Het artikel ‘Ombudsman: gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Ombudsman: «gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten» en van het onderzoek van de Nationale ombudsman over de mate waarin de overheid demonstratierecht behoorlijk beschermt en faciliteert?1, 2
Ja.
Herkent u de volgende constatering van de Nationale ombudsman: «Ook aan anti-abortusdemonstranten leggen gemeenten soms voorschriften op die niet overeenkomen met het juridisch kader»?
Ik ben bekend met het rapport van de Nationale ombudsman waarin is opgenomen dat gemeenten soms aan anti-abortusdemonstranten voorschriften opleggen die niet overeenkomen met het juridisch kader. Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de burgemeester hierin een juiste afweging heeft gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan over demonstraties bij abortusklinieken.4 Daarin heeft de rechter duidelijke handvatten gegeven aan gemeenten over hoe kan worden omgegaan met demonstraties bij abortusklinieken.
Kunt u toelichten om welke gemeenten het hier gaat en op welke wijze de door deze gemeenten opgelegde voorschriften niet in overeenstemming zijn met het juridisch kader?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat ook anti-abortusdemonstranten delen in dezelfde rechten als andere demonstranten, en dat dergelijke oneigenlijk opgelegde voorschriften daardoor zeer onwenselijk zijn?4
Een ieder heeft in Nederland het recht om te demonstreren. Daarbij mag geen onderscheid gemaakt worden in het onderwerp of thema waarover wordt gedemonstreerd. Het is aan het lokale gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan voorafgaand aan een demonstratie voorschriften stellen en tijdens een demonstratie aanwijzingen geven over het verloop van de demonstratie, maar alleen op grond van drie criteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie speelt daarbij geen rol.
Bent u bereid met deze gemeenten in gesprek te treden om herhaling te voorkomen, en gemeenten in bredere zin voor te lichten om te voorkomen dat zij met hun voorschriften inbreuk maken op het demonstratierecht, juist ook van deze groep demonstranten?
Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gemeenten hierover aan te spreken.
Ruimte voor voorlichting is er zeker; dat doen we onder meer door financiële ondersteuning van de website demonstratierecht.nl. Ook is er, ter voorbereiding van het opstellen van de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht, gesproken met de gemeenten waarin een abortuskliniek gevestigd is over dit type demonstraties. Tijdens dit overleg hebben de gemeenten onderling ervaringen uitgewisseld over de wijze waarop deze demonstraties door het lokale gezag in goede banen geleid kunnen worden. Tot slot heeft er in januari van dit jaar een kennisuitwisselingsbijeenkomst plaatsgevonden met onder andere burgemeesters en gemeenteambtenaren, waarbij dit onderwerp aan bod is gekomen.
Kunt u deze vragen binnen de gangbare termijn, maar in elk geval ruim voor het commissiedebat over het demonstratierecht, beantwoorden?
Ja.
De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande simpele ja-nee-vragen ook met «Ja» of «Nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dat niet?
Waar dat kan, zal ik de vragen met ja of nee beantwoorden. Wanneer een nadere toelichting op zijn plaats is, zal ik die geven.
Kan de AIVD journalisten inzetten als «agent»? Ja of nee?1
Ja. Op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) heeft de AIVD de bevoegdheid tot het inzetten van agenten. Een agent is een natuurlijk persoon die op basis van vrijwilligheid wordt ingezet en aangestuurd om gericht informatie te verzamelen die voor de taakuitvoering van de AIVD van belang is. De AIVD kan hiervoor iedereen benaderen, dus ook journalisten.
Bent u ermee bekend dat de voorloper van de AIVD, de BVD, in de Nederlandse media artikelen liet afdrukken die waren geschreven door de BVD?2
Ja.
Gebeurt dit nog steeds? Met andere woorden, worden er in de Nederlandse media door journalisten (of redacties) artikelen afgedrukt die eigenlijk afkomstig zijn van de AIVD? Ja of nee?
Nee. Als de AIVD iets publiekelijk aan de orde wil stellen doet de dienst dat door een publicatie, zoals het jaarverslag. Het onder voorwendsel laten plaatsen van een journalistiek artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde.
Oefent de AIVD op enige wijze invloed uit op datgene wat Nederlandse journalisten in de Nederlandse media zeggen of schrijven? Ja of nee?
Nee. De AIVD kan wel, bijvoorbeeld door middel van achtergrondgesprekken of het beantwoorden van vragen, nadere duiding geven aan journalisten op fenomenen die de AIVD onderzoekt. Dat gebeurt ook op verzoek van de journalist.
Los van of de AIVD wel of niet journalisten gebruikt om artikelen te laten verschijnen in de Nederlandse media, mag de AIVD dit doen? Met andere woorden heeft de AIVD hiervoor de juridische bevoegdheid? Ja of nee?
Nee. De Wiv 2017 voorziet niet specifiek in een dergelijke bevoegdheid.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als een buitenlandse inlichtingendienst, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat deze buitenlandse inlichtingendienst erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. De vrije pers is een pijler van onze democratische rechtsorde. Het is van wezenlijk belang dat journalisten onafhankelijk en op betrouwbare wijze hun werk kunnen doen.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als onze eigen inlichtingendienst, de AIVD, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat de AIVD erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. Zie mijn antwoorden op vraag 4 en 7.
Kunt u deze bovenstaande ja-nee-vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja.
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Bent u bekend met het bericht dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft geoordeeld dat de AIVD en MIVD niet zorgvuldig zijn omgegaan met verzamelde persoonsgegevens? (Kamerstuk 36 263, nr. 50)
Onderschrijft u dat juist van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), gelet op de aard en gevoeligheid van de gegevens die zij verwerken, mag worden verwacht dat zij de wettelijke waarborgen voor gegevensverwerking strikt naleven? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete tekortkomingen heeft de CTIVD vastgesteld in de wijze waarop de AIVD en MIVD-persoonsgegevens verwerken, bewaren en toegankelijk maken?
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tekortkomingen zijn ontstaan, terwijl de diensten beschikken over uitgebreide interne controlemechanismen en extern toezicht?
Zijn de geconstateerde tekortkomingen het gevolg van onvoldoende capaciteit, onvoldoende deskundigheid, tekortschietende sturing of een andere oorzaak? Kunt u dit toelichten?
Heeft de CTIVD eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd? Zo ja, welke aanbevelingen zijn destijds gedaan en waarom hebben deze kennelijk niet voorkomen dat de huidige situatie is ontstaan?
Is naar uw oordeel sprake van tekortschietende uitvoering van bestaande wettelijke regels, of acht u de huidige wettelijke kaders onvoldoende duidelijk, vaag, uitvoerbaar of te strict? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke organisatorische en technische maatregelen zijn inmiddels getroffen om ervoor te zorgen dat wettelijke waarborgen, waaronder autorisatiebeheer, bewaartermijnen en interne controles, structureel worden nageleefd?
