De digitale weerbaarheid van het Nederlandse elektriciteitsnet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stroomnet kwetsbaar voor cyberaanval: «Geen kwestie van óf, maar wanneer»»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van cybersecurity- en energiespecialisten dat de toenemende digitalisering van het elektriciteitssysteem, waaronder slimme netten, thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en andere verbonden apparaten, ook leidt tot een groter aanvalsoppervlak voor kwaadwillenden?
De ontwikkeling naar een meer decentrale energievoorziening maakt lokale opwek en opslag mogelijk en is onderdeel van een succesvolle energietransitie. Deze decentralisatie gaat gepaard met een digitaliseringsslag. Zo kunnen decentrale assets bijvoorbeeld op afstand een (beveiligings)update ontvangen of op afstand worden aangestuurd. Dit is onder meer noodzakelijk om de beveiliging van de assets up-to-date te houden en biedt kansen voor bijvoorbeeld een slimmer gebruik van het elektriciteitsnet. Naast deze voordelen brengt de digitalisering van het energiesysteem ook risico’s met zich mee.
Digitale verbindingen maken de toegang tot deze assets op afstand makkelijker waardoor deze verbindingen een aanvalsoppervlak kunnen vormen voor kwaadwillenden om decentrale assets te manipuleren. Daarom gelden voor (consumenten)apparatuur cybersecurity eisen op basis van wet- en regelgeving zoals de Radio Equipment Directive 3.3 en de Cyber Resilience Act. Om de digitale weerbaarheid van het energiesysteem verder te verhogen en risico’s te mitigeren, treft het kabinet daarnaast nog andere maatregelen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
In hoeverre wordt digitale weerbaarheid momenteel als randvoorwaarde meegenomen bij de uitvoering van de energietransitie en de uitbreiding van het elektriciteitsnet?
In het ontwerp van het energiesysteem houdt het kabinet rekening met digitale risico’s. Zo worden cybersecurityeisen gesteld aan digitale systemen van energiepartijen en wordt kritieke (digitale) energie-infrastructuur geïdentificeerd en weerbaarder gemaakt. Een concreet voorbeeld is het meenemen van (digitale) weerbaarheid als voorwaarde bij de vergunningsverleningsinstrumenten van nieuwe windparken op zee. Hierbij zijn weerbaarheid en nationale veiligheidszorgen onderzocht en zijn vervolgens veiligheidsmaatregelen genomen, zoals het stellen van voorwaarden voor de herkomst van windmolenonderdelen op basis van de Europese Net Zero Industry Act (NZIA).2
Ook voor bestaande energie-infrastructuur gelden strenge eisen en is er toezicht om de digitale weerbaarheid te verhogen. Met de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) op 15 augustus jl. is het bestaande wettelijke cybersecuritykader voor energie-infrastructuur versterkt en worden energiebedrijven verplicht om zorg te dragen voor de beveiliging van hun (digitale) systemen om hun bedrijfscontinuïteit te waarborgen. Aanvullend op de Cbw geldt de Netcode voor Cybersecurity Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 (NCCS) ter versterking van de digitale weerbaarheid van het Europese elektriciteitsnet om de veiligheid, continuïteit en betrouwbaarheid ervan te waarborgen. Onderdelen van de NCCS zijn al geïmplementeerd; de NCCS wordt volledig van kracht per 2028.
Het kabinet werkt doorlopend aan het verder versterken van de weerbaarheid van het energiesysteem. Zo is er in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) aandacht voor een (digitaal) weerbaar energiesysteem om de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van energie te kunnen waarborgen. Het geactualiseerde NPE wordt met Prinsjesdag aan de Kamer verstuurd. Een verdere toelichting op de kansen en risico’s van de digitalisering van het energiesysteem, inclusief een uitwerking van benodigde acties, is opgenomen in de Actieagenda Digitalisering Energiesysteem (ADE)3.
Kunt u aangeven welke risicoanalyses zijn uitgevoerd naar de cybersecurity van decentrale energiebronnen, zoals thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en energiebeheersystemen, en welke conclusies daaruit zijn getrokken?
Het Ministerie van EZK werkt samen met andere overheidsorganisaties, netbeheerders, energiebedrijven en onderzoeksinstellingen om zoveel mogelijk kennis en inzichten te verzamelen over de risico’s in het decentrale energiesysteem. Uit deze analyses komen kwetsbaarheden naar voren die worden vertaald naar beleid en wet- en regelgeving. Een voorbeeld is het rapport van Energy Innovation NL (in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) over de cyberveiligheid van zonnepanelen.4 Een conclusie uit dit rapport is dat het verhogen van de digitale weerbaarheid van decentrale energie assets een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle spelers in de keten waarbij samenwerking essentieel is. Om uitvoering te geven aan de wet- en regelgeving op digitale weerbaarheid, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 2 en 3, werkt het kabinet samen met verschillende energiebedrijven en brancheverenigingen. Daarnaast stimuleert het kabinet de ontwikkeling van sectorale Information Sharing and Analyses Centers (ISACs), zoals de ISAC voor de zonne-energiesector. Het doel van een ISAC is om de digitale weerbaarheid te vergroten binnen een sector via vertrouwelijke informatie-uitwisseling over dreigingen en incidenten en het delen van handelingsperspectief en gedeelde lessen. Daarnaast bevordert het kabinet samenwerkingsinitiatieven zoals het sectorpact «Weerbaar Energiesysteem» van Energie Nederland en Netbeheer Nederland.
Het kabinet zet verschillende stappen om cybersecurity via wet- en regelgeving te versterken, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 3. Daarnaast voeren sectorpartijen zelf risicoanalyses uit en nemen zij indien nodig passende maatregelen om risico’s te mitigeren. Zo worden bijvoorbeeld bij grote aanbestedingen door de netbeheerders risicoanalyses gemaakt en passende maatregelen genomen.5 De Cbw en NCCS verplichten bedrijven om een risicoanalyse uit te voeren en rekening te houden met risico’s in hun toeleveringsketen en bij het verwerven, ontwikkelen of onderhouden van (digitale) producten en diensten in hun netwerk- en informatiesystemen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de Europese energie-infrastructuur steeds vaker doelwit is van cyberaanvallen? In hoeverre spelen achterstallige modernisering van systemen, verouderde technologie en tekortschietende basisbeveiliging daarbij een rol? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het Cybersecurity Beeld Nederland 2025 is aangegeven, blijven alle vitale sectoren een aantrekkelijk doelwit voor kwaadwillende actoren. De digitalisering van het energiesysteem zorgt voor een nauwere verwevenheid tussen het digitale en fysieke energiesysteem. Zo wordt verouderde operationele technologie (OT) vaker gekoppeld aan slimme informatietechnologie (IT)-systemen. Het nemen van passende beheersmaatregelen om risico’s van mogelijk verouderde OT te mitigeren, zoals netwerksegmentatie, wordt met de Cbw en NCCS wettelijk verankerd. Energiepartijen dienen op grond van de Cbw en NCCS in hun IT- en OT-architectuur rekening te houden met deze risico’s en passende en evenredige maatregelen te nemen, ook voor de beveiliging van OT. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) houdt toezicht op de energiesector vanuit deze verplichtingen in de Cbw en NCCS. Het National Cyber Security Center (NCSC) deelt daarnaast diverse kennis- en informatieproducten met de energiesector, onder meer vanuit samenwerking met Europese partners, over basisbeveiliging voor digitale weerbaarheid en over risicomanagement van verouderde OT-systemen.
Op welke wijze werken de ministeries van Klimaat en Groene Groei en Economische Zaken en Klimaat samen om ervoor te zorgen dat investeringen in de energietransitie gepaard gaan met investeringen in digitale veiligheid?
Investeringen in de energietransitie gaan onlosmakelijk gepaard met investeringen in digitale veiligheid omdat slimme energienetten en hernieuwbare bronnen sterk afhankelijk zijn van digitale aansturing. Binnen het Ministerie van EZK wordt het onderwerp van digitale weerbaarheid en energie (security) daarom integraal opgepakt.
Worden er regelmatig gezamenlijke crisisoefeningen gehouden waarbij zowel een fysieke verstoring van het elektriciteitsnet als een cyberaanval wordt gesimuleerd? Zo ja, welke lessen zijn daaruit getrokken? Zo nee, waarom niet?
Ja, op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau vinden regelmatig crisisoefeningen over stroomuitval plaats. Het betreft wisselende scenario’s, variërend van fysieke verstoringen, cyberaanvallen en een combinatie daarvan. Daarnaast wordt er deelgenomen aan PENTA6 oefeningen, waarbij de Europese verordening voor risicoparaatheid in de elektriciteitssector centraal staat. In het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) zijn daarnaast afspraken gemaakt om regelmatig gezamenlijk of per organisatie te oefenen. De Algemene Rekenkamer heeft mede op basis van bovengenoemde crisisoefeningen recent geconstateerd dat het Ministerie van EZK en TenneT goede maatregelen hebben getroffen om crises op het hoogspanningsnet te voorkomen en dat zij goed zijn voorbereid op mogelijke storingen.7
Een vast onderdeel van een crisisoefening is een evaluatie door de betrokken organisaties. Uit de evaluaties van de crisisoefeningen van de afgelopen jaren zijn verschillende lessen getrokken met betrekking tot de crisisstructuur en werkprocessen. Zo kwam bijvoorbeeld naar voren dat de Rijksoverheid in crisissituaties beter kan afspreken welke informatie wanneer wordt gedeeld en dat sommige plannen te abstract zijn. Deze lessen worden meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) naar een Landelijk Crisisplan Elektriciteit, dat naar verwachting begin 2027 met de Kamer zal worden gedeeld.
Deelt u de opvatting dat een succesvolle energietransitie alleen mogelijk is wanneer burgers en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat het energiesysteem digitaal veilig en weerbaar is? Zo ja, welke aanvullende stappen bent u bereid te zetten om dit vertrouwen te versterken?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Daarom werkt het kabinet aan het digitaal veilig en weerbaar houden van het energiesysteem, zoals beschreven in de beantwoording bij de vorige vragen. Aanvullend worden in opdracht van het Ministerie van EZK Nederlandse Technische Afspraken (NTA's) ontwikkeld door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) voor het slim en interoperabel maken van netintensieve apparaten. Dit voorziet dat laadpalen, zonne-omvormers, thuisbatterijen, warmtepompen en overkoepelend de Home Energy Management Systemen (HEMS) als aansturend systeem slim ingesteld kunnen worden en met elkaar kunnen communiceren. Deze afspraken worden opgesteld volgens Europese cybersecuritystandaarden, zodat eindgebruikers kunnen rekenen op een veilige aansturing.8
Welke gevolgen heeft de toenemende cyberveiligheidsopgave voor de huidige opgave rond de uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet? Worden aanvullende eisen aan digitale veiligheid meegenomen in de planning, uitvoering en kosten van deze uitbreidingen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om alle risico’s volledig uit te sluiten. Tegen deze achtergrond zet het kabinet in op het zoveel mogelijk minimaliseren van risico’s via een risico gebaseerde aanpak die de weerbaarheid effectief en efficiënt verhoogt. Dit betekent dat wordt gekeken naar de doelmatigheid, proportionaliteit en evenredigheid van maatregelen. Voor toekomstige energie-infrastructuur geldt dat maatregelen ten behoeve van (digitale) weerbaarheid het meest effectief en het meest kostenefficiënt zijn wanneer ze aan de voorkant van een traject worden geïmplementeerd. In het vormgeven van ruimtelijk beleid en het fysieke ontwerp van het energiesysteem wordt het aspect (digitale) weerbaarheid ook meegenomen. Binnen het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem gaat dit bijvoorbeeld om het wel of niet clusteren van energieproductielocaties en het wel of niet bundelen van energie-infrastructuur. De effecten van het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem op weerbaarheid zullen nader worden onderzocht, waarna keuzes zullen worden vastgelegd in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH II). De hoofdlijnenbrief hierover zal begin 2027 naar de Tweede Kamer worden verzonden en het programma zal in 2028 worden vastgesteld.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en de digitale weerbaarheid van de Nederlandse energie-infrastructuur?
Aankomende Prinsjesdag wordt de Tweede Kamer verder geïnformeerd over het toekomstige energiesysteem, onder andere middels het geactualiseerde NPE en de kabinetsreactie op het Energy Innovation NL rapport «Autonoom en Veilig». Hierin wordt de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en digitale weerbaarheid nader toegelicht.
Kunt u de vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Een onbeantwoorde vraag van het lid Jansen tijdens het commissiedebat Ontwerp-Natuurplan op 3 september 2026. |
|
Chris Jansen (PVV), Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u, als u voorafgaand aan de betreffende persconferentie gesprekken of andere contacten heeft gehad met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dan aangeven wanneer deze contacten hebben plaatsgevonden, met wie is gesproken en wat daarbij is besproken?
Het PBL heeft in de periode dat het werkte aan de reflectie geen conceptteksten met mij of mijn ministerie gedeeld. Dit past bij de onafhankelijke rol en positie van het PBL. Daarbij hoort ook dat het PBL zelf bepaalt op welke manier en op welke wijze het PBL zijn rapporten naar buiten brengt. Dit gebeurt conform de Aanwijzingen voor de Planbureaus (Staatscourant 21-02-2012, 3200). Tijdens het constituerend beraad van het kabinet is besloten dat het PBL een officiële adviesrol heeft voor de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Het rapport is op 2 september, de avond voor publicatie, ambtelijk met LVVN gedeeld. Er heeft op dat moment geen inhoudelijk contact met het PBL plaatsgevonden.
Kunt u, indien u voorafgaand aan de betreffende persconferentie geen gesprekken of andere contacten met het PBL heeft gehad, dit dan expliciet bevestigen?
Ik neem aan dat u doelt op de vraag over mijn contacten met het PBL van het lid Kostić (PvdD), gesteld tijdens een ordedebat aan het begin van het commissiedebat. De heer Jansen heeft zich bij die vraag van het lid Kostić aangesloten. Ik heb tijdens het debat geantwoord dat het PBL een onafhankelijk instituut is en dat het PBL het ministerie heeft geïnformeerd dat dit hun werkwijze is. Daarnaast heb ik aangegeven dat het ongenoegen van Kamerleden over de werkwijze van het PBL zou worden overgebracht. Dit is inmiddels gebeurd.
Kunt u daarbij ook aangeven wanneer u voor het eerst kennis heeft genomen van de informatie, conclusies of bevindingen die het PBL in het kader van de betreffende persconferentie naar buiten heeft gebracht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten waarom u tijdens het commissiedebat Ontwerp-Natuurplan van 3 september 2026 niet meer bent teruggekomen op de door het lid Chris Jansen gestelde vraag?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Kamer alsnog volledig en concreet antwoord te geven op de oorspronkelijke vraag van het lid Chris Jansen, zodat deze tijdens het commissiedebat onbeantwoord gebleven vraag alsnog wordt beantwoord?
Ja, zie hierboven.
Kunt u deze vragen voor komende week woensdag beantwoorden?
Tot mijn spijt is dit niet gelukt.
Water grote rivieren |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u de toenemende watertekorten in Nederland beoordeelt en welke gevolgen u verwacht voor de landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, industrie en regionale economie?
Zoals gemeld in de droogtebrief van 16 juli jl.1 is sprake van een stevige droogteperiode en worden de effecten daarvan helaas steeds merkbaarder. Op dit moment ondervinden de scheepvaart, de agrarische sector, de natuur, de industrie en regionale economie negatieve gevolgen van de droogte. De drinkwatervoorziening is nog geborgd.
Helaas zijn maatregelen, zoals schutbeperkingen en onttrekkingsverboden nodig om de waterveiligheid, drinkwater en energievoorziening te waarborgen. De waterverdelingskeuzes volgen uit de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks uit Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is de rangorde van maatschappelijke belangen bij waterschaarste bepaald. De samenwerkende waterbeheerders doen er alles aan om de negatieve effecten die optreden zo veel mogelijk te mitigeren. Net als iedereen hoop ik op een spoedig herstel van de waterbalans in Nederland waardoor de verschillende getroffen sectoren weer regulier van water kunnen worden voorzien.
Bent u bekend met de zorgen van de waterschappen over de verdeling van het beschikbare Rijn- en Maaswater tussen de verschillende landen en bent u bereid zich in te zetten voor een rechtvaardigere verdeling van het water bij zowel droogte als hoogwater?
Ja, daarmee ben ik bekend. Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land binnenstroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor de bevaarbaarheid van rivieren en daarmee de bevoorrading van de eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Dit is vastgelegd in diverse verdragen. Het beeld dat de verdeling nu niet rechtvaardig zou zijn, herken ik niet.
Nederland is al lang actief om internationaal afspraken te maken binnen diverse intensieve samenwerkingsverbanden waaronder de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC) voor de hoofdstroom van de Rijn en de Maas. Deze Rijn- en Maascommissies gaan onder andere over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden. Binnen deze riviercommissies worden kennis en data uitgewisseld, waardoor betrouwbare voorspellingen gedaan kunnen worden en effecten van klimaatverandering op waterafvoeren worden ingeschat. Naast hoog water wordt binnen de ICBR en de IMC steeds gerichter samengewerkt aan laagwater.
