Windturbines en netaansluitingen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een windturbine zonder netaansluiting geen aanspraak kan maken op SDE++-subsidie en dat die aansluiting binnen een wettelijke realisatietermijn gerealiseerd moet zijn?
Dat klopt. Zonder netaansluiting kan een windturbine geen stroom aan het net leveren. De SDE++ keert subsidie uit per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit, waardoor subsidie zonder netaansluiting niet mogelijk is. De windturbine dient binnen vier jaar na de beschikkingsdatum in gebruik genomen te worden, waarbij een ontheffingstermijn van maximaal twee jaar mogelijk is.
Welke wettelijke realisatietermijn is hierbij van toepassing, en op welk concreet moment vangt deze termijn aan?
Zie antwoord vraag 1.
Is een leveringsovereenkomst bij aanvraag van de subsidie ook een voorwaarde voor verlening van de subsidie?
Een leveringsovereenkomst is geen voorwaarde voor verlening van de subsidie.
Welke invloed heeft het stilzetten van windturbines bij te veel stroomaanbod voor de hoogte van de SDE-subsidie?
Windturbines ontvangen SDE++-subsidie per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit. Als windturbines stil staan, produceren zij geen elektriciteit en ontvangen zij gedurende die periode dus geen SDE++-subsidie.
Is er een transportgarantie nodig bij de aanvraag van de subsidie?
Nee. Wel is er een transportindicatie van de netbeheerder nodig bij de aanvraag. Daarmee wordt aangetoond dat er transportcapaciteit beschikbaar is op het moment van de aanvraag. Dit geeft geen garantie dat de installatie kan worden aangesloten op het net.
Betekent de netcongestie situatie in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht ook dat nog niet aangesloten windturbines ook geen aansluiting op het net krijgen?
TenneT maakt per gebied inzichtelijk hoeveel ruimte er is om elektriciteit terug te leveren aan het net via congestieonderzoeken voor invoeding. Daaruit blijkt dat er op dit moment wegens invoedingscongestie in Flevoland, Gelderland en Utrecht geen ruimte is voor nieuwe projecten die elektriciteit willen terugleveren.
Ontwikkelaars van windparken regelen normaal gesproken eerst een aansluit- en transportovereenkomst met de netbeheerder voordat zij het windpark gaan bouwen. Zonder zo’n overeenkomst is een project niet rendabel, omdat de opgewekte stroom dan niet kan worden geleverd en verkocht.
Verplicht afstaan van landbouwgrond voor maaipaden door Waterschap Noorderzijlvest |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van Waterschap Noorderzijlvest om vanaf 2028 standaard vier meter brede maaipaden langs watergangen in te voeren?1
Ja.
Klopt het dat het waterschap hierbij gebruik wil maken van de wettelijke gedoogplicht, waardoor agrariërs verplicht moeten toestaan dat deze stroken worden gebruikt zonder dat het waterschap de grond aankoopt of een marktconforme vergoeding betaalt?
Ja, dat klopt. Waterschappen kunnen voor het onderhoud van watergangen gebruikmaken van de wettelijke gedoogplicht. Dit staat in artikel 10.2 van de Omgevingswet. Het doel van deze gedoogplicht is het waarborgen van een goed functionerend watersysteem. Omdat dit een algemeen belang dient, moet de waterbeheerder in staat worden gesteld noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren, ook als deze op private grond moeten plaatsvinden. Als onderdeel van de wettelijke taken moeten waterschappen watergangen goed onderhouden voor een adequate aan- en afvoer van water. Een veilig en goed functionerend watersysteem is een gezamenlijk belang waar ook de agrarische sector baat bij heeft.
Realiseert u zich dat hiermee productieve landbouwgrond structureel uit productie wordt gehaald, met directe gevolgen voor opbrengst, inkomen en bedrijfscontinuïteit van agrarische ondernemers?
Het waterschap Noorderzijlvest heeft laten weten dat er geen sprake is van het structureel uit productie nemen van productieve landbouwgrond. Zij geven daarbij ook aan zich bewust te zijn van de mogelijke impact van dit besluit op agrarische ondernemers. Het waterschap heeft het besluit op 18 februari 2026 genomen en heeft voorafgaand hieraan in 2025 agrariërs opgeroepen om mee te denken of er mogelijkheden zijn om tot een win-win te komen. Om te bezien welke impact het besluit heeft, gaat het waterschap de komende periode in gesprek met de grondeigenaren over knelpunten en zal gezocht worden naar mogelijke gezamenlijke oplossingen. Het doel hiervan is om met behulp van maatwerk waar mogelijk rekening te houden met teeltplannen en de bedrijfsvoering van agrariërs. De gesprekken met agrariërs zijn inmiddels van start gegaan. Het waterschap gaat nog een brief sturen aan agrariërs in hun beheergebied met de oproep om samen de knelpunten te identificeren.
Hoe verhoudt het verplicht afstaan van landbouwgrond via een gedoogplicht zich volgens u tot het uitgangspunt dat eigendomsrechten van boeren moeten worden gerespecteerd?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 aangegeven zet het waterschap de wettelijke gedoogplicht in van de Omgevingswet, ten behoeve van de veiligheid van de medewerkers bij de uitvoering van de wettelijke taken voor een goed functionerend watersysteem. Deze gedoogplicht is in de Omgevingswet opgenomen omdat het eigendomsrecht een belemmering kan vormen voor werkzaamheden die in het algemeen belang zijn, in dit geval het belang van een goed functionerend watersysteem. Bij het borgen van deze belangen beoordeelt het waterschap welke maatregelen proportioneel zijn en levert hierbij gebiedsgericht maatwerk. Het is aan het waterschap om bij het uitvoeren van de kerntaken de belangen van alle belanghebbenden, waaronder agrariërs, mee te wegen.
Verder kan conform artikel 15.13 van de Omgevingswet een schadevergoeding (nadeelcompensatie) worden toegekend indien er sprake is van nadelige gevolgen. Schade wordt vergoed als deze rechtstreeks voortvloeit uit de gedoogplicht, het normale maatschappelijke- of bedrijfsrisico overstijgt en de rechthebbende onevenredig zwaar treft in vergelijking met anderen. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 is het aan het waterschap om dit mee te wegen in zijn gebiedsgerichte maatwerk.
Deelt u de mening dat een maatregel die structureel landbouwgrond aan het gebruik van de boer onttrekt, feitelijk sterk lijkt op onteigening van gebruik, maar dan zonder de gebruikelijke procedures en zonder volledige schadeloosstelling?
Bij het opleggen van een gedoogplicht blijven agrariërs volledig eigenaar van hun grond; er is geen sprake van onteigening. De grond wordt niet structureel aan het gebruik onttrokken, maar slechts periodiek (in de regel twee keer per jaar) gebruikt door het waterschap voor noodzakelijk onderhoud. Dit is een regulier juridisch instrument dat waterschappen inzetten om hun wettelijke watertaken uit te voeren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert het waterschap maatwerk, zodat de agrariërs zo min mogelijk hinder ondervinden.
Deelt u de mening dat zo erg ingrijpen in het eigen eigendom onwenselijk is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke juridische grenzen gelden voor waterschappen bij het opleggen van een gedoogplicht voor onderhoudspaden, en vindt u het proportioneel dat deze bevoegdheid wordt ingezet voor een generieke maatregel van vier meter breed in een heel beheergebied?
Zoals in de beantwoording op vraag 2 aangegeven is de gedoogplicht vastgelegd in artikel 10.2 van de Omgevingswet. Het is de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het Algemeen Bestuur van een waterschap om de inzet van dit instrument juridisch en beleidsmatig af te wegen en de proportionaliteit daarvan per situatie te beoordelen, zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven.
Klopt het dat binnen het bestuur van het waterschap aanvankelijk ook een drie-meteroptie is besproken, maar dat uiteindelijk toch direct is gekozen voor vier meter?
Ja, dat klopt. Het Algemeen Bestuur heeft gekozen voor vier meter met het oog op de veiligheid bij het uitvoeren van de wettelijke taken voor een goed functionerend watersysteem. De reden hiervoor is enerzijds dat modern breedspoormaterieel breder is dan drie meter en er voldoende ruimte nodig is om veilig te kunnen manoeuvreren (ter voorkoming van kantelgevaar). Een breder onderhoudspad, waarop het waterschap met breedspoormateriaal het onderhoud kan uitvoeren, geeft medewerkers meer uitwijkruimte en vermindert de risico’s.
Waarom is volgens het waterschap drie meter niet voldoende, terwijl dit in veel situaties jarenlang als gangbare werkbreedte voor onderhoud gold?
Zie het antwoord op vraag 8.
Is het besluit genomen zonder eerst het gebied in te gaan en met agrariërs te kijken naar de praktische situatie per watergang?
Zoals in de beantwoording op vraag 3 aangegeven heeft het waterschap voorafgaand aan het nemen van het besluit agrariërs opgeroepen om mee te denken of er mogelijkheden zijn om tot een win-win te komen, zodat belanghebbenden op de hoogte zijn gebracht van de geconstateerde problematiek en de plannen van het waterschap om hiervoor een oplossing te vinden. Het besluit van het Algemeen Bestuur van het waterschap Noorderzijlvest is erop gericht om een veilige werkomgeving te bieden aan zijn medewerkers. De uitvoering van het besluit om een veilige werkomgeving te creëren zal worden besproken met landbouwgrondeigenaren voordat het waterschap tot uitvoering overgaat, naar verwachting per 2028.
Hoe beoordeelt u het dat een dergelijke maatregel met grote gevolgen voor agrariërs vanachter de bestuurstafel wordt opgelegd zonder een zorgvuldig gebiedsproces?
Zie het antwoord op vraag 10. Waterschappen zijn autonome, democratisch gekozen decentrale overheden. Zij gaan over hun eigen besluiten, mits deze binnen de wettelijke kaders vallen. Voorafgaand aan de daadwerkelijke invoering, naar verwachting per 2028, zal de uitvoering in de praktijk nadrukkelijk met de betrokken landbouwgrondeigenaren worden besproken. Het waterschap heeft hiertoe al de eerste verkennende gesprekken gevoerd met de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), de Nederlandse Akkerbouw Vakbond en het Collectief Boer & Natuur Midden-Groningen. Daarnaast staat het waterschap in contact met agrariërs binnen hun beheergebied.
Kunt u aangeven op welke concrete veiligheidsnormen deze keuze voor vier meter gebaseerd is, mede gelet op het feit dat het waterschap zich beroept op onder andere veiligheid voor medewerkers, en waarom veiligheid niet met maatwerk of smallere paden geborgd zou kunnen worden?
De Arbowet verplicht werkgevers, waaronder waterschappen, om veilige en gezonde arbeidsomstandigheden te garanderen. Waterschap Noorderzijlvest heeft het besluit genomen op basis van hun Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en de Arbowet. Het doel van het waterschap met dit besluit is het borgen van een veilige werkomgeving voor medewerkers bij het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Waterschap Noorderzijlvest voert periodiek een RI&E uit om risico's in kaart te brengen. Daaruit is gebleken dat het werken met smalspoormaterieel op smalle paden onverantwoorde veiligheidsrisico's (zoals kantelgevaar) met zich meebrengt in vergelijking met het werken met breedspoormateriaal.
Hoe realistisch is het volgens u dat grote onderhoudscombinaties overal kunnen werken als watergangen doodlopend zijn en machines moeten draaien op aangrenzende landbouwpercelen?
De beoordeling van de wijze waarop onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden is aan het waterschap. Daar kan ik vanuit mijn rol geen beoordeling over geven.
Bent u ermee bekend dat in het eerste jaar van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). en de daaruit voortvloeiende bufferstroken, boeren deze stroken konden benutten voor eco-regelingen en -punten, maar dat deze mogelijkheden het jaar daarna door het waterschap weer zijn weggenomen?
Mestvrije bufferstroken zijn verplicht vanuit nationale mestregelgeving en zijn daarmee op zichzelf niet subsidiabel voor een eco-activiteit binnen het GLB. Wel zijn er mogelijkheden voor de agrariër om op de bufferstrook niet-productieve eco-activiteiten uit te voeren, zoals kruidenrijke bufferstroken, mits de bufferstrook is gelegen op landbouwgrond.
Deelt u de frustratie van boeren dat zij enerzijds door Europees en nationaal beleid worden verplicht bufferstroken en natuurmaatregelen aan te leggen, terwijl dezezelfde stroken vervolgens door andere overheden weer worden afgepakt voor ander gebruik?
Agrariërs worden inderdaad verplicht om bufferstroken aan te houden. Bij het aanhouden van een bufferstrook geldt voor het verkrijgen van de GLB-subsidie de voorwaarde dat er geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen worden toegepast op de bufferstrook. Aanvullende natuurmaatregelen op de bufferstrook, zoals eco-activiteiten, zijn geen verplichting maar een mogelijk gebruik van de grond waarvoor de agrariër een vergoeding kan ontvangen.
Zoals in het antwoord van vraag 2 en 3 aangegeven kan een waterschap ertoe besluiten verplichte onderhoudspaden naast de watergang voor tijdelijk gebruik aan te houden. Zoals aangegeven in het antwoord van vraag 5 betekent dit niet dat de grond structureel aan het gebruik wordt onttrokken. Het waterschap heeft aangegeven dat hierbij maatwerk wordt toegepast waar mogelijk rekening te houden met teeltplannen en de bedrijfsvoering van agrariërs, waaronder de bufferstroken en natuurmaatregelen.
Klopt het dat door regels rond bloemrijke bufferstroken vaak niet door deze stroken gereden of gemaaid mag worden, waardoor het onderhoud door het waterschap in de praktijk juist lastiger kan worden?
De voorwaarden voor een kruidenrijke bufferstrook omvatten een zichtbare bedekking van 1 juni tot 1 oktober, bestaande uit ten minste 25 procent kruiden en vlinderbloemigen. Indien het onderhoud de opkomst van deze kruiden belemmert, is het inderdaad niet mogelijk voor de agrariër om de betreffende eco-activiteit op die strook uit te voeren. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven gaat het waterschap in gesprek voor het leveren van maatwerk, rekening houdend met de teeltplannen en bedrijfsvoering van de agrariërs.
Bent u ermee bekend dat loonwerkers en boeren in sommige gebieden hebben geïnvesteerd in smalspoormachines, juist om onderhoud op smallere paden mogelijk te maken?
Nee, ik ben niet bekend met deze situaties binnen het waterschap Noorderzijlvest. Het waterschap heeft aangegeven het beheer van de watergangen zelf uit te voeren en dit niet uit te besteden aan externe partijen.
Wat vindt u ervan dat deze investeringen door een plotselinge beleidswijziging feitelijk waardeloos dreigen te worden?
Zie het antwoord op vraag 17.
Klopt het dat het waterschap voornemens is deze stroken vaker te gebruiken dan nu het geval is, bijvoorbeeld meerdere keren per jaar?
Het waterschap Noorderzijlvest gebruikt de onderhoudsstroken enkele keren per jaar. In de praktijk komt dat vaak neer op één maaibeurt in de zomer en één in het najaar, maar niet meer dan redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het beheer en onderhoud van het watersysteem. Het waterschap kijkt naar oplossingen in welke gebieden het onderhoud minder intensief kan plaatsvinden, om zo de belasting per perceeleigenaar te minimaliseren. Dit beoordeelt het waterschap op basis van de gesprekken die ze gaat voeren met belanghebbenden.
Wat betekent dit voor het gebruik van deze stroken door agrariërs en voor de opbrengstderving op hun percelen?
Of de uitbreiding van het schouwpad invloed heeft op de opbrengsten, hangt af van de vraag of er nog een vorm van landbouw mogelijk is, zoals beweiding of het verbouwen van gewassen. Indien dit het geval is, kan de grond nog steeds worden opgegeven voor GLB-subsidies of voor het plaatsen van mest op het gedeelte van het schouwpad dat niet als bufferstrook is aangewezen.
In hoeverre heeft het waterschap een economische impactanalyse gemaakt van de gevolgen voor agrarische bedrijven in het gebied?
Het uitvoeren van een economische impactanalyse vooraf was geen vereiste, omdat de grondslag van het besluit de wettelijke kerntaken van het waterschap en de veiligheid van medewerkers (Arbowet) betreft. Eventuele bedrijfseconomische gevolgen voor individuele belanghebbenden worden door het waterschap echter wel meegenomen in de komende gesprekken met de agrarische bedrijven. Agrarische bedrijven hebben overigens ook baat bij een goed functionerend watersysteem (bijvoorbeeld in het kader van het tegengaan van verzilting en het voorkomen van droogte of wateroverlast).
Hoe zijn volgens u de maatschappelijke baten voor het waterschap afgewogen tegen de economische lasten die eenzijdig bij boeren terechtkomen?
Zie het antwoord op vraag 21.
In hoeverre past een uniforme verplichting van vier meter bij het rijksbeleid dat inzet op maatwerk, gebiedsgericht werken en het versterken van de positie van boeren in het landelijk gebied?
Binnen de nationale mestregelgeving en het GLB is de mogelijkheid opgenomen de breedte van een bufferstrook af te schalen, afhankelijk van het type waterloop en de oppervlakte van het perceel. Lokale overheden kunnen nationale regelgeving niet versoepelen, maar wel aanscherpen indien zij dit noodzakelijk achten. Deze afweging is aan het betreffende waterschap.
Bent u bereid om met Waterschap Noorderzijlvest in gesprek te gaan over alternatieven?
De bevoegdheid om besluiten te nemen over de wijze waarop een waterschap het waterbeheer uitvoert, behoort toe aan het Algemeen Bestuur van het betreffende waterschap als democratisch gekozen bestuursorgaan. Het waterschap gaat de komende periode zelf in gesprek met de agrariërs om de impact van de maatregel in de praktijk zoveel mogelijk te minimaliseren.
Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat boeren niet eenzijdig worden geconfronteerd met verplichtingen zonder compensatie?
Zie het antwoord op vraag 24.
Kunt u toezeggen dat u de Kamer informeert over de uitkomsten van dit gesprek en over eventuele aanpassingen van juridische kaders om te voorkomen dat landbouwgrond via een gedoogplicht structureel aan boeren wordt onttrokken?
Nee, dat kan ik niet toezeggen. Zie het antwoord op vraag 24 en ook wordt, zoals aangeven in het antwoord op vraag 5, de grond niet structureel aan het gebruik onttrokken. Het ministerie is niet betrokken bij de gesprekken tussen het waterschap en de agrariërs.
Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.
De vertraging en mogelijke versobering van de verbreding van de A27 tussen Houten en Hooipolder |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dreigt de kaasschaaf voor de A27? Regio vreest nieuwe knelpunten en stilvallen van woningbouw»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat, door oplopende kosten, delen van het project A27 Houten–Hooipolder zijn uitgesteld, versoberd of heroverwogen? Zo ja, welke onderdelen betreft dit precies?
In de MIRT-brief najaar 2024 is gemeld dat het programma A27 Houten-Hooipolder te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. In de MIRT-brief van voorjaar 20252 is aangegeven dat – als gevolg van deze oplopende kosten – keuzes gemaakt moeten worden. Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder wordt er prioriteit gegeven aan het uitvoeren van de werkzaamheden die onvermijdelijk zijn; het gaat om de vervanging van de Merwedebruggen en de Hagesteinsebruggen (beide einde levensduur).
Programmaonderdelen die gericht zijn op de doorstroming, worden gefaseerd in de tijd waarbij de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (beperken van flessenhalzen) als eerste worden uitgevoerd. Het gaat hier bijvoorbeeld om de wegverbreding tussen Everdingen en Gorinchem en de aanleg van Merwedebrug Oost.
Werkzaamheden die reeds gestart zijn, worden doorgezet (knooppunt Hooipolder en aansluiting Groote Haar). Dit betekent echter ook dat andere onderdelen van het programma op een later moment worden uitgevoerd. Concreet gaat het hier om de capaciteitsuitbreiding van de Houtensebrug3 en de vervanging van de Keizersveerbruggen en aansluitende infrastructuur.
Inmiddels is de ontwerpfase van de Merwedebrug West en van de Hagesteinsebruggen afgerond. Daarmee is er meer inzicht gekomen in de planning van het programma. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031 en de Hagesteinsebruggen naar verwachting in 2034. Per separate brief (11 mei 20264) is de Kamer nader geïnformeerd over de over de laatste ontwikkelingen bij het programma A27 Houten-Hooipolder (inclusief planning en financiën).
Kunt u aangeven wat op dit moment de actuele kostenraming van het project A27 Houten–Hooipolder is, hoe deze zich verhoudt tot eerdere ramingen en welke oorzaken ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen?
Het beschikbare budget bedraagt in het MIRT 2026 € 2.998 mln. Om de onvermijdelijke onderdelen en de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (zie antwoord 2) uit te kunnen voeren bedraagt de aanvullende dekking circa € 1.850–1.970 mln.5.
Oorzaken die ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdende inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal).
Gezien de grote omvang van dit aanvullende bedrag zijn er verschillende scenario’s (bijvoorbeeld een geheel nieuw ontwerp of de renovatie van de bestaande Merwedebrug) onderzocht en zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Geen van deze opties leverde echter de beoogde kostenbesparing op zonder fors in te boeten op het beoogde resultaat. Dat resultaat moet worden bereikt gegeven het feit dat het traject één van de belangrijkste noord-zuid verbindingen van Nederland vormt. Het betreft een grote noodzakelijke vernieuwingsopgave van vitale infrastructuur (o.a. verouderde Merwedebrug en Hagesteinsebrug). Ook is er sprake van acute infrastructurele knelpunten op het tracé, die verder toenemen als gevolg van de groeiende mobiliteit.
Welke scenario’s voor fasering, versobering of bezuiniging worden momenteel onderzocht? Kunt u per scenario aangeven wat de gevolgen zijn voor capaciteit, doorstroming, verkeersveiligheid, leefbaarheid en uitvoeringstermijn?
Zie beantwoording vraag 2 en 3. Uitgangspunt blijft om het hele Tracébesluit uit te voeren en de meest urgente onderdelen als eerste op te pakken.
Deelt u de zorg dat het uitstellen van de vervanging of aanpassing van onderdelen zoals de Keizersveerbrug, de Houtensebrug en knooppunt Gorinchem ertoe kan leiden dat nieuwe of blijvende knelpunten ontstaan op het traject A27? Zo nee, waarom niet?
Bij de prioritering is de afweging zodanig gemaakt dat de kans op knelpunten zo klein mogelijk is, zie beantwoording vraag 2. Daarbij blijft het belangrijk dat het gehele programma (Tracébesluit) uiteindelijk wordt uitgevoerd.
