Burgemeesters die meedoen aan Nakba-herdenkingen |
|
Annabel Nanninga (JA21), Mona Keijzer , Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Utrechtse burgemeester Dijksma, met ambtsketen, samen met wethouder Voortman namens het college van B&W van de gemeente Utrecht een krans heeft gelegd bij een zogenoemde Nakba-herdenking op het Domplein, bij het verzetsmonument? En dat de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem ook, met hun aanwezigheid danwel online, stilstonden bij een historisch onjuiste weergave van de zogenaamde «Nakba»?
Ik ben bekend met de aanwezigheid en kranslegging bij de Nakba-herdenking op het Domplein en met de uitingen van de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem.
Bent u ermee bekend dat de kransen die op 4 mei waren gelegd voor Nederlandse verzetsstrijders, bevrijders en slachtoffers van oorlog en Holocaust in Utrecht kennelijk moesten wijken en achter het monument op een hoop zijn beland?
Ik ben ermee bekend dat de kransen achter het monument zijn gelegd.
Vindt u het normaal dat kransen voor verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers nog geen twee weken na de Nationale Dodenherdenking worden weggekwakt om ruimte te maken voor een politieke herdenking over een buitenlands conflict?
Ik begrijp dat het beeld dat de kransen achter het monument zijn gelegd onbegrip, verdriet en boosheid kan oproepen, zowel bij nabestaanden als andere betrokkenen. Burgemeester Dijksma heeft aangegeven dat het hier gaat om een menselijke fout, en dit had niet mogen gebeuren. Momenteel wordt door de gemeente Utrecht uitgezocht hoe dit heeft kunnen gebeuren.
Wie heeft hiertoe opdracht gegeven, wie was hiervoor verantwoordelijk en deelt u de mening dat dit nooit meer mag gebeuren?
Momenteel wordt uitgezocht door de gemeente Utrecht hoe dit heeft kunnen gebeuren. Ik heb er begrip voor dat mensen zijn gekwetst door de gebeurtenissen; het is van groot belang om zorgvuldig en respectvol om te gaan met herdenkingen.
Heeft u reeds contact gehad met het college van B&W van de gemeente Utrecht over de wijze waarop de 4 mei-kransen bij het verzetsmonument zijn behandeld?
Ik heb geen contact gehad met het college van Utrecht. Ik vertrouw erop dat de gemeente Utrecht haar onderzoek zorgvuldig doet.
Zo nee, waarom niet?
Het wederzijds vertrouwen tussen het Rijk en het lokaal bestuur is essentieel voor een goede samenwerking, zoals ook bevestigd in ons Bestuurlijk Overleg op 5 maart. Ik vertrouw er dan ook op dat de evaluatie vanuit de gemeente zal uitwijzen hoe dit heeft kunnen gebeuren.
Bent u bereid het college van B&W van de gemeente Utrecht hierover alsnog om opheldering te vragen en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Ik vertrouw erop dat het college van B&W de raad over de resultaten van deze evaluatie inlicht. De politieke verantwoording over zaken die onder verantwoordelijkheid van het college of van de burgemeester gebeuren, vindt immers op gemeentelijk niveau plaats.
Deelt u de mening dat een verzetsmonument geen podium is voor actuele geopolitieke campagnes, zeker niet wanneer daardoor de herdenking van Nederlandse verzetsstrijders en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog letterlijk opzij wordt geschoven?
Hierboven heb ik mijn begrip uitgesproken voor de gevoelens van boosheid en verdriet die zijn ontstaan door de gebeurtenissen. Daarnaast ben ik er in algemene zin niet op tegen dat bestaande monumenten ook gebruikt kunnen worden voor andere herdenkingen dan die waarvoor zijn oorspronkelijk zijn bedoeld. Dat moet natuurlijk wel op een zorgvuldige manier gebeuren.
Valt het volgens u onder de taakopvatting van Nederlandse burgemeesters om buitenlandse gebeurtenissen en conflicten te herdenken, zoals de zogenaamde «Nakba»?
Deelname aan herdenkingen draagt bij aan het bevorderen van sociale cohesie en begrip tussen bijvoorbeeld bestuurders, politici en de diverse groepen in de samenleving. Op deze manier laten publieke ambtsdragers zien in verbinding te willen staan met verschillende bevolkingsgroepen in de maatschappij. Publieke ambtsdragers – zo ook burgemeesters – vervullen een rol om deze waarden te ondersteunen en uit te dragen. De neutraliteit van de burgemeester komt hiermee niet in gevaar, omdat het bijwonen van een herdenking in welke vorm dan ook slechts de maatschappelijke diversiteit weerspiegelt. De rechten van anderen worden hierdoor niet beperkt. Zo bezoeken ambtsdragers ook tal van andere maatschappelijke stromingen en groeperingen.
Zo ja, waarom herdenken burgemeesters dan niet ook de Holodomor, de Ierse Troubles, de val van Constantinopel, de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling, de deling van India en Pakistan of de verdrijving van honderdduizenden Joden uit islamitische landen?
De afweging of een burgemeester wil deelnemen aan bepaalde herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moet worden gemaakt.
Zo nee, bent u bereid burgemeesters erop aan te spreken dat zij hun ambt niet moeten misbruiken om buitenlandse conflicten de Nederlandse samenleving binnen te trekken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat burgemeesters, die in Nederland al niet rechtstreeks democratisch gekozen worden, juist een extra zware verantwoordelijkheid hebben om zichtbaar boven de partijen te staan en er voor álle inwoners van hun gemeente te zijn?
De burgemeesters hebben inderdaad een verantwoordelijkheid om er te zijn voor alle inwoners van hun gemeente. De pluriformiteit van onze samenleving met daarin een grote diversiteit aan verschillende levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen, waardepatronen, ideeën en gevoelens maakt dat niet altijd een gemakkelijke opgave. Ik steun hen daarin van harte.
Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot het optreden van burgemeesters rond een eenzijdige, historisch incorrecte zogenoemde «Nakba»-herdenking?
De neutraliteit van de burgemeester komt hiermee niet in gevaar, omdat het bijwonen van een herdenking door burgemeesters slechts de maatschappelijke diversiteit weerspiegelt. De rechten van anderen worden hierdoor niet beperkt. Zo bezoeken ambtsdragers ook tal van andere maatschappelijke stromingen en groeperingen.
Vindt u het gepast dat een burgemeester in functie stilstaat bij een herdenking waarbij de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 vanuit één politiek en inaccuraat perspectief wordt gepresenteerd?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Erkent u dat de zogenaamde «Nakba»-herdenking in deze vorm voor veel Joodse Nederlanders niet voelt als een neutrale herdenking, maar als een politieke aanklacht tegen het bestaansrecht van Israël?
