Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het uitblijven van een volledige strafrechtelijke afhandeling van de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR-/Palliebestormers stadhuis verdwenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het binnendringen van een gemeenteraad, het verstoren van een raadsvergadering en het intimideren van gekozen volksvertegenwoordigers een frontale aanval vormen op onze democratische rechtsorde en daarom keihard en maximaal moeten worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. Het intimideren van volksvertegenwoordigers is tevens volstrekt onacceptabel. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het OM om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe kan het dat ruim een jaar na de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad, terwijl de gebeurtenissen volledig op beeld zijn vastgelegd en de identiteit van meerdere betrokkenen bekend is, nog altijd geen volledige strafrechtelijke afhandeling heeft plaatsgevonden?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed mevrouw Hessel aangifte voor het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de burgemeester van Utrecht geen aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring in de raadszaal zelf, de betrokken actievoerders publiekelijk voor de camera van RTV Utrecht in bescherming nam en later samen optrok met de organisator van het protest? Deelt u de mening dat hierdoor de burgemeester de ernst van deze aanval op de democratie enorm heeft gebagatelliseerd en dat dit een enorm dieptepunt is voor onze democratie?
Het is niet aan mij om de bestuurlijke keuzes en het optreden van de burgemeester in dezen te beoordelen.
Klopt het dat raadslid Yvonne Hessel wél aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring in de raadszaal, dat de politie deze aangifte heeft onderzocht en vervolgens heeft doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie, terwijl het Openbaar Ministerie later heeft aangegeven deze aangifte niet te hebben ontvangen? Hoe kan een aangifte in een zaak van deze ernst in hemelsnaam verdwijnen? Bent u hierover al in gesprek geweest met het Openbaar Ministerie? Zo ja, wat is daarbij besproken?
Een paar weken na de aangifte van de burgemeester heeft het raadslid Hessel aangifte gedaan van het verstoren van diezelfde raadsvergadering. Dit betreft een ander strafbaar feit dan de aangifte van de burgemeester, Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw Hessel is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aangeboden.
Er is dus geen sprake van een verdwenen aangifte.
Heeft de burgemeester van Utrecht vóór, tijdens of na de aangifte op enig moment contact gehad met het Openbaar Ministerie over de strafrechtelijke afhandeling van deze zaak? Zo ja, wanneer, met wie en wat is daarbij concreet besproken?
Het besluit om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
Bent u bereid volledig en onafhankelijk te laten onderzoeken hoe deze aangifte heeft kunnen verdwijnen, wie daarvoor verantwoordelijk is, of daarbij fouten, nalatigheid, beïnvloeding of belemmering een rol hebben gespeeld en welke consequenties hieraan verbonden worden en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren? Zo nee, waarom niet? . Deelt u de mening dat burgemeesters bij strafbare feiten die worden gepleegd tijdens een gemeenteraadsvergadering altijd aangifte behoren te doen om de lokale democratie te beschermen? Bent u bereid hierover landelijke afspraken of een richtlijn op te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5. Er is geen sprake van een verdwenen aangifte.
Waarom heeft het Openbaar Ministerie niet uit eigen beweging strafrechtelijk opgetreden tegen de personen die de Utrechtse gemeenteraad hebben bestormd en de vergadering hebben verstoord, terwijl deze gebeurtenissen uitgebreid op beeld zijn vastgelegd en publiekelijk bekend waren? Hoe rijmt u dit met de taak van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten op te sporen en te vervolgen?
Het kabinet roept politieke ambtsdragers op om normerend op te treden en altijd aangifte te doen van intimidatie of van handelingen die de lokale democratie onder druk zetten. Het is aan de ambtsdrager zelf om daarbij alle omstandigheden af te wegen en een besluit te nemen.
Acht u het aanvaardbaar dat personen die een democratisch gekozen gemeenteraad hebben bestormd, de vergadering hebben verstoord en hiermee de democratie frontaal hebben aangevallen mogelijk geheel of gedeeltelijk buiten vervolging blijven? Zo nee, bent u bereid alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken alsnog zo spoedig mogelijk strafrechtelijk worden vervolgd met maximale strafeisen?
Zie het antwoord op vraag 3. Het OM heeft ervoor gekozen om voor de zwaarste feiten vervolging in te stellen.
Indien uit onderzoek blijkt dat de burgemeester van Utrecht op welke wijze dan ook betrokken is geweest bij het verdwijnen van de aangifte of het frustreren van de strafrechtelijke afhandeling van deze aanval op de lokale democratie, deelt u dan de mening dat zij per direct niet langer houdbaar is als burgemeester en dat niet alleen een procedure tot schorsing en ontslag onmiddellijk in gang moet worden gezet, maar ook strafrechtelijke vervolging? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 3 en 9. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen voor welke feiten vervolging wordt ingesteld.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Ja, het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze racistische uitingen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Het is volstrekt onacceptabel wanneer mensen, in dit geval Nederlandse sporters, worden geconfronteerd met racistische uitingen of worden beoordeeld op hun huidskleur in plaats van op hun (sportieve) prestaties. Discriminatie op grond van herkomst, afkomst of huidskleur is verboden in artikel 1 van de Grondwet en gaat in tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Alhoewel het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder uitingen die kunnen kwetsen en schuren zoals kritiek, eveneens een essentieel grondrecht is en een belangrijke voorwaarde voor een open en pluriforme samenleving, is dit recht niet absoluut. Zij is geen vrijbrief maar brengt verantwoordelijkheden met zich mee en is begrensd wanneer uitingen de rechten en waardigheid van anderen aantasten. Discriminerende uitingen, zoals het bewust racistisch beledigen van mensen, zijn strafbaar. Voor deze gevallen geldt evident dat geen beroep gedaan kan worden op de bescherming die het recht op vrijheid van meningsuiting biedt.
Artikel 1 van onze Grondwet legt in de eerste plaats de wetgever, het bestuur en de rechter, de zwaarwegende juridische verplichting op om iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Tegelijkertijd geeft dit grondrecht ook uitdrukking aan een bredere sociaal-normatieve waarde, namelijk de fundamentele standaard dat iedereen in Nederland gelijkwaardig is.
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Gevoelens van uitsluiting en onveiligheid hebben ook invloed op mensen die zich herkennen in de spelers, omdat zij bijvoorbeeld een vergelijkbare achtergrond hebben, of van dezelfde komaf zijn. Zo raken deze opmerkingen niet alleen de spelers maar een breder publiek: het signaal dat je niet wordt beoordeeld op je inzet, kwaliteiten en prestaties, maar op waar je vandaan komt en wie je bent. Dit raakt niet alleen de sport maar ook andere maatschappelijke terreinen. Dit soort uitingen gaan in tegen de kerngedachte van fundamentele gelijkwaardigheid binnen onze samenleving.
Discriminatie en racisme zijn een diepgeworteld probleem in en van de samenleving. De gevolgen van discriminatie en racisme tasten de sociale cohesie aan, en daarmee het vertrouwen in de politiek en overheid waardoor ook de maatschappelijke betrokkenheid afneemt.2 Dit maakt dat de bestrijding van discriminatie en racisme een maatschappelijke en gezamenlijke uitdaging is die ons allen aangaat, ook diegenen die hier niet direct door geraakt worden.
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
De opgave waar we als samenleving gezamenlijk voor staan is om gelijkwaardigheid te bevorderen en discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen, ongeacht het maatschappelijk terrein. Persoonskenmerken zoals afkomst en huidskleur mogen nooit bepalend zijn voor de wijze waarop iemand behandeld wordt.
Met betrekking tot het bestrijden van racisme en discriminatie binnen de sport werken de Ministeries JenV, OCW, SZW en VWS met beperkt budget samen met de KNVB binnen het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI). De maatregelen binnen OVIVI zijn gericht op bewustwording, gedragsverandering, signaleren en sanctioneren. Dit programma loopt tot het eind van 2026 maar het kabinet is voornemens om maatregelen voor te zetten in 2027, in lijn met het regeerakkoord.
Als het gaat om discriminatie in de sport is het aandeel van meldingen dat gedaan wordt bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) relatief klein ten opzichte van andere maatschappelijke terreinen.3 Blijvende en nadrukkelijke aandacht voor het herkennen van discriminatie en het melden ervan blijft noodzakelijk in de procesbegeleiding en trainingsprogramma’s voor de clubs, bij zowel amateur- als betaald voetbal organisaties (BVO’s). Om het signaleren en melden van racistische en andere discriminerende gedragingen en uitingen op en rond de voetbalvelden te versterken, worden in het Plan van aanpak 2023–2025 verschillende maatregelen genomen, waaronder het versterken van de samenwerking tussen de KNVB en ADV’s voor begeleiding van het doen van meldingen, de afhandeling daarvan en kennisdeling tussen deze organisaties en het Centrum Veilige Sport Nederland.4
Daarnaast ontwikkelt de KNVB in samenspraak met reeds betrokken departementen een normstellend kader voor het tegengaan van online discriminatie binnen het voetbal, waarin aandacht voor het doen van meldingen een onderdeel is.5
Voor een effectieve aanpak van discriminatie in Nederland is inzicht in ervaren en gemelde discriminatie essentieel. In algemene zin is bekend is dat het aantal meldingen niet representatief is voor de daadwerkelijk ervaren discriminatie.6 Deze beperkte meldingsbereidheid, zowel binnen de sport als binnen andere maatschappelijke sectoren, is onder andere te verklaren door een gebrek aan vertrouwen in de opvolging van meldingen.7
Melden heeft altijd zin. ADV’s bieden een luisterend oor, voeren hoor- en wederhoor en kunnen juridische procedures voeren voor hun melders. Om de meldingstoegankelijkheid verder te stimuleren is een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur van groot belang. In de afgelopen jaren is ingezet op professionalisering van de 18 individuele ADV’s (die samen meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten bestrijken als werkgebied), waaronder de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en de toegenomen aandacht voor Discriminatie.nl als landelijke vereniging. Desondanks is verdere versterking nodig om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit – en daarmee de meldingstoegankelijkheid en het vertrouwen om te melden – te vergroten. Het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie beoogt deze verbeteringen te bereiken door middel van één door het Rijk gefinancierde landelijke organisatie met lokale fysieke loketten.8 Deze nieuwe landelijke organisatie zal onafhankelijk zijn in de wijze waarop zij haar taken uitvoert en krijgt daarnaast nieuwe taken gericht op preventie van discriminatie en om melders actief door te geleiden naar passende nazorg als dat gewenst is.
Om het vertrouwen in het melden van discriminatie verder te verhogen werkt het kabinet ook aan een brede publiekscommunicatie waaronder een landelijke campagne, gericht op de meldingstoegankelijkheid van alle gronden, waaronder ook afkomst en herkomst. De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.
Tot slot is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie (NCDR) ingesteld met het doel om racisme en discriminatie te bestrijden. Als regeringscommissaris adviseert de NCDR het kabinet over de aanpak van discriminatie en racisme. De NCDR heeft inmiddels verschillende adviezen uitgebracht en heeft het voornemen om ook een advies over anti-zwart racisme op te stellen.9
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Ja, er is contact opgenomen met de KNVB en is er steun betuigd over de gedane aangifte. Tijdens het commissiedebat Sportbeleid op 30 juni 2026 heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport haar afschuw uitgesproken over de racistische uitingen.
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
De wijze waarop de Nederlandse spelers zijn bejegend na het verlies tegen Marokko, is helaas geen geïsoleerd incident maar komt vaker voor.10 Uitgangspunt is dat sport moet zorgen voor verbinding, waarbij doorgaans veel positieve emoties loskomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat discriminatie en racisme helaas niet ongebruikelijk is op verschillende niveaus en op verschillende gronden.
Specifiek binnen het voetbal komen discriminerende en racistische uitingen relatief vaak voor, zo laat ook het prevalentie onderzoek van Verian11 uit 2026 zien. Daaruit blijkt dat ongeveer 4% van alle sporters en 3% van alle sportprofessionals in het afgelopen jaar discriminatie heeft ervaren. Binnen de sport wordt het voetbal – als grootste teamsport met de meeste aantal leden van Nederland – het vaakst genoemd als context waarin dergelijke uitingen voorkomen. Het gaat vooral om verbale uitingen van medespelers, tegenstanders en publiek zo meldt het onderzoek. Dat er sprake zou zijn van een voorspelbaar patroon van racistische online haat na grote sportevenementen onderschrijft het kabinet echter niet.
Met de programma’s OVIVI en OCIVI (Onze Club Is Van Iedereen) ondersteunt het kabinet de sportsector in de strijd tegen discriminatie en racisme in het voetbal en sportbreed. Zowel op het veld, in de hal, langs de lijn en online.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft tijdens commissiedebat Sportbeleid van 30 juni 2026 medegedeeld dat er wordt binnen OVIVI gewerkt aan het ontwikkelen van een slimme technologie om daders op te sporen, om het proces tot vervolging te vergemakkelijken.
Tot slot heeft het kabinet de intentie de subsidie gericht op het bestrijden van online racisme te zullen voortzetten in 2027, zoals in reactie op vraag 5 reeds is aangegeven. Daarover lopen momenteel gesprekken met de KNVB.
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Het eerder genoemde Verian onderzoek (2026) naar discriminatie in de sport maakt onderscheid naar vormen van discriminatie, maar omvat geen landelijk percentage voor online discriminatie van sporters. Op dit moment is er daardoor nog geen volledig zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters. Wel zijn er diverse onderzoeken die hieronder toegelicht zullen worden.
Binnen de aanpak OVIVI is aandacht voor online racisme richting voetballers. Hierbij wordt gebruikgemaakt van monitoring, meldingen en technologie om online haat op sociale media te signaleren. Dit is terug te zien inde Monitor OVIVI, die jaarlijks door het Mullier Instituut wordt uitgebracht. De meest recente versie van deze monitor is op 24 juni 2026 aan uw Kamer aangeboden.12
Naast de monitor van OVIVI, heeft Movisie in 2022 een overigens niet-representatief onderzoek gedaan naar online discriminatie onder mannelijke betaald voetbalspelers.13
Er is in het kader van OVIVI begin dit jaar een vragenlijst uitgezet over (online) discriminatie onder betaald voetbalspelers in Nederland. Helaas was de respons onder de mannelijke spelers te laag om over te rapporteren. De respons onder vrouwelijke speelsters was wel hoog genoeg; de resultaten worden door het Mulier Instituut verwerkt en later dit jaar gepubliceerd.
Daarnaast voeren momenteel het Verwey Jonker Instituut, de Anne Frank Stichting en de Erasmus Universiteit het onderzoek uit naar antisemitisme in het betaald voetbal (in opdracht van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding). Dat bestaat uit een bevolkingsonderzoek naar in welke mate discriminatie, racisme en antisemitisme voorkomt in stadions en in online omgevingen, gerelateerd aan voetbal. Dat rapport wordt medio 2027 verwacht. Die studie richt zich alleen op voetbal en niet op de ervaringen van (top)sporters zelf.
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Het (kunnen) identificeren van plegers van online haat is ingewikkeld. Daar waar plegers gebruik maken van anonieme (social media) accounts zijn politie en OM in veel gevallen afhankelijk van internationale rechtshulp. Dat is een kostbaar en tijdrovend proces, waarbij het Nederlandse OM voor identificerende gegevens van plegers veelal afhankelijk is van de autoriteiten van landen waar deze tech-bedrijven zijn gevestigd. Daarom wordt, daar waar dat kan, via minder ingrijpende middelen zoals Open Source Intelligence (OSINT) getracht om zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de online pleger. In het geval dat dergelijke informatie ontoereikend is en informatie nodig is uit het buitenland, zal dit worden opgevraagd middels een rechtshulpverzoek aan de landen waar de tech-bedrijven zich bevinden.
