De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Ulaş Köse (D66), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
In 2025 is er een evaluatie geweest van de schadeafhandeling in Ekehaar door de Commissie Mijnbouwschade (verder: CM).1 Hier kwam inderdaad uit naar voren dat er bij de afhandeling van de schademeldingen naar verhouding veel kosten werden gemaakt voor causaliteitsonderzoek door deskundigen ten opzichte van de bedragen die uiteindelijk zijn uitgekeerd om schade te vergoeden. Daarom heeft de voormalige Minister van Klimaat en Groene Groei aangegeven samen met de mijnbouwbedrijven (gas, olie, zout en opslag) te willen kijken naar een verbetering van de reguliere procedure van de CM. Dit vergt tijd, mede ook omdat met alle mijnbouwondernemingen overeenstemming moet worden bereikt.
Voor de afhandeling van schademeldingen als gevolg van de aardbeving bij Geelbroek heeft het kabinet hier niet op willen wachten. We stellen een aanpak voor waarin schademeldingen door de aardbeving bij Geelbroek sneller worden afgehandeld en er minder geld gaat naar onderzoek2. In deze aanpak worden vier ringen onderscheiden binnen het door de CM vastgestelde beoordelingsgebied. De CM en NAM willen in de twee ringen dichtbij het epicentrum een versnelde procedure toepassen op grond van het Instellingsbesluit van de CM (artikel 7 van Protocol A in Bijlage 1). Dit houdt in dat een causaal verband wordt aangenomen en inwoners hun schade tot bepaalde maximale bedragen vergoed kunnen krijgen. Voor ring 1 gaat het om een maximaal bedrag van € 10.000 euro en voor ring 2 om een maximaal bedrag van € 7.000 euro. Als de schademelder hier geen gebruik van wil maken wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, waarbij wel onderzoek naar causaliteit wordt gedaan. Dit vergt een langere doorlooptijd en de schademelder loopt het risico dat hij uiteindelijk geen of een lagere vergoeding krijgt dan hij zou hebben gekregen onder de versnelde procedure. Dit aangezien schade in woningen in Nederland vele verschillende en soms gecombineerde oorzaken heeft. In de buitenste twee ringen wil NAM geen causaal verband aannemen, omdat NAM van mening is dat slechts in uitzonderlijke gevallen en dan in beperkte mate sprake zal zijn van schade die veroorzaakt of verergerd is door de beving bij Geelbroek. Dit zou betekenen dat deze schades volgens de reguliere procedure moeten worden afgehandeld. Dit vindt het kabinet, vanwege het grote aantal schademeldingen niet wenselijk. Wel is NAM bereid om een bedrag beschikbaar te stellen om de afhandeling van schademeldingen in dit gebied te bespoedigen en de uitvoeringskosten te mitigeren. Daarom werkt het kabinet aan een beleidsregel, op grond waarvan schademelders voor de buitenste twee ringen voor een onverplichte tegemoetkoming in aanmerking kunnen komen. Voor ring 3 en voor ring 4 wordt er met een vast bedrag gewerkt als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege. Voor ring 3 gaat het om € 3.000 euro en voor ring 4 om 1.000 euro. Met deze aanpak is geen causaliteitsonderzoek vereist. Daardoor is de verwachting dat er een betere verhouding is tussen uitgekeerde tegemoetkomingen en onderzoekskosten. In ringen 3 en 4 kunnen schademelders ook voor de reguliere procedure kiezen.
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag één, kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een vergoeding tot een maximaal bedrag (ringen 1 en 2) of een vast bedrag als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (ring 3 en 4). Er is geen causaliteitsonderzoek naar de oorzaak van de schade vereist. De schademelder kan ook nog steeds kiezen voor de reguliere procedure van de CM.
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag één kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een schadevergoeding of onverplichte tegemoetkoming. De voorgestelde aanpak draagt bij aan een snellere afhandeling. De versnelde procedure (ring 1 en 2) is vastgelegd in een overeenkomst tussen de CM en NAM. Voor ring 3 en 4 wordt onder andere een beleidsregel opgesteld. Indien de schademelder geen gebruik wil maken van deze aanpak, wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit van de CM en het bijbehorende protocol (Protocol A in Bijlage 1).
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
De CM ondersteunt bewoners (en micro-ondernemingen) die een schademelding hebben ingediend bij de CM met onafhankelijk en deskundig advies over de afhandeling van de mijnbouwschade. Hierbij wordt voorzien in persoonlijke begeleiding gedurende het gehele proces van schadeafhandeling met behulp van een vaste zaakbegeleider die het proces en de schaderegeling uitlegt, aanwezig is bij de schadeopname en fungeert als persoonlijk aanspreekpunt voor de schademelder. Bewoners worden door de zaakbegeleider in het gehele traject ontzorgd en kunnen met al hun inhoudelijke en persoonlijke vragen bij hun zaakbegeleider terecht. Daarnaast wordt door de CM ingezet op het op een laagdrempelige manier verstrekken van informatie over de schadebeoordeling, het beantwoorden van vragen en het bieden van een «luisterend oor» voor inwoners in de regio die daaraan behoefte hebben. Naast het benutten van online communicatiekanalen en lokale media wordt daarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt van het Informatiepunt Digitale Overheid in lokale bibliotheken en worden er in samenwerking met de betrokken Drentse gemeenten bijeenkomsten georganiseerd in dorpshuizen en wijkcentra. Ook is de CM telefonisch bereikbaar om vragen te beantwoorden.
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
De beving is inmiddels bijna drie maanden geleden. Naar verwachting hebben de meeste mensen met schade zich bij de CM gemeld. Schademeldingen die zijn gedaan voor het tijdstip van publicatie van de overeenkomst tussen CM en NAM voor versnelde procedure en de betaalovereenkomst tussen NAM en de Staat, worden op grond van de versnelde procedure (eerste en tweede ring) dan wel de beleidsregel voor de onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (derde en vierde ring) afgehandeld. De regionale bestuurders hebben gevraagd om enige coulance omdat soms mensen door omstandigheden zich niet hebben kunnen melden. Aangezien dit om slechts enkele gevallen zal gaan, geldt er bij de versnelde procedure en de beleidsregel een hardheidsclausule voor uitzonderlijke situaties, waarin een schademelder kan aantonen dat eerdere indiening niet mogelijk was om redenen die hem of haar niet zijn aan te rekenen.
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Ja, ik ben hiermee bekend en snap ook dat dit om uitleg vraagt. In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een bijzondere aanpak voor de afhandeling van schade. Deze aanpak is gerechtvaardigd, omdat er in dat effectgebied in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld werden, waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. In de rest van Nederland is het aantal, de ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van de gaswinning geringer (ook in het geval van Geelbroek), waardoor een aanpak zoals in het effectgebied van het IMG onvoldoende gerechtvaardigd is. Dat neemt niet weg dat de schade buiten het IMG-effectgebied ook op een zorgvuldige en adequate wijze moet worden afgehandeld.
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
In het kader van de «een-loket aanpak» werken de CM en IMG al intensief samen, waardoor één centraal loket niet nodig is. Gezien het aantal, de ernst en omvang van de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk, is een bijzondere aanpak daar gerechtvaardigd. In de brief van 20 maart is geconstateerd dat er zowel bij de CM als bij het IMG meldingen van schade als gevolg van de bevingen bij Geelbroek zijn binnengekomen.3 Daar waar nodig wordt doorverwezen of samengewerkt tussen het IMG en de CM.
