| Ingediend | 15 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 15 juni 2026 (na 61 dagen) |
| Indieners | Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
| Beantwoord door | Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
| Onderwerpen | economie organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z07912.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2247.html |
Ja.
In de Kamerbrief over de «Acties weerbaarheid energieschok»1 heeft het kabinet een eerste analyse gemaakt van mogelijke overwinsten in de olie- en gassector. In deze analyse is geconcludeerd dat de marges met name bij de productie van ruwe olie zijn opgelopen, maar dit wordt vrijwel volledig in het buitenland gematerialiseerd. Daarnaast heeft het kabinet ook indicaties van toegenomen marges in de raffinagesector. Hierbij is echter een belangrijke kanttekening dat het kabinet geen zicht heeft op de prijsafspraken die individuele bedrijven maken. Operators verhandelen olievolumes bijvoorbeeld (deels) middels een vast-prijscontract tegen een vooraf vastgestelde prijs, waardoor de invloed van hogere prijzen op de winsten mogelijk uitblijft. Bovendien betekent een hogere marge nog niet dat sprake is van een (in Nederland eventueel te belasten) overwinst. Tot slot heeft het kabinet geen indicatie dat de marges bij pomphouders zijn toegenomen. In de onlangs gepubliceerde monitor brandstofprijzen van het ACM worden deze conclusies bevestigd.
Het kabinet heeft geen onderzoek gedaan naar de prijsontwikkeling in andere Europese lidstaten.
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Het is in een vrije markteconomie normaal dat winsten fluctueren, afhankelijk van vraag-aanbod en prijsontwikkelingen. In Nederland hebben raffinaderijen bijvoorbeeld periodes van lagere winsten, maar ook periodes van hogere winsten. Dat gezegd hebbende is het niet de bedoeling dat fossiele bedrijven profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog.
Het kabinet deelt het belang om de kosten- en prijsontwikkeling bij olie- en gasbedrijven goed in de gaten te houden. De ACM publiceert sinds halverwege deze maand daarom iedere week een monitor brandstofprijzen. Op basis hiervan concludeert het kabinet dat er geen aanwijzingen zijn dat pomphouders momenteel hogere winstmarges realiseren als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten. Dit is naar verwachting wel het geval in de raffinagesector, waarvan een deel in Nederland staat. Daarnaast worden ook extra winsten gemaakt bij de productie van ruwe olie. Dit zit echter vrijwel volledig in het buitenland. Conform de aangenomen motie van de leden Klaver en Paternotte2 pleit het kabinet in Europees verband voor een aanpak van eventuele overwinsten bij energiebedrijven.
Het kabinet heeft recent een aantal maatregelen genomen om de eerste effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Eventuele extra winsten in de olie- en gassector leiden ook tot meer inkomsten in de vennootschapsbelasting. Deze sectoren zijn sterk internationaal verweven. Voor het belasten van eventuele extra winsten bovenop de vennootschapsbelasting, kiest het kabinet daarom een Europese aanpak. Zo roept het kabinet de Europese Commissie op tot een nadere analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast roept het kabinet op om de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als er inderdaad sprake is van overwinsten.
De Commissie heeft onlangs aangegeven geen voorstel voor een geharmoniseerde overwinstbelasting te gaan publiceren. De Commissie heeft in de Accelerate EU mededeling van 22 april jl. wel steun aan lidstaten aangeboden voor het vormgeven van nationale maatregelen toegespitst op het belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven. De Nederlandse oliemarkt is sterk verweven met die van andere Europese landen. In de discussie over het belasten van overwinsten is het daarom van belang om te blijven optrekken met andere Europese lidstaten. Ook in de andere lidstaten speelt deze discussie, maar heeft het nog niet tot nieuwe concrete voorstellen voor wetgeving geleid. Het kabinet blijft echter aandacht vragen bij de Commissie om in Europees verband tot een aanpak voor het belasten van eventuele overwinsten te komen en zal hierbij ook zoveel mogelijk optrekken met andere gelijkgestemde lidstaten.