Daar waar de verdenking zich richt op groepsbelediging ex. artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kunnen er in beginsel weinig bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet, omdat artikel 137c WvSr geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Tot slot zal er een gesprek tussen de Minister van Langdurige Zorg Jeugd en Sport en de Minister van JenV plaatsvinden over de mogelijkheden online haat te bestrijden op socialemediaplatforms. De terugkoppeling daarvan wordt meegenomen in de eerder toegezegde stand-van-zakenbrief.
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
Zie antwoord vraag 10.
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Het OM rapporteert jaarlijks over de discriminatiecijfers aan de Minister van JenV via het cijferrapport «Strafbare Discriminatie in Beeld». Dit rapport wordt jaarlijks ter kennisgeving aan de Kamer aangeboden door de Minister van JenV. In dit rapport wordt uiteengezet hoeveel specifieke discriminatiefeiten (zoals groepsbelediging) er bij het OM zijn ingestroomd en hoeveel feiten er zijn ingestroomd waarin een discriminatieaspect een rol heeft gespeeld. Per 1 juli 2025 zijn de laatstgenoemde categorie feiten opgenomen als wettelijke strafverzwaringsgrond in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht. In 2025 betroffen het 42 specifieke discriminatiefeiten en 37 feiten waarin een discriminatieaspect een rol speelde, die online zijn gepleegd.
Het OM werkt in principe aangifte-gedreven; zo staat ook te lezen in de Aanwijzing discriminatie. Verhoging van de aangiftebereidheid leidt daarmee vrijwel automatisch tot het vaker (kunnen) afdoen van discriminatiezaken, ook online. Daarnaast wordt er binnen het OM sinds het afgelopen jaar meer samengewerkt tussen de discriminatie-aanpak en de aanpak van terrorisme en radicalisering online, om waar mogelijk ook vaker ambtshalve een discriminatieonderzoek te kunnen starten of afronden.
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. De Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan tussenhandeldiensten, waaronder online platforms zoals Meta, X en TikTok, met als doel om illegale inhoud zoals online haat en racisme aan te pakken. Zo moeten de genoemde platforms voorzien in doeltreffende kennisgevings- en actiemechanismen waar illegale inhoud kan worden gemeld. De genoemde platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit hun diensten in kaart brengen en beperken. Deze systeemrisico’s kunnen onder meer risico’s omvatten die worden veroorzaakt door schadelijke inhoud, zoals online haat en discriminatie.
Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de DSA voor Meta, X en TikTok – zogenoemde zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) – ligt bij de Europese Commissie.
De DSA maakt het daarnaast mogelijk voor organisaties met specifieke expertise in het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud, om gecertificeerd te worden als «betrouwbare flagger». In Nederland worden aanvragen voor die status behandeld door de Autoriteit Consument en Markt. Betrouwbare flaggers kunnen illegale inhoud bij online platforms melden. Zulke meldingen moeten met prioriteit worden behandeld door online platformen. In dit kader is het relevant dat Meld.Online Discriminatie (MOD) is gecertificeerd als betrouwbare flagger voor meldingen van online discriminatie in Nederland.14 Naar aanleiding van de discriminerende bejegeningen van de Oranjespelers, heeft MOD meerdere berichten als illegaal beoordeeld en hierover verwijderverzoeken ingediend bij online platforms. De verwijderverzoeken zijn allen ingewilligd door de bevraagde platforms.15
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Ja, uit de berichtgeving blijkt dat de Oranjespelers op grote schaal zijn geconfronteerd met racistische uitingen. Daaruit concludeer ik dat de platformen er niet in zijn geslaagd om gebruikers van hun diensten te beschermen tegen online haat en discriminatie. Dat is verontrustend en zou niet moeten gebeuren. Het ligt voor de hand dat platforms bij voorspelbare piekmomenten extra maatregelen treffen. Uit navraag bij betrokken platforms volgt dat zij actief monitoren op racistische content. Zowel TikTok als Meta geven aan dat zij anticiperen op grote gebeurtenissen, zoals sportevenementen. Het is aan de Europese Commissie om te onderzoeken of zij met hun huidige werkwijze voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Het is onacceptabel dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen om hun sociale media af te schermen tegen haat en racisme. Geconfronteerd worden met online haat en racisme moet niet getolereerd en genormaliseerd worden, of dat gaat om de betrokken spelers, of wie dan ook. Dit incident laat zien dat de bescherming van slachtoffers onvoldoende was. Dit demonstreert de noodzaak, urgentie en belang voor het tegengaan van online discriminatie, en dat duurzamere en effectievere bescherming en ondersteuning van slachtoffers van groot belang zijn. Deze taak valt ons allemaal toe. Het kabinet trekt hier in samen op met het maatschappelijk middenveld vanuit het Plan van aanpak tegen online discriminatie.16
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Zie het antwoord onder vraag 14.
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Het Plan van aanpak online discriminatie omvat rijksbrede maatregelen ter bestrijding van alle vormen van online discriminatie. Het Plan van aanpak zet onder andere in op vaker en meer zichtbare consequenties voor daders, betere ondersteuning van slachtoffers en meer maatschappelijke bewustwording. Hieronder een paar voorbeelden van maatregelen uit het Plan van aanpak die zijn uitgevoerd of momenteel worden uitgevoerd.
Het kabinet investeert vanaf 2025 structureel in de expertise en personeelsbezetting van de gespecialiseerde politie-eenheid voor discriminatie, ECAD-P genaamd. Deze investeringen zijn bedoeld om politie-eenheden te helpen discriminatie beter te herkennen, te registreren en te bestrijden, zowel offline als online.
Ook steunt het kabinet dit jaar trainingen van International Network Against Cyber Hate (INACH) aan maatschappelijke organisaties en (decentrale) overheden om bewustwording over online haatspraak te stimuleren en handelingsperspectieven te bieden. De trainingen gaan onder meer over de digitale rechten die men heeft, de beschikbare online meldvoorzieningen en hoe daar gebruik van gemaakt kan worden.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede en overzichtelijke hulpinfrastructuur voor slachtoffers van online discriminatie, waarbij wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen hulporganisaties. Dit blijkt ook uit de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en diens samenwerkingsovereenkomst met Meld.Online Discriminatie die dit jaar is ondertekend. Zo kunnen laagdrempeligere meldmogelijkheden geboden worden aan slachtoffers van online discriminatie.
Ook start in oktober een maatschappelijke dialoog over normen en waarden rond online discriminatie. Deze dialoog vindt deels plaats op een nog te lanceren dialoogplatform www.praatmeemetdeoverheid.nl en deels tijdens fysieke bijeenkomsten onder begeleiding van experts. Daarmee zet het kabinet in op sterkere online normen en waarden, meer maatschappelijke bewustwording en het betrekken van Nederlanders bij het bedenken van passende beleidsmaatregelen.
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat de overheid, bijvoorbeeld via woordvoerders of persvoorlichters, contact onderhoudt met journalisten. Het is de taak van deze ambtenaren om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt dat een ambtenaar zijn werk politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen.
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Ja. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen. Zij hanteren hierbij de journalistieke kernbeginselen, zoals hoor en wederhoor en het verifiëren van bronnen. Deze werkwijze draagt eraan bij dat een onderwerp vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Het is vervolgens aan de lezer, kijker of luisteraar om zich op basis van de door de journalist verstrekte informatie een eigen oordeel te vormen.
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
In algemene zin kan ik zeggen dat de persvrijheid in het geding komt als er van overheidswege censuur zou worden toegepast, bijvoorbeeld het op basis van politieke motieven uitvaardigen van een verbod iets te publiceren. Dat is in Nederland niet toegestaan. Daarnaast is het onacceptabel als de overheid «zachte druk» uitoefent op journalisten of media. Zulke druk kan een zogenoemd chilling effect veroorzaken, waardoor journalisten uit vrees voor negatieve gevolgen overgaan tot zelfcensuur. Ook dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Ja. Journalisten werken volgens journalistieke kernbeginselen. De Raad voor de Journalistiek vat dit in de Leidraad kernachtig samen: «Goede journalistiek is waarheidsgetrouw en nauwgezet, onpartijdig en fair, controleerbaar en integer.»2 Het is aan de journalist om, vaak in overleg met zijn redactie, de afweging te maken hoe deze beginselen in een concreet geval worden toegepast.
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Ja. Een gezond debat wordt gevoerd met de juiste feiten. Journalisten hebben een belangrijke rol in het brengen van deze feiten, zodat de lezer, kijker of luisteraar zelf een afweging kan maken en een mening kan vormen.
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 2 kan ik zeggen dat in contacten met journalisten, het de taak van ambtenaren is om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt zoals hiervoor aangegeven dat een ambtenaar zijn werk te allen tijde politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Het bestrijden van een bepaalde politieke duiding behoort niet tot de taak van een ambtenaar.
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
De lokale gemeenteraad, in dit geval de Amsterdamse, heeft tot taak het college van burgemeester en wethouders te controleren. In de Amsterdamse gemeenteraad zijn tevens raadsvragen gesteld over deze kwestie, waarmee de gemeenteraad dus invulling geeft aan deze verantwoordelijkheid.
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Ten aanzien van de situatie in de gemeente Amsterdam zijn er raadsvragen gesteld, zoals benoemd in het antwoord op vraag 11. Ik heb geen signalen ontvangen dat er bij overheden gebruikt wordt gemaakt van beleid, instructies of informele werkwijzen over het ontmoedigen van bepaalde berichtgeving.
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Ik heb geen signalen ontvangen dat ambtenaren regelmatig journalisten benaderen met politieke argumenten. Ik zie derhalve geen aanleiding voor een onderzoek.
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Nee. Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de voorgaande vragen.
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Zorgvuldige en eerlijke communicatie door de overheid is essentieel voor het vertrouwen van burgers in de overheid. De media hebben tot taak om in informatie te voorzien, de macht te controleren en een podium te bieden aan diverse geluiden. De journalistieke sector heeft hiervoor zelf standaarden opgesteld, zoals bijvoorbeeld in de eerder aangehaalde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek.
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Er is geen plaats voor overheidsdruk op journalisten om zo hun berichtgeving te beïnvloeden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het rapport « Who Gets Deepfaked? Measuring the exposure of European parliamentarians in deepfake pornography», het rapport «Targeted and Ignored. Sexualised Deepfakes of Women MEPs and the Failure of Platform Responses», het artikel «Unicum: vrouwelijke Kamerleden slaan handen ineen in strijd tegen gruwelijk online seksueel misbruik» en het statement «AI kent geen grenzen. Wij wel.» dat 15 vrouwelijke Tweede Kamerleden van acht verschillende politieke partijen hebben uitgestuurd?1, 2, 3
Wat zegt het volgens u dat vrouwelijke parlementariërs in Europa 33 keer vaker slachtoffer zijn van deepfake pornografie dan mannen en dat zeker een kwart van de vrouwelijke parlementariërs in Nederland hier slachtoffer van is?
Bent u het ermee eens dat dergelijke cijfers schrikbarend zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit een chilling effect heeft op vrouwen die politiek actief willen worden? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat deepfake pornografie een groot maatschappelijk probleem is dat heel veel vrouwen in Nederland treft, waaronder ook vrouwen die niet het platform hebben van vrouwelijke Tweede Kamerleden en vrouwelijke BN’ers? Wat doet het volgens u met de positie van de vrouw in onze maatschappij dat deepfake pornografie zo gemakkelijk te genereren is, dat het eenmaal gemaakt niet tot nauwelijks van het internet verdwijnt en dat zeer grote aantallen vrouwen slachtoffer zijn van dit soort video’s?
Deelt u de mening van de onderzoekers van de twee rapporten dat naast goede wetgeving om deepfakepornografie te verbieden er ook sprak moet zijn van strikte handhaving? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ook per voorstel apart ingaan op de beleidsvoorstellen die de onderzoekers in hun twee rapporten doen om deepfake pornografie te bestrijden? Kunt u tevens aangeven welk van deze voorstellen nationaal kunnen worden opgepakt en voor welke van deze voorstellen u zich in Europees verband wilt inzetten?
Kunt u ingaan op de drie eisen namelijk een meldpunt waarop slachtoffers op een laagdrempelige manier melding kunnen maken van digitaal seksueel misbruik en waar ze meteen makkelijk aangifte kunnen doen (1), handhaving van het uitkleedverbod (2) en een landelijke campagne om het bewustzijn rondom deepfakes te vergroten (3)? Bent u van plan deze uit te voeren?
Kunt u deze vragen los van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
De verlaging van de terugvordering van subsidie aan BIJ1 |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bassiehof – Pieter Heerma (CDA) negeert advies waakhond, doet BIJ1 ruim ton cadeau, zwijgt over waarom»?1
Klopt het dat BIJ1 van het eerder volledig teruggevorderde subsidievoorschot over 2024 uiteindelijk slechts circa € 95.000 hoeft terug te betalen? Kunt u de exacte bedragen vermelden van de verleende subsidie, het uitgekeerde voorschot, de definitief vastgestelde subsidie en de resterende terugvordering?
Wanneer, door wie en op welke juridische en feitelijke gronden is besloten de terugvordering te verlagen? Betreft dit een beslissing op bezwaar, een schikking of een ander besluit?
Welke nieuwe gegevens rechtvaardigen deze verlaging ten opzichte van het eerdere besluit om de subsidie op nihil vast te stellen?2
Heeft BIJ1 inmiddels een volledige subsidieverantwoording over 2024 aangeleverd, inclusief de vereiste accountantsverklaring? Wanneer zijn deze stukken ontvangen, welke gebreken zijn hersteld en welke tekortkomingen bestaan nog?
Voor welke concrete activiteiten en uitgaven mag BIJ1 de niet-teruggevorderde middelen behouden? Hoe is vastgesteld dat deze uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en binnen de wettelijke subsidiedoelen vallen?
Is de Commissie toezicht financiën politieke partijen (Ctfpp) opnieuw om advies gevraagd voordat de terugvordering werd verlaagd? Zo ja, wat luidde dit advies? Zo nee, waarom niet?
Hoe heeft u bij uw besluit meegewogen dat de Ctfpp vanwege herhaaldelijke niet-naleving volledige terugvordering adviseerde en een lichtere maatregel onwenselijk achtte?3
Heeft de financiële positie van BIJ1 of het risico op betalingsproblemen een rol gespeeld bij de verlaging? Zo ja, waarom heeft dit dan geleid tot een lager terug te betalen bedrag en niet uitsluitend tot een betalingsregeling?
Deelt u de opvatting dat politieke partijen die met belastinggeld worden gefinancierd hun besteding volledig moeten verantwoorden en dat herhaaldelijke tekortkomingen consequenties moeten hebben? Hoe geeft uw besluit daaraan invulling?
Hoe waarborgt u dat voor alle politieke partijen dezelfde maatstaven gelden bij ontbrekende verantwoording, overschrijding van hersteltermijnen en heroverweging van terugvorderingen? Kunt u aangeven in welke vergelijkbare gevallen sinds 2021 een terugvordering is verlaagd en op welke gronden?