Hoe beoordeelt u in het bijzonder de betekenis van de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem voor de doorstroming op de A27, gelet op het feit dat dit traject behoort tot de grootste fileknelpunten van Nederland?
Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder is de Merwedebrug met gedeeltelijke aanpak van knooppunt Gorinchem de grootste flessenhals. Bovendien heeft de Merwedebrug einde technische levensduur bereikt en is vervanging op korte termijn noodzakelijk. Dat is de reden dat dit onderdeel van het programma met prioriteit wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat een gedeeltelijke aanpak van de A27, waarbij cruciale flessenhalzen onvoldoende worden meegenomen, het risico vergroot dat publiek geld wordt geïnvesteerd zonder dat de beoogde filevermindering daadwerkelijk wordt gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Uiteindelijk wordt het hele Tracébesluit uitgevoerd, maar wordt de uitvoering langer over de tijd verspreid. De belangrijkste flessenhalzen worden hierbij als eerste aangepakt. Zie ook vraag 5.
Kunt u aangeven wat de verwachte effecten zijn van de huidige onzekerheid rond de A27 op de filedruk bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie indien onderdelen worden geschrapt of uitgesteld?
Voor de doorstroming is de Merwedebrug de grootste flessenhals op de A27 tussen Houten en Hooipolder. De bestaande Merwedebrug heeft einde levensduur bereikt. Naast de bestaande Merwedebrug zal de nieuwe Merwedebrug West worden gebouwd. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031. Tijdelijk zal deze brug gebruikt worden in twee richtingen. Na de sloop van de bestaande brug zal de Merwedebrug Oost (capaciteitsuitbreiding) worden gebouwd. De precieze planning van de Merwedebrug Oost is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de vervanging van de objecten Steenenhoek en Palenweg die momenteel nader wordt uitgewerkt. De vermindering van de filedruk is hiermee afhankelijk van het moment van openstellen van Merwedebrug Oost. Bij een latere opstelling van Merwedebrug West zal het bestaande knelpunt erger worden als gevolg van autonome groei (langdurigere spitsperiode). Het positieve effect van de verbreding van Gorinchem-Everdingen zal pas bij openstelling van Merwedebrug Oost zijn bereikt. Daarnaast zal er een risico zijn van terugslag van de file op de A27 over knooppunt Gorinchem.
De filedruk tijdens de uitvoering van m.n. het gedeelte Everdingen-Gorinchem zal fors zijn, hiervoor zijn de nodige nacht-, weekend- en zomerafsluitingen gepland (link planning werkzaamheden).
Welke gevolgen verwacht u van verdere vertraging of versobering voor de bereikbaarheid van Gorinchem en de omliggende regio, zowel voor bewoners als voor goederenvervoer, hulpdiensten en regionale economie?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal er langer sprake zijn van hinder door de files op het traject met gevolgen voor de bereikbaarheid.
Erkent u dat de aanhoudende onzekerheid over de A27 negatieve gevolgen kan hebben voor woningbouw, bedrijventerreinen en andere ruimtelijke ontwikkelingen in de regio, juist op een plek waar bereikbaarheid een essentiële randvoorwaarde is? Zo ja, hoe weegt u dat mee?
De Tweede Kamer is op 11 mei 2026 geïnformeerd over de stand van zaken van het programma A27 Houten-Hooipolder. Met deze brief wordt duidelijkheid gegeven over de planning van realisatie van dit programma. De inzet is en blijft om uiteindelijk het gehele Tracébesluit te realiseren. Zie tevens de beantwoording vraag 2 voor de onderdelen die prioriteit krijgen.
Kunt u concreet aangeven welke woningbouw- en economische ontwikkelingen langs het traject A27 Houten–Hooipolder geraakt kunnen worden door uitstel of versobering van het project?
De A27 Houten-Hooipolder is vooral een belangrijke verbindingsroute tussen het noorden en zuiden van Nederland en als ontsluiting van het rivierengebied. Deze vertraging heeft vooral hiervoor gevolgen.
Welke gevolgen heeft de huidige onzekerheid voor de ontwikkeling van openbaarvervoermaatregelen in de corridor, waaronder de snelle busverbinding tussen Breda, Gorinchem en Utrecht en de aanleg van overstappunten?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal de OV-verbinding tussen Breda en Utrecht langer hinder ondervinden van de files op het traject. Hierbij blijft het uitgangspunt dat tijdens de werkzaamheden de weg en vaarweg zoveel mogelijk beschikbaar blijven voor verkeer.
Hoe beoordeelt u de toename van sluipverkeer op gemeentelijke en provinciale wegen als gevolg van aanhoudende congestie op de A27? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk?
Helaas zal de regio als gevolg van de gefaseerde uitvoering op diverse plekken langer last blijven houden van het sluipverkeer bij hinder op de A27. In het programmabudget zijn middelen gereserveerd voor een beperkte passende hinderaanpak; deze worden al sinds de start van het programma ingezet en de hinderaanpak blijft van toepassing nu uitvoering van het programma langer duurt. Rijkswaterstaat voert landelijk verkeersmanagement uit in afstemming met de regio. Doel van Rijkswaterstaat hierbij is om automobilisten op de snelweg te houden en sluipverkeer te voorkomen.
In hoeverre zijn de betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden, waaronder Slimme Aanpak A27, betrokken bij de keuzes die nu worden gemaakt over planning, budget en scope?
Met de leden van de Bestuurlijke Advies Groep (BAG) (betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden) is na het faseringsbesluit van mei 2025 afgesproken om de effecten van het faseringsbesluit inzichtelijk te maken. Ook is aan de leden van de BAG gevraagd proactief mee te denken over mogelijke beheersmaatregelen en meekoppelkansen. Hiervoor zijn werkateliers gepland. Het is de ambitie om rond de zomer concrete voorstellen te bespreken in de BAG en hierover vervolgens afspraken te maken.
Bent u bereid op korte termijn met de regio in overleg te treden over een integrale oplossing voor het gehele traject, inclusief de knelpunten bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem? Zo ja, op welke termijn?
Voor de belangrijkste werkzaamheden binnen het programma A27 Houten-Hooipolder (o.a. Merwedebrug West en Hagesteinsebruggen) is de Tweede Kamer per brief is geïnformeerd over de stand van zaken. Direct hierna worden de regionale bestuurders geïnformeerd over de stand van zaken. Duidelijkheid over de aanpak van de werkzaamheden voor de langere termijn (o.a. Houtensebrug en Keizersveerbruggen) is afhankelijk van nieuwe besluitvorming binnen het Mobiliteitsfonds. Vanuit het programma is regelmatig contact met de regio over de voortgang van het programma, maar na de zomer zal ik ook zelf hierover in gesprek gaan met de regio.
Kunt u de Kamer vóór de komende begrotingsbehandeling of een ander eerstvolgend relevant debat een geactualiseerde planning sturen, inclusief duidelijkheid over budget, scope, fasering en oplevermomenten van de verschillende deelprojecten?
De Tweede Kamer is op 11 mei per brief geïnformeerd over de stand van zaken. Over de voortgang van het programma wordt de Tweede Kamer op de reguliere momenten geïnformeerd.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te voorkomen dat het project zodanig wordt versoberd dat hardnekkige fileknelpunten, waaronder bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, in stand blijven?
Met het afronden van de ontwerpfase en het definitief opdragen van de Merwedebrug West wordt een grote stap gezet in het programma A27 Houten-Hooipolder. De Merwedebrug vormt namelijk het grootste knelpunt tussen Houten en Hooipolder.
Het besluit om het werk aan de Merwedebrug West op te dragen (gunnen), kan niet langer uitgesteld worden om het afgesproken traject met de aannemerscombinatie binnen de gemaakte afspraken af te ronden. Uitstel van het besluit leidt tot vertraging van de start van de uitvoering en verandering van de voorwaarden waaronder het werk zou kunnen worden uitgevoerd. Dit zou leiden tot hogere kosten, een langere duur en grotere risico’s. Op 23 juni 2026 vindt het Commissiedebat Strategische keuzes bereikbaarheid plaats, waarin het afweegproces voor de brede prioritering binnen het Mobiliteitsfonds en Deltafonds met de Tweede Kamer besproken wordt. De begrotingsregels schrijven voor dat meerkosten van dekking worden voorzien. De meerkosten voor de Merwedebruggen worden voor nu gedekt uit de Ring Utrecht, het besluit voor de definitieve dekking loopt mee in dit afweegproces. Er dient geprioriteerd te worden over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen. Zie hiervoor de brief die ik samen met de Staatssecretaris naar de Tweede Kamer heb gestuurd (Kamerbrief 36800-A-39, d.d. 16 maart 2026).
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van het project, de kostenontwikkeling en de bestuurlijke afstemming met de regio?
De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de MIRT-projecten via Kamerbrieven die voorafgaand aan de commissiedebatten MIRT aan de Tweede Kamer worden gestuurd.
Het bericht dat Moerdijk mogelijk mag blijven bestaan |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de berichtgeving vanuit het bestuur van Moerdijk dat het dorp mogelijk mag blijven bestaan?1
Is de lijst van zaken die volgens de gemeente verduidelijkt moet worden volledig, of liggen er nog andere vragen voor?
Klopt het dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk? Zo ja, waar zit dit verschil in met eerdere plannen? Waarom kon dit niet eerder duidelijk worden?
Wanneer komt er duidelijkheid vanuit het Rijk voor de inwoners van Moerdijk? Hoe veel langer heeft het Rijk nodig voor haar onderzoek en besluitvorming? Kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
Deelt u de mening dat inwoners rust verdienen?
Deelt u de mening dat wanneer er duidelijkheid is dat het dorp kan blijven hiervoor dan ook langjarige garanties moeten worden afgegeven, zodat deze discussie niet wéér op kan laaien binnen een paar jaar? Welke juridische of bestuurlijke middelen bestaan er om zulk een garantie af te geven?
Hoe gaat u zorgen dat wanneer het dorp mag blijven, de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit hier gegarandeerd worden?
Als het Rijk de voorkeur heeft het dorp op te heffen, hoeveel tijd en financiering zou het kosten om hierover een bindend referendum onder de bewoners te organiseren, waarbij zij de kans krijgen zich voor of tegen uit te spreken en voorwaarden te stellen? Kunt u deze vraag serieus en inhoudelijk beantwoorden, ook als u niet van mening bent dat er een referendum zou moeten komen?
Het artikel 'Met de juiste financiering levert onderhoud van infrastructuur flink wat op' |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met de juiste financiering levert onderhoud van infrastructuur flink wat op» van Swank en Van Der Windt in ESB?1
Hoe beoordeelt u de berekening van de auteurs dat de private arbeidsproductiviteit per uur over 25 jaar met bijna twee procentpunt toeneemt als de overheid een permanente impuls geeft aan infrastructuur van jaarlijks twee miljard euro?
Kunt u reflecteren op de drie opties die in het artikel van Swank en Van Der Windt worden geschetst, die grofweg neerkomen op een combinatie van financiering van schuld met a) lagere consumptieve uitgaven van de overheid, b) een verhoging van de vennootschapsbelasting, c) hogere directe belastingen voor huishoudens? Hoe weegt u deze drie opties tegen elkaar en welke voor- en nadelen ziet u per optie?
Deelt u de analyse van Swank en Van Der Windt dat de effecten van infrastructuurinvesteringen op de economie na vijf jaar groter zijn dan die van overheidsconsumptie?
Hoe kijkt u aan tegen de analyse van de auteurs dat een investering in infrastructuur die gefinancierd wordt uit hogere belastingen, of een combinatie van hogere belastingen en overheidsschuld, per saldo positieve economische effecten heeft?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het nieuwsbericht dat bruggen, sluizen en wegen in verval raken, maar het geld voor de hoognodige reparaties ontbreekt |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit nieuwsartikel?1
Hoeveel bruggen, viaducten, tunnels en sluizen verkeren in een slechte staat en wat is bij ieder van deze objecten het risico op instorten? Kunt u een allesomvattende lijst toezenden?
Als, volgens u, 60% van de bruggen op het hoofdwegennet de levensduur al heeft bereikt of zelfs heeft overschreden, wat zegt dit dan over het risico dat Nederlanders lopen door hier overheen en/of onderdoor te rijden?
Bent u van mening dat het niet langer uit te leggen is dat er geen extra geld wordt vrij gemaakt voor de verouderde infrastructuur nu de negatieve gevolgen alsmaar toenemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u onderhoud van bestaande infrastructuur prioriteit geven terwijl ook bestaande fileknooppunten, waaronder maar niet uitsluitend knooppunt A1 Hoevelaken en de N35, worden opgelost?
Hoeveel geld is er nodig om te voldoen aan de gehele onderhoudsopgave en hoeveel komt u tekort?
Hoeveel economische schade ontstaat er jaarlijks als gevolg van uitgestelde werkzaamheden, omleidingen, afsluitingen, filevorming en overige noodmaatregelen?
Welke concrete maatregelen bent u van plan te nemen om verdere achteruitgang tegen te gaan?
Kunt u garanderen dat er in Nederland nooit een viaduct, brug, tunnel of sluis zal instorten als het gevolg van uitgestelde, dan wel niet-uitgevoerde, herstelwerkzaamheden vanwege geldgebrek? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Een dreigend tekort aan benzine en kerosine |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de Rabobank?1
In hoeverre rijmt de uitkomst van dit onderzoek van de Rabobank met uw woorden van 18 april 2026, waarin u aangeeft dat er voldoende voorraad kerosine is?2
Hoe lang is de huidige Europese olievoorraad nog toereikend? Kunt u daarbij het meest negatieve en meest positieve scenario ook uitlichten? Kunt u ook toelichten hoe lang Nederland zelfstandig kan functioneren met die voorraad?
Bent u van mening dat de Nederlander niet nóg meer de dupe mag worden van de situatie rondom de Straat van Hormuz en bent u bereid maatregelen te nemen ten voordele van de Nederlander? Zo ja, welke maatregelen wilt u nemen? Zo nee, waarom niet?
Bent u concreet bezien bereid de accijns op benzine te schrappen, al dan niet te verlagen, als er fysieke brandstoftekorten dreigen te ontstaan? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat een verhoging van de brandstofaccijns in elk geval van tafel is, zolang de blokkade van de Straat van Hormuz nog aan de orde is? Zo nee, waarom niet?
Welke alternatieven worden door het kabinet onderzocht voor het geval de straat van Hormuz dicht zal blijven en de aanvoer van energie via die weg onbetaalbaar zal worden?
Bent u van mening dat bestaanszekerheid, energiezekerheid en betaalbaarheid prioriteit moeten genieten boven (ideologisch) klimaatbeleid en dat dus maatregelen ten voordele van de portemonnee van de Nederlander altijd de voorkeur moeten genieten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre overweegt het kabinet de snelheid waarmee Nederland afstand neemt van de eigen gasproductie en fossiele levenszekerheid, nu internationale energieaanvoerlijnen steeds instabieler lijken? En waarom?
Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Windturbines en netaansluitingen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een windturbine zonder netaansluiting geen aanspraak kan maken op SDE++-subsidie en dat die aansluiting binnen een wettelijke realisatietermijn gerealiseerd moet zijn?
Dat klopt. Zonder netaansluiting kan een windturbine geen stroom aan het net leveren. De SDE++ keert subsidie uit per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit, waardoor subsidie zonder netaansluiting niet mogelijk is. De windturbine dient binnen vier jaar na de beschikkingsdatum in gebruik genomen te worden, waarbij een ontheffingstermijn van maximaal twee jaar mogelijk is.
Welke wettelijke realisatietermijn is hierbij van toepassing, en op welk concreet moment vangt deze termijn aan?
Zie antwoord vraag 1.
Is een leveringsovereenkomst bij aanvraag van de subsidie ook een voorwaarde voor verlening van de subsidie?
Een leveringsovereenkomst is geen voorwaarde voor verlening van de subsidie.
Welke invloed heeft het stilzetten van windturbines bij te veel stroomaanbod voor de hoogte van de SDE-subsidie?
Windturbines ontvangen SDE++-subsidie per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit. Als windturbines stil staan, produceren zij geen elektriciteit en ontvangen zij gedurende die periode dus geen SDE++-subsidie.
Is er een transportgarantie nodig bij de aanvraag van de subsidie?
Nee. Wel is er een transportindicatie van de netbeheerder nodig bij de aanvraag. Daarmee wordt aangetoond dat er transportcapaciteit beschikbaar is op het moment van de aanvraag. Dit geeft geen garantie dat de installatie kan worden aangesloten op het net.
Betekent de netcongestie situatie in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht ook dat nog niet aangesloten windturbines ook geen aansluiting op het net krijgen?
TenneT maakt per gebied inzichtelijk hoeveel ruimte er is om elektriciteit terug te leveren aan het net via congestieonderzoeken voor invoeding. Daaruit blijkt dat er op dit moment wegens invoedingscongestie in Flevoland, Gelderland en Utrecht geen ruimte is voor nieuwe projecten die elektriciteit willen terugleveren.
Ontwikkelaars van windparken regelen normaal gesproken eerst een aansluit- en transportovereenkomst met de netbeheerder voordat zij het windpark gaan bouwen. Zonder zo’n overeenkomst is een project niet rendabel, omdat de opgewekte stroom dan niet kan worden geleverd en verkocht.
De vertraging en mogelijke versobering van de verbreding van de A27 tussen Houten en Hooipolder |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dreigt de kaasschaaf voor de A27? Regio vreest nieuwe knelpunten en stilvallen van woningbouw»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat, door oplopende kosten, delen van het project A27 Houten–Hooipolder zijn uitgesteld, versoberd of heroverwogen? Zo ja, welke onderdelen betreft dit precies?
In de MIRT-brief najaar 2024 is gemeld dat het programma A27 Houten-Hooipolder te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. In de MIRT-brief van voorjaar 20252 is aangegeven dat – als gevolg van deze oplopende kosten – keuzes gemaakt moeten worden. Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder wordt er prioriteit gegeven aan het uitvoeren van de werkzaamheden die onvermijdelijk zijn; het gaat om de vervanging van de Merwedebruggen en de Hagesteinsebruggen (beide einde levensduur).
Programmaonderdelen die gericht zijn op de doorstroming, worden gefaseerd in de tijd waarbij de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (beperken van flessenhalzen) als eerste worden uitgevoerd. Het gaat hier bijvoorbeeld om de wegverbreding tussen Everdingen en Gorinchem en de aanleg van Merwedebrug Oost.
Werkzaamheden die reeds gestart zijn, worden doorgezet (knooppunt Hooipolder en aansluiting Groote Haar). Dit betekent echter ook dat andere onderdelen van het programma op een later moment worden uitgevoerd. Concreet gaat het hier om de capaciteitsuitbreiding van de Houtensebrug3 en de vervanging van de Keizersveerbruggen en aansluitende infrastructuur.
Inmiddels is de ontwerpfase van de Merwedebrug West en van de Hagesteinsebruggen afgerond. Daarmee is er meer inzicht gekomen in de planning van het programma. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031 en de Hagesteinsebruggen naar verwachting in 2034. Per separate brief (11 mei 20264) is de Kamer nader geïnformeerd over de over de laatste ontwikkelingen bij het programma A27 Houten-Hooipolder (inclusief planning en financiën).
Kunt u aangeven wat op dit moment de actuele kostenraming van het project A27 Houten–Hooipolder is, hoe deze zich verhoudt tot eerdere ramingen en welke oorzaken ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen?
Het beschikbare budget bedraagt in het MIRT 2026 € 2.998 mln. Om de onvermijdelijke onderdelen en de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (zie antwoord 2) uit te kunnen voeren bedraagt de aanvullende dekking circa € 1.850–1.970 mln.5.
Oorzaken die ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdende inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal).
Gezien de grote omvang van dit aanvullende bedrag zijn er verschillende scenario’s (bijvoorbeeld een geheel nieuw ontwerp of de renovatie van de bestaande Merwedebrug) onderzocht en zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Geen van deze opties leverde echter de beoogde kostenbesparing op zonder fors in te boeten op het beoogde resultaat. Dat resultaat moet worden bereikt gegeven het feit dat het traject één van de belangrijkste noord-zuid verbindingen van Nederland vormt. Het betreft een grote noodzakelijke vernieuwingsopgave van vitale infrastructuur (o.a. verouderde Merwedebrug en Hagesteinsebrug). Ook is er sprake van acute infrastructurele knelpunten op het tracé, die verder toenemen als gevolg van de groeiende mobiliteit.
Welke scenario’s voor fasering, versobering of bezuiniging worden momenteel onderzocht? Kunt u per scenario aangeven wat de gevolgen zijn voor capaciteit, doorstroming, verkeersveiligheid, leefbaarheid en uitvoeringstermijn?
Zie beantwoording vraag 2 en 3. Uitgangspunt blijft om het hele Tracébesluit uit te voeren en de meest urgente onderdelen als eerste op te pakken.
Deelt u de zorg dat het uitstellen van de vervanging of aanpassing van onderdelen zoals de Keizersveerbrug, de Houtensebrug en knooppunt Gorinchem ertoe kan leiden dat nieuwe of blijvende knelpunten ontstaan op het traject A27? Zo nee, waarom niet?
Bij de prioritering is de afweging zodanig gemaakt dat de kans op knelpunten zo klein mogelijk is, zie beantwoording vraag 2. Daarbij blijft het belangrijk dat het gehele programma (Tracébesluit) uiteindelijk wordt uitgevoerd.
Hoe beoordeelt u in het bijzonder de betekenis van de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem voor de doorstroming op de A27, gelet op het feit dat dit traject behoort tot de grootste fileknelpunten van Nederland?
Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder is de Merwedebrug met gedeeltelijke aanpak van knooppunt Gorinchem de grootste flessenhals. Bovendien heeft de Merwedebrug einde technische levensduur bereikt en is vervanging op korte termijn noodzakelijk. Dat is de reden dat dit onderdeel van het programma met prioriteit wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat een gedeeltelijke aanpak van de A27, waarbij cruciale flessenhalzen onvoldoende worden meegenomen, het risico vergroot dat publiek geld wordt geïnvesteerd zonder dat de beoogde filevermindering daadwerkelijk wordt gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Uiteindelijk wordt het hele Tracébesluit uitgevoerd, maar wordt de uitvoering langer over de tijd verspreid. De belangrijkste flessenhalzen worden hierbij als eerste aangepakt. Zie ook vraag 5.
Kunt u aangeven wat de verwachte effecten zijn van de huidige onzekerheid rond de A27 op de filedruk bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie indien onderdelen worden geschrapt of uitgesteld?
