Gepubliceerd: 17 september 2019
Indiener(s): Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en milieu) (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-XII-2.html
ID: 35300-XII-2

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

3

       

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

       
 

1.

LEESWIJZER

6

       
 

2.

BELEIDSAGENDA IENW 2020

8

       
 

3

DE BELEIDSARTIKELEN

35

   

Artikel 11 Integraal Waterbeleid

35

   

Artikel 13 Bodem en Ondergrond

49

   

Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

53

   

Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

65

   

Artikel 17 Luchtvaart

76

   

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

91

   

Artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

101

   

Artikel 20 Lucht en Geluid

106

   

Artikel 21 Duurzaamheid

111

   

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

121

   

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

134

   

Artikel 24 Handhaving en Toezicht

139

   

Artikel 25 Brede Doeluitkering

145

   

Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

146

       
 

4.

DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

154

   

Artikel 97 Algemeen Departement

154

   

Artikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement

158

   

Artikel 99 Nog Onverdeeld

162

       
 

5.

BEGROTING AGENTSCHAPPEN

163

   

Agentschap Rijkswaterstaat

163

   

Agentschap Inspectie Leefomgeving en Transport

174

   

Agentschap Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

180

       
 

6.

BIJLAGEN

187

   

Bijlage 1 ZBO's en RWT's

187

   

Bijlage 2 Verdiepingsbijlage

190

   

Bijlage 3 Moties en toezeggingen

218

   

Bijlage 4 Subsidieoverzicht

271

   

Bijlage 5 Evaluatie- en overig onderzoek

281

   

Bijlage 6 Overzichtsconstructie Milieu

286

   

Bijlage 7 Afkortingenlijst

291

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen Rijkswaterstaat (RWS), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft drie begrotingen:

  • 1. de beleidsbegroting (Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting),

  • 2. de begroting van het Infrastructuurfonds (Hoofdstuk A van de Rijksbegroting) en

  • 3. de begroting van het Deltafonds (Hoofdstuk J van de Rijksbegroting).

Voor u ligt de beleidsbegroting Hoofdstuk XII.

De twee fondsbegrotingen van IenW, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen).

In de beleidsbegroting Hoofdstuk XII worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor de beleidsuitgaven van IenW, waaronder beleidsonderzoeken, subsidies en bijdragen aan medeoverheden en/of internationale organisaties. Ook de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement worden begroot op de beleidsbegroting.

Op beide fondsbegrotingen worden de uitgaven aan concrete investeringsprojecten en programma’s geraamd, evenals de uitgaven voor beheer, onderhoud en vervangingen van de infrastructuur. De doelstelling van het Infrastructuurfonds is wettelijk vastgelegd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Stb. 1993, 319): «het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur». De instelling van het Deltafonds is wettelijk geregeld in de Waterwet (Stb. 2009, 107), met als doel de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

MIRT Overzicht

Alle investeringsprojecten en -programma’s in het Infrastructuurfonds en Deltafonds zijn opgenomen in het MIRT Overzicht. Dit overzicht wordt aan de Tweede Kamer aangeboden op Prinsjesdag en biedt verdieping op de informatie die voor de projecten is opgenomen in het Infrastructuurfonds en Deltafonds. In principe is van ieder investeringsproject en -programma een projectblad opgenomen in het MIRT Overzicht. Om de verbinding tussen de begrotingen van de fondsen en het MIRT Overzicht te verhelderen worden vanaf Begroting 2016 in het Infrastructuurfonds en Deltafonds waar mogelijk digitale verwijzingen opgenomen naar het specifieke projectblad in het MIRT Overzicht. Naast specifieke informatie over projecten, biedt het MIRT Overzicht ook meer informatie over de belangrijkste opgaven die spelen in de verschillende MIRT Gebieden, zoals bijvoorbeeld verwoord in de MIRT Gebiedsagenda’s.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma wordt naast de lange termijn voorkeursstrategieën ook een overzicht gegeven van de financiële middelen voor het Deltaprogramma, waarvoor het Deltafonds een belangrijk financiële bron is.

De begrotingen van IenW zijn ook digitaal beschikbaar op www.rijksbegroting.nl, het MIRT Overzicht 2019 is te vinden op www.mirtoverzicht.nl en het Deltaprogramma op www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma.

1. LEESWIJZER

Structuur

De opzet en structuur van de begroting voor Hoofdstuk XII zijn gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. De begrotingstoelichting kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag en -behoefte verder kan worden ingezoomd.

  • 1. Allereerst is de begrotings(wet)staat voor Hoofdstuk XII voor het jaar 2020 opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de budgetten die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld.

  • 2. In de Beleidsagenda is vervolgens een overzicht gegeven van prioriteiten voor 2020 en de hoofdlijnen van het (budgettaire) beleid. Daarna is eerst op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijziging van de begroting. Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.

  • 3. In de artikelsgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel wordt per beleidsartikel beschreven wat per beleidsthema de algemene doelstelling is, wat de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister hierbij zijn en welke budgetten er per financieel instrument voor het beleidsthema zijn begroot.

  • 4. In de verdiepingsbijlage (bijlage 2) worden per beleidsartikel de belangrijke mutaties toegelicht. In deze bijlage is door middel van een meerjarige mutatietabel op artikelonderdeelniveau de aansluiting gemaakt tussen de vorige stand van de begroting en de nu voorgestelde stand. Dit is een aanvulling op de «standen» die in de (niet-)beleidsartikelen zijn opgenomen.

  • 5. De overige bijlagen geven voor enkele specifieke onderwerpen inhoudelijk meer toelichting of betreffen overzichtsconstructies.

Mede naar aanleiding van overleg met de Tweede Kamer zijn in aanvulling op de rijksbegrotingsvoorschriften de onderstaande punten verwerkt:

  • Het beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen kent de artikelonderdelen Bijdrage aan het Infrastructuurfonds en Bijdrage aan het Deltafonds. Per artikelonderdeel is een overzicht opgenomen van de bijdrage per modaliteit aan het Infrastructuurfonds en Deltafonds tot en met 2033.

  • Op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII waarop de bijdragen aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds betrekking hebben wordt direct onder de desbetreffende tabel «budgettaire gevolgen van beleid» extracomptabel de betrokken bijdrage aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds gepresenteerd (zoals opgenomen in artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen). Hiermee worden de beleidsprestaties van de investeringen die worden verantwoord op de investeringsfondsen betrokken bij het formuleren van het integrale beleid, inclusief beleidsindicatoren.

Groeiparagraaf

In de groeiparagraaf worden de belangrijkste verbeteringen in de begroting beschreven ten opzichte van het voorgaande jaar.

Kengetallen klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer

In de begroting 2019 is onder artikel 16 openbaar vervoer en spoor het kengetal klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer gepresenteerd. In begroting 2020 is deze kengetal aangepast. De OV Klantenbarometer 2018 is geheel vernieuwd ten opzichte van de vorige edities. De onderwerpen zijn opnieuw geclusterd en de hoofrailnetconcessie is aan het onderzoek toegevoegd, conform Motie Dik-Faber.

Invulling taakstellende onderuitputting

De taakstellende onderuitputting is in deze begroting structureel verwerkt op de IenW-begroting (XII) door verlaging van de budgetten op de diverse artikelen. Hiermee is de taakstellende onderuitputting structureel ingevuld. De betreffende mutaties zijn toegelicht in de verdiepingsbijlage van deze begroting (bijlage 2).

Verwerking moties

Motie Schouw c.s.

In juni 2011 is de motie-Schouw (Kamerstukken II 2011–2012, 21 501-20, nr. 537) aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor IenW heeft de Raad voor 2018 geen specifieke aanbevelingen gedaan (COM 2016; 339).

Motie-Hachchi c.s.

In oktober 2012 is de motie-Hachchi (Kamerstukken II 2011–2012, 33 000 I, nr. 28) aangenomen. Een overzicht van alle rijksuitgaven Caribisch Nederland, inclusief die vanuit de IenW begrotingen, is opgenomen bij de begroting van het BES-fonds.

Motie Leegte c.s.

In januari 2015 is de motie-Leegte (Kamerstukken II 2014–2015, 30 196, nr. 278) aangenomen. In de begroting van het Ministerie van Economische Zaken wordt daarom een totaaloverzicht gepresenteerd van de maatregelen van alle ministeries in het kader van het Energieakkoord. Hierin zijn ook de maatregelen die onder de verantwoording van IenW vallen opgenomen. Bij de desbetreffende beleidsartikelen 14 Wegen en Verkeersveiligheid en 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal worden de maatregelen genoemd.

2. BELEIDSAGENDA IENW 2020

Nederland is een land dat infrastructureel en op milieugebied in veel opzichten vooroploopt. We hebben de veiligste Delta van de wereld, onder meer door onze wereldwijd geroemde Delta-aanpak waarmee we Nederland blijvend beschermen tegen overstromingen, wateroverlast, maar ook droogte en hitte periodes. Onze kennis daarover exporteren we wereldwijd. Ook de staat van onze infrastructuur is internationaal aansprekend, zo blijkt uit verschillende beoordelingen (waaronder een vierde plek in het Global Competitiveness Report, uitgebracht door het World Economic Forum). En bovendien hebben we tot doel om het Nederlandse wagenpark uitstootvrij te maken. We werken aan een circulaire economie en zijn hierop in het laatste milieurapport van de Europese Commissie toonaangevend genoemd. Het kabinet is ambitieus en het vraagt, ook in 2020, veel inspanningen en middelen om al het goede dat we hebben ook te kunnen behouden of vernieuwen. Ook komend begrotingsjaar vormen een veilig en bereikbaar Nederland en een gezonde en duurzame leefomgeving de speerpunten van het beleid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). IenW zal in 2020 een integrale milieuvisie presenteren waarin risico’s, uitdagingen en kansen in samenhang worden bezien. Tot slot wordt ook extra ingezet op toezicht en handhaving door de ILT. De hoofdstructuur Beleidsagenda wordt net als vorig jaar gevormd door de belangrijkste transities op IenW-gebied. Zij vormen de rode draad voor de beschrijving van de belangrijkste ambities voor 2020. Veel beleidsterreinen van IenW hebben betrekking op de fysieke leefomgeving. De hoofdlijnen van het beleid en de samenhang met andere beleidsterreinen in de fysieke leefomgeving zijn beschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Deze wordt begin 2020 worden vastgesteld, en biedt een overkoepelende langetermijnvisie voor onze leefomgeving.

Veilige, slimme en duurzame mobiliteit

In 2019 is de Schets Mobiliteit 2040 naar de Tweede Kamer verzonden. In dit toekomstbeeld schetsen we hoe de reiziger zich richting 2040 wil verplaatsen over de korte, middellange en lange afstand en wat we moeten doen om dit voor elkaar te krijgen. Ook geven we een schets van ons goederenvervoer. Het mobiliteitsbeleid in 2020 geeft invulling aan dit toekomstbeeld. Daarnaast zijn in het Regeerakkoord extra middelen beschikbaar gesteld om een inhaalslag te realiseren in onze infrastructuur. Conform afspraken uit het Regeerakkoord werken we in 2020 samen met de MIRT-regio’s aan de verdere uitwerking van kortetermijnmaatregelen voor veilige, slimme en duurzame mobiliteit.

Omvorming Infrastructuurfonds naar Mobiliteitsfonds

In het Regeerakkoord is aangekondigd dat het Infrastructuurfonds in 2030 wordt omgevormd tot een Mobiliteitsfonds: niet langer de modaliteit, maar de mobiliteit centraal komt centraal te staan. Het Mobiliteitsfonds zal, naast budgetten voor beheer en onderhoud en aanleg van nieuwe infrastructuur om knelpunten op te lossen, ook budgetten omvatten voor het beter benutten van bestaande infrastructuur. Het Mobiliteitsfonds wordt een belangrijk middel om binnen de systematiek van de fondsbegroting breed en integraal af te wegen tussen opgaven en oplossingsrichtingen. In 2019 is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Mobiliteitsfonds. Begin 2020 wordt er een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer, dat naar verwachting in 2021 in werking treedt.

Instandhouding Rijksinfrastructuur

We werken voortvarend aan de voorbereiding van nieuwe projecten, waaronder de A2 Deil-Den Bosch, het vijfde en zesde spoor bij Amsterdam Zuid en de opwaardering van de vaarweg Lemmer-Delfzijl. Daarnaast neemt de opgave voor instandhouding van de infrastructuur toe. Concessies aan veiligheid doen we niet. We willen dat de goede kwaliteit van de bestaande infrastructuur behouden blijft en tegelijk neemt de kans op storingen toe door de leeftijd van de bestaande infrastructuur. Ook is de intensiteit van het verkeer toegenomen en het vrachtverkeer zwaarder geworden, wat leidt tot een hogere belasting van de infrastructuur. Dit zorgt ervoor dat renovaties of vervangingen eerder moeten worden uitgevoerd. Als deze stappen niet worden gezet leidt dit mogelijk tot maatschappelijke hinder en economische schade. Daarom wordt bijvoorbeeld ook het huidige treinbeveiligingssysteem vervangen door de nieuwe Europese standaard ERTMS. Verder is het van belang dat de infrastructuur bestand is tegen toenemende weersextremen zoals neerslag, droogte, hitte en storm. Investeren in de instandhouding van alle netwerken heeft de komende jaren hoge prioriteit.

De opgave van de instandhouding is fors en mogelijk moet een groter deel van de ruimte op het Infrastructuurfonds worden besteed aan beheer, onderhoud en vervanging. Het komende jaar worden daarom externe audits uitgevoerd om in kaart te brengen hoe de financiële opgave voor instandhouding zich gaat ontwikkelen. Voor de komende meerjarenperiode is besloten de risicoreserveringen voor de instandhouding van wegen, spoor, vaarwegen en het hoofdwatersysteem te verhogen.

Verder start in 2020 een impuls om de groei van het uitgesteld onderhoud op de RWS-netwerken te beperken, voornamelijk bij vaarwegen. Bij de samenstelling van het impulspakket is het accent gelegd op projecten die «merkbaar en maakbaar» zijn, dat wil zeggen dat ze op korte termijn te realiseren zijn én effect hebben op het risico van verstoringen en de groei van het uitgesteld onderhoud.

Programma Aanpak Stikstof (PAS)

Het is altijd de bedoeling geweest om met de uitvoering van de projecten uit het MIRT recht te doen aan de bescherming van Natura 2000-gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van De Raad van State van 29 mei 2019 volgt dat het PAS niet langer als onderbouwing kan worden gebruikt bij tracébesluiten en natuurvergunningen. Deze uitspraak heeft gevolgen voor zowel de planning als uitgaven voor specifieke projecten ten aanzien van wegen, vaarwegen, spoor, luchtvaart en het hoofdwatersysteem. De gevolgen van de PAS-uitspraak voor lopende planuitwerkingen worden geïnventariseerd. De acties die de interbestuurlijke partners op de korte, middellange en lange termijn zullen uitvoeren om tot een oplossing te komen die recht doet aan de bescherming van Natura 2000-gebieden en tegelijkertijd ruimte biedt voor ruimtelijke ontwikkelingen is door de Minister van LNV naar de Kamer gestuurd1.

Slimme mobiliteit

Slimme mobiliteit (smart mobility) heeft in toenemende mate een merkbaar effect op het doel veilig, snel en gemakkelijk van deur tot deur kunnen reizen. Of om goederen snel en betrouwbaar op de plaats van bestemming te krijgen. De aandacht van de IenW-inspanningen verschuift steeds meer van testen en experimenteren naar toepassing in de bestaande praktijk en inbedding van slimme mobiliteit als integraal onderdeel van beleid en uitvoering. Dat doen we langs vier actielijnen:

  • 1. Stimuleren gebruik van bestaande producten en diensten;

  • 2. Verantwoorde introductie van nieuwe generatie voertuigen;

  • 3. Toekomstbestendige infrastructuur en wegbeheer;

  • 4. Zorgvuldig benutten van data-uitwisseling en connectiviteit.

In 2020 zal de nadruk liggen op vervolgstappen. De experimenteerruimte die wettelijk mogelijk gemaakt is om Nederland goed voorbereid te laten zijn en impact te kunnen beoordelen van zelfrijdende functies in het verkeer, wordt in 2020 benut. Bij deze experimenten blijft verkeersveiligheid prioriteit. Dit zal uiteraard worden gedaan met internationale partijen en in samenwerking met de Nederlandse steden en regio’s. Smart mobility heeft een belangrijke internationale dimensie en tegelijkertijd hebben deze ontwikkelingen impact in de lokale context. Ook zal verder gewerkt worden aan het inbedden van smart mobility als integraal onderdeel in beleids- en uitvoeringsprocessen op het gebied van onze infrastructuur. Dit wordt opgepakt over de volle breedte, van MIRT-spelregels tot en met verkeersmanagement.

Mobility as a Service (MaaS) biedt reizigers de mogelijkheid om multimodale ketenreizen te maken waarbij zowel kan worden gepland, geboekt en betaald. IenW gaat samen met decentrale overheden, vervoerders en MaaS-dienstverleners kijken naar de kansen die MaaS kan bieden en leerervaringen opdoen. Hiertoe worden zeven landelijk opschaalbare pilots gestart, onder meer op het gebied van bereikbaarheid, duurzaamheid en toegankelijkheid2. Die pilots zijn in 2020 in uitvoering.

Ook in het goederenvervoer zetten we in op smart mobility. Met smart shipping, vergaande geautomatiseerde en gedigitaliseerde schepen, wordt de scheepvaartsector concurrerender, veiliger en duurzamer. De verwachting is dat de hele maritieme sector hiervan zal profiteren. In 2020 wordt met de Logistieke Alliantie en de Topsector Logistiek invulling gegeven aan de Goederenvervoeragenda met inzet op digitaal transport, duurzaam goederenvervoer en logistiek. Daarnaast gaat IenW door met het gepresenteerde maatregelenpakket voor spoorgoederenvervoer. Dit levert een bijdrage aan de mogelijkheden voor een modal shift in het transport naar het Europese achterland (van weg naar binnenvaart en trein) en het delen van digitale data voor Europese transporten. In samenwerking met marktpartijen, kennis- en onderwijsinstellingen wordt ingezet op kansrijke systemen en onderzoek naar ontbrekende technologieën. In 2020 wordt besloten over investeringen in treinen, over verlenging van subsidieregeling Derde spoor en over een subsidieregeling voor stille wagons.

Veiligheid zeescheepvaart

In 2020 zullen de resultaten verschijnen van onderzoek naar de toedracht van het ongeval met de MSC Zoë. Op basis daarvan zal worden bepaald wat nodig is om herhaling te voorkomen. Gegeven het internationale karakter van de zeescheepvaart zullen acties in IMO verband afgestemd worden. Verder zal Nederland in 2020 de verplichte IMO Member State Audit ondergaan. Daarin wordt vastgesteld of Nederland de verplichte IMO regels effectief heeft geïmplementeerd.

Duurzame mobiliteit

De inzet van het kabinet is om de Nederlandse CO2-uitstoot in 2030 met ten minste 49% terug te dringen ten opzichte van 1990. In 2020 wordt samen met mobiliteitssector, overheden en maatschappelijke organisaties de uitvoering van de afspraken uit het ontwerp-Klimaatakkoord verder opgepakt. Zo wordt gewerkt aan de wettelijke verankering van de stimuleringsregelingen voor elektrische personen-, bestel- en vrachtauto’s. Dat is nodig met het oog op het streven dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe personenauto’s emissieloos zijn en dat in 2025 in ongeveer 30 tot 40 grotere steden middelgrote zero-emissie zones zullen zijn ingesteld voor goederenvervoer. Daarnaast wordt in 2020 gewerkt aan:

  • De uitwerking van maatregelen voor de stimulering van de tweedehandsmarkt van elektrische voertuigen. Het kabinet stelt daarvoor 100 miljoen beschikbaar voor de periode tussen 2020 en 2024;

  • De nationale implementatie van de herziene Richtlijn hernieuwbare energie (RED II);

  • De herziene Richtlijn inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (CVD);

  • De uitvoering van het plan van aanpak zero emissie zones voor stadslogistiek. Bij (stads)logistiek en (spoor)goederenvervoer, streven we samen met de regio naar logistieke optimalisatie en slimme en duurzame mobiliteitssystemen.

  • Het kabinet zal, ten behoeve van de volgende kabinetsformatie, ten minste drie varianten van betalen naar gebruik bij autorijden onderzoeken, voorbereidingen schetsen en waar mogelijk of nodig deze voorbereidingen treffen. De invoering van het nieuwe stelsel wordt betrokken bij de reeds voorgenomen belastingherziening in 2025.

Ook wordt er gewerkt aan de verduurzaming van het werk gerelateerd verkeer, onder andere door in te zetten op de fiets en het openbaar vervoer. Zo heeft dit kabinet de ambitie om 200.000 extra mensen op de fiets te krijgen voor woonwerk verkeer. Deze kabinetsperiode is € 100 miljoen door het Rijk beschikbaar gesteld voor snelfietsroutes en fietsenstallingen bij stations als impuls. Deze impuls heeft geleid tot meer dan een verdrievoudiging van deze middelen door bijdragen van provincies en gemeenten tot € 345 miljoen. In het Klimaatakkoord is een extra impuls van € 75 miljoen voor extra fietsstallingen opgenomen. In 2019 komt er een Tweede Etappe van de Nationale Fiets agenda. De doelstelling van de agenda blijft: 20% meer fietskilometers in 2027.

Begin 2018 is het werkprogramma voor maritieme strategie en zeehavens 2018–2021 vastgesteld waarin tal van verduurzamingsmaatregelen zijn opgenomen. Die zijn nader uitgewerkt in de green deal voor de verduurzaming van de zeevaart, binnenvaart en havens. Deze green deal is op 11 juni 2019 ondertekend. Mede in 2020 wordt uitvoering gegeven aan deze deal. Nederland blijft voortrekker in de IMO bij overleg over een duurzame zeevaart. Daarbij draagt Nederland bij aan de verdere uitwerking van de definitieve IMO-strategie in 2023, om de uitstoot van broeikasgassen door de zeescheepvaart verder te verminderen. In lijn met de op 17 oktober 2018 ondertekende verklaring van Mannheim, wordt gestreefd naar een nagenoeg klimaatneutrale en emissieloze binnenvaart in 2050. Verder is het streven om medio 2020 het verbod op varend ontgassen in de binnenvaart in werking te laten treden, zodra alle landen de betreffende wijziging van het Scheepsafvalstoffenverdrag hebben geratificeerd.

Op het gebied van duurzame luchtvaart krijgt de implementatie van het Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation (CORSIA) onverminderd de aandacht. De Europese Commissie (EC) presenteert in 2020 een beoordeling van de werking van CORSIA. Dit vormt de start van de onderhandelingen over luchtvaart onder het European Emissions Trading System (EU ETS) met ingang van 2024. In het kader van het ontwerpakkoord duurzame luchtvaart zet IenW zich in voor het efficiënt gebruik van het luchtruim en voor de ontwikkeling en het gebruik van duurzame alternatieve brandstoffen, zoals biokerosine en synthetische kerosine en voor de ontwikkeling van innovatieve technologieën zoals elektrisch of hybride vliegen. Het Ministerie van Financiën werkt samen met de ministeries van IenW en Economische Zaken en Klimaat (EZK) verder aan de invoering van fiscale regelingen uit het Regeerakkoord.

Wegen

Verkeersveiligheid

Iedereen moet veilig op zijn of haar bestemming kunnen komen. Dit is de ambitie van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (Kamerstukken 29 398, nr. 639). De aanpak van verkeersveiligheid heeft met dit plan vanaf 2019 een nieuwe impuls gekregen. Een risico-gestuurde aanpak staat hierbij centraal: het Rijk, gemeenten, provincies en vervoersregio’s brengen de grootste risico’s voor de verkeersveiligheid in kaart. Op basis hiervan worden in 2020 maatregelen ontwikkeld en vastgelegd in regionale uitvoeringsagenda’s. Het door het Rijk gefinancierde landelijk kennisnetwerk «verkeersveiligheid» zal gemeenten, provincies en vervoersregio’s hierbij ondersteunen met onder meer kennis, data en praktische instrumenten. Daarnaast voert het Rijk de maatregelen van het Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid (2019–2021) uit. Deze maatregelen zijn onder meer gericht op infrastructuur, gedrag en handhaving. Zo komt de zelfevaluatiescan voor de oudere automobilist in 2020 online beschikbaar en zal gebruik ervan worden bevorderd. De scan stimuleert bewustwording en zelfmanagement bij ouderen zodat zij zo lang mogelijk op een veilige manier mobiel blijven. Verder wordt onder meer de grens voor het geschiktheidsonderzoek alcohol verlaagd.