Nederland is er sinds 2018 in geslaagd om de problematiek van afnemende afvoeren en daarmee gepaard gaande droogte in zowel de ICBR als in de IMC op de agenda te krijgen. In de ICBR wordt nu gezamenlijk gewerkt aan het in beeld brengen van sociaaleconomische ontwikkelingen en handelingsperspectieven. Dit biedt de basis voor de aanpassing van de ICBR-klimaatadaptatiestrategie en nadere afspraken. Binnen de IMC is ook afgesproken om een gezamenlijke klimaatstudie te starten als basis voor afspraken in het gehele stroomgebied. Voor de Maas zijn er reeds afspraken over waterverdeling tussen Vlaanderen en Nederland. Dit is vastgelegd in het Maasafvoerverdrag.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland zet vooralsnog in op afspraken binnen de riviercommissies en maakt daarbij mede gebruik van de lopende Europese trajecten zoals de Europese Water Resilience Strategy. Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bereid om met de Rijn- en Maasstaten in overleg te treden om te komen tot nieuwe of aangepaste afspraken over de verdeling van het beschikbare rivierwater, zodat Nederland bij perioden van droogte niet onevenredig wordt benadeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten welke afwegingen momenteel worden gemaakt bij de verdeling van het Rijnwater over de Waal, de Neder-Rijn/Lek en de IJssel tijdens perioden van lage afvoer en hoe daarbij de belangen van landbouw, natuur, drinkwater, scheepvaart en het tegengaan van verzilting worden meegewogen?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders dan cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoor-ziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leverings-zekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Waar verzilting van invloed is op een van de belangen uit de verdringingsreeks, wordt dit dus volwaardig meegewogen in de waterverdelingskeuzes.
Hoe beoordeelt u de signalen dat tijdens droogte een groot deel van het beschikbare zoetwater wordt ingezet voor het tegengaan van verzilting in West-Nederland, terwijl Noord-, Oost- en Zuid-Nederland hierdoor met watertekorten worden geconfronteerd?
Hoewel de geografische verdeling van water geen doel is bij waterschaarste, kan een waterverdelingskeuze op basis van de verdringingsreeks wel positief uitpakken voor de ene regio en negatief voor een andere regio. Maar dat is dan het resultaat van de inhoudelijke belangenafweging binnen deze wettelijke verdringingsreeks. De belangen van alle regio’s worden daarmee, zeker in de zwaarwegender categorieën 1–3, zo goed mogelijk beschermd.
Bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijkheden om tijdens perioden van lage rivierafvoer meer zoetwater in Nederland vast te houden, bijvoorbeeld door aanvullende stuwen, sluizen of andere waterbergende maatregelen, zodat Nederland beter bestand is tegen langdurige droogte?
Ja, hiertoe ben ik bereid. Het kabinet investeert actief in kennisontwikkeling gericht op het beter vasthouden van zoetwater. In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Daarbij wordt onderzoek gedaan naar een breed pakket aan maatregelen, zoals het optimaliseren van bestaande zoetwaterbuffers (bijvoorbeeld het IJsselmeer), het vergroten van de sponswerking van de bodem, ondergrondse zoetwateropslag en slimmer operationeel waterbeheer met behulp van de bestaande infrastructuur. Ook in het kader van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0 wordt onderzoek gedaan naar onder andere het verbeteren van de zoetwaterverdeling over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.02.Er zijn grote keuzes nodig over de indeling van ruimte. We moeten op meer plekken ruimte creëren waar water kan worden opgeslagen, zodat we daaruit kunnen putten in tijden van droogte. Ook moeten we op sommige plekken de grondwaterstanden verhogen. Dit gesprek voeren we in het kabinet, dat is belangrijk want het heeft consequenties voor het gebruik van onze ruimte en de richting daarvan.
Tegelijkertijd geldt dat het hoofdwatersysteem niet overal en altijd kan voorkomen dat watertekorten ontstaan, ook niet met aanvullende maatregelen. Daarom investeert het kabinet ook in regionaal praktijkonderzoek gericht op het vasthouden van grondwater zoals in projecten Proeftuin Zoet Water Zeeland, BodemUP 2.0 in Noord-Brabant en de ondergrondse zoetwateropslag bij Wolphaartsdijk. Ook in Europees verband wordt kennis ontwikkeld, zoals binnen het onderzoeksproject AGROMAR gericht op verantwoorde grondwateraanvulling. Daarnaast zijn er nog verschillende onderzoeken gericht op droogteadaptatie en het omgaan met verzilting.
Nieuwe, aanvullende plannen voor kennisontwikkeling worden momenteel voorbereid in het kader van het nieuwe Nationaal Water Programma (2028–2033) dat eind dit jaar in concept gereed is.
Welke concrete langetermijnmaatregelen bereidt u voor om de Nederlandse zoetwatervoorziening toekomstbestendig te maken en wordt daarbij ook gekeken naar grootschalige infrastructurele oplossingen, zoals extra stuw- en sluizencomplexen en andere maatregelen om meer rivierwater in Nederland vast te houden?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018 en 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Vanwege klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende3, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit Programma (zie ook vraag 6).
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Of deze maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre binnen het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma voldoende aandacht wordt besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland?
Zoetwaterbeschikbaarheid is een belangrijk onderwerp in het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma. Hierin wordt voldoende aandacht besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland. Bijvoorbeeld via het onderzoeken van het stapsgewijs vergroten van de buffer in het IJsselmeer en Markermeer.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van 2026 te informeren over de voortgang van de internationale gesprekken met de Rijn- en Maasstaten over een eerlijkere verdeling van het beschikbare rivierwater en de aanvullende maatregelen die Nederland zelf wil treffen om de beschikbaarheid van zoetwater tijdens langdurige droogte te verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe worden natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals klimaatbuffers, waterretentiegebieden en natuurlijke sponsgebieden, momenteel ingezet binnen het nationale beleid om droogte en zoetwatertekorten tegen te gaan?
In het hoofdwatersysteem is onze grootste buffer het IJsselmeer. Zoals deze zomer is gebleken, heeft deze buffer ervoor gezorgd dat de noordelijke regio een langere tijd minder effecten van de droogte heeft gevoeld. Voor zoetwaterbuffers buiten het hoofdwatersysteem is het Rijk niet aan zet. Hiervoor treffen de regio’s desgewenst zelf maatregelen. Het rijk wil regionale waterbeheerders, maar ook gemeenten, natuurbeheerder en agrariërs, stimuleren en faciliteren om de kansen voor het vergroten van de sponswerking van de bodem op een zorgvuldige manier te benutten.
Hoeveel natuurlijke zoetwaterbuffers worden in Nederland beheerd door natuurorganisaties, hoeveel zoet water kunnen deze gezamenlijk vasthouden en welke bijdrage leveren zij aan de nationale zoetwatervoorziening?
Het exacte aantal natuurlijke zoetwaterbuffers beheerd door natuurorganisaties in Nederland is lastig te bepalen. Het is een netwerk van zoetwaterbuffers en -zones dat door grond-, regen- en smeltwater, en de natuurlijke zoet-zout dynamiek wordt bepaald. De capaciteit van de buffers is hierdoor lastig vast te stellen. De effectieve capaciteit hangt sterk af van bodemtype, conditie en waterpeil. Op landelijke schaal kunnen natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals veengebieden, moerassen, natte bossen, uiterwaarden, retentiegebieden en andere klimaatbuffers fungeren als «natuurlijke sponzen», en zo zoetwater beter vasthouden (zie ook het antwoord vraag 10). De waterhuishouding in Nederland beweegt zich steeds meer van een afvoerstelsel naar een vasthoudstelsel. Natuurgebieden zijn hierin essentieel.
Kan inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre water dat in deze natuurgebieden wordt vastgehouden ook daadwerkelijk beschikbaar blijft voor omliggende landbouwgebieden en andere maatschappelijke functies tijdens droge perioden?
Zoetwater dat is vastgehouden in natuurgebieden kan niet vanzelfsprekend beschikbaar worden gesteld voor landbouw of andere functies. Een deel van het vastgehouden water verdampt door de combinatie met hogere temperaturen. Een ander deel infiltreert naar de diepere ondergrond alwaar het door (drink)waterwinningen onttrokken grondwater aanvult. En een deel wordt gedraineerd door de naaste omgeving: veelal landbouwgebieden. Verdroging is een van de grootste drukfactoren voor de natuur, zoals de natuurdoelanalyses aangeven. Door droogte komt (kwetsbare) natuur nog verder onder druk te staan. De beschikbaarheid van water in tijden van een feitelijk watertekort voor de verschillende sectoren en maatschappelijke functies hangt af van prioritering volgens de verdringingsreeks, technische mogelijkheden (opties om het water te kunnen sturen) en kwaliteit van het water. Stabiliteit van waterkeringen, voorkomen van klink en zetting (in veen en hoogveen), en voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur bevinden zich in categorie 1 van de verdringingsreeks (zie ook antwoord vraag 4). Deze belangen krijgen voorrang bij de verdeling van het nog beschikbare zoetwater.
Hoe wordt voorkomen dat water langdurig wordt vastgehouden in afzonderlijke natuurgebieden, terwijl elders in dezelfde regio tekorten ontstaan voor landbouw, scheepvaart of drinkwatervoorziening?
Zoals bij vraag 4 eerder aangeven, bevindt natuur zich in categorie 4 en het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur zich in categorie 1. Voldoende water van de juiste kwaliteit is noodzakelijk om ons hieraan te houden. Tegelijkertijd zorgt het vasthouden van water in natuurgebieden voor een buffer voor andere sectoren.
Ziet u mogelijkheden om bestaande natuurlijke zoetwaterbuffers nadrukkelijker onderdeel te maken van de landelijke zoetwaterstrategie, zodat zij niet alleen bijdragen aan natuurdoelen, maar ook aan de beschikbaarheid van zoet water voor landbouw, drinkwater, scheepvaart en economie?
De huidige zoetwaterbuffers zijn niet alleen ontwikkeld om aan de natuurdoelen te voldoen. Zij vervullen reeds een rol in de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, scheepvaart en economie. In tijden van watertekort worden deze zoetwaterbuffers ingezet aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks.
Het uitblijven van een besluit over nationale normen voor windturbines op land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de toezegging, gedaan tijdens het commissiedebat Hernieuwbare Energie op 15 april 2026 en die is herhaald in het antwoord van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land1, om de Kamer vóór de zomer te informeren over de nieuwe landelijke normen voor windturbines op land?
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit besluit wel op de agenda van de ministerraad van 10 juli 2026 stond maar daarna niet naar de Kamer is gestuurd? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Ja, het onderwerp stond op de agenda van de ministerraad van 10 juli jl. Daar heeft echter geen finale besluitvorming plaatsgevonden waardoor het informeren van de Kamer niet mogelijk is gebleken. Het onderwerp is in de ministerraad van 28 augustus opnieuw behandeld.
Klopt het dat de overbruggingsregeling voor bestaande windparken opnieuw is verlengd, ditmaal tot en met 31 december 2027? Betekent dit dat de eerdergenoemde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2027 voor de definitieve milieunormen niet langer haalbaar wordt geacht?2
Het kabinet is voornemens de overbruggingsregeling te verlengen. Het voorstel hiertoe ligt nu bij de Raad van State. Inwerkingtreding van de nieuwe normen zal niet voor 1 januari 2027 kunnen plaatsvinden.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor provincies en gemeenten die bij hun ruimtelijke besluitvorming over windparken op land wachten op landelijke duidelijkheid?
Met de Kamerbrief die na de ministerraad van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat het ontwerpbesluit voor het einde van dit jaar voor voorhang wordt aangeboden. Hiermee wordt zo spoedig mogelijk duidelijkheid gecreëerd over de landelijke milieu- en afstandsnormen voor windturbines op land. In de tussentijd kunnen provincies en gemeenten zelf normen stellen om ruimtelijke besluitvorming over windparken doorgang te laten vinden en zorgt de tijdelijke overbruggingsregeling ervoor dat de huidige milieunormen blijven gelden voor bestaande windparken.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor de realisatiegraad van wind op land, die volgens het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) steeds verder afneemt?
Zoals blijkt uit de Monitor Wind op Land3, neemt de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines af. Naast factoren als netcongestie, vertraging door bezwaar- en beroepsprocedures en beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, draagt ook de onzekerheid over het uitblijven van duidelijkheid over landelijke afstandsnormen voor windturbines op land hieraan bij. Het ontbreken daarvan is daarmee niet de enige, maar wel één van de factoren die de realisatie van windturbines beperkt.
Erkent u dat het verder uitstellen van een besluit ervoor zorgt dat de uitrol van wind op land stagneert en de RES-doelen niet worden gehaald en dat de Nederlandse energie-afhankelijkheid hierdoor langer in stand wordt gehouden? Zo ja, gaat u dan zo spoedig mogelijk landelijke milieunormen vaststellen?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 heeft de onzekerheid over het uitblijven van landelijke normen inderdaad bijgedragen aan een daling in de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines op land.
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland voornemens is een afstandsnorm in de provinciale Omgevingsverordening op te nemen en deze in september 2026 vast te stellen?
Ja, zoals blijkt uit Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek4 zal de Omgevingsverordening worden voorgelegd aan de Staten in het derde kwartaal van 2026.
Bent u ermee bekend dat deze afstandsnorm ervoor zorgt dat het RES-doel in Gelderland waar de provincie zich ook aan heeft gecommitteerd, niet meer wordt gehaald, zoals uit een eigen analyse van de provincie blijkt?3
Uit de Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek blijkt dat de Provincie Gelderland concludeert dat een afstandsnorm van twee keer de tiphoogte ertoe leidt dat Regio Foodvalley niet de RES-doelstelling voor windenergie op land kan behalen.
Omdat de Gelderse RES-regio’s hebben afgesproken elkaars RES-opgave niet over te nemen, concludeert de provincie Gelderland dat de Gelderse RES-doelstelling niet haalbaar is. Daarbij benoemen de provincie Gelderland dat de RES-doelstelling in Gelderland ook zonder afstandsnorm al onder druk staat door o.a. netcongestie en de aanwezigheid van de wespendief.
Het kabinet heeft de Kamer op 28 augustus 2026 geïnformeerd dat het voornemens is om in het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving een instructieregel op te nemen op grond waarvan bij het nemen van ruimtelijke besluiten, zoals het vaststellen van een omgevingsplan, rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen een windturbine en de dichtstbijzijnde woning.
«Rekening houden met» betekent dat de afstandsnorm zwaar weegt in de belangenafweging die in het kader van dergelijke besluiten plaatsvindt, maar niet dwingt tot een bepaalde uitkomst. Gemotiveerd kan een kleinere afstand worden gehanteerd. Dat biedt ruimte voor het nastreven van de RES-doelstelling in Gelderland en om aanvullende opwek mogelijk te maken.
Zoals benoemd in de Kamerbrief Versterking van de Decentrale Ontwikkelingen in het Energiesysteem6, zal de Minister van Klimaat en Groene Groei, in het licht van de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem, toewerken naar nieuwe richtwaarden voor de opwek van zon en wind op land voor 2040, en deze laten landen in de te maken energieafspraken met medeoverheden.
Is de afstandsnorm die Gelderland beoogt afwijkend van de milieunormen die u beoogt? Zo ja, kunt u uitleggen waarin deze norm van Gelderland afwijkt?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat er gekozen is voor een afstandsnorm van twee keer tiphoogte met uitzonderingen, en de ruimte om daar beargumenteerd naar beneden toe van af te wijken.
Bent u het ermee eens dat het zeer wenselijk is dat er zo snel mogelijk landelijke milieunormen voor windmolens op land worden vastgesteld die enerzijds milieueffecten van windmolens op land beperken, maar wel zorgen dat de RES-doelen binnen de afgesproken termijn worden behaald?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat gemeenten en provincies eigen, van elkaar afwijkende normen gaan vaststellen die ervoor zorgen dat de al jaren gewenste duidelijkheid rond de milieunormen voor windmolens op land voor omwonenden, initiatiefnemers, gemeenten en provincies blijft ontbreken?
Ja. Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, biedt het kabinet meer duidelijkheid over de nieuwe normen voor windturbines op land.
Hoe voorkomt u dat er door het ontbreken van landelijke regie een wildgroei aan afstandsnormen op regionaal niveau (zoals o.a. in Drenthe en Gelderland) gaat ontstaan?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, is de Kamer geïnformeerd over de keuze voor een instructieregel die bepaalt dat bij het vaststellen van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen windturbine(s) en de dichtstbijzijnde woning. Deze instructieregel wordt de komende periode uitgewerkt in de ontwerp-AMvB, die nog dit jaar aan het parlement zal worden verzonden in het kader van de voorhang. Met deze instructieregel wordt op nationaal niveau voorzien in één uniforme afstandsnorm. Daarmee wordt voorkomen dat provincies eigen instructieregels over de afstand tot windturbines kunnen stellen.
