Kamerstuk 32372-70

Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 7 september 2011, inzake Gewasbeschermingsmiddelen en bijensterfte

Dossier: Wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Gepubliceerd: 3 oktober 2011
Indiener(s): Boris van der Ham (D66)
Onderwerpen: landbouw organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32372-70.html
ID: 32372-70

Nr. 70 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 3 oktober 2011

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft op 7 september 2011 overleg gevoerd met staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en staatssecretaris Atsma van Infrastructuur en Milieu over gewasbeschermingsmiddelen en bijensterfte.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Van der Ham

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Franke

Voorzitter: Van der Ham

Griffier: Schüssel

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van der Ham, Van Gerven, Grashoff, Jacobi, Koopmans, Ouwehand en Snijder-Hazelhoff,

en staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en staatssecretaris Atsma van Infrastructuur en Milieu, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministeries.

De voorzitter: Welkom. Ik open de vergadering. Wij hebben vanochtend een debat over gewasbeschermingsmiddelen en bijensterfte. De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu zijn in ons midden, met natuurlijk hun ambtenaren. Ik stel voor om maximaal vijf minuten per fractie te spreken. Daar komt u dan helemaal mee uit. Ik begin al heel vroeg te piepen of u wilt afronden. De heer Koopmans heeft gevraagd om als eerste het woord mogen voeren omdat hij elders een debat heeft. Ik zie daar geen protest tegen, ook niet van mevrouw Ouwehand, die zegt: vooruit maar, het is net na de vakantie, dus wij zijn allemaal mild gestemd en nog rozig van de zon. Welke zon?

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Dank aan de collega's om als eerste het woord mogen voeren. Ik heb maar een korte bijdrage van onze fractie omdat wij voor het reces al een debat hebben gevoerd over de wet zelf. Het was nodig dat het besluit van kracht zou worden. Dat hebben wij ook in de procedurevergadering gezegd. Jammer dat het later toch allemaal bleef hangen, terwijl er een Kamermeerderheid was die dat besluit wilde doorzetten.

Het zij zo. Wij gaan ervan uit dat diezelfde meerderheid na vandaag zal zeggen: vooruit met de geit, het is belangrijk, de wet moet gaan werken, zonale toelating is een goed instrument, dat levert betere middelen op die een goede manier kunnen worden ingezet.

We hebben nog drie punten. Met ingang van de verordening vindt de zonale beoordeling plaats. Het blijft zo dat toelatinghouders, dus de producenten van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland, toelating moeten aanvragen voor in andere lidstaten toegelaten middelen. Daarover hoeft geen toetsing meer plaats te vinden. Dat moet dus heel simpel zijn. Ik zou dus graag van de staatssecretarissen willen weten hoe zij ervoor kunnen zorgen dat dit zo simpel verloopt dat geen enkele producent van een middel vanwege de kosten gaat zeggen dat hij het niet doet.

Het is nog steeds een groot probleem in Nederland dat er kleine teelten zijn. Ik hoorde gisteren bijvoorbeeld over de teelt van sierkooltjes. Daar hebben wij geen 100 telers van; dat moet trouwens ook helemaal niet gaan gebeuren. Gewasbeschermingsmiddelen zijn wel toegestaan op bloemkolen die wij opeten maar niet op sierkolen. Dat begrijp ik niet en ik denk dat dit ook voor andere Nederlanders geldt.

Dit zijn voorbeelden waarvan je kunt zeggen dat wij heel snel dingen op elkaar moeten laten aansluiten. Ik zou dus graag van de beide staatssecretarissen willen horen hoe zij ervoor kunnen zorgen dat de toelating zo snel en goedkoop mogelijk zal verlopen.

Dan over de bijen. Wij hebben daar al een paar keer over gesproken. Het is goed dat daarover verschillende moties zijn aangenomen die worden uitgevoerd. Is de staatssecretaris bereid om, analoog aan de Belgische bijenfolder, een dergelijk initiatief voor Nederland te ondersteunen? Tegen de glastuinbouwsector zeg ik: zorg ervoor dat er zo snel mogelijk een goed plan ligt waarin u zelf aangeeft op welke wijze het gebruik van neonicotinoïden wordt verminderd.

Wanneer kunnen wij de wettelijke evaluatie van het Ctgb verwachten?

De voorzitter: Ik heb nog verzuimd te melden dat u in deze ronde maximaal twee interrupties hebt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik wens u en ons allemaal een goed politiek jaar toe. Hopelijk wordt het ook een heel goed jaar voor de bijen. Al sinds een jaar of vier zijn wij met het kabinet doende om te komen tot maatregelen waardoor de bijensterfte zal gaan afnemen. Daarin slagen wij nog maar zeer moeilijk.

Het is natuurlijk ook een complex probleem waarbij veel zaken met elkaar te maken hebben. Ik heb het CDA daarnet iets horen zeggen over de gezondheid. Naast de bijensterfte speelt natuurlijk ook de gezondheid van mensen en planten een heel belangrijke rol in deze kwestie.

Centraal staat toch wel het gebruik van neonicotinoïden en imidacloprid. De PvdA heeft deze stoffen in het eerste jaar, 2008 steeds het voordeel van de twijfel gegeven. Er waren correlaties waarnaar nader onderzoek moest worden gedaan, dat toen ook is gedaan. Hoe je het ook wendt of keert, je ziet dat het aanscherpen en het verbieden van het gebruik een positieve werking heeft op het versterken van onze bijenvolken. Daarom pleiten wij ervoor om hierin alle zorgvuldigheid betrachten en de correlatie voor mijn part de correlatie te laten zijn, maar ik vind dit zo belangrijk en er zijn nog zo veel onzekerheden. Een ding is duidelijk, namelijk dat dit heel schadelijke stoffen zijn, zowel voor bijen als voor mensen. Dus wij zijn tegen opheffing van de schorsing van de toelating als gewasbeschermingsmiddelen voor de neonicotoïdengroep.

Grote zorgen hebben wij ook over de effecten op mensen. Wij hebben daarover een motie ingediend die is aangenomen, waar ik zeer blij mee was. Het RIVM heeft hier onderzoek naar gedaan. Ik heb hierover gisteren ook nog contact gehad met GGD Nederland en anderen. Ik wil niet tot het ras behoren «nooit tevreden, altijd meer», maar het gaat hier wel om iets heel essentieels, namelijk de gezondheid van mensen en de effecten van neonicotinoïden op het zenuwstelsel. RIVM en GGD Nederland zeggen van het onderzoek dat nu is gedaan, op grond van exacte modellenintake, visconsumptie en oppervlaktewateranalyses, dat ook uit een recent Amerikaans onderzoek blijkt dat heel veel aspecten samenhangen met de intelligentie van kinderen. Ook de Vewin is dit van mening. In een Frans onderzoek werd de relatie gelegd tussen langdurige blootstelling en dementie. Ik pleit voor een verder blootstellingonderzoek waarbij wordt gekeken naar oppervlaktewater en consumptie, waarbij ook wordt bekeken of dit gevolgen moet hebben voor de informatie aan mensen.

Ik kom bij de import van Canadese bijenvolken. In het vorige overleg heeft de staatssecretaris toegezegd dat hij er alles aan zou doen om het verzoek van een vijftal imkers om sterke bijenkoninginnen uit Canada te halen in te willigen. Het wordt erkend dat sterke bijenkoninginnen uit Alberta komen. De inspanningen zouden ertoe moeten leiden dat die koninginnen hier naartoe kunnen komen om onze eigen volken te versterken.

Ik heb een heel pak aan informatie over en weer gekregen in het reces. In mijn beleving is er te weinig geïnvesteerd van Nederlandse zijde om dwars door de bureaucratische regels heen toch te proberen die bijenkoninginnen hier naartoe te krijgen. Nu heeft dat geen zin meer, want het seizoen is al voorbij, maar voor volgend jaar zou ik zeggen dat wij de certificaten zodanig moeten aanpassen dat bijen uit Alberta, Canada zodanig gecontroleerd zijn dat zij hier verder hun werk kunnen doen om onze bijenvolken te versterken. Staatssecretaris, kom op, toon uw lef. U zegt altijd dat er minder regels moeten komen, wij moeten echter niet alleen naar de regels kijken maar ook bekijken hoe wij de bijenvolken van dienst kunnen zijn. Ik verwacht echt maatregelen voor het komend jaar.

Er zijn toch nog heel veel maatregelen die wij als overheid kunnen stimuleren, zoals het stimuleren van volkstuinen. Onze eigen volkstuindersorganisatie is inmiddels voorzitter van de internationale koepel. Dat moet toch ook kunnen leiden tot leuke initiatieven in Nederland om onze bijenvolken te helpen, met een uitstraling naar particuliere tuinen, volkstuinen en bermen? Dat aspect zou ik hierbij wel steeds willen betrekken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Wij spreken hier over een heel klein diertje dat cruciaal is voor het voortbestaan van het leven op aarde. Dat weten de staatssecretarissen volgens mij als geen ander. De Partij voor de Dieren pleit er dan ook voor om een andere aanpak te kiezen dan tot nu toe is gevolgd. Een levend organisme waarvan wij het ons niet kunnen veroorloven dat wij het verliezen zou absolute prioriteit moeten krijgen.

De bewijslast, die tot nu toe aan de verkeerde kant ligt, zou dus moeten worden omgedraaid. Wij kiezen onomstotelijk voor de bescherming van de bij. Pas als wij kunnen aantonen dat middelen geen nadelige gevolgen hebben voor deze soort zouden wij kunnen overgaan tot toelating. Tot nu toe is dat steeds andersom geweest. Dat betreuren wij zeer.

Wij hebben de Kamer achter een motie van de Partij voor de Dieren gekregen voor een herbeoordeling van de gevaarlijkste neonicotinoïden op de effecten ervan voor bijen. Daar was ik toen blij mee, maar wij hebben een treurige academische exercitie van het Ctgb teruggekregen zonder echte gevolgen voor de toelating van het gif. Ik zeg het maar: ik vertrouw niet zomaar op de conclusies.

Ik vraag de staatssecretaris dan ook om dit werk van het Ctgb te laten toetsen door externe experts, bijvoorbeeld de Universiteit Utrecht, zodat wij niet in jarenlange discussies hoeven te verzanden of het Ctgb het nu wel of niet goed heeft gedaan, want zoals de staatssecretaris weet, kunnen wij dat als Kamer niet uitentreuren controleren omdat wij die stukken niet hebben. Bovendien wil ik graag leunen op wetenschappers die zich hebben gespecialiseerd in dit onderwerp. Dus graag krijg ik hierover een toezegging. Ik vind dit niet acceptabel. Je kunt cruciale organismen in ons ecosysteem niet zomaar blootstellen aan wat je semantisch een acceptabel risico noemt.

De staatssecretaris meldt ook dat er is gekeken naar de uitvoerbaarheid, de naleefbaarheid en de handhaafbaarheid van nieuwe gebruiksvoorschriften die voor de schorsing in de plaats komen. Volgens de nVWA zijn die goed handhaafbaar, maar hoe dan? Ik vraag het nog een keer. Graag een grondige uitleg, daar zit nu juist het probleem. Ik heb het hier al keer op keer genoemd. De waterschappen zeggen ook: als wij een normoverschrijding tegenkomen van duizenden malen de toegestane hoeveelheid is er geen manier om erachter te komen wie dat heeft gedaan. Dat weet de staatssecretaris, dus hoe kun je dan verwijzen naar de handhaving van de gebruiksvoorschriften, terwijl er geen enkel concreet bewijs is dat het in de praktijk ook werkt? Als het gaat om particulieren geeft de nVWA nota bene toe dat gebruiksvoorschriften niet handhaafbaar zijn en voegt daar dan aan toe dat het eigenlijk niet uitmaakt, kennelijk uitgaande van de enorme expertise van de nVWA op het gebied van bijensterfte. Dat lijkt mij toch niet juist. Graag krijg ik alsnog een sterkere reactie.