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Hier is rekening mee gehouden door te werken met vier ringen. Het maximale bedrag voor inwoners in de eerste ring rond het epicentrum is het hoogst, daarna volgt het plafondbedrag in de tweede ring enzovoorts. Daarbij is geen causaliteitsonderzoek vereist.
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Nee, de versnelde procedure en beleidsregel geldt alleen voor schades die gemeld zijn naar aanleiding van de bevingen op 14 maart 2026 bij Geelbroek. De aanpak geldt niet voor schades door eerdere bevingen die zijn afgehandeld, omdat schades in beginsel maar één keer worden vergoed. Wel zal ik – op basis van de evaluatie van de CM die begin dit jaar naar uw Kamer is verzonden4 – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek gaan om te komen tot verbeteringen binnen de reguliere systematiek van de CM. In dat traject streef ik er ook naar om – in lijn met de motie van de leden Jumelet en Peter de Groot5 -aandacht te besteden aan mensen die eerder schade hebben gemeld naar aanleiding van de aardbeving in Ekehaar van 2023 en die slechts een deel van schade aan de woning vergoed hebben gekregen. Het gaat daarbij om schadegevallen, waarbij is vastgesteld dat deze voor een deel door bodembeweging als gevolg van de beving in Ekehaar is ontstaan en voor een deel door andere oorzaken. Ik besteed hierbij expliciet aandacht aan de mogelijkheid van een «terugwerkende kracht» bepaling.
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
Ja, die zorgen deel ik. Ik sta pal voor de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen in onze samenleving en maak mij samen met anderen hard voor de veiligheid en vrijheid van vrouwen.
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Ja, professionals zien dat de manosfeer hierbij een rol kan spelen.
Uit een uitvraag onder betrokken organisaties blijkt dat professionals van Politie, Openbaar Ministerie, reclassering en forensische zorg die werken met personen die grensoverschrijdend gedrag vertonen, bekend zijn met online beïnvloeding vanuit onder meer de manosfeer. Zij geven aan dat dit in sommige gevallen een van de risicofactoren kan zijn voor seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld, en ander geweld tegen vrouwen en meisjes. Tegelijkertijd benadrukken zij dat een direct causaal verband moeilijk is vast te stellen en dat online beïnvloeding moet worden bezien in samenhang met andere persoonlijke, sociale en contextuele factoren.
Bij Slachtofferhulp Nederland, Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zijn op dit moment geen structurele signalen bekend. Dat betekent echter niet dat dergelijke online invloeden geen rol kunnen spelen in individuele zaken. Zo betrekt de RvdK het online gedrag van jongeren bij jeugdcriminaliteitszaken in de risicotaxatie, waardoor ook mogelijke invloeden vanuit online omgevingen, waaronder de manosfeer, kunnen worden meegewogen. Ook onderwijsprofessionals geven volgens het onderzoek van Stichting School & Veiligheid aan dat ze de invloed van de manosfeer op school merken. Bijvoorbeeld als het gaat om ideeën over genderverhoudingen, zoals kwaliteiten of rolverdeling van mannen en vrouwen of negatieve uitspraken over en gedragingen richting mensen die transgender, non-binair of homo zijn.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met betrokken organisaties en houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. De aanpak van (seksueel) geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld bevat onder andere specifieke inzet op het bevorderen van gendergelijkheid, het tegengaan van schadelijke genderstereotypen en opvattingen, zowel in de fysieke als in de online leefomgeving. Hierbij is ook specifieke aandacht voor jongens en mannen, bijvoorbeeld via het ondersteunen van de stichting Emancipator4, de publiekscampagne in het kader van het Nationaal Actieprogramma seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld («Man, zeg er wat van») en de ontwikkeling van de Mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide. Deze inzet draagt bij aan het tegengaan van de invloed van, en weerbaarheid tegen, de manosfeer. Tegelijkertijd zijn er meer en specifiekere maatregelen mogelijk, zowel offline als online.
Bij de ontwikkeling van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het versterkingsplan lhbtiq+ wordt de invloed van de manosfeer meegenomen. We ontwikkelen dit in coördinatie met andere betrokken departementen. In de Emancipatienota die de Tweede Kamer in september 2026 ontvangt wordt u hier nader over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Na de zomer start de Nationaal Coördinator met de ontwikkeling van een nieuw nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Hierin wordt meegenomen welke behoeften er zijn aan onderzoek bij de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en op welke wijze dit geprioriteerd kan worden binnen de beschikbare middelen. Dit geldt ook voor het versterkingsplan lhbtiq+. Een onderzoek naar de rol van de manosfeer in het ontstaan en voortduren van grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen behoort hierbij tot de mogelijkheden.
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Op dit moment loopt, in opdracht van de Ministeries van VWS en JenV, een traject waarin door Regioplan samen met de VNG en verschillende zorg- en strafpartners wordt gewerkt aan een plan van aanpak voor het verbeteren van deskundigheid ten aanzien van gendergerelateerd geweld. Hierbij is aandacht voor (onbewuste) gendernormen en stereotypen. Het plan van aanpak wordt voor de zomer met uw Kamer gedeeld via de voortgangsbrief aanpak geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.
Binnen verschillende sectoren die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag is aandacht voor het herkennen en bespreekbaar maken van risicofactoren, waaronder online beïnvloeding. Professionals van onder andere Halt en de Raad voor de Kinderbescherming worden bijvoorbeeld ondersteund met signalerings- en risicotaxatie instrumenten5, handreikingen, factsheets en andere hulpmiddelen. De kennis over de specifieke invloed van de manosfeer is echter nog in ontwikkeling en verdere deskundigheidsbevordering blijft van belang.
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Het is al langer bekend dat negatieve opvattingen over vrouwen of vrouwelijke autoriteitsfiguren, die ook al vóór de opkomst van de manosfeer voorkwamen, in sommige gevallen een rol kunnen spelen in de hulpverleningsrelatie. Online beïnvloeding, waaronder vanuit de manosfeer, kan dergelijke opvattingen versterken. Tegelijkertijd geven de betrokken organisaties aan geen aanwijzingen te hebben voor een toename van wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners als gevolg van deze beïnvloeding. Dat neemt niet weg dat dergelijke situaties kunnen voorkomen en dat alertheid op signalen hiervan van belang blijft.
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Uit het onderzoek blijkt dat bijna 80% van de professionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door online content over mannelijkheid, genderidentiteit en omgang met vrouwen. Dit benadrukt de mogelijke impact van de manosfeer op het gedrag en de dynamiek in de klas. Dat onderstreept dat de samenleving, de sector en de overheid de taak hebben om te werken aan gelijkwaardigheid en veiligheid voor iedereen.
Ik ben in gesprek met onderwijsprofessionals over dit onderwerp, hun behoefte aan ondersteuning en handvatten om hiermee om te gaan, en manieren om het gesprek in de klas hierover te stimuleren.
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Ik vind het zorgwekkend dat bijna driekwart van de professionals een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosfeer. Het is complex om op basis van dit onderzoek één specifieke oorzaak aan te wijzen, maar de toenemende online blootstelling aan polariserende en antifeministische denkbeelden, zoals uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid blijkt, draagt mogelijk bij aan de toename van dit gedrag.
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Ja. Uit het onderzoek blijkt dat 52% van de meiden en 58% van de lhbtiq+ leerlingen zich minder veilig voelen door uitlatingen en gedragingen die voortkomen uit de manosfeer. Dat geldt in mindere mate, maar nog steeds ook, voor jongens (39%). Ook ervaart 29% van de ondervraagde vrouwelijke onderwijsprofessionals dat hun autoriteit wordt ondermijnd vanwege hun vrouw-zijn. Uit gesprekken met leerkrachten worden deze signalen bevestigd.