Wat is uw standpunt over een afstandsnorm voor windmolens op land? Kunt u hierbij uw antwoorden van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land, waarin u het gebrek aan meerwaarde c.q. de nadelen van een afstandsnorm noemt, hierbij betrekken? Kunt u hierbij ook de brief van o.a. VNG, NVDE en VNO NCW over milieunormen betrekken?4
Zoals ook hierboven beantwoord, is de Kamer na de MR van 28 augustus geïnformeerd dat het kabinet kiest om de in het ontwerpbesluit opgenomen afstandsnorm van twee keer de tiphoogte van een windturbine met uitzonderingen te behouden. Een afstandsnorm biedt geen extra bescherming tegen hinder van windturbines, deze wordt immers al door de milieunormen over bijvoorbeeld geluid verzekerd. De afstandsnorm biedt enkel duidelijkheid aan burgers, omwonenden en bestuurders over de afstand tussen woningen en windturbines. In de verzonden Kamerbrief wordt toegelicht hoe de keuze recht doet aan het belang van de energieopgave enerzijds en aan de zorgen van omwonenden anderzijds.
Kunt u een concrete datum noemen waarop de Kamer de toegezegde brief alsnog kan verwachten? Kunt u toezeggen dat het besluit over landelijke normen alsnog in de eerstvolgende ministerraad, die gepland is voor 14 augustus 2026, wordt genomen?
De Kamer is op 28 augustus jl. over het besluit van het kabinet geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk 1 september 2026 beantwoorden, zodat er snel meer duidelijkheid komt?
Ja.
Een topografische kaart van heel Nederland |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Enneüs Heerma (CDA), Boekholt-O’Sullivan , Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw beantwoording van de door mij gestelde vragen over het bevorderen van het gebruik van kaarten van Nederland waarop ook de Caribische delen van het Koninkrijk worden weergegeven tijdens de begrotingsbehandeling van Koninkrijksrelaties op 8 oktober jl.?1
Deelt u vanuit grondwettelijk perspectief en vanuit de Nederlandse staatsinrichting en openbaar bestuur de opvatting dat Nederland ook Bonaire, Sint Eustatius en Saba omvat en dat een overzichtskaart die wordt gepresenteerd als een kaart van Nederland daarom in beginsel ook het Caribisch deel van Nederland zou moeten bevatten? Zo nee, waarom niet?
Welke rol spelen de beschikbaarheid en toegankelijkheid van officiële basisinformatie, zoals informatie over topografie, ondergrond, bestuurlijke gebieden en adressen, en brongegevens, zoals luchtfoto’s, voor kaartproducenten en andere makers van geografische producten en diensten? Herkent u dat de keuze om het Caribisch deel van Nederland wel of niet mee te nemen in basisinformatie en brongegevens een aanmerkelijke invloed heeft op of de BES-eilanden wel of niet op kaarten staan en in geografische producten en diensten zitten? Kortom, herkent u het beeld dat de Rijksoverheid aan het begin van de informatieketen staat?
Klopt het dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba momenteel ontbreken in de topografische basisbestanden van Nederland, de Basisregistratie Topografie (BRT), ook wel bekend als de TOPNL-producten? Klopt het dat de wettelijke grondslag om de BES-eilanden op te nemen al sinds 2020 wacht op inwerkingtreding?
Kunt u uitleggen waarom, ondanks een positieve business case, er nog geen opvolging gegeven lijkt te zijn aan het verwezenlijken van een datafundament op de eilanden? Welke besluiten van uw ministeries en het Kadaster zijn nodig om Bonaire, Sint-Eustatius en Saba op te nemen in officiële topografische bestanden zoals de BRT en overige geodata? Wanneer voorziet u dat deze besluiten genomen zullen worden?
Erkent u dat de Rijksoverheid zelf nog vaak kaarten van Nederland gebruikt waarop de BES-eilanden niet staan weergegeven? Bent u bereid als Rijksoverheid het goede voorbeeld te geven door bij overzichtskaarten van Nederland in de eigen communicatie ook Bonaire, Sint Eustatius en Saba weer te geven? Bent u bereid dit uitgangspunt vast te leggen in de rijksbrede communicatierichtlijnen en opdrachten?
Bent u tevens bereid te inventariseren op welke andere manieren vanuit de Rijksoverheid kan worden bijgedragen aan het bredere gebruik van kaarten waar heel Nederland in vertegenwoordigd is?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Eurostar naar Londen vaak te laat en duurder door gebrek aan grenscontrole: «Reiziger wordt dubbel gepakt»»?1
Deelt u de mening dat internationale treinen en het stimuleren van het gebruik hiervan een goed idee is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het stimuleren van het gebruik van internationale treinen bijdraagt aan het verduurzamen van internationale reizen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het verstandig is om de capaciteit van de treinen naar Londen zo maximaal mogelijk te gebruiken, zeker nu de vraag naar deze verbinding van reizigers alleen maar verder toeneemt?2 Zo nee, waarom niet?
Hoe rijmt het kabinet haar bureaucratische en starre houding dat de internationale trein naar Londen, anders dan bij Schiphol, geen «staatsbelang» is, maar een «privaat belang» zou zijn, met haar ambitie om internationaal treinverkeer te bevorderen?
Wat vindt u ervan dat er op Amsterdam Centraal, door gebrekkige capaciteit van de grenscontrole, slechts 450 passagiers in de trein kunnen worden toegelaten, terwijl er 900 zitplaatsen in de trein naar Londen zijn? Hoe legt u dit uit aan treinreizigers die nu onnodig achter het net vissen? En hoe legt u dit uit vanuit het oogpunt van het belang van duurzame mobiliteit?
Wat is de reden dat u niet mee wil werken aan het opschalen en optimaliseren van de grenscontroles voor de internationale trein naar Londen?
Vindt u het uit te leggen dat de grenscontroles op luchthavens en zeehavens niet worden doorberekend aan vliegtuigmaatschappijen en rederijen, maar dat voor de meest duurzame manier van reizen, de trein, de kosten van grenscontroles wel worden doorberekend? Wat is de reden dat de treinreizigers anders worden behandeld dan vliegtuigpassagiers? Hoe legt u dit uit aan treinreizigers die met hun keuze voor de trein kiezen voor een duurzamere manier van reizen?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat tot wel twee derde van de treinen vanuit Nederland naar Londen vertraging oplopen door de gebrekkige capaciteit bij de grenscontroles? Zo nee, waarom niet? Hoe legt u dit aan treinreizigers uit?
Wat is de reden dat sinds de invoering van het Entry/Exit-systeem (EES) de Koninklijke Marechaussee capaciteit niet is uitgebreid? Deelt u de mening dat de invoering van dit EU-systeem niet voor verantwoording kan komen van de treinmaatschappij en daarmee die van de treinreiziger? Zo nee, waarom niet?
Wat is de reden dat er nog steeds geen e-gates worden gebruikt bij de UK-terminal op Amsterdam Centraal? Wanneer gaat dit wel gebeuren?
Wat gebeurt er als Eurostar (of een andere vervoerder) de mogelijkheid op het spoor zou krijgen om vanwege de toegenomen vraag meer treinen te laten rijden? Zou dit dan worden geblokkeerd omdat er te weinig capaciteit bij de grenscontrole is? Vindt u dit aan reizigers uit te leggen?
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn, dus voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Asiel en Migratie, beantwoorden?
Veiligheid van bruggen |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Is het feit dat op basis van de beschikbare informatie geen aanwijzing voor een acuut veiligheidsrisico is, zoals de Minister schrijft in zijn brief van 8 oktober (2026Z21741), een garantie voor de veiligheid van de bruggen of een indicatie voor te weinig informatie?
Als het onmogelijk is om de volledige wapening van bepaalde constructies te onderzoeken, en het voorspanstaal in niet onderzochte delen wel aangetast kan zijn, hoe kan dan een acuut veiligheidsrisico worden uitgesloten? In hoeverre is hier spraken van «geen nieuws is goed nieuws»-redenering?
Waarom is het feit, dat er door de specialistische kennis die nodig is voor onderzoek en analyse het onderzoeksproces vertraging heeft opgelopen, aanleiding voor de conclusie van de Minister dat er geen acuut risico is? Is het niet ontdekken van acuut risico door achterstallig, of slechts oppervlakkig onderzoek, geen false-negative conclusie?
Is het feit dat er (nog) geen (grote) problemen zijn ontdekt bewijs dat er geen grote problemen zijn?
Hebben we alle informatie die nodig is?
Is het actuele inspectieregime alles wat we redelijkerwijs kunnen doen, is het voldoende voor wat we moeten doen, kunnen we doen wat we moeten doen of weten we niet (goed) wat we zouden moeten doen, om alle bruggen veilig te houden?
Kan u toelichten waarom de Kamer niet is geïnformeerd over het feit dat het inspectieregime tussen april 2025 en nu flink is aangepast?
Weten we nu, na de recente inspecties, materiaalonderzoeken en uitwisseling met Duitsland, beter dan twee jaar geleden of de bruggen veilig zijn?
Hoe beoordeelt u, terugkijkend, de claim van de vorige Minister, dat alle bruggen veilig zijn, ondanks dat alle hierboven uitgevoerde onderzoeken destijds nog niet waren verricht?
Klopt het dat veel of alle betroffen spanstaalbruggen, gezien hun constructiewijze, niet (goed) kunnen worden versterkt en dus vervangen moeten worden? Hoe verhoudt zich dit met de eerdere verwachte afschrijving/levensduur en het vervangingsregime?
Kunt u bij elk van de 16 bruggen aangeven wat hiervoor het gekozen regime voor controle, monitoring, aanpassing en vervanging is? Ook in de tijd en met een indicatie van structurele en incidentele kosten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar voor de begrotingsbehandeling IenW beantwoorden?
Dreigende stroomstoringen bij 800.000 aansluitingen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Netbeheerders vrezen voor stroomstoringen bij 800.000 aansluitingen: «Problemen bij zonnepanelen het grootst»»1 en de analyse «Kleinverbruikers en netcongestie» van Netbeheer Nederland?2
Hoe zorgwekkend vindt u de conclusie van Netbeheer Nederland: «Het aantal aansluitingen op een laagspanningsnet met een verhoogd storingsrisico stijgt naar verwachting van circa 400.000 in 2025 tot ongeveer 800.000 in 2035 – een verdubbeling dus»? Klopt het dat hierin de geplande verzwaringen en uitbreidingen van het elektriciteitsnet reeds zijn meegenomen?
Vindt u het niet heel cynisch dat deze problemen zich met name zullen voordoen «in gebieden met een hoge adoptie van laadpalen, warmtepompen en zonnepanelen»? Trekt u het zich aan dat u jarenlang met uw klimaat- en duurzaamheidspraatjes huishoudens laadpalen, elektrische auto’s, warmtepompen, zonnepanelen en andere groene gekte hebt aangesmeerd, terwijl juist díé huishoudens het hardst door stroomstoringen getroffen zullen worden? Wat gaat u doen om te voorkomen dat huishoudens letterlijk in het donker en de kou komen te zitten?
Staat u nog achter de conclusie: «De huidige knelpunten [betreffende netcongestie] worden vooral veroorzaakt door de snelle toename van duurzaam opgewekte energie en het groeiende duurzame energieverbruik»?3 Waarom blijft u willens en wetens doorgaan met de verdere uitrol van uw klimaat- en duurzaamheidsbeleid (zonne-energie, windenergie, warmtepompen, laadpalen, elektrische auto’s en wat dies meer zij) dat de problemen rond netcongestie juist vergróót?
Hoe reageert u op de stelling van Netbeheer Nederland: «De energietransitie verloopt in de praktijk mogelijk langzamer. Daardoor kan de toekomstige elektriciteitsvraag lager uitvallen dan in dit scenario wordt aangenomen. Dit vormt een onzekerheid in de analyse en kan leiden tot een overschatting van de problematiek»? Deelt u de conclusie dat een «langzaam verlopende energietransitie» weliswaar aanlokkelijk klinkt, maar het helemaal stoppen met uw obsessieve klimaat- en duurzaamheidsbeleid de allerbeste oplossing is?
Het NOS-bericht ‘Een derde aangevraagde stroom komt van datacenters, genoeg voor 15 miljoen huishoudens’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Vincent Karremans (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Een derde aangevraagde stroom komt van datacenters, genoeg voor 15 miljoen huishoudens»?1
Hoeveel procent van de huidige in Nederland aanwezige datacentercapaciteit is in handen, via direct eigenaarschap of proxy-bedrijf, van Amerikaanse hyperscalers? Kunt u bij het beantwoorden een overzicht geven van type en gebruik (work load)?
Hoeveel procent van de huidige in Nederland aanwezige capaciteit is in handen, via directe eigenaarschap of proxy-bedrijf, van Amerikaanse techbedrijven in het algemeen? Kunt u bij het beantwoorden een overzicht geven van type en gebruik (work load)?
Hoeveel capaciteit is er in Nederland in aanbouw of in de planning? Kunt u bij de beantwoording een uitsplitsing maken naar type en gebruik en naar eigenaarschap zoals gevraagd in vraag 2 en 3?
Welk type datacenters vindt u dat er in Nederland toegevoegde waarden hebben en waarom? Kunt u daarbij ingaan op Europese soevereiniteit?
Deelt u de mening dat de aanwezigheid van datacenters en verdere bouw ten goede moet komen aan de digitale ambities van de Europese Unie en de lokale economie?
Hoeveel van de totale rekenkracht is beschikbaar voor het Europese bedrijfsleven en industrie? Welk percentage vindt u daarin acceptabel?
Wat vindt u een acceptabel percentage van de dataopslag dat gebruikt wordt door oude opslag (mails, reclame, dubbele foto’s), hoeveel is dat nu en zou voor data ouder dan 5 jaar niet extra betaald moeten worden?
Bent u bereid om Europese soevereiniteit leidend te laten zijn in het bepalen van landelijke specifieke maatregelen voor de datacenters?
Bent u ook voornemens klimaateisen te stellen aan de locatiebepaling en vergunningverlening van datacenters, bijvoorbeeld aansluiting op hernieuwbare energiebronnen, gebruik van restwarmte of efficiënt stroomgebruik?
Hoelang duurt het voordat het gemiddelde midden- en kleinbedrijf aangesloten is op het elektriciteitsnet na een aanvraag?
Hoelang duurt het voordat het gemiddelde datacenter aangesloten is op het elektriciteitsnet na een aanvraag?
Op welke wijze stimuleert u Europese autonome datacenters?2
Kunt u deze vragen apart van elkaar beantwoorden?
De voorgenomen tracékeuze voor de 380 kV-hoogspanningsverbinding Diemen–Ens ter hoogte van Muiderberg en de Hollandse Brug. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van bewoners, ondernemers en recreatieorganisaties in de omgeving van Muiderberg en de Hollandse Brug over de voorgenomen ligging van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Diemen en Ens?
Klopt het dat het onderzochte voorkeurstracé ter hoogte van Muiderberg circa 300 meter afwijkt van het eerder door de regio voorgestelde tracé? Zo ja, wanneer en op basis van welke technische, ruimtelijke of financiële overwegingen is besloten hiervan af te wijken?
Welke rol heeft het regioadvies van de provincie Noord-Holland gespeeld bij de totstandkoming van het huidige voorkeurstracé? Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van dit advies niet zijn overgenomen, waarom hiervan is afgeweken en op welke wijze de betrokken medeoverheden hierover zijn geïnformeerd?
Deelt u de opvatting dat bij de aanleg van nieuwe hoogspanningsverbindingen zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij bestaande infrastructuur, zoals snelwegen en bestaande hoogspanningsverbindingen, om verdere versnippering van het landschap en aantasting van de leefomgeving te beperken? Zo ja, hoe is dit uitgangspunt toegepast bij de tracékeuze ter hoogte van de A6 en de Hollandse Brug?
Welke alternatieve tracés zijn onderzocht waarbij de nieuwe hoogspanningsverbinding dichter langs de A6 wordt gerealiseerd? Kunt u per alternatief inzichtelijk maken waarom dit wel of niet technisch uitvoerbaar wordt geacht en welke gevolgen dit heeft voor de kosten, de ruimtelijke inpassing en de omgeving?
Klopt het dat de aanwezigheid van een gasleiding een van de belemmeringen vormt om de hoogspanningsverbinding dichter langs de A6 aan te leggen? Zo ja, is onderzocht of deze gasleiding kan worden verlegd of dat andere technische maatregelen mogelijk zijn? Wat zijn hiervan de geraamde kosten en waarom is eventueel van deze mogelijkheden afgezien?
Kunt u aangeven hoeveel woningen, bedrijven en recreatievoorzieningen binnen een afstand van respectievelijk 100, 300 en 500 meter van het huidige voorkeurstracé liggen, en hoe deze aantallen zich verhouden tot een alternatief dat dichter langs de A6 wordt gerealiseerd?
Op welke wijze zijn de gevolgen van de voorgenomen hoogspanningsverbinding voor de bedrijfsvoering, uitbreidingsmogelijkheden en economische toekomst van de betrokken ondernemers onderzocht? Is daarbij ook gekeken naar mogelijke beperkingen voor agrarische bedrijven, recreatieondernemers en andere grondeigenaren?
Op welke wijze zijn bewoners, ondernemers, grondeigenaren en lokale overheden betrokken bij de afweging tussen de verschillende tracévarianten? Welke concrete bezwaren en alternatieven zijn vanuit de omgeving aangedragen en hoe zijn deze verwerkt in de besluitvorming?
Kunt u toelichten welke criteria en wegingsfactoren worden gehanteerd bij de uiteindelijke tracékeuze, waaronder technische uitvoerbaarheid, aanlegkosten, leveringszekerheid, natuur, landschap, gezondheid, woonomgeving en economische belangen? Kunt u daarbij inzichtelijk maken hoe deze belangen ten opzichte van elkaar worden gewogen?
