Het bericht 'Privacy toezichthouders vragen Europese Commissie Israëlische registratieplicht voor hulpverleners te toetsen' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Autoriteit Persoonsgegevens over de problemen met de Israëlische registratieplicht voor hulpverleners?1
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) meldt op haar website dat Europese gegevensbeschermingstoezichthouders willen dat de Europese Commissie (EC) zich buigt over de registratieplicht die de Israëlische overheid oplegt aan internationale ngo’s die werken in Palestijnse gebieden.2 Het kabinet onderschrijft dat de verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten ligt bij de EC.
In 2011 oordeelde de EC, destijds onder de geldende gegevensbeschermingsrichtlijn3, dat Israël een passend beschermingsniveau waarborgt voor persoonsgegevens die vanuit de EU worden doorgegeven.4 Met de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) op 25 mei 2018 bleven de adequaatheidsbesluiten die onder de gegevensbeschermingsrichtlijn waren vastgesteld, van kracht. Tegelijkertijd heeft de AVG verduidelijkt dat adequaatheidsbesluiten «levende instrumenten» zijn, en bepaald dat de EC verantwoordelijk is voor het houden van doorlopend toezicht op mogelijke ontwikkelingen die afbreuk kunnen doen aan het vereiste beschermingsniveau.5 De eerste evaluatie van de adequaatheidsbesluiten die onder de richtlijn zijn genomen door de EC is afgerond op 15 januari 2024, daarbij is ook het adequaatheidsbesluit van Israël onder de loep genomen. De EC stelde in het verslag van die evaluatie aan de EP en de Raad vast dat Israël nog altijd een passend beschermingsniveau waarborgt en dat voor doorgifte, die onder de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit vallen, naar Israël geen aanvullende waarborgen nodig zijn.6 Daarnaast schrijft artikel 97 AVG voor dat adequaatheidsbesluiten in elk geval iedere vier jaar dienen te worden geëvalueerd door de commissie.7 In het geval ontwikkelingen in een land of gebied met een passend beschermingsniveau een negatieve invloed zouden hebben op het vastgestelde beschermingsniveau, kan de EC gebruik maken van haar bevoegdheden op grond van artikel 45, lid 5, AVG om een adequaatheidsbesluit op te schorten, te wijzigen of in te trekken. De EC betrekt bij haar beoordeling alle relevante ontwikkelingen, zo nodig ook de in de vraag genoemde registratieplicht.
Bij het maken van een beoordeling over de adequaatheidsbesluiten betrekt de EC alle relevante ontwikkelingen. Of in het geval van de herregistratiewet sprake is van een ontwikkeling die strijdig is met het adequaatheidsbesluit is dan ook aan de EC om te beoordelen. In elk geval heeft het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), mede dankzij de AP, middels een brief de EC aangeboden om samen op trekken waar dat past.
Ten aanzien van de Israëlische herregistratiewet in huidige vorm heeft het kabinet veelvuldig zorgen geuit, waaronder in de reeds gepubliceerde gedeelde verklaring. Het Israëlische Constitutioneel Hof heeft op 19 mei definitief uitspraak gedaan over de zaak die 17 hulporganisaties samen met de koepelorganisatie voor internationale ngo’s werkzaam in de Palestijnse gebieden (AIDA) hadden aangespannen tegen de Israëlische overheid over de herregistratieplicht. Deze valt overwegend slecht uit voor de hulporganisaties. Het Hof verzoekt de organisaties om voor 21 juni alsnog aan de vereisten voor herregistratie te voldoen. De organisaties zullen echter ook in deze periode niet in staat zijn om aan de Israëlische eisen te voldoen, omdat hun inhoudelijke bezwaren niet zijn veranderd en zij gevoelige persoonsbestanden nog steeds niet kunnen delen. Het kabinet blijft Israël oproepen de wet in deze vorm niet te implementeren. Hierbij wijst Nederland op het belang van veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang voor humanitaire hulp.
Deelt u de mening van de Autoriteit Persoonsgegevens over de gevaren van Israëlische registratieplicht voor hulpverleners? Zo nee, waarom niet?
Volgens de AP lijkt de Israëlische overheid de uit de registratieplicht verkregen informatie te gebruiken voor screening en profilering. Op basis van de informatie die de AP van hulporganisaties heeft ontvangen, verwacht de AP dat de gegevensdeling onrechtmatig is en dat de doorgifte kan leiden tot serieuze veiligheidsrisico’s voor de hulpverleners en hun families ter plaatse.8 Het kabinet hecht veel belang aan de veiligheid van hulpverleners (zie antwoord vraag 6).
De vraag die centraal staat in de brief van de EDPB aan Eurocommissarissen Lahbib en Mcgrath, is of deze uitvraag van data door Israël op gespannen voet staat met het adequaatheidsbesluit.9 Nederland ziet dat de EC doorlopend toezicht houdt op ontwikkelingen in Israël die mogelijk gevolgen hebben voor het functioneren van een adequaatheidsbesluit (artikel 45 AVG). Nederland volgt de ontwikkelingen nauwlettend.
Bent u bereid om, als Nederland danwel multilateraal, aan te dringen bij de Europese Commissie om zich hier over te buigen en over uit te spreken?
Nederland heeft de afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten zorgen over registratiewet aangekaart. Ook in internationaal verband, spreekt Nederland zich hierover uit. Nederland heeft recentelijk, met 20 gelijkgezinde landen en Eurocommissaris Lahbib, een publieke verklaring gepubliceerd waarin zorgen worden geuit over de restrictieve maatregelen die humanitaire hulp in Gaza en de Westelijke Jordaanoever ernstig beperken. Met het statement wordt Israël opgeroepen om onmiddellijk veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot Gaza te faciliteren en specifiek de herregistratiewetgeving voor internationale ngo’s, één van de restrictieve maatregelen die ook humanitaire partners van Nederland raakt, niet in de praktijk te brengen.
Tot op heden is er nog geen reactie geweest vanuit de EC op de brief van de EDPB. Nederland zal de EC wijzen op de positie van de EDPB.
Op welke juridische gronden is deze registratieplicht gebouwd, gezien de hulporganisaties al geregistreerd zijn bij de Palestijnse Autoriteit, waar ook het werk zich centreert?
Het betreft een richtlijn van het Israëlische Ministerie van Diasporazaken en Bestrijding van Antisemitisme onder Israëlisch recht, die ziet op de registratie van hulporganisaties die werken met de Palestijnse bevolking.
In de definitieve uitspraak van het Israëlische Constitutioneel Hof over de zaak die 17 hulporganisaties samen met AIDA hadden aangespannen tegen de Israëlische overheid over de herregistratieplicht, bevestigt het Hof de bevoegdheid van Israël om in het kader van veiligheid operationele beperkingen op te werpen aan hulporganisaties. Het Hof stelt tegelijkertijd dat Israël niet de bevoegdheid heeft om de hulporganisaties uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever te weigeren, omdat deze gebieden onder het gezag en de rechtsmacht van de Palestijnse Autoriteiten vallen (het gaat hierbij niet in op hoe de uitspraak geldt in het door Israël geannexeerde Oost-Jeruzalem).
Wat is het standpunt van het kabinet met betrekking tot het vraagstuk of de Israëlische registratieplicht valt binnen de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit?