In dit licht vraag ik de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu ook hoe het staat met zijn toezegging om in overleg te treden met de VNG om te komen tot gifvrij onderhoud van de openbare ruimte. Ook op het gifgebruik door particulieren zou hij nog terugkomen. Hoe staat het daarmee?

Over de uitvoering van de motie-Jacobi heeft mevrouw Jacobi gelukkig al het een en ander gezegd; dat scheelt mij weer wat tijd. Ik sluit mij daar graag bij aan. Wij hebben in het Noordhollands Dagblad gezien dat belangrijke experts op dit gebied, Nederlandse wetenschappers, zich hebben aangesloten bij de oproep van de heer Tennekes om onderzoek te doen naar het effect van kleine doses landbouwgif en andere neonicotinoïden op de gezondheid van de mens. Ik zou graag zien dat wij dat onderzoek bevestigd krijgen.

Maandag jl. ben ik bij een debat over dierproeven geweest, over methoden om toxiciteit in dieren te testen. Daarop is inmiddels zo brede kritiek dat wij dat omwille van de kennis die daaruit komt niet zouden moeten willen doen, maar zeker niet omwille van de dieren die hiervoor worden opgeofferd. Dus graag proefdiervrij onderzoek naar de gevolgen van dit gif op de mens.

Dan het Besluit beheer en schadebestrijding om grootschalige vergassing van ganzen toe te staan. De biociden staan vandaag op de agenda. Ik wijs de staatssecretaris erop dat onderzoek heeft aangetoond dat het vergassen met koolzuur ervoor zorgt dat een gans pas na een minuut buiten bewustzijn is en dat pas na twee of drie minuten de hersenactiviteit is afgenomen. Intussen vertoont het dier stuiptrekkingen. Kortom, er is veel bewijs dat dit een gruwelijke dood is. Ik wijs de staatssecretaris erop dat zijn besluit in strijd is met de Flora- en faunawet en met de Vogelrichtlijn. Ik doe een dringend beroep op hem om het besluit in te trekken of te wijzigen. Hij kan een motie daarover tegemoetzien.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Gevaarlijke bestrijdingsmiddelen spelen een centrale rol bij de mysterieuze bijenziekte en steeds meer mensen vragen zich af waarom er bestrijdingsmiddelen zijn toegelaten die gevaarlijk zijn voor bijen en daarmee ook voor insectenetende vogels. Bij het vorige algemeen overleg bleek dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, het Ctgb, gezakt was voor zijn examen. Er wordt gewerkt volgens methoden, gebaseerd op wetenschappelijke inzichten van tien jaar terug en er wordt niet gekeken naar de gecombineerde werking van verschillende bestrijdingsmiddelen, terwijl effecten op omwonenden niet worden getest.

Maar het Ctgb mocht in de herkansing, met het verzoek van staatssecretaris Bleker om een verdachte groep bestrijdingsmiddelen, de neonicotinoïden, te herbeoordelen. Hij was daartoe onder druk van de Kamer geïnspireerd geraakt. Maar ook bij de herkansing maakte het Ctgb er weer een potje van, want de nieuwste wetenschappelijke inzichten worden weer niet meegenomen en men plakt hier en daar een etiket op en verandert wat woorden, maar daarmee komen wij er niet.

Bijen worden ernstig verzwakt door de neonicotinoïden. Het is net als met aids: je gaat niet dood aan het virus zelf maar aan een griepje of iets eenvoudigs anders, omdat het immuunsysteem niet meer werkt zoals het hoort. Zo gaat het ook met bijen. Zij kunnen doodgaan aan de varroamijt omdat hun immuunsysteem is aangetast door de neonicotinoïden, iets waar zij vroeger niet aan stierven. Zo blijkt de bijenziekte nozema ook dodelijk te zijn voor bijen die waren blootgesteld aan een lage dosis pesticiden, terwijl bijen die daaraan niet waren blootgesteld – zo blijkt uit het onderzoek van de Université Blaise Pascal – vrolijk verder vlogen.

Ook onderzoek van bijvoorbeeld onderzoeker Wu wordt door het Ctgb gewoon genegeerd op formalistische gronden. Hetzelfde geldt voor de bijdrage van de Nederlandse toxicoloog Tennekes, die wijst op overeenkomsten tussen neonicotinoïden en kankerverwekkende stoffen en afgenomen populaties insectenetende vogels. Het heeft er alle schijn van dat het Ctgb selectief winkelt. Onderzoeker Creswell – om nog maar een onderzoeker te noemen – laat zien dat bij 7 000 bijen en 36 kolonies de bijen 6% tot 20% minder presteren. Ook dat wordt genegeerd.

Ondertussen is er mogelijk sprake van effecten op de mens. Zo blijkt uit Canadees onderzoek dat een versterkend effect op alzheimer en parkinson wordt vermoed.

In het Ctgb zijn de belangen van economische partijen goed vertegenwoordigd, maar hoe zit het met de belangen van de volksgezondheid en het milieu? Daarom vraag ik de staatssecretarissen nogmaals om aan te dringen op een hervorming van het Ctgb, waarbij de volksgezondheids- en milieubelangen wel goed verankerd worden. Mijn vraag is concreet of de staatssecretarissen een onafhankelijke commissie van bijvoorbeeld ethici en wetenschapsfilosofen nog eens willen laten kijken naar de beoordelingssystematiek en de onafhankelijkheid van het Ctgb en naar de verwevenheid met het bedrijfsleven.

De gevaarlijke neonicotinoïden hadden nooit mogen worden toegelaten, want zij voldoen niet aan de drie milieucriteria van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen, te weten persistentie in de bodem, uitspoeling naar grondwater en risico's voor waterorganismen. Is de staatssecretaris het met de SP eens dat de toegelaten neonicotinoïden moeten voldoen aan het besluit en kan hij aantonen dat dit het geval is? Het lijkt mij van niet.

Hoopgevend is ook het standpunt van de milieucommissie van het Europees Parlement, die een verbod op neonicotinoïden aanbeveelt.

Tot slot de gevaren van het bestrijdingsmiddel glyfosaat, een van de meest problematische vervuilende stoffen in het water van de Rijn en de Maas. Er zijn vele wetenschappelijke studies die op risico´s voor de volksgezondheid wijzen, zoals geboorteafwijkingen en hormoonverstorende effecten voor de mens. Ook blijken kikkers en padden eraan dood gegaan te zijn. Daarom vraag ik de staatssecretarissen om deze stof te laten herbeoordelen in Nederland en aan te dringen op een spoedige herbeoordeling in Europa.

De heer Koopmans van het CDA is er niet meer, maar als zelfs hij verontrust is over de neonicotinoïden, dan zou het toch kunnen zijn dat er iets aan de hand is.

De voorzitter: «Hij is er niet meer» wil zeggen dat de heer Koopmans niet meer bij dit debat aanwezig is, zeg ik voordat er weer allerlei roddels ontstaan.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. Bijna een halfjaar geleden hadden we hier een uitvoerig debat over de situatie van de bijen en de relaties met gewasbeschermingsmiddelen, in ieder geval imidacloprid. Daarbij hadden wij volgens mij een zekere gemeenschappelijkheid over de urgentie om heel scherp te kijken naar de relatie daartussen en om zo nodig op een goede manier om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen of om zo nodig middelen geheel of gedeeltelijk te verbieden.

Bijna een halfjaar verder is het resultaat dat wij een 307 bladzijden tellend rapport hebben liggen van het Ctgb, en wat verandert er? Niets, helemaal niets. Voor een paar middelen worden de gebruiksvoorschriften aangescherpt. Dat staat in de brief van de staatssecretaris. Ik ben zo brutaal geweest om eens na te gaan in het Ctgb-rapport waarover wij het dan hebben. Ik noem een voorbeeld en ik wil er wel meer noemen als de staatssecretaris dat wil om beeldend te maken waar wij het over hebben.

Het gaat dan om aanvullingen zoals: «De toepasser dient de afnemer van zaden en/of planten er schriftelijk van op de hoogte te stellen dat bladluizen zodanig bestreden moeten worden dat er geen honingdauw wordt gevormd waar bijen op af kunnen komen». Geef mijn portie maar aan Fikkie, dit is een volstrekt vertheoretiseerde werkelijkheid die niets doet aan het feitelijk gebruik van deze stoffen. Ik maak mij daar boos over, want in goed vertrouwen hebben wij gezegd: laat het Ctgb die herbeoordeling maken en goed bekijken of wij op een verantwoorde manier met deze middelen omgaan. Dan komt het op dit soort zaken uit.

Ik noem er nog maar eens een: «Voorkom dat bijen en andere bestuivende insecten de kas binnenkomen door bijvoorbeeld alle openingen met insectengaas af te sluiten». Ziet u het voor zich, met 7,5 ha kas in de zomer bij 30 graden? Kom nu toch!

Dit kan echt zo niet. Ik maak mij er ook boos over dat het Ctgb zich opnieuw verschuilt achter het zogenaamde gebrek aan bewijslast voor het bestaan van een verband tussen deze gewasbeschermingsmiddelen en bijensterfte. Ik ben het zeer eens met de Partij voor de Dieren – het is ook onze opvatting – dat dat andersom zou moeten zijn. Dat is geen omgekeerde bewijslast, dat is echte bewijslast. Je toont aan dat het gif geen effect heeft op bijen en zolang dat niet is aangetoond, gebruik je het niet of alleen onder die condities die er per definitie voor zorgen dat het contact er niet kan zijn, naleefbaar en handhaafbaar. Deze gebruiksvoorschriften zijn niet naleefbaar en niet handhaafbaar. Zij zijn een theoretische werkelijkheid.

De klap op de vuurpijl zijn de middelen voor het niet-professioneel gebruik, waarover zelfs klip-en-klaar in een eufemistische zin door de nVWA wordt aangegeven dat dat volstrekt niet handhaafbaar is. Natuurlijk is het niet handhaafbaar. Hoe gaan wij in iemands achtertuin kijken hoe hij zijn fruitboom bespuit en of hij dat wel net voor de bloei doet, net erna of om de bloeiknoppen heen gaat? Wat is dan die bloei?

Dit is niet de manier om met deze serieuze problematiek om te gaan. Wat ons betreft gaan wij terug naar af, naar een echt serieuze analyse, die wat mij betreft eerst maar eens door een aantal goede, onafhankelijke wetenschappers en deskundigen moet worden gedaan. Dan gaan wij weer eens even naar het Ctgb kijken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben blij met de tot nu toe flinke steun voor de oproep aan de staatssecretaris om de bijenproblematiek echt serieus te nemen, maar een ander punt op de agenda is de wijziging van het biocidebesluit en de vergassing van ganzen die de staatssecretaris daarmee op het oog heeft. Ik heb het even kort genoemd, maar de gevolgen voor de ganzen zijn afschuwelijk. Ik zou graag van GroenLinks horen dat zij daarmee ook niet kan instemmen. De motie die ik eerder heb ingediend, en die het helaas niet heeft gehaald, onder andere omdat GroenLinks en D66 die niet wilden steunen, wil ik opnieuw indienen. Ik hoop dat GroenLinks inmiddels ook heeft gezien hoe afschuwelijk die doodsstrijd voor de dieren is en dat er sprake is van strijdigheid met de Flora- en faunawet en de Vogelrichtlijn. Ik hoop dus op steun voor zo'n nieuwe motie om niet over te gaan tot het vergassen van ganzen met CO2.

De heer Grashoff (GroenLinks): Om gewoon een heel eerlijk antwoord te geven: ik kan op dit moment geen inhoudelijk antwoord geven. Ik moet daarvoor eens heel goed in deze kwestie duiken en nieuwe informatie bekijken. Ik kan hierover dus nog geen oordeel van onze fractie geven.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Laat ik beginnen met het laatste puntje, dat nu bij interruptie op tafel komt. De VVD-fractie steunt de wijziging van het Besluit beheer schadebestrijding dierengebruik gewasbeschermingsmiddelen en biociden, om in ieder geval iets te kunnen doen aan de schadebestrijding.

Dat brengt mij bij de bijen, een heel belangrijk onderwerp, ook voor de VVD-fractie, zeker voor de toekomst van alles wat wij maar eten.

