Zuid-Afrikaanse gerechtshof gezien dat de in Nederland tot 19 jaar cel veroordeelde oorlogsmisdadiger en wapenhandelaar Kouwenhoven het land uitgezet mag worden en dat Zuid-Afrika heeft verzocht hem zo snel mogelijk op een vliegtuig naar Nederland te zetten teneinde zijn straf uit te zitten? Zo ja, hoe ziet deze procedure eruit? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot het uitleveringsverzoek van Nederland voor Kouwenhoven?1
Nederland heeft in 2017 bij de Zuid-Afrikaanse autoriteiten om de uitlevering van dhr. Kouwenhoven verzocht. De zaak is aldaar nu onder de rechter. In februari 2020 heeft de uitleveringsrechter in Kaapstad (Magistrate’s Court) de uitlevering van dhr. Kouwenhoven aan Nederland op juridische gronden niet toegestaan. Hiertegen is het Zuid-Afrikaanse OM in appel gegaan. Op 23 december 2020 heeft The High Court in Kaapstad uitspraak gedaan in hoger beroep. Ik heb kennis genomen van deze uitspraak. Uit deze uitspraak blijkt dat de rechter in hoger beroep de uitspraak van de eerste rechter heeft vernietigd («set aside») en de zaak heeft terugverwezen naar de eerste rechter.
Het is niet aan mij om verdere duiding te geven aan uitspraken van buitenlandse rechters, noch hoe de uitleveringsprocedure zich verhoudt tot eventuele andere procedures in relatie tot dhr. Kouwenhoven. De uitleveringsprocedure, en eventuele andere procedures, zullen naar het Zuid-Afrikaanse recht en door de Zuid-Afrikaanse autoriteiten moeten worden afgehandeld. Uiteraard volgt Nederland een en ander met grote aandacht en blijft Nederland inzetten op de uitlevering van dhr. Kouwenhoven. Ik benadruk hierbij graag dat de Nederlandse betrokken autoriteiten, waaronder mijn departement en het OM, voortdurend in nauw contact staan met de Zuid-Afrikaanse collega’s inzake de uitleveringsprocedure.
Lopen er in deze zaak nog andere (internationale) procedures? Zo ja, welke zijn dat en hoe verhouden deze zich tot het uitleveringsverzoek van Nederland?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Kouwenhoven leeft als een Koning in Kaapstad? Loopt er onderzoek naar vordering van zijn bezittingen? Zo nee, bent u bereid hiertoe over te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dat uitgebreid toelichten?2
In de Nederlandse strafzaak van de heer Kouwenhoven is geen sprake van een door de rechter opgelegde ontnemingsmaatregel, geldboete of schadevergoedingsmaatregel. Een onderzoek naar de vermogenspositie van de heer Kouwenhoven is dan ook niet aan de orde.
Journalist Julian Assange |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de Britse rechter dat Wikileaks-oprichter Julian Assange niet mag worden uitgeleverd aan de Verenigde Staten vanwege het risico op suïcide? Deelt u de opvatting van Amnesty International dat het proces tegen Assange een politiek proces is tegen vrije pers en het vrije woord? Zo nee, hoe beoordeelt u de Amerikaanse aanklachten tegen deze klokkenluider?1
Ik heb kennisgenomen van de uitspraak van de Britse rechter waarin het verzoek van de Verenigde Staten tot uitwijzing van de heer Assange wordt afgewezen. Zoals bekend, heeft de VS aangekondigd tegen dat vonnis beroep aan te tekenen. De Nederlandse overheid heeft het volste vertrouwen in het onafhankelijke en onpartijdige karakter van de Britse rechtspraak waarin de bescherming van fundamentele rechten afdoende geborgd is.
Bent u nu wel bereid pal te staan voor Assange, ook al komt de vervolging van deze journalist van bondgenoot Verenigde Staten? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot uw woorden «Geen enkele journalist zou bang hoeven te zijn voor intimidatie, geweld of vervolging. Journalisten zijn de zuurstof van een vrije, inclusieve en diverse samenlevingen»? Geldt voor bondgenoten die journalisten intimideren, bedreigen of vervolgen een uitzondering op deze regel?2
Zoals eerder door mij is geantwoord op vragen van het lid Karabulut over de zaak Assange 3, is vrijheid van meningsuiting een voorwaarde voor een goed functionerende democratie en een vrije samenleving. Hetzelfde geldt voor persvrijheid. In veel landen -ook in Nederland- is het echter strafbaar om welbewust Staatsgeheime informatie te openbaren.
Wilt u er bij de Britten op aandringen Julian Assange nooit uit te leveren aan de Verenigde Staten en te pleiten voor zijn onmiddellijk vrijlating, vanwege de gevaarlijke precedentwerking van uitlevering en vervolging voor andere journalisten en de zeer zwakke gezondheid van Julian Assange?
Zie antwoord op vraag 1
Bent u bereid er bij de (nieuwe) Amerikaanse administratie en uw toekomstig ambtsgenoot op aan te dringen dat het aangekondige beroep op de uitspraak van de Britse rechter niet wordt doorgezet, omwille van de vrije pers?
De zaak is nog onder de rechter. Ook indien de Britse rechter in hoger beroep uitlevering in beginsel rechtmatig acht, is het aan de Britse regering hierover te beslissen. De Britse regering zal deze beslissing nemen op basis van een afweging van alle relevante omstandigheden. Hierin willen en kunnen wij niet treden.
Ziet u andere mogelijkheden om Assange – die belangrijke informatie heeft onthuld over oorlogsmisdaden van o.a. de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in Irak en Afghanistan, waarvoor hem een gevangenisstraf van wel 175 jaar boven het hoofd hangt – te steunen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering beschikt niet over mogelijkheden de heer Assange, die de Australische nationaliteit heeft, te steunen.
De verkoop van Nederlandse MP5’s in een Maltese wapenhandel |
|
Chris van Dam (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw brief (van de Staatssecretaris van Defensie) van 10 december 2020 betreffende «Toezegging brief over verkoop handvuurwapens»?1 2
Ja.
Zien wij het goed dat in deze brief gesproken wordt over de verkoop van 1.275 stuks Glock handvuurwapens, daar waar in eerdere (media)berichten onzerzijds de indruk is ontstaan dat het om een beperkte partij Glocks ging en een grotere partij Heckler und Koch machinepistolen? Wanneer is u de exacte samenstelling van de verkochte partij duidelijk geworden?
Zoals ik in mijn brief van 10 december 2020 (Kamerstuk 2020D51661 d.d. 10 december 2020) heb aangegeven had de verkoop aan het desbetreffende Nederlandse bedrijf betrekking op 1.275 stuks Glock, 9 stuks m2.50 en 800 stuks MP5. Eerder is door RTLNieuws gevraagd of er een partij Glocks is verkocht. Dat is bevestigd.
Kunt u exact aangeven hoe de gunning van de verkoop aan het Nederlandse bedrijf is verlopen? Kunt u daarbij meer betekenis geven aan de zin «In 2019 heeft een Nederland bedrijf aangegeven geïnteresseerd te zijn in een deel van deze handvuurwapens»? Is er sprake geweest van een openbare inschrijving waarop partijen konden inschrijven of is direct gekoerst op één koper?
De voorgenomen verkoop is bekend gesteld onder de landen die vaker van Nederland kopen, via het netwerk van Defensie attachés en via contacten met leveranciers op de Defensiemarkt. Bij deze verkoop is na gesprekken gebleken dat er geen verkoopmogelijkheden aan landen waren, waardoor leveranciers op de Defensiemarkt in aanmerking kwamen en zijn gesprekken gevoerd met het betreffende Nederlandse bedrijf. De voorgenomen verkoop en de potentiële koper zijn ter verkrijging van toestemming voorgelegd aan de Commissie Verkoop Defensie Materiaal (CVDM). Naast het Ministerie van Defensie zijn het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën in de CVDM vertegenwoordigd. De CVDM heeft schriftelijk toestemming gegeven voor deze specifieke verkopen aan het betreffende Nederlandse bedrijf. Hierna zijn de onderhandelingen met het Nederlandse bedrijf afgerond en is het contract getekend.
Deelt u onze mening dat de verkoop van 2.084 handvuurwapens (1.275 stuks Glock, 9 stuks m2.50 en 800 stuks MP5) aan één wapenhandelaar niet anders kan betekenen dan dat u, althans de betrokken overheidsfunctionarissen, wisten dat zo’n grote partij nooit alleen verkocht kan worden op de Nederlandse markt en dat (dus) op voorhand duidelijk was dat deze wapens ook buiten Nederland verkocht gingen worden? Hoe verhoudt zich dit tot het staande beleid dat overtollige vuurwapens door de Nederlandse overheid in principe alleen in het buitenland worden afgestoten (aan andere overheden) na de gebruikelijke toetsing? Deelt u onze mening dat het onwenselijk is om zulke grote partijen te verkopen op de Nederlandse markt, hoezeer het ons ook bekend is dat een wapenhandelaar bij export een uitvoervergunning moet aanvragen?
De verkochte wapens waren niet in een erg goede staat en er was, zoals hierboven in het antwoord op vraag 3 aangegeven, geen verkoopmogelijkheid aan landen. Private partijen, zoals in dit geval het Nederlandse bedrijf, kunnen in de handelsketen een rol vervullen om, naast het verhandelen van wapens, diensten te leveren als het repareren of het reviseren van wapens alvorens die te verkopen. Het betreffende Nederlandse bedrijf beschikt over de noodzakelijke vergunningen om de hiervoor genoemde activiteiten te verrichten. Het bedrijf is daarnaast officieel dealer (licentiehouder) van de producent van de Glocks en de m2.50 en kan wapens in en buiten Nederland verkopen. Het Nederlandse bedrijf is voor nieuwe wapens geen licentiehouder of officieel handelsagent van de producent van de MP5 maar kan, mits in bezit van de vereiste vergunning(en), wel handelen in gebruikte MP5 wapens. Het bedrijf is gelet op het voorgaande niet afhankelijk van het aanbod van Defensiewapens en verkoopt ook regelmatig aan zowel overheidspartijen als ook aan private partijen, mits deze in bezit zijn van de vereiste vergunningen, in binnen- en buitenland.