Wanneer zijn de geconstateerde tekortkomingen voor het eerst ontstaan en sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Hoe wordt periodiek gecontroleerd of deze maatregelen daadwerkelijk functioneren en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd, voor zover de staatsveiligheid zich daar niet tegen verzet?
Wordt bij de ontwikkeling of aanbesteding van nieuwe informatiesystemen standaard getoetst of wettelijke bewaartermijnen, autorisaties en logging automatisch worden afgedwongen?
Bent u van oordeel dat de huidige systemen van de AIVD en MIVD zodanig zijn ingericht dat wettelijke waarborgen technisch worden afgedwongen («security by design» en «privacy by design»)? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat vergelijkbare tekortkomingen zich ook voordoen bij andere overheidsorganisaties die grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens verwerken? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Deelt u de opvatting dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens in de eerste plaats afhankelijk is van een zorgvuldige uitvoering van wettelijke waarborgen, goed ingerichte processen en deugdelijk toezicht, ongeacht de herkomst van de gebruikte technologie of leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Welke lessen trekt u uit deze bevindingen om te voorkomen dat vergelijkbare tekortkomingen zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten’ |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten»?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat burgers geïntimideerd worden met geweld, vandalisme en discriminerende symbolen?
Herkent u het geschetste beeld dat er sprake lijkt te zijn van een toename van gewelds- en vandalisme-incidenten bij moskeeën?
Gezien de hoeveelheid incidenten en de specifieke kenmerken ervan, in hoeverre is hier naar uw mening sprake van een patroon van gerichte aanvallen met een discriminerend karakter?
Wat gaat u doen om een voortzetting van de reeks incidenten tegen te gaan, daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen?
Heeft u veiligheidsmaatregelen getroffen naar aanleiding van de recente incidenten? Zo ja, welke?
Bent u bereid om met de belangenorganisaties die hun zorgen hebben uitgesproken in gesprek te treden over wat er nodig is om de veiligheid en het gevoel van veiligheid te herstellen en moslimdiscriminatie tegen te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Kunt u uw reactie in het NOS-bericht, waarin u stelt dat u extra middelen voor de bescherming van moskeeën niet aan de orde acht, verder toelichten?
Klopt het dat er geen centrale registratie bestaat van het aantal incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën?
Bent u bereid blijvend te inventariseren hoe vaak dergelijke incidenten plaats hebben gevonden en plaatsvinden rond moskeeën en andere religieuze instellingen die geregeld doelwit van intimidatie zijn, zodat inzichtelijk kan worden of nadere veiligheidsmaatregelen nodig zijn?
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?1
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren» zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
Authentieke en inauthentieke social media accounts |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe wordt het onderscheid tussen «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op sociale media gemaakt?
Worden er accounts als «inauthentiek» geïdentificeerd?
Als dat zo is, welke maatregelen worden vervolgens concreet tegen deze «authentieke accounts» genomen?
De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande simpele ja-nee-vragen ook met «Ja» of «Nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dat niet?
Waar dat kan, zal ik de vragen met ja of nee beantwoorden. Wanneer een nadere toelichting op zijn plaats is, zal ik die geven.
Kan de AIVD journalisten inzetten als «agent»? Ja of nee?1
Ja. Op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) heeft de AIVD de bevoegdheid tot het inzetten van agenten. Een agent is een natuurlijk persoon die op basis van vrijwilligheid wordt ingezet en aangestuurd om gericht informatie te verzamelen die voor de taakuitvoering van de AIVD van belang is. De AIVD kan hiervoor iedereen benaderen, dus ook journalisten.
Bent u ermee bekend dat de voorloper van de AIVD, de BVD, in de Nederlandse media artikelen liet afdrukken die waren geschreven door de BVD?2
Ja.
Gebeurt dit nog steeds? Met andere woorden, worden er in de Nederlandse media door journalisten (of redacties) artikelen afgedrukt die eigenlijk afkomstig zijn van de AIVD? Ja of nee?
Nee. Als de AIVD iets publiekelijk aan de orde wil stellen doet de dienst dat door een publicatie, zoals het jaarverslag. Het onder voorwendsel laten plaatsen van een journalistiek artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde.
Oefent de AIVD op enige wijze invloed uit op datgene wat Nederlandse journalisten in de Nederlandse media zeggen of schrijven? Ja of nee?
Nee. De AIVD kan wel, bijvoorbeeld door middel van achtergrondgesprekken of het beantwoorden van vragen, nadere duiding geven aan journalisten op fenomenen die de AIVD onderzoekt. Dat gebeurt ook op verzoek van de journalist.
Los van of de AIVD wel of niet journalisten gebruikt om artikelen te laten verschijnen in de Nederlandse media, mag de AIVD dit doen? Met andere woorden heeft de AIVD hiervoor de juridische bevoegdheid? Ja of nee?
Nee. De Wiv 2017 voorziet niet specifiek in een dergelijke bevoegdheid.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als een buitenlandse inlichtingendienst, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat deze buitenlandse inlichtingendienst erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. De vrije pers is een pijler van onze democratische rechtsorde. Het is van wezenlijk belang dat journalisten onafhankelijk en op betrouwbare wijze hun werk kunnen doen.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als onze eigen inlichtingendienst, de AIVD, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat de AIVD erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. Zie mijn antwoorden op vraag 4 en 7.
Kunt u deze bovenstaande ja-nee-vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het artikel ‘Ombudsman: gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Ombudsman: «gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten» en van het onderzoek van de Nationale ombudsman over de mate waarin de overheid demonstratierecht behoorlijk beschermt en faciliteert?1, 2
Ja.
Herkent u de volgende constatering van de Nationale ombudsman: «Ook aan anti-abortusdemonstranten leggen gemeenten soms voorschriften op die niet overeenkomen met het juridisch kader»?
Ik ben bekend met het rapport van de Nationale ombudsman waarin is opgenomen dat gemeenten soms aan anti-abortusdemonstranten voorschriften opleggen die niet overeenkomen met het juridisch kader. Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de burgemeester hierin een juiste afweging heeft gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan over demonstraties bij abortusklinieken.4 Daarin heeft de rechter duidelijke handvatten gegeven aan gemeenten over hoe kan worden omgegaan met demonstraties bij abortusklinieken.