Klopt het dat BIJ1 al geruime tijd over het gewijzigde besluit beschikte zonder dat de Kamer hierover afzonderlijk was geïnformeerd? Waarom is de Kamer niet actief geïnformeerd, terwijl dat na de bezwaarprocedure over de subsidie aan BIJ1 voor 2021 wel gebeurde?4
Bent u bereid het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit, het gewijzigde besluit, de onderliggende berekening, eventuele aanvullende adviezen en de bijbehorende beslisnota’s aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, wat verhindert de verstrekking van ieder afzonderlijk document?
Is het aangekondigde sanctieregime, dat volgens uw eerdere Kamerbrief vóór 1 juli 2026 in werking moest treden, inmiddels van kracht? Welke gevolgen verbindt dit regime aan herhaaldelijke overtredingen en is het bij deze besluitvorming toegepast?²
Bent u bereid alsnog het volledige voorschot terug te vorderen indien niet deugdelijk kan worden aangetoond dat de behouden middelen rechtmatig zijn besteed? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De berichtgeving over discriminatie bij de afdeling Handhaving van UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van het Algemeen Dagblad en EenVandaag die wijst op discriminatie, racisme en etnisch profileren bij de afdeling Handhaving van UWV?
Deelt u de mening dat selecteren op «land van herkomst» en zwangerschap discriminatie is?
Sinds wanneer stonden de risicokenmerken «land van herkomst» en zwangerschap in de werkinstructie van de afdeling Handhaving en wanneer zijn deze definitief verwijderd?
Heeft u eerder signalen of klachten ontvangen over discriminatie in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving? Zo ja, kunt u aangeven wat de aard en omvang van deze signalen of klachten waren, welke maatregelen heeft u daarop getroffen, en in hoeverre deze naar tevredenheid van de melder waren?
Heeft u signalen of klachten ontvangen over discriminatie op andere gronden dan land van herkomst of zwangerschap in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving?
Deelt u de mening dat signalen van mogelijke discriminatie, zoals de uitkomst van de interne analyse van UWV, direct bij de Minister dienen te worden gemeld, ook als vervolgonderzoek nog plaatsvindt?
Welke afspraken gelden momenteel binnen de rijksoverheid voor de omgang met ambtelijke signalen van mogelijke discriminatie als gevolg van beleid en/of op de werkvloer?
Acht u deze afspraken voldoende, gelet op het feit dat de signalen u pas laat hebben bereikt en gelet op de stelling in de berichtgeving dat niets is gedaan met signalen over de werkcultuur?
Kunt u aangeven wanneer de maatregelen gericht op de werkcultuur bij de afdeling, zoals door u geschetst in uw Kamerbrief (2026D48782), wat u betreft voldoende effectief zijn? Welke doelen stelt u hierbij?
Welke maatregelen treft u om slachtoffers van discriminatie op de werkvloer van de afdeling te beschermen, daders aan te pakken en bewustwording te creëren?
Kunt u aangeven waarom aanvankelijk door UWV is gekozen voor een interne analyse na vermoedens van mogelijke discriminatie, in plaats van direct een onafhankelijk extern onderzoek?
Hoe beoordeelt u de stelling in het Algemeen Dagblad dat het KPMG-onderzoek niet primair gericht is op het onderzoeken van discriminatie, maar op verschillen in de werkwijze per kantoor?
Met welke onderzoeksvraag is het KPMG-onderzoek in januari 2026 van start gegaan? Was het onderzoeken van discriminatie daar expliciet onderdeel van?
Is de richting van het KPMG-onderzoek gaandeweg aangepast? Zo ja, waarom?
Heeft de afdeling Handhaving van UWV de discriminatietoets voor publieke dienstverlening gebruikt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u bereid de gehanteerde algoritmes en risicoprofielen van het UWV door te lichten op mogelijke (indirecte) discriminatie en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Maakt UWV gebruik van geautomatiseerde selecties van uitkeringsgerechtigden voor controles op fraude? Zo ja, worden historische gegevens, waaronder uitkomsten van oudere fraudecontroles, gebruikt om dergelijke systemen te trainen?
Is door de afdeling Handhaving overwogen om over te gaan tot aselecte controles? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Op basis van welke risicokenmerken worden de controles door de afdeling Handhaving op dit moment uitgevoerd?
Kunt u aangeven welke maatregelen UWV heeft getroffen sinds het kinderopvangtoeslagenschandaal om discriminatie en etnisch profileren in de eigen dienstverlening te voorkomen en bestrijden?
Kunt u aangeven op welke manier UWV de uitspraak in de zaak aangespannen door Amnesty c.s. tegen de Staat1 heeft geïmplementeerd?
Kunt u aangeven of en op welke manier UWV het toetsingskader voor risicoprofielen, ontwikkeld door het College voor de Rechten van de Mens, heeft geïmplementeerd?
Welke vervolgstappen bent u van plan te nemen indien het onderzoeksresultaat wijst op discriminerend handelen?
Welke lessen neemt u in een eventuele hersteloperatie voor gedupeerden mee uit de handelwijze bij de hersteloperatie na discriminerende risicoprofilering bij DUO, waaronder de informatievoorziening aan burgers, dossierherbeoordeling en compensatie?
De demissionaire status van kabinetten. |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Is er een eenduidige definitie of betekenis van het begrip «demissionaire status»?1
Is er naast het Blauwe Boek een handelingskader bij het opereren van kabinetten in «demissionaire status» en zo ja, kunt u beschikbare informatie daarover delen met de Kamer? Zo nee, acht u het wenselijk dat een dergelijk kader wordt opgesteld?
Kunt u schetsen wat de staatsrechtelijke context is van het begrip «demissionaire status»?
Wat is uw visie op regeren in demissionaire status vanuit Nederlandse kabinetten? Acht u het huidige (handelings)kader bij regeren vanuit demissionaire status afdoende helder en zo nee, welke mogelijke verbeteringen ziet u?
Kunt u inzicht verschaffen in het – naar uw inschatting meest vergaande, controversiële of impactvolle – beleid dat zonder voorhang of andere vorm van formele parlementaire betrokkenheid demissionair wordt vastgesteld per algemene maatregel van bestuur of lagere regelgeving?
Hoe reflecteert u in het licht van de reikwijdte en impact van dit beleid op de demissionaire bevoegdheden op dit vlak, evenals (het gebrek aan) de grenzen aan die bevoegdheden?
Is het mogelijk om staatsnoodrecht in te zetten door kabinetsleden in demissionaire status? Hoe reflecteert u op de demissionaire bevoegdheden op dit vlak, evenals (het gebrek aan) de grenzen aan die bevoegdheden?
Vindt u het wenselijk dat hoge en belangrijke publieke benoemingen door kunnen gaan zonder daar grenzen aan bevoegdheden te stellen in demissionaire status? Welke beperkingen gelden hiervoor thans in formele of informele zin, en hoe wordt hierover (publiek) gecommuniceerd?
Welke andere bevoegdheden kunnen demissionair alsnog door de regering ingeroepen of ingezet worden?
Welke conclusies verbindt u aan het feit dat Nederland sinds 2010 ruim een kwart van de tijd, en in de afgelopen vijf jaar zelfs ruim twee vijfde van de tijd door een demissionair kabinet is bestuurd? Kunt u in deze beoordeling ook een historisch perspectief betrekken? Acht u de huidige staatsrechtelijke invulling van de demissionaire status nog passend bij de frequentie en duur waarmee deze situatie zich voordoet?2
Herinnert u zich dat voormalig Minister-President Rutte in januari 2021 verklaarde dat het demissionaire kabinet «mentaal, praktisch, de facto missionair blijft qua coronabestrijding»? Hoe verhoudt een dergelijke beleidsspecifieke invulling van de demissionaire status zich tot het uitgangspunt dat een kabinet ofwel «volwaardig» regeert ofwel demissionair is?3
Welke kern van waarheid zat er in de grap die – destijds demissionair – premier Rutte maakte, toen hij zei: «U kunt ons niet meer wegsturen als kabinet. Dus strikt genomen hebben we nu meer macht dan vóór vorige week vrijdag, zou je gek genoeg kunnen zeggen.»?4
Welke kern van waarheid schuilt er in de uitspraak van – destijds demissionair – Minister De Jonge toen hij zei: «Het mooie van demissionair zijn is: hoe langer je het bent, hoe minder je het wordt.»?5
Hoe beoordeelt u het huidige kader waardoor beperkingen worden opgelegd aan de «handelingsbevoegdheid» voor een demissionair kabinet tegen de achtergrond van onder meer de voornoemde bevoegdheden van een demissionaire regering?
Hoe verhoudt de Nederlandse «demissionaire status», de bevoegdheden daarbij en de inkadering van die bevoegdheden (of al dan niet het gebrek daaraan) zich tot die in andere landen die ook iets als een «demissionaire regering» kennen? Bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) landen als België en Duitsland, of het caretaker period-model in (voormalige) Gemenebestlanden?
Hoe verhoudt het Nederlandse verschijnsel van een kabinetsval, demissionair regeren en de relatief lange periode (laatstelijk 148 dagen) om nieuwe verkiezingen te organiseren zich tot andere landen met een vergelijkbaar systeem?
Vindt u het reëel of acht u het wenselijk om het begrip «demissionaire status» en de (on)bevoegdheden die daarbij horen van een duidelijker (regulerings)kader te voorzien ten opzichte van de huidige middelen die Kamer en regering hebben om door te regeren, zoals onderwerpen wel of niet controversieel verklaren?
Wat is uw visie op de wenselijkheid van het nader inkaderen dan wel wettelijk verankeren van de begrippen «demissionaire status» en «controversiële onderwerpen» in het staatsrecht, om willekeur, misbruik of onenigheid op het moment dat het erom spant te voorkomen?
De uitvoering van de motie-Ceder c.s. inzake de erkenning van de Molukse gemeenschap |
|
Don Ceder (CU) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen heeft het kabinet sinds het aannemen van de motie-Ceder c.s. en de uitgesproken excuses van Minister-President Jetten gezet om uitvoering te geven aan de drie onderdelen van de motie: het onafhankelijke onderzoek, het consultatietraject met de Molukse gemeenschap en de verkenning naar een nationale agenda?1
Kunt u per onderdeel aangeven wie binnen de regering verantwoordelijk is, welke opdrachten zijn uitgezet en welke vervolgstappen gepland staan? Indien nog geen concrete stappen zijn gezet, kunt u toelichten waarom niet?
Acht u de gestelde deadlines uit de motie (eerste resultaten van het onafhankelijke onderzoek uiterlijk in het eerste kwartaal van 2027 en de verkenning naar een nationale agenda uiterlijk in het tweede kwartaal van 2027) nog steeds haalbaar? Zo nee, waarom niet?
Is de opdracht tot een onafhankelijk onderzoek reeds verstrekt? Zo ja, aan wie? Kan de onderzoeksopzet met de Kamer worden gedeeld?
Bent u bereid om voor de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een brief naar de Kamer te sturen met een toelichting over de voortgang en stand van zaken van het traject?
Discriminerende vraagsuggesties en antwoorden van Google |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het inmiddels bijna 10 jaar oude artikel «Google moet stoppen met automatisch discrimineren»1, dat aankaart dat de zoekmachine van Google in sommige gevallen discriminerende vraagsuggesties geeft?
Bent u bekend met het feit dat dit nog steeds niet is opgelost, wat blijkt uit dat bij het intypen van «alle Marokkanen z» op google.nl bij gebruik van een incognitovensterop op 11 augustus 2026, Google deze vraagsuggestie aanvulde met discriminerende teksten zoals «alle Marokkanen zijn kanker ratten» of «alle Marokkanen weg»?
Bent u daarnaast bekend met het feit dat na het indienen van de zoekopdracht «overlast» in combinatie met de naam van een gemeente op google.nl bij gebruik van een incognitovenster op 11 augustus, in het geval van onder meer de gemeenten Veenendaal, Tiel, Culemborg, Oosterhout, Hoogezand, Zutphen en Weert, Google de «Meer om te vragen»-suggesties «Hoeveel Marokkanen wonen/zijn er in [gemeente x]?» of «Hoeveel Turken wonen/zijn er in [gemeente x]?» opperde en dat de knop om ongepaste suggesties te melden bij dit type zoekresultaat ontbreekt?
Bent u ook bekend met de berichtgeving van Euronews2 en Le Monde3 dat het AI-gegeneerde antwoord van Google eind augustus 2026 op de zin «ik ben alleen met een Italiaan» gesprekstips betrof, maar bij dezelfde zin met «Algerijn» in plaats van «Italiaan», het model vroeg of je in gevaar was en je het nummer van de politie toonde?
Deelt u de mening dat dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden, die automatisch gegenereerd en getoond worden, een discriminerend verband leggen door overlast of gevaar te koppelen aan afkomst?
Hoe beoordeelt u de aanpak van Google om, net als bij de vraagsuggesties, dit soort patronen pas na ophef of een melding bij te sturen, en dan vooral voor de vraag die in het nieuws kwam, terwijl hetzelfde patroon in het model kan blijven zitten en bij andere vragen onopgemerkt blijft?
Welke risico's ziet u daarbij nu dezelfde modellen de basis vormen van steeds meer toepassingen, waardoor zulke vooroordelen niet in elk geval zichtbaar worden maar wel ongemerkt kunnen doorwerken?
Hoe kijkt u naar de verantwoordelijkheid van Google en andere leveranciers van grote AI-modellen om vooroordelen uit de trainingsdata vooraf, bij het ontwerp en bij de toetsing van hun modellen, te herkennen en in het model zelf te corrigeren, bijvoorbeeld via red-teaming of bias-audits, in plaats van de uitkomsten per geval bij te sturen nadat gebruikers of media ze toevallig hebben opgemerkt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een groot en invloedrijk platform als Google op deze manier bijdraagt aan het in stand houden en versterken van vooroordelen, en dat de omvang en het bereik van Google diens verantwoordelijkheid alleen maar groter maken?
Bent u hierover in gesprek met Google en andere leveranciers van grote AI-modellen, en is bij u bekend of zij structureel testen op discriminerende associaties in hun zoeksuggesties, aanbevelingsalgoritmes, autocomplete-functies en AI-antwoorden? Zo ja, wat heeft dat gesprek tot nu toe opgeleverd? Zo nee, bent u bereid dit gesprek aan te gaan en dit bij hen na te vragen?
Heeft u inzicht in de wijze waarop dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden van Google tot stand komen? Zo nee, welke maatregelen treft u om dit inzicht wel te krijgen, en in hoeverre kan de digitaledienstenverordening (DSA) hierbij worden ingezet om transparantie van Google over de werking van deze systemen af te dwingen?
Hoe verklaart u dat deze discriminerende suggesties jarenlang zichtbaar zijn gebleven, terwijl Google onder de DSA al verplicht is de risico's van discriminatie in kaart te brengen en zich daarop jaarlijks onafhankelijk te laten controleren? Gelden deze verplichtingen wat u betreft ook voor de AI-antwoorden in de zoekmachine van Google, en zo ja, hoe wordt daarop toegezien?
Welke verplichtingen hebben aanbieders van grote AI-modellen onder de AI-verordening om vooroordelen in hun modellen te beoordelen en te beperken, en wie ziet daarop toe?
Welke oplossingsrichtingen ziet u om vooroordelen in zoeksuggesties en in grote AI-modellen structureel op te sporen en te beperken, in plaats van per geval na meldingen, bijvoorbeeld via onafhankelijke audits of algoritmetoezicht?
