| Ingediend | 9 juni 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 29 juni 2026 (na 20 dagen) |
| Indiener | Jimmy Dijk (SP) |
| Beantwoord door | Hans Vijlbrief (D66) |
| Onderwerpen | burgerlijk recht organisatie en beleid recht sociale zekerheid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12427.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2399.html |
Ja.
Op 11 juni 2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele invordering.2 In deze Kamerbrief wordt ook ingegaan op de uitkomsten van de Pilot Ketenverwijzing. Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen met schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld.
Het kabinet vindt het wenselijk dat de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid krijgt om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd. Hiertoe zal een wettelijke grondslag voor gegevensdeling worden gecreëerd. Momenteel wordt ter voorbereiding hierop gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien.3
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) is een belangrijke stakeholder binnen de aanpak civiele invordering, waarmee regelmatig overleg wordt gevoerd. Ook rondom de pilot heeft er periodiek overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de KBvG.
In overleg met de KBvG, de NVVK en de VNG zal worden bezien op welke wijze, vooruitlopend op de aangekondigde wetgeving, de pilot waarbij gerechtsdeurwaarders mensen met hulpvraag kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening kan worden voortgezet. Uit de evaluatie van de pilot kwam naar voren dat een goede invulling van deze rol vraagt om de juiste vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende kennis over schuldhulpverlening. Het kabinet zal daarom de komende periode in samenspraak met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep verder te ontwikkelen.
Ja, het kabinet wil de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder versterken en zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie. In dit kader wordt ook wel gesproken over de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal in de Gerechtsdeurwaarderswet worden geëxpliciteerd dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide partijen dient te behartigen. Om goed invulling te kunnen geven aan deze rol, zal een wettelijke grondslag worden gecreëerd voor gegevensdeling met gemeenten en krijgen gerechtsdeurwaarders – als ultimum remedium – de bevoegdheid om een ambtshandeling niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze voornemens vergen aanpassingen in de wetgeving. Een belangrijke uitwerkingsvraag hierbij is op welke wijze de gerechtsdeurwaarders worden gefinancierd voor deze werkzaamheden en hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Op dit moment wordt door een extern onderzoeksbureau onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan worden vormgegeven. De komende maanden zal – in nauwe samenwerking met de stakeholders – worden gewerkt aan de nog openstaande uitwerkingsvragen, zodat het kabinet dit jaar kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving.
Ik wijs er overigens wel op dat het belangrijk is de rollen zuiver te houden. De gerechtsdeurwaarder is zelf geen hulpverlener, maar de persoon die op onafhankelijke wijze moet waarborgen dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd, rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wel kan de gerechtsdeurwaarder vanuit die onafhankelijke rol eraan bijdragen dat mensen met (dreigende) problematische schulden eerder in beeld komen bij de schulphulpverlening.
Het is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden doorverwezen. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.4 Omdat de sleutel tot succes is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd, kunnen er mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden gemaakt over de termijn waarin deze doorverwijzingen worden opgepakt. Wanneer mensen zich melden bij de gemeente moeten zij kunnen rekenen op uniforme, toegankelijke en betrouwbare schuldhulpverlening. Uit het IBO-schulden kwamen aanbevelingen om de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Hier wordt samen met het werkveld aan gewerkt.5
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd via de vroegsignalering is in 2025 licht toegenomen naar 133.600. Dit betreft circa 20% van het aantal vroegsignalen dat gemeenten ontvangen. Ongeveer een derde van de inwoners waarmee gemeenten via vroegsignalering in contact komen accepteert direct hulp. Dit is overigens niet altijd een minnelijk schuldhulptraject, maar kan ook een minder belastende oplossing zijn zoals een budgetcoach, een betalingsregeling of de inzet van vrijwillige schuldhulp. Uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden blijkt dat het aantal inwoners dat direct – binnen 30 dagen – hulp heeft geaccepteerd in 2025 vergelijkbaar is met 2024.6
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoogt dit jaar bestuurlijke afspraken te maken met vertegenwoordigers van gemeenten en vertegenwoordigers van vastelastenpartners om de effectiviteit van vroegsignalering te vergroten. Het gaat onder andere over de afspraak om het aantal inwoners waarmee in het kader van vroegsignalering succesvol contact wordt gelegd de komende jaren te verdubbelen naar circa 40%.
Ja.