Ik denk dat het goed is geweest dat de staatssecretaris even een heroverweging heeft laten doen. Hij heeft eerst een schorsing aangebracht en vervolgens het Ctgb hier opnieuw naar laten kijken. Daarover is al heel veel gezegd. Ik denk ook dat hij terecht tot de juiste conclusie is gekomen, namelijk dat het met een aanscherping van het beleid kan. Ik proef dan ook heel duidelijk uit de reactie van de bijenhouders dat wij nu eens breder naar het onderwerp moeten kijken, want het zit niet specifiek alleen in deze middelen. Ik ben wel van mening dat wij kritisch moeten blijven kijken. Ik steun dan ook van harte de onderzoeken die nu nog op tafel komen. In die zin zeg ik: even voorzichtig aan, kom tot een goede aanscherping van het beleid. Ik heb niet het hele rapport gelezen, zeg ik maar eerlijk. Ik ga ervan uit dat er ook een aantal andere, kritische toepassingsmethoden zijn die wel handhaafbaar zijn en niet alleen de voorbeelden die mijn buurman net heeft genoemd.

Dan kom ik het het Ctgb, de grote organisatie die eigenlijk alles wat de toelating betreft in handen heeft. Ik heb in een persbericht gelezen: «Ctgb maakt eenvoudig snelle uitbreiding voor middelen mogelijk».

Dat brengt mij aan het twijfelen of dat wel realistisch is. Dan gaat het met name om het gebruik van kleine toepassingen, als ik tegelijk hoor dat zonale aanvragen – dan gaat het met name om kleine toepassingen – die nu worden ingediend pas eind 2012 in behandeling kunnen worden genomen. Dat is toch geen snel handelen? Wat is er aan de hand?

Als dat niet sneller gaat, dreigen dit soort zaken te worden aangevraagd in Duitsland, maar dreigen ook teelten te verschuiven naar Duitsland. Dat kan niet waar zijn. Wij zijn toch de voedingsbodem voor nieuwe teelten en met name ook de voedingsbodem voor kleine teelten? Hoe kan dit? Dit moet echt sneller.

Verder gaan wij nu naar een zonale harmonisatie. Wij gaan ervan uit dat de zonale toepassingen ook echt realistisch hun werk gaan doen. Ik vraag de staatssecretaris om ervoor te zorgen dat dit ook echt voor kleine teelten van toepassing gaat worden en dat wij daarin een soort harmonisatie krijgen op Europees niveau.

Verder wil ik weten hoe het zit met de toelatingsprocedure voor microbials, gisten en biologische preparaten. Ook daarvan vinden wij dat er veel sneller en kritischer moet worden gehandeld, want daar zitten prachtige voorbeelden die wij voor de toekomst zouden kunnen gebruiken en zeker ook op korte termijn.

Dan kom ik bij het gebruik van niet-professionele middelen. Ik begrijp dat de grote gebruikers allemaal een licentie nodig hebben om te mogen spuiten, maar de gewone particulier natuurlijk niet. Dat is niet realistisch. Het kan betekenen dat een hovenier met een licentie die een niet-professioneel middel wil inzetten in de tuin van een particulier dat niet mag doen, terwijl die particuliere klant dat zelf wel mag doen. Andersom geldt dat natuurlijk ook. De boer mag wel een niet-professioneel middel gebruiken op zijn bloemkolen ergens in het veld, maar niet in zijn eigen tuin. Ik zou graag willen dat hierover helderheid komt, want dit is natuurlijk niet uit te leggen en niet realistisch te onderbouwen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Mevrouw Snijder woont in een gebied niet ver van het stroomgebied van de Drentsche Aa. Het Waterbedrijf Groningen maakt daaruit drinkwater. In de Drentse Aa is de afgelopen elf keer een normoverschrijding opgetreden van glyfosaat, dat vooral in onkruidbestrijdingsmiddelen zit, van bedrijven maar ook zeker van particulieren. Over die overschrijdingen van het glyfosaatgehalte heb ik van Vewin gehoord dat zij tussen 2006 en 2010 113 keer boven de norm zijn geweest. Dat middel is slecht voor bijen maar ook voor mensen. Nu moet het Ctgb normoverschrijdingen constateren en ook passende maatregelen nemen. Dat gebeurt alleen wanneer een stof opnieuw moet worden beoordeeld. Wat vindt de VVD nu als het gaat om dit soort maatregelen? Is de VVD ervoor dat het Ctgb ook veel meer de tussenbeoordeling gaat doen en dit soort normoverschrijdingen niet meer laat lopen?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik denk dat met name de drinkwaterbedrijven overschrijdingen constateren en ook direct aan de bel trekken. Natuurlijk deel ik uw mening dat er snel moet worden ingegrepen als er risico's zijn voor de volksgezondheid en als de overschrijdingen zo hoog zijn dat daarvan sprake is. Dat is zo klaar als een klontje.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Maar de Vewin vindt de normoverschrijdingen, terwijl het Ctgb er niets mee doet in de tussentijd, terwijl het dan eigenlijk de normen zou moeten aanscherpen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): De normen zijn aangescherpt, want wij weten wat er mag worden gebruikt. Dus ik denk dat er dan in de relatie tussen de drinkwaterbedrijven en het Ctgb gewoon sneller actie moet komen. Dan moet er worden ingegrepen en moet men zoeken naar de bron. Dat is natuurlijk het allerbelangrijkst. Dus actie, zou ik zeggen, met name bij een risico voor de volksgezondheid. Dan moet er fors worden ingegrepen en met een snelle actie. Niet elke overschrijding is echter een risico voor de volksgezondheid.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik kan u zeggen dat het tientallen keren per jaar gebeurt dat die normoverschrijdingen worden gevonden. Dan zou ik graag ook alle steun van de VVD krijgen wanneer wij straks, mocht er niet voldoende van het kabinet komen, moties in deze richting indienen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U spreekt nu over overschrijdingen. Ik vind dat die overschrijdingen wel een link moeten hebben met een risico voor de volksgezondheid. Dat heb ik ook steeds nadrukkelijk uitgesproken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik herinner mij van de VVD twee slogans. De een was: «Voortaan voor iedereen die straf verdient: straf», zoals op een verkiezingsposter stond. De ander was: «Wij willen minder regels». Ik vraag mij af waar de VVD dan haar omslagpunt legt, want er zijn gevaarlijke middelen. Het Ctgb en de staatssecretaris proberen dat op te lossen door te zeggen: wij gaan iets duidelijker beschrijven, en dus verder specificeren, waaraan je je moet houden wanneer je een bepaald middel wilt gebruiken. Dat lijkt mij een toename van het aantal regels. Gaat de VVD dan nooit eens zeggen: dit willen wij niet, dus laten wij het makkelijk en overzichtelijk houden door dat middel van de markt te halen? Maar ook: voortaan geven wij iedereen die straf verdient straf? Hoe moet het als wij in Noordwijk meer dan 4000 keer de toegestane hoeveelheid imidacloprid in het water aantreffen? Hoe gaat de VVD ervoor zorgen dat degene die dat gedaan heeft ook echt de straf krijgt waar de VVD zo stoer over doet?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Het spijt mij wel, maar dit zijn vier vragen, die ons ook in het verleden al zijn gesteld. Iemand die iets fout doet, moet worden gestraft. Laat dat helder zijn. Maar de discussie over imidacloprid hebben wij gevoerd. Die ga ik niet opnieuw voeren. Ook daarvan zeggen wij, zoals ik net ook tegen mevrouw Jacobi zei: als er echt forse overschrijdingen zijn met grote risico's moeten wij daarop actie ondernemen.

Middelenvoorschriften zijn wel regels, maar ik denk dat wij het er met elkaar over eens zijn dat je middelenvoorschriften goed moet handhaven. Als wij nu met elkaar van mening zijn – wij delen die mening met de staatssecretaris zo ver nu de onderzoeken reiken – dat die middelen nog kunnen worden gebruikt en als daar wat extra scherpe voorschriften voor nodig zijn, zijn wij het daarover eens.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik constateer dat zo'n poster over straf niets voorstelt, want de VVD heeft geen idee wat zij zou moeten aanpakken als het gaat om normoverschrijdingen in ons milieu waarbij zowel bijen als mensen groot gevaar lopen. De VVD vindt het dus ook prima als het aantal regels toeneemt in een dossier waarin de keuze voorligt: houden wij het eenvoudig en veilig voor de volksgezondheid van mens en dier of willen wij toch business as usual voorrang geven? Dan accepteren wij dus dat daar regels bij komen. Dan voel ik al aankomen dat dan noodzakelijke regels worden geschrapt omdat de VVD toch haar percentages wil halen. Het zijn dus obligate praatjes.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik vind dit allemaal heel erg suggestief. Natuurlijk zijn wij niet voor regels, maar u beoordeelt een onderzoek op uw wijze, ik beoordeel dat namens de VVD op mijn wijze. Het kabinet geeft nu een voorzet hoe wij omgaan met de middelen waarvan u zegt dat zij absoluut niet kunnen. Op basis van rapporten van het Ctgb, het RIVM en wat de bijenhouders zelf zeggen, zeggen wij dat men dit onder goede voorwaarden mag blijven gebruiken. That's all.

De heer Grashoff (GroenLinks): Mevrouw Snijder zegt zelf: als een middel bijdraagt aan een enorme normoverschrijding en als daaruit een gevaar voortkomt, moeten wij iets doen. Dat ben ik helemaal met u eens. Wat er nu gebeurt, is dat er voor 13 van de 55 middelen een kleine aanpassing aan de gebruiksvoorschriften komt die niet ingrijpt op de dosering ervan en die derhalve geen enkel effect zal hebben op de normoverschrijdingen ervan in het grondwater. Dan bent u het toch met mij eens dat dat een niet-adequate maatregel is?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Maar het gaat bij de normoverschrijdingen zoals u suggereert niet om wat er in het grondwater komt van de dertien middelen waarnaar u verwijst, maar specifiek om de toepassing en de beoordeling van wat het betekent voor bijen. Ik denk dat wij daartussen wel verschil moeten maken omdat dit zaken van een andere orde zijn.

De heer Grashoff (GroenLinks): Of je het aangrijpingspunt kiest van bijen of van oppervlaktewater met heel grote normoverschrijdingen van middelen die ook weer uitstromen naar het grondwater, waarover de Vewin elke keer weer brandbrieven schrijft dat dit een groot probleem is, in elk geval moeten wij vaststellen dat wat nu voorligt aan restricties op het gebruik van deze stoffen daaraan niets doet. Als u zelf zegt dat wij hieraan iets zouden moeten doen, moet u het dus met mij eens zijn dat wat er nu ligt onvoldoende is.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik kan nog heel veel antwoorden, maar hier worden appels met peren vergeleken. Ik vind dit heel suggestieve vragen. Wij hadden het over de bijen. Daarvoor scherpen wij nu juist een aantal toepassingen aan. Ook als er in ons oppervlaktewater, dat wij nodig hebben hebben voor het grondwater, forse overschrijdingen zijn die de volksgezondheid aantasten, vind ik dat er moet worden ingegrepen. Dan is er dus ergens iets fout gegaan. Verder denk ik dat het Ctgb een goed oordeel heeft gegeven over wat kan en wat niet kan. Als er dan bewust door een aantal ondernemers misbruik wordt gemaakt van de hoeveelheden moet daarop worden ingegrepen. Maar daarmee kun je niet het hele beleid van tafel vegen. Dat is ons oordeel.