Voor de doorstroming is de Merwedebrug de grootste flessenhals op de A27 tussen Houten en Hooipolder. De bestaande Merwedebrug heeft einde levensduur bereikt. Naast de bestaande Merwedebrug zal de nieuwe Merwedebrug West worden gebouwd. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031. Tijdelijk zal deze brug gebruikt worden in twee richtingen. Na de sloop van de bestaande brug zal de Merwedebrug Oost (capaciteitsuitbreiding) worden gebouwd. De precieze planning van de Merwedebrug Oost is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de vervanging van de objecten Steenenhoek en Palenweg die momenteel nader wordt uitgewerkt. De vermindering van de filedruk is hiermee afhankelijk van het moment van openstellen van Merwedebrug Oost. Bij een latere opstelling van Merwedebrug West zal het bestaande knelpunt erger worden als gevolg van autonome groei (langdurigere spitsperiode). Het positieve effect van de verbreding van Gorinchem-Everdingen zal pas bij openstelling van Merwedebrug Oost zijn bereikt. Daarnaast zal er een risico zijn van terugslag van de file op de A27 over knooppunt Gorinchem.
De filedruk tijdens de uitvoering van m.n. het gedeelte Everdingen-Gorinchem zal fors zijn, hiervoor zijn de nodige nacht-, weekend- en zomerafsluitingen gepland (link planning werkzaamheden).
Welke gevolgen verwacht u van verdere vertraging of versobering voor de bereikbaarheid van Gorinchem en de omliggende regio, zowel voor bewoners als voor goederenvervoer, hulpdiensten en regionale economie?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal er langer sprake zijn van hinder door de files op het traject met gevolgen voor de bereikbaarheid.
Erkent u dat de aanhoudende onzekerheid over de A27 negatieve gevolgen kan hebben voor woningbouw, bedrijventerreinen en andere ruimtelijke ontwikkelingen in de regio, juist op een plek waar bereikbaarheid een essentiële randvoorwaarde is? Zo ja, hoe weegt u dat mee?
De Tweede Kamer is op 11 mei 2026 geïnformeerd over de stand van zaken van het programma A27 Houten-Hooipolder. Met deze brief wordt duidelijkheid gegeven over de planning van realisatie van dit programma. De inzet is en blijft om uiteindelijk het gehele Tracébesluit te realiseren. Zie tevens de beantwoording vraag 2 voor de onderdelen die prioriteit krijgen.
Kunt u concreet aangeven welke woningbouw- en economische ontwikkelingen langs het traject A27 Houten–Hooipolder geraakt kunnen worden door uitstel of versobering van het project?
De A27 Houten-Hooipolder is vooral een belangrijke verbindingsroute tussen het noorden en zuiden van Nederland en als ontsluiting van het rivierengebied. Deze vertraging heeft vooral hiervoor gevolgen.
Welke gevolgen heeft de huidige onzekerheid voor de ontwikkeling van openbaarvervoermaatregelen in de corridor, waaronder de snelle busverbinding tussen Breda, Gorinchem en Utrecht en de aanleg van overstappunten?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal de OV-verbinding tussen Breda en Utrecht langer hinder ondervinden van de files op het traject. Hierbij blijft het uitgangspunt dat tijdens de werkzaamheden de weg en vaarweg zoveel mogelijk beschikbaar blijven voor verkeer.
Hoe beoordeelt u de toename van sluipverkeer op gemeentelijke en provinciale wegen als gevolg van aanhoudende congestie op de A27? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk?
Helaas zal de regio als gevolg van de gefaseerde uitvoering op diverse plekken langer last blijven houden van het sluipverkeer bij hinder op de A27. In het programmabudget zijn middelen gereserveerd voor een beperkte passende hinderaanpak; deze worden al sinds de start van het programma ingezet en de hinderaanpak blijft van toepassing nu uitvoering van het programma langer duurt. Rijkswaterstaat voert landelijk verkeersmanagement uit in afstemming met de regio. Doel van Rijkswaterstaat hierbij is om automobilisten op de snelweg te houden en sluipverkeer te voorkomen.
In hoeverre zijn de betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden, waaronder Slimme Aanpak A27, betrokken bij de keuzes die nu worden gemaakt over planning, budget en scope?
Met de leden van de Bestuurlijke Advies Groep (BAG) (betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden) is na het faseringsbesluit van mei 2025 afgesproken om de effecten van het faseringsbesluit inzichtelijk te maken. Ook is aan de leden van de BAG gevraagd proactief mee te denken over mogelijke beheersmaatregelen en meekoppelkansen. Hiervoor zijn werkateliers gepland. Het is de ambitie om rond de zomer concrete voorstellen te bespreken in de BAG en hierover vervolgens afspraken te maken.
Bent u bereid op korte termijn met de regio in overleg te treden over een integrale oplossing voor het gehele traject, inclusief de knelpunten bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem? Zo ja, op welke termijn?
Voor de belangrijkste werkzaamheden binnen het programma A27 Houten-Hooipolder (o.a. Merwedebrug West en Hagesteinsebruggen) is de Tweede Kamer per brief is geïnformeerd over de stand van zaken. Direct hierna worden de regionale bestuurders geïnformeerd over de stand van zaken. Duidelijkheid over de aanpak van de werkzaamheden voor de langere termijn (o.a. Houtensebrug en Keizersveerbruggen) is afhankelijk van nieuwe besluitvorming binnen het Mobiliteitsfonds. Vanuit het programma is regelmatig contact met de regio over de voortgang van het programma, maar na de zomer zal ik ook zelf hierover in gesprek gaan met de regio.
Kunt u de Kamer vóór de komende begrotingsbehandeling of een ander eerstvolgend relevant debat een geactualiseerde planning sturen, inclusief duidelijkheid over budget, scope, fasering en oplevermomenten van de verschillende deelprojecten?
De Tweede Kamer is op 11 mei per brief geïnformeerd over de stand van zaken. Over de voortgang van het programma wordt de Tweede Kamer op de reguliere momenten geïnformeerd.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te voorkomen dat het project zodanig wordt versoberd dat hardnekkige fileknelpunten, waaronder bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, in stand blijven?
Met het afronden van de ontwerpfase en het definitief opdragen van de Merwedebrug West wordt een grote stap gezet in het programma A27 Houten-Hooipolder. De Merwedebrug vormt namelijk het grootste knelpunt tussen Houten en Hooipolder.
Het besluit om het werk aan de Merwedebrug West op te dragen (gunnen), kan niet langer uitgesteld worden om het afgesproken traject met de aannemerscombinatie binnen de gemaakte afspraken af te ronden. Uitstel van het besluit leidt tot vertraging van de start van de uitvoering en verandering van de voorwaarden waaronder het werk zou kunnen worden uitgevoerd. Dit zou leiden tot hogere kosten, een langere duur en grotere risico’s. Op 23 juni 2026 vindt het Commissiedebat Strategische keuzes bereikbaarheid plaats, waarin het afweegproces voor de brede prioritering binnen het Mobiliteitsfonds en Deltafonds met de Tweede Kamer besproken wordt. De begrotingsregels schrijven voor dat meerkosten van dekking worden voorzien. De meerkosten voor de Merwedebruggen worden voor nu gedekt uit de Ring Utrecht, het besluit voor de definitieve dekking loopt mee in dit afweegproces. Er dient geprioriteerd te worden over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen. Zie hiervoor de brief die ik samen met de Staatssecretaris naar de Tweede Kamer heb gestuurd (Kamerbrief 36800-A-39, d.d. 16 maart 2026).
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van het project, de kostenontwikkeling en de bestuurlijke afstemming met de regio?
De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de MIRT-projecten via Kamerbrieven die voorafgaand aan de commissiedebatten MIRT aan de Tweede Kamer worden gestuurd.
Het bericht ‘Grensgemeenten balen van Duitse grenscontroles: 'Ernstige ongevallen gebeurd'' |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grensgemeenten balen van Duitse grenscontroles: «Ernstige ongevallen gebeurd»»?1
Herkent u de signalen van Nederlandse grensgemeenten dat deze controles leiden tot sluipverkeer, verkeersonveilige situaties en ongevallen op lokale wegen?
Kunt u reflecteren op de effecten van de Duitse grenscontroles op de verkeersveiligheid in Nederlandse grensregio’s?
In hoeverre deelt u de zorgen dat door uitwijkend verkeer dorpskernen minder bereikbaar worden en dat de doorgang voor hulpdiensten onder druk komt te staan?
Bent u bekend met het signaal dat de gemeente Losser werkzaamheden aan een brug heeft moeten uitstellen vanwege deze controles, omdat geen goede omleidingsroute kan worden ingericht?
Bent u bereid in overleg te treden met betrokken gemeenten en Duitse autoriteiten om te voorkomen dat noodzakelijke infrastructurele werkzaamheden, zoals in de gemeente Losser, moeten worden uitgesteld door de gevolgen van grenscontroles?
Wat zijn de effecten van de controles op de mobiliteit en logistiek in Nederlandse grensregio’s, met name in termen van vertragingen in goederenvervoer, verstoringen in logistieke ketens en extra verkeersdruk? En welke impact heeft dit op logistieke bedrijven, ondernemers en gemeentelijke infrastructuur en kosten?
Kunt u inzicht geven in de economische gevolgen van de controles voor Nederlandse grensregio’s, bijvoorbeeld door vertragingen, verminderde bereikbaarheid en extra kosten voor gemeenten?
Kunt u toelichten wat de effecten zijn van de huidige Nederlandse grenscontroles door de Koninklijke Marechaussee (KMAR) op verkeersstromen, wachttijden en verkeersveiligheid?
Bent u bereid om, in overleg met betrokken gemeenten en buurlanden, maatregelen te verkennen om negatieve effecten van grenscontroles op verkeersveiligheid en bereikbaarheid te beperken?
De uitspraken van minister Boekholt-O’Sullivan in The Guardian inzake het aanpassen van het energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken in The Guardian van 23 maart 2026, waarin u het dagelijks energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers ter discussie stelt en vergelijkingen trekt met rantsoenering tijdens militaire missies in Afghanistan?1
Ja.
U verklaarde dat u in Afghanistan «een muntje kreeg voor de douche en een muntje om naar huis te bellen» en voegde toe dat burgers «afspraken moeten maken, want het aanbod is niet oneindig.» – welk concreet beleid vloeit uit deze uitspraak voort, en welke vormen van rantsoenering, tokensystemen, quota of verbruiksplafonds voor energie, water of andere nutsvoorzieningen worden door het kabinet overwogen of voorbereid?
Zoals ik in mijn brief van 26 maart aan de Kamer heb laten weten, had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen en dit voorbeeld niet moeten gebruiken. Er vloeit geen beleid voort uit deze voorbeelden.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse burger zijn gedrag zou moeten aanpassen – zoals de wasmachine ’s nachts aanzetten – terwijl het overbelaste elektriciteitsnet het gevolg is van geforceerde elektrificatie zonder adequate uitbreiding van de infrastructuur?
De oproep om stroom waar mogelijk buiten piekuren te gebruiken, is geen afwenteling op huishoudens maar een praktische maatregel om het elektriciteitsnet doelmatiger te benutten. Dit sluit aan bij de rijkscampagne Zet ook de knop om. De netbeheerders werken hard aan uitbreiding van de infrastructuur; het kabinet ondersteunt dit met een Versnellingsaanpak om de doorlooptijden van realisatie te verkorten. Daarnaast werken het kabinet en betrokken partijen aan maatregelen om het bestaande net efficiënter te benutten. Zie daartoe ook bijvoorbeeld de brief van de (vorige) Minister van KGG van 4 februari 2026 over het aansluitoffensief netcongestie.
Bestaan er binnen uw ministerie of de regering ambtelijke verkenningen, notities of scenariostudies over het beperken, reguleren of rantsoeneren van huishoudelijk energieverbruik, en bent u bereid deze naar de Kamer te sturen?
Voor zover binnen de overheid stukken zijn over netcongestie, flexibiliteit of vraagsturing, hebben die betrekking op beter gebruik van schaarse capaciteit, door bijvoorbeeld gebruik buiten de piekuren te stimuleren, en niet op het beperken van huishoudelijke vrijheden via rantsoenering.
Welke tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens worden door het kabinet overwogen, op welke wettelijke grondslag, en hoe zou de handhaving en controle daarvan eruitzien?
In het kabinetsbeleid voor spreiding van elektriciteitsverbruik door huishoudens is vrijwilligheid het uitgangspunt. Het kabinet overweegt geen tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens op grond van een publiekrechtelijk dwingend regime. Wel wordt toegewerkt naar de invoering van tijdafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers om dit te stimuleren, waarbij gebruikers worden ontzorgd door slimme apps voor energiemanagement om net-intensieve apparaten, zoals warmtepompen en thuislaadpalen, automatisch optimaal in te zetten2.
Op basis van welke norm of maatstaf concludeert u dat de gemiddelde Nederlander te veel ruimte, energie of water verbruikt, en welke maatregelen – zoals woningdelingsregelingen, verplichte kamerverhuur of andere vormen van woonruimteverdeling – overweegt de regering om het aantal kamers per persoon terug te dringen van 2,1 naar het Europees gemiddelde van 1,7?
Ik hanteer geen norm waaruit zou volgen dat de gemiddelde Nederlander «te veel» ruimte, energie of water gebruikt. Het kabinet bereidt geen maatregelen voor zoals verplichte woningdeling, verplichte kamerverhuur of een norm voor het aantal kamers per persoon. Zoals ik in mijn brief van 26 maart jongstleden heb aangegeven had ik mijn woorden in het interview zorgvuldiger moeten kiezen.
Deelt u de mening dat het tekort aan netcapaciteit niet was ontstaan als Nederland zijn eigen aardgasvoorraad niet vroegtijdig had afgebouwd, en wat zijn de totale kosten geweest van het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen, inclusief de import van buitenlands gas en het ontmantelen en overdragen aan Oekraïne van ons gaspompsysteem?
Die mening deel ik niet. Netcongestie is een probleem van elektriciteitsinfrastructuur en piekbelasting en dat staat los van de vraag of aardgasproductie uit Groningen langer had moeten doorgaan. Na de aardbevingen van 2018 in Zeerijp besloot het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen. Op 19 april 2024 is met brede parlementaire steun gaswinning uit het Groningenveld definitief wettelijk beëindigd. Daarbij zijn alle overwegingen en perspectieven inclusief geopolitieke factoren en leveringszekerheid uitgebreid en zorgvuldig gewogen. Het belang van energiezekerheid spreekt voor zich. Het kabinet zit daar bovenop.
In hoeverre is het woningtekort direct te herleiden tot massale immigratie, gezien het feit dat de Nederlandse bevolking enkel nog kunstmatig groeit door migratie, en waarom kiest de regering voor grootschalige bijbouw in plaats van het aanpakken van deze oorzaak?
Het beleid van het kabinet is zowel gericht op het toevoegen van woningen om het woontekort aan te pakken als ook op minder instroom.
In de «Primos-prognose 2025, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte» laat ABF Research zien hoe de door ABF verwachte woningbouw in de komende 15 jaar opgedeeld kan worden. Met 45% van de woningbouw wordt de groei van de bevolking opgevangen. Met 25% wordt voorzien in extra vraag naar woningen doordat huishoudens kleiner worden (minder mensen per woning). Met 14% wordt de geraamde sloop van woningen gecompenseerd. Met de resterende 16% wordt het woningtekort teruggedrongen. Voor de bevolkingsgroei geldt vervolgens dat deze voor 95% ontstaat door migratie. De basis achter deze prognose van ABF zijn de CBS-bevolkingsprognoses.
Hoe verhoudt uw oproep tot «eenvoudiger leven» zich tot het feit dat de Nederlandse burger al tot de hoogst belaste ter wereld behoort, en erkent u dat de werkende middenklasse onevenredig hard wordt geraakt door de gecombineerde lasten van de woningcrisis, het klimaatbeleid en de kosten van immigratie?
Ik onderken dat veel huishoudens druk ervaren door woonlasten, energiekosten en bredere kosten van levensonderhoud. Het kabinet zet zich in om die druk te verminderen, onder meer door maatregelen gericht op het verlagen van woonlasten, het verbeteren van betaalbaarheid en het versterken van de koopkracht van huishoudens.
Welke klimaat- en stikstofregelgeving die woningbouw belemmert is het kabinet bereid op te schorten totdat het woningtekort is opgelost, en indien geen enkele: waarom weegt deze regelgeving zwaarder dan adequate huisvesting?
Het kabinet is niet voornemens klimaat- of stikstofregelgeving generiek op te schorten. De inzet is om woningbouw sneller mogelijk te maken binnen de geldende wettelijke kaders, onder meer via vereenvoudiging van procedures, financiële stimulansen en maatregelen om knelpunten zoals stikstof en netcongestie te verminderen. Natuur- en klimaatmaatregelen zijn juist noodzakelijk met het oog op een gezonde en duurzame leefomgeving. Adequate huisvesting en de bescherming van natuur, klimaat en leefomgeving zijn publieke belangen die in samenhang moeten worden gediend.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel en het vervolg van de maatwerkafspraak |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke rol u voor de Expertgroep Gezondheid IJmond ziet in de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak met Tata Steel en de opvolging van de afspraken?
Kunt u toelichten hoe u de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft meegewogen – en waarom bepaalde adviezen wel of niet zijn overgenomen – bij het opstellen van de Joint Letter of Internt (JLoI) met Tata Steel?
Bent u van plan om in lijn met de motie-Tijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond, ook voor zover deze niet in de JLoI zijn opgenomen, als harde voorwaarde mee te nemen in de onderhandelingen en uitwerking van de uiteindelijke maatwerkafspraak?
Kunt u een toelichting geven op het proces, inclusief de tijdlijn, om te komen tot een MER en een GER, en op de rol die beide instrumenten hebben bij vergunningverlening en het al dan niet verstrekken van subsidie?
Indien de maatwerkafspraak in september wordt ondertekend, heeft u, en daarmee de Kamer, dan voldoende inzicht in de gezondheidseffecten van de afspraken, afrekenbare garanties op vermindering van schadelijke effecten, vergunningverlening en de mogelijk te verstrekken subsidie?
Wordt de GER, naast een informatief instrument, ook een sturend instrument?
Zullen, zoals geadviseerd door de Expertgroep Gezondheid IJmond, naast de MER ook de resultaten van de GER voorwaardelijk worden gemaakt voor vergunningverlening?
Hoe gaat u de kennis- en meetlacunes ten aanzien van gezondheidseffecten, bijvoorbeeld van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en ultrafijnstof, adresseren?
Hoe gaat u de noodzakelijke omvang van het meetnetwerk, nieuwe meetmethoden en de resultaten daarvan een integraal en afdwingbaar onderdeel maken van de maatwerkafspraken?
Bent u van plan om, in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond, afdwingbare gezondheidsdoelen op te nemen in de uiteindelijke maatwerkafspraak, en hoe worden deze doelen vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van waarden voor een gemiddelde stad of WHO-richtlijnen)?
Gaat u naast emissiedoelen ook immissiedoelen opnemen in de maatwerkafspraak?
Hoe bent u voornemens op dergelijke doelen te handhaven, en welke consequenties – zoals ontbindende voorwaarden, boetes of terugvorderingen – worden verbonden aan het niet behalen van de gezondheidsdoelen?
Bent u voornemens om periodieke evaluatiemomenten (bijvoorbeeld elke twee jaar) vast te leggen, waarin wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Bent u van plan om in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond naast gezondheidsafspraken en -doelen voor nieuwe installaties ook afspraken over bestaande installaties op te nemen in de maatwerkafspraak?
Hoe gaat u de weging en toetsing van het kosteneffectiviteitsbeginsel specifiek voor investeringen in Best Beschikbare Technieken (BBT) voor ZZS, versterken en verbreden met maatschappelijke waarden zoals gezondheid?
Heeft u Tata Steel verzocht om in de MER-alternatieven op te nemen die bijvoorbeeld de gezondheidswinst of de CO2-reductie maximaliseren, zodat een betere afweging kan worden gemaakt?
Waarom hanteert Tata Steel in de MER een andere productiecapaciteit – en daarmee mogelijk een andere uitstoot – dan in de JLoI, en wat zijn daarvan de consequenties?
Hoe (juridisch) zeker zijn de vergunningen voor emissies van Tata als de gezondheid en dus het belang van omwonenden onvoldoende is meegewogen? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag de jurisprudentie van de RBV-zaak van omwonenden tegen Schiphol meewegen, waarbij de rechter oordeelde met verwijzing naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
Hoe houdbaar zijn de maatwerkafspraken als deze vergunningen vereisen die niet vergunbaar zijn of door de rechter worden vernietigd? Wat zijn de gevolgen van een vernietigde vergunning voor de maatwerkafspraken en de subsidies of andere incentives?
Kunt u toelichten hoe de economische en maatschappelijke baten van Tata Steel voor Nederland zich verhouden tot de NOx-emissie en welke maatschappelijke baten gegenereerd kunnen worden door deze emissie te verminderen of anders «te besteden»?
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen maatwerkafspraak met Tata Steel leidt tot additionele CO2-reductie ten opzichte van de geldende Nederlandse en Europese klimaatdoelstellingen?
Onderschrijft u dat binnen het EU ETS productbenchmarks worden toegepast om de hoeveelheid gratis emissierechten voor individuele installaties te bepalen en niet bepalend zijn voor de hoeveelheid emissierechten binnen het EU ETS?
Onderschrijft u dat ETS-benchmarks primair gebaseerd zijn op de prestaties van bestaande installaties en daarmee een afspiegeling vormen van de huidige stand van de techniek, niet het reductiepotentieel of de beschikbare transitie- of mitigatieopties?
Kunt u toelichten welke rol ETS-benchmarks spelen in de beoordeling of de voorgenomen CO2-reductie door Tata Steel additioneel is ten opzichte van wat reeds door het EU ETS wordt afgedwongen, en heeft een aanpassing van de benchmarks – zoals aangekondigd door de Europese Commissie – hier invloed op?
Welke criteria hanteert u om te bepalen of sprake is van «versnelde» CO2-reductie in het geval van Tata Steel, en hoe verhouden deze criteria zich tot het reductietempo dat reeds volgt uit het EU ETS?
Kunt u toelichten welke rol deze criteria, en specifiek de ETS-benchmarks, spelen in de beoordeling of Tata Steel in aanmerking komt voor staatssteun?
Hoe weegt u in dit kader de Europese CO2-grensheffing (CBAM) en de versnelde afbouw van gratis rechten en de prikkel die daarmee ontstaat, ongeacht mogelijke staatssteun, om te investeren in verduurzaming?