Bent u bereid in Europees verband te bepleiten dat platformen en aanbieders van AI-modellen zoals Google niet alleen moeten rapporteren dát zij hun systemen toetsen op discriminatie, maar ook openbaar moeten maken wat die toetsing oplevert en wat zij met de uitkomsten doen?
Bent u bereid Google op korte termijn aan te spreken op het ontbreken van een meldknop bij de «Meer om te vragen» suggesties en op de voorbeelden uit deze vragen?
Bent u bereid deze situatie ook te melden bij de Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie, en de Kamer te informeren over de reacties?
Bent u bereid de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme te betrekken bij de aanpak van discriminatie door zoekmachines en AI-systemen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het rapport 'Achter de façade - Strategische normalisering vanuit de rechts-extremistische beweging' |
|
Al Biyati |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het rapport «Achter de façade» van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van september 2026?
Wie geeft opdracht tot het schrijven van rapporten zoals «Achter de façade»?
Hoe verklaart u de titel van dit rapport geschreven door de AIVD en NCTV?
Erkent u dat het onwenselijk is wanneer inlichtingendiensten oordelen over het gedachtegoed van democratisch gekozen politieke partijen?
Op welke wijze heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten toezicht gehouden op de activiteiten van de AIVD die aan dit rapport ten grondslag liggen?
Wat is precies het onderscheid tussen «uiterst rechts» en «rechts-extremistisch» en «extreemrechts»?
Waarom definieert het rapport het eerste begrip niet, terwijl het een wezenlijke rol speelt in het rapport?
Bent u bekend met de definitie van extreemrechts volgens vooraanstaand politicoloog en radicaal-rechts-expert Cas Mudde?
Indien het antwoord op vraag acht bevestigend luidt, ziet u een verschil tussen deze definitie en die van de AIVD en hoe verklaart u dit verschil?
Welke objectieve criteria hanteren AIVD en NCTV om een politieke partij, beweging of persoon als «uiterst rechts» te kwalificeren?
Wie stelt deze criteria vast?
Onderschrijft u dat pleiten voor een streng migratiebeleid, asielstop, beperking van gezinshereniging of het stimuleren van vrijwillige terugkeer legitieme politieke standpunten zijn?
Het rapport erkent dat «remigratie» ook een officiële term is voor vrijwillige terugkeer; hoe voorkomt u dat politici of burgers die het woord in die betekenis gebruiken, in de perceptie op één lijn worden gesteld met «rechts extremisten»?
Bent u bekend met het feit dat Nederland al jarenlang een remigratiewet heeft, uitgevoerd door de SVB, met een remigratie-uitkering en remigratievoorzieningen?
Waarom worden «conservatieve» opvattingen over man-vrouwverhoudingen, nationale tradities of kritiek op diversiteits- en inclusiebeleid in dit rapport genoemd als aanknopingspunten voor «rechts-extremisten»?
Deelt u de opvatting dat eerdergenoemde «conservatieve» opvattingen op zichzelf niet extremistisch zijn?
Hoe verhoudt de passage over discussies rond «een neutralere benadering van christelijke feestdagen» zich tot het recht van burgers en politici om zich zonder stigma voor het behoud van tradities uit te spreken?
Deelt u de zorg dat een rapport van inlichtingendiensten dat politieke uitspraken in verband brengt met normalisering van extremisme een «chilling effect» kan hebben op het vrije debat?
Erkent u dat het rapport zélf vaststelt dat Nederland door migratie daadwerkelijk demografische veranderingen doormaakt en dat burgers «oprechte zorgen» hebben?
Waarom baseert het rapport zich mede op publicaties van organisaties met een uitgesproken activistisch profiel, zoals Hope not Hate en Center for the Study of Organized Hate?
In het persbericht van 22 september 2026 stellen de AIVD en de NCTV dat het «van groot belang [is] dat het niet normaal wordt om te spreken over bijvoorbeeld remigratie zonder te weten wat rechts-extremisten hiermee eigenlijk bedoelen» – is het wenselijk dat een inlichtingen- en veiligheidsdienst aangeeft onder welke voorwaarden het gebruik van bepaalde woorden in het publieke debat als normaal mag gelden?
Hoe heeft de omschrijving van (rechts) extremisme bij de AIVD en NCTV zich de afgelopen 20 jaar ontwikkeld?
Onderkent u dat een verschuiving van de betekenis van «extremisme» als gevolg kan hebben dat burgers onterecht tot extremist worden verklaard?
Kunt u bevestigen dat het de regering, AIVD of NCTV niet toekomt voor te schrijven welke woorden burgers mogen gebruiken? Zo nee, kunt u dan een officiële taboe-lijst publiceren met woorden die niet meer gebruikt mogen worden?
Deelt u de opvatting dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten zich uiterst terughoudend moeten opstellen bij het duiden van het reguliere politieke debat, omdat zij anders het risico lopen de indruk te wekken bepaalde politieke partijen te bevoordelen ten opzichte van andere?
Hoe voorkomt u dat opvattingen die jarenlang deel uitmaakten van het reguliere politieke debat en van verkiezingsprogramma’s achteraf in de publieke perceptie als gevaarlijk worden bestempeld door een rapport van veiligheidsdiensten?
Intimidatie en bedreigingen zouden volgens dit rapport leiden tot «zelfcensuur», maar erkent u dat door dit rapport van de AIVD en NCTV eveneens kan leiden tot zelfcensuur omdat burgers bang worden onterecht als «extremist» te worden aangemerkt?
Erkent u dat men eerst een a priori vaststelling van het begrip «normaal» moet hebben, voordat er überhaupt gesproken kan worden over «normalisering»?
Hoe voorkomt u dat gewone burgers die zich kritisch uitlaten over migratie zelfcensuur gaan toepassen uit angst om als «extremist» te worden gezien?
Hoeveel fte heeft het schrijven en publiceren van dit rapport gekost?
Op welke wijze is gebruikgemaakt van kunstmatige intelligentie om dit rapport te schrijven?
De omvang van het Rijksapparaat en de overschrijding van de Roemernorm |
|
Mona Keijzer |
|
Enneüs Heerma (CDA), Eelco Heinen (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het Verantwoordingsonderzoek 2025, waarin de Algemene Rekenkamer vaststelt dat aan de budgettaire taakstelling op het apparaat geen concrete doelen of resultaatafspraken zijn gekoppeld en dat daardoor onzeker is of het aantal fte daadwerkelijk afneemt?1
Klopt het dat het aantal rijksambtenaren in 2025 is gestegen van 157.015 naar 160.016 fte?2
In welk jaar wordt voor het eerst een daling in plaats van een stijging geschat?
Klopt het dat het regeerakkoord een efficiencytaakstelling van 400 miljoen euro en een aanvullende taakstelling van één miljard euro bevat3, samen oplopend tot 1,4 miljard euro structureel vanaf 2030 en dat deze bovenop de taakstelling van één miljard euro van het vorige kabinet komt?4
Klopt het dat ook deze nieuwe taakstelling uitsluitend budgettair is vormgegeven en dat daarin geen aantal fte, geen percentage en geen streefomvang van de Rijksoverheid is opgenomen?
Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de constatering van de Algemene Rekenkamer dat juist het ontbreken van dergelijke doelen het zicht op de krimp wegneemt?
Welke omvang van de Rijksoverheid in fte streeft het kabinet na en in welk jaar moet die zijn bereikt?
Indien het kabinet geen streefomvang van de Rijksdienst in fte hanteert, hoe kan dan worden vastgesteld of de taakstelling daadwerkelijk leidt tot een kleinere overheid in plaats van uitsluitend tot budgettaire verschuivingen?
Kunt u de Kamer per ministerie een overzicht sturen van het aantal fte eind 2025, de beoogde stand in de jaren daarna en de besparing die daarbij hoort?
Op welke inhoudelijke analyse is de verdeling van de taakstelling over de ministeries gebaseerd, en welke taken vervallen, worden vereenvoudigd of gedigitaliseerd om die besparing mogelijk te maken? Of is de taakstelling naar rato van het apparaatsbudget verdeeld?
Onderkent u dat een naar rato verdeelde korting ertoe kan leiden dat capaciteit verdwijnt bij uitvoeringsorganisaties waar de opgave juist toeneemt, zoals de hersteloperatie toeslagen en de schadeafhandeling in Groningen, terwijl overhead elders in stand blijft?
Welke organisaties zijn om die reden ontzien en ten laste van welke andere onderdelen is dat gegaan?
Klopt het dat de Algemene Rekenkamer 269 uitvoeringstoetsen heeft onderzocht en dat 38 procent daarvan geen of geen duidelijke uitspraak doet over de personele consequenties van nieuwe wet- en regelgeving?5
Hoe kan een onderbouwde reductie van het apparaat worden vastgesteld zolang niet in beeld is hoeveel mensen nieuw beleid kost?
Klopt het dat de externe inhuur bij het Rijk over de eerste helft van 2025 uitkwam op 11,4 procent van de personele uitgaven6 en dat de Roemernorm van tien procent daarmee opnieuw is overschreden? In welk jaar komt het Rijk weer onder die norm?
Klopt het dat het terugdringen van externe inhuur deels plaatsvindt door verambtelijking en dat dit het aantal fte verhoogt?7 Wordt dat effect apart zichtbaar gemaakt, en hoe wordt voorkomen dat een lagere inhuur terugkeert als hogere formatie of omgekeerd?
Wat gebeurt er als een ministerie de afgesproken reductie niet haalt en over welke instrumenten beschikt de Minister van Financiën om dan bij te sturen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met de berichten «Ambtenaren bundelen de krachten om burgers de dwangsom af te nemen» en «We dreigen de strijd tegen een disfunctionerende overheid te verliezen»?1 2
Kunt u bevestigen dat de wettelijke dwangsom regeling in 2009 in de wet is opgenomen om burgers te beschermen tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid, waarbij burgers ervan uit moeten kunnen gaan dat de overheid zich houdt aan de gestelde wettelijke termijnen?
Deelt u de mening dat het nog steeds van groot belang is dat burgers worden beschermd tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid en dat de overheid zich nog steeds aan de wettelijke beslistermijnen zou moeten houden? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u in het licht van een goede rechtsbescherming van burgers tegen de overheid het feit dat er kennelijk plannen worden voorbereid om van de wettelijke dwangsom af te komen?
Deelt u de mening dat recente gebeurtenissen, zoals het toeslagenschandaal, de afhandeling van de schade door de gaswinning in Groningen, de grote problemen bij het UWV bij WIA-keuringen, juist extra het belang onderschrijven van de bescherming van burgers tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het feit dat er nu kennelijk gewerkt wordt aan plannen om de wettelijke dwangsom af te schaffen zich tot eerdere conclusies van parlementaire enquêtes en kabinetsreacties hierop, rapporten van de Nationale ombudsman en andere signalen dat burgers juist te weinig beschermd worden tegen onbehoorlijk overheidshandelen?
Erkent u dat het beperken van rechtsbeschermingsmogelijkheden juist bij kunnen dragen aan verder wantrouwen van burgers jegens de overheid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het niet de verantwoordelijkheid van burgers is dat overheidsorganen niet in staat zijn om tijdig te beslissen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat burgers wel sancties opgelegd kunnen krijgen (bijvoorbeeld een verhoging van een boete bij niet tijdig betalen) of nadeel ondervinden (het bijvoorbeeld niet in behandeling nemen van een bezwaarschrift) wanneer zij zich niet aan termijnen houden, maar overheidsorganen zonder gevolgen zich niet aan wettelijke termijnen kunnen houden als de wettelijke dwangsom afgeschaft zou worden? Erkent u dat de rechtsbescherming van burgers hiermee wordt verzwakt? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de aangekondigde taakstelling op de ambtelijke organisatie het risico met zich meebrengt dat overheidsorganen (die nu al kampen met personeelstekorten) nog vaker wettelijke beslistermijnen niet zullen halen?
Erkent u dat de rechtsbescherming van burgers nog vaker in het geding zal komen als ook de wettelijke dwangsom wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Kunt u nauwkeurig uitleggen wat de in de artikelen genoemde overheidsinstanties precies voor plannen maken ten aanzien van het beperken of afschaffen van de wettelijke dwangsom? Hebben deze overheidsinstanties hiervoor opdracht gekregen vanuit het kabinet?
Kunt u de onderliggende ambtelijke en juridische adviezen over het beperken en/of afschaffen van de wettelijke dwangsom op grond van Artikel 68 Grondwet met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de gecoördineerde actie tegen de wettelijke dwangsom afleidt van het werkelijke probleem, namelijk overheidsorganen die steevast hun wettelijke beslistermijn niet halen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het afschaffen van de wettelijke dwangsom in het bestuursrecht ook de democratische rechtsstaat aantast, omdat burgers en bijvoorbeeld journalisten dan minder middelen hebben om openbaarheid via de Wet open overheid af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Hoe legt u aan burgers, die door overheden die zich niet aan de wettelijke beslistermijnen houden in de knel komen, uit dat de overheid de wet maar aanpast zodat er geen gevolgen meer zijn voor het niet houden aan de wet?
Kunt u voorgaande vragen een voor een beantwoorden binnen de gestelde termijn?
Het bericht ‘Terrorjeugd hangt bewoners Pittelo de keel uit: 'Ze plasten over mijn zoon heen'' |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Terrorjeugd hangt bewoners Pittelo de keel uit: «Ze plasten over mijn zoon heen»» van 11 september 2026?1
Klopt het dat er bij de politie inmiddels meer dan honderd meldingen zijn gedaan door één gezin alleen al? Hoeveel meldingen van overlast, bedreiging, vernieling of geweld door jongeren zijn de afgelopen twaalf maanden in totaal geregistreerd voor de wijk Pittelo en hoe verhoudt zich dat tot voorgaande jaren? Hoe kan het dat deze overlast, ondanks een reeks meldingen die al vijf jaar loopt, nog altijd voortduurt?
Hoe beschouwt u in het licht van deze berichtgeving de effectiviteit van het toevoegen van meer boa-capaciteit, zoals in Assen begin dit jaar is gedaan?2
Bent u bereid zich er maximaal voor in te zetten dat de politie in Assen, maar ook in andere probleemwijken en -steden, strikter en steviger handhaaft tegen jongeren die zich schuldig maken aan overlast, intimidatie, vernielingen en geweld en dat notoire overlastgevers sneller worden aangehouden en strafrechtelijk worden aangepakt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dezelfde overlastgevers telkens opnieuw voor overlast, intimidatie en geweld kunnen zorgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat mede uit het voorbeeld van dit nieuwsartikel (wederom) blijkt dat Nederland kampt met een gezagscrisis en de politie effectief niet meer de baas is op straat? Zo ja, waar komt dat precies door? Zo nee, waarom niet?
Herkent u het beeld dat bewoners van Pittelo schetsen, waarbij het bij meldingen soms drie kwartier of langer duurt voordat de politie arriveert en overlastgevers dan allang zijn verdwenen, en wat doet dat volgens u met het gedrag van jongeren die weten dat ze weinig te vrezen hebben?