Het kabinet heeft tijdens de Ecofinraad van 4 en 5 mei opgeroepen tot een nadere analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft het kabinet opgeroepen op EU-niveau de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als er inderdaad sprake is van overwinsten, op zowel de Ecofinraad van 4 en 5 mei als op de informele Energieraad van 12 en 13 mei. Deze oproep heeft vooralsnog niet geleid tot een nadere analyse of voorstel van de Europese Commissie (hierna: Commissie). De Commissie heeft onlangs aangegeven geen voorstel voor een geharmoniseerde overwinstbelasting te gaan publiceren. De Commissie heeft in de Accelerate EU mededeling van 22 april jl. wel steun aan lidstaten aangeboden voor het vormgeven van maatregelen toegespitst op het belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven. De Nederlandse oliemarkt is sterk verweven met die van andere Europese landen. In de discussie over het belasten van overwinsten is het daarom van belang om te blijven optrekken met andere Europese lidstaten. Ook in de andere lidstaten speelt deze discussie, maar heeft het nog niet tot nieuwe concrete voorstellen voor wetgeving geleid. Het kabinet blijft aandacht vragen bij de Commissie om in Europees verband tot een aanpak voor het belasten van eventuele overwinsten te komen en zal hierbij ook zoveel mogelijk optrekken met andere gelijkgestemde lidstaten.
Zie het antwoord op vraag 10.
Het kabinet heeft recent een aantal maatregelen genomen om de eerste effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Het tijdelijk of permanent extra belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven is daar geen onderdeel van, hier kiest het kabinet namelijk een Europese aanpak.
De betreffende EU Verordening c.q. de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage (en de tijdelijke verhoging van de cijns) leiden tot meerdere procedures. Het gaat daarbij zowel om nationaalrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures als om arbitrageprocedures. Tegen de tijdelijke solidariteitsbijdrage en tijdelijke verhoging van de cijns zijn in totaal 33 bezwaren ingediend bij de Belastingdienst, met een gezamenlijk bestreden bedrag van circa 2,7 miljard euro. Van deze bezwaren zijn er inmiddels twee in beroep aanhangig bij de rechtbank. De overige bezwaren zijn nog in behandeling. Daarnaast is een aantal partijen een arbitrageprocedure gestart, bijvoorbeeld op grond van het Energiehandvestverdrag. Het is onder meer met het oog op de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de vertrouwelijkheid van de arbitrageprocedures niet aan het kabinet om een volledig overzicht van de betrokken partijen en de geschilpunten te geven. Het kabinet verwijst voor de arbitragezaken waarvan de Kamer reeds op de hoogte is gebracht naar de brieven aan uw Kamer van 20 januari jl. en 18 mei jl.3 Een aantal bedrijven uit de olie- en gassector hebben daarnaast rechtstreeks beroep tegen de EU-verordening ingediend bij het Europees Hof van Justitie.
Zie het antwoord op vraag 13.
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 13.
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 13.
Ik kan bevestigen dat de tijdelijke solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen tussen Shell en ExxonMobil en de Staat. Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd, onder meer in de Kamerbrief inzake de start van de AoH-arbitrage.4 Ik kan ook bevestigen dat de tijdelijke solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van een arbitrageprocedure tussen Petrogas en het Koninkrijk der Nederlanden.5 Indien gewenst kan uw Kamer een vertrouwelijke briefing ontvangen over deze procedures. Dit vanwege de verplichte geheimhouding ten aanzien van de inhoud van de arbitrageprocedure.