Deelt u de opvatting dat eventuele meerkosten van een alternatieve tracéligging niet uitsluitend moeten worden afgezet tegen de directe aanlegkosten, maar ook tegen de maatschappelijke gevolgen voor bewoners, ondernemers, natuur en landschap? Zo ja, hoe wordt dit in de besluitvorming geborgd?
Bent u bereid om, voordat een definitieve tracékeuze wordt gemaakt, inzichtelijk te maken of een tracé dichter langs de A6 technisch en financieel haalbaar is en welke verschillen dit oplevert voor de gevolgen voor woningen, bedrijven, natuur en landschap? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de huidige tracékeuze opnieuw te beoordelen indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat een alternatief langs bestaande infrastructuur aantoonbaar minder gevolgen heeft voor omwonenden, ondernemers en natuur, zonder dat dit leidt tot onevenredige technische of financiële bezwaren?
De vestiging van de Amerikaanse medicijnfabriek Eli Lilly in Katwijk |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bertram , Herbert , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Katwijk kan haast geen nee zeggen tegen komst van enorme pillenfabriek» in Trouw?1
Klopt het dat er vanuit de Rijksoverheid en door Ministers druk is uitgeoefend op gemeente Katwijk en wethouders om te zorgen dat de pillenfabriek in Katwijk wordt toegelaten? Hebben Ministers hierover gebeld met Katwijkse bestuurders zoals in de krant staat? Zo ja, wat hebben de Ministers aan de gemeente Katwijk gevraagd? Zo nee, hoe is dit wel gegaan?
Waarom is in de bestuurlijke afspraken als voorwaarde opgenomen dat Eli Lilly zich daadwerkelijk in Katwijk vestigt? Welke overwegingen zijn daarbij gemaakt en wie is daarbij betrokken geweest? Op welke wijze is rekening gehouden met belangen van omwonenden, gezondheid, natuur en milieu? Kunt u per rijksbijdrage en per overige afspraak uiteenzetten welke gevolgen het heeft als Eli Lilly zich niet in Katwijk vestigt, waaronder welke bijdragen en afspraken in dat geval vervallen, worden gewijzigd of onverkort van kracht blijven?
Waarom zijn rijksmiddelen voor bereikbaarheid en afspraken over woningbouw gekoppeld aan de vestiging van één individueel bedrijf, terwijl de bestuurlijke afspraken zelf ook spreken over autonome verkeersgroei en over de reeds bestaande woningbouwopgaven in Valkenhorst en Zijlhoek-De Woerd?
Kunt u zich voorstellen dat dit als een vorm van chantage wordt gezien door inwoners van Katwijk? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat tijdens het overleg met de gemeente Katwijk de mogelijkheid aan de orde is geweest dat de Rijksoverheid of de provincie Zuid-Holland bevoegdheden zou inzetten indien de gemeente niet zou meewerken aan de vestiging van Eli Lilly? Zo ja, wanneer is dit besproken, door welke vertegenwoordigers van het Rijk en op welke wettelijke bevoegdheden werd daarbij gedoeld?
Kunt u in het kader van artikel 68 van de Grondwet een overzicht geven van de contacten die bewindspersonen, secretarissen-generaal, directeuren-generaal en andere vertegenwoordigers van het Rijk in maart en april 2025 met het gemeentebestuur van Katwijk hebben gehad over de mogelijke vestiging van Eli Lilly, inclusief datum, deelnemers en onderwerp van het contact? Bent u bereid de bijbehorende verslagen, e-mails en andere bestuurlijke stukken aan de Kamer te verstrekken?
Op welke informatie baseerde u aanvankelijk de verwachting dat de vestiging van Eli Lilly een belangrijke onderzoeks- en ontwikkelingscomponent zou bevatten? Wanneer werd u ervan op de hoogte dat informatie van Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) volgens het college van burgemeester en Wethouders van Katwijk juist leek te wijzen op «veel productie en weinig Research & Development», en heeft dit geleid tot een herbeoordeling van de meerwaarde van de vestiging voor het Leiden Bio Science Park?
Klopt het dat onder de Omgevingswet afzonderlijk toestemming kan worden verleend voor het realiseren van een industrieel gebouw, terwijl nog geen definitief besluit is genomen over de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteiten waarvoor dat gebouw is bedoeld? Zo ja, acht u het wenselijk dat hierdoor een megafabriek reeds grotendeels of geheel kan worden gebouwd voordat vaststaat dat het beoogde productieproces milieurechtelijk kan worden toegestaan? Welke mogelijkheden heeft u om de bouw op te schorten tot een besluit is genomen over de milieuvergunning, in het licht van de zorgen van de inwoners van Katwijk?
Deelt u de zorgen van omwonenden over het grote waterverbruik van de beoogde fabriek van Eli Lilly, mede gezien de bestaande druk op de drinkwatervoorziening in de regio? Kunt u schetsen hoeveel water de megafabriek gaat verbruiken en hoeveel huishoudens met die hoeveelheid zouden kunnen worden voorzien?
Hoe wordt geborgd dat het watergebruik van de fabriek niet ten koste gaat van de drinkwatervoorziening voor inwoners, natuur, woningbouw en andere maatschappelijke functies, en dat lozingen van proces- en afvalwater geen negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit?
Hoe beoordeelt u de zorgen van omwonenden over de mogelijke gevolgen van luchtverontreiniging, chemische emissies, geluid, geur en andere milieubelasting van de megafabriek voor hun gezondheid en leefomgeving, in het bijzonder voor kinderen en toekomstige bewoners van Valkenhorst? Bent u bereid te bevorderen dat vóór ingebruikname een onafhankelijke nulmeting wordt uitgevoerd?
Begrijpt u de zorgen van omwonenden over de opslag en het gebruik van grote hoeveelheden brandbare en andere gevaarlijke stoffen op een locatie nabij bestaande en toekomstige woongebieden en recreatievoorzieningen? Hoe wordt gewaarborgd dat gedurende de gehele bedrijfsduur onafhankelijk wordt gecontroleerd op de hoeveelheden gevaarlijke stoffen, de Seveso-drempelwaarden en de naleving van veiligheidsvoorschriften, en dat omwonenden vooraf duidelijk weten wat zij bij een calamiteit moeten doen?
Bent u bereid om te overleggen met gemeente Katwijk en haar inwoners om te kijken of de komst van de megafabriek alsnog moet worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en met spoed beantwoorden, gezien het besluitvormingsproces?
De gewichtsbeperking op de Houtribdijk |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de voorgenomen gewichtsbeperking voor de Houtribbruggen op de N307 tussen Enkhuizen en Lelystad?1
Kunt u een overzicht geven van de inspecties, onderzoeken, risicoanalyses en onderhoudsmaatregelen die sinds 2019 aan de Houtribbruggen zijn uitgevoerd?
Klopt het dat in inspectierapporten uit 2019 werd geconcludeerd dat beide bruggen aan de zijde van Lelystad in matige staat verkeerden, waarbij één brug als «einde levensduur» werd aangemerkt?
Welk vervolg heeft Rijkswaterstaat gegeven aan het advies uit 2019 om te onderzoeken of de Houtribbruggen nog geschikt waren voor het inmiddels zwaardere verkeer?
Welk vervolg heeft het ministerie gegeven aan het advies uit 2019 om te onderzoeken of de Houtribbruggen nog geschikt waren voor het inmiddels zwaardere verkeer?
Welke planning bestond in september 2024 voor de vervanging van de Houtribbruggen, gelet op de toenmalige mededeling van Rijkswaterstaat dat de voorbereiding van deze vervanging reeds was gestart?
Waarom heeft de in 2024 aangekondigde voorbereiding van de vervanging tot op heden niet geleid tot een concrete uitvoeringsplanning?
Waarom zijn de in januari 2026 opnieuw geconstateerde scheuren niet direct hersteld?
Op welk moment concludeerde Rijkswaterstaat voor het eerst dat een gewichtsbeperking voor zwaar verkeer noodzakelijk zou worden?
Op welke constructieve berekeningen zijn de grenswaarden van maximaal 15 ton totaalgewicht respectievelijk 7,3 ton aslast gebaseerd?
Welke tijdelijke technische maatregelen heeft Rijkswaterstaat onderzocht om zwaar verkeer geheel of gedeeltelijk gebruik te laten blijven maken van de Houtribdijk?
Welke mogelijkheden ziet u voor een gedifferentieerde toegang tot de Houtribbruggen op basis van bijvoorbeeld voertuigtype, asconfiguratie, belading of tijdstip?
Op welke datum treedt de gewichtsbeperking naar verwachting daadwerkelijk in werking?
Met welke minimale duur van de gewichtsbeperking houdt Rijkswaterstaat momenteel rekening?
Welke werkzaamheden zijn volgens de huidige inzichten noodzakelijk om het Houtribcomplex weer zonder gewichtsbeperking beschikbaar te maken?
Wat is de actuele kostenraming voor de structurele aanpak van het Houtribcomplex?
Welk deel van de geraamde kosten voor de structurele aanpak van het Houtribcomplex is momenteel financieel gedekt?
Welke gevolgen heeft de noodzaak van een gewichtsbeperking voor de positie van het Houtribcomplex binnen het landelijke afweegkader voor beheer, onderhoud, vervanging of renovatie, mede gelet op het feit dat Rijkswaterstaat heeft aangegeven deze aanpak in het najaar van 2026 binnen dit afweegkader aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd?
Welke maatschappelijke of economische gevolgen van de gewichtsbeperking heeft Rijkswaterstaat voorafgaand aan het besluit in kaart gebracht?
Hoeveel vrachtwagens maken volgens de beschikbare verkeersgegevens van Rijkswaterstaat gemiddeld per etmaal gebruik van de Houtribdijk? Transport en Logistiek Nederland spreekt volgens berichtgeving over circa 1.500 vrachtwagens per dag.2
Welke gevolgen verwacht u van de gewichtsbeperking voor agrarische logistieke ketens die gebruikmaken van de verbinding tussen Noord-Holland, Flevoland of Oost-Nederland, waaronder het vervoer van melk, veevoer, bloembollen, vee of pluimvee op het niveau van de bredere logistieke keten?
Welke extra verkeersbelasting verwacht Rijkswaterstaat op de A6, A7, A1 of A10 als gevolg van het omleiden van zwaar verkeer vanaf de Houtribdijk?
Welke mogelijkheden bestaan voor nadeelcompensatie aan ondernemingen die aantoonbaar onevenredige schade ondervinden van een langdurige gewichtsbeperking op de Houtribdijk?
Welke extra kosten door de vrachtwagenheffing verwacht u voor vrachtverkeer dat als gevolg van de gewichtsbeperking moet uitwijken naar heffingsplichtige routes?
Bent u bereid de Kamer vóór de inwerkingtreding van de gewichtsbeperking te informeren over het concrete tijdpad voor de structurele aanpak van het Houtribcomplex?
Als vrachtverkeer zoveel moet omrijden, kan er dan wel een extra vrachtwagenheffing gevraagd worden?
De weerbaarheid van het Nederlandse spoor naar aanleiding van de sabotage op Prinsjesdag. |
|
Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De buis tussen de rails was precies op maat gemaakt. Wat de sabotage op Prinsjesdag zegt over de veiligheid van het spoor» en met de daarin beschreven sabotage van het spoor op Prinsjesdag?1
Welke economische en maatschappelijke schade is als gevolg van deze sabotage ontstaan, bijvoorbeeld door uitgevallen treinen, vertragingen van reizigers of de inzet van ProRail en andere organisaties? Kunt u hiervan een inschatting geven?
Heeft u in beeld wat de potentiële economische en maatschappelijke schade zou zijn wanneer een vergelijkbare sabotageactie langer duurt, vaker voorkomt, of op grotere schaal plaatsvindt?
Hoe beoordeelt u het feit dat op tientallen verschillende locaties vrijwel gelijktijdig sabotage kon plaatsvinden? Wat zegt dit volgens u over de weerbaarheid van het Nederlandse spoornetwerk?
In hoeverre waren ProRail en andere betrokken partijen voorbereid op een scenario waarbij op grote schaal en op meerdere locaties tegelijkertijd sabotage plaatsvindt?
In het artikel wordt gewezen op de grote omvang van het Nederlandse spoornetwerk en de beperkte mogelijkheden om het gehele netwerk fysiek te bewaken. Welke mogelijkheden zijn er om kwetsbare delen van het spoor beter te beschermen tegen sabotage, en wat zouden deze maatregelen kosten?
De daders zijn bij de sabotage grotendeels buiten het bestaande cameratoezicht gebleven. Wat zegt dit volgens u over de effectiviteit van het huidige toezicht en welke mogelijkheden ziet u om sabotage sneller te signaleren?
ProRail heeft naar aanleiding van de sabotage onder andere gewezen op de mogelijke inzet van drones voor toezicht op het spoor. Hoe beoordeelt u deze mogelijkheid en welke andere maatregelen worden onderzocht om sabotage eerder te detecteren?
Welke lessen trekt u uit de sabotage op Prinsjesdag voor de weerbaarheid van het Nederlandse spoor en tot welke concrete aanvullende maatregelen leiden deze lessen?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Openbaar vervoer en taxi van 13 oktober 2026?
Bent u bekend met de berichten «Minister blij met enorme woontorens bij Arena: «Uitstekend bereikbare plek»»1 en «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»?2
Klopt het dat u gisteren bij het startsein van het Eleven Square project heeft gezegd «dat er vanwege de woningnood plannen nodig zijn «die daadwerkelijk van de tekentafel komen»»?
Bent u bekend met het feit dat de vergunning voor dit project dateert uit een tijd waarin ontwikkelaars nog maximaal 30 procent sociale huur hoefden te bouwen en de resterende 70 procent mochten aanvullen met vrijesectorwoningen?
Bent u bekend met het feit dat Amsterdam sindsdien eisen heeft ingevoerd die ontwikkelaars verplichten 40 procent sociale huur en 40 procent middenhuur en/of betaalbare koop te bouwen, waardoor maar 20 procent overblijft voor vrijesectorwoningen? Een verplichting die nog strenger is dan uw eigen 30 procent sociaal en twee derde betaalbaar verplichting? Wat vindt u hiervan? Vindt u het onwenselijk dat zij strengere eisen stellen aan betaalbaarheid dan het landelijk kader? Zo niet, hoe strookt dat dan met uw mededelingen aan de Kamer om lokale koppen zoveel mogelijk tegen te gaan?
Hoe beoordeelt u de opvatting uit het Telegraaf-artikel dat «veel bouwprojecten [door het Amsterdamse 40-40-20 beleid] financieel niet of nauwelijks haalbaar zijn, ook voor pensioenfondsen»? Erkent u deze gevolgen ook? Zo niet, hoe strookt uw ontkenning van deze gevolgen dan met het in opdracht van uw ministerie uitgevoerde onderzoek «Betaalbaar bouwen» van het Instituut voor Publieke Economie (IPE)?
Hoe rijmt u de door u uitgesproken noodzaak voor plannen «die daadwerkelijk van de tekentafel komen» met uw voornemen om vergelijkbare betaalbaarheidverplichtingen op landelijk niveau in te voeren, die juist als gevolg hebben dat woningbouwplannen minder snel van de tekentafel komen?
Hoe beoordeelt u de opvatting van sommigen dat het een beetje hypocriet kan lijken om dit bouwplan te vieren als een oplossing voor het probleem, terwijl dit bouwplan onder uw nieuwe regels nooit van de grond zou komen? Is uw beleid dan nog wel onderdeel van de oplossing voor het woningtekort? En zou u dan niet beter een koerscorrectie kunnen doen?
In het verleden (zoals in uw appreciatie op Kamerstuk 28 325, nr. 320) heeft u aangegeven dat het schrappen van betaalbaarheidsverplichtingen zou betekenen dat er te weinig nieuwe woningen op de markt komen voor lagere en middeninkomens; heeft u uw visie op dit thema bijgesteld naar aanleiding van het IPE-onderzoek «Betaalbaar bouwen»? Zo niet, op basis van welke argumentatie wijst u dan de opvatting af dat er alsnog nieuwe woningen beschikbaar kunnen komen voor lagere en middeninkomens door doorstroming, waarbij mensen met hoge inkomens hun oude huis achterlaten, welke weer bewoond zou kunnen worden door mensen met een middeninkomen (en zo verder)? Gelooft u niet in doorstroom?
Regels |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bereid de verplichte externe toetsing van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor kantooromgevingen te schrappen of meer risicogestuurd vorm te geven?
Bent u bereid de preventieve ontslagtoets te hervormen, zodat ontslag in beginsel achteraf door de rechter wordt getoetst?
Bent u bereid de regels in de Nederlandse Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zo aan te passen dat de meldplicht meer aansluit bij de Europese norm van verdachte in plaats van de norm voor ongebruikelijke transacties?
Bent u bereid de verplichting voor horecaondernemers om wijzigingen van leidinggevenden telkens op de vergunning bij te schrijven te schrappen? Wanneer voert u de aangenomen motie Kisteman uit die hierover gaat?1
Bent u bereid de jaarlijkse keuringsplicht voor veilige arbeidsmiddelen te vereenvoudigen en sterker risicogestuurd te maken?
Bent u bereid het uitzenden van EK- en WK-voetbalwedstrijden op dorps- en stadspleinen voor horecagelegenheden tot 5.000 bezoekers kosteloos mogelijk te maken?