Zoals in mijn brief van 10 december 2020 (Kamerstuk 2020D51661 d.d. 10 december 2020) vermeld is de staande praktijk sinds in ieder geval 2011 geweest dat overtollige handvuurwapens in beginsel werden afgestoten door verkoop aan een andere overheid na de gebruikelijke toetsing (waaronder de verkrijging van een uitvoervergunning, zie ook hieronder in het antwoord op vraag 5), of werden vernietigd als verkoop aan een andere overheid niet mogelijk bleek. Ik deel uw mening dat het onwenselijk is dat wapens in verkeerde handen zouden kunnen vallen. Daarom heb ik ook opdracht gegeven om een nieuw afwegingskader op te stellen voor het afstoten van overtollig Defensiematerieel, waarin het beleid wordt aangescherpt door de verkoop van handvuurwapens aan private partijen, niet zijnde de fabrikant of een licentiehouder van de fabrikant, uit te sluiten. Bij verkoop van handvuurwapens zal bovendien contractueel worden vastgelegd dat de eindgebruiker een overheidsorganisatie moet zijn. Over de uitkomsten van de herziening van het afwegingskader wordt u, zoals gemeld, nog geïnformeerd.
Bekent u bekend met de volgende post op de Facebook-pagina van Lock, Stock and Barrel Armoury (wapenhandel Malta) van 11 november 2020: «OPROEP ONZE NEDERLANDSE VRIENDEN! Als je een van deze originele HK MP 5 wilt kopen, stuur ons dan nu een berichtje en we schrijven je in op de lijst van degenen die uitgenodigd worden om er een te kiezen in Nederland!»? Kunt u duiden of hier sprake is van wapenverkoop vanuit Nederland, vanuit Malta of vanuit beide? Bij welk land zal een uitvoervergunning moeten worden aangevraagd en wie controleert of sprake is van een betrouwbare koper? Deelt u onze mening dat deze wijze van verkoop, gelet op de herkomst van de wapens (Defensie Nederland), ongewenst is, zowel qua uitstraling als qua risico’s?
Ik heb kennis genomen van het Facebook-bericht waaraan u refereert. Uit het Facebook bericht is niet op te maken vanuit welk land de wapenverkoop plaatsvindt en waar de wapens zich feitelijk bevinden. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het Maltese bedrijf in kwestie zich zal moeten houden aan de (Europese) wet- en regelgeving, die op het gebied van wapens en munitie en wapenhandel op Malta van toepassing is en dient te beschikken over de vereiste vergunningen, ongeacht waar vanuit de wapens worden verkocht. Zie nader het antwoord op vraag 6 hieronder. Het aanvragen van een eventuele uitvoervergunning (dan wel een invoervergunning) volgt uit de locatie waar de wapens zich feitelijk bevinden. Een potentiële koper, ook als het een Nederlandse koper betreft, moet eveneens over de vereiste vergunning beschikken om wapens voorhanden te hebben en deze vergunning aan de verkoper te overleggen om de koop te kunnen laten plaatsvinden. Het is aan de Maltese autoriteiten om toe te zien op de controle en handhaving daarvan.
Zoals altijd bij verkoop en uitvoer van wapens en wapensystemen staat voorop dat wordt gehandeld conform de geldende (Europese) wet- en regelgeving. Niettemin ben ik met u van mening dat het betreffende bericht op een Facebook-pagina en deze manier van verkoop niet gewenst is en ik verwijs u naar mijn brief van 10 december 2020 (Kamerstuk 2020D51661 d.d. 10 december 2020) over de maatregelen die ik heb genomen om dit in de toekomst tegen te gaan.
Alle in 2020 verleende uitvoervergunningen zullen te vinden zijn in de rapportage over het Nederlandse wapenexportbeleid 2020 op www.rijksoverheid.nl.1
Hoe verhoudt de onderhavige verkoop van 2.084 handvuurwapens van Defensie en de daartoe gemaakte keuzes zich tot Richtlijn (EU) 2017/853 alsmede de daarop aangepaste Nederlandse Wet Wapens en Munitie, in het bijzonder daar waar het gaat om het terugdringen van de handel in vuurwapens over landsgrenzen heen alsmede het deactiveren van vuurwapens? Kunt u de onderhavige verkoop beoordelen tegen een breder perspectief van toepasselijke Europese regelgeving?
De Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van 17 mei 2017 (Richtlijn) wijzigt Richtlijn 91/477/EEG, beter bekend als de vuurwapenrichtlijn.
De Richtlijn heeft een evenwicht tot stand gebracht tussen enerzijds de verbintenis, om in het kader van de Europese Interne Markt, een zekere mate van vrij verkeer voor bepaalde vuurwapens en essentiële onderdelen daarvan binnen de Unie te waarborgen, en anderzijds die vrijheid in te perken voor voorwerpen, zoals vuurwapens, die de potentie hebben de publieke veiligheid in gevaar te brengen. Het doel van de Richtlijn is niet om (het bezit van) legale wapens of legale wapenhandel terug te dringen, maar om de handel hierin binnen strikte kaders te faciliteren.
De Richtlijn verplicht de lidstaten de activiteiten van wapenmakelaren, zoals die in de Richtlijn zijn gedefinieerd, aan dezelfde eisen te onderwerpen als wapenhandelaren aangezien zij vergelijkbare diensten verrichten. Zij moeten ingevolge artikel 4, derde lid, van de Richtlijn een vergunning hebben en worden gecontroleerd op integriteit en bekwaamheid.
Artikel 9 Wet Wapens en Munitie, dat de activiteiten waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd regelt, is met de implementatie van de herziene vuurwapenrichtlijn in 2018 uitgebreid met de activiteiten van wapenmakelaren. Wapenmakelaren beschikken, anders dan wapenhandelaren, niet over vuurwapens. Zij bemiddelen slechts tussen aanbieders en kopers. Op grond van Wet Wapens en Munitie is het verboden zonder vergunning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen. Dit verbod is ook van toepassing op het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie of het organiseren van de overbrenging van wapens of munitie binnen, naar of vanuit een lidstaat van de Europese Unie. De verkoop van de handvuurwapens dient te voldoen aan de Europese Richtlijn en nationale wet- en regelgeving zoals hierboven vermeld.
Zoals ik hierboven in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, zal de aanscherping van het afstotingsbeleid dat handvuurwapens niet aan private partijen (niet zijnde de fabrikant of een licentiehouder van de fabrikant) worden verkocht in die zin bijdragen aan het terugdringen van de (internationale) handel in handvuurwapens.
Bent u bereid de onderhavige verkoop terug te draaien en de (nog te achterhalen) wapens alsnog te vernietigen? Bent u bereid de Kamer te informeren aan welke derde partijen de wapens die vooralsnog verkocht zijn, geleverd zijn? Bent u bereid in het toekomstig beleid de optie «verkoop aan derden zijnde particuliere handelaren» te schrappen?
Op 9 februari 2021 heeft uw Kamer de gewijzigde motie van de leden Van Helvert en Van Dam aangenomen (Kamerstuk 27 830, nr. 334) waarin de regering wordt verzocht om de verkochte wapens terug te kopen en de wapens alsnog te vernietigen.
Anders dan in de motie wordt verondersteld, heeft de onderhavige verkoop van de handvuurwapens niet in strijd met het beleid van de Europese Unie plaatsgevonden. De Europese wet- en regelgeving en de hieruit voortvloeiende regelgeving van de lidstaten is er niet op gericht om de (internationale) handel in vuurwapens terug te dringen, maar strekt ertoe het handelen en bezit van vuurwapens te reguleren en beheersbaar te houden.
De verkoop van de handvuurwapens door Defensie is rechtmatig verlopen en er zijn geen aanwijzingen dat dit anders zou zijn voor de handvuurwapens die zijn doorverkocht in transacties van opeenvolgende verkopers en kopers die daarna hebben plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande is er geen legitieme grondslag op basis waarvan ik toegang kan verkrijgen tot de informatie die benodigd is voor het terugkopen van de handvuurwapens en is het terugkopen bij de andere partijen niet af te dwingen. Niettemin heb ik de handvuurwapens, die nog niet zijn doorverkocht, teruggekocht van het Nederlandse bedrijf. Het betreft 7 stuks m2.50 en 5 stuks MP5.
Voor wat betreft de bereidheid in het toekomstig beleid de optie «verkoop aan derden zijnde particuliere handelaren» te schrappen, verwijs ik u naar mijn brief van 10 december 2020 (Kamerstuk 2020D51661 d.d. 10 december 2020) over de maatregelen die ik heb genomen.
De witwaspraktijken bij ING |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke vragen over het feit dat de top van ING (bestuur en commissarissen) niet eens opnieuw getoetst is door De Nederlandsche Bank (DNB) op geschiktheid naar aanleiding van de witwasschikking?1
Ja.
Hoe kijkt u ertegen aan dat dhr. Hamers nu wel vervolgd wordt en ... «[het] hof van oordeel [is] dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor een succesvolle vervolging van deze voormalige bestuurder als feitelijke leidinggever van de door ING gepleegde strafbare feiten. Het hof acht de vervolging ook nodig om de navolgende redenen. De feiten zijn ernstig, met de bestuurder zelf is geen schikking getroffen en evenmin heeft hij publiekelijk verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen»?2 En hoe beziet u in dat licht het feit dat DNB tegelijkertijd niet eens een hertoets heeft uitgevoerd op de geschiktheid van dhr. Hamers?