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Scholen, overheden en ouders hebben een verantwoordelijkheid en rol in het creëren van gelijkwaardigheid en ondersteunen van veiligheid voor meisjes en vrouwen, jongens en mannen. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school, en de opdracht om leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Gelijkwaardigheid is daar onderdeel van. Ook mediawijsheid en digitale geletterdheid dragen bij aan het herkennen van online beïnvloeding.
Het is nodig om te begrenzen én aandacht te hebben voor gedrag en uitlatingen van jongeren, om hen zo beter te begrijpen, gerichter te kunnen ondersteunen en waar nodig tijdig te kunnen bijsturen. Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ondersteunen we scholen hierbij. Dat gebeurt via Stichting School & Veiligheid, het Expertisepunt Burgerschap en het Netwerk Mediawijsheid.
Ook ouders hebben een belangrijke rol. Zij hebben, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn, een taak om thuis het gesprek aan te gaan over waarden als gelijkwaardigheid en respect, en om zicht te hebben op de online invloeden waaraan hun kinderen blootgesteld worden. Het is van belang dat zowel vaders als moeders hier verantwoordelijkheid in nemen. Daarnaast is een goede samenwerking tussen ouders en de school nodig waarbinnen heldere en duidelijke afspraken gelden die ook consequent worden gehandhaafd. Daarmee wordt een positief pedagogisch klimaat gecreëerd waarin iedere leerling en onderwijsprofessional zich veilig kan voelen.
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Het betekent dat de manosfeer bij kan dragen aan een onveilig schoolklimaat, waarbij vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker te maken krijgen met onacceptabel gedrag. Dit ondermijnt hun autoriteit en de kwaliteit van het onderwijs. Het benadrukt de noodzaak om grenzen te stellen en normen te handhaven, zowel op school als in de samenleving.
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Op dit moment kunnen scholen en leraren gebruikmaken van ondersteuning via het Expertisepunt Burgerschap, waar subsidie aangevraagd kan worden voor trainingen om schurende gesprekken te voeren. Daarnaast biedt Stichting School & Veiligheid (SSV) ondersteuning bij het bevorderen van een veilig schoolklimaat. Daarnaast vraagt dit van schoolleiders en bestuurders dat zij voor hun medewerkers gaan staan en hen adequate ondersteuning bieden. Ik ben in gesprek met leerkrachten of dit voldoende handvatten biedt.
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Uit het onderzoek en de gesprekken die ik met leerkrachten voer blijkt dat er behoefte is aan ondersteuning. Die is onder andere beschikbaar via het Expertisepunt Burgerschap en Stichting School & Veiligheid. Samen met Stichting School & Veiligheid zijn we voortdurend in contact met leraren om te vernemen wat werkt en of meer nodig is. Dit contact hebben we ook met scholieren.
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van sommige arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over huisvesting en inkomen. Arbeidsmigranten verdienen een veilige woonplek, net als iedereen die in Nederland woont.
Het kabinetsbeleid is erop gericht om misstanden aan te pakken en de positie van arbeidsmigranten te versterken. Daarvoor wordt werk gemaakt van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten en de maatregelen van het SER-advies «arbeidsmigratie naar waarde». Het artikel laat zien hoe belangrijk het is om verder te gaan met de uitvoering van deze maatregelen, waaronder het verbeteren van de huurbescherming van arbeidsmigranten en de uitvoering van de Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
Het artikel laat zien dat een goede lokale uitvoering en handhaving essentieel zijn, maar ook dat de praktijk complex is. Dit benadrukt het belang van maatregelen in de hele keten, van beleid tot handhaving, om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Uw Kamer is over de voortgang van de maatregelen in november jl. geïnformeerd.3 Aan het eind van dit jaar wordt uw Kamer opnieuw over de voortgang geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
In het artikel van de NRC worden ernstige misstanden beschreven rondom de woonsituatie van arbeidsmigranten in de Rotterdamse wijk Carnisse. Vooropgesteld: deze situaties zijn onacceptabel. De inzet van het kabinet is om meer grip te krijgen op arbeidsmigratie en daarnaast van de positie van arbeidsmigranten te verbeteren.
De afgelopen jaren hebben gemeenten meer instrumentarium in handen gekregen om op overtredingen gerelateerd aan de woonsituatie te handhaven, waaronder via de Wet goed verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten beter optreden tegen misstanden als bijvoorbeeld intimidatie en hoge huren, is de informatiepositie van arbeidsmigranten versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Een en ander in aanvulling op wettelijke instrumenten die al voor die tijd bestonden, en waarmee bijvoorbeeld al kon worden opgetreden tegen overbewoning. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 14 en 16, werkt het kabinet daarom aan aanvullende maatregelen om misstanden, zoals in Carnisse, tegen te gaan.
Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten hebben bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid. Hoewel zij in beginsel behoren op te treden tegen overtredingen, is het aan de gemeente om de prioriteit en aanpak te bepalen op basis van ernst, maatschappelijke impact, beschikbare capaciteit en beleidsdoelen. Dit signaal uit het NRC artikel laat de knelpunten zien in de uitvoering en handhaving lokaal. Naar aanleiding hiervan wordt het gesprek met de betreffende gemeente en andere betrokken partijen gevoerd.
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Het is belangrijk om te zien hoe de Wet goed verhuurderschap (Wgv) in de praktijk functioneert. De doeltreffendheid en praktijkwerking van de Wgv worden momenteel geëvalueerd. Na de zomer, als het onderzoek is afgerond, informeert de Minister van VRO uw Kamer over de uitkomsten hiervan.
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, hebben gemeenten bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid.
De VNG bevestigt dat de beschikbare bevoegdheden om te handhaven bestaan, maar dat daarmee de feitelijke handhaafbaarheid en effectiviteit niet is gegarandeerd. De VNG signaleert dat bij complexe casussen handhaving niet altijd goed verloopt. Ook geeft de VNG ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is, maar dat die samenwerking niet in alle gevallen goed verloopt. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk, gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
Gemeenten houden in beginsel toezicht op a) verhuurders, voor zover het handelingen betreft die vallen onder andere de Wet goed verhuurderschap (Wgv) en de Wet betaalbare huur (Wbh) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) met betrekking tot kwaliteit en gevaarlijke bouwkundige situaties, b) handhaving bij illegale bewoning (op basis van de Huisvestingswet 2014 en Omgevingswet) en d) inschrijving in de Basisregistratie Personen (Wet basisregistratie personen). Hiermee worden de verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd op een manier die past bij de lokale situatie.
Als het gaat om de aanpak tegen mensenhandel is de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor de rijksbrede coördinatie van de aanpak van mensenhandel en de Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de aanpak van arbeidsuitbuiting. Hierin wordt gezamenlijk opgetrokken in onder meer het Actieplan Programma «Samen tegen Mensenhandel» met o.a. de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie, Koninklijke Marechaussee, VNG en maatschappelijke organisaties zoals Comensha. In het Actieplan wordt in verschillende actielijnen ingezet op onder meer het creëren van brede bewustwording, vergroten van meldingsbereidheid en het verbeteren van de bescherming van slachtoffers.