Bent u bereid Engels, Frans en Duits op productetiketten toe te staan, zodat ondernemers eenvoudiger producten in andere Europese landen kunnen inkopen?
Bent u bereid de vergunningsplicht voor festivalpodia die door een langere opbouwperiode meer dan 31 dagen aanwezig zijn, te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid de minimumoppervlakte van 35 m2 voor horecagelegenheden die alcohol willen schenken te schrappen, zodat meer pittoreske horecazaken van de grond kunnen komen en geen van deze zaken in de knel zitten?
Bent u bereid de rapportageverplichting over zeer zorgwekkende stoffen op componentenniveau te vereenvoudigen en te vervangen door een beter uitvoerbare, risicogerichte aanpak?
Bent u bereid voor aantoonbaar veilige, terugkerende lokale evenementen een meerjarige vertrouwensvergunning mogelijk te maken?
Bent u bereid af te zien van de huidige wettelijke termijn van maximaal twaalf dagen voor een tijdelijke alcoholvergunning en dit bijvoorbeeld te koppelen aan de duur van het evenement?
Bent u bereid de Nederlandse meldingsdrempel voor substantiële aandeelhoudersbelangen te verhogen van 3% naar de Europese norm van 5%?
Bent u bereid de nationale meldplicht voor bruto shortposities bij 3% te schrappen, zodat Nederland aansluit bij de Europese norm?
Bent u bereid de bijkantoorverplichting voor beleggingsondernemingen uit derde landen die diensten verlenen aan Nederlandse niet-professionele beleggers te schrappen?
Bent u bereid het dispensatieproces bij algemeen verbindend verklaarde cao’s te hervormen, zodat ondernemingen met een eigen cao en gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden in beginsel dispensatie krijgen?
Bent u bereid de wettelijke werkingssfeerbepalingen van cao’s te verduidelijken, zodat innovatieve en gemengde bedrijven niet onder een cao vallen die niet aansluit bij hun feitelijke activiteiten?
Bent u bereid de bewaartermijn voor blootstellingsregistraties van CMR- en reprotoxische stoffen te verkorten en meer in lijn te brengen met de Europese richtlijn?
Bent u bereid de verplichting om psychosociale arbeidsbelasting in de RI&E op te nemen te vereenvoudigen, zodat deze minder een papieren tijger en meer risicogestuurd wordt?
Bent u bereid de nationale CO2-ketensturing bij de implementatie van de Europese richtlijn Renewable Energy Directive (RED) III te schrappen?
Bent u bereid de nationale sectorsturing bij de implementatie van RED III te schrappen?
Bent u bereid de grenswaarde voor de rapportageplicht werkgebonden personenmobiliteit te verhogen, zodat minder bedrijven en toeleveranciers hierover hoeven te rapporteren?
Bent u bereid de regels rond vergunningen voor mengformules te hervormen, zodat horecaondernemers bijvoorbeeld olijfolie of servies kunnen verkopen zonder onnodige vergunningsproblemen?
Bent u bereid meerdere regulatory sandboxes voor AI mogelijk te maken, naast de reeds bestaande verplichte sandbox die volgt uit de AI-verordening?
Bent u bereid de regulatory sandbox onder de Verordening Cyberweerbaarheid snel, breed toegankelijk en bruikbaar in te richten voor midden- en kleinbedrijven (mkb) en start-ups?
Bent u bereid belemmerende regelgeving voor de uitbreiding van Nederlandse cloud- en datacentercapaciteit weg te nemen, onder meer door minder terughoudend te zijn over datacenter versnellingszones uit de Cloud and AI Development Act (CADA)(Verordening cloud- en AI-ontwikkeling)?
Bent u bereid de werkkostenregeling ingrijpend te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door gerichte vrijstellingen samen te voegen met de vrije ruimte?
Bent u bereid de dubbele conformiteitsverklaring voor installateurs van reeds CE-goedgekeurde kleine airco’s en warmtepompen te schrappen?
Bent u bereid de actieve provisietransparantieverplichting voor schadeverzekeringstussenpersonen te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm?
Bent u bereid de aparte vergunningsplicht voor interne bedrijfsborrels en bedrijfsfeesten te schrappen wanneer voor het pand al een gebruiksvergunning geldt?
Bent u bereid de omgevingsvergunning voor buitenreclame aan een eigen bedrijfspand af te schaffen, behoudens situaties waarin aantoonbaar sprake is van excessen?
Bent u bereid de uitwegvergunning voor het aanleggen van een oprit of inrit naar de openbare weg af te schaffen of sterk te vereenvoudigen?
Bent u bereid gemeenten niet langer de mogelijkheid te bieden om voor kleine percelen en gemiddelde particuliere tuinen een kapvergunning te eisen?
Bent u bereid de verplichting voor kleine werkgevers om formeel verzuimbeleid op te stellen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid vaker algemene einde-afvalcriteria vast te stellen, zodat circulaire ondernemers niet per afzonderlijk geval hoeven te bewijzen dat gerecyclede materialen geen afval meer zijn?
Bent u bereid de massabalanssystematiek ook voor bioLNG toe te staan, zodat de Nederlandse industrie niet achterloopt op landen als Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië?
Bent u bereid de Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (ARIE)-systematiek te hervormen, door overlap met andere verplichtingen weg te nemen en de plicht beter te richten op ondernemingen met daadwerkelijk relevante risico’s?
Bent u bereid bij de verplichting om dieselmotoren te vervangen door elektrische of andere aandrijving niet alleen technische haalbaarheid, maar ook de financiële proportionaliteit te laten meewegen?
Bent u bereid de verplichting tot periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek beter te koppelen aan de concrete risico’s uit de RI&E, om zo dubbel werk te voorkomen?
Bent u bereid horecaondernemers de mogelijkheid te geven af te zien van de verplichte bijdrage aan het Horeca Ontwikkel Platform (HOP)?
Bent u bereid een landelijke, uniforme procedure of digitaal loket in te voeren voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking in dienst willen nemen?
Bent u bereid de aanvraag en administratie rond betaald ouderschapsverlof voor werkgevers te vereenvoudigen, in het bijzonder bij gespreid of gewijzigd opgenomen verlof?
Bent u bereid wettelijk te verduidelijken wanneer een werkgever voldoende gelegenheid tot verbetering heeft geboden aan een disfunctionerende werknemer, door dit in tijd te maximeren?
Bent u bereid de begeleidingsplicht van werkgevers bij een disfunctionerende werknemer te verduidelijken, bijvoorbeeld door middel van voldoende duidelijke criteria waaronder werkgevers aan deze verplichting hebben voldaan?
Bent u bereid het aanvraagproces voor de expatregeling te vereenvoudigen door gegevens die al bij de Belastingdienst bekend zijn automatisch te benutten?
Bent u bereid het aanvraagformulier voor de expatregeling volledig digitaal beschikbaar te maken en verzending per post af te schaffen?
Bent u bereid de gemeentelijke exploitatievergunning voor de horeca af te schaffen wanneer een Alcoholwetvergunning voldoende waarborgen biedt?
Bent u bereid de terrasvergunning af te schaffen wanneer de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voldoende mogelijkheden biedt om overlast te voorkomen en aan te pakken?
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om de regionale economie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?2
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om innovatie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?3
Bent u bereid samen met gemeenten, provincies en waterschappen landelijke standaarden voor lagere regelgeving te ontwikkelen en uit te breiden?
Bent u bereid de meldingsplicht voor zorgfusies bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) samen te voegen tot één melding en één procedure?
Bent u bereid de Nederlandse meldplicht voor mogelijk schadelijke levensmiddelen risicogerichter in te richten en meer in lijn te brengen met de praktijk in vergelijkbare landen, zoals België?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat niet iedere werkgever een afzonderlijke pas voor een beveiliger hoeft aan te vragen, hetgeen zeker voor veel rompslomp zorgt als wordt gewerkt met oproepkrachten, bijvoorbeeld door een persoonsgebonden beveiligingspas (in de evenementenbranche) mogelijk te maken?
Bent u bereid een geruisloze omzetting van pensioenvermogen in een pensioen-bv naar een verzekeraar mogelijk te maken, zodat administratieve lasten het pensioenvermogen niet uithollen?
Bent u bereid de ACM de bevoegdheid te geven om onder een fictieve identiteit mystery shopping toe te passen bij de controle op onveilige of niet-conforme producten?
Bent u bereid de nationale koppen bij exportkredietverzekeringen systematisch te schrappen, zodat Nederlandse bedrijven niet strenger worden behandeld dan hun buitenlandse concurrenten, bijvoorbeeld ten aanzien van de Common Approaches?
Bent u bereid het bonusplafond verder te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm, bijvoorbeeld door fintechbedrijven uit te zonderen?
Bent u bereid de verplichte ziekmelding na 42 weken samen te voegen met de eerstejaarsevaluatie?
Bent u bereid de informatieverplichtingen voor financieel adviseurs over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van klanten proportioneel en meer op maat vorm te geven?
Bent u bereid voor tijdelijke verkeersmaatregelen bij één project één aanvraag en één besluit mogelijk te maken?
Bent u bereid een landelijk erkende verkeersontheffing in te voeren voor aannemers die met identieke voertuigen en werkzaamheden in meerdere gemeenten actief zijn?
Bent u bereid de vooraanmelding en startmelding voor mesttransport samen te voegen tot een startmelding?
Bent u bereid de digitale afgiftebevestiging van een erkende inzamelaar te laten gelden als de afvalstoffenadministratie van autobedrijven voor banden, accu’s en vergelijkbare afvalstoffen?
Bent u bereid een lichter opslagregime of duidelijke uitzondering in te voeren voor beperkte dagelijkse werkvoorraden van onder meer olie, verf, spuitbussen, reinigingsmiddelen en accu’s?
Bent u bereid bij een ongewijzigd productieproces geen volledig nieuw onderzoek naar zeer zorgwekkende stoffen te eisen en een actualiteitsverklaring te laten volstaan?
Bent u bereid de voorwaarden voor autonoom of op afstand bestuurd varen risicogestuurd te maken, zodat een volgboot alleen verplicht is wanneer de concrete omstandigheden dat noodzakelijk maken?
Bent u bereid een landelijke experimenteerontheffing mogelijk te maken voor een reeks vergelijkbare proeven met autonoom varende schepen?
Bent u bereid de wettelijke, gedetailleerde definitie van roomijs te schrappen?
Bent u bereid de toegankelijkheidseis voor een verplichte privébuitenruimte bij reguliere woningen te versoepelen, zodat een hoogteverschil van meer dan 2 cm niet altijd met een hellingbaan hoeft te worden overbrugd?
Bent u bereid voor alle woonfuncties een collectieve, afsluitbare buitenberging als alternatief voor een individuele buitenberging mogelijk te maken?
Bent u bereid de eisen aan de rechtstreekse bereikbaarheid en toegankelijkheid van buitenbergingen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid bij reguliere woningen een gemeenschappelijke buitenruimte als alternatief voor een verplichte privébuitenruimte toe te staan?
Bent u bereid de eis te versoepelen dat een niet-gemeenschappelijke buitenruimte rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied?
Bent u bereid tijdelijke huurcontracten voor meer groepen toe te staan, bijvoorbeeld voor drie of vijf jaar?
Bent u bereid klein en slechts tijdelijk ingezet bouwmaterieel vrij te stellen van de generieke emissiereductieplicht?
Bent u bereid de informatie- en administratieplicht voor bouwmaterieel bij kleine en kortdurende bouwprojecten te beperken?
Bent u bereid de technische geluidseisen voor tijdelijke woningen zoveel mogelijk te harmoniseren, zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke bescherming van bewoners?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor toiletruimten in nieuwbouwwoningen te schrappen?
Bent u bereid de verplichting dat 55% van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied moet gelden te herzien?
Bent u bereid de verplichting tot een tweede trappenhuis in woongebouwen risicogestuurd te hervormen, zodat alternatieve brandveiligheidsmaatregelen mogelijk zijn?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor badruimten in nieuwbouwwoningen te flexibiliseren?
Bent u bereid de brede reikwijdte van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) boven de Europese richtlijn te schrappen en de regeling te beperken tot consumentenzaken?
Bent u bereid de verplichte notariële akte voor de uitgifte of overdracht van kleine aandelenbelangen aan werknemers in een bv te schrappen en een onderhandse akte mogelijk te maken?
Bent u bereid de digitale loonstrook als standaard in te voeren, met een papieren loonstrook uitsluitend op verzoek van de werknemer?
Bent u bereid een dakkapel aan de voorzijde van een woning landelijk vergunningsvrij te maken, met eenduidige maatvoeringseisen?
Bent u bereid de grens van € 125.000 voor een verplicht accountantsproduct bij subsidievaststelling te indexeren naar het prijsniveau van 2026?
Bent u bereid een materialiteitsdrempel en de mogelijkheid van verzamelmeldingen in te voeren voor terugmeldingen over verschillen tussen het UBO-register en cliëntenonderzoek?
Bent u bereid de afzonderlijke opgave van bestuurders als pseudo-UBO te schrappen en deze gegevens automatisch te laten volgen uit de inschrijving in het Handelsregister?
Bent u bereid de verplichting voor gemeenten om bij nieuwbouw hoge minimumeisen aan fietsparkeerplaatsen te stellen te versoepelen, waaronder de verplichting om rekening te houden met grotere fietsen?
Bent u bereid de verplichte kennisgeving te schrappen wanneer na een aanvraag blijkt dat geen omgevingsvergunning nodig is?
Bent u bereid de mogelijkheid voor gemeenten om opkoopbescherming toe te passen te beperken tot goedkope koopwoningen en dus middeldure koopwoningen daarvan uit te zonderen?
Bent u bereid de mogelijkheid van de digitale notariële akte te verbreden tot alle akten waarbij fysieke waarneming door de notaris niet noodzakelijk is?
Bent u bereid voor eenvoudige ziektegevallen, zoals licht en voorzienbaar letsel, een vereenvoudigde re-integratieprocedure mogelijk te maken wanneer werkgever en werknemer daarmee instemmen?
Bent u bereid de eis te schrappen dat postvervoerders met een omzet van € 2 miljoen of meer minimaal 80% van hun postbezorgers een arbeidsovereenkomst moeten aanbieden?
Bent u bereid de reikwijdte van het Digitaal Opkopers Register (DOR) te beperken voor voertuigcategorieën, bijvoorbeeld door aanhangers uit te zonderen, temeer omdat er vaak al een RDW-registratieplicht geldt?
Bent u bereid de verkoop van geneesmiddelen op afstand niet alleen via een website, maar ook via een app mogelijk te maken?
Bent u op de hoogte van dit artikel en kunt u hier reactie op geven?1
Hoe verklaart u dat Nederland enerzijds deze zomer kampte met een feitelijk watertekort, terwijl nu blijkt dat bijna 350.000 woningen kwetsbaar zijn wanneer in korte tijd zeer veel regen valt? Kunt u daarbij ingaan op de tegenstelling dat Nederland in een kwestie van weken van een watertekort naar een wateroverschot zou gaan?
Hoeveel liter regenwater wordt in Nederland jaarlijks via sloten, kanalen, gemalen en rivieren afgevoerd terwijl dit water, technisch gezien, ook geheel of gedeeltelijk had kunnen worden vastgehouden? Wilt u uw antwoorden kwantificeren per waterwerk?
Acht u het wenselijk om grote bedrijventerreinen, distributiecentra en andere locaties met grote (verharde) oppervlakken verplicht meer regenwater op eigen terrein te laten opvangen en hergebruiken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat we in Nederland nooit een tekort aan water hebben, maar dat het probleem gelegen is in het feit dat we het water niet op het juiste moment vasthouden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Welk deel van de extreme neerslag wordt momenteel tijdelijk geborgen of infiltreert in de bodem en welk deel wordt zo snel mogelijk afgevoerd?
Hoe denkt u over een waterlabel? Kunt u daarbij ingaan op de effecten van zo’n label en de financiële gevolgen voor Nederlandse woningzoekenden en woningeigenaren?
Hoeveel woningen zijn er de laatste vijf jaar gebouwd en hoeveel woningen worden er de komende jaren nog gebouwd waarvan bekend is dat zij op locaties staan die kwetsbaar zijn voor extreme neerslag? Om welke locaties gaat het?
Waarom bestaan er voor nieuwbouwwoningen wel landelijke eisen ten aanzien van bijvoorbeeld oververhitting, maar geen uniforme landelijke minimumeis voor de hoeveelheid regenwater die op eigen perceel moet worden vastgehouden of opgevangen?
Welke financiële gevolgen kunnen de nieuwe inzichten over waterlastrisico’s hebben voor de waarde van woningen van huiseigenaren?
Kunt u inzichtelijk maken of, en zo ja hoeveel, het goedkoper is om bij nieuwbouw direct voldoende waterberging en infiltratievoorzieningen aan te leggen ten opzichte van het achteraf aanpassen van een wijk wanneer wateroverlast ontstaat?
Het aankoopbeleid voor woningen bij nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Onderschrijft u dat de aanleg van een nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding een grote impact kan hebben op de woonomgeving en het woongenot van omwonenden, ook wanneer een woning niet hoeft te worden gesloopt of onteigend?
