Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De stapeling van overtredingen en niet voldoen aan wet- en regelgeving door Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Wanneer heeft u de brief die de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) op 23 april 2026 naar Tata Steel verstuurde, die ziet op de intrekking van de vergunningen voor de Kooksgasfabrieken (KGF) 1 en 2, ontvangen?
De Ministeries van EZK en IenW hebben de brief op 23 april 2026 ter informatie ontvangen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG).
Wanneer wist u dat de ODNZKG voornemens was de vergunningen van de KGF 1 en 2 in te trekken? Kunt u aangeven of dit voor of na het plenaire debat van 7 april jl. was?
De ministeries zijn op 20 april jl. mondeling vertrouwelijk geïnformeerd over de situatie. Dat is dus na het plenaire debat van 7 april 2026. Voor Kooksgasfabriek 2 geldt dat de OD NZKG al eerder heeft aangegeven intrekking van de vergunning te overwegen, daar liep immers al een aanzeggingsprocedure.5
Indien u de brief op hetzelfde moment of rond dezelfde tijd ontving: waarom heeft u die brief dan niet meteen met de Kamer gedeeld?
Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. Het is dan ook allereerst aan de provincie en de OD NZKG om publiekelijk te informeren over stappen op dit gebied. De Kamer is steeds zo snel mogelijk daarna geïnformeerd in het kader van het maatwerktraject, bijvoorbeeld met de brief van 19 mei jl.6
Bent u het ermee eens dat de Staat zeer zorgvuldig en terughoudend moet omgaan met het uitgeven van geld van burgers aan een commercieel, Indiaas bedrijf, al helemaal in tijden waarin het kabinet kiest voor harde bezuinigingen op o.a. de Nederlandse zorg? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het (algemene) principe dat er zeer zorgvuldig omgegaan moet worden met de besteding van middelen. Het kabinet heeft de intentie om deze subsidie te verstrekken aan Tata Steel Nederland omdat verduurzaming van het bedrijf hiermee mogelijk wordt gemaakt en dit tot positieve effecten voor het klimaat en het milieu leidt. Het kabinet toetst de haalbaarheid van de plannen en de businesscase van het bedrijf (doorlopend) zorgvuldig en maakt hierbij ook gebruik van externe deskundigen. In de uiteindelijke overeenkomst zullen allerlei (financiële) zekerheden door de staat gevraagd worden aan TSN. Voor de staat is het essentieel dat de ondersteuning gebruikt gaat worden voor het beoogde doel: gezondheidswinst en verduurzaming van de productiefaciliteit.
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren in debatten en in schriftelijke vragen van de afgelopen jaren de regering er meermaals op heeft gewezen dat Tata Steel zich al jaren niet houdt aan wet- en regelgeving en dat er een grote kans bestaat dat niet alleen KGF 2, maar ook KGF 1 gedwongen dicht moet, dat dat het plan waar de Staat over aan het onderhandelen is zou veranderen en dat geld geven aan Tata Steel een extra risico vormt voor de belastingbetaler? Zo ja, bent u het ermee eens dat deze signalen te licht zijn opgevat in het verleden, en hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort signalen in de toekomst evenwichtig worden meegenomen?
Het kabinet is zich bewust van de diverse handhavingszaken die bij het bedrijf lopen. Hierover is de Kamer in de afgelopen jaren ook regelmatig geïnformeerd.7
Het is mede om die reden dat het kabinet in de Joint Letter of Intent (JLoI) specifieke afspraken overeen is gekomen op het gebied van compliance en cultuur. Zo is in artikel 12.4 van de JLoI vastgelegd dat het bedrijf een cultuurverandering moet doormaken en de control en compliance van haar operaties moet verbeteren. TSN moet hiervoor een plan aanleveren bij de staat. Dit plan wordt extern getoetst. Dit is belangrijk om tot een maatwerkafspraak te komen en het kabinet is hier dan ook intensief over in gesprek met het bedrijf. Daarnaast zijn in de JLoI ook afspraken vastgelegd met als doel om de (financiële) risico's voor de staat te minimaliseren.
Zoals in de eerdere Kamerbrief aangegeven8 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Bent het ermee eens – tegen de achtergrond dat de omgevingsdienst overgaat tot intrekking van de vergunningen voor beide kooksfabrieken, omdat Tata Steel de normen stelselmatig jarenlang overschrijdt en er geen reden is om te veronderstellen dat dat nog gaat veranderen – dat er in lijn met de Joint Letter of Intent (JLoI) art.15.3 (d) sprake is van een (potentiële) opzeggingsgrond? Waarom wel/niet?
Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop primair bij het bevoegd gezag – in dit geval de provincie Noord-Holland – ligt, is compliance van TSN van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Zoals opgenomen in het antwoord op vraag 5 moet TSN een plan aanleveren bij de staat voor het verbeteren van de compliance en cultuur. Dit plan wordt extern getoetst. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Bent u voornemens deze opzeggingsgrond aan te wenden om de inspanningsverplichting te stoppen, aangezien in de kabinetsbrief van 7 april jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 350) wordt gesteld dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft»? Zo nee, kunt u dat heel nauwkeurig onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gebeurt er op het moment dat uit het lopende strafrechtelijk onderzoek1 blijkt dat Tata Steel opzettelijk en onrechtmatig de gezondheid van mensen in gevaar heeft gebracht? Welke invloed heeft het lopende onderzoek op de gesprekken over de maatwerkafspraken?
Hoewel de vraag begrijpelijk is, kan het kabinet niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomsten van een onafhankelijk strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging. Het kabinet hecht zeer aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven. Daarom gelden bepaalde uitkomsten van onderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen ook als mogelijke opzeggrond voor de JLoI. Bij de vormgeving van de definitieve maatwerkafspraak wordt hier rekening mee gehouden.
Kunt u bevestigen dat er geen enkele invloed op de ILT en de ILT-IOD, direct of indirect, wordt uitgeoefend vanuit het ministerie in hun werk rondom Tata Steel en dat de instanties onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraken tot hun oordeel kunnen komen?
De ILT en ILT-IOD doen hun onderzoek onafhankelijk en kunnen dus ook onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraak tot hun oordeel komen.
Bent u ermee bekend dat experts zeggen dat KGF 2 zo verouderd is dat het al in de jaren negentig gesloten had moeten worden, maar dat het nooit gebeurd is, omdat kortetermijnwinst belangrijker werd geacht dan de gezondheid voor omwonenden?
Het kabinet verwijst hiervoor naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen uit 2023.10 Zie verder het antwoord op vraag 5 t/m 7.
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het stilleggen van een bedrijfsonderdeel door Tata Steel op verzoek van de toezichthouder, omdat na metingen is gebleken dat het te veel van de kankerverwekkende stof chroom-6 uitstoot? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overschrijden van verschillende normen voor gevaarlijke stoffen bij de Sinterfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overtreden van regels bij de Oxystaalfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het feit dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat Tata Steel toezicht en controles belemmert en vertraagt? Welke consequenties zijn er vanuit het kabinet richting Tata Steel als belemmering en vertraging van de toezichthoudende taken nogmaals worden geconstateerd?
Wat vindt u ervan dat de omgevingsdienst al in 2025 heeft geconstateerd dat Tata Steel een aanzienlijk hogere uitstoot van schadelijke stoffen rapporteert in het elektronisch milieujaarverslag (e-MJV) van 2024 ten opzichte van voorgaande jaren, en dat de omgevingsdienst nog steeds geen goede verklaring voor deze veel hogere uitstoot heeft ontvangen van Tata Steel? Wat zegt dit over de bedrijfscultuur en betrouwbaarheid van Tata Steel?
De OD NZKG is vaker eigen metingen gaan uitvoeren en heeft daarmee meer inzicht gekregen in de emissies van het bedrijf. Zo heeft de OD NZKG in 2024 stoffen gemeten die niet eerder door Tata Steel zijn gemeten of gerapporteerd. Ook meet de OD NZKG op meerdere plaatsen op andere manieren dan het staalbedrijf dat zelf eerder heeft gedaan. Tata Steel heeft deze nieuwe metingen op aandringen van de OD NZKG meegenomen in het e-MJV over 2024. Er kunnen ook andere oorzaken zijn voor verschillen tussen uitstootgegevens, bijvoorbeeld wijzigingen in de productie- of procesomstandigheden van de fabriek.
Verder is het noodzakelijk dat Tata Steel zich open en transparant opstelt om te voorkomen dat dit soort zaken zich in de toekomst opnieuw voordoen. Dit is ook afgesproken in artikel 8.2 van de JLoI, waarin Tata Steel zich heeft gecommitteerd om te onderzoeken hoe onafhankelijke en transparante monitoring versterkt kan worden.
Klopt het dat Tata Steel tot nu toe meer dan 25 miljoen euro aan boetes heeft moeten betalen voor het overtreden van regels? Zo nee, wat is het bedrag precies?
Navraag bij de OD NZKG levert op dat Tata Steel in de periode 2025–2026 € 22.215.000 aan dwangsommen heeft voldaan. Op de website van de OD NZKG is een overzicht te zien van alle handhavingsacties, zo ook het verbeuren van dwangsommen.12
Wat vindt u van de cultuur van het buitenlandse bedrijf, dat zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt, handhaving en toezicht traineert en belemmert, onvolledige of misleidende cijfers en informatie deelt, door de toezichthouder «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, en onvoldoende en ontijdig heeft geïnvesteerd in gezonde bedrijfsvoering en onderhoud?
Een goede cultuur is van belang om compliant te kunnen zijn met regelgeving. De cultuurverandering die in de JLoI (artikel 12.4) genoemd wordt, moet eraan bijdragen dat het bedrijf zich proactief en transparant opstelt in het voldoen aan de wet- en regelgeving. Zie hiervoor ook antwoord 5 t/m 7.
Welke risico’s voor de maatwerkafspraken, de Staat en de belastingbetaler zijn er door de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving (waarvan een aantal in vorige vragen genoemd), de bovengeschetste cultuur van het bedrijf en door de lopende rechtszaken? Kunt u met de Kamer delen welke adviezen u daarover heeft ontvangen?
Het kabinet zal een analyse van de juridische consequenties en risico’s voor de staat van (bepaalde bepalingen uit) de maatwerkafspraken laten uitvoeren door een externe juridisch adviseur. Dat is conform de motie Van Oosterhout en Kostic,13 ingediend tijdens het debat over de JLoI met Tata Steel op 7 april jl. Deze analyse is op dit moment nog niet beschikbaar. Voor het belang van een transparant en compliant bedrijf, zie antwoorden op de vragen 5 t/m 7.
Kunt u uitgebreid uitleggen en onderbouwen hoe u de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving en lopende onderzoeken en rechtszaken beoordeelt vanuit art.15.3 van de JLoI?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met deze situatie.
Aangezien u eerder schreef dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft», en Tata Steel zich al jaren niet aan wet- en regelgeving houdt, tot wanneer precies geeft u Tata Steel de tijd om eindelijk aan de wet- en regelgeving te voldoen?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet hiermee omgaat.
Kunt u uitsluiten dat u een maatwerkafspraak maakt met Tata Steel, als het bedrijf zich nog steeds niet aan wet- en regelgeving kan houden? Zo nee, wat is dan uw uitspraak over het belang van naleving van wet- en regelgeving waard?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vragen 6 en 7 dienen bedrijven in Nederland zich aan de wet te houden, ook TSN. Compliance van TSN is van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Aangezien Tata Steel zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt en door toezichthouders «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, welk signaal denkt u dat het afgeeft dat de Staat alsnog bereid is om zo’n bedrijf belastinggeld te geven? Waarom zou u Tata Steel belonen voor het jarenlang overtreden van regels, het traineren van handhaving en toezicht, het onvoldoende investeren in onderhoud en tijdige vervanging van fabrieken en het uitstoten van te veel kankerverwekkende stoffen waar mensen aantoonbaar ziek van worden?
De maatwerkafspraak waarover het kabinet onderhandelt met Tata Steel dient ertoe afspraken met het bedrijf te maken om te komen tot CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving voor gezondheid van omwonenden. Dit is de snelste manier om, binnen een bredere belangenafweging, tot een verbetering van de leefomgeving rond het bedrijf en klimaatwinst te komen.
Zoals eerder in deze beantwoording al benoemd is onderdeel van de JLoI het verbeteren van de cultuur en compliance. In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met dit onderwerp.
Hoe beïnvloedt het vroegtijdig sluiten van KGF 2 en met name KGF 1 de levensvatbaarheid van de plannen zoals vastgelegd in de JLoI, aangezien het originele plan op basis waarvan de Staat de onderhandelingen in is gegaan, uitgaat van het nog jarenlang openhouden van KGF 1? Op welke onafhankelijke experts baseert u zich hierin?
Zoals eerder aangegeven14 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Zoals bekend toetst het kabinet of de plannen van het bedrijf haalbaar zijn en leiden tot een levensvatbaar bedrijf. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en businesscase juridisch, technisch en financieel te toetsten, zoals KPMG en Mott Macdonald. Ook de Europese Commissie (EC) hanteert als uitgangspunt voor steunverlening dat een bedrijf economisch levensvatbaar moet zijn.
Hoe ziet het plan van Tata er dan nu precies uit, welke wijzigingen zijn/worden gemaakt ten opzichte van het plan op basis waarvan de Staat een JLoI is aangegaan?
De provincie Noord-Holland en de OD NZKG volgen voor de intrekking van de vergunningen een zorgvuldige procedure. Voor beide KGF’en is een vooraankondiging gestuurd. Hierna volgen ontwerp-intrekkingsbesluiten, waarop zienswijzen ingediend kunnen worden. Na het wegen van de zienswijzen, volgen definitieve intrekkingsbesluiten van de vergunningen. Voor de termijn waarbinnen sluiting plaats moet vinden worden onder andere het gedrag van de overtreder, de milieueffecten van de sluiting zelf, de bescherming van het milieu in het algemeen, verschillende technische aspecten en de bedrijfsvoering van Tata Steel in overweging genomen. De provincie Noord-Holland heeft recent ook een brief gestuurd waarin uitgebreide toelichting staat over dit proces15. Wanneer er meer duidelijkheid is over de termijn waarop sluiting plaats moet vinden, kan ook inzichtelijk gemaakt worden of en in hoeverre de huidige plannen aangepast moeten worden. Zodra hierover meer bekend is zullen wij de Kamer informeren.
Aangezien Tata Steel Nederland in 2025 een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert, welk financieel risico neemt de Staat bij de toekenning van 2 miljard euro subsidie? Hoe is dit risico bepaald en afgewogen en kunt u de exacte onderbouwing daarvan delen met de Kamer?
In het proces wordt er doorlopend getoetst op de levensvatbaarheid van het bedrijf en de (langetermijn) vooruitzichten. Dit gebeurt zowel door externe adviseurs van de staat als door de EC aangezien er op basis van het staatssteunkader dat van toepassing is geen staatssteun mag worden verleend om een verlieslatend bedrijf overeind te houden.
Daarnaast is de staat voornemens om garanties en zekerheden in te bouwen in de maatwerkafspraak. Zo wordt de maximaal 2 miljard euro aan subsidie niet in één keer overgemaakt, maar in tranches na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen en na bewijs van gemaakte kosten en volledige financiering van het project. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. Door aan de voorkant zekerheden voor de verstrekte tranches te stellen kan in het uiterste geval het uitbetaalde voorschot worden teruggevorderd.
Tot slot kijken TSL en externe financiers ook kritisch naar de financiering van hun eigen investering en de levensvatbaarheid van het bedrijf voor er geld beschikbaar wordt gesteld.
Is dit risico volgens u nog verantwoord, nu de materiële en financiële situatie bij Tata Steel Nederland volledig anders is dan bij het ondertekenen van de JLoI en nu de auditor van Tata Steel spreekt van «material uncertainty to going concern»?2 Kunt u nauwkeurig onderbouwen waarom wel/niet?