Kunt u toelichten om welke gemeenten het hier gaat en op welke wijze de door deze gemeenten opgelegde voorschriften niet in overeenstemming zijn met het juridisch kader?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat ook anti-abortusdemonstranten delen in dezelfde rechten als andere demonstranten, en dat dergelijke oneigenlijk opgelegde voorschriften daardoor zeer onwenselijk zijn?4
Een ieder heeft in Nederland het recht om te demonstreren. Daarbij mag geen onderscheid gemaakt worden in het onderwerp of thema waarover wordt gedemonstreerd. Het is aan het lokale gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan voorafgaand aan een demonstratie voorschriften stellen en tijdens een demonstratie aanwijzingen geven over het verloop van de demonstratie, maar alleen op grond van drie criteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie speelt daarbij geen rol.
Bent u bereid met deze gemeenten in gesprek te treden om herhaling te voorkomen, en gemeenten in bredere zin voor te lichten om te voorkomen dat zij met hun voorschriften inbreuk maken op het demonstratierecht, juist ook van deze groep demonstranten?
Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gemeenten hierover aan te spreken.
Ruimte voor voorlichting is er zeker; dat doen we onder meer door financiële ondersteuning van de website demonstratierecht.nl. Ook is er, ter voorbereiding van het opstellen van de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht, gesproken met de gemeenten waarin een abortuskliniek gevestigd is over dit type demonstraties. Tijdens dit overleg hebben de gemeenten onderling ervaringen uitgewisseld over de wijze waarop deze demonstraties door het lokale gezag in goede banen geleid kunnen worden. Tot slot heeft er in januari van dit jaar een kennisuitwisselingsbijeenkomst plaatsgevonden met onder andere burgemeesters en gemeenteambtenaren, waarbij dit onderwerp aan bod is gekomen.
Kunt u deze vragen binnen de gangbare termijn, maar in elk geval ruim voor het commissiedebat over het demonstratierecht, beantwoorden?
Ja.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
Burgemeesters die meedoen aan Nakba-herdenkingen |
|
Ranjith Clemminck (JA21), Mona Keijzer , Annabel Nanninga (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Utrechtse burgemeester Dijksma, met ambtsketen, samen met wethouder Voortman namens het college van B&W van de gemeente Utrecht een krans heeft gelegd bij een zogenoemde Nakba-herdenking op het Domplein, bij het verzetsmonument? En dat de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem ook, met hun aanwezigheid danwel online, stilstonden bij een historisch onjuiste weergave van de zogenaamde «Nakba»?
Bent u ermee bekend dat de kransen die op 4 mei waren gelegd voor Nederlandse verzetsstrijders, bevrijders en slachtoffers van oorlog en Holocaust in Utrecht kennelijk moesten wijken en achter het monument op een hoop zijn beland?
Vindt u het normaal dat kransen voor verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers nog geen twee weken na de Nationale Dodenherdenking worden weggekwakt om ruimte te maken voor een politieke herdenking over een buitenlands conflict?
Wie heeft hiertoe opdracht gegeven, wie was hiervoor verantwoordelijk en deelt u de mening dat dit nooit meer mag gebeuren?
Heeft u reeds contact gehad met het college van B&W van de gemeente Utrecht over de wijze waarop de 4 mei-kransen bij het verzetsmonument zijn behandeld?
Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het college van B&W van de gemeente Utrecht hierover alsnog om opheldering te vragen en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Deelt u de mening dat een verzetsmonument geen podium is voor actuele geopolitieke campagnes, zeker niet wanneer daardoor de herdenking van Nederlandse verzetsstrijders en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog letterlijk opzij wordt geschoven?
Valt het volgens u onder de taakopvatting van Nederlandse burgemeesters om buitenlandse gebeurtenissen en conflicten te herdenken, zoals de zogenaamde «Nakba»?
Zo ja, waarom herdenken burgemeesters dan niet ook de Holodomor, de Ierse Troubles, de val van Constantinopel, de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling, de deling van India en Pakistan of de verdrijving van honderdduizenden Joden uit islamitische landen?
Zo nee, bent u bereid burgemeesters erop aan te spreken dat zij hun ambt niet moeten misbruiken om buitenlandse conflicten de Nederlandse samenleving binnen te trekken?
Deelt u de mening dat burgemeesters, die in Nederland al niet rechtstreeks democratisch gekozen worden, juist een extra zware verantwoordelijkheid hebben om zichtbaar boven de partijen te staan en er voor álle inwoners van hun gemeente te zijn?
Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot het optreden van burgemeesters rond een eenzijdige, historisch incorrecte zogenoemde «Nakba»-herdenking?
Vindt u het gepast dat een burgemeester in functie stilstaat bij een herdenking waarbij de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 vanuit één politiek en inaccuraat perspectief wordt gepresenteerd?
Erkent u dat de zogenaamde «Nakba»-herdenking in deze vorm voor veel Joodse Nederlanders niet voelt als een neutrale herdenking, maar als een politieke aanklacht tegen het bestaansrecht van Israël?
Begrijpt u dat Joodse Nederlanders zich door dit optreden van burgemeesters gekleineerd, miskend en in de steek gelaten weten?
Deelt u onze zorg dat deze burgemeesters hiermee niet verbinden, maar polariseren?
Bent u bekend met het feit dat de organisator van de Utrechtse herdenking eerder een raadsvergadering in Utrecht verstoorde, waar de veiligheid dusdanig in het geding kwam, dat de politie moest ingrijpen?1
Vindt u het acceptabel dat een burgemeester zich voor het karretje laat spannen van dergelijke organisatoren?
Acht u het samenwerken met knokploegen zoals deze door de burgemeester bewust en dus kwalijk, of onbewust en dus bestuurlijk naïef?
Vindt u dat burgemeesters, voordat zij met ambtsketen bij dit soort bijeenkomsten verschijnen, ten minste behoren te weten wie de organisatoren, sprekers en betrokken netwerken zijn?
Heeft u zicht op welke organisaties en personen betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, vindt u dat wenselijk, gezien de aanwezigheid van lokale bestuurders in functie bij deze bijeenkomsten?
Bent u bereid dit alsnog te laten nagaan?
Heeft het kabinet zicht op eventuele verbanden tussen deze organisaties of personen en netwerken waarover de AIVD, politie of het Openbaar Ministerie (OM) zorgen hebben geuit?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Hoe verhoudt deelname van lokale bestuurders aan dergelijke bijeenkomsten zich tot de waarschuwing van de AIVD dat in Nederland een Hamas-netwerk actief is?
Bent u bereid gemeenten actief te waarschuwen voor het risico dat bestuurders worden ingezet als legitimatie voor radicale, extremistische of antisemitische agenda’s?
Heeft u zicht op de financiering van de organisaties die betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, acht u dat verantwoord, gelet op recente zorgen over buitenlandse en/of extremistische beïnvloeding van anti-Israëlische activiteiten in Nederland?