Is er nog steeds sprake van «versnelde» CO2-reductie, en voldoende onderbouwing voor staatssteun, als Tata Steel slechts de overstap van kolen naar aardgas maakt in fase 1 – en niet overstapt op groen gas of -waterstof?
Worden er harde doelen en tijdlijnen opgenomen over CO2-reductie en investeringen in fase 2 – de tweede helft van de fabriek – of staat het Tata Steel vrij om die investeringen niet te doen of zelfs de tweede helft van de fabriek te sluiten?
Worden er met het oog op de strategische autonomie en importafhankelijkheid harde garanties opgenomen in de maatwerkafspraak dat Tata Steel ten laatste voor 2032 overstapt op hernieuwbare energie en dat nieuwe installaties niet nog vele jaren op aardgas draaien?
Hoe worden de ketenemissies van aardgas – zoals methaanlekkage en transportkosten – meegenomen in de afspraken? Zijn daar analyses van en worden ook daar doelen voor gesteld?
Kunt u bevestigen dat Tata Steel, afgaande op afspraken in de intentieverklaring, de 200 miljoen euro staatssteun kan gebruiken om, mogelijk zelfs buiten Nederland, certificaten voor groen gas te kopen en dus kan beslissen om fysiek door te draaien op aardgas?
Hoe wordt de businesscase van wind op zee meegewogen in de beslissing om te kiezen voor groen gas of groene waterstof?
Waarom wordt wat betreft groen gas of waterstof enkel gekozen voor optionele subsidiering, in plaats van, of in combinatie met afdwingbare afspraken – en wordt dit in de maatwerkafspraak aangepast?
Is er door u een vergelijking gemaakt tussen de (maatschappelijke) kosten van het huidige plannen en een scenario waarbij afspraken worden gemaakt met andere landen of producenten over de import van met hernieuwbare energie geproduceerde Hot Briquetted Iron (HBI), dat vervolgens door Tata Steel IJmuiden wordt verwerkt tot groen staal?
Hoe weegt u de maatschappelijke kosten, zoals werkgelegenheid, benodigde subsidie en investeringen met een scenario met (ten dele) HBI-import?
Hoe weegt u consequenties van de import van HBI tegenover de import van aardgas, kolen, groen gas, waterstof en ijzererts voor de Nederlandse en Europese strategische autonomie?
In hoeverre wordt de ambitie uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben meegenomen in de uitwerking van de intentieverklaring?
Worden er circulaire (tussen)doelen opgenomen in de afspraken – zowel in fase 1 als 2 – en die afrekenbaar gemaakt?
Hoe betrekt u de rest van de keten – denk aan afspraken over het oplopend gebruik van schroot, maar ook vraagcreatie voor circulair- en groen staal – bij de uitwerking van de intentieverklaring?
Ziet u het borgen van de financiële verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Tata Steel Ltd. als een belangrijk onderdeel van de maatwerkafspraak?
In hoeverre zal Tata Steel Ltd. financieel bijdragen aan de investeringen aan de kant van Tata Steel en op welke manier?
Wat zijn de financiële consequenties voor de staat als de vergunningverlening vertraging oploopt en daarmee afspraken zoals nu uitgewerkt niet meer haalbaar blijken?
Maakt u zich in de onderhandelingen hard voor een financiële garantstelling – een zogenaamde 403-verklaring – van Tata Steel Ltd voor zaken als schulden, schoonmaakkosten of een sociaal plan?
Hoe wordt het Sociaal Contract Groen Staal – bedoeld om de werknemers zekerheid te verschaffen over hun toekomst – betrokken in de uitwerking van de intentieverklaring?
Gaat u een koppeling maken tussen de ondertekening van de maatwerkafspraak en de activering van het Sociaal Contract Groen Staal?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de intentieverklaring met Tata Steel?
Verplicht afstaan van landbouwgrond voor maaipaden door Waterschap Noorderzijlvest |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van Waterschap Noorderzijlvest om vanaf 2028 standaard vier meter brede maaipaden langs watergangen in te voeren?1
Ja.
Klopt het dat het waterschap hierbij gebruik wil maken van de wettelijke gedoogplicht, waardoor agrariërs verplicht moeten toestaan dat deze stroken worden gebruikt zonder dat het waterschap de grond aankoopt of een marktconforme vergoeding betaalt?
Ja, dat klopt. Waterschappen kunnen voor het onderhoud van watergangen gebruikmaken van de wettelijke gedoogplicht. Dit staat in artikel 10.2 van de Omgevingswet. Het doel van deze gedoogplicht is het waarborgen van een goed functionerend watersysteem. Omdat dit een algemeen belang dient, moet de waterbeheerder in staat worden gesteld noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren, ook als deze op private grond moeten plaatsvinden. Als onderdeel van de wettelijke taken moeten waterschappen watergangen goed onderhouden voor een adequate aan- en afvoer van water. Een veilig en goed functionerend watersysteem is een gezamenlijk belang waar ook de agrarische sector baat bij heeft.
Realiseert u zich dat hiermee productieve landbouwgrond structureel uit productie wordt gehaald, met directe gevolgen voor opbrengst, inkomen en bedrijfscontinuïteit van agrarische ondernemers?
Het waterschap Noorderzijlvest heeft laten weten dat er geen sprake is van het structureel uit productie nemen van productieve landbouwgrond. Zij geven daarbij ook aan zich bewust te zijn van de mogelijke impact van dit besluit op agrarische ondernemers. Het waterschap heeft het besluit op 18 februari 2026 genomen en heeft voorafgaand hieraan in 2025 agrariërs opgeroepen om mee te denken of er mogelijkheden zijn om tot een win-win te komen. Om te bezien welke impact het besluit heeft, gaat het waterschap de komende periode in gesprek met de grondeigenaren over knelpunten en zal gezocht worden naar mogelijke gezamenlijke oplossingen. Het doel hiervan is om met behulp van maatwerk waar mogelijk rekening te houden met teeltplannen en de bedrijfsvoering van agrariërs. De gesprekken met agrariërs zijn inmiddels van start gegaan. Het waterschap gaat nog een brief sturen aan agrariërs in hun beheergebied met de oproep om samen de knelpunten te identificeren.
Hoe verhoudt het verplicht afstaan van landbouwgrond via een gedoogplicht zich volgens u tot het uitgangspunt dat eigendomsrechten van boeren moeten worden gerespecteerd?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 aangegeven zet het waterschap de wettelijke gedoogplicht in van de Omgevingswet, ten behoeve van de veiligheid van de medewerkers bij de uitvoering van de wettelijke taken voor een goed functionerend watersysteem. Deze gedoogplicht is in de Omgevingswet opgenomen omdat het eigendomsrecht een belemmering kan vormen voor werkzaamheden die in het algemeen belang zijn, in dit geval het belang van een goed functionerend watersysteem. Bij het borgen van deze belangen beoordeelt het waterschap welke maatregelen proportioneel zijn en levert hierbij gebiedsgericht maatwerk. Het is aan het waterschap om bij het uitvoeren van de kerntaken de belangen van alle belanghebbenden, waaronder agrariërs, mee te wegen.
Verder kan conform artikel 15.13 van de Omgevingswet een schadevergoeding (nadeelcompensatie) worden toegekend indien er sprake is van nadelige gevolgen. Schade wordt vergoed als deze rechtstreeks voortvloeit uit de gedoogplicht, het normale maatschappelijke- of bedrijfsrisico overstijgt en de rechthebbende onevenredig zwaar treft in vergelijking met anderen. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 is het aan het waterschap om dit mee te wegen in zijn gebiedsgerichte maatwerk.
Deelt u de mening dat een maatregel die structureel landbouwgrond aan het gebruik van de boer onttrekt, feitelijk sterk lijkt op onteigening van gebruik, maar dan zonder de gebruikelijke procedures en zonder volledige schadeloosstelling?
Bij het opleggen van een gedoogplicht blijven agrariërs volledig eigenaar van hun grond; er is geen sprake van onteigening. De grond wordt niet structureel aan het gebruik onttrokken, maar slechts periodiek (in de regel twee keer per jaar) gebruikt door het waterschap voor noodzakelijk onderhoud. Dit is een regulier juridisch instrument dat waterschappen inzetten om hun wettelijke watertaken uit te voeren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert het waterschap maatwerk, zodat de agrariërs zo min mogelijk hinder ondervinden.
Deelt u de mening dat zo erg ingrijpen in het eigen eigendom onwenselijk is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke juridische grenzen gelden voor waterschappen bij het opleggen van een gedoogplicht voor onderhoudspaden, en vindt u het proportioneel dat deze bevoegdheid wordt ingezet voor een generieke maatregel van vier meter breed in een heel beheergebied?
Zoals in de beantwoording op vraag 2 aangegeven is de gedoogplicht vastgelegd in artikel 10.2 van de Omgevingswet. Het is de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het Algemeen Bestuur van een waterschap om de inzet van dit instrument juridisch en beleidsmatig af te wegen en de proportionaliteit daarvan per situatie te beoordelen, zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven.
Klopt het dat binnen het bestuur van het waterschap aanvankelijk ook een drie-meteroptie is besproken, maar dat uiteindelijk toch direct is gekozen voor vier meter?
Ja, dat klopt. Het Algemeen Bestuur heeft gekozen voor vier meter met het oog op de veiligheid bij het uitvoeren van de wettelijke taken voor een goed functionerend watersysteem. De reden hiervoor is enerzijds dat modern breedspoormaterieel breder is dan drie meter en er voldoende ruimte nodig is om veilig te kunnen manoeuvreren (ter voorkoming van kantelgevaar). Een breder onderhoudspad, waarop het waterschap met breedspoormateriaal het onderhoud kan uitvoeren, geeft medewerkers meer uitwijkruimte en vermindert de risico’s.
Waarom is volgens het waterschap drie meter niet voldoende, terwijl dit in veel situaties jarenlang als gangbare werkbreedte voor onderhoud gold?
Zie het antwoord op vraag 8.
Is het besluit genomen zonder eerst het gebied in te gaan en met agrariërs te kijken naar de praktische situatie per watergang?
Zoals in de beantwoording op vraag 3 aangegeven heeft het waterschap voorafgaand aan het nemen van het besluit agrariërs opgeroepen om mee te denken of er mogelijkheden zijn om tot een win-win te komen, zodat belanghebbenden op de hoogte zijn gebracht van de geconstateerde problematiek en de plannen van het waterschap om hiervoor een oplossing te vinden. Het besluit van het Algemeen Bestuur van het waterschap Noorderzijlvest is erop gericht om een veilige werkomgeving te bieden aan zijn medewerkers. De uitvoering van het besluit om een veilige werkomgeving te creëren zal worden besproken met landbouwgrondeigenaren voordat het waterschap tot uitvoering overgaat, naar verwachting per 2028.
Hoe beoordeelt u het dat een dergelijke maatregel met grote gevolgen voor agrariërs vanachter de bestuurstafel wordt opgelegd zonder een zorgvuldig gebiedsproces?
Zie het antwoord op vraag 10. Waterschappen zijn autonome, democratisch gekozen decentrale overheden. Zij gaan over hun eigen besluiten, mits deze binnen de wettelijke kaders vallen. Voorafgaand aan de daadwerkelijke invoering, naar verwachting per 2028, zal de uitvoering in de praktijk nadrukkelijk met de betrokken landbouwgrondeigenaren worden besproken. Het waterschap heeft hiertoe al de eerste verkennende gesprekken gevoerd met de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), de Nederlandse Akkerbouw Vakbond en het Collectief Boer & Natuur Midden-Groningen. Daarnaast staat het waterschap in contact met agrariërs binnen hun beheergebied.
Kunt u aangeven op welke concrete veiligheidsnormen deze keuze voor vier meter gebaseerd is, mede gelet op het feit dat het waterschap zich beroept op onder andere veiligheid voor medewerkers, en waarom veiligheid niet met maatwerk of smallere paden geborgd zou kunnen worden?
De Arbowet verplicht werkgevers, waaronder waterschappen, om veilige en gezonde arbeidsomstandigheden te garanderen. Waterschap Noorderzijlvest heeft het besluit genomen op basis van hun Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en de Arbowet. Het doel van het waterschap met dit besluit is het borgen van een veilige werkomgeving voor medewerkers bij het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Waterschap Noorderzijlvest voert periodiek een RI&E uit om risico's in kaart te brengen. Daaruit is gebleken dat het werken met smalspoormaterieel op smalle paden onverantwoorde veiligheidsrisico's (zoals kantelgevaar) met zich meebrengt in vergelijking met het werken met breedspoormateriaal.
Hoe realistisch is het volgens u dat grote onderhoudscombinaties overal kunnen werken als watergangen doodlopend zijn en machines moeten draaien op aangrenzende landbouwpercelen?
De beoordeling van de wijze waarop onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden is aan het waterschap. Daar kan ik vanuit mijn rol geen beoordeling over geven.
Bent u ermee bekend dat in het eerste jaar van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). en de daaruit voortvloeiende bufferstroken, boeren deze stroken konden benutten voor eco-regelingen en -punten, maar dat deze mogelijkheden het jaar daarna door het waterschap weer zijn weggenomen?
Mestvrije bufferstroken zijn verplicht vanuit nationale mestregelgeving en zijn daarmee op zichzelf niet subsidiabel voor een eco-activiteit binnen het GLB. Wel zijn er mogelijkheden voor de agrariër om op de bufferstrook niet-productieve eco-activiteiten uit te voeren, zoals kruidenrijke bufferstroken, mits de bufferstrook is gelegen op landbouwgrond.
Deelt u de frustratie van boeren dat zij enerzijds door Europees en nationaal beleid worden verplicht bufferstroken en natuurmaatregelen aan te leggen, terwijl dezezelfde stroken vervolgens door andere overheden weer worden afgepakt voor ander gebruik?
Agrariërs worden inderdaad verplicht om bufferstroken aan te houden. Bij het aanhouden van een bufferstrook geldt voor het verkrijgen van de GLB-subsidie de voorwaarde dat er geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen worden toegepast op de bufferstrook. Aanvullende natuurmaatregelen op de bufferstrook, zoals eco-activiteiten, zijn geen verplichting maar een mogelijk gebruik van de grond waarvoor de agrariër een vergoeding kan ontvangen.
Zoals in het antwoord van vraag 2 en 3 aangegeven kan een waterschap ertoe besluiten verplichte onderhoudspaden naast de watergang voor tijdelijk gebruik aan te houden. Zoals aangegeven in het antwoord van vraag 5 betekent dit niet dat de grond structureel aan het gebruik wordt onttrokken. Het waterschap heeft aangegeven dat hierbij maatwerk wordt toegepast waar mogelijk rekening te houden met teeltplannen en de bedrijfsvoering van agrariërs, waaronder de bufferstroken en natuurmaatregelen.
Klopt het dat door regels rond bloemrijke bufferstroken vaak niet door deze stroken gereden of gemaaid mag worden, waardoor het onderhoud door het waterschap in de praktijk juist lastiger kan worden?
De voorwaarden voor een kruidenrijke bufferstrook omvatten een zichtbare bedekking van 1 juni tot 1 oktober, bestaande uit ten minste 25 procent kruiden en vlinderbloemigen. Indien het onderhoud de opkomst van deze kruiden belemmert, is het inderdaad niet mogelijk voor de agrariër om de betreffende eco-activiteit op die strook uit te voeren. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven gaat het waterschap in gesprek voor het leveren van maatwerk, rekening houdend met de teeltplannen en bedrijfsvoering van de agrariërs.
Bent u ermee bekend dat loonwerkers en boeren in sommige gebieden hebben geïnvesteerd in smalspoormachines, juist om onderhoud op smallere paden mogelijk te maken?
Nee, ik ben niet bekend met deze situaties binnen het waterschap Noorderzijlvest. Het waterschap heeft aangegeven het beheer van de watergangen zelf uit te voeren en dit niet uit te besteden aan externe partijen.
Wat vindt u ervan dat deze investeringen door een plotselinge beleidswijziging feitelijk waardeloos dreigen te worden?
Zie het antwoord op vraag 17.
Klopt het dat het waterschap voornemens is deze stroken vaker te gebruiken dan nu het geval is, bijvoorbeeld meerdere keren per jaar?
Het waterschap Noorderzijlvest gebruikt de onderhoudsstroken enkele keren per jaar. In de praktijk komt dat vaak neer op één maaibeurt in de zomer en één in het najaar, maar niet meer dan redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het beheer en onderhoud van het watersysteem. Het waterschap kijkt naar oplossingen in welke gebieden het onderhoud minder intensief kan plaatsvinden, om zo de belasting per perceeleigenaar te minimaliseren. Dit beoordeelt het waterschap op basis van de gesprekken die ze gaat voeren met belanghebbenden.
Wat betekent dit voor het gebruik van deze stroken door agrariërs en voor de opbrengstderving op hun percelen?
Of de uitbreiding van het schouwpad invloed heeft op de opbrengsten, hangt af van de vraag of er nog een vorm van landbouw mogelijk is, zoals beweiding of het verbouwen van gewassen. Indien dit het geval is, kan de grond nog steeds worden opgegeven voor GLB-subsidies of voor het plaatsen van mest op het gedeelte van het schouwpad dat niet als bufferstrook is aangewezen.
In hoeverre heeft het waterschap een economische impactanalyse gemaakt van de gevolgen voor agrarische bedrijven in het gebied?
Het uitvoeren van een economische impactanalyse vooraf was geen vereiste, omdat de grondslag van het besluit de wettelijke kerntaken van het waterschap en de veiligheid van medewerkers (Arbowet) betreft. Eventuele bedrijfseconomische gevolgen voor individuele belanghebbenden worden door het waterschap echter wel meegenomen in de komende gesprekken met de agrarische bedrijven. Agrarische bedrijven hebben overigens ook baat bij een goed functionerend watersysteem (bijvoorbeeld in het kader van het tegengaan van verzilting en het voorkomen van droogte of wateroverlast).
Hoe zijn volgens u de maatschappelijke baten voor het waterschap afgewogen tegen de economische lasten die eenzijdig bij boeren terechtkomen?
Zie het antwoord op vraag 21.
In hoeverre past een uniforme verplichting van vier meter bij het rijksbeleid dat inzet op maatwerk, gebiedsgericht werken en het versterken van de positie van boeren in het landelijk gebied?
Binnen de nationale mestregelgeving en het GLB is de mogelijkheid opgenomen de breedte van een bufferstrook af te schalen, afhankelijk van het type waterloop en de oppervlakte van het perceel. Lokale overheden kunnen nationale regelgeving niet versoepelen, maar wel aanscherpen indien zij dit noodzakelijk achten. Deze afweging is aan het betreffende waterschap.
Bent u bereid om met Waterschap Noorderzijlvest in gesprek te gaan over alternatieven?
De bevoegdheid om besluiten te nemen over de wijze waarop een waterschap het waterbeheer uitvoert, behoort toe aan het Algemeen Bestuur van het betreffende waterschap als democratisch gekozen bestuursorgaan. Het waterschap gaat de komende periode zelf in gesprek met de agrariërs om de impact van de maatregel in de praktijk zoveel mogelijk te minimaliseren.
Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat boeren niet eenzijdig worden geconfronteerd met verplichtingen zonder compensatie?
Zie het antwoord op vraag 24.
Kunt u toezeggen dat u de Kamer informeert over de uitkomsten van dit gesprek en over eventuele aanpassingen van juridische kaders om te voorkomen dat landbouwgrond via een gedoogplicht structureel aan boeren wordt onttrokken?
Nee, dat kan ik niet toezeggen. Zie het antwoord op vraag 24 en ook wordt, zoals aangeven in het antwoord op vraag 5, de grond niet structureel aan het gebruik onttrokken. Het ministerie is niet betrokken bij de gesprekken tussen het waterschap en de agrariërs.
De wetenschappelijke onderbouwing van windturbinenormen, de bescherming van omwonenden en afstandsnormen |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de meest recente versie van de RIVM-factsheet over gezondheidseffecten van windturbinegeluid en met de voorbereiding van nieuwe landelijke windturbinenormen?
Kunt u aangeven welke inhoudelijke wijzigingen sinds 2021 in deze factsheet zijn aangebracht, welke nieuwe wetenschappelijke inzichten daarbij zijn betrokken en op welke wijze die wijzigingen zijn verwerkt in de voorbereiding van nieuwe windturbinenormen?
Kunt u uiteenzetten welke internationale wetenschappelijke literatuur sinds 2022 door het RIVM en het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid is betrokken bij de advisering over windturbinegeluid, en kunt u daarbij specifiek ingaan op het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek uit 2022 naar hinder van moderne windturbines?
Op welke wijze is dit Duitse Umweltbundesamt-onderzoek betrokken bij het plan-MER, de nota van toelichting en de voorbereiding van de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Welke blootstelling-responsrelatie ligt thans ten grondslag aan de in het ontwerpbesluit en het plan-MER beschouwde normopties voor windturbinegeluid?
Kunt u per beschouwde normoptie, waaronder in ieder geval 37, 40, 43, 45, 47 en 50 dB Lden, aangeven welk percentage ernstige hinder binnenshuis en, indien beschikbaar, buitenshuis daarbij volgens de door het kabinet gebruikte modellen hoort?
Kunt u bevestigen dat in de toelichting bij de nieuwe normering 45 dB Lden wordt gekoppeld aan een lager percentage ernstige hinder binnenshuis dan 47 dB Lden, en kunt u exact uiteenzetten welke beleidsmatige en wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de uiteindelijke normkeuze?
Bent u bereid een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling te laten uitvoeren van de door Leonard Baart de la Faille gepubliceerde omzetting van de Duitse dosis-effectrelatie naar de Nederlandse systematiek, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
Waarom kiest het kabinet bij windturbinegeluid voor normering op basis van Lden en Lnight, en welke alternatieven, zoals aanvullende maximum- of gebeurtenisnormen, zijn onderzocht om met name slaapverstoring beter te adresseren?
Welke praktijkgegevens over klachten, hinder, slaapverstoring, handhaving en ervaren overlast rond bestaande windparken zijn betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe normen?
Klopt het dat het RIVM momenteel een nieuw blootstelling-responsonderzoek uitvoert waarvan de resultaten eind 2026 worden verwacht, terwijl de beoogde inwerkingtreding van de definitieve windturbinenormen uiterlijk per 1 januari 2027 is voorzien?
Hoe waarborgt u dat de resultaten van dit blootstelling-responsonderzoek nog daadwerkelijk en zorgvuldig kunnen worden meegewogen bij de definitieve vaststelling van de normen?