De eerdere sluiting van de Kookgasfabrieken heeft naar verwachting impact op het verdienvermogen van het bedrijf. Het bedrijf moet haar processen versneld aanpassen en dit brengt kosten en risico's met zich mee. Om die reden heeft TSL ook melding gemaakt over deze materiële onzekerheden. Het doen van deze melding in het jaarverslag is immers een verplichting voor beursgenoteerde ondernemingen zoals TSL. Zoals hiervoor aangegeven wordt de mogelijke impact op de maatwerkafspraak nog verder onderzocht.
Hoe verhoudt de geambieerde staatssteun zich nog tot de financiële feiten, gezien het oordeel van de auditor van Tata Steel dat de aangekondigde intrekking van vergunningen «material uncertainty to going concern» oplevert, gezien het feit dat Tata Nederland een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert én gezien het feit dat volgens Europese regels geen staatssteun gegeven mag worden aan een financieel noodlijdend bedrijf? Hoe onderbouwt u dit en op welke onafhankelijke experts baseert u zich?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is TSL, in het kader van de accountantsverplichtingen die TSL als beursgenoteerd bedrijf heeft, verplicht elke zogenaamde materiele onzekerheid over de continuïteit van de onderneming te vermelden.
Daarbij betekent het feit dat het bedrijf een verlies heeft gemaakt van ruim 200 miljoen euro nog niet dat het bedrijf ook een financieel noodlijdend bedrijf is. Zoals eerder aangegeven wordt momenteel onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft. Hierbij wordt ook de levensvatbaarheid van het bedrijf en de financiële haalbaarheid betrokken.
Heeft u naar aanleiding van de ontstane situatie al contact gehad met de Europese Commissie, die de eventuele subsidie moet goedkeuren in lijn met de Europese regels? Zo ja, kunt u de inhoudelijke reactie van de Commissie met de Kamer delen?
Vooruitlopend op formele toetsing door de EC, wordt informeel met de EC gesproken over alle voor de staatssteunbeoordeling relevante aspecten. Gelet op het informele en vertrouwelijke karakter van het overleg van de EC worden geen inhoudelijke reacties van de EC gedeeld. Voor zover er (financiële) gevolgen zijn voor de plannen en de businesscase, wat naar verwachting zo zal zijn zoals in antwoord 25 aangegeven, is dit relevant voor de formele beoordeling van de EC. Op dit moment zijn de consequenties nog niet precies bekend en kan dus ook geen beoordeling op grond van de staatssteunregels worden gemaakt. Helder is dat het bedrijf zich aan de wet- en regelgeving dient te houden, dat geen staatssteun mag worden verleend voor activiteiten die niet aan Europese regelgeving voldoen en dat een eventuele maatwerksubsidie moet (blijven) voldoen aan de Europese voorwaarden voor staatssteun onder het geldende staatssteunkader, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 (CEEAG).
Aangezien tijdens de aandeelhoudersvergadering op 16 mei jongstleden CEO Thachat Narendran de volgende uitspraak over de winstgevendheid van Tata Steel Nederland bij het sluiten van de beide kooksfabrieken heeft gedaan: «So going forward, if the coke ovens close, we expect it to continue to be EBITDA positive, maybe making less EBITDA than we had hopefully would make, but it will always be EBITDA positive. And so far, the Netherlands operation has operated without any support from India. So I think we expect that to continue»3, onderschrijft de Minister dat de overgangstermijn voor het sluiten van de beide kooksgasfabrieken beperkt kan worden tot de technische haalbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 24 volgen de provincie Noord-Holland en de OD NZKG een zorgvuldige procedure, waarin verschillende belangen gewogen worden. De OD NZKG heeft (in mandaat van de provincie Noord-Holland) de expertise om te bepalen welke termijn Tata Steel krijgt voor een veilige, verantwoorde en gecontroleerde sluiting.
Is de datum van de sluiting van de kooksgasfabrieken onderwerp van de onderhandelingen, of is dit een zuiver technische afweging van de omgevingsdienst?
De datum van de sluiting is een afweging van het bevoegd gezag. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 24.
Wat vindt u ervan dat de omwonenden al heel lang aandringen op sluiting van de kooksgasfabrieken wegens jarenlange overtredingen van de regels, maar dat Tata Steel de provincie Noord-Holland en de Tweede Kamer steeds heeft voorgehouden dat het een vroegtijdige sluiting van alleen al KGF 2 financieel niet kan dragen?
Het klopt dat hier sprake is van een andere positie van het bedrijf dan voorheen. Hierover is navraag gedaan bij het bedrijf. Het bedrijf geeft aan dat het in de context van de handhavingstrajecten door de OD NZKG en in reactie op de aanvullende normen uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), waar KGF1 niet op korte termijn aan kan voldoen, op basis van nieuwe inzichten is gaan kijken naar mogelijkheden om de Kooksgasfabrieken eerder te sluiten en de financiële gevolgen hiervan. Zoals bekend zijn hier ook gesprekken met de staat over gevoerd.18
Deze ontwikkeling benadrukt het belang van zorgvuldige en onafhankelijke beoordeling van de plannen en de businesscase, wat de staat dus ook doet met financieel adviseur KPMG en ook de beoordeling van de EC voordat eventuele goedkeuring voor de staatssteun wordt verleend.
Het kabinet wil nogmaals benadrukken dat de staat alleen bovenwettelijke maatregelen kan steunen en niet meer steun zal verlenen dan zij in de JLoI maximaal heeft toegezegd.
Beweert Tata Steel nu wel die vroegtijdige sluiting van de kooksgasfabrieken te kunnen betalen en, zo ja, hoe en wat is er dan precies veranderd in die korte tijd?
Zie antwoord vraag 31.
Gezien artikel 15.4 van de JLoI waarin opzeggronden voor Tata zijn bepaald voor de inspanningsverplichting rondom de maatwerkafspraken, hoe interpreteert u deze zin uit het persbericht van Tata India: «Tata Steel Netherlands is also engaged with the regulators on evolving standards relating to classification and disposal of steel slag, where local requirements in Netherlands now not only exceed EU standards but are threatening to become infeasible.»?
De inhoud van deze presentatie laat ik voor rekening van het bedrijf. Het kabinet maakt een eigenstandige afweging over het al dan niet aangaan van de maatwerkafspraak en over beleid en wet- en regelgeving. Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven maakt de staat beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid. De opzeggronden in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in, noch geven ze enige financiële garanties of enig recht op subsidies aan TSN.19
Aangezien de beslisnota van 18 mei schrijft dat het kabinet een vinger aan de pols hierover houdt en dat wordt onderzocht of en, zo ja, welke implicaties dit voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, kunt u precies uitleggen wat u bedoelt met het onderzoek en welke implicaties mogelijk zijn?
Zoals aangegeven in de beslisnota van 18 mei jl. heeft TSL in het jaarverslag aangegeven dat TSN in gesprek is met de regelgevende instanties over de classificatie en verwijdering van staalslakken. De lokale eisen in Nederland overschrijden momenteel volgens TSL de EU-normen en dreigen onhaalbaar te worden. Naar aanleiding hiervan heeft de staat haar technische en financiële adviseurs gevraagd deze ontwikkeling en de implicaties voor de maatwerkafspraak te onderzoeken.
Houdt u daarbij de uitvoering van de opdracht van de moties-Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343) en -Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) nog scherp, en zorgt u ervoor dat onderhandelingen over de maatwerkafspraken op geen enkele manier invloed hebben op de noodzakelijke beleidsstappen die moeten worden gezet om mens, dier en milieu (uit voorzorg) te beschermen tegen staalslakken?
Het kabinet heeft deze moties scherp. Zoals eerder ook aangegeven laten de JLoI en beoogde maatwerkafspraak met TSN de mogelijkheden voor het kabinet om nationaal beleid op staalslakken aan te passen onverlet.20 Daarbij staan ook in de maatwerkafspraak de verbetering van gezondheid en leefomgeving centraal.
Hoe interpreteert u het feit dat in het laatste kwartaalverslag van Tata Steel India voor het eerst in twee jaar (en dus acht kwartaalverslagen) het «Groen» Staalplan en de maatwerkafspraken niet worden genoemd in de investeerderspresentatie?
De inhoud van deze investeerderspresentatie laat het kabinet voor rekening van het bedrijf.
Aangezien Tata India investeerders liet weten dat er onzekerheid is rondom de plannen in Nederland en de CFO tijdens de investors call zei; «there is an alternative path forward too», bent u op de hoogte van dat alternatieve pad? Zo ja, kunt u de Kamer daar zo snel mogelijk, maar in ieder geval bij de beantwoording van deze vragen, schriftelijk over informeren?
Het kabinet is niet bekend met een alternatief pad.
Bent u zelf ook bezig met een plan B, tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen voor de inwoners van de IJmond en meer specifiek de werknemers van Tata Steel? Waarom wel/niet? Zo ja, kunt u de Kamer dan zo snel mogelijk informeren over alternatieve plannen?
Zoals in de beantwoording van eerdere Kamervragen21 al aangegeven, zet het kabinet in op een maatwerkafspraak met TSN. Met een maatwerkafspraak met TSN wil het kabinet de verduurzaming en het schoner worden van de staalproductie met oog op de gezondheid van omwonenden in de IJmond helpen realiseren en de staalindustrie, en de economische en strategische waarde daarvan, behouden in Nederland. Er wordt nog onderzocht of en zo ja welke implicaties het intrekken van de vergunningen heeft voor de maatwerkafspraak met het bedrijf. Op basis van die uitkomsten worden vervolgstappen geformuleerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór half juni 2026 beantwoorden, gezien de urgentie?
Vanwege de hoeveelheid vragen en de benodigde interbestuurlijke afstemming is het niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Het kabinet snapt dat dit bericht vragen oproept. Het besluit over het beloningsbeleid van een private onderneming is echter aan de onderneming zelf. Wel is in artikel 10 van de Joint letter of intent (JLoI) met Tata Steel Nederland (TSN), Tata Steel Limited (TSL) en de Provincie Noord-Holland (PNH) opgenomen dat de onderneming een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid voert. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
In artikel 10 van de JLoI is opgenomen dat TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking in een maatwerkovereenkomst.
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
De gesprekken over de uitwerking van de JLoI lopen op dit moment en ik kan dan ook niet vooruitlopen op de precieze invulling van deze afspraken. Conform artikel 10 JLoI, is het de inzet van partijen om tot afspraken te komen over het beloningsbeleid in een maatwerkafspraak.
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Ja.
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
In artikel 7 van de JLoI zijn afspraken gemaakt over de investering en financiering van en door TSL en TSN. Deze afspraken laten de investeringsbereidheid van TSL en TSN zien. Ook is duidelijk dat de staat maximaal 2 miljard zal bijdragen. De verdere uitwerking van de JLoI is onderwerp van gesprek en daar kan het kabinet nu niet op vooruitlopen. Zoals bekend vindt de staat het belangrijk dat TSL significant bijdraagt en op enige wijze garant staat en dit komt dus ook duidelijk naar voren in de afspraken die in de JLoI zijn gemaakt.
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Het is in beginsel aan het bedrijf zelf om de financiering precies uit te werken. Hierover wordt gesproken in de onderhandelingen voor de maatwerkovereenkomst.
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
De verdeling van de financiële bijdrage is vastgelegd in de JLoI die onder andere door de staat, TSL en TSN ondertekend is. In de JLoI staat opgenomen dat de totale investeringskosten voor de projecten tussen de 4–6,5 miljard euro zijn. De bijdrage van de staat is gemaximeerd op 2 miljard euro, ongeacht waar het bedrag in de bandbreedte van 4–6,5 miljard euro op uitkomt. Er staat in artikel 7.1.1. sub a van de JLoI dan ook expliciet opgenomen dat de staat niet verantwoordelijk is voor eventuele benodigde resterende financiering bovenop dit bedrag. De investering van TSL en TSN en de bijdrage van de staat zijn proportioneel en dienen in lijn te zijn met de Europese regels voor staatssteun. Als de investering van TSN en TSL lager uitvalt dan de verwachte bandbreedte zal de bijdrage van de staat ook lager worden. TSL en TSN dragen het risico als de kosten hoger worden dan voorzien.
De extreem lage gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energietekort dreigt komende winter door extreem lage gasvoorraad: huishoudens staan voor hogere energierekening»?1
Ja
Hoe reageert u op de waarschuwingen van de Gasunie dat het vultempo van de gasvoorraden zorgelijk laag is om voor komende winter huishoudens en bedrijven genoeg buffer te bieden, dat het besluit over de aanleg van een strategische gasvoorraad te lang duurt en dat er, kortom, meer urgentie moet komen om energietekorten en nog hogere energierekeningen te voorkomen?
Ik zie de uitlatingen van Gasunie als een oprechte zorg. Ik deel de mening dat de leveringszekerheid van gas moet worden geborgd tegen redelijke kosten. Daar is mijn beleid, waarbij Gasunie een adviserende rol heeft, ook op gericht.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gasunie al in maart jl. waarschuwde «dat Nederland onvoldoende is voorbereid op grote gastekorten» en opriep om een strategische gasvoorraad op te bouwen?2 Wat hebt u sindsdien gedaan om het vullen van de voorraden en het aanleggen van een strategische voorraad te versnellen?
De uitlatingen van Gasunie zijn mij bekend. Ik heb ervoor gezorgd dat EBN Capital B.V. (hierna: EBN) vanaf april is begonnen met het injecteren van gas. EBN ligt op schema om, indien nodig, 80 TWh gas op te slaan. Daarnaast treft EBN de voorbereidingen voor het aanleggen van een strategische opslag (noodvoorraad) van 5 TWh in de PGI Alkmaar. Zodoende kan EBN indien nodig omdat marktpartijen onvoldoende vullen driekwart van het vuldoel voor komende winter voor haar rekening nemen. Hiermee zorgen we voor voldoende gas deze winter. Daarnaast werk ik, samen met alle partijen, aan een brief over strategisch gasbeleid om ervoor te zorgen dat we structureel voldoende gas achter de hand hebben voor noodsituaties. Daarover voer ik ook gesprekken in Europa om te voorkomen dat de Nederlandse belastingbetaler alleen voor hoge kosten opdraait, terwijl de Europese Unie in de breedte van deze garantie zou kunnen profiteren.
Op welke vulgraad verwacht u, met het huidige te lage tempo, in oktober uit te komen, en wat zal dat doen met de leveringszekerheid en energieprijzen? Wat gaat u doen om op een vulgraad van minimaal 80% uit te komen?
Het EU-vuldoel voor Nederland dit jaar bedraagt 74%, oftewel ca. 107 TWh tussen 1 oktober en 1 december. Het nationale vuldoel voor Nederland op 1 november is 80%, oftewel 115 TWh. Beide zijn nog binnen bereik. Of deze doelen worden gehaald hangt ook samen met hoeveel marktpartijen, die het eerst aan zet zijn bij het vullen, deze zomer opslaan. De stappen die de overheid via EBN heeft gezet om de doelen te halen zijn toegelicht in antwoord 3.
Klopt het dat inkopers (commerciële bedrijven) weten dat Nederland vroeg of laat moet vullen en daarom zo lang mogelijk wachten zodat het Rijk hen met een bonus verleidt om de bergingen toch te vullen? Wat gaat u doen om deze opportunistische prikkel weg te nemen en ervoor te zorgen dat de voorraden alsnog tijdig en voldoende worden gevuld?