Ik heb in algemene zin begrip voor de mogelijke gevoelens van Joodse Nederlanders rondom Nakba-herdenkingen.
Begrijpt u dat Joodse Nederlanders zich door dit optreden van burgemeesters gekleineerd, miskend en in de steek gelaten weten?
Zie mijn antwoord op vraag 15.
Deelt u onze zorg dat deze burgemeesters hiermee niet verbinden, maar polariseren?
Die zorg deel ik niet. Zie ook mijn antwoord op vraag 12.
Bent u bekend met het feit dat de organisator van de Utrechtse herdenking eerder een raadsvergadering in Utrecht verstoorde, waar de veiligheid dusdanig in het geding kwam, dat de politie moest ingrijpen?1
Vindt u het acceptabel dat een burgemeester zich voor het karretje laat spannen van dergelijke organisatoren?
Daarmee ben ik bekend.
Acht u het samenwerken met knokploegen zoals deze door de burgemeester bewust en dus kwalijk, of onbewust en dus bestuurlijk naïef?
Gemeenteraadsvergaderingen zijn in beginsel openbaar. Elke burger of groep burgers mag deze bijwonen. Gemeenten staat het vrij spelregels op te stellen voor burgers om bij vergaderingen in te spreken of anderszins te participeren. Ik vind het van belang dat het gesprek hierover eerst en vooral op gemeentelijk niveau wordt gevoerd. Juist ook omdat dat debat dan kan plaatsvinden op basis van alle relevante – ter plaatse veel beter bekende – feiten en omstandigheden.
Vindt u dat burgemeesters, voordat zij met ambtsketen bij dit soort bijeenkomsten verschijnen, ten minste behoren te weten wie de organisatoren, sprekers en betrokken netwerken zijn?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Heeft u zicht op welke organisaties en personen betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Het kabinet kan hier geen uitspraken over doen. In algemene zin geldt dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen.
Zo nee, vindt u dat wenselijk, gezien de aanwezigheid van lokale bestuurders in functie bij deze bijeenkomsten?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Bent u bereid dit alsnog te laten nagaan?
Dat is niet aan mij om te doen. De politieke verantwoording over zaken die onder verantwoordelijkheid van het college of van de burgemeester gebeuren, vindt immers op gemeentelijk niveau plaats.
Heeft het kabinet zicht op eventuele verbanden tussen deze organisaties of personen en netwerken waarover de AIVD, politie of het Openbaar Ministerie (OM) zorgen hebben geuit?
Het kabinet kan geen uitspraken doen over eventueel lopende onderzoeken of onderzoeken naar specifieke organisaties of personen.
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Zie antwoord vraag 25.
Hoe verhoudt deelname van lokale bestuurders aan dergelijke bijeenkomsten zich tot de waarschuwing van de AIVD dat in Nederland een Hamas-netwerk actief is?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Zonder op de specifieke casuïstiek in te gaan, geldt in algemene zin dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen. Zoals in het antwoord op vraag 25 aangegeven, kan het kabinet geen uitspraken over al dan niet lopende onderzoeken.
Bent u bereid gemeenten actief te waarschuwen voor het risico dat bestuurders worden ingezet als legitimatie voor radicale, extremistische of antisemitische agenda’s?
In het algemeen geldt dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht, zodat indien nodig passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Heeft u zicht op de financiering van de organisaties die betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
In algemene zin geldt dat nauw wordt samengewerkt door de betrokken veiligheidspartners om, indien mogelijk sprake is van ongewenste buitenlandse financiering, deze tegen te gaan. Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dient de overheid zich te richten op specifieke vormen van financiering. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) notes verbales over financieringsstromen van derde landen ontvangt, kan BZ deze doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 25, kan het kabinet geen uitspraken doen over eventueel lopende onderzoeken of onderzoeken naar specifieke organisaties of personen.
Zo nee, acht u dat verantwoord, gelet op recente zorgen over buitenlandse en/of extremistische beïnvloeding van anti-Israëlische activiteiten in Nederland?
Graag verwijs ik u naar het gegeven antwoord op vraag 29.
Bent u bereid te laten nagaan of de betrokken organisaties direct of indirect financiële steun ontvangen uit het buitenland, van aan Hamas gelieerde netwerken, of van organisaties waarover de AIVD, politie of het OM zorgen hebben geuit?
In het algemeen geldt dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Indien er sprake is van heimelijke buitenlandse beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Dat kan onder meer binnen de rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. Voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt daarin gekeken naar mogelijkheden om ongewenste inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen of risico’s te mitigeren.
Daarnaast moest de voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) de overheid onder andere helpen bij het tegengaan van financiering van activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Met dit voorstel werd beoogd onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door middel van ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties in Nederland tegen te gaan. Zoals uw Kamer weet, is de Wtmo op 24 maart jl. door de Eerste Kamer verworpen. Het kabinet beziet momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Voor het einde van dit jaar informeert mijn ambtsgenoot van Justitie en Veiligheid uw Kamer over de voortgang hierover.
Kunt u uitsluiten dat bij de organisatie, financiering of ondersteuning van deze herdenkingen sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische, antisemitische of aan Hamas gelieerde netwerken?
Het kabinet kan hier geen uitspraken over doen. In algemene zin geldt dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen.
Deelt u de mening dat de versie van de «Nakba» die in dit soort bijeenkomsten centraal staat vaak een eenzijdig en historisch verdraaid beeld geeft van 1948, waarbij de aanval van Arabische legers op de pas opgerichte staat Israël buiten beeld blijft?
Of er sprake is van een historisch incorrecte Nakba-herdenking, is niet aan mij.
Zo nee, waarom klopt volgens u dan deze versie van de historie van het gebied?
Zie mijn antwoord op vraag 33.
Deelt u de mening dat het buitengewoon kwalijk is als Nederlandse bestuurders deze eenzijdige geschiedschrijving bestuurlijk legitimeren?
Het is niet aan mij om te beoordelen of hier sprake is van eenzijdige geschiedschrijving. Daarnaast is de afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen er een die door burgemeesters zelf moeten worden gemaakt.
Bent u bereid uit te spreken dat burgemeesters zich niet behoren te lenen voor herdenkingen die het conflict tussen Israël en Hamas importeren in Nederlandse gemeenten?
Nee, de afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door burgemeesters zelf moeten worden gemaakt.
Deelt u de mening dat deze herdenkingen, zeker wanneer zij plaatsvinden bij oorlogsmonumenten, overbodig, polariserend en ongepast zijn?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 35.
Bent u bereid de betrokken burgemeesters aan te spreken op hun optreden en hun verantwoordelijkheid tegenover alle inwoners, waaronder nadrukkelijk ook de Joodse gemeenschap?
