| Ingediend | 19 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 22 mei 2026 (na 64 dagen) |
| Indiener | Daniël van den Berg (JA21) |
| Beantwoord door | Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
| Onderwerpen | natuur en milieu organisatie en beleid ruimte en infrastructuur |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z05443.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2012.html |
Ja, de Staatssecretaris van IenW is op de hoogte van de meest recente versie van de RIVM-factsheet over gezondheidseffecten van windturbinegeluid en de voorbereiding van de nieuwe landelijke milieunormen voor windturbines op land.
De factsheet is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur tot en met juli 2020. Inhoudelijk is de factsheet daarna niet meer gewijzigd. Wel zijn daarna enkele zaken verduidelijkt in de factsheet naar aanleiding van een aantal vragen en commentaren. Deze worden toegelicht op de website van het RIVM1 en in de beantwoording van eerdere Kamervragen2.
Het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid publiceert elke drie maanden een overzicht van nieuwgevonden wetenschappelijke artikelen en andere relevante informatie over windturbines en gezondheid3. Het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek wordt, naast andere studies op dit gebied, ook meegenomen in de kennisopbouw van het RIVM ter advisering op het gebied van windturbines en gezondheid.
Deze publicatie dateert van na de afronding van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan-MER. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Hierbij zijn ook de toen beschikbare buitenlandse wetenschappelijke onderzoeken meegenomen en wordt een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten van de verschillende onderzoeken. Het Duitse onderzoek is hier gezien de publicatiedatum niet bij betrokken. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de in het plan-MER gebruikte publicaties achterhaald zijn of dat het Duitse onderzoek tot heel andere conclusies zou leiden, zoals ook geantwoord op eerdere Kamervragen van het lid Eerdmans.4
In het plan-MER is voor de beoordeling van de normopties enerzijds gekeken naar de WHO-advieswaarden voor omgevingsgeluid en anderzijds naar de op dat moment internationaal beschikbare blootstelling-responsrelaties. Daarbij is ook onderzocht of de eerdere uitgangpunten gericht op de Nederlandse en Europese context, zoals die ook beschreven staan in de factsheet van het RIVM, nog van toepassing zijn. Een vergelijking met meer recente internationale blootstelling-responsrelaties laat geen wezenlijke verschillen in uitkomsten zien.
De bij deze blootstellingen behorende verwachte kans op ernstige hinder binnenshuis en buitenshuis, volgens twee verschillende modellen voor de blootstelling-responsrelaties, wordt in Tabel 9–3 van het plan-MER weergegeven5. In de nota van toelichting die samen met het ontwerpbesluit naar de Tweede Kamer wordt gestuurd zal hier dieper op worden ingegaan.
Het klopt dat een geluidniveau van 45 dB Lden naar verwachting gepaard gaat met een lager percentage (oftewel een lagere kans op) ernstige hinder dan een geluidniveau van 47 dB Lden. Bij de beleidsmatige afweging over de normkeuze geldt dat de normen enerzijds omwonenden moeten beschermen en anderzijds ruimte moeten bieden voor wind op land. In de nota van toelichting zal nader worden aangegeven hoe deze afweging is gemaakt.
Nee, het is niet duidelijk in hoeverre de dosis-effectrelatie, die op een kleine steekproef is gebaseerd, van toepassing is op de Nederlandse situatie. Wanneer de resultaten van het Nederlandse onderzoek van het RIVM beschikbaar komen, kunnen deze op een zorgvuldige manier naast eerdere bevindingen worden gelegd, waaronder die van het Duitse onderzoek. De resultaten worden eind 2026 verwacht en de Kamer zal over de rapportage van het RIVM geïnformeerd worden.
Normering op basis van Lden en Lnight is in lijn met die voor andere geluidbronnen en met de advieswaarden voor omgevingsgeluid van de WHO. Deze geluidmaten sluiten aan bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare hinderrelaties. Het plan-MER laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn. Voor de mate van bescherming wordt aansluiting gezocht bij de WHO-advieswaarde voor windturbinegeluid en de algemene WHO-advieswaarde voor geluid in de nacht.
Bij de voorbereiding van de nieuwe normen zijn relaties betrokken tussen blootstelling en ernstige hinder zoals gerapporteerd in uitgebreide vragenlijstonderzoeken. Verder gaat het plan-MER in op hoe de methodiek van handhaving in de praktijk wordt ervaren en doet het voorstellen ter verduidelijking. In de nota van toelichting zal worden aangegeven hoe met deze voorstellen is omgegaan.