De heer Grashoff (GroenLinks): Het zou zo mooi zijn geweest als je het totaal van de problemen rond gewasbeschermingsmiddelen en de gevolgen voor de bijen, de uitstroom naar het oppervlaktewater en naar het drinkwater als aangrijpingspunt zou kunnen nemen om veel minder van die spullen te gaan gebruiken en dat veel selectiever te doen. Wij moeten vaststellen dat dat niet gebeurt, noch ten aanzien van de risico's voor bijen, noch ten aanzien van het grondwater, noch ten aanzien van het oppervlaktewater. Dat betekent volgens mij als wij elkaar goed begrijpen dat wij geen appels en peren bij elkaar optellen, dat het eind van deze discussie nog bepaald niet in zicht is en dat wij de normoverschrijdingen in het oppervlaktewater met soms 1000% of meer moeten tegengaan. Dat maak ik uit uw woorden op en aan die woorden zal ik u houden.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dat is een goede conclusie. Ik deel de mening dat wij selectiever gebruik van middelen altijd voorop moeten stellen. Dat moet ook het uitgangspunt zijn. Ik denk dat daar winst te behalen is. Alleen is selectief gebruik niet altijd mogelijk omdat je in bepaalde omstandigheden middelen nodig hebt die je misschien liever, uitgaande van het selectieve gebruik, niet kunt gebruiken en dat je eventueel middelen moet gebruiken die op dat moment dan even noodzakelijk zijn. Maar wel met de goede toepassingsmethoden en in de juiste hoeveelheden.

Voorzitter: Jacobi

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Mijn fractiegenote Van Veldhoven kan niet bij dit debat aanwezig zijn, maar ik heb namens haar één vraag aan de staatssecretaris. D66 sluit zich volledig aan bij de kritische opmerkingen over het rapport. In het vorige spoeddebat heeft de staatssecretaris ook toegezegd om de economische waarde van bijenbestuiving bij het TEEB-onderzoek, The Economics of Ecosystems and Biodiversity, mee te nemen. Wanneer kunnen wij dat verwachten?

Voorzitter: Van der Ham

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Allereerst over de bijen en de Canadese koninginnen. Tegen mevrouw Jacobi zeg ik dat ik nog eens zal onderzoeken, ook in contacten met Canadese autoriteiten, of toevoeging van Canadese koninginnen aan de bijenpopulatie in Nederland mogelijk kan worden gemaakt. De bal ligt bij de Canadese autoriteiten, die intern aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen om dit te kunnen realiseren. Ik ga hier nog eens extra werk van maken.

De heer Koopmans heeft gevraagd of ik bereid ben de bijenfolder te ondersteunen. Dat is een poster die is uitgebracht door LTO en anderen met de oproep om risico's voor bijen te beperken en de voorlichting daarover te versterken. Dat is goed. In dat verband moet ook wel gemeld worden dat recentelijk Europees onderzoek is gedaan waaruit blijkt dat ook waar het gaat om particuliere, niet-professionele gebruikers van bepaalde middelen 85% van de gebruikers de bijsluiter leest. In dat verband word ik ook een beetje boos over de suggestie die de heer Grashoff heeft gewekt, alsof het er niet toe doet dat je voor professionele en niet-professionele gebruikers goede gebruiksvoorschriften verstrekt en die ook aanscherpt. De heer Grashoff maakt hier een beetje een karikatuur van. Als ik zie welke gebruiksvoorschriften zijn vastgesteld en aangevuld zou ik de heer Grashoff willen vragen om eerst het totaal aan voorschriften te lezen alvorens hier een karikatuur te maken door er eentje uit te halen. Ik kan hier 20 minuten van uw tijd vullen – maar ik zal dat niet doen – met het voorlezen van de zeer gedetailleerde technische voorschriften, soms per soort, per periode in het jaar, die moeten worden gehanteerd bij het toepassen van deze middelen. Dat vraagt soms ook om investeringen en om uitstel van het gebruik van middelen op een bepaald moment. Het gebruik van deze middelen conform de voorschriften is precisiewerk. Ik werp de suggestie verre van mij dat dat er niet toe doet. Dat doet er zeer toe als het gaat om de effecten. Nogmaals, ik voelde mij lichtelijk uitgedaagd door de karikaturale opmerkingen die werden gemaakt, maar één uitdaging extra en de bijeenkomst duurt 20 minuten langer. Want dan lees ik de voorschriften echt allemaal voor.

Dan de herbeoordeling. Laten wij er ook volstrekt duidelijk over zijn dat de motie die is ingediend door mevrouw Ouwehand een goede motie is. Daarop heb ik namens het kabinet ook ondersteunend gereageerd. Direct daarop volgend is een aantal middelen geschorst. Dat is niet niks. Dat was een behoorlijke maatregel. Vervolgens is het Ctgb aan het herbeoordelen geslagen. Daarbij is men niet over één nacht ijs gegaan, in dit geval met een tussentijdse, versnelde herbeoordeling. Daarbij moet je echt forse, overtuigende aanwijzingen voor de betreffende middelen of stoffen hebben dat er onaanvaardbare risico's zijn. In een normale herbeoordeling zijn de juridische eisen die worden gesteld aan de conclusie van een andere aard dan bij een tussentijdse herbeoordeling. Dan moet je echt tussentijds nieuwe inzichten en feiten hebben die tot een andere conclusie leiden. Dat is gedaan. Dat heeft geleid tot consultatie van wetenschappers. Daarom heeft het ook enige tijd geduurd. Dus het is niet zo dat dit orgaan dat even op een achternamiddag in zijn eentje heeft gedaan. Daarbij zijn ook externen betrokken geweest. Dat leidt dan tot de conclusie dat er aanvullende en precieze toepassingsvoorschriften moeten worden opgesteld. Dat is ook gebeurd. Die zijn ook vervolgens geëffectueerd en daaraan dienen de gebruikers zich ook te houden.

Ik zie dus geen aanleiding om nu te zeggen dat die herbeoordeling nog eens van een second opinion moet worden voorzien, want het was een proces waarbij ook externen betrokken zijn geweest en het heeft ook consequenties gehad, namelijk dat wij daaraan nadere voorschriften hebben verbonden.

Het Ctgb geeft nu aan dat met die aanvullende gebruiksvoorschriften en toepassingseisen aan de meest recente eisen met betrekking tot de risico's voor bijen wordt voldaan. Dat is de conclusie die dit orgaan trekt. Dat is ook precies de competentie van dit orgaan. Wij hebben niet te beoordelen of die conclusie deugt, maar of het proces dat heeft geleid tot die conclusie deugdelijk is geweest. Wij zijn tot de slotsom gekomen dat dat het geval is. Daarbij hebben dus ook externen meegekeken.

De heer Van Gerven heeft gezegd dat het Ctgb onderzoeken negeert bij de beoordeling en selectief is. Ook in dit geval heeft de herbeoordeling plaatsgevonden op basis van het nieuwste toetsingskader van de Europese Unie. Alle wetenschappelijke openbare literatuur is meegenomen bij die herbeoordeling en is meegewogen. Dat heeft geleid tot deze conclusie. Als je eenmaal een middel schorst, wat ik heb gedaan, weet het orgaan in kwestie natuurlijk ook dat men niet over één nacht ijs kan gaan bij de herbeoordeling. Aan de andere kant gaat het om een tussentijdse herbeoordeling. Die moet ook deugdelijk zijn, welke consequentie je daaraan ook wilt verbinden, omdat je anders richting de houder, de bedrijven in kwestie, op juridisch zeer dun ijs schaatst, wat niet verantwoord is. Dan behaal je helemaal geen resultaat, dus het moet ook stevig en deugdelijk zijn.

Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat ik dus geen aanleiding zie om de herbeoordeling nog een keer te laten toetsen. De meest recente inzichten in de literatuur en de studies zijn hierbij betrokken.

Los van deze middelen en de herbeoordeling die ervan heeft plaatsgevonden hebben wij met u afgesproken dat eerst nog een literatuuronderzoek plaatsvindt naar het fenomeen van deze stof en naar bijensterfte in het algemeen. Dat literatuuronderzoek loopt. Daarbij is ook een soort meeleesgroep, een second opinion-groep, betrokken, inclusief de heer Van der Sluijs van de Universiteit van Utrecht, die meeleest met de conceptrapportage. Mede op zijn verzoek is ook de periode van meelezen nog met een maand verlengd zodat dit allemaal gedegen kan gebeuren. Dat is ook de reden dat het wat langer duurt dan wij eigenlijk wilden. Dat betekent dat wij het komend najaar de uitkomsten van het literatuuronderzoek aan u kunnen melden.

Dan kom ik bij de kwestie van de zonale beoordeling en de nationale toelating. Dat is inherent aan het systeem van de wet waarover wij eerder hebben gesproken. Een beoordeling vindt plaats van middelen in Europese zones en de feitelijke toelating is een bevoegdheid van het orgaan dat wij daarvoor hebben ingesteld. Als het middel in de zone waarvan Nederland deel uitmaakt is toegestaan nadat het positief is beoordeeld, lijkt het nu zo dat ons niet let om er dan ook meteen het stempel «goedgekeurd, toegelaten voor Nederland» op te zetten. Dat is het punt waar de heer Grashoff bij zijn vorige inbreng op heeft gewezen, namelijk dat de fysieke, geomorfologische omstandigheden in Nederland, zelfs in gebieden van Nederland, kunnen afwijken van de situatie in de zone in het algemeen en in het land waar de beoordeling heeft plaatsgevonden. Wij zijn een waterrijk land met veengebieden en hebben de plicht om na te gaan of een middel als het positief is beoordeeld in onze omstandigheden dan ook toe te laten is, gelet op de specifieke omstandigheden waarin het wordt gebruikt en of dat eventueel ook nadere toepassingsvoorwaarden vereist. Dat is de reden van die nationale toelating door ons orgaan. Ik vind dat een goed systeem.

Dus het is niet conform het systeem om daarvan te zeggen: het is positief beoordeeld in de zone, klaar is Kees, stempel erop, wij doen het hier ook. Ik vind dat er ook echt goede argumenten voor om die specifieke beoordeling of toelating in de lidstaten te houden.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Mag ik een interruptie plaatsen, voorzitter?

De voorzitter: Ik hoopte dat u zelf al een beetje de kopjes volgde. De heer Grashoff had zich ook al gemeld. Is dit een goed moment voor de staatssecretaris, nu dit kopje toch al een beetje is afgerond?

De heer Grashoff (GroenLinks): Met alle respect voorzitter, de methode die u hanteert maakt het voor ons heel moeilijk om tot een zinnig debat te komen.

De voorzitter: Wanneer u een punt van orde wilt maken, moet u dat op dat moment doen en niet alleen maar zuchten buiten de microfoon. Als u kritiek hebt, moet u dat direct zeggen.

De heer Grashoff (GroenLinks): Dan doe ik dat nu in elk geval.

De voorzitter: Nu bent u te laat met zo'n verzuchting. Aan u is het woord.

De heer Grashoff (GroenLinks): Uitstekend, volgende keer doe ik het direct. Het punt dat ik wil maken – dan weet u dat alvast – is dat wij interrupties een beetje moeten houden bij het onderwerp waar zij over gaan, dat maakt het voor iedereen inzichtelijker. Dat is mijn pleidooi.

De voorzitter: U weet ook dat wij bij deze commissie vaak werken met kopjes. Dat maakt het voor u ook gemakkelijker om het hele verhaal te horen. Die kopjes heb ik met u niet kunnen ontdekken in het verhaal van de staatssecretaris. Dat is helemaal geen probleem. Nu hebt u het woord. Als u de volgende keer een punt wilt maken, doe dat dan niet zuchtend buiten de microfoon maar in de microfoon. Zo zijn de verhoudingen in de Kamer.

De heer Grashoff (GroenLinks): Dank u voor deze prachtige correctie. Ik hoop dat u mijn boodschap ook ter harte hebt genomen. Dan komen wij verder.

De staatssecretaris verwijt mij dat ik een karikatuur maak van de aanpassing van de regelgeving. Ik stel de wedervraag: wie maakt er nu eigenlijk een karikatuur van de gebruiksvoorschriften? Wij gebruiken onvoorstelbaar veel van deze gewasbeschermingsmiddelen in Nederland. Bij de 55 middelen die allemaal spullen bevatten die in principe, zoals is aangetoond, zwaar giftig zijn voor bijen gaat het onderzoek erover of bijen daarmee nu wel of niet in contact kunnen komen. Van die 55 middelen zijn er 13 waarvoor op ondergeschikte punten de gebruiksvoorschriften worden aangepast. Ik zou die 20 minuten met de staatssecretaris wel aandurven. Ik heb nog wel een paar meer voorbeelden. Alle aanscherpingen van het gebruik zijn van ondergeschikt belang en zullen weinig tot geen effect hebben op de mate waarin het spul wordt gebruikt. Dit betekent dat van de totale maatregel geen enkel significant effect mag worden verwacht in de richting van het gebruik, het volume van het gebruik en de gevolgen voor bijen.