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door in te kopen via een handelsplaats, import van LNG, via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Hoe zij invulling geven aan die verplichtingen is aan hen. Als partijen ervoor kiezen om geen gas op slaan, ontslaat hen dat niet van hun leveringsverplichtingen. Mogelijk zullen zij wel tegen hoge(re) kosten moeten inkopen op dat moment. Het Rijk zal geen «bonussen» verstrekken aan marktpartijen om gasopslagen te vullen. Dat is overigens ook niet toegestaan vanwege staatssteunregels.
Hoe reflecteert u op uw uitspraak om «samen met EBN te zoeken naar de balans tussen leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring en kosten zo laag mogelijk houden»? Deelt u de conclusie dat dit, tot dusverre, niet is gelukt?
Die mening deel ik niet. Het zoeken naar een balans tussen deze drie is gegeven de huidige marktomstandigheden niet eenvoudig en vraagt continu monitoring en waar nodig bijsturen. Dat zal ik deze zomer blijven doen.
Hoe reageert u op het advies van hoogleraar Martien Visser om ondanks het prijsopdrukkende effect de voorraden te vullen, omdat «de prijsgevolgen van te lege bergingen aan het begin van de winter veel groter zijn»?
Ik herken dat de activiteiten van EBN prijs opdrukkende effecten kunnen hebben en dat het tegelijkertijd nodig is om EBN als vulagent een rol te geven bij het vullen van de bergingen indien marktpartijen onvoldoende vullen. Voor deze rol heb ik EBN ruimte gegeven om maximaal 80 TWh aan gas op te slaan in de seizoensopslagen en te starten met het aanleggen van een strategische opslag (tijdelijke noodvoorraad). Gasunie Transport Services (GTS) raamde eerder de gemiddelde jaarlijkse behoefte aan seizoensflexibiliteit, uitgaande van een gemiddeld temperatuurjaar, op 71 TWh.3
Wat gaat u doen om verdere stijging van de energieprijzen te voorkomen? Sterker nog, bent u bereid de btw op energie van 21% naar 9% én de energiebelasting te verlagen?
Het kabinet heeft dit voorjaar over een pakket aan maatregelen besloten om de gevolgen van de hogere energieprijzen te beperken. Het eerstvolgende moment om eventuele koopkrachtmaatregelen te presenteren is op Prinsjesdag, waarbij het kabinet altijd integraal weegt.
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
André Poortman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
Het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1
Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?
Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?
Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?
Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Het kabinet snapt dat dit bericht vragen oproept. Het besluit over het beloningsbeleid van een private onderneming is echter aan de onderneming zelf. Wel is in artikel 10 van de Joint letter of intent (JLoI) met Tata Steel Nederland (TSN), Tata Steel Limited (TSL) en de Provincie Noord-Holland (PNH) opgenomen dat de onderneming een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid voert. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
In artikel 10 van de JLoI is opgenomen dat TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking in een maatwerkovereenkomst.
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
De gesprekken over de uitwerking van de JLoI lopen op dit moment en ik kan dan ook niet vooruitlopen op de precieze invulling van deze afspraken. Conform artikel 10 JLoI, is het de inzet van partijen om tot afspraken te komen over het beloningsbeleid in een maatwerkafspraak.
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Ja.
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
In artikel 7 van de JLoI zijn afspraken gemaakt over de investering en financiering van en door TSL en TSN. Deze afspraken laten de investeringsbereidheid van TSL en TSN zien. Ook is duidelijk dat de staat maximaal 2 miljard zal bijdragen. De verdere uitwerking van de JLoI is onderwerp van gesprek en daar kan het kabinet nu niet op vooruitlopen. Zoals bekend vindt de staat het belangrijk dat TSL significant bijdraagt en op enige wijze garant staat en dit komt dus ook duidelijk naar voren in de afspraken die in de JLoI zijn gemaakt.
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Het is in beginsel aan het bedrijf zelf om de financiering precies uit te werken. Hierover wordt gesproken in de onderhandelingen voor de maatwerkovereenkomst.
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
De verdeling van de financiële bijdrage is vastgelegd in de JLoI die onder andere door de staat, TSL en TSN ondertekend is. In de JLoI staat opgenomen dat de totale investeringskosten voor de projecten tussen de 4–6,5 miljard euro zijn. De bijdrage van de staat is gemaximeerd op 2 miljard euro, ongeacht waar het bedrag in de bandbreedte van 4–6,5 miljard euro op uitkomt. Er staat in artikel 7.1.1. sub a van de JLoI dan ook expliciet opgenomen dat de staat niet verantwoordelijk is voor eventuele benodigde resterende financiering bovenop dit bedrag. De investering van TSL en TSN en de bijdrage van de staat zijn proportioneel en dienen in lijn te zijn met de Europese regels voor staatssteun. Als de investering van TSN en TSL lager uitvalt dan de verwachte bandbreedte zal de bijdrage van de staat ook lager worden. TSL en TSN dragen het risico als de kosten hoger worden dan voorzien.
Dreigende elektriciteitstekorten |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe alarmerend is voor u de berichtgeving dat er volgens netbeheerder Tennet niet – zoals eerder voorspeld – vanaf 2030, maar al vanaf 2028 elektriciteitstekorten dreigen, waardoor delen van het land urenlang zonder elektriciteit komen te zitten?1
Het kabinet neemt de signalen uit de Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026, waarin TenneT waarschuwt dat het risico op een mogelijk elektriciteitstekort vanaf 2028 toeneemt, zeer serieus. Daarom heeft het kabinet de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd2 over het besluit om een capaciteitsmechanisme te introduceren om de voorzieningszekerheid te waarborgen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel en beschamend is dat – in Nederland waar het hebben van elektriciteit ooit, zoals het hoort, vanzelfsprekend was – de norm van een jaarlijks elektriciteitstekort van maximaal vier uur ruimschoots overschreden zal worden?
Het kabinet deelt de zorg van de Kamer en vindt het essentieel dat de norm niet overschreden wordt. Daarom introduceert het kabinet een capaciteitsmechanisme om voldoende elektriciteit beschikbaar te hebben.
Deelt u de mening dat het ronduit zorgwekkend is dat elektriciteitstekorten zich met name in de winter in de ochtend- en avonduren zullen voordoen, terwijl dat júíst de momenten zijn waarop huishoudens relatief veel energie verbruiken? Kunt u garanderen dat huishoudens níét in het donker en de kou komen te zitten?
Het kabinet erkent dat elektriciteitstekorten tijdens winterse ochtend- en avonduren, wanneer de vraag naar elektriciteit het hoogst is, volgens de MVZ 2026 een risico vormen. Het door het kabinet te introduceren capaciteitsmechanisme is er daarom op gericht om voldoende aanbod te genereren, ook tijdens deze piekmomenten. Hiermee wordt het risico dat huishoudens zonder stroom komen te zitten zoveel mogelijk beperkt.
Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig en onuitlegbaar is:
De Europese en ook de Nederlandse economie is zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. Dat is een transitie.
De MVZ 2026 laat zien dat de druk op de voorzieningszekerheid het gevolg is van een combinatie van factoren, waaronder de groeiende elektriciteitsvraag door elektrificatie en de afname van regelbaar vermogen in Nederland evenals in omringende landen. De energietransitie brengt veranderingen in het elektriciteitssysteem met zich mee die vragen om aanpassing van zowel de energie-infrastructuur, zoals de aanpak van netcongestie, als de elektriciteitsmarkt middels een capaciteitsmechanisme.
Voorzieningszekerheid draait daarbij om voldoende beschikbaar vermogen en flexibiliteit in het elektriciteitssysteem als geheel, niet om één specifieke technologie. Daaraan kunnen verschillende technologieën bijdragen, waaronder batterijen, opslag, vraagrespons en gascentrales.
Hoe reageert u op Tennet dat stelt: «Vorig jaar adviseerden we nog om zo’n capaciteitsmechanisme te besturen. Dat heeft het kabinet ook gedaan. Maar nu is de tijd van bestuderen en adviesrapporten wel voorbij»? Komt u met een capaciteitsmechanisme? Zo ja, zal dit – zoals door Tennet geadviseerd – in de winter van 2029–2030 operationeel zijn? Zo nee, wat is dan wél uw oplossing?
Ja. Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld3.
Wat bedoelt u met uw uitspraak: «Ik wil een «verzekering» afsluiten die de risico’s op uitval vermindert, zodat Tennet ervoor kan zorgen dat er ook op termijn voldoende elektriciteit is»? Wat voor «verzekering» precies?
Met de «verzekering» wordt het marktbrede capaciteitsmechanisme bedoeld waar het kabinet aan werkt. Dit mechanisme zorgt ervoor dat voldoende regelbaar vermogen beschikbaar blijft om ook op piekmomenten aan de elektriciteitsvraag te voldoen. Aanbieders van elektriciteit ontvangen hiervoor een vergoeding voor het beschikbaar houden van capaciteit.
Deelt u, resumerend, bovenal de conclusie dat het veel beter is om:
Nee, het kabinet deelt die conclusie niet. Het doel van het klimaat- en energiebeleid is juist om toe te werken naar een energiesysteem dat betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam is. Daarbij zet het kabinet in op diverse maatregelen die leiden tot een mix van hernieuwbare energie, kernenergie, energiebesparing, flexibiliteit, opslag en voldoende regelbaar vermogen. Zoals ook aangegeven is in het antwoord op vraag 4, is de Europese en ook de Nederlandse economie zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. De MVZ 2026 onderstreept het belang van aanvullende maatregelen om de voorzieningszekerheid ook in de toekomst te waarborgen. Het kabinet neemt dit signaal serieus en werkt daarom aan een technologieneutraal capaciteitsmechanisme, waardoor verschillende technologieën en flexibiliteitsopties kunnen bijdragen aan de voorzieningszekerheid. Een dergelijke diversiteit draagt eveneens bij aan de weerbaarheid van het energiesysteem.
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Ja.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld1.
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Een overschrijding van de norm geeft aan dat de kans op situaties waarin de elektriciteitsvraag niet volledig kan worden gedekt, groter is dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Een overschrijding van de norm leidt niet één-op-één tot daadwerkelijke stroomuitval of economische schade, maar wel tot een grotere kans daarop. De economische schade die eventueel ontstaat als gevolg van elektriciteitstekorten hangt af van de duur, het moment, de omvang en de getroffen gebruikers. Vanwege onzekerheid over het optreden, de omvang van uitval en de waarde daarvan, is deze schade niet eenduidig vast te stellen.
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
De Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026 van TenneT houdt reeds rekening met schaarste in andere landen. Omdat schaarste echter niet altijd gelijktijdig in verschillende landen optreedt, blijft interconnectie één van de pijlers onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, naast vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen in Nederland.
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals in de Kamerbrief2 is aangegeven werkt het kabinet toe naar een capaciteitsmechanisme dat in de winter van 2029–2030 operationeel is.
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Het kabinet verwacht de formele standaard in 2027 vast te stellen, ruim voordat het capaciteitsmechanisme vanaf de winter 2029/2030 operationeel zal zijn.
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Voor de implementatie van het capaciteitsmechanisme is onder andere een uitwerking van het ontwerp van het mechanisme nodig, waar de focus voor dit jaar op ligt, waarna in 2027 consultatie plaatsvindt en de benodigde wet- en regelgeving moet worden vastgesteld en in werking treden, de Europese Commissie moet haar goedkeuring verlenen en de uitvoering dient te worden voorbereid, met als doel de eerste veilingen in 2028 te organiseren. Het kabinet zet zich hiervoor, samen met betrokken partijen zoals TenneT en de ACM, met maximale inzet in. Zo wordt al gewerkt aan de nadere vormgeving van het mechanisme, de juridische inbedding en de voorbereiding van de uitvoering.Een element dat mogelijke risico’s op vertraging met zich meebrengt is de doorlooptijd van nationale en Europese procedures, waaronder een nationale wettelijke basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme via het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel3 en het verkrijgen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel.
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Nee, in de Europese elektriciteitsmarkt beslissen marktpartijen over investeringen en eventuele sluiting van productiecapaciteit. Het kabinet heeft geen directe invloed op deze commerciële afwegingen. Daarom werkt het kabinet toe naar een tijdige invoering van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen door (behoud van) voldoende (maar niet noodzakelijk alle) centrales in combinatie met vraagrespons, batterijen en import.
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Op basis van de huidige inzichten, onder meer gepresenteerd in de MVZ 2026, ziet het kabinet naast de introductie van een tijdig operationeel marktbreed capaciteitsmechanisme geen aanleiding voor aanvullende tijdelijke maatregelen.
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Met de huidige verwachtingen voor vraag naar en aanbod van elektriciteit uit de MVZ 2026 van TenneT, waarbij reeds rekening is gehouden met 0,5 GW kernvermogen in 2035, is de voorzieningszekerheid ook met dit aandeel van kernvermogen onvoldoende geborgd.
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
De MVZ 2026 ziet op de periode tot en met 2035. Binnen die periode wordt geen bijdrage van nieuwe kerncentrales aan de voorzieningszekerheid verwacht, aangezien deze naar huidige inzichten niet vóór 2035 beschikbaar zullen zijn.
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Dan hangt er sterk vanaf hoe de elektriciteitsmix er tegen die tijd uit ziet en hoe technieken als vraagrespons, opslag en centrales zich ontwikkelen. Bij meer kernenergie zal minder capaciteit van de andere technieken nodig zijn.
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit en brengt dit jaar de voorzieningszekerheidsrisico’s in beeld voor de periode tot en met 2035. Nieuwe grootschalige kerncentrales zullen, ook bij een zo voortvarend mogelijke uitvoering van het huidige traject, naar huidige inzichten op zijn vroegst eind jaren ’30 beschikbaar komen. Zij kunnen daarom geen bijdrage leveren aan het adresseren van de voorzieningszekerheidsrisico’s die de monitor identificeert.
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Het is in de Europese elektriciteitsmarkt aan marktpartijen om te beslissen over investeringen in of behoud van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen. Het kabinet ziet geen noodzaak om het wegvallende kolenvermogen één-op-één te vervangen.
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Met de Kamerbrief van 19 juni jl. heeft het kabinet aangegeven te kiezen voor een zo spoedig mogelijke implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
In deze brief is aangegeven dat een strategische reserve minder geschikt is om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren, omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele veranderingen op de elektriciteitsmarkt. De implementatie van een strategische reserve voorafgaand aan een capaciteitsmechanisme zou ook leiden tot dubbele implementatielast. Dit zou de introductie van het marktbreed capaciteitsmechanisme vertragen.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Het staat marktpartijen vrij om bestaande centrales om te bouwen naar andere brandstoffen, waaronder biomassa.
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Het oplossen van netcongestie en elektrificatie in de industrie heeft de volle aandacht van het kabinet, zoals beschreven in de Kamerbrieven van 2 april 20264 en 10 april 20265.
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Dit is niet aan te geven. Welke bronnen op een bepaald moment in de vraag voorzien hangt af van de weerssituatie, eventuele uitval van capaciteit en de omvang van de vraag. Daarbij wordt een combinatie ingezet van vraagrespons, batterijen, regelbaar vermogen en import. Batterijen kunnen in dit proces op sommige momenten opladen en op andere momenten juist ontladen.
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Op dit moment is het niet de verwachting dat waterstofcentrales vóór 2030 een rol van betekenis zullen spelen in de elektriciteitsvoorziening van Nederland.
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit, tot en met 2035. Op basis van deze monitor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de rol van gasgestookt vermogen na 2035. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat na de zomer met de Kamer zal worden gedeeld, zal vooruit gekeken worden richting 2040.