Het Gerechtshof heeft bij uitspraak van 9 december 2020 de strafvervolging bevolen van de voormalige bestuursvoorzitter van ING als feitelijk leidinggevende van de door ING in die zaak gepleegde feiten.1 Het kabinet dient zich te onthouden van bemoeienis in individuele zaken en in dat verband ook met de in die zaken genomen vervolgingsbeslissing. Daarbij komt dat het oordeel of de voormalige bestuursvoorzitter van ING strafbare feiten heeft gepleegd is voorbehouden aan de strafrechter.
De tweede deelvraag impliceert dat de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Centrale Bank (ECB), al of niet op advies van DNB, heeft besloten om niet te hertoetsen. Dat weet ik niet. Op grond van de wettelijk verankerde toezichtsvertrouwelijkheid kan en mag de bevoegde toezichthouder geen uitspraken doen, ook niet naar mij, over de vraag of hertoetsing in individuele gevallen is overwogen, plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, en wat hier mogelijk de uitkomst van zou zijn.
In algemene zin is het zo dat de geschiktheid en betrouwbaarheid van beleidsbepalers doorlopende verplichtingen zijn voor beleidsbepalers van financiële instellingen die onder toezicht staan van de ECB, DNB en/of de AFM. Hierin ligt besloten dat, wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden of feiten, een redelijke aanleiding kan ontstaan om de geschiktheid en/of betrouwbaarheid van een al getoetste beleidsbepaler opnieuw te beoordelen. Ernstige integriteitsschendingen kunnen een redelijke aanleiding zijn tot hertoetsing. Wanneer in het zogenoemde vooronderzoek een redelijke aanleiding daartoe wordt vastgesteld, gaat de toezichthouder over tot de eigenlijke hertoetsing. In mijn brief van 28 oktober 2020 ben ik ingegaan op het wegingskader dat de toezichthouder hierbij hanteert.2 Het gaat bij hertoetsingen om een toezichtsbevoegdheid met een reparatoir karakter. Hertoetsingen hebben tot doel om aan de hand van het functioneren en handelen te onderzoeken of de betrokkene, met het oog op de toekomst, op dit moment nog geschikt en/of betrouwbaar is om zijn of haar huidige functie uit te oefenen. Het gaat hierbij om een andere beoordeling, op basis van een ander normenkader, dan die het OM en de strafrechter maken. In voornoemde brief komt verder naar voren dat schikkingen met, boetes aan of veroordelingen van een financiële instelling of een beleidsbepaler bij die instelling van invloed kunnen zijn op het oordeel over de geschiktheid en/of betrouwbaarheid. Zo stelt de toezichthouder bij veroordeling voor bepaalde ernstige misdrijven zelfs zonder nadere afweging vast dat de betrouwbaarheid van de betrokkene niet (meer) buiten twijfel staat. Dit is het geval als deze bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld ter zake van een dergelijk misdrijf, tenzij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.
Wanneer betaalde de ING Groep het laatste deel van de staatssteun terug aan het Rijk?
ING heeft op 7 november 2014 het laatste deel van de staatssteun terugbetaald.
Op welke wijze was de relatie tussen de Nederlandse overheid en ING geregeld in de periode dat ING profiteerde van de kapitaalinjectie door de Nederlandse overheid?
Ten tijde van de financiële crisis in 2008 verstrekte de Nederlandse overheid kapitaal aan banken en verzekeraars in Nederland die fundamenteel gezond en levensvatbaar waren.3 Om haar kapitaalpositie te versterken besloot ING in 2008 om gebruik te maken van deze kapitaalverstrekkingsfaciliteit van de Nederlandse overheid.
Bij de vormgeving van de steun aan ING werd gekozen voor core tier 1 securities. Deze core tier 1 securities zijn een mengvorm tussen een aandeel en een achtergestelde lening en kunnen getypeerd worden als converteerbare achtergestelde obligaties. Deze securities hadden geen stemrecht op de aandeelhoudersvergadering, maar er waren wel afspraken gemaakt over zeggenschap.
In de overeenkomst met ING waren afspraken op het terrein van governance en beloningsbeleid vastgelegd. Deze afspraken waren voornamelijk gericht op het beschermen van het financieel-economisch belang van de staat, het ontwikkelen van een duurzaam beloningsbeleid door de instelling en het vastleggen van het aanbevelingsrecht van de staat voor twee leden van de raad van commissarissen van ING.
Deze commissarissen hadden goedkeuringsrecht bij fundamentele beslissingen, zoals investeringen en fusies en overnames groter dan een kwart van het eigen vermogen, en een goedkeuringsrecht bij voorstellen aan de aandeelhouders over het beloningsbeleid. Door de staat aanbevolen commissarissen zijn, net als andere commissarissen, gehouden om in het belang van de vennootschap te handelen. Dat betekent dat de commissarissen onafhankelijk zijn en dus ook zonder last of ruggespraak met de staat kunnen besluiten over het gebruik van hun vetorechten.
Zijn er afspraken gemaakt of voorwaarden gesteld bij het verlenen van de kapitaalinjectie indien er sprake was van signalen rond witwaspraktijken? Zo ja, welke zijn dat? Heeft ING zich aan die afspraken gehouden?
Nee, in de overeenkomst uit 2008 zijn geen afspraken gemaakt of voorwaarden gesteld met betrekking tot signalen rond witwaspraktijken.
Zijn er op enig moment na signalen van witwaspraktijken afspraken gemaakt met ING (met de staat of met NL Financial Investments – NLFI)? Zo ja, welke zijn dat? Heeft ING zich aan die afspraken gehouden?
De staat heeft geen afspraken gemaakt met ING over het tegengaan van witwassen. NLFI speelde in het beheer van de kapitaalverstrekkingsfaciliteit geen rol. NLFI werd pas in 2011 opgericht, nadat kapitaalsteun aan ING was verleend. Bovendien werd het beheer van de steun aan ING destijds niet aan NLFI overgedragen, omdat er bij ING geen sprake was van aandeelhoudersrechten. NLFI is alleen belast met het uitvoeren van aandeelhouderschap namens de staat.
Deelt u de mening dat, zeker zolang ING profiteerde van de kapitaalinjectie, men dit bij eventuele aanwijzingen rond witwaspraktijken vanuit DNB of de Europese Centrale Bank (ECB) zou moeten delen met het Ministerie van Financiën?
Vanuit DNB of de ECB kunnen eventuele aanwijzingen die worden gericht aan een financiële instelling niet gedeeld worden met het Ministerie van Financiën, gezien de toezichtsvertrouwelijkheid waar beide toezichthouders aan gebonden zijn.
Indien het een bank betreft waarvan de Nederlandse overheid al dan niet middels NLFI (groot)aandeelhouder is, of die staatssteun geniet, dan ligt het voor de hand dat deze bank (al dan niet via NLFI) het Ministerie van Financiën (op hoofdlijnen) informeert over belangrijke kwesties, waaronder aanwijzingen van de toezichthouder. Een dergelijke aanwijzing blijft echter een aangelegenheid tussen de toezichthouder en de onder toezicht staande instelling, waarbij het Ministerie van Financiën als aandeelhouder of kapitaalverstrekker geen rol heeft.
Zijn er tussen 2008 en 2015 vanuit DNB, de ECB of het openbaar ministerie (in Nederland of elders) brieven gestuurd naar de Raad van Bestuur van ING die betrekking hebben op eventuele witwaspraktijken door de bank of kwetsbaarheden rondom witwassen?
DNB heeft op grond van artikel 22 van de Wwft een geheimhoudingsplicht. Dit betekent dat het DNB niet is toegestaan om informatie, die zij in het kader van haar toezichtstaak ontvangt of verstrekt, te delen met derden. DNB heeft desgevraagd dan ook laten weten niet te kunnen delen of dergelijke brieven zijn verstuurd naar de raad van bestuur van ING.
Ik kan u wel verwijzen naar de brief van DNB, die ik op 25 september 2018 heb gedeeld met uw Kamer.4 In deze brief gaat DNB, na de totstandkoming van de transactie, nader in op mijn vragen of DNB voldoende bevoegdheden en capaciteit heeft om effectief toezicht te houden op anti-witwasregelgeving, de inschatting van DNB van de mate waarin deze regelgeving wordt nageleefd door de bankensector en de wijze waarop is verzekerd dat ING in het vervolg haar rol als poortwachter naar behoren zal invullen. In deze brief schreef DNB tevens dat het OM eind 2015, in een periodiek overleg tussen het OM, de FIOD en DNB dat is bedoeld om handhavingsverzoeken te bespreken, aangaf signalen te hebben ontvangen die ING tot mogelijke verdachte maakten van onvoldoende naleving van Wwft-vereisten en schuldwitwassen. Deze signalen, zo schrijft DNB in de brief, sloten aan bij de bevindingen die DNB op basis van haar toezichtonderzoeken had gedaan ten aanzien van ING en waarvoor DNB reeds op herstel had aangedrongen middels oplegging van een last onder dwangsom.
De ECB heeft op grond van de Europese antiwitwaswetgeving geen taken en voert in dat kader derhalve geen toezicht uit op ING. Voor wat betreft haar prudentieel toezicht geldt voor de ECB eveneens dat de ECB geen informatie kan verstrekken in verband met de toezichtvertrouwelijkheid daarvan.
Het OM heeft desgevraagd gemeld dat er geen brieven zijn verstuurd naar de raad van bestuur van ING voor de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in 2016. In dat kader is met ING gecommuniceerd over de concrete verdenkingen en later over de buitengerechtelijke afdoening. Voor de stukken verwijs ik naar het besluit op het Wob-verzoek van 5 februari 2019.5
Kunt u een lijst van brieven vanuit DNB, de ECB of het OM (in Nederland of elders) geven, die naar de Raad van Bestuur van ING gestuurd zijn en die betrekking hebben op eventuele witwaspraktijken door de bank of kwetsbaarheden rondom witwassen en waarvan het Ministerie van Financiën (of enig ander onderdeel van de Nederlandse regering) op enig moment op de hoogte is gesteld? Kunt u de brieven met de Kamer delen en per brief aangeven wanneer de Nederlandse regering daarvan in kennis is gesteld?