Worden in dit blootstelling-responsonderzoek ook personen betrokken die na plaatsing van windturbines zijn verhuisd wegens ervaren overlast, en zo nee, op welke wijze wordt mogelijke selectiebias dan ondervangen?
Bent u bekend met het besluit van provinciale staten van Gelderland om voor nieuwe windturbines uit te gaan van een minimale afstand van twee keer de tiphoogte tot geluidsgevoelige gebouwen, en met het voorstel om deze afstandsnorm in de Omgevingsverordening Gelderland op te nemen?
Hoe beoordeelt u deze Gelderse afstandsnorm in het licht van de bescherming van omwonenden tegen hinder en slaapverstoring door windturbines?
Waarom is bij de voorbereiding van landelijke windturbinenormen niet gekozen voor een expliciete minimale afstandsnorm, terwijl een provincie als Gelderland daar inmiddels wel toe overgaat dan wel deze norm concreet heeft voorgesteld?
Bent u bereid expliciet te onderzoeken en uit te spreken of naast geluidsnormen ook een landelijke minimale afstandsnorm voor windturbines wenselijk en juridisch houdbaar is?
Welke instructies, handreikingen of tijdelijke beleidskaders gelden in de tussenperiode voor gemeenten en provincies die besluiten nemen over windprojecten, zodat ook op lokaal niveau wordt aangesloten bij de meest recente stand van de wetenschap?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen decentrale overheden vooruitlopend op de nieuwe landelijke normstelling eigen normen of vergunningvoorwaarden hanteren?
Bent u bereid geen onomkeerbare keuzes in de definitieve landelijke normstelling te maken voordat de Kamer expliciet is geïnformeerd over de betekenis van nieuwe wetenschappelijke inzichten voor de bescherming van omwonenden?
Deelt u de opvatting dat bij normstelling rond windturbinegeluid en afstandsnormen maximale transparantie over gebruikte wetenschappelijke bronnen, aannames en hinderpercentages noodzakelijk zijn om het vertrouwen van omwonenden in de overheid te versterken?
Het uitsluiten van Joodse organisaties bij onderzoek naar Joods vastgoed in Rijswijk |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de gemeente Rijswijk ervoor heeft gekozen om het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Irgoen Olei Holland niet te informeren over een onderzoek naar Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, omdat deze media volgens de gemeente een bepaalde «kleuring» zouden geven aan het conflict in Gaza?1
Deelt u de mening dat het uiterst kwalijk is als een gemeente besluit Joodse media en organisaties uit te sluiten van communicatie over een onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie en dat dit op zijn minst de schijn wekt van discriminatie op grond van politieke gezindheid, afkomst of religie?
In algemene zin staat buiten kijf dat het uitsluiten van Joodse media en organisaties vanwege hun geloof of afkomst onacceptabel is. Het doen van onderzoek, naar welk onderwerp dan ook, speelt een belangrijke rol bij het verrijken van kennis en ontwikkelingen in de samenleving. Wanneer een gemeente onderzoek doet of laat uitvoeren betreft dit een lokale aangelegenheid. De gemeentelijke autonomie maakt dat gemeentebesturen een eigen bevoegdheid hebben. Hierbinnen kunnen zij ook zelf onderzoek verrichten en hier beleidskeuzes op baseren. Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven aan de wijze waarop een gemeente in een concreet geval optreedt in het kader van een onderzoek. Het is aan de gemeenteraad om haar college van burgemeester en wethouders ter verantwoording te roepen wanneer zij dat nodig acht.
Hoe beoordeelt u het feit dat het college van burgemeester en wethouders hiermee inging tegen het advies van zowel de onderzoeker als de begeleidingscommissie, die aangaf dat het uitsluiten van deze media de onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek kon schaden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat communicatie over onderzoek naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog afhankelijk wordt gemaakt van de politieke opvattingen die een gemeente toeschrijft aan bepaalde Joodse media of organisaties?
In het algemeen ben ik het met u eens dat Joodse media of organisaties niet op basis van hun politieke opvattingen uitgesloten zouden moeten worden bij onderzoeken naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog.
Hoe verhoudt de handelwijze van de gemeente Rijswijk zich volgens u tot artikel 1 van de Grondwet, waarin expliciet is vastgelegd dat discriminatie op grond van onder meer politieke gezindheid niet is toegestaan?
Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven over de handelwijze van het gemeentebestuur van Rijswijk. Wanneer er een vermoeden is van het overtreden van artikel 1 van de Grondwet, kan de rechter daar desgevraagd een oordeel over uitspreken.
Deelt u de zorgen dat door deze beslissing mogelijk relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden nooit zijn bereikt, waardoor het onderzoek naar Joods vastgoed mogelijk onvolledig is gebleven?
Het is niet aan mij om over een specifiek geval een opvatting te hebben. Wel kan ik het mij voorstellen dat er in dit geval een zorg bestaat dat mogelijk niet alle relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden zijn bereikt in dit onderzoek. Echter, ik wil en kan niet oordelen of het onderzoek van de gemeente Rijswijk daarmee als onvolledig kan worden gezien.
Bent u bereid te onderzoeken of de handelwijze van de gemeente Rijswijk in strijd is met het discriminatieverbod en met de zorgvuldigheid die van een overheid mag worden verwacht bij onderzoek naar onteigend Joods bezit?
Nee. De Nationale ombudsman is in beginsel bevoegd om klachten over de gedraging van – in dit geval – de gemeente Rijswijk te onderzoeken en hierover te oordelen. Met de komst van de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling – naar zogenaamd eenzijdig overheidshandelen – wordt het in de toekomst voor het College voor de Rechten van de Mens ook mogelijk om over het handelen van de overheid te oordelen. Een wetgevingstraject hiervoor ben ik momenteel aan het voorbereiden.
Welke rol ziet u voor het Rijk om te waarborgen dat gemeenten bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie zorgvuldig, onafhankelijk en zonder politieke of ideologische afwegingen handelen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders haar verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen. Dit geldt ook bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie.
Deelt u de mening dat het bijzonder pijnlijk en ongepast is als juist bij onderzoek naar onrecht dat Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan opnieuw een situatie ontstaat waarin Joodse organisaties of media worden buitengesloten en dat dit bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Ik kan mij voorstellen dat er gevoelens van onvrede bestaan bij de Joodse organisaties die niet direct zijn betrokken bij het onderzoek van de gemeente Rijswijk. Echter, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met de gemeente Rijswijk om opheldering te vragen over deze gang van zaken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht 'Verkeerscongestie bruggen Zwartewaterland' |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie rond de openstelling van de Meppelerdiepbrug in Zwartsluis en de Zwartewaterbrug in Hasselt, waar brugopeningen tijdens de spits regelmatig leiden tot langdurige verkeersopstoppingen op de N331?1
Ja.
Bent u tevens bekend met de situatie rond de oude brug van in Zwartsluis die niet langer voor scheepvaart wordt gebruikt, waar Rijkswaterstaat geen schoonmaakwerkzaamheden meer uitvoert? Hoe kijkt u aan tegen het beheer en onderhoud van deze brug?2
De Zwartewaterbrug is niet in beheer bij Rijkswaterstaat, maar bij de provincie Overijssel. Rijkswaterstaat beheert wel de verkeersbrug over de Grote Kolksluis
Heeft u contact gehad met betrokken partijen, zoals gemeente Zwartewaterland, provincie Overijssel, uitvoerende aannemers en Rijkswaterstaat als beheerder van de bruggen? Zo ja, wat is daaruit naar voren gekomen?
Rijkswaterstaat heeft op reguliere basis overleg met de gemeente Zwartewaterland om zaken met betrekking tot de bruggen van Rijkswaterstaat te bespreken. Schoonmaakwerkzaamheden en verkeershinder zijn tot op heden niet ingebracht door de gemeente Zwartewaterland in deze gesprekken.
Rijkswaterstaat heeft daarnaast werkafspraken met de Provincie Overijssel. Onder andere over het geplande onderhoud om zo de verkeershinder te beperken.
Zou u in kaart willen brengen hoeveel verkeershinder jaarlijks ontstaat op de N331 als gevolg van brugopeningen tijdens de spits, en welke gevolgen dit heeft voor de bereikbaarheid van Zwartsluis, Hasselt en de regio?
De N331 is een provinciale weg en eventuele maatregelen voor de weg zijn daarom aan de provincie Overijssel.
Rijkswaterstaat doet vanuit het uitgangspunt «veilig en vlot» zoveel mogelijk om wachttijden voor zowel de scheepvaart als het wegeverkeer te beperken. Dat wordt bijvoorbeeld gedaan door (a) te werken met vaste bedientijden van bruggen, (b) brugopeningen zoveel mogelijk buiten de spitsuren te doen en (c) door via konvooivaart zoveel mogelijk schepen tegelijk in één keer te laten passeren. Per locatie kijkt RWS naar de aard, omvang en dynamiek van het wegverkeer en waterverkeer om op basis daarvan een zorgvuldige afweging te maken voor de bedientijden van de brug.
Voor meer informatie over de vraag hoe Rijkswaterstaat met brugopeningen omgaat verwijs ik u naar brief van 15 september 2025 over de balans tussen wegverkeer en scheepvaart bij brugopeningen.3
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te voorkomen dat de N331, een belangrijke regionale verbindingsweg en uitwijkroute bij files op de A28, tijdens de spits blijvend vastloopt door brugopeningen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u in kaart brengen in hoeverre de huidige regelgeving, waarbij scheepvaart doorgaans voorrang krijgt op wegverkeer bij brugopeningen, nog passend is in situaties waar dit structureel tot grote verkeersproblemen leidt rondom de omgeving Zwartsluis?
Het beeld dat de scheepvaart voorrang zou krijgen is onjuist. Zie ook de eerdergenoemde brief aan de Tweede Kamer van 15 september 2025 waarin de staande praktijk van Rijkswaterstaat wordt toegelicht. In de omgeving van Zwartewaterland bevinden zich ook bruggen die in beheer zijn bij de regionale overheden, zoals de Zwartewaterbrug. Hier is de praktijk uit de bovengenoemde brief niet op van toepassing.
Bent u bereid om samen met Rijkswaterstaat, de provincie Overijssel en de gemeente Zwartewaterland te onderzoeken welke oplossingen mogelijk zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u tevens bereid hierover actief in overleg te treden met de gemeente Zwartewaterland om te bezien of er tot een oplossing kan worden gekomen voor het onderhoud, beheer of een eventuele herbestemming van deze brug?
Zie antwoord vraag 2.
Het artikel 'Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken' |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken»?1
Ja.
Klopt het dat het ministerie gemeenten heeft opgedragen bestaande lokale verboden, toepassingsregels of vergunningplichten terug te draaien? Zo ja, op basis van welke juridische analyse is dit standpunt gebaseerd? Valt dit niet onder de beleidsvrijheid van gemeenten? Of de plicht van overheden om burgers tegen vermijdbare risico’s te beschermen?
Eind december 2025 is het Circulair Materialenplan (CMP) in werking getreden en is er door IenW een brief gestuurd aan bevoegde gezagen en de Omgevingsdiensten. Deze brief had als doel om decentrale overheden te informeren over de inwerkingtreding van het CMP. Naar aanleiding van deze brief en berichtgeving in de media is er verwarring ontstaan over de bevoegdheid van decentrale overheden om op lokaal niveau aanvullende maatregelen voor het toepassen van staalslak en andere secundaire bouwstoffen te treffen. Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.
Ik heb dit recent ook verder toegelicht in de Kamerbrief van 13 maart jongstleden.2
Hoe verhoudt dit verbod om de eigen inwoners tegen gezondheidsschadelijke vervuiling te beschermen, zich tot de actuele kennis over de risico’s van staalslakken voor mens en milieu, zoals onder meer blijkt uit rapportages van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Algemene Rekenkamer?
Op basis van diverse onderzoeksrapporten, zoals rapportages van het RIVM, de ILT en de Algemene Rekenkamer is op 23 juli 2025 de tijdelijke regeling staalslak (pauzeknop) ingesteld. Deze regeling verbiedt het toepassen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20% staalslak op of in de landbodem in een laagdikte van meer dan 0,5 meter of op locaties waar direct oog-, mond- of huidcontact mogelijk is. Daarnaast is er een vergunningplicht ingevoerd voor het toepassen op of in de landbodem, voor zover deze niet onder het verbod vallen. De regeling geldt ten minste tot en met juli 2026 met een mogelijke verlenging tot januari 2027. Met deze landelijke regeling worden decentrale overheden ontlast en is het op dit moment niet nodig om voor de nieuwe toepassingen van staalslak die onder dit verbod of vergunningplicht vallen maatwerkregels of voorschriften in te stellen. Voor toepassingen die niet onder de reikwijdte van de regeling vallen (bijvoorbeeld toepassingen in oppervlaktewater) is maatwerk wel mogelijk.
Bent u bekend met de overweging van gemeenten om juist vanwege concrete lokale problemen en gezondheidsklachten, strengere regels te willen stellen voor het gebruik van staalslakken? Wat is uw reflectie hierop?
Het is mij bekend dat verschillende gemeenten maatregelen treffen en hebben getroffen voor het toepassen van secundaire bouwstoffen, waaronder staalslak. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het staat bevoegde gezagen vrij om gemotiveerd lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het doel van de tijdelijke regeling was om gemeenten hierin te ontlasten door op landelijk niveau voor staalslak een pauzeknop in te drukken.
Hoe verhoudt het standpunt, dat gemeenten geen generieke verboden mogen stellen, zich tot de tijdelijke stop op bepaalde toepassingen van staalslakken die het kabinet zelf heeft ingesteld vanwege gezondheidsrisico’s?
Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag. Zie ook het antwoord op vraag 2. Verder is in de antwoorden op vragen 3 en 4 aangegeven dat de tijdelijke regeling tot doel heeft decentrale overheden te ontlasten. In de toelichting op deze regeling is dat ook aangegeven door erop te wijzen dat het voor lokale overheden door de regeling niet meer nodig is om de bestaande bevoegdheden tot het stellen van maatwerkregels of-voorschriften in te zetten.3 Ook op het Informatiepunt Leefomgeving is een passage gewijd aan de verhouding van decentrale regels tot de tijdelijke regeling.4
Wilt u reflecteren op de stelling dat door generieke verboden te verbieden voor gemeenten, het praktisch onmogelijk wordt voor gemeenten vanwege gebrek aan middelen, capaciteit, afdoende kennis om de gezondheid van hun inwoners goed te beschermen? Denkt u dat gemeenten, aannemers of het milieu er beter bij gebaat zijn als elke lading apart moet worden getest op schadelijke stoffen en aparte toepassingsregels krijgt?
Het CMP roept enkel op om per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken en geen generieke lokale beperkingen in te stellen op de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving. Een generieke beperking belemmert de afzet van secundair materiaal – en daarmee de transitie naar een circulaire economie – en het leidt tot een ongelijk speelveld in Nederland. Het staat bevoegde gezagen echter vrij om gemotiveerd af te wijken op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu.
Deelt u de mening dat gemeenten een verantwoordelijkheid hebben voor de bescherming van de gezondheid van hun inwoners en daarom ruimte moeten hebben om lokaal aanvullende maatregelen te nemen wanneer zij risico’s signaleren en het Rijk in gebreke blijft door niet tijdig effectieve regels en maatregelen te treffen?
Ja, de bevoegdheid tot het vaststellen van maatwerkregels en -voorschriften is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (afdeling 2.5). Hierbij kan worden afgeweken van de regels voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten in het Bal, tenzij anders is bepaald (artikel 2.12, tweede lid). Voor de milieubelastende activiteiten «toepassen van bouwstoffen en grond» bevat het Bal geen beperking. Wel is het zo dat maatwerk alleen mogelijk is met het oog op de belangen die zijn genoemd in artikel 2.2 van het Bal, waaronder het beschermen van gezondheid en milieu. Het is aan decentrale overheden zelf om hierin een afweging te maken.
Hoe verhoudt uw instructie aan gemeenten zich tot de motie van het lid Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428), waarin de regering werd verzocht om strengere regels voor het gebruik van staalslakken te onderzoeken en risico’s beter te beperken?
De motie van lid Teunissen verzoekt de regering om op basis van het voorzorgsbeginsel het gebruik van LD-staalslak te stoppen totdat alle onderzoeken rond zijn. Met de inwerkingtreding van de tijdelijke regeling staalslak op 23 juli 20255 is invulling gegeven aan deze motie. De oproep in het CMP doet op geen enkele manier afbreuk aan de ingestelde regeling.
Hoe verhoudt deze instructie voor gemeenten zich tot de motie van de leden Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343), waarin de regering werd verzocht om aanvullende maatregelen te nemen rond het gebruik van staalslakken en de relatie tot de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Zoals door de vorige Staatssecretaris aangegeven bij de appreciatie van de genoemde motie staat het zowel het kabinet als het parlement vrij om beleid te maken en wetten aan te passen, los van welke privaatrechtelijke afspraak dan ook. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag, zoals toegelicht in de antwoorden op vragen 2 en 3, staan eveneens los van welke privaatrechtelijke afspraak dan ook.
Wilt u reflecteren op de stelling dat het belang van de afzetmarkt voor secundaire bouwstoffen, zoals in de brief wordt benoemd, zwaarder telt dan de gezondheid van mens en milieu?
Een doel van dit kabinet is om de circulaire economie te bevorderen en daarbij een veilige, verantwoorde toepassing te borgen. Gezondheid en milieu zijn integraal onderdeel van de doelen van de circulaire economie. Dit is ook neergelegd in artikel 2.2 van het Bal, waarin niet alleen het beschermen van gezondheid en milieu zijn genoemd, maar ook het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen. Deze belangen moeten hand in hand met elkaar gaan.
Is over de inhoud van deze brief of het doel van deze instructie contact geweest met (vertegenwoordigers van) Tata Steel of afnemers van staalslakken van Tata Steel? Zo ja, wat was de inhoud van dat contact? Kunt u eventuele correspondentie en gespreksverslagen met de Kamer delen?
Nee, er is daarover geen contact geweest met genoemde partijen.
Klopt het dat er een financiële prikkel is om staalslakken te gebruiken in de vorm van dat als staalslakken afgenomen worden van Tata Steel, de afnemers geld krijgen daarvoor? Hoe ziet deze afzetmarkt eruit rondom de financiële prikkel? Waar ligt dan de grens tussen afval en grondstof?
Het klopt dat voor sommige toepassingen een negatieve prijs geldt. In dat geval krijgt de aannemer geld toe van de leverancier. Als het meegeven van geld aan aannemers aantoonbaar en structureel zou leiden tot een volgens de regels onjuiste of overmatige, niet-functionele toepassing, dan is er reden om op dát aspect aan te grijpen. Dit is namelijk niet toegestaan (artikel 4.1261 Bal). Dit wordt ook aangegeven in een rapport, opgesteld door Drift en Tauw, dat ook in de verzamelbrief Circulaire Economie van juni 2024 met de Kamer is gedeeld.6
Het rapport stelt dat enkel door het gegeven van een negatieve prijs (die geldt op het punt waarop de bouwstoffen uit de poort van de verwerker gaan) niet geconcludeerd kan worden dat er een prikkel is tot overmatig toepassen van materiaal. De transportkosten van staalslak vormen namelijk een belangrijk onderdeel van de totale kosten van de bouwstof. Omdat staalslak slechts op één locatie in Nederland geproduceerd wordt, is de reële prijs in de praktijk vaak positief en zijn de transportkosten hoger dan de vergoeding die de afnemer ontvangt voor de staalslakken. Daarmee heeft de afnemer op dat moment geen prikkel meer om meer af te nemen dan strikt noodzakelijk is voor het project.7
Met betrekking tot de grens tussen afval en grondstof, zijn de definities van de begrippen afvalstof, bijproduct en einde-afvalstof neergelegd in art. 1.1 Wet milieubeheer van belang. Op basis van deze definities moet worden bepaald of staalslakken afvalstoffen zijn of niet. Dat moet per geval worden bepaald. Een van de voorwaarden die bij de toepassing van staalslak als bouwstof moet zijn vervuld is dat het gebruik voldoet aan de hiervoor geldende wettelijke kaders, waaronder de eis dat geen grotere hoeveelheid mag worden toegepast dan functioneel nodig is voor het werk. Is niet aan deze voorwaarde voldaan (en dit moet per individuele situatie worden beoordeeld), dan kan er geen sprake zijn van een bijproduct of einde-afval.
Hoe ziet u de rol van het ministerie in het faciliteren en zelfs afdwingen van een afzetmarkt voor het afval van Tata Steel en de verplichting van de overheid om de gezondheid van mens en milieu te beschermen?
Secundaire bouwstoffen zijn afkomstig van afvalstoffen en reststromen van productieprocessen die op basis van wettelijke voorwaarden geschikt zijn of kunnen worden gemaakt om op een verantwoorde wijze als bouwstof te worden gebruikt. Ze zijn dan geen afvalstof meer, maar einde-afval of bijproduct. De regels voor afvalverwerking staan in de Wet Milieubeheer (Wm) en het Circulair Materialenplan (CMP) en de regels voor toepassing als bouwstof liggen op basis van de Omgevingswet en de Wm vast in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Door recycling en voorbereiding voor hergebruik, aanpassing van productieprocessen en vervolgens het gebruik van secundaire materialen kan winning en gebruik van primaire grondstoffen, zoals zand en grind, worden voorkomen. Bevorderen van efficiënt grondstofgebruik en het beschermen van de natuurlijke hulpbronnen in verband met de overgang naar een circulaire economie is een van de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Afval (Kra). De Kra stelt ook als doel en randvoorwaarde dat de menselijke gezondheid en het milieu moeten worden beschermd.
Kortom – het is in het kader van grondstoffenefficiëntie goed als afvalstoffen of reststromen van productieprocessen kunnen worden ingezet als secundaire bouwstof, maar dit moet wel veilig gebeuren. Deze belangen moeten hand in hand gaan.
Hoeveel gemeenten hebben een generiek verbod ingevoerd en hoeveel hebben andere aanvullende regels opgesteld? Worden alle aanvullende regels nu verboden? Hoe gaat u optreden tegen gemeenten die dit weigeren?
Er is geen totaalbeeld beschikbaar. Pas sinds de inwerkingtreding van het CMP geldt op grond van artikel 10:14, vierde lid, van de Wet milieubeheer dat decentrale overheden IenW moeten informeren wanneer zij afwijken van het CMP. Op basis van deze verstrekking plicht zijn er drie meldingen ontvangen. Als reactie op de ontvangen meldingen sturen we een niet-bindend advies. Het staat bevoegde gezagen vrij hiervan af te wijken met een motivering in het uiteindelijke besluit.