De Nederlandse Arbeidsinspectie is onder andere verantwoordelijk voor de opsporing van c) arbeidsuitbuiting als vorm van mensenhandel en, zodra de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel in werking treedt, ook voor de opsporing van het delict ernstige benadeling. Ondermaatse huisvesting kan een indicatie zijn van ernstige benadeling of arbeidsuitbuiting.
Ook gemeenten spelen een belangrijke rol bij de aanpak van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling, door in te zetten op preventie, signalering en handhaving – in het kader van toezichthoudende taken – en hulpverlening, waarbij de gemeente integraal samenwerkt met onder andere de politie en bestuurlijk handhaaft op de naleving van huisvestingsnormen.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, worden vanuit het Rijk de kaders geschept om arbeidsmigratie in goede banen te leiden en om arbeidsmigranten beter te beschermen. Bestaand en voorgenomen beleid op rijksniveau gerelateerd aan de genoemde gebieden wordt toegelicht in het antwoord op vraag 14. Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten zijn, zoals hierboven beschreven, in veel gevallen verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Er bestaat een integrale samenwerking tussen gemeente(n), de Nederlandse Arbeidsinspectie en politie. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 19. De VNG geeft ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is. Dat verloopt niet in alle gevallen goed. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Zie antwoord vraag 6.
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie, of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Gemeenten beschikken reeds over diverse mogelijkheden om op te treden wanneer bewoners de deur niet openen, er sprake is van intimidatie en/of snel wisselende bewoners.
Indien de bewoners de deur niet openen geldt dat toezichthouders de bevoegdheid hebben4 om in bepaalde gevallen een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. In die gevallen is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Kort gezegd volgt uit deze wet dat bij binnentreden voor andere doeleinden dan strafvordering een machtiging tot binnentreden moet worden afgegeven. Een uitzondering op deze situatie is het bestaan van een noodsituatie (zoals bijvoorbeeld een brand).
Ook wanneer er sprake is van intimidatie geldt dat toezichthouders van de gemeente reeds actie kunnen ondernemen. In de Wet goed verhuurderschap (Wgv) is namelijk bepaald dat een verhuurder niet mag intimideren. Doet de verhuurder dit wel, dan dient de gemeente hierop te handhaven. Dat kan door een waarschuwing te geven, een last onder dwangsom op te leggen, of een bestuurlijke boete. Handhaving kan bijvoorbeeld naar aanleiding van een (anonieme) melding bij het gemeentelijke meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag, maar de gemeente kan daarnaast ook zonder voorafgaande melding optreden tegen intimidatie als dit wordt vastgesteld.
Ten aanzien van de zogenaamde «carrouselconstructies» geldt dat het voor de handhaving op overtredingen van zowel de Wgv of de Wet betaalbare huur (Wbh) niet uitmaakt of er inmiddels een andere huurder in de woning woont. Voor wat betreft handhaving van de Wgv en de Wbh geldt namelijk dat het gaat om de overtreding die is begaan. Daarbij is niet relevant jegens welke huurder(s) dat is geweest. Gemeenten kunnen op grond van deze wetten bovendien zwaardere sancties opleggen in het geval van recidive.
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige signalen van uitbuiting en overbewoning?
Voor binnentreding bij handhaving op overbewoning geldt het algemene wettelijke kader beschreven in de antwoorden op vraag 7 en 8. Specifiek voor de Arbeidsinspectie geldt dat de Wet arbeid vreemdelingen en het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden bieden voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner(s).
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor toezicht op naleving?
Zoals opgemerkt in eerdere antwoorden wordt in gesprek gegaan met gemeenten en de VNG over de beschikbare bevoegdheden om te handhaven en te bezien wat mogelijke knelpunten zijn.
In het geval van de Wet goed verhuurderschap (Wgv), Wet betaalbare huur (Wbh) en Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten geldt overigens dat in 2025, op verzoek van de VNG, een evaluatie heeft plaatsgevonden van de financiële middelen die gemeenten van het Rijk ontvangen voor de implementatie en uitvoering van de genoemde wetten. Uit dit onderzoek, waarin ook individuele gemeenten zijn geïnterviewd, blijkt dat de financiële middelen voor gemeenten voor het uitvoeren van de wettelijke taken die voortvloeien uit deze drie wetten en het handhaven daarop vooralsnog afdoende zijn. Tegelijk laat dit signaal zien dat het wettelijk instrumentarium alleen niet voldoende is, en dat capaciteit nodig is om lokaal toezicht en handhaving uit te oefenen. Daarom is het gesprek hierover met gemeenten van belang om te horen waar het nu knelt.
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, 5, 6 en 7 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de handhaving op misstanden in hun gemeente en de wijze waarop zij dat binnen de kaders van de wet vormgeven. Ook heeft de Minister van VRO in 2025 de opstart van een opleiding voor bouw- en woningtoezicht gesteund. Deze opleiding moet bijdragen aan professionalisering en kwaliteitsverbetering van woontoezichthouders en bouwtoezichthouders. Zoals eerder aangegeven wordt met gemeenten in gesprek gegaan over signalen dat de handhaving in de praktijk niet altijd goed verloopt.
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben, afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven doen?
Situaties waarin arbeidsmigranten geen schriftelijk huurcontract hebben, een te grote afhankelijkheid van hun werkgever voor huisvesting hebben, of waarbij zij uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven te doen van misstanden, keurt het kabinet af.
Daarbij moet opgemerkt worden dat, voor het verkrijgen van de huurbescherming of huurprijsbescherming, het juridisch gezien niet uitmaakt of mensen een schriftelijk huurcontract hebben. Een huurovereenkomst kan ook een (impliciete) mondelinge afspraak zijn. Om discussies over het bestaan van een huurrelatie te voorkomen, is in de Wet goed verhuurderschap (Wgv) bovendien een verplichting aan verhuurders opgelegd om een (mondelinge) huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen. Daarnaast geldt dat verhuurders – in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten – op grond van de Wgv verplicht zijn om de huurovereenkomst los van de arbeidsovereenkomst vast te leggen om «baan en bed» van elkaar te scheiden.
De huur(prijs)bescherming van arbeidsmigranten is vaak echter nog onvoldoende, omdat gebruik wordt gemaakt van «aard naar korte duur»-contracten. Om de huur(prijs)bescherming te verbeteren is een wetsvoorstel in voorbereiding, zie hiervoor het antwoord op vraag 14.
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen, op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Voor wat betreft de maatregelen aangaande huisvesting verloopt dit onder andere via het instrumentarium dat is beschreven in het antwoord op de vragen 6 en 7.
Naast het reeds beschikbare instrumentarium (zie antwoord vraag 6 en 7) is er een wetsvoorstel in voorbereiding om de huurbescherming van arbeidsmigranten te verbeteren.5 Op dit moment worden verschillende groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten, gehuisvest op basis van zogenaamde «short stay»- of logiescontracten. Het huurrecht kent het begrip «short stay»-contracten echter niet. Waar in de sector wordt gesproken over huisvesting op basis van «short stay» wordt binnen het huurrecht een beroep gedaan op de uitzondering in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze uitzondering betekent kort gezegd dat de huur(prijs)bescherming niet van toepassing is op deze vorm van huur. De uitzondering in het huurrecht voor huur «naar aard van korte duur» is bedoeld om kenbaar te maken dat er bijvoorbeeld bij het huren van een vakantiehuisje geen huurbescherming is. Het substantiële gebruik van de uitzondering is oneigenlijk. Beleidsinzet is er dan ook opgericht om de wet aan te passen en huur «naar aard van korte duur» wettelijk te begrenzen tot een maximale duur van 30 nachten. Op het moment dat dezelfde woonruimte langer dan 30 nachten aan dezelfde huurder wordt verhuurd, is er dan per definitie sprake van huur(prijs)bescherming.