Bent u van mening dat het tekortschieten van de diensten in deze ook te wijten is aan de verkeerde prioritering van politietaken, zoals besproken in het recente rapport van de Algemene Rekenkamer? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel jongeren staan momenteel landelijk geregistreerd als notoire, herhaaldelijke overlastgevers of veelplegers onder de achttien jaar en is er zicht op de effectiviteit van de maatregelen die tegen hen en hun ouders worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Heeft u kennisgenomen van bovenstaande artikelen?1 2
Hoe oordeelt u over het bericht dat een bureau, dat kandidaat-wethouders voor de gemeente Best, een kandidaat-wethouder bevroeg over zijn leeftijd en dit als risico in de rapportage opnam?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de leeftijd van de kandidaat-wethouder als aandachtspunt werd aangemerkt?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met bestuurlijke integriteit?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met iemands capaciteiten?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de burgemeester van Best de rapportage op deze manier accepteerde?
Bent u het eens met de stelling dat hier sprake is van leeftijdsdiscriminatie en dat Artikel 1 van de Grondwet daarmee is overtreden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe oordeelt u over de stelling dat het doel van een dergelijk onderzoek het bevorderen van de integriteit van het openbaar bestuur is, maar als de procedure zelf niet integer verloopt, dat het echte probleem is?
Welke voorwaarden/eisen worden er gesteld aan wethouders die door een extern bureau gescreend worden?
Hoe uniform wordt deze screening uitgevoerd?
Het uitblijven van een volledige strafrechtelijke afhandeling van de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR-/Palliebestormers stadhuis verdwenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het binnendringen van een gemeenteraad, het verstoren van een raadsvergadering en het intimideren van gekozen volksvertegenwoordigers een frontale aanval vormen op onze democratische rechtsorde en daarom keihard en maximaal moeten worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. Het intimideren van volksvertegenwoordigers is tevens volstrekt onacceptabel. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het OM om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe kan het dat ruim een jaar na de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad, terwijl de gebeurtenissen volledig op beeld zijn vastgelegd en de identiteit van meerdere betrokkenen bekend is, nog altijd geen volledige strafrechtelijke afhandeling heeft plaatsgevonden?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed mevrouw Hessel aangifte voor het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de burgemeester van Utrecht geen aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring in de raadszaal zelf, de betrokken actievoerders publiekelijk voor de camera van RTV Utrecht in bescherming nam en later samen optrok met de organisator van het protest? Deelt u de mening dat hierdoor de burgemeester de ernst van deze aanval op de democratie enorm heeft gebagatelliseerd en dat dit een enorm dieptepunt is voor onze democratie?
Het is niet aan mij om de bestuurlijke keuzes en het optreden van de burgemeester in dezen te beoordelen.
Klopt het dat raadslid Yvonne Hessel wél aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring in de raadszaal, dat de politie deze aangifte heeft onderzocht en vervolgens heeft doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie, terwijl het Openbaar Ministerie later heeft aangegeven deze aangifte niet te hebben ontvangen? Hoe kan een aangifte in een zaak van deze ernst in hemelsnaam verdwijnen? Bent u hierover al in gesprek geweest met het Openbaar Ministerie? Zo ja, wat is daarbij besproken?
Een paar weken na de aangifte van de burgemeester heeft het raadslid Hessel aangifte gedaan van het verstoren van diezelfde raadsvergadering. Dit betreft een ander strafbaar feit dan de aangifte van de burgemeester, Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw Hessel is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aangeboden.
Er is dus geen sprake van een verdwenen aangifte.
Heeft de burgemeester van Utrecht vóór, tijdens of na de aangifte op enig moment contact gehad met het Openbaar Ministerie over de strafrechtelijke afhandeling van deze zaak? Zo ja, wanneer, met wie en wat is daarbij concreet besproken?
Het besluit om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
Bent u bereid volledig en onafhankelijk te laten onderzoeken hoe deze aangifte heeft kunnen verdwijnen, wie daarvoor verantwoordelijk is, of daarbij fouten, nalatigheid, beïnvloeding of belemmering een rol hebben gespeeld en welke consequenties hieraan verbonden worden en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren? Zo nee, waarom niet? . Deelt u de mening dat burgemeesters bij strafbare feiten die worden gepleegd tijdens een gemeenteraadsvergadering altijd aangifte behoren te doen om de lokale democratie te beschermen? Bent u bereid hierover landelijke afspraken of een richtlijn op te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5. Er is geen sprake van een verdwenen aangifte.
Waarom heeft het Openbaar Ministerie niet uit eigen beweging strafrechtelijk opgetreden tegen de personen die de Utrechtse gemeenteraad hebben bestormd en de vergadering hebben verstoord, terwijl deze gebeurtenissen uitgebreid op beeld zijn vastgelegd en publiekelijk bekend waren? Hoe rijmt u dit met de taak van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten op te sporen en te vervolgen?
Het kabinet roept politieke ambtsdragers op om normerend op te treden en altijd aangifte te doen van intimidatie of van handelingen die de lokale democratie onder druk zetten. Het is aan de ambtsdrager zelf om daarbij alle omstandigheden af te wegen en een besluit te nemen.
Acht u het aanvaardbaar dat personen die een democratisch gekozen gemeenteraad hebben bestormd, de vergadering hebben verstoord en hiermee de democratie frontaal hebben aangevallen mogelijk geheel of gedeeltelijk buiten vervolging blijven? Zo nee, bent u bereid alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken alsnog zo spoedig mogelijk strafrechtelijk worden vervolgd met maximale strafeisen?
Zie het antwoord op vraag 3. Het OM heeft ervoor gekozen om voor de zwaarste feiten vervolging in te stellen.
Indien uit onderzoek blijkt dat de burgemeester van Utrecht op welke wijze dan ook betrokken is geweest bij het verdwijnen van de aangifte of het frustreren van de strafrechtelijke afhandeling van deze aanval op de lokale democratie, deelt u dan de mening dat zij per direct niet langer houdbaar is als burgemeester en dat niet alleen een procedure tot schorsing en ontslag onmiddellijk in gang moet worden gezet, maar ook strafrechtelijke vervolging? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 3 en 9. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen voor welke feiten vervolging wordt ingesteld.
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen in Dagblad van het Noorden van 25 juli 2026 over de interne kritiek op het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de ervaringen van gedupeerden met vastgelopen dossiers? Deelt u de conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet staat met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?1
Ik heb kennisgenomen van de publicaties in het Dagblad van het Noorden. Daarin spreekt onder meer een aantal (voormalig) medewerkers haar zorgen uit over de schadeafhandeling door het IMG. Sommige zorgen herken ik, bijvoorbeeld over het langzaam op gang komen van de nieuwe herstelregelingen. Hiervoor zijn ook de benodigde acties ondernomen. Inmiddels zien we dat de uitvoering steeds meer op gang komt.
In het artikel wordt tevens opgemerkt dat de veelheid aan wijzigingen en nieuwe regelingen van de afgelopen jaren op zichzelf al tot vertraging en onduidelijkheid hebben geleid, zowel bij bewoners als bij medewerkers in de uitvoering. Dat is ook één van de redenen dat ik heb aangegeven nu bewust te kiezen voor stabiliteit in de uitvoering, zodat het IMG zich kan concentreren op het zo goed mogelijk helpen van gedupeerden.
De conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet zou staan met een mildere, menselijkere en makkelijkere schadeafhandeling deel ik niet, evenmin dat het IMG hier niet naar zou willen of kunnen handelen. Binnen de geldende kaders bestaat juist veel ruimte om schades ruimhartig af te handelen. Ik zie ook dat het IMG hier voortvarend invulling aan geeft. De organisatie heeft de afgelopen jaren ongeveer 700.000 schademeldingen afgehandeld en bijna 3,5 miljard euro uitgekeerd. Daarnaast zijn mede naar aanleiding van Nij Begun nieuwe regelingen ontwikkeld en geïmplementeerd, waarbij ook hard is gewerkt aan het verbeteren van de dienstverlening, met meer persoonlijk contact en een aanvragersgerichte aanpak. Rapporten, zoals de Staat van Groningen & Noord-Drenthe en de Bouwen aan Herstel-monitor, laten ook zien dat dit heeft geleid tot een toenemende tevredenheid over en vertrouwen in de schadeafhandeling.
Dit laat onverlet dat het duidelijk is dat de opgave in Groningen groot en complex is en daarin soms dingen niet goed gaan. Wanneer dat gebeurt, is het belangrijk om dat te erkennen en het in de toekomst beter te doen. Het IMG blijft hier alert op en verbeteringen doorvoeren waar nodig.
Hoe rijmt u de beschrijving van een eigen medewerker dat het IMG «in de kern een keiharde, juridische organisatie» is, en het gevoel van bewoners dat het loket «oogkleppen op heeft en alleen naar een toetsenbord kijkt», met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat een verhouding waarbij bijna de helft van het geld niet bij gedupeerden terechtkomt, symptomatisch is voor een fundamenteel verkeerd ingericht stelsel van schadeafhandeling? Welk percentage uitvoeringskosten acht u wel acceptabel voor een publieke schadeorganisatie?
Het klopt niet dat bijna de helft van de uitgaven in de schadeafhandeling opgaan aan uitvoeringskosten. In 2025 heeft het IMG ca. € 640 mln. aan schade-vergoedingen uitgekeerd en daarnaast ca. € 298 mln. aan uitvoeringskosten gemaakt.2 In totaal ging vorig jaar dus iets minder dan een derde van de totale uitgaven in de schadeafhandeling naar de uitvoering. Daarbij vind ik het belangrijk om te benadrukken dat uitvoeringskosten nooit ten koste gaan van de schadevergoeding die aan gedupeerden wordt uitgekeerd. Ook het beeld dat de uitvoeringskosten relatief hoog zouden zijn, verdient nuancering. Een externe evaluatie in 2022 concludeerde immers nog dat de uitvoeringskosten van het IMG niet bijzonder hoog zijn, gelet op de opgave die zij heeft te vervullen.3
Ik wil daarbij benadrukken dat het terugdringen van uitvoeringskosten niet ten koste mag gaan van bewoners. Ik vind het namelijk belangrijk dat bewoners een goed geïnformeerde keuze kunnen maken tussen de verschillende schaderegelingen. Dit vraagt een persoonlijke benadering en begeleiding van bewoners en dat vergt extra tijd en daarmee geld. Daarbij weten we ook dat de uitvoeringskosten sterk samenhangen met de keuzes van bewoners. De vaste vergoedingen kennen aanzienlijk lagere uitvoeringskosten dan maatwerk en daadwerkelijk herstel.
Dat hoge uitvoeringskosten zouden voortkomen uit een systeem dat gebaseerd is op wantrouwen herken ik dan ook niet. Dit laat onverlet dat het ministerie uiteraard doorlopend in gesprek is met het IMG om te kijken of en hoe uitvoeringskosten redelijkerwijs verder verlaagd kunnen worden, zonder in te leveren op kwaliteit en persoonlijk contact.
Erkent u dat de hoge uitvoeringskosten in belangrijke mate voortkomen uit een systeem dat is gebouwd op wantrouwen? Op welke wijze gaat u het stelsel zo herzien dat eenvoud en vertrouwen het uitgangspunt worden, waardoor de uitvoeringskosten structureel dalen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat circa 40 procent van de ongeveer duizend medewerkers van het IMG extern wordt ingehuurd, tegen tarieven van 115 tot bijna 200 euro per uur? Hoeveel is er sinds de oprichting van het IMG in totaal uitgegeven aan externe inhuur?
Ja, dit percentage klopt. Dit betreft zowel uitzendkrachten als externe inhuur. Zowel deze ingehuurde als de ambtelijke medewerkers van het IMG worden via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) bekostigd op basis van gestandaardiseerde uurtarieven. Voor 2026 loopt de bandbreedte in uurtarieven van € 86,– tot € 191. Behalve loonkosten zijn alle andere kosten, zoals huisvesting en overhead, hierin ook verdisconteerd. RVO betaalt aan ingehuurde externen en uitzendkrachten de werkelijke kosten op basis van facturen. Deze kunnen dus afwijken van de gestandaardiseerde uurtarieven. Het IMG geeft aan dat er sinds de oprichting van het IMG op 1 juli 2020, ongeveer € 340 mln. is besteed aan inhuur van uitzendkrachten en externen.
Hoe verhoudt dit inhuurpercentage zich tot de Roemer-norm van maximaal tien procent? Bent u bereid de Roemer-norm bij het IMG alsnog af te dwingen?
Het inhuurpercentage van IMG ligt boven de Roemernorm. Ik zal in mijn gesprekken met IMG de inzet van externe inhuur meenemen en in gezamenlijkheid bekijken of en waar eventueel vermindering mogelijk is. Tegelijkertijd merk ik op dat een aantal onderdelen van het IMG de afgelopen jaren al fors is verambtelijkt: het gehele managementteam en vrijwel alle medewerkers die in direct contact staan met schademelders zijn inmiddels in dienst. Waar dat qua marktaanbod (kwantitatief en kwalitatief) kan en waar niet expliciet sprake is van tijdelijkheid komen mensen in ambtelijke dienst.
Hoe beoordeelt u de beschrijving van medewerkers van een «draaicarrousel» van externen die elkaar binnenhalen, kort blijven, werk overdoen dat al eerder is geprobeerd en vertrekken zonder overdracht? Erkent u dat een dergelijk verdienmodel voor consultancybureaus haaks staat op het publieke belang van een snelle en zorgvuldige schadeafhandeling?
Het IMG geeft aan zich niet in het geschetste beeld in het artikel te herkennen en neemt expliciet afstand van de suggestie dat de organisatie er belang bij zou hebben om problemen traag op te lossen. Ik sluit me daar volledig bij aan; ik zie in mijn contacten dat de medewerkers in de uitvoering zeer betrokken zijn bij het oplossen van de problemen van inwoners in Groningen en Noord-Drenthe. In het antwoord op vragen 1 en 2 gaf ik al aan dat er de afgelopen jaren hard is gewerkt aan de afhandeling van schademeldingen, het ontwikkelen en implementeren van nieuwe regelingen, en het continu verbeteren van de dienstverlening. Dit heeft veel gevraagd van het IMG en haar medewerkers. Het in twijfel trekken van hun intenties doet geen recht aan deze betrokkenheid en inspanningen.
Wat vindt u van de constatering van een manager binnen het IMG dat de organisatie er belang bij lijkt te hebben zichzelf langer in leven te houden dan nodig? Deelt u de analyse dat een organisatie die voor een groot deel draait op commerciële inhuur een ingebouwde prikkel heeft om problemen niet definitief op te lossen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de situatie bij het IMG geen incident is, maar past in een breder patroon waarbij de rijksoverheid en uitvoeringsorganisaties structureel leunen op dure externe inhuur?
Het klopt dat de omgang met externe inhuur een rijksbreed vraagstuk is. Voor toelichting van de inzet van het kabinet hieromtrent verwijs ik kortheidshalve naar de brief die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de zomer naar uw Kamer heeft gestuurd.4
Erkent u dat decennia van inhuur, uitbesteding en het «tijdelijk» organiseren van publieke taken ertoe hebben geleid dat de overheid haar eigen uitvoeringscapaciteit heeft uitgehold, waardoor kennis wegvloeit naar de markt en vervolgens tegen commerciële tarieven moet worden teruggekocht? Wat gaat u doen om deze vicieuze cirkel te doorbreken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het argument dat het IMG een tijdelijke organisatie is en daarom extern inhuurt niet opgaat, aangezien de schadeafhandeling in Groningen al jaren duurt en nog jaren zal duren, en het Rijk permanent behoefte heeft aan uitvoeringskennis op het gebied van schadeafhandeling, herstel en compensatie (denk ook aan de toeslagenaffaire)?