Kunt u nader toelichten waarom bij het aankoopbeleid voor eigenaar-bewoners is gekozen voor aankoop tegen de actuele marktwaarde?1
Waarom heeft u besloten dat kosten die verband houden met de verhuizing voor de eigen rekening van de eigenaar-bewoner blijven, bijvoorbeeld kosten voor verhuizing, overdrachtsbelasting, dubbele woonlasten, notariskosten en hypotheekadvies?
Hoe wordt omgegaan met woningen met kenmerken die moeilijk tegen marktwaarde vervangbaar zijn, zoals mantelzorgvoorzieningen, aangepaste woonvoorzieningen of ruimte voor een aan huis verbonden beroep?
Acht u het aannemelijk dat iedere eigenaar-bewoner met uitsluitend de marktwaarde van de huidige woning in staat is om een woning te kopen die naar omvang, ligging en woongenot vergelijkbaar is met de verkochte woning? Zo nee, in hoeverre is dan daadwerkelijk sprake van de door het kabinet beoogde keuzevrijheid zoals verwoord in de titel van het convenant met TenneT «Keuzevrijheid voor omwonenden nieuwe hoogspanningsverbindingen»?
Waarom hebben de bewoners tot slechts zes maanden na het onherroepelijk worden van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het projectbesluit de keuze om van het aanbod gebruik te maken? Wat gebeurt er als voor bewoners na die termijn de gevolgen voor bijvoorbeeld het woongenot duidelijk wordt?
Hoe verhoudt de keuze voor het aankopen van woningen tegen uitsluitend de marktwaarde zich tot de doelstelling om de belangen van omwonenden beter te borgen en besluiten sneller en met meer draagvlak tot stand te laten komen?
Bent u bereid om een hogere vergoeding te overwegen voor eigenaar-bewoners die aangeven te willen verhuizen en bijvoorbeeld te zorgen voor een schadeloosstelling? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om het aankoopbeleid in samenspraak met provincies en gemeenten te evalueren? Bent u bereid daarbij specifiek te onderzoeken of bewoners daadwerkelijk in staat zijn geweest een passende vervangende woning te vinden en of bijkomende kosten een belemmering vormden om van het aanbod gebruik te maken? Zo nee, waarom niet?
De onderbouwing van beekdalmaatregelen bij de Tungelroyse Beek |
|
Femke Wiersma (BBB), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bertram , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de meetgegevens van Waterschap Limburg voor de Tungelroyse Beek en de Raam en de discrepantie daarmee met het Deltares-rapport Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor Kader Richtlijn Water (KRW)-doelbereik nutriënten?
Klopt het dat de Tungelroyse Beek behoort tot de 17 beken waarvoor in de verdiepingsbijlage bij de Kamerbrief een bufferzone van 250 meter wordt voorzien, op basis van het Deltares-scenario «250m extensief nat», waarin voor deze waterlichamen een verbetering van de KRW-oordeelklasse voor stikstof wordt berekend (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 87, verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3)? Kunt u inzichtelijk maken welke meetgegevens, brongegevens en modelaannames specifiek voor de Tungelroyse Beek aan deze conclusie ten grondslag liggen?
Klopt het dat waterlichamen waarvan meer dan 50 procent van de nutriëntenbelasting afkomstig is uit het buitenland, door Deltares juist buiten deze selectie zijn gehouden, omdat beekdalmaatregelen daar volgens het onderzoek minder dan 1 procent reductie van de nutriëntenconcentratie opleveren?
Hoe verklaart u in dat licht dat uit de openbare meetgegevens van Waterschap Limburg blijkt dat de stikstofconcentratie in de Tungelroyse Beek vóór de samenkomst met de Raam zeer laag is, terwijl in de Raam bij de Belgische grens een aanzienlijk hogere concentratie wordt gemeten en de concentratie in de Tungelroyse Beek na de samenkomst sterk hoger ligt? Kunt u onderbouwen dat de buitenlandse bijdrage aan de nutriëntenbelasting van de Tungelroyse Beek daadwerkelijk minder dan 50 procent bedraagt?
Kunt u de volledige onderliggende meetgegevens, bronverdeling en berekeningen per KRW-waterlichaam openbaar maken waarmee is bepaald welke waterlichamen voor meer dan 50 procent door buitenlandse aanvoer worden beïnvloed en welke waterlichamen tot de selectie voor beekdalmaatregelen behoren? Zo nee, waarom niet?
Hoe is bij deze berekeningen rekening gehouden met buitenlandse nutriënten die via een bovenstrooms Nederlands KRW-waterlichaam, zoals de Raam, vervolgens een ander Nederlands KRW-waterlichaam instromen? Blijft deze belasting in de gebruikte bronnenanalyse ook stroomafwaarts als buitenlandse belasting herkenbaar?
Indien uit een nadere analyse van de Tungelroyse Beek blijkt dat de buitenlandse bijdrage is onderschat of onjuist is toegerekend, welke gevolgen heeft dat dan voor de voorgenomen beekdalmaatregelen rond deze beek?
Hoe kan worden uitgesloten dat een eventuele onjuiste bronverdeling bij de Tungelroyse Beek ook bij andere waterlichamen is opgetreden? Bent u bereid de bronverdeling en selectie van alle 111 betrokken waterlichamen te laten verifiëren voordat op basis van deze modelberekeningen ruimtelijke beperkingen aan agrarische bedrijven worden opgelegd?
Kunt u daarbij ook verifiëren of de bijdrage van rioolwaterzuiveringsinstallaties aan de nutriëntenbelasting van de betrokken waterlichamen correct en volledig is toegerekend? Hoe kan worden uitgesloten dat ook bij de berekening van deze belasting fouten of onjuiste toerekeningen zijn gemaakt, waardoor de bijdrage vanuit de landbouw te hoog is ingeschat?
Een onbeantwoorde vraag van het lid Jansen tijdens het commissiedebat Ontwerp-Natuurplan op 3 september 2026. |
|
Chris Jansen (PVV), Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u, als u voorafgaand aan de betreffende persconferentie gesprekken of andere contacten heeft gehad met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dan aangeven wanneer deze contacten hebben plaatsgevonden, met wie is gesproken en wat daarbij is besproken?
Het PBL heeft in de periode dat het werkte aan de reflectie geen conceptteksten met mij of mijn ministerie gedeeld. Dit past bij de onafhankelijke rol en positie van het PBL. Daarbij hoort ook dat het PBL zelf bepaalt op welke manier en op welke wijze het PBL zijn rapporten naar buiten brengt. Dit gebeurt conform de Aanwijzingen voor de Planbureaus (Staatscourant 21-02-2012, 3200). Tijdens het constituerend beraad van het kabinet is besloten dat het PBL een officiële adviesrol heeft voor de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Het rapport is op 2 september, de avond voor publicatie, ambtelijk met LVVN gedeeld. Er heeft op dat moment geen inhoudelijk contact met het PBL plaatsgevonden.
Kunt u, indien u voorafgaand aan de betreffende persconferentie geen gesprekken of andere contacten met het PBL heeft gehad, dit dan expliciet bevestigen?
Ik neem aan dat u doelt op de vraag over mijn contacten met het PBL van het lid Kostić (PvdD), gesteld tijdens een ordedebat aan het begin van het commissiedebat. De heer Jansen heeft zich bij die vraag van het lid Kostić aangesloten. Ik heb tijdens het debat geantwoord dat het PBL een onafhankelijk instituut is en dat het PBL het ministerie heeft geïnformeerd dat dit hun werkwijze is. Daarnaast heb ik aangegeven dat het ongenoegen van Kamerleden over de werkwijze van het PBL zou worden overgebracht. Dit is inmiddels gebeurd.
Kunt u daarbij ook aangeven wanneer u voor het eerst kennis heeft genomen van de informatie, conclusies of bevindingen die het PBL in het kader van de betreffende persconferentie naar buiten heeft gebracht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten waarom u tijdens het commissiedebat Ontwerp-Natuurplan van 3 september 2026 niet meer bent teruggekomen op de door het lid Chris Jansen gestelde vraag?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Kamer alsnog volledig en concreet antwoord te geven op de oorspronkelijke vraag van het lid Chris Jansen, zodat deze tijdens het commissiedebat onbeantwoord gebleven vraag alsnog wordt beantwoord?
Ja, zie hierboven.
Kunt u deze vragen voor komende week woensdag beantwoorden?
Tot mijn spijt is dit niet gelukt.
Klopt het dat vrachtverkeer als gevolg van de afsluitingen en beperkingen van onder meer de Merwedebrug, Papendrechtsebrug en Algerabrug verplicht wordt omgeleid over wegen waarop geheel of gedeeltelijk vrachtwagenheffing verschuldigd is?
Hoeveel infrastructurele objecten in Nederland zijn momenteel geheel afgesloten of beperkt toegankelijk voor vrachtverkeer, en voor hoeveel van deze objecten geldt een officiële omleidingsroute die geheel of gedeeltelijk over wegen loopt waarop vrachtwagenheffing verschuldigd is?
Acht u het redelijk dat vrachtverkeer eerst wordt geconfronteerd met afgesloten of beperkt toegankelijke infrastructuur, mede als gevolg van het feit dat de overheid jarenlang onvoldoende middelen heeft gereserveerd voor onderhoud, vervanging en renovatie, en vervolgens ook nog extra moet betalen voor de omweg die de overheid zelf oplegt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom vindt u het dan aanvaardbaar dat vervoerders opdraaien voor kosten die voortvloeien uit infrastructurele tekortkomingen waarop zij geen enkele invloed hebben?
Bent u bereid om officiële omleidingsroutes die noodzakelijk zijn vanwege afsluitingen of beperkingen van Rijksinfrastructuur tijdelijk uit te zonderen van de vrachtwagenheffing? Zo nee, waarom kiest u er bewust voor vervoerders voor een door de overheid veroorzaakte omweg te laten betalen?
Is bij het vaststellen van de omleidingsroutes überhaupt rekening gehouden met de vrachtwagenheffing en het financiële gevolg voor vrachtverkeer? Zo ja, wat waren daar de overwegingen van en wat heeft u doen besluiten hier niets aan te doen? Zo nee, bent u het dan met mij eens dat dat een flinke tekortkoming is?
Bent u het eens met de stelling dat de vrachtwagenheffing in dergelijke gevallen niets meer is dan een ordinaire extra rekening aan het adres van vrachtwagenchauffeurs als gevolg van een overheid die jarenlang de staat van de infrastructuur genegeerd heeft? Zo ja, waarom neemt u dan geen maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Wat bent u concreet van plan om te doen om de vrachtwagenchauffeurs op korte termijn én op lange termijn, veronderstellend dat er in de toekomst meer infrastructurele objecten zullen uitvallen, te ontzien dan wel te compenseren?
Kunt u naar verwachting aangeven hoeveel extra opbrengsten uit de vrachtwagenheffing worden gegenereerd doordat vrachtverkeer gebruik moet maken van officiële omleidingsroutes?
Hoeveel langdurige afsluitingen of beperkingen van Rijkswegen en kunstwerken worden de komende vijf jaar verwacht waarbij vrachtverkeer moet worden omgeleid?
Bent u bereid voortaan bij iedere langdurige afsluiting vooraf te beoordelen of vrachtvervoerders door de aangewezen omleidingsroute extra vrachtwagenheffing moeten betalen en de Kamer hierover te informeren?
Het artikel ‘Nieuwe keiharde klap voor truckers: cruciale brug gaat op slot vanwege gevaarlijke scheurtjes’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe keiharde klap voor truckers: cruciale brug gaat op slot vanwege gevaarlijke scheurtjes»1?
De Houtribdijk, de Merwedebrug en inmiddels meerdere andere plekken laten zien dat de staat van onze infrastructuur steeds verder verslechtert; beseft u dat het inmiddels vijf over twaalf is als het gaat om de staat van onze infrastructuur? Wanneer dringt tot u door dat hier sprake is van een serieus nationaal probleem?
Hoeveel bruggen en wegen moeten er nog worden afgesloten, hoeveel vrachtwagens moeten er nog uren omrijden en hoeveel economische schade moet er nog ontstaan voordat u daadwerkelijk in actie komt?
Erkent u dat de grootschalige achterstand in het onderhoud van bruggen en wegen onze economie uiteindelijk miljarden euro’s kan kosten, doordat vrachtverkeer moet omrijden, bedrijven slechter bereikbaar worden en transportkosten alsmaar blijven oplopen?
Waarom is er nog altijd geen concreet noodplan om de grootste onderhoudsachterstanden zo snel mogelijk weg te werken? Bent u bereid alsnog met een plan te komen en de Kamer hierover op korte termijn te informeren?
Kunt u de Kamer zo snel mogelijk duidelijkheid geven over hoe het kabinet deze onderhoudsachterstanden gaat aanpakken, voordat we opnieuw in het nieuws moeten lezen dat er nog meer cruciale routes worden afgesloten en onze economie verder in de problemen komt?
De grote problemen met de tunnelbuizen te Barendrecht en de gevolgen voor het spoorgoederenvervoer. |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Goederenvervoer in de knel bij Barendrecht: locomotief raakte zijkant overkapping»?1
Klopt het dat de gebruiksbeperkingen (een snelheidsbeperking van 20 km/u en de sluiting van één spoorbuis) die ProRail heeft opgelegd aan het spoorgoederenvervoer bij Barendrecht, zorgen voor ernstige hinder voor het goederenvervoer tussen de Rotterdamse haven en het Europese achterland? Bent u erover geïnformeerd dat dit leidt tot treinuitval, forse vertragingen, verstoringen van de supply chain van goederen en hoge parkeerkosten voor goederentreinen in de Rotterdamse haven?
Klopt het dat de tunnelrand in het Profiel van Vrije Ruimte (PVR) – de harde veiligheidsnorm waarbinnen zich geen vaste obstakels mogen bevinden – terecht is gekomen of dat de spoorbaan zich heeft verplaatst richting de tunnelwand en dat dit pas is ontdekt nadat een vervoerder hier melding van maakte?
Hoe groot is de totale economische schade voor de spoorgoederensector door dit incident en in hoeverre kunnen vervoerders deze schade verhalen op ProRail?
Hoe lang gaat het nog duren voordat de infraproblemen met gebruiksbeperkingen voor goederenvervoer zijn opgelost?
Hoe kan het dat ProRail deze problemen met de rand van de tunnelwand in het PVR van de spoorbaan of de verplaatsing van het baanlichaam richting de tunnelwand niet zelf heeft ontdekt tijdens regulier onderhoud en de schouw van de spoorinfrastructuur, maar pas na een melding van een goederenvervoerder?
Wat is er concreet nodig om ervoor te zorgen dat ProRail dergelijke infrastructuurdefecten in de toekomst wél tijdig en preventief signaleert en aanpakt?
Hoe vaak heeft een incident waarbij de rand van de tunnelwand in Barendrecht een goederentrein raakte feitelijk plaatsgevonden?
Klopt het dat de eerste botsing tussen de rand van de tunnelwand en een goederentrein plaatsvond op 31 juli 2026 en dat op 13 augustus 2026 de eerste gebruiksbeperkingen zijn opgelegd met een snelheidsbeperking van 20 km/uur, later één goederenspoor buiten dienst en slechts drie goederenpaden per uur per richting? Zo ja, waarom zat er zoveel tijd tussen de eerste botsing en het uitvaardigen van gebruiksbeperkingen?
Heeft ProRail direct en adequaat gehandeld na de eerste botsing met een locomotief die aantoonbaar voldeed aan de internationale UIC 505–1 (GA) normen (3,15 m breedte, 4,3 m hoogte) en die ruim binnen het Nederlandse standaardprofiel OPS-NL (tot 3,60 m breedte) hoort te passen?
Passen andere en gangbare goederenlocomotieven die ontworpen zijn volgens de EU TSI-normen (zoals de Euro9000, Vectron, Traxx en BR189) momenteel nog wel op reguliere dienstregelingssnelheid (85–100 km/u) door de tunnelbuizen bij Barendrecht?
Klopt het dat er slechts een specifiek type nationale elektrische locomotief – die al decennia aan alle toelatingseisen voldoet – betrokken is bij de incidenten waarbij de verschoven tunnelrand de instaptreden raakte?
Zo ja, is deze specifieke fysieke aanraking gevaarlijk voor de algemene spoorwegveiligheid?
Hoe snel heeft ProRail risicobeperkende maatregelen genomen en zijn deze vooraf afgestemd met de vervoerders en materieeleigenaren conform de Europese CMS RA-eisen (Common Safety Methods Risk Evaluation and Assessment)?
Is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken geweest bij het formuleren en vaststellen van deze risicobeheersmaatregelen?
Toont dit incident aan dat er onvoldoende toezicht is door ProRail en de ILT op de fysieke staat en de veilige berijdbaarheid van de spoorinfrastructuur?
Is er slechts een type locomotief dat hinder ondervindt van de tunnelwand (waarbij dit type slechts een klein deel van het totale park uitmaakt)? Zo ja, waarom heeft ProRail dan generieke, zeer forse en langdurige gebruiksbeperkingen voor alle goederentreinen opgelegd waardoor de economische schade onnodig is vergroot?
Wat is de exacte (technische en achterliggende) oorzaak van de verschuiving van de tunnelwand of van de verschuiving van het baanlichaam richting de tunnelwand waardoor de rand van de tunnelwand binnen het PVR is geraakt?