Voor DNB en de ECB geldt een geheimhoudingsplicht voor toezichtsvertrouwelijke informatie. Het OM heeft gemeld dat voor de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in 2016 geen brieven zijn verstuurd naar de raad van bestuur van ING. Uit de archieven is niet gebleken dat het Ministerie van Financiën, of een ander onderdeel van de regering, op de hoogte is gesteld van dergelijke brieven in de periode voor de bekendmaking van de transactie. De enige uitzondering hierop is de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) die, in het kader van het onderzoek dat zij uitvoerde onder leiding van het OM, op de hoogte was van de bevindingen bij ING. In het kader van volledigheid vat ik uw vraag op als een vraag naar documenten uit de periode tot aan 31 augustus 2018 (de datum waarop de – aanstaande – transactie mij en de rest van het ministerie bekend werd) waarin eventuele signalen over kwetsbaarheden zijn binnengekomen via een route waardoor zij niet in het archief zijn terechtgekomen. Daarom zal ik de komende tijd nagaan of de e-mailboxen van destijds verantwoordelijke hogere ambtenaren relevante informatie bevatten. Ik zal uw Kamer hier zo snel mogelijk over informeren.
Kunt u een lijst van brieven vanuit DNB, de ECB of het OM (in Nederland of elders) geven, die naar de Raad van Bestuur van ING gestuurd zijn en die betrekking hebben op eventuele witwaspraktijken door de bank of kwetsbaarheden rondom witwassen en waarvan de aandeelhouder NLFI op enig moment op de hoogte is gesteld? Kunt u de brieven met de Kamer delen en per brief aangeven wanneer de Nederlandse regering daarvan in kennis is gesteld?
NLFI heeft in het beheer van de kapitaalverstrekkingsfaciliteit geen rol gespeeld. Van brieven over dit thema aan NLFI is dan ook geen sprake.
Heeft de Raad van Bestuur van ING (of enig ander orgaan van ING) op enig moment brieven van DNB, ECB en/of het OM gedeeld met het de Minister van Financiën (of zijn vertegenwoordiger)? Zo ja, wanneer?
Uit de archieven is niet gebleken dat brieven van DNB, de ECB of het OM over witwassen aan de raad van bestuur van ING, zijn gedeeld met het ministerie en/of de Minister van Financiën. Omwille van de volledigheid zal ik nagaan of tot 31 augustus 2018, toen de (aanstaande) transactie mij bekend werd, dergelijke documenten zijn gedeeld met het Ministerie van Financiën en niet in het archief zijn terecht gekomen. Ik laat daarbij de FIOD buiten beschouwing omdat die bij het onderzoek betrokken was. Ik zal de komende tijd nagaan of de e-mailboxen van destijds verantwoordelijke hogere ambtenaren bij het Ministerie van Financiën relevante informatie daarover bevatten. Ik zal uw Kamer hier zo snel mogelijk over informeren.
Op welke momenten zijn NLFI en de Minister van Financiën geïnformeerd over signalen van witwassen bij ING? Kunt u die informatie met de Kamer delen?
Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6. NLFI speelde geen rol in het beheer van de staatssteun aan ING. Ik ben nagegaan of in de archieven van het Ministerie van Financiën signalen van kwetsbaarheden rondom witwassen bij ING te vinden zijn. In de periode van de staatssteun en daarna heb ik dergelijke signalen niet terug kunnen vinden in het archief. Met de publicatie in maart 2017 van het jaarverslag over het jaar 2016, werd het strafrechtelijk onderzoek naar ING publiek bekend en dus ook bij mijn voorganger. Zoals ik onder meer in het debat van 16 januari 2019 over de transactie van het OM met ING met uw Kamer noemde, ben ik voor het eerst op vrijdag 31 augustus 2018 op de hoogte gesteld dat er een transactie zou worden gesloten, die op dinsdag 4 september 2018 bekend werd gemaakt.
Zoals hiervoor gemeld wil ik omwille van de volledigheid nagaan of er in de periode voorafgaand aan de transactie signalen over kwetsbaarheden zijn binnengekomen bij het Ministerie van Financiën, anders dan de FIOD, die per abuis niet in het archief terecht zijn gekomen. Daarom zal ik de komende tijd nagaan of dergelijke signalen te vinden zijn in de e-mailboxen van destijds verantwoordelijke hogere ambtenaren. Ik zal uw Kamer hier zo snel mogelijk over informeren.
Wat is de rol van de compliance-afdeling in een bank als ING?
De plicht tot naleving van de regelgeving met betrekking tot het voorkomen van gebruik van het financiële stelsel voor witwassen rust op de instelling die valt onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Op grond van die wet moet een instelling, zoals een bank, beschikken over een onafhankelijke en effectieve compliancefunctie. De compliancefunctie is gericht op het controleren van de naleving van wettelijke regels, en interne regels die de instelling zelf heeft opgesteld. De compliancefunctie controleert met andere woorden onder meer of binnen de bank de regels met betrekking tot cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties worden nageleefd. Daarbij is de compliancefunctie op grond van de Wwft belast met het verstrekken van informatie over ongebruikelijke transacties aan de Financiële inlichtingen eenheid (FIU-Nederland).
Heeft de compliance-afdeling een rol in het tegengaan van eventuele witwaspraktijken met medewerking van medewerkers van een bank?
De compliancefunctie heeft tot taak het controleren of binnen de instelling de wettelijke regels en de eigen regels van de instelling worden nageleefd. Hieronder vallen ook regels omtrent het voorkomen van witwassen.
Deelt u de mening dat afbouw van de compliance-afdeling niet logisch is wanneer een bank een brief krijgt van toezichthouder(s) dat er sprake is van witwaspraktijken bij de desbetreffende bank?
Het is bij het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen van belang dat de compliancefunctie adequaat vervuld wordt en onafhankelijk en effectief haar werk kan doen. De adequate vervulling van de compliancefunctie staat voorop. Onduidelijk is waarop precies wordt gedoeld met afbouw van de compliancefunctie. Als een dergelijke afbouw ervoor zorgt dat de compliancefunctie niet (meer) adequaat kan worden vervuld is dat mijns inziens inderdaad onlogisch.
Hoeveel mensen waren werkzaam bij de compliance-afdeling ten tijde van de kapitaalinjectie door de Nederlandse overheid in ING?
Het Ministerie van Financiën heeft geen beschikking over dergelijke gegevens, noch zijn dergelijke gegevens openbaar. ING laat desgevraagd weten geen antwoord te kunnen geven op deze vragen, vanwege organisatorische herschikkingen over de gevraagde periode (2008–2014) en vanwege technische beperkingen van haar HR- en IT-systemen. ING verwijst in haar reactie ook naar het door het OM gepubliceerde feitenrelaas bij de schikking, waarin wordt uitgelegd dat de bestrijding en voorkoming van witwassen niet was belegd bij een compliance-afdeling: «Uit het strafrechtelijk onderzoek is naar voren gekomen dat de verantwoordelijkheid voor naleving van de Wwft was belegd bij drie verschillende onderdelen van ING NL, te weten de onderdelen «business», «compliance» en «interne audit dienst». Deze drie onderdelen vormen de zogenaamde «three lines of defense».»
Daarnaast is, zoals ik in eerdere beantwoording van vragen van uw Kamer schreef6, uit het strafrechtelijk onderzoek naar voren gekomen dat ING personele capaciteitsproblemen had bij de voor naleving van de Wwft relevante afdelingen, zoals de afdelingen die cliëntenonderzoeken uitvoerden en afdelingen waar medewerkers werkten die witwassignalen uit het transactiemonitoringssysteem onderzochten. Er werd te weinig personeel beschikbaar gesteld om deze werkzaamheden uit te voeren en ook om de problemen die bekend waren geworden binnen de organisatie voortvarend en structureel op te lossen. Ook had het wel beschikbare personeel niet altijd de benodigde kennis en ervaring om deze werkzaamheden uit te voeren. Uit het onderzoek is gebleken dat ING in de periode 2010 tot en met 2016 onvoldoende investeerde in personele capaciteit en kwaliteit.
Hoeveel mensen werkten er op de compliance-afdeling na de laatste aflossing door ING aan het Rijk in 2014?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op de vorige vraag.
Is de reductie van de compliance-afdeling van ING voorgelegd aan NLFI en/of de Nederlandse overheid?
Een dergelijke reductie is niet voorgelegd. De bedrijfsvoering, waaronder de invulling van de compliance-afdeling, betreft een aangelegenheid waar het bestuur verantwoordelijk voor is en de raad van commissarissen toezicht op houdt.
NLFI had geen rol in het beheer van de staatssteun aan ING, aangezien er geen sprake was aandeelhoudersrechten.
Heeft NFLI en/of de Nederlandse regering ingestemd met de reductie van de compliance-afdeling van ING?
Nee, zie de beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn een voor een beantwoord. Beantwoording binnen drie weken is helaas niet gelukt, omdat informatie moest worden gevraagd van ING en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de beantwoording.
De inzet tijdens de jaarwisseling |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hoeveel meer agenten staan ingeroosterd de aankomende jaarwisseling ten opzichte van voorgaande jaren?1
Hoeveel agenten er precies zijn ingeroosterd verschilt per eenheid. Daar waar nodig zet de politie extra agenten in.
Hoe staat het met eventueel aangekondigde politieacties tijdens de jaarwisseling?2
De politievakbonden hebben (nog) geen acties aangezegd.