Deelt u de mening dat het beperken van de ruimte voor gemeenten om maatregelen te nemen haaks kan staan op de bedoeling van de Kamer en de aangenomen moties hierover, de autonomie van gemeenten en de zorgplicht van de overheid om te zorgen voor een gezonde leefomgeving voor haar inwoners?
Ja, deze mening deel ik. Ik heb toegelicht dat hiervan geen sprake is.
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in alle correspondentie van het ministerie met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten over het terugdraaien van lokale beperkingen op staalslakken?
Hiervan is geen sprake geweest. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid uw staalslakkenverbodverbod aan te houden, zolang de onderzoeken naar de risico’s nog niet zijn afgerond en de landelijke regels nog niet zijn aangescherpt?
Zoals ook in de brief van 21 juli 20258 waarin de tijdelijke regeling werd aangekondigd is beschreven geldt de regeling in beginsel voor een jaar en kan maximaal met een half jaar worden verlengd (artikel 23.6a Omgevingswet). De regeling is een pas op de plaats om grip te krijgen op de huidige situatie en veilige toepassingen van staalslak te kunnen borgen. In deze periode wordt onderzoek gedaan om een beter beeld te krijgen van de risico’s om vervolgens de benodigde structurele maatregelen te kunnen nemen voor een verantwoorde toepassing na de periode van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en over de opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Kunt u de Kamer informeren op hoeveel locaties in Nederland meldingen zijn geweest van milieuschade of gezondheidsklachten?
Er bestaat geen totaalbeeld van het aantal meldingen of incidenten. In 2025 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een onderzoek uitgevoerd naar grootschalige toepassingen met toepassingslagen dikker dan 0,5 meter van de LD-staalslak. Het rapport is op 27 oktober gepubliceerd.9 De ILT heeft 26 locaties onderzocht, waarvan op 23 locaties LD-staalslak is toegepast. Van deze 23 locaties zijn op 19 locaties milieueffecten geconstateerd.
Welke stappen zijn er sinds het instellen van het tijdelijke landelijke verbod op het gebruik van staalslakken gezet om tot strengere regels of betere bescherming van mens en milieu te komen? Wanneer kan de Kamer nieuwe wetgeving verwachten?
Gedurende de looptijd van de tijdelijke regeling wordt onderzoek gedaan om een beter beeld te krijgen van de risico’s van het toepassen van staalslak. Verder is een aantal scenario’s uitgewerkt voor de opvolging van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Wat gebeurt er wanneer het tijdelijke verbod afloopt en op basis van welke criteria wordt besloten of het gebruik van staalslakken weer wordt toegestaan?
Zoals hierboven aangegeven is er een aantal scenario’s uitgewerkt voor de opvolging van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Het bericht ‘Hoe de sloten in Nederland verdwijnen’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat de regels voor bufferstroken, bedoeld voor een betere waterkwaliteit, in de praktijk een prikkel vormen voor agrariërs om sloten te dempen zodat zij deze stroken niet hoeven aan te leggen?1
Dit is niet de bedoeling geweest van de regels voor bufferstroken. Sloten zijn onderdeel van een watersysteem en hebben daarin vaak meerdere functies. Denk aan afvoer van water, waterkwaliteit en ecologie.Wie een sloot wil dempen, heeft hiervoor veelal toestemming nodig. Dit kan van het waterschap zijn, maar ook van de gemeente. Zowel waterschappen als gemeenten hebben hiervoor regels.
In algemene zin is het zo dat voor grotere watergangen altijd een vergunning van het waterschap nodig voor het dempen. Voor kleinere sloten kan het soms volstaan om een melding te maken en gelden algemene regels voor dempingen van het waterschap. Het is dan ook van belang dat agrariërs altijd eerst in overleg treden met het desbetreffende waterschap of toestemming nodig is voor het dempen van een specifieke sloot, omdat een demping een verandering in de waterhuishouding tot gevolg heeft en over het algemeen de voorwaarde geldt dat de hoeveelheid oppervlaktewater behouden moet blijven.
De individuele waterschappen verstrekken veel informatie over de betreffende regelgeving op hun websites. Gemeenten kunnen ook een taak hebben bij de toetsing of dempingen kunnen worden toegestaan in het kader van omgevingsplannen (voorheen bestemmingsplannen). Bij gemeenten staat in dat geval de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen het belang van ruimtelijke ordening) voorop. Via het Omgevingsloket kan worden bekeken of een vergunning in een specifiek geval nodig is.
Hoe rijmt u de landelijke ambities om juist meer ruimte te geven aan water en natuur, bijvoorbeeld in het kader van agrarische natuurbeheer, met de in dit artikel beschreven ontwikkelingen, waarbij tienduizenden sloten in rap tempo verdwijnen?
Sloten vormen verbindingen in het landschap en dragen bij aan leefgebieden voor soorten zoals vogels, amfibieën en bestuivers. Zeker wanneer dit wordt gecombineerd met agrarisch natuurbeheer. Het Rijk en regionale partijen zetten daarom in op het aanleggen, beheren, herstellen en behouden van blauwe landschapselementen, zoals opgenomen in het Aanvalsplan Landschap.
Sloten vervullen ook een belangrijke rol in het weerbaarder maken tegen piekbuien. Zowel de bodem van percelen als de sloten tussen percelen kunnen als wateropvang fungeren. Sloten en greppels dragen in dat geval bij aan het goed beheer van landbouwpercelen, omdat deze voorkomen dat grote plassen op het land blijven staan.
Tegelijkertijd hebben sloten een drainerende werking, wat ook negatieve effecten kan hebben. Na de Tweede Wereldoorlog zijn met name op de hoge zandgronden veel extra sloten gegraven om water snel af te voeren en om van nature drassige gronden geschikt te maken voor landbouw. Dat heeft geleid tot structurele daling van de grondwaterstanden en verdroging van natuurgebieden. Het verminderen van de ontwatering door het ondieper maken of dempen van sloten kan dus ook een goede manier om de sponswerking van de bodem te verbeteren, de grondwaterstand te verhogen en om te zorgen voor hydrologisch herstel van natuurgebieden. Het hangt dus af van de specifieke locatie of het dempen van sloten problematisch is in een gebied of niet.
In hoeverre dragen sloten bij aan het opslaan van stikstof en nitraten, en in het verlengde daarvan aan een betere waterkwaliteit en minder stikstofdruk op natuurgebieden?
In sloten spelen zich processen af, waarbij stikstof en nitraten onder meer worden opgenomen door waterplanten. Dat betekent dat zij, tot op zekere hoogte, als filter kunnen fungeren en de druk op de waterkwaliteit in natuurgebieden kunnen beperken. Natuurlijke oevers hebben een filterende werking en bufferen water. De blauwe dooradering kan bijdragen aan het behalen van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Aan de andere kan het beperken van de ontwatering door het verondiepen of dempen van sloten ook bijdragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden.
Op welke wijze houdt de overheid op dit moment overzicht van de bestaande sloten in Nederland, en hoe wordt gecontroleerd of de tienduizenden verdwenen sloten legaal of illegaal zijn gedempt?
De overheid houdt zicht op bestaande sloten en waterlopen via de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). De verantwoordelijkheid voor het bijhouden van deze informatie ligt bij de bronhouders van de BGT. De bronhouders die verantwoordelijk zijn voor een overzicht van sloten in de BGT zijn voornamelijk de waterschappen, gemeenten, provincies en voor een klein percentage het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Daarnaast volgt de Monitor Landschap2 sinds 2019 de veranderingen in het Nederlandse landschap. Elke twee jaar wordt de staat en ontwikkeling van het landschap in beeld gebracht.
De Monitor Landschap geeft overheden, onderzoekers, ontwerpers en beleidsmakers objectief inzicht in hoe het landschap verandert, door de tijd heen en op verschillende schaalniveaus. Deze informatie is ook gebruikt bij het schrijven van het Volkskrantartikel. De Monitor Landschap is gerealiseerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van LVVN. Op verzoek van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening brengt het Planbureau voor de Leefomgeving regelmatig de rapportage «Het landschap geduid» uit, met duiding van de indicatoren van de Monitor Landschap en de Kustpactmonitor.
Voor waterschappen geldt dat zij sloten registreren in zogenoemde leggers (profielenlegger en onderhoudslegger). Niet alle sloten staan (altijd) geregistreerd in de leggers van het waterschap. Sommige sloten zijn namelijk van te geringe afmeting en behoren tot de haarvaten van het regionaal watersysteem, of ze hebben nauwelijks effect op het watersysteem. Welke sloten wel en welke sloten niet in de legger staan, is niet bij elk waterschap hetzelfde. Dit hangt samen met gebiedsspecifieke kenmerken van het betreffende beheergebied.
Bij reguliere controles, de jaarlijkse schouw en het herzien van peilbesluiten worden veranderingen in het watersysteem waargenomen en wordt met perceeleigenaren gesproken over het eventueel terugdraaien, compenseren of legaliseren van het dempen van sloten.
Gemeenten registreren sloten meestal via beheerplannen, voor sloten die voor hen functioneel of juridisch relevant zijn. De keuze welke sloten worden opgenomen hangt, net als bij waterschappen, af van gebiedsspecifieke kenmerken en gemeentelijke beleidskeuzes. Over het algemeen geldt dan dat deze sloten in eigendom zijn van de gemeente, ze functioneel belangrijk zijn voor afwatering en/of onderdeel zijn van groen- of bermbeheer. In zulke plannen worden sloten vaak genoemd als onderdeel van het areaal, maar worden deze niet altijd individueel geregistreerd.
Hoe verklaart u dat veel gemeenten aangeven «geen prioriteit» te geven aan het handhaven van hun eigen bestemmingsplannen voor watergangen, terwijl dit de nationale doelen voor water en natuur direct raakt?
Ik kan geen antwoord geven namens de gemeenten (en waterschappen). Wel zal ik in het Bestuurlijk Overleg Water dat periodiek gehouden wordt met onder andere decentrale overheden, aandacht vragen voor het belang van watergangen voor de nationale doelen. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Welk effect heeft het niet consequent handhaven van regels rondom waterbeheer en landschapsinrichting volgens u op de algemene waterkwaliteit, de natuurwaarden in de regio en betrouwbare overheid?
De kwaliteit van het grondwater en oppervlaktewater wordt periodiek gemonitord via verschillende meetsystemen, waaronder het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid van het Ministerie van LVVN. Het verdwijnen van sloten gaat ten koste van de biodiversiteit die de sloten herbergen. In de sloten komen, naast algemene soorten, ook beschermde dier- en plantensoorten voor van populaties die al jaren aanwezig zijn. Met het dempen van de sloten verdwijnen de habitats, en daarmee deze soorten in het gebied. Deze populaties staan in verbinding met andere sloten. Door het verdwijnen van sloten wordt ook deze verbinding onderbroken. Aan de andere kant kan het dempen van sloten tot verhoging van de grondwaterstand leiden, wat bij kan dragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden, wat weer gunstig is voor de biodiversiteit. Het hangt van de specifieke locatie af of het dempen van sloten op het totaal gezien positief of negatief is voor de waterkwaliteit en natuurwaarden in het gebied.
Wat vindt u van het feit dat omwonenden die melding maken van illegale demping vaak in de kou worden gezet door de overheid en soms zelfs te maken krijgen met intimidatie en dreigementen?
Omwonenden die melding maken van illegale dempingen, kunnen hiervoor terecht bij de betreffende gemeente of het waterschap. Vaak kan dit ook anoniem. Signalen van mogelijke fraude binnen de LVVN-domeinen kunnen worden gemeld bij de Inlichtingen- en opsporingsdienst (IOD) van de NVWA. Anoniem melden van fraude is ook mogelijk via het Team Criminele Inlichtingen (TCI). De overheid is in het kader van haar beginselplicht tot handhaving gehouden om klachten of meldingen te onderzoeken en de melders op de hoogte te stellen van de afhandeling van hun klacht of melding. Dit betekent niet dat ook altijd opvolging wordt gegeven aan een melding van een illegale demping. Dit hangt namelijk af van het type sloot en de relevantie voor het watersysteem (zie het antwoord op vraag 4).
Intimidatie en dreigementen keur ik in alle gevallen ten zeerste af en ik raad omwonenden en lokale toezichthouders die hiermee te maken krijgen aan om hiervan melding of aangifte te doen bij de politie. Waterschappen en gemeenten hebben vaak ook protocollen over hoe wordt omgegaan met agressie tegen en bedreigingen van medewerkers.
Hoe gaat u, in samenwerking met uw collega-minister van Justitie en Veiligheid, de positie en de fysieke veiligheid van deze kritische burgers en lokale toezichthouders beschermen, nu uit het artikel blijkt dat zij zich soms ernstig bedreigd voelen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het risico dat door het dempen van sloten en het ophogen van landbouwpercelen de lokale waterhuishouding ontregeld raakt, waardoor de waterdruk op omliggende funderingen van woningen gevaarlijk toeneemt?
Het dempen van sloten kan effect hebben op de waterhuishouding en daarmee ook op de omgeving. Het risico dat dit met zich meebrengt is locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen.
Bent u bereid om een landelijk onderzoek in te stellen naar de directe relatie tussen illegale slootdemping, perceelophoging en de toename van funderingsschade bij burgers in het buitengebied?
De relatie tussen slootdemping, perceelophoging en de staat van woningen is zeer locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen. Het is noodzakelijk dat een dergelijke analyse lokaal wordt uitgevoerd. Het instellen van een landelijk onderzoek acht ik daarmee niet zinvol.
Erkent u dat illegale slootdemping de nationale woningbouwopgave bemoeilijkt, omdat de benodigde waterberging verdwijnt en de kans op wateroverlast op andere (bouw)locaties in de regio toeneemt?
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw, dient er, ongeacht eerder gedempte sloten, binnen de betreffende ontwikkeling voldoende waterberging en -afvoer gerealiseerd te worden naar de normen voor de betreffende ontwikkeling.3
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de biodiversiteit in en rond deze sloten beter beschermd wordt, zodat planten en dieren niet langer «levend begraven» worden bij illegale werkzaamheden?
Gezien de rol van al deze regionale overheden ga ik vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid hierover in gesprek met hen. Het betreft diverse wateropgaven, waaronder waterkwaliteit, waterkwantiteit, maar ook biodiversiteit, governance, regelgeving, en vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarom heb ik dit, in aanwezigheid van het Ministerie van LVVN, op 9 april jl. besproken in het brede Bestuurlijk Overleg Water. Ik zal de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan in aanloop naar het commissiedebat Water van 25 juni a.s.
Op welke wijze gaat u het belang van sloten voor de hydrologie van de bodem en natuur meenemen in de zonering rond Natura 2000-gebieden?
In het kader van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt gewerkt aan een zoneringsaanpak rondom gevoelige Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante drukfactoren op het betreffende gebied en de KRW-doelen, waaronder hydrologisch herstel. In een samenhangende aanpak, met oog voor de bredere bijdrage van groene en blauwe dooradering in het landelijk gebied voor natuur en hydrologie, wordt vervolgens bezien wat nodig is om de weg naar systeemherstel in te zetten.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om te zorgen dat de handhaving zal toenemen en daarmee de goeden niet lijden onder de kwaden?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u toezeggen om voor het commissiedebat Water op 25 juni een terugkoppeling te geven van de gesprekken, uw maatregelen en de ontwikkelingen omtrent het illegaal dempen van sloten?
Zie het antwoord op vraag 12.
Het bericht ‘Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: ‘Dit is zeer zorgelijk’' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD), Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: «Dit is zeer zorgelijk»»?1
Hoe kan het dat Chemelot jarenlang kennelijk veel meer kankerverwekkende stoffen uitstoot dan het rapporteert? Waarom stelt de provincie vertrouwen te hebben in de cijfers van Chemelot, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daar geen zekerheid over geeft?
Hoe reageert u op emeritus-hoogleraar Toxicologie Martin van den Berg, die stelt dat «de uitstoot dusdanig overschrijdend is dat de omgevingsdienst hier direct met Chemelot over om tafel had gemoeten»?
Is Chemelot inderdaad meteen aangesproken en welke maatregelen heeft de provincie genomen?
Wat zijn de gezondheidseffecten en de potentiële risico’s van de stapeling van schadelijke stoffen voor de omwonenden?
Wat betekent het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat omwonenden van Chemelot hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijk gemiddelde, dat de zorgkosten daar aanzienlijk hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en dat omwonenden van Chemelot – in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten – significant meer chronische ziekten, een minder goede algemene gezondheid en een lager mentaal welzijn rapporteren?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Gera Nagelhout dat de waslijst aan gezondheidsklachten in de regio angstaanjagend is (vaker astma, longaandoeningen, hart- en vaatziekten, kanker, slaapproblemen, geluidsoverlast, etc.)?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Van Schayck dat er in het Chemelot-rapport gekeken is naar slechts drie afzonderlijk gerapporteerde zeer zorgwekkende stoffen (terwijl er meer schadelijke stoffen zijn uitgestoten) en dat als de logische stap was gezet om het effect van die stoffen bij elkaar op te tellen, de uitstoot boven de grenswaardes van wat gevaarlijk is zou uitkomen?
Waarom is er niet gerapporteerd over de nog ongeveer twaalf andere zeer zorgwekkende stoffen die bij de vergunning horen?
Wordt er nog op korte termijn gekeken wat de stapeling en cocktail aan schadelijke stoffen voor effect heeft op de gezondheid van de omwonenden? Op welke manier wordt in de tussentijd het voorzorgsbeginsel toegepast?
Bent u het ermee eens dat extra bescherming van de gezondheid van omwonenden niet nog jarenlang op onderzoek mag wachten, maar dat er uit voorzorg extra maatregelen moeten worden getroffen? Zo nee, waarom neemt u onnodige risico’s met de gezondheid van mens en milieu?
Bent u het met hoogleraar Van Schayck eens dat de provincie als vergunningverlener moet eisen dat de ontbrekende concentraties van zeer zorgwekkende stoffen in kaart worden gebracht en dat als Chemelot zich niet aan de vergunning houdt, er handhavend moet worden opgetreden?
Wanneer zijn de voor milieu en gezondheid belangrijkste vergunningen van Chemelot voor het laatst geactualiseerd en aangescherpt?
Klopt het dat Chemelot schadelijke stoffen loost die kilometers worden verspreid en steeds uit het drinkwater moeten worden gezuiverd op kosten van de belastingbetaler?
Is er in het kader van de doelen van de Kaderrichtlijn Water, bescherming van natuur en (de kosten van) drinkwaterkwaliteit overwogen om de lozingsvergunningen voor Chemelot aan te scherpen, in ieder geval vanaf 2027? Zo ja, wat gebeurt er dan concreet? Zo nee, waarom niet?
Is er bereidheid om te kijken naar het effect van de combinatie van schadelijke chemische stoffen, microplastics en zware metalen op het milieu en de gezondheid en bijvoorbeeld de Hazard Index te gebruiken? Zo ja, hoe precies? Zo nee, waarom blijven we dan onnodige risico’s nemen met gezondheid van mens en milieu?
Weet u nog dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeerde dat onder andere de gezondheidsschade door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in Nederland 46 miljard euro per jaar kost?
Wat zijn in euro’s ongeveer de kosten van de schade die Chemelot veroorzaakt?
Bent u zich bewust van het feit dat de Algemene Rekenkamer het toezicht op vervuilende lozingen ontoereikend en zorgwekkend vindt en hoe kijkt u vanuit die conclusies naar de casus van Chemelot?2
Bent u zich bewust van het feit dat er vaker geconstateerd is dat uitstootgegevens die bedrijven rapporteren niet blijken te kloppen met echt onafhankelijke metingen en dat vanuit onder andere burgers, maatschappelijke organisaties, gezondheidsexperts (zoals de Expertgroep Gezondheid IJmond) en medeoverheden er een roep is om meer en onafhankelijk te meten bij bedrijven en regelgeving en toezicht op grote vervuilende bedrijven aan te scherpen?
Bent u zich ervan bewust dat de omgevingsdienst als toezichthouder op Tata Steel daarom terecht sinds een paar jaar als beleid heeft juist scherper aan de wind te zeilen in toezicht en handhaving bij Tata Steel, een bedrijf dat zich volgens de omgevingsdienst «calculerend en opportunistisch» gedraagt?
Wat bedoelt het kabinet dan precies met de zin uit het coalitieakkoord: «We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is»?
Hebben omwonenden er volgens u recht op om op elk moment te weten aan hoeveel schadelijke stoffen ze worden blootgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit beter faciliteren?
Gaat u de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in staat stellen om zelf vaker nauwkeurige emissiemetingen te doen van schadelijke stoffen bij Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het provinciebestuur eerder heeft geprobeerd om de publicatie van een kritische RIVM-analyse over de kankerverwekkende uitstoot van Chemelot te voorkomen, omdat het zou kunnen zorgen voor «onrust, negatieve beeldvorming en voorbarige conclusies»? Zo ja, hoe denkt u dat dat overkomt op burgers?
Hoe reageert u op Jack Renet, oud-medewerker van Chemelot, die stelt: «Het is elke keer hetzelfde verhaal; de overheid probeert Chemelot overal buiten te houden en stopt alles onder de mat. Wederom verkiest de provincie economisch belang boven het belang van haar inwoners»?
Bent u het ermee eens dat het rapporteren van veel te lage uitstootcijfers van schadelijke stoffen een overtreding is op de Wet op de economische delicten?
Gaat u aangifte doen tegen Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april?
De lage vulgraad van de gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gasvoorraad zakt naar een schamele 11,7 procent, maar «er komen warmere dagen aan»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op het feit dat de Nederlandse gasvoorraden volgens genoemd bericht nog maar voor 11,7% – en inmiddels zelfs 11,1% (!) – gevuld zijn?2 Klopt het dat de vulgraad nog niet eerder zo laag is geweest? Deelt u de conclusie dat Nederland met een te lage vulgraad de winter in is gegaan?
Gasunie Transport Services (GTS) heeft het kabinet aan de start van het stookseizoen laten weten dat Nederland over voldoende capaciteit beschikt om op een koude dag te voldoen aan de piekvraag. De vulgraad toentertijd was conform de vuldoelstellingen opgelegd door de Europese Commissie. Er was ook genoeg volume om de winter door te komen.
De inzet van de gasopslagen in de winter is normaal en conform de functie van gasopslagen om meer gas te leveren in de winter. Dit gebeurt ook in de rest van de Europese Unie. Het exacte moment waarop het gas in de winter door marktpartijen aan de opslagen wordt onttrokken, is van meerdere factoren afhankelijk. Bepalend hierin is o.a. de gasprijs, die wordt beïnvloed door onder meer de temperatuur die van invloed is op de vraag.