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
De MVZ 2026 laat zien dat zonder aanvullende maatregelen de kans op tekorten richting 2035 toeneemt. Dit kan leiden tot meer prijspieken voor huishoudens en bedrijven. Om het risico op tekorten en prijspieken te verminderen, werkt het kabinet aan de introductie van een capaciteitsmechanisme als verzekering om voldoende vermogen beschikbaar te hebben. Dit zal leiden tot een dempend effect op de elektriciteitsprijs in vergelijking met de situatie zonder een capaciteitsmechanisme. Tegelijk kost een capaciteitsmechanisme, net zoals de premie van een verzekering, ook geld dat via tarieven van de netbeheerders in rekening gebracht zal worden bij huishoudens en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
In de MVZ 2026 heeft TenneT de ontbrekende capaciteit onderzocht voor de jaren 2030 en 2035. Dit betreft 0,4 respectievelijk 2,8 GW als andere landen op gelijkmatige wijze capaciteit toevoegen om aan hun eigen voorzieningszekerheidsnorm te voldoen. In deze ontbrekende capaciteit kan worden voorzien door een combinatie van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, met uitzondering van de beantwoording van vraag 14 en 15. Deze zijn voor een goede beantwoording samengenomen.
De extreem lage gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energietekort dreigt komende winter door extreem lage gasvoorraad: huishoudens staan voor hogere energierekening»?1
Ja
Hoe reageert u op de waarschuwingen van de Gasunie dat het vultempo van de gasvoorraden zorgelijk laag is om voor komende winter huishoudens en bedrijven genoeg buffer te bieden, dat het besluit over de aanleg van een strategische gasvoorraad te lang duurt en dat er, kortom, meer urgentie moet komen om energietekorten en nog hogere energierekeningen te voorkomen?
Ik zie de uitlatingen van Gasunie als een oprechte zorg. Ik deel de mening dat de leveringszekerheid van gas moet worden geborgd tegen redelijke kosten. Daar is mijn beleid, waarbij Gasunie een adviserende rol heeft, ook op gericht.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gasunie al in maart jl. waarschuwde «dat Nederland onvoldoende is voorbereid op grote gastekorten» en opriep om een strategische gasvoorraad op te bouwen?2 Wat hebt u sindsdien gedaan om het vullen van de voorraden en het aanleggen van een strategische voorraad te versnellen?
De uitlatingen van Gasunie zijn mij bekend. Ik heb ervoor gezorgd dat EBN Capital B.V. (hierna: EBN) vanaf april is begonnen met het injecteren van gas. EBN ligt op schema om, indien nodig, 80 TWh gas op te slaan. Daarnaast treft EBN de voorbereidingen voor het aanleggen van een strategische opslag (noodvoorraad) van 5 TWh in de PGI Alkmaar. Zodoende kan EBN indien nodig omdat marktpartijen onvoldoende vullen driekwart van het vuldoel voor komende winter voor haar rekening nemen. Hiermee zorgen we voor voldoende gas deze winter. Daarnaast werk ik, samen met alle partijen, aan een brief over strategisch gasbeleid om ervoor te zorgen dat we structureel voldoende gas achter de hand hebben voor noodsituaties. Daarover voer ik ook gesprekken in Europa om te voorkomen dat de Nederlandse belastingbetaler alleen voor hoge kosten opdraait, terwijl de Europese Unie in de breedte van deze garantie zou kunnen profiteren.
Op welke vulgraad verwacht u, met het huidige te lage tempo, in oktober uit te komen, en wat zal dat doen met de leveringszekerheid en energieprijzen? Wat gaat u doen om op een vulgraad van minimaal 80% uit te komen?
Het EU-vuldoel voor Nederland dit jaar bedraagt 74%, oftewel ca. 107 TWh tussen 1 oktober en 1 december. Het nationale vuldoel voor Nederland op 1 november is 80%, oftewel 115 TWh. Beide zijn nog binnen bereik. Of deze doelen worden gehaald hangt ook samen met hoeveel marktpartijen, die het eerst aan zet zijn bij het vullen, deze zomer opslaan. De stappen die de overheid via EBN heeft gezet om de doelen te halen zijn toegelicht in antwoord 3.
Klopt het dat inkopers (commerciële bedrijven) weten dat Nederland vroeg of laat moet vullen en daarom zo lang mogelijk wachten zodat het Rijk hen met een bonus verleidt om de bergingen toch te vullen? Wat gaat u doen om deze opportunistische prikkel weg te nemen en ervoor te zorgen dat de voorraden alsnog tijdig en voldoende worden gevuld?
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door in te kopen via een handelsplaats, import van LNG, via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Hoe zij invulling geven aan die verplichtingen is aan hen. Als partijen ervoor kiezen om geen gas op slaan, ontslaat hen dat niet van hun leveringsverplichtingen. Mogelijk zullen zij wel tegen hoge(re) kosten moeten inkopen op dat moment. Het Rijk zal geen «bonussen» verstrekken aan marktpartijen om gasopslagen te vullen. Dat is overigens ook niet toegestaan vanwege staatssteunregels.
Hoe reflecteert u op uw uitspraak om «samen met EBN te zoeken naar de balans tussen leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring en kosten zo laag mogelijk houden»? Deelt u de conclusie dat dit, tot dusverre, niet is gelukt?
Die mening deel ik niet. Het zoeken naar een balans tussen deze drie is gegeven de huidige marktomstandigheden niet eenvoudig en vraagt continu monitoring en waar nodig bijsturen. Dat zal ik deze zomer blijven doen.
Hoe reageert u op het advies van hoogleraar Martien Visser om ondanks het prijsopdrukkende effect de voorraden te vullen, omdat «de prijsgevolgen van te lege bergingen aan het begin van de winter veel groter zijn»?
Ik herken dat de activiteiten van EBN prijs opdrukkende effecten kunnen hebben en dat het tegelijkertijd nodig is om EBN als vulagent een rol te geven bij het vullen van de bergingen indien marktpartijen onvoldoende vullen. Voor deze rol heb ik EBN ruimte gegeven om maximaal 80 TWh aan gas op te slaan in de seizoensopslagen en te starten met het aanleggen van een strategische opslag (tijdelijke noodvoorraad). Gasunie Transport Services (GTS) raamde eerder de gemiddelde jaarlijkse behoefte aan seizoensflexibiliteit, uitgaande van een gemiddeld temperatuurjaar, op 71 TWh.3
Wat gaat u doen om verdere stijging van de energieprijzen te voorkomen? Sterker nog, bent u bereid de btw op energie van 21% naar 9% én de energiebelasting te verlagen?
Het kabinet heeft dit voorjaar over een pakket aan maatregelen besloten om de gevolgen van de hogere energieprijzen te beperken. Het eerstvolgende moment om eventuele koopkrachtmaatregelen te presenteren is op Prinsjesdag, waarbij het kabinet altijd integraal weegt.
Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
De PPWR en de consequenties voor composteerbare verpakkingen |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van producenten van composteerbare en biobased verpakkingen over de gevolgen van de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR)?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u dat een aantal biologisch afbreekbare materialen niet is ingedeeld in recyclingcategorieën binnen de PPWR en door sorteerders en recyclers wordt geweigerd in zowel de PMD- als de papierketen?
Op basis van deze Europese verordening moeten alle verpakkingen per 2030 recyclebaar zijn. Daarna worden de eisen van wat als recyclebaar telt in de tijd steeds strenger. In de PPWR wordt recyclebaarheid bepaald voor verpakkingscategorieën (bv. houten verpakkingen) op een indicatieve lijst aan de hand van eigenschappen van de verpakking (bv. uit hoeveel verschillende materialen de verpakking is gemaakt). Niet alle materialen zijn ingedeeld in deze indicatieve lijst. De Europese Commissie (verder: Commissie) heeft de bevoegdheid deze lijst te wijzigen, bijvoorbeeld vanwege nieuwe materiaalontwikkelingen.
De indicatieve lijst houdt geen rekening met nationale verwerkingsmethoden, maar is een algemene lijst met materialen met als doel design-for-recycling te harmoniseren. Of een verpakking wel of niet op de indicatieve lijst staat, staat dus los van of een verpakking in Nederland wel of niet bij het pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden. In Nederland bestaan voor inwoners wel/niet lijsten die aangeven in welke afvalbak een bepaald product mag. Het kan zijn dat de huidige wel/niet lijsten ertoe leiden dat bepaalde producten niet in het pmd-afval of in de papierbak mogen. Producenten van verpakkingen kunnen afspraken maken met gemeenten, inzamelaars, sorteerders en verwerkers om de wel/niet lijst aan te passen. Zo is in 2026 de wel/niet lijst voor pmd-afval aangepast zodat koffiecapsules ook bij het pmd-afval mogen.
Deelt u de analyse van de sector dat deze weigering ertoe leidt dat deze materialen automatisch een lagere of nulscore op recyclebaarheid krijgen en van de markt worden geweerd?
Vanaf 2030 worden verpakkingen ingedeeld in recyclebaarheidsklassen op grond van de PPWR. Verpakkingen met een te lage recyclebaarheidsklasse mogen niet op de markt worden gebracht. Hoe de recyclebaarheidsklasse wordt bepaald, wordt in 2028 door de Commissie vastgelegd in een gedelegeerde handeling. De Commissie heeft in een gesprek met mijn ministerie aangegeven dat ze bij de uitwerking rekening willen houden met alle materialen, wat ook past bij de intentie om bio(vezel)gebaseerde verpakkingen te stimuleren1. Indien nodig zal Nederland de Commissie blijven oproepen om alle materialen mee te nemen in deze gedelegeerde handeling. Zoals toegelicht in vraag 2, staat de recyclebaarheidsklasse in de PPWR los van of een verpakking in Nederland op dit moment wel of niet bij het pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden.
Welke gevolgen verwacht u van de PPWR voor Nederlandse bedrijven die investeren in dergelijke verpakkingen?
De PPWR harmoniseert het verpakkingenbeleid in Europa. Investeringszekerheid is gebaat bij geharmoniseerde Europese wetgeving. De recyclebaarheidseisen zijn onmisbaar in een circulaire economie waarin wij minder nieuwe grondstoffen gebruiken. Het is van belang dat (nieuwe) verpakkingen en verpakkingsmaterialen zo worden ontworpen dat zij aan deze eisen voldoen. Sommige (technische) aspecten van de PPWR worden uitgewerkt via gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen. Het is belangrijk dat deze handelingen op een zorgvuldige manier door de Commissie worden uitgewerkt. Het kabinet zal blijven pleiten voor geharmoniseerde uitwerkingen, zodat ook voor biogebaseerde, composteerbare en innovatieve verpakkingen duidelijkheid en bijgevolg investeringszekerheid komt.
Bent u voornemens om gebruik te maken van artikel 9, tweede lid, PPWR om aanvullende verpakkingstoepassingen als verplicht composteerbaar aan te wijzen, en welke inhoudelijke criteria hanteert u daarbij in relatie tot de uitdagingen en doelen van de gft-inzameling in Nederland?
Zowel vanuit de interpretatie van de PPWR, als vanuit hoe het Nederlandse circulaire economiebeleid is ingericht, is het kabinet op dit moment niet voornemens om nationaal te regelen dat verpakkingen verplicht composteerbaar moeten zijn. Hieronder wordt dit vanuit beide aspecten toegelicht.
De PPWR verplicht dat alle verpakkingen recyclebaar moeten zijn. Verpakkingen mogen daarnaast ook composteerbaar zijn, maar bepaalde verpakkingen moeten composteerbaar zijn. Deze verplicht composteerbare verpakkingen zijn uitgezonderd van de eis om recyclebaar te zijn. Voor alle lidstaten geldt dat koffiepads, theezakjes en stickeretiketten voor groente en fruit verplicht composteerbaar moeten zijn. Verder hebben lidstaten volgens artikel 9, tweede lid, de keuze om andere specifieke verpakkingen verplicht composteerbaar te maken. Dit tweede lid bestaat uit twee delen. Ten eerste mogen lidstaten reeds bestaande nationale wetgeving die bepaalde verpakkingen verplicht composteerbaar maakt, behouden. Deze regelgeving moet dan al 12 augustus 2026 van kracht zijn. Nederland heeft zulke wetgeving niet. Ten tweede mogen lidstaten bepaalde plastic draagtasjes en niet-metalen koffiecapsules verplicht composteerbaar maken.
Het Nederlandse circulaire economiebeleid is gericht op het behouden van grondstoffen in de economie. De recyclebaarheid van verpakkingen staat daarom voorop. Composteren van verpakkingen is een laagwaardigere vorm van materiaalbehoud dan recycling; verpakkingen dragen geen nutriënten bij aan het compost, en compost kan, in tegenstelling tot recyclaat, niet worden toegepast in nieuwe verpakkingen. Daarnaast heeft het Nederlandse afvalbeleid o.a. duidelijkheid en consistentie voor de consument als uitgangspunt. Onderscheid maken tussen composteerbare verpakkingen, gemaakt van biologisch afbreekbare materialen, en dezelfde verpakkingen gemaakt van fossiele, niet composteerbare materialen, is lastig. Als bijvoorbeeld composteerbare saladebakjes bij het gft-afval moeten en andere bakjes die er wellicht hetzelfde uitzien bij het pmd-afval, dan leidt dit tot verwarring bij de consument. Dit kan leiden tot vervuiling van zowel het gft-afval als het pmd-afval en daarmee tot problemen in zowel het recyclingproces als in de compostering. Tot slot hanteren Nederlandse composteerinstallaties over het algemeen korte doorlooptijden waardoor composteerbare verpakkingen niet genoeg tijd hebben om volledig af te breken. Hierdoor kunnen (delen van) deze verpakkingen in het compost aanwezig blijven als vervuiling. Op basis hiervan volgt dat het verplicht composteerbaar stellen van aanvullende verpakkingen niet wenselijk is.
Hoe weegt u bij deze beslissing de rol en bijdrage van composteerbare en biobased verpakkingen bij de vermindering van fossiel grondstoffengebruik, CO2-uitstoot en het opbouwen van een circulaire economie versus alternatieven? Kunt u daar inzicht in verschaffen?
Verpakkingen die zowel recyclebaar als composteerbaar zijn, kunnen een grote bijdrage leveren aan de circulaire economie, doordat ze compatibel zijn met verschillende afvalverwerkingsstructuren in de Europese Unie. In het Nederlandse circulaire economiebeleid streven we naar het vervangen van primaire grondstoffen door gerecyclede grondstoffen en duurzame biogrondstoffen, waarbij gerecycled de voorkeur heeft2. Biogebaseerde verpakkingen die recyclebaar zijn, al dan niet composteerbaar, worden vanuit het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen gezien als een hoogwaardige en dus wenselijke toepassing van biogrondstoffen3. Daarbij is het belangrijk dat de biogrondstoffen een duurzame oorsprong hebben en dat de totale vraag naar biogrondstoffen beperkt blijft. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een biogebaseerde doelstelling in de PPWR, met bijbehorende duurzaamheidscriteria.
Kijkt u hierbij ook de ervaring in ander EU-landen, zoals Italië, waar ze ervoor gekozen hebben specifieke producten verplicht composteerbaar te maken om zo contaminatie in de gft-stroom te verminderen? Hoe weegt u deze ervaringen bij het bepalen van de meest geschikte aanpak voor de Nederlandse situatie?
De afvalinzamelings- en verwerkingsinfrastructuur in Italië en Nederland verschilt en kan daarom niet vergeleken worden. Gft-afval wordt in Nederland voornamelijk industrieel gecomposteerd met korte doorlooptijd. Hierdoor kunnen deze verpakkingen leiden tot vervuiling van de gft-stroom. In Italië vindt meestal eerst een vergistingsstap plaats waardoor composteerbare verpakkingen ook meer tijd hebben om volledig af te breken. Overigens is het Nederlandse circulaire economiebeleid gericht op het behouden van grondstoffen in de economie.
Recycling van verpakkingen heeft daarom de voorkeur, omdat recycling van verpakkingen leidt tot een hoogwaardigere vorm van materiaalbehoud dan composteren.
Hoe gaat u invulling geven aan artikel 48 PPWR om inzameling, sortering en verwerking van composteerbare en andere innovatieve verpakkingsmaterialen te organiseren of te faciliteren?