Voor een adequaatheidsbesluit moet volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) worden beoordeeld of een derde land het niveau van gegevensbescherming biedt dat in wezen gelijkwaardig is aan dat binnen de Europese Unie.10 Zoals wordt uiteengezet in de brief van de EDPB,11 het samenwerkingsverband van Europese toezichthouders waarin ook de AP zitting heeft, roept de Israëlische herregistratieplicht voor hulporganisaties verschillende vragen op waaraan ook in een adequaatheidsbesluit dient te worden getoetst. Zo dient de proportionaliteit, noodzakelijkheid en transparantie van de verwerkingsactiviteiten te worden gewaarborgd. Ook is vereist dat voor dergelijke verwerkingen een geldige rechtsgrondslag bestaat als bedoeld in artikel 6 AVG, en dient te worden verzekerd dat betrokkenen hun rechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Mede in het licht van deze genoemde vereisten uit de AVG, stelt de EDPB in haar brief aan Eurocommissarissen Lahbib en Mcgrath de vraag of de herregistratieplicht in lijn is met het adequaatheidsbesluit.12 Het is in de eerste plaats aan de Europese Commissie om op deze brief te reageren.
Deelt u de mening van de vraagstellers en het rapport van AIV & CAVV dat humanitaire hulp in conflictgebieden beschermd moet worden door zowel stille diplomatie als openlijke uitspraken? Zo ja, hoe gaat u hier aan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Humanitaire toegang en veiligheid van humanitaire hulpverleners moeten ook in conflictgebieden beschermd worden. Het kabinet heeft het AIV en CAVV advies over geweld tegen hulpverleners verwelkomd omdat het cruciaal is manieren te vinden om het in vele conflicten toenemende geweld tegen hulpverleners te keren. In de reactie op het AIV en CAVV advies heeft het kabinet uiteengezet langs welke verschillende sporen het dit soort geweld, evenals straffeloosheid van schendingen van het humanitair oorlogsrecht wil tegengaan.
Is de conclusie terecht dat hulporganisaties zich in een onmogelijke spagaat bevinden, waarin ze enerzijds zich moeten houden aan Europese privacyregels, maar anderzijds zich niet kunnen veroorloven om mensen die afhankelijke zijn humanitaire hulp in de steek te laten? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet begrijpt dat in de huidige situatie hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden – ook vanwege de situatie in verband met de herregistratieplicht in de vorm die nu wordt beoogd – buitengewoon complex is. Ook maakt het kabinet zich ernstig zorgen over de gevolgen van de recente uitspraak van het Israëlische Constitutionele Hof op het werk van de organisaties, welke naar verwachting overwegend negatief zullen zijn. Nederland blijft Israël dan ook oproepen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, volledige en onvoorwaardelijke humanitaire toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden, inclusief Oost-Jeruzalem. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat Israël de herregistratieplicht, in de huidige vorm, van tafel haalt.
Welke humanitaire consequenties voorziet u als deze organisaties hun werk daadwerkelijk moeten stopzetten in bezet Palestijns Gebied?
Het humanitaire werk van de internationale hulporganisaties die werken in Palestijnse gebieden is onmisbaar. Gezien bijna de gehele populatie van Gaza afhankelijk is van humanitaire hulp, zullen de consequenties, indien de hulporganisaties hun werk zouden moeten staken, verstrekkend zijn. De VN heeft vastgesteld dat de hulporganisaties o.a. verantwoordelijk zijn voor 42% van alle water- en sanitaire installaties, 60% van de beschikbare veldhospitalen beheren of ondersteunen en meer dan 75% van alle ontmijningsinspanningen leveren. Ze spelen verder een sleutelrol in het onderwijs en de ondersteuning van ondervoede kinderen.
VPN |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Is de Staatssecretaris bekend met deze uitspraken van mevrouw Virkkunen1, Vice-President van de Europese Commissie, waarin ze stelt dat het niet zo kan zijn dat straks in de Europese Unie VPN’s gebruikt kunnen gaan worden voor het omzeilen van leeftijdsverificatie op het internet?
Ja.
Overigens noemt mevrouw Virkunnen in deze persconferentie VPN’s niet, noch stelt zij dat VPN’s verboden zouden moeten worden. Zij stelt alleen dat er gekeken wordt hoe omzeiling van online leeftijdsverificatie mechanismen zo veel mogelijk kan worden voorkomen, en benadrukt dat ook een niet waterdicht systeem beter is dan geen systeem.
Wat is het standpunt hieromtrent van de Nederlandse regering? Is het beperken of zelfs verbieden van VPN’s in de Europese Unie voor de Nederlandse regering bespreekbaar?
Het kabinet is geen voorstander van het beperken dan wel verbieden van VPN’s, om daarmee eventuele omzeiling van een leeftijdsgrens te voorkomen. VPN’s zijn een belangrijke technologie voor het beveiligen van communicatie via het internet. Er zijn tal van legitieme toepassingen voor die communicatie via het internet veiliger maken, zoals beveiliging van bedrijfsnetwerken of bij het gebruik van openbare WiFi-netwerken.
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Ja, ik ben bekend met het bericht in de Telegraaf van maandag 4 mei 2026. De weergave dat gedupeerde ouders eerst (grote delen van) het ontvangen bedrag terug moeten betalen, is onjuist.
Gedupeerde ouders die zorgen of vragen hadden over de met de Staat gesloten vaststellingsoverkomst (VSO) hebben hiervoor een verzoek ingediend bij het Ministerie van Financiën. Gedupeerde ouders hebben dit verzoek kunnen indienen zonder dat daarbij de voorwaarde werd gesteld dat eerst (delen van) het ontvangen bedrag moest worden terugbetaald.
Ik zie in deze herzieningsverzoeken geen aanleiding om na een door ouders vrijwillig gekozen en zorgvuldig ontwikkelde schaderoute (namelijk SGH), de VSO aan te passen.
Gedupeerde ouders die zich niet kunnen vinden in dit oordeel, hoewel ik dat betreur, kunnen zich wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter toetst dan of een gedupeerde ouder kan bewijzen of sprake is van voldoende gronden om de VSO te herzien dan wel (gedeeltelijk) te vernietigen als gevolg van een beroep op de novumclausule. Eerder is met uw Kamer gedeeld2 dat als de rechter besluit dat een VSO nietig/vernietigd is, de uiterste consequentie is dat de VSO ongedaan wordt gemaakt en de ouder het ontvangen bedrag terug moet betalen.
Het Ministerie van Financiën heeft in de afgelopen weken circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen, waarbij onder andere een beroep wordt gedaan op de «novum-clausule». De meeste ouders hebben inmiddels een reactie ontvangen op hun verzoek tot herziening.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
Voor het antwoord op vraag 2 en 3 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
Het klopt dat in de VSO’s een novumclausule is opgenomen. Op grond van deze clausule kunnen gedupeerde ouders die via de SGH een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, een verzoek indienen wanneer zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. Daarbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend nieuw feit en/of omstandigheid, waardoor de uitkomst van de zaak wezenlijk anders zou zijn geweest. In dat geval kan een gedupeerde ouder de Staat verzoeken om in overleg te treden over de gesloten VSO. De novumclausule verplicht echter niet tot herziening van de VSO.
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
De datakluis is gevuld met ongestructureerde en ongesorteerde data. De datakluis is in de jaren 2019 en 2020 gevuld met data vanuit de zogenaamde Q-schijf. Voor de hoogte van de compensatie in de integrale beoordeling is de data in de datakluis niet relevant, de integrale beoordeling wordt immers gedaan op basis van gegevens uit applicaties en systemen van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Waarbij ook geldt dat daar waar gegevens ontbreken, uitgegaan wordt van het verhaal van de ouder.
Daarnaast geldt dat eventuele aanvullende compensatie is gebaseerd op gebeurtenissen in het leven van die ouder, bijvoorbeeld een echtscheiding, het verbreken van gezinsrelaties, het verlies van een baan. Al die ellende die mensen hebben moeten meemaken, zit niet in de systemen van de Belastingdienst, maar in het leven van die ouders. Dat is het ouderverhaal en dat zit dus niet in de documenten van de datakluis.
In de Kamerbrief3 van 15 april jl. heb ik al benadrukt dat het aantreffen van gegevens in de datakluis geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Gedupeerde ouders kiezen zelf om hun aanvullende schade te laten vergoeden via de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Dit proces is door SGH speciaal ingericht voor ouders die zijn geraakt door de toeslagenaffaire.