Op basis van het Ovv-rapport over het ongeval met de Stint wordt in 2020 bekeken hoe de aanpassing van het wettelijk kader voor bijzondere bromfietsen definitief vorm gaat krijgen.

Weginfrastructuur

Investeringen in onze wegen blijven nodig, want de jaarfilezwaarte is in 2018 met 2,2% toegenomen ten opzichte van 2017. Het kabinet heeft € 100 miljoen beschikbaar gesteld voor de aanpak van files op korte termijn. Hiervoor wordt onder andere een impuls gegeven aan snellere berging na ongelukken en worden kleine infrastructurele maatregelen genomen.

Om vervoersknelpunten te voorkomen is het belangrijk om het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport onverkort uit te voeren. In 2020 zal dan ook vaart worden gezet achter de volgende in het regeerakkoord genoemde prioritaire wegentrajecten:

  • Voor de A1/A30 is begin 2019 de startbeslissing genomen en volgens planning zal in 2020 het voorkeursbesluit voor dit traject worden vastgesteld.

  • Voor de A2 Deil – ’s Hertogenbosch – Vught zal het voorkeursbesluit in 2020 worden vastgesteld.

  • Voor het project A4 knooppunt Burgerveen -N14 wordt het voorkeursbesluit eind 2019 vastgesteld waarmee de planuitwerking in 2020 kan starten.

  • Voor de Corridorstudie Amsterdam-Hoorn (A7/A8) is in het voorjaar van 2019 een principebesluit genomen en in het najaar wordt een voorkeursbesluit genomen; de planuitwerking voor dit project start in 2020.

  • De verkeerskundige studies naar de concrete problematiek op de A12 en A28 zijn in 2019 afgerond, de verkenningsfase start in 2020.

Vrachtwagenheffing

Het beleidskader voor de vrachtwagenheffing is eind 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd. In 2020 zal het wetsvoorstel ter behandeling aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Ook zal de marktbenadering voor de realisatie en de exploitatie van de heffing worden voorbereid. De bestedingsrichtingen van de terugsluis zullen worden geconcretiseerd in een beleidsagenda. In het wetsvoorstel wordt zowel de wijze van heffen benoemd, als de methodiek voor de terugsluis van de middelen voor innovatie en verduurzaming. Na vaststelling van de wet volgt de realisatiefase. De daadwerkelijke invoering is gepland in 2023.

Spoorwegen

Investeren in verbindingen en stations

In het najaar van 2018 en in de loop van 2019 zijn verschillende investeringen aangekondigd op en rond het spoor. In het Toekomstbeeld OV is samen met de regio’s en partners in de sector de ambitie neergezet om vaak en snel te reizen in een brede stedelijke ring, met enkele sterke assen naar de verschillende landsdelen en de landen om ons heen. Door een kwaliteitssprong van het ov-netwerk is in 2040 een samenhangend netwerk gerealiseerd binnen de stedelijke regio’s en tussen de ruimtelijk-economische kerngebieden van Nederland en over de grens, ook voor goederenvervoer. Knooppunten vormen een onmisbare schakel in de mobiliteitsketen. Daarom investeren we nu al veel in onder andere extra fietsparkeerplekken en onderzoeken naar nog meer stallingen bij stations in het hele land, spooraansluiting voor Railterminal Gelderland bij Nijmegen en een studie- en innovatiebudget (o.a. vervolgonderzoek naar 3kV). Gezamenlijk met decentrale overheden werken we daarnaast verder aan de ontwikkeling van het spoornetwerk. Dit gaat onder andere om uitwerking bij Eindhoven, Arnhem, Heino, Raalte, Mantgum en Stadskanaal.

Internationaal spoorvervoer

Voor wat betreft internationale verbindingen wordt ook in 2020 ingezet op het stimuleren van internationaal treinvervoer via de drie pijlers van reistijd/frequentie, prijs en comfort in samenwerking met de betrokken partners. Zo rijdt er vanaf deze zomer een derde Eurostar naar Londen, is het startsein gegeven voor de aanbesteding van de directe verbinding Eindhoven-Düsseldorf en dragen we bij aan de totstandkoming van de volgende fases van de Drielandentrein en de Wunderlinie. Ook zal, samen met NS, ProRail regionale en Duitse partners, worden afgesproken welke concrete stappen gezet kunnen worden om de verbinding Amsterdam-Berlijn te versnellen op de korte, middellange en lange termijn. Daarnaast zoeken we naar mogelijkheden om andere verbindingen en services voor internationale reizigers te versterken. In 2020 zal daarnaast verder worden gebouwd aan de koppeling tussen trein en vliegtuig naar aanleiding van het eind 2019 te presenteren plan van aanpak hiervoor, en aan de lobby naar de Europese Commissie (al dan niet met andere lidstaten) voor een vernieuwde focus en aanpak op het internationale treinproduct.

Marktordening spoor

In 2020 wordt een besluit genomen over de vervoerconcessie voor een hoofdrailnet (HRN) na 2024. Hierbij wordt er gekeken naar:

  • De vraag of de volgende vervoerconcessie onderhands wordt gegund of wordt aanbesteed.

  • De reikwijdte van een hoofdrailnet. Onderdeel hiervan is onderzoek naar de mogelijke decentralisatie van één of meerdere lijnen die in het regeerakkoord worden genoemd en onderzoek naar de positie van de hogesnelheidslijn.

Als onderdeel van dit besluit worden er daarnaast verschillende opties voor het eigendom en de exploitatie van stations uitgewerkt. Tenslotte wordt er ook gekeken naar de kansen en bedreigingen van het recht op toegang («open toegang») op de regionale lijnen vanaf 2021 en op het HRN vanaf 2025. Een besluit over de ordening wordt zorgvuldig, stapsgewijs en in consultatie met andere partijen genomen. Bij dit besluit staat de reiziger centraal, zonder dat de belastingbetaler vergeten wordt.

European rail traffic management system (ertms)

Met de uitrol van European Rail Traffic Management System (ERTMS) wordt in Nederland invulling gegeven aan de vervangingsbehoefte van het huidige Automatische Treinbeïnvloeding systeem (ATB-systeem) en de Europese verplichtingen voor interoperabele spoorverbindingen. Naast een grotere veiligheid biedt ERTMS ook voordelen op het gebied van betrouwbaarheid en capaciteit. In 2020 worden de eerste stappen gezet voor de realisatie van ERTMS; zo worden aanpassingen aan de infrastructuur en het materieel aanbesteed.

Overwegen

Net als op de weg streven we ook in het treinverkeer naar meer veiligheid. Op het gebied van overwegveiligheid wordt in 2020 stevig ingezet op de aanpak van de openbaar toegankelijke niet actief beveiligde overwegen (NABO’s) en de risicogestuurde overwegenaanpak van het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (LVO). Het programma NABO zal in 2020 naar verwachting met alle regionale wegbeheerders een overeenkomst hebben gesloten over de uit te voeren maatregelen.

Omvorming prorail

Het kabinet heeft het besluit genomen om ProRail om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) met eigen rechtspersoonlijkheid. Deze omvorming realiseren we gezamenlijk met ProRail. Met de omvorming zal worden voortgebouwd op de door ProRail ingezette verbeteringen. Tegelijkertijd biedt de omvorming nieuwe kansen om de aansturing te vereenvoudigen en de publieke verantwoording te versterken. De planning is om het wetsvoorstel hiertoe in 2019 aan de Tweede Kamer aan te bieden en de wet begin 2021 in werking te laten treden.

Luchtvaart

Luchtvaartnota

Zoals afgesproken in het Regeerakkoord wordt gewerkt aan een Luchtvaartnota 2020–2050. De ontwerp-Luchtvaartnota wordt naar verwachting eind 2019 opgeleverd. De nota wordt een richtinggevende en integrale beleidsvisie van dit kabinet en moet leiden tot een goed afgewogen visie voor een duurzaam luchtvaartbeleid met daarbij de contouren van de benodigde overheidsinzet. Veiligheid, omgeving, milieu, economie en infrastructuur zijn daarin bepalende factoren. Dit vraagt ook een intensief traject met belanghebbenden en omgeving om een breed gedragen visie te kunnen ontwikkelen. In 2020 zal gestart worden met de uitvoering van de luchtvaartnota.

Ontwikkeling Schiphol en Lelystad

De verankering van het Nieuw normen- en handhavingsstelsel (NNHS) voor Schiphol wordt voorbereid. Dit stelsel heeft tot doel het verkeer op Schiphol zo af te handelen dat dit de minste hinder voor de omgeving oplevert. Met de wettelijke verankering van het stelsel komt er een einde aan de huidige situatie waarin door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) anticiperend wordt gehandhaafd op het vliegen volgens de regels van het NNHS. Daarnaast is gestart met de evaluatie van de implementatie van de OVV-aanbevelingen over veiligheid op Schiphol. Deze evaluatie zal in 2020, tijdig voor de start van het gebruiksjaar 2021, worden afgerond. Aanvullend op deze evaluatie wordt onderzocht of een verdere ontwikkeling van Schiphol in de komende jaren aantoonbaar veilig kan plaatsvinden.

Het Luchthavenverkeersbesluit, waarmee een einde komt aan het anticiperend handhaven op Schiphol, wordt na het zomerreces 2019 in procedure gebracht. Op basis van de richtinggevende uitspraken in de Luchtvaartnota, het verslag van de voorzitter van de Omgevingsraad Schiphol en de bestaande feitenbasis met onderzoeken over economie, veiligheid en milieu, wordt in de periode daarna gewerkt aan een tweede Luchthavenverkeersbesluit waarin de ontwikkeling voor Schiphol op de middellange termijn wordt geregeld.

Ook wordt in 2020 Stichting Airport Coordination Netherlands (ACNL) omgevormd tot een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (zbo). Deze organisatie is verantwoordelijk voor de verdeling van slots aan luchtvaartmaatschappijen die gebruik willen maken van gecoördineerde luchthavens. Vanwege de toegenomen schaarste op deze luchthavens wordt ook ingezet op het toekomstbestendig maken en houden van de slotsystematiek. Daarbij wordt naar het gehele proces gekeken van de vaststelling van de beschikbare capaciteit tot aan de handhaving om er voor te zorgen dat de beschikbare slots zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. In dat kader is het voornemen om eind 2020 het handhavingsinstrumentarium van de ILT, die toeziet op slotmisbruik, uit te breiden met een bestuurlijke boete.

In het Regeerakkoord is opgenomen dat Lelystad Airport een luchthaven wordt voor vakantievluchten. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State inzake het PAS is opening van Lelystad per 1 april 2020 niet meer haalbaar. De komende periode wordt derhalve voortvarend doorgewerkt aan de voorbereidingen met het doel om Lelystad Airport zo snel mogelijk te openen om Schiphol te ontlasten.

Ook worden er in 2020 verdere stappen gezet in de integratie van de civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties LVNL en CLSK tot één organisatie.

Beter meten en berekenen

In 2019 is gestart met het Project meten en berekenen van vliegtuiggeluid. Het doel is deze dichter bij elkaar te brengen om de informatievoorziening aan de burger te verbeteren en beleidsopties beter te kunnen beoordelen. Het RIVM, KNMI en NLR zullen een rapport opleveren waarin advies wordt gegeven hoe om te gaan met meten en berekenen. Daarnaast worden experts op het gebied van geluid en -hinder gevraagd constructief mee te denken met RIVM, KNMI en NLR. De Tweede Kamer is geïnformeerd over de start van het project en zal ook tussentijds worden geïnformeerd. In 2020 zal uitvoering worden gegeven aan de overgenomen aanbevelingen uit de nog te ontvangen rapportage.

Programma luchtruimherziening

Het programma Luchtruimherziening heeft als doel om een luchtruim te creëren dat in 2023 en daarna structureel meer capaciteit biedt voor civiel (commercieel) vliegverkeer, militaire inzet en oefenbehoefte faciliteert en de verdere ontwikkeling van Lelystad Airport mogelijk maakt. Klimaat- en leefbaarheidsdoelstellingen worden bij dit onderwerp voor het eerst expliciet meegewogen, naast veiligheid en capaciteit. Ook houdt het programma rekening met de komst van onbemande systemen (drones) en met internationale afspraken zoals in FABEC-verband en rondom Single European Sky. De modernisering van het luchtruim gebeurt langs drie sporen: verbeteringen van de aansluitroutes op Lelystad vóór 2023, resultaten in 2023 – het betreft de inpassing van een militair oefengebied in het noorden van Nederland en de herinrichting van het zuidoostelijk luchtruim met name voor civiel verkeer – en een roadmap voor de periode 2023–2035. De in 2020 door ons te nemen Voorkeursbeslissing legt deze drie sporen in samenhang vast.

Regionale luchthavens

In de Luchtvaartnota 2020–2050 kijken we naar de toekomstige rol en positie van de regionale luchthavens. Vanuit die context zal de besluitvorming over de luchthavenbesluiten dan ook plaatsvinden. Tevens zetten we verdere stappen in de procedures om te komen tot Luchthavenbesluiten voor de (regionale) burgerluchthavens van nationale betekenis. In 2019 is het advies van de heer Van Geel over de toekomst van Eindhoven Airport aangeboden aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Staatssecretaris van Defensie3. In 2020 geven we verder uitwerking aan dit advies.

Maritiem en vaarwegen

Vaarweginfrastructuur

Vaarwegen zijn van groot belang voor een efficiënt en duurzaam goederenvervoersysteem. Betrouwbaarheid is daarbij een belangrijke eigenschap. Daarom wordt allereerst gewerkt aan adequaat onderhoud en tijdige vervanging van kunstwerken op de vaarwegen. Ook is een pilot in voorbereiding om bodemerosie op de Waal bij Nijmegen aan te pakken. Daarnaast worden knelpunten op het water aangepakt via het MIRT, waarbij in 2020 de openstelling van de tweede sluiskolk bij Eefde wordt voorzien, evenals de start van de realisatie van ligplaatsen op de Merwedes en op de Waal bij Lobith.

Havennota

De Nederlandse zeehavens behoren tot de beste havens ter wereld. Ze fungeren als knooppunt voor zee- en landgebonden bedrijvigheid. Daarnaast bieden deze havens unieke vestigingslocaties voor clusters van nationale en internationale industrie en dienstverlening in zowel de havens als in het achterland. Gelet op de grote uitdagingen van klimaat- en energietransitie en voortschrijdende digitalisering die op de zeehavens afkomen, is een separate en integrale visie op de toekomst van de Nederlandse havens en de mainport Rotterdam in de maak. Deze visie krijgt vorm in een havennota die de Kamer eind 2019 tegemoet kan zien. In de havennota zal het kabinet vanuit een publiek perspectief ingaan op de kansen, opgaven en belangen van de havens met als doel om de leidende positie van de havens in onze delta-economie duurzaam te behouden en te versterken, zodat de toegevoegde waarde, de bijdrage aan het nationale verdienvermogen en de werkgelegenheid van de zee- en binnenhavens ook in een onzekere toekomst behouden blijven. De havennota zal uitgaan van een middellange tijdshorizon tot 2030.

Klimaatadaptatie

Klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting

De afgelopen jaren kenmerkten zich door perioden van droogte, hitte en geregeld ook hevige hoosbuien. Dat heeft het belang onderstreept van een aangepaste ruimtelijke inrichting om schade en slachtoffers zoveel mogelijk te voorkomen. Met het Uitvoeringsprogramma van de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) wil het kabinet in 2020 klimaatadaptatie verder aanjagen. Het uitvoeringsprogramma van de NAS is aanvullend op het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie, waarin alle overheden in 2020 toewerken naar regionale uitvoeringsagenda’s op basis van stresstesten en risicodialogen. Daarmee komt voor heel Nederland de opgave voor wateroverlast, droogte, hitte en het beperken van de gevolgen van overstromingen in beeld. Het Rijk steunt ook in 2020 een aantal concrete uitvoeringsprojecten en werkt aan een impulsregeling die vanaf 2021 decentrale overheden moet helpen bij de transitie naar een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Daarvoor is een wetswijziging in voorbereiding die het mogelijk maakt om bijdrage uit het Deltafonds in te zetten voor maatregelen van decentrale overheden voor wateroverlast. Net als de decentrale overheden, werkt het rijk ook aan stresstesten en risicodialogen voor de eigen netwerken. In 2050 moeten deze klimaatbestendig en robuust zijn. In 2020 wordt de Climate Adaptation Action Summit in Nederland georganiseerd om het belang van klimaatadaptatie hoog op de internationale agenda te houden en concrete acties te stimuleren van alle betrokken partijen. Deze summit biedt een podium aan de door Nederland geïnitieerde Global Commission on Adaptation om de resultaten van het jaar van actie te laten zien en de mondiale beweging om de klimaatadaptatie actieagenda voort te zetten en te versnellen. Het Global Center on Adaptation, gehost door Nederland en met vestigingen in Rotterdam en Groningen, heeft hierbij het voortouw.

Nationale en internationale Waterveiligheid

Beleidsontwikkeling Integraal Riviermanagement

In het programma Integraal Riviermanagement wordt in samenwerking met betrokken overheden beleid ontwikkeld hoe we de komende tijd en met het oog op 2050 willen omgaan met de rivieren, gegeven de verschillende functies en belangen. Dit beleid zal in ieder geval ingaan op de opgaven die spelen bij hoogwater en bij laagwater. Bezien wordt o.a. of integratie van opgaven voor waterveiligheid, scheepvaart, waterkwaliteit/natuur, zoetwater en regionaal/economische ontwikkeling tot meerwaarde kan leiden. Bij deze beleidsontwikkeling wordt de herijking van de voorkeurstrategie Rivieren van het Deltaprogramma meegenomen. Naast het ontwikkelen van beleid, kunnen in 2020 ook concrete projecten in uitvoering komen.

Kennisprogramma Zeespiegelstijging

Hoe de zeespiegelstijging zich na 2050 zal ontwikkelen en welke maatregelen we wel en niet kunnen nemen om daarop te reageren is nog met grote onzekerheden omgeven. Om die onzekerheid te reduceren is in 2019 het Kennisprogramma Zeespiegelstijging gestart. Belangrijke elementen voor de komende twee jaar zijn daarbij de ontwikkelingen op Antarctica en systeemverkenningen die de houdbaarheid en «oprekbaarheid» van onze huidige strategie van zandsuppleties en waterkeringen onder de loep nemen. Het Kennisprogramma wordt ontwikkeld in samenwerking met de Deltacommissaris, de partners in het Deltaprogramma, kennisinstellingen en het bedrijfsleven. Het loopt door tot eind 2025 en levert beslisinformatie op die nodig is om bij de volgende 6-jaarlijkse herijking weloverwogen keuzes te kunnen maken voor de Deltabeslissingen en het Deltaprogramma 2027.

Omgaan met droogte en voldoende zoetwater

De droge zomer van 2018 heeft laten zien dat Nederland goed voorbereid is op ernstige droogte. Aan de zogenaamde Beleidstafel Droogte bekijken overheden en drinkwaterbedrijven waar het nog beter kan in de toekomst. De focus ligt daarbij op de meest urgente vraagstukken, waaronder de verdringingsreeks, grondwater, verzilting, drinkwater, scheepvaart en het beheer van het IJsselmeer. Ook is € 7 miljoen uit het Deltafonds beschikbaar gekomen voor de periode 2019–2021, o.a. om water beter vast te houden en de verzilting beter in beeld te brengen. Het Deltaprogramma Zoetwater zorgt met een programma van uitvoeringsmaatregelen dat ons land ook in de toekomst een betrouwbare zoetwatervoorziening heeft. Het lopende programma tot en met 2021 bevat voor ruim € 400 miljoen aan maatregelen zoals een uitbreiding van de klimaatbestendige wateraanvoer naar West-Nederland, maatregelen op de hoge zandgronden in Oost en Zuid-Nederland om water beter vast te houden en het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen waterbeheerders onderling. Dat laatste gebeurt onder de noemer Slim Watermanagement. Eind 2020 worden op basis van de nieuwste inzichten de nationale en regionale voorkeursmaatregelen voor de periode 2022–2027 vastgesteld. Daarvoor is € 150 miljoen in het Deltafonds gereserveerd voor de periode 2022–2027. De middelen uit het Deltafonds worden aangevuld met regionale cofinanciering.

Circulaire economie

Circulaire economie is een speerpunt van dit kabinet; in haar laatste milieurapport heeft de Europese Commissie Nederland hierop toonaangevend genoemd. Bovendien draagt circulaire economie bij aan de klimaatdoelstellingen van Nederland. De ambitie is dat Nederland in 2050 circulair is. In 2030 wordt een reductie van 50% nagestreefd van het nationale verbruik van primaire grondstoffen. Om de transitie te versnellen is het belangrijk dat alle betrokken partijen met elkaar aan de slag gaan en dat kennis, ook internationaal wordt gedeeld tussen inkopers, opdrachtgevers, bedrijven, overheden en financiers. Hopelijk biedt de tweede conferentie Circulaire economie in februari 2020 weer een goed platform voor die uitwisseling. Ook worden in 2020 de voorbereidingen getroffen voor het World Circular Economy Forum dat waarschijnlijk begin 2021 in Nederland wordt georganiseerd. De inspanningen moeten niet alleen op nationaal niveau plaatsvinden, maar ook regionaal. Projecten op het gebied van circulaire economie die bijdragen aan nationale CO2-reductie, kunnen daarnaast ondersteund worden met middelen die zijn vrijgemaakt voor de klimaatopgave. In het kader van de uitvoering van het Urgenda-vonnis is eenmalig (voor 2019 en 2020) een bedrag van € 80 miljoen ten behoeve van IenW vrijgemaakt. Met deze middelen worden onder andere circulaire projecten in de grond-, weg- en waterbouw en de kunststoffenketen gestimuleerd. In 2020 en latere jaren wordt de besteding van die middelen gekoppeld aan het Klimaatakkoord. Hiervoor wordt in 2020 € 5 miljoen van de Klimaatenveloppe van het kabinet ingezet voor het realiseren van circulaire projecten die tegelijk tot reductie van de CO2-uitstoot leiden. In het aangekondigde Urgenda-pakket is tevens een heffing op het verbranden en storten van buitenlands afval opgenomen.

Programma nederland circulair: transitie-agenda’s

Het Rijk zet zich samen met andere maatschappelijke partijen in om de transitie naar een circulaire economie te versnellen en op te schalen. In het kader van het Rijks-brede Programma Nederland Circulair heeft het Rijk deze ambitie verder geoperationaliseerd per prioriteit, keten of grondstoffenstroom. Daarbij zijn de gewenste effecten op milieu, leveringszekerheid en economisch concurrentievermogen leidend.

In het uitvoeringsprogramma uit 2019 zijn de activiteiten gepresenteerd binnen vijf transitieagenda’s en binnen de dwarsdoorsnijdende thema’s. Om uitvoering te geven aan de transitieagenda’s is op de IenW begroting in totaal € 16 miljoen vrijgemaakt voor 2019 en 2020. Het PBL zal de komende jaren de resultaten monitoren en eind 2019 een eerste voortgangsrapportage opleveren. Vanaf 2020 ontvangt de Kamer jaarlijks voor de zomer een actualisering van het uitvoeringsprogramma.

Verpakkingen en plastic

Voor het tegengaan van plastic soep en het voorkomen van zwerfafval kent Nederland een tweesporenbeleid: het eerste spoor betreft een recyclingdoelstelling van 90% voor kleine plastic flesjes en een reductiedoelstelling van 70 – 90% voor kleine plastic flesjes in het zwerfafval. Het tweede spoor betreft het invoeren van statiegeld op kleine plastic flesjes voor het geval in het najaar van 2020 mocht blijken dat de doelstellingen niet zijn gerealiseerd. De voortgang en de realisatie van de doelstellingen worden gemonitord door Rijkswaterstaat, hierover wordt de Tweede Kamer tweemaal per jaar geïnformeerd. Ook wordt in het kader van de Landelijke Aanpak Zwerfafval door de VNG en Stichting Afvalfonds Verpakkingen (StAV) bijzondere aandacht geschonken aan minder blikjes in het zwerfafval. Om een extra impuls te geven aan het minder gebruiken van plastics en meer recyclen en toepassen van plastics, is een ambitieus Plastic Pact NL gesloten met 75 koplopers in het bedrijfsleven en andere maatschappelijk betrokken organisaties. Dit pact loopt vooruit op de implementatie van de Europese Single Use Plastics (SUP) richtlijn. De resultaten worden jaarlijks gemonitord en begin 2020 zal de nulmeting en een eerste voortgangsmeting aan de Tweede Kamer worden gepresenteerd. De aanpak met het Plastic Pact wordt daarnaast opgeschaald binnen Europa.