Het klopt dat de opgave van het IMG voor de voorzienbare toekomst blijft voortbestaan. Toch is een groot deel van de werkzaamheden die de organisatie op dit moment verricht, zoals bijvoorbeeld de (door)ontwikkeling van regelingen en de benodigde structuren daarvoor, wel degelijk tijdelijk en komen deze op termijn te vervallen. Daarbij is het ook de verwachting dat de hoeveelheid schade-meldingen op termijn zal afnemen, gelet op het dalend seismisch risico.
Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet inzet op het verbinden en bestendigen van de aanwezige kennis over en capaciteit in (het uitvoeren van) de verschillende hersteloperaties.5
Bent u bereid deze kennis structureel in publieke dienst op te bouwen in plaats van steeds opnieuw in te kopen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de signalen dat het IMG een toplaag kent van ketenmanagers, kwartiermakers, programmaleiders en domeinmanagers, terwijl de zaakbegeleiders die daadwerkelijk contact hebben met bewoners zich een «boksbal» voelen en niet worden gehoord? Herkent u dit als een breder probleem binnen de rijksoverheid zoals ook de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties eerder concludeerde?2
Het artikel baseert zich op een relatief kleine groep (voormalig) medewerkers. Ik wil er daarom voor waken om op basis hiervan algemene conclusies over het sentiment onder de medewerkers van het IMG te trekken, laat staan over de Rijksoverheid in het algemeen. Dat laat onverlet dat dergelijke signalen serieus (moeten) worden genomen. Ik begrijp van het IMG dat zij dat doet en daarom in gesprek gaat met haar medewerkers over de onderwerpen uit het artikel teneinde eventueel bij medewerkers levende zorgen goed te adresseren. Ik heb er vertrouwen in dat dit zorgvuldig gebeurt.
Op wat voor manier worden de conclusies en aanbevelingen van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties geïmplementeerd bij het IMG?
Het IMG werkt op verschillende manieren in lijn met de aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties (hierna: TCU). Enkele voorbeelden staan hieronder genoemd:
Deelt u de mening dat uitvoerende medewerkers structureel betrokken moeten worden bij het ontwerp van nieuwe regelingen?
Ja.
Hoe verklaart u dat het aantal woningen dat via Duurzaam Herstel geholpen zou worden, is bijgesteld van 5.000–15.000 naar 800–900? Wat gebeurt er met het niet-bestede deel van het budget van 1,35 miljard euro, en bent u bereid te garanderen dat dit geld voor de regio behouden blijft?
Het budget voor Duurzaam herstel is bij Nij Begun aangevuld tot € 1,4 miljard. De inschatting was destijds namelijk dat maximaal 14.000 woningen in aanmerking zouden kunnen komen, met verwachte gemiddelde kosten van € 100.000 per woning. Daarbij was bekend dat er nog grote onzekerheden bestonden over de daadwerkelijke aard en omvang van de opgave. Er is daarom bewust gekozen om met een pilot te starten, zodat gaandeweg geleerd en bijgestuurd kon worden.
Inmiddels weten we dat Duurzaam herstel minder vaak nodig is om mijnbouwschade te voorkomen dan vooraf werd verwacht, maar ook dat de kosten per adres regelmatig hoger zijn dan gedacht. Vorig jaar is daarom besloten om de maximumbedragen fors te verhogen en de regeling gericht in te zetten voor de gebieden die het zwaarst getroffen zijn door de gaswinning.9 Aan het eind van dit jaar evalueert het IMG deze nieuwe werkwijze. Ik heb het IMG daarbij ook gevraagd om een reële raming en planning van de uitvoeringsopgave in de komende jaren. Op basis daarvan zal meer duidelijk worden over hoe dit zich verhoudt tot het gereserveerde budget. Ik kan daar nu nog niet op vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat de wirwar aan regelingen ertoe leidt dat aan de randen van het gebied relatief eenvoudig forse bedragen te claimen zijn, terwijl bewoners in het kerngebied met de zwaarste schade vastlopen in complexe trajecten? Erkent u dat dit het gevolg is van beleid dat per regeling is dichtgetimmerd in plaats van vanuit één samenhangende, rechtvaardige aanpak?
Het beeld dat het aan de randen van het effectgebied eenvoudiger zou zijn om een schadevergoeding te ontvangen dan in het kerngebied klopt niet. Binnen het effectgebied kunnen aanvragers met fysieke schade kiezen tussen maatwerk (met onderzoek naar de schadeoorzaak), daadwerkelijk herstel, en een forfaitaire vergoeding (beiden zonder onderzoek naar de schadeoorzaak). Alle inwoners van het effectgebied met fysieke schades hebben dus dezelfde opties voor de afhandeling van hun schade. Bij maatwerk zien we dat juist in het gebied waar nog steeds bevingen plaatsvinden relatief meer schades worden toegekend dan aan de randen, dat is ook logisch. Bij daadwerkelijk herstel en de vaste vergoedingen is ervoor gekozen om niet te differentiëren in de grensbedragen. Het is een bewuste keuze geweest om nieuwe grenzen en verschillen binnen het effectgebied te voorkomen. Zo geldt er overal een grensbedrag van € 60.000 bij daadwerkelijk herstel. Uit de praktijk weten we dat het zeer beperkt voorkomt dat schades als gevolg van de gaswinning dit grensbedrag overschrijden, ook in de kern van het bevingsgebied.
Wel is het zo dat er in de gebieden met de meeste bevingen vaker sprake is van samenloop van schade met andere opgaves, zoals de versterking. Die samenloop vergroot de complexiteit en maakt dat hier aanvullende aandacht en inzet nodig is. Dit gebeurt ook op verschillende manieren, bijvoorbeeld door de inzet van gezamenlijke steunpunten door IMG en NCG, de initiatieven onder Agenda voor Herstel en via aanvullende regelingen als Duurzaam herstel en de vaste herhaalvergoeding. Ook de regeringscommissaris Hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe heeft het verbeteren van de situatie van de inwoners in het kerngebied als één van zijn speerpunten benoemd in zijn opdrachtformulering.10
Wat is uw reactie op de situatie van Willeke Lode uit Midwolde die al 4,5 jaar wacht op duidelijkheid over 97 scheuren in haar woonboerderij maar uit beeld raakte?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties.
Wat is uw reactie op de 329 vergelijkbare dossiers waarover de Nationale ombudsman aan de bel trok? Kunt u garanderen dat al deze 329 dossiers inmiddels weer actief in behandeling zijn en dat deze mensen persoonlijk zijn geïnformeerd?
Ik betreur het feit dat ca. 329 dossiers tijdelijk uit beeld zijn geraakt bij de uitvoering, dit had niet mogen gebeuren. Dit hing samen met ICT-aanpassingen als gevolg van de implementatie van nieuwe schaderegelingen. Inmiddels heeft het IMG met de bewoners in kwestie contact opgenomen en is de behandeling van hun meldingen weer opgepakt en in een aantal gevallen ook al afgehandeld.11 Het IMG is structureel in gesprek met de ombudsman en daarbij ook ingegaan op het aanbod van de ombudsman om te bespreken hoe dit soort situaties in de toekomst voorkomen kunnen worden.
Wat vindt u ervan dat een bewoner pas via een Woo-verzoek inzicht kreeg in zijn eigen schadedossier, nadat stukken bleken te missen en hij maandenlang niets hoorde? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gedupeerden juridische middelen als Woo-verzoeken en rechtszaken moeten inzetten om überhaupt te weten waar ze aan toe zijn bij een organisatie die er voor hen is?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties. Ten algemene geldt dat aanvragers hun eigen dossier online kunnen inzien via de pagina Mijn Dossier. Mocht de aanvrager daarin correspondentie zoals brieven of mails missen, dan kan hij hierover contact opnemen met de zaakbegeleider of het Serviceloket. Voor inzage in eigen dossiers is vanzelfsprekend geen Woo-verzoek nodig.
Wat is uw reactie op de signalen dat bewoners bij vertraging maandenlang geen brief krijgen, dossiers acht à negen maanden op de plank blijven liggen zonder uitleg, brieven verouderde informatie bevatten en bewoners data kregen toegezegd waarvan intern al bekend was dat die niet gehaald zouden worden?
Ik vind dat bewoners moeten weten waar ze aan toe zijn, ook als er nog geen oplossing is. Ook de Nationale ombudsman wees hier onlangs op. Het IMG neemt deze signalen serieus en blijft werken aan de verdere verbetering van haar dienstverlening richting aanvragers.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Ja, het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze racistische uitingen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Het is volstrekt onacceptabel wanneer mensen, in dit geval Nederlandse sporters, worden geconfronteerd met racistische uitingen of worden beoordeeld op hun huidskleur in plaats van op hun (sportieve) prestaties. Discriminatie op grond van herkomst, afkomst of huidskleur is verboden in artikel 1 van de Grondwet en gaat in tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Alhoewel het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder uitingen die kunnen kwetsen en schuren zoals kritiek, eveneens een essentieel grondrecht is en een belangrijke voorwaarde voor een open en pluriforme samenleving, is dit recht niet absoluut. Zij is geen vrijbrief maar brengt verantwoordelijkheden met zich mee en is begrensd wanneer uitingen de rechten en waardigheid van anderen aantasten. Discriminerende uitingen, zoals het bewust racistisch beledigen van mensen, zijn strafbaar. Voor deze gevallen geldt evident dat geen beroep gedaan kan worden op de bescherming die het recht op vrijheid van meningsuiting biedt.
Artikel 1 van onze Grondwet legt in de eerste plaats de wetgever, het bestuur en de rechter, de zwaarwegende juridische verplichting op om iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Tegelijkertijd geeft dit grondrecht ook uitdrukking aan een bredere sociaal-normatieve waarde, namelijk de fundamentele standaard dat iedereen in Nederland gelijkwaardig is.
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Gevoelens van uitsluiting en onveiligheid hebben ook invloed op mensen die zich herkennen in de spelers, omdat zij bijvoorbeeld een vergelijkbare achtergrond hebben, of van dezelfde komaf zijn. Zo raken deze opmerkingen niet alleen de spelers maar een breder publiek: het signaal dat je niet wordt beoordeeld op je inzet, kwaliteiten en prestaties, maar op waar je vandaan komt en wie je bent. Dit raakt niet alleen de sport maar ook andere maatschappelijke terreinen. Dit soort uitingen gaan in tegen de kerngedachte van fundamentele gelijkwaardigheid binnen onze samenleving.
Discriminatie en racisme zijn een diepgeworteld probleem in en van de samenleving. De gevolgen van discriminatie en racisme tasten de sociale cohesie aan, en daarmee het vertrouwen in de politiek en overheid waardoor ook de maatschappelijke betrokkenheid afneemt.2 Dit maakt dat de bestrijding van discriminatie en racisme een maatschappelijke en gezamenlijke uitdaging is die ons allen aangaat, ook diegenen die hier niet direct door geraakt worden.
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
De opgave waar we als samenleving gezamenlijk voor staan is om gelijkwaardigheid te bevorderen en discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen, ongeacht het maatschappelijk terrein. Persoonskenmerken zoals afkomst en huidskleur mogen nooit bepalend zijn voor de wijze waarop iemand behandeld wordt.
Met betrekking tot het bestrijden van racisme en discriminatie binnen de sport werken de Ministeries JenV, OCW, SZW en VWS met beperkt budget samen met de KNVB binnen het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI). De maatregelen binnen OVIVI zijn gericht op bewustwording, gedragsverandering, signaleren en sanctioneren. Dit programma loopt tot het eind van 2026 maar het kabinet is voornemens om maatregelen voor te zetten in 2027, in lijn met het regeerakkoord.
Als het gaat om discriminatie in de sport is het aandeel van meldingen dat gedaan wordt bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) relatief klein ten opzichte van andere maatschappelijke terreinen.3 Blijvende en nadrukkelijke aandacht voor het herkennen van discriminatie en het melden ervan blijft noodzakelijk in de procesbegeleiding en trainingsprogramma’s voor de clubs, bij zowel amateur- als betaald voetbal organisaties (BVO’s). Om het signaleren en melden van racistische en andere discriminerende gedragingen en uitingen op en rond de voetbalvelden te versterken, worden in het Plan van aanpak 2023–2025 verschillende maatregelen genomen, waaronder het versterken van de samenwerking tussen de KNVB en ADV’s voor begeleiding van het doen van meldingen, de afhandeling daarvan en kennisdeling tussen deze organisaties en het Centrum Veilige Sport Nederland.4
Daarnaast ontwikkelt de KNVB in samenspraak met reeds betrokken departementen een normstellend kader voor het tegengaan van online discriminatie binnen het voetbal, waarin aandacht voor het doen van meldingen een onderdeel is.5
Voor een effectieve aanpak van discriminatie in Nederland is inzicht in ervaren en gemelde discriminatie essentieel. In algemene zin is bekend is dat het aantal meldingen niet representatief is voor de daadwerkelijk ervaren discriminatie.6 Deze beperkte meldingsbereidheid, zowel binnen de sport als binnen andere maatschappelijke sectoren, is onder andere te verklaren door een gebrek aan vertrouwen in de opvolging van meldingen.7
Melden heeft altijd zin. ADV’s bieden een luisterend oor, voeren hoor- en wederhoor en kunnen juridische procedures voeren voor hun melders. Om de meldingstoegankelijkheid verder te stimuleren is een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur van groot belang. In de afgelopen jaren is ingezet op professionalisering van de 18 individuele ADV’s (die samen meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten bestrijken als werkgebied), waaronder de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en de toegenomen aandacht voor Discriminatie.nl als landelijke vereniging. Desondanks is verdere versterking nodig om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit – en daarmee de meldingstoegankelijkheid en het vertrouwen om te melden – te vergroten. Het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie beoogt deze verbeteringen te bereiken door middel van één door het Rijk gefinancierde landelijke organisatie met lokale fysieke loketten.8 Deze nieuwe landelijke organisatie zal onafhankelijk zijn in de wijze waarop zij haar taken uitvoert en krijgt daarnaast nieuwe taken gericht op preventie van discriminatie en om melders actief door te geleiden naar passende nazorg als dat gewenst is.
Om het vertrouwen in het melden van discriminatie verder te verhogen werkt het kabinet ook aan een brede publiekscommunicatie waaronder een landelijke campagne, gericht op de meldingstoegankelijkheid van alle gronden, waaronder ook afkomst en herkomst. De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.
Tot slot is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie (NCDR) ingesteld met het doel om racisme en discriminatie te bestrijden. Als regeringscommissaris adviseert de NCDR het kabinet over de aanpak van discriminatie en racisme. De NCDR heeft inmiddels verschillende adviezen uitgebracht en heeft het voornemen om ook een advies over anti-zwart racisme op te stellen.9
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Ja, er is contact opgenomen met de KNVB en is er steun betuigd over de gedane aangifte. Tijdens het commissiedebat Sportbeleid op 30 juni 2026 heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport haar afschuw uitgesproken over de racistische uitingen.
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
De wijze waarop de Nederlandse spelers zijn bejegend na het verlies tegen Marokko, is helaas geen geïsoleerd incident maar komt vaker voor.10 Uitgangspunt is dat sport moet zorgen voor verbinding, waarbij doorgaans veel positieve emoties loskomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat discriminatie en racisme helaas niet ongebruikelijk is op verschillende niveaus en op verschillende gronden.