Bent u bereid te laten nagaan of de betrokken organisaties direct of indirect financiële steun ontvangen uit het buitenland, van aan Hamas gelieerde netwerken, of van organisaties waarover de AIVD, politie of het OM zorgen hebben geuit?
Kunt u uitsluiten dat bij de organisatie, financiering of ondersteuning van deze herdenkingen sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische, antisemitische of aan Hamas gelieerde netwerken?
Deelt u de mening dat de versie van de «Nakba» die in dit soort bijeenkomsten centraal staat vaak een eenzijdig en historisch verdraaid beeld geeft van 1948, waarbij de aanval van Arabische legers op de pas opgerichte staat Israël buiten beeld blijft?
Zo nee, waarom klopt volgens u dan deze versie van de historie van het gebied?
Deelt u de mening dat het buitengewoon kwalijk is als Nederlandse bestuurders deze eenzijdige geschiedschrijving bestuurlijk legitimeren?
Bent u bereid uit te spreken dat burgemeesters zich niet behoren te lenen voor herdenkingen die het conflict tussen Israël en Hamas importeren in Nederlandse gemeenten?
Deelt u de mening dat deze herdenkingen, zeker wanneer zij plaatsvinden bij oorlogsmonumenten, overbodig, polariserend en ongepast zijn?
Bent u bereid de betrokken burgemeesters aan te spreken op hun optreden en hun verantwoordelijkheid tegenover alle inwoners, waaronder nadrukkelijk ook de Joodse gemeenschap?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en volledig beantwoorden?
Kabelinterceptie AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
In het jaarverslag 2025 schrijft de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) op pagina 14 «De verhouding tussen de inbreuk op grondrechten enerzijds en de achterblijvende opbrengst anderzijds baart de TIB bij kabelinterceptie nog altijd zorgen»; maakt u zich hier ook zorgen over? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u met deze zorgen doen?
De afgelopen jaren hebben de diensten slechts beperkt gebruik kunnen maken van het middel kabelinterceptie gelet op de juridische beperkingen. Dit heeft effect gehad op de opbrengsten van het middel. Sinds de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet kunnen de diensten (juridisch) effectiever gebruik maken van het middel kabelinterceptie. Sindsdien zijn de diensten begonnen aan een inhaalslag en is het mogelijk om kabelinterceptie ketenbreed, van verwerving tot analyse, te optimaliseren. Ik wil benadrukken dat dit proces tijd kost.
Daarnaast is het van belang te vermelden dat de huidige opbrengsten niets afdoen aan het unieke karakter van kabelinterceptie, en daarmee de potentie en het belang van dit middel voor de bescherming van onze nationale belangen. Kabelinterceptie is een relevant en onmisbaar middel om gekende en ongekende dreigingen tegen de nationale veiligheid te onderkennen. Het is daarmee zeer geschikt om op zoek te gaan naar nieuwe targets. Het kan als ongericht middel waardevolle informatie opleveren, waardoor andere (gerichte) inlichtingenmiddelen vervolgens effectiever kunnen worden ingezet en het rendement van deze middelen wordt vergroot. Ik ben dan ook positief gestemd over de potentiële opbrengst van kabelinterceptie.
Kan de Kamer een getalsmatig overzicht ontvangen van de stijging (aldus de TIB) sinds 2018 van de hoeveelheid data die jaarlijks door middel van kabelinterceptie wordt vergaard, liefst uitgedrukt in bijvoorbeeld GB per jaar of anders, als deze informatie vertrouwelijk is, in de vorm van indexcijfers (waarbij het beginjaar 2018 dus de waarde 100 krijgt)? Zo nee, waarom niet? Waarom kan de Kamer zelfs indexcijfers hierover, indexcijfers die immers slechts uitsluitend informatie geven over de stijging en niets zeggen over het absolute niveau van de kabelinterceptie, niet ontvangen?
De diensten doen nooit uitspraken over het actuele kennisniveau en hun modus operandi. De hoeveelheid data die via kabelinterceptie wordt vergaard, is een directe indicator van de operationele capaciteit en de technische effectiviteit van de inlichtingendiensten. Als de exacte hoeveelheid (in GB) of zelfs een indexcijfer publiek wordt, kan een buitenlandse mogendheid of kwaadwillende actor daaruit afleiden of de capaciteiten van de Nederlandse diensten toenemen, stabiliseren of juist afnemen. Een daling in de hoeveelheid vergaarde data zou kunnen duiden op een verzwakking van de interceptiecapaciteit, terwijl een sterke stijging bijvoorbeeld kan wijzen op nieuwe technologische doorbraken. Dit is gevoelige informatie die effect kan hebben op de nationale veiligheid. In het algemeen geldt dat de Kamer over de vertrouwelijk aspecten van de diensten via de geëigende kanalen geïnformeerd wordt.
Hoeveel procent (ongeveer, bij benadering) van alle data die vergaard wordt via kabelinterceptie wordt gedeeld met buitenlandse inlichtingendiensten?
De diensten doen nooit uitspraken over het actuele kennisniveau en hun modus operandi. Een benadering in percentages zou ook niet mogelijk zijn. In het algemeen geldt dat gegevensdeling geen constante stroom is, maar een resultaat van specifieke operationele noodzaak en onderlinge afspraken. De informatie die gedeeld wordt, betreft vrijwel altijd de geanalyseerde uitkomst van de verzamelde data, en niet de volledige verzamelde datastroom zelf.
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
Caroline van der Plas (BBB), André Flach (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Ja
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
De keuze tussen bezwaar en beroep is niet aan het bestuursorgaan of de verzoeker, maar volgt dwingend uit de wet. Tegen een beslissing op bezwaar staat volgens de Algemene wet bestuursrecht alleen beroep bij de rechtbank open. Bij Woo/2023/066 was op 17 februari 2026 al een beslissing op bezwaar genomen in de door de verzoeker gestarte bezwaarprocedure. Er kan dan geen sprake zijn van een nieuwe bezwaarfase. Er is voor betrokkenen voor dit Woo-verzoek geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar geboden, omdat deze mogelijkheid juridisch niet meer bestaat, als al een bezwaarfase open heeft gestaan.
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
In het primaire besluit van 24 maart 2025 is besloten het verzoek af te wijzen.2 Op 17 februari 2026 is in de beslissing op bezwaar besloten de gevraagde informatie over de jaren 1989 tot en met 2022 openbaar te maken.3 Deze wijziging ingegeven door het bezwaar op het primaire besluit en de bezwaargronden die daarbij zijn aangevoerd. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de betreffende besluiten.
Dit betekent niet dat de gegevens meteen openbaar zullen worden gemaakt. Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Helaas is de verwijzing van de belanghebbenden bij het Woo-verzoek naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Naar aanleiding van deze fout zijn interne processen aangescherpt.