Nee, ik ben ervan overtuigd dat de burgemeesters zich ten volle bewust zijn van hun verantwoordelijkheid naar alle inwoners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en volledig beantwoorden?
Ja.
Accijnsinkomsten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het forse verschil van 830 miljoen euro verlies aan accijnsinkomsten op tabak (dat is zo’n 7 procent van de totale accijnzen) tussen inschatting en uiteindelijke opbrengsten verklaren?
Het verhogen van de tabaksaccijns is een bewezen effectieve maatregel om roken te verminderen. Het maakt tabaksproducten minder aantrekkelijk doordat het de prijzen daarvan laat stijgen. In het Nationaal Preventieakkoord is daarom afgesproken om de tabaksaccijns in stappen aanmerkelijk te verhogen. Per 1 april 2023 en 1 april 2024 is de tabaksaccijns verhoogd met als doel om bij te dragen aan een rookvrije generatie in 2040.1 Deze twee verhogingen zijn in het Belastingplan 2023 opgenomen. De verhoging per 1 april 2024 is daarna in het Belastingplan 2024 om budgettaire redenen extra verhoogd.2 De verhoging per 1 april 2024 is daarnaast ook per amendement extra verhoogd ten behoeve van een halvering van de voorgenomen verhoging van de alcoholaccijns.3
De gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 zijn onderzocht door de Douane en het RIVM. Het onderzoek van het RIVM laat zien dat 7% van de ondervraagde rokers na de verhoging in 2024 is gestopt met roken.4 Uit het pakjesraaponderzoek van Douane blijkt daarnaast dat in 2024 45% van de geraapte sigarettenpakjes niet in de Nederlandse accijnsheffing zijn betrokken.5 Dat wil zeggen dat over die pakjes geen Nederlandse accijns is betaald. Dat kan bijvoorbeeld komen omdat zij, vanwege de open grenzen met buurlanden, in een andere lidstaat zijn gekocht, of omdat zij via illegale kanalen zijn aangeschaft. Hierdoor is het verkochte tabaksvolume sinds begin 2024 sterk gedaald en dit daalde in 2025 verder. Het verbod op verkoop van tabak en e-sigaretten en horeca-inrichtingen per 1 juli 2024 kan ook bijdragen aan de lagere opbrengsten. In welke mate ieder van deze maatregelen heeft bijgedragen aan de daling van het verkochte tabaksvolume is niet te zeggen. Tot slot kan de aandacht voor de prijsverschillen met buurlanden hebben gezorgd voor een verdere afname van verkochte tabaksproducten in Nederland.
Betekent dit dat de gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 te laag zijn ingeschat? Bent u bereid de gedragseffecten bij te stellen?
De gedragseffecten waarmee wordt gerekend in de ramingen voor de tabaksaccijns zijn bijgesteld aan de hand van de onderzoeken uitgevoerd door de Douane en het RIVM. Op basis van de huidige ramingen levert het verder verhogen van tabaksaccijns op dit moment naar verwachting geen extra
budgettaire opbrengst meer op. Een verdere toelichting op de gedragseffecten die worden toegepast bij de tabaksaccijns zijn te vinden in de publicatie rond gedragseffecten van het CPB.6
Wat bent u van plan aan de bijstelling van 830 miljoen euro op 3,38 miljard euro geraamde inkomsten te doen, terwijl de rookprevalentie niet sterker is afgenomen dan verwacht? Duidt dit op een serieuze misrekening?
Het verschil in budgettaire inkomsten komt conform het trendmatig begrotingsbeleid ten laste van het EMU-saldo. In het Coalitieakkoord is geen beleidsmatige aanpassing van de tabaksaccijns opgenomen. Het kabinet is dan ook niet van plan om de tabaksaccijns te verhogen dan wel te verlagen. Mocht daar in de toekomst wel sprake van zijn dan zal in lijn met de toezegging naar aanleiding van het rapport «Verantwoord Belasten» van de Algemene Rekenkamer in de evaluatieparagraaf van de memorie van toelichting ingegaan worden op de mogelijkheden voor monitoring van de budgettaire opbrengst.
Met betrekking tot de rookprevalentie is het belangrijk erop te wijzen dat er een langjarige dalende trend is. In 2016 rookte nog 26,3% van de Nederlanders weleens en dit percentage is in 2025 gedaald tot 17,8%. Het doel is om in 2040 een rookvrije generatie te bereiken waarbij kinderen en zwangere vrouwen niet meer roken en maximaal 5% van de volwassenen. Om dit doel te bereiken is een breed pakket van tabaksontmoedigingsmaatregelen ingevoerd. Daarbij zijn er echter van jaar tot jaar geen verwachtingen geformuleerd voor de daling van de rookprevalentie. Het kabinet zet zich onverminderd in om het gebruik van tabak en nicotine verder terug te dringen. Gezien de grote schade die het gebruik van deze middelen veroorzaakt, zijn dalingen in het gebruik en het gevoerde ontmoedigingsbeleid moeilijk te verenigen met kwalificaties als «een serieuze misrekening».
De veiligheid van WhatsApp en andere versleutelde communicatiediensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen uit de twee Bloomberg-onderzoeken van 29 januari 20261 en 28 april 20262?
Ja.
Beschouwt u het als zorgwekkend dat de onderzoeker stelt dat Meta alle tekstberichten, foto's, audio- en video-opnames in onversleutelde vorm kan opslaan en bekijken en dat Meta sinds ten minste 2019 een «gelaagd machtigingssysteem» hanteert dat toegang verleent aan opdrachtnemers en een significant aantal buitenlandse medewerkers in India?
Ja, doorbreking van verwachte beveiliging is in algemene zin zorgwekkend. Het is wel goed om te vermelden dat berichten in WhatsApp tussen verzender en ontvanger in principe versleuteld zijn. Alleen berichten die worden verzonden naar de Meta AI middels het commando «@Meta AI» gevolgd door een vraag, zijn in te zien door Meta. De rest van de berichtenconversatie blijft volgens Meta versleuteld. WhatsApp heeft wel toegang tot zogenoemde verkeersgegevens (metagegevens).
Andere, niet zakelijk gebruikte diensten van Meta, waaronder Messenger binnen Facebook en Direct Messenger op Instagram, hebben een ander beschermingsniveau.
Beschouwt u de verklaringen van voormalige opdrachtnemers van Accenture dat zij en Meta-medewerkers «onbeperkte toegang» hadden tot versleutelde WhatsApp-berichten als zorgwekkend?
Zie antwoord op vraag 2.