Ten tweede werkt de Minister van VRO aan een huurregister6. Een huurregister heeft als inzet dat alle verhuurders die woonruimte langer dan 30 nachten verhuren of willen verhuren, zich moeten registreren in een landelijk register. Dat geldt dus dan ook voor alle huisvesting die aan arbeidsmigranten wordt verhuurd. Hiermee wordt het houden van toezicht op de verhuurder gefaciliteerd.
Zoals bij vraag 1 benoemd voert het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten uit. Dit gebeurt in interdepartementaal verband met de ministeries van SZW, BZK, VWS, EZ, LVVN, JenV en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Daarbij werkt het kabinet samen met uitvoerings- en handhavingsorganisaties, sociale partners, medeoverheden en andere stakeholders.
Omdat veel arbeidsmigranten in Nederland werken via een uitzendbureau is een belangrijke aanbeveling van het Aanjaagteam het opzetten van een toelatingsstelsel voor uitleners. De Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) is op 15 april 2025 aangenomen in de Tweede Kamer en op 11 november 2025 aangenomen in de Eerste Kamer. Een belangrijke mijlpaal. De voorbereidingen voor de invoering van het toelatingsstelsel zijn in volle gang, met in het bijzonder de oprichting van een nieuwe uitvoeringsorganisatie: de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). De invoeringsdatum voor het toelatingsstelsel is 1 januari 2027. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Arbeidsinspectie handhaven op de toelatingsplicht. Daar heeft de Arbeidsinspectie ook extra capaciteit voor gekregen. Door de Wtta kunnen we uitleners die zich niet aan de regels houden van de uitleenmarkt weren. Hiermee beschermen we kwetsbare arbeidskrachten, onder wie arbeidsmigranten. Ook stimuleren we goed werkgeverschap in de uitzendbranche.
Naast goede wet- en regelgeving moeten arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van hun rechten en moet hen meer (juridische) hulp worden geboden. Dat kan ook hulp zijn bij problemen met huisvesting. Daarom heeft dit kabinet met het project Work in NL (WIN) fysieke en mobiele informatiepunten door heel het land geopend. Dit jaar wordt de website workinnl.nl vernieuwd en geeft het de mogelijkheid om ook regionale informatie te plaatsen. Daarnaast wordt verder gewerkt aan concrete actie binnen de Alliantie Work in NL, waarin werkgevers en huisvesters ondersteuning bieden aan arbeidsmigranten en zetten we verdere stappen om informatie in landen van thuiskomst te versterken.
Daarnaast ligt op dit moment de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ter behandeling in de Eerste Kamer.7 De modernisering heeft als centrale doelstelling het effectiever maken van de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers wordt verbeterd.
Kortom, het kabinet zet tal van maatregelen door om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren.
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat dit volstrekt onnacceptabel is?
Het is ontoelaatbaar dat sommige uitzendbureaus of huisvesters de inschrijving van arbeidsmigranten in de BRP dwarsbomen. Dit kabinet zet in op een breed pakket aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren. Een van de belangrijkste maatregelen is om uitzenders een verantwoordelijkheid te geven in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Daarom streven we naar inwerkingtreding van de zorgplicht voor uitleners per 1 januari 2027.
Op verzoek van uw Kamer is met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) een wettelijke basis geïntroduceerd voor de zorgplicht van uitzenders in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Dit betekent dat uitzenders een rol krijgen in de correcte registratie van hun werknemers. Dit zal in beginsel gaan om een bevorderings- en vergewisplicht. De uitzender moet bevorderen dat zijn werknemer goed is ingeschreven en vergewissen dat deze werknemer na 6 maanden ook ingeschreven staat bij de gemeente. Momenteel werkt de Minister van SZW de bevordering-, vergewis in lagere regelgeving uit. Optioneel is het in de toekomst ook mogelijk dat er een meldplicht komt, waarmee uitzenders verplicht worden om melding te doen als een werknemer niet goed ingeschreven staat bij de gemeente. De uitwerking van lagere regelgeving gebeurt onder meer in nauwe samenwerking met uitleners, vakbonden en uitvoeringsorganisaties.
Op termijn zullen in het normenkader van de Wtta eisen worden opgenomen ten aanzien van de naleving van de zorgplicht. Deze norm zal worden toegevoegd nadat het toelatingsstelsel volledig is ingericht en de capaciteit van inspectie-instellingen voldoende is.
Daarnaast wordt er gewerkt aan andere maatregelen om in de breedte zicht op arbeidsmigranten te verbeteren. Zo gaat de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens deze zomer e-mails sturen naar arbeidsmigranten die zich hebben ingeschreven in de registratie niet-ingezetenen om hen uitleg te geven over inschrijving in de BRP. Ook ziet het kabinet goede voorbeelden, zoals in de gemeente Meijerijstad, waar het WorkinNL-punt actief op pad gaat naar werk- en woonlocaties om daar mensen in te schrijven in de BRP.
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Zie antwoord vraag 15.
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
In de situatie zoals beschreven in het artikel vindt er een combinatie van misstanden plaats waarop in gezamenlijkheid gehandhaafd moeten worden. We verwijzen daarom naar het antwoord op vraag 8 waarin beschreven wordt welke handvatten er voor gemeenten zijn om dit aan te pakken. Als het gaat om inschrijving is ervoor gekozen om nu sancties in te stellen voor de uitleners die hun zaken niet goed op orde hebben als het gaat om de registratie van werknemers. Zoals in de vorige vraag beschreven komt er per 1 januari 2027 een zorgplicht voor uitleners waarmee zij een verantwoordelijkheid krijgen in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Op termijn wordt handhaving hiervoor ook ingeregeld via het toelatingsstelsel.
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Zoals in het antwoord op vraag 14 en 16 reeds is toegelicht zijn er verschillende bestaande en in ontwikkeling zijnde maatregelen om misstanden tegen te gaan die zien op de in de vraag genoemde terreinen.
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Het algemene beeld is dat de samenwerking in de meeste gevallen goed verloopt. Wel zijn er signalen dat in situaties van meervoudige problematiek, waarbij handhaving nodig is op verschillende overtredingen die aan elkaar gerelateerd zijn en afstemming tussen meerdere instanties vereist, het nodige wordt gevraagd van de betrokken organisaties. Het kabinet gaat daarover in gesprek met onder andere gemeenten en de VNG.
Om een aantal voorbeelden te geven van waar de samenwerking goed gaat: gemeenten en de Arbeidsinspectie werken samen bij het uitwisselen van meldingen, gezamenlijke controles en via meer structurele samenwerkingsverbanden (zoals via het Haags Economisch Interventie Team). Ook heeft de VNG in afstemming met onder meer de Arbeidsinspectie de handreiking opgesteld voor beter toezicht op huisvesting en registratie van EU-arbeidsmigranten.
Politie en de Arbeidsinspectie werken onder meer samen tijdens controles, waar de politie geregeld meegaat ter bescherming van de arbeidsinspecteurs. Daarnaast haalt de politie waar nodig voertuigen van de openbare weg naar controlelocaties zodat arbeidsinspecteurs kunnen controleren op de naleving van arbeidswetten ten behoeve van onder andere vrachtwagenchauffeurs en maaltijdbezorgers.
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Het kabinet werkt onder coördinatie van de Minister van SZW aan een landelijke, integrale aanpak, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 14.