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bezwaar (d.w.z. heroverweging door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen) en beroep (rechtmatigheidstoetsing door een onafhankelijk rechter) verschillen op wezenlijke punten van elkaar. Bezwaar is laagdrempeliger, minder formeel en minder kostbaar dan beroep. Als op een bezwaar is beslist, zoals hier, dan staat alleen de weg naar de rechter nog open door middel van beroep. Hiermee is gewaarborgd dat de overheid eerst de kans krijgt zelfstandig een besluit te heroverwegen, voordat de onafhankelijke rechter de uiteindelijke rechtmatigheid toetst wanneer partijen er samen echt niet uitkomen.
Het maken van bezwaar is doorgaans kosteloos, terwijl voor beroep griffierecht verschuldigd is. Daarnaast liggen de proceskosten bij beroep doorgaans hoger, omdat de procedure complexer is en partijen zich vaker laten bijstaan door een advocaat of andere (rechts)bijstandsverlener.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: Een verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Ik snap dat er verwarring kan zijn ontstaan doordat helaas in de brief werd gesproken over het instellen van «bezwaar» waar dat «beroep» had moeten zijn. Met de herstelactie is zo veel als mogelijk ingezet om deze verwarring weg te nemen. Alle bezwaarmakers zijn per brief geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie is daarom ook de ruimte om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank geboden om daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en kosten maakt.
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die opvatting niet. De termijn van zeven dagen is geboden aan betrokkenen zodat zij kunnen afwegen of zij hun bezwaar wel of niet willen laten doorzenden aan de rechtbank. De termijn van zeven dagen was daarmee geen voorbereidingstermijn voor een gerechtelijke procedure. Met de termijn van zeven dagen wordt tegemoetgekomen aan de verplichting uit artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht om zo spoedig mogelijk voor doorzending te zorgen. Na het doorzenden aan de rechtbank zal de rechtbank een factuur voor het griffierecht toezenden en – na betaling van het griffierecht – het als beroep in behandeling nemen. Er is dan nog voldoende voorbereidingstijd.
Daarnaast verwijs ik ook naar de beantwoording van vraag 2. Zolang er procedures rond voorlopige voorzieningen lopen worden van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar gemaakt.
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (7) hierboven.
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5) en (6). Uw vraag veronderstelt een keuzemogelijkheid die er (juridisch/bestuursrechtelijk) niet is.
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
De belanghebbenden die geïnformeerd zijn met de door RVO verzonden brief, waarin zij onjuist verwezen werden naar bezwaar, zijn opnieuw geïnformeerd als zij in navolging van die brief bezwaar hebben ingediend. Hiermee voorkomen we dat een veel grotere groep nogmaals wordt geconfronteerd met een brief over het Woo-verzoek, terwijl zij in eerste instantie geen rechtsmiddel hebben ingesteld.
Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht was de RVO verplicht om zo spoedig mogelijk de ontvangen bezwaarschriften, die beroepschriften hadden moeten zijn, door te zenden naar de rechtbank (de doorzendplicht). Betrokkenen is de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen aan te geven geen prijs te stellen op deze doorzending, de wet vereist dit niet. Hiermee is er nu een laagdrempeliger manier gevonden om tegemoet te komen aan de wensen van de betrokkenen. Ik wijs er verder graag op dat indien betrokkene nadien alsnog geen prijs stelde op het instellen van beroep bij de bestuursrechter, deze procedure kon worden beëindigd door het niet betalen van de griffierechten.
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5), (6), (7), (9) en (10).
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (4).
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Een betrouwbare en menselijke overheid toont zich door open te zijn over wat goed ging en wat niet. Het openstaande rechtsmiddel is in de beslissing op bezwaar juist opgenomen, maar in de kennisgevende brief aan betrokkenen hierover niet. Dat had niet mogen gebeuren. We geven daarom inzicht in de stappen die zijn gezet, leggen uit wat is misgegaan, en schetsen de vervolgstappen. Zo bieden we perspectief én laten we zien dat transparantie meer is dan woorden.
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
In het bestuursrecht is het een algemeen uitgangspunt dat besluiten onmiddellijk uitvoerbaar zijn (artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht). Het idee hierachter is dat het openbaar bestuur niet telkens kan worden vertraagd door elk bezwaarschrift. Het uitgangspunt draagt bij aan doelmatigheid van bestuur en rechtszekerheid. De Woo kent wel een vorm van uitgestelde openbaarmaking. Artikel 4.4 lid 5 van de Woo bepaalt dat als een bestuursorgaan besluit informatie openbaar te maken waartegen een belanghebbende naar verwachting bedenkingen heeft, de feitelijke openbaarmaking van de informatie pas mag plaatsvinden twee weken nadat het besluit is bekendgemaakt.
Deze mogelijkheid tot «uitgestelde openbaarmaking» bestaat om belanghebbenden de tijd te geven om een voorlopige voorziening (vovo) aan te vragen bij de rechter. Wordt de vovo-aanvraag binnen die twee weken ingediend, dan dient de feitelijke openbaarmaking in de praktijk te worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter over het verzoek heeft beslist of het verzoek is ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de informatie al openbaar is gemaakt voordat een rechter de betrokken belangen heeft kunnen afwegen.
De huidige wetgeving biedt geen ruimte voor automatische opschorting gedurende de héle bezwaartermijn (van zes weken). Een kerndoel van de Woo is om informatie zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor de samenleving. Automatische opschorting in het geval van bezwaar zou betekenen dat elke derde een publicatie gedurende de volledige bezwaarprocedure – die inclusief beslistermijn en mogelijke verlenging al snel meerdere maanden kan beslaan – zou kunnen vertragen door enkel een bezwaarschrift in te dienen. Door een gang naar de rechter te eisen via de voorlopige voorziening, voorziet de wet in een rechterlijke toets om alleen bij een werkelijk spoedeisend en gewichtig belang de openbaarmaking langer dan twee weken op te schorten.
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Een voorzieningenrechter kan bij spoedeisend en gewichtig belang besluiten de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Op basis van de naar voren gebrachte belangen kan een voorzieningenrechter besluiten de gevraagde voorlopige voorziening – het opschorten van de openbaarmaking van de gegevens voor de duur van de hoofdzaak, zoals beroep – toe te wijzen. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van gegevens onomkeerbaar is, gezien ook de publicatie op het internet.