Indien het antwoord op ten minste een van bovenstaande twee vragen bevestigend luidt, welke consequenties verbindt u hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Het beleid en de bestaande gedragsregeling voor de digitale werkomgeving voor bewindspersonen en ambtenaren blijft op dit moment ongewijzigd. Zoals toegelicht in de beantwoording van het informatieverzoek van het lid Kathmann (GL-PvdA)3 heeft de Rijksoverheid voor medewerkers de gedragsregeling voor de digitale werkomgeving opgesteld en geactualiseerd in oktober 2025. De gedragsregeling geeft medewerkers een kader voor het gebruik van digitale middelen zoals berichtenapps, en geeft aan dat het gebruik van berichtenapps enkel voor informeel gebruik is. Het advies luidt: app met beleid maar niet over beleid. Dit advies is ook overgenomen en herhaald in het cyberadvies Phishing via chatapps Signal en WhatsApp.4 Deze lijn is ook onderdeel van de basisopleiding digitale weerbaarheid die verplicht is voor alle rijksmedewerkers. De gedragsregeling, in combinatie met de basisopleiding, draagt bij aan zorgvuldige omgang met communicatiemiddelen en heeft een risicoreducerend effect op het gebruik daarvan. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om de gedragsregeling te herzien en roept het alle medewerkers op deze na te leven, zodat een veilige digitale werkomgeving wordt gewaarborgd.5 Advies aan Nederlanders die gebruik maken van chatapps, is zich bewust te zijn van mogelijke veiligheidsrisico’s. Over de privacyrisico’s van WhatsApp is informatie beschikbaar op veiliginternetten.nl. Sinds kort is er ook de mogelijkheid een check te doen op de veiligheid van apps via www.appinspector.nl.
Voor bewindspersonen is er het handboek voor bewindspersonen (het «Blauwe boek»).6 Hierin staan aanwijzingen voor de omgang met digitale middelen.
Bent u bekend met de Amerikaanse CLOUD Act, op grond waarvan de Amerikaanse overheid van in de VS gevestigde bedrijven zoals Meta kan eisen dat zij toegang verlenen tot opgeslagen gebruikersdata, ook wanneer deze betrekking heeft op buitenlandse gebruikers? Zo ja, welke consequenties verbindt de regering hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Ja, ik ben bekend met de CLOUD Act. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4 blijft het beleid en bestaande gedragsregeling voor ambtenaren voor de digitale werkomgeving ongewijzigd.
Acht u het mogelijk dat vertrouwelijke communicatie – ondanks de maatregelen die voortvloeien uit de Archiefwet – via Whatsapp wordt verstuurd door ambtenaren en bewindspersonen?
De gedragsregeling voor de digitale werkomgeving resp. het handboek voor bewindspersonen geldt voor iedereen die voor de Rijksoverheid werkzaamheden uitvoert en daarbij gebruikt maakt van de digitale werkomgeving van de Rijksoverheid. Deze regeling sluit aan op de Gedragscode Integriteit Rijk en alle ambtenaren dienen zich hieraan te houden.
Welke concrete maatregelen treft u op korte termijn om te voorkomen dat vertrouwelijke bestuurlijke communicatie via WhatsApp plaatsvindt, mede gelet op de ernstige twijfels over de daadwerkelijke end-to-endversleuteling?
De diensten hebben recent een cyberadvies gepubliceerd. Daarnaast is er binnen de Rijksoverheid veel aandacht geweest om niet over beleid te communiceren per chatapplicaties en vooral geen gerubriceerde en gevoelige gegevens te versturen via chatapplicaties.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vraag of WhatsApp-berichten daadwerkelijk end-to-end versleuteld zijn en niet toegankelijk zijn voor Meta, haar medewerkers, opdrachtnemers of andere derden? Zo nee, waarom niet?
We richten onze capaciteit en inspanningen op het realiseren van eigen, veilige digitale voorzieningen. De Rijksoverheid is bezig met een plan voor de ontwikkeling van een eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling. Hierbij maken we, onder andere via het Europees Consortium voor Digitale Infrastructuur (EDIC), gebruik van kennis en ervaring opgedaan door andere Europese lidstaten.
Zijn er op dit moment voor bewindspersonen en ambtenaren alternatieve communicatiediensten met end-to-end-versleuteling beschikbaar? Zo ja, welke, en worden deze in de praktijk gebruikt?
We draaien een pilot met een Europese, zakelijke berichtenapp, die voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid, privacy, datacontrole en opslag van berichten. Deze app wordt momenteel getest binnen een beperkte groep gebruikers. Op basis van die ervaringen bekijken we hoe we de kennis en ervaring kunnen onderbrengen in de eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling.
Hanteert u bij de selectie van communicatiediensten voor overheidsgebruik als criterium dat de implementatie van end-to-end-versleuteling onafhankelijk verifieerbaar moet zijn via openbare broncode, en zo nee, is de regering bereid dit criterium alsnog in te voeren?
De in te richten soevereine chatoplossing zal open source zijn.
Bent u bereid het NCSC te verzoeken een vergelijkende veiligheidsanalyse op te stellen van beschikbare open source communicatiediensten – waaronder Signal, Element/Matrix en Wire – met als specifiek doel te beoordelen welke dienst geschikt is voor vertrouwelijke bestuurlijke communicatie?
In 2025 heeft het CIO-beraad van de Rijksoverheid besloten tot het vergroten van soevereiniteit en autonomie via implementatie van een zelf ontwikkelde Rijkschatapplicatie op basis van Matrix/Elements. Matrix/Elements wordt tevens in andere Europese lidstaten gebruikt. In augustus wordt in het CIO-beraad het projectvoorstel voor de autonome chatvoorziening voor communicatie tussen ambtenaren onderling behandeld. Bij de implementatie hiervan wordt rekening gehouden met de noodzakelijke veiligheids- en privacy aspecten.
Bent u bereid een voorlichtingscampagne te starten gericht op burgers, ambtenaren en bewindspersonen, waarin wordt gewezen op de ernstige twijfels die bestaan over de vertrouwelijkheid van WhatsApp-berichten? Zo nee, waarom niet?
Ambtenaren en bewindspersonen worden regelmatig geïnformeerd over het gebruik van digitale diensten, zoals door het recent gepubliceerde cyberadvies van de AIVD en MIVD7.
Inwoners worden doorlopend geïnformeerd via campagnes die erop gericht zijn om de eigen digitale weerbaarheid te vergroten. Bijvoorbeeld via campagnes als «Dubbel beveiligd is dubbel zo veilig» en «Laat je niet interneppen». De beweringen van de onderzoeker vormen op dit moment onvoldoende aanleiding om een dergelijke campagne te kunnen verantwoorden.
Kernenergie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar) en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Het Witteveen+Bos rapport uit 2022 gaat nog uit van private financiering. Inmiddels is de insteek van het kabinet om de kerncentrales initieel volledig publiek te financieren via onder andere een renteloze lening tijdens de bouw, om de financieringslasten te beperken. De impact van de bouwtijd op de kosten van financiering is bij een renteloze publieke financiering aanzienlijk minder dan bij private financiering.