Artikel 48 verplicht lidstaten onder andere om ervoor te zorgen dat er systemen en infrastructuur worden opgezet voor het inleveren en gescheiden inzamelen van alle verpakkingsafval en om de hoogwaardige recycling ervan te vergemakkelijken. Composteerbare en andere innovatieve verpakkingen worden niet specifiek benoemd in dit artikel.
In Nederland is een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingen van toepassing. Hiermee zijn producenten verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van het afval van de verpakkingen die zij op de markt brengen. Voor de inzameling van verpakkingsafval van huishoudens maken producenten afspraken met gemeenten over het gebruik van de gemeentelijke inzamelsystemen en ontvangen gemeenten daarvoor een vergoeding. Deze gescheiden ingezamelde afvalstromen dienen vervolgens via de geldende minimumstandaarden verwerkt te worden.
In aanvulling op het bovenstaande heeft Nederland een statiegeldsysteem om hoogwaardige recycling van drankverpakkingen te faciliteren, en ondersteunt het de ontwikkeling van nieuwe recyclingtechnieken voor plastic verpakkingen via onder andere Circular Plastics NL4.
Bent u van plan om vóór 12 augustus 2026 met de relevante stakeholders in gesprek te gaan over de Nederlandse inzet op zowel artikel 9 als artikel 48?
Wat betreft artikel 9 is in het antwoord op vraag 5 toegelicht dat er geen nationale wettelijke verplichting rondom composteerbare verpakkingen bestaat. Daarnaast is het de Nederlandse voorkeur om beleid te voeren wat zoveel mogelijk gericht is op het behoud van grondstoffen waarbij in dit geval recycling de voorkeur heeft boven compostering. Wat betreft de rest van de PPWR, blijft het Ministerie van EZK in gesprek met belanghebbenden over bepalingen waar nationale ruimte mogelijk en wenselijk is. Deze bepalingen zullen ook breed via internetconsultatie worden voorgelegd. Ten slotte start vanaf september de Ketentafel Verpakkingen, die een structureel overleg tussen het Rijk en de verpakkingenketen faciliteert. Daar zal de PPWR ook een belangrijk onderwerp zijn.
Bent u bereid om vóór het commissiedebat Circulaire Economie van 1 juli 2026 de Kamer te informeren over de Nederlandse inzet ten aanzien van de invulling van de PPWR?
De PPWR is een Europese verordening, die van toepassing is vanaf 12 augustus 2026. Het merendeel van de maatregelen in de verordening is rechtstreeks van toepassing en behoeft dus geen implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving. De verordening laat op onderdelen ruimte voor nationale keuzes. Die keuzes worden conform kabinetsbeleid beleidsarm en lastenluw geïmplementeerd. Het uitvoeringsbesluit zal via een internetconsultatie worden voorgelegd aan alle belanghebbenden. Daarna informeer ik de Kamer graag over dit traject.
De mogelijke ontmanteling van oceaninsche monitoringsystemen door de Verenigde Staten en de gevolgen voor het AMOC-onderzoek |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de regering-Trump voornemens is oceanische monitoringssystemen te ontmantelen, waaronder de systemen in de Irminger Zee die van cruciaal belang zijn voor het monitoren van de Atlantische Meridionale Omwentelingsstroming (AMOC)?1
Deelt u de opvatting dat de genoemde monitoringssystemen onmisbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar de AMOC, en dat ontmanteling ervan de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van AMOC-voorspellingen ernstig zou ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het voornemen van de Amerikaanse overheid om deze monitoringssystemen te ontmantelen, en wat zijn de consequenties van het stoppen voor Nederland en Europa?
Bent u bereid deze kwestie expliciet aan de orde te stellen in bilaterale contacten met de Verenigde Staten en daarbij de Nederlandse en Europese zorgen over het mogelijke verlies van onvervangbare wetenschappelijke kennis en meetdata kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de uitspraak van NIOZ-directeur Han Dolman dat de Amerikanen op het gebied van dit soort internationale wetenschappelijke projecten «een onbetrouwbare partner zijn geworden», en deelt u deze kwalificatie? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de wetenschappelijke samenwerking met de VS op het gebied van klimaatonderzoek? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken of het, in nationaal dan wel Europees verband, mogelijk is financiering beschikbaar te stellen teneinde de continuïteit van deze monitoringssystemen te waarborgen en ontmanteling ervan te voorkomen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat na 2028 nog geen financiering beschikbaar is voor de boeien van het NIOZ, en dat ook in Canada en het Verenigd Koninkrijk onderzoekers naarstig zoeken naar middelen om hun eigen meetnetwerken overeind te houden? Wat doet u om de continuïteit van de Nederlandse bijdrage aan dit mondiale meetnetwerk na 2028 veilig te stellen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en binnen de geldende termijn?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
De gevolgen van het Circulair Materialenplan voor de verwerking van bodemas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen bij het bedrijfsleven over de gevolgen van het Circulair Materialenplan (CMP) voor de verwerking van bodemas van afvalverbrandingsinstallaties1 in combinatie met de afnemende afzetmogelijkheden in eigen land?
Ja.
Hoe waardeert u deze zorgen?
Het Ministerie van EZK en het Ministerie van IenW voeren regelmatig gesprekken met de sector, zowel voor als na de inwerkingtreding van het Circulair Materialenplan (CMP). Naast deze gesprekken loopt er een traject van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie (SRCE) dat de rijksoverheid, decentrale overheden en de sector samenbrengt om het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas te herstellen.
Is de veronderstelling juist dat de huidige afzetproblematiek en de snel opgelopen voorraden van ongereinigde bodemas niet zijn meegenomen bij de vaststelling van het CMP?
Ten behoeve van een verantwoorde toepassing en het versterken van het vertrouwen hierin, is in het CMP opgenomen dat bodemas moet voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Daarnaast zien we dat het reinigen van AVI-bodemas technisch goed mogelijk is en al geruime tijd in de praktijk toegepast wordt.
De sector is nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen van de maatregelen in het CMP. Er hebben verschillende gesprekken met partijen uit de sector plaatsgevonden. Tijdens deze gesprekken hebben belanghebbenden zorgen kunnen uiten en inbreng kunnen leveren. Mede op basis van deze gesprekken is besloten tot een overgangstermijn van twee jaar om de sector in staat te stellen om (de capaciteit van) hun reinigingsinstallaties aan te passen.
Verwacht u dat de huidige overgangstermijn voldoende is voor het realiseren van voldoende wascapaciteit voor het reinigen van bodemas? Zo ja, waar baseert u dat op?
Het concept-CMP is begin 2025 gedeeld. Daarnaast zien we dat de reiniging van AVI-bodemas al geruime tijd wordt toegepast in de praktijk. Twee jaar lijkt om deze reden een redelijke overgangstermijn. Het Rijk is en blijft ook met de sector (exploitanten van AVI’s en opwerkers van AVI-bodemas) in gesprek over de voortgang. In het afvalplan AVI-bodemassen is in de paragraaf Toekomstplannen opgenomen dat, als blijkt dat de overgangstermijn van twee jaar niet voor alle situaties toereikend is terwijl de sector zich naar het oordeel van de rijksoverheid wel voldoende heeft ingespannen, wordt gekeken of uitstel nodig is.
Ziet u mogelijkheden voor het tijdelijk toestaan van export van bodemas ten behoeve van nuttige toepassingen, bijvoorbeeld voor opvulling of andere toepassing in de diepe ondergrond, om zo de voorraadproblematiek op te lossen?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is het bevoegd gezag dat export van afvalstoffen toetst aan de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) via de zogenaamde kennisgevingsprocedure. ILT hanteert, naast de regels van de EVOA, het toetsingskader van het CMP voor de beoordeling van kennisgevingen. Als er concrete verzoeken om export ten behoeve van «andere nuttige toepassing» komen, beslist de ILT van geval tot geval of kan worden ingestemd met deze export. Mocht de ILT vinden dat het noodzakelijk is om af te wijken van het toetsingskader van het CMP, dan zullen zij een melding «afwijken CMP» doen. Deze meldingen worden door het Ministerie van EZK van advies voorzien.
Is het u bekend dat verschillende gemeenten het gebruik van gewassen bodemas verbieden dan wel sterk beperken, terwijl het CMP deze ruimte voor gebruik van gewassen bodemas, gelet op de gewenste circulariteit, nadrukkelijk wel biedt en zich verzet tegen dergelijke generieke verboden en beperkingen?
Ja.
Hoe waardeert u deze beperkingen?
In het CMP is een oproep gedaan om geen generieke beperkingen op te nemen voor de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving, maar om specifiek per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken.
Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet mogelijk is. Een bevoegd gezag mag hiertoe besluiten. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het CMP verandert hier niets aan. Hierover is 23 april jongstleden een brief naar de Kamer gestuurd.2
Wat bent u voornemens te doen om onnodige inperking van de ruimte voor gebruik van gewassen bodemas te beperken?
Er vinden verschillende gesprekken plaats tussen de rijksoverheid, de sector en decentrale overheden in het traject van de SRCE. Dit traject focust zich op lokale overheden via IPO, VNG en ODNL en op herstel van het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas.
Deelt u de analyse dat de kwaliteit van Nederlands bodemas relatief slecht is ten opzichte van de bodemas uit onder meer België en Frankrijk, mede vanwege de keuze voor snelle verbranding?
Er zijn mij signalen bekend van opwerkers van bodemas dat er relatief grote verschillen bestaan tussen de kwaliteit van bodemas van Nederlandse AVI’s (dit betreft ongereinigde «ruwe» bodemas) en bodemas uit het buitenland.
Welke maatregelen neemt u voor verbetering van de kwaliteit van het bodemas?
Om de kwaliteit van de bodemas in Nederland te verbeteren zijn met het CMP de eisen aangescherpt. Het is niet langer toegestaan om bodemas die niet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 voldoet, toe te passen of te gebruiken voor de productie van vulstof voor vormgegeven bouwstoffen of inzet als granulaat in vormgegeven bouwstoffen. Dit vanwege milieutechnische redenen en met het oog op een circulaire toekomst. Het reinigen van AVI-bodemas is technisch goed mogelijk en wordt al geruime tijd in de praktijk toegepast.
Ook wordt op dit moment een studie voorbereid waarbij de verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse bodemas concreter en specifieker worden uitgelicht en de gevolgen daarvan voor de reinigbaarheid van de ongereinigde «ruwe» bodemas. In dit onderzoek zal ook gekeken worden naar de noodzaak en mogelijkheden om te sturen op een betere kwaliteit van ongereinigde «ruwe» bodemas en naar mogelijke gevolgen daarvan voor het verbranden zelf. Wanneer dit onderzoek klaar is, zal de Kamer hierover geïnformeerd worden.
De klimaatzaak Bonaire |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zijn de verschillende verantwoordelijke ministeries reeds in gesprek met de eisers in de Klimaatzaak Bonaire, zijnde Greenpeace Nederland en de acht inwoners van Bonaire? Zijn alle verantwoordelijke ministeries van plan dit te doen in het geval dit nog niet is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de consequenties van het vonnis voor het huidige doel voor 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 uit de nationale Klimaatwet?
Gezien het feit dat de rechtbank oordeelt dat de Staat heeft nagelaten om te kwantificeren hoeveel emissieruimte Nederland nog heeft als eerlijk deel van het mondiale emissiebudget dat resteert om de opwarming tot 1,5 °C te beperken, hoe gaat u dit nu alsnog kwantificeren zodat het klimaatbeleid en de klimaatdoelen in lijn komen met dit resterende budget?
Bent u bekend met de kwantificering van de emissieruimte door het Ministerie van Financiën in het «Blauwe Boekje 2023–2024», waar de rechtbank in het vonnis naar verwijst? Zo ja, kunt u overwegen om de Minister van Financiën te vragen om een actualisatie van deze berekening? Hoe zorgt u dat er bij deze kwantificering en het vaststellen van nieuwe klimaatdoelen ruimte is voor inspraak en publieksconsultatie en dat dit proces gebaseerd is op de meest recente inzichten van de klimaatwetenschap?
Welke concrete stappen neemt u nu, gezien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, om uitvoering te geven aan de veroordeling van de rechtbank om uiterlijk binnen 18 maanden, dus 28 juli 2027 nieuwe, bindende en economie-brede klimaatdoelen in de Klimaatwet vast te leggen?
Hoe interpreteert u de vaststelling van de rechtbank dat het onrechtmatig is dat er geen bindende nationale klimaatdoelstellingen zijn om de emissies van internationale lucht- en scheepvaart terug te dringen?
Wat betekent het vonnis in de Bonaire Klimaatzaak voor het CO2-plafond voor de internationale lucht- en scheepvaart dat is voorgenomen in het coalitieakkoord? En hoe verhoudt het openen van Lelystad Airport zich tot de uitspraak?
Bent u bekend met het rapport «Effectinschatting klimaatmaatregelen Coalitieakkoord» van onderzoeksbureau Kalavasta, waaruit volgt dat er een gat van tenminste 6 megaton is tussen het huidige Nederlandse klimaatbeleid en het 2030-doel van 55% reductie? Welke maatregelen, zowel normerend als beprijzend, gaat u nemen om dit gat te dichten en uitstootreductie te versnellen, inclusief voor lucht- en scheepvaart?
Kunt u aangeven wat de consequentie van het klimaatzaakvonnis is voor methaan en andere broeikasgasemissies in de landbouw en hoe dit zich verhoudt tot het eerdere vonnis van de rechtbank Den Haag in de rechtszaak van Greenpeace tegen de Staat over stikstofdepositie?
Klopt het dat de Verenigde Staten en/of Amerikaanse bedrijven gas en/of olie willen winnen voor de kust van de BES-eilanden en de CAS-eilanden? Kunt u een overzicht bezorgen van alle fossiele winningsprojecten op de eilanden, in de territoriale wateren en in de nabijheid van de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden?
Welke instantie beslist of dergelijke winningsprojecten al dan niet mogen doorgaan? Vallen dergelijke winningsprojecten onder de Nederlandse Mijnbouwwet?
Bent u het ermee eens dat dergelijke fossiele winningsprojecten door een niet-Europese mogendheid tot een geopolitiek onwenselijke ontwikkeling kan leiden?
Waarom zijn adaptatiemaatregelen op Bonaire systematisch later opgepakt dan in Europees Nederland, en hoe gaat u deze achterstand inhalen? Zal een dergelijke inhaalbeweging voldoende zijn om de mensen op Bonaire effectief te beschermen tegen schade ten gevolge van klimaatrampen?
Wat betekent het vonnis voor Saba en Sint-Eustatius, en in hoeverre wordt hier nu opvolging aan gegeven, inclusief preventieve maatregelen om alle inwoners van de BES-eilanden te beschermen tegen klimaatrampen en daarbij de gelijkwaardigheid van inwoners te borgen?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de rechtbank Den Haag stelt dat het huidige adaptatiebeleid voor Bonaire onvoldoende en zelfs discriminatoir is? Welke conclusies trekt u uit de erkenning dat het Nederlandse beleid discriminatoir is?
Hoe gaat u om die discriminatie tegen te gaan het «gelijkwaardig beschermingsniveau» voor de BES-eilanden wettelijk verankeren? Is er voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius reeds een analyse gebeurd, waarbij voor ieder eiland afzonderlijk een inschatting is gemaakt van de kwetsbaarheid voor toenemende klimaatrampen alsook van hun financiële en andere capaciteit om adequaat op rampen te reageren? Krijgen de eilanden dezelfde veiligheidsnormen (overstromingskansen) als de Nederlandse kust?