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 tot en met 8 aangegeven is het doorgaans de gemeente die verantwoordelijk is voor het directe toezicht en de handhaving op de misstanden die in het artikel staan beschreven. Zoals terug te lezen is in het antwoord op vraag 14 en 16 zet het kabinet verschillende maatregelen door om misstanden tegen te gaan. Ook bij evaluaties van bestaande wetten, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur, zal er aandacht zijn voor de effectiviteit van de geëvalueerde wetten, en de praktijkwerking daarvan.
Dit neemt niet weg dat de in het artikel beschreven situatie schrijnend is en dat de handhaving in sommige gemeenten te kort kan schieten. Het kabinet gaat hierover het gesprek met gemeenten, VNG, de Arbeidsinspectie en andere betrokken partijen graag aan.
Windturbines en grensregio’s |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Deelt u dat bij windturbines net over de Duitse grens ook de Nederlandse Staat verantwoordelijk is voor naleving van Europese en internationale verplichtingen?
Zoals in eerdere Kamervragen toegelicht1, geldt er Europees en internationaal recht dat terug te vinden is in het Verdrag van Espoo en de EU-richtlijnen over milieueffectrapportage om aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van ruimtelijke plannen, zoals windturbines nabij de grens, zo goed mogelijk in beeld te brengen en buurlanden daarbij te betrekken. Zolang dit recht gevolgd wordt, is er logischerwijs geen reden tot ingrijpen door de nationale overheid en zijn landen soeverein. Daarbij geldt dat in Nederland elke overheidslaag zijn eigen bevoegdheden heeft. Het is in beginsel aan de betrokken medeoverheden om indien er een vermoeden is dat het Europees recht niet wordt nageleefd, hierop actie te ondernemen.
Op basis waarvan concludeert u dat geen sprake is van significante grensoverschrijdende milieueffecten bij windturbines van circa 250 meter hoog, op korte afstand van de Nederlandse grens?
Deze conclusie is niet aan het kabinet. In eerste instantie is de beoordeling of er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten bij een Duits windproject aan het Duitse bevoegd gezag. De verantwoordelijkheid voor de lokale fysieke leefomgeving in Nederland ligt in beginsel bij de medeoverheden. Indien een Nederlandse overheidsinstantie meent dat er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van een Duits mer-plichtig initiatief, kan zij dit bij het Duitse bevoegd gezag kenbaar maken. Hiernaast geldt dat de Nederlandse overheidsinstantie de Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan vragen contacten te onderhouden met de bevoegde Duitse autoriteiten indien het niet lukt om contact met hen te leggen aangaande een mer-plichtig initiatief of als het overleg hierover niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
Erkent u dat het Verdrag van Espoo en artikel 7 van de MER-richtlijn gelden zodra grensoverschrijdende effecten niet kunnen worden uitgesloten, los van nationale MER-drempels?
Op basis van het Verdrag van Espoo geldt een mer-plicht voor gespecificeerde activiteiten waarbij aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten niet kunnen worden uitgesloten. Daarnaast geldt op basis van de Europese mer-richtlijn een directe mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht voor bepaalde activiteiten. De uitkomst van een mer-beoordelingsplicht kan vervolgens ook leiden tot mer-plicht. Zowel de vereisten uit het Verdrag als uit de mer-richtlijn zijn omgezet in nationale regelgeving. Hierbij geldt dat het aan het bevoegd gezag van de mer-plichtige activiteit is om de beoordeling te maken of er sprake kan zijn van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten. Alleen als uit de beoordeling volgt dat deze effecten niet kunnen worden uitgesloten, bieden het Verdrag en art. 7 van de mer-richtlijn verplichtingen rondom informatie-uitwisseling en overleg met een andere Verdragspartij.
Hoe beoordeelt u dat Nederlandse inwoners in de praktijk nauwelijks effectief kunnen participeren in Duitse procedures door taal-, kosten- en juridische drempels?
Participeren in Duitse procedures kan inderdaad complex zijn voor Nederlandse inwoners. Daarom is recent door de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) een speciale brochure2 opgesteld die inwoners van Nederland een overzicht geeft van de planningsprocessen in Duitsland, alsmede van wat de belangrijkste termen en bijzonderheden van het Duitse recht zijn. Ook verheldert de brochure welke rechten Nederlandse inwoners hebben volgens het Duitse recht, als het gaat om participatie en inspraak in de planningsprocessen.
Heeft het Rijk hierover overleg gevoerd met de provincie Overijssel, en zo ja wanneer en met welk resultaat richting Duitsland?
Er vindt vier maal per jaar overleg plaats tussen ambtenaren van de Nederlandse overheid, alle grensprovincies en ambtenaren van de Duitse deelstaten en grensregiobesturen in de NDCRO. Dit overleg is informerend en informeel van karakter en gaat over ruimtelijke plannen in het grensgebied. Tijdens dit overleg hebben de Nederlandse provincies de windmolens in het grensgebied aangekaart. De Duitse collega’s hebben uitleg gegeven over de uit te werken plannen van de Bondsregering en hoe de deelstaatregeringen hier vervolgens uitwerking aan dienen te geven. Daarnaast heeft het Rijk op ambtelijk niveau overleg met de Duitse Bondsregering over het gehele grensgebied tussen Duitsland en Nederland, waar ook gesproken is over de plaatsing van windmolens in het grensgebied. Hierbij hebben wij aangegeven wat het grensoverschrijdend effect is van de nationale beleidskeuzes van de Duitse Bondsregering. Hierop heeft Duitsland enkele zoeklocaties nabij de grens verplaatst.
Kunt u de verslagen hiervan aan ons doen toekomen?
Vanwege het informele karakter van deze overleggen worden er geen verslagen vastgesteld.
Deelt u dat overlegstructuren zoals de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) geen vervanging zijn voor juridisch afdwingbare verplichtingen uit het EU-milieurecht?
De NDCRO heeft inderdaad geen juridische status of beslisbevoegdheid. Dat is ook niet de doelstelling van het overleg. Hier brengt men elkaar op de hoogte van de ruimtelijke plannen en ontwikkelingen aan beide zijden van de grens en deelt men kennis inzake de ontwikkelingen en vraagstukken waar de partijen mee te maken hebben. Omdat de commissie het ook belangrijk vindt dat de betrokkenen aan de grens goed weten wat hun juridische rechten zijn, heeft de NDCRO voor inwoners van de Nederlandse grensstreek in de Nederlandse taal deze samengevat in de eerdergenoemde brochure.
Bent u bereid te komen tot een helder Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten ter bescherming van leefomgeving, inwoners en gemeenten?
We voorzien momenteel geen specifiek aanvullend Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten. Bestaande afspraken, zoals het verdrag van Espoo, maken voldoende duidelijk aan welke eisen moet worden voldaan. Hier is een contactpunt voor ingericht om medeoverheden daar waar nodig te ondersteunen. Dit is online te vinden. Wel zijn en blijven we in gesprek met de grensprovincies om te bezien of, en zo ja op welke wijze, we hen nader kunnen ondersteunen.
En zo ja, per wanneer?
N.v.t.
En zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Zie hierboven.