IenW ondersteunt het initiatief van Nederlandse en Europese festivalorganisatoren om zich te ontwikkelen tot circulaire festivals als vervolg op de lopende Green Deal Afvalvrije Festivals en wil ook met andere sectoren tot soortgelijke afspraken komen. Ook is voor het tegengaan van microplastics € 10 miljoen beschikbaar gesteld uit de Enveloppe Natuur en waterkwaliteit voor de periode 2018–2021, wat via het Deltafonds wordt uitgegeven. Voorts worden met de e-commerce sector afspraken gemaakt over het verduurzamen van haar verpakkingen.

Kleding en textiel

Kleding en textiel hebben na voedsel de grootste ecologische voetafdruk. Er wordt in deze keten bijvoorbeeld veel verspild als gevolg van «fast fashion». Ook is er onvoldoende transparantie over de productieprocessen en loopt de kwantiteit en kwaliteit van de inzameling, sortering en recycling achter op andere materiaalstromen zoals glas, papier en plastic. Daarbij neemt de export van herbruikbare kleding en textiel naar ontwikkelingslanden af, mede door de afnemende kwaliteit van ingezamelde kleding. In 2019 zal -mede op basis van het plan dat de sector zelf opstelt- een beleidsprogramma textiel worden opgesteld dat het hoofd moet bieden aan deze ongewenste ontwikkelingen. De uitvoering van het programma begint in 2020.

Duurzaam IenW

Het Ministerie van IenW streeft ernaar om zelf koploper te worden met maatregelen richting een klimaatneutraal en circulair werkend ministerie in 2030. Daarvoor heeft IenW een eigen actieplan Maatschappelijk Verantwoord Inkopen en het programma Duurzaam IenW en werkt het aan verduurzaming van het MIRT. Hiermee wordt beoogd om duurzaamheid in de eigen processen verder te verankeren. Jaarlijks publiceert IenW een duurzaamheidsverslag. De eigen CO2-uitstoot van IenW zal in 2020 verder worden verminderd naar tenminste 30 tot 40% ten opzichte van 2009. IenW spant zich in om het gebruik van eenmalige plastic producten en verpakkingen in de catering in alle rijkspanden terug te dringen. Daartoe wordt in 2019 een Visie- en Actieplan Circulaire Catering opgesteld, waarmee het Rijk onder meer zijn eigen CO2-voetafdruk verlaagt. In 2019 en 2020 werken we bovendien aan een uitvoeringsstrategie richting klimaatneutraal en circulair werken in 2030 rond de infrastructuurprojecten in opdracht van IenW.

Gezonde en veilige leefomgeving

Luchtkwaliteit

Schone lucht is een belangrijk onderdeel van een gezonde en veilige leefomgeving. De afgelopen jaren is de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd, maar om enkele hardnekkige knelpunten op te kunnen lossen, is de aanpak uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) voortgezet. Het gaat met name om gebieden waar zich intensieve veehouderij bevindt (fijnstof) en om enkele binnenstedelijke gebieden (stikstofdioxide). Ook wanneer knelpunten zijn opgelost, is verdere verbetering van de luchtkwaliteit van belang om risico’s voor de volksgezondheid verder te verlagen. Het Schone Lucht Akkoord vormt het kader voor een permanente verbetering van de luchtkwaliteit. Hiermee werkt het kabinet – zoals geadviseerd door de Gezondheidsraad4 – toe naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. Inzet van het kabinet is om 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te behalen, voor de gezondheidseffecten afkomstig van Nederlandse bronnen. Het Schone Lucht Akkoord wordt samen met decentrale overheden in 2019 gepresenteerd en er wordt gestart met de uitvoering. De aanbevelingen van het IBO Luchtkwaliteit en de beleidsdoorlichting van het NSL zijn bij het Schone Lucht Akkoord betrokken.

Geurhinder veehouderijsector

Geurhinder vormt een probleem in een aantal gebieden waar veel veehouderij geconcentreerd is. De Commissie Geurhinder Veehouderij heeft in april 2019 aanbevelingen voor de langere termijn gedaan om een balans te bereiken tussen een prettige leefomgeving en duurzame veehouderij. In reactie op het rapport zal in 2020 onder andere aandacht zijn voor kennisontwikkeling over geur-, voor cumulatie van geuroverlast op één geurgevoelig object en zal de systematiek van de stalbeoordeling tegen het licht gehouden worden om innovaties te bevorderen. Verder zal de warme sanering van varkenshouderijen voor verlichting van omwonenden zorgen. Het kabinet heeft daarvoor in deze kabinetsperiode een bedrag van € 120 miljoen gereserveerd.

Geluid

De Aanvullingswet geluid waarmee geluidregels ondergebracht worden in de Omgevingswet is in 2019 aangenomen in de Tweede Kamer. De uitwerking daarvan in onderliggende regelgeving vindt in 2019 en 2020 plaats. De feitelijke geluidnormering wordt hierbij opgenomen in het Aanvullingsbesluit geluid. Tegelijkertijd heeft de WHO recent een belangrijk advies uitgebracht over geluid. In 2019 wordt onderzocht hoe het WHO-advies zich verhoudt tot de huidige (inter)nationale wet- en regelgeving en naar de mogelijkheden om het WHO advies te gebruiken ter versterking van het (inter)nationaal beleid en de mogelijke gevolgen daarvan voor de Nederlandse situatie. In 2020 en latere jaren vindt de verdere uitwerking daarvan plaats.

Bodem

De Aanvullingswet bodem is eind 2018 door de Tweede Kamer aangenomen en ligt momenteel bij de Eerste Kamer ter behandeling. De uitwerking van de bodemregels staat in het Aanvullingsbesluit bodem. De consultatie van het besluit is najaar 2018 afgesloten. Medio 2019 zal het aan het parlement worden aangeboden (voorhang). Met de opname van bodem in de Omgevingswet wordt de bodemregelgeving gemoderniseerd en geïntegreerd met het ruimtelijk instrumentarium. Met de nieuwe regels wordt de inzichtelijkheid vergroot, komt er meer afwegingsruimte voor decentrale overheden en blijft het beschermingsniveau gelijk. Normering en rekeninstrumenten worden ongewijzigd overgenomen.

Het convenant bodem en ondergrond gaat het laatste jaar in. Hierin zijn onder meer afspraken gemaakt over de afronding van de sanering van de zogenaamde spoedlocaties bodemsaneringen. Hiermee wordt een belangrijke stap gezet naar een beheerfase van het bodembeleid.

De sanering van het voormalige Thermphos-terrein in Zeeland verloopt voorspoedig. De planning is dat het terrein eind 2021 zal zijn gesaneerd. De uitvoerder heeft aangegeven dat vanwege goede voortgang de sanering waarschijnlijk al eind 2020 zal zijn afgerond. Het eerste kwartaal van 2021 is daarna nog nodig voor de administratieve afhandeling.

Waterkwaliteit

Delta-aanpak Waterkwaliteit

Het kader voor onze waterkwaliteit wordt gevormd door de Europese kaderrichtlijn water (KRW) en de Delta-aanpak waterkwaliteit. De prioriteiten zijn daarbij het verbeteren van de waterkwaliteit mest, gewasbeschermingsmiddelen, chemische stoffen, medicijnresten en ecologie grote wateren. Eind 2020 zal IenW samen met alle betrokken overheden en maatschappelijke organisaties de aansturing via drie bestuurlijke versnellingstafels (landbouw, stoffen en de brede tafel) evalueren en indien nodig aanpassen.

De nationale analyse Delta-aanpak Waterkwaliteit onder leiding van het Planbureau zal eind 2019 inzicht geven in hoeverre op de verschillende plekken in Nederland de doelen van de KRW gehaald kunnen worden. Ook het effect van mogelijke maatregelen bij agrariërs in het kader van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer worden daarbij voor zover mogelijk doorgerekend. Voor het stimuleren van de toepassing van maatregelen bij agrariërs is in 2020 € 38,8 miljoen extra gereserveerd. De resultaten van de Delta-aanpak Waterkwaliteit worden benut bij de totstandkoming van de ontwerp Stroomgebiedbeheerplannen, die december 2020 gereed zijn.

Eind 2019 gaat een door IenW vormgegeven opleidingsprogramma van start voor alle betrokken vergunningverleners op het gebied van stoffen. Onder de ketenaanpak «medicijnresten uit water» wordt in 2020 een definitieve keuze gemaakt voor de demoprojecten op rioolwaterzuiveringen die medicijnresten en andere microverontreinigingen extra gaan verwijderen, medegefinancierd via € 60 miljoen uit het regeerakkoord.

Grote wateren

De ministeries van IenW en LNV geven met de programmatische aanpak grote wateren uitvoering aan de maatregelen voor de waterkwaliteit en natuur in de grote wateren in het Rivierengebied, Zuidwestelijke Delta, IJsselmeer, Markermeer, Waddenzee en Eems-Dollard tot en met 2050. In 2020 worden verkenningen en planuitwerkingen uitgevoerd ter voorbereiding op concrete uitvoering.

Noordzee

Er wordt gewerkt aan een lange termijnstrategie voor de Noordzee. Aanleiding hiervoor is de toename van het gebruik van de ruimte op de Noordzee en de enorme windenergieopgave die er op de Noordzee afkomt om aan de afspraken uit het Klimaatakkoord van Parijs te kunnen voldoen. Deze opgave dient gerealiseerd te worden in balans met de natuurherstelopgave en voldoende ruimte voor visserij en rekening houdend met ander gebruik van nationaal belang zoals zeevaart, zandwinning etc. De ambitie is om, in gezamenlijk eigenaarschap tussen Rijk en stakeholders, een gezonde zee met een duurzaam en verantwoord gebruik zeker te stellen voor toekomstige generaties. Het streven van het kabinet is om hiertoe eind 2020 de nieuwe Structuurvisie/Programma Noordzee 2022–2027 vast te stellen. Het Programma Noordzee 2022–2027 integreert de verplichtingen uit de Europese Kaderrichtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning om een ruimtelijk plan voor de Noordzee vast te stellen, en uit de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) om het programma van maatregelen. In 2020 zal ook het monitoringprogramma van de KRM worden geactualiseerd.

Omgevingsveiligheid

Een incident met gevaarlijke stoffen heeft grote gevolgen voor het milieu en de leefomgeving. Daarom is voorkomen altijd beter dan genezen. De komende jaren richten we ons beleid nadrukkelijk in op basis van de volgende drieslag: (i) het voorkomen van risico’s voor mens en milieu, (ii) actief inzetten op beheersmaatregelen, inclusief verbeterde samenwerking tussen inspecties en (iii) betrekken van de samenleving. Naast milieurisico’s richt IenW zich ook op financiële risico’s die samenhangen met saneringsopgaven. Bedrijven moeten op voorhand laten zien hoe zij invulling geven aan het uitgangspunt «de vervuiler betaalt». Waar nodig zullen beleidsinspanningen uiteraard ook gericht zijn op het saneren van risicovolle situaties en het beheersen van bekende risico’s.

De leefomgeving kent op dit moment een basiskwaliteit volgens wettelijke normen. Voor de verbetering van de gezondheid en veiligheid zijn echter verdere inspanningen nodig. IenW wil stappen zetten door een slimme inrichting van gebieden (ruimtelijk ontwerp) en door nieuwe of alternatieve, veilige materialen, producten, processen en toepassingen te ontwikkelen. Het concept Safe by Design speelt in deze transitie een belangrijke rol: het al in de ontwerpfase meenemen van risico’s voor mens en milieu. Deze transitie hebben we Europees geagendeerd in het bijzonder als het gaat om een gezamenlijke aanpak van nanomaterialen en gevaarlijke stoffen. Ook werken we samen met het bedrijfsleven en de wetenschap in het programma Duurzame Veiligheid 2030 (DV2030). Doel van dit programma is om te komen tot een vitale (petro)chemische sector zonder noemenswaardige incidenten in 2030. DV2030 zal medio 2020 na een evaluatie worden beëindigd. Onderdelen van DV2030 zullen overgaan naar de alsdan opgerichte organisatie Safety Delta Nederland (SDN).

Nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en beveiliging

Nucleaire veiligheid is van groot belang en heeft onverminderd onze aandacht; Nederland en de buurlanden zetten de goede samenwerking ook in 2020 voort bijvoorbeeld door samenwerking bij de uitwisseling van informatie over de staat van de reactoren, crisisvoorbereiding en uitvoering van kruisinspecties. De samenwerking heeft onder meer als doel om ervoor te zorgen dat bewoners in de grensgemeenten ook bij gebeurtenissen bij kerncentrales over de nationale grenzen heen snel en juist worden geïnformeerd. Adequate communicatie over ongewone gebeurtenissen bij nucleaire installaties en goede samenwerking met alle veiligheidspartners vormen andere belangrijke pijlers, ook om onnodige maatschappelijke onrust te voorkomen.

De nucleaire beveiliging blijft op een solide niveau door bijstelling van de referentiedreiging Cyber Security in 2020 op basis van een in 2019 uitgevoerd assessment van de cyberweerstand bij nucleaire inrichtingen. Een referentiedreiging beschrijft de meest ernstige, maar toch nog realistische, scenario’s gebaseerd op dreigingsinformatie van de AIVD. Deze referentiedreiging vormt het uitgangspunt voor de verplichte maatregelen voor cyberbeveiliging van de Nederlandse nucleaire installaties.

De borging voor nucleaire veiligheid, beveiliging en stralingsbescherming is daarnaast afhankelijk van kwalitatief hoogwaardige regelgeving, vergunningverlening en het toezicht daarop. In dat licht vinden regelmatig internationale toetsingen plaats. In 2020 zal de driejaarlijkse rapportage door Nederland in het kader van het VN Verdrag Nucleaire Veiligheid internationaal worden getoetst. Ook de wettelijke evaluatie van de ANVS (afronding 3e kwartaal 2019) zal een graadmeter zijn op dit vlak. De eventuele vervolgacties worden in 2020 opgepakt.

Tegelijk wil Nederland blijven innoveren, bijvoorbeeld bij medische toepassingen en in de industrie. Dit kan leiden tot meer en intensievere toepassingen van ioniserende straling. Hoewel de gevolgen voor mens en milieu daarvan in het algemeen beperkt zijn, gaat ook hier veiligheid voor alles. De ANVS volgt daarom de innovaties nauwlettend en past zo nodig het (uitvoerings)beleid aan met als doel een veilige toepassing, ook in de gezondheidszorg.

IenW in het Caribisch deel van het Koninkrijk

Op de drie eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustasius zal de uitvoering worden gestart van de plannen voor beheer en onderhoud 2020–2023 (€ 5 miljoen structurele infrastructuur middelen). Op Saba wordt gewerkt aan een toekomstbestendige haven en op Sint-Eustatius wordt de erosieproblematiek integraal aangepakt. Aan de uitbreiding van de haven van Sint Eustatius zal worden gewerkt in samenhang met de aanpak van de erosie van de kustweg zodat beide ontwikkelingen elkaar versterken. De bouw van de nieuwe verkeerstoren en passagiersterminal op de luchthaven op Sint-Eustatius wordt in 2020 afgerond. De connectiviteit in het gehele Koninkrijk blijft gemonitord, ook nadat de opties zijn uitgewerkt en afgerond om de mate van connectiviteit te verbeteren tussen Sint-Maarten, Saba en Sint Eustatius alsmede tussen Bonaire en Curaçao.

Op Saba, Sint Eustatius en Bonaire wordt in nauwe samenwerking met de eilanden gewerkt aan een intensief milieuprogramma. Op alle drie de eilanden wordt geïnvesteerd in de professionalisering van het afvalbeheer, worden stortplaatsen gesloten en wordt geïnvesteerd in efficiëntere installaties en bouw van milieustraten en voorzieningen om afval te scheiden. Op alle drie de eilanden zijn recent intentieverklaringen getekend om in 2020/2021 te komen tot een verbod op single use plastics. Daarnaast worden illegale stortplaatsen met hulp van Nederland opgeruimd en handhaving ingezet en autowrakken verzameld en afgevoerd. Op Bonaire wordt wet- en regelgeving voor bedrijven ontwikkeld, een Kruithuis voor de veilige opslag van vuurwerk gebouwd en met hulp van Nederland asbestsanering op voor het publiek toegankelijke plaatsen door het openbaar lichaam Bonaire in gang gezet. Samen met het Ministerie van LNV en BZK werkt IenW aan een Koraal Actie Plan om de snelle achteruitgang van het koraal aan te pakken.

Vanwege de urgente situatie rondom de brandstoffenproblematiek op Bonaire werkt een interdepartementale Taskforce onder voorzitterschap van IenW aan duurzame en veilige brandstoffenopslagen op Bonaire. In 2021 zal met financiële hulp van het Rijk (eenmalig 5 miljoen) een veilige en toekomstbestendige infrastructuur rondom opslag en overslag van voor de Bonairiaanse economie cruciale brandstoffen zijn gerealiseerd.

IenW en de EU

De inspanningen op Europees vlak zullen, los van de reguliere Europese inbreng per beleidsonderwerp, vooral worden bepaald door de komst van een nieuwe Europese Commissie, een nieuw Europees Parlement, de Brexit en (de uitkomsten van) de onderhandelingen over de nieuwe Europese begroting, met name de doorwerking op de Europese programma’s/fondsen.

Daarnaast zal IenW in 2020 in interdepartementaal verband mede vorm geven aan de uitvoering van het nationale ruimtevaartbeleid, dat volgt uit de Nederlandse inschrijving uit 2019 in de programma’s van het Europese Ruimtevaart Agentschap ESA. Het nationaal ruimtevaartbeleid richt zich op de verdere uitbouw van de rol van het Galileo Reference Centre in het ruimtevaartcluster en de op te zetten Space Campus in Noordwijk.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van vorig jaar. Een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties per artikel is in de verdiepingsbijlage (bijlage 2) te vinden.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

art.

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025–2032

2033

Stand ontwerpbegroting 2019 (incl. NvW)

 

9.618.660

9.295.201

9.330.714

9.168.910

9.378.838

8.743.995

   

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019

 

9.689

– 84.764

– 32.099

– 70.617

401.198

380.270

   
                     

Mutaties Incidentele suppletoire begroting 2019

 

7.550

63.750

           

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (inclusief ISB)

 

9.635.899

9.274.187

9.298.614

9.098.297

9.780.840

9.124.265

   

Belangrijkste mutaties Hoofdstuk XII

 

– 1.551.776

– 362.606

21.366

334.973

176.611

743.509

   
 

Kaderrelevante mutaties Hoofdstuk XII

2019

2020

2021

2022

2023

2024

   

1

Generale Kasschuif

26

– 1.544.308

– 359.349

– 18.670

310.154

214.667

812.876

584.630

 

2

Kasschuif Klimaatakkoord

26

 

– 24.000

3.000

– 9.000

– 80.000

– 122.000

232.000

 

3

Klimaatakkoord Mobiliteit

14

 

20.800

36.000

41.000

49.500

52.700

   

4

Klimaatakkoord Circulaire Maatregelen

21

 

5.000

10.000

10.000

15.000

15.000

   

5

Kasschuif DKTI-regeling 2019

14

– 21.700

13.700

8.000

         

6

Individueel Keuze Budget (IKB)

98

 

6.198

           

7

Regeringsvliegtuig

97

 

2.402

2.402

2.402

2.402

2.402

   

8

Luchtverkenningscapaciteit Kustwacht

26

     

– 13.491

– 13.491

– 13.491

– 94.437

 

9

Kasschuif Aardobservatie

23

 

4.000

   

– 4.000

     

10

Regio Envelop voor Saba

18

12.500

             

11

Overheveling STAB naar VenJ

97

 

– 5.287

– 5.334

– 5.339

– 5.339

– 5.339

   

12

Overboekingen Provinciefonds en Gemeentefonds

                 
 

PF: Zoetwatermaatregelen

26

– 2.710

– 13.301

– 13.112

         
 

GF: Zoetwatermaatregeln

26

– 5.203

             
 

GF: Ruitmelijke Adaptatie

11

– 3.216

– 4.639

           
 

PF: Ruimtelijke Adaptatie

11

– 261

– 293

           
 

Overige mutaties Hoofdstuk XII

                 

13

Loon- en prijsbijstelling

99

– 213.818

– 210.626

– 210.533

– 204.341

– 207.089

– 195.273

   
 

– waarvan Hoofdstuk XII

div.

54.097

48.476

52.279

53.521

54.376

53.461

   
 

– waarvan Infrastructuurfonds

26

135.642

133.664

131.153

131.580

127.515

120.945

1.059.917

115.877

 

– waarvan Deltafonds

26

24.079

28.486

27.101

19.240

25.198

20.867

133.629

26.831

14

Inpassing structurele onderuitputting

99

23.524

23.000

26.000

26.000

23.000

23.000

   
   

div.

– 23.524

– 23.000

– 26.000

– 26.000

– 23.000

– 23.000

   

15

ILT

24

13.100

             
 

– waarvan Aanvullende taken

div.

– 8.600

             
 

– waarvan Basale Dienstverlening

div.

– 4.500

             

15

KNMI

23

1.075

3.685

7.812

8.796

9.344

8.363

   
 

– waarvan Aanvullende taken

div.

0

– 2.195

– 5.487

– 6.471

– 7.019

– 6.038

   
 

– waarvan Basale Dienstverlening

div.

– 1.075

– 1.490

– 2.325

– 2.325

– 2.325

– 2.325

   

16

Diversen

div.

13.061

– 7.837

– 920

– 753

– 2.128

1.361

   

Stand begroting 2020

 

8.084.062

8.911.581

9.319.980

9.433.270

9.957.451

9.867.774

   

Ad 1. In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III heeft het kabinet een investeringsimpuls gegeven aan de bereikbaarheid. In de jaren 2018 tot en met 2020 is er voor bereikbaarheid incidenteel € 2 mld. beschikbaar gesteld en vanaf 2021 € 100 mln. per jaar. Er wordt voortvarend ingezet op het vertalen van de ambities uit Regeerakkoord naar bestuurlijke afspraken en projectplanningen. Onderuitputting in 2018 heeft vorig jaar voor een deel van de projecten geleid tot een kasschuif naar 2020 en 2021. Bij Voorjaarnota 2019 is opnieuw een risico op onderuitputting in 2019 gesignaleerd. De afgelopen periode is gebruikt om de totale projectportefeuille te analyseren. Hierbij is het risico op onderuitputting verder in kaart gebracht en is bezien welke mogelijkheden voorhanden zijn om programmering, raming en de realisatie van alle projecten te optimaliseren. De investeringsmiddelen worden op basis van deze analyse daarom in het op dit moment meest realistische kasritme gezet. De middelen hebben reeds een bestemming. Zo is twee derde van de Regeerakkoordmiddelen voor infrastructuur omgezet in concrete lopende projecten voor de periode t/m 2025. Nu projecten concreet worden blijkt echter een ander kasritme nodig dan bij Regeerakkoord gehanteerd. Daarbij worden middelen geschoven uit de jaren 2019–2021 naar later jaren.

Ad 2. Ter dekking van de uitgaven van mobiliteitsmaatregelen in het kader van het klimaatakkoord is een kasschuif op het Infrastructuurfonds ingepast. Daarmee zijn kasmiddelen voor de mobiliteitsmaatregelen in de juiste jaren geplaatst.

Ad 3. In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III is CO2-reductieopgave in 2030 afgesproken ter hoogte van 49% waarbij een klimaatenveloppe van structureel 300 mln is gereserveerd. Deze middelen worden nu aan de begroting 2020 toegevoegd ten behoeve van de CO2-reductieopgave van de mobiliteitssector van 7.3 Mton en aangewend voor duurzame energiedragers. duurzame logistiek en verduurzaming personenmobiliteit.

Ad 4. Voor de uitvoering van het Klimaatakkoord heeft het kabinet besloten om vanaf 2020 middelen uit de klimaatenveloppe ter beschikking te stellen voor circulaire maatregelen voor het realiseren van de CO2-reductie doelstelling in 2030.

Ad 5. Voor de DKTI (Demonstratieregeling Klimaattechnologieën en -innovaties in transport) zijn in het jaar 2019 middelen toegevoegd aan de beleidsbegroting van IenW bij nota van wijziging5. Omdat de innovatieve projecten een meerjarig karakter hebben, wordt met dit voorstel nu bij het kasritme rekening gehouden met het moment dat de financiële verplichting voor toekenning van demonstratieprojecten wordt aangegaan en het moment dat de projecten tot uitbetaling komen. Vanuit doelmatigheidsoverwegingen vinden uitkeringen op basis van kasbehoefte en gerealiseerde voortgang plaats.