Welke concrete prestatie-eisen stelt u als opdrachtgever aan ProRail ten aanzien van de gegarandeerde beschikbaarheid van een veilig berijdbaar hoofdspoorwegennet voor goederentreinen, zodanig dat de spoorinfrastructuur geschikt is voor gebruik en dus ook kwalitatief voldoet aan de technische eisen (zoals het PVR) die horen bij de treinen waarvoor de capaciteit is toegewezen?
Overtreedt ProRail de geest van zijn wettelijke zorgplicht uit de Spoorwegwet als de infra door achterstallige instandhouding of constructiefouten fysiek onbruikbaar of onveilig wordt voor treinen die wel aan alle wettelijke toelatingseisen voldoen?
Op welke specifieke Kritieke Prestatie-Indicatoren (KPI’s) met betrekking tot de beschikbaarheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de spoorinfra i.r.t. spoorgoederenvervoer monitort uw ministerie ProRail en hoe stuurt u bij wanneer deze niet worden gehaald?
Hoe beoordeelt u de sturing door ProRail op de bedrijfscontinuïteit van het spoorgoederenvervoer en de operational readiness van ProRail (de directe inzetbaarheid van calamiteitenteams en spoedherstellers) om acute infrastructurele knelpunten zoals in Barendrecht direct en daadkrachtig op te lossen?
Bent u bekend met de conclusies uit het rapport «Toevallig non-conform of voorspelbaar ongeschikt? Een onderzoek naar de staat van de infrastructuur voor het spoorgoederenvervoer op de Havenspoorlijn» van Crisislab uit 20202, waarin werd vastgesteld dat ProRail tekortschiet in haar operational readiness en het adequaat omgaan met afwijkingen op de goederencorridors? Moeten we uit het feit dat ProRail ook bij het recente incident in Barendrecht pas na een melding van een marktpartij achter de overschrijding van het PVR kwam en direct overging tot rigide, generieke gebruiksbeperkingen, concluderen dat de harde lessen uit dit rapport over operational readiness en het constructief omgaan met infrastructurele afwijkingen na zes jaar nog altijd onvoldoende zijn geleerd en toegepast door de spoorbeheerder?
Gegeven eerdere infrastructurele problemen bij extreme regenval (zoals de Zeeuwse Lijn die in 2007–2011 grootschalig vernieuwd is, maar in een in een «badkuip» van ondoordringbare klei ligt), kan er uit de situatie in Barendrecht worden geconcludeerd dat de Nederlandse spoorinfrastructuur en haar fundering nu ook bij langdurige droogte structureel faalt?
Beschikt ProRail wel over voldoende interne expertise op het snijvlak van bovenbouwvernieuwing, funderingstechniek en (regionale) waterhuishouding en heeft zij voldoende actuele data in huis om dit soort infrafalen preventief te voorkomen?
Bent u bereid om de gedupeerde spoorgoederenvervoerders en intermodale operatoren te compenseren voor de extra omrijdkosten en parkeerheffingen? Bent u bereid de infraheffingen voor het opstellen en rangeren in de Rotterdamse haven en op de Kijfhoek tijdelijk op een nultarief te zetten tot het knelpunt is opgelost?
Hoe beoordeelt u het preventieve handelen van ProRail Asset Management, in het licht van het feit dat dit infrastructurele knelpunt direct vier vitale Europese logistieke corridors (Rotterdam-Alpen-Italië, Rotterdam-Wenen-Zuidoost Europa, Rotterdam-Oldenzaal-Noordoost-Europa en Rotterdam-België-Frankrijk) raakt die fungeren als «critical lifelines» voor Mainport Rotterdam en de Europese economie?
Hoe beoordeelt u het presteren van ProRail Capaciteitsverdeling en Verkeersleiding om de logistieke keten operationeel overeind te houden, gezien de signalen van vervoerders dat gelijktijdige geplande werkzaamheden op omleidingsroutes en havenemplacementen de bereikbaarheid nog verder verslechteren?
Waarom is er niet direct besloten om werkzaamheden aan het spoor op de omleidingsroutes en havenemplacementen op te schorten om de internationale supply chain te ontlasten, zeker in een periode waarin ook de binnenvaart kampt met beperkingen door laagwater?
Neemt u de operationele en financiële gevolgen van dit zoveelste spoorinfrafalen sinds 2018 expliciet mee in de ministerraad om te zorgen voor voldoende budget voor een doelmatige, toekomstvaste instandhouding en opwaardering van het goederenspoornetwerk?
Deelt u de opvatting dat deze voortdurende, onvoorspelbare stremmingen en plotselinge gebruiksbeperkingen de betrouwbaarheid van de Nederlandse logistieke sector fundamenteel ondermijnen en schadelijk zijn voor de concurrentiepositie van onze havens en het algemene vestigingsklimaat?
Welke negatieve gevolgen hebben deze structurele infrastructurele beperkingen volgens u voor de aantrekkelijkheid van het spoorgoederenvervoer voor verladers, en in het bijzonder voor de modal shift-ambities van dit kabinet om meer goederen van de weg naar het spoor te verplaatsen en de inzet op multimodale bereikbaarheid (weg, water, spoor) om de Nederlandse economie efficiënt en veerkrachtig bereikbaar te houden?
Deelt u de specifieke zorg dat de verslechterde operationele betrouwbaarheid ertoe kan leiden dat reeds naar het spoor verplaatste goederenstromen noodgedwongen weer structureel terugkeren naar de weg?
Hoeveel effect heeft het knelpunt Barendrecht op het zo goed mogelijk gebruiken van de Betuweroute?
Welke directe en concrete maatregelen treft u momenteel om de operationele continuïteit van het nationale en internationale spoorgoederenvervoer bij dit soort acute infrastructurele crises te waarborgen?
Ziet u in dit zoveelste incident aanleiding om aanvullende, dwingende maatregelen te treffen richting ProRail om de fysieke beschikbaarheid en betrouwbaarheid van de spoorinfrastructuur – zowel op de vrije baan als op de strategische emplacementen en raccordementen – zodanig te garanderen dat het goederenvervoer per spoor Nederland betrouwbaar, efficiënt en veerkrachtig kan blijven verbinden met het Europese achterland?
Bent u bereid hieraan ook het benodigde budget te koppelen onder voorwaarde dat deze dwingende maatregelen ook daadwerkelijk bij ProRail worden getroffen?
De gevolgen van de overgangsregeling voor het invoedingstarief voor de subsidietenders IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) aangekondigde overgangsregeling voor het invoedingstarief?1
Ja.
Klopt het dat het verplichtingenbudget voor de subsidietenders voor IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B is verhoogd vanwege de mogelijke invoering van een invoedingstarief?
Ja.
Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over het voornemen van de ACM om een invoedingstarief in te voeren en wanneer heeft u besloten het verplichtingenbudget te verhogen?
In oktober 2024 heeft de ACM op haar website aangekondigd onderzoek te doen naar de invoering van een invoedingstarief. De hoogte, vormgeving, overgangsperiode en eventuele uitzonderingen van het beoogde invoedingstarief waren toen (ook) nog niet duidelijk. Deze aankondiging was een stap in een langer durend proces waarin ACM zelfstandig onderzoek uitvoert en regelmatig belanghebbenden, waaronder EZK, consulteert. De ACM neemt later in het besluitvormingsproces definitieve keuzes over het invoedingstarief. Die zijn nog niet genomen.
Naar aanleiding van gesprekken met de ACM en de zorgen van de sector wind op zee ten tijde van de marktconsultatie van de ontwerpregeling van IJmuiden Ver Gamma is in het voorjaar van 2026 besloten om het verplichtingenbudget te verhogen.
Welke gevolgen heeft de aangekondigde overgangstermijn van twintig jaar voor de subsidietenders voor IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B?
De ACM heeft een overgangstermijn van 20 jaar aangekondigd waarvoor het invoedingstarief niet zal gelden. De termijn van 20 jaar begint te lopen op het moment dat de investering in gebruik wordt genomen. Projecten waarvoor een definitieve investeringsbeslissing is genomen vóór de ingangsdatum van het invoedingstarief – op dit moment voorzien op 1 januari 2032 – komen in aanmerking voor deze overgangstermijn.
De vergunninghouders van IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B kunnen een definitieve investeringsbeslissing nemen voor de inwerkingtreding van het invoedingstarief en vallen dan onder de aangekondigde overgangstermijn. Omdat de windparken voorzien om in gebruik te worden genomen in 2032 zijn ze tot en met 2052 uitgezonderd van het betalen van een invoedingstarief.
Vergunningen voor windparken op zee worden echter afgegeven voor een periode van veertig jaar. Dit betekent dat IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B slechts gedeeltelijk zullen worden vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars zullen daarom ook het risico van de periode na de vrijstelling meenemen in de berekeningen van de businesscase wat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Daarnaast heeft de ACM nog geen duidelijkheid gegeven over een tariefhoogte of de vormgeving na de overgangstermijn.
De overgangsperiode van 20 jaar is positief ontvangen door de sector. Windparkontwikkelaars hebben aangegeven dat de overgangstermijn een deel van de zorgen over het invoedingstarief wegneemt, maar zeker niet alle zorgen.
Kunt u bevestigen dat deze windparken onder het overgangsrecht vallen wanneer vóór de voorziene invoering van het invoedingstarief op 1 januari 2032 een definitieve investeringsbeslissing wordt genomen en dat zij daardoor gedurende hun volledige subsidieperiode van vijftien jaar geen invoedingstarief hoeven te betalen?
Ja, op basis van de informatie die de ACM heeft gecommuniceerd.
Zoals in het antwoord onder 4 is te lezen worden windparken op zee vergund voor een periode van veertig jaar. IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B zijn dus slechts gedeeltelijk vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars kunnen daarom ook die periode meenemen in de berekeningen van de businesscase voor het doen van een aanvraag, wat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Deelt u de conclusie dat de onderbouwing voor de verhoging van de maximale tenderbedragen door de twintigjarige overgangstermijn grotendeels is komen te vervallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie deel ik niet. Zoals in het antwoord onder 4 is te lezen is een vergunninghouder van het windpark Gamma-A en Gamma-B slechts een gedeelte van de veertigjarige vergunningsduur vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars zullen ook die periode meenemen in de berekeningen van de businesscase voor het doen van een aanvraag dat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Ook heeft de ACM nog geen duidelijkheid gegeven over een tariefhoogte of de vormgeving na de overgangstermijn.
De markt moet de ruimte hebben het risico in te kunnen prijzen passend binnen hun businesscase. Het PBL bevestigt in het adviesrapport dat voldoende budgettaire ruimte naar verwachting bijdraagt aan een toenemende competitie, wat kan bijdragen aan een lager winnend tenderbedrag en daarmee lagere kosten voor de Rijksoverheid. Zoveel als mogelijk informatie en zekerheid van de ACM ná de definitieve tenderregeling en vóór het sluiten van de tender, waaronder de informatie over de overgangstermijn, draagt bij aan het beter kunnen inprijzen door de windparkontwikkelaars van het risico van het invoedingstarief en kan leiden tot een lager tenderbedrag en daarmee lagere subsidiekosten voor de overheid.
Welk deel van de verhoging van de maximale tenderbedragen met € 13 per MWh en de daarmee samenhangende verhoging van het verplichtingenbudget met € 1,56 miljard was bedoeld om het risico van het invoedingstarief op te vangen?
In de Kamerbrief over de definitieve tenderregelingen van IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B zijn daarvoor de volgende tabellen opgenomen. Daarin is te lezen dat het leidt tot een verhoogd verplichtingenbudget van € 780 miljoen per kavel. Dit bedrag kan lager uitvallen als het winnend tenderdrag lager is:
IJmuiden Ver Gamma- A
Kasreservering incl 10% prijsrisicobuffer
Subsidieplafond
Bij € 104/MWh
€ 2,379 mld
€ 3,978 mld
Bij € 117/MWh
€ 3,159 mld
€ 4,758 mld
Verschil
+ € 0,780 mld
+ € 0,780 mld
IJmuiden Ver Gamma- B
Kasreservering incl 10% prijsrisicobuffer
Subsidieplafond
Bij € 103/MWh
€ 2,271 mld
€ 3,918 mld
Bij € 116/MWh
€ 3,051 mld
€ 4,698 mld
Verschil
+ € 0,780 mld
+ € 0,780 mld
Bent u bereid het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vóór de openstelling van de tenders opnieuw te laten berekenen welke maximale tenderbedragen nodig zijn, rekening houdend met de aangekondigde overgangsregeling?
Nee, omdat ik niet van plan ben om het maximale tenderbedrag nog aan te passen. Op basis van het budget en voorwaarden in de definitieve tenderregeling besluit een windparkontwikkelaar wel of geen vergunningsaanvraag voor te bereiden. De kosten van het voorbereiden van een aanvraag zijn aanzienlijk. Een definitieve tenderregeling moet dus voldoende zekerheid bieden voor windparkontwikkelaars om een aanvraag voor te willen bereiden en in te kunnen dienen. Als er ná publicatie van de definitieve tenderregeling wel wijzigingen worden aangebracht (lees: verlaagd), dan leidt dit tot een afbreukrisico voor deze en toekomstige tenders van windparken op zee. Dit omdat de definitieve tenderregeling windparkontwikkelaars dan onvoldoende zekerheid biedt over de robuustheid van de kaders die nodig zijn om een vergunningsaanvraag voor te kunnen bereiden en in te dienen die past binnen hun businesscase.
Wel zal in de voorbereiding van volgende tenders voor windparken op zee zoveel als mogelijk de ervaring met deze tender en de meest recente informatie van de ACM over het invoedingstarief worden betrokken.
Bent u bereid de maximale tenderbedragen en subsidieplafonds vóór de openstelling van de tenders te verlagen wanneer uit deze berekening blijkt dat de huidige bedragen niet langer noodzakelijk zijn?
Nee. Zie het antwoord onder 8.
Hoe voorkomt u dat windparkontwikkelaars subsidie ontvangen voor kosten die zij vanwege het overgangsrecht tijdens de subsidieperiode niet hoeven te maken?
Omdat het een tender in competitie is zal een windparkontwikkelaar voor een grotere winkans een lager tenderbedrag willen bieden als de businesscase daartoe ruimte biedt. Het PBL bevestigt in het adviesrapport dat voldoende budgettaire ruimte naar verwachting bijdraagt aan een toenemende competitie, wat kan bijdragen aan een lager winnend tenderbedrag en daarmee lagere kosten voor de Rijksoverheid. Zoveel als mogelijk informatie en zekerheid van de ACM ná de definitieve tenderregeling en vóór het sluiten van de tender, waaronder de informatie over de overgangstermijn, draagt bij aan het beter kunnen inprijzen door de windparkontwikkelaars van het risico van het invoedingstarief en kan leiden tot een lager tenderbedrag en daarmee lagere subsidiekosten voor de overheid.
Het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland uitzonderlijke maatregelen neemt vanwege de waterschaarste. |
|
Mona Keijzer |
|
Silvio Erkens (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
Bent u bekend met het besluit van het Hoogheemraadschap van Delfland om per 5 augustus 2026 een volledig verbod in te stellen op het onttrekken van oppervlaktewater voor onder meer de glastuinbouw, landbouw en andere economische functies?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Kunt u uiteenzetten hoe ernstig het watertekort in Delfland daadwerkelijk is en op welke objectieve gegevens dit besluit is gebaseerd? In hoeverre verschilt de huidige situatie van eerdere droge jaren waarin dergelijke ingrijpende maatregelen niet of later zijn genomen?
Het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) heeft te maken met een ernstig watertekort en ziet, als gevolg daarvan, risico’s voor de stabiliteit van keringen binnen het beheergebied toenemen. Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte waterkwaliteit. Een watertekort ontstaat geleidelijk en wordt objectief beoordeeld aan de hand van de ontwikkeling in waterstanden, aanvoerdebieten en berekeningen van de watervraag en -verlies door bijvoorbeeld verdamping.
Vergeleken met eerdere droogte jaren is de huidige droogte zeer ernstig. Het huidige neerslagtekort valt in de 5% hoogste ooit gemeten en ook de rivierafvoeren zijn historisch laag. De afvoer van de Rijn is met 553 m3/s lager dan ooit gemeten, de afvoer van de Maas is laag, grondwaterstanden zijn op de meeste plaatsen laag tot extreem laag en ook het waterpeil van het IJsselmeer is onder de zomerse ondergrens gezakt. Bij gebrek aan externe wateraanvoermogelijkheden zijn waterschappen als Delfland genoodzaakt pijnlijke maatregelen te nemen om de watervraag te verminderen; aan de aanbodkant kan immers niet of beperkt gestuurd worden. Zoals in Delfland het geval is, kunnen deze maatregelen onder meer de glastuinbouw, landbouw en natuur, maar ook andere categorie 3 en 4 functies uit de wettelijke verdringingsreeks hard raken. Toch zijn deze maatregelen nodig om de waterveiligheid te borgen en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen (categorie 1 en 2 functies uit de verdringingsreeks).
Kunt u gezien het watertekort het experiment «Haringvlietsluizen op een kier»1 tijdelijk stopzetten, zodat er minder zout water de Haringvliet binnenstroomt?