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales, bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Het kabinet kijkt in elke casus wat de meest optimale financieringswijze is en vraagt hier in alle gevallen vooraf goedkeuring bij de Europese Commissie die onder andere toetst op marktconformiteit en minimale verstoring. Het uitgangspunt voor het kabinet voor dergelijke financiering is: privaat waar dat kan, publiek waar dat moet. NEO NL zal moeten investeren in de bouw van kerncentrales en heeft gedurende de bouwperiode geen (noemenswaardige) inkomsten, waardoor het aantrekken van private financiering in deze fase moeilijk zal zijn. Om de bouw van kerncentrales op een zo efficiënt mogelijke wijze te financieren kiest het kabinet ervoor om dit initieel volledig publiek te doen en daarmee de financieringslasten te beperken. Deze situatie is anders voor TenneT en andere netbeheerders, omdat zij in staat zijn onder redelijke voorwaarden financiering aan te trekken. Hierin speelt het reguleringskader waarin alle efficiënte kosten van TenneT en andere netbeheerders in rekening mogen worden gebracht bij de tariefbetaler een belangrijke rol. TenneT en andere netbeheerders zijn hierdoor verzekerd van een zekere mate van inkomsten. Aanvullend heeft de Staat aan TenneT, vanwege de kapitaalbehoefte die TenneT had ter gevolg van haar hoge investeringsopgave, ook een (instellings)garantie verstrekt, waardoor TenneT tegen een AAA-rating kan lenen.
Voor technieken zoals energie uit zon, wind en aardwarmte geldt ook dat deze (naast eigen vermogen) in staat moeten zijn om financiering op te halen uit de markt. Als technieken een onrendabele top hebben en SDE++-subsidie kunnen ontvangen, dan zijn de rentelasten in geprijsd in de subsidiebedragen.
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede staatsschuld gefinancierd worden?
Ik werk op dit moment het Government Support Package (GSP) verder uit, wat ik daarna aan de Europese Commissie zal voorleggen voor staatssteungoedkeuring. In de Kamerbief van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Daarnaast is het, bij de verdere uitwerking van het GSP, belangrijk oog te houden voor de impact van de verschillende scenario’s op de staatsschuld.
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Op dit moment is nog geen helder beeld te geven van de absolute bedragen omdat deze afhankelijk zijn van de omvang van de investering die pas duidelijk wordt als er een gedetailleerd projectontwerp is gemaakt nadat er een locatie en techniek is geselecteerd. Ook ben ik het GSP nog aan het vormgeven en moet het vereiste rendement nog worden vastgesteld. Daarnaast zijn de bedragen ook afhankelijk van de marktprijzen tot in elk geval 60 jaar in de toekomst. Desalniettemin is het de insteek dat het GSP zo wordt ontworpen dat de investering over de levensduur per saldo meer opbrengt voor de Staat dan dat deze kost. Initieel gaat het daarbij om de investering, waarvan gedurende de operatie de lening aan de staat zal worden afgelost inclusief rente, waarbij gelijktijdig ondersteuning plaatsvindt via een Contract for Difference (CfD). Na de aflossingsperiode vloeit er ook dividend terug naar de aandeelhouder. In deze businesscase zitten de kosten voor ontmanteling en kosteneffectieve tarieven voor de opslag van afval verwerkt.
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de Rijksoverheid geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Het kabinet zet in op het vergroten van het aandeel van kernenergie in de energiemix zodat de uitstoot van fossiele CO2 in de elektriciteitsproductie gereduceerd kan worden. Verder helpt kernenergie het elektriciteitssysteem te diversifiëren waardoor internationale onafhankelijkheid en autonomie toenemen, en het systeem robuuster wordt voor onder andere fluctuaties in de productie uit wind- en zonne-energie. Uit het TNO rapport blijkt dat inzet van nieuwe kerncentrales vergelijkbare kosten kent als andere energiesystemen in Nederland. Om bovenstaande reden is kernenergie in het systeem wenselijk maarkomt het vanwege de gepercipieerde financiële risico’s en aanzienlijke terugverdientijd niet vanzelf in de markt tot stand.
Aanwezigheid van kernenergie biedt voordelen aan een regio zoals werkgelegenheid, een duurzame bron voor oude en nieuwe industrie in de nabijheid e.d., maar kan ook enige overlast veroorzaken. In o.a. een rijk-regio pakket worden afspraken gemaakt om de regio zo goed mogelijk te ondersteunen en te laten profiteren van de aanwezigheid van kerncentrales.
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van de kerncentrales?
Er zijn technische mogelijkheden om met een kerncentrale meer in te spelen op prijsprikkels en dus op- en af te regelen. De eisen die hieraan zullen worden gesteld tijdens de selectieprocedure worden nog ontwikkeld. Hierbij zal ook rekening worden gehouden met de systeemvraagstukken en de impact op de subsidie-uitgaven (van alle technieken), zodat een zo optimaal mogelijk eisenpakket rondom dit onderwerp kan worden opgesteld. De Europese Commissie zal in het kader van de staatssteuntoets ook eisen dat kerncentrales niet gestimuleerd worden om te produceren onder de marginale kostprijs, wat het geval is als er op momenten veel aanbod is van hernieuwbare energie. Het is gegeven de verwachte hoeveelheden geïnstalleerd vermogen van hernieuwbare energie daarom niet waarschijnlijk dat kernenergie baseload zal draaien. Het gaat daarbij om een inzet van kernenergie 5500–6500 vollasturen per jaar in scenario’s met een relatief forse hoeveelheden opgesteld hernieuwbaar vermogen. De eerste twee kerncentrales hebben daarbij een licht verlagend effect op de gemiddelde elektriciteitsprijs in twee van de drie scenario’s die TNO hiertoe heeft doorgerekend1. Dit geeft een indicatie van de misgelopen omzet door andere opwek die niet specifiek kan worden toegerekend aan een bepaalde opwektechnologie.
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden geoogst?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for Difference»)?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer1, 2 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Het kabinet steunt maatregelen om import van uranium uit Rusland in de EU uit te bannen. Nederland kent op dit moment ook geen directe afhankelijkheid van Rusland ten aanzien van de elektriciteitsproductie van kernenergie, maar kent nog wel een indirecte afhankelijkheid voor het hergebruik van uranium om daarmee de hoeveelheid radioactief afval te minimaliseren. Elders in de wereld is er op dit moment geen alternatief voor de verwerkingsstap die in Rusland hiervoor wordt uitgevoerd. Het kabinet is in gesprek met partijen uit de nucleaire sector over een mogelijke alternatieve oplossing. Een alternatief vraagt het nieuwbouwen of aanpassen van een nucleaire faciliteit. Het ontwerp en de realisatie hiervan vraagt tijd en is kostbaar en moet daarom zorgvuldig gebeuren.