Ad 6. In de cao Rijk 2018–2020 zijn afspraken gemaakt over de invoering van een Individueel Keuze Budget (IKB). De overgang naar het IKB leidt tot een incidenteel budgettair probleem in 2020, omdat onder het IKB het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering eerder worden uitbetaald. De departementen worden hiervoor gecompenseerd.

Ad 7. De exploitatiekosten voor het regeringsvliegtuig vallen hoger uit dan voorzien. Dit komt doordat het nieuwe regeringsvliegtuig meer ingezet wordt dan voorzien, en bovendien intercontinentaal. Het kabinet heeft geld vrijmaakt om de structurele meerkosten van € 2,4 miljoen vanaf 2020 te dekken.

Ad 8. Overboeking van IenW aan Defensie voor de bijdrage aan het nieuwe contract Luchtverkenningscapaciteit van de Kustwacht Nederland.

Ad 9. Door toedoen van meerjarige schommelingen in de EUMETSAT-contributie heeft KNMI een kasschuif nodig van € 4 miljoen uit 2023 naar 2020.

Ad 10. Vanuit de Regio Envelop is € 12,5 miljoen beschikbaar gesteld voor de renovatie van de zeehaven op Saba. Een optimale zeehaven te Saba is een groeiende bron van inkomsten voor het eiland en verbetert de leefbaarheid (aanlanding levensmiddelen en (project)goederen) op het eiland.

Ad 11. Met ingang van 2020 gaat de subsidiëring en ministeriële verantwoordelijkheid van Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) over van het Ministerie van IenW naar het Ministerie van J&V. In deze begroting vindt de budgettaire verwerking hiervan plaats.

Ad 12. Er vinden overboekingen plaats naar het Gemeente- en Provinciefonds in het kader van Zoetwatermaatregelen en Ruimtelijke Adaptatie.

Ad 13. Dit betreft de loonbijstelling en prijsbijstelling tranche 2019 die nader wordt toegedeeld binnen de begroting Hoofdstuk XII, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Ad 14. Dit betreft de structurele invulling van de taakstellende onderuitputting door verlaging van de budgetten op de diverse artikelen binnen de IenW-begroting (XII). Een deel hiervan bestaat uit de ontvangen prijsbijstelling.

Ad 15. Interne overboekingen ten behoeve van een aantal aanvullende taken en programma’s en Basale Dienstverlening van de KNMI en ILT. Voor ILT is dit aanvullend op de bij 1e suppletoire begroting 2019 toegevoegde middelen voor het aanpakken van urgente knelpunten en de risicogerichte aanpak.

Overzicht niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming

Op verzoek van de Tweede Kamer wordt inzicht gegeven in de niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel. Hiermee wordt de budgetflexibiliteit in de begroting beter inzichtelijk gemaakt en valt af te leiden welk deel van de geraamde uitgaven budgettair-technisch gezien beschikbaar is voor alternatieve besteding. Het percentage en het bedrag niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel worden bepaald op basis van het percentage «juridisch verplicht» uit de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen. In de kolom «Bestemming van de niet juridische verplichte uitgaven» wordt het niet verplichte bedrag opgesplitst naar de bestemming van de uitgaven.

Overzicht niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x 1.000)

Art. nr.

Naam artikel

Juridisch verplicht

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

11

Integraal waterbeleid

(€ 53.480)

€ 48.502 (91%)

€ 4.978

(9%)

• € 514 voor opdrachten algemeen waterbeleid (regie op uitvoering en Gebiedsagenda IJsselmeergebied)

• € 175 voor opdrachten voor kennis en innovatie

• € 415 voor klimaatadaptatie

• € 648 voor opdrachten waterveiligheid

• € 329 voor opdrachten water internationaal

• € 833 voor opdrachten operationalisering resultaatgerichte aanpak (HGIS)

• € 420 voor opdrachten op het gebied van grote oppervlakte wateren (gebiedsagenda Wadden, Eems/Dollard, pilot Waddenslib en coördinatie aardbevingendossier Groningen).

• € 794 voor opdrachten Marien en Internationaal Waterbeleid

• € 850 voor opdrachten waterkwaliteit

13

Bodem en Ondergrond

(€ 30.784)

€ 27.945

(91%)

€ 2.839

(9%)

• € 1.103 Bodemonderzoek en structuurvisie ondergrond

• € 177 Waternexus

• € 588 Drinkwater en waterketen (inclusief commissie van deskudigen).

• € 79 Caribisch Nederland

• € 67 Milieueffectenrapportage

• € 153 Normeringen / regelgeving NEN

• € 672 opdrachten Veranderopgave Omgevingswet

14

Wegen en Verkeersveiligheid

(€ 85.836)

€ 65.980

(77%)

€ 19.856

(23%)

• € 2.095 voor diverse opdrachten/onderzoeken t.b.v. Wegverkeersbeleid en programmering Rijkswegen

• € 1.368 voor opdrachten programma’s Fiets, DUMO en Innovatie mobiliteit. Opdrachten bestaan uit diverse onderzoeken en communicatieactiviteiten.

• € 4.390 voor diverse onderzoeken verkeersveiligheid en verkeersveiligheid campagnes.

• € 3.450 Urgenda middelen, voor o.a. (intensivering) van campagnes gericht om gedragsmaatregelen naar duurzame mobiliteit versneld in gang te zetten.

• € 8.553 Middelen Klimaatakkoord, voor stimulering van duurzame energiedragers, duurzame logistiek en verduurzaming personenmobiliteit.

16

Openbaar Vervoer en Spoor

(€ 28.508)

€ 26.540

(93%)

€ 1.968

(7%)

• € 1.968 voor diverse opdrachten en onderzoeken met betrekking tot de omvorming Prorail, spoortrillingenonderzoek, spoorveiligheid, taxionderzoeken en cybersecurity.

17

Luchtvaart

(€ 24.443)

€ 21.092

(86%)

€ 3.351

(14%)

• € 3.351 voor diverse opdrachten/onderzoeken m.b.t. luchtvaartveiligheid, luchthavenontwikkeling, luchtverkeer, duurzaamheid en netwerkkwaliteit en de opgaven voor de herziening van het luchtruim, Schiphol na 2020 en Lelystad.

18

Scheepvaart en Havens

(€ 39.881)

€ 37.971

(95%)

€ 1.910

(5%)

• € 1.910 voor opdrachten en onderzoeken Scheepvaart en Havens met betrekking tot bevorderen duurzame binnenvaart, vernieuwen internationale regelgeving en onderzoek naar klimaat, luchtkwaliteit en duurzame zeevaart.

19

Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

(€ 44.374)

€ 41.465

(93%)

€ 2.909

(7%)

• € 417 pilots Ruimte data, doorontwikkeling Galileo en grensoverschrijdende samenwerking.

• € 634 DGMI- brede projecten.

• € 398 vrijwillige bijdragen aan internationale organisaties.

• € 1.460 DGMI- Algemeen, Organisatie ontwikkeling.

20

Lucht en Geluid

(€ 26.045)

€ 25.750

(99%)

€ 295

(1%)

• € 4 Onderzoeksopdrachten lucht.

• € 291 Onderzoek TNO/ECN.

21

Duurzaamheid

(€ 89.644)

€ 81.983

(91%)

€ 7.661

(9%)

• € 1.197 Uitvoering duurzaamheidsinstrumentarium.

• € 5.842 Uitvoering duurzame produktketens.

• € 365 uitvoering industriële emissies.

• € 257 Uitvoering Natuurlijk Kapitaal.

22

Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

(€ 34.204)

€ 27.543

(81%)

€ 6.661

(19%)

• € 2.187 Uitvoering veiligheid chemische stoffen en asbest.

• € 470 Uitvoering veiligheid GGO’s.

• € 659 Uitvoering veiligheid inrichtingen en bedrijven.

• € 1.444 Uitvoering veiligheid bedrijven en transport.

• € 1.421 Uitvoering Omgevingsveiligheid.

• € 480 diverse subsidies.

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

(€ 57.643)

€ 57.643

(100%)

€ 0

(0%)

24

Handhaving en Toezicht

(€ 123.234)

€ 123.234

(100%)

€ 0

(0%)

25

Brede doeluitkering

(€ 920.515)

€ 920.515

(100%)

€ 0

(0%)

26

Bijdrage investeringsfondsen

(€ 6.979.233)

€ 6.979.233

(100%)

€ 0

(0%)

Totaal

     

Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen.

   

realisatie

planning

           

Artikel

Naam artikel

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Geheel artikel?

11

Integraal waterbeleid

     

X

     

Ja

13

Bodem en Ondergrond

   

X

       

Ja

14

Wegen en Verkeersveiligheid

         

X

 

Ja

16

Openbaar Vervoer en Spoor

X

         

X

Ja

17

Luchtvaart overig

         

X

 

Ja

18

Scheepvaart en Havens

       

X

   

Ja

19

Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

X

         

X

Ja

20

Lucht

 

X

         

Nee

20

Geluid

     

X

     

Nee

21

Duurzaamheid

   

X

       

Ja

22

Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

X

         

X

Ja

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

 

X

         

Ja

24

Handhaving en Toezicht

 

X

         

Ja

Artikel 20 omvat twee afzonderlijke beleidsterreinen. Doorlichtingen worden gepland voor zowel Lucht als Geluid, tenzij de inwerkingtreding van de Omgevingswet aanleiding is om te besluiten tot een doorlichting over meerdere beleidsterreinen.

De Brede doeluitkering (artikel 25) en de bijdrage investeringsfondsen (artikel 26) worden zoveel mogelijk meegenomen in de doorlichtingen van de beleidsartikelen. De instrumentering en normering ten behoeve van handhaving en toezicht van het beleid wordt bij de doorlichting van de beleidsartikelen meegenomen. De doorlichting van artikel 24 richt zich op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de ILT als inspectie-organisatie binnen het kader van de opgedragen taken, de beschikbaar gestelde instrumenten, het budget en de governance binnen IenW. Dit om te markeren dat de ILT een Inspectiedienst en geen beleidsterrein is.

Het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen staat hier. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie bijlage 5 Evaluatie en overig onderzoek.

Overzicht risicoregelingen

In het overzicht van risicoregelingen worden garanties en/of achterborgstellingen opgenomen die een departement verstrekt aan derden buiten de sector Overheid. Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Bij het Ministerie van IenW is momenteel sprake van de garantieregeling Borgstellingskrediet Bodemsanering MKB, waarvan de lopende regelingen worden beheerd tot einde looptijd (2027)

Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering aan te vragen. Overeenkomstig de aankondiging in de Begroting 2016 heeft er in 2016 een evaluatie plaatsgevonden naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling bijzondere financiering Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB. De conclusie van de evaluatie, uitgevoerd door EY, is dat hoewel de regeling bodemsaneringsborgstellingskrediet complementair is aan andere regelingen op het gebied van bodemsaneringen, de relevantie van de regeling gering is. Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van deze evaluatie in 2016 beëindigd. In 2020 wordt alleen nog garant gestaan voor een lopende garantie ter grootte van € 329.000.

In de begroting 2019 is rekening gehouden met het aangaan van een garantieverplichting van € 23 miljoen in 2019 voor de aanschaf van nieuwe vliegtuigen door Winair. Door nieuwe ontwikkelingen in Caribisch Nederland, onder andere bij andere luchtvaartmaatschappijen, wordt opnieuw bezien welke vluchten met eigen vliegtuigen kunnen worden uitgevoerd. Vanwege dit nadere onderzoek en onderbouwing van de aanschaf van nieuwe vliegtuigen is in 2019 nog geen garantieverplichting aangegaan. Hiermee verschuift de geraamd te verlenen garantie van 2019 naar 2020.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Geraamd te verlenen 2020

Geraamd te vervallen 2020

Uitstaande garanties 2020

Garantieplafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

Artikel 13

MKB Krediet

329

0

0

329

0

0

329

329

0

0

Artikel 17

Winair

0

23.000

23.000

0

23.000

0

23.000

23.000

0

0

 

Totaal

329

23.000

23.000

329

23.000

0

23.329

23.329

0

0

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven

2018

Ontvangsten 2018

Stand risicovoorziening 2018

Saldo 2018

Uitgaven 2019

Ontvangsten 2019

Stand risicovoorziening 2019

Saldo 2019

Uitgaven 2020

Ontvangsten 2020

Stand risicovoorziening 2020

Saldo 2020

Artikel 13

MKB Krediet

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Artikel 17

Winair

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

 

Totaal

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Beleidsartikel 11 Integraal Waterbeleid

Algemene Doelstelling

Het op orde houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft en kan blijven gebruiken, nu en in de toekomst.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, waterkwantiteit en internationaal:

  • Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn, conform herziene basiskustlijn 2018 en handhaving kustfundament.

  • Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen.

  • Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (alle waterveiligheid) en het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren (waterkwaliteit).

  • Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

  • Internationaal. Kennisuitwisseling met buitenlandse partijen op het gebied van waterveiligheid, waterzekerheid en «governance» ter bevordering van de Nederlandse positie en verdienvermogen in het buitenland. Het betreft bilaterale en multilaterale samenwerking en richt zich vooral op klimaatadaptatie en water. De samenwerking is beschreven in de Internationale Waterambitie (IWA). Deze is in 2019 geactualiseerd onder de noemer Nederlandse Internationale Waterambitie (NIWA) waaraan in 2020 uitvoering wordt gegeven.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de gerelateerde wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie, exportbevordering en internationale samenwerking (m.b.t. de Noordzee).

  • Waterveiligheid. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van waterveiligheid gericht op alle primaire waterkeringen in Nederland. Tevens het zorgdragen voor de waterveiligheid van de regionale waterkeringen in het beheer van het Rijk.

    Het zorgen voor wettelijke kaders en instrumentarium voor het beoordelen en ontwerpen van primaire waterkeringen. Ontwikkelen van kaders voor het toetsen op veiligheid van de regionale waterkeringen in het beheer van het Rijk. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–20216.

  • Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–2021. Hierbij worden maatregelpakketten geregisseerd voor waterbeschikbaarheid op de korte en lange termijn in het Deltaprogramma Zoetwater. Het betreft maatregelen voor het robuuster maken van het watersysteem (nationaal en regionaal) en om de gevolgen van langdurige droogte en lage rivierafvoeren ten gevolge van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken.

  • Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren en inliggende communautair te beschermen waarden in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen. De coördinerende verantwoordelijkheid voor de KRW ligt bij de Minister van IenW, tezamen met de Minister van LNV voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

  • Nederlands deel van de Noordzee. Het gaat hier om het ontwikkelen van beleid en het nemen van maatregelen voor het bereiken van een gezonde zee met een duurzaam gebruik in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit gebeurt in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. De coördinerende verantwoordelijkheid voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) ligt bij de Minister van IenW, tezamen met de Ministers van LNV en EZK voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot hun verantwoordelijkheid behoren.

  • Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. De topsector Water werkt sinds 2019 samen met de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen in het kader van het missiegedreven innovatiebeleid. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems. Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Waterkwantiteit

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II 2015–2016, 34 436, nr. 3).

Indicator één en twee: waterveiligheid (droge voeten)

Conform de Waterwet wordt periodiek beoordeeld of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze beoordeling wordt door de beheerder (RWS) uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk beoordelingsinstrumentarium. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen.

In 2017 is de «nieuwe ronde beoordelen op veiligheid» gestart, gebaseerd op de nieuwe normering (Kamerstukken II 2015–2016, 34 436, nr. 2). In 2023 zal over de uitkomsten aan de Eerste en Tweede Kamer worden gerapporteerd. In het waterveiligheidsportaal7 wordt de voortgang van de beoordeling en het veiligheidsoordeel van de dijktrajecten gegeven. Ook wordt aangegeven waar versterkingsprojecten van het HWBP plaatsvinden.

In de begroting 2019 is aangegeven dat in de begroting 2020 een nieuwe indicator voor artikel 11 zal komen die de groei van het percentage bescherming tegen overstroming (overstromingskans) beter weergeeft. Deze indicator is nog in ontwikkeling en zal beschikbaar komen voor de begroting 2021.

Tot de volgende begroting worden onderstaande indicatoren gehanteerd, die weergeven hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006, 2011 en de verlengde derde toetsing uit 2014.

Dijken en duinen (km)

Dijken en duinen (km)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems, en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd via De Staat van Ons Water. Omdat de Kaderrichtlijn Water werkt met planperiodes, is een volledige beschrijving van de toestand alleen om de zes jaar mogelijk. Het PBL rapporteert op verzoek van de Minister van IenW in het Compendium voor de Leefomgeving jaarlijks op basis van de beschikbare gegevens over waterkwaliteit.

Integraal waterbeleid

In De Staat van Ons Water wordt vanaf 2016 jaarlijks integraal door de partners van het Bestuursakkoord Water (BAW) gerapporteerd over de voortgang van de uitvoering van het waterbeleid in het voorgaande jaar. De Stuurgroep Water heeft in december 2018 besloten dat vanaf 2019 De Staat van Ons Water zal worden ingekort en uitsluitend op de Tweede Kamer als doelgroep zal worden gericht. Communicatie naar de burger zal plaatsvinden via de website onswater.nl.

Beleidswijzigingen

Op dit artikel hebben geen beleidswijzigingen plaatsgevonden met een effect op de begroting 2020.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)
   

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

36.485

43.549

33.376

31.047

41.203

39.159

38.954

Uitgaven

44.251

53.675

53.480

47.803

42.702

39.124

38.919

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

91%

       

11.01

Algemeen waterbeleid

33.035

41.245

41.429

35.980

31.315

27.737

27.532

11.01.01

Opdrachten

5.022

5.445

9.124

6.037

7.076

4.998

4.793

 

– Intensivering Ruimtelijke Adaptie

0

659

3.869

850

0

0

0

 

– Overige Opdrachten

5.022

4.786

5.255

5.187

7.076

4.998

4.793

11.01.02

Subsidies

12.700

16.651

14.282

13.062

10.362

8.862

8.862

 

– Incidentele subsidie WKB

1.180

1.550

1.220

0

0

0

0

 

– Blue Deal (HGIS)

700

1.200

1.400

1.400

1.500

0

0

 

– Partners voor Water (HGIS)

10.773

13.841

11.602

11.602

8.802

8.802

8.802

 

– Overige Subsidies

47

60

60

60

60

60

60

11.01.03

Bijdragen aan agentschappen

15.263

15.491

14.006

13.865

13.877

13.877

13.877

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

722

874

514

373

372

372

372

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

14.541

14.617

13.492

13.492

13.505

13.505

13.505

11.01.04

Bijdragen aan medeoverheden

50

3.658

4.017

3.016

0

0

0

11.02

Waterveiligheid

2.584

3.330

3.444

3.500

3.499

3.499

3.499

11.02.01

Opdrachten

2.584

3.330

3.444

3.500

3.499

3.499

3.499

11.03

Grote oppervlaktewateren

2.303

1.715

1.615

1.615

1.515

1.285

1.515

11.03.01

Opdrachten

2.303

1.715

1.615

1.615

1.515

1.285

1.515

11.04

Waterkwaliteit

6.329

7.385

6.992

6.708

6.373

6.603

6.373

11.04.01

Opdrachten

3.997

4.982

4.302

4.563

4.683

4.913

4.683

11.04.02

Subsidies

436

400

400

400

0

0

0

11.04.04

Bijdragen aan medeoverheden

325

500

500

0

0

0

0

11.04.05

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.571

1.503

1.790

1.745

1.690

1.690

1.690

Ontvangsten

580

12.465

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 1 Investeren in Waterveiligheid van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Waterveiligheid

290.036

271.210

475.255

295.003

386.352

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Waterveiligheid

172.412

150.710

159.396

149.819

148.700

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Waterveiligheid

462.448

421.920

634.651

444.822

535.052

waarvan

         

01.01

Grote projecten waterveiligheid

168.599

113.998

80.074

101.734

51.801

01.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

282.880

299.710

546.877

335.406

476.374

01.03

Studiekosten

10.969

8.212

7.700

7.682

6.877

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 2 Investeren in Zoetwatervoorziening van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in Zoetwatervoorziening

27.520

32.966

2.978

3.835

3.158

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in Zoetwatervoorziening

         

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in Zoetwatervoorziening

27.520

32.966

2.978

3.835

3.158

waarvan

         

02.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

24.435

28.866

1.878

2.469

2.058

02.03

Studiekosten

3.085

4.100

1.100

1.366

1.100

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 3 Beheer, Onderhoud en Vervanging van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, Onderhoud en Vervanging

133.253

141.608

139.296

166.857

168.074

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, Onderhoud en Vervanging

         

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, Onderhoud en Vervanging

133.253

141.608

139.296

166.857

168.074

waarvan

         

03.01

Watermanagement

7.336

7.336

7.336

7.336

7.362

03.02

Beheer onderhoud en vervanging

125.917

134.272

131.960

159.521

160.712

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

13.043

51.259

50.892

223.355

61.012

Andere ontvangsten van artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

         

Totale uitgaven op artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

13.043

51.259

50.892

223.355

61.012

waarvan

         

04.02

GIV/PPS

13.043

51.259

50.892

223.355

61.012

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 7 Investeren in Waterkwaliteit van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in Waterkwaliteit

127.180

117.486

112.767

82.777

54.690

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in Waterkwaliteit

332

508

     

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in Waterkwaliteit

127.512

117.994

112.767

82.777

54.690

waarvan

         

07.01

Realisatieprogramma Kaderrichtlijn water

47.612

81.520

53.873

50.284

53.690

07.02

Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

30.424

26.484

49.444

23.393

0

07.03

Studiekosten waterkwaliteit

49.476

9.990

9.450

9.100

1.000

11.01 Algemeen Waterbeleid

Budgetflexibiliteit

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2019 zijn aangegaan, waaronder de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet, het vervolgprogramma HGIS Partners voor Water 2016–2021 en het HGIS budget voor het internationale samenwerkingsprogramma met de Unie van waterschappen onder de titel «Blue deal» en voor het programma gericht op acceleratie en implementatie van waterprojecten van de 2030 agenda, waarbij de Nederlandse inzet wordt gecompleteerd door de High Level Panel on Water (HLPW) coalitie van 11 landen, de Wereldbank en de Verenigde Naties.

Het restant heeft vooral betrekking op de uitwerking van de afspraken in het Bestuursakkoord Water (BAW). De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdragen RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies en de bijdragen aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapsbijdragen hebben een structureel karakter.

11.02 Waterveiligheid

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2019 zijn aangegaan en de uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet, zoals onder andere werken met de nieuwe normering, regie op de kennisontwikkeling waterveiligheid, werkzaamheden ten behoeve van de Lange Termijn Ambitie Rivieren (onderzoek naar maatregelen voor Rijn, IJssel en Maas), de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en advisering over waterkeringen en de kust.

11.03 Grote oppervlaktewateren

De uitgaven voor de opdrachten zijn deels juridisch verplicht. Dit heeft met name betrekking op de betaling van de lopende verplichtingen die aangegaan zijn tot en met 2019, waaronder de gebiedsagenda Wadden 2050, Eems-Dollard 2050 en pilot Waddenslib.

11.04 Waterkwaliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2019 zijn aangegaan, waaronder CBS-waterstatistieken, Fishing for littering, schone zee en vervolg proefboerderij Scheveningen. De budgetten voor de subsidies, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig verplicht. De subsidie betreft de bijdrage aan het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC). De bijdragen aan medeoverheden zijn bestemd voor het samenwerkingsprogramma Lumbricus ten behoeve van een klimaatrobuuste inrichting van het bodem- en watersysteem. De bijdragen aan internationale organisaties zijn bestemd voor structurele jaarlijkse contributies voor de internationale riviercommissies en de Oslo en Parijs-commissie (OSPAR), die in internationale verdragen zijn opgericht. Daarnaast zijn ze bestemd voor de bijdragen aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), Deltacoalitie Water en Diplomatie en aan de Verenigde Naties (VN), die onder andere het gevolg zijn van een tweetal Memoranda of Understanding.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de onder de financiële instrumenten opgenomen opdrachten op het gebied van de uitvoering van een aantal activiteiten. Dat gaat om activiteiten in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Ook heeft het niet-juridisch verplichte deel betrekking op de ondersteuning van de internationale riviercommissies en OSPAR in de voorbereiding en de uitvoering van hun werkzaamheden.

11.01 Algemeen waterbeleid

Toelichting op de financiële instrumenten

11.01.01 Opdrachten

Jaarlijks worden er uitgaven gedaan voor de voortgangsrapportage De Staat van Ons Water, waarin over de uitvoering van het waterbeleid wordt gerapporteerd.