Ja. Het kabinet verwijst naar de brief van het kabinet aan uw Kamer van 20 januari jl. en 18 mei jl.6
Ja. Het kabinet verwijst naar de brief aan uw Kamer van 18 mei jl.8
Het kabinet heeft inderdaad aangegeven dat een overwinstbelasting aandachtspunten kent. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afbakening van het subject (de belastingplichtige) en het object (de belastbare grondslag). Om die reden zijn vorige kabinetten terughoudend geweest met het invoeren van een solidariteitsbijdrage.9 Als gevolg van de geopolitieke situatie en de daaruit ontstane zeer uitzonderlijke omstandigheden in 2022 is een EU-verordening aangenomen met daarin een tijdelijke solidariteitsbijdrage. Het kabinet Rutte IV heeft – ingevolge deze EU-verordening – de tijdelijke solidariteitsbijdrage voor 2022 ingevoerd. Over deze tijdelijke solidariteitsbijdrage worden momenteel meerdere juridische procedures gevoerd (zie ook het antwoord op vraag 13). Indien gewenst kan uw Kamer hier een vertrouwelijke briefing over ontvangen.
Het introduceren van een nieuwe overwinstbelasting of crisisheffing is niet per definitie onmogelijk, maar elke specifieke situatie vergt een afzonderlijke weging. Voor nu kiest het kabinet voor een Europese aanpak bij het belasten van eventuele extra winsten bij olie- en gasbedrijven.
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 20 en 21.
Het staat in onze rechtsstaat vrij om naar de rechter te stappen tegen overheidsmaatregelen. Daarnaast heeft Nederland afspraken gemaakt over basisstandaarden van goed bestuur in verdragen waardoor bedrijven die hebben geïnvesteerd vanuit een ander land waarmee Nederland een dergelijk verdrag heeft onder bepaalde omstandigheden een arbitrageprocedure kunnen starten. Het gaat hierbij om basisstandaarden zoals we die ook in ons nationale recht kennen.
Het staat partijen vrij om gerechtelijke toetsing van maatregelen te vragen bij een tribunaal dat daarover rechtsmacht heeft, wat afhangt van de specifieke omstandigheden van elk afzonderlijk geval. Uiteraard zal de Staat in dergelijke procedures verweer voeren. Het indienen van een vordering staat derhalve niet gelijk aan het toegewezen krijgen daarvan.
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 23.
De Nederlandse overheid handelt bij de voorbereiding en uitvoering van (fiscale) maatregelen binnen de geldende nationale en internationale juridische kaders. Het staat investeerders echter op grond van investeringsbeschermingsovereenkomsten met ISDS-clausules vrij om een geschil aan te spannen bij een tribunaal wanneer zij menen dat de in het verdrag vastgelegde bescherming is geschonden. In investeringsbeschermingsovereenkomsten betreft dat afspraken over goed bestuur zoals we die ook in het nationale recht kennen. Maar een zaak aanspannen wil niet zeggen dat die zaak ook gewonnen wordt. Wanneer een tribunaal in een concreet geval toch tot het oordeel komt dat Nederland een verdragsverplichting heeft geschonden, kan dit financiële gevolgen hebben, bijvoorbeeld in de vorm van schadevergoeding.
In beginsel worden de materiële bepalingen van investeringsbeschermingsovereenkomsten opgesteld om wederzijdse investeringen tussen twee staten aanvullende bescherming te bieden. Dit beoogt het investeringsklimaat in beide landen te versterken. Wanneer een investeerder van de andere verdragspartij meent dat de staat een dergelijke beschermingsbepaling schendt kan deze, onder voorwaarden, op basis van de in de overeenkomst opgenomen procedures een geschil aanhangig maken bij een arbitragetribunaal. Het kabinet hecht hierbij belang aan het expliciet verduidelijken van de beleidsruimte van overheden in investeringsbeschermingsovereenkomsten en helder afgebakende beschermingsstandaarden. Dit vormt daarom ook een onderdeel van de moderniseringsinzet van het kabinet. De modernisering van dat stelsel herbevestigt expliciet het recht van Staten om in het publieke belang te reguleren, zoals op het terrein van klimaat- en energiebeleid. De gemoderniseerde Nederlandse modeltekst bevat daarbij ook bepalingen over duurzame ontwikkeling, waaronder een bepaling waarin de verplichtingen uit multilaterale overeenkomsten op het gebied van milieubescherming, zoals het Klimaatakkoord van Parijs, worden bevestigd.