Een onderdeel van de aanpak van SGH is het feitenrelaas. Dit feitenrelaas wordt samen met de ouder uitvoerig besproken en gecontroleerd op juistheid en volledigheid. Via het feitenrelaas heeft een gedupeerde ouder het volledige verhaal kunnen vertellen. Daarna heeft een onafhankelijke schadeanalist op basis van het uniforme forfaitaire schadekader een berekening van de schade gemaakt. Deze schadeberekening wordt vervolgens eveneens uitvoerig met de ouder besproken. Daarbij krijgt de ouder nadrukkelijk de gelegenheid om onjuistheden te signaleren en aanvullingen of correcties aan te brengen waar nodig.
Het gehele proces, van feitenrelaas tot schadeberekening, is derhalve uiterst zorgvuldig ingericht en bevat meerdere waarborgen en controlemomenten om de juistheid en volledigheid te borgen.
Het gemiddelde forfaitaire bedrag dat een ouder ontvangt via de SGH-route ligt op bijna € 73.000 (na saldering met IB, peildatum 31 augustus 2025).
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Ik deel deze opvatting niet. Ik sta achter het proces van SGH, waarbij de ouder stap voor stap wordt meegenomen in het opstellen van het feitenrelaas en de ouder op meerdere momenten de mogelijkheid heeft om aanvullingen of correcties aan te geven (zie ook antwoord 6). In de SGH-route staat het verhaal van de ouder centraal. Het doel is om er samen uit te komen en de gemaakte afspraken vast te leggen in een VSO, met erkenning en finale closure voor de ouder.
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld4 is de Staat jegens de gedupeerde ouders aansprakelijk om hun schade als gevolg van de onterechte terugvorderingen van de Belastingdienst te vergoeden. De wet Hersteloperatie Toeslagen bepaalt dat de schadecompensatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Er zijn schadeposten opgenomen in het uniforme forfaitaire schadekader die zien op de kinderen. In het schadekader is bijvoorbeeld een post opgenomen, zoals «verlies van gelijke kansen in het gezin» en een «ontoereikende waarborging levenstandaard kinderen». Eventuele directe schade van een kind wordt niet vergoed via de SGH-route of MijnHerstel die de ouder doorloopt.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor dit verlies.5 Mede naar aanleiding van ontvangen signalen, krijgen ouders in het nazorgtraject van de schadeherstelroute uitleg over hoe ze de schadevergoeding kunnen inzetten, bijvoorbeeld door bij te dragen aan het aflossen van een studieschuld van hun kind.
Om te erkennen dat ook kinderen binnen het gezin zijn geraakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is destijds samen met hen de kindregeling opgezet. De tegemoetkoming vanuit de kindregeling is inmiddels aan nagenoeg alle kinderen uitbetaald.6
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
De gedupeerde ouder kiest vrijwillig voor de SGH-route, om er samen met de Staat uit te komen. De SGH route is daar op ingericht. De ouder wordt gedurende het gehele proces geïnformeerd over hun rechtspositie.
Een gedupeerde ouder in de SGH-route ontvangt, na het optekenen van het feitenrelaas en de daaruit volgende schadeberekening (zie ook antwoord 6) een concept VSO. Hierbij zit een begeleidende brief met uitleg over de overeenkomst. Zo wordt uitgelegd dat de gedupeerde ouder zelf beslist of hij/zij de overeenkomst aan wil gaan, en ook wat het betekent als de ouder er voor kiest om de VSO te tekenen. Hierbij wordt ook uitgelegd dat de ouder en de Staat tekenen tegen finale kwijting. Ook wordt de ouder gewezen op de mogelijkheid van het inwinnen van onafhankelijk juridisch advies. Hiervoor is gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk.
We vragen de ouder om de conceptovereenkomst rustig te bekijken en daarna maakt de ouder de keuze voor het laten opstellen van een definitieve VSO. Vervolgens hebben ouders nog een bedenktermijn van zes weken, waarin zij kunnen besluiten de VSO wel of niet te tekenen.
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
In de SGH-route wordt niet onderhandeld met gedupeerde ouders over hun aanvullende schade. Op grond van het uniforme forfaitaire schadekader kunnen ouders hun schade aannemelijk maken waarna de Staat hen een aanbod doet.
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Het ministerie heeft tot nu toe circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen. Nagenoeg alle ouders hebben hierop een reactie ontvangen. Waar het verzoek daar aanleiding toe gaf is, er een gesprek gevoerd met de ouder. Er zijn geen verzoeken gehonoreerd, omdat de Staat daarvoor in de verzoeken geen aanleiding ziet. De Staat houdt vast aan de gemaakte afspraken tegen finale kwijting. Als gedupeerde ouders zich niet kunnen vinden in de uitkomst dat de VSO niet wordt herzien, kunnen zij dit voorleggen aan de civiele rechter.
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Een gedupeerde ouder wordt actief geïnformeerd over welke omstandigheden mogelijk kunnen leiden tot een herziening. In de VSO en de begeleidende brief is dit opgenomen.
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Indien ouders een geschil over de VSO voorleggen aan de rechter, dan is het in Nederland de rechter die beslist of de VSO wordt aangetast dan wel wordt aangepast.
Zoals in het antwoord op vraag 1 reeds aangegeven, is de weergave in het artikel van de Telegraaf, dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde zou zijn, onjuist.
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Nee, want er is geen aanleiding voor aanpassing. Gedupeerde ouders hebben vrijwillig gekozen voor schaderoute van SGH. Aan hen wordt op basis van hun eigen verhaal een aanbod gedaan om te komen tot afronding van hun financiële herstel. Het doel is daarbij om er gezamenlijk uit te komen via een VSO.
Ouders die daarna menen dat er gronden zijn om de VSO te herzien kunnen zich wenden tot de civiele rechter.
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
Op nagenoeg alle herzieningsverzoeken is inmiddels een reactie gegeven.
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Ja. De gesignaleerde invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland is zeer zorgelijk en onwenselijk.
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft de taak, op basis van de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek te doen naar personen of organisaties die (aanleiding geven tot een ernstig vermoeden dat zij) een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
De AIVD brengt jaarlijks een openbaar jaarverslag uit waarin verantwoording wordt afgelegd over de activiteiten in het jaar ervoor. Dit schrijft de Wiv 2017 eveneens voor. Dat signalen volgens berichtgeving al langer bekend zouden zijn, leidt er niet automatisch toe dat de AIVD hierover in het openbaar rapporteert. De AIVD heeft in de jaarverslagen van 2023, 2024 en 2025 melding gemaakt over onderzoek naar de mogelijke dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
De Kamervragen waar uw Kamer naar verwijst, betreffen vragen of er signalen zijn van financiële steun van buitenlandse donoren aan de acties van Pro-Palestijnse demonstranten in Nederland, bijvoorbeeld de acties van Samidoun Nederland.3 Daarop is destijds geantwoord dat deze signalen niet bekend zijn.
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Het kabinet kan geen uitspraken doen of er informatie via de geëigende kanalen van de AIVD is gedeeld, noch over de aard of het moment daarvan. Daarnaast doet de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geen onderzoek naar personen en/of organisaties.
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan het kabinet geen uitspraken doen over welke informatie wanneer via de geëigende kanalen van de AIVD is verworven.
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
In algemene zin geldt dat indien er sprake is van signalen van ongewenste buitenlandse financiering, deze serieus worden genomen en waar nodig nader worden onderzocht door de bevoegde instanties. Het kabinet doet geen uitspraken over mogelijke individuele geldstromen, organisaties of landen indien dit betrekking heeft op lopende onderzoeken of inlichtingeninformatie.