IenW ondersteunt en versterkt samen met het Ministerie van EZK het topteam van de Topsector Water en Maritiem bij het organiseren van evenementen en werkgroepen. In het Nationaal Kennis en innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK) werkt IenW samen met kennisinstellingen, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), waterschappen en de Deltacommissaris. Ook is er afstemming met soortgelijke thematieken in de missiegedreven innovatieprogramma’s onder de Topsectoren. De innovatie activiteiten richten zich op het stimuleren van relevante innovaties vanuit de beleids- en opdrachtgevende rol.

In 2020 worden uitgaven gedaan voor watereducatie om het waterbewustzijn bij jongeren te stimuleren. Dit gebeurt in samenwerking met de Unie van Waterschappen en onderwijspartijen, en in afstemming met andere educatieve partijen, zoals de participatietafel Water van kennisprogramma Duurzaam Door van het Ministerie van LNV.

Aan de Helpdesk Water, onderdeel van RWS, wordt jaarlijks een bijdrage geleverd. In 2020 worden voorbereidingen getroffen om de Helpdesk Water te integreren in het Informatiepunt Omgevingswet.

Voor de uitvoering van het bestaande Omgevingsloket Online (OLO) wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd ten behoeve van water- en omgevingsvergunningen.

In het kader van het project «duurzame financiering waterbeheer» dat met het Bestuursakkoord Water-partners is ingericht, worden samen met de Unie van Waterschappen onderzoeken verricht naar aanpassingen en moderniseringen van de zuiveringsheffing, de verontreinigingsheffing en de watersysteemheffing.

Verder worden middelen ingezet voor het programma Klimaatadaptatie voor het bevorderen van een transitie naar meer klimaatbestendig handelen door personen en organisaties. Daarnaast zijn uitgaven voorzien voor het uitvoeringsprogramma van de Nationale Adaptatie Strategie (UP-NAS). IenW heeft de coördinatie over het Nederlandse klimaatadaptatiebeleid, maar doet dit in nauwe samenwerking met andere betrokken departementen, decentrale overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en marktpartijen. Het UP NAS en het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie op het Deltafonds zijn complementair aan elkaar.

Aanvullend op het lopende stimuleringsprogramma Ruimtelijke Adaptatie is in totaal € 20 miljoen (2019–2021) gereserveerd om decentrale overheden te ondersteunen bij onder andere de uitvoering van stresstesten en risicodialogen, en het uitvoeren van pilots. Van deze middelen is dit voorjaar ruim € 16 miljoen van het Deltafonds overgeheveld naar de begroting van IenW (hoofdstuk XII). Verder wordt er in 2020 uitvoering gegeven aan opdrachten in het kader van Operationalisering Resultaatgerichte aanpak die vanuit de middelen Homogene Groep Internationale Samenwerking worden gefinancierd (HGIS), zoals: Valuing Water, Global Governance, Water as leverage en de Internationale Architectuur Biennale Rotterdam.

11.01.02 Subsidies

In 2020 wordt een subsidie verstrekt aan Deltares voor de bouw van een nieuwe Geocentrifuge, die onder meer gebruikt wordt voor onderzoek aan dijken, kustbescherming, offshore, aardbevingen en natte en droge infrastructuur. De subsidie van € 3,1 miljoen is in 2017 afgegeven en is gelijkmatig verdeeld over de jaren 2018, 2019 en 2020.

Ook in 2020 wordt uitvoering gegeven aan de in 2016 gestarte subsidieregeling van het programma Partners voor Water (PvW) 2016–2021 Dit betreft het centrale uitvoeringsprogramma van de (interdepartementale) Internationale Water Ambitie (IWA). Het programma wordt aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de drie ministeries BZ, EZK en IenW samenwerken. Voor de uitvoering van het PvW 2016–2021 programma is mandaat verleend aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het budget is onderverdeeld in een deel voor lange termijn samenwerking met zeven Deltalanden, een subsidiedeel ten behoeve van marktbetrokkenheid en samenwerking met kansrijke nieuwe landen en Holland promotie.

In 2018 is de subsidieregeling van start gegaan van de Blue Deal (2018–2021). Het betreft een internationaal programma van 21 waterschappen die worden aangestuurd door de Unie van Waterschappen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en IenW zijn gezamenlijk subsidieverstrekker waarvan de eerste subsidiefase loopt tot en met 2021. De Blue Deal is een programma tot en met 2030 met één duidelijk doel: 20 miljoen mensen in 40 stroomgebieden wereldwijd helpen aan schoon, voldoende en veilig water. De focus ligt op het bieden van hulp, maar ook op het creëren van kansen voor het bedrijfsleven en leren van andere landen om het eigen werk in Nederland te blijven verbeteren.

In 2020 wordt een subsidie van € 100.000 verstrekt aan het Instituut Fysieke Veiligheid voor het ontwikkelen van het programma «watercrises beheersen in een veiligheidsregio (WAVE2020)». Doel is het ontwikkelen van (boven)regionale strategieën met handelingsperspectieven en het ontwikkelen van een landelijk plan voor de beheersing van watercrises.

Daarnaast is in 2019 een subsidieverplichting aangegaan voor een totaalbedrag van € 0,5 miljoen voor het identificeren en activeren van gemeenten die nog niet of nauwelijks zijn gestart met de aanpak van klimaatadaptatie (aanjaagprogramma genoemd) aan de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Dit bedrag wordt betaald in 2019 € 0,4 miljoen en in 2020 € 0,1 miljoen. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bovendien wordt jaarlijks een bijdrage van € 60.000 verstrekt aan de provincie Friesland ten behoeve van het Regiecollege Waddengebied (RCW). Het RCW is een strategisch overleg- en afstemmingsorgaan waarin Rijk, Provincie, Gemeenten, Waterschappen, bedrijfsleven, natuurorganisaties en de wetenschap zijn vertegenwoordigd. Het RCW draagt bij aan de doelstelling van het Rijk om te komen tot integraal beleid voor het Waddengebied. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

Aan het KNMI zijn diverse onderzoeken en analyses gevraagd die betrekking hebben op Kennisontwikkeling Windklimaat, Nationale adaptatiestrategie, ontwikkeling Noordzee windklimaatatlas en transnationale samenwerking Rijn en Maas.

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

In 2019 is een subsidieverplichting aangegaan voor een totaalbedrag van € 10,6 miljoen voor de subsidieverlening voor het project Restopgave Vooroeverbestortingen aan het Waterschap Scheldestromen. Dit bedrag wordt betaald in de jaren 2019–2021 voor de aanpak van 10 locaties waar de vooroevers nog moeten worden versterkt voor respectievelijk € 3,6 miljoen in 2019, € 4,0 miljoen in 2020 en € 3,0 miljoen in 2021. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

Conform de verplichtingen van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) wordt in de 6-jaarlijks actualisering gewerkt aan het opstellen van beoordelingen, kaarten en plannen voor het beheersen en verminderen van overstromingsrisico’s in de vier (internationale) stroomgebieden. Dit in afstemming met de Kaderrichtlijn Water. In 2020 worden voor de stroomgebieden Rijn, Maas, Schelde en Eems overstromingsrisicobeheerplannen opgesteld, inclusief doelstellingen en maatregelen om de risico’s te beheersen en zo mogelijk te verminderen in ontwerp. Hiervoor wordt in 2020 opdracht gegeven voor ondersteuning, ontwikkeling en beheer.

In 2020 wordt verder gewerkt aan het beoordelen van de primaire waterkeringen op basis van de nieuwe normen. Voor deze beoordeling worden diverse opdrachten verstrekt ter ondersteuning van de waterkeringbeheerders. Daarnaast worden opdrachten verstrekt om kennis ten aanzien van waterveiligheid te ontwikkelen en vast te leggen.

Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling ten aanzien van de kust, onder andere over (de gevolgen van) zeespiegelstijging en de kustontwikkeling. Hierbij wordt samenwerking gezocht binnen het kader van Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK).

Voor verdere kennisontwikkeling met betrekking tot rivieren worden in 2020 opdrachten verstrekt. Onder andere over lange termijn morfologische ontwikkeling van de rivieren onder invloed van o.a. klimaatverandering, waarbij ook hier samenwerking wordt gezocht binnen het kader van het NKWK. Daarnaast wordt kennisontwikkeling ondersteund met betrekking tot het kunnen voorbereiden van de maatregelpakketten op grond van een afwegingskader en de bijdragen aan diverse MIRT-projecten in het rivierengebied voor zowel de Rijn, de IJssel als ook de Maas.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

De opdrachtbudgetten op dit artikelonderdeel worden in 2020 ingezet voor onder andere de uitvoering van de volgende beleidsonderwerpen:

IenW neemt, vanuit haar beleidsverantwoordelijkheid voor de Grote Wateren, het initiatief om samen met collega-departementen en gebiedspartners gebiedsagenda’s te ontwikkelen voor de grote wateren. Verder wordt gewerkt aan een gezamenlijke adaptieve uitvoeringsagenda. Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke kennis- en innovatie-agenda.

Het ministerie van IenW zal (mede namens het ministerie van LNV) een gebiedsagenda Wadden 2050 opstellen. Deze wordt in 2020 formeel opgeleverd. De gebiedsagenda Wadden 2050 zal input leveren voor onder andere de Nationale Omgevingsvisie en het overige instrumentarium van de Omgevingswet. In het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» van 10 oktober 2017 heeft het kabinet aangekondigd dat er «één beheerautoriteit voor de Waddenzee komt die een integraal beheerplan uitvoert, waardoor betere bescherming van natuurgebieden gecombineerd wordt met beter visbeheer». In 2020 is de beheerautoriteit operationeel en wordt gestart met de opstelling van een integraal beheerplan voor de Waddenzee.

Rijk en regio werken sinds 2015 structureel samen aan ecologische verbetering van de Eems-Dollard, door samenhangende inzet van middelen, maatregelen en onderzoeken op basis van een meerjarig adaptief programma. De ambitie is dat de Eems-Dollard in 2050 voldoet aan het ecologisch streefbeeld dat is geformuleerd. Hier wordt stapsgewijs naar toegewerkt door adaptief in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en inzichten.

De drie landen die grenzen aan de Waddenzee, Nederland, Duitsland en Denemarken, vormen samen de Trilaterale samenwerkingslanden. Ze overleggen regelmatig over het vormen of aanpassen van het beschermingsbeleid van werelderfgoed Waddenzee.

In 2020 wordt de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta formeel opgeleverd. In het programma Volkerak-Zoommeer wordt de ontwikkeling van blauwalg en quaggamossel gemonitord en optimalisatieonderzoek uitgevoerd in het kader van de ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Voor de Oosterschelde worden in een integraal ontwikkelperspectief de bouwstenen van het MIRT-onderzoek Integrale Veiligheid Oosterschelde verbonden met het vervolgonderzoek Effecten Zeespiegelstijging Oosterschelde. Samen met het Vlaams Gewest wordt op grond van de Scheldeverdragen voor het Schelde-estuarium meerjarenonderzoek uitgevoerd in het kader van de Agenda voor de Toekomst (periode 2019–2020).

11.04 Waterkwaliteit
11.04.01 Opdrachten

Het doel is om de doelstelling met betrekking tot chemisch schoon water en een ecologisch gezond watersysteem voor duurzaam gebruik in 2027 bereikt te hebben. Ieder jaar wordt in De Staat van Ons Water de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd. De toestand, doelen en maatregelen worden ieder 6 jaar vastgelegd en aan de Europese Commissie gerapporteerd middels stroomgebiedbeheerplannen onder de Kaderrichtlijn Water. De tweede stroomgebiedbeheerplannen voor Rijn, Maas, Schelde en Eems voor de periode 2016–2021 zijn eind december 2015 vastgesteld en ook in 2020 in uitvoering. De uitvoering van de tweede tranche maatregelen in het hoofdwatersysteem loopt via artikel 7 van het Deltafonds.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent, net als de Kaderrichtlijn Water (KRW), een zesjarige plancyclus. In 2020 wordt verder invulling gegeven aan de uitvoering van de beoordeling van het mariene milieu en ecosysteem geactualiseerd, alsook de goede milieutoestand en daarbij behorende beleidsdoelen en indicatoren. Deze actualisatie wordt gebaseerd op de resultaten uit het KRM-monitoringprogramma en aanvullend onderzoek op gebied van vooral onderwatergeluid, zwerfvuil en microplastics. In 2020 zullen het KRM-monitoringprogramma (Mariene Strategie deel 2) en het programma van maatregelen (deel 3) worden geactualiseerd. Daarnaast geeft het kabinet meer invulling aan zijn faciliterende rol ten aanzien van «kansen benutten» voor het samengaan van een duurzame economische groei en gebruik met een gezond systeem, en voor eventueel ecosysteemherstel. De uitvoering van de KRM vindt plaats in samenwerking met Economische Zaken en LNV. Er wordt ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU), op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden en op cofinanciering uit EU-fondsen als Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) en Interreg Community Initiative (INTERREG). De actualisatie van alle 3 delen van de Mariene Strategie zullen onderdeel uitmaken van het op te stellen Programma Noordzee 2022–2027, als opvolger van het Noordzeebeleid in het huidige Nationaal Waterplan 2016–2021.

De opdrachtverlening heeft betrekking op de kaderrichtlijn water, de delta-aanpak waterkwaliteit en zoetwater, op glastuinbouw, emissieregistratie en op Noordzee- en Internationaal waterbeleid.

De grote maatschappelijke opgaven tot 2030 na de planperiode van de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) zijn aanleiding voor de Ministeries van IenW en LNV om in samenwerking met EZK en BZK en met belanghebbende partijen in de samenleving te werken aan het opstellen van een Strategische Agenda Noordzee 2030 met een Uitvoeringsprogramma. Concreet gaat het vooral om het in samenhang bekijken van de voorliggende windenergieopgave voedseltransitie en de ontwikkeling van duurzame en concurrerende sectoren van de Blauwe Economie op zee en in de kustzone, met een doorkijk naar 2050. De strategie wordt in 2020 nader uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma in 2021. Het is ook onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan de invulling van het Strategisch Ontwikkelingsdoel voor de zeeën en oceanen (SDG 14). Het kompas voor de lange termijn zijn de toekomstperspectieven uit de Noordzee Gebiedsagenda 2050 (Kamerstukken II 2013–2014, 33 450, nr. 24).

11.04.02 Subsidies

IenW verstrekt in 2020 subsidie aan het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC) en geeft daarmee invulling aan de ambitie die is vastgelegd in de overeenkomst tussen IHE Delft Insitute of Water Education en het Koninkrijk der Nederlanden. Medio 2016 hebben IHE en het Koninkrijk der Nederlanden een samenwerkingsovereenkomst opgesteld voor de jaren 2016–2022, die beantwoordt aan de toenemende grondwaterproblematiek in de wereld en met name het stedelijk gebied. Het United Nations-karakter van de taken van IGRAC bepaalt dat IGRAC (een UNESCO-categorie 2 instelling) alleen kan werken op basis van overheidsfinanciering.

11.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

De bijdrage aan medeoverheden heeft betrekking op de uitvoering van het samenwerkingsprogramma Lumbricus door Waterschap Vechtstromen met regionale partijen. Het samenwerkingsprogramma is gericht op het geïntegreerd toepassen van innovatieve maatregelen op het gebied van bodem en water ten behoeve van een klimaatbestendige inrichting van het bodem- en watersysteem van beekdalen. In dit programma komen doelstellingen met betrekking tot waterkwaliteit, zoetwatervoorziening, bodembeheer, klimaatadaptatie en waterveiligheid samen.

11.04.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland participeert in verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming en wordt de contributie voor deze commissies jaarlijks vastgesteld.

Tevens betaalt Nederland jaarlijks een contributie voor de uitvoering van het Oslo-Parijs (OSPAR)-verdrag, waarmee wordt ingezet op internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee.

Ook in 2020 blijft Nederland werken aan het internationale profiel van Nederland als centrum voor watervraagstukken. Dit is verwoord in de Internationale Waterambitie van het kabinet. Het streven van Nederland als Centre of Excellence wordt gedeeltelijk ingevuld door middel van memoranda of Understanding (MOU) met twee internationale UNESCO-watercentra, namelijk ondersteuning capacity building door IHE-Delft en grondwater monitoring en assessment door IGRAC te Delft. Het gaat hier om ondersteuning capacity building door IHE. Water speelt een verbindende rol in de in VN-kader afgesproken Sustainable Development Goals (SDG’s). In een van de subdoelen van de SDG’s die zich richt op steden wordt specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. In 2020 wordt uitvoering gegeven aan de implementatiefase. Ervoor wordt met internationale organisaties en platforms samengewerkt op het gebied van governance en financiering. De financiering en de wijze van besturen met toezicht hierop worden afgestemd om de implementatie van de doelen te kunnen realiseren. Zo wordt er in 2020 het Valuing Water Initiatief gestart om de aanbevelingen van het High Level Panel on Water in praktijk te brengen. Zo worden bijdragen geleverd aan onder andere het Sendai raamwerk van the UN-office for disaster risk reduction (UNISDR), aan de United Nations Economic Commission for Europe (UNECE) voor grensoverschrijdend waterbeheer, Wereldbank, Water Global Practice WGP, aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake waterbeheer en aan Habitat for Humanity voor schoon drinkwater (HABITAT).

Beleidsartikel 13 Bodem en Ondergrond

Algemene Doelstelling

Een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. Het doel is de vraagstukken op het gebied van bodemkwaliteit, drinkwatervoorziening, grondwater, bodemdaling, duurzaam bodembeheer in de landbouw, kabels en leidingen en bodemenergie in relatie met de maatschappelijke opgaven als energietransitie en klimaatadaptatie aan te pakken. Daarnaast is het beleid gericht op het tot stand brengen van een betrouwbare en betaalbare drink- en afvalwatervoorziening in Caribisch Nederland.

Het Rijk is enerzijds verantwoordelijk voor het systeem van wet- en regelgeving omtrent beheer en gebruik van bodem, ondergrond en water en stimuleert anderzijds de investeringen en de bescherming daarvan. Daardoor heeft de Minister van IenW een stimulerende en een regisserende rol.

Stimuleren

Rollen en verantwoordelijkheden

Voor het onderdeel Bodem en Ondergrond is de algemene doelstelling om te komen tot een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De (Rijks)structuurvisie Ondergrond vormt een belangrijke basis voor het ordenen van activiteiten met betrekking tot bodem en ondergrond. De aanpak is onder meer beschreven in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 en het Convenant Bodem en Bedrijven 2015. Het Rijk bevordert de investeringen in de kwaliteit van bodem en ondergrond door middel van:

  • Het bevorderen van de duurzame kwaliteit van het doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • Het Uitvoeringsprogramma van het Convenant Bodem en Ondergrond 2016 – 2020.

  • Het efficiënt beschermen van drinkwaterbronnen door het landelijk faciliteren/stimuleren van de totstandkoming van gebiedsdossiers.

  • Caribisch Nederland Afvalwatervoorziening Bonaire. Aanpassen van de Wet VROM BES en de Wet FIN-BES met als doel het mogelijk maken van het invoeren van een afvalwaterheffing en de verkoop van gezuiverd afvalwater voor irrigatie en zo de exploitatiekosten van het afvalwaterbeheer te dekken.

Regisseren

De Minister van IenW heeft bij het onderwerp Bodem en Ondergrond een systeemverantwoordelijkheid voor het goed laten verlopen van processen op het gebied van duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De Minister van IenW is vanuit deze rolopvatting verantwoordelijk voor:

  • De opname van de Wet bodembescherming in de Omgevingswet

  • Het proces waarbij de decentrale overheden in staat worden gesteld om uiterlijk in 2030 de bodemverontreiniging-problematiek te beheersen

  • De verdere ontwikkeling van regelgeving en kennis van de bodem en ondergrond. Deze ontwikkeling ondersteunt het beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en faciliteert de toepassing daarvan door de andere overheden.

  • Het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

  • Het beleid (beleidsnota drinkwater), regelgeving (drinkwaterwet) en het uitoefenen van toezicht/handhaving (via de ILT) op de levering van deugdelijk drinkwater,

  • De zorg – samen met andere bestuursorganen – voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (zorgplicht)

  • Drinkwatervoorziening Caribisch Nederland. Wetswijziging Wet elektriciteit en drinkwater BES (reparatie capaciteitstarief) om zo de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van drinkwater in Caribisch Nederland te garanderen. Door het insulaire karakter, de geringe bevolkingsomvang en het ontbreken van grote zoetwatervoorraden zal de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland nooit kostendekkend zijn. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat stelt daarom een subsidie op de transportkosten voor drinkwater beschikbaar.

Indicatoren en Kengetallen

Voor het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (Stcrt. 2015, 14854). In dit convenant is onder meer beschreven hoe de overheden de focus leggen bij de aanpak van de resterende verontreinigingen. Resterende verontreinigingen zijn verontreinigingen waarbij het risico voor mens, plant en dier het grootst is. In het convenant is afgesproken dat, afhankelijk van de situatie, spoedlocaties uiterlijk in 2020 zijn gesaneerd, dan wel dat de risico’s worden beheerst, dan wel in beeld gebracht en er concrete plannen voor de aanpak zijn gemaakt. De budgetten van het meerjarenprogramma Bodem worden over de bevoegde overheden ex-Wet Bodembescherming (ex Wbb) verdeeld via het Provincie- en Gemeentefonds. Gedurende de Convenantsperiode rapporteert het gezamenlijke uitvoeringsprogramma over de bereikte resultaten. In de systematiek van deze monitoring wordt onder andere gekeken naar het aantal spoedlocaties die in uitvoering zijn, hoeveel er afgerond zijn, hoeveel er nog niet gestart zijn, en de kosten van de aanpak.

Beleidswijzigingen

Op dit artikel hebben geen beleidswijzigingen plaatsgevonden met een effect op de begroting 2020.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

30.388

32.235

16.533

120.725

113.960

131.668

136.262

Uitgaven

22.459

34.926

30.784

133.171

132.536

136.068

136.262

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

91%

       

13.01

Ruimtelijk Instrumentarium

8

0

0

0

0

0

0

13.04

Ruimtegebruik bodem

18.220

30.341

28.003

133.171

132.535

136.067

136.261

13.04.01

Opdrachten

6.000

13.312

17.689

13.742

9.820

5.400

5.400

13.04.02

Subsidies

7.303

12.402

6.756

15.867

20.507

20.716

14.710

 

– Bedrijvenregeling

2.311

4.979

4.545

13.656

18.296

18.219

12.213

 

– Subsidie Caribisch Nederland

4.992

7.423

2.211

2.211

2.211

2.497

2.497

13.04.03

Bijdragen aan agentschappen

3.569

3.795

3.506

3.506

3.506

3.506

3.506

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

3.569

3.795

3.506

3.506

3.506

3.506

3.506

13.04.04

Bijdragen aan medeoverheden

1.348

832

52

100.056

98.702

106.445

112.645

 

– Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

0

389

0

0

0

0

0

 

– Meerjarenprogrogramma Bodem

1.348

443

52

100.056

98.702

106.445

112.645

13.05

Eenvoudig Beter

4.231

4.585

2.781

0

1

1

1

13.05.01

Opdrachten

743

2.225

1.345

0

0

0

0

13.05.03

Bijdragen aan agentschappen

3.488

2.360

1.436

0

1

1

1

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

3.488

2.360

1.436

0

1

1

1

Ontvangsten

809

4.450

0

2.000

0

0

0

13.04 Ruimtegebruik bodem

Budgetflexibiliteit

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het bodembeleid. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS voor Water, Verkeer en Leefomgeving (WVL) en de bijdragen aan drink- en afvalwatervoorzieningen in Caribisch Nederland zijn juridisch verplicht.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op gelden conform de bestuurlijke afspraken voor knelpunten in de uitvoering van de Wet bodembescherming en grootschalige bodemsaneringsprojecten.

13.04 Ruimtegebruik bodem

Toelichting op de financiële instrumenten

13.04.01 Opdrachten

De opdrachtverlening heeft betrekking op uitbesteding van beleidsinhoudelijke onderzoeksopdrachten en evaluaties aan derden op het gebied van: Bodem, Drinkwater en Waterketen, BES-eilanden, Commissie van deskundigen Drinkwaterbesluit, Structuurvisie Ondergrond (STRONG), sanering van het Stormpolderdijk terrein te Krimpen aan den IJssel, Bodemenergie, Milieueffectrapportage en NEN-regelgeving (drinkwater, bodem, zwemwater).

13.04.02 Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, worden subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd.

Caribisch Nederland

Dit betreft subsidiebijdragen ten behoeve van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de drinkwater- en afvalwatervoorzieningen in Caribisch Nederland. Een goede drinkwatervoorziening is van groot belang voor de volksgezondheid, het welzijn en de welvaart van Caribisch Nederland. Vanwege de geringe bevolkingsomvang, het ontbreken van grote zoetwatervoorraden en het insulaire karakter is de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland niet kostendekkend. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt daarom jaarlijks subsidie beschikbaar om kosten te dekken zodat de toegankelijkheid tot schoon en veilig drinkwater in Caribisch Nederland wordt gegarandeerd. De subsidie voor de drinkwater- en afvalwatervoorziening bedraagt in 2020 € 2,2 miljoen.