Nieuwe EU-belastingen en de voorgenomen verhoging van de EU-meerjarenbegroting 2028-2034 |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eelco Heinen (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese belastingen op komst»?1
Kunt u aangeven hoeveel Nederland in 2024 bruto heeft afgedragen aan de EU-begroting en hoeveel Nederland aan Europese Unie (EU)-gelden heeft terugontvangen, en kunt u dit omrekenen naar een bedrag per Nederlands huishouden?2 3 Kunt u daarbij bevestigen dat dit neerkomt op circa € 7,5 miljard bruto afdracht en € 3,15 miljard aan ontvangsten (netto circa € 4,35 miljard), oftewel omgerekend over de ruim 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens ongeveer € 890 bruto en € 520 netto per huishouden per jaar?4 5
Kunt u een inschatting geven van wat de Nederlandse afdracht aan de EU per huishouden zou worden als het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 wordt aangenomen? Kunt u daarbij ingaan op de eigen schatting van het kabinet dat alleen al de Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdracht voor 2028 kan oplopen tot circa € 9 miljard per jaar – zo’n € 4,5 miljard hoger dan in 2024 – wat, nog exclusief douanerechten, btw-afdracht en de nieuwe EU-belastingen, neerkomt op ruim € 1.070 per huishouden per jaar alleen al voor het BNI-deel?6 7 Kunt u bevestigen dat de grove inschatting, waarbij de overige afdrachtscomponenten (douanerechten, btw-afdracht, plasticheffing) op het huidige niveau van circa € 3 miljard per jaar worden verondersteld, uitkomt op een totale afdracht van ruim € 12 à 13 miljard per jaar, oftewel circa € 1.450 tot € 1.550 per huishouden per jaar? Kunt u een volledige, officiële raming geven van de totale afdracht per huishouden inclusief alle afdrachtscomponenten en de nieuwe eigen middelen en aangeven of mijn hierboven genoemde inschatting in de juiste orde van grootte zit?
Bent u bekend met de berichtgeving over de plannen van de EC en het Europees Parlement (EP) voor het MFK 2028–2034, waarin de begroting bijna wordt verdubbeld naar circa € 2.000 miljard en het EP zelfs inzet op € 2.200 miljard, een verhoging van 10 procent ten opzichte van het Commissievoorstel?8 9
Deelt u de opvatting dat een verdubbeling van de EU-begroting, in een tijd waarin Nederlandse huishoudens de broekriem moeten aanhalen, onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven in te zetten op «een verlaging van het voorgestelde MFK», omdat de voorziene stijging van de EU-afdrachten niet past bij de budgettaire kaders uit het Hoofdlijnenakkoord?10 Deelt u de opvatting dat het huidige niveau van de EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar al belachelijk hoog en volstrekt onnodig is?11 Bent u bereid deze kabinetsinzet radicaal aan te scherpen, niet tot een verlaging ten opzichte van het Commissievoorstel, maar tot een forse verlaging van de EU-begroting tot ruim onder het huidige niveau van € 1.200 miljard en tot een structureel veel kleinere EU-begroting dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan puntsgewijs onderbouwen waarom een EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar wél gerechtvaardigd zou zijn?
Bent u bekend met het feit dat de EC ter dekking van deze begroting vijf nieuwe «eigen middelen» (EU-belastingen) heeft voorgesteld: een vennootschapsheffing voor bedrijven met een jaaromzet boven € 100 miljoen, een tabaksaccijnsafdracht (TEDOR), een heffing op elektronisch afval en aanpassingen in de inkomsten uit het Emission Trading System (ETS) en het CO2-grenscorrectiemechanisme (CBAM), die samen circa € 58,5 miljard per jaar zouden moeten opleveren?12
Onderschrijft u de positie dat het heffen van belastingen een kernbevoegdheid van soevereine lidstaten is en moet blijven en dat de EU nooit de bevoegdheid mag krijgen om eigenstandig belasting te heffen bij Nederlandse burgers of bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat af te wijzen maar «op eigen merites» te beoordelen en daarbij al in beginsel opening heeft gegeven voor een nieuw eigen middel op basis van ETS-1-inkomsten en een nieuw eigen middel op basis van CBAM?13 Bent u bereid deze opening alsnog in te trekken en categorisch af te wijzen dat de EU eigenstandig belasting heft, in welke vorm dan ook? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid toe te zeggen dat Nederland in de Raad zijn veto zal gebruiken tegen ieder onderdeel van het Eigenmiddelenbesluit dat voorziet in nieuwe EU-belastingen én tegen een MFK 2028–2034 dat een verhoging van het totale EU-budget en/of een verhoging van de Nederlandse afdracht inhoudt ten opzichte van het huidige MFK, aangezien zowel het MFK als het Eigenmiddelenbesluit unanimiteit in de Raad vereisen?14 Kunt u daarbij bevestigen dat het Eigenmiddelenbesluit bovendien pas in werking treedt nadat alle lidstaten het hebben goedgekeurd overeenkomstig hun eigen grondwettelijke bepalingen en dat dit voor Nederland op grond van Artikel 91 van de Grondwet parlementaire goedkeuring door beide Kamers vereist, via een goedkeuringswet conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 22 112, nr. 3760) (Kamerstuk 35 711, nr. 3)
Kunt u bevestigen dat het bestaande Eigenmiddelenbesluit de Commissie nu al de mogelijkheid geeft om lidstaten te verzoeken om aanvullende, op het BNI gebaseerde bijdragen als de opbrengst van de nieuwe EU-belastingen achterblijft bij de verwachtingen, zodat Nederland via een omweg alsnog voor de rekening kan opdraaien? Wat is uw inzet om dit vangnetmechanisme voor Nederland uit te sluiten?
Klopt het dat Nederland zich tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 al heeft uitgesproken tegen gemeenschappelijke schuld voor het verstrekken van NRPP-leningen aan lidstaten, en dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 al heeft aangegeven geen voorstander te zijn van gemeenschappelijke leningen voor een nieuw crisisinstrument?15 16 Bent u bereid deze lijn te verbreden en categorisch af te wijzen dat de EU nieuwe schulden aangaat of nieuwe EU-gedekte leningen verstrekt – zoals het door de Commissie voorgestelde «Catalyst Europe»-instrument – en dat Nederland daar in de Raad ook op zal inzetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat Spanje bij de Eurogroep van 9 juli 2026 een voorstel heeft gepresenteerd voor een «European Sovereign Facility», waarbij de EC tot wel € 850 miljard per jaar aan gemeenschappelijke schuld zou kunnen uitgeven namens de lidstaten en dat dit voorstel – zoals verwacht – op weerstand stuit van met name Duitsland en Nederland, de twee landen die zich het meest consistent hebben verzet tegen verdere gemeenschappelijke schuld?17 18 19
Bent u bereid dit Spaanse voorstel en iedere vergelijkbare poging om een permanent EU-mechanisme voor gemeenschappelijke schuld (een «Europees veilig actief») te creëren, resoluut en publiekelijk af te wijzen en dit standpunt uit te dragen bij zowel de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 als bij de Eurogroep? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat er nog altijd geen besluit is genomen over de wijze waarop de circa € 750 miljard aan gemeenschappelijke schuld uit het coronaherstelfonds NextGenerationEU wordt terugbetaald en dat landen als Frankrijk en Griekenland pleiten voor het doorrollen van deze schuld in plaats van aflossing, terwijl de Franse president Macron oproept tot vervroegde terugbetaling «idioot» noemde? Deelt u de opvatting dat Nederland zich niet door dergelijke uitspraken uit andere lidstaten moet laten weerhouden van een strikt aflossingsschema? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, ook voor wat betreft de resterende aflossing en rentebetaling van de bestaande NextGenerationEU-schuld, aan te sturen op versnelde afbouw in plaats van het doorschuiven van deze lasten binnen de MFK-plafonds tot 2058? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in de onderhandelingen in te zetten op een Nederland dat per saldo geen netto-betaler meer is aan de EU-begroting, maar netto-ontvanger wordt? Zo nee, kunt u toelichten waarom Nederland structureel meer aan de EU zou moeten blijven afdragen dan het terugkrijgt?