Staan andere diensten klaar om «project X»-achtige taferelen te voorkomen?
De politie is zowel fysiek als digitaal alert op signalen en informatie die duiden op mogelijke ongeregeldheden, bijvoorbeeld op sociale media. Politie en hulpdiensten staan altijd klaar om bij dergelijke situaties op te treden of te assisteren.
Vindt u dat de politie voldoende voorbereid en toegerust is op de komende jaarwisseling? Zo nee, waarom niet?
Ja, de politie bereidt zich zowel regionaal als landelijk voor op de jaarwisseling. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillende scenario’s.
Hebben gemeenten de mogelijkheid een (coronaproof) alternatief te organiseren als zij zich zorgen maken over escalatie in hun gemeente, zoals we de afgelopen dagen zagen in de gemeente Veen?3
Ja, het staat gemeenten vrij alternatieven te organiseren.
Kunt u deze vragen voor 31 december beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het gedrag van Centric-topman Gerard Sanderink |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Evert Jan Slootweg (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vragen en antwoorden nog over de problemen bij Centric en Oranjewoud?1
Ja, die herinner ik me.
Heeft u kennisgenomen van het gedrag van dhr. Sanderink die een inspecteur bedreigd heeft en bewijsmateriaal vernietigd heeft?2
Ik heb dat uit de media vernomen.
Herinnert u zich dat hij eerder mails heeft gestuurd aan de directeur van de FIOD met in de cc: de Minister van Financiën, Staatssecretaris van Financiën, Secretaris-generaal MinFin, Directeur-generaal Belastingdienst, Minister van BZK, Staatssecretaris van BZK, Secretaris-generaal BZK, Minister van JenV, College van procureurs-generaal, Secretaris-generaal MinIenW?
Ja, dat herinner ik me.
Kunt u de mails en appjes die hij aan hoge overheidsfunctionarissen gestuurd heeft de afgelopen 18 maanden openbaar maken en aan de politie en het openbaar ministerie doen toekomen zodat zij toch in bezit komen van de mail?
Ik zie op dit moment geen redenen om bedoelde correspondentie openbaar te maken zonder dat daar een verzoek ligt van door u genoemde instanties. Dergelijke instanties kunnen de correspondentie indien benodigd bij de geadresseerden opvragen.
Bent u ervan op de hoogte dat dhr. Sanderink geen gevolg geeft aan een fors aantal gerechtelijke uitspraken?
Ik ben op de hoogte van berichtgeving in de media daarover. Het is aan de bij die procedures betrokken partijen om daar al of niet actie op te ondernemen.
Is het gepast voor DNB en de Nederlandse overheid om zaken te blijven doen met iemand die zich niet gerechtelijke uitspraken houdt en gezagsdragers bedreigt en dat nota bene in gevoelige materie zoals ICT en bij gevoelige instellingen zoals DNB?
Centric en Strukton maakten op 4 januari 2021 bekend dat de heer Sanderink met ingang van genoemde datum zijn bestuurlijke taken bij Centric en Strukton heeft neergelegd. Het is aan DNB als contractpartij van Centric om de kwaliteit van dienstverlening van Centric te monitoren. Dit is onderdeel van de eigen bedrijfsvoering van DNB als onafhankelijk toezichthouder.
Is DNB voor essentiele en gevoelige taken afhankelijk van software van Centric? Kan DNB zonder die software gewoon zijn taken voortzetten?
Voor zover mij bekend is DNB voor essentiele en gevoelige taken niet afhankelijk van software van Centric.
Wilt u deze Kamervragen doen toekomen aan De Nederlandsche Bank zodat die zelfstandig een afweging kan maken?
Ja.
Zijn er naast DNB nog andere overheidsinstellingen met cruciale functies die afhankelijk zijn van de software van Centric? Zo ja, welke?
Behalve van DNB ben ik niet op de hoogte van andere overheidsinstellingen met cruciale functies die diensten afnemen van Centric. Wel zijn er enkele staatsdeelnemingen die gebruik maken van de diensten van Centric. Zij houden ons op de hoogte van ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de rol van de huidige partner van de heer Sanderink die gevorderde mails en appjes gewist zou hebben? Kan iemand die gevorderde informatie wist betrokken zijn bij een onderneming die essentiele ICT levert aan de overheid?
Het is niet aan mij om een oordeel te vellen over het functioneren van een private onderneming dan wel de relatie tussen deze private onderneming en een individu.
Kunt u uiteenzetten welke bevoegdheden en verplichtingen de Raad van Commissarissen heeft indien een bestuurder duidelijk wetten overtreedt en niet handelt in het belang van de onderneming?
De wet (het Burgerlijk Wetboek) stelt voorop dat elke bestuurder tegenover de vennootschap verplicht is tot een behoorlijke taakvervulling. De raad van commissarissen van een NV of BV heeft de taak om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de ondernemingen die daaraan verbonden zijn. Bestuurders en commissarissen dienen zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.3 Bij de toezichthoudende taak van de raad van commissarissen past dat dit orgaan zo nodig kan ingrijpen in de vennootschap wanneer het vennootschappelijke belang dit vergt, binnen de bandbreedte van de wet en de statuten van de vennootschap.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
Vanwege de noodzakelijke interdepartementale afstemming is beantwoording binnen de geldende termijn niet haalbaar gebleken.
Het bloedbad van Sivas in Turkije |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden nog herinneren op de schriftelijke vragen inzake een verzoek aan de Nederlandse ambassade in Turkije aangaande het bloedbad van Sivas op 2 juli 1993, waarbij ook de Nederlandse Carina Thuijs is vermoord door islamitisch fundamentalisten?1 2
Ja.
Dient uit uw eerdere beantwoording over de strafprocessen tegen verdachten in de zaak van het bloedbad van Sivas opgemaakt te worden dat geen enkel strafproces tegen verdachten door Nederland is gevolgd? Zo ja, waarom niet? Zo nee, welk strafproces heeft u wanneer, tegen welke verdachte(n), op welke wijze gevolgd?
Er zijn veel rechtszaken in Turkije waar Nederland aandacht voor heeft. Zo worden, indien mogelijk, bepaalde rechtszaken fysiek gemonitord door de Nederlandse Ambassade. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan strafprocessen waar mensenrechtenverdedigers of Nederlandse burgers als verdachten terechtstaan.
Zoals vermeld in eerdere beantwoording was Nederland op de hoogte dat de volgende zitting op 20 januari jl. ging plaatsvinden. De Nederlandse Ambassade heeft deze hoorzitting bijgewoond.
Bent u bereid de lopende rechtszaak tegen drie verdachten, waarvan de volgende zitting op 20 januari 2021 zal plaatsvinden, actief bij te wonen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
In reactie op uw antwoord dat aan Nederland door familie en verenigingen van Alevieten en slachtoffers niet zou zijn verzocht zich te voegen bij de rechtszaak tegen verdachten van de moordzaak vanwege de misdaad tegen Carina Thuijs: bent u bekend dat betrokkenen melden zich niet te herkennen in dit beeld? Bent u bereid dit verzoek alsnog te honoreren, mede tegen de achtergrond dat de Turkse Orde van Advocaten en rechters in Turkije deze zaak zien als een misdaad tegen de menselijkheid waarbij ook een Nederlandse is vermoord? Zo nee, waarom niet?3 4
De Nederlandse Ambassade heeft op 4 januari jl. hierover telefonisch contact gehad met een vertegenwoordiger van de nabestaanden, waarbij de Ambassade werd verzocht om zich te voegen in de rechtszaak en de rechtszitting op 20 januari a.s. bij te wonen. Zoals hierboven vermeld in antwoord op vraag 3 heeft Nederland de rechtszitting bijgewoond. Nederland zal deze zaak ook nauwgezet blijven volgen en in het bijzonder erop toezien dat het internationaal recht gerespecteerd wordt in dit proces. Er zijn echter geen aanwijzingen dat door de Turkse rechter het internationaal recht op onjuiste wijze geïnterpreteerd of toegepast is. Er is daarom vooralsnog geen reden voor Nederland om zich te mengen in de Turkse procedure door een voeging of op een andere wijze. Het uitgangspunt is dat Nederland de rechtsgang in andere landen respecteert en alleen overweegt zich daarin te mengen als de interpretatie of toepassing van internationaal recht niet in overeenstemming is met Nederlandse visie.
Bent u ervan op de hoogte dat de Duitse regering thans vast heeft kunnen stellen dat negen personen die in Turkije veroordeeld zijn in verband met de Sivas moorden, in Duitsland verblijven? Bent u gezien de ernst van de misdrijven, alsmede de moord op de Nederlandse Carina Thuijs, bereid contact met Duitsland op te nemen teneinde de mogelijkheden voor nader onderzoek en vervolging te overleggen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering beschikt niet over informatie dat de Duitse regering thans heeft kunnen vaststellen dat genoemde 9 personen in Duitsland verblijven. Navraag bij Duitsland heeft geen aanvullende informatie opgeleverd. Mede gezien het antwoord bij vraag 4 en de beantwoording van schriftelijke vragen van uw Kamer d.d. 7 december 2020 (uw referentie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1027), ziet de regering geen aanleiding om verdere stappen te ondernemen richting Duitsland.
De zorgen om bedreigde advocaten |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het item van EenVandaag: ««Kabinet moet bedreigde advocaten beter beschermen», zegt Landelijke Orde van Advocaten»?1
Er wordt door de betrokken diensten hard gewerkt om de veiligheidssituatie van advocaten te waarborgen. Er worden, passend bij dreiging en risico, beveiligingsmaatregelen getroffen voor een ieder die dat nodig heeft. Om dit nu en in de toekomst tijdig te kunnen blijven doen, investeer ik structureel 55 miljoen euro in de stelsels bewaken en beveiligen en getuigenbescherming2, zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten. De verschillende versterkingstrajecten zijn reeds gestart. Eén van deze trajecten betreft het versterken van de weerbaarheid van de togaberoepen en journalisten. Hiertoe stel ik in 2021 3,5 miljoen euro beschikbaar en in de daaropvolgende jaren 1 miljoen euro. Hiermee worden beroepsgroepen door de overheid ondersteund om hun eigen weerbaarheid te vergroten en de werkgever om zijn rol op dit terrein goed te vervullen.