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
Het kabinet heeft op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vragen 7 en 8 beschikt het kabinet momenteel niet over informatie waaruit dit blijkt. Het kabinet acht iedere vorm van antisemitisme, intimidatie en bedreiging onacceptabel.
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Het kabinet beziet voortdurend of de informatiepositie ten aanzien van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding voldoende aanleiding geeft om maatregelen te kunnen treffen of doeltreffend te kunnen handelen. Daarbij wordt nauw samengewerkt tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, opsporingsinstanties en lokale partners. Zoals in ieder veiligheidsdomein geldt dat de informatiepositie voortdurend in ontwikkeling is en aanpassing vraagt aan veranderende dreigingen en netwerken.
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, geldt in algemene zin dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Waar de inlichtingen- en veiligheidsdiensten diensten concreet onderzoek naar doen worden in het openbaar geen uitspraken over gedaan. Indien er sprake is van heimelijke buitenlandse beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Dat laatste kan onder meer binnen de rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. Op basis van het dreigingsbeeld wordt voortdurend gekeken naar mogelijkheden om risico’s op ongewenste inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen of mitigeren.
Het kabinet is daarnaast in gesprek over mogelijkheden om de motie van Zanten ten uitvoer te brengen, met name in relatie tot de (ontbrekende) grondslag tot het doen van onderzoek naar personen of organisaties bij verschillende organisaties. Uw Kamer wordt hier zo spoedig mogelijk over geïnformeerd.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In algemene zin geldt dat nauw wordt samengewerkt door de betrokken veiligheidspartners om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan. Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dient de overheid zich te richten op specifieke vormen van financiering. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) notes verbales over financieringsstromen van derde landen ontvangt, kan BZ deze doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft Europese samenwerking in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering van belang. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger de EU Knowledge Hub on Prevention of Radicalisation, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten. Dit onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen.
Daarnaast moest de voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) de overheid onder andere helpen bij het tegengaan van financiering van activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Met dit voorstel werd beoogd onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door middel van ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties in Nederland tegen te gaan. Zoals uw Kamer weet, is de Wtmo op 24 maart jl. door de Eerste Kamer verworpen. Het kabinet beziet momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Uw Kamer wordt voor het einde van dit jaar hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Universiteiten en hogescholen hebben de maatschappelijke opdracht om onderzoek te doen en onderwijs te geven. Zij zijn hierin afhankelijk van internationale samenwerking, deels van externe financiering naast de Rijksbijdrage en open kennisuitwisseling. Het kabinet onderkent dat dit kansen én risico’s met zich brengt. In bepaalde gevallen kunnen Nederlandse kennisinstellingen te maken krijgen met pogingen van statelijke en niet-statelijke actoren tot beïnvloeding van meningen en inmenging in publicaties, of worden pogingen gedaan wetenschappelijk onderzoek en onderzoeksresultaten te censureren. Daarom zet het kabinet en de sector hoger onderwijs zich in voor versterking van kennisveiligheid, zoals toegelicht in diverse Kamerbrieven hierover.4 In de nieuwe Nationale Leidraad Kennisveiligheid wordt hier extra aandacht aan besteed.5 Instellingen die hier vragen over hebben kunnen terecht voor advies bij het Loket Kennisveiligheid.
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, geldt dat dreigingen tegen de sociale en politieke stabiliteit door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Indien er signalen zijn van heimelijke beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren. Indien sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging wordt niet geschroomd op te treden. Voor een actueel overzicht en het voorgenomen beleid inzake ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding verwijs ik uw Kamer naar de meest recente Kamerbrieven over dit thema.6
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken, makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek gestart worden en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst geplaatst, ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM ook een strafrechtelijk onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC)7, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één van de risico’s.8 De onderzoekers constateren echter ook dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan. Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status ook kwijtraken. Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op deze lijst.
Daarnaast bezie ik, zoals aangegeven op het antwoord op vraag 12, momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
Graag verwijs ik uw Kamer naar het antwoord op vraag 12 voor een overzicht van de bestaande instrumenten ter voorkoming van ongewenste buitenlandse financiering. Daarbij heb ik toegezegd uw Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de voortgang met betrekking tot aanvullende instrumenten om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan.
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
De aanpak van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding heeft onverminderd prioriteit binnen het kabinet. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 wordt er momenteel bezien welke aanvullende instrumenten kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Voor het einde van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de voortgang hierover.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Klopt het dat u van plan bent scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij te kopen? Zo ja, kunt u schetsen hoe u tot deze keuze bent gekomen en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse krijgsmacht in een tijd van toenemende geopolitieke spanningen zo min mogelijk afhankelijk moet zijn van landen waarmee Nederland strategische belangenconflicten kan hebben? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de keuze voor scherfwerende platen met Chinese componenten zich tot de ambitie van het kabinet om strategische afhankelijkheden in vitale sectoren, waaronder defensie, terug te dringen?
Waarom is in deze aanbesteding of contractuele afspraak niet uitgesloten dat onderdelen of grondstoffen afkomstig zijn uit China, gezien de toenemende aandacht voor economische veiligheid en strategische afhankelijkheden? Kan de Minister aangeven welke risicoanalyse is gemaakt ten aanzien van de afhankelijkheid van Chinese grondstoffen en productieketens voor deze essentiële beschermingsmiddelen?
Kan de Minister toelichten in hoeverre bij de inkoop van defensiematerieel niet alleen wordt gekeken naar het eindproduct, maar ook naar de herkomst van kritieke halffabricaten en grondstoffen binnen de toeleveringsketen? Welke maatregelen neemt de Minister om te voorkomen dat strategische afhankelijkheden van landen als China via de achterdeur in NAVO-toeleveringsketens terechtkomen?
Hoe wordt er in het algemeen toezicht gehouden op afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van landen als China bij de inkoop van defensiematerieel? Heeft de Minister overzicht van de afhankelijkheden in de toeleveringsketens van Defensiematerieel? Zo nee, is de Minister voornemens dit overzicht te maken, zodat ook een afbouwpad kan worden gedefinieerd?
Is de Minister bereid om bij toekomstige defensieaankopen een expliciete toets uit te voeren op strategische afhankelijkheden, waaronder de herkomst van kritieke grondstoffen en onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse en Europese alternatieven voor deze scherfvesten zijn onderzocht voordat Defensie besloot gebruik te maken van deze leverancier? En waarom is er uiteindelijk niet gekozen voor een leverancier uit Nederland of Europa, terwijl volgens de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) Nederlandse bedrijven beschikken over vergelijkbare capaciteiten?
Kan de Minister aangeven welke criteria bij deze aanschaf de doorslag hebben gegeven? In welke mate waren daarbij prijs, leveringszekerheid, strategische autonomie, Europese samenwerking en de positie van de Nederlandse defensie-industrie meegewogen? Deelt de Minister de mening dat bij defensieaankopen niet uitsluitend naar de aanschafprijs moet worden gekeken, maar ook naar de bredere economische en strategische effecten, zoals behoud van kennis, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland en Europa?
Hoe beoordeelt de Minister de kritiek van de NIDV dat het kabinet enerzijds inzet op meer productie in Nederland en Europa, maar anderzijds bij eigen inkoop onvoldoende rekening houdt met de positie van de Nederlandse defensie-industrie?
Erkent de Minister dat strategische autonomie niet alleen gaat over militaire capaciteit, maar ook over het beschikken over eigen industriële en technologische kennis? En erkent zij dat aankopen als aangehaald in deze set vragen niet in lijn zijn met de ambities uit de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?
Kan de Minister aangeven welk aandeel van de Nederlandse defensie-uitgaven momenteel terechtkomt bij Nederlandse en Europese bedrijven en welk aandeel bij leveranciers van buiten de Europese Unie?
Hoe voorkomt de Minister dat Nederland door afzonderlijke nationale aankopen juist de Europese defensiesamenwerking en de ontwikkeling van een sterke Europese defensie-industrie belemmert?