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

Aan de Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond van RWS/WVL wordt verstrekt voor het verrichten van uitvoerende wettelijke taken op grond van de Wet bodembescherming en ondersteuning van de beleidsontwikkeling op het gebied van bodem en ondergrond.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Meerjarenprogramma bodem

Het bodembeleid voor de periode 2016–2020 is opgenomen in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020. Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen. Dit convenant vormt de basis voor het verstrekken van een bijdrage aan de andere overheden voor de financiering van de uitvoering van het convenant, inclusief de aanpak van verontreinigingen.

Het budget voor 2020 is voorzien voor knelpunten die kunnen ontstaan (artikel 11.4 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020) en voor benodigde aanvullende financiële middelen voor individuele bevoegde overheden Wet Bodembescherming (Wbb) in verband met de uitvoering van het convenant (artikel 11.3 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020). Ook na 2020 is er sprake van de aanpak en beheer van bodemverontreinigingen. Hierover worden afspraken gemaakt met de convenantpartners.

13.05.03 Bijdragen aan agentschapen

Dit betreft een bijdrage aan Rijkswaterstaat voor de kosten die het agentschap maakt voor de transitie in het kader van de Omgevingswet.

Beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Het Ministerie van IenW streeft ernaar om weggebruikers zo snel, veilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen. Daarvoor worden verschillende instrumenten ingezet: regelgeving, investeringen, regisseren, uitvoering, organiseren en toezicht. IenW werkt toe naar een modern, schoon en goed functionerend verkeerssysteem en ontwikkelt een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en dat voldoet aan de milieu- en klimaatnormen. Daarnaast wordt ingezet op een landelijke afname van het aantal verkeersslachtoffers. Om deze doelen te bereiken werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van doorstromings- en veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds.

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het beheersen van de geluidproductie vanwege verkeer door middel van een jaarlijkse monitoring van de naleving van de geluidproductieplafonds langs het rijkswegennet en het aanpakken van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met medeoverheden, het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenW voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • De kennis en ervaring die is opgedaan met het programma Beter Benutten breed toe te passen binnen diverse beleidsterreinen van artikel 14, waar het gaat over het verbeteren van de bereikbaarheid in samenwerking met regionale partners en het daaraan koppelen van bijdragen aan slimme en duurzame mobiliteit. Van het programma Beter Benutten loopt het onderdeel Decentraal Spoor en ITS door tot en met 2020.

  • De programma-ambitie voor het programma Fiets. Meewerken met de Tour de Force aan de doelstelling: 20% meer fietskilometers in 2027. Deze ambitie is weergegeven in de Nationale Fiets agenda die in 2017 naar de Kamer is gestuurd (Kamerstukken II 2016–2017, 34 861, nr. 1).

  • Uitvoering geven aan de afspraken en ambities op gebied van CO2-reductie in de sector mobiliteit na sluiten van het Klimaatakkoord. Uitvoering vindt plaats langs vier lijnen: hernieuwbare energiedragers, elektrisch rijden, verduurzaming van de logistiek en verduurzaming van personenmobiliteit. De reductiedoelstelling voor de sector Mobiliteit is de CO2-uitstoot in 2030 met 7,3 Mton te beperken. Hierbij zijn investeringen, kennis en kunde van meerdere partijen in de maatschappij nodig, waarbij de Minister een regierol vervult.

  • Met stakeholders en gebruikers ontwikkelen van doelen en een heldere rol van de overheid bij de transitie naar nieuwe, «slimme», vormen van mobiliteit. Waar innovaties kunnen bijdragen aan de beleidsdoelen, wordt onderzocht of eventuele belemmeringen kunnen worden weggenomen en kansen kunnen worden verzilverd.

  • Met betrekking tot slimme mobiliteit invulling geven aan de ambities in het regeerakkoord met betrekking tot het streven naar «Een slim en duurzaam vervoerssysteem waarvan de onderdelen naadloos op elkaar aansluiten». Hierbij ligt de focus op de volgende prioriteiten: infrastructuur die toekomst vast is door bij ontwerp, aanleg en onderhoud van infrastructuur rekening te houden met zelfrijdende voertuigen en benodigde systemen in of langs de weg; (wettelijke) ruimte voor een nieuwe generatie voertuigen; het (veilig) gebruik van slimme technologieën en diensten; nieuwe mobiliteitsconcepten & Mobility as a service (MaaS); en het gebruik van data onder goede randvoorwaarden zoals privacy en security. Een voorbeeld van deze randvoorwaarden is het streven om overheidsinformatie over verkeer zoveel mogelijk via open data beschikbaar te stellen voor voertuigen, apps en reisplanners.

  • De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Voortbouwend op de ervaringen van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vormgegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

  • In het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 wordt samen met de medeoverheden en maatschappelijke organisaties ingezet op een risico gestuurde aanpak. Op basis van een analyse van de belangrijkste risico’s worden op het niveau van het Rijk, de provincie en de gemeente uitvoeringsagenda’s opgesteld met de meest effectieve maatregelen om de verkeersveiligheid te verbeteren.

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • Inzetten op verbeteren van data van verkeersongevallen en te onderzoeken hoe deze toe te passen in de risico gestuurde aanpak.

  • In navolging van omringende landen invoeren van een vrachtwagenheffing. De inkomsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en gelden voor innovatie in en verduurzaming.

  • Aan de NEa wordt opdracht gegeven voor de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer. De rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie vormen onderdeel van de opdracht.

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en Toezicht).

Stimuleren

Om invulling te geven aan het klimaatbeleid wordt ingezet op de reductie van de CO2-uitstoot van het wegverkeer. In dat kader stimuleert het Ministerie van IenW:

  • Schonere, zuinigere en stillere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de reeds in gang gezette transitie naar nul-emissie voertuigen verder voort te zetten, samen met de decentrale overheden en sectorpartijen slimme logistieke concepten te ontwikkelen voor (stedelijke) distributie en de voorlopers in de sector te stimuleren.

  • Productontwikkeling in de transportsector van klimaattechnologieën en -innovaties die bijdragen aan een lage of zero emissie CO2-uitstoot. Daarvoor is in 2019 de 2e fase van de Demonstratieregeling klimaat technologieën en -innovaties in transport (DKTI) geopend. Doel daarbij is om in de periode van 2017 tot en met 2021 die productontwikkeling in de transportsector te ondersteunen en te versnellen. Deze innovatieregeling zal in 2020 worden geëvalueerd.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en Verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

Met de hoofdwegennet indicator worden de economische verlieskosten van (toekomstige) knelpunten in beeld gebracht, met als doel om die nieuwe projecten te prioriteren, die de meeste economische verlieskosten oplossen. Rijkswaterstaat zal in haar Publieksrapportage (T3 aan het eind van elk jaar) een file top 50 kaart en tabel opnemen met de hoogste economische verlieskosten. Deze tabel zal overgenomen worden in de verantwoordingsrapportage. In het MIRT projectenboek zal dezelfde kaart opgenomen worden, en per MIRT-project de bijdrage aan het oplossen van de file top 50 worden weergegeven.

Beheer en onderhoud

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (verkeerssignalering op banen en verkeerscentrales) en 12.02 (km rijbaanlengte, km2 asfalt, km2 groen areaal).

Verkeersmanagement

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (indicator van op alle bemeten wegvlakken ingewonnen betrouwbare reis en routeinformatie en tijdige levering aan de serviceproviders).

Geluid en luchtkwaliteit

Indicator: Lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld.
 

2014

2015

2016

2017

2018

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

         

0 knelpunten langs rijkswegen

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld

8.600

8.300

8.300

5.550

5.500

0 knelpunten in 2022

Bron: RWS/WVL, 2018

Toelichting

Luchtkwaliteit

Langs het hoofdwegennet was de afgelopen jaren geen sprake van overschrijding van de normen voor luchtkwaliteit. De inzet is gericht op het voorkomen dat nieuwe knelpunten ontstaan. Hierover zal in de jaarverslagen worden gerapporteerd op basis van de jaarlijkse monitoring over het gepasseerde jaar.

Geluid

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2022 betreft de datum voor het opstellen van een saneringsplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden ten opzichte van totale verstoringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

Verkeersveiligheid

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

Basiswaarde

         

Realisatie

 

2002

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Aantal verkeersdoden

1.066

570

570

621

629

613

678

Ernstig verkeersgewonden

16.100

18.800

20.700

21.300

21.400

20.800

n.n.b.

Bron: Aantal verkeersdoden: CBS (https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2019/16/verkeersdoden-in-nederland--aangepast--) Ernstig verkeersgewonden: SWOV, wetenschappelijk onderzoek verkeersveiligheid – Monitor Verkeersveiligheid 2018 doorpakken om de verkeersveiligheid te verbeteren (https://www.swov.nl/publicatie/monitor-verkeersveiligheid-2018).

Het streven van de Minister is nul verkeersslachtoffers. De ambitie wordt daarom niet meer uitgedrukt in streefcijfers van aantal ernstig verkeersgewonden en aantal verkeersdoden. Uiteraard zijn de jaarrapportages van het aantal verkeersdoden en ernstig gewonden wel de belangrijkste indicatoren die aangeven of het gevoerde beleid effectief is. Deze aantallen zullen dus net als voorheen met de gebruikelijke analyse van SWOV jaarlijks aan De Kamer worden toegestuurd (Kamerstukken II, 2018–2019, 29 398, nr. 638)

Hernieuwbare energie in het vervoer

Kengetal: Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer, limiet conventionele biobrandstoffen en subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen (in %)

Verplichtingen

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Jaarverplichting Hernieuwbare energie vervoer

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

12,5

16,4

Realisatie

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

5,05

5,54

6,25

7

7,75

n.t.b.

   

Limiet conventionele biobrandstoffen

                   

3

4

5

Realisatie

                         

Subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen

                   

0,6

0,8

1

Realisatie

                         

Bron: realisatie 2017: Rapportage hernieuwbare energie 2017 van de Nederlandse Emissieautoriteit: (Kamerstukken II 2017–2018 30 196, nr. 605)

Toelichting

In artikel 3 van het Besluit Energie Vervoer die met terugwerkende kracht op 1 januari 2018 in werking is getreden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie, limiet conventionele biobrandstoffen en subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen in het vervoer van 2018 tot en met 2020 vastgelegd.

Kengetal: Ontwikkeling CO2 -emissie nieuwe personenauto’s in gram CO2 per kilometer
 

2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2021

EU

162,6

140,3

135,7

132,2

127,0

123,4

119,6

(130,0)1

118,1

118,5

n.t.b.

(95,0)

Nederland

169,9

135,8

126,1

118,6

109,1

107,3

101,2

105,9

108,3

106,8

 
X Noot
1

Norm

Toelichting

De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

De gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland is in de periode tussen 2010 en 2016 sterk gedaald, veel sterker dan in de rest van Europa. In 2016 en 2017 nam de uitstoot van nieuw verkochte personenauto’s in Nederland als enige lidstaat in de EU licht toe. Volgens de cijfers die het Europese milieuagentschap9 in april 2018 heeft gepubliceerd, komt in 2017 de gemiddelde CO2-uitstoot uit op 108,39 g/km in Nederland en op 118,5 g/km in Europa. In 2018 is de uitstoot weer gedaald en komt uit op 106,8. Nederland blijft daarmee ruim onder het Europese gemiddelde en kan nog steeds tot de kopgroep worden gerekend. Ook blijft het aantal elektrische voertuigen groeien. De lichte stijging in de voorbije jaren van de gemiddelde uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland heeft meerdere oorzaken. Ten eerste worden er na jaren van recessie weer grotere, zwaardere en minder zuinige voertuigen aangeschaft. Ten tweede zijn alle fiscale stimuleringsmaatregelen van plug-ins afgeschaft waardoor de verkoop van deze zeer zuinige voertuigen is gedaald.

Op Europees niveau is aan fabrikanten opgelegd om in 2021 een gemiddeld CO2-uitstoot te realiseren van 95g/km. In 2025 moet de uitstoot met 15% zijn afgenomen, in 2030 met 37,5%.

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer. Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart. in kton/jr.
 

1990

2000

2005

2010

2014

2015

2016

2020

2030

 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Raming

Raming

NOx

371

315

277

238

195

148

139

92,7

55,9

SO2

25

25

15

9

3

1

0

0,5

0,6

PM2,5

25

20

15

11

8

4

4

3,1

2,1

NH3

1

2

4

5

5

4

4

3,8

4,1

NMVOS1

200

132

78

49

39

29

29

28,2

25,2

Bronnen:

De realisaties tot en met 2016 komen uit het RIVM rapport: « Informative Inventory Report 2018 Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2016» (https://www.rivm.nl/publicaties/informative-inventory-report-2018-emissions-of-transboundary-air-pollutants-in).

De ramingen voor 2020 en 2030 met uitzondering van NMVOS uit het RIVM rapport: «Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland Rapportage 2018» (https://www.rivm.nl/publicaties/grootschalige-concentratie-en-depositiekaarten-nederland-rapportage-2018).

De ramingen voor NMVOS uit de PBL notitie: «EMISSIERAMINGEN LUCHTVERONTREINIGENDE STOFFEN NEDERLAND- RAPPORTAGE 2017» (https://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/pbl-2017-emissieramingen-luchtverontreinigende-stoffen-nederland-rapportage-2017–2946.pdf).

X Noot
1

NMVOS: Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan.

Toelichting

In december 2016 zijn de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld voor de periodes 2020–2029 en de periode 2030 en verder. Het betreft aanpassing van de oude Europese richtlijn voor National Emission Ceilings (NEC) voor 2010–2019, in een nieuwe NEC-richtlijn (EU2016/2284). In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages uit de richtlijn omgerekend naar vrachten. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast doordat deze nieuwe inzichten met terugwerkende kracht ook worden meegenomen in de emissiecijfers van voorgaande jaren.

Beleidswijzigingen

In verband met een herindeling van de beleidskern van het IenW-departement maakt het beleidsdeel «voertuigen en brandstoffen» met ingang van 2019 onderdeel uit van artikel 14.

Klimaatakkoord

De kern van de werkzaamheden richt zich op het realiseren van de afspraken uit het klimaatakkoord (CO2-reductie in de vervoersmodaliteiten). Dit vindt plaats langs vier lijnen: hernieuwbare energiedragers, elektrisch rijden, verduurzaming van de logistiek en verduurzaming van personenmobiliteit. De belangrijkste werkzaamheden voor 2020 zijn:

  • 1. Afgesproken is dat in de wettelijke vertaling van de Richtlijn Hernieuwbare Energie II (RED II) wordt vastgelegd dat in 2030 maximaal 27 PJ aan hernieuwbare brandstoffen extra wordt bijgemengd.

  • 2. In 2020 is de verwachting dat er in Nederland ongeveer 15 waterstoftankstations zullen zijn.

  • 3. Vanaf 2025 zijn alle nieuwe instromende bussen zero emissie en vanaf 2030 zijn alle ca. 5.100 bussen zero emissie.

  • 4. Doelstelling is volledig zero emissie (uitstootvrij) doelgroepenvervoer vanaf 1 januari 2025. Onderdeel hiervan is dat 50% van de taxi’s in 2025 zero emissie zullen zijn.

  • 5. Er zijn afspraken gemaakt om de elektrificatie van voertuigen (batterij- en brandstofcel) voor alle modaliteiten te versnellen. Het kabinet richt zich op overschakeling naar elektrische aandrijflijnen (inclusief waterstof), waarbij auto’s vrij zijn van schadelijke uitlaatgassen. Daarbij streeft het kabinet naar 100% nul-emissie nieuwverkopen personenauto’s vanaf 2030. In 2020 wordt gewerkt aan de wettelijke verankering van de stimuleringsregelingen voor elektrische personen-, bestel- en vrachtauto’s. Dat is nodig met het oog op het streven dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe personenauto’s emissieloos zijn en dat in 2025 in ongeveer 30 tot 40 grotere steden middelgrote zero-emissie zones zullen zijn ingesteld voor goederenvervoer.

  • 6. Afspraken om tot 30% efficiëntie in de logistiek te komen, worden met de sector uitgewerkt en in 2030 zijn in 30 tot 40 grotere gemeenten middelgrote nul-emissiezones ingevoerd

  • 7. Voor de verduurzaming van personenmobiliteit spelen werkgevers een grote rol. Het streven is 50% CO2-reductie door zakelijke vervoer in 2030.

  • 8. Er wordt uitvoering gegeven aan de afspraak om de knelpunten rond fietsparkeren bij stations aan te pakken, hiervoor heeft het kabinet € 75 mln. extra vrijgemaakt tot en met 2023.

  • 9. Het doel van dit kabinet is om deze kabinetsperiode de fiets extra te stimuleren, wat kan resulteren in 200.000 extra fietsers.

Programma Aanpak Stikstof (PAS)

Het is altijd de bedoeling geweest om met de uitvoering van de projecten uit het MIRT recht te doen aan de bescherming van Natura 2000-gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van De Raad van State van 29 mei 2019 volgt dat het PAS niet langer als onderbouwing kan worden gebruikt bij tracébesluiten en natuurvergunningen. Deze uitspraak heeft gevolgen voor zowel de planning als uitgaven voor specifieke projecten ten aanzien van wegen, vaarwegen, spoor, luchtvaart en het hoofdwatersysteem. De gevolgen van de PAS-uitspraak voor lopende planuitwerkingen worden geïnventariseerd. De acties die de interbestuurlijke partners op de korte, middellange en lange termijn zullen uitvoeren om tot een oplossing te komen die recht doet aan de bescherming van Natura 2000-gebieden en tegelijkertijd ruimte biedt voor ruimtelijke ontwikkelingen is door de Minister van LNV naar de Kamer gestuurd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen van beleid art. 14 Wegen en Verkeersveiligheid (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

40.211

116.264

82.142

75.777

74.482

72.473

72.822

Uitgaven

46.558

101.767

85.836

82.958

75.937

82.455

85.004

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

76%

       

14.01 Netwerk

30.370

85.272

69.767

66.073

59.055

65.341

67.891

14.01.01 Opdrachten

18.271

36.903

42.474

48.115

49.261

55.550

58.100

– Beter Benutten

12.731

12.065

8.144

2.376

653

153

152

– Overige Opdrachten

5.540

24.838

13.530

9.739

7.608

5.897

5.248

– Klimaatakkoord

   

20.800

36.000

41.000

49.500

52.700

14.01.02 Subsidies

1.328

14.694

15.905

8.600

600

600

600

Subsidie Duurzame Mobiliteit

0

13.944

15.305

8.000

     

– Overige Subsidies

1.328

750

600

600

600

600

600

14.01.03 Bijdragen aan agentschappen

7.217

18.273

11.188

9.158

9.194

9.191

9.191

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

7.217

11.025

6.641

6.411

6.417

6.413

6.413

– Bijdrage aan agentschap NEa

0

3.403

3.411

2.411

2.411

2.412

2.412

– Bijdrage aan agentschap RVO

0

3.845

1.136

336

366

366

366

14.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

3.554

15.202

0

0

0

0

0

– Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

3.554

15.202

0

0

0

0

0

14.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

0

200

200

200

0

0

0

14.02 Veiligheid

16.188

16.495

16.069

16.885

16.882

17.114

17.113

14.02.01 Opdrachten

4.686

6.509

6.105

7.002

6.997

7.229

7.228

14.02.02 Subsidies

8.663

8.370

8.370

8.369

8.369

8.369

8.369

– VVN

3.936

3.736

3.736

3.736

3.736

3.736

3.736

– SWOV

3.952

3.869

3.869

3.869

3.869

3.869

3.869

– Overige subsidies

775

765

765

764

764

764

764

14.02.03 Bijdragen aan agentschappen

595

669

597

597

599

599

599

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

595

669

597

597

599

599

599

14.02.05 Bijdragen aan internationale organisaties

30

30

30

0

0

0

0

14.02.06 Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

2.214

917

967

917

917

917

917

Ontvangsten

3.658

7.531

6.782

6.782

6.782

5.782

5.782

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet

2.646.522

2.995.956

2.774.378

3.439.964

3.352.127

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet

116.173

115.998

52.714

66.451

123.081

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet

2.762.695

3.111.954

2.827.092

3.506.415

3.475.208

waarvan

         

12.01

Verkeersmanagement

3.811

3.808

3.805

3.804

3.803

12.02

Beheer onderhoud en vervanging

692.080

820.509

710.491

702.519

600.800

12.03

Aanleg

905.318

1.226.155

1.054.121

1.464.864

1.672.794

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

538.082

434.962

471.795

758.774

647.553

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

623.404

626.520

586.880

576.454

550.258

12.07

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikelonderdeel 17.08 ZuidasDok

85.990

107.194

169.760

222.572

171.349

Andere ontvangsten van artikelonderdeel 17.08 ZuidasDok

         

Totale uitgaven op artikelonderdeel 17.08 ZuidasDok

85.990

107.194

169.760

222.572

171.349

waarvan

         

17.08.01

ZuidasDok

85.990

107.194

169.760

222.572

171.349

Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikelonderdeel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

0

0

0

40.000

68.000

Andere ontvangsten van artikelonderdeel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

         

Totale uitgaven op artikelonderdeel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

0

0

0

40.000

68.000

waarvan

         

20.05.1

Investeringsruimte Hoofdwegennet

0

0

0

0

0

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2018–2020, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2018

2019

2020

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen2

10

13

20

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen3

19

39

65

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's4

149

236

319

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

374

88

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

38

35

34

X Noot
1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

BPM = Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

X Noot
3

MRB = Motorrijtuigenbelasting

X Noot
4

IB = Inkomstenbelasting; LB = Loonbelasting

14.01 Netwerk

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor de incidentele subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdragen aan RWS, NEa en RVO zijn volledig juridisch verplicht. Het uitgavenbudget voor de DKTI-regeling is eveneens volledig juridisch verplicht op grond van toegekende subsidies. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

14.02 Veiligheid

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De overige verplichtingen betreffen subsidies aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV), CROW en Team Alert. Voor de subsidies aan VVN, SWOV, CROW en Team Alert zijn de maximaal beschikbare subsidiebudgetten vermeld in de gepubliceerde meerjarensubsidieregelingen c.q. jaarlijks gepubliceerde subsidieplafonds.

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van lopende opdrachten. Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor met name opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en het uitvoeren van verkeersveiligheidscampagnes.

14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten

Het Ministerie van IenW geeft onderzoeksopdrachten in het kader van de beleidsterreinen op het gebied van verkeer, wegmaatregelen en het verduurzamen van mobiliteit. Op het gebied van verkeersemissies worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van steekproefcontroleprogramma's door de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) inzake voertuigemissies. Daarbij gaat het in hoofdzaak om metingen in het laboratorium als op de weg van schadelijke stoffen in uitlaatgassen van personen-, bestel- en vrachtauto’s en bussen. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15, Smart Mobility (zoals de zelfrijdende auto) en Wegverkeersbeleid (zoals het kennisplatform tunnelveiligheid, het Programma Aanpak Stikstof en taken in het kader van de wet SWUNG: Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid). De uitgaven voor de overige opdrachten bestaan o.a. uit onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, meerjarenprogramma MIRT en Intelligente Transportsystemen (ITS). Verder worden in het kader van Urgenda, middelen ingezet, voor o.a. (intensivering) van campagnes gericht om gedragsmaatregelen naar duurzame mobiliteit versneld in gang te zetten.

Enveloppe klimaatakkoord (€ 40 miljoen).

In het Regeerakkoord is een CO2-reductieopgave in 2030 afgesproken ter hoogte van 49% waarbij een envelop van structureel € 300 miljoen op de Aanvullende Post is gereserveerd. Het aandeel van de Mobiliteitssector bedraagt jaarlijks € 40. Deze middelen worden nu technisch aan de begroting 2020 toegevoegd ten behoeve van de reductieopgave van de mobiliteitssector van 7,3 Mton en aangewend voor duurzame energiedragers, duurzame logistiek en verduurzaming personenmobiliteit.

14.01.02 Subsidies

DKTI-regeling

De Demonstratieregeling Klimaat Technologieën en Innovaties in Transport (DKTI-Transport) geeft invulling aan de doelstellingen van het Energieakkoord en het klimaatakkoord. De regeling ondersteunt projecten voor duurzaam vervoer, met als doel het verminderen van de CO2-uitstoot. De projecten zijn vanwege het innovatieve karakter veelal meerjarige projecten en vanuit doelmatigheidsoverwegingen vinden de uitkeringen op basis van de verwachte kasbehoefte en gerealiseerde voortgang over een aantal jaren plaats.