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Ten aanzien van de elektriciteitsproductie zijn de nieuwe kerncentrales niet afhankelijk van Rusland. De indirecte afhankelijkheid van Rusland in de back-end van de brandstofcyclus kan doorbroken worden wanneer er a) op termijn een alternatieve route voor het verwerken van hergebruikt uranium komt of b) door uranium niet her te gebruiken. Het kabinet kijkt naar beide opties. Mocht er geen alternatief komen voor de stap in Rusland, dan zal het kabinet een weging moeten maken tussen het belang van hergebruik en het doorbreken van deze afhankelijkheid. De keuze voor wel of niet opwerken en hergebruiken van uranium is op dit moment nog niet gemaakt.
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales vandaan komen?
Uranium is veelvoorkomende grondstof, maar om uranium te kunnen gebruiken als brandstof in een kerncentrale moeten er verschillende stappen worden doorlopen (mijnen, conversie, verrijken en productie splijtstofstaven). Voor een groot deel van de splijtstofcyclus kan er een beroep gedaan worden op partijen binnen de EU. Alleen voor het mijnen van uraniumerts zal er beroep gedaan moeten worden op landen buiten de EU. Hierbij geldt echter dat er geen afhankelijkheid is van één land, maar dat er een ruim en divers aanbod is van natuurlijk uranium (onder andere uit Kazachstan, Canada, Namibië, Australië en Oezbekistan) en daarom hoeft uranium niet vanuit Rusland te worden geïmporteerd.
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen, Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales?
De bevraagde inwoners zijn niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd door IPSOS over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales. Het doel van het onderzoek was het bestaande sentiment meten onder inwoners en het vastleggen van meningen en opvattingen en informatie vooraf had dat kunnen beïnvloeden. Het onderzoek was geen draagvlaktoets voor een inhoudelijk plan, maar een peiling van welke zorgen er leven en welke kansen worden gezien wanneer in hun gebied twee nieuwe kerncentrales worden gerealiseerd.
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten van de enquête?
Het eindrapport van IPSOS is in februari 2026 opgeleverd en is daarna op hoofdlijnen besproken met de decentrale overheden. Daarna is het samen met meerdere andere onderzoeken onderdeel van de concept Integrale Effectenanalyse (IEA). Op 19 juni is uw Kamer geïnformeerd over deze uitkomsten en zijn alle onderliggende onderzoeksrapporten van de concept IEA en de plan-MER gepubliceerd4.
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Gebaseerd op gesprekken met bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden (in Nederland, Duitsland en België/Vlaanderen) over de mogelijke bouw van twee kerncentrales, zijn zorgen die leven en kansen die worden gezien in de omgeving van de zoekgebieden geïnventariseerd. Deze zorgen en kansen hebben geleid tot een kwalitatief beeld, dat staat uitgeschreven in het onderdeel «Omgevingsbeeld» van de concept IEA. In aanvulling hierop is dit beeld getoetst met een bewonersonderzoek dat is uitgevoerd voor IPSOS. Er is onderzocht of alle zorgen en kansen in de gebieden goed in beeld zijn gebracht, in welke mate deze spelen en of hierin verschillen zijn tussen de gebieden. Het omgevingsbeeld is hiermee uitgebreider dan gebruikelijk in projectprocedures. Het vormt samen met de andere onderdelen van de concept IEA en de plan-MER informatie die betrokken wordt in de locatiekeuze voor de nieuwbouw van de kerncentrales.
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
Bij benadering is de inschatting dat de kerncentrale Borssele (KCB) de volgende hoeveelheden radioactief afval produceert: ongeveer 5,6 m3 Hoogradioactief afval (HRA) en 50 m3 Laag en Middelradioactief afval (LMRA) per jaar (bron Masterplan COVRA 2050). Het radioactieve afval wordt tijdelijk bovengronds bij COVRA bewaard, waarna het langdurig radioactieve afval opgeslagen zal worden in een definitieve eindberging.
De hoeveelheid radioactief afval dat geproduceerd zal worden door de nieuwe kerncentrales is afhankelijk van meerdere factoren. Denk hierbij aan de keuze voor type reactor, reactorontwerp, splijtstofontwerp, cyclusduur en keuze voor opwerken splijtstofelementen voor hergebruik van grondstoffen en wel of niet gebruik maken van een plasma oven voor reductie van de hoeveelheid afval. Op dit moment zijn veel van deze factoren niet bekend en de exacte hoeveelheden zijn daarom nu niet goed in te schatten. Het kabinet neemt de hele brandstofcyclus (front-end en back-end) mee in de besluitvorming.
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet anders kon?
In de Kamerbrief van 19 juni 2026 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig is. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Zoals ook in de brief wordt toegelicht is de inpassing van de kerncentrales in Zeeland om technische redenen complex. Ik ga over de uitkomsten van de onderzoeken in gesprek met betrokkenen in zowel Zeeland als Groningen. Beide locaties vragen nadere uitwerking waarover uw Kamer later in het jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Kernenergie?
Ja, de vragen zijn voor het Commissiedebat Kernenergie van 2 juli beantwoord. Bij een aantal antwoorden is sprake van een grote inhoudelijke overlap, deze antwoorden zijn samengevoegd.
'Aanstelling Judith Kuypers als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe is de selectie van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld tot stand gekomen?
Hoeveel kandidaten waren er voor de rol als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Wat was de afweging van het kabinet om iemand te kiezen met ervaring uit de praktijk van een bepaalde instelling, ten opzichte van iemand die geen directe verbintenis heeft gehad met een specifieke instelling?
Deelt u de mening dat er beter voor een onafhankelijk persoon gekozen kon worden, in plaats van iemand met een groot verleden met het stelsel van de zorg voor vrouwen en huiselijk geweld?
Gezien het verleden van mevrouw Kuypers, hoe voorkomt u bepaalde vooroordelen en vooringenomenheid over met name Veilig Thuis bij de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Op basis waarvan is er vertrouwen in haar onafhankelijke rol en welke maatregelen worden genomen om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar het feit dat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld het stelsel juist kritisch moet kunnen beoordelen, maar tegelijktijdig zelf jarenlang onderdeel is geweest van dat huidige stelsel?
Op het moment dat er een kritisch onderzoek nodig is naar de prestaties van Veilig Thuis van de afgelopen jaren, is de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld dan ook bereid om dit te onderzoeken over de periode waarin zij zelf betrokken was?