De voorzitter: En uw vraag is?

De heer Grashoff (GroenLinks): Mijn interruptie was in dit geval een reactie op de stellingname van de staatssecretaris. Ik maak geen karikatuur van deze werkelijkheid. Wij hebben met elkaar een soort theoretische werkelijkheid gecreëerd die veronderstelt dat je met een paar minimale aanpassingen van ingewikkelde, complexe gebruiksvoorschriften iets echts aan de werkelijkheid verandert. Mijn stelling is dat dat niet aan de orde is.

Staatssecretaris Bleker: Het startpunt waar vanuit je redeneert, is van belang. Ik heb zopas gezegd dat met de kennis die nu beschikbaar is, het gebruik van de middelen die deze stoffen bevatten op basis van meest recente eisen die eraan gesteld kunnen worden met betrekking tot de risico's voor bijen, verantwoord is, mits er op een precieze manier mee wordt omgegaan. We gaan niet uit van de algemene conclusie dat het een foute stof is en we proberen er geen dekmantel overheen te gooien door de toepassingen ervan te reguleren. Nee, op basis van de inzichten die er nu zijn, wordt geconstateerd dat deze stoffen, toetsend aan de meest recente eisen met betrekking tot risico's voor bijen, kunnen worden gehanteerd, mits een reeks van eisen ten aanzien van toepassing en gebruik serieus wordt genomen. Het gaat niet om de vraag hoeveel van een middel wordt gebruikt. Daar zijn deze gebruiksvoorschriften niet voor bedoeld. Deze zijn ervoor bedoeld om eventuele effecten op bijenpopulaties in de buurt van de locatie waar de stof gebruikt wordt, te beperken. Dat is het uiteindelijke doel. Nogmaals, ik werp de suggestie verre van mij dat kleine aanpassingen in het praktische gebruik van een middel niet relevant zouden zijn voor het effect dat de toepassing van dat middel op bijvoorbeeld bijen. Ongeacht of het om gewasbescherming in de landbouw, in de tuinbouw of in de fruitteelt gaat, het is juist in toenemende mate precisiewerk.

De heer Grashoff (GroenLinks): Het is al enorm precisiewerk, veel preciezer dan in de praktijk van het dagelijks gebruik mogelijk is om daadwerkelijk na te leven. De aanscherpingen ervan zijn nog preciezer en zullen dus een verminderd nalevingsgedrag hebben ten opzichte van de eerdere eisen, die al erg gedetailleerd zijn. Als ik uitgedaagd word, kan ik heel veel voorbeelden noemen. Ik noem er nog één: «Na een spuittoepassing percelen nog minimaal twee weken vrijhouden van bloeiende onkruiden». Ziet u het voor zich?

Staatssecretaris Bleker: Ja. Het is vrij makkelijk. Ik doe het zelf ook. Bijvoorbeeld jakobskruiskruid moet je op tijd, voor de bloei, trekken. Dat weet iedereen. Dit voorbeeld heeft betrekking op de akkerbouw of de weilanden, maar iedereen weet hoe dat moet worden gedaan. Iedereen weet toch wat onkruid is? Je kunt toch zien wanneer het gaat bloeien? Dat is niet zo moeilijk hoor! Loop er maar rond! Na twee dagen weet je hoe het moet.

De heer Grashoff (GroenLinks): Gaat het nu echt iets anders dan tot nu toe of is het gewoon «we hieven het glas, we deden een plas en alles bleef zoals het was»?

Staatssecretaris Bleker: Alsof het niet uitvoerbaar is! Je kunt toch op je percelen zien of er onkruiden staan en, zo ja, welke? Je ziet toch aan de knoppen wanneer ze in bloei gaan? Je kunt dan toch trekken of spuiten of wat dan ook? Het is geen farce. Als je door het onkruid niet in bloei te laten komen, voorkomt dat er bijen op afkomen die eventueel doodgaan vanwege het gebruik van een middel voor die peren of die appels, dan is dat toch een heel verstandige benadering?

De heer Grashoff (GroenLinks): Dit is een volstrekt papieren benadering. Het is een heel kleine aanvulling die slecht nageleefd zal worden, die niet gehandhaafd wordt en die in de werkelijkheid nagenoeg niets wijzigt.

Staatssecretaris Bleker: Kom in de tuin en in de kas kijken om te zien hoe het gebeurt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik denk dat ik mede namens GroenLinks spreek als ik zeg dat de Kamer zich natuurlijk niet met een kluitje in het vergiftigde riet laat sturen. De staatssecretaris kan net als zijn voorganger zeggen over bijvoorbeeld de aanschaf van dieren dat mensen moeten weten waar zij aan beginnen. Dat is allemaal prachtig, maar communicatiewetenschappers zeggen keer op keer dat je wel kunt opschrijven wat mensen zouden moeten doen – zo zit het natuurlijk ook met de gebruiksvoorschriften – maar dat dit niet zomaar werkt. Laten we de discussie over de redenering van de staatssecretaris dat het betreffende middel zonder gevaar gebruikt kan worden als de gebruiksvoorschriften worden opgevolgd even niet voeren, maar stel dat het zou kunnen, dan moet hij aantonen dat het met die gebruiksvoorschriften ook werkelijk zo uitpakt als hij de Kamer wil doen geloven. Waar is die onderbouwing? Wij geven de staatssecretaris als duidelijk signaal mee dat als hij dat niet kan bewijzen, het voorzorgsprincipe geldt.

Staatssecretaris Bleker: De formulering van het toelatend orgaan was ongeveer als volgt: als je de huidige en de aanvullende gebruiksvoorschriften hanteert, dan is het risico op schadelijke effecten op bijen, toetsend aan de hoogste eisen, beperkt of nauwelijks aanwezig. De vraag is vervolgens of de gebruiksvoorschriften worden gevolgd. Dat is primair een verantwoordelijkheid van elke toepasser of gebruiker; dat is goed. Daarnaast hebben we aan de nVWA gevraagd of de gebruiksvoorschriften handhaafbaar zijn. Het antwoord daarop was dat dit in beginsel mogelijk is.

Mijns inziens onderschat mevrouw Ouwehand zichzelf. Zij is er met enkele anderen in geslaagd om het belang van bijen en het tegengaan van bijensterfte voor het voetlicht te brengen. Daar slaagde zij niet alleen in deze zaal of in de krant in, maar ook bij gewone mensen, bij tuinders, bij liefhebbers, bij professionele tuinders enzovoorts. De gebruiksvoorschriften zijn geen zaad dat op rotsen valt. Ik ben ervan overtuigd dat het overgrote deel van de Nederlandse mensen die bezig zijn met de toepassing van deze middelen, zich ook bewust is van de vraag of het goed komt met de bijen. Wij weten het hier niet alleen, maar ook de mensen die het doen zijn zich ervan bewust. Gelukkig maar.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het venijn zit dus in de staart: de staatssecretaris zegt dat hij ervan overtuigd is dat het zo werkt, maar de Kamer gelooft dat niet. Sterker nog, de Kamer heeft keer op keer in vergelijkbare dossiers communicatiewetenschappers aan haar zijde die zeggen dat het niet zo gaat met menselijk gedrag. Ik vraag mij af of het ministerie niet eens dat soort mensen zou moeten inhuren. Dat lijkt mij een waardevolle aanvulling op het departement. Ik heb expliciet gevraagd hoe het geschetste beleid zal worden gehandhaafd. Van de voorganger van de staatssecretaris weet ik dat zij zei dat er niet achter iedere boom een AID'er zou worden gezet. Ik stel mij zo voor dat de staatssecretaris die mening deelt, maar ik denk dat je niet goed kunt handhaven als je niet achter iedere boom een AID'er zet. Zonder de onderbouwing van de uitspraken van de staatssecretaris kunnen we daar echter niet goed op ingaan. De vraag is dan: kiezen we voor een eenvoudige, overzichtelijke wereld op basis van het voorzorgsprincipe en gebruiken we dat middel niet of gaan we het ongelofelijk ingewikkeld maken en ofwel tot achter de komma controleren ofwel risico's lopen met bijen en de gezondheid van mensen?

Staatssecretaris Bleker: Ik kies voor duidelijke en strenge regels, handhaving en vertrouwen in mensen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): De staatssecretaris heeft gezegd dat hij zou beginnen met een blokje over bijen, maar mij is absoluut onduidelijk welke aspecten nog aan de orde komen. Daarom ga ik maar direct vol gas in mijn interruptie.

Ten eerste. Er is al het nodige werk gedaan wat de import uit Canada betreft. Er wordt vooral op aangestuurd om niet Canada als geheel te nemen, maar specifiek Alberta. Het schijnt zo te zijn dat ons ministerie gewoon een brief kan schrijven aan Alberta, dat aan alle eisen voldoet en beschikt over alle certificaten. Het zou via die route moeten gebeuren. Ik zou het toch erg op prijs stellen als er echt werk van gemaakt wordt. Kan de staatssecretaris in een brief melden welke maatregelen hij precies gaat nemen? Er zijn al voldoende zaken over bekend.

Ten tweede het nu wel weer toelaten en toepassen van imidacloprid, een middel uit de neonicotinoïdegroep. De nVWA heeft in eerste instantie juist wel gesteld te twijfelen aan de handhaafbaarheid en naleefbaarheid. Wat heeft de staatssecretaris over de streep getrokken, gezien het heel grote risico van de bijensterfte en gezien de gezondheidseffecten die aan deze verontreiniging gekoppeld zijn? Het is niet zomaar een risico en het is niet zomaar een beetje vertrouwen op menselijk gedrag, het is zo langzamerhand een zaak van leven en dood. Dat komt in dit debat nog te weinig aan de orde. Wat was het belangrijkste argument?

Staatssecretaris Bleker: We hebben de Kamer op verzoek van mevrouw Jacobi geïnformeerd over de belemmeringen die er nu zijn om Canadese bijenkoninginnen naar Nederland te halen. Ik heb zopas gezegd dat ik naga of ik in contact met de Canadese autoriteiten die belemmeringen weg kan nemen. Als dat met de provincie Alberta moet, doen we dat. Op het moment dat we positieve resultaten hebben van die acties, meld ik mij bij de Kamer.

Dan de vraag wat mij over de streep heeft getrokken ten aanzien van de middelen die wij eerder hebben geschorst. Allereerst is dat de systematische herbeoordeling. Er is heel goed naar gekeken. Er is een nieuw literatuuronderzoek aan verbonden. Daarnaast zijn dat de nadere gebruiksvoorschriften. Verder, schorsen is één, maar je moet een definitief verbod van de middelen zeer goed kunnen onderbouwen. Dat kan dus enkel als er uit een herbeoordeling overtuigende aanwijzingen blijken en als er geen middelen zijn, bijvoorbeeld gebruiksvoorschriften, om eventuele risico's op schadelijke effecten verder in te dammen. Die zijn er wel. Dat heeft ons over de streep getrokken. Het is primair een verantwoordelijkheid van het orgaan om dat te beoordelen. Wij toetsen dat marginaal.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Wordt bij het verdere onderzoek, dat nog gaande is, ook het Franse onderzoek betrokken dat gaat over de relatie met dementie en volgens mij ook de ziekte van Parkinson?