Overige subsidies

De uitgaven hebben betrekking op subsidies voor het fiets- en wandelbeleid.

14.01.03 Bijdrage aan agentschappen

RWS

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering die RWS uitvoert. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Nederlandse Emissie Autoriteit (NEa)

Jaarlijks verstrekt het Ministerie van IenW voor het uitvoeren van o.a. wettelijke taken op het gebied van Energie Vervoer (hernieuwbare energie vervoer en brandstoffen luchtverontreiniging) een opdracht aan de NEa.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

Tenslotte wordt aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een deel van de beleidsuitvoering aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (uitvoering van de DKTI-regeling en ander beleidsondersteunende werkzaamheden) uitbesteed.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Onder opdrachten vallen de onderzoeken en activiteiten die gerelateerd zijn aan de uitvoering van het Landelijk Actieprogramma, dat een onderdeel vormt van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid zoals beleidsontwikkeling voor beginnende bestuurders, maatregelen fietsveiligheid, het verbeteren van de verkeersveiligheid voor specifieke doelgroepen zoals ouderen. Onder dit artikel vallen ook opdrachten in verband met vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek rijden onder invloed. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s meest verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt onder meer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd (BOB en MONO).

14.02.02 Subsidies

Er worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Fietsersbond, Team Alert, CROW en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV).

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02.06 Bijdrage aan ZBO en RWT’s

Ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) een gedeeltelijke vergoeding van het Ministerie van IenW voor de onderzoeken medisch en rijvaardigheid in de vorderingenprocedure. Het resterende bedrag wordt doorberekend aan de burger. Incidentele werkzaamheden voor ZBO en RWT’s komen eveneens ten laste van deze post. Hiervoor vinden incidentele overboekingen vanuit de opdrachtenbudgetten plaats.

Beleidsartikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Algemene Doelstelling

Om ervoor te zorgen dat reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar kunnen reizen van A naar B ontwikkelt, beheert en stuurt IenW de benutting van de hoofdspoorweginfrastructuur aan en stelt zij decentrale overheden in staat het Openbaar Vervoer buiten de hoofdspoorweginfrastructuur hiertoe te ontwikkelen, te beheren en te benutten. Daarbij zorgt IenW tegelijkertijd dat verladers van goederen over het spoor de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

IenW zet in op een hoofdspoorweginfrastructuur en Openbaar Vervoer dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, aan het behalen van de milieunormen en de sociale functie van het Openbaar Vervoer. Om deze doelen, die ook beschreven staan in de Lange Termijn Spooragenda deel 2 (Kamerstukken II 2013–2014, 29 984, nr. 474), te behalen werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid). Voor het Openbaar Vervoer en Spoor betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Een concessie voor het vervoer over het hoofdrailnet (NS) waarin het aanbod van het reizigersvervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud en vervanging van railinfrastructuur, verkeersleiding, capaciteitsmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door ProRail onder aansturing van IenW (via de beheerconcessie). Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 13).

  • De besluitvorming over en uitvoering van investeringen in de hoofdspoorweginfrastructuur (incl. stations) in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De middelen worden beschikbaar gesteld via het Infrastructuurfonds.

  • Een bijdrage aan de financiering (via het Provinciefonds of de BDU) van het gedecentraliseerde Openbaar Vervoer.

  • Een concessie voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten Decentraal Spoor.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidsbelastingen langs het hoofdrailnet door middel van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG).

  • Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het beleid inzake openbaar vervoer (per trein, bus, tram, metro, taxi en waddenveren), waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. IenW zorgt voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan via wet- en regelgeving, aansturing van ProRail en NS in het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en stations en afspraken met decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Uitvoering vindt plaats door middel van samenwerking in de gehele ov-keten en de gehele goederenketen. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Deze regierol wordt ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, doorstroming en duurzaamheid.

  • Regelgeving en afspraken over concessie overstijgende onderwerpen waar het voor de reiziger van belang is dat zaken uniform geregeld worden, ongeacht de vervoerder of concessie (zoals sociale veiligheid, toegankelijkheid, ov-chipkaart, taxivervoer en ov-data).

  • Regelgeving en afspraken over de benutting van de ov-infrastructuur en de ordening van de ov-markt. Hierbij worden de aanbevelingen van de parlementaire enquête Fyra betrokken.

  • Het stimuleren van de samenwerking in de gehele ov-keten en de spoorgoederenvervoerketen, door het organiseren van platforms en tafels.

  • De inzet van de Beleidsimpuls railveiligheid (Kamerstukken II 2015–2016, 29 893, nr. 204), waarin de prioriteiten in de veiligheidsaanpak voor de komende jaren zijn benoemd, zoals het Landelijke Verbeterprogramma Overwegen, het programma niet-actief beveiligde overwegen (nabo), het STS-verbeterprogramma (reductie stop tonend sein passages), suïcidepreventie en externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Hieronder staan de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Openbaar Vervoer en Spoor.

In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Kengetal: Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2015

2016

2017

Algemeen oordeel

7,5

7,6

7,6

Informatie en veiligheid

7,7

7,7

7,9

Rijcomfort

7,6

7,6

7,6

Tijd en doorstroming

7,0

7,0

7,2

Prijs

6,6

6,7

6,7

 

2018

 

Regionaal OV

Hoofdrailnet

Nederland

Totaaloordeel

7,7

7,6

7,7

Cluster 1 Veiligheid

8,1

8,1

8,1

Cluster 2 Snelheid

7,4

7,4

7,4

Cluster 3 Gemak

7,3

7,5

7,4

Cluster 4 Comfort

7,9

7,8

7,9

Cluster 5 Beleving

7,2

7,1

7,2

Toelichting

De OV-Klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het openbaar vervoer. De OV-Klantenbarometer 2018 is geheel vernieuwd ten opzichte van de vorige edities. De onderwerpen zijn opnieuw geclusterd en de hoofrailnetconcessie is aan het onderzoek toegevoegd, conform Motie Dik-Faber. Bovendien hebben in 2018 vier metingen plaatsgevonden. In de vorige edities was dit één meting in het najaar. In 2018 wordt daarom een nieuwe reeks gestart, waarbij ook de sociale veiligheid van reizigers wordt meegenomen. Door deze nieuwe meetmethode is het niet mogelijk de cijfers over 2018 te vergelijken met de cijfers over de jaren daarvoor. Volledigheidshalve zijn bij deze begroting zowel de reeks 2015–2017 volgens de oude meetmethode als de gegevens 2018 volgens de nieuwe methode gepresenteerd.

De clusters bestaan uit de volgende onderwerpen:

Cluster 1 Veiligheid: veiligheid rit, algemeen, halte/station.

Cluster 2 Snelheid: frequentie, overstaptijd, reissnelheid, punctualiteit.

Cluster 3 Gemak: gebruiksgemak ov-kaart, vervoersbewijs kopen, info halte, informatie rit, info vertragingen.

Cluster 4 Comfort: klimaat, instappen, zitplaats, overlast, rijstijl.

Cluster 5 Beleving: inrichting, netheid, klantvriendelijkheid, geluid.

Kengetal: Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2015

2016

2017

2018

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

       

– Reizigers (1)

8

8

8,1

Zie ad 5

– Personeel (2)

n.b.

6,8

n.b.

7

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

       

– Reizigers(3)

14

14

16

Zie ad 5

– Personeel(4)

n.b.

62

n.b.

49

Bron: CROW-KpVV Personeelsmonitor stads- en streekvervoer 2018 en CROW-KpVV OV-Klantenbarometer 2018

Toelichting

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers tijdens de rit.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het openbaar vervoer. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Ad 3) Dit betreft het percentage reizigers dat slachtoffer is geworden van een incident.

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Ad 5) Deze cijfers worden vanaf heden meegenomen in de nieuwe klantenbarometer.

Kengetal: Sociale veiligheid NS
 

2015

2016

2017

2018

Klantoordeel sociale veiligheid

80,1%

87,1%

88,0%

90%

Indicator: Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Bodem

waarde

Progressie

waarde

Streef

waarde

 

2015

2016

2017

2018

2015–2019 (1)

2016 (1)

2019 (1)

Reizigerspunctualiteit (2)

91,0%

90,6%

91,6%

92,6%

88,9%

90,5%

91,1%

Algemeen klantoordeel (3)

74%

77%

80%

86%

74%

76%

80%

Toelichting

Ad 1) Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie is de systematiek van jaarlijks veranderende grenswaarden gewijzigd in een systematiek van bodem- en streefwaarden. De bodemwaarde is de waarde waaronder NS niet mag presteren op straffe van een boete. De streefwaarde voor 2019 werkt met een bonus/malus-regime, waardoor er zowel een positieve als een negatieve prikkel is om de gewenste verbetering van de prestaties te realiseren. Voor elke prestatie-indicator geeft NS in het vervoerplan een zogeheten progressiewaarde voor het betreffende jaar waar de ambitie in zit. Progressiewaarden en realisaties moeten tezamen over het geheel gezien progressie tonen richting de streefwaarden voor 2019. In de midterm review die gedurende het jaar 2020 loopt, wordt gekeken naar een nieuwe bodem-, progressie en streefwaarde.

Ad 2) De indicator Reizigerspunctualiteit laat het percentage reizigers zien voor wie de treinreis qua reistijd is geslaagd. Dat wil zeggen dat de trein daadwerkelijk gereden heeft, bij aankomst minder dan 5 minuten vertraging had en de voor de overstappers geplande aansluiting is gehaald.

Ad 3) Het Algemeen klantoordeel geeft het percentage reizigers dat het reizen per trein op het hoofdrailnet met een zeven of hoger waardeert.

Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)

Nr.

Risico-drager1

Omschrijving indicator

2015

2016

2017

NRV2

1

Veiligheidsrisico treinreizigers

SGEL3 onder reizigers/jaar/mld. reizigerskm’s

0,011

0,00

0,00

0,089

2

(Mogelijke) ongevallen met treinen

         

2.1

 

Aantal significante ongevallen/mln. treinkm’s

0,20

0,18

0,16

 

2.2

 

Aantal significante treinbotsingen/mln. treinkm’s

0,01

0,01

0,00

 

2.3

 

Aantal significante ontsporingen/mln. treinkm’s

0,01

0,00

0,01

 

2.4

 

Aantal STS4 passages

100

100

105

 

3

Veiligheidsrisico spoorpersoneel

SGEL onder spoorpersoneel/jaar/mld. treinkm’s

1,28

13,96

1,26

5,97

4

Veiligheidsrisico overweggebruikers

SGEL onder overweggebruikers/jaar/mld. treinkm’s

84,70

19,68

38,38

127,0

5

Suïcides

Aantal spoorsuïcides

223

221

215

 

Bron: ILT Jaarverslag Spoorveiligheid 2017, Kamerstukken II, 2018/2019 29 893 nr. 224

Hierboven staan de indicatoren voor spoorveiligheid zoals worden gehanteerd op basis van de Beleidsimpuls Railveiligheid. Over de indicatoren wordt jaarlijks gerapporteerd op basis van het Jaarverslag Spoorveiligheid, opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in functie als National Railway Safety Authority. Hierin worden de indicatoren in samenhang met de achterliggende veiligheidsrisico’s nader toegelicht.

In bovenstaande tabel is voor de belangrijkste acht spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2017 was op basis van de indicatoren. De stand van zaken 2018 komt in oktober 2019 beschikbaar.

Ad 1) Risicodrager = actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen.

Ad 2) NRV = National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator.

Ad 3) SGEL = Slachtoffers en Gewogen Ernstige Letsels.

Dit is een kwantificering van de gevolgen van ernstige ongevallen met doden en ernstige letsels, waarbij 1 ernstig letsel statistisch gelijk is aan 0,1 overledene.

Ad 4) = Stop tonend sein.

Kengetal: Aantal treinbewegingen goederentreinen per week
 

2015

2016

2017

2018

Betuweroute (Meteren-Valburg)

440

390

470

400

Zevenaar grens

470

400

470

400

waarvan Betuweroute

440

380

460

390

Oldenzaal grens

100

130

110

120

Venlo grens

270

310

240

320

Maastricht grens

30

40

50

50

Roosendaal grens

130

140

150

160

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling PV/POV

Toelichting

De treinbewegingen van goederentreinen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen.

Beleidswijzigingen

In het voorjaar van 2020 neemt de Staatssecretaris een integraal besluit over de ordening en sturing op het spoor na 2024. Dan loopt de vervoerconcessie op het hoofdrailnet af. Om in 2020 een gedegen besluit te kunnen nemen heeft de Staatssecretaris de Kamer per brief van 28 november 2017 (Kamerstukken II, 29 984, nr 733), 30 mei 2018 (Kamerstukken II, 29 984, nr. 768) en 15 mei 2019 (Kamerstukken II, 29 984 nr. 849) geïnformeerd over de onderzoeken die worden uitgevoerd («bouwstenen») t.b.v. de besluitvorming. Het belangrijkste element van het besluit is de keuze of de nieuwe vervoerconcessie na 2024 voor het hoofdrailnet onderhands aan NS wordt gegund of wordt aanbesteed. Daarbij is ook van belang welke omvang het hoofdrailnet dan heeft. Daarnaast wordt bezien, conform afspraken in het regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34), wat de verschillende opties voor het eigendom en de exploitatie van de stations zijn. En de Staatssecretaris beziet in hoeverre randvoorwaardelijke maatregelen nodig zijn om het gelijke speelveld op de spoormarkt te blijven borgen en de gevolgen van de Europese introductie van open toegang tot het binnenlandse netwerk in goede banen te leiden. De resultaten van het onderzoek naar de effecten van openbaar aanbesteden van het openbaar vervoer worden betrokken bij het integrale besluit.

In de eerste helft van 2020 zijn ook de resultaten van de midterm review (MTR) van de NS-vervoerconcessie op het hoofdrailnet bekend. Hierover zijn afspraken gemaakt in de vervoerconcessie. De MTR-resultaten worden vervolgens ook betrokken bij de integrale besluitvorming over de ordening en sturing op het spoor na 2024.

In 2020 wordt de behandeling van de Instellingswet van het ZBO ProRail in de Tweede Kamer afgerond en wordt dit voorstel ingediend bij de Eerste Kamer. Ook zal de lagere regelgeving voor advies worden aangeboden aan de Raad van State.

Door ProRail wordt in samenwerking met andere partijen in opdracht van het Ministerie van IenW gewerkt aan de verbetering van het spoor, toegankelijke stations en nieuwe fietsparkeervoorzieningen. Daarnaast zal het station Driebergen-Zeist opgeleverd worden. Ook op het gebied van spoorveiligheid worden de overwegenaanpak en het programma ERTMS doorgezet. Nadat in 2019 de programmabeslissing ERTMS is genomen zal 2020 het jaar worden dat volledig staat in het teken van de start van de aanbesteding en realisatie. De aanbestedingsprocedures voor de infrastructuur en het materieel worden in volle gang gezet en zullen deels worden voltooid.

In juni 2018 heeft de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer een maatregelenpakket voorgelegd om de ambitie voor het spoorgoederenvervoer in het regeerakkoord invulling te geven (Kamerstukken II 2017–2018, 29 984, nr. 782). De implementatie van dit pakket maatregelen zal ook in 2020 verder worden opgepakt, o.a. door het stimuleren van 740 meter treinen, verlagen van de kosten door middel van een subsidieregeling en verbetering van de samenwerking in de havenlogistiek. Tegelijkertijd streeft het maatregelenpakket naar een vermindering van de omgevingseffecten zoals trillingen, geluid en externe veiligheid. Onderdeel van het maatregelenpakket is om het transport van goederen over het spoor goedkoper te maken, door spoorgoederenvervoerders een gedeeltelijke compensatie van de gebruiksvergoeding te verlenen. Voor de gedeeltelijke compensatie is een bedrag van maximaal € 70 miljoen beschikbaar voor een periode van vijf jaar.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen van beleid art. 16 Openbaar Vervoer en Spoor (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

4.801

32.221

23.353

29.853

22.456

21.299

9.643

Uitgaven

15.728

33.375

28.508

28.006

26.814

23.524

10.123

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

93%

       

16.01 OV en Spoor

15.728

33.375

28.508

28.006

26.814

23.524

10.123

16.01.01 Opdrachten

4.397

6.641

6.399

5.758

5.702

5.748

5.747

16.01.02 Subsidies

7.975

23.014

18.719

18.957

17.819

14.479

1.079

– Maatregelenpakket Spoorgoederenvervoer

0

14.400

14.600

14.900

13.700

12.400

0

– 3e spoor Duitsland

1.071

2.900

3.000

2.938

3.000

1.000

0

– NS Samenloop Twente

0

2.000

0

0

0

0

0

– Sociale veiligheid Spoor

3.600

1.750

0

0

0

0

0

– Overige Subsidies

3.304

1.964

1.119

1.119

1.119

1.079

1.079

16.01.03 Bijdragen aan agentschappen

936

964

940

841

843

847

847

– Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

45

45

45

45

45

45

45

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

891

919

895

796

798

802

802

16.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

2.349

2.656

2.350

2.350

2.350

2.350

2.350

– CLU Betuweroute en HSL

2.349

2.656

2.350

2.350

2.350

2.350

2.350

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

71

100

100

100

100

100

100

Ontvangsten

375

750

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen

1.897.050

1.838.192

1.793.601

1.634.041

1.528.661

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen

181.758

195.878

208.458

213.339

217.430

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen

2.078.808

2.034.070

2.002.059

1.847.380

1.746.091

waarvan

         

13.02

Beheer onderhoud en vervanging

1.472.225

1.405.086

1.311.026

1.267.232

1.263.417

13.03

Aanleg

431.554

451.417

511.367

398.896

299.208

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

165.039

167.577

169.676

171.262

173.476

13.07

Rente en aflossing

9.990

9.990

9.990

9.990

9.990

13.08

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

181.250

7.979

90.406

32.606

33.126

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

         

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

181.250

7.979

90.406

32.606

33.126

waarvan

         

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

150.935

7.095

43.705

32.606

33.126

14.02

Regionale Mobiliteitsfondsen

0

0

0

0

0

14.03

RSP-ZZL: Pakket Bereikbaarheid

30.315

884

46.701

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.10 PHS van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer

405.752

415.559

618.637

766.876

853.658

Andere ontvangsten van artikel 17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer

46.141

75.445

43.616

57.494

44.358

Totale uitgaven op artikel 17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer

451.893

491.004

662.253

824.370

898.016

waarvan

0

0

0

0

0

17.02

Betuweroute

0

0

0

0

0

17.03

Hogesnelheidstrein-Zuid

4.420

1.711

0

0

0

17.07

ERMTS

155.813

133.793

158.581

223.051

318.753

17.10

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

198.811

247.160

333.652

378.487

407.654

Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikelonderdeel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

0

0

0

40.000

68.000

Andere ontvangsten van artikelonderdeel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

         

Totale uitgaven op artikelonderdeel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

0

0

0

40.000

68.000

waarvan

           

20.05.2

Investeringsruimte Spoorwegen

0

0

0

40.000

68.000

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2018–2020, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2018

2019

2020

BPM Teruggaaf taxi’s en openbaar vervoer2

74

80

MRB Vrijstelling taxi’s en openbaar vervoer3

50

46

45

Reisaftrek OV

9

9

9

X Noot
1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

BPM = Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

X Noot
3

MRB = Motorrijtuigenbelasting

16.01 OV en Spoor

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies, de agentschapsbijdrage aan RWS, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan (inter)nationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. De agentschapsbijdrage, de bijdrage aan medeoverheden en de bijdragen aan (inter)nationale organisaties hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM), uitgaven voor de OV-begeleiderskaart, de continue screening van de taxibranche, de uitbesteding van SWUNG1-taken en het onderzoek voor het rekenmodel trillingen spoorwegen. Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor uitvoering van taken die voortvloeien uit de werkagenda van het NOVB inzake de OV-chipkaart, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer en het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

16.01 OV en Spoor

Toelichting op de financiële instrumenten

16.01.01 Opdrachten

Dit betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-chipkaart, monitoring sociale veiligheid, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), de beheer- en vervoerconcessie, de uitbesteding van SCHWUNG1-taken, het onderzoek naar verbetermogelijkheden voor het rekenmodel trillingen spoorwegen, het onderzoek naar verplaatsingen in Nederland (OVIN) en aanpassingen in de spoorwegwetgeving. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, wat een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

16.01.02 Subsidies

Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten: deze regeling heeft tot doel de marktpositie van het spoorgoederenvervoer ten opzichte van het meer vervuilende goederenvervoer over de weg te behouden gedurende de periode dat de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen verminderd beschikbaar is en spoorwegondernemingen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten door omleiding. Voor de jaren 2016 tot en met 2020 bedraagt het subsidieplafond € 13 miljoen inclusief de uitvoeringskosten.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 14,6 miljoen aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2020 opgenomen. Dit bedrag is onderdeel van het maatregelenpakket spoorgoederenvervoer om het transport van goederen over het spoor goedkoper te maken, door spoorgoederenvervoerders een gedeeltelijke compensatie van de gebruiksvergoeding te verlenen. Doel van deze subsidies is het verbeteren van de positie van goederenvervoerders. Deze subsidies worden verstrekt aan de goederenvervoerders. Voor de gedeeltelijke compensatie heeft de Staatssecretaris een bedrag van maximaal € 70 miljoen gereserveerd voor een periode van 5 jaar (2019 tot en met 2023). Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverleningen als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 0,3 miljoen aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2020 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie om belemmeringen voor grensoverschrijdend treinverkeer waar mogelijk weg te nemen door maatregelen en bijdragen ter stimulering van internationaal personenvervoer. Door deze bijdrage kunnen reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar reizen van Nederland naar Duitsland en vice versa. Deze subsidie wordt verstrekt aan Verkeersverbund Rhein-Ruhr. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 0,6 miljoen aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2020 en 2021 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor de beleidsondersteuning voor de vereniging ROVER en voor het in stand houden van het ov-loket. Doel van deze subsidies is het ondersteunen van reizigers en een loket te organiseren waar zij terecht kunnen. Deze subsidies worden verstrekt aan de Vereniging Reizigers Openbaar Vervoer. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverleningen als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

16.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Met Rijkswaterstaat zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering. Dit zijn taken die Rijkswaterstaat uitvoert in opdracht van de beleidsdepartementen. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Met het KNMI zijn afspraken gemaakt over informatievoorziening, bijvoorbeeld rondom winterse omstandigheden, die van belang is voor de veiligheid van het vervoer over het spoor.

16.01.04 Bijdrage medeoverheden

Dit betreft een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningstester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

Beleidsartikel 17 Luchtvaart

Algemene doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen en handhaaft deze. Daarbij valt te denken aan de wetgeving voor het Nieuw Normen- en Handhavingstelsel Schiphol om geluidshinder te beperken. Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister internationaal naar een gelijk speelveld. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA).

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek gezien belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd.

  • IenW zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en verbeteren van de inrichting, het beheer en het gebruik van het luchtruim en op de verbetering van de prestaties van Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, een intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en een betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement en toezicht gebaseerd op risico’s en veiligheidsprestatie.

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)beleid, zoals in de Europese Raad van Transportministers.

  • Het behalen van de doelstelling hangt af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven. Daarnaast spelen het innovatieve vermogen van en technologische ontwikkelingen in de luchtvaartsector, de internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO, e.a.) een rol alsmede economische ontwikkelingen in Nederland.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen t.o.v. plafond 500.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

438.300

450.679

479.000

497.000

499.446.

500.000

 

78%

77%

84%

84%

85%

88%

90%

96%

99%

99%

100%

Bron realisatie: https://www.schiphol.nl/nl/schiphol-group/pagina/verkeer-en-vervoer-cijfers/

Bron streefwaarde: (Kamerstukken II 2014–2015, 34 098, nrs. 1–3 ).

Toelichting

Voor de luchthaven Schiphol is in 2008 voor de periode tot en met 2020 een plafond voor het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken van 510.000. In 2015 is dat plafond verlaagd naar 500.000 per jaar. Het Rijk heeft daarnaast de verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad.

Er is gewerkt aan het wettelijk verankeren van het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol (NNHS). Dit is van belang voor de indicator over luchthavencapaciteit, omdat de toegestane aantal vliegbewegingen een afgeleide zijn van deze regelgeving. De wet waarin dit stelsel is opgenomen, is op 30 maart 2016 gepubliceerd in het Staatsblad, maar nog niet formeel in werking getreden. Het bij de nieuwe wet behorende Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) is nog in voorbereiding. Totdat het in voorbereiding zijnde LVB in werking is getreden, is het nieuwe stelsel formeel nog niet van kracht. Deze wijziging van het LVB voor de verankering van het NNHS wordt in de tweede helft van 2019 in procedure gebracht.

