| Ingediend | 18 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 15 april 2026 (na 28 dagen) |
| Indieners | Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
| Beantwoord door | de Bat , Stientje van Veldhoven (D66), Pieter Heerma (CDA) |
| Onderwerpen | bestuur bodem burgerlijk recht natuur en milieu organisatie en beleid recht |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z05352.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1629.html |
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Zie antwoord vraag 5.
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
Zie antwoord vraag 9.
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.