Hoe ernstig taxeert u de toenemende dreiging richting advocaten, zoals de beschietingen van kantoren en het aantal maal dat de noodtelefoon is gebeld, waaruit blijkt dat iedere week wel een advocaat in ons land te maken heeft met bedreiging, intimidatie, ernstige stalking en zelfs geweld?
Dat advocaten in toenemende mate te maken krijgen met intimidatie, bedreiging of geweld is een zeer ernstige ontwikkeling. Het is onacceptabel dat functionarissen die zich inzetten ten dienste van de rechtsorde gehinderd worden in de uitoefening van hun beroep. Advocaten hebben een essentiële rol in onze rechtsstaat en het is van belang dat zij deze veilig kunnen invullen en daartoe bescherming krijgen als dat nodig is.
Wat is uw reactie op de oproep dat meer gedaan kan en moet worden om de veiligheidssituatie van advocaten te verbeteren, op het gebied van investeringen, het afschermen van persoonsgegevens en het vervoer van strafadvocaten in grote zaken naar rechtbanken?
De veiligheidssituatie van advocaten, rechters, officieren en journalisten staat hoog op de agenda van het kabinet en de overheid levert een belangrijke bijdrage. Het is hierbij ook van belang te noemen dat veiligheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, waarbij het uitgangspunt geldt dat de verantwoordelijkheid eerst bij personen zelf ligt en bij de organisaties waar deze personen werkzaam zijn of door vertegenwoordigd worden.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 wordt er reeds geïnvesteerd in het stelsel bewaken en beveiligen en daarbij het versterken van de weerbaarheid van onder andere de advocatuur.
Op het gebied van het afschermen van persoonsgegevens is in het economisch en maatschappelijk verkeer een goede balans tussen toegankelijkheid van persoonsgegevens in het belang van de rechtszekerheid enerzijds en bescherming van de persoonsgegevens inclusief veiligheidsaspecten anderzijds cruciaal. Het is van belang hier telkens een zorgvuldige afweging in te maken. In het schriftelijk overleg over Ondernemen en Bedrijfsfinanciering heeft de Staatssecretaris van EZK uw Kamer geïnformeerd dat de Kamer van Koophandel op korte termijn kan overgaan tot het afschermen van woonadresgegevens. Individuen, zoals een ondernemer of een advocaat, kunnen ervoor kiezen om een ander vestigingsadres dan het woonadres op te geven. Zo maakt de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ) het mogelijk voor leden die online of fysiek bedreigd worden om gebruik te maken van het vestigingsadres van de NVJ. Ook is geregeld dat persoonsgegevens bij het Kadaster vanwege veiligheidsoverwegingen in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen afgeschermd kunnen worden.
Met betrekking tot het vervoer van strafrechtadvocaten kan ik in algemene zin aangeven dat wanneer dreiging en risico hiertoe aanleiding geven, er door de overheid besloten kan worden om aanvullende beveiligingsmaatregelen te treffen ten aanzien van het vervoer. Beveiligingsmaatregelen worden vormgegeven als resultaat van een zorgvuldige afweging tussen dreiging en risico, proportionaliteit van de maatregelen en de impact ervan op de betreffende persoon, waarbij de veiligheid altijd voorop staat.
Vindt u bij nader inzien het idee van de wijkplaats, een soort «safehouse» waar bedreige personen zoals advocaten of journalisten na een periode van heftige dreigementen door kunnen werken of even kunnen bijkomen met hun gezin, nu toch een interessante gedachte?
Het is essentieel om eerst goed in kaart te brengen en een gemeenschappelijk beeld te hebben van waar de behoefte ligt, hoe (een) eventuele wijkplaats(en) eruit zou(den) moeten zien, wat hier voor nodig is en in welke mate dit concept bijdraagt aan de weerbaarheid. Hier wordt over gesproken in het traject ter versterking van de weerbaarheid van de togaberoepen en journalisten. Wanneer er concrete plannen liggen, ben ik bereid om te kijken of en op welke wijze de overheid dit (financieel) kan ondersteunen in aanvulling op de eigen bijdrage van de beroepsgroepen die van hen verwacht wordt in het kader van de werkgeversverantwoordelijkheid.
Waarom bent u tot nu toe niet bereid een bijdrage te leveren aan de wijkplaats?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is nu uw reactie op de aangehouden motie Van Nispen over het opzetten van een wijkplaats voor togadragers die de regering verzoekt om in overleg met de beroepsgroepen eenmalig te investeren in het opzetten van een wijkplaats voor togadragers, en tevens om bij andere personen die vanuit hun werk (agenten, leraren, journalisten) een bijdrage leveren aan de rechtsstaat en bescherming van onze grondrechten (zoals de vrijheid van meningsuiting), de behoefte naar een wijkplaats te inventariseren en waar nodig dit te faciliteren?2
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid over al deze onderwerpen en zorgen met spoed in gesprek te gaan met de Nederlandse Orde van Advocaten en de Kamer hierover nog in januari inhoudelijk te informeren?
Er vindt reeds periodiek overleg plaats met de kwartiermakers van de togaberoepen en journalisten in het kader van het versterken van de weerbaarheid van deze beroepsgroepen. De Nederlandse Orde van Advocaten is hierin vertegenwoordigd. De voorstellen van de beroepsgroepen voor het versterken van de weerbaarheid worden hier besproken en in gezamenlijkheid bezien. Eind januari staat er wederom een bijeenkomst gepland en zal onder andere de behoefte aan het opzetten van een wijkplaats worden besproken. Wanneer er uitkomsten zijn ten aanzien van de wijkplaats, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Het bericht ‘Gevangenis Vught verdacht van financiering terrorisme’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de gevangenis Vught verdacht wordt van het financieren van terrorisme? Zo nee, waarom niet?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat de gevangenis in Vught geld naar de veroordeelde terrorist Mohammed D. overmaakte? Bent u bereid de verantwoordelijke personen die zaten te slapen te ontslaan en te straffen? Zo nee, waarom niet?
Gedetineerden beschikken over een rekening courant bij de penitentiaire inrichting waarop zij tot beperkte hoogte middelen kunnen ontvangen. Het gaat om middelen overgemaakt door derden of om loon uit in detentie verrichte arbeid.
Het is aan het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen naar mogelijke overtredingen van de Sanctieregeling Terrorisme.
Bent u bereid maatregelen te treffen tegen de gevangenis in Vught, zodat dit soort blunders nooit meer kunnen gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Bij de inwerkingtreding van de Sanctieregeling Terrorisme is nagelaten om een ontheffing ten behoeve van DJI aan te vragen. In mei 2019 echter heeft de Minister van Financiën ten behoeve van DJI een ontheffing afgegeven. Deze ontheffing verleent toestemming om handelingen te verrichten die verboden zijn op grond van de bevriezingsmaatregel. In de beantwoording van vragen gesteld door de leden Van Laan-Geselschap en Van Wijngaarden van 12 juni 2019 heb ik uw Kamer hierover nader geïnformeerd.2
De ontheffing maakt mogelijk dat DJI aan personen op de nationale sanctielijst terrorisme loon mag betalen en gemaximeerde bedragen van slechts één aangewezen contactpersoon mag storten op de rekening courant van de gedetineerden ten behoeve van uitgaven voor primaire levensbehoeften. Deze contactpersoon moet hiervoor ook een ontheffing aanvragen. Tevens kan DJI namens de gedetineerde verschuldigd geld betalen aan derden, zoals een schadevergoeding aan slachtoffers.
Bent u bereid per direct een einde aan te maken aan het idiote feit dat gevangenen geld gestort kunnen krijgen en het feit dat terroristen in de gevangenis betaald worden voor klusjes in de gevangenis? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de eerdergenoemde beantwoording van Kamervragen is aangegeven dat het om een aantal redenen wenselijk is dat er beperkte middelen beschikbaar zijn voor gedetineerden in detentie. DJI kan op deze manier, namens de betreffende gedetineerden, schadevergoedingen aan slachtoffers of andere boetes vanuit detentie voldoen. Gedetineerden kunnen met deze middelen aankopen doen uit de gevangeniswinkel. De beschikking over beperkte middelen draagt bovendien bij aan resocialisatie, re-integratie en zelfredzaamheid. Ten slotte is DJI verplicht loon uit te keren voor in de inrichting verrichte arbeid.
Bent u met de mening eens dat terroristen helemaal niet hagelslag in een gevangeniswinkel moeten kunnen kopen, maar permanent in volledige beperking zouden moeten zitten op water en brood? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie daarvoor het antwoord op de vorige vraag.
In eerdere antwoorden op vragen van uw Kamer heb ik aangegeven dat de veiligheid centraal staat in de Terroristenafdelingen, en de mogelijkheden geschetst om contacten van deze gedetineerden met anderen te beperken.3 Ik acht een structurele volledige beperking van gedetineerden met een terroristische achtergrond niet nodig.
Klopt het dat de slechts tot drie jaar cel veroordeelde terrorist Mohammed D. inmiddels weer vrij rondloopt? Zo ja, bent u bereid hem op te sporen en deze gevaarlijke terrorist per direct het land uit te knikkeren? Zo nee, waarom niet?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin kan het Nederlanderschap worden ingetrokken na een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf en wanneer betrokkene naast de Nederlandse een of meer andere nationaliteiten heeft. In dat geval werkt de Dienst Terugkeer en Vertrek in een zo vroeg mogelijk stadium aan het vertrek van deze persoon. Bij personen die (nog) Nederlander zijn kan de overheid geen dwang toepassen het land te verlaten. Nadat het besluit tot intrekking kenbaar is gemaakt en betrokkene geen rechtmatig verblijf in Nederland meer heeft, kan het gedwongen dan wel zelfstandig vertrektraject worden ingezet.