Kunt u zich voorstellen dat er veel slachtoffers zich niet gehoord voelen door instanties als Veilig Thuis en zich nu wederom weer niet gehoord voelen door de overheid met deze keuze voor de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Hoe worden slachtoffers en ervaringsdeskundigen de komende periode betrokken bij de hervorming van het stelsel en het werk van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Onderschrijft u dat één van de belangrijke punten van de aanpak een betere samenwerking is tussen de verschillende partijen? Hoe borgt u dat er veel meer gezamenlijk wordt opgepakt en wordt behandeld vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid?
Hoe zorgt u ervoor dat de rol van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld ook echt het verschil kan maken en doorbraken kan forceren?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Nieuwe EU-belastingen en de voorgenomen verhoging van de EU-meerjarenbegroting 2028-2034 |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eelco Heinen (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese belastingen op komst»?1
Kunt u aangeven hoeveel Nederland in 2024 bruto heeft afgedragen aan de EU-begroting en hoeveel Nederland aan Europese Unie (EU)-gelden heeft terugontvangen, en kunt u dit omrekenen naar een bedrag per Nederlands huishouden?2 3 Kunt u daarbij bevestigen dat dit neerkomt op circa € 7,5 miljard bruto afdracht en € 3,15 miljard aan ontvangsten (netto circa € 4,35 miljard), oftewel omgerekend over de ruim 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens ongeveer € 890 bruto en € 520 netto per huishouden per jaar?4 5
Kunt u een inschatting geven van wat de Nederlandse afdracht aan de EU per huishouden zou worden als het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 wordt aangenomen? Kunt u daarbij ingaan op de eigen schatting van het kabinet dat alleen al de Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdracht voor 2028 kan oplopen tot circa € 9 miljard per jaar – zo’n € 4,5 miljard hoger dan in 2024 – wat, nog exclusief douanerechten, btw-afdracht en de nieuwe EU-belastingen, neerkomt op ruim € 1.070 per huishouden per jaar alleen al voor het BNI-deel?6 7 Kunt u bevestigen dat de grove inschatting, waarbij de overige afdrachtscomponenten (douanerechten, btw-afdracht, plasticheffing) op het huidige niveau van circa € 3 miljard per jaar worden verondersteld, uitkomt op een totale afdracht van ruim € 12 à 13 miljard per jaar, oftewel circa € 1.450 tot € 1.550 per huishouden per jaar? Kunt u een volledige, officiële raming geven van de totale afdracht per huishouden inclusief alle afdrachtscomponenten en de nieuwe eigen middelen en aangeven of mijn hierboven genoemde inschatting in de juiste orde van grootte zit?
Bent u bekend met de berichtgeving over de plannen van de EC en het Europees Parlement (EP) voor het MFK 2028–2034, waarin de begroting bijna wordt verdubbeld naar circa € 2.000 miljard en het EP zelfs inzet op € 2.200 miljard, een verhoging van 10 procent ten opzichte van het Commissievoorstel?8 9
Deelt u de opvatting dat een verdubbeling van de EU-begroting, in een tijd waarin Nederlandse huishoudens de broekriem moeten aanhalen, onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven in te zetten op «een verlaging van het voorgestelde MFK», omdat de voorziene stijging van de EU-afdrachten niet past bij de budgettaire kaders uit het Hoofdlijnenakkoord?10 Deelt u de opvatting dat het huidige niveau van de EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar al belachelijk hoog en volstrekt onnodig is?11 Bent u bereid deze kabinetsinzet radicaal aan te scherpen, niet tot een verlaging ten opzichte van het Commissievoorstel, maar tot een forse verlaging van de EU-begroting tot ruim onder het huidige niveau van € 1.200 miljard en tot een structureel veel kleinere EU-begroting dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan puntsgewijs onderbouwen waarom een EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar wél gerechtvaardigd zou zijn?
Bent u bekend met het feit dat de EC ter dekking van deze begroting vijf nieuwe «eigen middelen» (EU-belastingen) heeft voorgesteld: een vennootschapsheffing voor bedrijven met een jaaromzet boven € 100 miljoen, een tabaksaccijnsafdracht (TEDOR), een heffing op elektronisch afval en aanpassingen in de inkomsten uit het Emission Trading System (ETS) en het CO2-grenscorrectiemechanisme (CBAM), die samen circa € 58,5 miljard per jaar zouden moeten opleveren?12
Onderschrijft u de positie dat het heffen van belastingen een kernbevoegdheid van soevereine lidstaten is en moet blijven en dat de EU nooit de bevoegdheid mag krijgen om eigenstandig belasting te heffen bij Nederlandse burgers of bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat af te wijzen maar «op eigen merites» te beoordelen en daarbij al in beginsel opening heeft gegeven voor een nieuw eigen middel op basis van ETS-1-inkomsten en een nieuw eigen middel op basis van CBAM?13 Bent u bereid deze opening alsnog in te trekken en categorisch af te wijzen dat de EU eigenstandig belasting heft, in welke vorm dan ook? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid toe te zeggen dat Nederland in de Raad zijn veto zal gebruiken tegen ieder onderdeel van het Eigenmiddelenbesluit dat voorziet in nieuwe EU-belastingen én tegen een MFK 2028–2034 dat een verhoging van het totale EU-budget en/of een verhoging van de Nederlandse afdracht inhoudt ten opzichte van het huidige MFK, aangezien zowel het MFK als het Eigenmiddelenbesluit unanimiteit in de Raad vereisen?14 Kunt u daarbij bevestigen dat het Eigenmiddelenbesluit bovendien pas in werking treedt nadat alle lidstaten het hebben goedgekeurd overeenkomstig hun eigen grondwettelijke bepalingen en dat dit voor Nederland op grond van Artikel 91 van de Grondwet parlementaire goedkeuring door beide Kamers vereist, via een goedkeuringswet conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 22 112, nr. 3760) (Kamerstuk 35 711, nr. 3)
Kunt u bevestigen dat het bestaande Eigenmiddelenbesluit de Commissie nu al de mogelijkheid geeft om lidstaten te verzoeken om aanvullende, op het BNI gebaseerde bijdragen als de opbrengst van de nieuwe EU-belastingen achterblijft bij de verwachtingen, zodat Nederland via een omweg alsnog voor de rekening kan opdraaien? Wat is uw inzet om dit vangnetmechanisme voor Nederland uit te sluiten?