Staatssecretaris Bleker: Dit lijkt mij meer een vraag voor de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, omdat hij ingaat op het omgevingsonderzoek.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb een vraag over de zonale toelating. Ik schrik enigszins van de redenatie van de staatssecretaris. De zonale toelating is ingesteld omdat we naar een Europees gewasbeschermingsmiddelenbeleid willen. De staatssecretaris zegt het volgende. We kunnen afwijken omdat onze omstandigheden anders zijn. We zouden er ook een stempel op kunnen zetten, maar dat doen we niet omdat de omstandigheden anders kunnen zijn. In dat geval worden eventueel nadere toepassingsvoorschriften gemaakt. Echter, als dit te ver doorschiet, is er van het Europese zonale beleid niets over. Ik kan mij voorstellen dat getoetst wordt wat er mogelijk is, maar uit het feit dat de aanvragen voor zonale toelating al moeten wachten tot eind 2012, blijkt dat er van het nieuwe beleid niets overblijft. Dan verdwijnen onze middelen en onze gebruiken. Het risico is tevens dat hier niets meer wordt aangevraagd omdat andere lidstaten dat veel sneller kunnen. Wat is daarop het antwoord van de staatssecretaris? Zoals hij het nu schetst in combinatie met mijn zorg, kan absoluut niet.

Staatssecretaris Bleker: Het systeem van de wet is dat zonaal wordt beoordeeld of stoffen aanvaardbaar zijn. Nationaal wordt de toelating van een middel met die stoffen bepaald. Nederland moet bij de toelating minimaal hetzelfde tempo hebben als de buurlanden, maar heeft wel de plicht om naar de specifieke omstandigheden in ons land te kijken. We hebben wel een bijzonder landje met zeer intensieve teelten en veel soorten teelten, dat zeer waterrijk en dichtbevolkt is. Je moet dus wel een nationaal toelatingsbesluit nemen, zoals overigens in alle lidstaten het geval is. De Kamer kan ervan op aan dat Nederland door de wijze waarop we dit uitvoeren, niet een heel lange periode achter zal komen te liggen op vergelijkbare situaties in andere landen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Zeker, we doen die toets, maar als ik nu hoor dat er op de plank zo veel ligt dat alles wacht tot eind 2012, dan wil ik wel van de staatssecretaris de garantie hebben dat dat niet bewaarheid wordt. Er moet snel actie komen, los van de buurlanden. Nederland wil toch een kennisland zijn en innovatief? We moeten dus ook zorgen dat nieuwe middelen zo snel mogelijk weer op de plank liggen. Dit kan dan niet waar zijn. We moeten voorop blijven lopen. Toetsen is prima, maar er moet meer actie komen. Eventueel moet het Ctgb uitgebreid worden. Ik heb begrepen dat het bedrijfsleven wil betalen. De staatssecretaris moet zich daar fors voor inspannen. Ik zeg het misschien in iets andere bewoordingen dan ik in het verleden heb gezegd, maar deze zorg hebben we al eerder uitgesproken. Het kan niet waar zijn dat dit allemaal toch te traag gaat, even los van wat er in het buitenland gebeurt.

Staatssecretaris Bleker: Mevrouw Snijder wordt op haar wenken bediend bij de kabinetsreactie op de evaluatie van het Ctgb. Ik zal specifiek aan de orde stellen hoe we ervoor gaan zorgen dat gaat gebeuren wat zij wenst.

De voorzitter: De staatssecretaris rondt zijn beantwoording af.

Staatssecretaris Bleker: Ik kom bij het punt van de professionele en de niet-professionele gebruiker. Mevrouw Snijder heeft gelijk. De redenering is als volgt. Bij professioneel gebruik gaat het om grootschalig gebruik met specifieke toepassing van middelen. Daarvoor is vakbekwaamheid cruciaal. Bij particulier gebruik gaat het om een beperkte en kleinschalige toepassing door mensen die niet van een bepaalde vakbekwaamheid zijn voorzien. Het kan niet zo zijn dat ik als amateur wel een bepaald middel mag gebruiken in mijn tuin, maar de hovenier die mij weleens helpt, niet. Daarvoor is zo veel coördinatie nodig; dat gaat niet lukken. Ik wil ernaar kijken. Dit is kennelijk een enigszins Kafkaëske constructie. Daar proberen we een eind aan te maken in goed overleg met de staatssecretaris voor Infrastructuur en Milieu.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd hoe we de niet-professionele gebruikers bereiken. Wij bereiken hen via het verkoopkanaal, via winkels en via internet. Er is veel meer belangstelling, ook bij niet-professionele gebruikers, voor de effecten van de middelen en voor de gebruikstoepassingen dan wij soms denken.

Er is gevraagd of het onderzoek naar het functioneren van het Ctgb al is afgerond. Ja, dat is af. Op 2 september is het rapport ontvangen. Wij zullen nu een reactie maken, samen met de collega's van Infrastructuur en Milieu, SZW en VWS.

Ik ben reeds ingegaan op de vragen van mevrouw Snijder over de vertraging bij de toelatingsaanvragen.

De voorzitter: Wanneer komt die reactie?

Staatssecretaris Bleker: In oktober 2011.

Ik kom op het punt van de kleine toepassingen. Er is het Fonds kleine toepassingen. We helpen bij de financiering van aanvragen voor kleine toepassingen. Jaarlijks is ongeveer € 600 000 beschikbaar. Ik blijf bezien hoe de zonale beoordeling van de concrete middelen zo snel, efficiënt en effectief mogelijk kan geschieden, ook waar het gaat om de kleine toepassingen.

D66 heeft gevraagd wat er is gebeurd met de TEEB-studie. Ik heb op 18 april 2011 toegezegd dat ik dit rapport waar mogelijk betrek bij het literatuuronderzoek dat de WUR nu maakt. De schrijvers van dit onderzoek hebben laten weten dat de TEEB-studie geen peer review-literatuur is en dat deze daarom buiten het overzicht zou vallen. De onderzoekers aan wie we de opdracht hebben gegeven voor het grootschalige literatuuronderzoek komen zelf tot de conclusie dat het TEEB-rapport zich er niet voor leent om het daarbij te betrekken. Ik kan op dit punt via de heer Van der Ham geen heuglijke mededeling doen aan mevrouw Van Veldhoven.

Ik kom bij de ganzen. De voorliggende AMvB staat het gebruik van CO2-gas nu niet toe. Mevrouw Ouwehand heeft gelijk dat dit, als we dat nu zouden willen, in strijd is met de wet- en regelgeving. Het gaat om een middel waarvan wij wensen dat het gebruikt kan worden in verband met de bestrijding van de schade die optreedt door een te groot aantal ganzen. We zullen met een voorstel daarover komen. Er zal in beeld worden gebracht hoe het middel werkt en of het middel verantwoord is. Het doden van ganzen is natuurlijk nooit leuk werk – immers, wie doet dat nu graag – en het moet op een nette en zo diervriendelijk mogelijke manier gebeuren. We zullen de Kamer daarover afzonderlijk informeren als wij met dat voorstel komen. Tot slot vraag ik mevrouw Ouwehand of zij haar fractievoorzitster de vraag wil voorleggen of het kies is om te twitteren «Bleker stuurt ganzen naar de gaskamer».

De voorzitter: Het woord is aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Staatssecretaris Atsma: Voorzitter. Ik sluit aan bij de vraag die collega Bleker bijna retorisch stelde. Ik geef mevrouw Ouwehand het volgende mee in haar overwegingen over het doden van ganzen met CO2. Ik doe dat vanuit een andere verantwoordelijkheid die ik heb als staatssecretaris voor luchtvaart. Wij zien een zeer verontrustende toename van het aantal vogelaanvaringen: botsingen van vliegtuigen met ganzen. Dat heeft alles te maken met de explosieve groei van het aantal ganzen. Die moet je bestrijden. Er zijn verschillende mogelijkheden om ganzen te bestrijden, maar ik heb liever een middel waarvan wij allen vinden dat het bij uitzondering toegepast kan worden om veel erger te voorkomen – we kennen de voorbeelden dat vliegtuigen uit de lucht zijn komen vallen doordat er een gans in de straalmotor terechtkwam – dan dat wij niks doen terwijl wij dit signaleren. Ik weet namelijk ook wat er gebeurt als wij niks doen. Mevrouw Ouwehand moet dit in haar afweging meenemen. We zoeken al heel lang naar een adequate oplossing voor dat probleem. Als we ganzen vangen en eventueel vergassen in plaats van ze af te schieten, vind ik dat je daar niet op voorhand datgene over moet zeggen wat via Twitter is langsgekomen. Er zit namelijk een ander verhaal onder. Ik wil dit even gezegd hebben omdat het een serieus probleem is in de omgeving van Schiphol.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wens niet in de schoenen geschoven te krijgen dat er ongelukken gebeuren met vliegtuigen omdat wij ons verzetten tegen ofwel afschieten ofwel vergassen van ganzen. Ik heb geen zin om de hele discussie hierover over te doen. Beide staatssecretarissen weten heel goed welke onderzoeken er zijn en welke effecten het heeft om grote delen van een populatie weg te schieten of dood te maken, namelijk niks. Die populatie vult zichzelf opnieuw aan. We weten ook dat Nederland door het Engelse raaigras een walhalla is voor ganzen. Dat zijn gedekte tafeltjes. Zolang aan de bron van de ganzenpopulaties geen effectieve, diervriendelijke en natuurvriendelijke maatregelen worden getroffen, is het een gotspe dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu hier probeert toekomstige vliegtuigongelukken in de schoenen van Kamerleden te schuiven die zich verzetten tegen zulke drastische dodingsmethoden.

Staatssecretaris Atsma: Met alle respect, ik schuif niemand iets in de schoenen. Ik zeg alleen dat een zeer verontrustende toename van het aantal vogelaanvaringen het noodzakelijk maakt dat er iets wordt gedaan aan de explosieve groei van het aantal ganzen. Daarmee wordt niemand een ongeluk in de schoenen geschoven. Ik vind alleen dat het onze en uw plicht is om mee te denken over een adequate aanpak. Het schudden van eieren, om een voorbeeld te noemen, is geen adequate aanpak. Het afschieten van ganzen zou een adequate aanpak kunnen zijn, maar we kennen ook daar de belemmeringen van. We zoeken naar verschillende alternatieven. Om op voorhand te zeggen dat iets volstrekt uitgesloten is, gaat mij veel te ver. In 2010 zijn er 280 vogelaanvaringen geweest bij Schiphol, waarvan gelukkig de consequenties nog te overzien waren, maar het zal maar gebeuren dat er een ernstiger ongeval plaatsvindt. We stellen elkaar vervolgens de vraag of en hoe we dit hadden kunnen voorkomen. Dat dilemma moet in deze discussie meegenomen worden. Het is meer dan zomaar even het idee van «nou, ze willen wat doen en ze komen met CO2 uit de hoge hoed». Er zit een heel groot en serieus maatschappelijk probleem onder.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik zei zojuist dat ik geen zin heb om het hele riedeltje opnieuw te doen. Dit kabinet negeert structureel belangrijk onderzoek in dit dossier. Ik vraag de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu of hij misschien weet wat het resultaat was van de grootschalige vergassingsactie van ganzen op Texel waarbij 4 000 dieren zijn gevangen en doodgemaakt en of hij er misschien van op de hoogte is dat deze populatie zich binnen no-time weer had aangevuld. Het kan dus nooit een duurzame, laat staan diervriendelijke oplossing zijn voor dit probleem.

Staatssecretaris Atsma: Wij komen in een later stadium terug op de totale problematiek van de ganzenoverlast bij Schiphol. Dan zal ik precies uiteenzetten wat er allemaal al is gedaan. Natuurlijk kennen wij de onderzoeken, maar wij weten ook dat wat we tot nu toe hebben gedaan, onvoldoende is. We komen er later op terug, maar ik wil het wel gezegd hebben omdat het te gemakkelijk is om te vervallen in een zwart-witdiscussie over dit wat mij betreft buitengewoon gevoelige onderwerp.