Specifiek binnen het voetbal komen discriminerende en racistische uitingen relatief vaak voor, zo laat ook het prevalentie onderzoek van Verian11 uit 2026 zien. Daaruit blijkt dat ongeveer 4% van alle sporters en 3% van alle sportprofessionals in het afgelopen jaar discriminatie heeft ervaren. Binnen de sport wordt het voetbal – als grootste teamsport met de meeste aantal leden van Nederland – het vaakst genoemd als context waarin dergelijke uitingen voorkomen. Het gaat vooral om verbale uitingen van medespelers, tegenstanders en publiek zo meldt het onderzoek. Dat er sprake zou zijn van een voorspelbaar patroon van racistische online haat na grote sportevenementen onderschrijft het kabinet echter niet.
Met de programma’s OVIVI en OCIVI (Onze Club Is Van Iedereen) ondersteunt het kabinet de sportsector in de strijd tegen discriminatie en racisme in het voetbal en sportbreed. Zowel op het veld, in de hal, langs de lijn en online.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft tijdens commissiedebat Sportbeleid van 30 juni 2026 medegedeeld dat er wordt binnen OVIVI gewerkt aan het ontwikkelen van een slimme technologie om daders op te sporen, om het proces tot vervolging te vergemakkelijken.
Tot slot heeft het kabinet de intentie de subsidie gericht op het bestrijden van online racisme te zullen voortzetten in 2027, zoals in reactie op vraag 5 reeds is aangegeven. Daarover lopen momenteel gesprekken met de KNVB.
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Het eerder genoemde Verian onderzoek (2026) naar discriminatie in de sport maakt onderscheid naar vormen van discriminatie, maar omvat geen landelijk percentage voor online discriminatie van sporters. Op dit moment is er daardoor nog geen volledig zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters. Wel zijn er diverse onderzoeken die hieronder toegelicht zullen worden.
Binnen de aanpak OVIVI is aandacht voor online racisme richting voetballers. Hierbij wordt gebruikgemaakt van monitoring, meldingen en technologie om online haat op sociale media te signaleren. Dit is terug te zien inde Monitor OVIVI, die jaarlijks door het Mullier Instituut wordt uitgebracht. De meest recente versie van deze monitor is op 24 juni 2026 aan uw Kamer aangeboden.12
Naast de monitor van OVIVI, heeft Movisie in 2022 een overigens niet-representatief onderzoek gedaan naar online discriminatie onder mannelijke betaald voetbalspelers.13
Er is in het kader van OVIVI begin dit jaar een vragenlijst uitgezet over (online) discriminatie onder betaald voetbalspelers in Nederland. Helaas was de respons onder de mannelijke spelers te laag om over te rapporteren. De respons onder vrouwelijke speelsters was wel hoog genoeg; de resultaten worden door het Mulier Instituut verwerkt en later dit jaar gepubliceerd.
Daarnaast voeren momenteel het Verwey Jonker Instituut, de Anne Frank Stichting en de Erasmus Universiteit het onderzoek uit naar antisemitisme in het betaald voetbal (in opdracht van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding). Dat bestaat uit een bevolkingsonderzoek naar in welke mate discriminatie, racisme en antisemitisme voorkomt in stadions en in online omgevingen, gerelateerd aan voetbal. Dat rapport wordt medio 2027 verwacht. Die studie richt zich alleen op voetbal en niet op de ervaringen van (top)sporters zelf.
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Het (kunnen) identificeren van plegers van online haat is ingewikkeld. Daar waar plegers gebruik maken van anonieme (social media) accounts zijn politie en OM in veel gevallen afhankelijk van internationale rechtshulp. Dat is een kostbaar en tijdrovend proces, waarbij het Nederlandse OM voor identificerende gegevens van plegers veelal afhankelijk is van de autoriteiten van landen waar deze tech-bedrijven zijn gevestigd. Daarom wordt, daar waar dat kan, via minder ingrijpende middelen zoals Open Source Intelligence (OSINT) getracht om zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de online pleger. In het geval dat dergelijke informatie ontoereikend is en informatie nodig is uit het buitenland, zal dit worden opgevraagd middels een rechtshulpverzoek aan de landen waar de tech-bedrijven zich bevinden.
Daar waar de verdenking zich richt op groepsbelediging ex. artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kunnen er in beginsel weinig bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet, omdat artikel 137c WvSr geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Tot slot zal er een gesprek tussen de Minister van Langdurige Zorg Jeugd en Sport en de Minister van JenV plaatsvinden over de mogelijkheden online haat te bestrijden op socialemediaplatforms. De terugkoppeling daarvan wordt meegenomen in de eerder toegezegde stand-van-zakenbrief.
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
Zie antwoord vraag 10.
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Het OM rapporteert jaarlijks over de discriminatiecijfers aan de Minister van JenV via het cijferrapport «Strafbare Discriminatie in Beeld». Dit rapport wordt jaarlijks ter kennisgeving aan de Kamer aangeboden door de Minister van JenV. In dit rapport wordt uiteengezet hoeveel specifieke discriminatiefeiten (zoals groepsbelediging) er bij het OM zijn ingestroomd en hoeveel feiten er zijn ingestroomd waarin een discriminatieaspect een rol heeft gespeeld. Per 1 juli 2025 zijn de laatstgenoemde categorie feiten opgenomen als wettelijke strafverzwaringsgrond in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht. In 2025 betroffen het 42 specifieke discriminatiefeiten en 37 feiten waarin een discriminatieaspect een rol speelde, die online zijn gepleegd.
Het OM werkt in principe aangifte-gedreven; zo staat ook te lezen in de Aanwijzing discriminatie. Verhoging van de aangiftebereidheid leidt daarmee vrijwel automatisch tot het vaker (kunnen) afdoen van discriminatiezaken, ook online. Daarnaast wordt er binnen het OM sinds het afgelopen jaar meer samengewerkt tussen de discriminatie-aanpak en de aanpak van terrorisme en radicalisering online, om waar mogelijk ook vaker ambtshalve een discriminatieonderzoek te kunnen starten of afronden.
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. De Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan tussenhandeldiensten, waaronder online platforms zoals Meta, X en TikTok, met als doel om illegale inhoud zoals online haat en racisme aan te pakken. Zo moeten de genoemde platforms voorzien in doeltreffende kennisgevings- en actiemechanismen waar illegale inhoud kan worden gemeld. De genoemde platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit hun diensten in kaart brengen en beperken. Deze systeemrisico’s kunnen onder meer risico’s omvatten die worden veroorzaakt door schadelijke inhoud, zoals online haat en discriminatie.
Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de DSA voor Meta, X en TikTok – zogenoemde zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) – ligt bij de Europese Commissie.
De DSA maakt het daarnaast mogelijk voor organisaties met specifieke expertise in het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud, om gecertificeerd te worden als «betrouwbare flagger». In Nederland worden aanvragen voor die status behandeld door de Autoriteit Consument en Markt. Betrouwbare flaggers kunnen illegale inhoud bij online platforms melden. Zulke meldingen moeten met prioriteit worden behandeld door online platformen. In dit kader is het relevant dat Meld.Online Discriminatie (MOD) is gecertificeerd als betrouwbare flagger voor meldingen van online discriminatie in Nederland.14 Naar aanleiding van de discriminerende bejegeningen van de Oranjespelers, heeft MOD meerdere berichten als illegaal beoordeeld en hierover verwijderverzoeken ingediend bij online platforms. De verwijderverzoeken zijn allen ingewilligd door de bevraagde platforms.15
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Ja, uit de berichtgeving blijkt dat de Oranjespelers op grote schaal zijn geconfronteerd met racistische uitingen. Daaruit concludeer ik dat de platformen er niet in zijn geslaagd om gebruikers van hun diensten te beschermen tegen online haat en discriminatie. Dat is verontrustend en zou niet moeten gebeuren. Het ligt voor de hand dat platforms bij voorspelbare piekmomenten extra maatregelen treffen. Uit navraag bij betrokken platforms volgt dat zij actief monitoren op racistische content. Zowel TikTok als Meta geven aan dat zij anticiperen op grote gebeurtenissen, zoals sportevenementen. Het is aan de Europese Commissie om te onderzoeken of zij met hun huidige werkwijze voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Het is onacceptabel dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen om hun sociale media af te schermen tegen haat en racisme. Geconfronteerd worden met online haat en racisme moet niet getolereerd en genormaliseerd worden, of dat gaat om de betrokken spelers, of wie dan ook. Dit incident laat zien dat de bescherming van slachtoffers onvoldoende was. Dit demonstreert de noodzaak, urgentie en belang voor het tegengaan van online discriminatie, en dat duurzamere en effectievere bescherming en ondersteuning van slachtoffers van groot belang zijn. Deze taak valt ons allemaal toe. Het kabinet trekt hier in samen op met het maatschappelijk middenveld vanuit het Plan van aanpak tegen online discriminatie.16
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Zie het antwoord onder vraag 14.
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Het Plan van aanpak online discriminatie omvat rijksbrede maatregelen ter bestrijding van alle vormen van online discriminatie. Het Plan van aanpak zet onder andere in op vaker en meer zichtbare consequenties voor daders, betere ondersteuning van slachtoffers en meer maatschappelijke bewustwording. Hieronder een paar voorbeelden van maatregelen uit het Plan van aanpak die zijn uitgevoerd of momenteel worden uitgevoerd.
Het kabinet investeert vanaf 2025 structureel in de expertise en personeelsbezetting van de gespecialiseerde politie-eenheid voor discriminatie, ECAD-P genaamd. Deze investeringen zijn bedoeld om politie-eenheden te helpen discriminatie beter te herkennen, te registreren en te bestrijden, zowel offline als online.
Ook steunt het kabinet dit jaar trainingen van International Network Against Cyber Hate (INACH) aan maatschappelijke organisaties en (decentrale) overheden om bewustwording over online haatspraak te stimuleren en handelingsperspectieven te bieden. De trainingen gaan onder meer over de digitale rechten die men heeft, de beschikbare online meldvoorzieningen en hoe daar gebruik van gemaakt kan worden.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede en overzichtelijke hulpinfrastructuur voor slachtoffers van online discriminatie, waarbij wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen hulporganisaties. Dit blijkt ook uit de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en diens samenwerkingsovereenkomst met Meld.Online Discriminatie die dit jaar is ondertekend. Zo kunnen laagdrempeligere meldmogelijkheden geboden worden aan slachtoffers van online discriminatie.
Ook start in oktober een maatschappelijke dialoog over normen en waarden rond online discriminatie. Deze dialoog vindt deels plaats op een nog te lanceren dialoogplatform www.praatmeemetdeoverheid.nl en deels tijdens fysieke bijeenkomsten onder begeleiding van experts. Daarmee zet het kabinet in op sterkere online normen en waarden, meer maatschappelijke bewustwording en het betrekken van Nederlanders bij het bedenken van passende beleidsmaatregelen.
Bent u bekend met het bericht dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft geoordeeld dat de AIVD en MIVD niet zorgvuldig zijn omgegaan met verzamelde persoonsgegevens? (Kamerstuk 36 263, nr. 50)
Ja.
Onderschrijft u dat juist van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), gelet op de aard en gevoeligheid van de gegevens die zij verwerken, mag worden verwacht dat zij de wettelijke waarborgen voor gegevensverwerking strikt naleven? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd door de CTIVD, zijn bulkdatasets van groot belang voor de goede taakuitvoering van de wettelijke taken van de diensten. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebruik van bulkdatasets een aanzienlijke privacyinbreuk kan meebrengen. Wij onderschrijven vanzelfsprekend de noodzaak van het bestaan van voldoende waarborgen rondom de verwerking van bulkdatasets, alsook een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan. In het algemeen geldt dat deze waarborgen worden nageleefd, maar, zoals de CTIVD heeft geconstateerd, valt er winst te behalen in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Het verbeteren van het beheer van bulkdatasets staat hoog op de agenda van de diensten. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het CTIVD-onderzoek hebben de diensten reeds diverse verbetermaatregelen genomen om tegemoet te komen aan de geconstateerde knelpunten (zie het gebundelde antwoord op vraag 4, 5, 8 en 15). De komende tijd zetten de diensten de implementatie van deze verbetermaatregelen voort. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij daarnaast ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke concrete tekortkomingen heeft de CTIVD vastgesteld in de wijze waarop de AIVD en MIVD-persoonsgegevens verwerken, bewaren en toegankelijk maken?
Een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD is te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Voor het volledige overzicht van de bevindingen en aanbevelingen verwijzen wij u naar het rapport van de CTIVD.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tekortkomingen zijn ontstaan, terwijl de diensten beschikken over uitgebreide interne controlemechanismen en extern toezicht?
Wij constateren dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit met zich meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het onderzoek hebben de diensten zelfstandig verschillende risico’s en kwetsbaarheden geïdentificeerd ten aanzien van (de verwerking van) bulkdatasets. In verschillende gevallen hebben deze risico’s daadwerkelijk geleid tot compliance-incidenten, die voorafgaand aan en tijdens het onderzoek aan de CTIVD zijn gemeld. Naar aanleiding van deze incidenten hebben de diensten direct maatregelen getroffen om dergelijke incidenten te detecteren, mitigeren en in de toekomst te voorkomen, dan wel het risico dat dit soort incidenten zich voordoen aanzienlijk te verkleinen. Het betreft hier maatregelen op het gebied van autorisatiebeheer en toegangsmanagement, alsook maatregelen die zien op het vergroten van het bewustzijn bij medewerkers rondom het belang van compliant werken. De eerste belangrijke stappen zijn zodoende al gezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat structurele maatregelen nodig zijn. In dat kader verwelkomen wij de bevindingen van de CTIVD, die de urgentie van het onderwerp onderstrepen en oplossingsrichtingen aandragen voor de toekomst waar de diensten vanzelfsprekend voortvarend aan blijven werken. Zoals reeds genoemd is een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Met een aantal van de aanbevelingen uit het rapport zijn de diensten al aan de slag gegaan. Zo werken de diensten aan een applicatie voor toestemmingsverzoeken, waarmee de mogelijkheid om gegevens te raadplegen op geautomatiseerde wijze wordt gekoppeld aan de looptijd van het toestemmingsverzoek en de bijbehorende autorisaties. Daarnaast zullen de AIVD en de MIVD de interne logging van systemen uitbreiden om incidenten waarin autorisatiebeheer een rol speelt in de toekomst zo veel mogelijk te kunnen voorkomen, sneller te kunnen detecteren en beter te kunnen mitigeren. Dit draagt bij aan compliant werken. Wij onderstrepen evenwel dat de benodigde technische verbetermaatregelen aanpassingen vergen, bijvoorbeeld in de IT-systemen, die tijd en capaciteit kosten. De realisatie van deze structurele verbeteringen zal daarom een substantiële en consistente inspanning vergen. De diensten zullen de CTIVD periodiek op de hoogte houden van de ontwikkelingen en vorderingen op dit gebied.
Tot slot, zullen wij in aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Zijn de geconstateerde tekortkomingen het gevolg van onvoldoende capaciteit, onvoldoende deskundigheid, tekortschietende sturing of een andere oorzaak? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de CTIVD eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd? Zo ja, welke aanbevelingen zijn destijds gedaan en waarom hebben deze kennelijk niet voorkomen dat de huidige situatie is ontstaan?