Een bijzondere omstandigheid dit jaar is de beëindiging van de operationele activiteiten van GasTerra. Hierdoor wordt voorzien dat de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk door GasTerra uiterlijk per 1 april 2026 leeg zullen worden opgeleverd. Hierover heeft het kabinet de Kamer in september 2025 geïnformeerd.3 Mede gelet op deze omstandigheid ligt de huidige vulgraad in de lijn der verwachting. Op basis van de huidige inzichten, ook met inachtneming van de huidige geopolitieke situatie, zijn er op dit moment geen zorgen ten aanzien van de leveringszekerheid. Wel zien we dat de prijzen op de groothandelsmarkt voor gas sterk oplopen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten, wat betekent dat ook in Nederland gas duurder wordt. Dit wil niet direct zeggen dat er ook minder gas wordt opgeslagen. Of het commercieel interessant is om gas op te slaan hangt namelijk af van het verschil tussen de prijs waartegen gas tijdens het vulseizoen kan worden ingekocht en de prijs waartegen het (tegelijkertijd) forward voor de winter kan worden verkocht (de zomer/winterspread). Wanneer deze voldoende positief is, is het commercieel aantrekkelijk om gas op te slaan. Op dit moment is de spread negatief en is opslag niet aantrekkelijk, maar ook in 2022, toen de gasprijzen historisch hoog waren ontwikkelde de spread zich gedurende het vulseizoen uiteindelijk zodanig dat de opslagen (hoofdzakelijk door marktpartijen) maximaal gevuld werden. Het kabinet is daarbij de situatie constant en nauwlettend aan het monitoren en houdt rekening met alle scenario’s.
Wat vindt u van de reactie van de Gasunie: «De voorraad is historisch laag, maar dat is voor ons geen reden tot zorg»? Is er voor u reden tot zorg? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment maakt het kabinet zich geen zorgen over de fysieke leveringszekerheid. Wel houdt het kabinet de gasmarkt nauwlettend in de gaten gezien het voortdurende conflict in het Midden-Oosten en het prijsopdrijvende effect daarvan.
De vulgraad is lager dan in recente jaren maar niet historisch laag. De gasopslagen waar in de media veel aandacht voor is zijn seizoensopslagen voor de winter. Die worden doorgaans tot 1 april gebruikt, daarna begint het vulseizoen weer. Dat de vulgraad in deze tijd van het jaar relatief laag is, is dan ook normaal.
Daarnaast hebben door relatief lagere temperaturen dan voorgaande jaren (die effect hebben gehad op de prijs) er afgelopen winter meer onttrekkingen uit de gasopslagen plaatsgevonden. Ook dit is conform de functie en het gebruik van de gasopslagen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Mede gezien de huidige weersomstandigheden verwacht het kabinet niet dat de gasopslagen volledig leeg zullen raken. Ook omdat de gasopslag Bergermeer op 24 maart met 6,89 TWh nog voor 13,83% was gevuld. Overigens zijn we in eerdere jaren wel eens met een lagere vulgraad de winter uit gekomen. Zo waren op 1 april 2018 de opslagen slechts voor 6,29% gevuld. Daarnaast ligt de gemiddelde vulgraad van de EU momenteel nog rond de 28% en is Nederland onderdeel van de interne Europese gasmarkt. Nederlandse afnemers kunnen daarom ook gas uit de gasopslagen van andere lidstaten benutten, zoals andersom ook.
Het is van belang te noemen dat deze opslagen niet de enige bron van gas zijn. In een deel van de nationale vraag wordt voorzien door eigen productie uit kleine gasvelden op land en gasvelden op zee. Gezien de huidige omstandigheden op de wereldwijde gasmarkt als gevolg van het Midden-Oosten conflict heeft Nederland in dat kader recent opnieuw afspraken gemaakt met Duitsland om de gaswinning op de Noordzee uit kleine velden versneld op te schroeven.
In het overige deel van de vraag wordt voorzien door import per pijpleiding (uit Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en België) en import van vloeibaar gas (LNG), waarvan het grootste deel uit de Verenigde Staten afkomstig is. In totaal is er in 2025 20,9 bcm aan LNG geïmporteerd, het overige gas werd via pijpleiding geïmporteerd. De totale import bedroeg 42,2 bcm. De geïmporteerde volumes zijn gebruikt voor export van gas naar andere landen in de EU en voor binnenlands gebruik, waaronder voor het vullen van de gasopslagen voor deze winter.
Wat betreft het Bescherm- en Herstelplan Gas is er geen reden om nu terug te vallen op de maatregelen die daarin zijn vastgelegd. Het BH-G bevat maatregelen die de maatschappelijke en economische gevolgen van een fysiek tekort zoveel mogelijk beperken. Sinds de energiecrisis van 2022 zitten we in het eerste crisisniveau: de vroegtijdige waarschuwingsfase. Momenteel is er geen aanleiding om een volgend crisisniveau af te kondigen. Ondanks de recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten is de aanvoer van gas naar Nederland nog steeds stabiel, zowel in de vorm van LNG als via pijpleidingen. Daarnaast is er zoals genoemd nog de gaswinning uit eigen bodem waarmee in de vraag wordt voorzien. Belangrijk om hierbij te noemen is dat het ontstaan van een daadwerkelijk fysiek tekort een zeer uitzonderlijke situatie zou zijn. Ter context, tijdens de gascrisis in 2022 was er geen fysiek tekort.
Verwacht u dat – en zo ja: wanneer – de gasvoorraden volledig leeg zullen raken? Wat betekent dat voor de leveringszekerheid? Kunt u uitsluiten dat het Bescherm- en Herstelplan Gas in werking zal treden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel vloeibaar gemaakt aardgas (lng) wordt geïmporteerd? Is dat voldoende? Kunt u garanderen dat de Nederlanders níét in de kou komen te zitten?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u ervan dat elektriciteitscentrales méér gas zijn gaan verbruiken doordat zonnepanelen en windturbines onvoldoende elektriciteit opwekken? Hoeveel gas precies? Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig is dat Nederland – conform de klimaatgekte – enerzijds van het gas áf gaat, maar anderzijds door «duurzame» alternatieven juist méér gas verbruikt? Gaat u deze gekte stoppen?
Uit de cijfers van het CBS4 van 9 maart jl. blijkt dat in 2025 zonnepanelen en windmolens in Nederland samen meer elektriciteit geproduceerd hebben dan in 2024. Ook de elektriciteitsproductie uit aardgas in Nederland is toegenomen van 43,2 TWh in 2024 naar 48,0 TWh in 2025. Nederland is onderdeel van een geïntegreerde Europese elektriciteitsmarkt en exporteerde in 2025 14,0 TWh vergeleken met 4,2 TWh in 2024. De belangrijkste redenen hiervoor zijn een verminderde productie uit wind voor de Duitse kust, een verminderde productie in Zwitserland en Oostenrijk door een lager waterpeil en de verminderde elektriciteitsproductie in Belgische kerncentrales.
Hoeveel gas uit onze voorraden wordt momenteel geëxporteerd, onder meer naar Duitsland? Klopt de berichtgeving dat de Duitsers «azen op onze reserves»?3 Deelt u de mening dat óns gas van óns is? Gaat u de export stoppen?
Nederland is als netto-importeur in de eerste plaats zelf afhankelijk van de internationale gasstromen op de interne gasmarkt. Ter illustratie: in 2025 is er 42,2 bcm aan gas geïmporteerd in Nederland (waarbij ongeveer de helft via pijpleidingen en de helft in de vorm van LNG); daarvan is 28,1 bcm doorgevoerd naar buurlanden (Duitsland, Verenigd Koninkrijk en België).6 Daarbij geldt dat het gas in de gasopslagen niet in eigendom is van de Nederlandse Staat, maar van marktpartijen die dit gas vorige zomer hebben gekocht en opgeslagen om in het stookseizoen te voldoen aan hun verkoop- en leveringsverplichtingen. Met gas uit de gasopslag kunnen afnemers op de gehele Noordwest-Europese markt beleverd worden, waaronder Nederland, België, het Verenigd Koninkrijk of Duitsland. In verhouding tot de vraag heeft Nederland relatief veel gasopslagcapaciteit vergeleken met andere lidstaten.
Nederland
48,1%
Duitsland
27,78%
Frankrijk
34,16%
België
5,87%
Andersom kunnen marktpartijen gas dat is opgeslagen in Duitsland, België of het Verenigd Koninkrijk ook vervoeren naar Nederland ten einde afnemers in Nederland te voorzien van gas.
Op grond van Europese wetgeving mogen lidstaten geen maatregelen nemen die de gasstromen in de interne markt beperken of de gasleveringszekerheid in een andere lidstaat in gevaar brengen. Ook moet de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur (zoals gasopslagen) gehandhaafd blijven. Deze regels zorgen ervoor dat er voldoende gas naar Nederland en andere lidstaten kan stromen om te voorzien in de vraag van bedrijven en huishoudens. Daarnaast is in de verordening gasleveringszekerheid een solidariteitsmechanisme opgenomen voor het geval er een echt gasleveringstekort is7. Op grond van die bepalingen kan een lidstaat die in het gascrisisniveau van een noodsituatie zit8 en te weinig gas heeft om te voorzien in de behoefte van hun «door solidariteit beschermde afnemers» (eerst en vooral huishoudens, maar in Nederland bijvoorbeeld ook ziekenhuizen) aangrenzende lidstaten om solidariteit vragen. De verzoekende lidstaat moet voor het een verzoek mag doen alle maatregelen uit haar noodplan (tot het beperken van de vraag van door solidariteit beschermde afnemers) al getroffen hebben. Lidstaten die worden gevraagd om solidariteit te leveren zijn verplicht om aan zo’n verzoek te voldoen, maar het leveren van solidariteit mag niet ten koste gaan van de levering aan hun eigen door solidariteit beschermde afnemers. De lidstaat die wordt gevraagd om gas te leveren moet ervoor zorgen dat dit gas beschikbaar komt, bijvoorbeeld door het te kopen van marktpartijen die nog wel gas hebben of – indien beschikbaar – uit haar strategische opslag te halen, om door te verkopen aan de lidstaat die om solidariteit heeft gevraagd.
Wat doet u om te voorkomen dat Nederland in de toekomst opnieuw met te lage gasvoorraden te maken krijgt? Maakt u onder andere werk van een (strategische) noodvoorraad gas? Gaat u er tevens voor zorgen dat ónze gasvoorraad louter ónze leveringszekerheid zal dienen?
GTS heeft de wettelijke taak om jaarlijks een overzicht op te stellen van de leveringszekerheid van gas en het kabinet te adviseren over de volumes die moeten worden opgeslagen in de seizoensopslagen voor de volgende winter. Op basis van het overzicht dat GTS in september 2025 heeft uitgebracht heeft het kabinet een nationaal vuldoel van 115 TWh op 1 november 2026 vastgesteld.9 Dit zou in combinatie met overige infrastructuur, zoals LNG-importcapaciteit, volgens GTS voldoende moeten zijn om een koude winter zonder tekorten door te komen, ook bij een uitval van de grootste bron van volume gedurende de winter of de grootste bron van capaciteit. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Om het vuldoel voor 2026 te halen zijn er verschillende maatregelen getroffen. Ten eerste heeft EBN opnieuw instemming gekregen om gas op te slaan indien de markt dat niet voldoende doet. Eerder heeft het kabinet al aangegeven dat de activiteiten van EBN om, indien de markt dat niet voldoende doet, gas op te slaan in de gasoplagen Bergermeer, Norg en Grijpskerk in het opslagjaar 2026–2027 verruimd worden naar maximaal 80 TWh. Deze uitbreiding komt voort uit de beëindiging van de activiteiten van GasTerra waardoor gasopslagen Norg en Grijpskerk volgend jaar niet door GasTerra worden gebruikt. Daarnaast lopen er gesprekken met NAM en haar aandeelhouders over de inzet en toekomst van de gasopslagen Norg en Grijpskerk na beëindiging van GasTerra. Hierover informeer ik uw Kamer op separaat. Daarbij is het belangrijk te vermelden dat het opslaan van gas in gasopslagen komend vulseizoen door de volatiliteit van de prijzen op de gasmarkt als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten kostbaarder kan zijn dan in eerdere jaren (zie hieromtrent ook het antwoord op vraag 2).
Wat betreft een noodvoorraad heeft het vorige kabinet EBN voor het opslagjaar 2026/27 instemming verleend om te starten met het aanleggen van een tijdelijke noodvoorraad van 5 TWh in PGI Alkmaar. Deze noodvoorraad mag alleen ingezet worden in situaties met fysieke tekorten die niet meer door de markt kunnen worden opgevangen en wanneer er in lijn met de desbetreffende EU-verordening een noodsituatie is afgekondigd. Een dergelijke voorraad kan niet gebruikt worden om bijvoorbeeld de gasprijs te dempen. De omvang van de noodvoorraad geeft tijd voor het – indien noodzakelijk – zorgvuldig voorbereiden van het afschakelen van niet-beschermde afnemers.
Daarnaast werkt het kabinet – zoals gevraagd in de motie Grinwis c.s.10 -aan het strategisch gasbeleid, waaronder aan een afwegingskader om de wenselijkheid van verschillende overheidsinterventies in de gasmarkt te beoordelen. Het voornemen is om rond de zomer van 2026 de Tweede Kamer te informeren over de stand van zaken van dit traject. Voor wat betreft de aanwending van de voorraden verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 7.
Hoe is het trouwens mogelijk dat het Nationaal Energie Dashboard eerst meldde dat de vulgraad 1,1% zou zijn – nota bene bevestigd door de Gasunie – maar dit later 11,7% bleek te zijn? Hoe kunnen zulke fouten gebeuren en voortaan worden voorkomen?
Het Nationaal Energie Dashboard wordt niet direct beheerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Gasunie Transport Services heeft via social media gereageerd op dit voorval.11
Het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Laura Bromet (GL), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Ik begrijp de zorgen die onder de betrokkenen leven en neem deze serieus. Daarom vind ik het belangrijk om ook zelf met de regio het gesprek aan te gaan. Daarbij is het van belang te benadrukken dat het basisbeschermingsniveau op het eiland vanzelfsprekend hetzelfde moet zijn als in de rest van Nederland.
Het aanpassen van de normen voor primaire keringen is gebaseerd op een landelijk uniforme, technisch-inhoudelijke systematiek die door experts is ontwikkeld. Dit vormt de kracht van het beleid, omdat het zorgt voor een objectieve, consistente en uniforme onderbouwde aanpak van waterveiligheid voor heel Nederland. Hieruit volgt dat het basisbeschermingsniveau van Schiermonnikoog op hetzelfde niveau zit als de rest van Nederland.
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Er is geen sprake van het aanpassen van de «beschermingsnorm». Sinds 2017 geldt het zogeheten landelijke basisbeschermingsniveau: de kans dat iemand overlijdt door een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Hier wordt niet aan getornd. Wat hier speelt is een aanpassing van de normen voor de primaire waterkeringen die hieruit volgt.
De hoogte van de norm is bepalend voor de versterkingsopgave in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Gezien de grote opgave waar we voor staan is het belangrijk de beschikbare middelen doelmatig in te zetten. Door de enorme tekorten1 op het gebied van o.a. waterveiligheid kunnen we het ons niet veroorloven om in delen van Nederland meer te investeren als daar volgens onafhankelijke berekeningen door experts niet meer investeringen nodig zijn. Terwijl in andere delen van Nederland er enorme tekorten zijn op infrastructuur gerelateerd aan waterveiligheid. Met andere woorden: door consistent gebruik van de landelijke systematiek kan overheidsgeld zorgvuldig worden besteed. Zo voorkomen we dus dat investeringen worden gedaan voor versterking van dijken waar dat niet nodig is, ten koste van de ca. 1.400 kilometer aan dijken waar dit wél nodig is (zie ook het antwoord op vraag 9).
Uit de wettelijke evaluatie van de waterwet, uitgevoerd in 2023/2024, is gebleken dat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger zijn bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen. Ik kan me voorstellen dat dit vragen oproept, omdat Schiermonnikoog natuurlijk omringd is door de zee en dat men mogelijk het gevoel heeft dat door de klimaatverandering de kans op een overstroming eerder toeneemt dan afneemt. Echter, de normen worden bepaald op basis van onafhankelijke, niet-politieke, technische, en best beschikbare kennis door experts en ik vind het verstandig dat we aan die systematiek vasthouden.
De normen zijn gebaseerd op het overstromingsrisico. Risico heeft betrekking op zowel de kans op, als de gevolgen van een overstroming: hoe groter de gevolgen, hoe strenger de norm voor de kering en dus hoe kleiner de kans op een overstroming moet zijn. De normen passen bij de te beschermen waarde en waarborgen het basisbeschermingsniveau dat voor iedere Nederlander geldt. Op deze manier is het waterveiligheidsbeleid doelmatig en eerlijk.
In het Deltaprogramma 2015 is met de waterveiligheidspartners (waterschappen, provincies en gemeenten) afgesproken dat «iedere twaalf jaar zal worden bezien of aanpassing van de normering nodig is, als wezenlijke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de onderliggende aannames. Een van deze aannames betreft de evacuatiefracties.» Deze passage is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Waterwet. Deze 12-jaarstermijn staat ook in de landelijke regels (Besluit kwaliteit leefomgeving).
Conform afspraak is deze evaluatie uitgevoerd, door het onafhankelijke instituut Deltares waarbij ook gebruikt is gemaakt van kennis vanuit Rijkswaterstaat. De resultaten daarvan zijn gemeld in de brief aan de Kamer van 15 januari 20252. Voor het merendeel van de trajecten blijkt geen aanpassing van de norm nodig.
Zoals gemeld in deze brief en in de kamerbrief van 27 januari 20263 geldt in enkele gevallen, zoals bij de Waddeneilanden, dat uit deze onafhankelijke evaluatie volgt dat de normen kunnen worden gewijzigd. Dit is mogelijk omdat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger konden worden bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen.
Specifiek op de Waddeneilanden geldt daarbij dat het uitgangspunt dat helemaal geen evacuatie kan plaatsvinden volgens experts niet realistisch is. Dit zou namelijk inhouden dat bij een dreigende overstroming niemand zichzelf of een ander in veiligheid zou brengen. In het antwoord op vraag 4 wordt verder ingegaan op evacuatie.
In de nationale normsystematiek wordt uitgegaan van redelijke aannames (op basis van expert judgement) over het deel van de mensen dat zich tijdig, dus voor de overstroming, op een veilige plek bevindt buiten het overstroombare deel van het eiland. Dit wordt de evacuatiefractie genoemd. In de normstelling worden mensen die in het overstroomde gebied op een hoge droge veilig plek schuilen, niet meegerekend als «geëvacueerd». In het WGO Water van 2 februari jl. was hier discussie over. De (on)mogelijkheid tot «verticale evacuatie» telt dus niet mee bij de bepaling van de normen. Dit betekent dat de normstelling hiermee conservatief is ten opzichte van de praktijk: mensen kunnen en zullen namelijk ook binnen het overstroomde gebied naar een hogere verdieping gaan en zo in eerste instantie veilig zijn.
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van 27 januari over schrijft?1
Er is sinds begin 2024 contact met partijen in de regio over de evaluatie van de normen. Er is veelvuldig contact geweest met het Wetterskip Fryslân en daarnaast zijn er meerdere gesprekken geweest met alle partijen in de regio die zijn georganiseerd in het Deltaprogramma Wadden. Ook zijn brieven ontvangen van de Waddengemeenten (19 juli 2024) en het Wetterskip Fryslân (16 oktober 2024). Op verschillende manieren zijn de zorgen vanuit de regio besproken en is bekeken hoe deze zorgen weggenomen konden worden. Zo zijn naar aanleiding van opmerkingen vanuit het Wetterskip Fryslân extra berekeningen gemaakt, is op 26 mei 2025 een speciale bijeenkomst geweest met de regiopartners om de achtergrond van de aanpassingen toe te lichten en zijn ook op bestuurlijk niveau meerdere gesprekken gevoerd. Op 5 november jl. is met alle waterschappen gesproken over de mogelijke normaanpassingen. Daarnaast heeft mijn voorganger op 20 oktober en 18 december jl. gesproken met regiopartners uit het Waddengebied. Bij de laatste bijeenkomst was ook de Deltacommissaris aanwezig (zie ook vraag 4).
De bestuurders van de Waddeneilanden hebben in de gesprekken de landelijke systematiek onderschreven, maar wensen een afwijkende normstelling voor de eilanden omdat zij de eilandsituatie als wezenlijk anders zien. Ik erken dat de eilanden bijzondere kenmerken hebben, maar bij de normstelling wordt ook al rekening gehouden met bijzondere gebiedskenmerken (zie het antwoord op vraag 5).
De regio werkt aan het verder verbeteren van de integrale veiligheidsstrategie op de eilanden. We hebben afgesproken dat het Rijk, als uitzondering, hierbij gaat meekijken. Het is niet gebruikelijk dat het Rijk daar betrokkenheid bij heeft, en de vaststelling van deze strategie is aan de veiligheidsregio’s.
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheidsstrategie, rampenplannen en crisisbeheersing ligt bij de veiligheidsregio’s, en is aanvullend op de preventieve maatregelen in het kader van de lagenbenadering van de meerlaagsveiligheid5. Al in het Deltaprogramma 2015 werd gesteld dat op de Waddeneilanden «de gemeenten en veiligheidsregio’s per eiland een nadere uitwerking geven van de evacuatiestrategie» en dat deze wordt uitgevoerd bij een aanleiding daarvoor zoals «een programmeringsvoorstel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma». Bij de herijking in 2021 wordt voorgesteld «de huidige strategie te handhaven: [...] een integrale veiligheid strategie per eiland».
In dit kader is in opdracht van het Deltaprogramma Wadden in 2024 door advies- en ingenieursbureau HKV voor ieder eiland een rapport «Integrale Waterveiligheid Strategie» opgeleverd6. Hierin wordt bijvoorbeeld voor Schiermonnikoog geconstateerd «Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. [..] Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming.»
Net als in de Maasvallei is de afstand tot droge veilige plekken klein waardoor mensen deze zelfs te voet in korte tijd kunnen bereiken. Dit in tegenstelling tot de laaggelegen gebieden in de Randstad, delen van Noord-Nederland of het rivierengebied waar grote aantallen mensen tientallen kilometers moeten afleggen om veilig te kunnen zijn.