Voorzitter. Mevrouw Jacobi ging met name in op de risico's voor de mens van residuen in het oppervlaktewater. Zij wees terecht op het RIVM-onderzoek. Het RIVM heeft gekeken naar de effecten van het gebruik van dat water als drinkwater, van het zwemmen erin en van de visconsumptie. De conclusie van dat onderzoek was dat er geen, althans geen verontrustende, aanwijzingen zijn voor risico's voor de mens. Vervolgens vroeg mevrouw Jacobi zich af of we dan niet vooral moeten nadenken over een blootstellingsonderzoek. Ik koppel die vraag aan het verzoek van de Kamer van voor het reces. Ik meen dat ook de vragen van de Partij voor de Dieren daarbij een rol speelden. We hebben de Gezondheidsraad vervolgens gevraagd om onderzoek te doen naar de gevolgen en de risico's. De tussenrapportage van de raad is deze week al aan de Kamer gestuurd. Daarin staat dat eerst een blootstellingsonderzoek gedaan zou moeten worden. In die zin denk ik dat wij elkaar snel kunnen vinden. De Gezondheidsraad heeft gezegd dit volgend jaar mee te nemen. Hij wil eerst blootstellingsonderzoek doen en vervolgens naar de andere zaken kijken. Mijns inziens spoort dat met hetgeen mevrouw Jacobi inbracht. Zij stelde in haar inbreng dat zij onder andere in overleg met de GGD tot deze vraagstelling is gekomen. Ik kan bevestigen dat juist het grote aantal vragen dat bij de GGD binnenkomt reden is om de Gezondheidsraad hierbij in te schakelen. Wij hebben er ook naar verwezen.

Het Franse onderzoek waar mevrouw Jacobi naar verwees is ons niet bekend, maar ik denk dat het goed is dat wij dit signaal bij de Gezondheidsraad neerleggen. Het heeft immers weinig zin om zelf een en ander te gaan analyseren als de raad dit brede thema op verzoek van de Kamer oppakt. Mijns inziens is het verstandig om dit in die zin te doen.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot particulier gebruik en het overleg met de VNG. Dat is al in gang gezet; er zijn al gesprekken geweest. Het particulier gebruik hoort een eigen plek te krijgen in het nationaal actieplan dat in het eerste kwartaal van 2012 verschijnt. Als we daarin ingaan op het particulier gebruik, kan dat alleen maar als we het in samenspraak met de VNG doen. Dat is volstrekt logisch. Wat dat betreft wordt de Kamer op haar wenken bediend. Uiteraard gaan de resultaten ervan ook naar de Kamer toe.

Collega Bleker is al uitgebreid ingegaan op de toelatingsproblematiek en op het gebruik van de middelen. Ik stel mij zo voor dat ik daar inhoudelijk niet meer op in hoef te gaan, tenzij er specifieke vragen zijn die de gezondheid raken.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Van de Gezondheidsraad is een hele brij aan post gekomen.

De voorzitter: Hebt u een vraag? Zo direct is namelijk de tweede termijn.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb nog een kort punt. Ik heb in een tussenzinnetje gezegd dat er voor alternatieve middelen een traject moet worden uitgezet. Verder kan ik de gegevens van het Franse onderzoek aanleveren.

Staatssecretaris Atsma: Die zien wij graag tegemoet. Die specifieke punten zullen wij een-op-een doorgeleiden naar de Gezondheidsraad.

De heer Van Gerven (SP): Ik heb nog geen antwoord gekregen op mijn vraag over de herbeoordeling van glyfosaat.

De voorzitter: Die vraag is gericht aan staatssecretaris Bleker.

Staatssecretaris Bleker: Nadat daar publiciteit over is geweest, is in Europees verband besloten dat een Duitse minister nader onderzoek zou doen naar de vermeende schadelijke effecten voor de gezondheid, zoals kankerverwekkendheid. Duitsland heeft dat ook gedaan en heeft daarover gerapporteerd aan de Europese Commissie. Er is geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de veronderstelling te onderschrijven dat die vermeende schadelijke effecten er zijn. Deze methodiek is gevolgd, wat mij ook de juiste weg lijkt te zijn. Glyfosaat komt wel in veel hogere mate in oppervlaktewater voorkomt dan gewenst. Daar kan staatssecretaris Atsma het best op ingaan.

Staatssecretaris Atsma: In tweede termijn ga ik hierop in.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb een opmerking gemaakt en een vraag gesteld over de toelatingsprocedure voor microbials. Ik signaleer dat niet per se de toelatingsprocedure op zich, maar juist fijnslijperij, c.q. juridische zaken veel te lange procedures met zich brengen. Dat moeten we toch niet willen. Juist nieuwe technieken en biologische preparaten kunnen echt geweldig helpen op weg naar duurzaamheid. Ik verzoek de staatssecretaris om op dit punt actie te ondernemen.

Staatssecretaris Bleker: Voor dat punt geldt, net als voor de kleine toepassingen, dat dit wordt betrokken bij de reactie op het evaluatierapport van het centraal orgaan.

De voorzitter: Hiermee zijn we aan het eind van de eerste termijn gekomen. Ik noem de toezeggingen die tot nu toe zijn gedaan.

  • Dit najaar zal de staatssecretaris van EL&I de uitkomst van het literatuuronderzoek naar bijensterfte aan de Kamer sturen.

  • Indien er een positieve reactie is ten aanzien van de belemmeringen om Canadese bijenkoninginnen te importeren zal de staatssecretaris van EL&I aan de Kamer melden.

  • In oktober 2011 zal de staatssecretaris van EL&I de kabinetsreactie op het rapport van het Ctgb aan de Kamer sturen.

  • De staatssecretaris van EL&I zal het voorstel om ganzen met CO2 te doden in oktober aan de Kamer sturen.

  • Het nationaal actieplan over gewasbeschermingsmiddelen zal de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu in het eerste kwartaal van 2012 aan de Kamer sturen.

Bij dit algemeen overleg liggen twee voorhangprocedures voor. Ik wil graag in tweede termijn horen of deze kunnen worden ontstuit. We kunnen dan beoordelen of het kabinet ermee door kan gaan of dat we daar op een later moment op terugkomen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Kunnen de standpunten van de fracties later vandaag ook via e-mail worden geïnventariseerd?

De voorzitter: Als één lid aan deze tafel niet akkoord is, kunnen we per motie in een VAO tot iets anders besluiten of wat dan ook. Dan zullen de procedures gestuit blijven tot de stemming over de ingediende moties bij het VAO. We kunnen er ook op terugkomen in de procedurevergadering van aankomende dinsdag, wat het snelst is.

De heer Van Gerven (SP): Omdat er waarschijnlijk toch een VAO komt, is mijn voorstel om dit plenair af te ronden en er daarna over te stemmen.

De voorzitter: U hoeft zich daar al niet meer over uit te spreken, want er zijn al twee leden die een VAO willen. Het is dan per definitie nog niet ontstuit. Dat is pas het geval na de stemming over de moties.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Maar het is mogelijk dat deze moties niets te maken hebben met de voorhangprocedure. We moeten dit bij de procedurevergadering opnieuw voorleggen. Mogelijk kan dan een van de voorhangprocedures al wel ontstuit worden. Ik ga ervan uit dat de moties vooral gaan over de bijen et cetera.

De voorzitter: Ik doe een tussenvoorstel. Het volgende moment dat wij bij elkaar komen, is de procedurevergadering. Daarin zal blijken of Kamerleden van plan zijn om daar moties over in te dienen. Als dat niet het geval is en als blijkt dat er een meerderheid voor is, dan kunnen ze ontstuit worden. Kan de staatssecretaris daar ook mee leven? Hij heeft dan volgende week meer helderheid.

Staatssecretaris Bleker: Ik hoop dat de Europese Commissie ons die periode nog even geeft. Dat zal wel goed komen.

De voorzitter: We zijn toe aan de tweede termijn. De spreektijd bedraagt een minuut.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik ben blij met de ontwikkelingen rondom het blootstellingsonderzoek en het verdere traject. Ik wil wel op schrift ontvangen wat het vervolgtraject wordt.

Wat de import van de bijenkoninginnen uit Alberta betreft, de Canadese provincie die naar het schijnt aan alle eisen voldoet, zou ik graag een uiterste datum horen waarop wij tegemoet kunnen zien dat Nederland dit kan regelen voor de imkers, zodat wij sterkere bijen naar de koolzaadvelden kunnen brengen.

Ik wil, daarbij gesteund door de VVD, dat er sterkere maatregelen komen om de normoverschrijding van met name glyfosaat aantoonbaar te reduceren. Ik vind dat dit punt is blijven hangen.

Ik wil ook graag een antwoord hebben over de alternatieven, maar ik vermoed dat ik dit nog krijg.

Ik heb niets gehoord over algeheel stimulerende maatregelen om volkstuinen en dergelijke bijenvriendelijker te maken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik ben het oneens met de staatssecretaris dat we gewoon kunnen vertrouwen op het onderzoek voor de herbeoordeling door het Ctgb. Ik heb hem eerder al gewezen op aanvullende inzichten, zoals die van Cresswell. Hij kan hier een motie over tegemoet zien. Ik geef hem mee dat wij heel erg goed opletten wat er gebeurt bij het literatuuronderzoek dat nog volgt, waarover de staatssecretaris zegt dat mede op verzoek van de heer Van der Sluijs de meeleestermijn met een maand verlengd is. De staatssecretaris moet zich daarvan bewust zijn. Het is namelijk wat minder rooskleurig dan hij hier wil schetsen.

De belangrijkste vraag gaat over het punt dat de staatssecretaris heeft gezegd – hij moet mij corrigeren als ik het niet goed gehoord heb – dat geen CO2 wordt gebruikt bij het doden van ganzen. Dat staat echter letterlijk in zijn brief. Ook daarover zullen we een motie indienen. Nogmaals, wij maken daar grote bezwaren tegen. Dit is ook gericht aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Er is ook een vraag blijven liggen. De staatssecretaris heeft eerder ingegrepen toen een fabrikant van een bestrijdingsmiddel adverteerde met een vrolijk bijtje en de claim «bijvriendelijk». Dat is inderdaad aangepakt, maar op zijn website gebruikt deze producent alsnog het betreffende logo. Kan de staatssecretaris daar ook iets aan doen?

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Ik vraag de staatssecretarissen of zij willen reageren op het voorstel van de SP om nog een commissie naar de werkwijze van het Ctgb te laten kijken. Er is immers veel discussie over de onafhankelijkheid en het beoordelingsvermogen van het college. Graag een reactie daarop, anders komt hier een motie van onze zijde op.

Kan het kabinet nog ingaan op het feit dat de neonicotinoïden eigenlijk niet toegelaten hadden mogen worden op grond van milieucriteria? Ik heb de redenen net genoemd: persistentie in de bodem, uitspoeling en risico's voor waterorganismen.

Ik bied een simpele oplossing met betrekking tot de discussie over het punt dat er te veel gif in het water zit. Ik begrijp de VVD niet. We stellen een norm, maar als die norm bijvoorbeeld 1000 keer wordt overschreden, doen we niets. Schaf dan de norm af. Dan zijn we duidelijk: het maakt niet uit; laat maar gebeuren. Als je een norm stelt, zit daar handhaving aan vast. Als zo'n norm wordt overschreden, moeten we het bij de bron aanpakken. Dit houdt in dat er een stop op komt. We gebruiken die middelen niet meer totdat de zaak weer op orde is. Dat lijkt mij een heel eenvoudige maatregel en een helder uitgangspunt. Het hebben van minder regels en meer duidelijkheid moet het kabinet zeer aanspreken.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. Als we even teruggaan van allerlei maatregelen naar waar het eigenlijk allemaal om begonnen is, moeten we met elkaar vaststellen dat er vanuit verschillend perspectief een enorm belang is gemoeid met het terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en met het drastisch en op korte termijn terugdringen van de uitstoot daarvan naar het milieu, met name naar oppervlakte- en grondwater. Ik moet vaststellen aan de hand van deze discussie en van wat er in het afgelopen krappe halfjaar gebeurd is dat ik de vorderingen niet zie. Ik zie die ook niet voor het aspect van de bijensterfte, waarover we het uitvoerig hebben gehad in eerste termijn. Verder zie ik het ook nog niet zo heel erg. Ik zou zo graag willen dat er ten minste een benadering gekozen werd die ons in staat stelt om wat grotere slagen te maken.