De CTIVD heeft eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd. In toezichtrapporten nr. 70 en 71 over de verwerking van passagiersgegevens van luchtvaartmaatschappijen en het verzamelen van bulkdatasets met de hackbevoegdheid en de verdere verwerking daarvan heeft de CTIVD ook aandacht gevraagd voor de naleving van de waarborgen voor de verdere verwerking van bulkdatasets. Naar aanleiding van deze rapporten hebben onze ambtsvoorgangers de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 geïntroduceerd, met daarin aanvullende waarborgen en maatregelen die meer recht doen aan de bescherming van fundamentele rechten van burgers en de operationele waarde van bulkdatasets voor de diensten. De CTIVD stelt nu vast dat in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen nog winst valt te behalen. Wij herkennen ons in dat beeld en zetten het reeds ingezette verbetertraject de komende tijd voort (zie het antwoord op vraag 4-5-8-15).
Is naar uw oordeel sprake van tekortschietende uitvoering van bestaande wettelijke regels, of acht u de huidige wettelijke kaders onvoldoende duidelijk, vaag, uitvoerbaar of te strict? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wiv 2017 kent geen speciale regels voor het gebruik van bulkgegevens, met uitzondering van de bulkgegevens die worden verzameld met de inzet van onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie. In de praktijk heeft dat geleid tot onduidelijkheden en een onoverzichtelijk stelsel voor de verdere verwerking van bulkgegevens. Mede naar aanleiding van toezichtrapporten van de CTIVD is de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 opgesteld. De CTIVD heeft geconstateerd dat het huidig wettelijk kader in beginsel voldoende waarborgen biedt, maar dat winst te behalen valt in de uitvoering en (technische) implementatie van deze waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Tegelijkertijd stellen wij vast dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij nadrukkelijk aandacht vragen voor deze en andere geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke organisatorische en technische maatregelen zijn inmiddels getroffen om ervoor te zorgen dat wettelijke waarborgen, waaronder autorisatiebeheer, bewaartermijnen en interne controles, structureel worden nageleefd?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer zijn de geconstateerde tekortkomingen voor het eerst ontstaan en sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt periodiek gecontroleerd of deze maatregelen daadwerkelijk functioneren en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd, voor zover de staatsveiligheid zich daar niet tegen verzet?
De diensten hebben sinds april 2023 een compliance-meldingssysteem. Dit wordt doorlopend geprofessionaliseerd. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het vergroten van het compliance-bewustzijn binnen de diensten om compliance incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en daar waar onverhoopt toch iets misgaat deze incidenten vroegtijdig te detecteren en te mitigeren. Met de CTIVD is in 2023 overeengekomen dat naast het systeemtoezicht van de CTIVD, door de diensten een intern compliance-managementsysteem zou worden ingericht, waar een intern inschalingsmodel voor compliance-incidenten deel van uitmaakt. De diensten en de CTIVD hebben hiervoor gezamenlijk een incidentenprotocol opgesteld waarin is opgenomen hoe moet worden omgegaan met compliance-incidenten en wie wanneer daarover geïnformeerd dient te worden. De CTIVD houdt regulier toezicht op het compliance-meldingssysteem en kan hierover, indien aangewezen, rapporteren. Het ligt niet voor de hand, gelet op het efficiënt functioneren van het interne compliance-managementsysteem, dat wij uw Kamer, anders dan via de openbare jaarverslagen of de daarvoor geëigende kanalen, informeren over compliance-incidenten.
Wordt bij de ontwikkeling of aanbesteding van nieuwe informatiesystemen standaard getoetst of wettelijke bewaartermijnen, autorisaties en logging automatisch worden afgedwongen?
Gezien de specifieke aard van onze werkzaamheden worden veel informatiesystemen in het operationele domein door de diensten zelf ontwikkeld. Hierbij worden wettelijke vereisten zoals bewaartermijnen en autorisaties en functionele eisen zoals logging, integraal onderdeel gemaakt van het ontwikkelproces. Autorisatiebeheer en logging zijn essentieel voor de operationele veiligheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de data van de diensten. Deze vormen derhalve vanzelfsprekend een belangrijke leidraad bij de ontwikkeling van nieuwe informatiesystemen.
Bent u van oordeel dat de huidige systemen van de AIVD en MIVD zodanig zijn ingericht dat wettelijke waarborgen technisch worden afgedwongen («security by design» en «privacy by design»)? Zo nee, waarom niet?
Hoewel niet alle waarborgen volledig technisch te automatiseren zijn, zijn er adequate controles aanwezig om de naleving ervan te waarborgen. Het waarborgen van security – en privacy by design is een continu proces van optimalisatie en onderdeel van de ICT-architectuur. De aanbevelingen uit het CTIVD-rapport worden gebruikt voor de verdere aanscherping van processen en ICT-architectuur. Daarnaast biedt de in voorbereiding zijnde nieuwe Wiv 202X, waarvan de contouren reeds zijn geschetst, een verbeterd en essentieel kader om de ondersteuning van het inlichtingenproces op het gebied van rechtmatigheid en technische borging verder te professionaliseren en te optimaliseren waarbij tegelijkertijd geen afbreuk wordt gedaan aan de operationele slagkracht van beide diensten.
Kunt u uitsluiten dat vergelijkbare tekortkomingen zich ook voordoen bij andere overheidsorganisaties die grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens verwerken? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het verzamelen van bulkinformatie is uniek voor de AIVD en de MIVD. Als hiervoor verantwoordelijke Ministers informeren we u in deze antwoorden hoe we het beheer van deze bulkdatasets de komende tijd verder gaan versterken. In algemene zin doen alle overheidsinstanties altijd hun best om persoonsgegevens die onder hun verantwoordelijkheid vallen zo goed mogelijk te beheren. Dat zich daarbij tekortkomingen kunnen voordoen, kan helaas nooit helemaal worden uitgesloten. Ook daar zijn toezichthoudende instanties die daar op permanente basis onderzoek naar doen. In voorkomend geval kan de verantwoordelijke Minister besluiten tot een aanvullend onderzoek.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens in de eerste plaats afhankelijk is van een zorgvuldige uitvoering van wettelijke waarborgen, goed ingerichte processen en deugdelijk toezicht, ongeacht de herkomst van de gebruikte technologie of leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven de noodzaak van het hebben van voldoende waarborgen en een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan, ongeacht technologie of leverancier. Deze waarborgen zijn nodig om recht te doen aan de bescherming van de fundamentele rechten van burgers.
Welke lessen trekt u uit deze bevindingen om te voorkomen dat vergelijkbare tekortkomingen zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 6 en 9 en 4, 5, 8,en 15 zijn gezamenlijk beantwoord. De overige vragen zijn separaat beantwoord.
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Ja.
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
De externe locaties zijn afgehuurd ten behoeve van personeelsbijeenkomsten voor medewerkers van verschillende organisatieonderdelen van het ministerie. Die zijn uitsluitend bedoeld voor eigen personeel. Binnen Rijksbegrotingshoofdstuk VII, Artikel 11 Centraal Apparaat is budget gealloceerd voor Personele uitgaven waar onder andere de kosten voor personeelsbijeenkomsten onder vallen. Deze kosten vallen binnen dit budget, maar zijn niet specifiek uit te splitsen naar dit aggregatieniveau.
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Ieder organisatieonderdeel heeft budgetten beschikbaar gesteld gekregen voor dit type activiteiten. Over de organisatie en invulling van personeelsbijeenkomsten wordt per organisatieonderdeel besloten.
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te maken. De kosten vallen binnen het hierboven genoemde centrale apparaatsbudget.
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Personeelsbijeenkomsten worden georganiseerd om betrokkenheid, onderlinge verbondenheid en waardering te bevorderen.
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Conform Rijksbreed beleid zijn de afgelopen jaren bij elk onderdeel van BZK de kosten van externe locaties, bijeenkomsten, lunches etc. onder de loep genomen en wordt er terughoudend omgegaan met het huren van externe locaties.
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Ieder departement is verantwoordelijk voor een eigen beleid op personeelsbijeenkomsten.
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten’ |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten»?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat burgers geïntimideerd worden met geweld, vandalisme en discriminerende symbolen?
Herkent u het geschetste beeld dat er sprake lijkt te zijn van een toename van gewelds- en vandalisme-incidenten bij moskeeën?
Gezien de hoeveelheid incidenten en de specifieke kenmerken ervan, in hoeverre is hier naar uw mening sprake van een patroon van gerichte aanvallen met een discriminerend karakter?
Wat gaat u doen om een voortzetting van de reeks incidenten tegen te gaan, daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen?
Heeft u veiligheidsmaatregelen getroffen naar aanleiding van de recente incidenten? Zo ja, welke?
Bent u bereid om met de belangenorganisaties die hun zorgen hebben uitgesproken in gesprek te treden over wat er nodig is om de veiligheid en het gevoel van veiligheid te herstellen en moslimdiscriminatie tegen te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Kunt u uw reactie in het NOS-bericht, waarin u stelt dat u extra middelen voor de bescherming van moskeeën niet aan de orde acht, verder toelichten?
Klopt het dat er geen centrale registratie bestaat van het aantal incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën?
Bent u bereid blijvend te inventariseren hoe vaak dergelijke incidenten plaats hebben gevonden en plaatsvinden rond moskeeën en andere religieuze instellingen die geregeld doelwit van intimidatie zijn, zodat inzichtelijk kan worden of nadere veiligheidsmaatregelen nodig zijn?
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat de overheid, bijvoorbeeld via woordvoerders of persvoorlichters, contact onderhoudt met journalisten. Het is de taak van deze ambtenaren om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt dat een ambtenaar zijn werk politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen.
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Ja. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen. Zij hanteren hierbij de journalistieke kernbeginselen, zoals hoor en wederhoor en het verifiëren van bronnen. Deze werkwijze draagt eraan bij dat een onderwerp vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Het is vervolgens aan de lezer, kijker of luisteraar om zich op basis van de door de journalist verstrekte informatie een eigen oordeel te vormen.
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
In algemene zin kan ik zeggen dat de persvrijheid in het geding komt als er van overheidswege censuur zou worden toegepast, bijvoorbeeld het op basis van politieke motieven uitvaardigen van een verbod iets te publiceren. Dat is in Nederland niet toegestaan. Daarnaast is het onacceptabel als de overheid «zachte druk» uitoefent op journalisten of media. Zulke druk kan een zogenoemd chilling effect veroorzaken, waardoor journalisten uit vrees voor negatieve gevolgen overgaan tot zelfcensuur. Ook dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Ja. Journalisten werken volgens journalistieke kernbeginselen. De Raad voor de Journalistiek vat dit in de Leidraad kernachtig samen: «Goede journalistiek is waarheidsgetrouw en nauwgezet, onpartijdig en fair, controleerbaar en integer.»2 Het is aan de journalist om, vaak in overleg met zijn redactie, de afweging te maken hoe deze beginselen in een concreet geval worden toegepast.
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Ja. Een gezond debat wordt gevoerd met de juiste feiten. Journalisten hebben een belangrijke rol in het brengen van deze feiten, zodat de lezer, kijker of luisteraar zelf een afweging kan maken en een mening kan vormen.
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 2 kan ik zeggen dat in contacten met journalisten, het de taak van ambtenaren is om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt zoals hiervoor aangegeven dat een ambtenaar zijn werk te allen tijde politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Het bestrijden van een bepaalde politieke duiding behoort niet tot de taak van een ambtenaar.
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
De lokale gemeenteraad, in dit geval de Amsterdamse, heeft tot taak het college van burgemeester en wethouders te controleren. In de Amsterdamse gemeenteraad zijn tevens raadsvragen gesteld over deze kwestie, waarmee de gemeenteraad dus invulling geeft aan deze verantwoordelijkheid.
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Ten aanzien van de situatie in de gemeente Amsterdam zijn er raadsvragen gesteld, zoals benoemd in het antwoord op vraag 11. Ik heb geen signalen ontvangen dat er bij overheden gebruikt wordt gemaakt van beleid, instructies of informele werkwijzen over het ontmoedigen van bepaalde berichtgeving.
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Ik heb geen signalen ontvangen dat ambtenaren regelmatig journalisten benaderen met politieke argumenten. Ik zie derhalve geen aanleiding voor een onderzoek.
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Nee. Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de voorgaande vragen.
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Zorgvuldige en eerlijke communicatie door de overheid is essentieel voor het vertrouwen van burgers in de overheid. De media hebben tot taak om in informatie te voorzien, de macht te controleren en een podium te bieden aan diverse geluiden. De journalistieke sector heeft hiervoor zelf standaarden opgesteld, zoals bijvoorbeeld in de eerder aangehaalde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek.
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Er is geen plaats voor overheidsdruk op journalisten om zo hun berichtgeving te beïnvloeden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme was een onafhankelijk adviescollege dat voor vier jaar, op verzoek van de Tweede Kamer, is ingesteld. De staatscommissie had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan. Deze adviezen richten zich zowel op de overheid alsook op het parlement en de samenleving. De Staatscommissie heeft om invulling te geven aan deze opdracht een werkprogramma opgesteld. Hierin stond de werkwijze en inhoudelijke lijnen beschreven waarlangs de staatscommissie gedurende vier jaar haar onderzoek vormgaf en uitvoerde.
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren» zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving kunnen uitdragen. Kamerleden kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden voor wat zij in de vergaderingen van het parlement zeggen. Dit vind ik zelf ook belangrijk.
Aan de andere kant heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook gezegd dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.
Woorden doen er immers toe, in het bijzonder die van politici. Onze uitspraken kunnen een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen met elkaar omgaan. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid, als kabinet en parlement, om het goede voorbeeld te geven. Dit draag ik ook uit.
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te vellen over de vraag of er in een specifiek geval sprake is van discriminatie of racisme. Wel zie ik het als taak van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme om, als onafhankelijk adviescollege, met algemene aanbevelingen te komen voor het kabinet, alsook voor de samenleving als geheel. Uit het onderzoek van de staatscommissie blijkt dat uitlatingen van Kamerleden invloed hebben op uitingen in kranten en op sociale media en omgekeerd.
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme noemt in haar eindrapport een aantal recente voorbeelden van uitingen en handelingen waarvan zij constateren dat die (direct of indirect) bijdragen aan structurele patronen van discriminatie en racisme in de Nederlandse samenleving. De staatscommissie beschrijft deze voorbeelden niet om individuele politici aan te spreken, maar om een breder patroon van politieke terughoudendheid te illustreren. Er worden daarbij voorbeelden van verschillende politici en politieke partijen aangehaald.
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Het is nog te vroeg om op specifieke aanbevelingen van de staatscommissie in te gaan. Dit vraagt om nadere bestudering, overleg en afstemming. Tijdens het Commissiedebat discriminatie, racisme en mensenrechten van 21 mei 2026 heb ik toegezegd met een kabinetsreactie te komen op het eindrapport van de staatscommissie en op enkele van de voortgangsrapportages. In deze kabinetsreactie zal ik ook ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Goede beheersing van de Nederlandse taal blijft van belang voor de kwaliteit van dienstverlening en communicatie met burgers.
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Zoals meermaals is aangegeven in recente debatten en in antwoord op Kamervragen, gelden bij het Rijk geen streefcijfers of voorkeursbeleid bij werving en selectie. Het beleid binnen het Rijk ziet toe op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie, op basis van de functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie.
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme heeft op 8 juni 2026 haar eindrapport gepresenteerd. De staatscommissie was voor vier jaar ingesteld en de commissie is na het presenteren van haar eindrapport en het afronden van haar onderzoek opgeheven. Dit is ook zo opgenomen in het instellingsbesluit.