Omdat er voor de normen alleen rekening is gehouden met evacuatie naar plekken buiten het overstroomde gebied en er geen garantie is dat iedereen daarheen wil of kan gaan, is er niet gerekend met een evacuatiefractie van 100%. Voor de normen in de Maasvallei Limburg adviseren experts om voor de meeste gebieden uit te gaan van ca. 80% evacuatiefractie. Voor de Waddeneilanden is een lagere waarde van ca. 50–60% volgens experts reëel omdat de waarschuwingstijd bij stormen vaak kleiner is dan bij hoog water op de rivieren. Het hanteren van een waarde van 0% (= niemand is tijdig uit het bedreigde gebied) is niet realistisch.
De regio heeft aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie in de dagen na de overstroming en hoe dan te «overleven». Men constateert dat de huidige veiligheidsstrategie nog nadere uitwerking verdient. Dit is ook zo afgesproken in de Deltabeslissingen van 2015 en 2021. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde Kamerbrief van januari dit jaar is afgesproken dat «... het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris.»
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Op het gebied van waterveiligheid geldt voor alle gebieden in Nederland dat er sprake is van eigen, specifieke kenmerken. Hiermee wordt in de landelijke systematiek dan ook rekening gehouden. Voorbeeld hiervan is de speciale geografie van Limburg: geen polders maar een vallei. Ook een grote stad als Rotterdam, met grote invloed van de werking van de stormvloedkeringen, heeft zijn eigen kenmerken waarmee rekening wordt gehouden. Een afwijking voor de Waddeneilanden is daarmee niet nodig, omdat hierin al voorzien is in de systematiek.
Voor ieder gebied worden overstromingssimulaties7 gemaakt door de waterschappen en provincies. Deze geven een beeld wat er gebeurt bij een doorbraak van een waterkering: wat er overstroomt, hoe hoog het water komt, hoe snel het water stroomt en hoe lang het duurt voordat het water er is. Op basis van deze gegevens en een (realistische) evacuatiefractie wordt bepaald hoeveel slachtoffers er kunnen vallen en hoeveel schade er kan ontstaan. Dit betreft schade aan huizen, landbouw(grond), infrastructuur etc. Voor de bepaling van de hoogte van de normen wordt daarnaast ook meegenomen: schade door productieverlies en immateriële schade zoals aan cultureel erfgoed, natuur en onvervangbare persoonlijke zaken8. Dit geeft per gebied een specifiek beeld van de potentiële gevolgen.
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden», inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Voor een omschrijving van hoe een overstroming kan verlopen wordt verwezen naar de website van de veiligheidsregio waar een scenario is gegeven9. Ook heeft de regio een scenario-onderzoek laten uitvoeren op basis waarvan een beschrijving is gemaakt van een overstroming op het fictieve eiland Waddenlei10. Deze verhalen geven een beeld van hoe een eventuele overstroming zal verlopen. Hierin is te lezen hoe in de daar geschetste situatie de bewoners en toeristen zich in veiligheid brengen of worden gebracht, al dan niet door een evacuatie en hoe de hulp op gang komt.
Voor inzicht in de schuilmogelijkheden wordt verwezen naar de rapporten die door het Deltaprogramma Wadden zijn opgesteld het kader van de integrale veiligheidsstrategie11.
De geografie van een (Wadden)eiland geeft, als het gaat om waterveiligheid, een voordeel ten opzichte van andere laaggelegen gebieden in Nederland. De duinen geven een zeer goede bescherming tegen hoog water op Noordzee en er zijn op korte afstand voldoende plekken om droog en veilig te verblijven. Logischerwijs zijn de hoge plekken juist de locaties waar dorpen zijn ontstaan. West-Terschelling bijvoorbeeld ligt nagenoeg volledig buitendijks omdat het voor een groot deel zo hoog ligt dat het voor zijn veiligheid niet afhankelijk is van een waterkering. Ook op Schiermonnikoog blijft het dorp zelfs bij extreme omstandigheden die eens in 2.000 jaar worden verwacht, voor een groot deel droog. Na de storm kan het water relatief makkelijk weer wegstromen uit de polder omdat de waterstand op zee dan weer lager is.
Ter vergelijking: bij een rivierdijkdoorbraak zal langere tijd water de laaggelegen delen instromen en blijven staan, waardoor er veel langere hersteltijd nodig is.
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele dagen tot weken later?
Zie het antwoord op vraag 6. Met het steeds verder verbeteren van de integrale veiligheidsplannen kan een gebied zich goed voorbereiden op deze situatie. Het Rijk heeft dan ook aangeboden, waar nodig, te ondersteunen bij het opstellen van deze plannen.
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit volgens u hetzelfde?
Een overstroming van de polders langs de rivieren is inderdaad een onvergelijkbare situatie met de Waddeneilanden. Een dijkdoorbraak bij een rivier kan leiden tot snel en diep instromen van een laaggelegen gebied. Voor een groot deel van de inwoners van het rivierengebied, en ook West-Nederland, zijn veilige gebieden ver weg en er is sprake van grote aantallen mensen. Dit maakt een evacuatie in deze gebieden een fors grotere en lastiger operatie dan op een Waddeneiland en een die ook veel voorbereidingstijd vergt. Bij de evacuatie van het rivierenland in 1995, moesten bijvoorbeeld 250.000 mensen en 1 miljoen dieren in veiligheid worden gebracht vanwege het mogelijk bezwijken van een rivierdijk.
In gebieden zoals de Waddeneilanden en de Maasvallei is deze situatie wezenlijk anders; de afstand tot veilig gebied is klein en kan zelfs te voet worden bereikt, en met het relatief beperkte aantal mensen (inwoners en toeristen) in het getroffen gebied is de verwachting dat een groot deel van de mensen tijdig op een veilige plek zal zijn.
Uiterwaarden vormen onderdeel van het rivierbed en zijn buitendijks. Deze gebieden hebben een belangrijke functie voor de afvoer van hoogwater en zijn daarom ook wettelijk gereserveerd hiervoor via de beleidslijn Grote Rivieren. Als deze gebieden nat worden, spreken we niet over een overstroming en hier geldt voor bewoners niet het basisbeschermingsniveau. Mensen die op deze plekken wonen zijn zelf verantwoordelijk voor de eventuele risico’s en schade bij hoogwater.
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Er is bij Schiermonnikoog zoals gezegd geen sprake van afwaardering: het vastgelegde landelijke basisbeschermingsniveau geldt gewoon, ook op Schiermonnikoog. De middelen die niet hoeven te worden ingezet voor een dijkversterking op Schiermonnikoog, zullen worden gebruikt door het Hoogwaterbeschermingsprogramma om ergens anders het risico van een overstroming te verlagen. Er is dus geen sprake van een besparing, wel van een doelgerichte inzet van middelen. Dit wordt steeds belangrijker: door sterk stijgende kosten voor dijkversterking is tussen Rijk en waterschappen afgesproken om voor de programmaperiode tot 2036 gezamenlijk € 2,5 miljard extra beschikbaar te stellen.
De maatschappelijke kosten van een overstroming hangen af van zaken zoals de sterkte van de storm, de voorbereidingstijd en waar een kering faalt. Zij zullen hoe dan ook zeer groot zijn. In het antwoord op vraag 5 is al gesproken over de overstromingssimulaties die de waterschappen en provincies maken. Op basis hiervan kan worden gezegd dat bij een overstroming op Schiermonnikoog de directe schade tientallen miljoenen euro’s kan bedragen en dat er enkele slachtoffers kunnen vallen. Ter vergelijking: in bijvoorbeeld het rivierengebied worden bij een overstroming vele miljarden euro’s schade verwacht en honderden slachtoffers. Daarom verschillen de dijknormen dus ook per gebied. Maar, los van de gevolgen (zoals kosten) van een overstroming: er geldt altijd minstens het basisbeschermingsniveau.
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Als de overstroming door de regering tot ramp wordt verklaard dan kan sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet Tegemoetkoming Schade.
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken? Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Er is geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau. Ook op de Waddeneilanden geldt het basisbeschermingsniveau. Wel wordt de norm van de waterkering aangepast, dit komt door de nieuwste overstromingsscenario’s en een realistische inschatting van de evacuatiefractie. Ik begrijp dat men zich hier zorgen over maakt en daarover is de afgelopen twee jaar dan ook veel met de regio gesproken. Zoals in vraag 4 aangegeven is het ongeacht de normhoogte van belang om te werken aan de specifieke veiligheidsstrategie en de bewustwording van bewoners. Het is namelijk zo dat er altijd een kans is op een overstroming, het risico is nooit nul. De inschatting van dit risico bepaalt wel welke maatregelen we op een plek nemen. De veiligheidsregio en andere overheden vervullen hierbij een belangrijke rol.
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat eilandbewoners dit cynisch vinden?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari 2026?
Beantwoording voorafgaand aan het CD Wadden is helaas niet gelukt. In het CD Wadden heeft de heer De Hoop12 gevraagd om deze antwoorden aan de Kamer toe te sturen voor het nog te plannen tweeminutendebat. Ook heeft mijn voorganger toegezegd in de antwoorden in te gaan op de uitvoering van de aangenomen motie13 over het verlagen van de dijknormen en op eventuele financiële motieven voor dit voorstel. Met onderstaande beantwoording geef ik invulling aan deze toezegging.
Zoals aangegeven, is er geen sprake van financiële motieven om te komen tot deze normaanpassingen. In een wettelijk verplichte evaluatie van de normen is geconstateerd dat er aanleiding is om die normen aan te passen.
Er is juist een financiële impact als er in bepaalde gevallen niet volgens de systematiek wordt gewerkt. De basis is het wettelijk afgesproken basisbeschermingsniveau voor heel Nederland. Door dit basisbeschermingsniveau te vertalen naar dijknormen voor de verschillende gebieden wordt landelijk consistent beleid gevoerd. De actuele gegevens laten zien dat verlaging van de normen voor een aantal trajecten in Nederland aan de orde is. Als dit niet doorgevoerd zou worden, dan zouden dus onnodige investeringen in dijkversterking worden gedaan ten koste van andere versterkingen die wel nodig zijn. Gezien de beperkte middelen die het Rijk heeft voor dijkversterkingen is het zaak deze doelmatig uit te geven.
Vanwege de technisch-inhoudelijke aard van dit dossier bied ik de Kamer aan dat het Ministerie van IenW een technische briefing kan organiseren om de achterliggende systematiek en afwegingen toe te lichten.
Voor wat betreft de uitvoering van de motie geldt dat ik, zoals toegezegd door mijn voorganger, het bestuurlijk overleg nog verder zal voeren met de regio.
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven, zal daarna voor betreffende trajecten een wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden voorbereid. Dit is een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De bestuurlijke partners krijgen de gelegenheid om op het concept hiervan te reageren. Daarna zullen teksten in internetconsultatie gaan. Tenslotte gaat het voor advies naar de Raad van State en wordt het voorgenomen wijzigingsbesluit voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Het traject van de AmvB zal ca 1,5 jaar in beslag nemen.
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkingsvergunningen voor warmteprojecten |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkings- en lozingsvergunningen1 zijn voor warmteprojecten in het kader van de energietransitie die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben (TEO/WKO)?
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn lastig exact kwantitatief inzichtelijk te maken, maar zijn waarschijnlijk slechts beperkt. Ten eerste geldt dat voor activiteiten die een lozingsvergunning nodig hebben op grond van de huidige wetgeving al sinds vele jaren een actualiseringsplicht bestaat.4 Mede naar aanleiding van de naderende deadline van 2027 om de KRW-doelen te bereiken, zijn alle bevoegde gezagen inmiddels bezig om hier invulling aan te geven en is aan de Kamer toegezegd om de voortgang hiervan middels een dashboard inzichtelijk te maken.5
Ten tweede is voor vergunningen voor onttrekkingen weliswaar geen specifieke actualiseringsplicht opgenomen in de wetgeving, maar staat ook voorop dat het bevoegd gezag gehouden is aan het tijdig bereiken van de doelen van de KRW en dat er daarmee – zij het impliciet – een verplichting bestaat om vergunningen die dit doelbereik zouden belemmeren, te actualiseren. De Europese Commissie wil met de inbreukprocedure bereiken dat in de wetgeving een specifieke frequentie voor deze herbeoordeling wordt bepaald, zodat dit niet wordt overgelaten aan de keuzevrijheid van het bevoegd gezag.
Ten derde geldt dat bij een dergelijke actualisering van vergunningen voor lozingen en onttrekkingen alleen sprake kan zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de doelen van het waterbeheer (waaronder de KRW-doelen begrepen zijn) en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit in betekenisvolle mate zal leiden tot wijziging van bestaande vergunningen voor warmteprojecten (zoals voor warmte-/koudeopslag (WKO) en thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)), omdat de gevolgen van die warmteprojecten al goed in beeld zijn gebracht bij het verlenen van de oorspronkelijke vergunning en het niet aannemelijk is dat die omstandigheden intussen in belangrijke mate zijn gewijzigd.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving specificeert dat voor lozingen en onttrekkingen een dergelijke actualisering minstens elke 10 jaar plaatsvindt. De gevolgen hiervan voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn naar verwachting erg beperkt. In de praktijk zal dit namelijk niet leiden tot een betekenisvolle verandering in de situatie dat bevoegde gezagen (moeten) zorgen dat de vergunningen in hun beheer actueel zijn en passend zijn binnen de doelen van de KRW.
Tot slot wordt benadrukt dat de voorstellen niets veranderen aan de inhoudelijke beoordeling van nieuwe vergunningaanvragen en alleen zien op het herbeoordelen van bestaande vergunningen.
Zijn warmteprojecten meegenomen in het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van een landelijke vergunning- of meldingsplicht?
Naast de actualiseringsplicht bevat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving naar aanleiding van de inbreukprocedure ook een aanscherping van de vergunningplicht voor wateronttrekkingen, dit om te voldoen aan de KRW.6 Naar aanleiding van de motie Van Ginneken/Tjeerd de Groot7 bevat de voorgenomen wijziging ook de introductie van een landelijke meldplicht voor onttrekkingen.
Bij het onderzoek naar de afbakening van deze meldplicht en naar de gevolgen daarvan en van de aangescherpte vergunningplicht voor de uitvoerbaarheid, is de betrokken stakeholders gevraagd naar de effecten voor alle wateronttrekkingen. Onttrekkingen voor warmteprojecten zijn daarbij dus niet specifiek uitgelicht, maar ook niet van de scope uitgezonderd.8
Is de veronderstelling juist dat er nog relatief weinig kennis is over de daadwerkelijke effecten van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit en dat een actualiseringsplicht derhalve investeringsrisico’s met zich meebrengt?
Het klopt dat niet altijd precies bekend is wat de effecten zijn van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit.9 Die onzekerheid kan projecten met name parten spelen als voor de eerste keer een vergunning wordt aangevraagd. Bij onzekerheid over de effecten van een project op de doelstellingen van het waterbeheer, is het niet altijd eenvoudig om een vergunning te verlenen.
Als eenmaal een vergunning verleend is, speelt deze onzekerheid in veel mindere mate een rol. Wanneer het bevoegd gezag op basis van de actualiseringsplicht opnieuw beziet of de activiteit nog ongewijzigd doorgang kan vinden, wordt specifiek gekeken naar de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.10
Ten aanzien van deze nieuw te beschouwen ontwikkelingen zal in de regel de onzekerheid niet toenemen ten opzichte van de onzekerheid die speelde bij het oorspronkelijke verlenen van de vergunning. In die zin brengt de actualiseringsplicht dan ook geen extra investeringsrisico’s met zich mee.
Deelt u de analyse dat warmteprojecten, zeker wanneer sprake is van collectieve warmtenetten, pas van de grond kunnen komen als vooraf zeker is gesteld dat voor enkele decennia warmte geleverd kan worden en de investering terugverdiend kan worden?
Deze analyse wordt gedeeld. Deze geldt voor alle investeringen en niet alleen voor warmteprojecten: een definitieve investeringsbeslissing wordt in de regel niet genomen zonder voldoende vertrouwen dat de investering terugverdiend kan worden met een redelijk rendement. De terugverdientijd voor warmteprojecten varieert per project, maar warmteprojecten zijn in het algemeen qua investering kapitaalintensieve infrastructuurprojecten. Door de lange technisch-economische levensduur van vaak tientallen jaren is het ook mogelijk om een succesvol project met een lange terugverdientijd te realiseren.
Deelt u de analyse dat een actualiseringsplicht met een frequentie van bijvoorbeeld tien jaar2 de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten dusdanig aantast dat de investeringsbereidheid zal dalen en dat maatschappelijk gewenste warmteprojecten moeilijker van de grond zullen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe waardeert u deze impact in het licht van de energie- en warmtetransitie?
Er is bij het ministerie geen analyse bekend waaruit dit zou volgen. Een dergelijke uitkomst van een analyse wordt ook erg onwaarschijnlijk bevonden, zie het antwoord op de vorige vragen. Er heeft nooit een zekerheid bestaan dat activiteiten decennialang ongewijzigd voortgezet zouden kunnen worden. Het huidige wettelijke kader verplicht namelijk al tot een regelmatige actualisatie van vergunningen en die is momenteel – voor lozingen – ook in volle gang. Bij een dergelijke actualisering kan alleen sprake zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de waterdoelen en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit op grote schaal zal leiden tot het moeten wijzigen van de bestaande vergunningen voor warmteprojecten. Ook leidt dit niet tot een andere wijze van beoordeling van vergunningaanvragen voor nieuwe warmteprojecten.
De nu in voorbereiding zijnde actualiseringsplicht maakt alleen expliciet dat deze actualisering in het vervolg minstens elke 10 jaar plaatsvindt. Overigens is de voorgenomen actualiseringsplicht onvermijdelijk gezien de inbreukprocedure van de Europese Commissie en speelt dit in alle landen waar een dergelijke inbreukprocedure loopt.
Deelt u de mening dat warmteprojecten, ook bij de uitwerking van genoemde regelgeving, in principe gezien moeten worden als projecten van hoger openbaar belang3, gelet op de bijdrage aan de doelen voor hernieuwbare energie (REDIII) en klimaat en het belang van leveringszekerheid richting eindgebruikers?
De KRW biedt een uitzonderingsmogelijkheid voor bepaalde projecten.13 Wanneer het gaat om een project dat bestaat uit nieuwe veranderingen van de fysieke kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de grondwaterstand en dat project komt in strijd met de ecologische KRW-doelen, dan kan het project toch worden toegestaan als – kort gezegd – het project van «hoger openbaar belang» is, voor dat project geen alternatieven bestaan, en de negatieve effecten van het project zo klein mogelijk zijn.
Per project zal onderbouwd moeten worden of aan deze randvoorwaarden voldaan is, maar het is aannemelijk dat projecten die plaatsvinden in het kader van de energietransitie in de regel gekwalificeerd kunnen worden als van «hoger openbaar belang».
Als een project aan deze randvoorwaarden voldoet, betekent het dat hiervoor een vergunning verleend kan worden ook al komt het project in strijd met de KRW-doelen. Deze uitzonderingsmogelijkheid heeft dus invloed op de uitkomst van een weging tussen enerzijds het waterkwaliteitsbelang en anderzijds het belang van de energietransitie. Het voorgaande betekent echter niet dat voor dergelijke projecten in het geheel geen weging meer hoeft plaats te vinden tussen beide belangen en dus geen periodieke actualiseringsplicht nodig zou zijn.
Hoe kunnen bedrijven en huishoudens verzekerd blijven van de levering van hun duurzame warmte(netten), als de daarvoor benodigde watervergunning bij een actualisering ingeperkt en/of ingetrokken wordt in geval van een mogelijk negatief effect op de waterkwaliteit ter plekke?
In de nieuwe Wet collectieve warmte is leveringszekerheid een expliciete taak van het warmtebedrijf. Het warmtebedrijf wordt geacht een gedegen plan te hebben om de structurele beschikbaarheid van voldoende warmte op de lange termijn zeker te stellen. Onderdeel daarvan zal zijn om risico’s vooraf te inventariseren en mitigerende maatregelen te nemen, zodat de consument niet zonder warmte komt te zitten, bijvoorbeeld door een divers portfolio aan warmtebronnen op te stellen en hulp- en noodvoorzieningen te plaatsen. Dat plan wordt beoordeeld en bekrachtigd door het college van burgemeester en wethouders en zo nodig in overleg met het college gewijzigd. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op het nakomen van de taak en is bevoegd om interventies te plegen. In gevallen waarin het (uitzonderlijke) wijzigen of intrekken van een vergunning ertoe leidt dat het warmtenet niet meer aan de duurzaamheidsnormen voldoet, is er in de wet de mogelijkheid opgenomen om een tijdelijke ontheffing van de duurzaamheidsnormen aan te vragen bij de ACM. In die periode kan de levering van warmte dan worden voortgezet met een tijdelijk minder duurzame bron totdat een toekomstbestendig duurzaam alternatief is ontwikkeld.
Is de veronderstelling juist dat de Kaderrichtlijn Water ruimte biedt om een actualiseringsverplichting zodanig in te vullen dat deze niet generiek geldt, maar alleen van toepassing wordt voor risicovolle activiteiten en zo dicht mogelijk blijft bij de huidige verplichting op basis van artikel 5.38 van de Omgevingswet?
Nee, de KRW biedt die ruimte niet. Zie ook de eerdere antwoorden hierboven.
Bent u voornemens de voorgenomen actualiseringsplicht en aanverwante wijzigingen zodanig in te vullen dat deze gericht wordt op risicovolle activiteiten dan wel dat een uitzonderingspositie gecreëerd wordt voor warmteprojecten, en dat de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten niet onnodig aangetast wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet mogelijk gezien de vereisten van de KRW. De Europese Commissie ziet hierop toe middels de inbreukprocedure. Het is ook niet nodig om voor warmteprojecten een uitzonderingspositie te creëren nu het niet de verwachting is dat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving warmteprojecten in betekenisvolle mate negatief zal beïnvloeden, niet voor bestaande vergunningen en niet voor nieuw aan te vragen vergunningen.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijzigingen van wet- en regelgeving zullen veeleer positieve gevolgen hebben voor projecten die samenhangen met de energietransitie en specifiek warmteprojecten. De wijzigingen leiden namelijk tot meer grip op bestaande activiteiten die ook met nieuwe warmteprojecten kunnen concurreren en bieden voor de toekomst meer mogelijkheden tot herverdeling van schaarse milieugebruiksruimte, waarbij een weging kan worden gemaakt tussen concurrerende gebruiksvormen en waarbij prioriteit gegeven kan worden aan ontwikkelingen die maatschappelijk gezien van groter belang zijn.