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2016

Gerealiseerd t/m 2017

Gerealiseerd

t/m 2018

Streefwaarde 2020

Luchthaven capaciteit Eindhoven

0

25.000

25.000

25.000

25.000

Luchthaven capaciteit Lelystad

0

45.000

45.000

45.000

45.000

Bron Eindhoven: Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II 2013–2014, 31 936, nr. 187), Vergunning burgermedegebruik exploitant militaire luchthaven Eindhoven ten behoeve van Eindhoven Airport N.V. (gebruiksjaren 2016 tot en met 2019) (Stcrt., 47829, nr. 28).

Bron Lelystad: Luchthavenbesluit Lelystad (Staatsblad 2015 nr. 130).

Toelichting

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) moet ervoor zorgen dat Schiphol meer ruimte overhoudt voor mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol».

Op 17 december 2015 is aan Eindhoven Airport NV voor de jaren 2016 tot en met 2019 een vergunning verleend voor burgermedegebruik van de militaire luchthaven Eindhoven voor de volledige ruimte van 25.000 extra vliegtuigbewegingen (Stcrt. 2015, 47829).

Ten behoeve van de uitbreiding van Lelystad Airport heeft het kabinet een Luchthavenbesluit vastgesteld dat op 1 april 2015 in werking is getreden met een voorziene uitbreiding van de luchthaven voor groot commercieel verkeer: gefaseerd naar maximaal 45.000 vliegtuigbewegingen. Tot de herziening van het luchtruim is dit aantal maximaal 10.000 vliegtuigbewegingen. Alle betrokken overheden en marktpartijen werken met volle inzet aan ingebruikname van de luchthaven. Op 21 februari 2018 is de Tweede Kamer bij brief geïnformeerd dat de openingsdatum van Lelystad Airport voor groot commercieel verkeer is uitgesteld. In dezelfde brief is de Tweede Kamer geïnformeerd over de actualisatie van de MER voor Lelystad Airport en de geoptimaliseerde aansluitroutes voor de luchthaven. (Kamerstukken II 2017–2018, 31 639, nr. 462).

Indicator: Positie in de ranglijst o.b.v. aeronautical kosten (luchthavengelden, ATC-heffingen, overheidsheffingen) van hoog (positie 1) tot laag (positie 10)

Luchthaven

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Streefwaarde 2016 e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

1

1

1

 

Parijs (CDG)

3

3

4

4

4

 

Frankfurt (FRA)

2

2

2

2

2

 

Gatwick

4

4

3

3

5

 

Schiphol

8

9

9

10

10

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

6

5

5

6

 

München

6

5

6

6

3

 

Brussel

9

8

8

8

7

 

Madrid

7

7

7

7

8

 

Bron: SEO Benchmark Luchthavengelen en Overheidsheffingen van verschillende jaren (2014 t/m 2018).

Toelichting

Onder andere in de Actieagenda Schiphol (Kamerstukken II 2015–2016 29 665, nr. 224) staat dat het belangrijk is dat Schiphol een concurrerend kostenniveau behoudt. Om dit te kunnen vaststellen, vindt jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de Air Traffic Control (ATC)-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens. In deze benchmark wordt berekend wat op de verschillende luchthavens voor een identiek pakket vluchten, dat representatief is voor Schiphol, aan deze kosten betaald zou moeten worden. De resultaten van de laatste benchmark laten zien dat Schiphol medio 2018 op dit vlak de goedkoopste is van de negen onderzochte West-Europese luchthavens in de benchmark. In de benchmark wordt Schiphol ook met de luchthavens Dubai en Istanbul Atatürk vergeleken. Dubai is marginaal duurder dan Schiphol. Istanbul Atatürk is als enige luchthaven goedkoper.

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

62,67

62,79

62,81

62,57

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

52,53

52,46

52,25

51,68

54.44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol (ILT, 2018) Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (2004).

Toelichting

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol zijn voor de luchthaven Schiphol de grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingspunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom).

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar overdag (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden. De Handhavingsrapportage Schiphol 2017 van de ILT is aan de Tweede Kamer aangeboden op 22 mei 2019 (Kamerstukken II 2018–2019, 29 665, nr. 370).

Voor de jaarlijkse totale risicogewicht score (TRG-score) voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit wordt verwezen naar de handhavingsrapportage Schiphol, ILT, 2018.

Kengetal: Aantal passagiersbestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

261

264

263

262

266

272

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

286

286

287

290

309

322

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

176

179

180

186

203

210

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

258

278

274

290

294

316

Brussel

158

190

183

188

200

190

181

192

190

193

200

204

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat

Toelichting

In deze tabel is het aantal passagiersbestemmingen per luchthaven opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen. Het aantal bestemmingen is in 2018 op alle luchthavens gestegen. De stijging is het grootst op Parijs Charles de Gaulle (7%) en het laagst op Schiphol en Brussel (beide 2%).

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Vliegbewegingen (x 1.000)

                       

Amsterdam

436

428

391

386

420

423

426

438

451

479

497

499

Frankfurt

485

480

458

458

481

476

466

463

457

453

465

501

London Heathrow

476

473

460

449

476

471

470

471

472

473

474

476

Parijs Charles de Gaulle

544

551

518

492

507

491

472

465

469

473

476

481

Brussel

241

236

212

205

214

206

199

214

221

207

221

218

Passagiers (in miljoenen)

                       

Amsterdam

48

47

44

45

50

51

53

55

58

64

68

71

Frankfurt

54

53

51

53

56

57

58

59

61

61

64

69

London Heathrow

68

67

66

66

69

70

72

73

75

76

78

80

Parijs Charles de Gaulle

60

61

58

58

61

61

62

64

66

66

69

72

Brussel

18

19

17

17

19

19

19

22

23

22

25

26

Vracht (x 1.000 ton)

                       

Amsterdam

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

1.621

1.662

1.761

1.716

Frankfurt

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

1.993

2.029

2.109

2.087

London Heathrow

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

1.497

1.541

1.698

1.685

Parijs Charles de Gaulle

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

1.861

1.953

2.011

1.987

Brussel

762

659

449

476

475

459

430

454

463

464

513

532

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS / ACI)

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven het verkeer (vliegtuigbewegingen) en vervoer (passagiers en vracht) op Schiphol weer in vergelijking met andere grote Noordwest-Europese luchthavens. Op alle luchthavens zijn de aantallen vliegtuigbewegingen en passagiers in 2018 gestegen. De stijging is het grootst op Frankfurt (8%). Hierdoor levert Schiphol de koppositie in 2016 en 2017 voor wat betreft het aantal vliegtuigbewegingen in en staat in 2018 op de tweede plaats. Qua passagiers handhaaft Schiphol zijn derde positie. Met uitzondering van Brussel daalt het aantal tonnen vervoerde vracht in 2018 op alle luchthavens. Ook hier blijft Schiphol op de derde plaats staan.

Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties

De jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties van SEO Economisch Onderzoek geeft een beeld van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit op Schiphol ten opzichte van enkele concurrerende luchthavens. Daarnaast wordt in de monitor het netwerk van Air France KLM vanaf Schiphol vergeleken met dat vanaf Parijs Charles de Gaulle. Zo wordt de naleving van de staatsgaranties gevolgd die in het kader van de fusie van KLM met Air France zijn afgesproken. De monitor richt zich op de kwaliteit van de directe verbindingen vanaf luchthavens («directe connectiviteit»), de verbindingen vanaf luchthavens met een overstap onderweg («indirecte connectiviteit») en de huboperatie op luchthavens («hubconnectiviteit»).

Uit de monitor 2018 blijkt dat de groei van de directe en indirecte connectiviteit en ook de hubconnectiviteit op Schiphol in vergelijking met voorgaande jaren bescheiden is. Volgens SEO is dit vermoedelijk een gevolg van de capaciteitschaarste waar Schiphol sinds dit jaar mee kampt. Van de zeven onderzochte luchthavens biedt Schiphol het minste aantal nieuwe bestemmingen aan ten opzichte van 2017. De directe connectiviteit en de hubconnectiviteit op Schiphol is in 2018 lager dan op Frankfurt, maar hoger dan op de andere luchthavens. Hiermee heeft Schiphol nog steeds een omvangrijk netwerk en blijft Schiphol een belangrijke overstapluchthaven. Frankfurt blijft de grootste concurrent van Schiphol in termen van netwerkoverlap.

Het directe netwerk van Air France op Parijs Charles de Gaulle is in 2018 voor het eerst sinds 2010 sterker gegroeid dan het netwerk van KLM op Schiphol. De hubconnectiviteit van KLM groeide in 2018 op Schiphol nog wel sterker dan van Air France op Parijs Charles de Gaulle. De vrachtcapaciteit van KLM op Schiphol is in 2018 verder afgenomen. Op Parijs Charles de Gaulle is deze van Air France toegenomen.

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

0,7

0,6

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

Gerealiseerd

0,63

0,54

0,61

0,76

0,91

0,94

1,83

Bron: Performance Review Body, Performance Monitoring Dashboard 2018.

Toelichting

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning, human resource management, weersomstandigheden en stakingen. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

Kengetal: Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Grenswaarde

               

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

1

1

1

1

2

2

2

2

Gerealiseerd

               

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

0,9

0,78

0,68

0,94

       

Gerealiseerd

               

Gemiddelde ATFM-vertraging (airport) per vlucht in minuten per aankomende vlucht volgens PRB methode

1,81

1,41

1,34

1,89

2,91

2,00

3,22

2,19

Bron: Performance Review Body, Performance Monitoring Dashboard 2018.

Toelichting

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde vertraging op Nederlandse luchthavens. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de terminalfase van een vlucht en wordt veroorzaakt door weersomstandigheden (storm, mist, sneeuw) die een direct negatief effect hebben op de afhandeling van de starts en landingen in de vluchtfase beneden een hoogte van een kilometer.

LVNL hanteert met ingang van 2015 dezelfde systematiek als de Performance Review Body om vertragingen te meten. Verder heeft LVNL in 2015 de vertragingswaarden vanaf 2010 herberekend volgens de PRB-systematiek om de effecten van de wijziging van de meetsystematiek transparant weer te geven. Er is uitsluitend sprake van een technische wijziging in de meetsystematiek zonder een beleidsmatige impact.

Beleidswijzigingen

Zoals afgesproken in het Regeerakkoord wordt gewerkt aan een Luchtvaartnota 2020–2050. De ontwerp-Luchtvaartnota wordt naar verwachting eind 2019 opgeleverd. De nota wordt een richtinggevende en integrale beleidsvisie van dit kabinet en moet leiden tot een goed afgewogen visie voor een duurzaam luchtvaartbeleid met daarbij de contouren van de benodigde overheidsinzet. Veiligheid, omgeving, milieu, economie en infrastructuur zijn daarin bepalende factoren. Dit vraagt ook een intensief traject met belanghebbenden en omgeving om een breed gedragen visie te kunnen ontwikkelen. In 2020 zal gestart worden met de uitvoering van de luchtvaartnota.

Mede doordat de maximaal toegestane 500.000 vliegtuigbewegingen tot en met 2020 in zicht komen wordt de komende tijd onderzoek gedaan naar veiligheid, hinder voor de omgeving, de grensbewaking en de infrastructuur van de luchthaven. Dit ten behoeve van de discussie over de toekomst van Schiphol na 2020. Daarnaast wordt bijvoorbeeld hard gewerkt aan de realisatie van Lelystad Airport om zo snel als mogelijk is, deze te openen om Schiphol te ontlasten. Op 25 maart 2019 is hiervoor de Verkeersverdelingsregel (VVR) voor Schiphol en Lelystad Airport genotificeerd bij de Europese Commissie. Voor Eindhoven Airport is in 2019 advies door de heer Van Geel uitgebracht over de toekomst van de luchthaven (Proefcasus Eindhoven). In 2019 zal het kabinet op het advies reageren en het toekomstperspectief op Eindhoven Airport opnemen in de Luchtvaartnota.

Het Nederlandse luchtruim en het luchtverkeersleidingsconcept is sinds tientallen jaren stapsgewijs doorontwikkeld. Het doel van de luchtruimherziening is dan ook te komen tot een integrale, toekomstbestendige inrichting en beheer van het luchtruim, gebaseerd op een gewogen belangenafweging, in samenwerking met internationale partners en in voortdurende dialoog met belanghebbenden. In april 2019 hebben de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Staatssecretaris van Defensie de Startbeslissing Luchtruimherziening genomen. Daarmee is de onderzoeksfase afgerond en start de verkenningsfase. In 2020 zal het kabinet een Voorkeursbeslissing nemen over toekomstige inrichting en beheer van het luchtruim, in afstemming met de buurlanden en met Eurocontrol.

Op het gebied van duurzame luchtvaart krijgt mondiaal de implementatie van CORSIA (Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation) onverminderd de aandacht.

Op Europees niveau presenteert de Europese Commissie naar verwachting een beoordeling van de werking van CORSIA als start van de onderhandelingen over luchtvaart onder het EU ETS (The European Emissions Trading System) na 2024. Nationaal wordt de inzet voortgezet op de ontwikkeling van duurzame alternatieve brandstoffen zoals biokerosine en synthetische kerosine en op het stimuleren van innovatieve technologie, zoals elektrisch of hybride vliegen en het efficiënt gebruik van het luchtruim. Het Ministerie van Financiën werkt samen met IenW en EZK aan het invoeren van fiscale maatregelen, zoals deze in het regeerakkoord zijn opgenomen.

Het ministerie werkt in 2019 en 2020 aan de implementatie en de evaluatie van de aanbevelingen in het rapport Veiligheid vliegverkeer Schiphol van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) conform de aanpak zoals beschreven in de brief aan de OVV van 11 oktober 2017 (Bijlage bij Kamerstukken II 2017–2018, 29 665, nr. 242).

Op 22 december 2017 is de rapportage van de beleidsdoorlichting artikel 17 Luchtvaart aan de Tweede Kamer gestuurd. In de begeleidende Kamerbrief (Kamerstukken II 2017–2018, 32 861, nr.28) waren twee vervolgstappen aangekondigd: ten eerste aanscherping/aanpassing van de in artikel 17 Luchtvaart opgenomen doelen, kengetallen en indicatoren en ten tweede een daaruit voortvloeiende evaluatieagenda met een planning voor beleidsmonitors en -evaluaties voor de komende doorlichtingsperiode die loopt tot 2022. Omdat het wenselijk is dat deze vervolgstappen in overeenstemming zijn met het beleid van de nieuwe luchtvaartnota, is in een verzamelbrief van 28 november aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 31 936, nr.526) uitgelegd dat de invulling van deze vervolgstappen parallel zal lopen met het traject van de nieuwe Luchtvaartnota. De Luchtvaartnota wordt naar verwachting eind 2019 opgeleverd. Dit betekent dat een jaar later dan in december 2017 aangekondigd, invulling wordt gegeven aan een deel van de vervolgstappen op de beleidsdoorlichting.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen van beleid art. 17 Luchtvaart (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

20.877

27.100

44.713

10.562

12.127

7.561

6.698

Waarvan garantieverplichtingen

   

23.000

       

Uitgaven

21.913

30.286

24.443

11.898

9.504

8.872

8.009

Waarvan juridisch verplicht

   

86%

       

17.01 Luchtvaart

21.913

30.286

24.443

11.898

9.504

8.872

8.009

17.01.01 Opdrachten

12.458

16.666

14.641

7.098

5.503

6.724

5.861

– Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol

2.436

1.615

2.050

1.039

903

903

903

– Opdrachten Caribisch Nederland

1.377

5.078

6.265

417

418

424

424

– Overige Opdrachten

8.645

9.973

6.326

5.642

4.182

5.397

4.534

17.01.02 Subsidies

3.214

4.052

3.177

2.875

2.475

622

622

– Leefbaarheidsfonds

0

1.000

400

400

0

0

0

– Subsidie tarieven Bonaire

805

650

319

0

0

0

0

– Overige Subsidies

2.409

2.402

2.458

2.475

2.475

622

622

17.01.03 Bijdragen aan agentschappen

4.244

3.937

1.449

449

50

50

50

– Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

14

14

14

14

0

0

0

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

148

213

435

435

50

50

50

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS tbv Caribisch Nederland

4.082

3.710

1.000

0

0

0

0

17.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

779

3.955

3.500

0

0

0

0

– Bijdrage Caribisch Nederland

779

3.955

3.500

0

0

0

0

17.01.05 Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.141

1.476

1.476

1.476

1.476

1.476

1.476

17.01.06 Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

77

200

200

0

0

0

0

Ontvangsten

1.611

1.525

1.174

1.065

1.275

1.415

1.555

Extracomptabele fiscale regelingen

Extracomptabele verwijzingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. Het betreft de Accijnsvrijstelling luchtvaartuigen. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de Fiscale regelingen».

17.01 Luchtvaart

Budgetflexibiliteit

Het grootste deel van de uitgaven is juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor opdrachten en subsidies voor onder meer het project geluidsisolatie Schiphol (GIS), de uitgaven voor het Schadeschap Schiphol en voor de uitvoering van toezichtstaken door de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Voor een overzicht van de subsidies wordt verwezen naar de bijlage Subsidies. De subsidies hebben een tijdshorizon. Op basis van de opdrachtbrief aan RWS voor Beleidsondersteuning en advies (BOA) is het budget voor 2020, ultimo 2019 juridisch verplicht.

De bijdrage aan internationale organisaties betreft de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization (ICAO), aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC). Dit bedrag is daarmee geheel juridisch verplicht.

De resterende niet-juridisch verplichte ruimte is belegd met de activiteiten uit de uitvoeringsagenda bij de Luchtvaartnota (Kamerstukken II 2010–2011, 31 936, nr. 47) en het State Safety Programme Actieplan 2015.

17.01 Luchtvaart

Toelichting op de financiële instrumenten

17.01.01 Opdrachten

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS)

Doel van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3) is het verminderen van geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie. De geplande uitgaven voor 2020 en verder hebben betrekking op aankopen in de geluidssloopzones, klachtenafhandeling en de behandeling en uitbetaling van schadeclaims.

Overige opdrachten

1. Programma Schiphol

De ontwikkelingen op het luchtvaartdossier vragen om een integrale benadering voor de beleidsvorming over Schiphol. Omdat hiervoor een stevige extra inzet nodig is, is besloten een project Schiphol in te richten waarin een integrale aanpak wordt ontwikkeld voor de luchthaven. In de Kamerbrief van 21 december (Kamerstukken II 2017–2018, 29 665, nr. 250) wordt ingegaan welke concrete stappen er voor de korte en middellange termijn moeten worden gezet. Een belangrijk aspect hiervan is het verankeren van politiek-bestuurlijke en juridische afspraken in regelgeving, hierbij gaat het om het vaststellen van een LVB en LIB. In wetgeving en politiek bestuurlijke afspraken is opgenomen dat de ontwikkeling van Schiphol en de regionale luchthavens via juridische besluiten vastgelegd moet worden.

2. Normen en handhavingsstelsel

De ontwikkeling van Schiphol tot en met 2020 vindt plaats binnen de aan de Alderstafel/Omgevingsraad Schiphol afgesproken kaders. Het budget is bestemd voor opdrachten ten behoeve van de implementatie van het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol en aanpassing van de wet- en regelgeving, zijnde de Wet luchtvaart, het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB).

3. OVV-follow-up

In april 2017 heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) het rapport Veiligheid vliegverkeer Schiphol gepubliceerd. Het ministerie werkt aan de implementatie van de aanbevelingen van de OVV conform de aanpak zoals beschreven in de brief van het ministerie aan de OVV van 11 oktober 2017 (Bijlage bij Kamerstukken II 2017–2018, 29 665, nr. 242). Met deze aanpak versterkt het ministerie de rol als eindverantwoordelijke voor de veiligheid.

4. Lelystad

Lelystad Airport moet fungeren als overloopluchthaven voor Schiphol, zodat op Schiphol meer ruimte vrijkomt voor mainportgebonden verkeer. Omdat voor de openstelling van Lelystad Airport voor groot commercieel handelsverkeer een stevige extra inzet nodig is, is besloten een project Lelystad Airport in te richten. In de Kamerbrief van 21 februari (Kamerstukken II 2017–2018, 31 936, nr. 462) wordt ingegaan welke concrete stappen er moeten worden gezet in de richting van de opening van de luchthaven. Belangrijke stappen waarvoor extra inzet nodig is zijn bijvoorbeeld het wijzigen van het Luchthavenbesluit, het organiseren van een monitoringsprogramma en het notificeren van de Verkeersverdelingsregel (VVR) bij de Europese Commissie.

5. Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking

Begin 2018 is het programma Luchtruimherziening van start gegaan met als doel de realisatie van een integrale, toekomstbestendige inrichting en beheer van het luchtruim, gebaseerd op een zorgvuldige afweging van publieke belangen, in samenwerking met (internationale) partners en in gerichte dialoog met de omgeving (stakeholders). Het programma wordt gezamenlijk uitgevoerd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Defensie, het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK), Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC). Het programma volgt een op Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) geïnspireerde aanpak, waarin participatie en internationale samenwerking centraal staan. Op dit moment is de Onderzoeksfase afgerond met de Startbeslissing en eind april 2019 is gestartmet de Verkenningsfase waarin de uitwerking van verschillende varianten centraal staat. Het doel is om uiterlijk 2023 enkele verbeteringen te realiseren en een roadmap te ontwikkelen voor de periode tot 2035.

Door middel van jaarlijkse voortgangsbrieven wordt de voortgang gemeld van hoe en wanneer de luchtverkeersleidingsorganisaties uitvoering geven aan de beoogde luchtruimwijzigingen en aan de aanpassingen aan het luchtverkeersleidingsysteem. Daarnaast is de uitwerking van de verdergaande civiel-militaire samenwerking op het gebied van luchtverkeersdienstverlening een belangrijk aspect.

6. Omgevingsmanagement

Vanuit het ministerie staat een transparante en zorgvuldige besluitvorming voor luchtvaart voorop. Met ruime betrokkenheid voor de omgeving en belanghebbenden. De Luchtvaartnota en de opgaven voor de herziening van het luchtruim, Schiphol na 2020 en Lelystad zijn projectmatig opgezet. Dat maakt het mogelijk om te sturen op het gebied van de projectbeheersing, het risicomanagement en de planning en op het gebied van het omgevings- en besluitvormingsmanagement. Daartoe worden voorzieningen getroffen om genoemde functies op professionele wijze uit te voeren. Bijzondere aandacht daarin heeft het omgevingsmanagement en de bijbehorende vormen van participatie, communicatie en het borgen van expertise en inzichten vanuit diverse invalshoeken, ten einde een open en zorgvuldige besluitvorming te faciliteren. De hiervoor gereserveerde middelen worden ingezet om op professionele wijze de benodigde expertise aan te trekken en voor het organiseren van de betrokkenheid van de omgeving.

7. State Safety Programme (SSP)

Op basis van de door het ministerie en de luchtvaartsector uitgevoerde risicoanalyse zijn het State Safety Programme 2015–2019 en het SSP Actieplan 2015 opgesteld. Vanaf 2016 wordt uitvoering gegeven aan het Actieplan. Het plan betreft onder andere maatregelen om de wetgeving op orde te brengen, de veiligheid met prestatie-indicatoren meetbaar te maken en de introductie van veiligheidsmanagement door de gehele luchtvaartsector. In 2018 is het SSP Actieplan geactualiseerd, resulterend in het SSP Actieplan 2019–2020. Dit actieplan is gepubliceerd op Rijksoverheid.nl. In 2019 wordt het State Safety Programme 2020–2024 opgesteld en aan de Kamer aangeboden.

8. Verminderen risico op vogelaanvaringen

Het Convenant reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol dat op 31 december 2018 afliep is door de Nederlandse Regiegroep Vogelaanvaringen met een jaar verlengd. In 2019 zullen de maatregelen uit het convenant worden geëvalueerd en zal op basis van deze evaluatie een nieuw convenant worden opgesteld. Dit nieuwe convenant zal op 1 januari 2020 van kracht worden. Met als doel het aantal ganzenbewegingen binnen de 10 km zone rond Schiphol te verminderen en daarmee het risico van vogelaanvaringen te beperken, zullen in 2020, naar verwachting, binnen de volgende vier sporen maatregelen worden genomen:

  • het ruimtelijk spoor; het voorkomen van nieuwe vogelaantrekkende ruimtelijke bestemmingen in het beperkingengebied voor het aantrekken van vogels;

  • het foerageerspoor; maatregelen gericht op het beperken van het voedselaanbod voor vogels;