Chinese surveillanceapparatuur |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Huawei software voor de herkenning van gezichten van Oeigoeren testte?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving?
Het kabinet kan de berichtgeving niet bevestigen op basis van eigen informatie.
Is dergelijke herkenningssoftware, gericht op een bepaalde bevolkingsgroep, volgens u in strijd met mensenrechten en bovendien een uiting van racisme?
Het gebruik van gezichtsherkenningssoftware is op zichzelf geen schending van internationale mensenrechten, hoewel er wel vanuit diverse mensenrechtenorganen zorgen zijn geuit over het gebruik van biometrische data, zoals wordt verzameld bij gezichtsherkenningssoftware, en het effect wat een dergelijke technologie kan hebben op, bijvoorbeeld, het recht op privacy.
Met betrekking tot het gebruik van gezichtsherkenningssoftware waarbij dit wordt ingezet ter herkenning van gezichten van bepaalde bevolkingsgroepen, dient opgemerkt te worden dat op grond van internationale mensenrechtenverdragen het niet is toegestaan een onderscheid te maken op basis van bijvoorbeeld, ras, afkomst of etniciteit. Het kabinet benadrukt dat ook China zich via de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) heeft gecommitteerd aan mensenrechten, dat deze universeel zijn en dat eenieder aanspraak heeft op alle rechten en vrijheden die in de UVRM worden opgesomd – zonder enig onderscheid van welke aard ook. Het verbod op discriminatie is specifiek neergelegd in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, welke China heeft geratificeerd.
Indien er derhalve bij de inzet van gezichtsherkenning, en bij het gebruik van de gegevens die hierbij verzameld kunnen worden, door China onderscheid gemaakt wordt op grond van etniciteit (in dit geval de Oeigoeren) of gezichtsherkenningssoftware wordt ingezet die enkel gericht is op de specifieke gezichten van Oeigoeren, dan is het waarschijnlijk dat het discriminatieverbod zoals neergelegd in internationale mensenrechtenverdragen wordt geschonden.
Onder de OESO-richtlijnen wordt van bedrijven verwacht dat zij voorkomen en tegengaan dat hun producten worden gebruikt voor discriminerende doeleinden. China is geen lid van de OESO, wat betekent dat de Chinese overheid niet verwacht van Chinese bedrijven dat zij de OESO-richtlijnen naleven. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) stelt geen eisen aan producten, en kent met name regels om handelsbarrières tegen te gaan.
Kunt u aangeven of, en zo ja welke, internationale verdragen China schendt met het gebruik van deze software voor de herkenning van gezichten van specifiek Oeigoeren?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of Huawei in strijd handelt met internationale afspraken onder bijvoorbeeld de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), het Handvest van de Verenigde Naties (VN), de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking (OESO) of enige andere internationale conventies?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u contact gehad met Huawei over deze onthulling en zo ja, wat was hun verklaring voor het ontwikkelen van een Oeigoer-alarm? En zo nee, wanneer bent u van plan contact met hen op te nemen om uw afschuw uit te spreken over dergelijke «slimme» surveillancemiddelen die worden ingezet om Chinese minderheden te onderdrukken?
Huawei heeft zijn positie in deze kwestie gecommuniceerd via een verklaring op de website van Huawei Nederland.2 Het bedrijf stelt onder andere dat «de applicatie niet geïmplementeerd [is] in de praktijk» en dat «onze technologieën niet [zijn] ontworpen om etnische groepen te identificeren». Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan deze uitleg van Huawei op basis van eigen informatie niet bevestigen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft het onderwerp van het mogelijke misbruik van de gezichtsherkenningssoftware aan de orde gesteld tijdens een recent courtesy gesprek met het bedrijf. Huawei heeft daarbij aangegeven dat dit ingaat tegen het beleid van het bedrijf. Medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn over dit onderwerp op 25 februari jl. uitgebreider in gesprek met Huawei gegaan. Daarbij hebben zij ook de zorgen van het kabinet met betrekking tot etnische profilering, discriminatie en gebruik van technologie voor mensenrechtenschendingen overgebracht en Huawei op de maatschappelijke verantwoordelijkheid gewezen.
In hoeverre acht u het wenselijk dat Chinese bedrijven die de onderdrukking van Oeigoeren in China faciliteren actief zijn op de Nederlandse en de Europese markt? En kunt u aantonen dat die bedrijven niet ook dergelijke praktijken binnen de Europese Unie bezigen?
Het kabinet heeft geen overzicht van de activiteiten van Chinese bedrijven in de EU en kan geen uitspraken doen over mogelijke bijdragen van individuele bedrijven aan onderdrukking in Xinjiang.
Kunt u binnen de Europese Unie pleiten voor een onderzoek naar Chinese bedrijven die zowel de onderdrukking en de uitbuiting van Oeigoeren in China faciliteren als actief zijn op de Europese markt? Zo nee, waarom niet? En zo ja, wanneer en waar gaat u dat doen?
Nederland en (de lidstaten van) de Europese Unie volgen de mensenrechtensituatie nauwgezet. Via het postennetwerk in China houdt Nederland zich op de hoogte van de ontwikkelingen in Xinjiang en de rest van het land. Nederlandse diplomaten houden contact met bedrijven, ngo’s, en mensenrechtenverdedigers en hebben daarbij ook aandacht voor surveillance en de rol van het Chinese bedrijfsleven. De informatiepositie van Nederland wordt gesteund door samenwerking met de delegatie van de EU, gelijkgestemde landen en onderzoeksinstellingen. Gezien alles wat er al gaande is, acht ik een oproep tot een onderzoek naar Chinese bedrijven die zowel de onderdrukking en de uitbuiting van Oeigoeren in China faciliteren als actief zijn op de Europese markt, niet nodig.
Is het mogelijk om, naar Amerikaans voorbeeld, in de Europese Unie te komen tot een zwarte lijst met buitenlandse bedrijven die actief handelen in strijd met de Europese waarden en belangen, waardoor Europese bedrijven een exportlicentie nodig hebben om zaken met hen te doen? Bent u bereid hiervoor te pleiten?
De juridische basis voor het EU-exportcontrolebeleid voor dual-use goederen is de EU Dual Use Verordening. Deze voorziet niet in een «zwarte lijst»-methodiek. Controle vindt plaats op basis van een lijst van dual-use goederen die in deze EU-verordening is bijgevoegd. Deze controlelijst wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van internationale afspraken in exportcontroleregimes over te controleren goederen en technologie. Nederlandse bedrijven zijn verplicht een exportvergunning aan te vragen als zij goederen of technologie op deze EU-controlelijst willen exporteren buiten de EU. Het kabinet maakt een inschatting van het risico dat de eindgebruiker de goederen voor ongewenst militair eindgebruik inzet. Mocht het risico op militair eindgebruik of mensenrechtenschendingen te groot zijn dan wijst het kabinet een vergunningaanvraag af. Het kabinet maakt daarbij ook gebruik van de informatie die de lidstaten van de Europese Unie delen over afgewezen vergunningaanvragen. Zo probeert de EU te voorkomen dat de ontvangers, ofwel eindgebruikers de goederen en technologie in een andere lidstaat kopen. Dit waarborgt tegelijkertijd een gelijk speelveld voor het Europese bedrijfsleven. Het kabinet is geen voorstander van de toevoeging van een «zwarte lijst» als onderdeel van het exportcontrolestelsel en benadert exportcontrole vanuit het risico dat met de levering van goederen gepaard gaat.
Bent u bekend met het bericht dat de Europese Unie gebruikmaakt van temperatuurcamera's van het Chinese bedrijf Hikvision?2
Ja.
Bent u bekend met het gegeven dat Hikvision bewakingscamera’s levert voor de Chinese interneringskampen en heel Xinjang volhangt met camera’s van dit bedrijf?
Het is bekend dat Hikvision een grote speler in de surveillancesystemenmarkt is, maar het kabinet heeft geen zicht op waar camera’s en andere apparatuur van dit bedrijf geïnstalleerd zijn.
Hebben de EU-instellingen de temperatuurcamera’s van Hikvision inmiddels vervangen door apparatuur van bedrijven die geen grootschalige mensenrechtenschendingen faciliteren?Zo nee, waarom niet en kunt u dit zo spoedig mogelijk bepleiten?
Het kabinet heeft de Europese Commissie, de Europese Dienst voor Extern Optreden en het Europese parlement gewezen op de kwetsbaarheden. Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid voor het beheer van de temperatuurcamera’s bij de EU-instellingen.
Maken naar uw weten Nederlandse overheidsinstellingen gebruik van surveillanceapparatuur van Chinese bedrijven die in China betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen? En zo ja, deelt u dan de mening dat deze zo snel mogelijk moeten worden vervangen door apparatuur van «schone» bedrijven?
Er bestaat geen compleet overzicht van de gebruikte surveillanceapparatuur binnen alle overheidsinstellingen.
Kunt u onderzoeken in hoeverre surveillanceapparatuur van Chinese bedrijven die betrokken zijn bij mensenrechtenschending in China, is uitgerold in Nederland en naar aanleiding van dit onderzoek aangeven welke grenzen u hieraan wilt stellen?
Het kabinet houdt geen overzicht bij van de merkkeuzes door private partijen voor surveillanceapparatuur. Wel verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) naleven. Dit houdt in dat bedrijven in kaart brengen in hoeverre zij via hun bedrijfsactiviteiten en ketenpartners verbonden zijn aan risico’s voor mens en milieu, en hun invloed aan te wenden om deze risico’s te voorkomen en aan te pakken, de aanpak hiervan te monitoren en hier verantwoording over af te leggen.