In het Kierbesluit Haringvlietsluizen is rekening gehouden met situaties van lage Rijnafvoeren en droogte. Dit is vastgelegd in een bedienprotocol. Bij een Rijnafvoer van 1.100 m3/s of lager gaan de Haringvlietsluizen dicht. Daarom zijn de sluizen deze zomer al sinds 25 juni dicht. Er is daardoor geen risico op verzilting van de inlaatpunten voor zoetwater in dit gebied als gevolg van het Kierbesluit.
Is bij u bekend welke economische schade dit verbod kan veroorzaken voor boeren en tuinders in het beheergebied van Delfland, in het bijzonder voor grondgebonden glastuinbouwbedrijven met teelten zoals radijs, sla, chrysanten en alstroemeria?
Op 13 augustus jl zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken. Er is sprake van economische schade, maar de omvang van deze schade is lastig exact in te schatten.
Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven in de groente- en bloementeelt. Ongeveer 10% hiervan teelt in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. De omvang van de economische schade voor deze bedrijven is onder meer afhankelijk van het gewas en het aantal teeltcycli. Bij langdurige teelten, zoals alstroemeria, kan de economische schade groter zijn dan bij gewassen met meerdere teeltcycli per jaar. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.
Delfland en Glastuinbouw Nederland zijn momenteel in gesprek over aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren voor de sector. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 11.
Kunt u aangeven welke gevolgen dit onttrekkingsverbod kan hebben voor de productie, werkgelegenheid en bedrijfscontinuïteit van de naar schatting 150 glastuinbouwbedrijven2 ?
Het onttrekkingsverbod zal gevolgen hebben voor een aanzienlijk deel van de glastuinbouwbedrijven in dit gebied. De omvang van de gevolgen is afhankelijk van vele factoren zoals de mate van waterbuffer die de bedrijven hebben kunnen opbouwen vóórafgaand aan het onttrekkingsverbod, de mogelijkheid en kosten van de inzet van alternatieve waterbronnen, de inzet van ondernemers om hun weerbaarheid tegen droogte te versterken (bijv. met investeringen in waterrecirculatie technieken of droogtebestendige gewassen en teeltsystemen), en de uiteindelijke duur van het onttrekkingsverbod. Na afloop van de droogte zal het Rijk de economische schade als gevolg van de huidige droogte landelijk in beeld brengen en evalueren.
Klopt het dat tuinders onvoldoende of zeer laat zijn geïnformeerd over de ernst van de situatie en de mogelijkheid van een volledig onttrekkingsverbod? Zo ja, acht u dit goed bestuur en bent u bereid Delfland hierop aan te spreken?
De droogtesituatie wordt door waterbeheerders dagelijks geëvalueerd en impactvolle besluiten worden zo lang als de situatie dat toelaat uitgesteld om onnodige schade ten gevolge daarvan te voorkomen. Delfland geeft aan dat een onverwacht sterke daling van de Rijnafvoer in combinatie met een uitzonderlijk neerslagtekort ertoe heeft geleid dat het snel moest besluiten tot een onttrekkingsverbod. Betrokken stakeholders zijn daarna zo snel mogelijk geïnformeerd. Daarbij geeft Delfland aan de periode tussen het nemen van het besluit en het ingaan van het onttrekkingsverbod zo lang mogelijk te hebben gemaakt (zo lang als de situatie toeliet) om de sectoren te kunnen informeren. Delfland heeft gehandeld conform de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks die bij de betrokken partijen bekend is. Op dit moment sta ik in nauw contact met Delfland en Glastuinbouw Nederland over de droogtesituatie en ieders handelingspersperspectief.
Klopt het dat in eerdere communicatie van Delfland richting ondernemers de indruk is gewekt dat de watervoorziening voorlopig voldoende zou zijn? Hoe beoordeelt u in dat licht de communicatie vanuit Delfland richting ondernemers?
Nee, dit klopt niet. Delfland heeft niet gecommuniceerd dat de watervoorziening voorlopig voldoende zou zijn. Via de website, sociale media en de lokale pers is door het waterschap gedurende de droogteperiode uitvoerig gecommuniceerd over de droogtesituatie, de zorgen over de zoetwaterbeschikbaarheid en de reeds genomen en mogelijk nog te nemen maatregelen.
Klopt het dat Delfland vooral vasthoudt aan normen omtrent zoutgehalten in het water en daarom kiest voor een volledig verbod op onttrekking? Zo ja, welke afweging is daarbij gemaakt tussen de risico's van een tijdelijk hoger zoutgehalte enerzijds en het volledig verloren gaan van gewassen anderzijds?
Delfland geeft aan dat bij de afweging die is gemaakt de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks is gehanteerd, waarbij waterveiligheid de hoogste prioriteit heeft. Bij de afweging omtrent een tijdelijk hoger zoutgehalte is meegewogen dat dit leidt tot verdere verzilting van het watersysteem. Dit brengt risico's met zich mee voor verschillende zoetwatervragers, waaronder de landbouw en glastuinbouwsector zelf en de (onderwater)natuur. Daarnaast heeft Delfland afspraken over het doorvoeren van water met een bepaalde hoeveelheid en kwaliteit met het buurwaterschap, waar het water ook meerdere gebruiksfuncties moet kunnen dienen.
Is onderzocht of een gedeeltelijk onttrekkingsverbod, bijvoorbeeld uitsluitend overdag, mogelijk was geweest, zodat in de nacht nog beperkt gebruik van oppervlaktewater kon plaatsvinden?
Ja, Delfland geeft aan een gedeeltelijk onttrekkingsverbod te hebben overwogen. Geconcludeerd is echter dat ál het beschikbare zoetwater nodig is om de waterveiligheid te borgen. Inmiddels zijn al bij verschillende dijken binnen het beheergebied scheuren ontstaan. Het waterschap monitort de dijken nauwlettend en voert waar nodig herstelwerkzaamheden uit.
Is onderzocht of onder gecontroleerde omstandigheden tijdelijk een hoger zoutgehalte kon worden toegestaan om ernstige economische schade aan voedsel- en sierteeltgewassen te voorkomen? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Ja, Delfland geeft aan dat deze mogelijkheid is onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Indien tijdelijke toelating van zouter water onvoldoende hulp zou bieden, is onderzocht of aanvullend gebruik kan worden gemaakt van gezuiverd effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Hoek van Holland of Waterzuivering Harnaschpolder in Den Hoorn voor de bloementuinbouw? Zo nee, waarom niet?
Ja, Delfland en Glastuinbouw Nederland zijn momenteel in goed gesprek over aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren voor de sector. Er liggen meer opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ook ontzilting van brak- of zoutwater.
Kunt u toezeggen om samen met Delfland, de glastuinbouwsector en andere betrokken partijen te onderzoeken of een gedeeltelijk onttrekkingsverbod, een hoger zoutgehalte of een tijdelijke inzet van gezuiverd effluent van de RWZI Hoek van Holland mogelijk kan zijn om acute schade aan gewassen en bedrijven te voorkomen?
Op donderdag 13 augustus jl. zijn Staatssecretaris Silvio Erkens van het Ministerie van LVVN en ik bij Delfland op bezoek geweest, waar we met het waterschap en de sector hebben gesproken over het beschermen van de dijken en de mogelijkheden om schade aan gewassen door de watertekorten te voorkomen. Zo hebben wij bijvoorbeeld gesproken over het gebruik van gezuiverd effluent en het ontzilten van zoutwater. Met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden de verschillende opties uitvoerbaar zijn. Feitelijk wordt momenteel reeds 100 m3 water per dag uit het Hollands Diep met tankwagens naar de glastuinbouwbedrijven met de grootste problemen gebracht. Tevens versoepelt Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk op 19, 20 en 21 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Welke rol speelt de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) bij deze besluitvorming en is binnen die commissie gesproken over alternatieven waarbij bijvoorbeeld tijdelijk meer verzilting wordt geaccepteerd ten gunste van voedselproductie en economische continuïteit? Zo nee, waarom is deze commissie niet meegenomen hierin en welke lessen trekt u hieruit?
De LCW heeft een landelijk coördinerende en adviserende functie, maar de verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor beheermaatregelen ligt bij de betreffende waterbeheerder(s). Bovenregionale afstemming vindt binnen de LCW plaats. In dit geval was dit een maatregel binnen één Regionaal Droogte Overleg (RDO) en was er dus geen afstemming nodig met de LCW.
Hoe verhoudt de droogtesituatie in het beheergebied van Delfland zich tot de situatie in andere delen van Nederland waar eveneens sprake is van aanhoudende droogte en lage rivierafvoeren?
De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s om verschillende redenen. Het neerslagtekort in deze regio is groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoetwater in het gebied is beperkt mogelijk. Door de ligging aan zee is er ook sprake van toenemende zoutindringing, wat een probleem is voor de landbouw vanwege schade aan gewassen. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en liggen er veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied van Delfland.
Zijn er andere waterschappen die momenteel te maken hebben met vergelijkbare omstandigheden, maar waarbij geen volledig verbod op het onttrekken van oppervlaktewater voor de glastuinbouw of landbouw is ingesteld? Zo ja, welke verschillen bestaan er in de gekozen aanpak en belangenafweging?
Ja, ook bij andere waterschappen doen zich vergelijkbare omstandigheden met betrekking tot droogte voor. Echter, door regionale verschillen is de situatie bij elk waterschap anders, zo ook de omvang van de watertekorten en de genomen maatregelen. In het oosten van Nederland, waar de bodem veel zandiger is, staat het oppervlaktewatersysteem in nauwere verbinding met het grondwatersysteem. Meer dan elders zetten waterschappen hier in op grondwatermaatregelen, zoals grondwateronttrekkingsverboden. Deze zijn op verschillende plekken ingesteld om onomkeerbare schade aan Natura 2000-gebieden, eveneens categorie 1 in de verdringingsreeks, te voorkomen. In het noorden van Nederland daarentegen is het neerslagtekort kleiner en is wateraanvoer uit het IJsselmeer tot nu toe mogelijk geweest. De droogteproblematiek is hier dan ook minder kritiek.
Zo maken waterbeheerders binnen hun eigen bevoegdheden en regionale context een eigen afweging over de inzet van maatregelen. Daarbij worden de effectiviteit en proportionaliteit beoordeeld, passend bij de omstandigheden in het eigen beheergebied. Overigens hebben inmiddels de meeste regio’s onttrekkingsverboden ingesteld.
Klopt het dat Glastuinbouw Nederland niet is betrokken bij de totstandkoming van deze maatregelen en dat overleg over alternatieve oplossingen beperkt of zelfs niet heeft plaatsgevonden? Indien dit klopt, hoe beoordeelt u dat?
Delfland heeft het besluit zelfstandig genomen. Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit. Verder geldt dat reeds enkele jaren, ook tijdens eerdere perioden van droogte, regelmatig gesprekken plaatsvinden tussen Delfland en Glastuinbouw Nederland over alternatieve gietwaterbronnen. De huidige droge periode onderstreept het belang van deze gesprekken. Momenteel worden met urgentie tijdelijke oplossingen onderzocht, zie vraag 12.
Is de gemeente Westland, waar een groot gedeelte tuinders actief zijn, vooraf betrokken door Delfland bij de totstandkoming van deze maatregel en eventuele alternatieven? Zo niet, hoe beoordeelt u dit gebrek aan afstemming door Delfland?
De gemeente Westland is, net als andere stakeholders, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de maatregelen geïnformeerd. Ik herken het beeld niet dat er een gebrek aan afstemming is geweest. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Deelt dit kabinet de mening dat voedselzekerheid, tuinbouwproductie en de bescherming van familiebedrijven en ondernemers zwaarwegende publieke belangen zijn die nadrukkelijk moeten worden meegewogen bij besluiten over waterschaarste?
Het kabinet deelt de mening dat voedselzekerheid, tuinbouwproductie en de bescherming van familiebedrijven en ondernemers belangrijk zijn. Daarom zet het kabinet zich ervoor in om met maatregelen de balans tussen watervraag en wateraanbod zo lang mogelijk in stand te houden, waardoor het inzetten van de verdringingsreeks zo lang mogelijk wordt uitgesteld. Echter in zeer droge perioden zoals nu, is dit niet langer mogelijk en bepaalt de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks welke belangen maatschappelijk het zwaarst wegen.
Hoe weegt het kabinet in situaties van waterschaarste, buiten het al bestaande overzicht van verdeling van zoetwater in droge tijden3 , de belangen van voedselproductie, werkgelegenheid en economische continuïteit af tegen andere belangen binnen de verdringingsreeks?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld tussen de volgende vier categorieën (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– Verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Voor de afweging binnen de categorieën van de verdringingsreeks geldt dat Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen treffen die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
Daarbij geldt dat de categorieën 1 en 2 een vaste prioriteitsvolgorde kennen; dat is te zien aan de nummering in bovenstaand schema. Het gaat hierbij met name om maatschappelijke functies, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. Zo wordt prioriteit gegeven aan het voorkomen van schade aan waterkeringen en aan vitale natuur, en ook aan het waarborgen van de leveringszekerheid van energie en drinkwater.
Binnen de categorieën 3 en 4 is er ruimte voor regionaal maatwerk; hier geldt geen vaste prioriteitsvolgorde. Regionaal kan dus door waterbeheerders worden bepaald welke volgorde binnen deze categorieën wordt aangehouden. Deze categorieën betreffen vooral, maar niet uitsluitend, economische functies. De mate waarin verschillende functies worden getroffen, kan daarbij sterk verschillen per regio. Categorie 3 heeft binnen de verdringingsreeks een bijzondere positie. Deze categorie vormt een uitzondering op categorie 4, waaronder onder meer landbouw en industrie vallen. Het uitgangspunt is dat met een relatief kleine hoeveelheid water, gedurende een beperkte periode, een zeer groot maatschappelijk of economisch effect kan worden bereikt, bijvoorbeeld door massale faillissementen of het volledig falen van de oogst te voorkomen. Ook bij categorie 3 blijft echter gelden dat de belangen uit categorie 1 en 2 voorgaan. Dat speelt op dit moment ook in Delfland, waar het borgen van de waterveiligheid zwaarder weegt dan het beschikbaar stellen van water voor functies in de categorieën 3 en 4.
Bent u momenteel in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland, Glastuinbouw Nederland en andere betrokken partijen over de gevolgen van deze maatregel? Zo nee, bent u bereid dit overleg met spoed te initiëren?
Zie het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid zich actief in te zetten voor een oplossing waarbij ondernemers niet onnodig de dupe worden van bestuurlijke keuzes en waarbij ondernemers die binnen enkele dagen zonder water komen te zitten worden geholpen?
Het kabinet is zich ervan bewust dat waterschaarste ingrijpende gevolgen kan hebben voor ondernemers. Tegelijkertijd, bij ernstige waterschaarste moeten maatregelen worden genomen om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Het kabinet vindt het belangrijk dat ondernemers niet onnodig worden geraakt en dat binnen de kaders van de verdringingsreeks waar mogelijk naar oplossingen wordt gezocht. Daarom worden nu ook met urgentie tijdelijke oplossingen onderzocht, zoals het ontzilten van water en het hergebruik van effluent. Tevens wordt momenteel 100 m3 water per dag uit het Hollands Diep met tankwagens naar de glastuinbouwbedrijven met de grootste problemen gebracht. Tevens versoepelt Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk op 19, 20 en 21 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie). Tegelijkertijd kunnen ondernemers zichzelf ook weerbaar maken tegen waterschaarste. Het kabinet ondersteunt en stimuleert dit onder andere via het Deltaprogramma Zoetwater (DPZW) en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).
Deelt u de mening dat een overheid betrouwbaar, voorspelbaar en dienstbaar behoort te handelen en dat ingrijpende besluiten die ondernemers direct raken tijdig, zorgvuldig en in overleg met betrokken sectoren moeten worden voorbereid? Is dit volgens u beiden voldoende gebeurd? Zo ja, graag een tijdlijn van overleggen met de daarbij horende gespreksonderwerpen. Zo nee, hoe reflecteert u hierop en welke lessen trekt u hieruit?
Ja, die mening deel ik. Delfland geeft aan dat de situatie snelle besluitvorming vergde. Zij hebben daarbij een brede belangenafweging gemaakt conform de wettelijke verdringingsreeks. Hierbij zijn de belangen van alle stakeholders gewogen. Bijvoorbeeld die van gemeenten, binnenvaart, inwoners, recreatie en ondernemers, én de glastuinbouw. Voor een tijdlijn van overleggen verwijs ik u graag naar Delfland.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Delfland over hun handelwijze, communicatie en belangenafweging rondom dit onttrekkingsverbod, zodat kan worden vastgesteld of hier sprake is geweest van zorgvuldig en proportioneel bestuur?
Ik zie geen aanleiding om met Delfland hierover in gesprek te gaan. Delfland heeft binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks gehandeld. Wel is het zo dat elke droogteperiode door de LCW breed geëvalueerd wordt. Het onttrekkingsverbod van Delfland zal naar alle waarschijnlijkheid onderdeel vormen van deze evaluatie.
Kunt u deze vragen, gezien de acute situatie, de beperkte watervoorraden bij veel tuinders en de dreigende economische schade, uiterlijk 12 augustus 2026 beantwoorden?
Ik heb geprobeerd de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Tot slot, bied ik graag aan om een technische briefing over de Droogte aan de Tweede Kamer te (laten) verzorgen. Graag hoor ik of uw Kamer daar behoefte aan heeft.