Is de Minister bereid deze specifieke aanschaf opnieuw te beoordelen vanuit het uitgangspunt van strategische autonomie en Europese samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Is er bij deze aankoop rekening gehouden met het feit dat scherfvesten goed moeten aansluiten op het vrouwenlichaam? Zo nee, ziet de Minister ook de kans om met regionale samenwerking meer maatwerk toe te passen?
Overwegende dat Defensie gaat werken met Chinese 3D-printers, kan de Minister toelichten welke cybersecurity- en contra-inlichtingenrisico’s zijn onderzocht voordat is besloten om 3D-printers van een Chinese fabrikant in gebruik te nemen voor het produceren van onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht?
Hoe waarborgt de Minister dat digitale ontwerpen, technische tekeningen en andere gevoelige informatie over defensiematerieel niet toegankelijk kunnen worden voor buitenlandse partijen, waaronder partijen die onder invloed van de Chinese overheid kunnen staan?
Zijn er Europese alternatieven overwogen? Zo ja, welke en waarom zijn deze afgevallen? Zo nee, waarom niet?
Deelt de Minister de opvatting dat strategische technologieën zoals industriële 3D-printcapaciteiten voor defensietoepassingen onderdeel zouden moeten zijn van een Nederlandse of Europese technologische basis? Zo ja, welke stappen zet het kabinet om de ontwikkeling en inzet van Europese alternatieven te stimuleren?
Overwegende dat de Verenigde Staten het gebruik van 3D-printers van strategische concurrenten zoals China voor militaire toepassingen aan banden hebben gelegd vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s, kan de Minister toelichten waarom Nederland tot een andere risico-inschatting komt en welke afwegingen maken dat deze technologie hier wel wordt toegelaten binnen de krijgsmacht?
Het bericht dat Defensie scherfvesten wil afnemen van Chinees-Israëlische makelij |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie binnen een bestaande raamovereenkomst met een Israëlisch bedrijf beschermende scherfvesten wil afnemen waarin Chinese vezels zijn verwerkt?1
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het voornemen uit de actieagenda «productie- en leveringszekerheid munitie en Defensiematerieel» van juni 2024, dat het mantra beste product, voor de beste prijs losgelaten wordt en dat de factor tijd en herkomst van het product – bij voorkeur Europees of Nederlands – zwaarder gaan meewegen?2
Hoe beoordeelt u de keuze voor Chinese sterke vezels in het licht van het rapport «Chemie en materialen voor Defensie», dat u onlangs met de Kamer heeft gedeeld?3
Wat is de totale looptijd van de genoemde raamovereenkomst met de Israëlische leverancier, op welke datum is deze ingegaan en wanneer loopt deze af? Welke verlengingsopties bevat de raamovereenkomst en onder welke voorwaarden kan Defensie daarvan gebruikmaken?
Welke juridische mogelijkheden heeft u om deze raamovereenkomst tussentijds te beëindigen, op te schorten of aan te passen wanneer sprake is van nieuwe strategische risico’s, zoals afhankelijkheid van Chinese materialen of onderdelen?
Bevat de raamovereenkomst bepalingen over de herkomst van kritieke materialen, ketentransparantie, leveringszekerheid en uitsluiting van leveranciers of grondstoffen uit risicolanden zoals China? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Is het gebruik van Chinese vezels door de leverancier vooraf aan u gemeld en door u goedgekeurd? Op welk moment bent u hiervan op de hoogte gesteld?
Herkent u de uitspraak van de Stichting Nederlandse industrie voor defensie en veiligheid (NIDV) dat Nederland juist op dit soort materialen over topbedrijven beschikt?
Zijn de Nederlandse en Europese partijen die de vesten, platen en daarvoor benodigde sterke vezels kunnen leveren benaderd door Defensie om ook mee te dingen naar deze opdracht? Zo nee, waarom niet?
Als deze Nederlandse en Europese partijen niet benaderd zijn, hoe weet u dan dat zij voor de beste oplossing hebben gekozen?
Is het binnen dit project mogelijk om alsnog te kiezen voor vesten en platen van Nederlandse of Europese makelij, met sterke vezels uit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de afname van deze beschermende scherfvesten op te schorten totdat duidelijk is welke Nederlandse of Europese alternatieven beschikbaar zijn en welke risico’s kleven aan het gebruik van Chinese vezels?
Hoe voorkomt het kabinet in het algemeen dat Nederland voor essentiële defensiematerialen afhankelijk wordt van productielocaties buiten Europa?
Hoe wordt bij grote defensieorders geborgd dat Nederlandse bedrijven kunnen deelnemen aan de toeleveringsketen en dat kennis, innovatie en werkgelegenheid in Nederland behouden blijven?
Is het kabinet van mening dat de huidige aanbestedingsregels voldoende ruimte bieden om bij defensie-inkopen de strategische autonomie van Nederland en Europa mee te wegen?
Welke mogelijkheden benut u nu al om bij aanbestedingen leveringszekerheid, strategische autonomie en behoud van kritieke productiecapaciteit als gunningscriterium mee te wegen?
Is het kabinet bereid te onderzoeken hoe bij defensie-aanbestedingen meer gewicht kan worden toegekend aan productie, onderhoud en innovatie in Nederland of Europa, binnen de geldende Europese regelgeving?
Is het kabinet bereid zich in Europees verband in te zetten voor aanpassing van de aanbestedingsregels, zodat lidstaten bij defensie-inkopen meer ruimte krijgen om strategische economische belangen en leveringszekerheid mee te wegen?
In hoeverre biedt de Industrial Accelerator Act ruimte voor bescherming en versterking van de binnenlandse defensie-industrie?
Kunt u aangeven welke kansen u ziet om defensie-investeringen sterker te benutten voor de versterking van de Nederlandse maakindustrie en technologische kennisbasis?
Storingen op het spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat tot nu toe bekend is over de grote stroomstoring tussen Rotterdam en Zwijndrecht waardoor het treinverkeer op dit drukke traject ruim een week stilgelegen heeft?1
Kunt u toelichten wat tot nu toe bekend is over de (vermoedelijke) oorzaak van de brand?
Kunt u uitsluiten dat achterstallig onderhoud heeft bijgedragen aan het verergeren van de gevolgen van de brand? Zo nee, welk achterstallig onderhoud heeft hierbij een rol gespeeld?
Wat is de reden dat, toen duidelijk was dat de storing langer zou gaan duren, geen pendeltreinen zijn ingezet tussen Rotterdam en Dordrecht over een van de sporen?
Klopt het dat de Eurostar naar Londen, anders dan die naar Parijs, niet is omgeleid via Utrecht-Breda? Wat was hiervan de reden en welke afwegingen zijn hierbij gemaakt?
Klopt het dat reizigers naar Londen niet actief gewezen zijn op de mogelijkheid van een vervangende trein op het traject Brussel-Londen, terwijl zij volgens de regels wel recht hadden om in Brussel in de trein naar Londen te stappen? Zo ja, waarom niet?
Klopt het dat reizigers niet geïnformeerd zijn, omdat de incheckbalie in Brussel niet toereikend was voor de extra passagiers die afkomstig waren uit Nederland? Zo ja, waarom is er dan niet voor gekozen om juist de Eurostar naar Londen wel te laten rijden via de omreisroute Utrecht-Breda?
Wat is de reden dat reizigers tussen Nederland en Londen met hun Eurostar-ticket geen gebruik konden maken van de Eurocity Direct tussen Nederland en Brussel (en vice versa)? Deelt u de mening dat dit wel logisch zou zijn nu reizigers zoveel hinder ondervonden van de storing? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om met de vervoerders, ProRail en de KMAR in gesprek te gaan over hoe in de toekomst bij een dergelijke verstoring de hinder voor reizigers naar Londen kan worden beperkt, juist omdat reizigers op deze route zo afhankelijk zijn van de grenscontroles en de incheckfaciliteit in Amsterdam nu een week ongebruikt is gebleven? Zo nee, waarom niet?