Bent u bereid om per direct dezelfde overstromingskansnormen wettelijk te verankeren voor Bonaire als voor Europees Nederland of, indien deze overstromingskansnormen onvoldoende zijn om alle inwoners van Bonaire afdoende te beschermen, bent u bereid striktere normen voor Bonaire wettelijk te verankeren? Zo nee, welke normen zullen dan worden toegepast om te voldoen aan het discriminatieverbod?
Hoe garandeert u dat de geëiste kustbescherming op Bonaire uiterlijk in 2030 volledig geïmplementeerd is, en welk budgettair pad is hiervoor nu reeds vastgelegd om te voorkomen dat plannen slechts bij ambities blijven?
Waarom is de waterveiligheid van Bonaire nog niet structureel gekoppeld aan het Deltafonds? In hoeverre kan en zal het Deltafonds worden opengesteld voor de BES-eilanden? Zal de regering ervoor zorgen dat er voldoende budget in het fonds is voor de adaptatienoden van zowel Europees als Caraïbisch Nederland? Wat is hiervoor nodig?
Bent u bereid om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten zodat naast de benodigde en omvangrijke investeringen in adaptatiemaatregelen ten aanzien van waterveiligheid, ook maatregelen in het kader van bijvoorbeeld hitte, gezondheid en natuur tijdig kunnen worden gefinancierd? Of middels welke fondsen zal u zorgen voor een equivalent beschermingsniveau tegen klimaatverandering op Bonaire?
Tot welke Europese fondsen hebben de BES-eiland toegang voor de financiering van adaptatie- en mitigatiemaatregelen? Hebben ze gelijke toegang tot alle fondsen die de lidstaten ter beschikking staan als gemeenten in continentaal Europa of worden ze hiervan uitgesloten? Hebben ze toegang tot Europese fondsen voor internationale klimaatadaptatie?
Is de toegang van BES- en CAS-eilanden tot Europese financiering gelijkwaardig aan de toegang van de Franse overzeese departementen en gebieden, zoals het Franse gedeelte van Sint-Maarten?
Hoe kan het dat na orkaan Irma het Franse deel van Sint-Maarten beter beschermd was en/of sneller kon heropbouwen dan het deel binnen het Koninkrijk der Nederlanden? Wat zijn de oorzaken hiervan? Welke verschillen zaten er in de toegang tot Europese financiering? En hoe verschilde de financiering voor zowel preventieve maatregelen als voor wederopbouw vanuit Den Haag met de financiering vanuit Parijs?
Wat zijn de risico's voor de CAS- en BES-eilanden van de aangekondigde Super El Niño? Wat is de huidige staat van paraatheid van de verschillende eilanden? Wat doet u om de eilanden te ondersteunen in hun weerbaarheid tegen dit fenomeen? Welke extra stappen worden er gezet?
Welke extra expertise en uitvoeringskracht acht het Rijk voor het Openbaar Lichaam Bonaire nodig om ervoor te zorgen dat er voldoende lokale capaciteit is om de plannen uit te voeren?
Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen opdat de BES-eilanden op korte termijn volledig overgaan op duurzame energie, zodat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import?
Hoe kunt u ervoor zorgen dat energie betaalbaar is voor inwoners van Bonaire, ook gezien de toenemende noodzaak van energieverbruik voor airconditioning als gevolg van de opwarming van de aarde?
Kunt u aangeven welke maatregelen u treft tegen de gevolgen van de toenemende hitte en extreme neerslag op Bonaire? Welke aanvullende stappen zijn noodzakelijk en wat is de investeringsopgave hiervan?
Welke maatregelen kan het kabinet nemen tegen de onder andere door klimaatverandering veroorzaakte sargassumcrisis, die de economie van Caraïbisch Nederland ernstig schaadt, met name in toerisme en visserij?
Hoe beoordeelt u de relevantie van de rechtsoverwegingen in het Bonaire-vonnis voor de overige landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten), gezien de gedeelde verantwoordelijkheid voor de waarborging van mensenrechten (artikel 43 Statuut)? Erkent u dat de Staat der Nederlanden een coördinerende en faciliterende verantwoordelijkheid heeft om te waarborgen dat ook de inwoners van de CAS-eilanden een gelijkwaardig niveau van mensenrechtelijke bescherming tegen klimaatgevaren genieten, met in ogenschouw nemend het vereiste respect voor de autonome status van deze landen?
Bent u bereid om, in de geest van het vonnis, proactief met de regeringen van de CAS-eilanden in gesprek te gaan over een Koninkrijksbreed Klimaatfonds, zodat ook daar de noodzakelijke adaptatiemaatregelen om mensen(rechten) te beschermen in de klimaatcrisis gefinancierd kunnen worden die de lokale draagkracht te boven gaan?
Bent u het ermee eens dat, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden de officiële verdragspartij is bij de UNFCCC, de belangen van de CAS-landen en BES-eilanden integraal onderdeel moeten zijn van de Nederlandse en dus ook Europese inzet in internationale klimaatonderhandelingen? Kunt u toelichten hoe de structurele consultatie met de regeringen en lokale besturen van deze eilanden is vormgegeven in de aanloop naar de jaarlijkse COPs?
Erkent u dat «effectieve bescherming», zoals geëist in het vonnis, onmogelijk is zonder een structurele meerjarige financiering die direct aansluit op de lokale behoeften die aan de Klimaattafel zijn geformuleerd? Hoeveel extra middelen zijn er volgens u nodig, en hoeveel middelen zal het Rijk beschikbaar stellen en wanneer besluit u hierover?
Op welke wijze beschermt het kabinet het cultureel erfgoed op de zuidpunt van Bonaire (zoals de slavenhuisjes) dat door de zeespiegelstijging reeds in 2050 dreigt te verdwijnen?
Hoe waarborgt u dat inwoners van Bonaire en de Klimaattafel Bonaire een doorslaggevende stem krijgen in het nationale adaptatieplan dat uiterlijk in 2030 geïmplementeerd moet zijn?
Hoe zult u garanderen dat adaptatieprocessen op de BES-eilanden lokaal geleid kunnen worden?
Bent u bekend met de motie van de Eilandsraad van Bonaire, waarin het Bestuurscollege wordt opgeroepen om de Nederlandse Staat te houden aan de rechtskracht van het vonnis? Welke aspecten van deze motie gaat u uitvoeren? En kunt u toezeggen dat alle aanbevelingen die voortvloeien uit de motie van de Eilandsraad integraal onderdeel worden van de Nederlandse inzet tijdens de komende Klimaattop (COP), om Bonaire als internationaal voorbeeld van «Small Island Justice» te positioneren? Hoe beoordeelt u de passage in de motie die spreekt over de «historische schuld» en de plicht van Nederland om de kwetsbaarste delen van het Koninkrijk prioritair te beschermen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over het vonnis inzake de Bonaire Klimaatzaak?
Windturbines en grensregio’s |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Deelt u dat bij windturbines net over de Duitse grens ook de Nederlandse Staat verantwoordelijk is voor naleving van Europese en internationale verplichtingen?
Zoals in eerdere Kamervragen toegelicht1, geldt er Europees en internationaal recht dat terug te vinden is in het Verdrag van Espoo en de EU-richtlijnen over milieueffectrapportage om aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van ruimtelijke plannen, zoals windturbines nabij de grens, zo goed mogelijk in beeld te brengen en buurlanden daarbij te betrekken. Zolang dit recht gevolgd wordt, is er logischerwijs geen reden tot ingrijpen door de nationale overheid en zijn landen soeverein. Daarbij geldt dat in Nederland elke overheidslaag zijn eigen bevoegdheden heeft. Het is in beginsel aan de betrokken medeoverheden om indien er een vermoeden is dat het Europees recht niet wordt nageleefd, hierop actie te ondernemen.
Op basis waarvan concludeert u dat geen sprake is van significante grensoverschrijdende milieueffecten bij windturbines van circa 250 meter hoog, op korte afstand van de Nederlandse grens?
Deze conclusie is niet aan het kabinet. In eerste instantie is de beoordeling of er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten bij een Duits windproject aan het Duitse bevoegd gezag. De verantwoordelijkheid voor de lokale fysieke leefomgeving in Nederland ligt in beginsel bij de medeoverheden. Indien een Nederlandse overheidsinstantie meent dat er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van een Duits mer-plichtig initiatief, kan zij dit bij het Duitse bevoegd gezag kenbaar maken. Hiernaast geldt dat de Nederlandse overheidsinstantie de Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan vragen contacten te onderhouden met de bevoegde Duitse autoriteiten indien het niet lukt om contact met hen te leggen aangaande een mer-plichtig initiatief of als het overleg hierover niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
Erkent u dat het Verdrag van Espoo en artikel 7 van de MER-richtlijn gelden zodra grensoverschrijdende effecten niet kunnen worden uitgesloten, los van nationale MER-drempels?
Op basis van het Verdrag van Espoo geldt een mer-plicht voor gespecificeerde activiteiten waarbij aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten niet kunnen worden uitgesloten. Daarnaast geldt op basis van de Europese mer-richtlijn een directe mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht voor bepaalde activiteiten. De uitkomst van een mer-beoordelingsplicht kan vervolgens ook leiden tot mer-plicht. Zowel de vereisten uit het Verdrag als uit de mer-richtlijn zijn omgezet in nationale regelgeving. Hierbij geldt dat het aan het bevoegd gezag van de mer-plichtige activiteit is om de beoordeling te maken of er sprake kan zijn van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten. Alleen als uit de beoordeling volgt dat deze effecten niet kunnen worden uitgesloten, bieden het Verdrag en art. 7 van de mer-richtlijn verplichtingen rondom informatie-uitwisseling en overleg met een andere Verdragspartij.
Hoe beoordeelt u dat Nederlandse inwoners in de praktijk nauwelijks effectief kunnen participeren in Duitse procedures door taal-, kosten- en juridische drempels?
Participeren in Duitse procedures kan inderdaad complex zijn voor Nederlandse inwoners. Daarom is recent door de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) een speciale brochure2 opgesteld die inwoners van Nederland een overzicht geeft van de planningsprocessen in Duitsland, alsmede van wat de belangrijkste termen en bijzonderheden van het Duitse recht zijn. Ook verheldert de brochure welke rechten Nederlandse inwoners hebben volgens het Duitse recht, als het gaat om participatie en inspraak in de planningsprocessen.
Heeft het Rijk hierover overleg gevoerd met de provincie Overijssel, en zo ja wanneer en met welk resultaat richting Duitsland?
Er vindt vier maal per jaar overleg plaats tussen ambtenaren van de Nederlandse overheid, alle grensprovincies en ambtenaren van de Duitse deelstaten en grensregiobesturen in de NDCRO. Dit overleg is informerend en informeel van karakter en gaat over ruimtelijke plannen in het grensgebied. Tijdens dit overleg hebben de Nederlandse provincies de windmolens in het grensgebied aangekaart. De Duitse collega’s hebben uitleg gegeven over de uit te werken plannen van de Bondsregering en hoe de deelstaatregeringen hier vervolgens uitwerking aan dienen te geven. Daarnaast heeft het Rijk op ambtelijk niveau overleg met de Duitse Bondsregering over het gehele grensgebied tussen Duitsland en Nederland, waar ook gesproken is over de plaatsing van windmolens in het grensgebied. Hierbij hebben wij aangegeven wat het grensoverschrijdend effect is van de nationale beleidskeuzes van de Duitse Bondsregering. Hierop heeft Duitsland enkele zoeklocaties nabij de grens verplaatst.
Kunt u de verslagen hiervan aan ons doen toekomen?
Vanwege het informele karakter van deze overleggen worden er geen verslagen vastgesteld.
Deelt u dat overlegstructuren zoals de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) geen vervanging zijn voor juridisch afdwingbare verplichtingen uit het EU-milieurecht?
De NDCRO heeft inderdaad geen juridische status of beslisbevoegdheid. Dat is ook niet de doelstelling van het overleg. Hier brengt men elkaar op de hoogte van de ruimtelijke plannen en ontwikkelingen aan beide zijden van de grens en deelt men kennis inzake de ontwikkelingen en vraagstukken waar de partijen mee te maken hebben. Omdat de commissie het ook belangrijk vindt dat de betrokkenen aan de grens goed weten wat hun juridische rechten zijn, heeft de NDCRO voor inwoners van de Nederlandse grensstreek in de Nederlandse taal deze samengevat in de eerdergenoemde brochure.
Bent u bereid te komen tot een helder Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten ter bescherming van leefomgeving, inwoners en gemeenten?
We voorzien momenteel geen specifiek aanvullend Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten. Bestaande afspraken, zoals het verdrag van Espoo, maken voldoende duidelijk aan welke eisen moet worden voldaan. Hier is een contactpunt voor ingericht om medeoverheden daar waar nodig te ondersteunen. Dit is online te vinden. Wel zijn en blijven we in gesprek met de grensprovincies om te bezien of, en zo ja op welke wijze, we hen nader kunnen ondersteunen.
En zo ja, per wanneer?
N.v.t.
En zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Zie hierboven.
Kunt u bevestigen dat nationaal en internationaal onderzoekers al bijna tien jaar waarschuwen dat het RCP8.5-scenario onwaarschijnlijk is en niet meer gebruikt zou moeten worden voor beleidsdoeleinden?1, 2, 3
Waarom heeft het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en in het verlengde daarvan het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dit advies al die jaren in de wind geslagen
Kunt u bevestigen dat sinds de publicatie van dit RCP8.5-scenario in 2011 er wereldwijd naar schatting meer dan 100.000 wetenschappelijke artikelen zijn verschenen die gebruikmaken van dit scenario en een veelvoud aan media-uitingen?
Hoe kijkt u daarop terug, nu blijkt dat dat scenario nooit plausibel is geweest?
Kunt u bevestigen dat het midden-scenario voortaan als «business as usual» mag worden gezien/gebruikt?
Deelt u de mening dat op basis van het RCP8.5- (en diens opvolger het SSP5-8.5) scenario het IPCC, het KNMI en in het verlengde daarvan ook de Nederlandse overheid veel te alarmistisch zijn geweest over klimaatverandering?
Gaat u de overheidspagina over klimaatverandering met spoed herschrijven in het licht van de «nieuwe» inzichten omdat daar bijvoorbeeld nog staat dat de zeespiegel in 2100 wel 1,2 meter (of zelfs 2 meter) kan stijgen maar dat dit was gebaseerd op het RCP8.5-scenario?4
Heeft u de reactie van het KNMI gezien5 op de nieuwe scenario’s en vindt u het acceptabel dat het instituut zelfs nu nog doet alsof er niets veranderd is dat hoewel het KNMI erkent dat RCP8.5 niet langer realistisch is, toch weigert haar eigen scenario’s, die op RCP8.5 gebaseerd zijn, aan te passen?
Misleidt het KNMI hiermee alle sectoren en (lagere) overheden die gebruikmaken van de KNMI-scenario’s en gedraagt het KNMI zich in Nederland daarmee niet veel te veel als eenoog Koning (een kennismonopolist)?
Hoe kan het dat het IPCC in haar zesde rapport in 2021 al waarschuwde dat RCP8.5 (en SSP5-8.5) niet langer plausibel was en het KNMI bij de 2023 klimaatscenario’s dit scenario toch gewoon weer inzette?6
Kunt u het KNMI vragen met spoed en in het Engels een reactie te schrijven op de kritiek van Pielke Jr, aangezien de internationaal zeer goed in dit dossier ingevoerde onderzoeker Roger Pielke Jr op social media onmiddellijk de publieke reactie van het KNMI op de nieuwe scenario’s bekritiseerde7 en volgens hem de reactie van het KNMI diverse «onjuiste beweringen» zou bevatten en ook Volkskrant-journalist Maarten Keulemans constateerde dat op social media platform X8 wat natuurlijk zeer ernstig zou zijn voor een overheid die zelf zegt het bestrijden van mis- en desinformatie zo belangrijk te vinden?