Een voorzieningenrechter kan echter ook tot de conclusie komen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook onmiddellijk uitspraak doen in het beroep (artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht). Bijvoorbeeld omdat de opgevraagde informatie emissiegegevens zijn en op deze emissiegegevens op grond van artikel 5.1 lid 7 Woo geen uitzonderingsgronden mogen worden toegepast.4
Of een voorlopige voorziening wordt toegewezen hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. Een algemene uitspraak dat voorlopige voorzieningen in Woo-zaken vrijwel altijd worden toegekend of vrijwel altijd worden afgewezen, kan dan ook niet worden gedaan. Systematische cijfers over de uitkomsten van dit soort procedures zijn niet beschikbaar.5
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Dit jaar wordt de wetsevaluatie van de Woo uitgevoerd. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. Eén van de onderdelen die daarin wordt meegenomen is het automatisch opschorten van openbaarmaking als er bezwaar is ingediend (motie-Van der Plas Kamerstuk 32 802, nr. 114).
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het onderzoek naar sociale veiligheid wordt uitgevoerd via het WODC, het kennisinstituut voor de rechtsstaat. Het onderzoek richt zich op de achtergrond en de aard en omvang van door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie en het daaruit voortvloeiende gevoel van onveiligheid. De resultaten verwacht ik begin 2028.
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Het demonstratierecht is een groot goed, maar niet absoluut. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. Dit grondrecht kan in botsing komen met andere grondrechten, zoals bijvoorbeeld het recht op privacy. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het faciliteren of waar mogelijk gerechtvaardigd beperken van demonstraties. Het is aan hen om in die beoordeling ook andere belangen of grondrechten die spelen mee te wegen.
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Onder het huidige wettelijk kader kunnen demonstranten die strafbare feiten plegen ten aanzien van vitale infrastructuur al vervolgd worden. En dit gebeurt ook. Zo bestaan er, verspreid over de Spoorwegwet en het Wetboek van Strafrecht, verschillende bepalingen waardoor strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen actievoerders die het (goederen)spoor blokkeren of die schade veroorzaken aan een (spoor)weg.
Het recht om te demonstreren is een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, hiertegen opgetreden kan worden. Op welke wijze opgetreden wordt, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden.2 Het is aan het lokaal gezag om deze belangenafweging te maken.
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en de veiligheid op basis van een operationele inschatting van de risico’s daarvoor. Er is geen grond voor de suggestie dat de inhoud van de boodschap bepaalt of (en hoe) wordt opgetreden. Contextafhankelijkheid ziet op omstandigheden als locatie, omvang, duur, verkeersveiligheid en naleving van aanwijzingen en wet- en regelgeving; niet op de inhoud van het betoog.
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
Het demonstratierecht biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, maar biedt demonstranten geen vrijbrief om zich niet aan de wet te houden. Strafrechtelijk optreden is dan ook mogelijk wanneer dit in de feiten en omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. Het is aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of er sprake is van strafbare feiten en op welke manier hiertegen opgetreden wordt, waarbij dient te worden meegewogen dat de acties plaatsvinden ter uitoefening van een grondrecht.
Indien noodzakelijk treedt de politie op onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag met de-escalatie als uitgangspunt. Waar inzet van geweldsmiddelen nodig is, gebeurt dit binnen de Ambtsinstructie en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en gematigdheid. Het OM heeft een zelfstandige bevoegdheid om te bepalen in welke zaken vervolgens vervolging wordt ingesteld.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Acties die hinder teweeg brengen vergen telkens een zorgvuldige afweging door het lokaal gezag tussen het demonstratierecht en het beperken daarvan ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
De overheid is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van strafbare feiten die door derden worden gepleegd. Er bestaat daarom geen regeling om indirecte kosten, zoals extra reistijd of brandstof, te declareren bij het Rijk naar aanleiding van verstoringen door derden. Wanneer partijen door een actie schade lijden, is het aan hen zelf om daarvan aangifte te doen en de schade op de vermeende daders te verhalen.
Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Zoals toegezegd in de brief aan uw Kamer van 11 juli 2025 met betrekking tot de inzichten uit de dialoog over demonstreren en beschermen herdenkingen onderzoekt het kabinet op welke wijze wij partijen die schade lijden meer kunnen ondersteunen bij het verhalen van schade.3 Indachtig ook de motie d.d. 25 september 2025 van het lid Stoffer over bewerkstelligen dat relschoppers die het demonstratierecht misbruiken opdraaien voor de kosten voor de samenleving,4 brengt het kabinet samen met partijen die schade hebben geleden de belemmeringen die zij hierbij in de praktijk ervaren in kaart om deze zo veel mogelijk weg te kunnen nemen.
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
De toekenning en toetsing van de ANBI-status betreft een fiscale aangelegenheid en is aan de Belastingdienst. De belastinginspecteur zal een ANBI-status bij beschikking intrekken (of een aanvraag weigeren) indien niet (meer) wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waaronder de voorwaarden van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets».
Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën5 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf.6 Het gaat hierbij om misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Hieronder vallen onder andere misdrijven tegen de openbare orde. Voor intrekking op grond van de integriteitstoets is tevens vereist dat er niet meer dan vier jaar verstreken is sinds de veroordeling en dat het misdrijf gezien zijn aard of in samenhang met andere door de ANBI of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contacten met het OM.
De ANBI-status wordt ook ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van de eerdergenoemde personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen.7 Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Dat klopt.
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Dat klopt, dit document is niet meer beschikbaar in het openbare deel van het archief sinds 14 oktober 2024.
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
In tegenstelling tot de titel van de Kamervragen is het document niet verdwenen. Dit document is op verzoek van het IMG verplaatst naar het vertrouwelijke deel van het archief omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, en dus vertrouwelijke informatie, die niet in het openbare archief opgenomen had moeten worden.
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Zie vraag 3. De status is op verzoek van het IMG bij brief van 4 oktober 2024, gericht aan de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen, gewijzigd. Die commissie heeft vervolgens op dat verzoek besloten en het document op 14 oktober 2024 naar het vertrouwelijke deel van het archief verplaatst.
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Zie vraag 4. Het IMG heeft het verzoek gedaan. Het ministerie en de landsadvocaat waren daarvan op de hoogte vanwege de lopende arbitrageprocedure tegen NAM, waarin NAM om de presentatie heeft verzocht, welk verzoek is geweigerd door het scheidsgerecht.
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Op grond van artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 kunnen beperkingen worden gesteld aan de openbaarheid van documenten die onder de betreffende enquêtecommissie berusten of hebben berust, zolang de documenten onder de commissie of daarna onder de Kamer berusten. Waar het hier om gaat is een document dat, omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, nooit onderdeel van het openbare archief had moeten zijn. Dat is rechtgezet.
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Daar ben ik niet mee bekend.
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
De PEAG commissie en/of haar staf heeft van dit document kennis kunnen nemen omdat zij zowel openbaar geleverde documenten als vertrouwelijk geleverde documenten heeft ontvangen van het IMG. Ik kan geen inschatting geven of het betreffende document een rol heeft gespeeld in het onderzoek van de commissie.