Wat zegt het feit dat door een brand langs het spoor een belangrijk traject zo lang buiten dienst gesteld moest worden over de weerbaarheid en robuustheid van het Nederlandse spoor?
Deelt u de zorgen over de kwetsbaarheid van de spoorinfrastructuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er volgens u extra nodig om de spoorinfrastructuur weerbaarder te maken tegen dit soort grote storingen?
Kunt u schetsen welke concrete maatregelen er volgens u noodzakelijk zijn om te voorkomen dat als gevolg van bijvoorbeeld een bermbrand, kortsluiting of anderszins relatief kleine verstoring in de nabije toekomst opnieuw een belangrijk baanvak langdurig gestremd is?
Deelt u de mening dat het van groot belang is voor de weerbaarheid van de Nederlandse spoorinfra dat de aanbevelingen uit het rapport van dhr. Van der Maat spoedig moeten worden opgevolgd? En welke concrete maatregelen worden nu al genomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u een tijdpad geven voor de uitvoering van de aanbevelingen uit dit rapport?
Kunt u schetsen wat de potentiële gevolgen en maatschappelijke kosten zijn, wanneer er onvoldoende wordt geïnvesteerd in de weerbaarheid en robuustheid van het Nederlandse spoor?
Kunt u schetsen welke personele en materiële problemen er in de spoorsector zijn waardoor onderhoud en herstel langer duren dan wenselijk? Kunt u hierbij specifiek ingaan op het tegengaan van verdere personeelstekorten (bij aannemers) en op tekorten aan noodzakelijk materieel? Deelt u de mening dat het goed zou zijn als er meer cruciale onderdelen in voorraad worden gebracht, zodat bij een verstoring leveringsproblemen zoveel mogelijk worden beperkt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen dat de benodigde middelen om het Basis Kwaliteitsniveau Spoor goed uit te kunnen voeren beschikbaar zijn voor ProRail? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen dat de indexatie van de bedragen die ProRail ontvangt voldoende zijn om de stijgende kosten van het onderhoud te ondervangen? Zo nee, hoe garandeert u dan dat het noodzakelijke onderhoud kan worden uitgevoerd?
Deelt u de mening dat het nu uitstellen van noodzakelijk onderhoud en noodzakelijke investeringen op de langere termijn meer kosten met zich mee zal brengen? Zo nee, waarom niet en, zo ja, hoe borgt u dan de betrouwbaarheid en beschikbaarheid van het spoor nu en in de toekomst?
Is de rijksbrede taakstelling ook van invloed op ProRail? Zo ja, wat zijn de precieze financiële gevolgen voor ProRail? En welke gevolgen heeft de taakstelling voor het noodzakelijke onderhoud en voor het Basis Kwaliteitsniveau Spoor?
Kunt u uitsluiten dat een taakstelling gevolgen heeft voor de robuustheid en weerbaarheid van het spoor?
Kunt u voorgaande vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht ‘Defensie zet zinnen op scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij, en dat schiet Nederlandse industrie in verkeerde keelgat’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie zet zinnen op scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij, en dat schiet Nederlandse industrie in verkeerde keelgat»?1
Kunt u aangeven welke Nederlandse leveranciers vergelijkbare vesten kunnen leveren en wat de eventuele verschillen daartussen zijn? Kunt u daarbij een vergelijking maken in levertijd, kosten, gewicht van de scherfvesten en de functionaliteit tussen de scherfvesten van Nederlandse makelaardij en die van de aangekochte Chinees-Israëlische materialen?
Kunt u aangeven welke verplichting de raamovereenkomst oplegt aan Defensie om nieuwe ballistische beschermingsmiddelen alleen bij deze leverancier af te nemen? Bevat de raamovereenkomst de harde verplichting dit te allen tijde bij deze leverancier te doen?
Bent u het ermee eens dat, gelet op de term «kan afnemen», uit de eigen verklaring van Defensie blijkt dat er geen verplichting bestaat om deze materialen bij deze leverancier aan te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven op welke gebieden Defensie nog meer raamovereenkomsten heeft waaruit dergelijke besluiten voort kunnen vloeien, terwijl er Nederlandse alternatieven beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat bij enige juridische mogelijkheid deze opdracht alsnog aan een Nederlands bedrijf gegund moet worden en zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Welke gevolgen heeft deze deal met China voor de Nederlandse bedrijven die in het kader van het Verbeterd Operationeel Soldaten Systeem (VOSS) ballistische beschermingsmaterialen produceren? Welke gevolgen heeft dit op het VOSS-project zelf?
Hoe rijmt u de voor Nederlanders nieuwe belastingregels die per 1 juli 2026 van kracht zijn op Chinese aankopen, onder andere om de binnenlandse economie te ondersteunen, met het blijven aankopen van scherfwerende producten uit China, terwijl de Nederlandse industrie hier ook in kan voorzien?
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten |
|
Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan het middelenvereiste te blijven voldoen, zoals blijkt uit signalen die bij de IND bekend zijn?1
Klopt het dat Iraanse studenten door sommige onderwijsinstellingen wordt aangeraden om asiel aan te vragen? Bent u het eens dat dat niet de juiste oplossing is als een financiële regeling het probleem ook zou oplossen?
Vindt u het wenselijk als onderwijsinstellingen besluiten níet gebruik te maken van de ruimte die ze onder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) hebben om maatwerk te verzorgen, als dat tot gevolg heeft dat Iraanse studenten worden gedwongen hun studie te stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor uw inzet?
Bent u bereid om de financiële regelingen die onderwijsinstellingen hanteren voor Iraanse studenten te inventariseren en de Kamer hierover in september te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij Iraanse studenten de vinger aan de pols te houden of de regelingen van de onderwijsinstellingen toereikend zijn en de Kamer over de uitkomsten van deze gesprekken te informeren? Zo nee, waarom niet?
Welke wettelijke ruimte is er om af te wijken van de regel dat niet-EER-studenten met een studievisum maximaal 16 uur per week mogen werken als de situatie, zoals die van Iraanse studenten, zich daartoe noodzaakt?
Wilt u zich zodanig inzetten dat geen enkele Iraanse student gedwongen wordt zijn of haar studie in Nederland te stoppen en terug te keren naar Iran doordat de student in de praktijk geen toegang meer heeft tot eigen geld of geld van de familie? Zo ja, wat betekent dat voor uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Wanneer bent u wél bereid om aanvullende maatregelen te nemen om Iraanse studenten in Nederland financieel te ondersteunen, bijvoorbeeld door hen te laten studeren tegen het wettelijke collegegeld?
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Waarom geeft u wel een algemeen antwoord1 over het belang van de aanhouding van Jos Leijdekkers, maar weigert u in te gaan op de concrete beschuldigingen2 dat voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers?
Waarom beroept u zich op operationele vertrouwelijkheid om geen antwoord te geven op vragen over de politieke verantwoordelijkheid van voormalig Minister Brekelmans? Welk concreet operationeel of veiligheidsbelang wordt volgens u geschaad door te bevestigen of te ontkennen of voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden?
Deelt u de mening dat, indien voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden en daarmee zijn eigen belang boven het landsbelang heeft gesteld, de Kamer en de Nederlandse samenleving het recht hebben dit te weten? Zo nee, waarom niet?
Aangezien u deze vraag in de beantwoording van de eerdere Kamervragen onbeantwoord heeft gelaten, verzoek ik u nogmaals het volgende aan te geven: welke rol heeft voormalig Minister Brekelmans gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers en heeft hij daarbij vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid bezwaar gemaakt tegen de uitvoering van die voorgenomen operatie?