Misschien zou daar één aanknopingspunt in kunnen zijn dat in elk geval het slot erop gaat voor alle toepassingen die niet direct en strikt noodzakelijk zijn voor economische teelten. Dit houdt namelijk in dat we over de glyfosfaten en de Roundup voor de verharde oppervlakken in gemeenten en in het groenbeheer simpelweg kunnen zeggen: het mag niet meer. Dat zou een significante stap kunnen zijn. Dan zouden we echt hard en snel werk kunnen maken van de afspraak die er al is, maar waar ik van alle kanten van hoor dat we die niet gaan halen, namelijk dat er per 2013 in de glastuinbouw geen uitspoeling meer zou zijn naar het oppervlaktewater. Het kan. Als ik bij een rozenkweker kom die nagenoeg niets meer gebruikt aan chemische bestrijdingsmiddelen en die 99% van het gebruikte water recirculeert, dan kunnen anderen dat ook. We hoeven ons niet door de hekkensluiters te laten leiden. Ik vraag actie van de staatssecretaris op dit punt.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik reageer allereerst op een uitspraak van de heer Van Gerven, die zeer verwijtend klonk. Ik heb goed geluisterd naar wat staatssecretaris Atsma zei. Volgens mij delen wij volledig de lijn. Ik deel in ieder geval de reactie van de staatssecretaris op wat de heer Van Gerven heeft gezegd, die het toch vanuit een andere invalshoek bekijkt.

Ik ben in die zin ook blij met de toezeggingen van staatssecretaris Bleker. Ik denk dat daar winst zit. We moeten snel middelen toe kunnen laten. In die zin is het Ctgb de allerbelangrijkste spil om snel actie te kunnen ondernemen. We kunnen dan ook nieuwe middelen met minder risico's en microbials snel toelaten. Dat is enkel winst in het kader van de duurzaamheid, waar wij volgens mij allen voorstander van zijn.

Ik ben ook blij met de toezegging dat het probleem voor niet-professionele middelen wordt opgelost. De wijze waarop het nu allemaal geformuleerd is, is te gek voor woorden.

We horen bij de procedurevergadering wel hoe de ontstuitingsprocedure verder verloopt. Wat ons betreft mogen beide zaken voorgehangen worden.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Uiterlijk in januari probeer ik duidelijkheid te krijgen over de Canadese bijenkoninginnen. Dan is er nog geen koolzaad en boekweit ingezaaid.

Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat het wel gaat om CO2. Er is wellicht sprake van een misverstand.

Ik zal kijken of wij kunnen interveniëren of ingrijpen op de genoemde website. Ik kan dit niet beoordelen, maar ik kijk er wel naar.

Tegen de heer Van Gerven zeg ik dat er een onafhankelijk evaluatieonderzoek van het toelatingsorgaan ligt. Daar krijgt de Kamer een reactie op. Daarna is aan de orde of zij dat voldoende onafhankelijk acht. Van onze kant bestaat er nu geen behoefte om daar nog eens overheen te gaan.

Staatssecretaris Atsma zal ingaan op de reductie van stoffen in het oppervlaktewater, net als op het terugdringen van het gebruik voor niet-economische toepassingen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik wil even kort reageren op wat de staatssecretaris heeft gezegd om te voorkomen dat er straks verwarring ontstaat. Volgens mij wordt boekweit en koolzaad nu wel ingezaaid, maar duurt het nog even voordat het in bloei staat. In die zin heeft de staatssecretaris nog even de tijd voor de kwestie van de bijenkoninginnen.

Staatssecretaris Bleker: Ik heb inderdaad nog even de tijd. De boekweit heeft gebloeid. Ik heb het zelf gezien op percelen waar ik vroeger nauw bij betrokken was en waar tientallen bijenkorven stonden. Indachtig mevrouw Ouwehand dacht ik: laten wij ook eens iets doen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb nog twee punten. Ik heb gevraagd om een traject om steeds meer te komen tot natuurvriendelijke alternatieven en ik heb gevraagd naar de kwestie van algehele maatregelen in het kader van vriendelijke tuinen en dergelijke. Ik denk daarbij ook aan het voorbeeld van de staatssecretaris dat 16 miljoen Nederlanders dat voorstaan.

Staatssecretaris Bleker: De volkstuinen zijn een gemeentelijke aangelegenheid, maar ik zal het punt agenderen bij de terreinbeherende organisaties en de organisaties voor particulier natuurbeheer of zij in hun gebruik van de gronden wat meer gewassen kunnen telen – dat moet natuurlijk wel op duurzame wijze gebeuren – waarmee de bijenpopulatie gediend is. Als je 3, 4 ha aan boekweit hebt ingezaaid weet je echt niet wat je ziet, en de bijen ook niet.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Bij de toenmalig minister van LNV hebben we vaker gepleit voor een structurele aanpak rondom biologische en natuurvriendelijke middelen, die heel moeilijk op de markt komen. Dat heeft waarschijnlijk te maken met economische macht en tegenmachten. Wat gaat de staatssecretaris daaraan doen?

Staatssecretaris Bleker: Wij stimuleren niet feitelijk die ontwikkeling, want het gaat om een zaak die uit de markt en het bedrijfsleven moet komen. Over kleine toepassingen hebben we gezegd dat de aanvraag financieel kan worden ondersteund. Er zijn ook zeer grote bedrijven die biologische middelen ontwikkelen en hebben ontwikkeld en die succesvolle aanvragen hebben gedaan. Die worden gewoon op een nette, correcte manier en snel behandeld.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil dit even doorkoppen naar de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, die in overleg is met de VNG over het actieplan bestrijdingsmiddelen. Ik wil weten of de volkstuinen en de inrichting van het openbaar groen onderdeel zijn van die bespreking. Wordt er besproken dat het openbaar groen zo moet worden ingericht dat nuttige insecten daar profijt van hebben en wordt er besproken dat er een bijdrage geleverd kan worden aan het terugdringen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen?

De voorzitter: Staatssecretaris Atsma zal daar zo direct op antwoorden, maar eerst heeft mevrouw Snijder nog een vraag aan staatssecretaris Bleker.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): De staatssecretaris zei dat er een kabinetsreactie volgt op de evaluatie inzake het Ctgb. Wanneer komt deze?

Staatssecretaris Bleker: Dat is toegezegd: in oktober.

Staatssecretaris Atsma: Op de vraag van mevrouw Ouwehand kan ik niet anders dan bevestigend antwoorden. In het actieplan moet niet alleen worden ingegaan op particuliere tuinen en wat je daarmee zou kunnen doen, maar spreekt de VNG ook met name over het beheer van het openbaar groen. Dat laat onverlet de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenten op dit punt. Je kunt van alles willen, maar niet alles is Europeesrechtelijk gezien mogelijk.

Mevrouw Jacobi richtte zich, in aansluiting op wat de heer Van Gerven heeft gevraagd, met name op de overschrijding van de norm voor glyfosaat in het oppervlaktewater. In het actieplan zal hier nadrukkelijk op moeten worden ingegaan. Dat is volstrekt vanzelfsprekend. Als het gaat om drinkwater en datgene wat een van de primaire levensbehoeften is voor mens, dier en plant, moet je daar aandacht aan besteden. Dat zullen we ook zeker doen. Ik heb al gezegd dat het actieplan in het eerste kwartaal van volgend jaar naar de Kamer komt. We zullen daar dan expliciet aandacht voor vragen. Het zal aansluiten op de toelating van het middel, die het Ctgb dit jaar nog heeft aangepast. We zullen zeker nog een keer benadrukken dat voor professioneel gebruik certificering nodig is. Het oogmerk van dit alles is dat we datgene wat niet in het water hoort, terug willen dringen. Mevrouw Jacobi heeft daar in eerste termijn aandacht voor gevraagd. Het komt terug in het actieplan.

De voorzitter: Tot zover de tweede termijn. Er zijn geen nieuwe toezeggingen gedaan.

Er is een VAO aangevraagd, met als eerste spreker mevrouw Ouwehand. Moeten beide staatssecretarissen daarbij aanwezig zijn? Dat maakt het plannen namelijk lastiger.

De heer Van Gerven (SP): Dat hangt van de indieners van de moties af. Ik denk dat we ervan uit moeten gaan dat beiden acte de présence geven.

De voorzitter: Zij zullen er beiden bij aanwezig zijn.

Het AO is een uur eerder afgerond dan was gepland. Zo kan het ook.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): We hebben ons braaf gehouden aan de door u vastgestelde spreektijd, maar die had dus langer gekund. Ik had daar ook gebruik van willen maken. «Zo kan het ook» vind ik iets te blijmoedig uitgesproken.

De voorzitter: Ik vind het prettig om compact te vergaderen. Ik vraag mij af of wij volledige drie uur nodig zouden hebben gehad. Sowieso doe ik altijd een voorstel voor de spreektijd. Als u daarmee instemt, pik ik die tijd in. De volgende keer moet u over de spreektijd en het aantal interrupties een opmerking maken. U weet hoe zoet ik ben in uw handen; als u mij tegenspreekt, luister ik daar altijd goed naar.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): We kennen u als zeer bereidwillig.

De voorzitter: Precies.

Ik sluit de vergadering.

Volledige agenda

1. Reactie op verzoek commissie n.a.v. promotieonderzoek Radboud Universiteit over »Mogelijke afwijking bij zonen door bestrijdingsmiddel»

2011Z08457 – Brief regering d.d. 20-04-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

2. Wijzigingen toelatingen na herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)

32 372-48 – Brief regering d.d. 28-04-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

3. Besluit schorsing van drie spuit- en aangiettoepassingen van neonicotinoïden voor niet-professioneel gebruik

32 500-XIII-196 – Brief regering d.d. 01-06-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

4. Reactie RIVM en Ctgb op promotie-onderzoek Radboud Universiteit

32 372-52 – Brief regering d.d. 06-06-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

5. Onderzoek naar de effecten van neonicotinoiden op de humane gezondheid

32 372-51 – Brief regering d.d. 06-06-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

6. Voorhang ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen

32 372-47 – Brief regering d.d. 29-03-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

7. Antwoorden op vragen in het kader van een verslag van een schriftelijk overleg inzake Voorhang ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen

32 372-49 – Brief regering d.d. 24-05-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

8. Wijzigingsopdrachten van het ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen, behorende bij het eerder gezonden ontwerpbesluit (zie Kamerstuk 32 372, nr. 47)

32 372-50 – Brief regering d.d. 26-05-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

9. Verslag schriftelijk overleg inzake de voorhang ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen

32 372-54 – Brief regering d.d. 14-06-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

10. Publicatie wijziging Besluit beheer en schadebestrijding dieren inzake gebruik van biocide

32 372-55 – Brief regering d.d. 06-06-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

11. Bijensterfte. Resultaten eerste jaar bijenonderzoek en aanvullend onderzoek naar effecten neonicotinoïden

32 372-53 – Brief regering d.d. 21-06-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

12. Inwerkingtreding wijzigingsbesluit inzake gebruik van biocide bij beheer en schadebestrijding

32 372-56 – Brief regering d.d. 24-06-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

13. Bijenimport vanuit Canada

21 501-32-507 – Brief regering d.d. 14-07-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

14. Beantwoording vragen commissie ELI over gewasbeschermingsmiddelen en bijensterfte

32 372-58 – Brief regering d.d. 15-07-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

15. Rapportage inzake de herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen die behoren tot neonicotinoïden voor het onderdeel (subletale) effecten op bijen

32 372-57 – Brief regering d.d. 18-07-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

16. Reactie op een onderzoek van Li et al. naar de effecten van neonicotinoiden op de humane gezondheid

2011Z16389 – Brief regering d.d. 24-08-2011

staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

17. Reactie op motie Jacobi c.s. (32 500 XIII, nr. 190) over risico's voor de mens door gewasbeschermingsmiddel imidacloprid in oppervlaktewater

32 372-59 – Brief regering d.d. 25-08-2011

staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J.J. Atsma