Hoe beoordeelt u het feit dat verschillende ingewijden in Brussel de onderhandelingen willen afronden vóór de Franse presidentsverkiezingen van april 2027, uit vrees dat een eurosceptische regering het akkoord zou kunnen blokkeren? Deelt u de opvatting dat dit geen reden mag zijn voor Nederland om onder tijdsdruk in te stemmen met een voor Nederland ongunstig akkoord?
Bent u bereid om een fundamenteel andere onderhandelingsinzet naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgegaan van een substantieel lagere EU-begroting, een substantieel lagere Nederlandse afdracht, categorische afwijzing van alle nieuwe EU-belastingen, en categorische afwijzing van nieuwe EU-schulden of EU-gedekte leningen – inclusief het Spaanse voorstel voor een European Sovereign Facility? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen mag in sociale huurwoning blijven»?1
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen? Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Het verslavend ontwerp van Instagram en Facebook |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen van de Europese Commissie over het verslavende ontwerp van Instagram en Facebook1 en de berichtgeving hierover?2
Wat is uw reactie op de bevindingen van de Europese Commissie? Deelt u de analyse dat Meta willens en wetens gebruikmaakt van verslavend ontwerp, ten koste van de privacy en gezondheid van haar miljarden gebruikers?
Vindt u dat het onderzoek van de Europese Commissie snel genoeg is verlopen, aangezien al lang en breed bekend is dat Meta verslavend ontwerp toepast op Instagram en Facebook?
Wat is er nodig om de Digital Services Act sneller, effectiever en harder in te kunnen zetten tegen techbedrijven die verslavend ontwerp toepassen? Wat is hiervoor de inzet van dit kabinet?
Kunt u uitleggen wanneer Meta technische aanpassingen moet doorvoeren op Instagram en Facebook? Welke aanpassingen zijn dit?
Hoe hoog is de boete die Meta riskeert? Vindt u de boete hoog genoeg om het bedrijf tot actie te dwingen?
Wanneer moet Meta de aanpassingen doorvoeren? Is hier een harde deadline voor? Zo niet, bent u bereid hiervoor te pleiten bij de Europese Commissie?
Vertrouwt u er op dat Meta de aanpassingen zal doorvoeren? Op welke manieren kunnen de Europese Commissie of afzonderlijke lidstaten de druk opvoeren om dit tijdig te doen?
Hoe kunt u, samen met het Nederlandse veld van experts, burgerrechtenorganisaties en toezichthouders, bijdragen aan de stappen die de Europese Commissie zet tegen Meta?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Jan Schoonis (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
Wat is er gedaan sinds het in oktober 2024 aannemen van de motie van de leden Van der Werf en Becker over expertise op het terrein van femicide landelijk samenbrengen ter ondersteuning van een laagdrempelige 24/7-hulplijn?
Hoe staat het met de toezegging uit de voortgangsbrief van december 2025 dat u de meerwaarde van een onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning via het Europese nummer 116 verder zou willen verkennen? Waarom is hierover niets terug te vinden in de meest recente voortgangsbrief van 3 juli 2026? Kunt u aangeven welke concrete stappen sinds december 2025 zijn gezet?
Kunt u toezeggen dat u niet gaat wachten op de verdere ontwikkeling van Veilig Thuis en een eventuele landelijke chatfunctie van Veilig Thuis voordat u aan de slag gaat met de verdere ontwikkeling van een laagdrempelig landelijk meldpunt, zoals nummer 116 voor onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
Deelt u de mening dat een chatfunctie van Veilig Thuis niet de lading dekt van de verzoeken van de Kamer om een laagdrempelige landelijke hulplijn te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Beschikt u over landelijke cijfers waaruit blijkt hoeveel slachtoffers die zich in een (acuut) onveilige situatie bevinden zelf contact opnemen met Veilig Thuis? Wordt daarnaast geregistreerd hoeveel van deze slachtoffers voor het eerst over het geweld vertellen en om hulp vragen («first disclosure»)? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze gegevens structureel te laten monitoren?
Bent u bekend met de voortgangsbrief van december 2025 met daarin een reactie op de petitie van Valente over 116? Op welke wijze zijn de voorstellen uit deze petitie en de daaropvolgende gesprekken met Valente betrokken bij de verdere uitwerking van uw beleid sinds december 2025?
Welke concrete voorwaarden moeten volgens u worden vervuld voordat het besluit tot de verdere ontwikkeling van 116 als onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd, en kunt u de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2026 informeren?
Bent u bereid om alles op alles te zetten om voor de begrotingsbehandeling in 2026 een laagdrempelige 24/7 hulplijn die ook telefonisch bereikbaar is, bij voorkeur via het nummer 116, operationeel te hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer inzicht geven in de praktische en financiële consequenties van het realiseren van een hulplijn met daarachter een samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Indien u niet van mening bent dat dit haalbaar is, kunt u dit onderbouwen met een overzicht van de belangrijkste knelpunten en de daarbij horende kosten?
Het opnieuw weggeven van Nederlands belastinggeld aan Gaza terwijl Hamas eerdere hulpgelden liet verdwijnen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel van de door de Europese Unie (EU) bijeengebrachte circa 883,6 miljoen euro voor Gaza wordt door Nederland opgehoest1 2? Kunt u dit bedrag exact noemen en aangeven op welke begrotingspost dit wordt gedekt?
Bent u bekend met de publieke erkenning van Mahmoud al-Habbash, adviseur van de president van de Palestijnse Autoriteit, Abbas, dat eerdere hulpgelden voor Gaza via Hamas zijn ingezameld en vervolgens gewoon zijn «verdwenen»3?
Erkent u het risico dat het geen hypothetisch scenario is dat ook dit nieuwe pakket van 900 miljoen euro4 in de zakken van Hamas verdwijnt, maar een patroon dat door de eigen topadviseur van Abbas zelf is bevestigd5? Zo nee, op basis van welke harde garantie meent u dat het dit keer wel goed gaat?
Kunt u concreet, met naam en toenaam, aangeven welke «vertrouwde partners» dit geld gaan beheren en welk sluitend controlemechanisme uitsluit dat ook maar één euro bij Hamas of aan Hamas gelieerde structuren terechtkomt6? Zo u dat niet kunt, erkent u dan dat dit pakket in de praktijk een blanco cheque is aan een terreurorganisatie?
Waarom blijft u, ondanks jarenlange en nu ook door de Palestijnse Autoriteit zelf bevestigde verduistering van hulpgelden door Hamas7, keer op keer Nederlands belastinggeld toezeggen aan dit soort ondoorzichtige constructies?
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan dit pakket per direct stop te zetten nu vaststaat dat eerdere hulpgelden voor Gaza structureel in handen van Hamas zijn verdwenen? Erkent u dat ontwikkelingshulp aan het buitenland direct zou moeten worden afgeschaft en dat Nederlands belastinggeld uitsluitend aan de eigen bevolking moet worden besteed, bijvoorbeeld aan zorg, veiligheid en koopkracht, in plaats van aan buitenlandse bandieten en corrupte regimes? Zo nee, waarom vindt u het financieren van buitenlandse bandieten belangrijker dan het besteden van belastinggeld aan Nederlanders?