Het artikel 'Russische atleten en ploegen weer welkom op Olympische Spelen na besluit IOC' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Russische atleten en ploegen weer welkom op Olympische Spelen na besluit IOC»?1
Hoe beoordeelt u het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité (ROC) voorlopig op te heffen, in het licht van de realiteit dat er door de Russische agressie inmiddels meer dan 600 Oekraïense atleten en coaches zijn vermoord, er nog zeker 19 in Russische gevangenschap verkeren en er 13 als vermist staan geregistreerd?
Hoe duidt u het feit dat het IOC deze schorsing opheft, terwijl de oorspronkelijke reden voor de schorsing (namelijk: het inlijven van regionale sportbonden uit geannexeerde Oekraïense gebieden door het ROC) door Rusland niet ongedaan is gemaakt of gecorrigeerd?
Hoe beoordeelt u de haalbaarheid van zogenaamd «neutrale» Russische deelnemers of ploegen, wetende dat topsport in Rusland veelal onlosmakelijk verbonden is met de staat en dat veel topsporters direct gelieerd zijn aan het Russische leger en de veiligheidsdiensten?
Deelt u de zorg dat het toelaten van Rusland tot het meest prestigieuze sportevenement ter wereld bijdraagt aan het witwassen van Russische oorlogsmisdaden in Oekraïne en kan bijdragen aan het legitimeren van de Russische staat op het wereldtoneel?
Deelt u de opvatting dat het IOC besluit het risico in zich draagt het signaal af te geven, namelijk dat oorlogsmisdaden zonder langdurige of fundamentele consequenties blijven, en daarmee straffeloosheid aanwakkert? Zo ja, wat gaat u hier dan aan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zorg dat dit besluit kan dienen als een onwenselijke opmaat naar de bredere politieke rehabilitatie van het regime van Poetin, en bent u het ermee eens dat hiervan geen sprake mag zijn zolang de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voortduurt?
Hoe schat u de kans in dat er in de huidige Russische context werkelijk onafhankelijke dopingcontroles worden uitgevoerd?
Wat vindt u van de verklaringen van onder meer Estland en Litouwen, waarin dit besluit van het IOC stevig wordt veroordeeld en de oproep is gedaan om Europese financiering aan het IOC op te schorten, omdat sport geen achterdeur mag zijn voor het normaliseren van agressie?
Bent u bereid om zich aan te sluiten bij de inzet van Estland en Litouwen, en in Europees verband de mogelijkheid te verkennen om EU-subsidies en -financieringsprogramma's (zoals het Erasmus+-programma) aan het IOC op te schorten of te bevriezen totdat deze beslissing wordt teruggedraaid? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden om, in overleg met de gastlanden van de komende Spelen (de Verenigde Staten voor de Zomerspelen van 2028 en Frankrijk voor de Winterspelen van 2030), te spreken over de inzet van gerichte visumrestricties om deelname van Russische sporters met aantoonbare staats- of legerbanden te voorkomen?
Bent u bereid om er op korte termijn voor te zorgen dat er een krachtig en eenduidig Nederlands geluid richting het IOC gaat, met als inzet dat de rehabilitatie van Rusland onbespreekbaar is zolang de oorlog in Oekraïne voortduurt?
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
De dood van Karin in Nieuw-Vennep en de gevaren van open grenzen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de gewelddadige dood van Karin (59), medewerkster van ABN AMRO, die op 30 maart jl. is omgekomen op een parkeerplaats bij het station in Nieuw-Vennep?1
Klopt het dat de verdachte, Adil Q. (36), de Italiaanse nationaliteit heeft, dat hij al eerder – rond 12 maart – is aangehouden voor winkeldiefstal, en dat hij ook betrokken was bij een mishandelingszaak in Amsterdam?
Deelt u de mening dat het volstrekt onbegrijpelijk is dat iemand die al meerdere keren met justitie in aanraking is gekomen en kampt met ernstige psychiatrische problematiek, gewoon vrij door Nederland kon blijven rondlopen totdat hij een vrouw het leven benam? Zo nee, waarom niet?
Was bij de Nederlandse autoriteiten bekend dat de verdachte in zijn land van herkomst behandeling voor zijn psychiatrische problematiek heeft geweigerd? Zo ja, waarom is hier destijds niets mee gedaan? Zo nee, hoe kan het dat zulke cruciale informatie niet beschikbaar was?
Is naar aanleiding van de aanhouding voor winkeldiefstal begin maart een risico-inschatting gemaakt over mogelijk gevaar voor de openbare orde en veiligheid? Zo ja, wat was de uitkomst en waarom is deze man dan niet direct aangepakt? Zo nee, deelt u de mening dat dit een ernstig gebrek aan alertheid van politie en justitie blootlegt?
Deelt u de conclusie dat dit drama een zoveelste voorbeeld is van hoe het vrije verkeer van personen binnen de EU – zonder verplichte, uniforme uitwisseling van strafrechtelijke en psychiatrische gegevens – de veiligheid van Nederlanders in gevaar brengt? Zo nee, hoe verklaart u dan dat deze man ondanks een strafblad gewoon in Nederland kon wonen en werken?
Bent u bereid zich in Brussel hard te maken voor een verplichte uitwisseling van strafrechtelijke gegevens tussen EU-lidstaten, zodat dit soort zaken niet buiten beeld blijven van de Nederlandse autoriteiten? Zo nee, hoe lang moeten Nederlandse vrouwen als Karin nog de prijs betalen voor dit gebrek aan grip op onze grenzen?
Deelt u de mening dat politie en Openbaar Ministerie in hun eigen berichtgeving open en duidelijk moeten zijn over relevante achtergrondkenmerken van verdachten, zoals nationaliteit en strafrechtelijk verleden, in plaats van dit te verhullen achter algemene termen als «arbeidsmigrant»? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om buitenlanders, inclusief EU-burgers, met criminele antecedenten direct na hun (laatste) veroordeling of aanhouding ons land uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geweldsmisdrijven in de afgelopen vijf jaar waarbij EU-arbeidsmigranten met een strafblad en/of bekende psychiatrische problematiek betrokken waren? Zo nee, waarom niet, en bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Op welke termijn kunt u de Kamer nader informeren over deze zaak en over concrete maatregelen om herhaling te voorkomen?
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Piloot Pascal heeft baan gevonden, maar mag door extreme vertraging vliegbrevetten niet vliegen: «Kosten van mijn opleiding exorbitant hoog geweest»»?1
Herkent u het beeld dat de ILT-Luchtvaartautoriteit kampt met ernstige achterstanden bij de afgifte van vliegbrevetten, bevoegdverklaringen en andere luchtvaartdocumenten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Hoe groot zijn de huidige achterstanden bij de ILT-Luchtvaartautoriteit? Kunt u deze uitsplitsen naar eerste brevetaanvragen, bijschrijvingen (ratings), verlengingen, medische certificaten en overige luchtvaartdocumenten? Wat zijn daarbij de gemiddelde en maximale doorlooptijden per categorie?
Klopt het dat aanvragers in individuele gevallen is meegedeeld dat aanvragen pas uiterlijk op of rond 1 maart 2027 worden afgehandeld? Zo ja, hoe vaak is dit voorgekomen en hoe verhoudt zich dit tot de wettelijke beslistermijnen uit de Algemene wet bestuursrecht?
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de ontstane achterstanden? Kunt u aangeven in welke mate deze worden veroorzaakt door personele capaciteit, ICT-systemen, organisatorische veranderingen of andere factoren?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat piloten die hun opleiding succesvol hebben afgerond of een aanvullende bevoegdheid (rating) hebben behaald, uitsluitend door administratieve vertragingen bij de overheid niet aan het werk kunnen of hun werkzaamheden niet mogen uitvoeren? Welke gevolgen heeft dit volgens u voor de arbeidsmarkt, de luchtvaartsector en de concurrentiepositie van Nederland?