Kunt u ervoor zorgen dat het PBL, het KNMI en bewindslieden als uzelf voortaan de echte reden geven voor het verlaten van RCP8.5 en kunt bevestigen dat een belangrijk kritiekpunt van Pielke Jr klopt dat diverse onderzoekers, waaronder Detlef van Vuuren van het PBL, de eerste auteur van de nieuwe scenariopaper9, en ook het KNMI, ten onrechte beweren dat het «rampenscenario» is verlaten vanwege het succes van het beleid, met name het goedkoper worden van zonne- en windenergie en ook de Minister suggereerde dit in haar interview bij het programma Ongehoord Nieuws maar dat de werkelijke reden dat het «rampenscenario» is verlaten is dat de aannames erachter altijd al onrealistisch geweest zijn, namelijk een explosieve stijging van steenkoolgebruik in de 21e eeuw?
Kunt u laten onderzoeken hoe het mogelijk is geweest dat juist dit niet plausibele RCP8.5-scenario gebruikt werd als het enige referentie- of ook wel business-as-usual-scenario?
Deelt u de mening dat RCP8.5 nooit als referentiescenario gelabeld had moeten worden en dat beleidsmakers daarmee jarenlang op het verkeerde been zijn gezet?
Kunt u navragen en toelichten waarom het PBL het niet eens opportuun achtte om een persbericht de deur uit te doen, terwijl een PBL-medewerker eerste auteur van de internationale paper is waarmee de nieuwe IPCC-scenario’s zijn gelanceerd?
Zou dit ook niet gebeurd zijn als het nieuwe hoogste scenario hoger uitgevallen zou zijn dan RCP8.5, met andere woorden als de boodschap had kunnen zijn «it is worse than we thought» en deelt u de mening dat dergelijke institutionele bias ongewenst is?
Kunt u bevesboektigen dat het nieuwe hoogste scenario CMIP7 High geen referentiescenario is en dus niet als zodanig gebruikt en gecommuniceerd moet worden?
Kunt u bevestigen dat dit betekent dat toekomstig eventueel beleidssucces nooit gerelateerd kan worden aan dit scenario?
Kunt u bevestigen dat het nieuwe hoge scenario (CMIP7 High) gebaseerd is op het SSP3-scenario en niet op het eerder gebruikte SSP5-scenario?
Kunt u met spoed laten uitzoeken hoe het mogelijk is dat dit scenario uitgaat van een bevolkingstoename in 2100 van maar liefst 14,5 miljard mensen10, wat haaks staat op projecties van de VN (+/– 10 miljard in 2100) en het IMHE (+/– 9 miljard in 2100)?
Deelt u de mening dat het niet opnieuw moet gebeuren dat de klimaatgemeenschap tien jaar of langer gaat werken met scenario’s die uitgaan van achterhaalde aannames?
Kunt u bevestigen onder de aanname van staand beleid («current policies») dat temperatuurprojecties in 2100 uitkomen op ongeveer 2,5 graden opwarming11 en als je dat zou combineren met realistischere aannames voor bevolkingsgroei en economische groei het tweegradendoel van Parijs zelfs haalbaar lijkt zonder aanvullend beleid?12
Deelt u de mening dat er veel meer toezicht nodig is op de samenstelling en de werkwijze van de internationale commissie die de IPCC-scenario’s vaststelt, bijvoorbeeld omdat Roger Pielke Jr zijn zorgen heeft uitgesproken13 over de samenstelling en het gebrek aan toezicht op de internationale commissie en waar slechts twee instituten (IIASA en PIK) die commissie domineren en transparantie over wat er besproken wordt tijdens meetings volledig ontbreekt?
Zo ja, wat gaat u internationaal doen om dat voor elkaar te krijgen?
Gaat u het KNMI nu de opdracht geven haar scenario’s op de nieuwste ontwikkelingen aan te passen en hiermee niet te wachten tot het KNMI volgens eigen planning pas in 2029 of 2030 met een update komt?
Kunt u de Kamer met spoed een eerste inventarisatie sturen van de projecten in Nederland die gebaseerd zijn op RCP8.5 en/of SSP5-8.5 zodat de Kamer kan zien hoe dit scenario heeft doorgewerkt in de samenleving?
Kunt u in het bijzonder aangeven wat de consequenties zijn van de nieuwe inzichten voor het Nationaal Deltaprogramma waarin de Deltascenario’s 202414 voor 50% zijn gebaseerd op het nu geschrapte SSP5-8.5-scenario?
Betekenen de nieuwe inzichten dat we fors kunnen bezuinigen op het jaarlijkse budget voor het Deltaprogramma dat ongeveer 1,9 miljard euro bedraagt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Data en normen windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aantonen dat de jaargemiddelde geluidsnorm (Lden) een aantoonbare relatie heeft met feitelijke hinder en slaapverstoring van omwonenden?
Op welke recente datasets zijn de gehanteerde bron-hinderrelaties gebaseerd, en zijn deze representatief voor moderne windturbines van >150 meter?
Kunt u voorbeelden geven van Nederlandse veldstudies waarin modelberekeningen zijn gevalideerd met gemeten hinder bij omwonenden?
Hoe is in de planMER rekening gehouden met nachtelijke piekbelasting en hinderincidenten per nacht en per seizoen?
Erkent u dat gemiddelde meetdata piekgeluid en hinderincidenten onvoldoende zichtbaar maken?
Kunt u aantonen dat de voorgestelde normen minimaal hetzelfde beschermingsniveau bieden als afstandsnormen zoals in Denemarken?
Kunt u onderbouwen dat de nieuwe normering leidt tot gelijke of lagere feitelijke hinder dan de Handreiking industrielawaai (1998)?
Waarom is geen volwaardige vergelijking gemaakt tussen de huidige normering en alternatieven, zoals strengere afstandsnormen of andere meetmethoden?
Hoe is geborgd dat effecten van slijtage en veroudering van windturbines zijn meegenomen in de beoordeling van hinder en geluid?
Kunt u uitsluiten dat de normering vooral gebaseerd is op modelaannames zonder voldoende empirische onderbouwing bij omwonenden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De stapeling van overtredingen en niet voldoen aan wet- en regelgeving door Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Wanneer heeft u de brief die de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) op 23 april 2026 naar Tata Steel verstuurde, die ziet op de intrekking van de vergunningen voor de Kooksgasfabrieken (KGF) 1 en 2, ontvangen?
De Ministeries van EZK en IenW hebben de brief op 23 april 2026 ter informatie ontvangen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG).
Wanneer wist u dat de ODNZKG voornemens was de vergunningen van de KGF 1 en 2 in te trekken? Kunt u aangeven of dit voor of na het plenaire debat van 7 april jl. was?
De ministeries zijn op 20 april jl. mondeling vertrouwelijk geïnformeerd over de situatie. Dat is dus na het plenaire debat van 7 april 2026. Voor Kooksgasfabriek 2 geldt dat de OD NZKG al eerder heeft aangegeven intrekking van de vergunning te overwegen, daar liep immers al een aanzeggingsprocedure.5
Indien u de brief op hetzelfde moment of rond dezelfde tijd ontving: waarom heeft u die brief dan niet meteen met de Kamer gedeeld?
Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. Het is dan ook allereerst aan de provincie en de OD NZKG om publiekelijk te informeren over stappen op dit gebied. De Kamer is steeds zo snel mogelijk daarna geïnformeerd in het kader van het maatwerktraject, bijvoorbeeld met de brief van 19 mei jl.6
Bent u het ermee eens dat de Staat zeer zorgvuldig en terughoudend moet omgaan met het uitgeven van geld van burgers aan een commercieel, Indiaas bedrijf, al helemaal in tijden waarin het kabinet kiest voor harde bezuinigingen op o.a. de Nederlandse zorg? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het (algemene) principe dat er zeer zorgvuldig omgegaan moet worden met de besteding van middelen. Het kabinet heeft de intentie om deze subsidie te verstrekken aan Tata Steel Nederland omdat verduurzaming van het bedrijf hiermee mogelijk wordt gemaakt en dit tot positieve effecten voor het klimaat en het milieu leidt. Het kabinet toetst de haalbaarheid van de plannen en de businesscase van het bedrijf (doorlopend) zorgvuldig en maakt hierbij ook gebruik van externe deskundigen. In de uiteindelijke overeenkomst zullen allerlei (financiële) zekerheden door de staat gevraagd worden aan TSN. Voor de staat is het essentieel dat de ondersteuning gebruikt gaat worden voor het beoogde doel: gezondheidswinst en verduurzaming van de productiefaciliteit.
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren in debatten en in schriftelijke vragen van de afgelopen jaren de regering er meermaals op heeft gewezen dat Tata Steel zich al jaren niet houdt aan wet- en regelgeving en dat er een grote kans bestaat dat niet alleen KGF 2, maar ook KGF 1 gedwongen dicht moet, dat dat het plan waar de Staat over aan het onderhandelen is zou veranderen en dat geld geven aan Tata Steel een extra risico vormt voor de belastingbetaler? Zo ja, bent u het ermee eens dat deze signalen te licht zijn opgevat in het verleden, en hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort signalen in de toekomst evenwichtig worden meegenomen?
Het kabinet is zich bewust van de diverse handhavingszaken die bij het bedrijf lopen. Hierover is de Kamer in de afgelopen jaren ook regelmatig geïnformeerd.7
Het is mede om die reden dat het kabinet in de Joint Letter of Intent (JLoI) specifieke afspraken overeen is gekomen op het gebied van compliance en cultuur. Zo is in artikel 12.4 van de JLoI vastgelegd dat het bedrijf een cultuurverandering moet doormaken en de control en compliance van haar operaties moet verbeteren. TSN moet hiervoor een plan aanleveren bij de staat. Dit plan wordt extern getoetst. Dit is belangrijk om tot een maatwerkafspraak te komen en het kabinet is hier dan ook intensief over in gesprek met het bedrijf. Daarnaast zijn in de JLoI ook afspraken vastgelegd met als doel om de (financiële) risico's voor de staat te minimaliseren.
Zoals in de eerdere Kamerbrief aangegeven8 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Bent het ermee eens – tegen de achtergrond dat de omgevingsdienst overgaat tot intrekking van de vergunningen voor beide kooksfabrieken, omdat Tata Steel de normen stelselmatig jarenlang overschrijdt en er geen reden is om te veronderstellen dat dat nog gaat veranderen – dat er in lijn met de Joint Letter of Intent (JLoI) art.15.3 (d) sprake is van een (potentiële) opzeggingsgrond? Waarom wel/niet?
Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop primair bij het bevoegd gezag – in dit geval de provincie Noord-Holland – ligt, is compliance van TSN van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Zoals opgenomen in het antwoord op vraag 5 moet TSN een plan aanleveren bij de staat voor het verbeteren van de compliance en cultuur. Dit plan wordt extern getoetst. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Bent u voornemens deze opzeggingsgrond aan te wenden om de inspanningsverplichting te stoppen, aangezien in de kabinetsbrief van 7 april jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 350) wordt gesteld dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft»? Zo nee, kunt u dat heel nauwkeurig onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gebeurt er op het moment dat uit het lopende strafrechtelijk onderzoek1 blijkt dat Tata Steel opzettelijk en onrechtmatig de gezondheid van mensen in gevaar heeft gebracht? Welke invloed heeft het lopende onderzoek op de gesprekken over de maatwerkafspraken?
Hoewel de vraag begrijpelijk is, kan het kabinet niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomsten van een onafhankelijk strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging. Het kabinet hecht zeer aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven. Daarom gelden bepaalde uitkomsten van onderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen ook als mogelijke opzeggrond voor de JLoI. Bij de vormgeving van de definitieve maatwerkafspraak wordt hier rekening mee gehouden.
Kunt u bevestigen dat er geen enkele invloed op de ILT en de ILT-IOD, direct of indirect, wordt uitgeoefend vanuit het ministerie in hun werk rondom Tata Steel en dat de instanties onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraken tot hun oordeel kunnen komen?
De ILT en ILT-IOD doen hun onderzoek onafhankelijk en kunnen dus ook onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraak tot hun oordeel komen.
Bent u ermee bekend dat experts zeggen dat KGF 2 zo verouderd is dat het al in de jaren negentig gesloten had moeten worden, maar dat het nooit gebeurd is, omdat kortetermijnwinst belangrijker werd geacht dan de gezondheid voor omwonenden?
Het kabinet verwijst hiervoor naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen uit 2023.10 Zie verder het antwoord op vraag 5 t/m 7.
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het stilleggen van een bedrijfsonderdeel door Tata Steel op verzoek van de toezichthouder, omdat na metingen is gebleken dat het te veel van de kankerverwekkende stof chroom-6 uitstoot? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overschrijden van verschillende normen voor gevaarlijke stoffen bij de Sinterfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overtreden van regels bij de Oxystaalfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het feit dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat Tata Steel toezicht en controles belemmert en vertraagt? Welke consequenties zijn er vanuit het kabinet richting Tata Steel als belemmering en vertraging van de toezichthoudende taken nogmaals worden geconstateerd?
Wat vindt u ervan dat de omgevingsdienst al in 2025 heeft geconstateerd dat Tata Steel een aanzienlijk hogere uitstoot van schadelijke stoffen rapporteert in het elektronisch milieujaarverslag (e-MJV) van 2024 ten opzichte van voorgaande jaren, en dat de omgevingsdienst nog steeds geen goede verklaring voor deze veel hogere uitstoot heeft ontvangen van Tata Steel? Wat zegt dit over de bedrijfscultuur en betrouwbaarheid van Tata Steel?
De OD NZKG is vaker eigen metingen gaan uitvoeren en heeft daarmee meer inzicht gekregen in de emissies van het bedrijf. Zo heeft de OD NZKG in 2024 stoffen gemeten die niet eerder door Tata Steel zijn gemeten of gerapporteerd. Ook meet de OD NZKG op meerdere plaatsen op andere manieren dan het staalbedrijf dat zelf eerder heeft gedaan. Tata Steel heeft deze nieuwe metingen op aandringen van de OD NZKG meegenomen in het e-MJV over 2024. Er kunnen ook andere oorzaken zijn voor verschillen tussen uitstootgegevens, bijvoorbeeld wijzigingen in de productie- of procesomstandigheden van de fabriek.
Verder is het noodzakelijk dat Tata Steel zich open en transparant opstelt om te voorkomen dat dit soort zaken zich in de toekomst opnieuw voordoen. Dit is ook afgesproken in artikel 8.2 van de JLoI, waarin Tata Steel zich heeft gecommitteerd om te onderzoeken hoe onafhankelijke en transparante monitoring versterkt kan worden.
Klopt het dat Tata Steel tot nu toe meer dan 25 miljoen euro aan boetes heeft moeten betalen voor het overtreden van regels? Zo nee, wat is het bedrag precies?
Navraag bij de OD NZKG levert op dat Tata Steel in de periode 2025–2026 € 22.215.000 aan dwangsommen heeft voldaan. Op de website van de OD NZKG is een overzicht te zien van alle handhavingsacties, zo ook het verbeuren van dwangsommen.12
Wat vindt u van de cultuur van het buitenlandse bedrijf, dat zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt, handhaving en toezicht traineert en belemmert, onvolledige of misleidende cijfers en informatie deelt, door de toezichthouder «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, en onvoldoende en ontijdig heeft geïnvesteerd in gezonde bedrijfsvoering en onderhoud?
Een goede cultuur is van belang om compliant te kunnen zijn met regelgeving. De cultuurverandering die in de JLoI (artikel 12.4) genoemd wordt, moet eraan bijdragen dat het bedrijf zich proactief en transparant opstelt in het voldoen aan de wet- en regelgeving. Zie hiervoor ook antwoord 5 t/m 7.