Is de tijd niet gekomen, ook mede in het licht van de recente onthullingen over de massale dwangarbeid in de Chinese regio Xinjang, dat u samen met uw Europese collega’s een veel hardere koers gaat varen tegenover China? Hoelang worden deze massale mensenrechtenschendingen nog door de vingers gezien?
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 16 december jl. in haar gesprek met de viceminister van het Chinese Ministerie van Handel, Yu Jianhua, China opgeroepen om toegang te verlenen tot Xinjiang en bedrijven in staat te stellen hundue diligence uit te voeren. Mensenrechten zijn ook aan de orde gekomen tijdens het gesprek van Minister-President Mark Rutte en Premier Li Keqiang op 23 december 2020. Naast bilaterale kanalen spreekt Nederland China ook aan op de mensenrechtensituatie via multilaterale gremia zoals de Verenigde Naties (VN) en in EU-verband. In het recent onderhandelde Comprehensive Agreement on Investment (CAI) tussen de EU en China is overeengekomen dat China zich voortdurend zal inspannen de openstaande fundamentele ILO conventies – waaronder die over dwangarbeid – te ratificeren en implementeren. Nederland heeft zich hier tijdens de onderhandelingen hard voor gemaakt.
De Raad Buitenlandse Zaken heeft op 22 maart 2021 een pakket listings aangenomen in het kader van de EU-mensenrechtensanctieregime waarin vier personen en een entiteit verantwoordelijk voor mensenrechtenschendingen in Xinjiang sancties zijn opgelegd, conform de moties Sjoerdsma c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1596), Ploumen (Kamerstuk 35 570 V, nr. 43) en Kuzu (Kamerstuk 35 570 V, nr. 53)
Tijdens de 46e sessie van de VN Mensenrechtenraad in maart 2021 heeft Nederland in een gezamenlijke verklaring met 25 andere EU-lidstaten in de VN Mensenrechtenraad aandacht gevraagd voor onder andere de wijdverspreide surveillance en beperking van vrijheden in Xinjiang.
Het bericht ‘Kabinet, schep duidelijkheid over de verhuisboete voor bedrijven’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Eric Wiebes (VVD), Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van VNO-NCW/MKB-Nederland; «Kabinet, schep duidelijkheid over de verhuisboete voor bedrijven»?1
Ja
Herkent en deelt u de zorgen die in ondernemend Nederland leven bij zowel grotere ondernemingen, als het midden- en kleinbedrijf (mkb) over (het boven de markt hangen van) de Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting die niet alleen effect heeft op verhuizing van bedrijven naar het Verenigd Koninkrijk maar ook naar landen als Spanje, Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, graag een toelichting.
De initiatiefnemer tracht met het initiatiefwetsvoorstel te voorkomen dat de Nederlandse dividendbelastingclaim verloren gaat indien een hoofdkantoor vertrekt uit Nederland door af te rekenen over de opgebouwde (latente) winstreserves. Middels een verhaalsrecht kan het vertrekkende lichaam in theorie deze dividendbelasting claimen bij de aandeelhouders, terwijl deze dividenden nog niet ter beschikking zijn gesteld aan de aandeelhouders. Uit de toelichting bij de vierde nota van wijziging kan worden opgemaakt dat het wetsvoorstel zich eenzijdig richt op enkele specifieke bedrijven. Ook dit heeft een negatieve impact op de betrouwbaarheid en aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland. Bovendien zijn er op dit moment geen andere landen die een soortgelijke eindheffing kennen. Deze additionele belasting zal een negatief effect hebben op de bedrijven die zich in Nederland willen vestigen, terwijl het beleid van Nederland erop gericht is handelsbarrières te voorkomen. De door deze bedrijven in Nederland opgebouwde (latente) winstreserves worden immers, bij een vertrek uit Nederland richting een kwalificerende staat, in de heffing betrokken ongeacht een latere belastingheffing bij de aandeelhouders. Dit gaat verder dan de aanpak van belastingontwijking en zet de aantrekkelijkheid van Nederland, zeker in vergelijking tot andere (lid)staten, onder druk. Tot slot leiden de vele wijzigingen in de inwerkingtreding in het algemeen tot (rechts)onzekerheid voor lichamen en hun (potentiële) aandeelhouders. Onzekerheid in het overheidsbeleid – en dus ook ten aanzien van het initiatiefwetsvoorstel – kan van negatieve invloed zijn op (toekomstige) investeringsbeslissingen in Nederland. Bij de NFIA hebben verschillende buitenlandse bedrijven reeds aangegeven dat men zich zorgen maakt over (de dynamiek rond) het voorstel.
Overigens geldt dat het initiatiefwetsvoorstel meerdere keren (ingrijpend) is gewijzigd, voor het laatst bij vierde nota van wijziging.2 Het vertrek van een lichaam naar een andere staat betekent niet zonder meer dat er dient te worden afgerekend over de dividendbelastingclaim. In de huidige vorm van het initiatiefwetsvoorstel geldt dat de geïntroduceerde eindafrekening in de dividendbelasting slechts ziet op (latente) winstreserves van een lichaam dat vertrekt uit Nederland naar een land buiten de EU of de EER dat geen bronheffing op dividenden kent of dat bij binnenkomst de (latente) winstreserves aanmerkt als gestort kapitaal. Gelet op de voorgaande beperkingen zal een verhuizing van een bedrijf naar Spanje, Frankrijk en Italië geen eindheffing tot gevolg hebben. Dit geldt ook voor de Verenigde Staten omdat die wel een bronbelasting kennen op dividenden.
Daarnaast kent het initiatiefwetsvoorstel franchise van € 50 miljoen. Dat betekent dat dat alleen dividendbelasting is verschuldigd voor zover de waarde in het economische verkeer van het vermogen het op de aandelen gestorte kapitaal van het vertrekkende lichaam het bedrag van de franchise van € 50 miljoen overstijgt. Dit betekent dat het initiatiefwetsvoorstel geen MKB-bedrijven zou moeten raken.
Wat doet de voorliggende Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting met het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat? In hoeverre draagt de Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting bij aan de stabiliteit en de betrouwbaarheid van het Nederlandse investeringsklimaat in internationaal verband? Wat betekent de onzekerheid over de mogelijke introductie van een conditionele eindafrekening, maar zeker ook dit gehele proces waarbij de conditionele eindafrekening maar boven de markt blijft hangen inclusief de terugwerkende kracht, voor de aantrekkelijkheid van Nederland voor buitenlandse bedrijven en/of investeerders? In hoeverre draagt het voorliggende initiatiefwetvoorstel bij aan het behoud en het aantrekken van grotere internationale ondernemingen? Kunt u bij deze analyse ook de NFIA (Netherlands Foreign Investment Agency) betrekken? Wat betekent deze wet voor mkb-bedrijven die hun bedrijfsactiviteiten in het buitenland willen uitbreiden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u ingaan op de juridische houdbaarheid van deze spoedwet? Kunt u tevens ingaan hoe deze wet zich verhoudt tot het bestaande belastingstelsel en de verdragsverplichtingen?
Het kabinet heeft meerdere bezwaren tegen het initiatiefwetsvoorstel. In de kabinetsreactie van vandaag worden deze bezwaren uitgebreid toegelicht. In de kern gaat het om de volgende bezwaren:
De doeltreffendheid en doelmatigheid van het initiatiefwetsvoorstel zijn twijfelachtig.
De in het initiatiefwetsvoorstel voorgestelde wijzigingen betekenen een ingrijpende stelselwijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, terwijl de heffing beperkt is tot een zeer kleine groep aandeelhouders.
De uitoefening van het verhaalsrecht van de vennootschap op de aandeelhouders is te gecompliceerd.
Er is een reële kans dat een rechter het initiatiefwetsvoorstel strijdig acht met Nederlandse belastingverdragen en de goede trouw die Nederland bij de uitleg en toepassing daarvan in acht moet nemen.
De voorgestelde heffing is naar de mening van het kabinet in strijd met het vrije verkeer van kapitaal.
De voorgestelde franchise van € 50 miljoen kan, nu dit niet objectief lijkt te kunnen worden gemotiveerd, leiden tot een selectief voordeel en derhalve tot een risico van staatssteun ten behoeve van ondernemingen die onder die drempel vallen.
Het initiatiefwetsvoorstel is zeer lastig uitvoerbaar.
De terugwerkende kracht van de in het initiatiefwetsvoorstel opgenomen maatregelen lijkt niet gerechtvaardigd en de vele wijzigingen in de inwerkingtreding leiden tot (rechts)onzekerheid voor lichamen en hun (potentiële) aandeelhouders.
De eindheffing heeft een negatieve impact op investeringen in Nederland.
De Afdeling heeft op 2 september 2020, 30 september 2020 en – na de vierde nota van wijziging – opnieuw op 13 april 2022 advies uitgebracht. De Afdeling heeft zich in al haar adviezen kritisch uitgelaten over het initiatiefwetsvoorstel, met name in verhouding tot de belastingverdragen, de verenigbaarheid met het Unierecht, de vestigingsplaatsfictie en de terugwerkende kracht. Daarom adviseert de afdeling om het voorstel niet in behandeling te nemen.
De initiatiefnemer van de Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting zal te zijner tijd om een officiële kabinetsreactie vragen, maar deze leden hechten veel waarde aan zo snel mogelijk duidelijkheid door het kabinet over de (on)wenselijkheid van deze conditionele eindafrekening dividendbelasting, de juridische haalbaarheid en de gevolgen voor BV Nederland, Nederlandse bedrijven en de werkgelegenheid. Kunt u daarop reageren en reflecteren ook het advies van de Raad van State in acht nemend?
Zie antwoord vraag 4.