Klopt het dat de tijdelijke bevoegdheid die na een succesvol praktijkexamen kan worden afgegeven, bedoeld is om de periode tot afgifte van het definitieve brevet of de definitieve bijschrijving door de ILT te overbruggen? Wat is de beoogde maximale overbruggingsperiode van deze regeling?
Herkent u het beeld dat de tijdelijke bevoegdheid in een toenemend aantal gevallen verloopt voordat de ILT de aanvraag heeft afgehandeld? Hoe vaak is dit het afgelopen jaar voorgekomen?
Klopt het dat hierdoor vliegers in sommige gevallen opnieuw een praktijkexamen moeten afleggen of een nieuwe tijdelijke bevoegdheid moeten aanvragen, uitsluitend doordat de administratieve afhandeling langer duurt dan de geldigheidsduur van de tijdelijke bevoegdheid? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Welke extra administratieve lasten en kosten brengt deze situatie volgens u met zich mee voor piloten, vliegscholen, examinatoren en luchtvaartmaatschappijen?
Welke maatregelen heeft u sinds het ontstaan van de achterstanden genomen om de dienstverlening van de ILT-Luchtvaartautoriteit te verbeteren? Welke resultaten hebben deze maatregelen tot nu toe opgeleverd?
Welke aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om de achterstanden weg te werken en ervoor te zorgen dat de ILT weer binnen de wettelijke beslistermijnen opereert?
Bent u bereid om, vooruitlopend op een structurele oplossing, te bezien welke mogelijkheden er zijn om te voorkomen dat volledig gekwalificeerde piloten en vlieginstructeurs onnodig aan de grond blijven staan als uitsluitend de administratieve afhandeling door de ILT nog niet is afgerond? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer vóór het einde van het zomerreces informeren over de omvang van de achterstanden, de getroffen maatregelen en een planning waaruit blijkt wanneer de ILT weer aan de wettelijke beslistermijnen zal voldoen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De gevolgen van de afsluiting van de Westerscheldetunnel |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen in Zeeuws-Vlaanderen over de gedeeltelijke afsluiting van de Westerscheldetunnel in 2027 in combinatie met grootschalige wegwerkzaamheden bij Antwerpen?1
Hoe waardeert u de gevolgen van de gedeeltelijke afsluiting voor de bereikbaarheid van zorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen voor patiënten en medewerkers, als basisvoorzieningen in het licht van de kabinetsvisie Bereikbaarheid op peil?
Deelt u de mening dat een schadepost van tien miljoen euro of meer voor een ziekenhuis als ZorgZaam onevenredig is en grote gevolgen kan hebben voor de positie van het ziekenhuis?
Welke mogelijkheden ziet u om de provincie Zeeland zoveel mogelijk te ondersteunen om de bereikbaarheid van basisvoorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen, die door de eilandenstructuur van Zeeland kwetsbaar is, zoveel mogelijk op peil te houden tijdens de onderhoudsperiode en onevenredig getroffen zorginstellingen te ondersteunen?
Bent u bereid in overleg te gaan met de provincie Zeeland over de ontstane situatie en te bezien welke mogelijkheden er zijn voor ondersteuning, onder meer via Rijkswaterstaat?
Het besluit van DOVA om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het samenwerkingsverband Decentrale OV-Autoriteiten (DOVA) om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen?
Waarom is ervoor gekozen deze landelijke korting voor ouderen te beëindigen?
U noemde de nieuwe regeling voor kinderen «fantastisch», kunt u aangeven hoe deze reactie zich verhoudt tot het wegvallen van de landelijke ov-korting voor 65-plussers?
Welke democratische controle bestaat er op een besluit van DOVA met zulke grote gevolgen voor ouderen?
Acht u het wenselijk dat DOVA kan besluiten een landelijke regeling voor ouderen af te schaffen?
Hoeveel 65-plussers maken momenteel gebruik van de landelijke ov-korting?
Hoeveel gaan deze reizigers gemiddeld extra betalen?
Heeft u in kaart gebracht welke gevolgen dit heeft voor de mobiliteit van ouderen?
Verwacht u dat ouderen hierdoor minder gebruik zullen maken van het openbaar vervoer?
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot meer eenzaamheid en minder participatie van ouderen?
Welke gevolgen verwacht u voor ouderen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer voor zaken zoals mantelzorg, vrijwilligerswerk of ziekenhuisbezoek?
Wat vindt u ervan dat DOVA verwijst naar gemeenten voor gerichte maatregelen, terwijl gemeenten nu al financiële tekorten hebben?
Acht u het wenselijk dat de toegang tot een ov-tegemoetkoming straks afhankelijk wordt van de gemeente waarin iemand woont?
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot veel regionale ongelijkheden?
Heeft u voor uw enthousiaste reactie nog overleg gevoerd met de Minister van VWS en de Minister van BZK over de gevolgen van het afschaffen van de landelijke ov-korting voor ouderen op hun portefeuilles, zoals eenzaamheid, toegang tot zorg en financiële druk op gemeenten?
Heeft u zich georiënteerd op de kosten die terechtkomen bij gemeenten als zij deze korting zelf moeten regelen?
Bent u zich ervan bewust dat een grote groep ouderen die niet door de herkeuring van hun rijbewijs komen volledig aangewezen is op openbaar vervoer?
Deelt u de mening dat een generieke maatregel zowel voor jong als voor oud ook terechtkomt bij mensen die dit wel kunnen betalen?
Deelt u de mening dat een generieke maatregel eenvoudig en transparant is en dat een overgang naar 342 verschillende regelingen dat niet is?
Bent u bereid met DOVA in gesprek te gaan om de landelijke ov-korting voor 65-plussers alsnog te behouden?
Het bericht “Grote meerderheid Nederlanders vindt dat politie gezagsprobleem heeft” |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote meerderheid Nederlanders vindt dat politie gezagsprobleem heeft», waaruit blijkt dat 84% van de Nederlanders vindt dat de politie een gezagsprobleem heeft en 87% vindt dat harder moet worden opgetreden bij overtredingen en misdrijven?1
Hoe beoordeelt u deze cijfers, mede in het licht van de recente ongeregeldheden na voetbalwedstrijden van Marokko, waarbij de politie moest ingrijpen?
Deelt u de conclusie dat het overgrote deel van de bevolking het gezag van de politie in het geding ziet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gezag te herstellen?
Kunt u aangeven in hoeverre eerdere incidenten van openbare-ordeverstoringen na voetbalinterlands zijn geëvalueerd, en welke lessen daaruit zijn getrokken voor de aanpak van vergelijkbare ongeregeldheden in de toekomst?
Klopt het dat de politie in bepaalde wijken en steden terughoudend is met optreden of bepaalde gebieden mijdt? Zo ja, in welke steden en gebieden? Sinds wanneer is dit beleid of deze praktijk aan de orde, en op welke schaal komt dit in Nederland voor?
Bent u van mening dat het mijden van wijken door de politie bijdraagt aan het door de bevolking ervaren gezagsprobleem?
Welke stappen heeft u sinds uw aantreden ondernomen en welke stappen onderneemt u om te voorkomen dat er in de praktijk sprake is van gebieden waar de rechtsstaat minder hard geldt?
Bent u bereid te onderzoeken welke rol de handhavingscapaciteit, het sanctiebeleid en de strafmaat spelen in het gevoel van straffeloosheid dat aan dit gezagsprobleem lijkt bij te dragen?
Bent u bereid, gelet op de wens van 87% van de Nederlanders om harder op te treden tegen overtredingen en misdrijven, op korte termijn met concrete voorstellen te komen om de handhaving en het gezag van de politie te versterken? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze voorstellen verwachten?
Bent u zich ervan bewust dat het nu primair aan u is om het gezag van de politie te herstellen?
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Renilde Huizenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?