Het RIVM voert inderdaad op dit moment een blootstelling-responsonderzoek uit. De resultaten worden eind 2026 verwacht. De tijdelijke overbruggingsregeling loopt af op 1 januari 2027. Er wordt gestreefd naar zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de milieunormen.
Het vaststellen van de milieunormen doorloopt het reguliere besluitvormingsproces van een algemene maatregel van bestuur. Bij de keuzes die ten grondslag liggen aan de nieuwe concept-windturbinenormen spelen de conclusies uit het plan-MER een belangrijke rol. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Indien na vaststelling van de AMvB recent gepubliceerd onderzoek aantoont dat het beeld over hinder wezenlijk wijzigt, kan dit aanleiding vormen om dit proces opnieuw te doorlopen.
Nee, wanneer deze personen niet in het onderzoeksgebied (op 2,5 km of minder van een windturbine) woonden in de onderzoeksperiode (september–november 2025), maakten zij geen kans om meegenomen te worden in het onderzoek. Voor bias in het algemeen probeert het RIVM waar mogelijk te corrigeren met wegingen zodat de onderzoekspopulatie zoveel mogelijk lijkt op de totale populatie van mensen die wonen in de buurt van windturbines.
Ja.
Totdat de nieuwe windturbinenormen in werking treden, is het aan gemeenten en provincies om hun eigen normen te stellen voor onder andere geluid, slagschaduw en externe veiligheid, waarbij ook een lokale afstandsnorm mogelijk is. In de consultatieversie van de nota van toelichting is opgenomen dat een afstandsnorm op zichzelf geen aanvullende bescherming biedt tegen geluid van windturbines.6
In het ontwerpbesluit is wel een afstandsnorm van twee keer de tiphoogte opgenomen7. Het nieuwe kabinet beraadt zich op dit moment op de nieuwe milieunormen voor windturbines. Zodra hier meer informatie over bekend is, zal de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de Kamer hierover informeren.
Zoals onder vraag 16 vermeld, is er een afstandsnorm opgenomen in het ontwerpbesluit. Dit is het gevolg van het regeerakkoord Rutte IV, waarin was afgesproken dat er heldere afstandsnormen voor de bouw van wind op land kwamen. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel op de nieuwe milieunormen.
Op dit moment wordt gewerkt aan nieuwe milieunormen voor windturbines. In de tussenliggende periode kunnen gemeenten en provincies hun eigen normen stellen voor onder andere geluid, slagschaduw en externe veiligheid, waarbij ook een lokale afstandsnorm mogelijk is. Zij maken daarbij een afweging over het aanvaardbare milieubeschermingsniveau, op basis van een zorgvuldige lokale milieubeoordeling. Eigen normen van decentrale overheden dienen dus goed onderbouwd te worden, onder andere op basis van wetenschappelijke kennis over windenergie en gezondheid. Deze kennisbasis wordt door het RIVM, via het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid, regelmatig aangevuld met relevant (internationaal) onderzoek.
Nee. Op meerdere plekken zijn medeoverheden bezig met eigen milieunormen vast te stellen in afwezigheid van landelijke milieunormen. Deze informatie is lokaal openbaar beschikbaar en kan daar worden opgezocht.
De Staatssecretaris van IenW ziet geen reden om het proces nu stop te zetten, want voor deze AMvB wordt een regulier besluitvormingsproces doorlopen. Zie ook het antwoord op vraag 12. In algemene zin geldt dat nieuwe wetenschappelijke inzichten na vaststelling reden kunnen zijn om regelgeving aan te moeten passen.
De Staatssecretaris van IenW vindt het van groot belang dat de besluitvorming rondom de landelijke milieunormen zorgvuldig en transparant verloopt. Bij de totstandkoming van het ontwerpbesluit is een plan-MER-procedure doorlopen. Als eerste stap van het plan-milieueffectrapport is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld die ter inzage heeft gelegen. Inbreng op de NRD is vervolgens meegenomen in het ontwerpbesluit. Het plan-MER heeft de stand van kennis op basis van wetenschappelijke onderzoeken in beeld gebracht. Het ontwerpbesluit dat met behulp van de informatie uit het plan-MER is opgesteld heeft vervolgens ook ter inzage gelegen. Ook heeft de Commissie MER advies uitgebracht over de NRD en het plan-MER. Bij verzending van het ontwerpbesluit aan de Tweede Kamer zal ook de reactienota worden gepubliceerd waarin wordt toegelicht tot welke aanpassingen de inbreng heeft geleid.