Klopt het dat Nederland zich tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 al heeft uitgesproken tegen gemeenschappelijke schuld voor het verstrekken van NRPP-leningen aan lidstaten, en dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 al heeft aangegeven geen voorstander te zijn van gemeenschappelijke leningen voor een nieuw crisisinstrument?15 16 Bent u bereid deze lijn te verbreden en categorisch af te wijzen dat de EU nieuwe schulden aangaat of nieuwe EU-gedekte leningen verstrekt – zoals het door de Commissie voorgestelde «Catalyst Europe»-instrument – en dat Nederland daar in de Raad ook op zal inzetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat Spanje bij de Eurogroep van 9 juli 2026 een voorstel heeft gepresenteerd voor een «European Sovereign Facility», waarbij de EC tot wel € 850 miljard per jaar aan gemeenschappelijke schuld zou kunnen uitgeven namens de lidstaten en dat dit voorstel – zoals verwacht – op weerstand stuit van met name Duitsland en Nederland, de twee landen die zich het meest consistent hebben verzet tegen verdere gemeenschappelijke schuld?17 18 19
Bent u bereid dit Spaanse voorstel en iedere vergelijkbare poging om een permanent EU-mechanisme voor gemeenschappelijke schuld (een «Europees veilig actief») te creëren, resoluut en publiekelijk af te wijzen en dit standpunt uit te dragen bij zowel de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 als bij de Eurogroep? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat er nog altijd geen besluit is genomen over de wijze waarop de circa € 750 miljard aan gemeenschappelijke schuld uit het coronaherstelfonds NextGenerationEU wordt terugbetaald en dat landen als Frankrijk en Griekenland pleiten voor het doorrollen van deze schuld in plaats van aflossing, terwijl de Franse president Macron oproept tot vervroegde terugbetaling «idioot» noemde? Deelt u de opvatting dat Nederland zich niet door dergelijke uitspraken uit andere lidstaten moet laten weerhouden van een strikt aflossingsschema? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, ook voor wat betreft de resterende aflossing en rentebetaling van de bestaande NextGenerationEU-schuld, aan te sturen op versnelde afbouw in plaats van het doorschuiven van deze lasten binnen de MFK-plafonds tot 2058? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in de onderhandelingen in te zetten op een Nederland dat per saldo geen netto-betaler meer is aan de EU-begroting, maar netto-ontvanger wordt? Zo nee, kunt u toelichten waarom Nederland structureel meer aan de EU zou moeten blijven afdragen dan het terugkrijgt?
Hoe beoordeelt u het feit dat verschillende ingewijden in Brussel de onderhandelingen willen afronden vóór de Franse presidentsverkiezingen van april 2027, uit vrees dat een eurosceptische regering het akkoord zou kunnen blokkeren? Deelt u de opvatting dat dit geen reden mag zijn voor Nederland om onder tijdsdruk in te stemmen met een voor Nederland ongunstig akkoord?
Bent u bereid om een fundamenteel andere onderhandelingsinzet naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgegaan van een substantieel lagere EU-begroting, een substantieel lagere Nederlandse afdracht, categorische afwijzing van alle nieuwe EU-belastingen, en categorische afwijzing van nieuwe EU-schulden of EU-gedekte leningen – inclusief het Spaanse voorstel voor een European Sovereign Facility? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen mag in sociale huurwoning blijven»?1
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen? Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Het verslavend ontwerp van Instagram en Facebook |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen van de Europese Commissie over het verslavende ontwerp van Instagram en Facebook1 en de berichtgeving hierover?2
Wat is uw reactie op de bevindingen van de Europese Commissie? Deelt u de analyse dat Meta willens en wetens gebruikmaakt van verslavend ontwerp, ten koste van de privacy en gezondheid van haar miljarden gebruikers?
Vindt u dat het onderzoek van de Europese Commissie snel genoeg is verlopen, aangezien al lang en breed bekend is dat Meta verslavend ontwerp toepast op Instagram en Facebook?
Wat is er nodig om de Digital Services Act sneller, effectiever en harder in te kunnen zetten tegen techbedrijven die verslavend ontwerp toepassen? Wat is hiervoor de inzet van dit kabinet?
Kunt u uitleggen wanneer Meta technische aanpassingen moet doorvoeren op Instagram en Facebook? Welke aanpassingen zijn dit?
Hoe hoog is de boete die Meta riskeert? Vindt u de boete hoog genoeg om het bedrijf tot actie te dwingen?
Wanneer moet Meta de aanpassingen doorvoeren? Is hier een harde deadline voor? Zo niet, bent u bereid hiervoor te pleiten bij de Europese Commissie?
Vertrouwt u er op dat Meta de aanpassingen zal doorvoeren? Op welke manieren kunnen de Europese Commissie of afzonderlijke lidstaten de druk opvoeren om dit tijdig te doen?
Hoe kunt u, samen met het Nederlandse veld van experts, burgerrechtenorganisaties en toezichthouders, bijdragen aan de stappen die de Europese Commissie zet tegen Meta?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Jan Schoonis (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
Wat is er gedaan sinds het in oktober 2024 aannemen van de motie van de leden Van der Werf en Becker over expertise op het terrein van femicide landelijk samenbrengen ter ondersteuning van een laagdrempelige 24/7-hulplijn?
Hoe staat het met de toezegging uit de voortgangsbrief van december 2025 dat u de meerwaarde van een onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning via het Europese nummer 116 verder zou willen verkennen? Waarom is hierover niets terug te vinden in de meest recente voortgangsbrief van 3 juli 2026? Kunt u aangeven welke concrete stappen sinds december 2025 zijn gezet?
Kunt u toezeggen dat u niet gaat wachten op de verdere ontwikkeling van Veilig Thuis en een eventuele landelijke chatfunctie van Veilig Thuis voordat u aan de slag gaat met de verdere ontwikkeling van een laagdrempelig landelijk meldpunt, zoals nummer 116 voor onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
Deelt u de mening dat een chatfunctie van Veilig Thuis niet de lading dekt van de verzoeken van de Kamer om een laagdrempelige landelijke hulplijn te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Beschikt u over landelijke cijfers waaruit blijkt hoeveel slachtoffers die zich in een (acuut) onveilige situatie bevinden zelf contact opnemen met Veilig Thuis? Wordt daarnaast geregistreerd hoeveel van deze slachtoffers voor het eerst over het geweld vertellen en om hulp vragen («first disclosure»)? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze gegevens structureel te laten monitoren?
Bent u bekend met de voortgangsbrief van december 2025 met daarin een reactie op de petitie van Valente over 116? Op welke wijze zijn de voorstellen uit deze petitie en de daaropvolgende gesprekken met Valente betrokken bij de verdere uitwerking van uw beleid sinds december 2025?
Welke concrete voorwaarden moeten volgens u worden vervuld voordat het besluit tot de verdere ontwikkeling van 116 als onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd, en kunt u de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2026 informeren?
Bent u bereid om alles op alles te zetten om voor de begrotingsbehandeling in 2026 een laagdrempelige 24/7 hulplijn die ook telefonisch bereikbaar is, bij voorkeur via het nummer 116, operationeel te hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer inzicht geven in de praktische en financiële consequenties van het realiseren van een hulplijn met daarachter een samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Indien u niet van mening bent dat dit haalbaar is, kunt u dit onderbouwen met een overzicht van de belangrijkste knelpunten en de daarbij horende kosten?