Welke risico’s voor de maatwerkafspraken, de Staat en de belastingbetaler zijn er door de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving (waarvan een aantal in vorige vragen genoemd), de bovengeschetste cultuur van het bedrijf en door de lopende rechtszaken? Kunt u met de Kamer delen welke adviezen u daarover heeft ontvangen?
Het kabinet zal een analyse van de juridische consequenties en risico’s voor de staat van (bepaalde bepalingen uit) de maatwerkafspraken laten uitvoeren door een externe juridisch adviseur. Dat is conform de motie Van Oosterhout en Kostic,13 ingediend tijdens het debat over de JLoI met Tata Steel op 7 april jl. Deze analyse is op dit moment nog niet beschikbaar. Voor het belang van een transparant en compliant bedrijf, zie antwoorden op de vragen 5 t/m 7.
Kunt u uitgebreid uitleggen en onderbouwen hoe u de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving en lopende onderzoeken en rechtszaken beoordeelt vanuit art.15.3 van de JLoI?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met deze situatie.
Aangezien u eerder schreef dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft», en Tata Steel zich al jaren niet aan wet- en regelgeving houdt, tot wanneer precies geeft u Tata Steel de tijd om eindelijk aan de wet- en regelgeving te voldoen?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet hiermee omgaat.
Kunt u uitsluiten dat u een maatwerkafspraak maakt met Tata Steel, als het bedrijf zich nog steeds niet aan wet- en regelgeving kan houden? Zo nee, wat is dan uw uitspraak over het belang van naleving van wet- en regelgeving waard?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vragen 6 en 7 dienen bedrijven in Nederland zich aan de wet te houden, ook TSN. Compliance van TSN is van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Aangezien Tata Steel zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt en door toezichthouders «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, welk signaal denkt u dat het afgeeft dat de Staat alsnog bereid is om zo’n bedrijf belastinggeld te geven? Waarom zou u Tata Steel belonen voor het jarenlang overtreden van regels, het traineren van handhaving en toezicht, het onvoldoende investeren in onderhoud en tijdige vervanging van fabrieken en het uitstoten van te veel kankerverwekkende stoffen waar mensen aantoonbaar ziek van worden?
De maatwerkafspraak waarover het kabinet onderhandelt met Tata Steel dient ertoe afspraken met het bedrijf te maken om te komen tot CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving voor gezondheid van omwonenden. Dit is de snelste manier om, binnen een bredere belangenafweging, tot een verbetering van de leefomgeving rond het bedrijf en klimaatwinst te komen.
Zoals eerder in deze beantwoording al benoemd is onderdeel van de JLoI het verbeteren van de cultuur en compliance. In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met dit onderwerp.
Hoe beïnvloedt het vroegtijdig sluiten van KGF 2 en met name KGF 1 de levensvatbaarheid van de plannen zoals vastgelegd in de JLoI, aangezien het originele plan op basis waarvan de Staat de onderhandelingen in is gegaan, uitgaat van het nog jarenlang openhouden van KGF 1? Op welke onafhankelijke experts baseert u zich hierin?
Zoals eerder aangegeven14 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Zoals bekend toetst het kabinet of de plannen van het bedrijf haalbaar zijn en leiden tot een levensvatbaar bedrijf. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en businesscase juridisch, technisch en financieel te toetsten, zoals KPMG en Mott Macdonald. Ook de Europese Commissie (EC) hanteert als uitgangspunt voor steunverlening dat een bedrijf economisch levensvatbaar moet zijn.
Hoe ziet het plan van Tata er dan nu precies uit, welke wijzigingen zijn/worden gemaakt ten opzichte van het plan op basis waarvan de Staat een JLoI is aangegaan?
De provincie Noord-Holland en de OD NZKG volgen voor de intrekking van de vergunningen een zorgvuldige procedure. Voor beide KGF’en is een vooraankondiging gestuurd. Hierna volgen ontwerp-intrekkingsbesluiten, waarop zienswijzen ingediend kunnen worden. Na het wegen van de zienswijzen, volgen definitieve intrekkingsbesluiten van de vergunningen. Voor de termijn waarbinnen sluiting plaats moet vinden worden onder andere het gedrag van de overtreder, de milieueffecten van de sluiting zelf, de bescherming van het milieu in het algemeen, verschillende technische aspecten en de bedrijfsvoering van Tata Steel in overweging genomen. De provincie Noord-Holland heeft recent ook een brief gestuurd waarin uitgebreide toelichting staat over dit proces15. Wanneer er meer duidelijkheid is over de termijn waarop sluiting plaats moet vinden, kan ook inzichtelijk gemaakt worden of en in hoeverre de huidige plannen aangepast moeten worden. Zodra hierover meer bekend is zullen wij de Kamer informeren.
Aangezien Tata Steel Nederland in 2025 een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert, welk financieel risico neemt de Staat bij de toekenning van 2 miljard euro subsidie? Hoe is dit risico bepaald en afgewogen en kunt u de exacte onderbouwing daarvan delen met de Kamer?
In het proces wordt er doorlopend getoetst op de levensvatbaarheid van het bedrijf en de (langetermijn) vooruitzichten. Dit gebeurt zowel door externe adviseurs van de staat als door de EC aangezien er op basis van het staatssteunkader dat van toepassing is geen staatssteun mag worden verleend om een verlieslatend bedrijf overeind te houden.
Daarnaast is de staat voornemens om garanties en zekerheden in te bouwen in de maatwerkafspraak. Zo wordt de maximaal 2 miljard euro aan subsidie niet in één keer overgemaakt, maar in tranches na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen en na bewijs van gemaakte kosten en volledige financiering van het project. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. Door aan de voorkant zekerheden voor de verstrekte tranches te stellen kan in het uiterste geval het uitbetaalde voorschot worden teruggevorderd.
Tot slot kijken TSL en externe financiers ook kritisch naar de financiering van hun eigen investering en de levensvatbaarheid van het bedrijf voor er geld beschikbaar wordt gesteld.
Is dit risico volgens u nog verantwoord, nu de materiële en financiële situatie bij Tata Steel Nederland volledig anders is dan bij het ondertekenen van de JLoI en nu de auditor van Tata Steel spreekt van «material uncertainty to going concern»?2 Kunt u nauwkeurig onderbouwen waarom wel/niet?
De eerdere sluiting van de Kookgasfabrieken heeft naar verwachting impact op het verdienvermogen van het bedrijf. Het bedrijf moet haar processen versneld aanpassen en dit brengt kosten en risico's met zich mee. Om die reden heeft TSL ook melding gemaakt over deze materiële onzekerheden. Het doen van deze melding in het jaarverslag is immers een verplichting voor beursgenoteerde ondernemingen zoals TSL. Zoals hiervoor aangegeven wordt de mogelijke impact op de maatwerkafspraak nog verder onderzocht.
Hoe verhoudt de geambieerde staatssteun zich nog tot de financiële feiten, gezien het oordeel van de auditor van Tata Steel dat de aangekondigde intrekking van vergunningen «material uncertainty to going concern» oplevert, gezien het feit dat Tata Nederland een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert én gezien het feit dat volgens Europese regels geen staatssteun gegeven mag worden aan een financieel noodlijdend bedrijf? Hoe onderbouwt u dit en op welke onafhankelijke experts baseert u zich?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is TSL, in het kader van de accountantsverplichtingen die TSL als beursgenoteerd bedrijf heeft, verplicht elke zogenaamde materiele onzekerheid over de continuïteit van de onderneming te vermelden.
Daarbij betekent het feit dat het bedrijf een verlies heeft gemaakt van ruim 200 miljoen euro nog niet dat het bedrijf ook een financieel noodlijdend bedrijf is. Zoals eerder aangegeven wordt momenteel onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft. Hierbij wordt ook de levensvatbaarheid van het bedrijf en de financiële haalbaarheid betrokken.
Heeft u naar aanleiding van de ontstane situatie al contact gehad met de Europese Commissie, die de eventuele subsidie moet goedkeuren in lijn met de Europese regels? Zo ja, kunt u de inhoudelijke reactie van de Commissie met de Kamer delen?
Vooruitlopend op formele toetsing door de EC, wordt informeel met de EC gesproken over alle voor de staatssteunbeoordeling relevante aspecten. Gelet op het informele en vertrouwelijke karakter van het overleg van de EC worden geen inhoudelijke reacties van de EC gedeeld. Voor zover er (financiële) gevolgen zijn voor de plannen en de businesscase, wat naar verwachting zo zal zijn zoals in antwoord 25 aangegeven, is dit relevant voor de formele beoordeling van de EC. Op dit moment zijn de consequenties nog niet precies bekend en kan dus ook geen beoordeling op grond van de staatssteunregels worden gemaakt. Helder is dat het bedrijf zich aan de wet- en regelgeving dient te houden, dat geen staatssteun mag worden verleend voor activiteiten die niet aan Europese regelgeving voldoen en dat een eventuele maatwerksubsidie moet (blijven) voldoen aan de Europese voorwaarden voor staatssteun onder het geldende staatssteunkader, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 (CEEAG).
Aangezien tijdens de aandeelhoudersvergadering op 16 mei jongstleden CEO Thachat Narendran de volgende uitspraak over de winstgevendheid van Tata Steel Nederland bij het sluiten van de beide kooksfabrieken heeft gedaan: «So going forward, if the coke ovens close, we expect it to continue to be EBITDA positive, maybe making less EBITDA than we had hopefully would make, but it will always be EBITDA positive. And so far, the Netherlands operation has operated without any support from India. So I think we expect that to continue»3, onderschrijft de Minister dat de overgangstermijn voor het sluiten van de beide kooksgasfabrieken beperkt kan worden tot de technische haalbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 24 volgen de provincie Noord-Holland en de OD NZKG een zorgvuldige procedure, waarin verschillende belangen gewogen worden. De OD NZKG heeft (in mandaat van de provincie Noord-Holland) de expertise om te bepalen welke termijn Tata Steel krijgt voor een veilige, verantwoorde en gecontroleerde sluiting.
Is de datum van de sluiting van de kooksgasfabrieken onderwerp van de onderhandelingen, of is dit een zuiver technische afweging van de omgevingsdienst?
De datum van de sluiting is een afweging van het bevoegd gezag. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 24.
Wat vindt u ervan dat de omwonenden al heel lang aandringen op sluiting van de kooksgasfabrieken wegens jarenlange overtredingen van de regels, maar dat Tata Steel de provincie Noord-Holland en de Tweede Kamer steeds heeft voorgehouden dat het een vroegtijdige sluiting van alleen al KGF 2 financieel niet kan dragen?
Het klopt dat hier sprake is van een andere positie van het bedrijf dan voorheen. Hierover is navraag gedaan bij het bedrijf. Het bedrijf geeft aan dat het in de context van de handhavingstrajecten door de OD NZKG en in reactie op de aanvullende normen uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), waar KGF1 niet op korte termijn aan kan voldoen, op basis van nieuwe inzichten is gaan kijken naar mogelijkheden om de Kooksgasfabrieken eerder te sluiten en de financiële gevolgen hiervan. Zoals bekend zijn hier ook gesprekken met de staat over gevoerd.18
Deze ontwikkeling benadrukt het belang van zorgvuldige en onafhankelijke beoordeling van de plannen en de businesscase, wat de staat dus ook doet met financieel adviseur KPMG en ook de beoordeling van de EC voordat eventuele goedkeuring voor de staatssteun wordt verleend.
Het kabinet wil nogmaals benadrukken dat de staat alleen bovenwettelijke maatregelen kan steunen en niet meer steun zal verlenen dan zij in de JLoI maximaal heeft toegezegd.
Beweert Tata Steel nu wel die vroegtijdige sluiting van de kooksgasfabrieken te kunnen betalen en, zo ja, hoe en wat is er dan precies veranderd in die korte tijd?
Zie antwoord vraag 31.
Gezien artikel 15.4 van de JLoI waarin opzeggronden voor Tata zijn bepaald voor de inspanningsverplichting rondom de maatwerkafspraken, hoe interpreteert u deze zin uit het persbericht van Tata India: «Tata Steel Netherlands is also engaged with the regulators on evolving standards relating to classification and disposal of steel slag, where local requirements in Netherlands now not only exceed EU standards but are threatening to become infeasible.»?
De inhoud van deze presentatie laat ik voor rekening van het bedrijf. Het kabinet maakt een eigenstandige afweging over het al dan niet aangaan van de maatwerkafspraak en over beleid en wet- en regelgeving. Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven maakt de staat beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid. De opzeggronden in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in, noch geven ze enige financiële garanties of enig recht op subsidies aan TSN.19
Aangezien de beslisnota van 18 mei schrijft dat het kabinet een vinger aan de pols hierover houdt en dat wordt onderzocht of en, zo ja, welke implicaties dit voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, kunt u precies uitleggen wat u bedoelt met het onderzoek en welke implicaties mogelijk zijn?
Zoals aangegeven in de beslisnota van 18 mei jl. heeft TSL in het jaarverslag aangegeven dat TSN in gesprek is met de regelgevende instanties over de classificatie en verwijdering van staalslakken. De lokale eisen in Nederland overschrijden momenteel volgens TSL de EU-normen en dreigen onhaalbaar te worden. Naar aanleiding hiervan heeft de staat haar technische en financiële adviseurs gevraagd deze ontwikkeling en de implicaties voor de maatwerkafspraak te onderzoeken.
Houdt u daarbij de uitvoering van de opdracht van de moties-Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343) en -Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) nog scherp, en zorgt u ervoor dat onderhandelingen over de maatwerkafspraken op geen enkele manier invloed hebben op de noodzakelijke beleidsstappen die moeten worden gezet om mens, dier en milieu (uit voorzorg) te beschermen tegen staalslakken?
Het kabinet heeft deze moties scherp. Zoals eerder ook aangegeven laten de JLoI en beoogde maatwerkafspraak met TSN de mogelijkheden voor het kabinet om nationaal beleid op staalslakken aan te passen onverlet.20 Daarbij staan ook in de maatwerkafspraak de verbetering van gezondheid en leefomgeving centraal.
Hoe interpreteert u het feit dat in het laatste kwartaalverslag van Tata Steel India voor het eerst in twee jaar (en dus acht kwartaalverslagen) het «Groen» Staalplan en de maatwerkafspraken niet worden genoemd in de investeerderspresentatie?
De inhoud van deze investeerderspresentatie laat het kabinet voor rekening van het bedrijf.
Aangezien Tata India investeerders liet weten dat er onzekerheid is rondom de plannen in Nederland en de CFO tijdens de investors call zei; «there is an alternative path forward too», bent u op de hoogte van dat alternatieve pad? Zo ja, kunt u de Kamer daar zo snel mogelijk, maar in ieder geval bij de beantwoording van deze vragen, schriftelijk over informeren?
Het kabinet is niet bekend met een alternatief pad.
Bent u zelf ook bezig met een plan B, tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen voor de inwoners van de IJmond en meer specifiek de werknemers van Tata Steel? Waarom wel/niet? Zo ja, kunt u de Kamer dan zo snel mogelijk informeren over alternatieve plannen?
Zoals in de beantwoording van eerdere Kamervragen21 al aangegeven, zet het kabinet in op een maatwerkafspraak met TSN. Met een maatwerkafspraak met TSN wil het kabinet de verduurzaming en het schoner worden van de staalproductie met oog op de gezondheid van omwonenden in de IJmond helpen realiseren en de staalindustrie, en de economische en strategische waarde daarvan, behouden in Nederland. Er wordt nog onderzocht of en zo ja welke implicaties het intrekken van de vergunningen heeft voor de maatwerkafspraak met het bedrijf. Op basis van die uitkomsten worden vervolgstappen geformuleerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór half juni 2026 beantwoorden, gezien de urgentie?
Vanwege de hoeveelheid vragen en de benodigde interbestuurlijke afstemming is het niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.