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Ik ben niet in het bezit van de presentatie en daarom ook niet bekend met de inhoud van de presentatie.
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
De toenmalige Staatssecretaris was ermee bekend dat NAM zich niet kan verenigen met de opgelegde heffingen omdat zij meent dat delen van de werkwijze van het IMG haar aansprakelijkheid te buiten gaan. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de Kamervragen van het lid Clemminck (2026Z05645).
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Het is in de systematiek van het kas-verplichtingenstelsel ongebruikelijk voor de Rijksbegroting om begrotingsvoorzieningen te treffen voor budgettaire risico’s. Door middel van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) zijn er via heffingen en facturen kosten bij NAM in rekening gebracht. Dit wordt door NAM en de aandeelhouders van NAM bestreden in verschillende juridische procedures en gezien die procedures bestaan er budgettaire risico’s ofwel kans op begrotingstegenvallers.
In dit verband is het goed er op te wijzen dat het financiële risico voor de Staat kleiner is dan de opgelegde heffingen aan NAM. Conform de afspraken die zijn gemaakt met Shell en ExxonMobil over de afdrachtensystematiek draagt de Staat (bij benadering) uiteindelijk 73% van de opgelegde heffingen en komt 27% voor rekening van NAM.
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Er lopen op dit moment verschillende juridische procedures. Deze zien op fysieke schade, waardedaling en de versterkingsoperatie. Daarnaast zijn er ook bezwaren ingediend tegen heffingsbesluiten voor gemaakte kosten op het gebied van immateriële schade en de forfaitaire vergoedingen. Ik zal de Kamer periodiek op de hoogte blijven houden van de voortgang van deze juridische procedures door middel van Kamerbrieven, zoals mijn ambtsvoorgangers in het verleden ook hebben gedaan1.
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Deze vraag ligt in het verlengde van vraag 12 van de schriftelijke vragen van het lid Clemminck (2026Z05645). Conform de beantwoording van die vragen ben ik graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, zoals ook in het antwoord op vraag 13 heb aangegeven, omdat ik niet vooruit wil lopen op uitspraken of arbitrale vonnissen over de aanhangige juridische procedures.
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Zoals ik in vraag 3 heb aangegeven is de presentatie van het IMG niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht, en beschik ik daar niet over. Ook in een vertrouwelijke briefing kan ik dan ook niet ingaan op de inhoud van deze presentatie.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Uit de TwG volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de TwG kunnen worden geheven. De heffingsbesluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten. Aangezien het hier gaat over juridische interpretaties die momenteel voor liggen bij de bestuursrechter vind ik het niet opportuun om de Algemene Rekenkamer te verzoeken aandacht te schenken aan het onderscheid tussen verhaalbare en niet-verhaalbare kosten op NAM.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot van Nederland, zoals ik ook tijdens het vragenuur op dinsdag 26 mei heb benadrukt: «de Verenigde Staten zijn een belangrijke NAVO-partner, handelspartner en bondgenoot».
Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.
Het kabinet hecht grote waarde aan de aanwezigheid van buitenlandse, waaronder nadrukkelijk ook Amerikaanse, technologiebedrijven. Het kabinet waardeert hun bijdrage aan de Nederlandse economie en digitale infrastructuur.
Een afhankelijkheid van informatie en diensten uit derde landen, ongeacht welk land het is en of het een NAVO-bondgenoot is, kan onzekerheden met zich meebrengen. Dit blijkt ook uit het Cybersecuritybeeld Nederland Nederland 20251. Het is vervolgens aan de overheid om op een objectieve, risicogebaseerde, landenneutrale en proportionele manier risico’s te wegen. De gevraagde onderbouwing kan niet als generiek standpunt aangeleverd worden. Daarvoor is dit te situationeel afhankelijk en kan het alleen op case-by-case basis worden ingeschat.
Ieder departement is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar digitale overheidsinfrastructuur en het afwegen van de risico’s van de verschillende schakels binnen die infrastructuur.
Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?
De CLOUD Act is een amendement op de Stored Communications Act (SCA). De CLOUD Act maakt het mogelijk voor Amerikaanse autoriteiten om ten behoeve van wetshandhavingsdoeleinden toegang te verkrijgen tot elektronische communicatie en daaraan gerelateerde gegevens. Bevoegde autoriteiten die een verzoek kunnen indienen zijn bijvoorbeeld de FBI en het Department of Justice. De CLOUD Act kan worden ingezet voor het opvragen van elektronische gegevens in het kader van strafrechtelijk onderzoek en vervolging. Het gaat daarbij in beginsel om de opsporing en vervolging van zware criminaliteit, zoals terrorisme of drugshandel.
Op grond van de CLOUD Act kunnen ondernemingen die onder de Amerikaanse rechtsmacht vallen verplicht worden gegevens te verstrekken, ook wanneer deze gegevens zich (op servers) buiten de Verenigde Staten bevinden. Daarbij is bepalend of de onderneming «possession, custody or control» heeft over de gegevens. Het gaat hierbij onder meer om aanbieders van elektronische communicatie- en clouddiensten.
Voor verzoeken die betrekking hebben op de inhoud van elektronische communicatie of bestanden is in beginsel toestemming van een Amerikaanse rechter vereist. Voor bepaalde verzoeken tot verstrekking van metadata, zoals gegevens over gebruikers of toegangsgegevens, kan onder omstandigheden geen voorafgaande rechterlijke toestemming vereist zijn.
Een dienstverlener die een bevel tot gegevensverstrekking ontvangt, hoeft daaraan niet mee te werken indien de gegevens versleuteld zijn en de dienstverlener niet beschikt over de encryptiesleutel. De CLOUD Act verplicht ondernemingen namelijk niet om gegevens te ontsleutelen. Indien een onderneming feitelijk geen toegang heeft tot de gegevens vanwege encryptie, bestaat in beginsel dus ook geen verplichting om deze gegevens te verstrekken.
Daarnaast kan een dienstverlener de rechter verzoeken het bevel te vernietigen of te wijzigen, bijvoorbeeld wanneer de naleving daarvan strijd oplevert met de wetgeving van het land waar de gegevens zich bevinden of indien de persoon op wie het verzoek betrekking heeft geen Amerikaans staatsburger is.
FISA Section 702 is in 2008 ingevoerd en maakt onderdeel uit van de Foreign Intelligence Surveillance Act 1978. FISA Section 702 maakt het Amerikaanse inlichtingendiensten, zoals de NSA, CIA en FBI, mogelijk zonder gerechtelijk bevel informatie te verzamelen over niet-Amerikaanse staatsburgers waarvan wordt aangenomen dat zij zich buiten de Verenigde Staten bevinden en die mogelijk betrokken zijn bij terrorisme, spionage, massavernietigingswapens, beïnvloedingsactiviteiten in opdracht van een vijandige buitenlandse mogendheid of cybercriminaliteit. Kennisgeving aan de betrokkene is geen vereiste.
Onder het toepassingsbereik van deze wetgeving vallen alle Amerikaanse entiteiten die toegang hebben tot apparaten waarop communicatie wordt opgeslagen of via welke communicatie wordt verzonden, zoals telecommunicatiebedrijven, internet- en e-maildienstverleners, aanbieders van remote computing services. Zij kunnen worden verplicht toegang te geven tot gegevens, zoals e-mails, elektronische berichten en bestanden. Het kan zowel om de inhoud als metadata gaan.
Executive Order 12333 heeft het meest verstrekkende bereik. Deze regelgeving maakt het mogelijk dat Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen. Daarvoor is geen toestemming van een rechter vereist, mits het gaat om gegevens van niet-Amerikaanse personen. De regelgeving is primair gericht op buitenlandse inlichtingenvergaring ten behoeve van de nationale veiligheid van de Verenigde Staten.
Op grond van Executive Order 12333 kunnen Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen via uiteenlopende middelen, waaronder interceptie van communicatie, radiosignalen en andere elektromagnetische communicatie, maar ook via satellieten, camerasystemen, menselijke bronnen en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten. Vereist is echter wel dat de verzamelde informatie uitsluitend voor rechtmatige doeleinden onder Amerikaanse wetgeving wordt gebruikt.
Kyndryl Inc. valt als Amerikaanse onderneming binnen het bereik van de bovengenoemde wetten. Kyndryl rapporteert periodiek hoeveel verzoeken om inlichtingen zij heeft ontvangen.2
Kyndryl’s US zeggenschap over haar buitenlandse dochters, Kyndryl Nederland B.V. en eventueel overgenomen partijen, heeft tot gevolg dat deze ook binnen het bereik vallen van de bovengenoemde wetten.
De verstrekking van persoonsgegevens door Nederlandse dochter(s) op basis van een bevel van een Amerikaanse rechter kan in strijd zijn met de AVG. Daarnaast houdt de Nederlandse dochter zich in dat geval ook niet aan de overeenkomst, inclusief de verwerkingsovereenkomst, met de Nederlandse opdrachtgever.
Kyndryl US heeft wel juridische mogelijkheden om zich te verzetten tegen verzoeken tot verstrekking van persoonsgegevens die worden beheerd door haar Nederlandse dochter(s) op grond van het feit dat voldoen aan een dergelijk verzoek in strijd is met de AVG en de gemaakte contractuele afspraken (o.a. in de verwerkersovereenkomst). Daarover moet de Amerikaanse rechter zich dan uitlaten.
Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?
Ja, dat klopt. De Amerikaanse wetgeving als bedoeld bij vraag 5 heeft betrekking op het verzamelen van bewijs c.q. inlichtingen. Deze wetgeving maakt het niet mogelijk om een opdracht te geven tot uitschakeling van infrastructuur.
De Amerikaanse overheid kan sancties tegen personen, organisaties of landen uitvaardigen, waarna Amerikaanse bedrijven de dienstverlening moeten staken. Dat gebeurt echter niet op grond van de bovengenoemde wetgeving.
Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?
Medewerkers van Solvinity hebben bij het uitvoeren van reguliere beheerwerkzaamheden geen toegang tot de database waarin gegevens van burgers en gegevens over waar burgers inloggen staan opgeslagen. Dit sluit niet uit dat medewerkers toegang kunnen krijgen tot deze databases. Het zal hierbij dan gaan om (on)geautoriseerde toegang. Mogelijk is daarmee de medewerker strafbaar.
Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?
Het kabinet is van mening dat er momenteel wel gelijkwaardige technologieën zijn van Nederlandse en Europese aanbieders. In een Kamerbrief in reactie op de motie van het lid Koekkoek (Volt) over «in EU verband pleiten voor versnelde investeringen in Europese cloudalternatieven en digitale infrastructuur» heeft het kabinet de Kamer vorig jaar geïnformeerd dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten op de markt beschikbaar zijn.
Specifiek ten aanzien van de dienstverlening die door de Rijksoverheid bij Solvinity wordt afgenomen, concludeerde de ACM in haar concentratiebesluit dat er ook na een eventuele overname voldoende concurrentie over zou blijven. Uit het onderzoek blijkt dat afnemers uit de publieke sector op het moment van een (her)aanbesteding voldoende keuze houden uit andere IT-dienstverleners die soortgelijke diensten leveren, waaronder zowel Nederlandse als Europese aanbieders.
Wel kan het versneld onderbrengen van de dienstverlening van Solvinity bij een andere beheerorganisatie leiden tot risico’s. In het geval van Logius geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden wanneer de dienstverlening die Solvinity levert, ondergebracht wordt bij een andere beheerorganisatie. Deze periode is nodig om een andere beheerorganisatie kennis en ervaring te laten opdoen met het beheer van het platform om zo de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen te garanderen. Deze overdrachtsperiode kan pas ingaan wanneer een nieuwe contractant is geworven.
Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?
Het kabinet ziet dat de EU erg afhankelijk is geworden van een klein aantal niet-Europese tech-aanbieders, waarbij het kabinet de bijdragen van deze aanbieders aan de Europese en Nederlandse economie waardeert en in algemene zin openstaat voor zakendoen met buitenlandse partijen. Afhankelijkheden kunnen echter ook risico’s met zich meedragen, bijvoorbeeld als er geen alternatieven beschikbaar zijn of er risico’s zijn voor ongewenste toegang tot data. Voor risicovolle strategische afhankelijkheden zet het kabinet in op mitigatie van de risico’s, bijvoorbeeld door het versterken van de Europese markt.
De gevolgen van voortzetting van het huidige eigenaarschap en andere scenario’s zijn onderdeel van de analyses die vallen binnen het TFEV-onderzoek van deze casus.
Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?
Er wordt niet centraal bijgehouden welke overheidsorganisaties gebruik maken van diensten van niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers.
De Nederlandse overheid wil haar digitale autonomie en digitale soevereiniteit versterken om publieke waarden, veiligheid en continuïteit te waarborgen. Het onderbrengen van data bij niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers, kan in specifieke gevallen strategische, juridische en geopolitieke risico’s met zich meebrengen. Daarom kiest de overheid voor een risicogebaseerde, strategisch gecoördineerde aanpak.3
Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?
Ik kan in deze openbare beantwoording niet ingaan op risico’s die er mogelijk zouden kunnen zijn ten aanzien van gegevensvergaring en stopzetting van dienstverlening. Ik verwijs u door naar de vertrouwelijke technische briefing van BTI. Inmiddels heeft de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit het besluit genomen om de overname te verbieden.
Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.